Een goed voorbeeld van dien invloed vinden wij in de persoonlijkheid en het werk van den dichter wiens naam hierboven staat.
Die persoonlijkheid en dat werk vereenigen in zich zooveel trekken van veertiend'eeuwsche dichters en dichtkunst, zij toonen ons den invloed der vroegere literatuur zooveel beter dan die der meeste anderen uit dezen tijd, zij voegen bij dat gemeenschappelijke en ontleende zooveel eigens—dat WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel aanspraak mag maken op een afzonderlijke plaats in dit verhaal[1].
Hij was een spreker gelijk er zoovelen waren, doch die, naar het schijnt, de overigen in talent overtrof; in allen gevalle is hij de eenige van wiens werken ons zooveel is overgebleven en van wien wij ons daardoor eene betrekkelijk zoo volledige voorstelling kunnen vormen.
Misschien is hij omstreeks het midden der 14deeeuw geboren, en gestorven niet lang na 1408. Vóór 1375 moet hij reeds als spreker zijn opgetreden. Heeft broodsgebrek hem gedrongen tot het aanvaarden van dat beroep? Het is licht mogelijk. Mij ten minste komt het niet onwaarschijnlijk voor dat hij in één zijner gedichten over zich zelven spreekt waar hij een jonkman over zijne jeugd laat verhalen: hoewel van matigen rijkdom, leefde hij als een prins; zijne magen ergerden zich aan zijn gedrag en rieden hem aan dat leven te laten varen; maar hij stoordezich niet aan hen; toen trokken zij de handen van hem af en het liep mis met hem[2].
Eerst in 1382 vinden wij in de rekeningen der Grafelijkheid van Holland gewag van hem gemaakt; uit de wijze waarop hij daar genoemd wordt: „WILLEM VAN HILGAERTSBERGHE,enenspreker" zou men opmaken, dat hij toen nog niet zeer bekend was aan des graven hof. In het volgend jaar echter schijnt „Meester WILLEM de spreker" reeds meer bekend te zijn geworden. Behalve voor mijn Heer den Grave spreekt hij niet zelden voor andere „hoghe heren", maar hij is, zoomin als zijne kunstbroeders, te grootsch om zes „nieuwe schilden" aan te nemen voor een rok en een paar „Henegouwsche kronen" als drinkgeld. Met spijs en drank als loon voor kunst is hij niet zooals zijne mindere gildebroeders tevreden en waar hij geen kans ziet een zwanepluim rijker te worden, zooals ten huize van Heer DIRC den Commandeur der Duitsche Orde te Leiden, daar licht hij zijne hielen.
Evenals andere sprekers en zeggers wacht hij niet altijd op eigen aandrift, maar vervaardigt ook wel een gedicht over een opgegeven onderwerp. Zoo schrijft hij op verzoek der abdisse van Rijnsburg iets over de Tien Geboden[3].
HILDEGAERSBERCH'S werken geven een kort begrip van een groot deel der toenmalige literatuur: men vindt er tal van stichtelijke of zedekundige stukken, een paar dierfabels, een paar boerden, ook historische gedichten aan de tijdsomstandigheden ontleend. In zijn werk is de invloed van vroegere auteurs duidelijk zichtbaar en wij vinden er onderscheidene trekken der gelijktijdige literatuur in terug. Een geleerd dichter als MAERLANT of BOENDALE was hij allerminst; Latijn kende hij niet en zijne boekenkennis zal zich in hoofdzaak wel bepaald hebben tot den bijbel[4]. Destemeer zal hij zijn voordeel hebben gedaan met wat de geleerde „clercken" vóór hem hadden gedicht.MAERLANT'S werken, o.a. zijne strophische gedichten, zijn hem niet onbekend gebleven; doch meer had hij te danken aan het werk van BOENDALE die een paar geslachten ouder moet zijn geweest dan de Hollandsche spreker. Stukken vander Leken Spieghelzijn door WILLEM in zijne werken opgenomen. Zijn verzet tegen de materiëele voorstelling dat „God is als een mensch gedaen", zijne eigene voorstelling dat God „altemale een gheest" is, herinneren ons ook aan denLekenspieghel. BOENDALE'S beschouwing der literaire kunst is door HILDEGAERSBERCH overgenomen; de verzen:
Const is die alrehoochste schat Die men ter werelt ye besat.
zijn een weerklank van BOENDALE'S hoofdstukHoe dichters dichten sullen[5].
Evenals voor BOENDALE heeft ook voor WILLEM de dierfabel slechts waarde als voertuig van nuttige leering: „Zoo sprac Reynaert, ende hi was vroet"—daarmede besluit hij een zijner dierfabels en in een andere waar hij een hond doet spreken, acht hij zich verplicht den lezer te waarschuwen:
Niet dat honden yet spreken moghen, Mar in 't ghelijcke wert vertoghen Menighe leer tot onser bate[6].
Den invloed van MAERLANT meer dan dien van BOENDALE zien wij in WILLEM'S beschouwing der vrouwen. Bij hem als bij MAERLANT vinden wij vooral den hoofschen vrouwendienst die zich vertoont o.a. in regels als deze uit een stukVanden goeden vrouwen:
Twaer een kaerl onwijs te weten Off by maten dat uut te meten, Wat loff den vrouwen toebehoort.
„Wat een reyn wijff waerdich is", heeft hij uiteengezet en ook in andere stukken zijn eerbied voor het vrouwelijk geslacht betuigd. Die eerbied is zóó groot dat hij eervergeten vrouwen die zich onder de eerzame mengen, bellen zou willen aanhangen „die lude cloncken waer si ghinghen"; op die wijze zou men zich voor haar kunnen wachten[7].
Niet alleen door den inhoud, ook door den uiterlijken en innerlijken vorm zijner poëzie toont WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH zich een kind van zijn tijd. Allegorische personages als Trouw en Gerechtigheid, Rede als portier, Trouwe als kastelein, Eer als raadsman en dergelijke komen ook bij hem voor. Hij bedient zich van tweespraak en „disputacie", hij speelt met woorden alsbeschermendat totbescherenwordt, metvaer#envaren[8]. Zijne stukken zijn, gelijk zoovele andere didactisch-lyrische, niet zelden in coupletten verdeeld en vangen nog al eens aan met eene natuurschildering. De stof is er op de gewone schoolsche wijze verdeeld in punten, die achtereenvolgens nauwgezet en degelijk worden behandeld; reeksen los aaneengeregen sententie's zijn ook bij hem niet zeldzaam.
Bijna alle gedichten van HILDEGAERSBERCH hebben, de strekking: invloed ten goede te oefenen op de menschen en de maatschappij. Wij weten te weinig van de poëzie der overige sprekers om te kunnen beslissen of hij ook hier als type zijner soort mag gelden; doch indien de stichtelijke en didactische lyriek dier dagen grootendeels aan sprekers mag worden toegeschreven—en ik zie daartegen geen bezwaar—dan bevat WILLEM'S werk ook hier het meest wezenlijke van dat zijner tijdgenooten.
Overal vinden wij in zijne gedichten die opwekkingen en waarschuwingen om wel te leven, ten einde zalig te kunnensterven; te geven „metter wermer hant"#, niet gierig te zijn, de goede keuze te doen tusschen het tijdelijke en het eeuwige, indachtig te blijven dat wij „geenmorgenhebben", dat wij allen „op de lange vaart" moeten. Hij wendt zich tot de hooge heeren met de bede om recht en billijkheid te betrachten, klaagt over het onrecht dat zij laten geschieden, waarschuwt anderen zich niet al te veel met de groote heeren in te laten. Den rechters houdt hij het ideaal voor oogen van den waarachtigen rechter: God „die elken man ghelike recht". Den steden wijst hij den weg om tot voorspoed te komen: onderling eendrachtig zijn, geld verdienen, vreemde kooplieden aanmoedigen[9].
Evenals bij MAERLANT, anders dan bij BOENDALE, is bij WILLEM het verleden de lichte achtergrond waartegen de gebreken van het heden scherp uitkomen. Het heden ligt voor hem in het booze: Reinaert staat aan het roer en Simon#op de voorplecht. Vroeger was alles zooveel beter; toen werden Trouw en Gerechtigheid geëerd; nu denkt ieder er slechts aan zijn eigen kist te vullen. Midden in een of ander verhaal uit het verre verleden zien wij hem soms plotseling terugkeeren tot zijn eigen tijd, om dien tegenover het betere verleden te plaatsen[10].
Doch het sterke idealisme dat den onafhankelijken MAERLANT zóó forsch deed spreken, missen wij in HILDEGAERSBERCH die leven moest van het publiek. De zorg voor het dagelijksch brood hing den armen spreker als een kluister aan het been. Hij moet oppassen niet te veel te zeggen, of hij zal het voelen in zijne beurs, ja in zijn maag:
Want een dichter moet hem hoeden Voer den ghenen diet sullen horen, Dat sijs#in nide noch in toren Niet en nemen dat hi maect.
Hoe nederig vraagt hij de heeren om wat geduld; het moge hun toch niet te lang vallen als zij goede leering hooren! Zijnerzijds belooft hij maat te houden:
Een dichter die hem wel verstaet, Dien dicht niet al sijns selfs begheren.
Niet te lang, „dat heeft men gaern ter heren hove," en daaraan zal hij zich ook maar houden[11]. Vandaar in zijne gansche houding tegenover zijn publiek iets slaps en zwaks. Het hoogste waartoe hij het in dezen brengt, is zachte ironie die in haar soort vooral voor dien tijd verdienstelijk is:
Waerom souden wy trueren yet? Sint God die werelt werden liet, So ne was sy nye so wel te vreden. Die paeus die leeft by goeden reden Om te dienen onsen Heer
al het volk leeft deugdzaam, in de omgeving van den paus kent men geen afgunst en hebzucht, bisschoppen en prelaten zijn rechtschapen waar men komt—meer zal ik er niet van zeggen.
Doch ironie is bij WILLEM, en over het algemeen in de middeleeuwsche literatuur, betrekkelijk schaarsch. Gewoonlijk tracht ook deze leerdichter zijn publiek rechtstreeks te overtuigen; doch van hoe weinig idealisme getuigen doorgaans zijne gelijkvloersche argumenten. De tien geboden moet men houden. Waarom? Men leeft langer en heeft veel minder te doorstaan dan zij, die ze overtreden; die overtreders immers worden zelden oud, hunne zorgeloosheid kost hun het leven of maakt hen jichtig en lam. Met „wychelinge"#moet men zich niet afgeven: zij brengt geen voordeel aan. Één God moet men aanbidden; men kan immers „met minre arbeide" één God aanbiddendan vele? God moet men „te vriend houden" en eenvoudig weg gelooven dat Hij, onze Heer van den hemel, is één God en drie personen—„daer comt men by ten hoghen loon." Hebt gij verdriet, toon dat dan niet in uw uiterlijk: uwe vijanden zouden er in groeien. De heeren mogen hunne onderdanige schapen wel scheren, maar het vel moeten zij hun laten; dan kan er immers nieuwe wol op groeien! Wat overigens het onrecht betreft, dat moet men verdragen en zachtkens terecht trachten te brengen. Al deed de heer nog zooveel kwaad, zijne onderdanen moeten steeds
smeken ende nygen#Om hoers heren hulde#te crigen.
WILLEM ziet wel dat de Kerk in zijne dagen van den rechten weg is afgedwaald en dat vele priesters niet deugen; doch de leeken moeten er zich maar niet te zeer aan ergeren en slechts letten op wat de priesters hunleeren; er kan wel goed zaad gestrooid worden uit een slechten korf[12].
Dat de roeping van den dichter is vóór alles: priester der waarheid te zijn, hadden MAERLANT en BOENDALE WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH geleerd; hij heeft getracht die leer in praktijk te brengen, doch zijn beroep kwam telkens met zijne roeping in strijd. „De waarheid wil niet gehoord zijn" dat was meer dan eens zijn droeve ervaring, en de omstandigheden dwongen hem daarin te berusten. Echter bracht die berusting hem niet tot lijdelijk stroomaf drijven; hij bleef roeien met de riemen die hij had. Ik zal leeren dicht bij het wit te schieten, niet het wit zelf te treffen, zegt hij in het gedichtvan den coninc van Poertegael. Maar zijn eerlijk eenvoudig hart, verdeeld tusschen ideaal en werkelijkheid, blijft droevig gestemd:
Hoe sal ic dan, arme oude, Die gaerne die waerheit spreken soude, Der heren gunst of hulde verwerven?
In die verdeeldheid, in die droevige stemming is hij waarschijnlijk blijven verkeeren tot zijn dood.
Hij had de Fortuin gezocht oost en west, maar nooit gevonden. Doch al was zijn voorspoed naar de wereld gering, hij wilde zijn loon verwachten van God, zijn lijden geduldig dragen. Had het sprekerswerk hem geen stoffelijke winst gebracht, ook den invloed, door hem als dichter geoefend, schatte hij gering. Wat werkt al ons dichten en verzinnen uit? vraagt hij ergens, en met lichten spot antwoordt hij zelf: de menschen worden tegenwoordig zóó deugdzaam, dat matiging en billijkheid in hen blijven als in bodemlooze vaten. Elders klinkt het zonder spot en mismoedig:
Oft al om niet is dat ic doe, Wat sel dan arbeit onderstaen?#
Hij gaat zijn leven als spreker nog eens na: hoeveel schoone „exempelen" heeft hij voor de heeren gesproken; al zijn verzen spraken van rechtvaardigheid en eer te betrachten; hoe liefelijk men treedt op het pad naar den hemel—hoe vuil het pad is dat ter helle voert. Maar weinig hebben de menschen er zich om bekommerd; zij hebben den achterkant naar voren gekeerd
Dus clop ic veel an doofmans deur; Al roep ic lude, en mach niet in.
Zijne tijdgenooten zijn gestorven of verdwenen, hij zelf wordt vergeten, zijne ledematen gaan hem begeven, hij hoort het vesperklokje luiden. Zelf is hij moede en verlangt naar rust. Eindelijk komt de man "met het witte kleed",.die niemand spaart, ook hem halen. In April 1409 kocht graaf WILLEM VIeen boek „dairin stonden vele schoonre sproken, die Willem van Hillegairtsberge gemaeckt hadde"; dat zal wel de voornaamste nalatenschap van onzen spreker geweest zijn[13].
Die nalatenschap zou er misschien anders hebben uitgezien, indien zijn talent zich onder gunstiger omstandigheden had kunnen ontwikkelen. Want eenig talent had WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH wel. Zijne vergelijkingen zijn niet zelden aardig gevonden; zoo b.v. die van de stichtelijke woorden, die langs de meeste kerkgangers afglijden als hagelsteenen langs de kleeren. Hoe goed van waarneming is dat huiselijk tooneeltje, waar wij middeleeuwsche huisvrouwen aan het spinrokken zien, terwijl de jonge kuikens met de klokhen om haar heen in de zon loopen. De vergelijking van het leven bij een zeereis is ook verdienstelijk uitgewerkt[14].
Vertellen kan WILLEM ook wel; dat blijkt ten deele uit zijne fabels en de sprokevan Sinte Gheertruden min, maar vooral uit de twee boerdenvan het gestolen varkenenvan den Monnik[15]. Welk een levendigheid en gang is in die verhalen, al worden zij hier en daar vertraagd door de zucht tot leering en vermaning; welk een talent van waarnemen en voorstellen; welk een blijkbaar welbehagen ook in de behandelde stof! De door den duivel bedrogen monnik vooral is kostelijk! Aan zin voor echten volkshumor paarde deze spreker een loffelijk vermogen van waarneming. Dat vermogen toonde hij in zijne verhalen; hij toont het ook waar hij anderer of eigen gemoedsleven afbeeldt. Hoe juist heeft hij die zwakke en zorgelooze menschen gezien, die zich geene behagelijke zonden willen ontzeggen en denken: als wij ouder worden zal onze zinnelijkheid vanzelf wel afnemen en onze „nature vercouden". HILDEGAERSBERCH heeft het eerst de verveling van den traag voortkruipenden tijd beseft en in woorden gebracht:
Als my die tijt verlanghen dede, So had ic ziecte ende onghevoech, Ic hoorde wat die clocke sloech, Die tijt, die ghinc van ure tot uren[16].
Meer dan een zijner kleinere stukken mag bevallig worden genoemd. Zoo b.v. dat gedicht op het scheiden, dat aanvangt:
Ic heb op#scheyden horen spreken, Dattet vroechde mochte breken Onder tfolc, verre off naer, Die uut dier nature beke Mit ghenoechten soude leken, En dede#der argher nyders schaer, Die menichwerve binnen der weken Goet gheselscap doen versteken, Die liever bleven tsamen daer, Al moeten si scheiden ane vaer#[17].
Ook is er in zijne poëzie hier en daer iets persoonlijks, dat ons in een middeleeuwsch dichter door zijne zeldzaamheid treft en dat wij vóór dezen slechts een enkelen keer hebben aangetroffen bij MAERLANT, waar hij zijne grijze haren in den spiegel ziet. Ik heb het oog o.a. op een reeds vroeger vermeld stuk, dat wel een van des dichters laatste zal zijn:
Ic bin al moede, ic wil gaen rusten; Van des mi wilen#plach te lusten Des wordic sat, en weet niet hoe. enz.[18]
Ook op de inleiding van het gedichtVan Ghilden, waar hij op zoo naïeve wijze getuigt hoe onzeker en schroomvallig hij zich gevoelt door zijn gemis aan kennis en ontwikkeling. Altijdis hij bang in strijd te komen met „die scrifture", wanneer hij iets gemaakt heeft. Die „anxte zwaer" voor de wijsheid, die in geschriften ligt opgetast, benauwt hem, drukt op zijn denken en zijn verbeelding, als het net op een vogel. Denkt hij over iets na, dan schiet hem tevens te binnen dat dit alles misschien lang en breed in een of ander geschrift te vinden is:
Want die clergie#is so subtijl: Daer ic om peynse lange wijl, Dat vinden sy varinc#inder scrift; Dit doet dat ic met anxten dicht. Anxte die heeft my veel becoort, Als ic dichte of brenghe voort Enigherhande hoghe sake[19].
In die stemming moet hij dikwijls verkeerd hebben en het behoeft geen betoog dat zijne poëzie daaronder geleden heeft. De boerdevan den Monniken, in mindere mate, dievan het gestolen varkentoonen ons wat hij kan, indien hij zich durft laten gaan; doch vermoedelijk zal hij zelf deze stukken niet hoog hebben gesteld. Opmerkelijk is het, wat er onder zijne handen wordt van de fraaie geestelijke romancevan Sinte Gheertruut[20]. WILLEM'S bewerking heeft meer dan driemaal den omvang van de romance; in dichterlijke waarde echter overtreft het lied van den volksdichter de sproke van den spreker: de eerste is een werk van verbeelding, de laatste hoofdzakelijk verstandswerk. Het is er HILDEGAERSBERCH van den aanvang af om te doen, zijnen hoorders de beteekenis van de Sint-Geerteminne uit te leggen; ook andere deelen der stof wenscht hij voor het verstand zijner hoorders aannemelijker te maken, zoo b.v. de reden waarom SINTE GHEERTRUUT juist tot SINT JAN zich zoozeer aangetrokken voelde. Het gansche verhaal trouwens geeft hij aan zijn publiek ter leering:
By desenexempelmoochdi leren, Dat hem nyemant en laet bedrieghen.
en hij verzuimt niet zich meer dan eens tot zijne hoorders te richten met een stichtelijke waarschuwing of opwekking.
De ridder in de sproke is, evenals zijn maker, iemand in wien het verstand overheerscht, die redeneert, en, waar hij eens onverstandig handelt, daarover door den dichter berispt wordt: „Doe en dede hi niet als die vroede." Hij gevoelt wel liefde voor SINTE GHEERTRUUT, doch het is hoofsche liefde:
Ghestade te bliven in horen dienst Sonder enich dorperheit;
De ridder in het volkslied is een type van gewone menschelijkheid; hij houdt van eten en drinken en tournooien en ledigt den beker tot den bodem; hij kan zijn hartstocht voor de schoone non tenauwernood bedwingen: als hij haar in het klooster eens niet mag zien of spreken, vreest hij dat zijn hart breken zal.
Uit verbeelding en hartstocht ontstond in het lied de poëzie die uit de sproke geweerd is door zucht tot leering en stichting. Nergens blijkt dat zoo duidelijk als bij het eerste afscheid van den ridder, wanneer hij al zijn goed in den dienst van SINTE GHEERTRUUT heeft verteerd. De overeenkomstige deelen van beide gedichten volgen hieronder:
Lied(c. 10–14). Drie jaer lanc heeft die ridder dit [ghepleghen, Des so en heeft hi niet behouden: Sijn schat ende sijn goet heeft hem [altemael begheven, Des hadde die ridder also groten rouwe. „Adieu, goet lief ende blijft ghesont, „Adieu, ende ic moet immer van u [scheiden! „Die wech en is mi niet becant, „Te dwalen aen gheenre wilder heiden. „Och, lacy, god, het is altemael verloren: „Wat coste dat ic daaraen hebbe geleit! „Hadde ic dat so wel gheweten te voren, „Ic woude van der joncfrouwen hebben [ghescheiden." Dus is die ridder uutghestreken In eenre duustre avontstont, Hi is gaen dwalen aen gheenre wilder [heiden, Die wech en was hem onbecant. Doe dat quam omtrent der middernacht, Druc ende liden so ghinc den ridder an, Die viant#die hadde [hem also schier verwracht, Hi stont gheschapen of dat waer een man.
Sproke(vs. 148–170). Daer nae wart hi des ghevens mat, Want sinen staet die quam ten [ende. Doe was die ridder in ellende, Ende hi en wiste hem ghenen raet: Dat dede, hi most sijn hoghe staetDalen laten aen sinen danck. Doe wort sijn hope al te cranck, Ende hi dochte in sijn moet: „Al creghe ic dese joncfrou goet, „Ic en mochtse niet in eren [houden, „Waer op so willic mi verhouden „Off verstroyen tenighen tijden?" Doe most die ridder sorghe lyden, Des hi onghewone was Daer te voren, als ic las. Ende als hi stont in dit ghepeyns Ende dochte harwaert ende [gheyns, Doe quam die bose tot hem [ghegaen Ende was recht als een man [ghedaen. So wye dat in wanhope sy, Daer is die vyant gheerne by; Want hy en#dan best [becoren mach, So poecht hire om nacht ende dach.
Maar ook elders in de beide gedichten: het sluiten van het contract met den Booze, het drinken van den beker van Sint-Geerteminne, de tweede samenkomst van den ridder met den duivel zien wij dergelijke tegenstellingen als in de boven medegedeelde stukken. Opmerkelijk is ook, dat bij die tweede samenkomst in het volkslied SINTE GHEERTRUUT, blijkbaar onzichtbaar voor den ridder achter hem te paard gezeten, den Booze ontzag inboezemt. HILDEGAERSBERCH die dit vooreene heilige minder passend zal hebben gevonden, maakt er geen gewag van.
De indruk, dien WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH'S persoon en werk ten slotte bij ons achterlaten, heeft iets droevigs: een dichter van eenig talent die gaarne zijne roeping als dichter zoo goed mogelijk zou vervullen, daarin belemmerd of verhinderd door den dwang van zijn beroep; dien de ontwakende wetenschap schroomvallig maakt, zoodat hij zich niet durft laten gaan; die zich verplicht acht, echte poëzie waar hij die bij een ander vindt, weg te werken voor leering en stichting; die scheidt uit dit leven in de neerdrukkende overtuiging dat hij tevergeefs heeft geleefd.
Echter, ook zóó is hij den geschiedschrijver lief als een merkwaardig type van de dichters der 14deeeuw; merkwaardig ook als vertegenwoordiger der kleine Hollandsche volkseenheid waartoe hij behoorde. Stond MELIS STOKE nog vijandig tegenover de Vlamingen—deze Hollander vond zijne voorname leermeesters in den Vlaming MAERLANT en den Brabander BOENDALE. In HILDEGAERSBERCH'S werk zien wij voor het eerst dien ontwikkelenden invloed, door het Zuiden op het Noorden geoefend, waarvan wij ook in het vervolg van dit werk meermalen zullen gewagen.
[Voetnoot1: Ik verwijs hier natuurlijk vooral naar de uitgaaf zijner werken door BISSCHOP en VERWIJS en de uitstekende Inleiding daarop; voorts naar hetgeen JONCKBLOET over hem heeft medegedeeld en het degelijk overzicht van Dr. TE WINKEL. Fragmenten van zijn werk zijn medegedeeld injahrbuch d.V.f.N. Sprachf., XII, 106; XV, 39 flgg.]
[Voetnoot2:Ged., bl. 127.]
[Voetnoot3: Zie de rekeningposten medegedeeld in de Inleiding op deGedichten, bl. VII-VIII. De plaatsen waar WILLEM zich bepaaldelijk richt tot dehereno.a. bl. 16, 23–24; 18, 224; 18, 1 vlgg.; 105, 127–8; 109, 167; 111, 168; 133, 94 vlgg.; 142, 14–18; 166, 224; 183, 115; 216, 257.Van den X Gheboedenop bl. 12 derGedichten.]
[Voetnoot4:Ged., bl. 45, 32–34; 71, vs. 14–17; 155, 153–4.]
[Voetnoot5:Ged., bl. 173, 131–2.]
[Voetnoot6:Ged., bl. 21, 82; 90, 68 vlgg.]
[Voetnoot7:Ged., p. 73, no. 34; 195, 38–42; p. 240 (no. 114). Over den invloed van MAERLANT zie de Inleiding tot deStroph. Ged.(edd. FRANCK en VERDAM), p. LXXXIX.]
[Voetnoot8:Ged., bl. 205, 104 vlgg.; 183, 220; 25, vs. 65–7; 71, 25 vlgg.; 149, vs. 46.]
[Voetnoot9: Vgl. o.a.Ged., 3, 202; 13, 85 vlgg.; 14, 18; 24, 272; 61, 5–8; 107, 18; 156, 77–78; 248, 126; 18, 224; 23, 107; 40, 48; 139, 61; 96, 104; 120, 73; 4, 90; 4, 115; 5, 139–141.]
[Voetnoot10:Ged., 25, 8; 36, 12–25; 135, 104; 205, 80; 19, 92; 54, 123; 55, 190; 146, 290–2.]
[Voetnoot11:Ged., 164, 26; 109, 149 vlgg.]
[Voetnoot12:Ged., bl. 40 (no. XIXVan Mer.); 7, 80; 7, 126; 49, 56; 101, 73; 222, 22; 238, 120; 239, 161; 4, 61; 16, 23; 111, 17; 113, 193.]
[Voetnoot13: Opvatting zijner taak als dichter vgl.Ged., 16, 1; 45, 18–20; 53, 1; 66, 9–10; 169, 10–23; 247, 5–7. Over zijn zwerven en zijn tegenspoeden, bl. 183 (Van der Avontuer); invloed zijner poëzie:Ged., 226, 17–21; 236, no. 111. Laatste jaren en dagen: bl. 66, vs. 9–10; 183, 1–8; 236, no. 111; 239, no. 113; 249, no. 119. Voorstelling van den Dood als een man in het wit gekleed, bl. 201, 121-'2; 202, 213-'6. NalatenschapInleid.tot deGed., IX.]
[Voetnoot14:Ged., 2, 116–117; 31, 109–132; 245, 137–150.]
[Voetnoot15: De stof der eerste boerde vindt men ook in het Fransche fabliaudu Boucher d'Abbeville(Recueil de Fab. van Montaiglon et Raynaud, III, 227); de stof der tweede heb ik elders niet teruggevonden.]
[Voetnoot16:Ged., 242, 36.]
[Voetnoot17:Ged., bl. 116.]
[Voetnoot18:Ged., bl. 236.]
[Voetnoot19:Ged., bl. 117; vgl. ook vs. 16 „mit anxten zeer bevaen" en vs. 20, 23.]
[Voetnoot20: InHet Lied in de Middeleeuwen, bl. 605 vlgg. is door mij aangetoond dat er eene betrekking moet bestaan tusschen beide gedichten (vgl. bl. 616–617). Alles pleit er voor aan te nemen, dat het volkslied het oorspronkelijke zal zijn, dat door HILDEGAERTSBERCH is omgewerkt. Het is ook opmerkelijk, dat wij juist in dit gedicht van H. de vermelding van eene bron vinden in vs. 162: „als ic las."]
Naast het werk van HILDEGAERSBERCH plaatsen wij dat van DIRC POTTER als een ander type van veertiend'eeuwsche dichtkunst.
POTTER, een Hollandsch edelman, diende eerst graaf ALBRECHT, later WILLEM VI, daarna Vrouwe JACOBA als secretaris. In die hoedanigheid vergezelt hij zijne meesters op reis en wordt ook wel met zendingen belast; een tijd lang vervult hij den post van baljuw van den Haag. Voor zijne getrouwe diensten wordt hij door Graaf WILLEM beloond met de hofstede ter Loo in het ambacht van Voorburg, waar een paar eeuwen later een andere secretaris van Hollandsche vorsten zich een buitenverblijf zou stichten.
Toen hij in 1428 gestorven was, bleef JACOBA zijne goede diensten in dankbare gedachtenis houden; de zoon van den trouwen dienaar, GERRIT POTTER VAN DER LOO, zag het erf, hem door zijn vader nagelaten, met nog vijftien morgen lands vergroot[1].
In zijne jonge jaren, aldus vertelt POTTER zelf ons, werd hij met een geheime zending naar Rome belast. Hij bleef er langer dan een jaar. Overviel hem bij wijlen de melancolie—zou het geen heimwee zijn geweest?—dan ging hij wandelen langs een stroomend water. Daar verschijnt hem vrouw Venus die hem opwekt in een gedicht „den loop der minne" te beschrijven, opdat ridders, edele vrouwen en schildknapen daaruit mogen leeren wat liefde en minne is. Aan die opwekking gafhij gehoor en schreef het werk, dat door hem zelvender Minnen Loopis genoemd[2]. Mogen wij POTTER'S voorstelling van zaken naar de letter opvatten, dan had hij, toen hij zijn gedicht schreef, met de liefde afgerekend. Zelf had hij meer last dan lust van haar gehad: „wat hij jaagde, bleef ongevangen"; den zoeten drank had hij nooit gedronken[3]. Nu wilde hij jongeren met zijne ervaring van dienst zijn, hun het rechte pad wijzen, hen waarschuwen voor het kwade.
Doch van welken aard zijne beweegredenen ook mogen geweest zijn, in allen gevalle moet zijn werk worden aangeduid als eenleerdicht. De woordenleerenleerenvloeien hem telkens uit de pen: „had hij maar gedacht aan zijne leer!" zegt hij van een ongelukkigen minnaar, die niet op zijne hoede is geweest en ten gevolge daarvan met een hamer „opten cop" werd geslagen, zoodat hij nooit meer een minnebrief schreef. „Denkt maar aan deze leer!" zegt hij tot de minnenden, „dan dwaalt gij niet van het rechte pad af." Een minnaar moetleeren; vóór alles moet hij geduld leeren: vrouwen zijn veranderlijk, haastigheid is nooit goed, en dan: de boom valt immers niet met den eersten slag?
In overeenstemming met het karakter van het leerdicht heeft POTTER zijn werk verdeeld in vier boeken, die achtereenvolgens handelen over dwaze, goede, ongeoorloofde en geoorloofde liefde. In de goede reine liefde onderscheidt hij weer vier graden, zooals de mystieken die in de goddelijke liefde aannamen. De inhoud dier boeken bestaat in tal van meer of minder bekende liefdesgeschiedenissen, telkens besloten met een les of eene waarschuwing; niet zelden ook gaat een of andere algemeene zedekundige stelregel vooraf en dient het dan volgend verhaal als „exempel". Tusschender Minnen Loopen een leerdicht alsDe Spiegel der Zondenis dus alleen dit verschil, dat de liefde hier de plaats der hoofdzonden inneemt en datde „exempelen" in het eerste werk meer plaats beslaan dan in het laatste. Ook de neiging tot spreuken en spreekwoorden en wendingen als: „kinder mijn", „salighe wiven", „lieve vrienden" ontbreken hier niet. Dat deze leerdichter slecht te spreken is over den „scalken vos Reynaert", kan ons niet verwonderen[4].
Evenals de overige leerdichten is ookder Minnen Loopeen vrucht vooral van lectuur. De secretaris der Beiersche graven van Holland was een groot lezer, zooals hij zelf ons meer dan eens vertelt. De Godheid contempleeren, dat liet hij den theologen, de medici mochten zich moeien met hetgeen den zieken te pas komt, de wetgeleerden met hunne codices en digesten—„poëten ende historiën zanck" dat was wat hem smaakte. Vrouw Venus zelve wekt hem dan ook op, allerlei liefdesgeschiedenissen in zijn geheugen terug te roepen om ze aan anderen opnieuw te vertellen.
Tal van verhalen, aan OVIDIUS'HeroïdesenMetamorphosenof aan den Bijbel ontleend, zijn door POTTER in zijn werk gevlochten:Pyramus en Thisbe,Hero en Leander,Phoedra en Hippolytus,Ahasverus en Vasthi,David en Michol,Jacob's dochter Dinazijn eenige der meest bekende. Ook van elders heeft hij zijne stoffen ontleend; hij kent blijkbaar het werk van den Duitschen „minnesinger" NEIDHART VON REUENTAL („Heer Nytert van Ruwendael"), den romanvan Tristan en Isoldeen WOLFRAM VON ESCHENBACH'STiturel; ook de romansvan Malegijsenvan Parcivalen eene novelle als dievan Griseldis, hier onder den naamvan Orphaen en Lympiose[5]). POTTER is zoozeer vervuld van zijne literaire herinneringen, dat hij soms een beroep doet op de lectuur van zijn publiek. In het verhaalder Borchgravinne van Vergidat ook door hem in zijn werk is opgenomen, zegt hij tot zijn lezers of hoorders:
Dat hebdi lichte ghelesen mee.
De heldin van een zijner verhalen, PERNELLA, leest in een of ander geschrift dat men in een liefdesbetrekking goeden dienst kan hebben van een vertrouweling; eerst die mededeeling brengt haar op de gedachte zich te verzekeren van de hulp eener kamenier. Aan het slot van zijn werk verzuimt POTTER niet, de eerbare vrouwen eraan te herinneren dat de dichters, zooveel over haar geschreven hebben[6].
Het is begrijpelijk, dat in het werk van een auteur die zooveel las, zich de invloed der vroegere literatuur vertoont; dat denkbeelden en opvattingen, langzamerhand door de literatuur tot gemeen goed geworden, in zijn werk worden aangetroffen.
De kleurensymboliek die wij hier en daar inder Minnen Loopvinden; het ontstaan van een dichtwerk uit eene „fantasie" waarin de dichter eene verschijning ziet; eene „vraghe" door den auteur aan zijn publiek gesteld, en die hij zelf niet kan „solveren"; het noemen van zijn naam in de aanvangsletters der slotregels van zijn gedicht—dat zijn altemaal trekken die wij ons uit de poëzie vóór POTTER herinneren[7].
De gansche voorstelling der liefde als een „verband der herten" herinneren wij ons reeds uit denWapene Martijn. En waar wij POTTER met nadruk hooren beweren dat alle verschil van stand voor de liefde moet wijken en met blijkbare instemming vermelden dat de gemaal van LYMPIOSE deugd boven afkomst stelde, zouden wij ook daar niet aan MAERLANT'S invloed moeten denken?
Eene herinnering aan HILDEGAERSBERCH vinden wij misschien in POTTER'S klacht over zijn vijand „die avontuyer", die hem in de minne altijd ongunstig was geweest. BOENDALE'S invloed zien wij in de gelijkstelling van leeken en geestelijken; die wij aantreffen in deze regels:
Elck dient bijsonder sinen God: Soe wael dient Gode Hein ende Han#, Ghelijck doet een begheven man#, Al staet die een in hogher scouwe.
Ook in POTTER'S verheffing van het huwelijk boven den ongehuwden staat en in zijn onderscheiding vanvrouwenenwivenmogen wij staaltjes van BOENDALE'S invloed vermoeden[8].
Het spreekt vanzelf, dat in het laatste geval behalve met BOENDALE'S invloed rekening moet gehouden worden met den ganschen tijdgeest; immers ook in dit onderscheid openbaarde zich die vrouwendienst die zulk een gewichtig aandeel heeft gehad in de gemoedsontwikkeling der moderne volken.
Het loont de moeite na te gaan, hoe die vrouwendienst door dezen Hollandschen edelman is opgevat, wat hij daaruit heeft overgenomen en in hoever zijn oorspronkelijk wezen daardoor ongewijzigd is gebleven.
Met DIEDERIC VAN ASSENEDE en zoo menig ander hoofsch dichter van vroegeren tijd is POTTER het eens, dat geen recht begrip van liefde kan wonen in „rude menschen van grover aert": boeren, visschers, slagers, smeden, spitters en delvers, monniken, schippers en allerlei ambachtslui zijn nooit door de liefde ten verderve gevoerd. Toch maakt hij ééne uitzondering en wel voor hen „die van naturen edel sijn" en die hij plaatst nevens de lieden „van goeder gheboort". Hij kan zich wel voorstellen dat een minnend paar waant in het bezit te zijn van „een graal van zaligheid". Minachtend laat hij zich uit over huisbakken jongens die te dikhuidig zijn om de liefde te begrijpen. Overal houdt hij in zijn werk de eer hoog. Zijn kieschheidsgevoel is reeds vrij ontwikkeld: bij verhalen als dat van PASIPHAË en van VIRGILIUS' wraak op een meisje dat hem in een mand ten toon had gesteld, schaamt hij zich voor zijnehoorderessen of lezeressen en verontschuldigt zich over zulke mededeelingen. Ook heeft hij een goeden dunk van de vrouwen zijner dagen; hij twijfelt er niet aan dat men er onder de eerbare goede vrouwen nog wel zou vinden die voor hare mans zouden willen sterven[9]. Maar niet zoozeer is hij in bewondering voor de vrouwen of hij blijft indachtig dat zij toch menschen zijn en veranderlijke menschen, die wel eens „neen" zeggen als zij „ja" meenen. De vrouw moet „heer" zijn en de man „knecht"—ja, zegt POTTER, dat geldt voor de rechtbank der liefde, maar in het huwelijk is het iets anders: „daer sal die man een voocht#wesen".
Al die liefde en vrouwendienst is heel mooi, maar ten slotte staat toch de huwelijksliefde het hoogst. In overeenstemming daarmede handelt het tweede boek dat verreweg het omvangrijkst is, over de „goede reine minne"; het derde, verreweg het kleinste, over de ongeoorloofde liefde[10].
In zulk eene beschouwing van vrouwen en vrouwendienst kon bezwaarlijk plaats zijn voor eenig medegevoel met den hartstocht. Eene liefde als die van MEDEA, DIDO, HELENA, ARIADNE, rangschikt POTTER dan ook onder de „gecke minne". Hartstocht die aan een minnaar of eene minnares het leven kost, daar kan hij niet bij:
Om sulc wee te bliven doot, Dat en docht mi sijn gheen noot.
HERO zou hem bijna verteederd hebben. Wanneer hij de droeve geschiedenis dezer twee koningskinderen die elkander zoo lief hadden, verteld heeft en hoe HERO met LEANDER'S lijk in zee springt, dan geraakt hij zelf onder den indruk en stemt een lofzang aan voor de trouwe liefde:
O edel vrouwe ende goede man, Hier sal men truwelic deyncken an.Hier liet truwe#truwe bliken. Der truwen en woude sy niet bezwiken. Die wile si leefden waren sy Onverscheiden ende wandels vry: Dus sijn sy in der lesten noot Onghescheiden ghebleven doot. Daer wrocht Venus den rechten aert.
Maar te rechter tijd komt hij nog tot bezinning en besluit zijn lofzang met:
Nochtan waer beter tlijff[het leven.] ghespaert, Also als ic voer hebbe bescreven.
Liefde is goed, maar—getemperd:
Minne sal sijn te maten heet, Te maten cout ende wail ghesmeet .... Vrou mate is een edel vorstinne.
Hollandsche bezadigdheid kwam hier in botsing met uitheemschen hartstocht, Hollandsche zedelijkheid met geïdealizeerde zinnelijkheid. Toch is POTTER'S gevoel van zedelijkheid niet bijzonder hoog ontwikkeld. Kan een minnend paar zich volstrekt niet bedwingen, dan moeten zij hun gang maar gaan—indien het dan slechts heimelijk gebeurt, zoodat de eer naar de wereld ongeschonden blijft. De wagenmenner MIRTHOÜS helpt door bedrog zijn meester PELOPS aan het bezit der schoone HIPPODAMIA; PELOPS heeft MIRTHOÜS zijn deel in dat bezit beloofd; als MIRTHOÜS zijn meester nu komt manen om de vervulling der belofte, werpt PELOPS hem in zee waar hij verdrinkt. POTTER vindt dit volmaakt billijk: aan een onredelijken eisch moet op onredelijke wijze voldaan worden; deze boef kreeg loon naar werken.
Mannen en vrouwen gelijk stellen op het punt van echtbreuk, dat gaat niet aan, zegt POTTER. De eer van den man lijdt er naar de wereld niet onder of hij al eenige bastaarden heeft; bij de vrouw is dat heel wat anders. Ook heeft men dikwijls gehoord dat heidensche vorsten en andere mannen twintig, veertig of honderd vrouwen hadden, doch ééne vrouw twee mannen—nooit! Kortom, het is een verschil als van dag en nacht[11].
POTTER moge kennis gemaakt hebben met het werk van GODFRIED VON STRASSBURG en van WOLFRAM VON ESCHENBACH, hij moge OVIDIUS'HeroïdesenMetamorphosenhebben gelezen—een dichter als zij is hij niet geweest. Het licht en liefelijk spel van GODFRIED'S verbeelding, WOLFRAM'S diepte en innigheid, de fijnheid en bevalligheid van OVIDIUS, men zoekt ze in zijn werk tevergeefs.
Dat POTTER'S smaak nog niet zeer ontwikkeld was, gaat men reeds vermoeden wanneer men eene vermelding van PARCIVAL'S zoeken naar den Graal aantreft op bedenkelijk korten afstand van de jacht op een wilden witten haas, die door een vijftal gezellen drie jaar lang werd voortgezet. Dat vermoeden wordt versterkt, waar wij hier en daar slordige of lamme rijmen aantreffen en platte beeldspraak. In het eerste boek, van de „gecke" minne, zegt hij tot de vrouwen: hebt gij last van de liefde, weest dan voorzichtig in de keus van uw minnaar of zooals hij het uitdrukt: kookt uw spek in goed rivierwater! Van minnende paren heet het elders:
Sijn zij in kercken of in clusen, Die cat siet altoos na den musen.
Een minnaar kan veel dienst hebben van een vertrouwden vriend, maar laat hij oppassen dat uit den vriend geen medeminnaarworde, die de „potage met het spek" naar zich toe haalt[12]. Doch tegenover zulke plaatsen die bovendien niet talrijk zijn, staan vrij wat andere die getuigen dat POTTER, al was hij geen groot dichter, toch niet van talent ontbloot was. Verdienstelijk is b.v. zijn lofzang op de
Rechte mynnentlike minne, Die den menschen in den zinne Verwerret lecht ende ghestricket.
Hoe aardig is in het eerste boek de schets van den jeugdigen zot, die door een meisje voor de grap als minnaar is aangenomen, slechts voor deze Meimaand en niet langer. Wat is dat zomergekje dan opgewonden! Hij brengt zijn liefste een meitak, hij vertelt aan een van zijne vrienden uit Zotteghem—soort zoekt immers soort?—dat hij een liefje heeft die doet wat hij wil; samen gaan zij er op uit om haar ergens te zien. Gebeurt hem dat, dan is het al te mooi, dan moet er een dronk op staan:
So sal hi dan sijn gheselle gaen slepen In den wijn; daer gaen si sitten. Die wile hi zweeft in deser hitten, So werpt hi sijn arm in die lucht Ende maect een heerlic gherucht#: „Wy hou! ic heb minen boel ghesien! „Huden#en mach mi niet misschien#!" Vrolic is hi mit ghesanghe. So vraghen die ander also langhe, Dattet die heelghesel al seit, Wair dat Hannen sin op steit. Des wondert den ghesellen dan Ende segghen: „Is Hannen alsulken man?"Ende dat hoert Hannen al te gaern, Dat die ghesellen van der tavaern Weten van sire minnen staet[13].
Kon POTTER de kunst van OVIDIUS al niet navolgen, veel min evenaren, men kan toch zien dat het verhaal van HERO en LEANDER, zooals het in deHeroïdesvoorkomt, indruk op hem heeft gemaakt; zijne bewerking treft ons hier en daar door een zachte bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt door den welluidenden klank onzer middeleeuwsche taal. Zoo in dat deel van het verhaal, waar HERO beschrijft hoe zij op LEANDER zit te wachten:
Als my die vake dan bestaet Ende twater an die mure slaet, Soe waen ic alle weghe#dan Dattu daer biste, mijn liefste man. Wat ic lope, en vinde niet. O wy! wat is my gheschiet! Ic wachte, ic wake, twort my zuyr; Ic sitte dromende by den vuyr; My donct dan dattu by mi bist, Dat alle gader niet en ist. Als ic dan weder wakende werde, So sitte ic noch bij den haerde Ende droghe die schone sachte doecken. O wy! ic mach dat water vloeken, Dat so onstuyr#heeft gheweest Van groten storme ende tempeest[14].
En waar POTTER zich eens durft overgeven aan zijn gevoel, omdat hij immers „van goede reine minne" spreekt, hoe verrasthij ons daar met dit liefelijk miniatuurtje van een paar gelieven:
Daer legghen sy in groter lust: Menichwerff wart dair ghecust, Die lipkijns werden gheconreydet#, Vroechde meret, trueren beydet, Menich guetlic, lieflic woert Wort van beyden daer ghehoert, Vriendelick drucken sy die armen, In gueder vroechden sy hem warmen, Lachende blencken dair die oghen, Elck anderen troest van allen doghen#: Al waer hi sieck ende onghesont, Elck ghenase in sulker stont. Die witte kele ende wancskijn root Mach men handelen daer al bloot. Die borstkijns mach men wel anstoten, Sijn sy niet te vast besloten, Ende byeden hem gueden dach[15].
In de beschrijving is POTTER sterker dan in het verhaal; toch heeft hij ook als verteller zijne verdiensten. Een meester in die kunst, zooals zijne oudere tijdgenooten BOCCACCIO en CHAUCER, was hij niet, doch er is in zijn zestigtal sproken van minne menig goed of aardig brok aan te wijzen, dat eene plaats verdient nevens de beste der hiervoor behandelde sproken van onbekende dichters.
Houden wijder Minnen Loopten slotte naast een vroeger leerdicht over dezelfde stof:den Spiegel der Minnenof denroman van de Roos, dan merken wij vrij wat verschil op. Het voornaamste punt van verschil is zeker, dat tegenover een vertaald werk nu een werk is gekomen dat oorspronkelijk magheeten, al heeft het—gelijk zoo menig ander oorspronkelijk werk—een deel zijner stof van elders ontleend. Dat feit toont reeds dat de Dietsche geest aan zelfstandigheid had gewonnen; doch er is meer. Van de elementen, waaruit deroman van de Roosbestaat, vinden wij er hier eenige terug, doch op andere wijze dan daar verbonden. Inder Minnen Loopis geen plaats voor de minachting der vrouw, noch voor het scepticisme, noch voor het cynisme, dat JEAN DE MEUNG kenmerkt, wel voor een deel van den hoofschen eerbied, dien GUILLAUME DE LORRIS de vrouwen toedroeg. Het zinnelijk element dier hoofsche liefde is in het Hollandsch dichtwerk zwakker dan in het Fransche; bij de goede reine liefde staat de Hollander het langst stil; de huwelijksliefde staat voor hem het hoogst; jegens den hartstocht is hij op zijne hoede. Die liefde, zóó opgevat, is verwerkt door een didactischen geest die weer aan JEAN DE MEUNG doet denken, tot een eenigszins schoolsch geheel, waarin theorie en practijk des levens nog niet zijn versmolten, doch onderling verbonden naast elkander staan als leering en voorbeeld.
Menig lezer zal misschien van meening zijn, dat een Christelijk Hollandsch dichter als POTTER tevreden kon blijven over zijn werk. Hij had immers willen waarschuwen en leeren, en aan het nuttige gemakkelijker ingang verschaft door het aangename? Verhalen van minne, zelfs al waren zij verdicht, vonden immers genade ook bij kunstrechters, die van de kunst bevordering der zedelijkheid eischten? Zoo zou men meenen, doch te onrechte. POTTER is gebeurd, wat menig dichter of verzenmaker vóór hem was gebeurd: in zijn later leven kreeg hij berouw over de literaire zonden zijner jeugd en trachtte die met ander werk te boeten.
In zijn ouderdom schreef hij een werk, door hem zelvenBlome der Doechden#genoemd, waarin hijder Minnen Loopwel niet verloochent, maar toch scherp laakt[16].
Op een vóór zijn werk geplaatst miniatuur zien wij op zinrijke wijze den auteur vander Minnen Looptegenover dien van deBloem der Deugdengesteld; die tegenstelling is door POTTER zelf in den aanvang van zijn laatste werk bovendien toegelicht. Die miniatuur toont ons in een lusthof een „out simpel man" met een grauwen tabbaard, die met een mestvork veel mooie, welriekende bloemen uit den grond haalt en tevens vele leelijke bloemen en onreine, bitter smakende kruiden. Die had hij alle te zamen in zijne onwetendheid en onnoozelheid in één korf geworpen. Zóó, dat hij de goede niet van de kwade had gescheiden, wat hem ook niet mogelijk was.
Tegenover hem zien wij een schoon jonkman, prachtig gekleed, die een paar mooie bloemen uit den korf neemt. Deze stelt den ouderen POTTER voor, die tot beter inzicht gekomen is; want dat de auteur vander Minnen Loopvoorgesteld wordt als „van grover erde ende onghemaect van lijflijker scoenheit" is slechts symboliek en daarom ook is de oudere POTTER bekleed met uitwendige schoonheid en pracht. Deze immers heeft de onwetendheid van dien groven mensen bemerkt en de heilige goddelijke Drievuldigheid aangeroepen, hem wijsheid te verleenen, opdat hij de goede, reine bloemen, waar deugd in bloeide, mocht onderkennen van de overige. Die bloemen der deugd heeft hij dus uitgelezen en bijeengebracht in een zuiver vat. De overige heeft hij onachtzaam ter zijde geworpen; laat niemand ze ter hand nemen, want steekt iemand zijn hand in het pik, zij zal er in blijven steken.
DezeBloeme der Deugdenzou misschien kunnen goedmaken, wat hij eertijds had misdreven met een ander boek „van wer(l)tlijker mijnnen ende van menschelijker ijdel liefde die ut vleyschelijker becoringhen hoeren oerspronck nemt" dat hij inzijne jonge jaren te Rome had gemaakt; over die liefde had hij daarin veel geschreven en, naar hij vreesde, „meer dan gode behagelijk was". Hij hoopt dat God hem dat zal vergeven, omdat hij het had gedaan met een goede bedoeling. In zijn tweede boek zal hij van die ijdele minne geen gewag meer maken.
Wij vinden hier dan ook wel verhalen uitDer Minnen Loopterug, doch alleen zulke die de auteur bij zijn strenger opvatting van de zedelijke verplichtingen der kunst oorbaar achtte. De neiging tot kleurensymboliek komt ook hier nog wel eens voor den dag en de «bose Hecuba" die het inDer Minnen Loopzoo moest ontgelden, wordt ook hier nog eens onder handen genomen[17].
Doch overigens heeft POTTER hier een werk geleverd zeer verschillend van het werk zijner jonge jaren. De verdichte verhalen zijn naar den achtergrond gedrongen of van het tooneel verdwenen. De schrijver laat zich afkeurend uit over „woerde in boerden voertgebracht om ghenoechte of corttinghe des tijts sonder ernste"; over leugens van poëten die schoone woorden schrijven, van „veel dichters ende sproeken sprekers ende sonderlinghen#in valsschen hystoriën"[18]. Sprak hij vroeger luchtigjes over zijn onvoldoende kennis, liet hij de wetenschap aan wie er lust in had om zich alleen aan „poetryen ende oude gesten" te wijden—nu heeft hij zijne schade ingehaald. DeBloem der Deugdenis samengesteld uit den bijbel en de werken van ARISTOTELES, SENECA, de Kerkvaders en menig ander geleerd auteur. Deze, zijns inziens deugdelijker, stof heeft hij scherp gescheiden in voorbeelden van deugd en van ondeugd; want ook de ondeugd heeft hij in zijn boek opgenomen: op elk hoofdstuk waarin een deugd behandeld en toegelicht is, volgt een ander over de ondeugd die ertegenover staat; immers: „witte verwe onderscheidt haer selven van derswertter, soe doet die ondoecht als die doecht daer bij ghestelt wort"[19].
Der Minnen Loopis in verzen geschreven, deBloem der Deugdenin proza. Ook dat verschil is in overeenstemming met den aanwas van strakken ernst dien de ouder wordende POTTER te zien geeft. „Soeticheit van sanghe van melodiën ende die genoechten van instrumenten, van dansen ende desghelijcs", het was nu alles uit den Booze. Had PYTHAGORAS niet geleerd, dat de „luxurie" wast door instrumenten en melodieën zooals de kruiden bij de oevers der rivieren?[20]
Wie zóó over poëzie en melodie dacht, zal het zich waarschijnlijk tot plicht hebben gerekend, de schoonheidsontroering waar zij in hem mocht opkomen te onderdrukken. De aesthetische waarde van dit prozawerk in zijn geheel is dan ook niet groot. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan: waar POTTER het fraaigebouwd gevoelig proza van SINTE BERNARDUS onder de oogen krijgt, kan hij toch niet anders dan er mooi Hollandsch proza van maken. Ook elders toont hij bij de omschrijving van een deugd of een ondeugd de taal wel meester te zijn, al moet ook hier natuurlijk de vraag naar de oorspronkelijkheid veel gewicht in de schaal leggen[21].
DIRC POTTER behoorde evenals WILLEM VAN HILDEGAERSBERCH tot de poëten van lager orde. Hij zelf is zich daarvan wel bewust geweest[22]. Doch schoonheid is niet het eenige wat een literair werk van vroegeren tijd belangrijk maakt voor den geschiedschrijver. Naast de schoonheid staat het karakter. Dat POTTER'S werk karakteristiek is als type van de poëzie zijner eeuw, zagen wij reeds vroeger. En er is meer te noemen. Een Hollandsch edelman die voor zijn pleizier, zij het ook met de bijbedoeling om nuttige leering te geven, verzen schrijft over wereldsche minne, is een type dat wij tot dusver nietontmoet hebben; als zoodanig staat hij tegenover den beroepsdichter HILDEGAERSBERCH en kondigt hij, ook als verteller, den Zeeuw CATS aan[23].
Opmerkelijk is in dezen Hollandschen edelman die wel gevoel blijkt te hebben voor hoofschen vrouwendienst, de democratische gezindheid waarin hij kunsten en wetenschappen verheft als het middel waardoor de arme den rijke kan evenaren en overtreffen. Opmerkelijk ook het gevoel van onafhankelijkheid tegenover zijn publiek—zoo geheel anders dan bij HILDEGAERSBERCH en andere sprekers en dichters—dat hem in den aanvang van zijn Derde Boek doet zeggen: wie wil pogen in zijne geschriften allen te behagen, die moet vroeg opstaan! Hij is niet van plan zich daarover druk te maken, hij wil dichten naar zijn eigen zin, en, zoo vervolgt hij:
Ist dat ic yet scrive hier in, Dat den enen of oec den anderen Niet en ghenoecht, die mach gaen wanderen Ende latent anderen luden lezen[24].
Die zelfbewuste onafhankelijkheid van geest is in dezen vertegenwoordiger der veertiende eeuw eene flauwe voorafschaduwing van later tijden. Dienzelfden indruk geven ons een paar andere trekken van zijn werk en zijne persoonlijkheid. Flauwtjes klinkt ons uit de verte het bellengerinkel van STULTITIA'S narrenkap in het oor, waar wij inDe Bloem der Deugdenlezen: „Mer, god betert, ic duchte die ghecheit vele meer scolieren ende naevolgers heeft dan die wijsheit"[25].
ERASMUS, de schrijver derLaus Stultitiae, doet ons denken aan Italië. POTTER is, voorzoover wij weten, de eerste Nederlandsche dichter die Italië heeft bezocht. Langer dan een jaar is hij er gebleven, doch dat verblijf schijnt weinig of geen invloed te hebben geoefend op zijne ontwikkeling. Of hij Italiaansch heeftgekend, mag betwijfeld worden. In allen gevalle maakt hij met geen enkel woord gewag van de Italiaansche literatuur, en toch waren DANTE, PETRARCA en BOCCACCIO reeds eenigen tijd geleden gestorven en verbreidde hun roem zich al verder. Ook van den invloed der Renaissance, wier profeet PETRARCA was geweest, is in POTTER'S werk niets te bespeuren. Of wil men als zoodanig de vermelding van een paar groote oude steenen laten gelden[26]? Maar wat dan nog?
De ongunstige indruk dien POTTER van de Italianen kreeg, zal hem niet hebben opgewekt, nader kennis te maken met hun taal en hun kunst. „Ter wereld is geen vuiler volk", zegt hij in zijnMinnen Loop; die vuile honden leven in allerlei zonde; vrouwen slaan, daar stellen zij eene eer in; schelden kunnen zij, „maer sy en willen niet ten zwaerde"; hebzuchtig, onbetrouwbaar, verraderlijke gifmengers, leugenaars, roovers—dat zijn zij. Maar de vrouwen zijn de „schoonste creaturen die men kan vinden". Ook hun aangeboren spotlust heeft POTTER blijkbaar geërgerd. Het zou mij niet verwonderen, indien de Italianen met wie hij in kennis is gekomen, zich vroolijk hebben gemaakt over zijn Hollandsch. Immers nog in deBloem der Deugdenacht hij het noodig te verdedigen dat „een yeghelijc sprect nae sijns lants taele"; en „daerom so sijnt in den iersten dwase ende ongheleert die eenen anderen bespotten om sijnre talen die hem van sijns lants weghen aengheboeren is"[27].
Trouwens, ook de Henegouwers, Franschen of Vlamingen onder wie zijne zendingen als grafelijk secretaris hem brachten, kunnen zich over zijn Hollandsch vroolijk hebben gemaakt. En ook dezen kan zijne ergernis gelden; want, overtuigd van de voortreffelijkheid van eigen volk, heeft hij het op andere volken niet begrepen. De goeden in het Duutsche land hebben volgens POTTER het monopolie van de goede reine minne; Lombarden, Engelschen en Walen hebben daar over hetalgemeen geen begrip van; enkelen mogen er zijn, maar dan zeker niet over de bergen. Ook in zijn later leven was hij er nog steeds van overtuigd, dat men de meeste ijdelheid en „onnutte glorie" vindt in de Waalsche landen[28].
POTTER'S gevoel en smaak waren nog niet zóó ontwikkeld, dat de kunst der Oudheid een indruk op hem kon maken, sterk genoeg om hem te dwingen tot eene uiting van eenige beteekenis. Zijne eenzijdige en benepen beschouwing van het Italiaansche volk zal hem hebben weerhouden van eene kennismaking met hun taal en hun literatuur. CHAUCER die, eveneens met eene zending naar Italië belast, een jaar te Genua en Florence vertoefde, deed anders: hij kocht handschriften der werken van DANTE, PETRARCA, BOCCACCIO, bestudeerde die en bracht langs die nieuwe baan zijn eigen kunst tot hooger ontwikkeling.
POTTER'S nationaliteitsgevoel was nog van dat enghartige soort, dat zich openbaart vooral in overmatige verheffing van het eigen volk en in vijandige gezindheid tegenover andere volken. In beide opzichten was hij een type van zijn volk[29]. Dat volk moest nog een aanzienlijk deel van de baan zijner ontwikkeling afleggen, eer de herboren Oudheid haar invloed ook in deze landen kon doen gevoelen, eer het nationaliteitsgevoel ruimer en sterker kon worden. Op dat deel harer baan zullen wij de ontwikkeling dezer volken nu gaan volgen.
[Voetnoot1: Al het wetenswaardige omtrent POTTER, dat wij voor een deel aan het onderzoek van Mr. L.PH.C. VAN DEN BERGH te danken hebben, medegedeeld in LEENDERTZ' uitgave vanDer Minnen Loep. Vgl. ook het degelijk overzicht in TE WINKEL'S boek, bl. 497 vlgg. BUSKEN HUET heeft inHet Land van Rembrandmenige aardige of geestige opmerking over POTTER ender Minnen Loopten beste gegeven. Doch al is Dr. TE WINKEL'S oordeel over HUET'S tekortkomingen in dezen te hard—wie het om historische waarheid, om billijkheid en juistheid te doen is, moet niet uit het oog verliezen, dat ook inHet Land van Rembrandde schrijver derLiteraire Fantasieënaan het woord is.]
[Voetnoot2: Den juisten tijd bepalen, waarin dit werk geschreven werd, is niet gemakkelijk. UitDer Minnen Loopzou men opmaken, dat POTTER reeds een man van zekeren leeftijd was, toen hij het schreef. Vgl. plaatsen als I, 73: „vesper is over langhe gheluut"; I, 949; II, 2465; II, 4137. Maar in zijn tweede werkBloeme der Deugden, spreekt P. vanDer Minnen Loopals van „een boec dat ic in jongen tijden maecte te Rome."]
[Voetnoot3: I, 169; II, 2394.]
[Voetnoot4: Vgl. I, 133, 879, 1248, 1663, 3011; II, 2053, 2079, 4246; I, 2091, 2372, 3025; III, 1104; I, 1841.]
[Voetnoot5: De plaatsen over lectuur: I, 47, 63, 120; II, 2239; IV, 1335. De opsomming der onderscheidene verhalen en hunner bronnen bij TE WINKEL, bl. 508 vlgg.
De vermelding van NEIDHART VON REUENTAL vindt men inDer Minnen Loop, II, 705–6. De stof van het verhaal van den Spaanschen schildknaap, die TE WINKEL niet kan thuisbrengen, is dezelfde als die der boerde opgenomen inVan Vrouwen ende van Minne, no. II (Inl. XVI).]
[Voetnoot6: II, 560, 1430; IV, 2276.]
[Voetnoot7: II, 2107 vlgg.; IV, 175; I, 88 vlgg.; III, 418 vlgg.; IV, 2315 vlgg.]
[Voetnoot8: I, 253 vlgg.; II, 71 vlgg.; IV, 1131; II, 2395 vlgg.; II, 1817-'18; IV, 38 vlgg.; 1839-'42.]
[Voetnoot9: II, 665–704; 1204; I, 1329 vlgg.; 1390, 2621–2; III, 191; IV, 1089 vlgg.]
[Voetnoot10: I, 1225-'30; 2700 vlgg.]
[Voetnoot11: I, 459–460; 718, 901, 1079 (en pass.); II, 404; I, 1865 vlgg.; I, 3116-'7, 3129-'30; II, 1798–1810; 2805; III, 1257 vlgg.; IV, 365–386, 612 vlgg.]
[Voetnoot12: I, 1280 vlgg.; 585–6, 613–614, 1379-'80; IV, 1005-'6; I, 3207-'9; II, 815-'6; 3894-'6.]
[Voetnoot13: I, 736 vlgg.]
[Voetnoot14: II, 297 vlgg.]
[Voetnoot15: II, 1299–1315. Vgl. ook nog: II, 1014; 1172-'6; 2287-'9; ik geef slechts staaltjes, hoewel, naar ik meen, van het beste.]
[Voetnoot16: Dit werk is eerst onlangs ontdekt en, op uiterst gebrekkige wijze, uitgegeven door FR.P. STEPHANUS SCHOUTENS, Minderbroeder, onder den titelDat Bouck der Bloemen(Hoogstraten, L. VAN HOOF—ROELANS, 1904). Dat dit werk van POTTER is, kan niet betwijfeld worden door iemand die met een weinig kennis van zaken de eerste bladzijden (7–12) leest en dan let o.a. op de vermelding van het ambt door den auteur bekleed (de „yseren roede" vgl.M. Loop, I, 78–79), op het „boec van wer(l)tlijker minnen" dat hij „in jonghen tijden maecte te rome", op alle inDer Minnen Loopvoorkomende verhalen die hier als de inhoud van dat boek worden genoemd. De „lieve soon", voor wien het boek werd gemaakt, zal misschien GERRIT POTTER VAN DER LOO zijn geweest over wien wij reeds spraken en die zich bekend heeft gemaakt als vertaler der kroniek van Froissard.]
[Voetnoot17: Vgl. bl. 9, 54, 97.]
[Voetnoot18: Bl. 35–36.]
[Voetnoot19: Bl. 9.]
[Voetnoot20: Bl. 79.]
[Voetnoot21: Vgl. b.v. bl. 10, 31 (wreetheit), bl. 85 (gierigheid) en passim.]
[Voetnoot22: Vgl. I, 36; II, 619; III, 1025.]
[Voetnoot23: I, 66; II, 636.]
[Voetnoot24: I, 1–25; III, 1–17.]
[Voetnoot25: Bl. 44.]
[Voetnoot26: I, 2613; II, 3207.]
[Voetnoot27:Der Minnen Loop, III, 98 vlgg.;Bl. der Deugden, bl. 43.]
[Voetnoot28:M. Loop, II, 721 vlgg.;Bl. der Deugden, bl. 101.]
[Voetnoot29: Dat een enkel schilder als HUBERT VAN EYCK reeds in dezen tijdGiottoschijnt te hebben bestudeerd, kan deze bewering niet ontzenuwen.]