[416]Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.—In 1632 bracht de kamer der N. C. te Hoorn aan die te Enkhuizen in rekening voor de vracht van Spitsbergen naar Hoorn per quarteel spek ƒ 5, en voor elk quarteel (vat), dat daarvoor noodig was, ƒ 3. (Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.)[417]Dat dit soms niet weinig was, blijkt uit het feit, dat de N. C. in 1623 met 5 schepen 6000 quarteelen traan maakte, waarvan zij er 1000 moest begraven. (Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157) Ook verneemt men, dat twee Baskische schepen in het najaar van 1632 van Jan Mayen-eiland roofden 600 quarteelen traan en 200.000 pond baarden (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) en dat Willem Ys eens in éen jaar 2000 quarteelen traan met een naschip van hetzelfde eiland haalde. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.)[418]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135, 215.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.—Tegenw. Staat. I p. 591.
[416]Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.—In 1632 bracht de kamer der N. C. te Hoorn aan die te Enkhuizen in rekening voor de vracht van Spitsbergen naar Hoorn per quarteel spek ƒ 5, en voor elk quarteel (vat), dat daarvoor noodig was, ƒ 3. (Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3 Apr. 1637.)
[417]Dat dit soms niet weinig was, blijkt uit het feit, dat de N. C. in 1623 met 5 schepen 6000 quarteelen traan maakte, waarvan zij er 1000 moest begraven. (Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157) Ook verneemt men, dat twee Baskische schepen in het najaar van 1632 van Jan Mayen-eiland roofden 600 quarteelen traan en 200.000 pond baarden (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) en dat Willem Ys eens in éen jaar 2000 quarteelen traan met een naschip van hetzelfde eiland haalde. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.)
[418]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 135, 215.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.—Tegenw. Staat. I p. 591.
Zoodra de tijd voor het eindigen der visscherij gekomen was,—voor Spitsbergen op 10 of 12 September, voor Jan Mayen-eilandop 28 Augustus bepaald[419],—moesten alle schepen geladen zijn. De Commandeur-generaal gaf het teeken tot het vertrek[420]en de vloot zeilde weg. Bijna altijd kwam zij behouden in het vaderland aan. De vangst werd dan voornamelijk te Amsterdam ontladen, waar de kamer op de Keizersgracht bij de Brouwersgracht de drie Groenlandsche pakhuizen had laten bouwen[421].
[419]Bij de Instructie der Commandeurs van 1632. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Men vertrok echter dikwijls vroeger, hoewel het verboden was. (In 1632, cf. Sent. v. de H. R. dd. 4 Apr. 1637.—In 1633 van Sp. 30 Aug., van J. M.-eil. 26 Aug. cf. Vander Brugge, Journael. p. 5, en: Twee Journalen. p. 3.—In 1634 van Sp. 1 Sept. cf. Twee Journalen. p. 22.—In het algemeen van Sp. omstreeks half Augustus. cf. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 29.)[420]Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Niemand mocht afzonderlijk vroeger vertrekken, daar men vreesde voor vijanden. Zoo werd in 1624 een walvischvaarder, die alleen vooruitgezeild was, voor de Nederlandsche zeegaten door een Duinkerker genomen. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.)[421]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229.—Tegenw. Staat. I. p. 590.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 8.—Le Long, Kooph. v Amst. II p. 160.—Bij de uitlegging van Amsterdam in 1616 werd volgens het register der uitgiften van gronden (Amst. Arch.) een erf op de Keizersgracht tusschen de Prinsenstraat en de Brouwersgracht voor ƒ 600 verkocht aan een steenkooper Wouter Jacobsz., die het 1 October 1620 overdeed aan „Ysbrandt Dobbe cum socijs.” (Ysbr. Dobbesz. was in 1614, 1617 en ook in 1621 bewindhebber der N. C. cf. Octr. der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd. van Jan Mayen-eiland. R.-A.) De Groenlandsche pakhuizen zijn dus waarschijnlijk gebouwd in 1621 ten tijde van den grootsten bloei der N. C.
[419]Bij de Instructie der Commandeurs van 1632. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) Men vertrok echter dikwijls vroeger, hoewel het verboden was. (In 1632, cf. Sent. v. de H. R. dd. 4 Apr. 1637.—In 1633 van Sp. 30 Aug., van J. M.-eil. 26 Aug. cf. Vander Brugge, Journael. p. 5, en: Twee Journalen. p. 3.—In 1634 van Sp. 1 Sept. cf. Twee Journalen. p. 22.—In het algemeen van Sp. omstreeks half Augustus. cf. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 29.)
[420]Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Niemand mocht afzonderlijk vroeger vertrekken, daar men vreesde voor vijanden. Zoo werd in 1624 een walvischvaarder, die alleen vooruitgezeild was, voor de Nederlandsche zeegaten door een Duinkerker genomen. (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.)
[421]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229.—Tegenw. Staat. I. p. 590.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 8.—Le Long, Kooph. v Amst. II p. 160.—Bij de uitlegging van Amsterdam in 1616 werd volgens het register der uitgiften van gronden (Amst. Arch.) een erf op de Keizersgracht tusschen de Prinsenstraat en de Brouwersgracht voor ƒ 600 verkocht aan een steenkooper Wouter Jacobsz., die het 1 October 1620 overdeed aan „Ysbrandt Dobbe cum socijs.” (Ysbr. Dobbesz. was in 1614, 1617 en ook in 1621 bewindhebber der N. C. cf. Octr. der N. C. in: Gr. Placaetb. I p. 669.—Contr. der N. C. met de Zeeuwen, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3. Ontd. van Jan Mayen-eiland. R.-A.) De Groenlandsche pakhuizen zijn dus waarschijnlijk gebouwd in 1621 ten tijde van den grootsten bloei der N. C.
Wij hebben nu gezien, hoe de Noordsche Compagnie haar bedrijf inrichtte; de vraag rijst echter natuurlijk of dat bedrijf wel de vele kosten loonde, die daarvoor gemaakt moesten worden. Ter beantwoording dier vraag moeten wij twee zaken nagaan: hoeveel de jaarlijksche vangst der walvischvaarders bedroeg en hoeveel geld de compagnie door verkoop van die vangst in kas kreeg. Ik zal trachten op die vragen een antwoord te geven.
Wij bezitten voor de begrooting van de jaarlijksche vangst der Noordsche Compagnie twee algemeene opgaven als leiddraad voor onze onderzoekingen. Eene alleszins betrouwbare autoriteit verzekert ons weinige jaren na den val der compagnie, dat hare vangst steeds gering was[422],en de Noordsche Compagnie zelve verklaart nog in 1636, dat de walvischvangst slechts een »cleyn werck” was[423].Van alle zijden wordt ons tegelijkertijd medegedeeld,dat in de eerste tijden der walvischvangst de visch zoo overvloedig voorkwam, dat men de prooi, later met moeite opgespoord, slechts te dooden had[424].De twee opgaven, hoe tegenstrijdig ze schijnen, zijn zeer goed overeen te brengen. Werkelijk kwam de walvisch in de eerste tijden der Noordsche Compagnie in grooten overvloed aan de kusten van Spitsbergen en Jan Mayen-eiland voor, en toch is het zeker, dat de compagnie in den regel, al ontbrak het noodige kapitaal haar niet, eene vangst naar huis bracht, uiterst onbeduidend in vergelijking met den grooten voorraad, dien de vrije visscherij later jaarlijks in Nederland invoerde. Het was toch, zooals wij zagen, haar systeem evenzeer als van de Oost- en West-Indische Compagniën, dat het beter was weinige goederen tegen hooge prijzen af te leveren dan veel te verkoopen, wanneer de waarde der goederen door die veelheid zelve aanmerkelijk verminderd was. Dit systeem, hoe hoogst verderfelijk ook voor den handel en voor het algemeen belang, had werkelijk veel wat het in het oog van bekrompene bezitters van monopoliën en van kortzichtige economisten aanbeval, en de Noordsche Compagnie volhardde daarbij tot haar einde toe[425].Of zij er wel bij voer? Ik vrees, dat dit hier evenmin als elders het geval was.
[422]Aanwysing van heils. polit. gronden. p. 75.[423]Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[424]Zie o. a. Scoresby, Account. II p. 141.[425]Dit blijkt o. a. uit de mededeeling der N. C. in 1636, dat haar vangst met1⁄3vermeerderen zou, wanneer o. a. de invoer van traan en balein van buitenslands verboden werd. (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het op prijs houden der waren was dus haar motief om weinig te vangen. (Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Zie echter hiernap. 124.
[422]Aanwysing van heils. polit. gronden. p. 75.
[423]Repart. der bewindh. v. de N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[424]Zie o. a. Scoresby, Account. II p. 141.
[425]Dit blijkt o. a. uit de mededeeling der N. C. in 1636, dat haar vangst met1⁄3vermeerderen zou, wanneer o. a. de invoer van traan en balein van buitenslands verboden werd. (Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het op prijs houden der waren was dus haar motief om weinig te vangen. (Vgl. ook: Repart. der N. C. Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Zie echter hiernap. 124.
Het ligt zeer voor de hand te meenen, dat eene vereeniging, die er zich op toelegde steeds bij grooten overvloed van visch slechts weinige schepen op de walvischvangst uit te zenden, ieder jaar die schepen ten boorde toe geladen naar huis moest zien keeren. De traditioneele voorstelling van de geschiedenis der Noordsche Compagnie leert ons dan ook, dat de eerste jaren tijden van later ongekenden voorspoed en overvloed waren, dat de rijke vangst steeds klom tot 1633 toe en dat eerst van toen af door de merkbare vermindering der visschen aan de kust, de Noordsche Compagnie kennis maakte met de slechte zijde van een avontuurlijken handel. Het nadeel door haar geleden, aanvankelijk gering, zou weldra zoozeer toegenomen zijn, dat de compagnie eerlang evenveel verloor als zij vroeger gewonnen had en zelve in 1642 de nering opgaf[426].Men vergeet bij deze voorstellingechter te veel, dat een bedrijf als de walvischvangst uit zijnen aard zeer onderhevig is aan geluk en ongeluk, dat »groote perijculen,” ijsgang, storm, zware mist veel invloed op het resultaat van »’t onzeecker visschen” kunnen oefenen; men brengt bovendien te weinig in rekening de geringe ervaring en bekwaamheid der Nederlanders in 1614, gebreken door de overkomst van enkele Basken slechts weinig verholpen. Wij hebben dan ook reeds gezien, dat de bovenvermelde voorstelling, berustende op het verhaal van Zorgdrager,—een boek ter loops gezegd even voortreffelijk waar het door den schrijver zelven geziene zaken mededeelt, als slecht te vertrouwen waar het degeschiedenisder walvischvangst geldt,—althans wat het laatste gedeelte aangaat stellig onjuist is: de kustvisscherij gaf nog eenige jaren na den val der Noordsche Compagnie voordeel aan hen, die zich daarmede bezighielden, en het octrooi der vereeniging werd dan ook in 1642 zeer tegen den zin der aandeelhouders ingetrokken. Ook wat de rijke vangst betreft en het tijdstip van den grootsten bloei der walvischvangst zal het blijken, dat Zorgdrager geheel misgetast heeft. Reeds dadelijk volge hier eene opgave van het resultaat der walvischvangst over de eerste twintig jaren[427].
[426]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 192, 229.—De walvischvangst. II p. 87.—Scoresby, Account. II p. 52, 178.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—Tegenw. Staat. I p. 590-92.[427]Over de laatste tien jaren der N. C. vind ik geene opgaven medegedeeld.[428]Deze opgaven zijn ontleend aan: Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157, VII fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XII fol. 8, XVI fol. 26.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 22, 25, 26.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.—R. S.-G. 23 Apr. 1615.—Getuigenissen in zake de Eng. quaestie v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Getuigenis v. Wybe Jansz. voor de regeering v. Amst. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Req. der N. C. c. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[426]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 192, 229.—De walvischvangst. II p. 87.—Scoresby, Account. II p. 52, 178.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—Tegenw. Staat. I p. 590-92.
[427]Over de laatste tien jaren der N. C. vind ik geene opgaven medegedeeld.
[428]Deze opgaven zijn ontleend aan: Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157, VII fol. 108, VIII fol. 86, 88, X fol. 106, XII fol. 8, XVI fol. 26.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 22, 25, 26.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466, 67.—R. S.-G. 23 Apr. 1615.—Getuigenissen in zake de Eng. quaestie v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Getuigenis v. Wybe Jansz. voor de regeering v. Amst. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Req. der N. C. c. Vrolicq en v. Vrolicq c. de N. C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
Het blijkt dus reeds terstond: 1o. dat de allereerste jaren der walvischvangst, wel verre van een resultaat te leveren, dat met den zoo geroemden overvloed der visschen overeenkwam, integendeel bizonder slecht uitvielen[429],2o. dat de Noordsche Compagnie ook in latere jaren, toen ervaring en bekwaamheid toenamen, volstrekt niet rekenen kon op een vaste ruime vangst, maar steeds afhing van verschillende omstandigheden, die op het resultaat der reis invloed oefenden, en 3o. dat de jaren, waarin wij weten, dat de Noordsche Compagnie een meer dan gewoon aantal schepen uitzond (1614, 1615 en 1628) volstrekt niet als gunstig in de boeken der vereeniging aangeteekend stonden,—eene opmerking, die bewijst, dat het kleine getal schepen door de compagnie uitgezonden nietuitsluitendaan het bovenvermelde beginsel van »kleine vangst hooge prijzen” toegeschreven, maar evenzeer aan de betrekkelijk geringe ruimte van het terrein geweten moet worden.
[429]Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C. c. Clarke dd. 15 Mrt. 1619 (lees 1618) in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.)
[429]Dit wordt nog bevestigd door de N. C. zelve. (Req. der N. C. c. Clarke dd. 15 Mrt. 1619 (lees 1618) in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.)
Bij al hetgeen deze onvolledige opgaven over het resultaat der vangst ons dus leeren, laten zij ons echter over eene zaak geheel in het duister. Wat verstond men onder een goede en slechte vangst, m. a. w. hoeveel kon de Noordsche Compagnie redelijkerwijze verwachten jaarlijks te zullen vangen? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk, daar ons nagenoeg alle gegevens voor eene statistiek van de jaarlijks ingevoerde hoeveelheid traan en baarden ontbreken. Wij moeten ons dus vergenoegen met den zeker eenigszins onzuiveren maatstaf, dien ons de algemeene begrootingen der Noordsche Compagnie aanbieden.
Bij de overeenkomsten, die de verschillende kamers der compagnie van tijd tot tijd met elkander sloten en waarbij zij ieders aandeel in de vangst regelden, werd namelijk het deel dat aan eene kamer toekwam uitgedrukt in quarteelen (vaten) traan; al deze deelen bij elkaar gevoegd vormden dus het getal quarteelen, dat men hoopte te vangen. Over de eerste jaren ontbreken die opgaven, eerst met het jaar 1622 vinden wij een cijfer genoemd: de Noordsche Compagnie begrootte toen haar jaarlijksche vangst op 21.000 quarteelen[430].Sedert is een gedurige vermindering der opbrengst merkbaar. Bij het contract van 1630 werd de vangstop 17.500 quarteelen begroot[431],in 1636 op slechts 16.000[432].Ik geef dadelijk toe, dat men op deze cijfers niet vast vertrouwen kan: naarmate het aandeel van sommige kamers op1⁄3,1⁄4,1⁄5of op kleinere breuken geschat werd, koos men een getal, dat ook in die breuken een ronde som kon geven; maar ongetwijfeld is de begrooting tochongeveerde uitdrukking van hetgeen de Noordsche Compagnie krachtens vroegere ondervinding van hare vangst verwachtte[433].
[430]R. S.-G. 3 Febr. 1622.[431]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.[432]Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[433]Geheel geene gevolgtrekkingen kan men afleiden uit de vermeerdering der gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en met 3000 in 1636. (R. S.-G. 4, 11, 12 Febr. 1622.—Aitzema, Saken van Staet. II p. 360.—Tegenw. Staat. I p. 590.) Beide malen geschiedde deze vermeerdering ten gerieve van nieuwe leden (de kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel uit de gewone begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlijk blijkt daaruit geheel niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting der geheele vangst op 24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, l. c. II p. 360), terwijl ze nog in Februari van hetzelfde jaar op slechts 16.000 begroot was (zie hiervóorp. 124 Noot 3), geschiedde waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was met acht Hollandsche steden, die men slechts in de N. C. wilde toelaten, indien de regeering door wering van alle concurrentie het der compagnie mogelijk maakte hare vangst op 24.000 quarteelen te brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[430]R. S.-G. 3 Febr. 1622.
[431]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[432]Versl. der confer. v. 14 Febr. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[433]Geheel geene gevolgtrekkingen kan men afleiden uit de vermeerdering der gewone begrooting met 1800 quarteelen in 1622, en met 3000 in 1636. (R. S.-G. 4, 11, 12 Febr. 1622.—Aitzema, Saken van Staet. II p. 360.—Tegenw. Staat. I p. 590.) Beide malen geschiedde deze vermeerdering ten gerieve van nieuwe leden (de kleine N. C. en de Friezen) wien men geen aandeel uit de gewone begrooting kon of wilde toeleggen om de rechten der overige kamers op de eens vastgestelde raming niet te krenken. Natuurlijk blijkt daaruit geheel niet, dat de vangst vermeerderd was. De begrooting der geheele vangst op 24.000 quarteelen in Juli 1636 (Aitzema, l. c. II p. 360), terwijl ze nog in Februari van hetzelfde jaar op slechts 16.000 begroot was (zie hiervóorp. 124 Noot 3), geschiedde waarschijnlijk omdat men nog aan het onderhandelen was met acht Hollandsche steden, die men slechts in de N. C. wilde toelaten, indien de regeering door wering van alle concurrentie het der compagnie mogelijk maakte hare vangst op 24.000 quarteelen te brengen. (Versl. der confer. in 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
Slechts enkele opgaven geven een volkomen zuiveren maatstaf voor de begrooting van de geheele vangst der compagnie. Wij hebben gezien, dat het getal schepen, die de Noordsche Compagnie jaarlijks naar het noorden zond, hoogst zelden tot twintig klom[434].Wanneer wij nu vernemen, dat eengrootschip ongeveer 1000 quarteelen traan kon bevatten[435],en wanneer wij er aan denken, dat het niet zelden voorkwam, dat men een gedeelte der vangst op het land moest achterlaten of met naschepen laten vervoeren, kunnen wij gemakkelijk berekenen, dat de compagnie met eene vangst van 20.000 quarteelen tevreden kon zijn[436].Eenige bewindhebbers verklaarden eenmaal zelfs,dat de groote en kleine Noordsche Compagniën tot 1622 toe—dus tot op het tijdstip waarop wij zagen, dat de vangst hun het meest inbracht,—te zamenin geen jaar ooit meer hadden gevangen dan 19.000 quarteelen traan[437],eene opgave, die tot eene nog ongunstiger conclusie leidt dan de zoo even gemaakte berekening. Wij vernemen eindelijk, dat omstreeks 1640 een schipbij gunstige vangsttien walvisschen of zelfs enkele meer kon vermeesteren[438],en wanneer wij bedenken, dat éen walvisch gewoonlijk 60 à 70 quarteelen traan en 1000 à 1800 pond baarden leverde[439],komen wij tot de van elders bevestigde conclusie, dat de gouden tijden der naschepen toen reeds lang voorbij waren.
[434]Zie de statistiek opp. 109, 10.[435]Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 133.—Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem, dd. 29 Juni 1629.—Eene vangst van 657 quarteelen beloonde de kosten van uitrusting van een schip niet. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) De Engelsche schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas, Pilgrimes. III p. 467-69, 737.—Purchas, Pilgrimage. p. 816.)[436]De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden het een zeer goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1300 vaten traan, in 1617 veertien schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen 1300 vaten inbrachten. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 69.)[437]Req. v. P. v. d. Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[438]Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. (Dat deze opgave uit de laatste dagen der N. C. dagteekent, blijkt uit het feit, dat de schrijver gedurig van zeevisschers spreekt, die niet aan Spitsbergen mochten komen om hunne traan te koken.)[439]Dit is de gemiddelde opbrengst, maar er was daarop zoo weinig staat te maken, dat men van walvisschen leest, die niet meer dan 10 quarteelen opleverden, terwijl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter vergelijking zie men de opgaven van de opbrengst van een walvisch bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 105, 129, 313, 356, 371.—De walvischvangst. I p. 42.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 6, 8, 10, 106, 113, 120.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 356.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 18.—Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Sent. v. h. Hof v. Holland in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.—Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 732, 34, 36, 37.—Schaderekening der Zeeuwen v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Eng. schaderekening v. 1618, in: Lias loop. 1618. R.-A.
[434]Zie de statistiek opp. 109, 10.
[435]Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 133.—Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem, dd. 29 Juni 1629.—Eene vangst van 657 quarteelen beloonde de kosten van uitrusting van een schip niet. (Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.) De Engelsche schepen waren gewoonlijk veel kleiner. (Purchas, Pilgrimes. III p. 467-69, 737.—Purchas, Pilgrimage. p. 816.)
[436]De Engelschen waren veel spoediger tevreden: zij oordeelden het een zeer goede vangst, toen in 1616 acht schepen 1300 vaten traan, in 1617 veertien schepen 1900 vaten en in 1622 zes schepen 1300 vaten inbrachten. (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467, 69.)
[437]Req. v. P. v. d. Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. dd. 12 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[438]Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15. (Dat deze opgave uit de laatste dagen der N. C. dagteekent, blijkt uit het feit, dat de schrijver gedurig van zeevisschers spreekt, die niet aan Spitsbergen mochten komen om hunne traan te koken.)
[439]Dit is de gemiddelde opbrengst, maar er was daarop zoo weinig staat te maken, dat men van walvisschen leest, die niet meer dan 10 quarteelen opleverden, terwijl anderen wel 100 quarteelen gaven. Ter vergelijking zie men de opgaven van de opbrengst van een walvisch bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 105, 129, 313, 356, 371.—De walvischvangst. I p. 42.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 6, 8, 10, 106, 113, 120.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 356.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 18.—Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Sent. v. h. Hof v. Holland in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.—Purchas, Pilgrimes. III p. 470, 732, 34, 36, 37.—Schaderekening der Zeeuwen v. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Eng. schaderekening v. 1618, in: Lias loop. 1618. R.-A.
Uit al het voorgaande blijkt, dat de geschiedenis der walvischvangst onder de kust in groote trekken aldus is. Terwijl de eerste jaren door onervarenheid en ongeluk, misschien door te groote uitrustingen nadeelig waren, werd het resultaat gunstig, zoodra de Noordsche Compagnie besloot zich uitsluitend naar de door mededingers niet bezochte noordelijke baaien op Spitsbergen en naar Jan Mayen-eiland terug te trekken: de jaren 1619 tot 1624 zijn dus die van den grootsten bloei. Reeds van dit laatste jaar dagteekent de langzame vermindering der vangst, die echter nog in 1636 belangrijk genoeg was om de Friezen tot de vestiging op het Deensche eiland over te halen. Meer en meer afnemende was de vangst omstreeks 1640 toch nog vrij goed en eerst na het openstellen der visscherij voor alle Nederlanders werd de walvisch in weinige jaren voor goed uit de baaien verjaagd. De zeevisscherij, die omstreeks 1630 opkwam, moest reeds twintig jaren later door de ijsvisscherij vervangen worden.
Maar al weten wij nu ongeveer, in welke jaren de grootste scheepsladingen traan en balein in ons vaderland werden binnengevoerd,het antwoord op de vraag naar de winst der Noordsche Compagnie is daarmede nog niet gegeven. Terwijl toch van de eene zijde het haar dikwijls ten laste gelegde wanbeheer en gebrek aan zuinigheid ook bij eene rijke vangst kon doen verliezen, had de compagnie in de door haar zelve bepaalde vaste prijzen der traan een middel om ook bij een zeer geringe toevoer nog redelijke zaken te doen. Laat ons zien wat daarvan is. Wij kunnen niet beter doen dan de Noordsche Compagnie, die wij reeds met hare vangst in de Groenlandsche pakhuizen hebben zien aankomen, nog verder in haren handel te volgen.
Wat het afzetten van de waar betreft, beleefde de compagnie in het begin werkelijk gouden dagen. Voor de traan, die voornamelijk in lampen tot verlichting werd gebruikt, en het spek, dat ook tot spijs schijnt gediend te hebben[440],vond men bijna overal een willige markt; de balein, waarvan men aanvankelijk het nut niet goed schijnt ingezien te hebben, werd sinds de uitvinding van den Engelschman John Osborne, die ze in 1618 door samenpersing begon te bewerken[441],gezocht voor schilderijlijsten, versierselen aan buffetten en schoorsteenmantels, ook voor wandelstokken, meshechten enz. Het binnenland bleef natuurlijk de hoofdmarkt voor deze artikelen[442],maar van Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw was het niet te verwachten, dat zij zich binnen zulke enge grenzen zouden beperken. Weldra werd Frankrijk,[443]waarschijnlijk ook Duitschland,Spanje en de kusten der Middellandsche zee[444]voor den nieuwen handel ontsloten. De prijzen waren aanvankelijk natuurlijk zeer hoog: éen walvischbaard werd met ƒ 12 (30 stuivers het pond) betaald[445],en de Noordsche Compagnie durfde in 1617 een quarteel traan op ƒ 150, de 100 pond balein nog op ƒ 30 begrooten[446].Maar weldra daalden de prijzen: de baarden waren in 1618 bijna niets meer waard[447]en ook de traan werd als nieuw en kostbaar artikel door het geringe verbruik gedrukt. Toen de walvischvangst zich in 1623 na eenige jaren van goede vangst hersteld had van de verliezen der eerste jaren, vinden wij het quarteel traan in Frankrijk begroot op ƒ 45, de 100 pond balein op ƒ 10[448].In Nederland—waar de prijzen niet veel van de Fransche verschild zullen hebben, daar de compagnie bij de bepaling der vaste prijzen natuurlijk met het buitenland moest rekenen,—werden dit jaar de prijzen zeer hoog geoordeeld[449].De vraag vermeerderde langzamerhand: in 1624 werden 100 pond balein voor ƒ 20 verkocht[450];in 1632 werd de prijs van het quarteel traan op ƒ 60 bepaald[451](de hier te lande gekookte slechtere traan gold dat jaar ruim ƒ 511⁄2het quarteel[452]), terwijl de baarden echter weder niet meer dan ongeveer ƒ 8 de 100 pond deden[453].Sedert begon de invloed der concurrentiezich meer en meer te doen gevoelen: de walvischvangst van Denen en Franschen begon zich nevens die der Engelschen op de markt te doen gelden, de Hansesteden vertoonden zich later ook in de IJszee, en vooral de meer en meer zich ontwikkelende zeevisscherij der Nederlanders zelve wierp een groot gewicht in de schaal. De Noordsche Compagnie, gewoon aan eene vrije en machtige positie, wist zich niet spoedig naar de veranderde omstandigheden te schikken. Zij bleef hare goederen voor veel geld aanbieden; de inrichting der compagnie maakte het onmogelijk de vaste vooruitbepaalde prijzen spoedig te veranderen, en het resultaat schijnt geweest te zijn, dat hare goederen, na geruimen tijd in de pakhuizen gelegen te hebben, eindelijk op onvoordeelige wijze van de hand gedaan moesten worden[454].Langzamerhand was de vereeniging toch wel genoodzaakt, met haren tijd mee te gaan; omstreeks 1640 was de prijs van een quarteel traan naar gelang van de vangst tot ƒ 45, 30, ja 25 gedaald[455].
[440]Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109.[441]Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds zijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover lang gepeinsd en eindelijk „door een sonderlinge wetenschap de dunne stucken soo in malkanderen weten te parssen, dat sy een massa zyn en blyven.” Had het balein eenmaal deze kunstbewerking ondergaan, dan werd het „so gedwee of mol, datmen met een gesneden plaet daerop druckt ’t gene men wil, de alderdunste graveringhen, als stralen van de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde plaet, of het pampieren afdrucksel siet: Men maeckt daer tronien heel uytstaende af, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle beeltenissen van Historien, of sy vande beste beeldt-snyders gedaen waeren: tot ornamenten der huysen en camers dienende, blyvende altoos soo swart als gitte, so men seyt.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Wassenaer een kreet van bewondering: „Nu bevinde ick”, schreef hij, „dat die luyden in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelen dat alle konsten op het hooghste zyn, en datter niet en is, of ’t sy al ghevonden. (NB. in 1624!) Voorwaer dese inventie braveert alle subtyle verstanden!”[442]De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat de N. C. zich tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat dit onjuist is, blijkt uit de beide volgende noten.[443]Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rouaansche admiraliteit gelegd op de goederen der N. C. te Rouaan, Bordeaux en Bayonne (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. Bijl. II, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), blijkt dat de compagnie daar agenten had.[444]De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1638 aan Christiaan IV voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide natiën te deelen: de Denen zouden Denemarken en de oostelijk van daar gelegene landen alleen hebben, de Nederlanders Duitschland ten westen der Elbe, Nederland, Frankrijk en alle andere zuidelijk en westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.) De resident, die in correspondentie stond met de N. C., zou dezen voorslag, waartoe hij trouwens geen specialen last had, zeker niet gedaan hebben, zoo de compagnie van den alleenhandel in die landen geen voordeel had kunnen trekken.[445]Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86.[446]Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in 1618 op £ 15. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)[447]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.[448]Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.[449]Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.[450]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.[451]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Dictum v. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637.[452]Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.[453]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Uit deze sententie blijkt, dat voor de baarden niet als voor de traan vooraf een vaste prijs door de N. C. bepaald werd: in 1632 werden ze eenvoudig allen aan de Amsterdamsche kamer ter verkoop gezonden.[454]Aanwysing v. heils. polit. gronden. p. 75.[455]Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Om de prijzen te berekenen moet men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen, dieongeveer12 steekannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339, 370, 371.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.—Dictum en Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3, 4 Apr. 1637.) De spekquarteelen waren grooter, zij hielden 16 à 18 steekannen. (Zorgdrager l. c. p. 335, 370.—Rijper zeepostil. p. 356.—Tegenw. Staat. I p. 608.)
[440]Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 109.
[441]Op verzoek van de N. C. had Osborne, geboortig van Worcester maar sinds zijn zeventiende jaar ivoordraaier te Amsterdam, daarover lang gepeinsd en eindelijk „door een sonderlinge wetenschap de dunne stucken soo in malkanderen weten te parssen, dat sy een massa zyn en blyven.” Had het balein eenmaal deze kunstbewerking ondergaan, dan werd het „so gedwee of mol, datmen met een gesneden plaet daerop druckt ’t gene men wil, de alderdunste graveringhen, als stralen van de son of anders, presenteren haer so helder, als men die inde plaet, of het pampieren afdrucksel siet: Men maeckt daer tronien heel uytstaende af, van mans en vrouwen, leeuwen, satyrs, en alle beeltenissen van Historien, of sy vande beste beeldt-snyders gedaen waeren: tot ornamenten der huysen en camers dienende, blyvende altoos soo swart als gitte, so men seyt.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 87.) Deze uitvinding ontlokte den goeden Dr. Wassenaer een kreet van bewondering: „Nu bevinde ick”, schreef hij, „dat die luyden in haer opinie bedroghen zyn, die ghevoelen dat alle konsten op het hooghste zyn, en datter niet en is, of ’t sy al ghevonden. (NB. in 1624!) Voorwaer dese inventie braveert alle subtyle verstanden!”
[442]De Aanwysing v. heils. polit. gronden zegt zelfs (p. 75), dat de N. C. zich tot den binnenlandschen verkoop geheel bepaalde. Dat dit onjuist is, blijkt uit de beide volgende noten.
[443]Uit het beslag, in 1634 volgens verlof der Rouaansche admiraliteit gelegd op de goederen der N. C. te Rouaan, Bordeaux en Bayonne (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. Bijl. II, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), blijkt dat de compagnie daar agenten had.
[444]De Nederlandsche resident Van Cracauw stelde in 1638 aan Christiaan IV voor, de markt voor traan en baarden tusschen beide natiën te deelen: de Denen zouden Denemarken en de oostelijk van daar gelegene landen alleen hebben, de Nederlanders Duitschland ten westen der Elbe, Nederland, Frankrijk en alle andere zuidelijk en westelijk gelegene landen. (Miss. v. Van Cracauw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638.) De resident, die in correspondentie stond met de N. C., zou dezen voorslag, waartoe hij trouwens geen specialen last had, zeker niet gedaan hebben, zoo de compagnie van den alleenhandel in die landen geen voordeel had kunnen trekken.
[445]Wassenaer, Hist verh. VIII fol. 86.
[446]Schaderekening der Zeeuwen v. 1617. (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) De Engelschen begrootten een quarteel traan in 1618 op £ 15. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)
[447]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.
[448]Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.
[449]Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.
[450]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.
[451]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Dictum v. de H. R. in zake als boven dd. 3 Apr. 1637.
[452]Dictum v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.
[453]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.—Uit deze sententie blijkt, dat voor de baarden niet als voor de traan vooraf een vaste prijs door de N. C. bepaald werd: in 1632 werden ze eenvoudig allen aan de Amsterdamsche kamer ter verkoop gezonden.
[454]Aanwysing v. heils. polit. gronden. p. 75.
[455]Drie Voyagien na Groenlandt. p. 15.—Om de prijzen te berekenen moet men weten, dat de traan geborgen werd in quarteelen, dieongeveer12 steekannen (van 16 mengelen) hielden. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 339, 370, 371.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.—Dictum en Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 3, 4 Apr. 1637.) De spekquarteelen waren grooter, zij hielden 16 à 18 steekannen. (Zorgdrager l. c. p. 335, 370.—Rijper zeepostil. p. 356.—Tegenw. Staat. I p. 608.)
Bij de verliezen, die de Noordsche Compagnie dus door hare inrichting zelve noodzakelijk nu en dan lijden moest, voegden zich echter andere, die zij tot het laatst toe niet poogde te voorkomen. De omslachtige wijze van traankoken, die zij had aangenomen en die haar noodzaakte kostbare inrichtingen in het barre noorden in stand te houden, was misschien[456]wenschelijk toen de overvloedige vangst niet in de schepen geborgen kon worden en toen men dus verplicht was naschepen te zenden om ze af te halen, maar zij gaf zeker geen voordeel meer, toen in latere jaren de vloot zelfs in het gunstigste geval bijna geenevolle lading traan meer medebracht. De geheele toestel dagteekende uit de tijden, toen men meende, dat het niet alleen onvoordeelig maar ook bijna onmogelijk was, het in stukken gesneden walvischspek naar het vaderland mede te nemen en eerst daar tot traan te bereiden. De concurrentie had ook hier den goeden weg gewezen; de zeevisschers, die het land niet mochten naderen en dus wel genoodzaakt waren hun spek ongekookt mede te nemen, hadden bewezen, dat er ook op die wijze uitnemende zaken te maken waren. Maar toch volhardde de geoctrooieerde vereeniging bij haar oud gebruik: niettegenstaande deze gewoonte de kosten der jaarlijksche uitrustingen bijna verdubbelde, droeg zij liever de daaraan verbonden schade dan ze op te geven. Had ook zij het spek mede naar huis genomen, dan had zij zelve het grootste voordeel prijsgegeven, dat zij boven hare mededingers meende te hebben, en zij volhardde dus in de hoop, dat de betere qualiteit der door haar gekookte traan de verbruikers zou doen genoegen nemen met de groote duurte, die deze kostbare bereiding van het artikel natuurlijk medebracht. Het was te denken, dat de vereeniging, die dus de bakens niet wist te verzetten toen het getij verliep, niet kon concurreeren met mededingers, die zelfs uit de uitgekookte vinken, uit de bezonken prut en lil een winst wisten te maken, die de compagnie door het gedurig achterlaten van dien afval in het noorden steeds moedwillig verzuimde[457].
[456]Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 131.) Op elk volgeladen schip—een schip, dat 1000 quarteelen hield, behoorde onder de groote—zou men dus, wanneer men het spek niet tot traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven achter te laten. Wanneer wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15 schepen schatten, geeft dit dus een jaarlijksch overschot van 3000 quarteelen spek. Nemen wij dus al aan, dat de schepen alle jaren geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren nooit konden medevoeren, (wat wij weten dat bepaald niet het geval was,) dan kon men door jaarlijks drie naschepen te zenden, den geheelen omslachtigen toestel van traankokerijen en woonhuizen in het noorden, van dubbele bemanning en dubbele victualie bespaard hebben.[457]Tegenw. Staat I p. 599.—Dat de achtergelaten afval niet onbeduidend was, blijkt wel uit het feit, dat de acht Engelsche matrozen, die in 1630 op Spitsbergen overwinterden, zich gedurende den geheelen winter grootendeels daarmede voedden. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 267.)
[456]Ik zeg „misschien”, omdat men door het spek tot traan te koken slechts 20% aan ruimte won. (Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 131.) Op elk volgeladen schip—een schip, dat 1000 quarteelen hield, behoorde onder de groote—zou men dus, wanneer men het spek niet tot traan kookte, slechts 200 quarteelen spek behoeven achter te laten. Wanneer wij de jaarlijksche vloot der N. C. op 15 schepen schatten, geeft dit dus een jaarlijksch overschot van 3000 quarteelen spek. Nemen wij dus al aan, dat de schepen alle jaren geheel volgeladen werden en dus het overschot der vorige jaren nooit konden medevoeren, (wat wij weten dat bepaald niet het geval was,) dan kon men door jaarlijks drie naschepen te zenden, den geheelen omslachtigen toestel van traankokerijen en woonhuizen in het noorden, van dubbele bemanning en dubbele victualie bespaard hebben.
[457]Tegenw. Staat I p. 599.—Dat de achtergelaten afval niet onbeduidend was, blijkt wel uit het feit, dat de acht Engelsche matrozen, die in 1630 op Spitsbergen overwinterden, zich gedurende den geheelen winter grootendeels daarmede voedden. (Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 267.)
De gevolgen lieten zich niet wachten: de eene reeder vóor de andere na, wiens kapitaal niet groot genoeg was om de zware verliezen te dragen, die hem nu en dan troffen, verkocht zijne aandeelen en beloofde zich zelven, voortaan geen duit meer in de gevaarlijke nering te zullen steken. Zoo werden de Zeeuwsche compagniën, die het trouwens al bizonder slecht getroffen en geen van de drie eerste jaren, dat zij zich met de walvischvangst bezighielden, ongestoord gevischt hadden, reeds met het einde van 1618 ontbonden[458].De kamers van het Noorderkwartier volgden dit voorbeeld op het laatst van 1621[459];die van Delft, wier aandeel in de Noordsche Compagnie zoo belangrijk was, nog vóor1624[460];de kleine Noordsche Compagnie, door de energieke Kyen en Leversteyn opgericht, zag den laatste reeds weinige jaren later zich uit dit bedrijf terugtrekken, en kort na de vereeniging met hare oudere zuster loste zij zich geheel op[461].Wel waren in die tijden vol moed en energie steeds nieuwe handelaars gereed om hun kapitaal aan de wisselvallige kansen te wagen, maar dat de gedurige ontbindingen der kamers niet door gril of toeval veroorzaakt werden, blijkt toch voldoende. Al gelooven wij de jammerzieke bewindhebbers der Noordsche Compagnie niet, die zelfs in 1624 en 1633, in tijden van bijna ongestoorde rust, over de ontzettende ellende der laatste jaren klaagden[462];al schenken wij geen gehoor aan de ontboezemingen der Zeeuwen, die zeker sterk overdreven, toen zij het in 1624 deden voorkomen alsof zij ook na de oprichting van nieuwe compagniën (1618) geen voordeelig jaar gehad hadden[463],wij kunnen ons niet voorstellen, dat de bewindhebbers onwaarheid spraken toen zij feiten noemden. En die feiten zijn welsprekend! Wij vernemen, dat het kapitaal der Noordsche Compagnie na de reis van 1615 geheel verbruikt was[464],—een feit, dat de geringe uitrusting van 1616 verklaart; de kleine Noordsche Compagnie verzekerde, dat zij in 1621 na zesjarig bestaan nog maar twee goede jaren had gehad[465];wij hooren, dat die van het Noorderkwartier in 1624 niet minder dan 11⁄2kapitaal ten achteren waren[466]en dat in de eerste jaren der walvischvangst de ongelukkige Zeeuwen meer dan eens hun kapitaal op éene reis geheel verloren[467].