[596]De walvischvangst. I p. 52.[597]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 81.—cf. Scoresby, Account. II p. 180.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—De walvischvangst. I p. 45.—Zorgdrager l. c. p. 204.[598]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179, 80.[599]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 213.[600]Petermann, Spitzbergen. p. 42.[601]Edge-island draagt op oude kaarten dikwijls den naam „Staadsforeland”, waarschijnlijk eene verbastering van Staten- (of Staats-) voorland.[602]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412.[603]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179.[604]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258.[605]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 367, 68.
[596]De walvischvangst. I p. 52.
[597]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 81.—cf. Scoresby, Account. II p. 180.—Lindeman, Arkt. Fisch. p. 20.—De walvischvangst. I p. 45.—Zorgdrager l. c. p. 204.
[598]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179, 80.
[599]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 213.
[600]Petermann, Spitzbergen. p. 42.
[601]Edge-island draagt op oude kaarten dikwijls den naam „Staadsforeland”, waarschijnlijk eene verbastering van Staten- (of Staats-) voorland.
[602]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412.
[603]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 179.
[604]Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 258.
[605]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 367, 68.
Wij hebben nu den geheelen omvang der Nederlandsche vestigingen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland leeren kennen. Voorwaar! er was reden genoeg, waarom de Noordsche Compagnie op den eigendom der door haar bezette plaatsen zou kunnen aanspraak maken. Maar toch had de compagnie vijanden, die niet aarzelden haar recht op de met zooveel moeite bebouwde en verdedigde plaatsen te bestrijden. Engelschen, Denen, Franschen en Zuid-Nederlanders betwistten haar alle uitsluitende rechten. Wat meer was, er waren vijanden, die niet eens de moeite namen met een juridieken eisch op te treden,—die slechts het oogenblik afwachtten, wanneer de schepen der compagnie naar het vaderland teruggekeerd waren, om de verlaten plaats in te nemen, te rooven en te plunderen. Het was wel gebeurd, dat de Nederlandsche walvischvaarders in het voorjaar bij hunne vestigingen komende hunne schuren door Baskische of Duinkerksche zeeroovers opengebroken gevonden en uit gebrek aan het noodige gereedschap hun bedrijf niet naar wensch geoefend hadden. Eén middel slechts was er om zich op den duur voor deze gevaren te beschermen, de walvischvaarders moesten voor goed hun verblijf in de barre noordelijke gewesten opslaan. Smeerenburg en Jan Mayen-eiland moesten werkelijk worden wat ze reeds niet zonder overdrijving heetten[606]:Nederlandsche koloniën.
[606]De N. C. beweerde, dat de door haar bezette plaatsen haar toebehoorden „Jure Inuentionis, Occupationis et Diuturnae possessionis, datt sijluijden hare colonien aldaer hadden geplant, voor soo vele als de nature ende hett climaett van die plaetsen toelaett, dat sij luijden den geheelen soomer aldaer woonen, ende des winters alleen mett de menschen voor eenen tijtt demigreren, om te euiteren de felheijtt vande locht, ende de onlijdelijcke koude, latende inde selue quartieren continuelijcken staen hare steenen ende houtten huijsen, gemeubleert ende versien mett allerleij ghereetschappen tott de visscherije noodich, oock de plaetse geapproprieertt tott den Godesdienst mitsgaders de forten ende baterijen versien mett Canon.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[606]De N. C. beweerde, dat de door haar bezette plaatsen haar toebehoorden „Jure Inuentionis, Occupationis et Diuturnae possessionis, datt sijluijden hare colonien aldaer hadden geplant, voor soo vele als de nature ende hett climaett van die plaetsen toelaett, dat sij luijden den geheelen soomer aldaer woonen, ende des winters alleen mett de menschen voor eenen tijtt demigreren, om te euiteren de felheijtt vande locht, ende de onlijdelijcke koude, latende inde selue quartieren continuelijcken staen hare steenen ende houtten huijsen, gemeubleert ende versien mett allerleij ghereetschappen tott de visscherije noodich, oock de plaetse geapproprieertt tott den Godesdienst mitsgaders de forten ende baterijen versien mett Canon.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
Het denkbeeld eenmaal opgevat had veel wat het aanbeval. Niet alleen zouden de goederen der Nederlanders in de IJszee voortaan veilig zijn, maar ook onmiddellijk voordeel was met deduurzame vestiging in het noorden te behalen. Gedurende den langen winter konden de bewoners, niet door de drukte der walvischvangst beziggehouden, ongestoord jacht maken op de tallooze beeren en vossen, die door honger gedreven zich in groote scharen ver over het ijs in zee waagden en dus zeker een kostbaren buit den jagers toevoeren zouden. Nog meer, de overwinterenden, behoorlijk tot de visscherij uitgerust, konden in het najaar en in het vroege voorjaar, wanneer geen schip zich zoo hoog in het noorden bij het land durfde wagen uit vrees van in het ijs beklemd te raken, zonder vrees op de walvischvangst uitgaan; zoodra een scheur in het ijs zichtbaar werd, konden zij onderzoeken of soms de walvisch zich daar reeds vertoonde; de prooi, door storm of toeval op het strand geworpen, konden zij vermeesteren en bereiden. Zoodoende kon men zich van het uiterst kostbare plan een winst beloven, die verre van onbeduidend zijn zou[607].
[607]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 57, 58.—Twee journalen der Matroosen. p. 2, 4, 7, 17.—Vander Brugge, Journael p. 3, 6.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Scoresby, Account, I p. 168—Gr. Placaetb. I p. 678, 79.
[607]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 57, 58.—Twee journalen der Matroosen. p. 2, 4, 7, 17.—Vander Brugge, Journael p. 3, 6.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Scoresby, Account, I p. 168—Gr. Placaetb. I p. 678, 79.
Maar van den anderen kant waren de bezwaren niet gering. Men behoefde zich slechts de door Heemskerck en Barendsz. uitgestane ellende te herinneren om zelfs moedige en ondernemende personen van eene proefneming af te schrikken. Toch moest voor alles onderzocht worden, in hoeverre de uitvoering mogelijk was; het gold dus nu mannen te vinden, moedig genoeg om met een klein getal de gevaren van eenen winter onder de pool te trotseeren. En die gevaren waren niet gering, het was zelfs onzeker of men het waagstuk niet met den dood zou moeten bekoopen. Maar Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw gaven niet spoedig een plan op wanneer het winst beloofde, ook al was de uitkomst onzeker; en arme varensgezellen, die niets te verliezen hadden, met den avontuurlijken geest bezield, die de Nederlandsche natie toenmaals kenmerkte, mannen met een hart in het lijf en weinig geld op zak, konden op den duur de verleiding niet weerstaan. Al duurde het dan ook lang eer men het plan uitvoerde; zoodra men het ernstig doorzetten wilde, werden er wel mannen gevonden, die bereid waren het waagstuk te ondernemen en eene nieuwe bladzijde te voegen in het roemrijke boek, dat de avonturen der Nederlandsche zeelieden zou verhalen.
Het denkbeeld eener overwintering op Spitsbergen schijnt het eerst bij de Moscovische Compagnie gerezen te zijn. Haar komt de eer toe, met scherpen blik de voordeelen te hebben ingezien, die eene voortdurende vestiging in het noorden kon opleveren. Zij loofde eene premie uit voor degenen, die het waagstuk wildenondernemen. Maar niemand bood zich aan. Zelfs ter dood veroordeelde misdadigers, aan wie gratie beloofd was op voorwaarde dat zij eenen winter op Spitsbergen zouden doorbrengen, namen het aanbod wel gretig aan, maar deinsden terug, toen zij met eigene oogen de barre woestijnen aanschouwden, waar zij alleen in koude en duisternis vele maanden zouden moeten doorbrengen. Zij verkozen eenen wissen en smadelijken dood nog boven eene langzame marteling, al gaf zij hoop op behoud[608].De graagte om te overwinteren vermeerderde er niet op, toen negen matrozen, bij ongeluk door de Engelsche walvischvaarders in Bellsound achtergelaten, het volgende voorjaar allen dood en half verslonden teruggevonden werden[609].En misschien zou er van het geheele plan nooit iets gekomen zijn, zoo niet in den winter van 1630/31 acht Engelschen, bij toeval weder in Bellsound achtergebleven toen de walvischvloot vertrok, niettegenstaande hun gebrek aan goed voedsel, kleeding en woning, door buitengewone vindingrijkheid en energie alle bezwaren te boven gekomen en in het voorjaar van 1631 gezond en wel door de walvischvaarders teruggevonden waren[610].
[608]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 263, 64.[609]Scoresby, Account. II p. 48.—Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 264.[610]Zie het uitvoerig verhaal van hun wedervaren bij: Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 266 vlg.
[608]Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 263, 64.
[609]Scoresby, Account. II p. 48.—Pellham, Gods power, bij: White, Spitzbergen. p. 264.
[610]Zie het uitvoerig verhaal van hun wedervaren bij: Pellham, Gods power, in: White, Spitzbergen. p. 266 vlg.
Dit voorval moet wel krachtig medegewerkt hebben tot de verwezenlijking van de plannen der reeders op de walvischvangst. De Engelsche visscherij was toen reeds te onbeduidend dan dat zij aan eene vestiging zou hebben gedacht, maar de Noordsche Compagnie, op het toppunt van haren bloei gekomen, schepte nieuwen moed. Reeds lange jaren had het plan onder de geliefkoosde denkbeelden der bewindhebbers behoord. In 1623 boden eenige »onbedachte luyden” hun aan op Spitsbergen eenen winter door te brengen[611]en hoewel zij toen op dit voorstel als eene »onnoodige saeck” geen acht sloegen, lag het toch in den aard der zaak, dat zij er met meer ernst over zouden beginnen te denken, zoodra het bleek, dat eene voortdurende vestiging een krachtig middel ter verdediging tegen allerlei soort van vijanden zou zijn. Reeds in 1626 was dan ook een uitgewerkt plan gereed, dat alles goeds beloofde. Vijf en twintig mannen, van levensmiddelen en medicijnen rijkelijk voorzien, zouden op Spitsbergen eene ruime woning bouwen met eene keuken en vele gemakken en goed tegen de koude beschut. Een kachel zou hen voor het bevriezen bewaren. Bij hen zou zijn een scheepje van25 last, dat den geheelen winter in eenen inham voor het ijs beveiligd zou worden. Gedurende den langen nacht zou beerenjacht en vossenvangst hun bezigheid en beweging verschaffen; zoodra de zon doorkwam en het ijs losraakte, moesten zij het schip in zee brengen en beproeven of in die tijden, wanneer een groot schip uit Nederland er nog niet aan kon denken Spitsbergen te naderen, de walvischvangst of de walrusjacht reeds eenig voordeel opleverde. Meteorologische waarnemingen—wel verre van voorwendsel te zijn[612]—waren integendeel hoofddoel der onderneming; men kwam er toch reeds nu voor uit, dat deze eerste overwintering slechts eene proefneming zou zijn voor latere ondernemingen op grooter schaal. Men mocht het onmiddellijk voordeel dus verzuimen, zoo men slechts nauwkeurige berichten over de bewoonbaarheid der poolstreken en de gevaren, waaraan de bewoners zich blootstelden, medebracht. Met deze voornemens was men vervuld toen de vloot uitzeilde; het schijnt echter, dat men, toen het op de uitvoering aankwam en men de bezwaren nogmaals overwoog, tot de overtuiging gekomen is, dat meer onderzoek en meer voorbereiding noodig was, eer men zoovele personen aan de gevaren van eenen winter onder de pool blootstelde. Misschien schoot ook de moed der vijf en twintig uitgelezenen te kort, toen zij de zaak meer van nabij overlegden: hoe het zij, de overwintering werd uitgesteld[613].Maar niet voor goed; meer en meer vestigde zich de aandacht op de voordeelen, die eene gelukkig geslaagde proefneming beloofde. Reeds in 1628 werd er op nieuw van gesproken[614]en toen de gelukkige uitslag der Engelsche overwintering bekend werd, nam men de zaak met kracht weder ter hand. In 1633, toen de vijandige houding van eenige Basken en de moeielijkheden, daardoor met Frankrijk en Denemarken ontstaan[615],de noodzakelijkheid eener voortdurende vestiging op nieuw aangetoond hadden, besloot men eindelijk tot eene dubbele proefneming, op Spitsbergen en op Jan Mayen-eiland[616].Waarschijnlijk door het uitzicht op belooning aangespoord, boden veertien personen zich dadelijk vrijwillig voor het waagstuk aan. Jacob Segersz. van Brugge werd met zes man (waaronder twee Duitschers) op Smeerenburg achtergelaten, Outgert Jacobsz. van Grootebroek bleef met zes anderen in de Noordbaai op Jan Mayen-eiland.
[611]Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 110.[612]Scoresby, Account. I p. 168.[613]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56-58, XII fol. 9[614]Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.[615]Zie hiernaHfdst. VII,VIII.[616]Gr. Placaetb. I p. 678, 79.
[611]Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 110.
[612]Scoresby, Account. I p. 168.
[613]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56-58, XII fol. 9
[614]Wassenaer, Hist. verh. XVI fol. 26.
[615]Zie hiernaHfdst. VII,VIII.
[616]Gr. Placaetb. I p. 678, 79.
Ik zal mij niet ophouden met een uitvoerig verhaal van hun wedervaren. Het laat zich denken, dat zij weinige avonturenbeleefden, die der vermelding waardig zijn. Toch is het naïeve verhaal van het lijden der zeven mannen in hun kleine hut op Spitsbergen, die niettegenstaande hunne waarschuwing tegen de koude slecht voorzien was, aantrekkelijk en aangrijpend. Onvermoeid gingen zij op de jacht en verzuimden geene gelegenheid om zich daardoor beweging en hunnen meesters winst te verschaffen. Niet ontmoedigd door de gevaren hunner positie schroomden zij niet andere gevaren tegemoet te gaan: verre tochten werden ter rendierenjacht ondernomen; met hunne ontoereikende hulpmiddelen zetten zij den walvisch na, en de gevreesde koning der ijsvlakten, de reusachtige beer, zag zich in gevecht bij gevecht door de zeven matrozen overmand: de aankomst van een der Nederlanders was eindelijk reeds voldoende om de ijsbeeren, uitgehongerd als zij waren, van hunne prooi te verjagen. En in al die gevaren, terwijl hunne watervaten naast het vuur stijf bevroren, terwijl de koude hen dikwijls dwong den nacht op- en neergaande door te brengen, terwijl de sneeuw soms het uitgaan belette en alle gebouwen bedekte, terwijl bijna alle levensmiddelen door de vorst hun smaak verloren, terwijl de harde wind, die hun houten huis reeds eenmaal bijna een prooi der vlammen had doen worden, hen soms belette te stoken, ja terwijl een van hen zich nog bovendien verbeeldde »van de Satan aengevochten te worden,”—onder al die ellende ontsnapte geen klacht aan hunne pen! Slechts éenmaal—het was in het begin van hunne eenzaamheid, toen de harde vorst voor geen vuur wilde wijken,—schreef Segersz. in het journaal, dat zij »by nae gediscouragieert werden, en oversulcks Godt Almachtigh daghelijcks baden, hen niet na verdiensten te straffen.” Maar de moedeloosheid was van korten duur: dadelijk werden weder de gewone bezigheden ter hand genomen en in duisternis en koude gingen zij op de hun aanbevolen jacht. Ja, toen het Kersfeest aanbrak was de opgeruimdheid teruggekeerd: zij »koockten den Ham en een Rheenen hutspot, nuttigden daer benevens een back heete Wijn en gaven yder man 7 duym Toback met een schoone Pijp.” Zoo vierden zij hun feest; het eten van goede, verwarmende spijs was den ongelukkigen waarlijk reeds een zelden voorkomend genot! Nieuwjaarsdag volgde »met bittere koude, jacht-sneeu ende harde Vorst,” maar de moed noch zelfs de opgeruimdheid ontviel hun. »Op dato”, dus schrijft Segersz., »hebben wy ons Gebedt tot Godt gedaen, dat hy ons door sijne Goddelijcke genade in dit Nieu aengevangen Iaer voor allen quade wilde bewaren; nae welck Gebedt ick een kanne heete Wijn met een Salaet liet gereet maecken, aen yder Persoon tot een Nieuw-Iaer (weder!) een schoone Pijp met ses duijm Taback uytreyckende.” En toen was ook hunne grootste ellende voorbij: op het eindevan Januari kwam de zon terug; weldra begon het ijs te breken, de bevroren voorwerpen wat te ontdooien. De tochten buiten de hut strekten zich toen allengs verder uit en daarmede was ook het gevaar voor scheurbuik grootendeels geweken. Den 26 Mei 1634 kregen zij eindelijk de eerste sloep van de terugkeerende walvischvaarders in het gezicht, »daer over sy al t’ samen seer verblijd waren, God danckende dat hy hen so langhe bewaert hadde ende voor alle prijckel beschermt”.[617]
[617]Zie het wedervaren der overwinterenden zeer uitvoerig verhaald in: „Vander Brugge, Journael gehouden by Seven Matroosen in haer Overwinteren op Spitsbergen.”
[617]Zie het wedervaren der overwinterenden zeer uitvoerig verhaald in: „Vander Brugge, Journael gehouden by Seven Matroosen in haer Overwinteren op Spitsbergen.”
Hoe was het ondertusschen met hunne lotgenooten op Jan Mayen-eiland afgeloopen? Reeds dadelijk liet de zaak zich voor hen erger aanzien. Het voortdurende slechte weder, storm en sneeuw belette hen spoedig uit te gaan en de noodige beweging te nemen; de beeren, die aan de Spitsbergers gedurig zulk een welkomen voorraad versch vleesch verschaften, kon men hier slechts zelden bemachtigen. De zeven matrozen op Jan Mayen-eiland hadden het dan ook op 71° veel erger dan hunne lotgenooten op 80°: de koude was nijpend, het weder woest. Wel werden zij niet als de Spitsbergers in eene maandenlange nacht gehuld, maar de vale schemering, die zich gedurende eenige uren per dag vertoonde, terwijl de zon zelve achter de hooge bergen bleef schuilen, strekte slechts om hun het troostelooze van hun toestand duidelijker te doen zien. In hun tent opgesloten hadden zij niets om de lange, lange dagen zonder eenige afwisseling te korten; bij de verveling kwam zich weldra ziekte en angst voegen. Het journaal der ongelukkigen, dat aanvankelijk met stoicijnsche onverschilligheid slechts eentoonige opgaven van weer en wind bevat,—(in dit opzicht is het dan ook waarlijk verdienstelijk nauwkeurig!),—dat over ziekte en rampen zwijgt en een enkele klacht, die onwillekeurig aan de pen ontsnapt, dadelijk weder afbreekt door eene nieuwe meteorologische waarneming, begint dan ook allengs met weinige, maar treffende woorden den klimmenden angst der zeven kluizenaars te schilderen. Heette het aanvankelijk, toen de zon begon te verdwijnen: »in de Tent konnen wy niet langher sien te lesen of te schrijven, soo dat ons den dagh heel ontvalt ende sitten meest met toe deuren, ’t welck een weynigh onse couragie beneemt, snachts de wint N;” later schreef de »boeck-houder”, dat zij »seer begeerigh” waren om een beer te schieten, »alsoo sy lange den ouden kost gehadt hadden, ende daer deur seer met het Scheur-buyck gequelt waren;” en weinige dagen later: »wy en vernemen tegenwoordigh niet sonders, oock so is onse couragie wat kleyn, alsoo wy vry wat sieck van’t Scheurbuyck zyn; wy hebben weynigh verversinghe, om ons een weynigh op de been te helpen.” Toen daarop de eerste der zeven op Paaschdag stierf, schreef een der overblijvenden: »de Heer wil zijn Ziel genadigh zijn, en geven ons wat ons salich is, want wy meest oock al sieck zijn; hoe het Godt met ons versien heeft is hem bekent!” Maar onder al die rampen en ongelukken trachtten zij toch moed te houden. Nauwelijks kwam een korte zonneschijn hen vervrolijken of het journaal betuigt dankbaar: »Den 9 September de windt ZO met moy Sonne-schijn, soo dat wy onse Hembden uyttrocken, sittende teghen het Geberghte aen, en koester(en)de en vermaekende ons soo wat.” Ook de verveling zochten zij te bezweren: »wy leyden somwylen een discoersjen in ’t hondert, ende elck vertrock vast zijn avontuer, dat hy soo te lande als te water, wel van zijn leven gehadt hadde, ofte hem bejegent was, so brochten wy somwijlen onsen tijt toe.” Toen de rampen toenamen en de ziekte, die zoovele reizigers in het noorden reeds gedood had, ook hen meer en meer begon te kwellen, sterkten zij zich door het gebed: »Anno 1634 den eersten Januarius, naer wy smorghens op gerezen zijn geweest, so hebben wy malkanderen een gelucksalig Nieuwe-jaer toe gewenscht, en wenschten malkanderen dattet ons tot een goede uytkomste gelucken mochte, ’t welck ons hartelijck begeeren was, ende hebben ghelijckelijck een Gebedt gedaen, om alsoo ons ghemoet wat te verlichten.” En werkelijk het gelukte hun, al werd de toekomst hoe langer hoe donkerder, goeden moed te houden; het gelukte hun in al hunne ellende nog »sonderlinge vermaeck te hebben in 3 jonge Beerkens te sien, welcke waren ontrent als kleyne Schaepkens.” Nauwelijks veertien dagen nadat de boekhouder dit schreef, viel hij als eerste offer van het scheurbuik; nog veertien dagen later eindigt het journaal plotseling op 30 April 1634 bij »klare Sonneschijn weer” midden in een volzin: de scheurbuik had den laatste hunner alle krachten benomen. Het overige laat zich gissen; de schepelingen, die 4 Juni op het eiland aankwamen, vonden hen allen »seer desolaet” en dood in hunne kooien liggen: »d’een voor d’ander nae was van de groote koude, die daer geen ghebreck was, versteven, ende waren soo allen van ongemack vergaen.”[618]
[618]Zie een uitvoerig verslag van hun wedervaren in: „Twee Journalen gehouden by Seven Matroosen op het Eylandt Mauritius gestorven enz.”
[618]Zie een uitvoerig verslag van hun wedervaren in: „Twee Journalen gehouden by Seven Matroosen op het Eylandt Mauritius gestorven enz.”
Het is licht te begrijpen, dat na deze ondervinding geen van de bemanning der vloot het waagde op de onherbergzame kust achter te blijven; maar op Spitsbergen, waar men van dit alles onbewust was, stonden de zaken anders. De ondervinding had geleerd, dat het niet alleen mogelijk was daar in goede gezondheidde strengheid van den winter te trotseeren, maar het verblijf der zeven matrozen had een overrijken buit van beerenvellen in handen der Noordsche Compagnie gebracht. Wel had de walvischvangst niets opgeleverd, maar een grooter aantal mannen zou misschien beter slagen. Vol hoop op de toekomst besloot men dan ook het oordeel der bewindhebbers over eene voortdurende vestiging in te winnen; voorloopig bepaalde men, dat weder eenige matrozen op Smeerenburg zouden achtergelaten worden. De goede uitslag van het vorige jaar gaf den matrozen moed: »verscheyde Persoonen presenteerden haer gewilligh” om te blijven. Uit die allen werd Andries Jansz. van Middelburg met zes man uitgekozen en in het najaar van 1634 op het eiland achtergelaten.
Het korte uittreksel uit hun journaal, dat ons overgebleven is, geeft een aangrijpend verhaal van hunne ellende; met vreesselijke eentoonigheid bevat het dag aan dag het bericht, dat de een voor de ander na door het scheurbuik aangetast wordt, een drank inneemt en toch voortdurend verergert. Want hetzij dat de beeren door het onafgebroken jagen bevreesd geworden waren, hetzij de matrozen minder moed en behendigheid toonden dan hunne voorgangers, zeker is het dat zij geen versch vleesch konden krijgen en ook het als »salaet” bekende kruid, dat het beste geneesmiddel tegen de scheurbuik is[619],konden zij »tot haerder groote droefheydt niet op doen.” Wel »troosten sy haer onder malkander, dat God haer groente en verversinge wesen sou (!), en dat hy ’t versien sou;” maar de ziekte, die zich reeds den 24 November geopenbaard had, nam toe en een maand later was »niemandt van haer allen sonder pijn.” »Wilt niet beter worden,” dus schreven zij mismoedig, »soo zijn wy altemael doodt eer de Schepen hier komen; dan Godt weet wat ons van nooden is.” Reeds 14 Januari 1635 viel een van hen als slachtoffer der ziekte, twee zijner medgezellen volgden binnen drie dagen. De beeren, die nu als om hen te bespotten in groote troepen kwamen opzetten, waren veilig: »sy hadden de macht niet om een Roer af te schieten, en of sy al getreft hadden, om haer nae te loopen, want konden de eene voet voor den ander niet setten, noch gheen Broodt bijten, hadden vreesselijcke pijn inde lenden en ’t lijf, en hoe quader weer hoe slimmer; de eene spoogh bloedt, de andere loosde bloedt door de stoelgangh. Ieroen Carcoen was de sterckste noch, die haelde altemet noch wat kolen om vyer aen te leggen.” De vier overblijvenden zagen eindelijk de zon terugkomen; maar het was slechts om hun sterfbed te verlichten.Reeds twee dagen later (26 Februari 1635) schreven zij: »Wij leggen met ons vieren, die noch in ’t leven zijn, plat te Koy, wy souden wel eten, wasser een soo kloeck dat hy uyt syn Koy komen kon om vyer aen te leggen. Wy konnen ons niet roeren van pijn. Wy bidden Godt met ghevouwen handen, dat hy ons uyt dese benaude Wereldt verlossen wil; alst hem belieft, soo zijn wy gereet, want wy mogen ’t dus niet langer harden sonder eten of vyer, en wy konnen malkander niet helpen; elck moet sijn eygen last dragen.” Zoo eindigde het journaal! Maanden later vonden de schepelingen der walvischvloot hen dood in hunne tent, de drie eerst gestorvenen in kisten, de overigen in hunne kooien of op den grond, de kin tegen de knieën getrokken door koude en ziekte. De mannen »maeckten kisten tot de vier, en begroeven haer nevens de andere drie in ’t snee, alsoo daer noch door de groote koud’ geen andere gelegentheydt was; maer naderhandt doe het snee begon te smelten, en het Landt begost bloodt te komen, begroeven sy se met Aerde het best dat sy konden, alle seven aen malkanders zijde, leyden steenen op haer kisten, om dat sy van ’t Wildt niet verscheurt souden worden.”[620]
[619]Zie over deze „salaet” („scurvy-grass”) en de ook wel eens vermelde zuring: Vander Brugge, Journael. p. 6, 7, 8.—Scoresby, Account. I p. 145.—Martens, Voyage to Spitzbergen, by: White, Spitzbergen. p. 49, 50.[620]Het uittreksel uit het journaal der zeven matrozen is afgedrukt achter: Raven, Journael van de reyse nae Spitsberghen inden Jare 1639 p. 12-14,—en in: Twee journalen vande Seven Matroosen. p. 21-23.
[619]Zie over deze „salaet” („scurvy-grass”) en de ook wel eens vermelde zuring: Vander Brugge, Journael. p. 6, 7, 8.—Scoresby, Account. I p. 145.—Martens, Voyage to Spitzbergen, by: White, Spitzbergen. p. 49, 50.
[620]Het uittreksel uit het journaal der zeven matrozen is afgedrukt achter: Raven, Journael van de reyse nae Spitsberghen inden Jare 1639 p. 12-14,—en in: Twee journalen vande Seven Matroosen. p. 21-23.
»Naderhandt en isser geen meer Volck op Spitsbergen ghebleven om te overwinteren,” zegt de uitgever van het journaal. Onder hen, die dit vreesselijke tooneel gezien en gevoeld hadden, was de lust en de moed om het voorbeeld der slachtoffers te volgen gering.
Terwijl alzoo eene nieuwe nering de IJszee tot het tooneel van een levendig verkeer maakte, was de westelijke helft der poolstreken nog steeds hoogst onvolkomen bekend en bijna geheel verlaten gebleven. Eerst veel later zou men er toe komen die streken voor de oefening der walvischvangst te gebruiken; voorloopig waagden zich slechts enkelen in de onherbergzame oorden, en die enkelen was het meest allen te doen om den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds voordat de ongelukkige tocht van Pet en Jackman in 1580 de Engelschen van verdere onderzoekingen in het noordoosten had afgeschrikt, was hun oog op het westen gevallen, waar de nog nagenoeg onbezochte noordsche wateren misschien een gemakkelijker en zeker een korter weg beloofden dan door het noordoosten ooit te vinden zou zijn.
De eerste, die pogingen deed om dezen weg te vinden, was Sir Martin Frobisher, die op drie reizen (1576-78) de naar hem genoemde baai en de nabijgelegen landen op 62° NB. nauwkeurig onderzocht. Maar de doortocht was daar niet te vinden, en het later gezochte goud beloonde zijne moeite evenmin. Hem volgde weinige jaren later (1585-87) de wereldberoemde John Davis, die eveneens drie reizen ondernam. Het was hem meer dan zijnen voorganger ernst met het zoeken van den doortocht. Telkens was de naar Davis genoemde zee het doel zijner reizen en het gelukte hem de beide kusten der zoogenaamde straat, vooral de oostelijke nauwkeurig te verkennen tot op 73° NB. Hoeveel hoop deze ontdekkingen ook op het vinden van den doortocht mochten geven, het spoor van Davis werd voorloopig niet weder betreden. Eerst George Weymouth stevende in 1602 weder naar het noordwesten. Het feit, dat hij de eerste was, die de reeds door Davis geziene Hudsons-straat een eind weegs bezeilde, heeft deze reis meer bekend gemaakt dan het resultaat verdient. Reeds spoedig toch dwong het scheepsvolk den wakkeren kapitein den steven te wendenen naar het vaderland terug te keeren. De vier reizen, door James Hall voor Deensche en Engelsche rekening naar straat Davis ondernomen (1605-7, 12), leverden geene nieuwe resultaten. Veel belangrijker was in dit opzicht de bekende vierde reis van Henry Hudson (1610/11), die de geheele naar hem genoemde straat door en de groote baai binnenzeilde, waar hij overwinterde en als het slachtoffer eener samenzwering den dood vond. De expeditie, in 1612 onder Sir Thomas Button uitgezonden om hem te zoeken, bereikte niet alleen de westkust van Hudsons-baai, waar zij overwinterde, maar verkende ook in 1613 het noordelijker gelegen Southampton-island tot 65° NB. Verder dan een hunner voorgangers kwamen in 1615 en 1616 Robert Bylot en William Baffin, die het tweede tijdvak der Engelsche noordpoolreizen sluiten. Op hunne eerste reis drongen zij door Hudsons-straat tot op ruim 65° aan de oostkust van Southampton-island door; hun tweede tocht bracht hen tot op bijna 79° in de naar Baffin genoemde baai, waar zij de drie straten ontdekten, die nog voor de eenige gehouden worden, waardoor de doortocht in het hooge noorden mogelijk is: Smith’s sound, Jones’ sound en Lancaster-sound[621].
[621]Zie over deze reizen uitvoeriger: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 77-217.
[621]Zie over deze reizen uitvoeriger: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 77-217.
Het zou zeker verbazend geweest zijn, zoo de Nederlanders, de eerste zeevarende natie der zeventiende eeuw, het tooneel, waarop hunne mededingers voortdurend door hun moed en volharding lauweren behaalden, onbezocht gelaten hadden. Het feit op zich zelf, dat een Engelschman eene nieuwe onderneming had begonnen, was destijds voldoende om Nederlanders tot navolging uit te lokken; hoe zou dat hier het geval niet geweest zijn, nu het welslagen der Engelschen dezen in het bezit zou gesteld hebben van den kortsten weg naar Oost-Indië juist op het oogenblik, dat de wedijver van beide natiën daar meer en meer een ernstig karakter begon aan te nemen? Ook is het slechts de geheele onbekendheid der latere Nederlandsche noordpoolreizen, die ooit het gevoelen heeft kunnen doen wortelschieten, dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw het noordwesten nooit bezocht hebben; wij zagen reeds, dat nog voor het einde van het eerste tijdperk een Amsterdamsch schip den steven daarheen wendde. Juist echter nu dus aan de vaart der Nederlanders naar het noorden nieuwe banen schenen geopend te zullen worden, bedreigde haar een ernstig gevaar. Het octrooi der Noordsche Compagnie sloot een groot gedeelte der noordpoollanden voor allen, die geen aandeel in de vereeniging hadden; de vischrijke stranden van Spitsbergen, de langen tijd gezochte goudmijnen aan straat Davis waren aan het verkeeronttrokken, de handel met de Groenlanders was verboden. Nam reeds dit op zich zelf een prikkel tot nieuwe ontdekkingsreizen weg, weldra zouden er nieuwe moeielijkheden daartegen oprijzen. De ondervinding had geleerd, dat het bezit van land in de IJszee voor de walvischvangst nuttig, ja onontbeerlijk was, en terwijl dus de inbezitneming der reeds bekende landen door de Noordsche Compagnie spoedig te verwachten was, verklaarde deze reeds dadelijk, dat zij voornemens was verdere ontdekkingstochten te doen om de tot nu toe onbekende streken voor hare nering in bezit te nemen. Het was gemakkelijk te voorspellen, dat de compagnie, dus meester in de geheele IJszee en tot in straat Davis toe, weldra feitelijk het monopolie zou verwerven ook voor reizen ter ontdekking van den noordelijken doortocht, waartoe zij beter dan iemand in staat was, omdat zij gemakkelijker en minder kostbaar dan alle andere Nederlanders de vaart kon volbrengen. Wat erger was, het kon den schijn hebben, alsof de Staten-Generaal hunne goedkeuring aan dit monopolie geschonken hadden. Daarvoor moest gezorgd worden: de regeering, die zelfs aan de zoozeer bevoorrechte Oost-Indische Compagnie het monopolie om de IJszee te bevaren uitdrukkelijk geweigerd had om zoodoende den prikkel tot ontdekkingen levendig te houden, wilde er voor waken, dat ook nu de omstandigheden haar op nieuw tot het verleenen van voorrechten gedwongen hadden, de ondernemingszucht der Nederlanders niet uitgedoofd werd en eene andere bevoorrechte vereeniging niet de voordeelen verkreeg, die aan hare oudere zuster geweigerd waren. De zaak scheen spoed te vereischen en reeds dadelijk werd dan ook het »depescheren” van het octrooi der compagnie opgehouden[622].
[622]R. S.-G. 27 Jan. 1614.
[622]R. S.-G. 27 Jan. 1614.
Ook buiten de vergadering der Staten-Generaal waren deze bedenkingen gerezen. Isaac Le Maire, de hardnekkige tegenstander van alle monopolie, de gevreesde vijand der Oost-Indische Compagnie, zag dadelijk het gevaar in, dat de ondernemingen zijner landgenooten bedreigde. Juist was hij met een nieuw omvangrijk plan bezig, dat beloofde de Oost-Indische Compagnie door de ontdekking van eenen nieuwen weg in het zuidwesten eindelijk haar monopolie te ontwringen, maar de zaak was toch niet zeker genoeg dan dat hij niet alles in het werk zou stellen om zich bij mislukking van dit plan den ouden reeds eenmaal beproefden weg door het noorden open te houden. Met het oog op zijne Austraalsche Compagnie en op het pas verleende octrooi der Noordsche diende hij daarom weldra bij de Staten een verzoekschrift in, waarbij hij, wars van alle duurzaam monopolie, als belooning zijner moeite zich de voordeelen zijner eventueele ontdekkingenten minste voor eenige jaren bij uitsluiting trachtte te bedingen[623].Het gevolg was, dat de Staten den 27 Maart 1614 wel het octrooi der Noordsche Compagnie nu definitief uitvaardigden, maar tevens een »generael octroy” verleenden »voor die geene die eenige nieuwe Passagien, Havenen, Landen oft Plaetsen souden ontdecken.” »Wy verstaen,” dus spraken de Staten, »eerlijck, dienstlijck ende profijtelijck voor dese Landen, ende tot vorderinge van den welstant van dien, oock tot onderhoudt van het Zeevarende Volck te wesen, dat die goede Inghesetenen verweckt ende gheencourageert worden, omme hen te employeren ende verkloecken in ’t ondersoecken ende ontdecken vande Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, die voor desen niet ontdeckt ofte bevaren zijn gheweest, ende is by eenige Koopluyden ons openinge ghedaen, dat syluyden door Godes ghenadige hulpe, met diligentie, moeyten, periculen ende kosten, hen daer toe sulcks verhoopen te employeren, dat daer van goede vruchten souden staen te verwachten, indien onse beliefte ware, hen te octroyeren, priviligieren ende begenadigen, dat sy die Passagien, Havenen, Landen ende Plaetsen, by henluyden van nieuws te vinden ende ontdecken, alleen souden mogen bevaren, beseylen ende frequenteren voor ses reysen in recompense van hare kosten, moeyten ende periculen: Met interdictie dat niemant directelijck ofte indirectelijck de selve Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen soude mogen bevaren, beseylen ofte frequenteren, voor ende al eer die eerste ontdeckers ofte bevinders der selver, de voorschreve ses reysen souden hebben volbracht.” De Staten-Generaal dit alles »rijpelijck overgewogen hebbende, ende bevindende het voorschreve voornemen voor den welstant der Vereenichde Landen loffelijck, eerlijck ende dienstelick, Ende willende het besoecken voor alle ende een yeghelijck vande Ingesetenen deser Landen vry ende gemeen maecken, wilden allen ende een yeghelijck vanden Inghesetenen der Vereenichde Nederlanden tot het voorschreve ondersoeck noodigen”, en »octroyeerden ende consenteerden daeromme, dat die geene die eenige nieuwe Passagien,Havenen, Landen ofte Plaetsen voortaen sou ontdecken, hy de selve alleenlijck sou bevaren ofte doen bevaren voor vier reysen, sonder dat yemant anders directelijck ofte indirectelijck de selve nieuwe ontdeckte ende gevonden Passagien, Havenen, Landen ofte Plaetsen sou mogen uytte Vereenichde Landen beseylen, bevaren ofte frequenteren, voor dat den eersten bevinder ofte ontdecker de selve vier reysen selfs sal hebben ghedaen, ofte doen doen, op peyne van confiscatie vande Schepen ende goederen daer mede daer jegens sou worden gheattenteert, ende een mulcte van vijftich duysent Nederlandtsche Ducaten ten profyte vande voorschreve Bevinder ofte ontdecker.”
[623]Dat Le Maire en zijne compagnons van de Austraalsche Compagnie de verzoekers van het „generael octroy” waren, staat vermeld bij: Bakhuizen v. d. Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 44. Ik heb daarvoor geen bewijs gevonden, maar het is zeer waarschijnlijk, te meer omdat zich in de verzameling „Noordsche togten” (1. R.-A.) een afdruk van het „generael octroy” bevindt, waarop met eene hand van dien tijd geschreven is: „Austraelsse Compaignie.”—O’Callaghan (Hist. of New-Netherland. I p. 69) schrijft het vragen van het octrooi toe aan de handelaars op Nieuw-Nederland, waaronder trouwens waren Jan Clemensz. Kies e. a. Hoornsche kooplieden, die leden waren van Le Maire’s compagnie. (O’Callaghan l. c. I p. 74.)—De R. S.-G. 27 Maart 1614 spreken slechts van »verscheijden Coopluijden, Ingesetenen vande Vereenichde Provinciën.”
[623]Dat Le Maire en zijne compagnons van de Austraalsche Compagnie de verzoekers van het „generael octroy” waren, staat vermeld bij: Bakhuizen v. d. Brink, Isaac le Maire, in: Gids. 1865. IV p. 44. Ik heb daarvoor geen bewijs gevonden, maar het is zeer waarschijnlijk, te meer omdat zich in de verzameling „Noordsche togten” (1. R.-A.) een afdruk van het „generael octroy” bevindt, waarop met eene hand van dien tijd geschreven is: „Austraelsse Compaignie.”—O’Callaghan (Hist. of New-Netherland. I p. 69) schrijft het vragen van het octrooi toe aan de handelaars op Nieuw-Nederland, waaronder trouwens waren Jan Clemensz. Kies e. a. Hoornsche kooplieden, die leden waren van Le Maire’s compagnie. (O’Callaghan l. c. I p. 74.)—De R. S.-G. 27 Maart 1614 spreken slechts van »verscheijden Coopluijden, Ingesetenen vande Vereenichde Provinciën.”
Tegenover de voorrechten aan de Noordsche Compagnie verleend werden dus andere voordeelen uitgeloofd, die het aan ieder vrijstond te verkrijgen. Ieder oogenblik kon er nu een mededinger voor de bevoorrechte vereeniging opstaan, en om misverstand tusschen de wedijverende lichamen te voorkomen, bepaalden de Staten-Generaal nu reeds dadelijk, »dat sy by desen niet en verstonden eenige prejuditie ofte verminderinge te doen aen hunne voorgaende Octroyen ende Concessien. Ende soo verre in ofte ontrent een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien sulcke nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten, dat de selve te samen dit Octroy ende Privilegie souden genieten. Ende in gevalle eenige gheschillen ofte differenten desen aengaende ofte andersints uyt dese hunne Concessie quamen te rijsen ofte ontstaen, souden de selve by haer Ho: Mo: worden gedecideert, waer naer hem een yegelijck sou hebben te reguleren.”[624]
[624]Gr Placaet-boeck. I p. 563-66—R. S.-G. 27 Maart 1614.
[624]Gr Placaet-boeck. I p. 563-66—R. S.-G. 27 Maart 1614.
De maatregel bleek de Noordsche Compagnie tot krachtsinspanning te prikkelen; bevreesd voor de steeds dreigende mededingers deed zij alle moeite om hen te voorkomen, en in de eerste jaren van haar bestaan deed zij zelfs ernstige pogingen om van hare gunstige positie gebruik te maken, ten einde den langgezochten doortocht naar Oost-Indië te vinden. Reeds in 1613 kan men het er voor houden, dat de Amsterdamsche reeders op de walvischvangst hetzij door de schepen van Van Muyden, hetzij door eene afzonderlijke onderneming getracht hebben de noordpool te bereiken. In hun request aan de Staten-Generaal, waarbij zij octrooi verzochten, beroemden dezen zich toch, »dat sy de alder eerste waeren die uyt dese Landen soo verre om de Noort aangevangen hadden te varen ofte te seylen, met toerustinge van eene quantiteyt Schepen,alwaer noyt Christen Menschen ontrent hadden gheweest, Jae dat sy hadden ghepasseert drie-en-tachentich graden, blijckende byseeckere Caerte ende bewijs onder de Supplianten berustende, alwaer hare Schepen ghevonden hadden eene ruyme Zee, sonder Ys, vlack Weylandt, met Gras-etende Gedierten, ende aldaer aenden Zee-kant ende daer omtrent ghevangen eene quantiteyt Walvisschen, Walrussen ende andere Visschen.”[625]Het komt mij echter waarschijnlijk voor, dat deze opgave van de bereikte hoogte overdreven is. Nergens elders blijkt, dat er in 1613 door Van Tweenhuysen c. s. schepen ter ontdekking zijn uitgezonden en het verhaal van de »ruyme Zee sonder Ys” en het »vlack Weylandt met Gras-etende Gedierten”, waar men aan den zeekant walvisschen en walrussen ving, wijst te duidelijk op de bekende reis van Van Muyden, die Spitsbergens westkust bezocht, dan dat men eene afzonderlijke ontdekkingsreis ten noorden van dat eiland, waar zooals bekend is het zoogenaamde westijs weldra allen verderen doortocht belet, zou behoeven aan te nemen.
[625]Zie het octrooi der Noordsche Compagnie. (Gr. Placaetb. I p. 669.)—De „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. van 1624 (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verhaalt, dat „in den Jare 1611 (lees 1612) eenige Schepen geequipeert ende na de voorszeide costen (van Spitsbergen) wtgesonden sijn, de welcke na veele zeijlens ende menichfuldige periculen van ijs storm ende anders de selve costen aengedaen hebben ende nijet alleene nader besocht maer soowelin datselve jaerals eenige navolgende het Landt eene goede streeck langs om de noort verder als oijt te vooren hebben opgedaen ende beseijlt.”
[625]Zie het octrooi der Noordsche Compagnie. (Gr. Placaetb. I p. 669.)—De „Corte Deductie ende Remonstrantie” der N. C. van 1624 (Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.) verhaalt, dat „in den Jare 1611 (lees 1612) eenige Schepen geequipeert ende na de voorszeide costen (van Spitsbergen) wtgesonden sijn, de welcke na veele zeijlens ende menichfuldige periculen van ijs storm ende anders de selve costen aengedaen hebben ende nijet alleene nader besocht maer soowelin datselve jaerals eenige navolgende het Landt eene goede streeck langs om de noort verder als oijt te vooren hebben opgedaen ende beseijlt.”
Maar zoodra de Noordsche Compagnie haar octrooi verkregen had, namen de ontdekkingsreizen een aanvang. Aangevuurd door de medewerking der Staten-Generaal besloot de vereeniging een tocht te doen ondernemen naar het noorden om den doortocht naar Oost-Indië te zoeken. Overeenkomstig met de toen heerschende denkbeelden omtrent den weg recht naar de noordpool werd daarheen de steven gewend. Twee schepen, »de goude Cath” van Amsterdam, kapitein Jan Jacobsz. May[626],en »den Orangienboom” van Enkhuizen, kapitein Jacob De Gouwenaer, vertrokken, met de Nederlandsche walvischvaarders naar Spitsbergen gezeild, in het begin van Juli uit Fairhaven[627].Tusschen Groenland en Spitsbergen door zette men koers naar het noorden. Over den uitslag der reis bewaren de reeders het stilzwijgen, maar wij bezitten een bericht van een nog geloofwaardiger getuige: op een der schepen was stuurmanMr. Joris Carolus van Enkhuizen. Deze kundige zeeman, op wien de mantel van Barendsz. gevallen was, schijnt zich nauw aan de Noordsche Compagnie verbonden en haar krachtig gesteund te hebben bij hare eerste ontdekkingsreizen. Reeds toen was hij een ervaren zeeman. Na in het beleg van Ostende een been verloren te hebben schijnt hij zich op de stuurmanskunst toegelegd te hebben. Lange jaren had hij toen in dienst der Oost-Indische Compagnie in de gevaarlijke wateren van den Indischen archipel verkeerd, en nog lang zou hij op zijne talrijke reizen in de Europeesche wateren een schat van kennis verzamelen. Eindelijk toen hem »syne jaren ende impotentie eenighsins beletten,” zette hij zich als leermeester der stuurmanskunst te Amsterdam neder en bij de uitgave van zijn »Nieuw vermeerde Licht ende Vierighe Colom des grooten Zeevaerts” in 1634 kon hij toen getuigen, dat hij alle peilingen, opmetingen en teekeningen der Europeesche stranden, die dit uitgebreide kaartboek bevatte, mededeelde »niet uyt het verhael van andere, maer uyt syn eyghen observatien ende byweesen”[628].Onder die »observatien” is er eene, die over het resultaat der reis, die wij bespreken, een merkwaardig licht verspreidt. »Het landt van Out-Groenlandt” (d. i. het zuidelijke gedeelte van Groenlands oostkust), zegt Carolus, »by Noorden Yslandt, streckende Zuijdtwaert tot de Caep ofte Staten Hoeck, ende dan om den Hoeck voorzeid langhs het Fretum Davids ende in de groote binnen Zee, rontsom is altemael vast lant, ende is al een selve landt aen America vast, zijnde tot by Noorden ende Noordoost van Yslandt af, soo ’t anders niet aen Spitsberghen vast en is, twelck ick niet gheloove, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen,dit heb ick bevonden inden jare1614doen ick soo verre om de Noord was tot op83graden[629],alwaer ick ghesien heb dat alle de ebben om de Noord liepen, daerom vermoede soo daer een deurgang om de Noord te vinden is, soo moet men die dat henen soecken, of hy noch bekent sal worden is Godt bekent, (Ick hope jae.)”[630]Reeds uit het medegedeelde blijkt, dat de expeditie wel hoop had den doortocht te vinden en het zelfs tot zeer ver in het noorden bracht, maar dat het doel der reis niet bereikt werd[631].Reeds den 9 Augustus passeerden de twee schepen dan ook de noord westpunt van Spitsbergen ophunne terugreis[632].Toch was deze tocht voor de Noordsche Compagnie voordeeliger dan eenige volgende: onderweg ontdekte men toevallig het afgelegen Jan Mayen-eiland, eene ontdekking voor de compagnie van onberekenbaar belang, maar door haar aanvankelijk niet gewaardeerd[633].Ik hoop aan het einde van dit hoofdstuk op deze ontdekking terug te komen.