[458]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Herhaaldelijk wordt ook van de „oudeNoortsche Compaignien” te Vlissingen en elders gesproken. (Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.—R. S.-G. 22 Aug., 23 Sept. 1624, 9 Apr. 1625.)[459]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[460]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[461]Zie meer hiervóorp. 79,80en hiernaHfdst. IX.[462]„Cort advertissement” v. Kyen en Leversteyn (dd. 29 Febr. 1616), in: Noordsche togten. 1. R.-A.—Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Gr. Placaetb. I p. 678.[463]N. Z. 22 Febr. 1622.—Req. der N. C. Zeeland aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.[464]R. S.-G. 23 Apr. 1615.[465]Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A[466]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[467]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[458]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Herhaaldelijk wordt ook van de „oudeNoortsche Compaignien” te Vlissingen en elders gesproken. (Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.—R. S.-G. 22 Aug., 23 Sept. 1624, 9 Apr. 1625.)
[459]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[460]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[461]Zie meer hiervóorp. 79,80en hiernaHfdst. IX.
[462]„Cort advertissement” v. Kyen en Leversteyn (dd. 29 Febr. 1616), in: Noordsche togten. 1. R.-A.—Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Gr. Placaetb. I p. 678.
[463]N. Z. 22 Febr. 1622.—Req. der N. C. Zeeland aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.
[464]R. S.-G. 23 Apr. 1615.
[465]Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A
[466]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[467]Corte Deductie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Zóo weinig geloof verdient de rooskleurige beschrijving, ons door Zorgdrager van de eerste jaren der walvischvangst opgedischt! Maar dat aan den anderen kant op het boven geschetste tafereel,—uit den aard der zaak grootendeels aan de berichten der bewindhebbers zelve ontleend,—de sombere tinten het meest in het oog vallen, is niet minder waar. De voortdurendeaandrang, eerst van de kleine Noordsche Compagnie en van de Zeeuwen, later van Hollandsche steden en Friesche reeders, om deel aan de steeds gesloten walvischvangst te krijgen bewijst voldoende, dat er winst bij te behalen viel. Mogen ook buitenlandsche mededingers, die zich voortdurend naast de Noordsche Compagnie in de IJszee nestelden, met weinig kennis van zaken een bedrijf ter hand genomen hebben, dat weldra bleek lang geene zekere geldbelegging te zijn: aan de binnenlandsche concurrenten kon het toch zeker niet onbekend blijven, dat de Noordsche Compagnie nu en dan zéer ongelukkig was en hare slechte jaren telde. Om dus den voortdurenden aandrang te verklaren, die door de compagnie slechts met moeite afgeweerd werd, moet men wel aannemen, dat tegenover de groote verliezen jaren stonden, die door overrijke vangst vele slechte tijden vergoedden,—jaren als die, waarvan Zorgdrager ons bericht, dat Willem Ys met éen naschip tot tweemalen toe 1000 quarteelen traan van Jan Mayen-eiland in het vaderland invoerde[468].
[468]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.—De kleine N. C. antwoordde dan ook op de bedreiging der N. C., dat zij de nering zou opgeven als de kleine N. C. niet geweerd werd, dat velen dan den handel, die zoo verwaarloosd werd, zouden willen bij de hand nemen. („Cort advertissement” van Kyen c. s. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)
[468]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 215.—De kleine N. C. antwoordde dan ook op de bedreiging der N. C., dat zij de nering zou opgeven als de kleine N. C. niet geweerd werd, dat velen dan den handel, die zoo verwaarloosd werd, zouden willen bij de hand nemen. („Cort advertissement” van Kyen c. s. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)
En zoo komen wij van zelf tot de gevolgtrekking, waartoe reeds de schrijver van den Tegenwoordigen Staat voor de latere jaren der visscherij gekomen is[469],—de gevolgtrekking, dat de walvischvangst eene »loterij” was. Wij kunnen ons volkomen vereenigen met het resultaat, dat de walvischvangst over het geheel den reeders voordeelig was[470],—hoe toch laat zich anders de voortduring van dit bedrijf verklaren?—maar wij moeten er bijvoegen, dat er een ruime beurs noodig was om dat voordeel te verkrijgen, dat men den moed en de macht moest hebben om de jaren af te wachten, die ruimschoots schadeloos stelden voor tijden van tegenspoed en verlies[471].
[469]Tegenw. Staat. I p. 600.[470]Tegenw. Staat. I p. 606.[471]Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den val der N. C.: Aanwysing p. 29, 75, 84.—Versl. over de zeevisscherijen. Bijl. XVI.—Tegenw. Staat. I p. 597-611.—Achenwall, Staatsverf. p. 414, 15.—Le Long, Kooph. v. Amst. II p. 161-190.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—Scoresby, Account. II p. 141, 43, 49-61.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 357.—De walvischvangst. II p. 89-116.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 197, 241, 251, 302 vlg.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 113, 120.
[469]Tegenw. Staat. I p. 600.
[470]Tegenw. Staat. I p. 606.
[471]Zie voor de statistiek der walvischvangst over de jaren na den val der N. C.: Aanwysing p. 29, 75, 84.—Versl. over de zeevisscherijen. Bijl. XVI.—Tegenw. Staat. I p. 597-611.—Achenwall, Staatsverf. p. 414, 15.—Le Long, Kooph. v. Amst. II p. 161-190.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—Scoresby, Account. II p. 141, 43, 49-61.—Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 357.—De walvischvangst. II p. 89-116.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 197, 241, 251, 302 vlg.—Martens, Voyage to Spitzb., in: White, Spitzbergen. p. 113, 120.
Reeds een paar malen heb ik in de voorgaande bladzijden gesproken van de inrichtingen, door de Noordsche Compagnie op de kusten der IJszee gebouwd. Het zal mijnen lezers niet ontgaan zijn, dat die inrichtingen van blijvenden aard waren en dat men hier dus bepaaldelijk aan eene Nederlandsche vestiging, eene soort van kolonie te denken heeft. De gelegenheid ontbrak mij tot nog toe, daarover anders dan in het voorbijgaan te spreken en ik wil de geschiedenis dier vestigingen dan ook hier in het bizonder behandelen,—te liever daar er over de uitgebreidheid en het belang daarvan »een ongelooflijk groot misverstand” heerscht. Terwijl de een spreekt van het gewoel, ja het gedrang, dat er alle zomers op Smeerenburg was, weet een tweede te verhalen, dat daar, bijna onder de Noordpool, de »weelderige” koopman der zeventiende eeuw bijna alle gemakken vond, die hem zijn welgebouwd huis binnen Amstels wallen bood; een derde verheft den roem der kolonie tot in de wolken en verzekert, dat Smeerenburg, door vruchtbaargemaakte velden omringd, als handelsstad van even groot belang werd geacht als het jeugdige Batavia; een vierde eindelijk drijft de zaak tot het uiterste door te verhalen van prachtige winkels en »voortreffelijk ingerigte logementen” (!), die men onder de woningen der kooplieden op Smeerenburg vond[472]! Het is geoorloofd te vragen, wat de bij uitstek practische Nederlanders der zeventiende eeuw bedoelden met het bouwen van dergelijke inrichtingen op de barre en jaarlijks slechts gedurende een paar maanden bezochte kusten, tenzij archaeologische nasporingen de geleerden misschien eenmaal tot de ontdekking brengen, dat men hier met een asyl voor schipbreukelingen te doen heeftof met de prototypen dier hospitalen voor teringlijders, wier aanbouw op Spitsbergens stranden nog onlangs door aardrijkskundigen van naam voorspeld werd!
[472]Zie een sterksprekend voorbeeld bij: Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 337.—Vgl. ook: De Reste, Hist. des Pêches. I p. 42.
[472]Zie een sterksprekend voorbeeld bij: Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 337.—Vgl. ook: De Reste, Hist. des Pêches. I p. 42.
Het is zeker onaangenaam, dergelijke fantastische en uitlokkende voorstellingen te verstoren, maar aangezien ik volkomen overtuigd ben, dat al deze verhalen niets meer zijn dan sprookjes, die de een den ander navertelt zonder dat het sommigen vertellers zelfs mogelijk zal zijn hun laatsten berichtgever te noemen, schroom ik niet deze onaangename taak op mij te nemen. Steunende op de berichten der Noordsche Compagnie, en vooral op de journalen der matrozen, die op de plaatsen zelve de barren winter hebben doorgebracht,—niet in weelderige hotels, maar in hutten van planken, waarin zij zich in hunne houten kribben ter nauwernood voor den wind konden beschermen,—stel ik mij voor eene beschrijving der Nederlandsche vestigingen in de IJszee te geven. Het ware verhaal zal misschien sterker getuigen voor de energie en de ondernemingszucht der Amsterdamsche kooplieden, dan de thans in omloop zijnde sprookjes voor hun practischen zin en hun gezond verstand!
Laat ons zien, waar wij het Nederlandsche gebied in de IJszee te zoeken hebben. Dat het tot Spitsbergen en Jan Mayen-eiland beperkt was, wordt algemeen aangenomen. Vestigingen op Groenlands westkust werden eerstmogelijksinds den aanvang der visscherij in straat Davis in 1719[473].Zoo enkele schrijvers van vestigingen aldaar vóor 1642 gesproken hebben[474],dan berust dat op een verkeerd verstaan van den naam »Groenland,” die vroeger niet alleen bepaaldelijk ook op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland, maar zelfs in het algemeen wel eens op alle noordsche landen werd toegepast. Op Jan Mayen-eiland, waar de Noordsche Compagnie weinige of geene concurrenten had, schijnt het Nederlandsche gebied niet nauwkeurig begrensd geweest te zijn; des te meer echter op Spitsbergen, waar Engelschen, Denen en Franschen aan de Nederlanders den voorrang betwistten. Van zelf was het gebied der verschillende natiën beperkt door den loop der walvisschen, die hoofdzakelijk de westkust van het eiland bezochten: dáar was het dan ook, dat de wedijverende volken hunne ankerplaatsen kozen en hunne hutten opsloegen. Laat ons eerst onderzoeken, welke plaats zich de Engelschen, de eerste walvischvaarders, toeëigenden.
[473]Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 26, 28.[474]Luzac, Hollands rijkdom. I p. 347.
[473]Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 26, 28.
[474]Luzac, Hollands rijkdom. I p. 347.
Het uitgangspunt der Engelsche bewegingen was reeds in 1612 Sir Thomas Smith’s-bay, ook wel Fair foreland geheeten[475];het volgende jaar vischten zij daar weder en ook in Bellsound enIcesound[476],terwijl in 1614 Bellsound, Icesound (Greenharbour), Sir Thomas Smith’s-bay en Fairhaven alleen als hun uitsluitend eigendom werden aangeduid[477].Reeds dadelijk was Deersound (Cross-road) door de Engelschen bezocht[478],en het blijkt, dat ook in Hornsound en Maudlensound door hen in den eersten tijd een enkele maal gevischt is[479].In deze zeven baaien alleen vinden wij gedurende den geheelen duur der walvischvangst onder het land Engelsche schepen[480];de drie noordelijkste werden echter weldra geheel door hen verlaten[481]en hoewel Greenharbour en ook Hornsound nog een enkele maal genoemd worden[482],waren Sir Thomas Smith’s-bay en Bellsound de hoofdpunten, waar zich de Engelsche walvischvangst vestigde. Dat deze vestiging echter niet veel te beduiden had, blijkt wel uit het feit, dat in Bellsound behalve eenige linnen tenten[483],die tot woning der »land-men” dienden en later door houten hutten vervangen werden[484],slechts een groote planken schuur stond met pannen gedekt, die tot bergplaats diende en door de kuipers tevens als woon- en werkplaats gebruikt werd[485].Elders vond men alleen een steenen huis met houten dak, waarin zich eenige houten kribben bevonden, benevens eene kuiperij, die tegelijk woonhuis was[486].Voor berging van gereedschappen gedurende den winter was dus slechts ter nauwernood gezorgd[487].Bij elke vestiging bevonden zichverder natuurlijk een of meer vastgemetselde traanketels met of zonder steenen schoorsteenen[488].Dit was nagenoeg alles, wat de Engelschen in hun uitgestrekt gebied, dat bijna de geheele westkust van Spitsbergen omvatte, voor woning en berging hadden gebouwd. Laat ons nu zien, of de Nederlandsche vestiging van meer belang was.
[475]Hist. du pays de Spitsberghe. p. 13, 21.[476]Baffin, Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716 vlg.[477]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.—Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720 vlg.[478]Poole, Voyage to Cherry Iland etc. 1610 (1611), bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 703.—Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas l. c. III p. 731.—Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas l. c. III p. 735.[479]Eng. schaderekening van 1618, in: Lias loop. 1618. R.-A.—Fotherby, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 722.—Insin. v. Ys aan Vrolicq dd. 30 Juni 1633, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[480]„Portnick,” waar de Engelschen in 1617 vischten (Br. v. Heley aan Deicrowe, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 732), is waarschijnlijk Nickes Cove (Behouden haven) in Icesound.[481]Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. (1634), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[482]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258, 67.[483]Zie de kaart v. Spitsbergen bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 473.[484]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.—Zulk een houten huisje werd in 1618 door de Engelschen op £ 15 begroot. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)[485]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269.[486]Scoresby, Account. II p. 177.—Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 262.[487]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 267, 71, 72.—Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.[488]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.
[475]Hist. du pays de Spitsberghe. p. 13, 21.
[476]Baffin, Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716 vlg.
[477]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 95.—Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 720 vlg.
[478]Poole, Voyage to Cherry Iland etc. 1610 (1611), bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 703.—Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas l. c. III p. 731.—Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 Juli 1619, bij: Purchas l. c. III p. 735.
[479]Eng. schaderekening van 1618, in: Lias loop. 1618. R.-A.—Fotherby, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 722.—Insin. v. Ys aan Vrolicq dd. 30 Juni 1633, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[480]„Portnick,” waar de Engelschen in 1617 vischten (Br. v. Heley aan Deicrowe, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 732), is waarschijnlijk Nickes Cove (Behouden haven) in Icesound.
[481]Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. (1634), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[482]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258, 67.
[483]Zie de kaart v. Spitsbergen bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 473.
[484]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.—Zulk een houten huisje werd in 1618 door de Engelschen op £ 15 begroot. (Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.)
[485]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269.
[486]Scoresby, Account. II p. 177.—Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 262.
[487]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 267, 71, 72.—Eng. schaderekening, in: Lias loop. 1618. R.-A.
[488]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.
Hoewel Beeren-eiland in den aanvang een enkele maal bezocht werd, was reeds dadelijk Spitsbergen het doel van de tochten der Nederlandsche walvischvaarders. Terwijl Van Muyden in 1612 op zijn zwerftocht langs de kust Fair foreland aangedaan en in zuidelijker baaien zonder veel vrucht de visscherij beproefd had[489],was hij reeds dadelijk in 1613 gelukkiger. Behouden-haven in Icesound, Lowsound en vooral Schoonhaven (Bellpoint) in Bellsound verschaften hem toen rijken buit. Hornsound werd dat jaar door kapitein Thomas Bonner met een Nederlandsch schip bezocht[490].Reeds in het eerste jaar der Noordsche Compagnie (1614) bereikten de Nederlanders daarop de plaats, waar zij naderhand hunnen hoofdzetel zouden opslaan: eenige schepen vertoonden zich in de noordelijke baai van Fairhaven[491],een der vischrijkste en veiligst gelegen baaien van het gansche eiland[492],die toch door de Engelschen tot nog toe niet bezocht was en daarom nu reeds dadelijk de »Hollandsche baai” genoemd werd[493].Het volgende jaar (1615) werd deze baai weder bezocht; ook in Hornsound waren eenige schepen der compagnie, Bellsound was echter het hoofddoel van de reis[494].Reeds datzelfde jaar deed men een belangrijken stap tot het verkrijgen eener duurzame vestiging.
[489]Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714, 15.[490]Hist. du pays de Spitsberghe. p. 21, 22, 24.—Baffin, Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.[491]Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.[492]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 86.[493]Deze naam wordt reeds in 1616 genoemd. (Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.) De gewone naam in de tijden der N. C. was echter „Mauritius-baai.”[494]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.
[489]Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714, 15.
[490]Hist. du pays de Spitsberghe. p. 21, 22, 24.—Baffin, Iournall, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.
[491]Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.
[492]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 86.
[493]Deze naam wordt reeds in 1616 genoemd. (Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.) De gewone naam in de tijden der N. C. was echter „Mauritius-baai.”
[494]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467.
Al dadelijk in 1612, en vooral in 1613 met behulp der gehuurde Basken, had de Noordsche Compagnie zich toegelegd op het bewerken der gevangen walvisschen tot traan[495];de noodige ketels en gereedschappen had men in het schip medegevoerd enslechts tijdelijk aan land opgesteld[496].Natuurlijk deed zich spoedig de behoefte gevoelen aan eene gelegenheid tot berging van de vele omvangrijke werktuigen, ten einde het lastige heen- en weêrvoeren te vermijden. Het was dus eene zeer eenvoudige zaak, dat de Noordsche Compagnie op het voorbeeld der Engelschen, die reeds in 1613 eene loge aan Fair foreland hadden, in 1615 bevel gaf een houten gebouw in Bellsound op te richten. De walvischvaarders gehoorzaamden aan dit bevel en borgen in de opgeslagen loods hunne sloepen, vaten en gereedschappen voor het volgende jaar[497].Hoe natuurlijk deze handelwijze ook was, toch kon zij niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Men was midden in den strijd met de Engelschen, die zich den uitsluitenden eigendom van Spitsbergen toekenden; hoe kon men hopen, dat dezen de Nederlanders, die eerst sinds twee jaren het eiland bezochten, niet zouden verhinderen in eene handeling, die blijken gaf van hun voornemen om zich daar bij voortduring te vestigen en waarop zij zich later tegen Engeland zouden kunnen beroepen? En de kansen der Noordsche Compagnie werden nog ongunstiger, toen zij de macht niet had om zich te handhaven; het jaar 1615 was zeer onvoordeelig geweest en met de geringe krachten, waarover de compagnie dus in 1616 te beschikken had, oordeelde zij het raadzaam de Engelschen dit jaar te ontwijken en zich met de visscherij aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland te vergenoegen[498].Natuurlijk maakten de Engelschen nu van de afwezigheid der Nederlanders gebruik om hunne loge te vernielen en zich den inhoud toe te eigenen[499].Vier schepen der Noordsche Compagnie, die door de schrale vangst aan Jan Mayen-eiland gedwongen waren op Spitsbergen hun geluk te beproeven, waren te zwak om de euveldaad hunner vijanden te verhinderen; slechts éen kwam naar Bellsound, terwijl de anderen Greenharbour, Maudlensound en de Hollandsche baai bezochten[500].Het ongeluk schrikte de Noordsche Compagnie af: voor het jaar 1617 werd hare geheele uitrustingweder naar Jan Mayen-eiland gezonden. Drie Zeeuwsche schepen, die Hornsound bezochten, brachten hun gereedschap zelve mede[501].Veel te zwak om zich te vestigen werd een van hen zelfs door de Engelschen beroofd, en ook de anderen keerden overhaast terug.
[495]Resol. Adm. Amst. 20 Apr. 1613.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.—Waarschijnlijk uit vrees voor de Engelschen schijnen echter de Nederlanders het traankoken toen nog niet geregeld te hebben bij de hand genomen; althans in 1614 kwamen er schepen van de N. C. binnen geladen met spek. (Br. der Stn.-Gen. aan de Admir. Maze dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.)[496]„Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[497]„Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.[498]„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Dat de compagnie echter het denkbeeld eener vestiging niet opgaf, blijkt wel uit art. 18 van het contract met de Zeeuwen van 19 Mrt. 1617 (in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), waarin bepaald werd, dat iedere kamer de sloepen en gereedschappen, door haar in het noorden achtergelaten, het volgende jaar weder zou mogen aanvaarden, „sonder datmen dselve d’een oft d’ander ontvreemden zal.” (!)[499]„Mémoire” der N. C. bij Muller, Mare Clausum. p. 371.[500]Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop. dd. 23 Mei 1616.[501]Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—„Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare clausum. p. 372.—»Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[495]Resol. Adm. Amst. 20 Apr. 1613.—Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.—Waarschijnlijk uit vrees voor de Engelschen schijnen echter de Nederlanders het traankoken toen nog niet geregeld te hebben bij de hand genomen; althans in 1614 kwamen er schepen van de N. C. binnen geladen met spek. (Br. der Stn.-Gen. aan de Admir. Maze dd. 20 Aug. 1614, in: Coll. Bisdom. 160. R.-A.)
[496]„Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[497]„Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare clausum. p. 371.—Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.
[498]„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Dat de compagnie echter het denkbeeld eener vestiging niet opgaf, blijkt wel uit art. 18 van het contract met de Zeeuwen van 19 Mrt. 1617 (in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), waarin bepaald werd, dat iedere kamer de sloepen en gereedschappen, door haar in het noorden achtergelaten, het volgende jaar weder zou mogen aanvaarden, „sonder datmen dselve d’een oft d’ander ontvreemden zal.” (!)
[499]„Mémoire” der N. C. bij Muller, Mare Clausum. p. 371.
[500]Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop. dd. 23 Mei 1616.
[501]Getuigenissen in zake den aanval der Eng. in 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—„Mémoire” der N. C. bij: Muller, Mare clausum. p. 372.—»Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Geheel anders was het in 1618: aan Jan Mayen-eiland was te weinig ruimte voor de vele schepen en de Noordsche Compagnie besloot dus, op nieuw haar geluk aan Spitsbergen te beproeven. De verschillende baaien op Spitsbergens westkust werden onder de kamers verloot en de schepen verspreidden zich in vier afdeelingen. De Amsterdammers begaven zich naar de Hollandsche baai[502];de Zeeuwen en die van Delft vestigden zich onbeschroomd in Sir Thomas Smith’s-bay[503],waar nog nooit een Nederlander de Engelschen in hun bezit gestoord had[504];aan die van het Noorderkwartier was Bellsound ten deel gevallen en Rotterdam moest zich met Hornsound tevreden stellen[505].In het bewustzijn hunner overmacht besloten de Nederlanders nu, op nieuw te beproeven zich op Spitsbergen te vestigen: zonder vertoef begon men met het bouwen van loges. Maar het resultaat was even onvoldoende als de eerste maal. De schepen, die in Sir Thomas Smith’s-bay vischten, hadden nauwelijks hunne traanketels aan land gebracht of de Engelschen, die zich daar onbeperkte meesters waanden, verboden hun ze op te stellen en eene loge te bouwen[506].Slechts met geweld konden zij zich handhaven en tot eene vestiging kwam het daar niet. Die van het Noorderkwartier kregen hunne loge in Bellsound gereed,—een houten huis 80 voet lang, 50 breed, gedekt met dakpannen,—maar slechts om weldra door de Engelschen verjaagd te worden, die het gebouw dadelijk weder afbraken en op eene andere plaats oprichtten »where more fit for their turne[507].” Toen het dus ten tweedenmale mislukt was, zich in de zuidelijke baaien van Spitsbergen te vestigen, schijnen deNederlanders van het bezoeken dier vischplaatsen voor goed afgeschrikt te zijn. Zij lieten hunne geroofde loge in handen der Engelschen, die ze nog in 1630 als hun hoofdkwartier in Bellsound gebruikten[508]en trokken zich naar de Mauritius- of Hollandsche baai in Fairhaven terug, waar zij ongestoord konden visschen.
[502]R. S.-G. 4 Nov. 1622.[503]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.—Brieven v. Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.[504]„Mémoire et Relation véritable” der Mosc. Comp., bij: Muller, Mare clausum. p. 378.[505]„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[506]„Mémoire” der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 372.[507]Br. v. Sherwin aan Heley dd. 29 Juni 1618, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 733.[508]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 269.
[502]R. S.-G. 4 Nov. 1622.
[503]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 468.—Brieven v. Salmon, Sherwin en Beversham, bij: Purchas l. c. III p. 733.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Noorderkwart, c. Amst. dd. 31 Mrt. 1635.
[504]„Mémoire et Relation véritable” der Mosc. Comp., bij: Muller, Mare clausum. p. 378.
[505]„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[506]„Mémoire” der N. C., bij: Muller, Mare clausum. p. 372.
[507]Br. v. Sherwin aan Heley dd. 29 Juni 1618, in: Purchas, Pilgrimes. III p. 733.
[508]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 269.
Fairhaven was wel niet de grootste, maar toch de rijkste »sound” van geheel Spitsbergen. Door twee vrij groote eilanden, die eerlang het Deensche en het Amsterdamsche zouden genoemd worden, verdeeld, bestond de baai uit twee boven elkander geplaatste rechte hoeken, die in elkander vloeiden. De zuidelijke hoek werd eerlang door de Engelschen verlaten en sedert niet meer gebruikt; in de beide armen der noordelijke (de »Noord-” en »Westbaai”) schijnen de Nederlanders zich reeds nu bij uitsluiting gevestigd te hebben. Zooveel ten minste is zeker, dat er in de »Hollandsche baai” in 1619 weder elf[509],in 1620 twee Nederlandsche walvischvaarders waren[510],terwijl de baai verder tot 1623 toe geregeld door Nederlanders bezocht werd[511].Het staat ook vast, dat in 1623 en 1625 de schepen, die de Noordsche Compagnie naar Spitsbergen zond, allen in Fairhaven vischten[512].Men zou zich echter vergissen, wanneer men meende, dat daarom de Noordsche Compagnie zich toen reeds uitsluitende rechten op die baai aanmatigde. Integendeel, terwijl zij sinds 1617 de Denen vrijwillig naast zich op het Amsterdamsche eiland toeliet[513],wees zij aan den anderen kant alle kamers behalve die van Amsterdam naar het zuidelijke gedeelte van Spitsbergen als het terrein, waarop zij de walvischvangst konden oefenen. Officiëel bleef zij nog steeds haar systeem handhaven, dat het geheele eiland Spitsbergen voor ieder openstond en dat alleen de Nederlanders als ontdekkers uitsluitende rechten zouden kunnen doen gelden.
[509]Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.[510]Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.[511]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469, 70.—Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1628, by: Purchas l. c. III p. 736.[512]Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. cf. Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.—Wassenaer l. c. IX fol. 124.[513]cf. o. a. R. S.-G. 25 Jan. 1624.
[509]Br. v. Salmon aan Heley dd. 5 juli 1619, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.
[510]Br. v. Catcher aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.
[511]Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 469, 70.—Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1628, by: Purchas l. c. III p. 736.
[512]Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157. cf. Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.—Wassenaer l. c. IX fol. 124.
[513]cf. o. a. R. S.-G. 25 Jan. 1624.
Aan dien twijfelachtigen toestand, toen de pretensiën der compagnie in strijd waren met haar feitelijk bezit, werd volgens alle schrijvers een einde gemaakt door de overeenkomst, die de geheele westkust van het eiland tusschen de verschillende natiën, die ze bezochten, verdeelde[514].Het bestaan dezer overeenkomst, waarop—alsweleer op het contrat social—alle schrijvers zonder onderscheid zich beroepen zonder dat zij ooit opgeven, wat de juiste bepalingen daarvan waren, tusschen wie en wanneer ze gesloten werd, schijnt mij intusschen zéer twijfelachtig. Er zou volgens de Noordsche Compagnie zelve in bepaald zijn, dat de grens tusschen Engelschen en Nederlanders bij Fair foreland getrokken zou worden[515],terwijl anderen alleen Fairhaven met hare drie baaien als het Nederlandsche gebied aanwijzen[516].Het is onmogelijk bij het gemis van alle bewijsstukken deze tegenspraak op te lossen, maar toch is het zeker, dat de Engelschen na 1623 langzamerhand van de visscherij ten noorden van Fair foreland afgezien hebben[517]en dat de Nederlanders zich na 1618 nooit meer ten zuiden van Fairhaven waagden. In de tusschen Engelschen en Nederlanders opengelaten ruimte vestigden zich in 1633 de Franschen en sedert 1640 de Hamburgers[518]zonder van eenige schriftelijke overeenkomst te weten[519].Het komt mij daarom waarschijnlijkvoor, dat door eene stilzwijgende schikking de grenzen dezer verschillende ligplaatsen zijn afgebakend, en dat deze schikking door langdurig gebruik bevestigd werd. De quaestie van het bestaan van het contract is dus van weinig belang. Ook al heeft het nooit bestaan, dan nog blijft het recht der Nederlanders op de twee noordelijke baaien van Fairhaven, waarop zij voornamelijk aanspraak maakten[520],even onbetwistbaar. Zij hadden zich de beide baaien, vóor hen nooit door iemand bezocht, reeds sinds 1614 toegeëigend; zij hadden door langdurig bezit den eigendom van dien »cleynen hoeck” gronds bevestigd, en het was dus eene dwaasheid om, zooals enkelen deden[521],Spitsbergen in zijn geheel voor een woest en vrij land te verklaren.
[514]Zie o. a. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211.—De walvischvangst, I p. 26.—Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.—De N. C. beweerde in 1633, „qu’il fust accordé, Que ceux d’Angleterre et ceux de la Compagnie flamande des lors en avant feroijent la paisiblement leur Pesche, Sans nuire, troubler ou inquieter l’un l’autre d’avantage, et ainsi demeureroijent certaine distance les uns des autres.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde, „dat de limiten vande Compagniesoo onseecker synals hare begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten gaende.” (Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A)[515]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.[516]Scoresby, Account. II p. 37 vlg.—Vrolicq beweerde in 1634, dat eene baai ten noorden der Hamburgerbaai was „onder het quartier vande Engelschen” (Req. aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), en de N. C. zelve stond hem toe te visschen »au Zud du Cap de Zud de la Baij de Magdalena.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)[517]Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat „de limiten om te visschen bij partien contendenten (nam. Engelschen en Nederlanders) waeren geraemt.” (Muller, Mare clausum. p. 223.) Een onverdeeld gezamenlijk bezit van Fairhaven is daarmede niet te vereenigen.[518]Nergens heb ik vóor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd gevonden. Martens’ opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin der Hamburgsche walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 13) schijnt mij dus zeer waarschijnlijk, hoewel Lindeman (l. c.) het jaar 1620 aanneemt.[519]Zie hierbovenp. 139 Noot 7.—Volgens Zorgdrager waren er omstreeks 1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones foreland), op het Hoop- en het Halvemaans-eiland, aan Wybe Jansz.’-water, in Hornsound, Bellsound (in drie inhammen), Icesound (in Greenharbour en Behouden haven), in Osburns-inlet (?) (St. Jans-baai), Kingbay (Engelsche baai), Crossroad, Hamburger-baai, Maudlensound, Fairhaven (in de Engelsche baai, Robbenbaai en Hollandsche baai), Archijpel (Zeeuwsche baai), Roode baai (?) en in Biscayerhoek. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 212-214.)[520]De N. C. eischte in 1633, dat Vrolicq zou blijven „buyten de limijtten van Magdalenenbaije ende de noorder punt ofte noorder gatt,” waar zij haar bedrijf oefende. (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)[521]Req. v. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A. („Uwe Ho. Mo. is al te well bekent het onderscheyt datter is tusschen landen die bewoont syn ende met forteressen ende garnisoenen continuellyck gepossideert ende bewaert werden, ende landen die t’ eenemael woest ende onbewoont synde, nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene die ter zee haere neeringhe doen; ten welcken insichte de selve oockde jure gentiumgehouden werden van deselve natuyre ende recht als de zee selffs.”)
[514]Zie o. a. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 194, 211.—De walvischvangst, I p. 26.—Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.—De N. C. beweerde in 1633, „qu’il fust accordé, Que ceux d’Angleterre et ceux de la Compagnie flamande des lors en avant feroijent la paisiblement leur Pesche, Sans nuire, troubler ou inquieter l’un l’autre d’avantage, et ainsi demeureroijent certaine distance les uns des autres.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) Vrolicq van zijne zijde beweerde, „dat de limiten vande Compagniesoo onseecker synals hare begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten gaende.” (Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. v. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A)
[515]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.
[516]Scoresby, Account. II p. 37 vlg.—Vrolicq beweerde in 1634, dat eene baai ten noorden der Hamburgerbaai was „onder het quartier vande Engelschen” (Req. aan de Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.), en de N. C. zelve stond hem toe te visschen »au Zud du Cap de Zud de la Baij de Magdalena.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[517]Reeds in 1627 verklaarde de Engelsche regeering, dat „de limiten om te visschen bij partien contendenten (nam. Engelschen en Nederlanders) waeren geraemt.” (Muller, Mare clausum. p. 223.) Een onverdeeld gezamenlijk bezit van Fairhaven is daarmede niet te vereenigen.
[518]Nergens heb ik vóor 1642 Hamburgers op Spitsbergen genoemd gevonden. Martens’ opgave van het jaar 1640 als ongeveer het begin der Hamburgsche walvischvangst (Lindeman, Arkt. Fisch. p. 13) schijnt mij dus zeer waarschijnlijk, hoewel Lindeman (l. c.) het jaar 1620 aanneemt.
[519]Zie hierbovenp. 139 Noot 7.—Volgens Zorgdrager waren er omstreeks 1700 sporen van vestigingen te vinden aan Disco (Stones foreland), op het Hoop- en het Halvemaans-eiland, aan Wybe Jansz.’-water, in Hornsound, Bellsound (in drie inhammen), Icesound (in Greenharbour en Behouden haven), in Osburns-inlet (?) (St. Jans-baai), Kingbay (Engelsche baai), Crossroad, Hamburger-baai, Maudlensound, Fairhaven (in de Engelsche baai, Robbenbaai en Hollandsche baai), Archijpel (Zeeuwsche baai), Roode baai (?) en in Biscayerhoek. (Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 212-214.)
[520]De N. C. eischte in 1633, dat Vrolicq zou blijven „buyten de limijtten van Magdalenenbaije ende de noorder punt ofte noorder gatt,” waar zij haar bedrijf oefende. (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[521]Req. v. Vrolicq c. de N. C. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A. („Uwe Ho. Mo. is al te well bekent het onderscheyt datter is tusschen landen die bewoont syn ende met forteressen ende garnisoenen continuellyck gepossideert ende bewaert werden, ende landen die t’ eenemael woest ende onbewoont synde, nergens anders toe en dienen als tot commoditeyt van die ghene die ter zee haere neeringhe doen; ten welcken insichte de selve oockde jure gentiumgehouden werden van deselve natuyre ende recht als de zee selffs.”)
De grensregeling tusschen de Noordsche Compagnie en hare buitenlandsche mededingers kwam dus reeds in 1618 feitelijk tot stand; maar tegelijkertijd begon het twisten tusschen de kamers onderling over het ieder van haar toekomende gebied. Wij zagen reeds, dat de Noordsche Compagnie in 1618 nog stijf vasthield aan haar recht om ook buiten Fairhaven te visschen. Het gevolg was voor eenige harer leden allernoodlottigst. Bij de verloting der baaien onder de kamers was Fairhaven aan de Amsterdammers »toegecaveld;” aan de andere kamers was het ongeluk te beurt gevallen, in de zuidelijke baaien naast de Engelschen hun bedrijf te moeten oefenen[522].Toen echter na de onaangenaamheden van 1618 de verhouding tusschen beide natiën gespannen was geworden en dus het bezoeken der zuidelijke baaien voor de Nederlanders gevaarlijk werd, schijnt de Amsterdamsche kamer haar verkregen recht op de Mauritius-baai toch gehandhaafd en hare zusters uitgesloten te hebben. Het blijkt ten minste, dat zij zich in 1622 reeds sinds verscheidene jaren in het uitsluitend bezit der baai verheugen kon[523]en dat zij zich ook in 1623 niettegenstaande de pogingen der andere kamers weder daar gevestigdhad[524].De baai zelve droeg dan ook destijds terecht den naam van »Amsterdamsche baai[525];” het eiland, waar de kamer zich neersloeg, heeft den naam van »Amsterdamsch eiland” steeds behouden. De andere kamers schijnen aanvankelijk in deze aanmatiging der Amsterdammers berust te hebben. De Zeeuwen vestigden zich in de aan Fairhaven in het noordoosten grenzende baai—gewoonlijk de Archypel genoemd naar de »Zeeuwsche Uitkyk” en andere eilandjes, die haar begrenzen,—en sloegen er hunne traanketels en hutten op[526];de overige kamers, die van de Maas en van het Noorderkwartier, bezochten waarschijnlijk Spitsbergen gedurende eenige jaren niet en stelden zich met de visscherij aan Jan Mayen-eiland tevreden. De Amsterdamsche nederzetting nam ondertusschen in omvang toe. Op het naar het zuidoosten gekeerde smalle strand van het eiland, dat naar hen genoemd is, hadden de Amsterdammers, en sinds 1617 de Denen zich gevestigd. Men vond daar reeds in 1623 verscheidene hutten, schuren om de gereedschappen in te bergen, gemetselde traanketels, waarbij men onder bescherming van het aan een paal opgerichte wapen van stad of land zijn bedrijf oefende[527].De vangst was zoo voordeelig, dat men dat jaar zelfs besloot eene uitbreiding aan de kolonie te geven door den aanbouw van eenige nieuwe woonhuizen[528].