Chapter 13

[522]Zie hiernaHfdst. VI.[523]R. S.-G. 5 Nov. 1622. („om harevorige possessiealdaer vredelyck te moegencontinueren.”)[524]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.—Zie nog in 1631: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.[525]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.[526]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214, 227.[527]Sent. v. h. Hof van Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.[528]Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.

[522]Zie hiernaHfdst. VI.

[523]R. S.-G. 5 Nov. 1622. („om harevorige possessiealdaer vredelyck te moegencontinueren.”)

[524]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.—Zie nog in 1631: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

[525]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

[526]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214, 227.

[527]Sent. v. h. Hof van Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.

[528]Br. v. Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 736.

Op den duur was echter zulk een ongelijke toestand natuurlijk onhoudbaar, en het was te voorzien, dat de verongelijkte kamers niet lang zouden toezien, dat hare Amsterdamsche zuster dus misbruik maakte van het voordeel, dat het toeval haar eenmaal verschaft had. Vooral wanneer het contract met Engeland gesloten is,—dat dan omstreeks 1625 moet hebben plaatsgehad,—was de onbillijkheid in het oog loopend. Vier kamers moesten zich dan tevredenstellen met hunne aanspraken op een gebied, waarvan de Noordsche Compagnie officiëel afstand gedaan had! Reeds in 1622 schijnen zich dan ook eenigen van haar in het Amsterdamsche gebied gedrongen te hebben; althans de kamer verzocht in het najaar de Staten-Generaal haar te handhaven in haar vorig bezit van de Mauritius-baai[529].Eene uitnemende gelegenheid om de zaak door te drijven bood zich echter weldra den verongelijkten kamers aan. De Denen, die een gedeelte van het Amsterdamsche eiland in bezit hadden, lietenhunne plaats sinds 1623 geruimen tijd open. Er waren onaangenaamheden met de Amsterdammers ontstaan en toen de Denen zich in 1624 niet vertoonden, meende men zich gerechtigd tot de conclusie, dat zij van de walvischvangst hadden afgezien. Al stonden er dan ook nog de Deensche schuren en hutten, de kamers der Noordsche Compagnie te Hoorn, Enkhuizen en Vlissingen namen in 1625 bezit van het verlatene terrein, iets westelijker dan het gebied der Amsterdammers gelegen. Het Deensche gereedschap werd eenvoudig weggenomen en de overweldigers bouwden nieuwe loges voor hun gebruik; de Noordsche Compagnie, bewust van het onrecht dat zij pleegde, richtte bovendien een fort ter verdediging harer gezamenlijke bezittingen op het nieuw verworven grondgebied op[530].De klachten der Denen baatten niet; zij moesten hunne vestiging naar de Robbenbaai op het Deensche eiland verplaatsen.

[529]R. S.-G. 5 Nov. 1622.[530]Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.—R. S.-G. 13 Mrt. 1632.—Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

[529]R. S.-G. 5 Nov. 1622.

[530]Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.—R. S.-G. 13 Mrt. 1632.—Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

Nu dus eenmaal de eerste stoot gegeven was, volgden weldra de andere kamers. De overige Zeeuwen—die van Middelburg en Veere—schijnen met hunne kleine baai evenmin tevreden geweest te zijn als de Vlissingers; Delft en Rotterdam, tot nog toe naar het schijnt zonder bepaalde plaats op Spitsbergen, waren er natuurlijk op gesteld, die te verkrijgen. Spoedig werd aan hun verlangen voldaan. In 1633 waren alle kamers reeds eenigen tijd vreedzaam naast elkander gevestigd[531]aan de zuidoostelijke punt van het Amsterdamsche eiland op »een strant ontrent een kleyne Musquetschoot breed”, omringd door vrij hooge bergen[532].

[531]Vander Brugge (Journael der Seven Matroosen) noemt „tenten” van Amsterdam (p. 12, 25), Delft (p. 28), Middelburg (p. 23), Vlissingen (p. 39) en Veere. (p. 37) Het bestaan eener Hoornsche vestiging blijkt uit: Raven, Iournael. p. 11,—eener Enkhuizensche uit: Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8;—Rotterdam wordt door Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 220) genoemd.[532]Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

[531]Vander Brugge (Journael der Seven Matroosen) noemt „tenten” van Amsterdam (p. 12, 25), Delft (p. 28), Middelburg (p. 23), Vlissingen (p. 39) en Veere. (p. 37) Het bestaan eener Hoornsche vestiging blijkt uit: Raven, Iournael. p. 11,—eener Enkhuizensche uit: Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8;—Rotterdam wordt door Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 220) genoemd.

[532]Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

Niettegenstaande deze schijnbare eenheid bleef men echter streng vasthouden aan het beginsel van afzondering der verschillende kamers, dat men nu eenmaal aangenomen had. Iedere kamer had op het strand hare afzonderlijke »tent” op eenigen afstand van die der andere kamers[533];ieders traankokerij was daarnaast gemetseld en de verdere noodige gebouwen, kuiperijen, schuren of pakhuizen, en hutten voor de land-matrozen waren daaromheen gelegen[534].Vóor die vestiging had elke kamer hare afzonderlijke ligplaats, waar hare schepen ankerden en gedurende hetgeheele getij bleven liggen[535].Aan dit beginsel werd zoo streng vastgehouden, dat men de Friezen in 1636 alleen in de Noordsche Compagnie opnam op de uitdrukkelijke voorwaarde, dat zij bij het vrije gebruik der »landen ende bayen”, die de compagnie op Spitsbergen bezat, steeds op redelijken afstand van het tot nog toe door de andere kamers gebruikte gebied zouden blijven[536].De Friezen namen daarmede genoegen en vestigden zich dus tegenover het Dodemanseiland op de noordoostpunt van het Deensche eiland; de Westbaai (later Zuidbaai genoemd), die zich voor hunne vestiging, eerlang de Harlinger kokerij geheeten, uitstrekte, leverde hun overvloedige vangst[537].De afstand, die de verschillende vestigingen scheidde, was echter zoo gering, dat men gemakkelijk van de eene naar de andere kon gaan; als men ze allen overzag, omringd door de kramen en winkels van levensbehoeften, vormden de gebouwen zelfs te zamen een soort van geheel. Gedurende den tijd, dat de walvischvaarders aan land waren, was er om deze verzameling van hutten en schuren zulk eene drukte, dat men aan eene bloeiende handelsnederzetting kon denken. Het »dorp” kreeg weldra eenen naam: als »Smeerenburg” werd het algemeen bekend[538].

[533]Zie hiervóorNoot 2.[534]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—Raven, Iournael. p. 11.[535]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.[536]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.[537]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.—De walvischvangst. I p. 17.—Tegenw. Staat. I p. 590.—Men was in Nederland zoo overtuigd van de noodzakelijkheid van zulk eene afscheiding, dat die van Utrecht, die in 1638 in de Noordsche Compagnie wenschten opgenomen te worden, dadelijk aanboden zich op Spitsbergen 3 à 5 mijlen van de Hollanders te vestigen. (R. S.-G. 29 Sept. 1638.)[538]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.—Tegenw. Staat. I p. 591.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[533]Zie hiervóorNoot 2.

[534]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—Raven, Iournael. p. 11.

[535]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[536]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360.

[537]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.—De walvischvangst. I p. 17.—Tegenw. Staat. I p. 590.—Men was in Nederland zoo overtuigd van de noodzakelijkheid van zulk eene afscheiding, dat die van Utrecht, die in 1638 in de Noordsche Compagnie wenschten opgenomen te worden, dadelijk aanboden zich op Spitsbergen 3 à 5 mijlen van de Hollanders te vestigen. (R. S.-G. 29 Sept. 1638.)

[538]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.—Tegenw. Staat. I p. 591.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

Men wachte zich echter reeds dadelijk weder voor overdrijving: het zoogenaamde dorp zal wel altijd gering van omvang, armelijk van uitzien geweest zijn. In 1626, toen de nederzetting dus reeds verscheidene jaren bestaan had en door de aankomst van die van Vlissingen, Hoorn en Enkhuizen aanmerkelijk toegenomen was, stonden in de Mauritius-baai behalve de kleinere gebouwen nog slechts vijf loges of loodsen[539].Natuurlijk ging de plaats nog sterk vooruit; de vestiging der vier overblijvende kamers deed nieuwe huizen, schuren en traanketels verrijzen, maar wanneer wij vernemen, dat in 1633—dus toen de walvischvangst het tijdstip van haren hoogsten bloei onder de Noordsche Compagnie reeds voorbij was—alleen Amsterdam twee groote »tenten” schijnt gehad te hebben[540],—wanneer wij lezen,dat het getal der fondamenten van traanketels op Smeerenburg later slechts acht of tien bedroeg[541],—een getal vrij wel overeenkomende met dat der kamers,—dan moeten wij het Zorgdrager toestemmen, dat Smeerenburg zich zelfs in de dagen van haar hoogsten bloei op verre na niet met hare tweelingzuster Batavia kon meten[542].Dat de Harlinger kokerij uiterst weinig te beteekenen had, blijkt uit het feit, dat in 1670, toen er nog zoovele huizen op Smeerenburg stonden, dat ze zich als een klein dorp voordeden[543],van de geheele Harlinger kokerij slechts éen traanketel, twee woonhuizen en twee schuren overig waren[544].

[539]Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.[540]Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 33, 38.—Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.[541]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.—Op eene groote geteekende kaart van de Mauritius-baai, vervaardigd na de vestiging der Friezen en vóor het verlaten van Smeerenburg (dus omstreeks 1640) vind ik zelfs slechts zes „tenten” op Smeerenburg aangeteekend; het kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s Zee-atlas heeft er vijf. De volgorde van het oosten naar het westen was: Amsterdam, Middelburg, Vlissingen, Denemarken (? = Enkhuizen na de occupatie van 1625?), Delft en Hoorn. (Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.)[542]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.[543]Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.[544]Martens, Voyage, bij: White, Spitzbergen. p. 23.—Scoresby, Account. II p. 180.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88.

[539]Wassenaer, Hist. verh. XII fol. 8.

[540]Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 33, 38.—Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.

[541]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 227.—Op eene groote geteekende kaart van de Mauritius-baai, vervaardigd na de vestiging der Friezen en vóor het verlaten van Smeerenburg (dus omstreeks 1640) vind ik zelfs slechts zes „tenten” op Smeerenburg aangeteekend; het kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s Zee-atlas heeft er vijf. De volgorde van het oosten naar het westen was: Amsterdam, Middelburg, Vlissingen, Denemarken (? = Enkhuizen na de occupatie van 1625?), Delft en Hoorn. (Van Keulen, Zee-atlas. I p. 72.)

[542]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

[543]Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.

[544]Martens, Voyage, bij: White, Spitzbergen. p. 23.—Scoresby, Account. II p. 180.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88.

Van de inrichting van Smeerenburg en de daar aanwezige gebouwen kunnen wij ons een vrij goed denkbeeld vormen uit de journalen van eenige matrozen, die daar twee jaren achtereen in den grootsten bloei der walvischvangst overwinterden. Op eene breede vlakte, door hooge bergen omringd en door de Mauritiusbaai bespoeld, verrezen de gebouwen der verschillende kamers[545].Daaronder trok voor alles de opmerkzaamheid de eigenlijke kern der vestiging, de »tent”. Het was een gebouw van vrij grooten omvang, aanvankelijk van hout, later van steen opgetrokken[546].Reeds in 1618 werd er door de Nederlanders in Bellsound eene opgericht, die 80 voet lang en 50 breed was, maar die dan ook tegelijkertijd voor berg- en woonplaats, en tevens voor kuiperij zal gediend hebben[547].De inrichting was hoogst eenvoudig: eene groote kamer, die de geheele breedte innam, diende der bemanning tot woning[548];losse kribben waren daartoe getimmerd, een oven( »stoof”) diende zeker niet alleen om de kamer te verwarmen[549].Achter deze kamer was eene kleinere aangebracht, die tot berging der leeftocht strekte en door eene deur met de voorkamer gemeenschap had. Een trap leidde van daar naar eene ruimte boven de met klei bestreken zoldering, die des noods tot berging diende en door het pannen of houten dak werd gedekt[550].Gebruikte men het gebouw in de eerste jaren der visscherij tevens voor berg- en werkplaats, toen de walvischvangst zekerder en meer duurzaam gevestigd was, bouwde men daartoe afzonderlijke loodsen; de tenten zelve werden op grooter en steviger voet gebouwd. Ja, toen het aantal walvischvaarders toenam, bleek weldra éene tent onvoldoende om de vele matrozen te huisvesten. Amsterdam ging over tot het bouwen eener tweede tent; de andere kamers bouwden verscheidene houten hutten, geheel als de tenten ingericht maar op kleiner schaal. Deze hutten dienden van toen af aan het overschietende volk tot woning. Het woonvertrek, dat de geheele breedte (16 voet) innam, was daar slechts 71⁄2voet hoog, 21 lang en met een halvesteensmuur omgeven; het kleinere proviandvertrek daarachter was eenvoudig van planken opgetrokken[551].

[545]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.—Martens, Voyage, by: White, Spitzbergen. p. 23.[546]Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[547]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269.—Scoresby, Account. II p. 177.[548]Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.—De Commandeur-generaal woonde in de nieuwe Amsterdamsche tent. (Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 26.)[549]Vander Brugge, Iournael. p. 13, 14.[550]Iournael van seven matrosen 1634/35, achter: Raven, Iournael. p. 14.[551]Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.—Vander Brugge, Iournael. p. 14, 27, 40, 47.

[545]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 214.—Martens, Voyage, by: White, Spitzbergen. p. 23.

[546]Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Req. v. de N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[547]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 269.—Scoresby, Account. II p. 177.

[548]Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 9.—De Commandeur-generaal woonde in de nieuwe Amsterdamsche tent. (Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 26.)

[549]Vander Brugge, Iournael. p. 13, 14.

[550]Iournael van seven matrosen 1634/35, achter: Raven, Iournael. p. 14.

[551]Martens, Voyage into Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.—Vander Brugge, Iournael. p. 14, 27, 40, 47.

Na de tent was de traanketel het voornaamste gebouw der vestiging. Een groote koperen ketel of pan werd in de opene lucht vastgemetseld op een lage steenen oven, en de traankokerij was gereed. Later bouwde men er een steenen schoorsteen bij; misschien beschermde een planken hut, om de geheele inrichting opgetrokken, de kokers soms voor de snerpende winden[552].Een noodzakelijk gebouw was ook de kuiperij, waar de kuipers de medegebrachte duigen tot vaten maakten; de zolder daarboven strekte hun tot woning[553].

[552]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.—Martens, Voyage, bij: White l. c. p. 22.—Relation du Groenland, bij: White l. c. p. 235.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.[553]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—Tegenw. Staat. I p. 590.—Daar er een vrij groot aantal kuipers, ook metselaars om de traanketels te bevestigen jaarlijks mede naar Spitsbergen gingen, verliest het dwaze verhaal, dat de Smeerenburgsche huizen »in Holland getimmerd” (!) en zoo op de schepen medegevoerd werden (Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 336) allen redelijken grond.

[552]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 270.—Martens, Voyage, bij: White l. c. p. 22.—Relation du Groenland, bij: White l. c. p. 235.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.

[553]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—Tegenw. Staat. I p. 590.—Daar er een vrij groot aantal kuipers, ook metselaars om de traanketels te bevestigen jaarlijks mede naar Spitsbergen gingen, verliest het dwaze verhaal, dat de Smeerenburgsche huizen »in Holland getimmerd” (!) en zoo op de schepen medegevoerd werden (Berghaus, Wat men van de aarde weet. II p. 336) allen redelijken grond.

De meeste gebouwen op Smeerenburg waren echter ongetwijfeld houten schuren, grooter dan de hutten maar minder stevig gebouwd. Zij strekten om de gereedschappen, die tot de walvischvangstnoodig waren,—lijnen, harpoenen, lensen, vaten, hoepels, duigen, ovens, aanbeelden, smidstangen enz.—gedurende den winter te bergen[554].De traanketels werden veelal met de houten koelbakken en de looden gooten daarnaast eenvoudig op het strand achtergelaten[555].Ook de kaapstanders bleven staan; de sloepen trok men meestal op het strand en liet ze zoo in de sneeuw achter[556].Wanneer het gebeurde, dat de rijke vangst in de schepen niet kon geborgen worden en ook in de naschepen geene ruimte genoeg was, werden veelal de traan en baarden, die men dus genoodzaakt was den winter op het eiland over te laten, in de schuren geborgen[557].In den rijksten tijd der visscherij kwam het echter voor, dat men ze eenvoudig in den grond begroef; de schuren bleven hoofdzakelijk tot berging der gereedschappen bestemd.

[554]Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—De walvischvangst. I. p 30.—Vander Brugge, Journael. p. 11, 15.[555]Vander Brugge, Journael. p. 20, 30, 32, 36, 38, 39.[556]Raven, Journael. p. 11.—Vander Brugge, Journael. p. 46.[557]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 28.

[554]Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake de N. C. c. Braem dd. 29 Juni 1629.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 220.—De walvischvangst. I. p 30.—Vander Brugge, Journael. p. 11, 15.

[555]Vander Brugge, Journael. p. 20, 30, 32, 36, 38, 39.

[556]Raven, Journael. p. 11.—Vander Brugge, Journael. p. 46.

[557]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 28.

Voeg bij al deze gebouwen eene kerk[558],een fort met eenige batterijen[559],die de vestiging verdedigen moesten tegen zwervende Duinkerkers of Basken, en ge kunt u eene voorstelling maken van Smeerenburg, zooals het zich omstreeks 1633 vertoonde. Het tooneel werd des zomers verlevendigd door de aanwezigheid der walvischvaarders, ongeveer 1000 in getal, die ruimschoots gelegenheid hadden zich behalve het noodige allerlei versnaperingen te bezorgen. Op de schepen der Noordsche Compagnie bevonden zich toch meestal bakkers, kramers, zoetelaars en andere dergelijke lieden, die niet tegen de reis opzagen om winst te maken. Hetzij in de schuren der compagnie zelve, hetzij in eigene kramen en loodsen sloegen zij zich neer, en ventten aan de begeerige matrozen hun wijn en brandewijn, hun tabak en hun warm brood. Men verhaalt, dat vooral het laatste artikel zoo gewild was, dat men iederen morgen door het blazen op een hoorn de matrozen kennisgaf, dat de broodjes uit den oven genomen werden[560].

[558]Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[559]Vander Brugge, Journael. p. 6, 23.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 361.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.[560]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.—De walvischvangst. I p. 28.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.

[558]Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[559]Vander Brugge, Journael. p. 6, 23.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 361.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

[560]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.—De walvischvangst. I p. 28.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.

Al deze gebouwen met hunne bewoners waren bestemd om slechts weinige jaren de stille stranden van Spitsbergen te verlevendigen. Zorgdrager bericht, dat men ongeveer tegelijkertijd met Batavia (1619) op Smeerenburg begon te bouwen[561];wij hebben gezien, dat de opgave volkomen juist is. En reeds twintig jaren later was de zoo veelbelovende vestiging aan het vervallen! Het is natuurlijk onmogelijk, een juisten datum voor dit langzaam toenemende verval op te geven; verschillende bekende jaartallen laten echter slechts weinig speelruimte over. Wij weten, dat in 1633 de walvischvangst aan het land nog steeds bloeide[562];in 1636 was dit bedrijf nog zelfs van zooveel belang, dat de Friezen, na hardnekkigen aandrang eindelijk in de Noordsche Compagnie opgenomen, eene nieuwe vestiging op het Deensche eiland oprichtten[563].Maar toen begon ook het verval schielijk toe te nemen[564].De compagnie zelve oordeelde het eerlang voordeeliger, naast de kustvisscherij ook de zeevisscherij ter hand te nemen: reeds in 1638 zond zij een paar schepen daarop uit[565].Ondertusschen was de kustvisscherij nog in 1642 belangrijk genoeg: de Noordsche Compagnie deed veel moeite om haar octrooi te doen verlengen en zich ten minste aan land van mededingers te ontslaan[566].Het gelukte niet en weldra was de Mauritius-baai vervuld met talrijke schepen, wier bemanning door hare drukte en gewoel, door hare te sterke jacht den walvisch in weinige jaren geheel verjoeg[567].Ondertusschen werd nog in 1646 de walvischvangst aan land geoefend[568],maar hoe langer hoe meer verliet de visch de kusten; de banken werden bezocht[569]en in 1650 werd de zeevisscherij reeds zoo sterk gedreven, dat de walvisch in het ijs begon te wijken en men moest beraadslagen of het niet raadzaam zou zijn hem daar te volgen[570].In 1650 was Smeerenburg dus zeker geheel verlaten[571].

[561]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.[562]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229, 266.[563]Zie hiervóorp. 144.[564]Scoresby, Account. II p. 52.[565]Zie hiervóorp. 116.[566]Zie hiernaHfdst. IX.[567]Scoresby, Account. II p. 179.[568]Twee Journalen der Matroosen. p. 24. („Kort verhael” van Municky.)—Relation du Groenland, bij: White, Spitzbergen. p. 235, 36.[569]De walvischvangst. I p. 29.[570]Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 355.[571]Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 235, 36) en na hem bijna alle werken over de walvischvangst (o. a. De walvischvangst. I p. 29, 30) plaatsen het verlaten van Smeerenburg vóor den val der N. C. Ten onrechte, zooals onwederlegbaar blijkt uitNoot 8.—Scoresby (Account. II p. 143-45) daarentegen houdt het er voor, dat nog lang nadat de N. C. gevallen was en de kustvisscherij was opgegeven, Smeerenburg druk bezocht werd op het einde van het getij om het spek in vaten te pakken. In dien tijd plaatst hij zelfs den grootsten bloei van Smeerenburg door het jaarlijksch bezoek van de dubbele bemanning van 2 à 300 schepen. Dit is echter bepaald onjuist. De groote bloei der walvischvangst, die toen 2 à 300 schepen telde, begon eerst toen de schepen zich in het ijs waagden, en de afstand van daar naar Smeerenburg was natuurlijk te groot om alleen voor het inpakken van het spek, dat even goed op het schip zelf geschieden kon, dien langen weg af te leggen; de dubbele bemanning was toen ook natuurlijk als onnoodig reeds lang afgeschaft. Bovendien weten wij van Martens, dat Smeerenburg in 1670 reeds sinds geruimen tijd verlaten en aan het vervallen was.

[561]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 228.

[562]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 229, 266.

[563]Zie hiervóorp. 144.

[564]Scoresby, Account. II p. 52.

[565]Zie hiervóorp. 116.

[566]Zie hiernaHfdst. IX.

[567]Scoresby, Account. II p. 179.

[568]Twee Journalen der Matroosen. p. 24. („Kort verhael” van Municky.)—Relation du Groenland, bij: White, Spitzbergen. p. 235, 36.

[569]De walvischvangst. I p. 29.

[570]Dooregeest, Rijper zee-postil. p. 355.

[571]Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 235, 36) en na hem bijna alle werken over de walvischvangst (o. a. De walvischvangst. I p. 29, 30) plaatsen het verlaten van Smeerenburg vóor den val der N. C. Ten onrechte, zooals onwederlegbaar blijkt uitNoot 8.—Scoresby (Account. II p. 143-45) daarentegen houdt het er voor, dat nog lang nadat de N. C. gevallen was en de kustvisscherij was opgegeven, Smeerenburg druk bezocht werd op het einde van het getij om het spek in vaten te pakken. In dien tijd plaatst hij zelfs den grootsten bloei van Smeerenburg door het jaarlijksch bezoek van de dubbele bemanning van 2 à 300 schepen. Dit is echter bepaald onjuist. De groote bloei der walvischvangst, die toen 2 à 300 schepen telde, begon eerst toen de schepen zich in het ijs waagden, en de afstand van daar naar Smeerenburg was natuurlijk te groot om alleen voor het inpakken van het spek, dat even goed op het schip zelf geschieden kon, dien langen weg af te leggen; de dubbele bemanning was toen ook natuurlijk als onnoodig reeds lang afgeschaft. Bovendien weten wij van Martens, dat Smeerenburg in 1670 reeds sinds geruimen tijd verlaten en aan het vervallen was.

Gedurende het vijf- of zesjarig tijdperk na den val der compagnie, dat men dus de plaats was blijven bezoeken,—ongetwijfeld het tijdperk van de grootste drukte in het dorp,—hadden de reeders hunne gebouwen en inrichtingen nog op het strand laten staan. Of ze echter nog met vele nieuwe vermeerderd werden, schijnt mij twijfelachtig; de walvischvangst onder het land was in 1642 reeds te zeer afgenomen, dan dat men vele kosten zou gedaan hebben om zich daar te vestigen. Weldra werden dan ook de schuren ontruimd, alle gereedschappen, alles wat draagbaar was er uitgenomen; zelfs de traanketels werden losgebroken, in de schepen geladen en weggevoerd. De huizen zelve, met zoovele kosten gebouwd, moest men achterlaten; ze verdwenen weldra door de baldadigheid der matrozen, door brand en vooral door verwaarloozing[572].Walvischvaarders, die in 1670 en 1680 Spitsbergen bezochten, vonden van het eens zoo bloeiende Smeerenburg, van de Harlinger kokerij, die slechts tien jaren bestaan had, niets dan eenige fondamenten van traanketels, eenige vervallen huizen, waarin men hier en daar nog eenige vermolmde vaten, een aanbeeld, dat te zwaar geweest was om meegevoerd te worden, enkele gebroken gereedschappen zag[573].In 1784 was alles verdwenen: van het geheele dorp met zijne huizen en forten was niets dan eenige bouwvallen overgebleven[574].De reiziger, die nu de plaats bezoekt, waar eens Smeerenburg stond, vindt niet dan met moeite de sporen van deze eens zoo bekende kolonie: het kerkhof alleen, dicht bij Smeerenburg aan de Westbaai gelegen[575],bewaart onvergankelijk de sporen der menschelijke vergankelijkheid[576].

[572]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237, 266.—Tegenw. Staat. I p. 591.[573]Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 22, 23.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88, 227.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.[574]De walvischvangst. I p. 17, II p. 25.[575]Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 30.[576]Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.

[572]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 237, 266.—Tegenw. Staat. I p. 591.

[573]Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 22, 23.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 88, 227.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 9.

[574]De walvischvangst. I p. 17, II p. 25.

[575]Vander Brugge, Iournael der Seven Matroosen. p. 30.

[576]Martens, Voyage to Spitzb., bij: White, Spitzbergen. p. 23.

Nu ik de Spitsbergsche vestiging zoo uitvoerig beschreven heb, kan ik over die op Jan Mayen-eiland korter zijn: beide nederzettingen droegen geheel hetzelfde karakter. De vestigingen opJan Mayen-eiland waren ongetwijfeld belangrijker dan die op Spitsbergen, in dezelfde mate als de walvischvangst daar meer opleverde; zij zijn echter minder bekend, omdat zij vroeger dan Smeerenburg verlaten schijnen te zijn en omdat zij minder het aanzien van een visschersdorp zullen gehad hebben dan van eenige kleine en onaanzienlijke buurten. De eerste belangrijke uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland werd gedaan in 1616[577],en reeds dadelijk waren er dit jaar 15 schepen bijeen: de Noordsche Compagnie zond er 6, de kleine Noordsche Compagnie 5, de Zeeuwen waren nu voor het eerst door 2 schepen vertegenwoordigd en ook eene Duinkerksche reederij waagde zich met 2 schepen in de bijna onbekende wateren[578].Hoewel Zeeuwen en Duinkerkers de vaart niet lang voortzetten en ook de Hollanders aanvankelijk niet zoovele walvisschen vonden als zij zochten, werd Jan Mayen-eiland toch gedurende vele jaren druk door de walvischvaarders bezocht. Evenals in 1616 werd de uitrusting van de Noordsche Compagnie in 1617 uitsluitend naar het eiland bestemd[579],waar de Engelschen de Nederlanders niet in hun bedrijf stoorden; en al werd langzamerhand Spitsbergen op nieuw door de schepen der compagnie bezocht, Jan Mayen-eiland was en bleef haar hoofdkwartier[580].Natuurlijk werd de traankokerij daar dadelijk begonnen; mag men de overlevering gelooven, dan kookte de bemanning van een Rotterdamsch schip, de »Mary Muss” (Maria Musch?)[581],de eerste traan op het eiland in de naar dit feit benoemde baai (een gedeelte der Kruisbaai.)[582]Hoe dit zij, zeker is het, dat er weldra vele Nederlandsche traankokerijen op Jan Mayen-eiland verrezen, niet als op Spitsbergen bij elkaar op de wijze van een dorp maar verspreid in verschillende baaien. Scoresby noemt sporen van traankokerijen in de Zuidbaai, aan den Rooberg, in de Noord- of Engelsche baai en in de beideKruisbaaien[583].De drie eerste vestigingen, op het zuidelijk gedeelte der westkust van het eiland gelegen, waren echter de eenigen, die hoop op rijke vangst gaven en die dus belangrijk genoemd mogen worden[584].In de Noordbaai was het hoofdkwartier der Noordsche Compagnie[585].Daar vond men op het strand niet minder dan tien »tenten”, waarvan er eens drie, alle toebehoorende aan de Amsterdamsche kamer met tien sloepen en de daarbij liggende vaten en traanbakken door eene aardstorting wegspoelden[586];dáar overwinterden in 1633 zeven matrozen, dáar waren ook twee Amsterdamsche kokerijen gevestigd[587].Natuurlijk had de Noordsche Compagnie op Jan Mayen-eiland hetzelfde systeem gevolgd als op Spitsbergen; iedere kamer had hare afzonderlijke baai of plaats, waar ze hare eigene traankokerij, hare eigene huizen had[588].Het geheele getal huizen en schuren schijnt vrij aanzienlijk geweest te zijn; overal toch vond men later fondamenten en ruïnen[589].Reeds in 1628 was de vestiging van zooveel belang, dat de Noordsche Compagnie het de moeite waard oordeelde, daar evenals op Smeerenburg twee forten en eene batterij op te richten tegen de aanvallen der zeeroovers[590].Nog in 1699 vond Zorgdrager, toen hij de ruïnen bezocht, niet minder dan twintig sloepen, twee groote booten, koelbakken en traanvaten, zelfs groote stapels kabeltouw op het strand aan weer en wind blootgesteld[591].De vangst schijnt dikwijls zoo rijk geweest te zijn, dat de berging onvoldoende was: het overschietende gedeelte, op Smeerenburg meestal in de pakhuizen geborgen, schijnt op Jan Mayen-eiland dikwijls begraven te zijn geworden[592].Maar toch hield de visscherij ook hier eerlang op onder het land voordeel te geven: nog eerder dan bij Spitsbergenverlieten de walvisschen hier de kustzee[593].Omstreeks het einde der Noordsche Compagnie schijnt Jan Mayen-eiland verlaten geworden te zijn; het ijs, dat o. a. in 1632 de schepen den geheelen zomer belette aan land te komen[594],heeft zeker later het eiland eenmaal geruimen tijd ingesloten gehouden: zóo zijn waarschijnlijk de boven aangeduide goederen der compagnie op het eiland achtergebleven[595].

[577]Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.—Zie verderHfdst. IX.[578]Zie hiernaHfdst. VIII,IX.[579]„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[580]Zorgdrager beweert (Groenl. vissch. p. 285), dat de Nederlandsche walvischvangst aan Jan Mayen-eiland steeds veel onbeduidender was dan die aan Spitsbergen. De statistieke opgave opp. 109 en 110, hoe onvolledig ook, leert dunkt mij het tegendeel en het is trouwens niet meer dan natuurlijk, dat het Amsterdamsche eiland met twee baaien minder voordeel gaf dan Jan Mayen-eiland met vijf.[581]Dat het schip door eene vrouw met name Maria Musch uitgerust zou zijn, zooals het verhaal eigenlijk luidt, komt mij met het oog op de inrichting der N. C. onwaarschijnlijk voor.—In de R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627 vinden wij Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot Rotterdam”, genoemd als reeder van een schip naar het noorden. Mogelijk was hij lid van de N. C.[582]Scoresby, Account. I p. 157.—Vgl. Van Keulen, Zee-atlas I p. 75.[583]Scoresby, Account. I p. 157.[584]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 102.—De walvischvangst. II p. 62.[585]Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.[586]Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.—Scoresby, Account. I p. 157.—De Amsterdammers lieten dadelijk twee nieuwe tenten bouwen.[587]Twee Journalen der Matroosen. p. 6, 7.[588]Gr. Placaetb. I p. 674.—Twee Journalen der Matroosen. p. 6.—R. S.-G. 28 Mei 1622.[589]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 260, 285.—Gr. Placaetb. I p. 673, 74, 78.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en ald. Bijl. K: Getuigenis v. Wybe Jansz. voor de regeering van Amsterdam.[590]Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.—Twee Journalen der Matroosen. p. 4, 5.[591]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 285.[592]Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1638, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.[593]Zie o. a. Van Keulen, Zee-atlas (I p. 76), die zeer veel woordelijk heeft overgenomen van kaartboeken uit den tijd, dat de walvischvangst aan Smeerenburg nog in vollen gang was.[594]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.[595]Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101, 260, 266.—De walvischvangst. I p. 31.

[577]Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616.—Zie verderHfdst. IX.

[578]Zie hiernaHfdst. VIII,IX.

[579]„Corte Deductie” der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[580]Zorgdrager beweert (Groenl. vissch. p. 285), dat de Nederlandsche walvischvangst aan Jan Mayen-eiland steeds veel onbeduidender was dan die aan Spitsbergen. De statistieke opgave opp. 109 en 110, hoe onvolledig ook, leert dunkt mij het tegendeel en het is trouwens niet meer dan natuurlijk, dat het Amsterdamsche eiland met twee baaien minder voordeel gaf dan Jan Mayen-eiland met vijf.

[581]Dat het schip door eene vrouw met name Maria Musch uitgerust zou zijn, zooals het verhaal eigenlijk luidt, komt mij met het oog op de inrichting der N. C. onwaarschijnlijk voor.—In de R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627 vinden wij Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot Rotterdam”, genoemd als reeder van een schip naar het noorden. Mogelijk was hij lid van de N. C.

[582]Scoresby, Account. I p. 157.—Vgl. Van Keulen, Zee-atlas I p. 75.

[583]Scoresby, Account. I p. 157.

[584]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 102.—De walvischvangst. II p. 62.

[585]Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.

[586]Van Keulen, Zee-atlas. I p. 75.—Scoresby, Account. I p. 157.—De Amsterdammers lieten dadelijk twee nieuwe tenten bouwen.

[587]Twee Journalen der Matroosen. p. 6, 7.

[588]Gr. Placaetb. I p. 674.—Twee Journalen der Matroosen. p. 6.—R. S.-G. 28 Mei 1622.

[589]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 260, 285.—Gr. Placaetb. I p. 673, 74, 78.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en ald. Bijl. K: Getuigenis v. Wybe Jansz. voor de regeering van Amsterdam.

[590]Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.—Twee Journalen der Matroosen. p. 4, 5.

[591]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 285.

[592]Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 8 Apr. 1638, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.—Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[593]Zie o. a. Van Keulen, Zee-atlas (I p. 76), die zeer veel woordelijk heeft overgenomen van kaartboeken uit den tijd, dat de walvischvangst aan Smeerenburg nog in vollen gang was.

[594]Sent. v. de H. R. in zake de N. C. Hoorn c. Enkh. dd. 4 Apr. 1637.

[595]Vgl. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101, 260, 266.—De walvischvangst. I p. 31.

Geheel op zich zelve stonden de vestigingen der Nederlanders op Spitsbergens oostkust. De walvischvangst, die daar door de Noordsche Compagnie gedreven werd,—de zoogenaamde zuidijsvisscherij in tegenoverstelling der westijsvisscherij, die men bij Smeerenburg op noordelijker graden dreef[596],—was van betrekkelijk groot belang. Bizonderheden daarover zijn echter weinig bekend. Zorgdrager verhaalt ons, dat ten tijde der Noordsche Compagnie de zuidijsvisscherij—later alleen in geval van nood, wanneer de westijsvisscherij niets opleverde, in den natijd ter hand genomen[597]—geregeld werd gedreven[598].En werkelijk zijn de bewijzen voorhanden, dat die tak der walvischvangst niet onbelangrijk was in de dagen, toen men zich nog met de kustvisscherij bezighield. Sporen van traankokerijen en hutten zijn gevonden aan het verafgelegen Disco (Stones foreland), op het Hoop- en Halvemaans-eiland[599]en op de kusten van Wybe Jansz.’-water bij Whaleshead[600].Wij weten, dat in 1636 behalve deze plaatsen ook de »Swarte hoeck” en »Staten-landt” (Edge-island?)[601]als voordeelig voor de walvischvangst gelegen werden beschouwd[602].Men zegt zelfs, dat door de Noordsche Compagnie de walvischvangst bij Novaya-Zemlya soms »met redelyck goet gevolg” gedreven werd[603].Wel is het niet waarschijnlijk, dat al de gevondene ruïnen van Nederlanders afkomstig zijn, daar ook deEngelschen zich reeds vroeg op de visscherij aan Spitsbergens oostkust toelegden[604],maar er blijkt toch voldoende uit, dat de zuidijsvisscherij niet zonder belang was, te meer daar men bij de betrekkelijke onzekerheid der vangst, dáar niet zoo licht als bij de voordeeliger westijsvisscherij zal overgegaan zijn tot het bouwen van schuren en traankokerijen[605].


Back to IndexNext