Chapter 15

[626]Jan Jacobsz May wordt nog in 1623 als kapitein op een Nederlandsch oorlogschip genoemd bij: Wassenaer, Hist. verh. V fol. 66, 67.—In 1622 bracht hij in dienst der admiraliteit van het Noorderkwartier een Fransch schip op. (Zie o. a. R. S.-G. 16 Dec. 1622, 10 Apr. 1623.)—Vgl. over hem en zijnen broeder Cornelis nog: Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 112.—O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 72, 73, 86, 99.[627]Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.[628]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. Opdr. p. 2.[629]In de opdracht van bovengemeld kaartboek verhaalt Carolus, dat hij eenmaal „in de Weygats tot op de hooghde van 83 graden als Stuerman” was. Waarschijnlijk heeft ook dit bericht op deze reis betrekking, al kennen wij den naam »Weygats” voor deze zee van elders niet.[630]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147.[631]Zie over deze reis: R. S.-G. 16 Jan. 1615.[632]Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 725.[633]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche togten. 3. Ontdekking van Jan Mayen-eiland. R.-A.—Dat het eiland op dezen tocht naar de pool ontdekt werd, blijkt voldoende uit den naam „Mr. Ioris Eylant,” dien Carolus met vergefelijke ijdelheid daaraan geeft op de kaart van Groenland in zijn: Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts.

[626]Jan Jacobsz May wordt nog in 1623 als kapitein op een Nederlandsch oorlogschip genoemd bij: Wassenaer, Hist. verh. V fol. 66, 67.—In 1622 bracht hij in dienst der admiraliteit van het Noorderkwartier een Fransch schip op. (Zie o. a. R. S.-G. 16 Dec. 1622, 10 Apr. 1623.)—Vgl. over hem en zijnen broeder Cornelis nog: Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 112.—O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 72, 73, 86, 99.

[627]Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 723.

[628]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. Opdr. p. 2.

[629]In de opdracht van bovengemeld kaartboek verhaalt Carolus, dat hij eenmaal „in de Weygats tot op de hooghde van 83 graden als Stuerman” was. Waarschijnlijk heeft ook dit bericht op deze reis betrekking, al kennen wij den naam »Weygats” voor deze zee van elders niet.

[630]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147.

[631]Zie over deze reis: R. S.-G. 16 Jan. 1615.

[632]Fotherbye, A Voyage of Discouerie to Greenland. Anno 1614, by: Purchas, Pilgrimes. III p. 725.

[633]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche togten. 3. Ontdekking van Jan Mayen-eiland. R.-A.—Dat het eiland op dezen tocht naar de pool ontdekt werd, blijkt voldoende uit den naam „Mr. Ioris Eylant,” dien Carolus met vergefelijke ijdelheid daaraan geeft op de kaart van Groenland in zijn: Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts.

Spoedig na zijne terugkomst in het vaderland wendde Carolus zich tot de Staten-Generaal en wekte hen tot eene nieuwe onderneming van landswege naar het noorden op. Hij bood zijne dienst aan »omme met yver tallen tyden opt comandement van hare Ho: Mo: noch voirder ondersoeck te doen.” Zijne moeite was echter vruchteloos. Wel legden de Staten-Generaal hem tot belooning van zijnen ijver en in aanmerking van zijne vroegere diensten de som van ƒ 72 eens toe »tot eene vereeringe”, maar tevens verklaarden zij, »dat hare Ho: Mo: voirder egheen costen meer en begeerden te doen tot last van het lant, om de voorszeide passage te doen ondersoecken, toelatende sulcx te doen die Coopluyden ende andere die de prys op het vinden vande voorszeide passage gestelt sullen begeerte hebben te winnen[634].” Gelukkiger slaagde Carolus bij de Noordsche Compagnie. De vereeniging toonde zich de hulp der Staten waardig, en was bereid om de vrijzinnige politiek der regeering in de hand te werken. Ook in 1615 maakte zij zich dus tot eene ontdekkingsreis gereed, ditmaal echter volgens een nieuw plan. In het begin van dit hoofdstuk heb ik er op gewezen, dat de ontdekkingsreizen der Engelschen zich in de laatste dertig jaren bijna altijd naar het noordwesten richtten. Nederland had lang de oude wegen door het noordoosten boven de andere verkozen; eerst toen alle pogingen vergeefs bleken gaf zij die richting voor langen tijd op. Wij zagen, dat reeds in 1613 eene Nederlandsche expeditie dadelijk naar het noordwesten uitgezonden werd, natuurlijk was het dat eene compagnie, aan wier hoofd een handelaar op Nieuw-Nederland, Lambert Van Tweenhuysen[635],stond, dien wegniet ondoorzocht zou laten. Ook was het daarheen, dat de Noordsche Compagnie verder hare meeste ontdekkingsreizen richtte.

[634]R. S.-G. 16 Jan. 1615.[635]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.—O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 74.—Ook de bewindhebbers der N. C. Samuel Godin bezat land in Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 121, 125, 479.) Adriaan Van der Donck noemt de N. C. in verband met de eerste reizen naar Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 29.)

[634]R. S.-G. 16 Jan. 1615.

[635]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44.—O’Callaghan, Hist. of New-Netherland. I p. 74.—Ook de bewindhebbers der N. C. Samuel Godin bezat land in Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 121, 125, 479.) Adriaan Van der Donck noemt de N. C. in verband met de eerste reizen naar Nieuw-Nederland. (O’Callaghan l. c. I p. 29.)

Den 2 April 1615 kwam in de vergadering der Staten-Generaal het plan der compagnie ter tafel; hare schepen waren reeds gereed om ter ontdekking uit te zeilen. De Noordsche Compagnie beoogde met deze reis niets minder dan bij noorden om naar China te varen en om de Kaap de Goede Hoop terug te keeren[636].Weinige weken voordat Jaques Le Maire langs het zuidwesten eene reis om de wereld begon, vertrok dus eene andere expeditie met hetzelfde doel en »omme te soecken ende ontdecken zeekre nyeuwe landen liggende int noortwesten” uit de Nederlandsche zeegaten. Maar de geest, die de bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie bezielde,—een geest, waarvan Le Maire in het volgende jaar de treurige uitwerkselen zou ondervinden,—was aan de Noordsche Compagnie te goed bekend dan dat zij zich niet vooraf van de medewerking der Staten-Generaal zou verzekerd hebben. Voorzichtiger dan de bekende mededinger der Oost-Indische Compagnie verzochten de bewindhebbers vooraf van de regeering eene akte, dat het den schepelingen geoorloofd zou zijn op hunnen terugtocht de havens, die onder het octrooi der Oost-Indische Compagnie begrepen waren, aan te doen. Maar hooren wij hen zelven. »De Bewinthebberen vande geoctroijeerde compagnie vande Noordersche quartieren gheeuen reuerentelyck te kennen”, dus heet het, »dat zij geresolveert sijn eenighe scheepen weederom te seijnden tot het ondersoucken vande passagien bij noorden naer China ende Cathaij, Welcke Schepen nu eerstdaechs sullen gereet sijn om in Zee te loopen, ende dewijle dat onseeker is, offschoon de zelue passage werde ontdeckt, dat het doenlijck soude weesen met de Scheepen de selue wech wederom te keeren, maer dat zij souden genootsaeckt zijn te passeeren de Cabo de Bona Esperantie ofte d’engte van Magalanes, ende ouersulcx gedwongen ’t zij om ververssinge van water, victualie ende anderssints aen te doen eenige landen In Oost-Indien, de welcke hun bij de Scheepen vande Oost-Indische Compagnie aldaer weesende soude mogen werden belet, soo keeren sij supplianten hun tot uwe H. M. deselue ootmoedelijck biddende te verleenen acte op dat de voornoemde Scheepen onverhindert de voorsseide passage souden mogen doen ende de versseide Landen frequenteeren, op dat sulcken goeden aengeuangen werck in geener Manieren werde verachtert.”[637]De Staten-Generaal oordeelden hetverzoek »in reden, billickheyt ende equiteyt ghefundeert,” en als altijd gunstig voor het zoeken van den noordelijken doortocht gestemd, verleenden zij dadelijk de verlangde akte[638],ja toen de compagnie den 11 Mei nog een jacht ter leen vroeg om de reis te maken, besloten de Staten-Generaal onmiddellijk »alsoo de saecke haeste vereyschte ende faveur meriteerde,” dat de Amsterdamsche admiraliteit met de supplianten zou onderhandelen om hun het verlangde te leenen zoo ’s lands belang dit toeliet[639].

[636]R. S.-G. 2 April 1615.[637]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 1616-34. R.-A.—Akte voor de Noortsche Compagnie, dd. 2 April 1615. (Gr. Placaetb. I p. 671, 72.)[638]R. S.-G. 2 April 1615.[639]R. S.-G. 11 Mei 1615.—De N. C. had hierbij het oog op het oorlogsjacht „de Craen,” bekend door zijne reis in 1611 met May. De admiraliteit toonde zich wel genegen dit schip, dat niet goed voer, aan de compagnie te verkoopen, maar zij weigerde het te leenen. (Resol. Adm. Amst. 13, 14 Mei 1615.) De compagnie wilde echter den koop natuurlijk niet sluiten, en den 18 Juni werd „de Craen” verkocht aan Pieter Evertsz. Hulft voor ƒ 2900. (Resol. Adm. Amst. 26 Aug. 1614, 5, 12, 18 Juni 1615.)

[636]R. S.-G. 2 April 1615.

[637]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Apr. 1615, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. 1616-34. R.-A.—Akte voor de Noortsche Compagnie, dd. 2 April 1615. (Gr. Placaetb. I p. 671, 72.)

[638]R. S.-G. 2 April 1615.

[639]R. S.-G. 11 Mei 1615.—De N. C. had hierbij het oog op het oorlogsjacht „de Craen,” bekend door zijne reis in 1611 met May. De admiraliteit toonde zich wel genegen dit schip, dat niet goed voer, aan de compagnie te verkoopen, maar zij weigerde het te leenen. (Resol. Adm. Amst. 13, 14 Mei 1615.) De compagnie wilde echter den koop natuurlijk niet sluiten, en den 18 Juni werd „de Craen” verkocht aan Pieter Evertsz. Hulft voor ƒ 2900. (Resol. Adm. Amst. 26 Aug. 1614, 5, 12, 18 Juni 1615.)

Kort daarop vertrok werkelijk een jacht, door de Noordsche Compagnie uitgezonden, naar het noordwesten. Het zeilde straat Davis in en kwam tot de vóor dien tijd daar nog niet bereikte hoogte van 80° NB.[640]Ook over deze merkwaardige reis van Nederlanders, die een jaar vóor Bylot en Baffin nog verder dan dezen in het noordwesten doordrongen, heeft ons Joris Carolus naar ik meen eenig bericht nagelaten. In zijn boven vermeld kaartboek, dat voor de kennis der noordelijke streken zoo groot gezag had, dat daaruit alle latere Nederlandsche kaartenmakers naar het schijnt bijna zonder uitzondering geput hebben, verhaalt hij ons nauwkeurig de strekking van de oostkust van straat Davis tot op 71°. »Dan cryght men,” dus gaat hij voort, »een groote ruyme Zee Noord-west op gaende ende also weder Noordwaert rontsom nae ’t Oosten toe loopende, ende dan weder Zuydwaert tot de voorszeide enghte (nam. straat Davis.) Deze zee loopt sooverre Noordwaerts tot 79 graden, maer is achter dicht ende vast landt met Inwycken ende Rivieren, daer een groote menichte van ys gegenereert wordt, dat allenskens met de groote afwatering deur het nauwe van de Straet inde Noord-zee comt dryven langhs beyde custen henen tot in Terra Nova, alwaer ick een menichte hebbe sien dryven tot in de groote Baye van S. Laureyns achter ende bewesten Terra Novam.”[641]Het komt mij weinig twijfelachtig voor, dat Carolus deze ervaring op de hierbesproken reis van 1615 heeft opgedaan: de gevolgde koers, de bereikte hoogte stemmen nagenoeg overeen met het van elders bekende; Carolus was volgens zijne eigene getuigenis slechts driemaal hoog in het noorden en wij wetendat een dier reizen reeds in 1614 had plaatsgehad; eindelijk het staat vast, dat hij met de Noordsche Compagnie nauw verbonden was en in 1614 en 1617 in haar dienst reizen deed. Wij kunnen dus nagaan, dat de expeditie langs beide zijden van straat Davis en van de toen nog onbezeilde Baffins-bay een doortocht trachtte te vinden[642]en, toen zij dien niet vond, ouder gewoonte haar geluk in den handel met de inlanders beproefde. Immers Carolus toont zich met de bewoners der kust goed bekend: zijn oordeel over hen luidt zeer ongunstig. »De Inwoonders van dit Landt aen beyde zyden van de Straet,” dus verhaalt hij verder[643],»zyn alte-samen Heydenen ende wilde Menscheneters. Men moet haer schoon semblant niet ghelooven, al wat sy vermanghelen willen, dat langhen sy op haer riem, daer sy haer cano met voort roeyen, sy en vertrouwen niemant, daerom zyn sy oock niet te betrouwen, men moet hem wel wachten van aen landt te loopen, ten sy dat ghy wel op u hoede syt met een goet musquet: want sy vraghen niet veel nae een sabel, want men comtse soo nae niet: maer sy connen u treffen met hare boghen ende slingers, maer als sy sien datter een ter neder ghevelt wordt met een musquet, soo loopen d’ander te landewaert in int gheberghte daer sy haer onthouden.” Dus teleurgesteld keerden de reizigers terug: straat Davis uitgezeild bereikten zij een groot land, zich uitstrekkende van 57° tot 53° NB. »twelck men beraemde te wesen ten zuyelycxsten van Fretum Davits.” Dit land, dat niets anders zijn kan dan de reeds lang bekende kust van Labrador, werd door hen dus waarschijnlijk voor een nieuw ontdekte streek gehouden. De schepelingen gingen aan land en namen in naam der Staten-Generaal plechtig bezit daarvan door het planten der wapens van H. H. M. Aan een kaap op de kust gaven zij den naam van een der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie en noemden ze »Tweenhuysens-hoeck.”[644].De compagnie haastte zich na deterugkomst van het jacht in November volgens het »generael octroy” eene akte aan te vragen, dat zij de ontdekkers waren van het betreden land. De Staten-Generaal vervielen in dezelfde dwaling als de bewindhebbers en de akte werd verleend[645].

[640]R. S.-G. 26 Nov. 1615.[641]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 148.[642]Van de aanwezigheid van Joris Carolus op deze reis dragen de oude kaarten nog de sporen. In navolging van Carolus zelven noemen vele oude Nederlandsche kaarten aan Groenlands westkust op 61° de namen: »Mr. Ioris hoeck” en „Mr. Ioris Bay.” In den omtrek vindt men daar nog de Nederlandsche namen: Statenhoeck, Mauritii Bay, Wapenbergen, Caep Maelson en Wilde bay (MS. kaart v. Carolus. R.-A.—Kaarten van Groenland in den atlas van Goos en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 71); ook dezen zou ik geneigd zijn tot deze reis terug te brengen, de naam van Maurits van Nassau wijst toch op eene reis, die vóor 1625 moet plaatsgehad hebben en ook de bekende François Maelson, een der ijverigste bevorderaars der reis van 1594, zal het jaar 1615 wel niet zeer lang overleefd hebben.[643]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.[644]Deze naam komt voor op de geteekende kaart van Joris Carolus van 1626 (R.-A. Vgl. De Jonge, Opkomst, p. 31 Noot 2. De kaart is vlg. de R. S.-G. 10 Apr. 1626 uitgegeven.) Het komt mij niet twijfelachtig voor, dat men dien tot dezen tocht moet terugbrengen. In den omtrek van Tweenhuysens-hoeck bevinden zich nog op de kust van Labrador de volgende Hollandsche namen: Cardinaels-hoed, Hoybergen, Swarte hoeck, Twee rode eylanden, Steylhoeck, Ganse-bay, Vastlant, Slapershaven, Noothaven, Claptmuts-bay, Orangebay, Hollandtsche bay, Schildpadds-eyland, Sadel-eyland, Vossen-eyland, Syboldshoeck, Zuydtoosthoeck, Warderhoeck, Anthonis ofte Cameelshoeck, Lage hoeck, Schoon eylant en Jacob Wendelshaven. Waarschijnlijk zijn ook deze namen op de reis van 1615 gegeven. (Zie ook de atlassen van J. Danckers, P. Goos en N. Visscher uit de tweede helft der zeventiende eeuw.)[645]R. S.-G. 26 Nov. 1615.

[640]R. S.-G. 26 Nov. 1615.

[641]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 148.

[642]Van de aanwezigheid van Joris Carolus op deze reis dragen de oude kaarten nog de sporen. In navolging van Carolus zelven noemen vele oude Nederlandsche kaarten aan Groenlands westkust op 61° de namen: »Mr. Ioris hoeck” en „Mr. Ioris Bay.” In den omtrek vindt men daar nog de Nederlandsche namen: Statenhoeck, Mauritii Bay, Wapenbergen, Caep Maelson en Wilde bay (MS. kaart v. Carolus. R.-A.—Kaarten van Groenland in den atlas van Goos en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 71); ook dezen zou ik geneigd zijn tot deze reis terug te brengen, de naam van Maurits van Nassau wijst toch op eene reis, die vóor 1625 moet plaatsgehad hebben en ook de bekende François Maelson, een der ijverigste bevorderaars der reis van 1594, zal het jaar 1615 wel niet zeer lang overleefd hebben.

[643]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.

[644]Deze naam komt voor op de geteekende kaart van Joris Carolus van 1626 (R.-A. Vgl. De Jonge, Opkomst, p. 31 Noot 2. De kaart is vlg. de R. S.-G. 10 Apr. 1626 uitgegeven.) Het komt mij niet twijfelachtig voor, dat men dien tot dezen tocht moet terugbrengen. In den omtrek van Tweenhuysens-hoeck bevinden zich nog op de kust van Labrador de volgende Hollandsche namen: Cardinaels-hoed, Hoybergen, Swarte hoeck, Twee rode eylanden, Steylhoeck, Ganse-bay, Vastlant, Slapershaven, Noothaven, Claptmuts-bay, Orangebay, Hollandtsche bay, Schildpadds-eyland, Sadel-eyland, Vossen-eyland, Syboldshoeck, Zuydtoosthoeck, Warderhoeck, Anthonis ofte Cameelshoeck, Lage hoeck, Schoon eylant en Jacob Wendelshaven. Waarschijnlijk zijn ook deze namen op de reis van 1615 gegeven. (Zie ook de atlassen van J. Danckers, P. Goos en N. Visscher uit de tweede helft der zeventiende eeuw.)

[645]R. S.-G. 26 Nov. 1615.

Hoe weinig praktische resultaten de groote reis, door Carolus en de zijnen volbracht, ook had opgeleverd, zij had den Nederlanders de overtuiging geschonken, dat daar althans de gewenschte doortocht naar het verre Indië niet te vinden was. Carolus verzekerde later zonder aarzelen, dat de »deurgangh daer veel treffelijcke Zeevaerders naer ghesocht hebben maer te vergeefs” niet bestond[646].Nieuwe pogingen schenen vruchteloos, nu eene zoo volhardende bemanning geleid door een stuurman als Carolus niet geslaagd was. Nog slechts éen enkele weg bood dus aan de Noordsche Compagnie kans op het bereiken van haar doel: lager in het noordwesten, waar Frobisher en Hudson gehoopt hadden eene zeeëngte te vinden, was nog veel ondoorzocht; niemand had van daar nog zulke zekere en teleurstellende berichten medegebracht als Carolus omtrent straat Davis. Daarheen moest dus de steven gewend. Onvermoeid toog de Noordsche Compagnie weder aan het werk: in het voorjaar van 1616 had zij eene nieuwe expeditie gereed, die den laatsten weg zou onderzoeken. Het jacht »den Orangienboom,” van Amsterdam, kapitein Willem Jansz[647],vertrok van Jan Mayen-eiland, waar dit jaar de walvischvangst voornamelijk gedreven werd, stevende benoorden IJsland langs, omzeilde Groenlands zuidpunt en kwam, straat Davis overstekende, aan »het westlant van fretum davits,” d. i. het tegenwoordige Cumberland-island. Daar werd waarschijnlijk in Frobisher-straat naar den doorgang gezocht, die daar niet te vinden was, misschien Hudsons-straat en baai bezeild[648],maar het eenige resultaat derreis, toen het jacht in November in het vaderland terugkwam, was, dat men een land op de westkust van straat Davis tusschen 60° en 66° NB. had verkend en betreden. Men had daar met de inwoners gesproken en van het land, Statenland genoemd, in naam der Staten-Generaal met het planten hunner wapens bezit genomen[649].Evenals de ontdekking van het jaar 1615 werd ook Statenland volgens het »generael octroy” voor vier jaren onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen[650],zonder dat het blijkt, dat daarom de vereeniging zich ooit op het verkeer met die verre gewesten heeft toegelegd[651].

[646]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.[647]Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[648]Ik zou dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der noordelijke streken tusschen Hudsons-baai en IJsland, door Joris Carolus in 1626 vervaardigd, waarop hij aanteekent, dat hij deze landen »driemael selfs beseylt” heeft. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Hudsons-baai op deze reis bezocht werd; Carolus was ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis kwamen de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik twijfel, dan is het alleen, omdat Carolus blijkbaar voor het samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt heeft van die van Jens Munck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b. v. de „nieuwe zee” van Hudson „Mare Christiane”, terwijl Munck Hudsons-straat Fretum Christiani, Hudsons-baai Mare novum en James’-bay Mare Christianum noemde naar Christiaan IV van Denemarken. Op twee plaatsen in Hudsons-straat vind ik aangeteekend: „hier hebbense overwintert” en „Munckenes.”) Wel is waar vindt men op deze kaart in en bij Hudsons-straat Nederlandsche namen genoeg, als: Beerenhoeck, Kolden hoeck, Gebroken landt, Susters, Ys-eylandt, Snee eylandt, Zuydhoeck, maar misschien zijn ze op dezelfde wijze van Munck overgenomen en vertaald; van de „Susters” en het „Snee eylandt” is dit ten minste zeker.—Zie over Muncks reis: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 230-34.—Relation du Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 237-47.[649]Misschien werd op deze reis de niet onbelangrijke opmerking gemaakt, dat er in die streken overvloed van walvisschen was. Carolus teekent toch op zijne bovenvermelde geteekende kaart ten noorden van „Comberlants Bay” aan: „walvis veel”, „hier coocten traen,” enz. Het is echter niet onmogelijk, dat ook deze aanteekeningen op eene reis van Jens Munck of een ander betrekking hebben. (Zievorige noot.)[650]R. S.-G. 23 Nov. 1616.[651]Met het in 1634 als station der walvischvaarders genoemde „Statenlandt” (Octr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de walvischv. dd. 22 Nov. 1634, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221) schijnt Edge-island bij Spitsbergen bedoeld te zijn. (Zie hiervóorp. 152 Noot 9.) Het komt mij voor, dat het streven der N. C. om anderen uit te sluiten zonder zelf van de in bezit genomene streken eenig nut te trekken, moet toegeschreven worden aan de slechte ondervinding door haar opgedaan, toen zij in 1614 verzuimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van Jan Mayen-eiland kennis te geven aan de Staten-Generaal.

[646]Carolus, Het nieuw vermeerde Licht des Zee-vaerts. p. 147.

[647]Instr. v. de Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[648]Ik zou dit opmaken uit de op het R.-A. aanwezige kaart der noordelijke streken tusschen Hudsons-baai en IJsland, door Joris Carolus in 1626 vervaardigd, waarop hij aanteekent, dat hij deze landen »driemael selfs beseylt” heeft. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat Hudsons-baai op deze reis bezocht werd; Carolus was ongetwijfeld ook nu de piloot der N. C. en op geen andere reis kwamen de Nederlanders zoozeer in de nabijheid der baai. Zoo ik twijfel, dan is het alleen, omdat Carolus blijkbaar voor het samenstellen zijner kaart ijverig gebruik gemaakt heeft van die van Jens Munck van 1619, 20. (Zoo noemt hij b. v. de „nieuwe zee” van Hudson „Mare Christiane”, terwijl Munck Hudsons-straat Fretum Christiani, Hudsons-baai Mare novum en James’-bay Mare Christianum noemde naar Christiaan IV van Denemarken. Op twee plaatsen in Hudsons-straat vind ik aangeteekend: „hier hebbense overwintert” en „Munckenes.”) Wel is waar vindt men op deze kaart in en bij Hudsons-straat Nederlandsche namen genoeg, als: Beerenhoeck, Kolden hoeck, Gebroken landt, Susters, Ys-eylandt, Snee eylandt, Zuydhoeck, maar misschien zijn ze op dezelfde wijze van Munck overgenomen en vertaald; van de „Susters” en het „Snee eylandt” is dit ten minste zeker.—Zie over Muncks reis: Barrow, Voyages into the arctic regions. p. 230-34.—Relation du Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 237-47.

[649]Misschien werd op deze reis de niet onbelangrijke opmerking gemaakt, dat er in die streken overvloed van walvisschen was. Carolus teekent toch op zijne bovenvermelde geteekende kaart ten noorden van „Comberlants Bay” aan: „walvis veel”, „hier coocten traen,” enz. Het is echter niet onmogelijk, dat ook deze aanteekeningen op eene reis van Jens Munck of een ander betrekking hebben. (Zievorige noot.)

[650]R. S.-G. 23 Nov. 1616.

[651]Met het in 1634 als station der walvischvaarders genoemde „Statenlandt” (Octr. der Stn. v. Fr. voor de comp. voor de walvischv. dd. 22 Nov. 1634, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221) schijnt Edge-island bij Spitsbergen bedoeld te zijn. (Zie hiervóorp. 152 Noot 9.) Het komt mij voor, dat het streven der N. C. om anderen uit te sluiten zonder zelf van de in bezit genomene streken eenig nut te trekken, moet toegeschreven worden aan de slechte ondervinding door haar opgedaan, toen zij in 1614 verzuimd had van de schijnbaar onbelangrijke ontdekking van Jan Mayen-eiland kennis te geven aan de Staten-Generaal.

Toen dus ook deze tocht naar het verre westen den zoo gewenschten doortocht naar Oost-Indië niet had doen ontdekken, verflauwde bij de Noordsche Compagnie de lust naar het zoeken daarvan voor geruimen tijd[652].De weg langs Novaya-Zemlya was reeds vroegeropgegeven; toen dus ook de nieuwe wegen, die in den laatsten tijd beproefd waren, niettegenstaande de groote hoogte, die de schepen bereikt hadden, geen resultaat opleverden, meende men geene verdere pogingen meer te moeten doen. Geen weg was meer ondoorzocht; de moedeloosheid was algemeen en Maurits zelf, eens zoo ijverig voor het zoeken van den doortocht, verklaarde nu ronduit, »qu’il tient que c’est peine perdue de s’y trauailler d’auantage.”[653]Men meende, dat het vasteland, dat zich veel verder naar het noorden uitstrekte dan Amerika’s zuidpunt naar de zuidpool, steeds te veel moeielijkheden zou blijven aanbieden voor eenen doortocht; immers reeds in de straat van Magellaan en in straat Le Maire op 52° en 56° ZB. hinderde het ijs de reizigers altijd zeer[654].Hoewel er zeker op deze redeneering vrij wat viel af te dingen, had de ondervinding toch voldoende geleerd, dat de noordelijke doortocht, ook als hij gevonden werd, vele moeielijkheden zou blijven opleveren. En bij dit bezwaar voegde zich een andere reden, die de Nederlanders minder ijverig maken moest tot het zoeken van den weg. De eens zoozeer begeerde ontdekking was niet langer het doel, waarnaar bijna allen, die geene leden der Oost-Indische Compagnie waren, met goedkeuring der regeering zelve streefden. »Je ne voy pas,” schreef de Fransche gezant Du Maurier op het laatst van 1618 aan een zijner bekenden, »qu’en cette Republique, quand bien il se pourroit, ils desirent la decouuerture dudict passage, pour les raisons que je vous ay marcquées cy deuant, tellement que cette consideration faisant en quelque sorte cesser l’Espoir de la recompense, cessera quant et quant le courage et l’Enuie de se hasarder pour cela.”[655]Het is zeker jammer, dat de redenen, die Du Maurier daarvoor opgaf, niet bewaard zijn gebleven, maar het is niet moeielijk ze ten minste eenigermate te gissen. De Oost-Indische Compagnie was meer en meer het lichaam geworden, waarnaar de natie zich gewend had op te zien als het stevigste bolwerk in den op nieuw dreigenden oorlog met Spanje. En dat lichaam, dat dus voor ’s lands vrijheid een vereischte geworden was, verkeerde niet meer in den bloeienden toestand, waarover men zich in de eerste jaren van zijn bestaan zoozeer verheugd had. Meer en meer waren misbruiken in het beheeropenbaar geworden, het gemompel over den slechten stand der zaken was toegenomen, in Indië zelf had men met de Engelschen reeds lang onaangenaamheden, die gedurig toenamen. Nu dus eenmaal het behoud der Oost-Indische Compagnie eene nationale zaak geworden was, zou het zonderling geweest zijn met haar te gaan concurreeren. De regeering kon de wedijver niet meer aanmoedigen, de natie zelve moest haar belang inzien en de vertoornde participanten konden toch ook niet anders dan concurrentie vreezen. Nog slechts éenmaal vernemen wij dan ook in de eerstvolgende jaren van eene poging om den doortocht naar Oost-Indië te vinden: een Nederlandsch schipper stevende in 1618 weder met dat doel naar het noorden. De reis had trouwens niets te beduiden; toen de kapitein in December terugkeerde kon hij zich niet beroemen op de bereikte hoogte (65° NB.), en hij vergenoegde zich dus hoog op te geven van de gevonden schatten, die in eenige roode en groene jaspissteenen bestonden. Hij meende, dat uit de groote rotsen, die hij van dien steen gezien had, groote kolommen te vervaardigen waren, die gemakkelijk gepolijst en tot versiering der huizen gebruikt konden worden, maar de gewaande schatten van het noordwesten hadden reeds te veel zeelieden bedrogen dan dat men naar den schipper geluisterd hebben zou[656].

[652]Dit schijnt te blijken, behalve uit het geheele gemis van eenige berichten, uit de verklaring van Joris Carolus op zijne bovenvermelde geteekende kaart, dat hij Groenland en het noorden van Amerika „driemaelselfs beseylt” heeft. De reis van 1614 is de eerste, waarop wy Carolus ontmoeten.[653]Brief van du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Haye 15 Dec. 1618. (Catalogus der verzameling MSS. van den heer Mr. L. C. Luzac. No. 298.)[654]Brief van du Maurier als boven.[655]Brief van du Maurier als boven.—Met de in den tekst vermelde „récompense” wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie bedoeld, die de Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid zeker niet gaarne zouden uitbetaald hebben.[656]Het verhaal is ontleend aan den boven aangehaalden brief van du Maurier. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het betrekking heeft op de reis van het schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of Denijs, met wien Joris Carolus en andere stuurlieden omstreeks het begin van 1619 terugkwamen van eene reis, op last der Staten-Generaal ondernomen ter beproeving der nieuwe manier van bepaling der lengte op zee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein was bij zijne Instructie door de Staten-Generaal opgedragen, zoo mogelijk tegelijk eenige ontdekkingen te doen en wij weten, dat hij o. a. IJsland bezocht. (Zie over deze reis: Instr. der Stn.-Gen. voor Nijs dd. 17 Mei 1618, in: Instructieboek der Stn.-Gen. R.-A.—Resol. Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1619.—R. S.-G. 5 Jan. 1619.—Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.)

[652]Dit schijnt te blijken, behalve uit het geheele gemis van eenige berichten, uit de verklaring van Joris Carolus op zijne bovenvermelde geteekende kaart, dat hij Groenland en het noorden van Amerika „driemaelselfs beseylt” heeft. De reis van 1614 is de eerste, waarop wy Carolus ontmoeten.

[653]Brief van du Maurier aan Mr. de Pequzé. La Haye 15 Dec. 1618. (Catalogus der verzameling MSS. van den heer Mr. L. C. Luzac. No. 298.)

[654]Brief van du Maurier als boven.

[655]Brief van du Maurier als boven.—Met de in den tekst vermelde „récompense” wordt waarschijnlijk de in 1596 uitgeloofde premie bedoeld, die de Staten-Generaal bij hunne tegenwoordige gezindheid zeker niet gaarne zouden uitbetaald hebben.

[656]Het verhaal is ontleend aan den boven aangehaalden brief van du Maurier. Niet onwaarschijnlijk is het, dat het betrekking heeft op de reis van het schip de Bruyn-visch, kapitein Carel Nijs of Denijs, met wien Joris Carolus en andere stuurlieden omstreeks het begin van 1619 terugkwamen van eene reis, op last der Staten-Generaal ondernomen ter beproeving der nieuwe manier van bepaling der lengte op zee van Jan Hendricxz. Jaricx. Den kapitein was bij zijne Instructie door de Staten-Generaal opgedragen, zoo mogelijk tegelijk eenige ontdekkingen te doen en wij weten, dat hij o. a. IJsland bezocht. (Zie over deze reis: Instr. der Stn.-Gen. voor Nijs dd. 17 Mei 1618, in: Instructieboek der Stn.-Gen. R.-A.—Resol. Admiralit. Amst. 5, 17 Mei 1618, 12 Jan. 1619.—R. S.-G. 5 Jan. 1619.—Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148.)

Maar al was het zoeken van den verren weg naar Indië opgegeven, de Noordsche Compagnie hield zich voortdurend met nieuwe ontdekkingsreizen bezig. Boven gewaagde ik reeds van het belang van landbezit in de IJszee voor de oefening der walvischvangst en daarnaar streefde de Noordsche Compagnie met al hare krachten. »Jaerlijcx wiert by haer seer getracht tot vorder ontdeckinge van onbekende landen ende zeen,” dus verhaalde zij zelve nog in 1624[657].Het doel was natuurlijk de nadere verkenning van de kusten der IJszee en de inbezitneming daarvan voor de walvischvangst: de vrees voor concurrentie door het »generael octroy” drong de compagnie ook binnen de grenzen van haar eigen gebiednieuwe landen te zoeken. Reeds in 1614 schijnt het met geen ander doel geweest te zijn, dat het schip »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, de IJszee invoer; hij was echter niet verder dan Jan Mayen-eiland gekomen en kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes, die met het schip »Tswaentgen” ook wel genaamd »het duyffgen” op last der Noordsche Compagnie in 1615 van Spitsbergen uitgezeild was, om weder ontdekkingen te doen, had het, dezelfde richting als de reizigers van 1614 volgende, eveneens niet verder gebracht[658].Maar nu het zoeken van den doortocht was opgegeven, nam de compagnie het doen van dergelijke ontdekkingsreizen op kleiner schaal met meer ijver ter hand. De resultaten waren echter schraal: slechts éen enkele maal vernemen wij van eene ontdekking. Joris Carolus ontdekte in 1617 op een schip, door drie kamers der Noordsche Compagnie—die te Delft, Hoorn en Enkhuizen—uitgerust, twee eilanden; het eene, door de schepelingen Nieuw-Holland genaamd, was gelegen van 60° tot 63° NB. (een gedeelte van Groenlands oostkust?), het andere, Opdams-eiland, op 66° NB. en 20 mijlen ten oosten van IJsland[659].Dit laatste, ook wel Enkhuizer-eiland genoemd[660],is ook op latere Nederlandsche kaarten onder dien naam te vinden[661];tegenwoordig is het echter daarvan verdwenen en het kan dus bezwaarlijk als eene ontdekking beschouwd worden. Het verlangde octrooi werd echter aan de compagnie dadelijk verleend.

[657]Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[658]Zie meer voor deze beide reizen inHoofdstuk IX.[659]R. S.-G. 28 Oct. 1617.[660]Dezen naam draagt het eiland, zoover ik weet, het eerst op de kaart van „Oudt-Groenlandt enz.” in Carolus’ Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148. Waarschijnlijk is de naam door Carolus veranderd en het eiland naar zijne vaderstad benoemd. Wij zagen reeds boven (p. 169 Noot 2), dat Carolus zulk eene verandering niet schuwde, wanneer daardoor zijn eigen aandeel aan de ontdekking meer op den voorgrond gesteld werd.[661]O. a. op de kaart van Groenland enz. in den atlas van Goos (1666) en zelfs nog op de zeekaart van Van Keulen.

[657]Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[658]Zie meer voor deze beide reizen inHoofdstuk IX.

[659]R. S.-G. 28 Oct. 1617.

[660]Dezen naam draagt het eiland, zoover ik weet, het eerst op de kaart van „Oudt-Groenlandt enz.” in Carolus’ Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148. Waarschijnlijk is de naam door Carolus veranderd en het eiland naar zijne vaderstad benoemd. Wij zagen reeds boven (p. 169 Noot 2), dat Carolus zulk eene verandering niet schuwde, wanneer daardoor zijn eigen aandeel aan de ontdekking meer op den voorgrond gesteld werd.

[661]O. a. op de kaart van Groenland enz. in den atlas van Goos (1666) en zelfs nog op de zeekaart van Van Keulen.

Het resultaat was zeker niet schitterend en de »jaerlycxe ontdeckingen” zelve der Noordsche Compagnie toonden, dat zij meer en meer de hoop opgaf om langs dien weg voordeel te behalen. Wij zagen, dat reeds bij de laatste ontdekkingsreizen de kosten gedragen werden door eenige kamers der compagnie, terwijl de andere zonder twijfel den moed hadden laten zakken. Na 1617 zien wij nog wel ontdekkingsreizen ondernemen, maar niet de kamers, slechts enkelen harer leden droegen daarvan de kosten. Hoewel vreemden door hun kapitaal dat der ondernemers moesten versterken, waren het toch steeds leden der geoctrooieerde vereeniging, die de reizen schijnen ontworpen te hebben; steeds wordenzij in de eerste plaats genoemd. En daar het aandeel, dat dien leden aan de eventueele ontdekkingen zou ingeruimd worden, volgens de bepalingen door de kamers gemaakt steeds dadelijk aan de generale compagnie ten goede moest komen zonder dat den ontdekker zelfs voor de vier jaren van het »generael octroy” afzonderlijke exploitatie werd gegund[662],kunnen ook deze reizen, hoewel slechts gedeeltelijk op kosten van enkele leden der Noordsche Compagnie ondernomen, zeer wel onder de reizen der vereeniging gerangschikt worden: het feit, dat geen enkele maal zonder medewerking van hare leden gehandeld werd, bewijst voldoende, dat zij het was, die aanleiding tot de tochten gaf. Reeds dadelijk in 1618 vinden wij drie reizen vermeld.

[662]Contr. v. de N. C. met de Zeeuwen, art. 19, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.

[662]Contr. v. de N. C. met de Zeeuwen, art. 19, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.

Twee Hoornsche kooplieden, Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber der aldaar gevestigde kamer der Noordsche Compagnie, en Otto Reyners, hadden reeds in 1616, zoo men hun verhaal gelooven mag, het schip »de vier Heemskinderen”, kapitein Pieter Jansz. stuurman Laurens Broers, ter ontdekking van nieuwe plaatsen voor de walvischvangst uitgezonden. Het resultaat der reis was de ontdekking geweest van een eiland op 701⁄2° NB., 28 à 30 mijlen westzuidwest van Jan Mayen-eiland. Het volgende jaar hadden zij weder een schip daarheen uitgezonden om hunne ontdekking te exploiteeren; men had de walvischvangst daar beproefd en met uitnemend gevolg gevestigd. In 1618 werden nu weder twee schepen met hetzelfde doel uitgezonden, maar het ijs belette de schepelingen ditmaal het eiland te naderen en den 12 Augustus vielen zij zonder eenige vangst te Hoorn binnen. Nu eindelijk werd er aan gedacht, bij de Staten-Generaal octrooi voor de ontdekking aan te vragen; de reeders lieten een proces-verbaal van hunne vruchtelooze laatste reis opmaken en verzochten de Staten dit te willen aannemen als rapport van hunne ontdekking. Maar het verzoek was zeer bedenkelijk. Nog daargelaten, dat een eiland op de aangeduide plaats niet bestaat en dus het geheele verhaal onwaarschijnlijk is, konden de reizigers »geen perfect rapport doen vande gelegentheyt vant voorszeide eylant by bewys van Caerte, Streecken, opdoeninge ende aencomste by tselve, om daermede te thoonen dat zy de vinders daervan alleene waren.” De Staten-Generaal oordeelden dan ook het verzoek der reeders om eene akte volgens het »generael octroy” ongegrond en wezen het van de hand. (24 Augustus 1618.)[663]

[663]R. S.-G. 24 Aug. 1618.

[663]R. S.-G. 24 Aug. 1618.

Gelukkiger waren weinige dagen later (30 Augustus) Cornelis Jansz. Muis en Adriaen Dircxz. Leversteyn, de hardnekkige concurrentder Noordsche Compagnie, op wier kosten kapitein Aert Adriaensz. Havelaer[664]met het schip »de Hasenwint” op 671⁄2° tusschen Groenland en IJsland, een eiland ontdekte (waarschijnlijk een gedeelte van Groenlands oostkust), waar hij vele vogelen, vossen, kabeljauwen en andere dieren ving. De schipper deed dadelijk na zijne terugkomst op 17 Augustus rapport van zijn wedervaren en de Staten-Generaal verleenden na overlegging der kaart de door de reeders van de ontdekking verzochte akte volgens het »generael octroy”[665].

[664]Havelaer wordt in 1617 als ijverig contra-remonstrant genoemd bij: Brandt, Hist. der Reform. II p. 461.[665]R. S.-G. 30 Aug. 1618.

[664]Havelaer wordt in 1617 als ijverig contra-remonstrant genoemd bij: Brandt, Hist. der Reform. II p. 461.

[665]R. S.-G. 30 Aug. 1618.

Allerbelangrijkst is het bericht, dat wij in de resolutiën der Staten-Generaal van 8 Januari 1619 vinden omtrent de ontdekking van een voor de walvischvangst geschikt land tusschen 76°3´ en 80°6´ NB. door Logier Jaspersz. met een schip van Pieter Courten te Middelburg, een der voornaamste leden van de Zeeuwsche compagnie voor de walvischvangst. Dit land, door den ontdekker Nieuw-Zeeland genaamd, moet gelegen hebben op de oost- of westkust van Groenland[666].Maar hoe dit ook zij, in ieder geval is de reis, waarvan ons dit schrale bericht is overgebleven, een nieuw bewijs van de verbazende volharding onzer zeelieden, die reeds in de zeventiende eeuw in eene altijd bijna onbevaarbare zee doordrongen tot eene hoogte, die zelfs de zooveel beter toegeruste reizigers van onzen tijd daar niet of eerst in de allerlaatste jaren bereikt hebben. En dat de ontdekking wèl gestaafd was, blijkt uit de resolutiën der Staten-Generaal zelve: het verzochte octrooi voor vier jaren werd dadelijk verleend[667].

[666]Waarschijnlijk lag het land op de oostkust, want de ontdekkers kwamen van Spitsbergen, waar zij nog in het begin van Juli 1618 trachtten walvisschen te vangen in Sir Thomas Smiths bay. (Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare Clausum. p. 374.—Vgl. hiernaHfdst. VI.)[667]R. S.-G. 8 Jan. 1619.

[666]Waarschijnlijk lag het land op de oostkust, want de ontdekkers kwamen van Spitsbergen, waar zij nog in het begin van Juli 1618 trachtten walvisschen te vangen in Sir Thomas Smiths bay. (Mémoire et Relation veritable, bij: Muller, Mare Clausum. p. 374.—Vgl. hiernaHfdst. VI.)

[667]R. S.-G. 8 Jan. 1619.

Van eene andere reis, in 1619 op kosten eener Delftsche compagnie van kooplieden ondernomen, zijn geene berichten over. Bruin Willemsz. d’Edel en Bruin Dircxz. Van der Dusse kochten in het voorjaar van dit jaar van de Noordsche Compagnie het schip de »Waterhondt” van 180 last en zonden het 1 Mei naar Groenland. De Staten-Generaal leenden den reeders op hun verzoek veertien stukken geschut met de daarbij behoorende kogels, maar van den uitslag der reis is niets bekend[668].

[668]R. S.-G. 13 Apr. 1619.—Het is trouwens niet onwaarschijnlijk, dat deze reis alleen gedaan werd om walvisschen te vangen. „Bruyn van der Dussen” toch vertegenwoordigde in 1640 met Jacob Van der Graeff de N. C. Het is dus zeer wel mogelijk, dat het schip eenvoudig voor rekening der kleine N. C., waartoe ook Van der Graeff behoorde, op de visscherij zeilde naar Jan Mayen-eiland, dat dikwijls „Groenlandt” genoemd wordt.

[668]R. S.-G. 13 Apr. 1619.—Het is trouwens niet onwaarschijnlijk, dat deze reis alleen gedaan werd om walvisschen te vangen. „Bruyn van der Dussen” toch vertegenwoordigde in 1640 met Jacob Van der Graeff de N. C. Het is dus zeer wel mogelijk, dat het schip eenvoudig voor rekening der kleine N. C., waartoe ook Van der Graeff behoorde, op de visscherij zeilde naar Jan Mayen-eiland, dat dikwijls „Groenlandt” genoemd wordt.

De verdere tochten, door de Nederlanders in de eerste jaren na 1619 ondernomen, schijnen niet tot de ontdekking van nieuwe landen in het noorden geleid te hebben, ten minste de resolutiën der Staten-Generaal zwijgen daarover. Trouwens wanneer men niet tot het zoeken van den doortocht den steven verre naar het noordwesten wendde, was er niet veel nieuw land meer in de IJszee te vinden. De oostkust van Groenland was op enkele plaatsen bereikt, de eilanden in de IJszee waren voor zoover ze nu bekend zijn reeds allen ontdekt, ook Groenlands westkust was door Nederlanders bevaren. Het is dan ook alleen van tochten tot het zoeken van den doortocht ondernomen, dat wij nog enkele berichten vinden.

Het jaar 1624 kwam en plotseling zien wij de Nederlanders het zoeken van den noordelijken weg naar Oost-Indië weder met kracht opnemen. Naar beide zijden werd dit jaar de nog steeds onbekende doorgang gezocht. De Noordsche Compagnie zond een schip oostwaarts; de koopman Leversteyn, dien wij reeds in 1618 als haar mededinger leerden kennen, deed ditmaal eene uitrusting naar het westen. Door de jaarlijksche tochten ter walvischvangst waren de schippers der compagnie meer en meer bekend geworden met de noordkust van Spitsbergen; zij hadden opgemerkt, dat die kust zich meer en meer naar het oosten wendde. Tot 82° NB. waren zij in het noorden doorgedrongen en een schipper van Enkhuizen had op die hoogte zelfs »eenighe ghebroocken landekens” of eilanden meenen te zien. De verkregen zekerheid, dat Spitsbergen niet zooals men vroeger meende een gedeelte van Groenland was, maar dat zich ten noorden van het eiland eene ijsvrije zee bevond, die zich ten minste een eind ver naar het noorden uitstrekte, gaf nieuwe hoop op het vinden van den doortocht en het omzeilen der ver in het noorden uitstekende kaap Tabin. De Noordsche Compagnie besloot een spiegelschip van 40 last, wel uitgerust en voor langen tijd van proviand voorzien, uit te zenden om dien weg in te slaan. Den 3 Juni 1624 verliet dit schip onder bevel van Simon Willemsz.[669],met Jacob Jacobsz. van Edam als stuurman en acht personen als bemanning, de reede van Texel. Het plan was noordelijk langs Spitsbergens westkust naar de pool te zeilen,—de oude theorie van de warmte onder de pool gaf daartoe den moed;—eerst echter zou onderzocht worden of de noordkust van het eiland voortging zich oostwaarts te wenden, om zekerheid te verkrijgen of langs den voorgenomenweg kaap Tabin te bereiken was en of niet hoog in het noorden misschien een onbekend land den reizigers den pas zou afsnijden. In Nederland stelde men zich van den uitslag dezer reis veel voor, maar de uitkomst beantwoordde geheel niet aan de gekoesterde verwachting. Reeds op 83° NB. belette de ijsvlakte het schip verder noordelijk te zeilen; men was genoodzaakt oostwaarts den rand van het ijs te volgen. Nergens werd echter een doorgang naar het noorden gevonden: het schip was genoodzaakt terug te keeren. Zoo spoedig was de reis geëindigd, dat de schepelingen nog vroeg genoeg in de Mauritius-baai aankwamen om aan de walvischvangst van dit jaar deel te nemen[670].


Back to IndexNext