Chapter 22

[921]Verbalen der ambassaden naar Denemarken v. 1639 en 1641, ad 7 Oct. 1639, 11, 23 Juli, 19, 26 Sept. 1641.—In 1641 werd er zelfs van beide zijden over gesproken, dat de quaestie der restitutie in revisie op nieuw aan de Nederlandsche rechters zou worden voorgelegd. Daarvan schijnt echter niets gekomen te zijn.

[921]Verbalen der ambassaden naar Denemarken v. 1639 en 1641, ad 7 Oct. 1639, 11, 23 Juli, 19, 26 Sept. 1641.—In 1641 werd er zelfs van beide zijden over gesproken, dat de quaestie der restitutie in revisie op nieuw aan de Nederlandsche rechters zou worden voorgelegd. Daarvan schijnt echter niets gekomen te zijn.

In 1624 had de Deensche compagnie noch hare Baskische deelgenooten uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Nederlanders tot eene uitrusting durven besluiten[922].Wel schijnt het volgende jaar Gödert Braem, Johanns broeder, op Spitsbergen geweest te zijn[923],maar terwijl het proces onbeslist was, kon het verblijf op Spitsbergen naast de machtige Nederlanders voor de Denen toch niet wenschelijk zijn. De vereeniging had zich ontbonden[924]en sinds 1625 was het eiland door Denen niet meer bezocht[925].Toen echter het vonnis uitgesproken was en alle aanvragen omop andere wijze voldoening te krijgen vruchteloos waren, verleende Christiaan IV in 1630 aan Johann Braem een nieuw octrooi, waarbij het hem geoorloofd werd, met vijf of zes schepen in de Mauritius-baai te visschen. Onder die schepen zouden er twee uit Biscaaie mogen zijn[926].Zoo was aan de Staten-Generaal elk voorwendsel ontnomen, om Braem van verkoop van octrooi of oneerlijkheid te beschuldigen: de koning zelf billijkte openlijk zijne compagnieschap met de Baskische reeders. Toch was de nieuwe knoeierij erger dan de eerste. Toen de Biscaaiers er aan begonnen te wanhopen om de verzochte schadevergoeding van Braem machtig te worden, had Jean Vrolicq, een zeekapitein in hunnen dienst, van den koning van Frankrijk octrooi verzocht om op Spitsbergen te mogen varen. Wel begrijpende, dat de Nederlanders de Franschen op hun eigen naam nog minder in de Mauritius-baai zouden toelaten dan onder Deensche vlag, schijnt hij echter met Johann Braem op nieuw een contract gesloten te hebben, waarbij deze beloofde te gelijk met de Basken eene uitrusting op Spitsbergen te zullen doen. Voor de hem door de Denen verleende vergunning en de te genieten bescherming zou Vrolicq aan Braem en zijne compagnie een zeker gedeelte van zijne vangst afstaan. De geheele compagnieschap was dus evenals de vorige slechts een bedekt middel om van de Franschen eene soort van recognitie te verkrijgen, en de Noordsche Compagnie had volkomen gelijk toen zij aanmerkte, dat »alhoewel het selve pas op naem van Braem van de Maj. van Denemarcken is verkreegen, soo is het eyghentlijcken ende in der daedt voor en tot behoef van de Biscayers”[927].

[922]Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.[923]Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631, in: L. D. 1631.[924]Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 166.[925]Miss. v. Christ. IV dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.[926]Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.[927]Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

[922]Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.

[923]Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631, in: L. D. 1631.

[924]Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 166.

[925]Miss. v. Christ. IV dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

[926]Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.

[927]Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

In den zomer van 1631 verscheen nu Gödert Braem met een wel toegerust schip op Spitsbergen en weldra volgde Vrolicq met een klein scheepje uit Havre de Grace. Aanvankelijk scheen het geluk hen niet te begunstigen. Gedurende de jarenlange afwezigheid der Denen van Spitsbergen hadden de Nederlanders zich niet alleen meester gemaakt van het na het overhaast vertrek der Basken in 1623 achtergelaten gereedschap, maar ook langzamerhand het door hunne deelgenooten aan de Mauritius-baai gebruikte terrein in bezit genomen en met hunne schuren bezet. In de meening, dat de Denen niet terug zouden komen, hadden zij zelfs een fort ter verdediging daarbij gebouwd. Toen Gödert Braem dus in 1631 aankwam, vond hij zijne plaats grootendeels ingenomen[928].Klachten baatten natuurlijk niet en hij koos dusmet zijnen medgezel de Robbenbaai op het later naar de Denen genoemde eiland voor zijne vestiging[929].Deze baai was wel is waar binnen het beweerde Nederlandsche gebied, maar toch op eenigen afstand van de Mauritius-baai gelegen, en er was geen het minste gevaar, dat beide natiën elkaar hinderen zouden. Toch waren de beide schepen daar nauwelijks met de walvischvangst begonnen, of de Nederlandsche commandeur naderde Braem, verzocht zijne paspoorten van den koning van Denemarken te zien en vroeg tevens of Vrolicq bij hem behoorde en door hem beschermd en gehandhaafd zou worden. Braem, reeds korzelig gestemd, antwoordde, dat hij niet verplicht was de eerste vraag te beantwoorden, en wat de tweede betrof verklaarde hij eenigszins ontwijkend, dat Vrolicq »son inthime amij” was en als zoodanig door hem behandeld zou worden. Vrolicq zelf weigerde na overleg met Braem zijne papieren te toonen. De Nederlandsche commandeur verbood hem toen te visschen en bedreigde hem met gewelddadige verhindering in zijn voornemen, maar toen Braem daarop dadelijk eenige kanonnen liet zien en zich gereed maakte Vrolicq te verdedigen, waren de Nederlanders toch te onzeker over de betrekking, die tusschen Denen en Franschen bestond, om het na al het over de gebeurtenis van 1623 voorgevallene tot geweld te durven laten komen. Zij hielden af en de beide schepen vischten verder gerust[930].

[928]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.—Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.[929]Toch waren er nog in 1634 Deensche vaten op het Amsterdamsche eiland. (Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 29); het kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s groote Zee-atlas (I p. 72) noemt daar zelfs nog een „Deensche Tent.” Denkelijk waren de Deensche bezittingen aan de Enkhuizensche kamer overgegaan, maar hadden zij den naam behouden. (Krt. v. de Maur.-b. in den Zee-atlas v. V. Keulen I p. 72, jcto. de beschr. daarvan ald.—Vgl. hiervóorp. 143.)[930]Protest v. de bewindh. der N. C., als bijl. D achter hun req. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zie ook de rescriptie der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.

[928]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.—Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.

[929]Toch waren er nog in 1634 Deensche vaten op het Amsterdamsche eiland. (Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 29); het kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s groote Zee-atlas (I p. 72) noemt daar zelfs nog een „Deensche Tent.” Denkelijk waren de Deensche bezittingen aan de Enkhuizensche kamer overgegaan, maar hadden zij den naam behouden. (Krt. v. de Maur.-b. in den Zee-atlas v. V. Keulen I p. 72, jcto. de beschr. daarvan ald.—Vgl. hiervóorp. 143.)

[930]Protest v. de bewindh. der N. C., als bijl. D achter hun req. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Zie ook de rescriptie der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.

Naar mijn inzien had de Noordsche Compagnie dan ook geen recht, om Braem of Vrolicq over hun gedrag lastig te vallen. De geheel toevallige omstandigheid, dat de beide schepen dit jaar niet in de Mauritius-baai maar in de Robbenbaai terecht kwamen, schijnt mij voor het recht der Denen beslissend. Het gebied der Nederlanders op Spitsbergen toch was wel niet, zooals Vrolicq later verklaarde, »soo onseecker als hare begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten gaende,” maar het kon toch niet ontkend worden, dat de Nederlanders, hoe klein het gedeelte van Spitsbergens kust, waarop zij aanspraak maakten, ook was, zich meer aanmatigden dan de geringe omvang hunner visscherijwettigde. Van de geheele uitgestrektheid van Fairhaven tot Maudlensound toch werd alleen de Mauritius-baai en het Amsterdamsche eiland door hen jaarlijks bezocht; bepaaldelijk in de Robbenbaai schijnen zij zich vóor 1631 niet vertoond te hebben[931].En de beweerde overeenkomst met de Engelschen, waarbij hun de geheele noordwesthoek van Spitsbergen afgestaan heette te zijn, mocht tegen dezen als wapen gebezigd kunnen worden; de Denen noch eenig ander volk zouden zich zeker storen aan eene regeling, waardoor eene geheele uitgestrektheid lands, waar veel winst te behalen was, aan het verkeer onttrokken werd ter wille van eene natie, die misschien de noodige formaliteiten vervuld had, maar zeker de eigenlijk gezegde inbezitneming van verreweg het grootste gedeelte van het haar afgestane land achterwege gelaten had. Volkomen met hetzelfde recht als de Nederlanders zich indertijd nevens de Engelschen op door dezen niet gebruikte plaatsen gevestigd hadden, namen nu de Denen op hunne beurt weder van de eenzame Robbenbaai bezit. De toestand van onverdeeld gemeenschappelijk bezit der Mauritius-baai door Nederlanders en Denen nam dus een einde, maar terwijl de Nederlanders voortaan dien zeeboezem voor zich alleen behielden, hadden dan ook de Denen het recht in de door hen ingenomen Robbenbaai allen toe te laten, die zij wilden.

[931]Vrolicq althans verzekerde dit herhaaldelijk. (Zie o. a. zijn request aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.) De N. C. ontkende het nooit bepaald, en de Stn.-Gen. beweerden slechts éen enkele maal, blijkbaar minder juist ingelicht, dat de N. C. de walvischvangst in de bedoelde baai niet alleen sinds lang had geoefend, maar zelfs daarvan had bezitgenomen „bactissant leur loges et dressans tout leur appareil necessaire.” (Antw. der Stn.-Gen. aan Baugy dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.)

[931]Vrolicq althans verzekerde dit herhaaldelijk. (Zie o. a. zijn request aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. N. C. R.-A.) De N. C. ontkende het nooit bepaald, en de Stn.-Gen. beweerden slechts éen enkele maal, blijkbaar minder juist ingelicht, dat de N. C. de walvischvangst in de bedoelde baai niet alleen sinds lang had geoefend, maar zelfs daarvan had bezitgenomen „bactissant leur loges et dressans tout leur appareil necessaire.” (Antw. der Stn.-Gen. aan Baugy dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.)

Hoewel dus de verplaatsing der Deensche walvischvangst naar de Robbenbaai het gunstige gevolg scheen te zullen hebben, dat de koning in zijne plannen met de Basken bij beter recht ook meer kans van slagen hebben zou, was Christiaan IV echter niet geneigd zich zonder protest te laten verdringen. Weldra verscheen Gödert Braem in Den Haag met brieven van den koning, die klaagde, dat de Noordsche Compagnie zich niet ontzien had een groot gedeelte van de plaats »vff der von vnserm Königreich Norweg dependirenden Grönländischen Insull Christiansbergen, von anderen Spitzbergen genand,” waar de Denen van ouds gewoon waren te visschen, zich toe te eigenen en te bebouwen. Onder bedreiging met krachtige maatregelen verzocht de koning kort en goed »restitution und demolition[932].” De zaak werd nog nader aangedrongen[933],maar de Staten-Generaal gaven niet dan uitstellend antwoord en er kwam ook verder niets van eenige voldoening. Ook scheen dit onnoodig: de Deensche walvischvaarders vestigden zich voor goed in de Robbenbaai; zij hadden daar en misschien in het nabijgelegen Deensche gat even goede gelegenheid voor hun bedrijf als vroeger, zonder ooit met de Nederlanders te behoeven in aanraking te komen.

[932]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.—R. S.-G. 13 Mrt. 1632.[933]Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.—R. S.-G. 31 Mrt., 24 Juli 1632.

[932]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.—R. S.-G. 13 Mrt. 1632.

[933]Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.—R. S.-G. 31 Mrt., 24 Juli 1632.

De gelegenheid om de Baskische walvischvaarders op Spitsbergen binnen te leiden scheen dus nu schooner dan ooit. Ongelukkig liet juist op dit oogenblik de ondankbare Vrolicq zijne beschermers in den steek. Hoewel hem in 1631 ongetwijfeld alleen door de tusschenkomst van Gödert Braem het verblijf in de Robbenbaai gegund was, schijnt hij gemeend te hebben, dat hij nu ook voortaan wel zonder van zijne daden rekenschap te geven op Spitsbergen zou kunnen verkeeren. Dadelijk na zijne terugkomst in Frankrijk verkondigde hij dan ook, dat de Nederlanders de Fransche paspoorten erkend hadden en hij maakte zich gereed zelfstandig op Spitsbergen te verschijnen. Wij zullen spoedig zien, dat zijne onafhankelijkheid hem ten minste aanvankelijk slecht bekwam[934];voorloopig houden wij ons alleen met de Denen bezig.

[934]Zie hierover meer inHfdst. VIII.

[934]Zie hierover meer inHfdst. VIII.

Johann Braem liet zich niet ontmoedigen: nu Vrolicq hem ontvallen was, knoopte hij dadelijk onderhandelingen met andere Franschen aan. Het gelukte hem werkelijk eenige Basken, wien de walvischvangst aan Spitsbergen door het uitsluitend octrooi, dat Richelieu aan Vrolicq verleend had, gesloten was, voor zijn plan te winnen en in den zomer van 1632 verschenen nevens Gödert Braem twee Biscaaische schepen, de »Pigeon blanc” kapitein Pierre Bathon[935]en de »Ste. Marie” kapitein Jean De Sigaroy in de Robbenbaai. Commandeur Jacob Jansz. Duynkercker, doortastender maar ook minder nauwgezet dan het vorige jaar, gelastte hun echter dadelijk te vertrekken. Braem schijnt zijne beschermelingen niet tegen den bepaalden wil der Nederlanders in de Robbenbaai te hebben kunnen handhaven en de Basken moesten voor de overmacht bukken en zich naar de Noordkaap begeven. Om zich te wreken wachtten zij echter daar het vertrek der Nederlandsche walvischvaarders van Jan Mayen-eiland af en zeilden toen daarheen. Den 31 Augustus 1632 landden zij, braken de verlatene schuren der Nederlandersopen, roofden niet minder dan 600 quarteelen van de daar achtergelatene traan en meer dan 200,000 pond walvischbaarden. Ook gereedschappen tot de walvischvangst werden medegevoerd; wat niet draagbaar was werd vernield[936]en toen de schepen der Noordsche Compagnie in 1633 weder op het eiland aankwamen, begrootten zij de schade op veel meer dan ƒ 100,000. Van eenige Basken vernam men al spoedig, wie de daders waren[937].

[935]Ik kies dezen naam op goed geluk af uit de verschillende, die vermeld worden: Bathon, Balcon, Ratson en Piasion.[936]Uit vrees voor eene herhaling van dergelijke aanvallen waren de Nederlandsche matrozen, die in 1633 op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland overwinterden, dan ook zeer tegen de komst van Baskische schepen op hunne hoede. (Journ. der Seven Matroosen op Mauritius. p. 4.—Vander Brugge, Journael. p. 6.)[937]Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, ook: ald. bijl. K, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

[935]Ik kies dezen naam op goed geluk af uit de verschillende, die vermeld worden: Bathon, Balcon, Ratson en Piasion.

[936]Uit vrees voor eene herhaling van dergelijke aanvallen waren de Nederlandsche matrozen, die in 1633 op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland overwinterden, dan ook zeer tegen de komst van Baskische schepen op hunne hoede. (Journ. der Seven Matroosen op Mauritius. p. 4.—Vander Brugge, Journael. p. 6.)

[937]Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, ook: ald. bijl. K, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

Het was eene netelige zaak, waarover men van verschillende kanten en bij verschillende rechters klagen kon. De Nederlanders schijnen dan ook met de zaak verlegen geweest te zijn. Terwijl de Noordsche Compagnie volhield, de toegebrachte schade als van Baskischen oorsprong te schrijven op rekening der Fransche compagnie voor de walvischvangst, die natuurlijk tegen de daders even vijandig gezind was als zij zelve[938],klaagde zij toch bij de Staten-Generaal over de »molestie”, hun door de Denen op Spitsbergen aangedaan door het herhaalde invoeren van Fransche walvischvaarders[939].Tevens verzocht zij met nadruk, om door de Staten »by haer recht ende octroy gemainteneert te worden[940].” De Staten zeiden der compagnie wel hunne bescherming toe[941],maar durfden bij Christiaan IV, met wien men juist bezig was over eene schikking te onderhandelen, niet te klagen uit vrees voor nieuwe moeielijkheden. De koning van zijne zijde wilde niet spreken van den inbreuk, op zijn recht gemaakt door de weigering van toelating der Basken uit vrees voor eischen tot vergoeding der door hen aangerichte schade. Blijkbaar was ook Z. M. met de zaak verlegen. Hij sprak Van Cracouw een enkele maal daarover aan, en vroeg zeer naïef: »waer wil dat eijntelick heen?” Maar toen de Nederlandsche resident hem op de verkeerde gevolgen van Braems knoeierijen met de Basken wees, liet hij zich toch weldra tot eene betere regeling voor het vervolg vinden[942].Een eisch tot vergoeding der geledene schade werd eerst in 1641,toen de juiste toedracht der zaak vergeten was, in zeer overdrevene termen aan de Nederlandsche ambassadeurs op de conferentie te Staden gedaan. Weder werd de zaak zóo voorgesteld, alsof de Noordsche Compagnie Gödert Braem zelven van Spitsbergen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd van de »hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et dominij” van Denemarken over de zeeën, »die van Norwegen ende Groenlant dependeren.” Ook over deze grief verwees men echter de Denen naar de gewone rechters[943],en van de zaak, die zoolang gerust had, werd niet verder gesproken.

[938]Dupl. v. Vrolicq dd. 15 Apr. 1633 op de rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.[939]R. S.-G. 18 Jan. 1633.[940]R. S.-G. 21 Jan., 10 Febr. 1633.[941]R. S.-G. 18 Jan., 10 Febr. 1633.[942]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633,—en dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[943]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641.

[938]Dupl. v. Vrolicq dd. 15 Apr. 1633 op de rescr. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

[939]R. S.-G. 18 Jan. 1633.

[940]R. S.-G. 21 Jan., 10 Febr. 1633.

[941]R. S.-G. 18 Jan., 10 Febr. 1633.

[942]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633,—en dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[943]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641.

Terwijl alzoo Christiaan IV door zijne herhaalde verzoeken aan de Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving der Basken een stap verder gekomen was tot zijn doel, de erkenning van zijne souvereiniteit over Spitsbergen door de Biscaaiers en vooral door Nederland, had Johann Braem zelf langs omwegen hetzelfde doel trachten te bereiken. Reeds in 1631 had hij aan de Noordsche Compagnie als een groot voordeel aangeboden, dat zij tegen vergoeding der door hem in 1623 geledene schade deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den koning verleend, ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de walvischvangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen[944].Het komt mij weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschijnende aanbieding, zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan, niets anders bedoeld werd dan de compagnie tot eene daad te verlokken, waardoor zij minst genomen den schijn op zich zou laden, dat zij van den koning van Denemarken het recht op de walvischvangst tegen betaling verkregen had. De Staten-Generaal liepen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde echter kortaf[945].Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede list. Den 26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche koopman, Pelt genaamd, een handelsvriend van Braem en waarschijnlijk voor deze zaak zijn compagnon[946],tot de Staten-Generaal met verzoek om een te Amsterdam voor Johann Braem tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken te mogenlaten vertrekken[947].Op advies der Amsterdamsche admiraliteit werd het verzoek echter afgeslagen[948]en weinige dagen later gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over tot het arresteeren van een plakkaat tegen alle »directe ofte indirecte lorrendrayerien[949].” »Wij komen in ervaringe,” dus schreven de Staten-Generaal daarin, »dat deur toedoen van eenige ongeruste Menschen, de welvaert deser Vereenichde Landen benijdende, ghetracht wort de Walvisscherije, by directe ende indirecte wegen ende middelen, te contramineren, om de goede Ingesetenen deser Landen van de voorszeide Neeringe t’ ontsetten, ende de verwachte Vruchten selfs te genieten, poogende tot dien eynde in dese Vereenichde Provintien tot hen te trecken veele Inghesetenen ende Inwoonderen deser Landen, om by andere wegen als deur directie ende beleydt van de Noortsche Compagnie, binnen de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen, ende de Neeringe van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te plegen, exerceren, ende de selve elders buyten dese Lande te diverteren. Ende dat oock vele onser Ingesetenen hun vervorderen soodanige diensten aen te nemen, andere daer toe te induceren ende helpen aennemen,mitsgaders in Uytheemsche Compagnien ende voyagien te participeren, ende de selve met hun middelen te helpen formeren, streckende alle ’t selve tot groot naedeel van de voorszeide Compagnie, interest van de gemeene welvaert deser Landen, ende uyt-nemende groote schade van veele Ingesetenen van dien, daer uyt de voorszeide Compagnie is gheformeert, waer jegens nae behooren dient voorsien, ende alle mogelijcke ordre gestelt.” Op deze gronden verboden de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 1o. om in vreemde dienst ter walvischvangst uit te varen, 2o. om Nederlandsche schepen te verhuren aan vreemde walvischvaarders, en 3o. om aandeelen te nemen in vreemde compagniën voor de walvischvangst[950].Toen de Staten hunne gedragslijn zoo openlijk hadden afgebakend, was er natuurlijk aan geen inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel dan ook niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resident in Denemarken Carel Van Cracouw, maar ook de koningzelf het verzoek nog dringend aanbevalen, stuitte ook deze toeleg om Nederlandsche walvischvaarders onder de Deensche vlag te scharen af op de besliste houding der Staten-Generaal. De aanbeveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving aangenomen[951],Braem verwees men naar het plakkaat[952];de booze brief van den koning eindelijk werd ter zijde gelegd als »niet geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen hare Ho. Mo. te schryven.” Het stuk werd zelfs later teruggezonden met de vraag, »waerom datmen in dese den gewoonlicken styl was te buyten gegaen, ende hare Ho: Mo: niet gequalificeert (had) met den titul die deselve competeert[953].”

[944]R. S.-G. 26 Juli 1631.[945]R. S.-G. 28 Juli 1631.—In 1626 schijnen eenige Nederlanders gewilliger geweest te zijn, maar de slechte uitslag der walvischvangst aan de Noordkaap heeft hen zeker van het doorzetten der zaak afgeschrikt. (Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 131.)[946]Vlg. den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639 (L. D. 1639) was Philips Pelt „factoor” van Braem te Amsterdam, en „wiert hy oock verdacht te sijn in Compagnie met Jan Braem weegen de walvischvangst.”[947]R. S.-G. 26 Febr. 1633.[948]R. S.-G. 7 Mrt. 1633.[949]R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.—R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.[950]Gr. Placaetboeck. I p. 680-83.—Het plakkaat zal misschien bedoeld hebben, tegelijkertijd een einde te maken aan eenige handelingen van Nederlanders van geheel denzelfden aard met betrekking tot eene Fransche compagnie. Zie hierover meer inHfdst. VIII.[951]R. S.-G. 21 Apr., 3 Mei 1633.—Zie den brief (dd. 20/30 Mrt. 1633) in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.[952]R. S.-G. 13 Apr. 1633.[953]R. S.-G. 19 Apr. 1633.

[944]R. S.-G. 26 Juli 1631.

[945]R. S.-G. 28 Juli 1631.—In 1626 schijnen eenige Nederlanders gewilliger geweest te zijn, maar de slechte uitslag der walvischvangst aan de Noordkaap heeft hen zeker van het doorzetten der zaak afgeschrikt. (Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 131.)

[946]Vlg. den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639 (L. D. 1639) was Philips Pelt „factoor” van Braem te Amsterdam, en „wiert hy oock verdacht te sijn in Compagnie met Jan Braem weegen de walvischvangst.”

[947]R. S.-G. 26 Febr. 1633.

[948]R. S.-G. 7 Mrt. 1633.

[949]R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.—R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt. 1633. p. 15.

[950]Gr. Placaetboeck. I p. 680-83.—Het plakkaat zal misschien bedoeld hebben, tegelijkertijd een einde te maken aan eenige handelingen van Nederlanders van geheel denzelfden aard met betrekking tot eene Fransche compagnie. Zie hierover meer inHfdst. VIII.

[951]R. S.-G. 21 Apr., 3 Mei 1633.—Zie den brief (dd. 20/30 Mrt. 1633) in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

[952]R. S.-G. 13 Apr. 1633.

[953]R. S.-G. 19 Apr. 1633.

Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning, hetzij ze zijdelings of direct verzocht werd, stoutweg durfden weigeren, trachtten zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere aanzoeken verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen van Christiaan IV over zijne »Hoocheit ende Regalia” moede, wenschte men langs diplomatieken weg den koning van het impolitieke zijner handelwijze te overtuigen, toen het bleek dat de standvastige weigering hem het gekozene standpunt niet deed verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbij het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onderworpen, had de Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de zaak een goed einde zou nemen, van de gelegenheid gebruik gemaakt om er bij Christiaan IV op aan te dringen, dat hij alle reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het vervolg zou voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen te willen uitreiken en wel onder beding, dat verkoop aan vreemden ongeoorloofd zou zijn[954].Ofschoon dit verlangen zeker zeer billijk was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, wien de zaak in handen gegeven was[955],door den koning geantwoord, dat de voorstelling door de Noordsche Compagnie van Braems handelingen gegeven geheel onjuist was. Zoo de Nederlanders mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn octrooi werkelijk verkocht had, wilde de koning hem »ten exemple van anderen sonder genade straffen[956].” De Noordsche Compagnieantwoordde op deze vordering door het overleggen van een afschrift van Braems contract met de Basken, waaruit de oneerlijke handelwijze van ’s konings beschermeling duidelijk bleek. De Staten-Generaal zonden dit stuk naar Kopenhagen met eene begeleidende missive, waarin zij nader op het ophouden van alle betrekkingen met de Biscaaiers en het intrekken van Braems octrooi aandrongen. Wij kunnen niet gelooven, dus schreven de Staten, »d’jntentie van uwe Con. Mat. te syn de Walvischerije ende neringe daer an dependerende uyt uwe MateytsConinckrijck te doen diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale redenen ende de nature zelver van alle octroijen, daer toe streckende, omme de onderdanen selver ende niet vremde ende uytheemsche te gratificeren[957].” De koning moest zich met deze overtuigende bewijzen wel tevreden houden, maar aan het verzoek der Staten werd voorloopig niet voldaan. Waarschijnlijk heeft Braem »met sijne fauoriten” de zaak gesust. De onaangename toon, door Christiaan IV aangeslagen, belette verder geruimen tijd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle pogingen in dezen geest. Eerst de memorie, door de Noordsche Compagnie in 1631 aan de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer medegegeven[958],behandelde de politieke quaestie weder zeer uitvoerig. Het was eene geheime mededeeling, alleen ter instructie van de gezanten bij eventueele klachten bestemd, en laat ons dus een diepen blik in de politieke drijfveeren der twistende partijen slaan.

[954]R. S.-G. 26 Apr. 1625.[955]R. S.-G. 13 Mei 1625.[956]Miss. v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 1625.—R. S.-G. 28 Juni 1625.[957]Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 2 Jan. 1626, in: L. D. 1626.—R. S.-G. 2 Jan. 1626.[958]Zie hiervóorp. 257 Noot 6.

[954]R. S.-G. 26 Apr. 1625.

[955]R. S.-G. 13 Mei 1625.

[956]Miss. v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 1625.—R. S.-G. 28 Juni 1625.

[957]Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 2 Jan. 1626, in: L. D. 1626.—R. S.-G. 2 Jan. 1626.

[958]Zie hiervóorp. 257 Noot 6.

De Noordsche Compagnie begon met de handelwijze van Braem in deze zaak kortelijk te verhalen. Eerst had deze zijn octrooi aan de Biscaaiers verkocht en daardoor een lang en nadeelig proces met de Noordsche Compagnie moeten voeren. Daarna, toen hij zag dat zijn toeleg niet gelukte, had hij een nieuw octrooi van den koning verzocht met volmacht om de Basken daarin te mogen opnemen. Dit octrooi, schijnbaar aan Braem verleend, was in werkelijkheid alleen den Franschen voordeelig geweest, want Jean Vrolicq had tegelijkertijd een octrooi van Frankrijk gevraagd, en terwijl het zeker was, dat de Deensche onderdanen in de Fransche compagnie »niet eenen stuyver” aandeel hadden, kregen dezen alleen een zeker gedeelte van de vangst voor het verlof om op de Deensche passen te mogen varen.—Aan dit verhaal werden nu de gevolgtrekkingen vastgeknoopt, dat 1o. door het vragen van een Fransch octrooi de souvereiniteit der Denen over Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer gesteld was, twijfelachtiggemaakt werd, en 2o. dat door de slinksche streken van Johann Braem de nering der walvischvangst uit Denemarken werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste punt waren de bewindhebbers vooral uitvoerig. Uit het medegedeelde bleek voldoende, schreven zij, »met wat studie” de Basken, die vroeger meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de Noordsche Compagnie op Spitsbergen te worden toegelaten,—een verzoek, steeds »om gewichtige redenen met beleeftheyt afgeslagen,”—»van tijdt tot tijdt hadden getracht hen selven in te dringen in de Visscherie om alsoo metter tijdt de andere natiën daer van te depossederen.” Het hoofdpunt der memorie bleef dan ook het betoog »hoe schaedelijck dat het soude wesen, niet alleen voor dese Landen, maer oock voor die van Denemarcken selven, het inruymen van de Biscayers, Francoisen, ofte andere Natien, in den Walvisch-vanckst op Spitzberghen: ende dat daer mede die gantsche neringe niet alleen uyt dese Landen, maer oock uyt Dennemarcken soude werden gediverteert, en in de andere Koninckrijcken ende Landen getransporteert”[959].

[959]Zie de memorie bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.

[959]Zie de memorie bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.

Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel schijnt men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben, maar waarschijnlijk lieten zij het stuk in handen van den Nederlandschen resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebruik van maakte. De onafhankelijke stelling in 1632 door Vrolicq aangenomen, die niet schroomde tegen de Denen, die hem op Spitsbergen binnengeleid hadden, uit kracht van zijn Fransch octrooi op te treden,—de ongelukkige uitslag der proefneming door Braem met andere Basken gewaagd, openden de oogen van den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner handelwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw dadelijk een behendig gebruik; de eerste gelegenheid greep hij aan, om den koning voor de redenen der Noordsche Compagnie te winnen. De »meededelinge” der paspoorten aan de Biscaaiers, dus betoogde Van Cracouw, was de eenige oorzaak van de onaangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De Noordsche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen »alle hulpe ende assistentie” verleend, en was nog bereid daarmede voort te gaan; maar de Basken, die nu met twee schepen gekomen waren en zeker in volgende jaren met hoe langer hoe grooter uitrusting Spitsbergen zouden bezoeken, wilde men niet toelaten, »alsoo sij bij alle weegen ende middelen sochten de Neeringe ende vischerie der Compaignie te ontrecken, niet alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaigniemaer oock tot Sijne Mats. onderdanen selffs”[960].Deze redeneering vond dadelijk een gunstig onthaal. Z. M. verzocht den resident bij gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. Reeds die tweede audientie had door de behendigheid van Van Cracouw het gelukkige resultaat, dat de koning aan Braem verbood zijne paspoorten aan de Biscaaiers over te doen of met hen in compagnie te zijn. Z. M. besloot voortaan geene paspoorten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit te geven en beloofde aan Van Cracouw, dat hij de reeds verleende zou intrekken[961].Het belang der Deensche walvischvangst schijnt eindelijk de overhand behouden te hebben op ’s konings begeerte om zijn voorgewend recht erkend te zien, een recht, dat hem toch zeker minder voordeel zou opbrengen dan de handel zijner onderdanen zelf, wanneer het gelukte dien te doen bloeien.

[960]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, in: L. D. 1633.[961]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.

[960]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, in: L. D. 1633.

[961]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.

Johann Braem bukte voor den bepaalden wil des konings; hij beloofde »de Basques te willen affsnijden ende met haer geen handel meer te hebben.” Weldra bracht hij aan Van Cracouw een bezoek en betuigde voortaan weder in »goede vrundtschap ende correspondentie” met de Noordsche Compagnie te willen leven; hij zou daartoe evenals vroeger met twee Deensche schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van de compagnie hoopte hij dan ook weder de toestemming te verkrijgen, om met die twee schepen in vrede naast de hare te mogen visschen[962].De Noordsche Compagnie van hare zijde had zich reeds lang daartoe »ouerboodich” verklaard en alle moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het verzoek begroet en zoo was de quaestie eindelijk in der minne geschikt[963].

[962]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.[963]Van Deensche zijde werd tevens beloofd, dat men moeite zou doen de intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v. Van Cracouw dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.) Spoedig werden echter pogingen aangewend, die met deze belofte streden. De Basken, eenmaal op Spitsbergen toegelaten, hadden zich niet laten verdrijven. Christiaan IV besloot toen, op nieuw te trachten, van hen zooveel voordeel te trekken als mogelijk was. Op het laatst van 1635 verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde te bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning van Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen zouden. De gezant der Staten, Pauw van Heemstede, werkte dit dadelijk tegen door het voordragen van het halfslachtige Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscherije op de voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende niemant subiect is, behalven dat d’ eerste inventeurs ende ontdeckers by preferentie mogen ende behooren te genieten de plaetsen bij haer tot so grote costen ende periculen ondeckt ende bevischt.” (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F. 1636.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder gevolg gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne tochten. (Verbaal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.)

[962]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

[963]Van Deensche zijde werd tevens beloofd, dat men moeite zou doen de intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v. Van Cracouw dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.) Spoedig werden echter pogingen aangewend, die met deze belofte streden. De Basken, eenmaal op Spitsbergen toegelaten, hadden zich niet laten verdrijven. Christiaan IV besloot toen, op nieuw te trachten, van hen zooveel voordeel te trekken als mogelijk was. Op het laatst van 1635 verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde te bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning van Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen zouden. De gezant der Staten, Pauw van Heemstede, werkte dit dadelijk tegen door het voordragen van het halfslachtige Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscherije op de voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende niemant subiect is, behalven dat d’ eerste inventeurs ende ontdeckers by preferentie mogen ende behooren te genieten de plaetsen bij haer tot so grote costen ende periculen ondeckt ende bevischt.” (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F. 1636.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder gevolg gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne tochten. (Verbaal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.)

Gedurende de eerstvolgende jaren na 1633 werd de walvischvangst tusschen de beide mogendheden niet besproken. De Deensche visscherij ontwikkelde zich langzamerhand en de Nederlanders dachten er niet aan, hunne bondgenooten in hun vreedzaam bedrijf te hinderen. Langzamerhand bedreigde echter een nieuw gevaar de goede verhouding der twee natiën. Ditmaal waren het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding waren, dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende. Terwijl gedurende den geheelen tijd van haar bestaan de uitrustingen der Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schijnen gebleven te zijn, zag men kort na 1633 het getal der Nederlandsche schepen in de IJszee plotseling toenemen. Niet de Noordsche Compagnie gaf door grootere inspanning aanleiding tot die vermeerdering; concurrenten waren in Nederland zelf tegen de bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen het altijd betrekkelijk kleine getal »interlopers”, niet alleen de sinds 1634 door acht concurreerende Hollandsche steden openlijk naar Spitsbergen gezondene schepen[964],vooral de op eenigen afstand van dit eiland gedrevene zeevisscherij deed het getal walvischvaarders klimmen. Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe, de vangst in de volle zee bleek eerlang, toen de walvisschen de baaien meer en meer verlieten, zoo voordeelig, dat de compagnie zelve eenigszins bezorgd begon te worden. De koning van Denemarken, sinds 1631 reeds uit de Mauritius-baai verdreven, begon dan ook bevreesd te worden, dat de Nederlanders zijne onderdanen zouden overvleugelen en langzamerhand geheel verdringen. Hij besloot op afdoende wijze aan de zoo ras toenemende concurrentie een einde te maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: »alleen in Vreede sittende, ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende, dede hy wat hem beliefde, ende meende hem konde geen Zee te hoogh gaen”[965].


Back to IndexNext