[353]Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 144.[354]Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) noemt er 14.[355]Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) meende een Zeeuwsch kapitein tien schepen op Spitsbergen te zullen vinden; drie Zeeuwen waren op het eiland, de overige 7 (Hollanders) waren dus op Jan Mayen-eiland. Waarschijnlijk waren er daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen meer: de N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele uitrusting.[356]Uit de uitrustingen der enkele kamers kan men met behulp der boven (p. 81,82) opgegeven verhouding van de krachten der kamers, de sterkte der geheele vlootnagenoegberekenen. Het cijfer van 23 schepen, door Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) opgegeven, komt mij dan ook veel te hoog voor.[357]De Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verzekert, dat de Zeeuwen van 1619-22 hunne uitrustingen ter walvischvangst geheel staakten. Dat dit onjuist is, blijkt uit: R. S.-G. 7 Mei 1616, 15 Febr., 23 Mrt., 13 Apr. 1620, 8 Jan., 3, 4, 20 Febr., 3 Mrt., 28 Mei, 5 Nov. 1622.—N. Z. 4 Febr. 1620, 9 Mrt. 1621, 22 Febr., 17 Mrt. 1622.—Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.[358]Dit getal geeft Wassenaer (Hist. verh. V fol. 157); Fanne (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736) zegt verkeerdelijk, dat er na die 5 nog 2 verwacht werden.[359]Waarschijnlijk naar straat Davis. cf. hiernaHfdst. V.[360]Deze berekening berust op het boven medegedeelde feit, dat 1 schip 4 à 6 sloepen voerde.[361]Deze opgaven zijn te vinden bij: Wassenaer, Hist. verh VIII fol. 86, 88, 94, 95, IX fol. 124, X fol. 106, XVI fol. 26.—R. S.-G. 19 Mei, 9 Juni 1635, 24 Oct. 1642.—Hist. de Spitsberghe. p. 11.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68.—Baffin, Iournall, en: Brieven der Eng. walvischv., bij: Purchas l. c. III p. 716 vlg.—Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd. 31 Juli 1641.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 265.
[353]Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 144.
[354]Dit geeft op: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466) noemt er 14.
[355]Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) meende een Zeeuwsch kapitein tien schepen op Spitsbergen te zullen vinden; drie Zeeuwen waren op het eiland, de overige 7 (Hollanders) waren dus op Jan Mayen-eiland. Waarschijnlijk waren er daar echter met de reeds dadelijk daarheen bestemde schepen meer: de N. Z. 26 Jan. 1617 noemen 14 of 15 schepen voor de geheele uitrusting.
[356]Uit de uitrustingen der enkele kamers kan men met behulp der boven (p. 81,82) opgegeven verhouding van de krachten der kamers, de sterkte der geheele vlootnagenoegberekenen. Het cijfer van 23 schepen, door Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469) opgegeven, komt mij dan ook veel te hoog voor.
[357]De Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624 (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verzekert, dat de Zeeuwen van 1619-22 hunne uitrustingen ter walvischvangst geheel staakten. Dat dit onjuist is, blijkt uit: R. S.-G. 7 Mei 1616, 15 Febr., 23 Mrt., 13 Apr. 1620, 8 Jan., 3, 4, 20 Febr., 3 Mrt., 28 Mei, 5 Nov. 1622.—N. Z. 4 Febr. 1620, 9 Mrt. 1621, 22 Febr., 17 Mrt. 1622.—Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.
[358]Dit getal geeft Wassenaer (Hist. verh. V fol. 157); Fanne (bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736) zegt verkeerdelijk, dat er na die 5 nog 2 verwacht werden.
[359]Waarschijnlijk naar straat Davis. cf. hiernaHfdst. V.
[360]Deze berekening berust op het boven medegedeelde feit, dat 1 schip 4 à 6 sloepen voerde.
[361]Deze opgaven zijn te vinden bij: Wassenaer, Hist. verh VIII fol. 86, 88, 94, 95, IX fol. 124, X fol. 106, XVI fol. 26.—R. S.-G. 19 Mei, 9 Juni 1635, 24 Oct. 1642.—Hist. de Spitsberghe. p. 11.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 68.—Baffin, Iournall, en: Brieven der Eng. walvischv., bij: Purchas l. c. III p. 716 vlg.—Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Coman, dd. 31 Juli 1641.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 265.
Zoodra men bijeen was, maakte men zich tot het vertrek gereed. Meestal voeren een paar kamers gezamenlijk uit[362];wanneer de nood der tijden het wenschelijk maakte, zeilde men in admiraalschap en onder geleide van een of meer oorlogschepen om zich tegen mogelijke aanvallen te beschermen[363].De vrees voor de Duinkerkers was zoo groot, dat de Noordsche Compagnie tot haren val toe dezen maatregel moest doorzetten en »met eene gecombineerde macht bereijt staen tot affweringe van alle gewelt ende ouervallinge[364].” De vloot was in den beginne gesteld onder bevel van den Commissaris-generaal, die, door de Staten-Generaal aangesteld maar door de compagnie van last voorzien, het toezicht had op alles wat tot de reis en de vischvangst betrekking had, terwijl alle krijgszaken aan den Commandeur-generaal van het konvooi en zijn raad waren overgelaten[365].De post van Commissaris-generaal, in 1614 door den bewindhebber Antonie Monier zelven[366],het volgende jaar door den in de geschiedenis van Nieuw-Nederland bekenden Adriaan Block bekleed[367],geraakte echter weldra in onbruik. De zelfstandige plaats van de beide hoofden der vloot, die dagelijks met elkander in aanraking moesten komen, gaf misschien aanleiding tot oneenigheid; hoe dit zij, reeds in 1616 besloten de Staten-Generaal den Commandeur-generaal van het konvooi, Jan Jacobsz. Schrobop, tevens tot Commissaris-generaal aan te stellen[368].Alle scheepsbevelhebbers, de kapiteins der oorlogschepen zoowel als de schippers der compagnie, waren dus nu aan den Commandeur-generaal ondergeschikt. Bij deze regeling schijnt het voorloopig gebleven te zijn. Maar toen de konvooischepen sinds 1621 niet meer geregeld de visschersvloot vergezelden en de schepen op hunne eigene verdediging bedacht werden, werd het natuurlijk onmogelijk, dat de bevelhebber van het konvooi de vloot aanvoerde. Toch duurde ook toen de vereeniging van krijgs- en handelszaken onder éenhoofd voort: het oppertoezicht over de geheele vloot bleef overgelaten aan éen persoon, die den titel van Commandeur-generaal (of eenvoudig »Generael”) behield.[369]
[362]Twee Journalen der Matroosen. p. 19.[363]Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.—Conc.-Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 18 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 313.[364]Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.[365]Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614.[366]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614.[367]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. (dd. 2 Sept. 1615) in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.[368]Conc.-Instr. voor Schrobop dd. 19 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[369]Vgl. o. a. Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.—Stn. gewisseld tusschen Ys en Vrolicq (1633), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Het is niet onwaarschijnlijk, dat de bevelhebber van eene afdeeling schepen, die aan éene kamer toebehoorden, ook soms den titel van Commandeur-generaal droeg.
[362]Twee Journalen der Matroosen. p. 19.
[363]Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.—Conc.-Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 18 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 313.
[364]Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (v. 1642), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.
[365]Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614.
[366]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.—Instr. der Stn.-Gen. voor Quast dd. 29 Apr. 1614.
[367]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. (dd. 2 Sept. 1615) in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.
[368]Conc.-Instr. voor Schrobop dd. 19 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[369]Vgl. o. a. Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.—Stn. gewisseld tusschen Ys en Vrolicq (1633), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Het is niet onwaarschijnlijk, dat de bevelhebber van eene afdeeling schepen, die aan éene kamer toebehoorden, ook soms den titel van Commandeur-generaal droeg.
De walvischvaarders verlieten gewoonlijk, hetzij gezamenlijk, hetzij afzonderlijk, tegen het einde van April de Nederlandsche havens[370].Evenals bij de Engelsche walvischvangst[371],zoo werd ook den Nederlanders vóor hun vertrek de plaats aangewezen, waar zij visschen zouden[372],en ieder begaf zich dus dadelijk naar de hem aangewezene plaats in de Mauritiusbaai op Spitsbergen of naar Jan Mayen-eiland[373],waar de Nederlandsche walvischvangst weldra hare hoofdzetels vestigde. Op het eind van Mei of in het begin van Juni kwam men gewoonlijk op Spitsbergen aan[374].Zoodra het ijs losraakte, zeilde men dan naar het land; in latere tijden poogde men zelfs moedig door de vaste ijsvelden inde baaien door te dringen, zoodat soms verscheidene schepen der Noordsche Compagnie in het ijs vastraakten en verongelukten[375].
[370]R. S.-G. 11 Mrt. 1639.—Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—De schepen zeilden echter soms vroeger, soms later uit. (1 Apr.: Confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Half Mei: Instr. der Stn.-Gen. voor Burch en Coenders, dd. 14 Mei 1639.)[371]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.—Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas I. c. III p. 721.[372]Deze bepaling geschiedde natuurlijk door de N. C.; de Stn.-Gen. deden het in 1616 waarschijnlijk om den gevaarlijken toestand der vloot op Spitsbergen. (Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)—In de eerste jaren, toen de N. C. over geheel Spitsbergen beschikte, geschiedde die aanwijzing door verloting der verschillende baaien. (Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 871.—R. S.-G. 5 Nov. 1622.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.—Br. der gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.)—De Amsterdammers schijnen zich echter voortdurend in de Mauritiusbaai gevestigd te hebben. (R. S.-G. 4 Nov. 1622.—Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.—cf. R. S.-G. 5 Nov. 1622.—Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.)[373]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Uit deze sententie blijkt in verband met andere mededeelingen, dat niet alle kamers hare uitrustingen over beide plaatsen verdeelden. Alleen het machtige Amsterdam schijnt jaarlijks aan Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beide gevischt te hebben, terwijl de kamers van de Maas, Middelburg en Veere, evenals hier van die van het Noorderkwartier blijkt, contracten schijnen gesloten te hebben, waarbij zij hare uitrustingen voor gezamenlijke rekening ieder naar een der beide eilanden zonden. Deze maatregel spaarde kosten en voorkwam te groote drukte op éene plaats.[374]Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 29.[375]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 219, 29.—Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 9.
[370]R. S.-G. 11 Mrt. 1639.—Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—De schepen zeilden echter soms vroeger, soms later uit. (1 Apr.: Confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Half Mei: Instr. der Stn.-Gen. voor Burch en Coenders, dd. 14 Mei 1639.)
[371]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.—Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas I. c. III p. 721.
[372]Deze bepaling geschiedde natuurlijk door de N. C.; de Stn.-Gen. deden het in 1616 waarschijnlijk om den gevaarlijken toestand der vloot op Spitsbergen. (Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop, dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)—In de eerste jaren, toen de N. C. over geheel Spitsbergen beschikte, geschiedde die aanwijzing door verloting der verschillende baaien. (Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 871.—R. S.-G. 5 Nov. 1622.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart. c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.—Br. der gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.)—De Amsterdammers schijnen zich echter voortdurend in de Mauritiusbaai gevestigd te hebben. (R. S.-G. 4 Nov. 1622.—Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.—cf. R. S.-G. 5 Nov. 1622.—Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.)
[373]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Uit deze sententie blijkt in verband met andere mededeelingen, dat niet alle kamers hare uitrustingen over beide plaatsen verdeelden. Alleen het machtige Amsterdam schijnt jaarlijks aan Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beide gevischt te hebben, terwijl de kamers van de Maas, Middelburg en Veere, evenals hier van die van het Noorderkwartier blijkt, contracten schijnen gesloten te hebben, waarbij zij hare uitrustingen voor gezamenlijke rekening ieder naar een der beide eilanden zonden. Deze maatregel spaarde kosten en voorkwam te groote drukte op éene plaats.
[374]Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 29.
[375]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 219, 29.—Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 9.
De schepen ankerden dadelijk aan het land, de sloepen werden uitgezet en men maakte zich gereed den walvisch te vervolgen. Het duurde in die eerste tijden der vangst gewoonlijk niet lang, voordat men er een hoorde blazen. De harpoenier en zijn volk stortten zich dan ijlings in de sloepen; de harpoen—een ijzeren staaf van drie voet, van een scherpe punt met weerhaken voorzien—werd gereed gehouden, de voorganger en de walvischlijn daaraan bevestigd en men voer op de prooi af. Zoodra men genaderd was, wierp de harpoenier van den voorsteven zijn wapen met kracht in het lichaam van den walvisch, die dan onmiddellijk in pijlsnelle vaart naar de diepte dook. De lijn, des noods door aanhechting van eene nieuwe verlengd, bleef echter steeds in handen van den harpoenier, die de sloep alle bewegingen van den walvisch zooveel mogelijk deed volgen. Andere sloepen voegden zich daarbij en zoodra de walvisch na eenigen tijd weder bovenkwam om adem te scheppen, werden hem nieuwe harpoenen in het lijf geworpen, zoodat hij stevig vastgelegd was. Eenmaal zoover gekomen wachtte men den langzamerhand afgematten visch op met de werp- en stootlenzen—scherp gepunte ijzeren wapenen aan lange lijnen of stokken van 10 à 12 voet bevestigd[376].Niet lang duurde het dan, of de visch gaf door het uitblazen van bloed het bewijs, dat hij doodelijk gewond was[377];hevig slaande met de staart zwom hij op het water rond. Dan moesten de sloepen ijlings ontwijken, want een enkele slag met de staart verbrijzelde dikwijls een geheele sloep! Maar spoedig werden de slagen flauwer en weldra stierf de visch van uitputting. Met een paar booten werd hij dan naar het strand gesleept, waar hij een paar dagen aan een touw vastgemaakt naast het schip bleef liggen: een begin van bederf toch doet den visch vèr boven het water rijzen en maakt het dus gemakkelijker het spek af te snijden[378].
[376]Zie afbeeldingen van harpoen en lens, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 348, 350.[377]Men noemde dit in grove zeemans-scherts: „oranje blazen!”[378]Eene vrij uitvoerige en gelijktijdige beschrijving der walvischvangst vindt men in de: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 13-15.—Vgl. ook: Scoresby, Account. II p. 178.—Hist. de Spitsberghe. p. 17-19.—Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen and Greenland. p. 116-25.—Le Long, Kooph. v. Amst. II p. 159-61.[Bijlage XIII]
[376]Zie afbeeldingen van harpoen en lens, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 348, 350.
[377]Men noemde dit in grove zeemans-scherts: „oranje blazen!”
[378]Eene vrij uitvoerige en gelijktijdige beschrijving der walvischvangst vindt men in de: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 13-15.—Vgl. ook: Scoresby, Account. II p. 178.—Hist. de Spitsberghe. p. 17-19.—Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen and Greenland. p. 116-25.—Le Long, Kooph. v. Amst. II p. 159-61.[Bijlage XIII]
Zoodra de gelegenheid het toeliet, begon het tweede gedeelte van den arbeid, het »flenzen.” Door twee lange sneden en verschillende insnijdingen in de breedte werden door den speksnijder, die aan het strand half in het water stond, grootestukken spek van 2 à 300 pond van den dooden visch losgemaakt, en met zoogenaamde »spek-takels,” eene soort van kraan, op het land gewonden. Onmiddellijk begon daarop het derde gedeelte der walvischvangst, het zoogenaamde »afmaken.” In latere jaren duurde het soms lang eer men daartoe den tijd vond; onder de Noordsche Compagnie was echter de helft der bemanning, die dadelijk na de aankomst aan land gegaan was, steeds gereed om de opbrengst der jacht te ontvangen en verder te bereiden. Aan het strand stond een man gereed om het spek in stukken te hakken, die dadelijk op eene berrie naar de traanketels gebracht werden. Daar werden deze stukken, terwijl de staart van den visch als hakbord diende, in nog kleiner gedeelten, »vinken” genaamd, gesneden en in den traanketel geworpen.
In de vaste overtuiging, dat de walvischvangst in de baaien eerder zou toe- dan afnemen, had de Noordsche Compagnie kostbare inrichtingen op het strand doen verrijzen. De traanketel, een roodkoperen pan, die een halve ton spek kon bevatten, was op den grond vastgemetseld; daaronder bevond zich een fornuis, dat met hout en met den afval van den walvisch gestookt werd. De ketel, waarin water was voor het aanbranden, werd dadelijk gevuld met spek, dat gedurende twee uren onder gedurig roeren gekookt werd. De traan werd daarna in een vat geschept, van onderen met een houten rooster voorzien, dat allen afval van den walvisch terughield en het zuivere gedeelte in een koelbak liet vloeien. Wanneer de traan nog een paar malen in gedeeltelijk met water gevulde bakken of vaten[379]verder afgekoeld en bezonken was, werd zij eindelijk in de quarteelen gegoten. Deze quarteelen, in vlotten van twintig naar de schepen gesleept, werden daar in ontvangst genomen door eenige personen, die daartoe op het schip achtergebleven waren, en in het ruim weggestuwd[380].
[379]De Engelschen gebruikten eenvoudig sloepen als koelbakken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 471.)[380]Scoresby, Account. II p. 174-76.—Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 71.—De wijze van traanbereiden veranderde door het overbrengen van dit bedrijf naar Nederland bijna niet. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 369, 70.—De walvischvangst. I p. 43.—Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen and Greenland. p. 125-30, 31, 33.)
[379]De Engelschen gebruikten eenvoudig sloepen als koelbakken. (Purchas, Pilgrimes. III p. 471.)
[380]Scoresby, Account. II p. 174-76.—Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 71.—De wijze van traanbereiden veranderde door het overbrengen van dit bedrijf naar Nederland bijna niet. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 369, 70.—De walvischvangst. I p. 43.—Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen and Greenland. p. 125-30, 31, 33.)
De walvischbaarden, bij het flenzen uit den bek van den walvisch gesneden, werden in bossen naar land geroeid, daar van elkander gekloofd, afgestoken, geweekt en geschrobd. Na het droogen werd het haar er afgesneden en de schoone baarden aan bossen van vijf of zes stuks tusschen de traanvaten in het ruim van het schip geborgen[381].
[381]Scoresby, Account. II p. 177.—Purchas, Pilgrimes. III p. 471.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 356, 371.
[381]Scoresby, Account. II p. 177.—Purchas, Pilgrimes. III p. 471.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 356, 371.
Dit was de gewone manier van doen der walvischvaarders tot na den val der Noordsche Compagnie toe. Maar reeds lang voor dien tijd was eene andere behandeling van den walvisch naast deze gewone vrij algemeen in gebruik gekomen. Het zal de aandacht mijner lezers niet ontgaan zijn, dat het octrooi der Noordsche Compagnie slechts de landen en kusten in de IJszee noemde, en dus stilzwijgend het bevaren en bevisschen van de opene zee zelve voor de vrije concurrentie openliet[382].Lang duurde het, voordat de Nederlandsche handel deze leemte in het monopolie der Noordsche Compagnie opmerkte. Eerst in 1626 vernemen wij bij uitzondering, dat twee Zaandamsche walrusjagers op weg naar de straat van Nassau in de opene zee eenen walvisch vingen[383].Hun voorbeeld schijnt nu en dan door enkele Nederlanders gevolgd te zijn. De Noordsche Compagnie zag echter aanvankelijk in deze concurrentie weinig bezwaar; zij verwees vreemden en Nederlanders, die zich naast haar op Spitsbergen wilden vestigen, zelve somtijds naar de opene zee[384].Men was in de goede jaren der walvischvangst, toen de gewenschte prooi zich bijna uitsluitend onder de kust ophield, te zeer overtuigd dat de zeevisscherij geen voordeel kon geven, dan dat de geoctrooieerde vereeniging de concurrentie zou gevreesd hebben. De mededingers zelven schijnen dan ook van dit middel om de Noordsche Compagnie haar monopolie te ontnemen slechts een spaarzaam gebruik gemaakt te hebben, al wisten zij ook, al erkende de compagnie zelve, dat de volle zee hun openstond[385].Langzamerhand veranderden echter de zaken van aanzien: het gedurig jagen en visschen maakte den walvisch schuw; de overvloed van visschen, die zich vroeger in de baaien vertoond had, verminderde langzamerhand en de vangst der compagnie werd dus ook veel minder voordeelig. Het laat zich verklaren, dat zij in dit tijdperk van overgang, toen alle concurrentie meer dan ooit nadeelig zijn moest, het een harer harpoeniers Marten Michielsz. van De Rijp, die volgens de overlevering de eerste was, die in dienst der compagnie in de opene zee een walvisch ving, uiterst kwalijk nam, dat hij het voorbeeldgegeven had van eene handeling, die nu zoo gevaarlijk scheen[386].Zij verbood alle verdere visscherij van hare schepen in zee; zij poogde zelfs, toen de zeevisscherij desniettegenstaande toenam[387],van de Staten-Generaal te verkrijgen, dat haar octrooi ook tot de zee uitgebreid werd (1636)[388].Maar toen het haar in weerwil van haar lang aandringen niet gelukte dien maatregel door te drijven, koos zij de wijste partij en zocht zelve hare mededingers op hun terrein op[389].Waarschijnlijk besloot zij in 1638 het eerst tot dien stap: twee schepen van de Amsterdamsche kamer vischten dat jaar tusschen Spitsbergen en de Noordkaap in zee[390].Het volgende jaar werden reeds verscheidene schepen met hetzelfde doel door de compagnie uitgezonden[391]en de walvischvangst was dus reeds gedeeltelijk voor de vrije concurrentie ontsloten. Eéne zaak had de Noordsche Compagnie echter ook hier boven hare mededingers vooruit: hare schepen zeilden geregeld na afloop der vangst naar Spitsbergen, om daar uit de visschen de traan te doen bereiden[392].
[382]Zie de vier octrooien der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669 vlg.—Vgl. ook: Kort Verhael vande Gedaente der Walvisschen, in: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.[383]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.—cf. R. S.-G. 7 Mrt. 1626.[384]Insin. v. Duynkercker aan Vrolicq dd. 29 Juni 1632, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—R. S.-G. 14 Apr. 1636.[385]Nota van Ys aan Vrolicq dd. 1 Juli 1633, en: Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Vgl. ook: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135.—De walvischvangst. I p. 30 Noot.[386]Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 351, 52—De schrijver noemt het jaar 1639 of 40 als het jaar, dat de eerste visch in zee gevangen werd; dit is echter onjuist, daar in 1639 reeds eenige schepen der N. C. dadelijk van huis daarheen voeren. (Raven, Iournael. p. 5.)[387]Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen., bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.[388]Versl. der confer. met de N. C. dd. 21 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[389]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37.[390]Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639,—en v. de Stn.-Gen. aan Christ. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.—Het jaar 1638 is waarschijnlijk het eerste, dat de N. C. tot dezen maatregel besloot; want Christiaan IV wilde niet gelooven, dat de twee schepen onder de compagnie behoorden en hield ze voor „interlopers.”[391]De kamer te Hoorn, een der kleinste van de N. C., zond toen reeds 2 schepen naar de opene zee, die te Harlingen 1. (Raven, Iournael. p. 5.)[392]Raven, Iournael. p. 5, 11.
[382]Zie de vier octrooien der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669 vlg.—Vgl. ook: Kort Verhael vande Gedaente der Walvisschen, in: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.
[383]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.—cf. R. S.-G. 7 Mrt. 1626.
[384]Insin. v. Duynkercker aan Vrolicq dd. 29 Juni 1632, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—R. S.-G. 14 Apr. 1636.
[385]Nota van Ys aan Vrolicq dd. 1 Juli 1633, en: Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Vgl. ook: Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135.—De walvischvangst. I p. 30 Noot.
[386]Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 351, 52—De schrijver noemt het jaar 1639 of 40 als het jaar, dat de eerste visch in zee gevangen werd; dit is echter onjuist, daar in 1639 reeds eenige schepen der N. C. dadelijk van huis daarheen voeren. (Raven, Iournael. p. 5.)
[387]Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen., bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[388]Versl. der confer. met de N. C. dd. 21 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[389]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37.
[390]Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639,—en v. de Stn.-Gen. aan Christ. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.—Het jaar 1638 is waarschijnlijk het eerste, dat de N. C. tot dezen maatregel besloot; want Christiaan IV wilde niet gelooven, dat de twee schepen onder de compagnie behoorden en hield ze voor „interlopers.”
[391]De kamer te Hoorn, een der kleinste van de N. C., zond toen reeds 2 schepen naar de opene zee, die te Harlingen 1. (Raven, Iournael. p. 5.)
[392]Raven, Iournael. p. 5, 11.
Maar al bleef de Noordsche Compagnie zelve nog gehecht aan de oude manier der walvischvangst, al bleef voor haar de zeevisscherij steeds bijzaak, toch bleek het weldra, dat het niet lang zou duren, of de concurrenten hadden hunne tegenpartij overvleugeld. In 1640 vertoonden zich de Zaanlanders als mededingers op het gebied, waar zij eerlang zoovele schatten zouden vergaderen. Vier schepen van Jisp—waarschijnlijk onder den commandeur De Ploeger—zeilden dat jaar uit om »in de openbare zee” de walvischvangst te ondernemen[393].Zij slaagden uitnemend, die van Zaandam en De Rijp volgden weldra[394]en de zeevisscherij verkreegeerlang overwegend belang. Tegelijk bezweek de Noordsche Compagnie voor de aanvallen harer mededingers en liet hun dus het veld vrij. De walvischvangst nam verbazend in kracht toe: meer dan honderd schepen vertoonden zich slechts weinige jaren later geregeld in de Mauritiusbaai om den walvisch te vervolgen. De dieren werden er te schuwer om en verlieten eerlang de baaien geheel. Toen moest de visscherij onder het land opgegeven worden; het werd noodig de wijkende prooi verder te volgen. De kustvisschers trokken ze achterna, eerst naar de banken voor de Noord- en Westbaaien, de Noordbank en de Keerens-kaar[395];weldra tot in volle zee. De schepen konden nu echter onmogelijk meer bij de kokerijen ten anker blijven liggen: het was te bezwaarlijk de gedoode walvisschen uit zee naar den wal te slepen. Het traankoken op Spitsbergen moest dus opgegeven worden: voortaan werd het spek ongekookt medegevoerd. Trouwens bij de steeds verminderende vangst werd de traankokerij meer en meer onnoodig; er was steeds ruimte genoeg om het spek zelf in het schip te bergen. En zelfs toen de walvischvangst onder de kust nog bloeide, was het toch ook wel gebeurd, dat men in het koken verhinderd was en het spek dus rauw in het vaderland had ingevoerd[396].
[393]R. S.-G. 3 Apr. 1640.—cf. Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352.[394]Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352, 53.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 128.[395]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37, 39, 326.—De walvischvangst. I p. 29, 30.—De hierboven verhaalde verplaatsing der visscherij en het opgeven der kokerij worden door beide aangehaalde bronnen vóor den val der N. C. geplaatst. Scoresby (Account. II p. 179) brengt ze terecht tot het tijdstip der zeevisscherij (1646-50) terug. (Vgl. hiernaHfdst. IV.)[396]Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Enkh. c. Hoorn dd. 3 Apr. 1637.—R. S.-G. 24 Oct. 1642.
[393]R. S.-G. 3 Apr. 1640.—cf. Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352.
[394]Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 352, 53.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 128.
[395]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 236, 37, 39, 326.—De walvischvangst. I p. 29, 30.—De hierboven verhaalde verplaatsing der visscherij en het opgeven der kokerij worden door beide aangehaalde bronnen vóor den val der N. C. geplaatst. Scoresby (Account. II p. 179) brengt ze terecht tot het tijdstip der zeevisscherij (1646-50) terug. (Vgl. hiernaHfdst. IV.)
[396]Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Enkh. c. Hoorn dd. 3 Apr. 1637.—R. S.-G. 24 Oct. 1642.
Maar ook de nieuwe wijze om de walvischvangst te oefenen duurde niet lang. De visscherij op de banken en in de opene zee gaf slechts gedurende weinige jaren voordeel: de zee zelve werd voor de walvisschen onveilig en zij trokken zich dus in het ijs terug. Reeds in 1650 rekende men het noodig de vluchtelingen dáar te volgen[397]en weinige jaren later werd deze stap gedaan, die een nieuw tijdperk in de geschiedenis der walvischvangst opende[398].
[397]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p 355.—De walvischvangst. I p. 32.[398]Zie over de ijsvisscherij: Tegenw. Staat. I p. 593, 95-99.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20-22.—Martens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 25, 105-32.—De walvischvangst. p. IV, V, dl. I p. 34 vlg., 43.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 177, 246, 51, 346, 49, 51, 53, 55, 56, 61, 62, 67, 68, 69, 70, 71, 73.—Scoresby, Account. II p. 181, 83.
[397]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 241.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p 355.—De walvischvangst. I p. 32.
[398]Zie over de ijsvisscherij: Tegenw. Staat. I p. 593, 95-99.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20-22.—Martens, Voyage into Spitzb., in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 25, 105-32.—De walvischvangst. p. IV, V, dl. I p. 34 vlg., 43.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 177, 246, 51, 346, 49, 51, 53, 55, 56, 61, 62, 67, 68, 69, 70, 71, 73.—Scoresby, Account. II p. 181, 83.
Uit al het over de walvischvangst gezegde zou men lichtelijk kunnen opmaken, dat dit de eenige bezigheid der Noordsche Compagnie was. Ook was het steeds het hoofddoel harer reizen, maartoch verzuimde zij nooit haar voordeel, wanneer de aan buit zoo rijke woestenijen van het noorden haar gelegenheid gaven dat te maken. De handel in walvischvellen en vinnen, dien de Noordsche Compagnie aanvankelijk dreef[399],schijnt spoedig opgegeven te zijn. Met de vangst van witvisschen schijnen de Nederlanders zich nooit bezig gehouden te hebben[400];ook de vinvisch was een te moeielijk bereikbare en tevens te onvoordeelige prooi dan dat men zich beijverd zou hebben dien te vangen[401].Maar in de eerste plaats komt na de walvischvangst de jacht op walrussen in aanmerking. Deze dieren, de buit dien de Engelschen en Nederlanders beiden aanvankelijk alleen zochten, gaven in hun spek, dat zij wel in veel mindere mate dan de walvisschen maar toch in vrij groote hoeveelheid opleverden[402],en vooral in hunne beide tanden, toenmaals hooger dan ivoor geschat, handelsartikelen, die ruime winst bezorgden. Aanvankelijk bij groote troepen tegelijk door middel van lansen op de stranden van Spitsbergens westelijke baaien gedood[403],vond men ze later zeldzamer. Slechts weinige walrussen werden nu en dan in zee ontmoet en meest met harpoenen gedood. In den natijd was echter aan Spitsbergens oostkust bij Disco,—vooral sinds de ontdekking der Rijk Ysz.-eilanden na den val der Noordsche Compagnie (1645),—de walrusjacht nog steeds een rijke bron van inkomsten[404].Ook de robben, vroeger niet bizonder opgemerkt, werden later vooral op de randen der vaste ijsvelden in groote menigte met stokken doodgeslagen. Hun spek[405]en vooral hunne kostbare vellen verschaften aan de Noordsche Compagnie ruime winst[406].De beeren, aanvankelijk gevreesde vijanden der walvischvaarders, werden allengs hunne prooi: het vel evenzeer als het vet waren begeerde artikelen. Talloos zijn dan ook de verhalen van gevechten met beeren, die ons zijn overgeleverd, en de beerenjacht werd eene geregelde bezigheid[407].En dat zij geen onbelangrijk voordeel aanbracht, bewijst het feit, dat in 1628 alleen op Jan Mayen-eiland niet minder dan 70 beeren door die van de Noordsche Compagniegeschoten werden[408].De jacht op vossen, rendieren, meeuwen en rotganzen, waarvan meermalen gesproken wordt[409],schijnt meer gedreven te zijn om versch vleesch te bekomen dan om eenig handelsvoordeel te verkrijgen; de vellen bleven echter natuurlijk welkome aanwinsten voor de lading. Een laatste bron van inkomsten was voor de walvischvaarders de handel met de Groenlanders. Deze nering, die later, toen de visscherij in straat Davis zich ontwikkelde, op vrij groote schaal gedreven werd[410],leverde aan de Noordsche Compagnie natuurlijk slechts dan een klein voordeel, wanneer hare reizigers met de bewoners van nieuw ontdekte plaatsen in aanraking kwamen of wanneer een walvischvaarder door storm of toeval op Groenlands onherbergzame kusten verzeilde[411].
[399]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.[400]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195.[401]Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108.[402]Een walrus leverde gewoonlijk1⁄2quarteel spek. (De walvischvangst. I p. 44.—Tegenw. Staat. I p. 610.)[403]Hist. de Spitsberghe. p. 19, 20, 22.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 96.[404]De walvischvangst. I p. 44 vlg.—Tegenw. Staat. I p. 610.[405]Voor éen quarteel spek moest men 15 à 16 robben (Tegenw. Staat. I p. 610), volgens anderen 2411⁄2rob vangen. (De walvischvangst. I p. 47.)[406]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196.—De walvischvangst. I p. 46.—Tegenw. Staat. I p. 610.[407]De walvischvangst. I p. 47 vlg.—Zie o. a. de vele verhalen van gevechten met beeren bij: Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen.[408]Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.[409]Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108, 9, XII fol. 89.—Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 8.—Eene vlakte bij den Biscayer-hoeck werd voornamelijk door de Nederlanders voor de rendierenjacht gebruikt en heette daarnaar „Rheene-velt.” (Reeënveld.)[410]Tegenw. Staat. I p. 610.[411]Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43.
[399]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.
[400]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195.
[401]Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108.
[402]Een walrus leverde gewoonlijk1⁄2quarteel spek. (De walvischvangst. I p. 44.—Tegenw. Staat. I p. 610.)
[403]Hist. de Spitsberghe. p. 19, 20, 22.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 195, 96.
[404]De walvischvangst. I p. 44 vlg.—Tegenw. Staat. I p. 610.
[405]Voor éen quarteel spek moest men 15 à 16 robben (Tegenw. Staat. I p. 610), volgens anderen 2411⁄2rob vangen. (De walvischvangst. I p. 47.)
[406]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 196.—De walvischvangst. I p. 46.—Tegenw. Staat. I p. 610.
[407]De walvischvangst. I p. 47 vlg.—Zie o. a. de vele verhalen van gevechten met beeren bij: Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen.
[408]Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.
[409]Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 108, 9, XII fol. 89.—Van der Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 8.—Eene vlakte bij den Biscayer-hoeck werd voornamelijk door de Nederlanders voor de rendierenjacht gebruikt en heette daarnaar „Rheene-velt.” (Reeënveld.)
[410]Tegenw. Staat. I p. 610.
[411]Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43.
Het laat zich denken, dat door deze uitgebreide werkzaamheid, maar vooral door de walvischvangst jaarlijks eene vrij aanzienlijke lading bij de Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voorhanden was. Naderde het einde van den tijd dan werd alles bijeengebracht en de Commandeur-generaal moest de geheele vangst op het strand onder de kamers naar evenredigheid harer uitrustingen verdeelen. Gewoonlijk werd echter de rooiing op last van den Commandeur-generaal verricht door den »Generael-royer” ten overstaan der kamers zelve. Zulk een »royer”—op de vloot een man van gewicht, die naast den Commandeur-generaal genoemd werd[412]—ging jaarlijks mede naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de »royinge of roeyinge” te doen en daarvan in het »generael royboeck” aanteekening te houden[413].Hij wees aan iedere kamer haar deel toe, om het in hare eigene schepen te laden en huiswaarts te voeren[414].Hadeene kamer meer gevangen en gekookt dan haar bij de verdeeling werd toegelegd, dan werden de »coockgelden” op de algemeene vergadering vergoed[415].
[412]Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.[413]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—In 1632 bekleedde Jan Matthysz. Steen op Spitsbergen, Cors Jansz. van Lier op Jan Mayen-eiland de betrekking van generaal-rooier. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Steen, ook wel eenvoudig Jan Tysz. genoemd, schijnt eene zekere reputatie bezeten te hebben: meermalen wordt hij door de walvischvaarders zonder nadere aanduiding genoemd. Cors Jansz. was vele jaren scheepskapitein in dienst der N. C. en o. a. in 1631 met Wybe Jansz. in die betrekking op Jan Mayen-eiland geweest. (Zie hun getuigenis voor de regeering v. Amst. dd. 7 Mrt. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)[414]Brief der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.—Contr. v. 3 Nov. 1630, aangehaald in de: Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.[415]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[412]Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 46.
[413]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—In 1632 bekleedde Jan Matthysz. Steen op Spitsbergen, Cors Jansz. van Lier op Jan Mayen-eiland de betrekking van generaal-rooier. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Steen, ook wel eenvoudig Jan Tysz. genoemd, schijnt eene zekere reputatie bezeten te hebben: meermalen wordt hij door de walvischvaarders zonder nadere aanduiding genoemd. Cors Jansz. was vele jaren scheepskapitein in dienst der N. C. en o. a. in 1631 met Wybe Jansz. in die betrekking op Jan Mayen-eiland geweest. (Zie hun getuigenis voor de regeering v. Amst. dd. 7 Mrt. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[414]Brief der Zeeuwsche gedeput. aan de Stn. v. Zeel. dd. 19 Oct. 1616, in: Arch. Zeel.—Contr. v. 3 Nov. 1630, aangehaald in de: Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[415]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
De kamers zelven zorgden natuurlijk voor het vervoer van ieders aandeel in de traan en balein naar het vaderland. Maar niet zelden kwam het voor, dat de vangst zoo rijk was geweest, dat eenige kamers geene ruimte genoeg in hare schepen hadden om haar aandeel te bergen. Meestal riep men dan de hulp in van eene andere kamer, die grootere schepen had, en verrekende de voorschotten voor vracht en verpakking later op de algemeene vergadering[416].Waren echter alle schepen volgeladen, dan nam men zijn toevlucht tot de schuren, door de compagnie op het land gebouwd, en borg daar de goederen tot het volgende jaar. Een enkele maal werden ze ook wel begraven[417].In het voorjaar liet men ze dan door afzonderlijke vrachtschepen afhalen, die men »naschepen” noemde. Deze schepen kwamen in den bloeitijd der walvischvangst niet somtijds, maar geregeld naar Spitsbergen en Jan Mayen-eiland om de visschers van de te groote lading te ontlasten. Korten tijd na de walvischvaarders uit het vaderland vertrokken, waren zij, die zich natuurlijk met geene visscherij ophielden, gewoonlijk het eerst aan de markt. Het is zelfs voorgekomen, dat éen naschip in éen jaar twee reizen naar Jan Mayen-eiland deed en met volle ladingen huiswaarts keerde. Toen de walvischvangst in bloei afnam, werd natuurlijk het zenden dezer naschepen overbodig en dus afgeschaft[418].