HOOFDSTUK VI.ENGELSCHE MEDEDINGERS.

[716]Zie o. a. R. S.-G. 8 Jan. 1619.—Het is niet onmogelijk, dat deze ontdekking identiek is met de tweede hierboven vermelde: John Clarke kan zeer goed uit Hull afkomstig geweest zijn. Dit wordt te waarschijnlijker daar de Engelsche gezant in Den Haag in 1621, dus na het afstaan van Jan Mayen-eiland aan die van Hull door Jakob I, voor Clarke bij de Staten-Generaal in de bres sprong. (R. S.-G. 4 Jan. 1621.)

[716]Zie o. a. R. S.-G. 8 Jan. 1619.—Het is niet onmogelijk, dat deze ontdekking identiek is met de tweede hierboven vermelde: John Clarke kan zeer goed uit Hull afkomstig geweest zijn. Dit wordt te waarschijnlijker daar de Engelsche gezant in Den Haag in 1621, dus na het afstaan van Jan Mayen-eiland aan die van Hull door Jakob I, voor Clarke bij de Staten-Generaal in de bres sprong. (R. S.-G. 4 Jan. 1621.)

»’t Eylant is in ’t jaer 1614 door de Hollanders, onder welcke was Schipper Jan Jacobsz. May, wiens naem het in ’t gemeen heeft, ontdeckt.” Dus verhaalt ons Blaeu in zijn groote atlas als bijschrift van de kaart van Jan Mayen-eiland. Reeds Tiele[717]vestigde de aandacht op deze mededeeling. Ik ben in staat te zeggen, dat zij volkomen juist is[718]en hoop dit in hetnegende hoofdstuknader te bewijzen. Eenige bizonderheden omtrent de hier vermelde reis van Jan Jacobsz. May deelde ik mede opp. 167-169.

[717]Tiele, Mém. s. l. journ. des navigat. Neerl. p. 70 Noot 2.[718]Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

[717]Tiele, Mém. s. l. journ. des navigat. Neerl. p. 70 Noot 2.

[718]Request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. 1615, in: Noordsche togten. 3. Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

In hetzelfde jaar bereikte een ander schip der Noordsche Compagnie, »het cleyne Swaentgen” van Delfshaven, kapitein Jan Jansz. Kerckhoff, het eiland eveneens. Ditmaal werd het onderzocht en het volgende jaar deed Kerckhoff een tweede reis daarheen voor de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie. In 1615 beweerde deze dan ook op 711⁄2° NB. gevonden te hebben een onbekendeiland, dat zij als voor de walvischvangst geschikt in bezit genomen en Mauritius genoemd had[719].Dat dit Jan Mayen-eiland was, zal uit hetnegende hoofdstukblijken. De beweerde ontdekking was niets anders dan eene reis, door kapitein Kerckhoff ter walvischvangst naar het hem sinds het vorige jaar reeds bekende Jan Mayen-eiland gedaan.

[719]Req. der kleine Noordsche Comp. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

[719]Req. der kleine Noordsche Comp. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2. Admiraliteit. R.-A.

In hetzelfde jaar 1615 ondernam Robert Fotherby met het schip Richard op kosten der Moscovische Compagnie eene reis naar het noorden. Omstreeks 20 Juli stuitte hij ten westen van Spitsbergen op 73°50´ NB. op eenen ijsdam. »We stood out againe”, dus verhaalt hij verder, »and coasted the Ice still to the Westwards Southerly, but could see no Land, as I expected to haue done, vntill wee came vnder the latitude of 71 degrees thirtie minutes, and then we espyed a snowie Hill very high in the cloudes, for this day was very cleere at Sea, but the fogge was not yet cleered from the Land, so that we could see no part of it, but only the top of a snowie Mountayne, which appeared very high although wee were fourteene or fifteene leagues distant from it, bearing off vs South-east and by South.—Then I stood in for the shoare, supposing it had beene part of the Mayne of Groynland: for the fogge lay on each side of this Mount, as if there had beene a great Continent vnder it, but it proued otherwise, for as we came neerer to it, the fogge dispersed more and more, and when wee were fiue leagues distant, the Land appeared in forme like an Iland.—When I came neerer the shore, I could find no Harbor to anchor in. Notwithstanding, the weather being faire and calme, I hoist out my Boat and went ashore with three men more, and set vp the Kings Armes: then we searched a sandie Beach, which was abundantly stored with drift wood, but yeelded no other fruits, that we could find worth the taking vp, so I returned aboord againe, and sent ashoare my Boat to fetch some wood. But before the men had laid into her the little quantitie that she was able to carrie, they came aboard againe, for the wind began to blow hard, and the Sea to goe loftie, so that here was no place for vs to abide any longer, otherwise I was purposed to haue searched further alongst the shoare, but this gale of winds comming Northerly I stood from hence to the Westwards, being desirous to see more Land or finde a more open Sea.” Zuidwestelijk zeilde Fotherby toen langs het ijs, maar werd door tegenwind genoodzaakt naar Spitsbergen terug te keeren. Hij was van plan onderweg langs de zuidoostelijke zijde van het nieuw ontdekte land te zeilen, om te zoekennaar goede havens en naar eene gelegenheid om eenig voordeel te maken. »I stood away,” dus verhaalt hij verder, »East and by South, and being neere the foresaid Iland, the winde came to the West and blew a very hard gale, where with I passed alongst the South-east side of the Iland vnder a paire of courses, but without that satisfaction which I expected: for the winde blowing so stormie, and the Sea growne very great, I was forced to stand further from the shoare then willingly I would haue done, and besides there was a thicke fogge vpon the Land, whereby I could not be satisfied what Harbours or Roads were about it, yet might we see three or foure Capes, or Head-lands, as if there went in Bayes betwixt them. I sayled about it, and then stood to the Northward againe, and being now assured that it was an Iland, I named it Sir Thomas Smiths Iland.—This Iland is about ten leagues in length, and stretcheth North-east and South-west; it is high Land, and at the North end of it there is a Mountayne of a wonderfull height and bignesse, all couered with Snow, which I called Mount Hackluyt; the base or foot of it on the East side is almost foure leagues long, it hath three such sides the base lying out to the Sea, and from the fourth side doth the rest of the Iland extend it selfe towards the South-west which is also, as it were, a place fortified with Castles and Bulwarkes, for on each side there bee three or foure high Rockes which stand out from the Land, appearing like Towres and Forts, It lyes in the parallel of 71 degrees, where the Needle varieth from the true Meridian Westwards eight degrees.[720]The land is generally so farre as I haue seene, Rockie and very barren, and worse than the Land that I haue seene in King James his New Land[721],vnder eightie degrees, for there is no grasse but mosse, and where I first landed vpon low ground, all the stones were like vnto a Smiths sinders both in colour and forme[722],the sand is generally mixed with a corne like Amber; the Beaches are abundantly stored with drift wood and many stones, light like Pumis, which will swimme on the water. I saw many traces of Foxes and the footing of Beares, but not any signe of Deere or other liuing creatures, and verysmall store of Fowle.”[723]Dat het ontdekte eiland geen ander dan Jan Mayen-eiland was, is na de beschrijving, die Fotherby van de ligging en het voorkomen van het land en vooral van den Beerenberg (Mount Hackluyt) geeft, niet in het minst twijfelachtig. Het kwam mij belangrijk voor, deze uitvoerige beschrijving van een nog geheel onbekend bezoek aan dit zelden betreden eiland in zijn geheel op te nemen.

[720]Zie over deze wijze van lengtebepaling zeer uitvoerig: De Jonge, Opkomst. I p. 86-88.[721]Engelsche naam van Spitsbergen.[722]Deze en de volgende verschijnselen laten zich zeer goed verklaren door de ontdekking, dat de grond van Jan Mayen-eiland vulkanisch is. (Zie: Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 161, 66.—Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106, XII fol. 8.)[723]Fotherby, A voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 729, 30.

[720]Zie over deze wijze van lengtebepaling zeer uitvoerig: De Jonge, Opkomst. I p. 86-88.

[721]Engelsche naam van Spitsbergen.

[722]Deze en de volgende verschijnselen laten zich zeer goed verklaren door de ontdekking, dat de grond van Jan Mayen-eiland vulkanisch is. (Zie: Scoresby, Account of the arctic regions. I p. 161, 66.—Vgl. ook: Wassenaer, Hist. verh. X fol. 106, XII fol. 8.)

[723]Fotherby, A voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 729, 30.

Het eiland, zoo dikwijls ontdekt en zoo dikwijls door de ontdekkers aan anderen betwist, heeft door al die lotwisselingen verschillende namen gekregen. Behalve onder de bovenvermelde namen Hudsons Touches, Trinity-island, Lounges Foreland, Pico, Isle de Richelieu, Jan Mayen-eiland, Mauritius en Thomas Smiths island is het in de geschiedenis bekend als »Mr. Ioris Eylant”[724]—naar Mr. Joris Carolus, stuurman op een der schepen, die in 1614 het eiland ontdekten,—als »het Eylant in questie”[725]—naar de geschillen daarover tusschen de Noordsche Compagnie en hare mededingers, de Nederlandsche ontdekkers van 1615, ontstaan;—en eindelijk als »den Hoogen berg.”[726]In Nederland heette het eiland in de eerste jaren na de ontdekking meestal »het Eylant in questie”, somtijds ook Mauritius, een enkele maal in tegenoverstelling van Spitsbergen ook Groenland[727];in latere tijden werd de naam Jan Mayen-eiland meer algemeen, een naam waaronder het eiland later ook door geheel Europa bekend gebleven is.

[724]Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148. (Pascaerte van de Custen van Oudt-Groenlandt enz.)[725]R. S.-G. 24 Aug. 1618, ook o. a. 3 Oct. 1616.[726]Bijschrift bij de kaart van Jan Mayen-eiland in Blaeu’s grooten atlas. Blaeu schijnt blijkens het bijgevoegde „&c” nog meer namen van het eiland dan de door hem opgenoemde gekend te hebben.[727]Vander Brugge, Journael van Seven Matroosen. p. 3.—Sent. v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.—N. Z. 15 Oct. 1616.

[724]Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 148. (Pascaerte van de Custen van Oudt-Groenlandt enz.)

[725]R. S.-G. 24 Aug. 1618, ook o. a. 3 Oct. 1616.

[726]Bijschrift bij de kaart van Jan Mayen-eiland in Blaeu’s grooten atlas. Blaeu schijnt blijkens het bijgevoegde „&c” nog meer namen van het eiland dan de door hem opgenoemde gekend te hebben.

[727]Vander Brugge, Journael van Seven Matroosen. p. 3.—Sent. v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarcque dd. 31 Juli 1620.—N. Z. 15 Oct. 1616.

Dit is hetgene ik over de geschiedenis der ontdekking van Jan Mayen-eiland heb kunnen opsporen; wij zullen later zien, dat het eiland de twistappel bleef, waarover Nederlanders en vreemdelingen voortdurend oneenig waren. Nog meer dan die van Spitsbergen is de geschiedenis van Jan Mayen-eiland eene aaneenschakeling van strijd. Spitsbergen werd alleen door Engelschen en Denen aan de Nederlanders betwist; over Jan Mayen-eiland procedeerden niet alleen Franschen en Zuid-Nederlanders met de inwoners der Zeven Provinciën, ook dezen onderling streden hardnekkig om het bezit.

Wij hebben in hettweede hoofdstukuitvoerig verhaald, hoe men er toe kwam de IJszee in het begin der zeventiende eeuw op nieuw tot ver in het noorden te bevaren,—hoe de walrusjacht aan Beeren-eiland gedurende eenige jaren voor de Moscovische Compagnie een bron van groote voordeelen was,—hoe daarna de groote uitbreiding, die aan deze jacht gegeven werd, leidde tot de uitroeiing dezer dieren op Beeren-eiland en het zoeken van nieuwe plaatsen tot de vangst geschikt,—hoe de Engelschen daarop Spitsbergen onderzochten en daar de walvischvangst vestigden, en hoe eindelijk de groote voordeelen der Engelschen de Nederlanders aanlokten om hun spoor te volgen. Ons blijft nu over, meer in bizonderheden uiteen te zetten, hoe de Engelschen zich tegenover hunne mededingers gedroegen.

Toen Poole en Russell den 3 Mei 1612 bij hunne aankomst op Beeren-eiland het Nederlandsche schip ontmoet hadden, waarop de Engelschman Allan Sallowes stuurman was[728],werd er dadelijk ernstig beraadslaagd om dit verraad, door een vroegeren dienaar der Moscovische Compagnie aan zijn land gepleegd, te straffen door hem gevangen naar Engeland over te brengen. Gelukkiger dan zijn landsman Nicholas Woodcocke, die een Biscaaisch schip naar Spitsbergen had geleid, ontkwam Sallowes dit lot. De redenen van deze toegevendheid der Engelschen zijn ons onbekend. Toen Sallowes echter daardoor moed vattende het waagde zijne landslieden op hunnen tocht van Beeren-eiland naar Spitsbergen te volgen en niettegenstaande alle wendingen van Poole daarin volhardde, verdroot dit den Engelschen en zij verboden het nadrukkelijk. De Nederlanders hielden af en vonden hunnen weg te zamen met een Engelschen »interloper” zelven naar Spitsbergen. Tweemaal ontmoetten zij daar de schepen der MoscovischeCompagnie en weder was de handelwijze der Engelschen weifelend. Terwijl Poole de Nederlanders rustig liet visschen en zelfs Sallowes aan zijn boord ontving, verbood Edge, de commies van het andere schip, hem bepaaldelijk Spitsbergen te bezoeken[729].Waarschijnlijk hadden de Engelsche bevelhebbers geene machtiging aanvallenderwijze te werk te gaan: ook het vorige jaar had de Moscovische Compagnie met verlof van den Geheimen Raad haren schippers bevolen, aan alleEngelsche»interlopers” het visschen te verbieden, de vreemdelingen echter slechts te keer te gaan wanneer zij aanvallers werden[730].

[728]Zie hiervóorp. 72.[729]Zie over deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, en: Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 713, 466[Bijlage XV].[730]Comm. der Mosc. Comp. voor Edge 1611, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 710.

[728]Zie hiervóorp. 72.

[729]Zie over deze reis: Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, en: Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 713, 466[Bijlage XV].

[730]Comm. der Mosc. Comp. voor Edge 1611, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 710.

Toen nu echter in 1613 van alle zijden berichten van nieuwe groote uitrustingen door Nederlanders, Franschen, Spanjaarden en inwoners der Spaansch-Nederlandsche provinciën in Engeland aankwamen, voelde de Moscovische Compagnie haren handel bij eene mededinging op zoo groote schaal niet meer veilig. Zij reedde ditmaal zeven schepen tot de walvischvangst uit en hiermede niet tevreden verzocht zij van Jakob I een bewijs van haar uitsluitend recht om op Spitsbergen te varen. Om te meer klem aan dit verzoek bij te zetten verkondigde de compagnie nu voor het eerst de onjuiste, in ieder geval onbewijsbare theorie, dat zij als ontdekster van Spitsbergen recht had op den uitsluitenden eigendom daarvan. De ontdekking van het eiland door Heemskerck en Rijp werd wel niet bepaald ontkend, maar men beweerde, dat, lang voordat dezen er aan gedacht hadden den steven noordwaarts te wenden, de Engelschman Willoughby Spitsbergen gezien en aan de beschaafde wereld bekend gemaakt had[731].Volgens de toen inEngeland heerschende begrippen was niet alleen met den eigendom van het land het recht verbonden om de nabijgelegen zeeën voor ieder te sluiten, maar gaf ook het bevaren der zee aanspraak op den eigendom van den ruimen oceaan zelven. Koning Jakob, de ijverige verdediger van deze rechten, aarzelde dan ook geen oogenblik en verleende aan de compagnie een patent onder het groote zegel van Engeland, waarbij zij gemachtigd werd alle schepen, vreemde of Engelsche, die niet voor de Moscovische Compagnie voeren, van Spitsbergen te verdrijven, en om tevens voor den koning in bezit te houden en zelf te bevaren alle landen, ontdekt of onontdekt, die zich in de IJszee omtrent Spitsbergen bevonden[732].De compagnie haastte zich van dit patent gebruik te maken; zij gaf aan Spitsbergen den nieuwen naam van King James’ Newland en hield zich in de eerstvolgende jaren gedurig bezig met het plaatsen van palen voorzien van ’s konings wapen op de kusten van Spitsbergen en andere eilanden, die zij langzamerhand ontdekte[733].

[731]De onwaarschijnlijkheid dezer theorie blijkt reeds uit het feit, dat de Engelschen zelven het niet eens schijnen geweest te zijn, wanneer Willoughby Spitsbergen ontdekt zou hebben: Purchas zelf, de „insolent defender of this erroneous idea,” is niet zeker. (cf. de beide hieronder aangehaalde kantteekeningen.) Terwijl men vrij algemeen aannam, dat het dusgenaamde Willoughby-land Spitsbergen zou zijn, iets wat bepaald onjuist is, teekent Purchas aan, dat het door den reiziger eerst 23 Augustus 1553 ontdekte land (hoogstwaarschijnlijk een gedeelte der Russische kust) het bewuste eiland is. (Vgl. Rundall, Voyages towards the North-west. Introd. p. VII, VIII.) Het is dan ook nagenoeg zeker, dat de theorie eerst omstreeks 1613 als wapen tegen de Nederlanders is uitgevonden. (Ten minste in 1608 wist Hudson evenmin als de Moscovische Compagnie er nog iets van. Zie: Asher, Hudson the Navigator. p. 40.—Vgl. echter: Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV, waar de schrijver verhaalt (in 1608), dat Willoughby „verseyldein Groenlant, daer hy vervroos.”) Asher (l. c. p. CLIX) wil zelfs bepaaldelijk het jaar 1612 aannemen en houdt zekeren Samuel Daniel voor den uitvinder der theorie. Zijne gronden zijn echter m. i. niet overtuigend; in ieder geval was niet de dichter Samuel Daniel, maar een cartograaph John Daniel de bedoelde persoon. (Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Dat Plancius in zijne „Repliques” ook niet op een Engelsch boek, maar in het algemeen op de beweringen van sommige Engelschen antwoordde, blijkt m. i. overtuigend uit de inleidende woorden van Hessel Gerritsz. voor dat stuk: „Les propositions de leur Iustice ou preeminence,” zegt hij (Hist. de Spitsb. p. 26), „sont celles cy. Qu’ils sont les premiers qui l’ont trouvée avec le Chevallier Willoughby, l’An 1553 et que c’est Groenland, lequel vouloit estre soubs la puissance de Noruegues, parquoy ils font annuellement recognoissance d’une bonne somme de livres a la Majesté de Denemarcque. A l’encontre desquelles le tresdocte Cosmographe D. P. Plancius a faict les repliques suivantes.” Het springt dunkt mij in het oog dat de beide geheeltegenstrijdigebeweringen, dat Spitsbergen Groenland is, en dat het door Willoughby ontdekt zou zijn, niet in éen boek vereenigd kunnen geweest zijn. Beide meeningen waren wel in Engeland gangbaar; de Groenlandsche hypothese schijnt echter in Nederland ontstaan te zijn.[732]Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.—Detectio freti. ed. 1613 F. 3.—Vlg. de Histoire de Spitsberghe (p. 22) strekte het patent zich uit over „tous Pays et terres desja trouvées, et celles qui se pourroyent encore trouver, comprinses dans un rin de vent de Nordoest, et une de Nordest, sortans d’un Compas mis en leur Carte au milieu d’entre Dronten et Islande.”[733]De Moscovische Compagnie zond bijna jaarlijks een of meer schepen ter ontdekking uit. De resultaten waren aanmerkelijk. Zoo ontdekte men in 1613 Hope-island en eenige omringende eilanden (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. p 466; de ontdekking wordt door velen ten onrechte aan de Nederlanders toegeschreven); in 1614 werd de noordkust van Spitsbergen verkend tot Sir Thomas Smiths-inlet (de Wijde Baai) (Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas l. c. III p. 720-28); in 1615 ontdekking van Sir Thomas Smiths-island (Jan Mayen-eiland) (Fotherby, Voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas l. c. p. 729), 1616 van Edges-island en 1617 van Witches-island, het onlangs weergevonden König Karlsland. (Purchas l. c. III p. 732.—Vgl. hiermede de kaart van Spitsbergen in: White, Spitzbergen and Greenland, p. 253.)

[731]De onwaarschijnlijkheid dezer theorie blijkt reeds uit het feit, dat de Engelschen zelven het niet eens schijnen geweest te zijn, wanneer Willoughby Spitsbergen ontdekt zou hebben: Purchas zelf, de „insolent defender of this erroneous idea,” is niet zeker. (cf. de beide hieronder aangehaalde kantteekeningen.) Terwijl men vrij algemeen aannam, dat het dusgenaamde Willoughby-land Spitsbergen zou zijn, iets wat bepaald onjuist is, teekent Purchas aan, dat het door den reiziger eerst 23 Augustus 1553 ontdekte land (hoogstwaarschijnlijk een gedeelte der Russische kust) het bewuste eiland is. (Vgl. Rundall, Voyages towards the North-west. Introd. p. VII, VIII.) Het is dan ook nagenoeg zeker, dat de theorie eerst omstreeks 1613 als wapen tegen de Nederlanders is uitgevonden. (Ten minste in 1608 wist Hudson evenmin als de Moscovische Compagnie er nog iets van. Zie: Asher, Hudson the Navigator. p. 40.—Vgl. echter: Van Meteren, Comment. ofte memor. fol. CXXV, waar de schrijver verhaalt (in 1608), dat Willoughby „verseyldein Groenlant, daer hy vervroos.”) Asher (l. c. p. CLIX) wil zelfs bepaaldelijk het jaar 1612 aannemen en houdt zekeren Samuel Daniel voor den uitvinder der theorie. Zijne gronden zijn echter m. i. niet overtuigend; in ieder geval was niet de dichter Samuel Daniel, maar een cartograaph John Daniel de bedoelde persoon. (Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.) Dat Plancius in zijne „Repliques” ook niet op een Engelsch boek, maar in het algemeen op de beweringen van sommige Engelschen antwoordde, blijkt m. i. overtuigend uit de inleidende woorden van Hessel Gerritsz. voor dat stuk: „Les propositions de leur Iustice ou preeminence,” zegt hij (Hist. de Spitsb. p. 26), „sont celles cy. Qu’ils sont les premiers qui l’ont trouvée avec le Chevallier Willoughby, l’An 1553 et que c’est Groenland, lequel vouloit estre soubs la puissance de Noruegues, parquoy ils font annuellement recognoissance d’une bonne somme de livres a la Majesté de Denemarcque. A l’encontre desquelles le tresdocte Cosmographe D. P. Plancius a faict les repliques suivantes.” Het springt dunkt mij in het oog dat de beide geheeltegenstrijdigebeweringen, dat Spitsbergen Groenland is, en dat het door Willoughby ontdekt zou zijn, niet in éen boek vereenigd kunnen geweest zijn. Beide meeningen waren wel in Engeland gangbaar; de Groenlandsche hypothese schijnt echter in Nederland ontstaan te zijn.

[732]Edge, Dutch, Spanish, Danish disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 466.—Detectio freti. ed. 1613 F. 3.—Vlg. de Histoire de Spitsberghe (p. 22) strekte het patent zich uit over „tous Pays et terres desja trouvées, et celles qui se pourroyent encore trouver, comprinses dans un rin de vent de Nordoest, et une de Nordest, sortans d’un Compas mis en leur Carte au milieu d’entre Dronten et Islande.”

[733]De Moscovische Compagnie zond bijna jaarlijks een of meer schepen ter ontdekking uit. De resultaten waren aanmerkelijk. Zoo ontdekte men in 1613 Hope-island en eenige omringende eilanden (Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. p 466; de ontdekking wordt door velen ten onrechte aan de Nederlanders toegeschreven); in 1614 werd de noordkust van Spitsbergen verkend tot Sir Thomas Smiths-inlet (de Wijde Baai) (Fotherbye, Voyage of Discouerie, bij: Purchas l. c. III p. 720-28); in 1615 ontdekking van Sir Thomas Smiths-island (Jan Mayen-eiland) (Fotherby, Voyage anno 1615 for Discouerie, bij: Purchas l. c. p. 729), 1616 van Edges-island en 1617 van Witches-island, het onlangs weergevonden König Karlsland. (Purchas l. c. III p. 732.—Vgl. hiermede de kaart van Spitsbergen in: White, Spitzbergen and Greenland, p. 253.)

De mededingers der Moscovische Compagnie ondervonden dadelijkde gevolgen van de vergunning van Jakob I. De vereeniging gevoelde zich krachtig genoeg om van haar recht gebruik te maken. Nadat de commandeur Joseph de visscherij geregeld had aan de noordpunt van Prince Charles’ foreland, waar zich eene soort van vestiging der Engelschen van het vorige jaar bevond, begaf hij zich met eenige schepen langs de kust en overviel de in verschillende havens verspreide schepen der vreemden. Terwijl Franschen en Duinkerkers over het geheel met zekere toegevendheid behandeld werden, verjoegen de Engelschen de Spanjaarden met onverbiddelijke gestrengheid en vervolgden de Nederlanders, na hun het visschen verboden te hebben, zelfs langs de kust. De Nederlanders mochten zich met de Fransche schepen vereenigen en ook met de Duinkerksche op goeden voet staan, de overmacht der Engelschen was te groot, dan dat hunne verspreide en verdeelde mededingers met goed gevolg hadden kunnen weerstand bieden en de aanvallers behaalden dus overal eene gemakkelijke overwinning. Wij zullen de lotgevallen der Nederlanders meer in bizonderheden nagaan.

De commandeur Van Muyden, met zijne beide schepen den 27 Mei op Spitsbergen aangekomen[734],had zich bij de zuidpunt van Prince Charles’ foreland gevestigd en was 13 Juni de walvischvangst in Behouden-haven (de »Pooppy-Bay or Nickes Cove” der Engelschen) begonnen. Bij hem bevonden zich drie Fransche schepen en aan de tegenoverliggende zijde van Ice-sound waren twee schepen (een van Duinkerken en een van St. Sebastiaan in Spanje) in Greenharbour bezig met visschen. Nauwelijks had de Engelsche commandeur Benjamin Joseph bericht van de aanwezigheid der vreemden gekregen of hij begaf zich derwaarts en hield zich van 16 tot 19 Juni bezig met het door list en geweld verjagen zijner vijanden. Van Muyden toonde den Engelschen zijne commissie van graaf Maurits, die hem machtigde vrijelijk aan Spitsbergen te visschen en zich tegen alle aanvallen te verdedigen, maar Joseph beriep zich op den last, hem door de Moscovische Compagnie gegeven, en gebood Van Muyden nadrukkelijk te vertrekken zonder verder aan het eiland te visschen. De kapitein moest toegeven; de opbrengst zijner vangst werd een prooi der Engelschen. De overige schepen, die in Ice-sound waren, werden gedeeltelijk verjaagd, gedeeltelijk tegen zeer hooge belasting tot de vischvangst toegelaten.

[734]Zie over de uitrusting van dit en de andere schepen hiervóorp. 73,74.

[734]Zie over de uitrusting van dit en de andere schepen hiervóorp. 73,74.

Van Muyden liet zich niet afschrikken; hij stevende dadelijk naar Bell-sound (20 Juni), waar hij zich, vereenigd met een groot schip van St. Jean de Luz in het uitsluitend bezit der visscherijwist te handhaven tot 21 Juli[735].Dien dag naderden hem echter drie Engelsche schepen op nieuw, ditmaal geheel tot een gevecht uitgerust. Toen het Biscaaische schip zich dadelijk overgaf bleef er voor de Nederlanders geen keus: zij volgden het voorbeeld van hunnen medgezel. Het schip van Boots, Van Muyden’s onderbevelhebber, werd dadelijk van de vangst beroofd en naar huis gezonden; Van Muyden hielden de Engelschen tot 28 Juli bij zich en lieten hem toen met een klein geschenk in ruil voor de achttien hem ontnomen walvisschen naar huis vertrekken. Tot 9 Augustus zwierf de verjaagde kapitein nog op de kust rond; maar zonder eenig aanmerkelijk voordeel moest hij toen de terugreis aannemen. De schade zijner reeders bedroeg minstens ƒ 130,000[736].

[735]Van Muyden trachtte eerst in Low-sound te visschen, waarom die baai nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13 den naam van „Willems van Muyden haven” draagt. Toen het hem daar mislukte vertrok hij naar Bell-point, de Recherche-baai van latere kaarten.[736]De begrooting der schade werd tot over de ƒ 200,000 opgedreven.—Zie de verschillende opgaven bij: Muller, Mare Clausum. p. 120 Noot 4.—Vgl. ook het rapport van Joachimi aan de Stn. v. Zeeland in: N. Z. 19 Mrt. 1614, en: Resol. Adm. Amst. 23, 27 Aug. 1613. (De som van ƒ 100,000, daar door de reeders opgegeven, is echter geen zuivere maatstaf: Van Muyden was toen met het grootste schip nog niet binnen. Resol. Adm. Amst. 31 Aug. 1613.)

[735]Van Muyden trachtte eerst in Low-sound te visschen, waarom die baai nog op de kaart van Spitsbergen in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13 den naam van „Willems van Muyden haven” draagt. Toen het hem daar mislukte vertrok hij naar Bell-point, de Recherche-baai van latere kaarten.

[736]De begrooting der schade werd tot over de ƒ 200,000 opgedreven.—Zie de verschillende opgaven bij: Muller, Mare Clausum. p. 120 Noot 4.—Vgl. ook het rapport van Joachimi aan de Stn. v. Zeeland in: N. Z. 19 Mrt. 1614, en: Resol. Adm. Amst. 23, 27 Aug. 1613. (De som van ƒ 100,000, daar door de reeders opgegeven, is echter geen zuivere maatstaf: Van Muyden was toen met het grootste schip nog niet binnen. Resol. Adm. Amst. 31 Aug. 1613.)

Den overigen Nederlanders was het niet beter gegaan. Van de twee schepen, door de Zaandamsche reederij uitgerust, was wel is waar het eene beladen met het spek van 200 in Bell-sound[737]gedoode walrussen, die men uit vrees voor de Engelschen niet tot traan had durven kooken, reeds 25 Juni naar huis gezonden; maar het andere was in Bell-sound gebleven en deelde daar in de algemeene plundering van 21 Juli. Het moest verder van zijne geheele vangst beroofd de Engelschen dienen. Eerst in het begin van Augustus zond commandeur Joseph het met een klein geschenk van spek naar huis.

[737]Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai bekende inham op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13: „Sardammer-riuier.”—In het werkje „Detectio freti” (ed. 1613 F 3) verhaalt de schrijver, dat het schip eenige „Hippopotami” zou gevangen hebben. De vergissing is zeker nog al zonderling, maar niet onverklaarbaar: op sommige oude Nederlandsche platen heeft de walrus werkelijk eenige overeenkomst met het nijlpaard.

[737]Waarschijnlijk heet daarnaar de later als Van Keulen-baai bekende inham op de kaart in: Begin ende Voortgangh van de O.-I. C. p. 13: „Sardammer-riuier.”—In het werkje „Detectio freti” (ed. 1613 F 3) verhaalt de schrijver, dat het schip eenige „Hippopotami” zou gevangen hebben. De vergissing is zeker nog al zonderling, maar niet onverklaarbaar: op sommige oude Nederlandsche platen heeft de walrus werkelijk eenige overeenkomst met het nijlpaard.

Nog slechter was het Enkhuizer schip behandeld. Het had zich met een Fransch schip vereenigd om gezamenlijk in Horn-sound te visschen; drie Spaansche schepen oefenden daar ook de walvischvangst, terwijl het Duinkerksche schip zich nadat het uit Greenharbour verdreven was bij hen gevoegd had. Den 23 Juni ondergingen ook deze schepen het algemeene lot. Op bevel van den naderenden Engelschen commandeur kwamen alle kapiteins bij hem aan boord en onderwierpen zich. Alleen Bonner, dekapitein van het Enkhuizer schip, zelf een Engelschman en met eene bemanning, waaronder zich twintig Engelschen bevonden, waagde het niet voor Joseph te verschijnen en beproefde zich te verdedigen. Eenige kanonschoten dwongen hem echter weldra zich over te geven, en zooals hij verwacht had werd hij zwaarder gestraft dan zijne metgezellen. Bonner en de Engelschen werden gevangen genomen, de verdere bemanning van het schip over de Engelsche schepen verdeeld, terwijl het Nederlandsche schip zelf met Engelschen onder kapitein Marmaduke bemand, voor de overwinnaars in Fairhaven visschen en ontdekkingsreizen ten zuiden van Spitsbergen doen moest. Commandeur Joseph nam het volgeladen mede naar Engeland, loste het daar en terwijl de lading in handen der Moscovische Compagnie bleef, kon het schip ledig naar huis keeren[738].

[738]Zie de berichten van Bonners reisgenoot Symon Van der Does, den zoon van den Amsterdamschen schout Willem Van der Does, in: Detectio freti, ed. 1613 F 3.

[738]Zie de berichten van Bonners reisgenoot Symon Van der Does, den zoon van den Amsterdamschen schout Willem Van der Does, in: Detectio freti, ed. 1613 F 3.

Ook de Nederlanders, die in vreemde dienst naar Spitsbergen gekomen waren, kwamen er niet beter af. Het Hoornsche schip, dat voor eene reederij te La Rochelle voer, moest reeds 19 Juni naar de Noordkaap vertrekken; kapitein Claes Martensz. van Hoorn, bevelhebber op de bij het Duinkerksche schip behoorende pinas, mocht het als eene groote gunst beschouwen, dat hij op het groote schip van Duinkerken vertrekken mocht en niet als zijne Engelsche tochtgenooten gevangen gehouden werd[739].

[739]Vgl. over deze reis: Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.—Hist. du pays de Spitsb. p. 11, 20.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas l. c. p. 466.—Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C.[Bijlage XVI], in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 369.

[739]Vgl. over deze reis: Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1618, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.—Hist. du pays de Spitsb. p. 11, 20.—Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas l. c. p. 466.—Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C.[Bijlage XVI], in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Mémoire der N. C., bij: Muller, Mare Clausum. p. 369.

De Engelschen waren over den uitslag hunner reis zeer voldaan. Wel had de jacht op de vreemdelingen hun eigen voordeel doen vergeten en was de reis voor ditmaal slecht geweest[740],maar toch prees men Joseph, »who without bloudshed disappointed those Strangers, ready to reape that which others had sowne, and either had not at all discouered, or wholly giuen over the businesse[741].” Anders dachten de Nederlanders over de zaak. De stemming der natie was zeer oorlogzuchtig[742]:de reederszelven, hoewel voorzichtiger, toonden zich niet minder verontwaardigd. Reeds voordat Van Muyden met zijn schip thuis was gekomen, klaagden de Amsterdammers op de berichten, door Boots met het schip de Fortuyne aangebracht, aan de Staten-Generaal. Zij beweerden, dat Spitsbergen een onbeheerd en vrij land was, waarop de Nederlanders als ontdekkers in ieder geval meer aanspraak hadden dan de Engelschen; zij verdedigden de zeer juiste stelling, dat de zee en de vaart daarover voor ieder vrij moesten geacht worden en brachten die in praktijk door van alle »preferentie” uit kracht van hunne ontdekking af te zien. Zij verklaarden, dat zij zich niet als verschillende andere natiën hadden willen vernederen tot het betalen eener belasting uit vrees voor het misnoegen der regeering[743]en zij verzochten de Staten-Generaal op al deze gronden te zorgen: 1o. dat zij onverwijld vergoeding kregen van de Engelschen, 2o. dat hun voortaan de vaart op Spitsbergen onverhinderd bleef openstaan, en 3o. dat op de schepen van den commandeur Joseph na zijne aankomst in Engeland beslag gelegd werd[744].

[740]Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) bedroeg de schade der reeders wel £ 3 à 4000.[741]Purchas, Pilgrimage. p. 815.—Vgl. Detectio freti, ed. 1613 F 3.[742]Hessel Gerritsz. durfde in het najaar van 1613 openlijk schrijven: „Fortasse sequenti anno nostrates Mercatores periculum facient armis, an penes nostrates sit ibi ius piscandi, qui primum deteximus, an penes Anglos, qui primum piscati sunt: quod faxit Deus, in patriae nostrae commodum!” (Detectio freti. ed. 1613, F 3.) De reeders waren echter met dergelijke openbare uittartingen minder ingenomen: „satis acriter eum reprehenderunt,” en Gerritsz. was genoodzaakt hetgeen hij gezegd had openlijk als „temere et inconsiderate” te brandmerken. Hij verklaarde toen, dat de reeders met eerbied voor Jakob I niet anders verwachtten dan hunne handhaving door Z. M. tegen zijne eigene onderdanen; gebeurde dit niet, dan verklaarden zij toch nooit tot geweld hunne toevlucht te zullen nemen, hoewel hun recht duidelijk was, zooals uit de daarbijgevoegde „refutatio” van Plancius bleek. (Detectio freti. G.—Deze 4 bladzijden zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.)[743]De Staten-Generaal besloten reeds dadelijk, dat de Nederlanders geen licent mochten betalen. Tweenhuysen c. s. hadden verklaard „te meenen, dat oock dese natie by voorgaende versochte licentie ofte by avonture eenighe gedane recognitie by den Koningh van Engelant ofte voorszeide Compagnie soude worden geadmitteert, maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte haere Groot-Mo: Ed: aengenaem soude sijn te geschieden.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.) De Staten-Generaal bevalen dan ook Caron, bij het overhandigen van het request aan Jakob I „vuyt te laten de presentatie die de Supplianten doen by denseluen Requeste van eenige submissie ende erkentenisse aen zyne Mat. te doen voor het toelaten vande voirszeide visscherye,ouermits de zeer(?)preiudiciabel consequentie voirden Staet van tlant daerjnne gelegen.” (R. S.-G. 26 Aug. 1613.)[744]Zie dit request afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

[740]Vlg. Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) bedroeg de schade der reeders wel £ 3 à 4000.

[741]Purchas, Pilgrimage. p. 815.—Vgl. Detectio freti, ed. 1613 F 3.

[742]Hessel Gerritsz. durfde in het najaar van 1613 openlijk schrijven: „Fortasse sequenti anno nostrates Mercatores periculum facient armis, an penes nostrates sit ibi ius piscandi, qui primum deteximus, an penes Anglos, qui primum piscati sunt: quod faxit Deus, in patriae nostrae commodum!” (Detectio freti. ed. 1613, F 3.) De reeders waren echter met dergelijke openbare uittartingen minder ingenomen: „satis acriter eum reprehenderunt,” en Gerritsz. was genoodzaakt hetgeen hij gezegd had openlijk als „temere et inconsiderate” te brandmerken. Hij verklaarde toen, dat de reeders met eerbied voor Jakob I niet anders verwachtten dan hunne handhaving door Z. M. tegen zijne eigene onderdanen; gebeurde dit niet, dan verklaarden zij toch nooit tot geweld hunne toevlucht te zullen nemen, hoewel hun recht duidelijk was, zooals uit de daarbijgevoegde „refutatio” van Plancius bleek. (Detectio freti. G.—Deze 4 bladzijden zijn in sommige exemplaren later bijgevoegd.)

[743]De Staten-Generaal besloten reeds dadelijk, dat de Nederlanders geen licent mochten betalen. Tweenhuysen c. s. hadden verklaard „te meenen, dat oock dese natie by voorgaende versochte licentie ofte by avonture eenighe gedane recognitie by den Koningh van Engelant ofte voorszeide Compagnie soude worden geadmitteert, maer dat sy Supplianten niet en wisten ofte haere Groot-Mo: Ed: aengenaem soude sijn te geschieden.” (Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89.) De Staten-Generaal bevalen dan ook Caron, bij het overhandigen van het request aan Jakob I „vuyt te laten de presentatie die de Supplianten doen by denseluen Requeste van eenige submissie ende erkentenisse aen zyne Mat. te doen voor het toelaten vande voirszeide visscherye,ouermits de zeer(?)preiudiciabel consequentie voirden Staet van tlant daerjnne gelegen.” (R. S.-G. 26 Aug. 1613.)

[744]Zie dit request afgedrukt bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 88.

De Staten-Generaal besloten dadelijk aan het verzoek der Amsterdammers te voldoen. Aan den Engelschen ambassadeur Winwood en aan Caron, den gezant der Staten te Londen, beiden werd opgedragen, om Jakob I »te verthoonen het ongelyck, dat niet alleene de voirszeide Supplianten, maer oyck by consequentie dese landen daerby is geschiet”, en om te bewerken, dat den klagers »volgende het Jus gentium” hun goed werd teruggegeven[745].Maar te vergeefs! Winwood gaf wel goede hoop, dat niet alleen restitutie gegeven, maar ook maatregelen genomen zouden worden om de herhaling van zulke ergerlijke tooneelen te voorkomen; doch niettegenstaande den aandrang van Caron kwam het daartoe niet[746].De Moscovische Compagnie had nadrukkelijk geprotesteerd tegen het openstellen van Spitsbergen voor Nederlanders. Zij voelde zich door hare beweerde ontdekking van 1553 tot zulk eene houding gerechtigd, en al verklaarden de Staten-Generaal dan ook herhaaldelijk, dat het hunne meening niet was de Engelschen door het op den voorgrond stellen der reis van Heemskerck en Rijp van de walvischvangst uit te sluiten, het laat zich begrijpen, dat de compagnie op haar meer bekrompen standpunt niet met zulk een aanbod tevreden was[747].

[745]R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613.[746]R. S.-G. 25, 26 Oct., 2 Nov. 1613.[747]Muller. Mare Clausum. p. 123 Noot 4, 5.

[745]R. S.-G. 26, 31 Aug. 1613.

[746]R. S.-G. 25, 26 Oct., 2 Nov. 1613.

[747]Muller. Mare Clausum. p. 123 Noot 4, 5.

De Staten-Generaal besloten dan ook met de illiberale inzichten der Moscovische Compagnie te rekenen; zij wenschten aan te toonen, dat ook volgens deze beschouwing het recht der Engelschen allen redelijken grondslag miste. De Amsterdamsche reeders werden uitgenoodigd al hunne bewijsstukken naar Den Haag te zenden, ten einde de redeneeringen der Moscovische Compagnie op meer afdoende wijze te beantwoorden dan een diplomaat als Caron dat doen kon[748].Nauwelijks werd dit verlangen der Staten bekend, of het regende stukken, die allen ten doel hadden de ongegrondheid der Engelsche pretensiën te bewijzen. Ook de geleerde Plancius, zeker de daartoe meest bevoegde persoon, zond eene wederlegging van de geographische ketterijen der Engelschen naar Den Haag[749].Hij bewees daarin kort maar overtuigend: 1o. dat het door de Engelschen dusgenoemde Willoughby-land op de door de kaarten aangewezene plaats niet bestond en dus elders gezocht moest worden[750],—dat, ook al kon men de juiste ligging van dit land aanduiden, het volkomen zeker was, dat het volstrekt niet hetzelfde was als het later ontdekte Spitsbergen,—dat, ook al ware dit zoo, het door Willoughby geziene land niet door hem was in bezit genomen,—en eindelijk dat Sir Hugh ook op zijne verdere reis na de ontdekking van Willoughby-land Spitsbergen niet bereikt had. Met een enkel woord werd daarop vermeld, dat debeweerde identiteit van Groenland en Spitsbergen reeds voldoende wederlegd was[751]en daarop uit al het voorgaande de conclusie getrokken, dat Heemskerck en de zijnen de ware ontdekkers van het eiland waren. 2o. trachtte Plancius te bewijzen, dat de Engelschen ook als domini maris geen recht hadden om de vaart naar Spitsbergen te verbieden. Dit dominium maris toch, dat zich volgens de Engelschen ook over de IJszee uitstrekte, gaf geen recht op Spitsbergen zelf, hetgeen reeds daaruit bleek, dat dichter bij de Britsche eilanden gelegene landen, als Groenland, IJsland enz. aan Denemarken behoorden[752].Maar ook al kwam Spitsbergen zelf aan Engeland toe, de regel van het volkenrecht luidde, »dat ofschoon eenigh vast lant ofte Eylandt yemanden toebehoorde dat nochtans de Zee-vaert ende visscheryen na het algemeyne Recht van allen volcken eenen yegelijcken even na is ende vry open staet[753].”

[748]R. S.-G. 2 Nov. 1613.—Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59.[749]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.[750]De ware ligging van Willoughby-land kende Plancius echter niet. Hij meende, dat het identiek was met „de Willebordts eylanden” (eene verbastering van Willoughby-eilanden?), waarmede hij schijnt te hebben willen aanduiden het op oude Nederlandsche kaarten voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae,” een „Doppelgänger” van Mathys-land, zooals Willoughby-land was van de Ganzenkust op Novaya-Zemlya.[751]Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in éen officiëel stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben. Wel noemden zij Spitsbergen Greenland, maar dat zij zeer goed wisten, dat het niet hetzelfde was als het van ouds bekende Groenland, blijkt uit het feit, dat zij dit met den naam Groneland of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der „Histoire de Spitsberghe” (p. 26), dat de Engelschen het recht om bij Spitsbergen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben, schijnt mij geheel onjuist.)—Terwijl men dus reeds lang vóor 1613 aannam, dat Spitsbergen geen gedeelte van Groenlands oostkust was (de Nederlandsche ontdekkers zijn misschien door hunne onbekendheid met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze dwaling vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later volledige zekerheid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was natuurlijk eerst te verkrijgen door het bewijs, dat Spitsbergen een eiland was. De omzeiling door Rijp was vergeten en Fotherby zegt dan ook in 1615, dat Spitsbergen „ismost liketo be an Iland.” (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat „Greenland is nowalmostaltogether discouered to bee an Iland, or rather many Ilands and broken grounds.” (Purchas, Pilgrimes. p. 816.) Evenwel „gheloofde” Joris Carolus nog in 1634 „niet, dat het landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen vast en is, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen” (Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge schreef in datzelfde jaar (Journael der Seven Matroosen. p. 4): „Of Spitsbergen een Eylandt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot noch toe onbekent.” Christiaan IV van Denemarken sprak echter reeds in 1631 van „die GrönländischeInsullSpitzbergen.” (Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632).[752]Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare Clausum. p. 121 Noot 6.—De rechtsgrond, door de Engelschen voor hun dominium maris in de IJszee aangevoerd, was hunne occupatie als eerste reizigers in de IJszee. Ook deze bewering trachtten de Nederlanders echter te weerleggen. Zie de daartoe strekkende betoogen bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg.[753]Zie dit stuk van Plancius in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.

[748]R. S.-G. 2 Nov. 1613.—Grotii Epistolae. p. 20. Ep. 59.

[749]Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 94.

[750]De ware ligging van Willoughby-land kende Plancius echter niet. Hij meende, dat het identiek was met „de Willebordts eylanden” (eene verbastering van Willoughby-eilanden?), waarmede hij schijnt te hebben willen aanduiden het op oude Nederlandsche kaarten voorkomende „Matsyn id est plurimae insulae,” een „Doppelgänger” van Mathys-land, zooals Willoughby-land was van de Ganzenkust op Novaya-Zemlya.

[751]Het is mij niet gebleken, dat de Engelschen deze bewering in éen officiëel stuk ter bekrachtiging van hun recht gebruikt hebben. Wel noemden zij Spitsbergen Greenland, maar dat zij zeer goed wisten, dat het niet hetzelfde was als het van ouds bekende Groenland, blijkt uit het feit, dat zij dit met den naam Groneland of iets dergelijks aanduidden. (De bewering van den schrijver der „Histoire de Spitsberghe” (p. 26), dat de Engelschen het recht om bij Spitsbergen te visschen van Denemarken zouden gekocht hebben, schijnt mij geheel onjuist.)—Terwijl men dus reeds lang vóor 1613 aannam, dat Spitsbergen geen gedeelte van Groenlands oostkust was (de Nederlandsche ontdekkers zijn misschien door hunne onbekendheid met middelen om de lengte op zee te bepalen in deze dwaling vervallen) schijnt men echter eerst verscheidene jaren later volledige zekerheid hierover erlangd te hebben. Die zekerheid was natuurlijk eerst te verkrijgen door het bewijs, dat Spitsbergen een eiland was. De omzeiling door Rijp was vergeten en Fotherby zegt dan ook in 1615, dat Spitsbergen „ismost liketo be an Iland.” (Purchas, Pilgrimes. III p. 730.) Purchas verhaalde in 1625, dat „Greenland is nowalmostaltogether discouered to bee an Iland, or rather many Ilands and broken grounds.” (Purchas, Pilgrimes. p. 816.) Evenwel „gheloofde” Joris Carolus nog in 1634 „niet, dat het landt van Out-Groenlandt aen Spitsberghen vast en is, vermits de stroomen langhs Spitsbergen al uyt den Noorden comen” (Carolus, Nieuw vermeerde Licht des Zeevaerts. p. 147), en Vander Brugge schreef in datzelfde jaar (Journael der Seven Matroosen. p. 4): „Of Spitsbergen een Eylandt, of vast aan-een-palent landt sy, is tot noch toe onbekent.” Christiaan IV van Denemarken sprak echter reeds in 1631 van „die GrönländischeInsullSpitzbergen.” (Miss. v. Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632).

[752]Dat dit argument onjuist is, blijkt uit: Muller, Mare Clausum. p. 121 Noot 6.—De rechtsgrond, door de Engelschen voor hun dominium maris in de IJszee aangevoerd, was hunne occupatie als eerste reizigers in de IJszee. Ook deze bewering trachtten de Nederlanders echter te weerleggen. Zie de daartoe strekkende betoogen bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 89 vlg.

[753]Zie dit stuk van Plancius in: Hist. de Spitsb. p. 27, en bij: Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 93.

De Staten-Generaal toonden zich met het werk van Planciusingenomen en zonden het aan Jakob I om hem van het goed recht der Nederlanders te overtuigen. Maar de eigenzinnige vorst was de man niet, om zich spoedig van eene eens opgevatte meening te laten terugbrengen: hij gaf gaarne gehoor aan de »andere informatien” der Moscovische Compagnie, en »al wast dat het teghendeel duydelyck genoegh aenghewesen was,” hij kon of wilde het niet aannemen. »Of nu sulcke groote verstanden tot consideratien van so kleyne dingen niet konnen descenderen, of dat sy yets ons onbekent daer mede voor hebben, is swaerlijck te oordeelen,” merkt Wassenaer ironisch op[754].Zeker is het echter, dat de compagnie voor de walvischvangst op maatregelen zon om den koning op nadrukkelijke wijze te beduiden, dat de Nederlandsche natie niet geneigd was van de pas begonnen vaart op Spitsbergen af te zien. Hoofdzakelijk steunende op het feit, dat de Engelschen hen niet goedschiks op Spitsbergen wilden toelaten, verzochten zij van de Staten-Generaal octrooi om met uitsluiting van alle andere Nederlanders op Spitsbergen te mogen varen. Eerst door vereeniging van alle krachten hoopte men in staat te zijn, de aanvallen der Engelschen te weerstaan en tevens de groote kosten der uitrusting vergoed te krijgen. Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal het octrooi verleenden[755].Zij betoonden aan de nieuwgevormde compagnie nog verder hunne gunst door haar op haar verzoek tegen betaling eener belasting met eenige oorlogschepen bij te staan. Ook de vereeniging zelve rustte hare schepen tot den strijd toe en het liet zich aanzien, dat het jaar 1614 niet zonder bloedige botsingen in het noorden zou voorbijgaan[756].


Back to IndexNext