Chapter 16

[669]Misschien de kapitein van het schip de Craen, dat in 1611 de reis met Jan Cornelisz. May deed.[670]Zie over deze reis: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95, IX fol. 123.

[669]Misschien de kapitein van het schip de Craen, dat in 1611 de reis met Jan Cornelisz. May deed.

[670]Zie over deze reis: Wassenaer, Hist. verh. VII fol. 95, IX fol. 123.

Uitvoeriger berichten wist Leversteyn van zijn wedervaren te geven. Reeds vroeger meende men de zekerheid verkregen te hebben, dat Groenland ten noorden aan de westkust van straat Davis verbonden was en dat dus deze zoogenaamde straat geene zeeëngte maar een baai was. Toen Leversteyn dus in 1624 met Jan Jansz. Molenwerff, bewindhebber van de kamer der Noordsche Compagnie te Hoorn, en een ander koopman, Borch genaamd, een schip uitrustte om in het noordwesten eenen doortocht naar Oost-Indië te zoeken, hoopte men dien weg niet zoozeer hoog in het noorden als wel iets lager in het verre westen te vinden. Het schip, waarop waarschijnlijk Marten Arendsz. van Den Briel opperstuurman was[671],zeilde dan ook daarheen en vond werkelijk ten noorden van Hudsons-straat »een passagie, daer ghemeent werdt een pas naer Oost-Indien te zijn: daer was een open Zee, wel vierdehalf Mijl wijt, en al gebroocken Lant, vol van volck, al met Pelterijen en Robbe-Vellen ghecleedt, seer begerich naer Yser-werck, willende de Bouten uyt het Schip haelen:seer diefachtig, alles nemende dat los is, rauw Vleesch en Visch eetende, seer net op een parck schietende, met haer Flitsen daer sy het Wildt mede treffen: daer was goede handelingh van Pelterijen, dies men in ’t Schip alles vermangelt heeft dat het in hadde.”[672]Niettegenstaande den ophef van deze ontdekking gemaakt blijkt het overtuigend, dat de reizigers eenvoudig straat Davis een eind weg opgezeild zijn en wel niet verder dan tot 65° NB.[673].De ontdekte »passagie” is waarschijnlijk de Cumberlands-bay. Dat de doortocht niet gevonden werd, spreekt van zelf; straat Davis overstekende keerden de reizigers langs de oostkust terug. Leversteyn verhaalde toch aan de Staten-Generaal, dat een door hem ontdekt land zich van »de Oostcaep van Fretum Davis” (d. i. kaap Farewell)[674]uitstrekte tot 5° meer noordelijk, waar zich een zekere rivier bevond, die zijn schip bezocht had[675].

[671]Ik vermoed dit, omdat op eene kaart van de zuidwestkust van Groenland, door La Pereyre in de bibliotheek van kardinaal Mazarin gevonden, aangeteekend stond: „Haec delineatio facta est per Martinum filium Arnoldi natum in Hollandia, Civitate dicta den Brielqui bis navigationem ad insulam dictam antiquam Groenlandiam, instituit; tanquam supremus Gubernator, ano1624 & 1625.” (White, Spitzbergen and Greenland. p. 180.) Van Leversteyn alleen weten wij, dat hij inbeidejaren een schip naar straat Davis uitzond. (Is misschien het vinden van deze kaart, die in het archief der Staten-Generaal behoorde, op die plaats reeds vóor 1646 eene aanwijzing, dat Leversteyn, wiens daden zulk eene verrassende overeenkomst met die van Le Maire vertoonen, evenals deze den koning van Frankrijk voor zijne noordelijke ontdekkingen heeft willen interesseeren, nadat de Staten-Generaal hem teleurgesteld hadden?)—Op deze tocht was ook tegenwoordig de bekende Willem Ys, de zegsman van Witsen en Zorgdrager. Dit blijkt uit zijn verhaal over de twee naar Nederland overgebrachte Groenlanders bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 928. Wassenaer verhaalt (Hist. verh. IX p. 43, 124), dat op dezen tocht de twee Groenlanders herwaarts kwamen.[672]Wassenaer, Hist. verhael. IX fol. 43.[673]Ook de nauwkeurigheid der ontdekking liet te wenschen overig. Niet alleen wist Leversteyn niet juist aan te duiden, waar de ontdekte landen gelegen waren (R. S.-G. 27 Febr. 1625), maar de bevelhebber Marten Arendsz. verkeerde nog in de oude dwaling, dat Groenlands zuidpunt uit twee eilanden bestond. (Zie de kaart van Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 175, naar Arendsz.’ kaart vervaardigd. Zie ald. p. 180.)[674]Fretum Davids is namelijk in de zeventiende eeuw de naam niet alleen van de zeestraat, maar bepaaldelijk ook van Groenlands westkust, terwijl de westkust van straat Davis als het Westland bekend is. Groenlands oostkust heette daarentegen West-Groenland, verdeeld in Oud-Groenland, het zuidelijke, en Nieuw-Groenland, het noordelijke gedeelte der kust. Spitsbergen werd somtijds Oost-Groenland genoemd.[675]R. S.-G. 11 Nov. 1624.—De bereikte rivier is waarschijnlijk de op de kaarten van Groenland van Carolus (1626. R.-A.) en Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 71), ook in de atlassen van Goos en Visscher, evenals op Danckers’ kaart van Amerika, duidelijk aangewezen Baals-rivier op 64° NB. In den omtrek vindt men daar „Delfs haven” en „Delfs punt.” (NB. Leversteyn woonde te Delft.)

[671]Ik vermoed dit, omdat op eene kaart van de zuidwestkust van Groenland, door La Pereyre in de bibliotheek van kardinaal Mazarin gevonden, aangeteekend stond: „Haec delineatio facta est per Martinum filium Arnoldi natum in Hollandia, Civitate dicta den Brielqui bis navigationem ad insulam dictam antiquam Groenlandiam, instituit; tanquam supremus Gubernator, ano1624 & 1625.” (White, Spitzbergen and Greenland. p. 180.) Van Leversteyn alleen weten wij, dat hij inbeidejaren een schip naar straat Davis uitzond. (Is misschien het vinden van deze kaart, die in het archief der Staten-Generaal behoorde, op die plaats reeds vóor 1646 eene aanwijzing, dat Leversteyn, wiens daden zulk eene verrassende overeenkomst met die van Le Maire vertoonen, evenals deze den koning van Frankrijk voor zijne noordelijke ontdekkingen heeft willen interesseeren, nadat de Staten-Generaal hem teleurgesteld hadden?)—Op deze tocht was ook tegenwoordig de bekende Willem Ys, de zegsman van Witsen en Zorgdrager. Dit blijkt uit zijn verhaal over de twee naar Nederland overgebrachte Groenlanders bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 928. Wassenaer verhaalt (Hist. verh. IX p. 43, 124), dat op dezen tocht de twee Groenlanders herwaarts kwamen.

[672]Wassenaer, Hist. verhael. IX fol. 43.

[673]Ook de nauwkeurigheid der ontdekking liet te wenschen overig. Niet alleen wist Leversteyn niet juist aan te duiden, waar de ontdekte landen gelegen waren (R. S.-G. 27 Febr. 1625), maar de bevelhebber Marten Arendsz. verkeerde nog in de oude dwaling, dat Groenlands zuidpunt uit twee eilanden bestond. (Zie de kaart van Groenland, in: White, Spitzbergen and Greenland. p. 175, naar Arendsz.’ kaart vervaardigd. Zie ald. p. 180.)

[674]Fretum Davids is namelijk in de zeventiende eeuw de naam niet alleen van de zeestraat, maar bepaaldelijk ook van Groenlands westkust, terwijl de westkust van straat Davis als het Westland bekend is. Groenlands oostkust heette daarentegen West-Groenland, verdeeld in Oud-Groenland, het zuidelijke, en Nieuw-Groenland, het noordelijke gedeelte der kust. Spitsbergen werd somtijds Oost-Groenland genoemd.

[675]R. S.-G. 11 Nov. 1624.—De bereikte rivier is waarschijnlijk de op de kaarten van Groenland van Carolus (1626. R.-A.) en Zorgdrager (Groenl. vissch. p. 71), ook in de atlassen van Goos en Visscher, evenals op Danckers’ kaart van Amerika, duidelijk aangewezen Baals-rivier op 64° NB. In den omtrek vindt men daar „Delfs haven” en „Delfs punt.” (NB. Leversteyn woonde te Delft.)

Maar niet ongestoord zou Leversteyn de vruchten van zijne gewaande ontdekking genieten. Ook een Brielsch koopman Engelbert Pietersz. Van der Zee had dit jaar straat Davis doen bezeilen en daar ontdekt een nieuw eiland, waar hij had »opgedaen seeckere silvere ende goutmynen voor desen noyt bekent[676].” ZoodraLeversteyn zich nu tot de Staten-Generaal wendde met verzoek om octrooi voor niet minder dan twintig jaar, opdat hij zijne ontdekking met uitsluiting van alle andere Nederlanders zou kunnen exploiteeren en ze tot 84° NB. voortzetten, verzette zich Van der Zee tegen de inwilliging van dit verzoek. Van zijne zijde verzocht hij octrooi om straat Davis gedurende twaalf jaren alleen te mogen bevaren; hij bood aan zijne ontdekking te bewijzen en tegelijk aan te toonen »de sub- ende obreptie” van Leversteyns verzoek.

[676]R. S.-G. 15 Febr. 1627.—Sporen van dezen tocht vindt men op de kaart van Carolus van 1626 (R.-A.) en op Goos’, Visschers en Zorgdragers (Groenl. vissch. p. 71) kaarten van Groenland, in: „kaap-Briel” en de „Brielse haven” op 62° en 63° NB. De „Brielse haven” komt ook op Danckers’ kaart van Amerika voor. Zij kunnen echter ook hunnen naam ontleenen aan Marten Arendsz. van Den Briel, waarschijnlijk de bevelhebber op Leversteyns schepen in 1624 en 25. (Zie hiervóorp. 181 Noot 2.)—In ieder geval is het niet onwaarschijnlijk, dat de expeditie van Van der Zee belangrijke ontdekkingen heeft gedaan, want terwijl Marten Arendsz. nog spreekt van „insula dicta antiqua Groenlandia” (zie hiervóorp. 181 Noot 2), verhaalt Wassenaer reeds in April 1625, dat „Groenlandt gheen Eylandt bevonden is.” (Hist. verh. IX fol. 43.) Het is kwalijk denkbaar, dat deze kennis aan iemand anders dan Van der Zee ontleend is, die blijkens zijne beweerde ontdekking van mijnen in Groenland daar aan land geweest is.

[676]R. S.-G. 15 Febr. 1627.—Sporen van dezen tocht vindt men op de kaart van Carolus van 1626 (R.-A.) en op Goos’, Visschers en Zorgdragers (Groenl. vissch. p. 71) kaarten van Groenland, in: „kaap-Briel” en de „Brielse haven” op 62° en 63° NB. De „Brielse haven” komt ook op Danckers’ kaart van Amerika voor. Zij kunnen echter ook hunnen naam ontleenen aan Marten Arendsz. van Den Briel, waarschijnlijk de bevelhebber op Leversteyns schepen in 1624 en 25. (Zie hiervóorp. 181 Noot 2.)—In ieder geval is het niet onwaarschijnlijk, dat de expeditie van Van der Zee belangrijke ontdekkingen heeft gedaan, want terwijl Marten Arendsz. nog spreekt van „insula dicta antiqua Groenlandia” (zie hiervóorp. 181 Noot 2), verhaalt Wassenaer reeds in April 1625, dat „Groenlandt gheen Eylandt bevonden is.” (Hist. verh. IX fol. 43.) Het is kwalijk denkbaar, dat deze kennis aan iemand anders dan Van der Zee ontleend is, die blijkens zijne beweerde ontdekking van mijnen in Groenland daar aan land geweest is.

Hoewel het zoeken van den doortocht opgegeven en eene ontginning der walvischvangst in die streken niet bedoeld schijnt te zijn, was echter de Noordsche Compagnie niet gezind zich het monopolie van landbezit in de poolstreken, dat zij zoo langen tijd bijna ongestoord bezeten had, te laten ontwringen. Zoo zij zelve zich tot nog toe tot de walvischvangst bepaald had, hare beginselen waren te exclusief dan dat zij het zou gedoogd hebben, dat anderen zich zelfs tot het drijven van den pelterijhandel of het ontginnen der reeds lang gezochte goudmijnen bij straat Davis in het noorden vestigden. Dadelijk verzocht zij dan ook de Staten-Generaal, de requesten van beide kooplieden, voordat daarover eene beslissing genomen werd, in hare handen te doen stellen om ze nader te onderzoeken. De Staten-Generaal wenschten echter de beslissing aan zich te houden en besloten (11 November), de drie partijen voor eene daartoe benoemde commissie nader te doen hooren[677].

[677]R. S.-G. 11 Nov. 1624.

[677]R. S.-G. 11 Nov. 1624.

De beide requestranten schijnen daardoor in groote verlegenheid gebracht te zijn: reeds den 21 November werden partijen gelast tegen den 25 voor de commissarissen te verschijnen[678],en toch hadden de beide mededingers nog in Februari zoo weinig afdoende bewijzen van hun recht ingeleverd, dat de Staten-Generaal op verzoek der bewindhebbers van de Noordsche Compagnie besloten, Leversteyn en Van der Zee te gelasten, dat zij toch »rechte openinge” zouden doen van de ligging der door hen ontdekte landen om te beslissen of die al dan niet onder het octrooi der Noordsche Compagnie vielen, en zoo neen of zij door de schepen der compagnie vroeger waren bevaren[679].De zaak bleef slepen[680]:het schijnt de taktiek der partijen geweest te zijn, deberaadslagingen over deze zaak te rekken, totdat zij op nieuw het bewuste land hadden bevaren en afdoende bewijzen voor hun recht konden bijbrengen.

[678]R. S.-G. 21 Nov. 1624.[679]R. S.-G. 27 Febr. 1625.[680]Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 44) verhaalt, dat Leversteyn c. s. „na lange Oppositie” in April 1625 octrooi voor vier jaar gekregen hebben. De R. S.-G. zwijgen daarover en het door Wassenaer zelven (l. c. IX fol. 124) verhaalde strijdt er mede.

[678]R. S.-G. 21 Nov. 1624.

[679]R. S.-G. 27 Febr. 1625.

[680]Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 44) verhaalt, dat Leversteyn c. s. „na lange Oppositie” in April 1625 octrooi voor vier jaar gekregen hebben. De R. S.-G. zwijgen daarover en het door Wassenaer zelven (l. c. IX fol. 124) verhaalde strijdt er mede.

Het bleef dan ook niet bij vertoogen aan de Staten-Generaal. Dadelijk zond de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie in het volgende jaar (1625) een scheepje van 40 à 50 last naar het noorden[681].De bevelhebber dezer expeditie kreeg last om het bewuste land te bezeilen en daarna straat Davis of Hudsons-straat en de naar hem genoemde baai ( »syn ghevonden Zee,” zegt Wassenaer) te onderzoeken, »met hoope om aldaer oock wat raers of nieus t’ ontdecken.” De kapitein van het jacht was Jan Jansz.[682],de bemanning bestond uit vijftien koppen. Men wilde dit jaar de kusten verkennen en in het najaar terugkeeren: het volgende jaar zou de Noordsche Compagnie dan »met ernst daer op equipperen[683].” De schepelingen hielden zich allereerst bezig met het onderzoeken der door Leversteyn gezochte »passagie” (door Cumberlands-bay), maar vonden die »ghestopt met lant.” Iets meer naar het zuiden kwamen zij aan eenen inham, reeds vroeger door Europeanen bezocht (Frobisher-straat), maar dien een eind wegs opzeilende, kwamen zij verder dan hunne voorgangers geweest waren. De bewoners, even roofzuchtig als de Groenlanders, toonden zich bereid tot ruilhandel; zij boden wapens, kleedingstukken, schuitjes en al wat zij hadden ter ruil aan, maar de zooveel belovende pelterijen, waarvan Leversteyn gesproken had, kregen de Nederlanders niet te zien. Ontevreden keerden zij terug en na eene rampspoedige reis, door nevel, storm en ijs gehinderd, kwamen zij in het vaderland aan[684].Voor de ontdekking van verschillende baaien, rivieren, eilanden en volken tusschen 60° en 681⁄2° NB. verzochten zij, aan hun systeem van uitsluiting getrouw, echter dadelijk aan de Staten-Generaal octrooi[685].

[681]Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 43) zegt, dat de compagnie in dit voornemen „is belet.” Zie echter Wassenaer (l. c. IX fol. 124) en de R. S.-G. 16 Dec. 1625.[682]Jan Jarisz. bij Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 124) is zeker een drukfout voor Jan Jansz.[683]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.[684]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.[685]R. S.-G. 16 Dec. 1625.

[681]Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 43) zegt, dat de compagnie in dit voornemen „is belet.” Zie echter Wassenaer (l. c. IX fol. 124) en de R. S.-G. 16 Dec. 1625.

[682]Jan Jarisz. bij Wassenaer (Hist. verh. IX fol. 124) is zeker een drukfout voor Jan Jansz.

[683]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

[684]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.

[685]R. S.-G. 16 Dec. 1625.

Maar ook Leversteyn had onderwijl niet stilgezeten. Hij had met zijne deelgenooten in Mei 1625 niet minder dan drie schepen van 100 last uitgezonden, waarschijnlijk weder onder bevelvan Marten Arendsz. van Den Briel als opperstuurman[686],om op de ontdekte landen handel te drijven en den doortocht nader te onderzoeken[687].Zij verkregen een gunstig resultaat en ontdekten in straat Davis »seecker Lant bewoont met menschen, noyt voor dato vandien by eenige ingesetenen der Vereenichde Nederlanden bevaren[688].” De beide mededingers verschenen dan ook op het laatst van 1625 weder voor de Staten-Generaal en verzochten octrooi voor hunne ontdekkingen. De regeering stelde beide requesten in handen eener commissie om partijen zoo mogelijk in der minne tot eene overeenkomst te brengen[689].De uitslag dezer bemoeiingen wordt niet gemeld.—Eene poging van Van der Zee, om nog in 1627 den naar het schijnt toen reeds bijna vergeten strijd over de ontdekkingen op Groenlands westkust weder te verlevendigen door nogmaals octrooi voor zijne beweerde ontdekking van 1624 te vragen, schijnt even onbeslist gebleven te zijn[690].Het blijkt echter, dat ook in 1626 straat Davis door Nederlanders bevaren is[691].

[686]Zie hiervóorp. 181 Noot 2.[687]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43, 44.[688]R. S.-G. 10 Oct. 1625.[689]R. S.-G. 10 Oct., 16 Dec. 1625.[690]R. S.-G. 15 Febr., 6 Mrt. 1627.[691]R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627.—Het schip behoorde aan Joost Adriaensz. Van Colster en Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot Rotterdam”. Het doel der uitrusting wordt niet gemeld.

[686]Zie hiervóorp. 181 Noot 2.

[687]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 43, 44.

[688]R. S.-G. 10 Oct. 1625.

[689]R. S.-G. 10 Oct., 16 Dec. 1625.

[690]R. S.-G. 15 Febr., 6 Mrt. 1627.

[691]R. S.-G. 24 Dec. 1626, 24 Febr. 1627.—Het schip behoorde aan Joost Adriaensz. Van Colster en Mr. Cornelis Musch, „Secretaris tot Rotterdam”. Het doel der uitrusting wordt niet gemeld.

Ook het zoeken van den noordoostelijken doortocht naar Oost-Indië was door de Noordsche Compagnie onderwijl weder opgevat. De ongelukkige reis van schipper Simon Willemsz. had haar echter van het volgen van de richting door het hooge noorden afgeschrikt en zij keerde dus terug tot de oude plannen der zestiende eeuw, die bij de onbekendheid van het hooge noorden met groote voorzichtigheid aanrieden, op eenigszins primitieve wijze eenvoudig de lijn der kust te volgen. Daartoe rustte de Amsterdamsche kamer der compagnie nu een spiegelschip van 90 last, »de Cat” genaamd, uit voor eene lange reis. Het werd bemand met 24 koppen, van proviand voorzien voor 21⁄2jaar en schipper Cornelis Teunisz. Bosman van Amsterdam aan het hoofd der onderneming gesteld, terwijl Willem Joosten Glimmer hem als commies vergezelde[692].De algemeene aandachtschijnt zich op deze onderneming gevestigd te hebben; er waren aan de uitrusting geheimzinnige inrichtingen verbonden, die aan de reis grootere kans van slagen verzekerden dan aan eenige vorige[693].De Noordsche Compagnie, als altijd zeer voorzichtig, waar zij met hare Oost-Indische zuster in botsing dreigde te komen, verzocht evenals in 1615 van de Staten-Generaal »opene patente, daerby alle uytheemsche Coningen ende potentaten mitsgaders alle gouverneurs ende bevelhebberen van wat conditie off qualiteyt die souden mogen syn, versocht ende respective bevoelen wierden,” het schip te laten heen- en teruggaan zonder eenige verhindering. (25 Maart 1625.) Het verzoek der compagnie werd dadelijk toegestaan en haar tevens op haar verzoek afschrift verleend van de resolutie van 1596, waarbij de premie van ƒ 25,000 door de Staten was uitgeloofd[694].Het schip schijnt nog eenigen tijd opgehouden te zijn en vertrok eerst 24 Juni van Texel. Het plan der reis was geheel hetzelfde als in 1594: men wilde langs de Russische kust de straat van Nassau doorzeilen naar den Ob, kaap Tabin trachten te bereiken en door straat Anian den weg naar Cathay, China en Japan zoeken, om het volgende jaar langs denzelfden weg terug te keeren en octrooi voor het vinden van den weg aan te vragen[695].De uitslag beantwoordde echter geheel niet aan de hooge verwachtingen, die men van de onderneming koesterde. Eerst 24 Juli voorbij het eiland Kolgojev gezeild, bereikte men 28 Juli Novaya-Zemlya op 70°55´ NB. en werd reeds daar zoozeer door het drijfijs gehinderd, dat men dagenlang in eene baai moest blijven liggen. Eerst 10 Augustus kon de straat van Nassau ingezeild worden. Den 13 Augustus kwam het schip ook behouden voor het Staten-eiland ten oosten van Vaigatsch ten anker, maar nauwelijks was men 17 Augustus van daar vertrokken of een harde vorst deed de zeilen stijf bevriezen, terwijl de wind de ijsschotsen met zulk een geweld op het vaartuig aandreef, dat men wel genoodzaakt was in straat Nassau terug te keeren. Bosman was nog daar, toen een hevige storm hem onder sneeuw en hagel van zijne ankers sloeg en hem tot den terugtocht deed besluiten. De berichten van eenige Russische visschers, die hij ontmoette, hadden de reeds ontmoedigde reizigers in hun voornemen bevestigd. Zij verhaalden, dat straat Nassau slechts eens om de twee of drie jaaropen was en dat dan nog alleen laat in den tijd het drijfijs den toegang vrijliet; zij, die gewoon waren jaarlijks met drie of vier kleine scheepjes tusschen Pechora en Vaigatsch de vischvangst te beproeven, waren dan ook dikwijls genoodzaakt zich tot de ondiepten in de straat van Nassau zelve te bepalen[696].Hoe onmogelijk het dus voor de expeditie scheen verder te gaan, in het vaderland was men, toen Bosman in het begin van September onverrichter zake terugkwam, niet zeer tevreden over zijn beleid. Men schijnt hem gebrek aan volharding en moed verweten te hebben; men schijnt het hem ten kwade geduid te hebben, dat hij reeds op het gezicht van het drijfijs teruggekeerd was zonder zich daarin te wagen. »Het staet alsoo met de vaert door ’t Ys, naer ghelegentheyt vande winden,” schrijft Wassenaer, die veel van de reis gehoopt had, »d’eene wint dryft u al het Ys op ’tlijf dat ontrent u is, die wint veranderende, drijft al ’t Ys van u of, en ghy hebt eenen vryen pas; die wat ondersoecken wil, moet niet schroom en hem in ’t Ys te begheven, en daer eenighe daghen in te blyven legghen, en dryven, en daer nae weder los werden; die soo niet doet sal niet uytrechten, als desen voorghevallen is[697].”

[692]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 123.—Gelijkheid van jaar en plan zouden reeds voor het vereenzelvigen van de reizen van Teunis Cornelisz. (volgens Wassenaer) en van Cornelis Bosman (volgens Witsen) pleiten. Van Dam (Gesch. der O.-I. C. R.-A.) neemt echter allen twijfel weg door den schipper CornelisTeunisz.Bosman te noemen, daardoor bewijzende, dat Wassenaer bij vergissing Teunis Cornelisz. voor Cornelis Teunisz. schreef.[693]De schepelingen hadden behalve de proviand bij zich zekere „andere nootdruftigheden, om redenen willen niet verhaelt.” Ook waren zij „met twee stooven int Schip versien” en „op eenich renconter wel met Cruyt en Loot versien.” (Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 123, XI fol. 58.)[694]R. S.-G. 25 Maart 1625.[695]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44, 123.—R. S.-G. 25 Maart 1625.[696]Bizonderheden over deze reis vindt men bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5. (MS. R.-A.), die een uittreksel uit het journaal van Bosman gebruikte. Daarmede stemmen overeen Witsen (Noord- en oost-Tartarye. p. 906, 7) en Berghaus. (Wat men van de aarde weet. I p. 229.) In bizonderheden wijkt deze laatste echter van het verhaal der anderen af zonder zijne autoriteit te noemen.[697]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.—Twee andere „wel-ghemonteerde” schepen der N. C. zeilden dit jaar nog „op een ander noyt bevaeren plaets om yets t’ ontdecken.” (Wassenaer l. c. IX fol. 124.)

[692]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 123.—Gelijkheid van jaar en plan zouden reeds voor het vereenzelvigen van de reizen van Teunis Cornelisz. (volgens Wassenaer) en van Cornelis Bosman (volgens Witsen) pleiten. Van Dam (Gesch. der O.-I. C. R.-A.) neemt echter allen twijfel weg door den schipper CornelisTeunisz.Bosman te noemen, daardoor bewijzende, dat Wassenaer bij vergissing Teunis Cornelisz. voor Cornelis Teunisz. schreef.

[693]De schepelingen hadden behalve de proviand bij zich zekere „andere nootdruftigheden, om redenen willen niet verhaelt.” Ook waren zij „met twee stooven int Schip versien” en „op eenich renconter wel met Cruyt en Loot versien.” (Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 123, XI fol. 58.)

[694]R. S.-G. 25 Maart 1625.

[695]Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 44, 123.—R. S.-G. 25 Maart 1625.

[696]Bizonderheden over deze reis vindt men bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5. (MS. R.-A.), die een uittreksel uit het journaal van Bosman gebruikte. Daarmede stemmen overeen Witsen (Noord- en oost-Tartarye. p. 906, 7) en Berghaus. (Wat men van de aarde weet. I p. 229.) In bizonderheden wijkt deze laatste echter van het verhaal der anderen af zonder zijne autoriteit te noemen.

[697]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 58.—Twee andere „wel-ghemonteerde” schepen der N. C. zeilden dit jaar nog „op een ander noyt bevaeren plaets om yets t’ ontdecken.” (Wassenaer l. c. IX fol. 124.)

Dit zijn de laatste berichten, die ons omtrent ontdekkingsreizen naar het noorden, door of ten tijde van het bestaan der Noordsche Compagnie door Nederlanders ondernomen, zijn overgebleven. De ongelukkige uitslag schijnt van verdere pogingen te hebben afgeschrikt en de Noordsche Compagnie heeft zich zeker meer en meer op de walvischvangst toegelegd, die ook zonder de ontdekking van nieuwe vaste uitgangspunten juist in deze jaren overvloedige winsten afwierp[698].Voordat wij echter over de ontdekkingender Noordsche Compagnie zwijgen, blijft ons over iets mede te deelen omtrent de ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover zeer verwarde verhalen in omloop zijn.[Bijlage XIV]

[698]Gedurende het bestaan der Noordsche Compagnie bepaalde men zich verder dan ook tot het onderzoeken der kusten van Spitsbergen. Men moet echter voorzichtig zijn met het toeschrijven van ontdekkingen aldaar aan Nederlanders: de Hollandsche namen zijn daarvan volstrekt geen bewijs, daar de Nederlanders zich niet ontzagen de namen door Engelschen gegeven op hunne kaarten te vertalen, b. v. Klok-baai, Kijk-uit enz. (Bell-sound, Look-out.) Toen de Noordsche Compagnie in 1642 werd opgeheven, ondernamen natuurlijk nu en dan Nederlandsche walvischvaarders tochten om nieuwe kusten te vinden, terwijl Spitsbergen meer en meer verlaten werd. Maar toch niet dan zelden was dit het geval: weldra werd de overtuiging algemeen, dat, zoo de walvisch uit de zee om Spitsbergen langzamerhand verdween, andere wateren nog minder door die begeerlijke prooi bezocht werden. Ook de berichten omtrent die tochten zijn schaarsch en onsamenhangend. Over de reizen van Willem Vlaming en de beide zonen van Jelmer Cock (in 1663 of 64, 1669 en 1688) vindt men een en ander bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 900, 2, 3, 4, 23, 24, 25, 26, bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5, bij: Valentijn, Ond en nieuw O. I. I p. 113, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 136, en bij: De Jonge, Nova-Zembla. p. 24-26,—over de reis van Cornelis Pietersz. Snobbeger (1675), bij: Witsen l. c. p. 918,—van Teunis Ys: ald. p. 901, 2, 4, 51, 52,—van Cornelis Roule: ald. p. 920,—over ontdekkingsreizen door Nederlanders in 1664 en 66 ondernomen: ald. p. 907, 62,—over de plannen van den commandeur ter walvischvangst Jan Pietersz. Haay (1650), bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5 (cf. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 320),—over de ontdekking van verschillende punten van Groenlands oostkust (1654. Gale Hamkesland en baai op 73°-75° NB.—1655. Broer Ruysland ontdekt door Gerrit Ruisch op 73°.—1655. Edamsland op 77° of 78° NB.—1665. Bontekoe’s eiland op 73°30´ (?).—1670. Lambertsland op 78°30´): in de atlassen van Colom, Goos en Doncker, en op de kaart van Van Keulen. (Vlg. Witsen l. c. p. 904 is Groenlands oostkust in de 17eeeuw nooit bereikt.)—over de ontdekking van Gillis-land op 80° NB. ten oosten van Spitsbergen door Cornelis Gillis: in den atlas van Van Keulen;—over de ontdekking van het problematische Jelmersland: Witsen l. c. p. 902, en van het niet bestaande Witsen-eiland: ald. p. 923.—De O.-I. C. schijnt in het midden der 17eeeuw nog enkele reizen tot het zoeken van den N.-O. doortocht van O.-I. uit te hebben doen ondernemen. Zie daarover: Philosophical Transactions of the Royal Society. IX, X p. 197, 417.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 137.—Scoresby, Account of the arctic regions. I App. p. 62.—Over plannen om voor het zoeken van den N. doortocht nog in 1664 een monopolie te verkrijgen vergelijke men: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5.

[698]Gedurende het bestaan der Noordsche Compagnie bepaalde men zich verder dan ook tot het onderzoeken der kusten van Spitsbergen. Men moet echter voorzichtig zijn met het toeschrijven van ontdekkingen aldaar aan Nederlanders: de Hollandsche namen zijn daarvan volstrekt geen bewijs, daar de Nederlanders zich niet ontzagen de namen door Engelschen gegeven op hunne kaarten te vertalen, b. v. Klok-baai, Kijk-uit enz. (Bell-sound, Look-out.) Toen de Noordsche Compagnie in 1642 werd opgeheven, ondernamen natuurlijk nu en dan Nederlandsche walvischvaarders tochten om nieuwe kusten te vinden, terwijl Spitsbergen meer en meer verlaten werd. Maar toch niet dan zelden was dit het geval: weldra werd de overtuiging algemeen, dat, zoo de walvisch uit de zee om Spitsbergen langzamerhand verdween, andere wateren nog minder door die begeerlijke prooi bezocht werden. Ook de berichten omtrent die tochten zijn schaarsch en onsamenhangend. Over de reizen van Willem Vlaming en de beide zonen van Jelmer Cock (in 1663 of 64, 1669 en 1688) vindt men een en ander bij: Witsen, Noord- en oost-Tartarye. p. 900, 2, 3, 4, 23, 24, 25, 26, bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5, bij: Valentijn, Ond en nieuw O. I. I p. 113, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 136, en bij: De Jonge, Nova-Zembla. p. 24-26,—over de reis van Cornelis Pietersz. Snobbeger (1675), bij: Witsen l. c. p. 918,—van Teunis Ys: ald. p. 901, 2, 4, 51, 52,—van Cornelis Roule: ald. p. 920,—over ontdekkingsreizen door Nederlanders in 1664 en 66 ondernomen: ald. p. 907, 62,—over de plannen van den commandeur ter walvischvangst Jan Pietersz. Haay (1650), bij: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5 (cf. Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 320),—over de ontdekking van verschillende punten van Groenlands oostkust (1654. Gale Hamkesland en baai op 73°-75° NB.—1655. Broer Ruysland ontdekt door Gerrit Ruisch op 73°.—1655. Edamsland op 77° of 78° NB.—1665. Bontekoe’s eiland op 73°30´ (?).—1670. Lambertsland op 78°30´): in de atlassen van Colom, Goos en Doncker, en op de kaart van Van Keulen. (Vlg. Witsen l. c. p. 904 is Groenlands oostkust in de 17eeeuw nooit bereikt.)—over de ontdekking van Gillis-land op 80° NB. ten oosten van Spitsbergen door Cornelis Gillis: in den atlas van Van Keulen;—over de ontdekking van het problematische Jelmersland: Witsen l. c. p. 902, en van het niet bestaande Witsen-eiland: ald. p. 923.—De O.-I. C. schijnt in het midden der 17eeeuw nog enkele reizen tot het zoeken van den N.-O. doortocht van O.-I. uit te hebben doen ondernemen. Zie daarover: Philosophical Transactions of the Royal Society. IX, X p. 197, 417.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 137.—Scoresby, Account of the arctic regions. I App. p. 62.—Over plannen om voor het zoeken van den N. doortocht nog in 1664 een monopolie te verkrijgen vergelijke men: Van Dam, Gesch. der O.-I. C. I cap. I 5.

Jan Mayen-eiland is volgens de gewone overlevering ontdekt door Jan Cornelisz. May op zijne reis naar het noorden in 1611. Dit verhaal, reeds door Zorgdrager medegedeeld[699],is na hem door alle schrijvers, die het eiland vermelden, overgenomen[700].Het is niet moeielijk de redeneering na te gaan, die het heeft doen ontstaan. Jan Mayen-eiland was natuurlijk ontdekt door Jan May, de naam zelf reeds wees het aan; zekere Jan May was in 1611 naar het noorden geweest, dus was hij de ontdekker. Toch mocht het zonderling heeten, dat zulk eene belangrijkeplaats in het octrooi der Noordsche Compagnie van 1614 niet genoemd werd; toch berichtte de heer De Jonge, dat in het zeer uitvoerige journaal van de reis van Jan Cornelisz. May geene melding van het eiland gemaakt werd[701].Nasporingen op het Rijks-Archief en elders hebben mij nu in staat gesteld, de ware geschiedenis der ontdekking uitvoerig te verhalen. Dat zij ingewikkeld is blijkt reeds uit de feiten, dat niet minder danzevenmaalterecht of ten onrechte op de eer en het voordeel der ontdekking van Jan Mayen-eiland als van een nieuw land is aanspraak gemaakt,—dat over die ontdekking niet minder dan drie processen door Nederlanders en vreemdelingen tegen de Noordsche Compagnie gevoerd zijn,—dat het eiland onder twaalf verschillende namen in de geschiedenis bekend is,—dat degene, die geacht wordt zijn naam aan het eiland gegeven te hebben, zelfs van het bestaan daarvan geheel onkundig was,—en dat de werkelijke naamgever de eigenlijke ontdekker niet is. In de volgende bladen hoop ik al deze vreemdklinkende beweringen te bewijzen: voorloopig zal ik mij bepalen tot een kort verhaal der verschillende zoogenaamde ontdekkingen.

[699]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101.[700]O. a. door den schrijver van: De walvischvangst (II p. 62), Moll (Zeetogten der Nederl. p. 95), Bennet en Van Wijk (Nederl. ontdekk. p. 54), Asher (Hudson the Navigator. p. 257), Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 335), Barrow (Voyages into the arctic regions. p. 227.) Alleen Scoresby (Account of the arct. reg. I p. 154) twijfelt, maar op zeer dwaze gronden.[701]De Jonge, Opkomst. I p. 30.

[699]Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 101.

[700]O. a. door den schrijver van: De walvischvangst (II p. 62), Moll (Zeetogten der Nederl. p. 95), Bennet en Van Wijk (Nederl. ontdekk. p. 54), Asher (Hudson the Navigator. p. 257), Berghaus (Wat men van de aarde weet. p. 335), Barrow (Voyages into the arctic regions. p. 227.) Alleen Scoresby (Account of the arct. reg. I p. 154) twijfelt, maar op zeer dwaze gronden.

[701]De Jonge, Opkomst. I p. 30.

»In the yeere1608, ” dus verhaalt Edge in zijn »Northerne Discoueries of the Muscouia Merchants,” »the said fellowship set forth a Ship called the Hope-well, whereof William Hudson was Master, to discouer to the Pole, where it appeareth by his Iournall, that hee came to the height of81degrees, where he gaue Names to certayne places, vpon the Continent of Greenland formerly discouered, which continue to this day, namely, Whale Bay, and Hackluit Headland, and being hindred with Ice, returned home without any further vse made of the Countrey, and in ranging homewards, hee discouered an Iland lying in71degrees, which hee named Hudsons Tutches.”[702]Asher[703]heeft m. i. overtuigend bewezen, dat Hudsons Tutches niets anders is dan Jan Mayen-eiland[704],en dat dit laatste in Engeland nog in 1618 onder den naam van »Hudson’s Touches” bekend was[705].Het mag ons echter van een scherpzinnig geleerde als Asher verwonderen, dat hij met geen enkel woord de reden opgeeft, waarom hij den naam William Hudson stoutweg in Henry Hudson veranderd heeft. Edge was iemand, die volkomen op de hoogte der beschreven zaken zijn kon[706]en dus niet lichtvaardig van vergissingen mag verdacht worden. En er zijn in het verhaal van dien goed ingelichten schrijver verschillende bezwaren tegen het identificeeren van de door hem beschreven reis en den eersten tocht van den beroemden Henry Hudson. 1o. Het jaar van Hudsons eerste reis is 1607; hier wordt gesproken van 1608. 2o. Hudsons voornaam was, zooals bekend is, Henry; Edge noemt zijnen reiziger William Hudson. 3o. In de verhalen, die van Hudsons eerste reis overig zijn (waaronder een journaal, geheel aan dat van Hudson ontleend en misschien gedeeltelijk door hem zelven geschreven) wordt van het geven van de namen Whale-bay en Hakluyts Headland aan twee plaatsen der kust niet gesproken. 4o. Evenmin wordt daarin van de zoo gewichtige ontdekking van een nieuw eiland op 71° gesproken. 5o. Jan Mayen-eiland lag volstrekt niet in Hudsons weg; ook Asher maakt het niet duidelijk, hoe de reiziger daar kan gekomen zijn[707].—Op deze gronden geloof ik, dat Asher al te spoedig tot het veranderen van den naam William Hudson in Henry Hudson is overgegaan,—eene verandering, waarop in ieder geval de aandacht had moeten gevestigd worden; of de bezwaren echter gewichtig genoeg zijn, om tot het aannemen eener afzonderlijke van elders niet bekende reis naar Spitsbergen door zekeren William Hudson in 1608 te doen besluiten, durf ik niet beslissen. Ik geef de verschillen der verhalen voor wat ze zijn: een bevoegder beoordeelaar beslisse. Ondertusschen zij opgemerkt, dat het niet onwaarschijnlijk is, dat de Moscovische Compagnie een der zonen[708]of broeders[709]van den verdienstelijken reiziger Hudson in dienst genomen heeft om den noordelijken doortocht op nieuw te zoeken.

[702]Purchas, Pilgrimes. III p. 464.[703]Asher, Hudson the Navigator. p. CXCI, CXCII, 146 Noot 1.[704]In éene zaak echter geloof ik, dat Asher hier dwaalt. Hij vindt een bewijs zijner stelling in den naam „Rudson’s point”, volgens hem eene verbastering van: Hudsons point. Ik durf zeggen, dat de afleiding geheel verkeerd is. Op de mij bekende kaarten heet de bedoelde plaats niet „Rudson’s point” maar eenvoudig „Rudsen.” Met dezen naam worden dunkt mij de klippen bedoeld, die daar in zee liggen. (Rudsen, rudzig, oud-Hollandsch voor: rotsen, rotsig.)[705]Het stuk, waarop Asher doelde, is in eene Fransche vertaling afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 376.[706]Asher, Hudson the Navigator. p. XIX.[707]Asher, Hudson the Navigator. p. CXCIV en p. 20 Noot 1.[708]Hudson had behalve den met hem omgekomen zoon John (dien Asher, Hudson the Navigator, p. 122 Noot 2 verkeerdelijk niet voor eenen zoon houdt. Zie ald. p. 142) verschillende kinderen (Murphy, Hudson in Holland. p. 10, 35), o. a. een zoon, die in 1614 in dienst der Engelsche O.-I. C. voor het eerst uitvoer. (Markham, Treshold of the Unknown Region. p. 39 Noot.)[709]De naam William was in de familie Hudson niet ongewoon. (Read, Henry Hudson. p. 46.)

[702]Purchas, Pilgrimes. III p. 464.

[703]Asher, Hudson the Navigator. p. CXCI, CXCII, 146 Noot 1.

[704]In éene zaak echter geloof ik, dat Asher hier dwaalt. Hij vindt een bewijs zijner stelling in den naam „Rudson’s point”, volgens hem eene verbastering van: Hudsons point. Ik durf zeggen, dat de afleiding geheel verkeerd is. Op de mij bekende kaarten heet de bedoelde plaats niet „Rudson’s point” maar eenvoudig „Rudsen.” Met dezen naam worden dunkt mij de klippen bedoeld, die daar in zee liggen. (Rudsen, rudzig, oud-Hollandsch voor: rotsen, rotsig.)

[705]Het stuk, waarop Asher doelde, is in eene Fransche vertaling afgedrukt bij: Muller, Mare Clausum. p. 376.

[706]Asher, Hudson the Navigator. p. XIX.

[707]Asher, Hudson the Navigator. p. CXCIV en p. 20 Noot 1.

[708]Hudson had behalve den met hem omgekomen zoon John (dien Asher, Hudson the Navigator, p. 122 Noot 2 verkeerdelijk niet voor eenen zoon houdt. Zie ald. p. 142) verschillende kinderen (Murphy, Hudson in Holland. p. 10, 35), o. a. een zoon, die in 1614 in dienst der Engelsche O.-I. C. voor het eerst uitvoer. (Markham, Treshold of the Unknown Region. p. 39 Noot.)

[709]De naam William was in de familie Hudson niet ongewoon. (Read, Henry Hudson. p. 46.)

»Jan Mayen Island,” zegt Scoresby[710],»was also discoveredby the whalers of Hull about the same time(i. e. 1611 of 12),and named Trinity Island; in consequence of which, when the Russia Company attempted to monopolize the fishery of the whole of the Polar countries, this island was granted by the King to the Corporation of Hull, on their petition in the year1618,as a fishing station.” Hetzelfde zegt ook Macpherson[711],die het waarschijnlijk met alle andere berichten van dien aard aan Purchas ontleend heeft. Waarom Scoresby echter Trinity-island identificeert met Jan Mayen-eiland (terwijl Macpherson dit niet doet) meldt hij ons niet; geen autoriteit wordt door hem hiervoor opgegeven. Macpherson beschrijft het door de Hullers ontdekte eiland als »the isle of Trinity, lying in the north sea towards Spitzbergen.” Is dit juist, dan kan het bezwaarlijk Jan Mayen-eiland zijn; wat ook daarom onwaarschijnlijk is, omdat de Moscovische Compagnie in hetzelfde jaar 1618, toen koning Jakob I Trinity-island aan de Hullers afstond op grond, dat zij het ontdekt en het eerst daar gevischt hadden, zeer goed blijkt geweten te hebben, dat Jan Mayen-eiland als Hudsons Touches door Hudson ontdekt was[712].Maar toch kan Trinity-island bijna niets anders dan Jan Mayen-eiland zijn. Waarschijnlijk lag het toch niet dicht bij Spitsbergen, want het was juist om twist tusschen de Moscovische Compagnie en de Hullers te vermijden, dat Jakob I Trinity-island aan de laatsten afstond. Ook was het waarschijnlijk eene plaats, waar de walvischvangst zeer voordeelig was, daar de gift eene schadevergoeding moest zijn voor het ontzeggen aan de Hullers van het recht om bij Spitsbergen te visschen. Eene bevestiging dezer meening vind ik op eene oude Nederlandsche kaart[713],waarop aangeteekend staat: »Lounges Forlandofte Trinitie Eylandt, nu Ian Mayen Eylandt.” Zoo Trinity-island dus Jan Mayen-eiland is, dan kan het o. a. ontdekt zijn door Thomas Marmaduke van Hull, die volgens Poole in 1612 met het schip »the Hope-well” eene ontdekkingsreis deed in het noorden en zelfs tot 82° NB. kwam[714].

[710]Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 154.[711]Macpherson, Annals of commerce. II p. 292.[712]Zie het bovenvermelde verhaal der Moscovische Compagnie bij: Muller, Mare clausum. p. 376.[713]Op de kaart van Groenland in den atlas van Goos. (1666.)—De naam „Lounges Forland” is misschien eene verbastering van „Youngs Foreland,” evenals „Rudsons point” volgens Asher van „Hudsons point;” beide namen worden door Asher (Hudson the Navigator, p. CXCII) tot de ontdekking van 1608 teruggebracht.—Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106. („D’Engelschen noemden het Trinite.”)[714]Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714.—Zie eenige bizonderheden over deze reis by: Fotherby, A Voyage of Discouerie to Greenland, in: Purchas l. c. III p. 724-26.

[710]Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 154.

[711]Macpherson, Annals of commerce. II p. 292.

[712]Zie het bovenvermelde verhaal der Moscovische Compagnie bij: Muller, Mare clausum. p. 376.

[713]Op de kaart van Groenland in den atlas van Goos. (1666.)—De naam „Lounges Forland” is misschien eene verbastering van „Youngs Foreland,” evenals „Rudsons point” volgens Asher van „Hudsons point;” beide namen worden door Asher (Hudson the Navigator, p. CXCII) tot de ontdekking van 1608 teruggebracht.—Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106. („D’Engelschen noemden het Trinite.”)

[714]Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714.—Zie eenige bizonderheden over deze reis by: Fotherby, A Voyage of Discouerie to Greenland, in: Purchas l. c. III p. 724-26.

Jean Vrolicq, een Baskisch walvischvaarder, beweerde in 1629, dat hij den 3 Juni 1612 op 711⁄2° NB. ontdekt had een eiland, Pico genaamd. Hij zou dit »l’Isle de Richelieu” genoemd hebben en verzocht nu op grond zijner ontdekking octrooi daarvoor van den kardinaal de Richelieu. Deze ontdekking van Jan Mayen-eiland, waarover ik in hetachtste hoofdstukuitvoeriger hoop te spreken, is blijkbaar later verzonnen. Jean Vrolicq had langen tijd in dienst der Noordsche Compagnie gevaren en was daarna waarschijnlijk kort voor 1629 op Jan Mayen-eiland geweest, dat hij op zijne reizen met de Nederlandsche walvischvaarders zal hebben leeren kennen[715].

[715]Request der N. C. aan de Stn.-Gen. van 1633 of 34 en het daarbij gevoegde octrooi van Richelieu, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[715]Request der N. C. aan de Stn.-Gen. van 1633 of 34 en het daarbij gevoegde octrooi van Richelieu, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Den 18 Juni 1614 ontdekte een schip van eene Duinkerksche reederij, als wier vertegenwoordiger een Engelsch koopman John Clarke optrad, Jan Mayen-eiland op nieuw[716].Een proces, door hem met de Noordsche Compagnie daarover gevoerd, eindigde met de erkenning van zijn recht. Ik zal hierover later (hoofdstuk VIII) uitvoeriger spreken.


Back to IndexNext