[964]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1econfer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[965]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[964]Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1econfer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[965]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen slechts volgens haar goedvinden en door hare welwillendheid op het aan Nederland toebehoorende Spitsbergen vischten, wel eens te kennen had gegeven, dat zij ongaarne meer dan het van ouds gebruikelijke getal van twee Deensche schepen tot de visscherijzou toelaten[966],zoo had ook Christiaan IV uit kracht van zijne beweerde souvereiniteit reeds een paar maal verzocht, dat de Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar de Mauritius-baai zouden zenden, opdat zijne onderdanen niet binnen den kleinen omvang der baai in hunne walvischvangst gehinderd zouden worden[967].Nu echter scheen het noodzakelijk dien eisch met kracht door te zetten, opdat niet ook de Robbenbaai voor de Denen gesloten zou worden. De Noordsche Compagnie had zich echter in de jaren, die sinds de quaestie met Braem verloopen waren, een goede en weinig hinderlijke nabuur getoond en Christiaan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder op Spitsbergen toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche walvischvaarders was niet van de compagnie uitgegaan, maar hoofdzakelijk van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop van Nederlandsche visschers wenschte de koning paal en perk te stellen. Geen beter middel was er om dit doel te bereiken, dan om zijne souvereiniteitsrechten, die, tot nog toe alleen een middel tot geldafpersing, sinds dat streven nutteloos gebleken was bijna niet meer genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voorgrond te stellen. Daartoe werd dan ook weldra besloten.
[966]Miss. v. Van Cracouw, dd. 5 Febr., 30 Mrt. 1633, in: L. D. 1633, en in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.—Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en: Protest der N. C. v. 1631, aldaar als bijl. D.[967]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 juli 1624, 29 Jan. 1631, in: L. D. 1624, 1631.—Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 juli 1632.
[966]Miss. v. Van Cracouw, dd. 5 Febr., 30 Mrt. 1633, in: L. D. 1633, en in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.—Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.—Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en: Protest der N. C. v. 1631, aldaar als bijl. D.
[967]Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 juli 1624, 29 Jan. 1631, in: L. D. 1624, 1631.—Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 juli 1632.
Den 10 April 1637 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van Christiaan IV van 12 Februari, waarin hij aandrong op vermindering en regeling van de uitrustingen der Nederlanders op Spitsbergen, daar de Noordsche Compagnie meer schepen uitzond »als de plaets leedt”, en vooral daar schepen niet aan de compagnie behoorende te gelijk met de hare aankwamen. Z. M. beweerde, dat zijn uitsluitend recht op het eiland door alle natiën erkend was; hij meende, dat het eene slechte vergelding was voor het verlof, den Nederlandschen walvischvaarders boven anderen »by conniventie” en uit vriendschap verleend, dat men nu door de grootere uitrustingen de Denen belette hun bedrijf te oefenen, en hij eindigde met de verklaring, dat hij vertrouwde, dat de Staten-Generaal deze handelwijze zouden afkeuren en, voordat hij tot andere maatregelen overging, zorgen, dat er voortaan niet meer Nederlandsche schepen op Spitsbergen verschenen dan tot nog toe het geval geweest was[968].
[968]R. S.-G. 10 Apr. 1637.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[968]R. S.-G. 10 Apr. 1637.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch, die nognooit met zooveel nadruk gesteld was, zeer verlegen. De resolutie op den brief des konings werd uitgesteld en de Noordsche Compagnie om inlichting gevraagd over de daarin besproken zaak[969].Weldra kwam er bij de Staten-Generaal eene remonstrantie van de compagnie over den Deenschen eisch in[970].Zij betoogde in dat stuk, dat de Nederlanders krachtens hunne ontdekking en gerust bezit sinds 1596 heeren van Spitsbergen waren geweest; dat de aanspraak der Denen op het eiland van 1617 dagteekende, toen de Noordsche Compagnie een Deensch schip uit vriendschap tot de walvischvangst had toegelaten, en dat het aan Denemarken toebehoorende Groenland een geheel ander land was dan het hier bedoelde Spitsbergen. Van hare zijde klaagde de compagnie nu, dat de Denen sinds 1617 langzamerhand het getal hunner schepen hadden vermeerderd en zoowel hierdoor als door het verkoopen der passen aan de Basken den Nederlandschen walvischvaarders veel schade hadden toegebracht; dat zij nu tegen de plakkaten der Staten-Generaal hunne uitrustingen in de Vereenigde Provinciën deden en ook hunne vangst daar verkochten tot groot nadeel der compagnie en als een blijkbare inbreuk op haar octrooi. In de hoofdgrief van den koning deelde de compagnie zelve volkomen: ook zij klaagde, dat vele schepen niet aan haar toebehoorende tegen het octrooi der Staten-Generaal aan Spitsbergen kwamen visschen en dat daardoor een voordeelige vangst onmogelijk werd. Op al deze gronden werd van de Staten-Generaal handhaving van het octrooi der Noordsche Compagnie, hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken daarop en verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden door vreemden verzocht[971].
[969]R. S.-G. 10 April 1637.[970]R. S.-G. 15 Mei, 24 Juni 1637.—De inhoud der memorie is medegedeeld bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.[971]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[969]R. S.-G. 10 April 1637.
[970]R. S.-G. 15 Mei, 24 Juni 1637.—De inhoud der memorie is medegedeeld bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[971]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
Niettegenstaande deze memorie in de vergadering der Staten-Generaal den 15 Mei eindelijk gelezen was[972],werd het antwoord op den brief van Christiaan IV steeds uitgesteld. Driemaal moest van Deensche zijde aangedrongen worden op bescheid[973].Eindelijk besloten de Staten-Generaal, toen uitstel niet langer mogelijk scheen, op advies van Holland[974]uit den brief der Noordsche Compagnie eene missive aan Christiaan IV samen te stellen[975].De Staten klaagden daarin over inbreuken op het octrooi der compagnie, die doorPelt en anderen sinds 1633 niettegenstaande het plakkaat van 11 Maart onverholen gepleegd werden[976].Er was reden tot klagen over de Deensche walvischvaarders, dus luidde het, »vermits deselve onder hun laten schuilen vele jngesetenen deser Landen diewelcke in prejuditie en tegens het Octroy, ’t welck wy aende voornoemde onse Compaignie hebben verleent deselve onderstaen den walvischvanxt te ondercruipen, daertoe gebruikende verscheiden pretexten”[977].Wanneer de koning geen orde op de zaak wilde stellen, dan werd met strenge handhaving van het plakkaat tegen de »lorrendrayerien” gedreigd. Den 26 Juni 1637 werd het stuk gearresteerd en verzonden[978].
[972]R. S.-G. 15 Mei 1637.[973]R. S.-G. 6, 15 Mei, 19 Juni 1637.[974]R. H. 19 Mei 1637.[975]R. S.-G. 24 Juni 1637.[976]Zie daarover hiervóorp. 264 vlg.—Dat de knoeierijen nog voortduurden, blijkt uit den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.[977]Zie den brief in: L. D. 1637.—Hij is afgedrukt bij: Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 226-28; de daarbij gevoegde inleiding behoort hier echter niet thuis.[978]R. S.-G. 26 Juni 1637.
[972]R. S.-G. 15 Mei 1637.
[973]R. S.-G. 6, 15 Mei, 19 Juni 1637.
[974]R. H. 19 Mei 1637.
[975]R. S.-G. 24 Juni 1637.
[976]Zie daarover hiervóorp. 264 vlg.—Dat de knoeierijen nog voortduurden, blijkt uit den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[977]Zie den brief in: L. D. 1637.—Hij is afgedrukt bij: Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 226-28; de daarbij gevoegde inleiding behoort hier echter niet thuis.
[978]R. S.-G. 26 Juni 1637.
Christiaan IV liet zich met zoo onvoldoend antwoord niet tevreden stellen. Zijne pretensie werd ontkend; in plaats van voldoening waren hem zelven klachten te gemoet gevoerd. Hij besloot de Staten-Generaal met geweld te dwingen, om den grooten toeloop van walvischvaarders, die niet eens tot de Noordsche Compagnie behoorden, te verhinderen. In den zomer van 1638 verscheen kapitein Corvitz Vhlefeldt met drie Deensche oorlogschepen in de IJszee. Nog in volle zee ontmoette hij twee schepen van de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam, genaamd de St. Pieter, kapitein Claes Melchiorsz., en de Eenhoorn, kapitein Adriaen Ollebrantsche (Hillebrantsz.?)[979],die in navolging hunner concurrenten daar met de walvischvangst bezig waren. De ontmoeting beloofde niets goeds. Immers de zeevisscherij zelve, tot nog toe alleen door mededingers der Noordsche Compagnie gedreven, was in de oogen van den Deen reeds een reden om de plegers te wantrouwen.Vhlefeldt dwong dan ook de bevelhebbers door eenige schoten met scherp dadelijk, hem hunne scheepspapieren te toonen. Hoe wel de schepen der compagnie, sinds jaren niet in hun vreedzaam bedrijf gehinderd en op niets dergelijks verdacht, de vereischte bescheiden niet bij zich hadden, schijnt het hun toch gelukt te zijn den Deen tevreden te stellen met de verzekering, dat zij Nederlanders waren en niets anders deden dan hun geoorloofd was. Tegen betaling van eene vergoeding van ƒ 10 voor elk gedaan schot liet Vhlefeldt hen gaan. Ongewoon als het echter toen nog was, de zeevisscherij door schepen der Noordsche Compagnie zelve te zien oefenen, schijnt het bedrijf der beide schepen den Deenschen kapitein toch nog altijd verdacht voorgekomen te zijn. Hij kon niet gelooven, dat de compagnie zelve de voordeelige kustvisscherij zou opgeven voor een bedrijf, dat tot nu toe alleen door hare mededingers gedreven was, en hij hield dus de beide schepen verder in het oog. En nauwelijks lieten zij het anker aan Fair foreland vallen, of hij legde beslag op schip en lading. Het was nu uitgemaakt, meende hij, dat zij door de visscherij aan Spitsbergen eene daad pleegden, die niet hun maar alleen de bevoorrechte compagnie bij uitzondering geoorloofd was. Het gelukte den Nederlanders ditmaal niet, Vhlefeldt van zijn ongelijk te overtuigen: een geheele maand bleven zij in arrest en eerst aan andere schepen der compagnie, die toen van de zaak kennis kregen, gelukte het de gevangenen in vrijheid te stellen. Daar het reeds ingeladen spek, onbereid als het was, gedurende het arrest meest gesmolten was, en de gelegenheid om dit verlies te herstellen hun door het langdurige oponthoud ontbrak, kwamen de beide schepen met groot verlies te Amsterdam aan[980].
[979]Eigenlijk zegt de Instructie der ambassade van 1639 (bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 632), dat het waren „twee Schepen van Amsterdam, toebehoorende aen deBewinthebbersvan de Noordtsche Compagnie.” Daar echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de bres stelde, komt het mij voor, dat de woorden moeielijk anders verstaan kunnen worden dan ik in den tekst deed, te meer daar een inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers zelven toch onwaarschijnlijk is.—De Denen beweerden, dat de schepen behoorden aan zekeren „Jochim Melchert,” die het verlof om naar Spitsbergen te varen en in de opene zee te visschen gekocht had van de bewindhebbers van de Amsterdamsche kamer der N. C. (Antw. v. Christ. IV dd. 7 Oct., in: Verbaal der ambass. v. 1639—Br. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Ik heb den oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie de plechtige verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen brief aan Christiaan IV dd. 29 Mrt. 1639. (L D. 1639.)[980]Het verhaal is ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639, en in de: Instructie van de Staten Generael.... voor de Heeren.... Burgh.... ende Conders van Helpen, .... gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken, dd. 14 Mei 1639.—Zie ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[979]Eigenlijk zegt de Instructie der ambassade van 1639 (bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 632), dat het waren „twee Schepen van Amsterdam, toebehoorende aen deBewinthebbersvan de Noordtsche Compagnie.” Daar echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de bres stelde, komt het mij voor, dat de woorden moeielijk anders verstaan kunnen worden dan ik in den tekst deed, te meer daar een inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers zelven toch onwaarschijnlijk is.—De Denen beweerden, dat de schepen behoorden aan zekeren „Jochim Melchert,” die het verlof om naar Spitsbergen te varen en in de opene zee te visschen gekocht had van de bewindhebbers van de Amsterdamsche kamer der N. C. (Antw. v. Christ. IV dd. 7 Oct., in: Verbaal der ambass. v. 1639—Br. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Ik heb den oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie de plechtige verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen brief aan Christiaan IV dd. 29 Mrt. 1639. (L D. 1639.)
[980]Het verhaal is ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639, en in de: Instructie van de Staten Generael.... voor de Heeren.... Burgh.... ende Conders van Helpen, .... gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken, dd. 14 Mei 1639.—Zie ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
De handelwijze van den Deenschen koning schijnt door de Nederlanders geheel verkeerd begrepen te zijn. Terwijl het Christiaan IV alleen te doen was om de in die jaren door de Staten van Holland begunstigde, veelvuldige inbreuken op het octrooi der Noordsche Compagnie te weren en zoodoende de walvischvangst zijner onderdanen voor te groote concurrentie te beveiligen, meende de compagnie, dat Z. M. niets minder bedoeld had, dan van alle Nederlandsche walvischvaarders Deensche verlofpassen voor de visscherij aan Spitsbergen te eischen en dus ook de compagnie zelve in haar jarenlang ongestoord bezit der walvischvangstte storen[981].Zij klaagde dan ook hevig bij de Staten-Generaal en dadelijk werd door dezen aan Van Cracouw geschreven, dat hij zorgen zou voor spoedige voldoening[982].
[981]R. S.-G. 9 Nov. 1638.—R. H. 3 Dec. 1638.—Instr. der ambass. v. 1639.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 538.[982]R. S.-G. 18 Oct. 1638.
[981]R. S.-G. 9 Nov. 1638.—R. H. 3 Dec. 1638.—Instr. der ambass. v. 1639.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 538.
[982]R. S.-G. 18 Oct. 1638.
De onderhandelingen, door dezen met Christiaan IV gevoerd, leidden aanvankelijk tot een gunstig gevolg. Van Cracouw stelde twee eischen. Hij verzocht 1o. reparatie van de schade, door Vhlefeldt aan de Nederlanders in hunne nering veroorzaakt, en 2o. handhaving van het recht der Noordsche Compagnie uit kracht van hare ontdekking van Spitsbergen en haar jarenlang bezit der walvischvangst. Hoewel Z. M. dit laatste punt volstrekt niet wilde toegeven en volhield, dat zelfs het geven van den naam Spitsbergen eene usurpatie was, daar het land behoorde tot de »Gronländischen Vtscheren” en »Christiansbergen” heette, toonde hij zich evenwel tot eene schikking geneigd[983].Op verzoek van den kanselier Reventlow, met wien de onderhandeling werd voortgezet, deed Van Cracouw dadelijk eenige voorslagen, om de walvischvangst der twee volken en de verdeeling van de traan tusschen hen te regelen, opdat alle oneenigheden in het vervolg voorkomen worden en beide partijen daardoor meer voordeel dan tot nog toe trekken zouden. Van Cracouw stelde voor op hoop van de goedkeuring der Noordsche Compagnie: 1o. dat de twee volken overeen zouden komen om jaarlijks een bepaald getal schepen naar Spitsbergen te zenden in verhouding tot de krachten der wederzijdsche compagniën, 2o. dat beiden zouden blijven binnen de grenzen van het nu door hen op het eiland bezeten gebied, of 3o. dat de Deensche compagnie hare traan alleen in Denemarken zou invoeren, en dat haar dit land en »heel Oostlandt” (de landen aan de Oostzee) als débouché zou worden overgelaten; terwijl de Noordsche Compagnie de landen aan de Elbe, Weser en Eems benevens Nederland, Frankrijk en de overige zuidelijke en westelijke landen van traan zou voorzien. Op het eerste gezicht beviel deze regeling Christiaan IV wel; eerst na nader onderzoek van de verhouding der beide compagniën wenschte hij zich echter bepaald uit te laten. Wat de zaak van Vhlefeldt aanging, voorloopig beloofde Z. M. (9 November 1638) onderzoek te zullen doen naar het in den zomer aan Spitsbergen voorgevallene; reeds nu gaf hij aan Van Cracouw te kennen, dat het zijne bedoeling geheel niet was de Nederlanders hunne nu eenmaal gevestigde walvischvangst te beletten. Zijn verlangen was alleen, dat zij in hunne »gepürendeschranken” blijven zouden, en hij was dan ook voornemens nieuwe vreemde indringers te weren. Mits de Nederlanders de Deensche walvischvaarders niet hinderden, wilde hij alles doen om de visscherij van beide natiën te bevestigen en te verzekeren. Inbreuken op zijne koninklijke rechten wenschte hij echter gestraft te zien[984].
[983]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 18 Nov. 1638, in: L. D. 1638.[984]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638, en de verklaring van 9 November, die als bijlage bij den brief van Van Cracouw dd. 18 November is gevoegd.
[983]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 18 Nov. 1638, in: L. D. 1638.
[984]Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L. D. 1638, en de verklaring van 9 November, die als bijlage bij den brief van Van Cracouw dd. 18 November is gevoegd.
Op deze gunstige verklaring volgde echter niets. Van Cracouw wachtte maandenlang eene nadere beslissing, maar te vergeefs. En weldra bleek het, dat de zaken weder geheel van aanzien veranderd waren en er niets goeds meer van den koning te hopen was. Het onderzoek, dat Z. M. aan Van Cracouw beloofd had in de zaak van Vhlefeldt te zullen doen, schijnt ten nadeele der Nederlanders afgeloopen te zijn: de admiraliteit van Kopenhagen besliste 25 Februari 1639, dat Vhlefeldt geheel volgens zijne Instructie gehandeld had en dat daarentegen de Nederlanders door het bevrijden der twee gearresteerde schepen gehandeld hadden als »meyneedige schelmen,” die ’s konings jurisdictie geschonden hadden[985].Christiaan IV, om politieke redenen weder minder vriendschappelijk dan vroeger jegens de Staten-Generaal gezind, nam de houding aan als wilde hij volgens dit vonnis handelen; er liep een gerucht, dat de sterke uitrusting, dit voorjaar in Denemarken gedaan, tegen de Nederlandsche walvischvaarders gericht was[986].Dadelijk werden nu de sinds lang rustende onderhandelingen door Van Cracouw op verzoek der Noordsche Compagnie weder opgevat[987].Weder stelde hij de oude eischen, schadevergoeding en verzekering voor het vervolg, maar de zaak vorderde ditmaal geheel niet. Van de Nederlandsche voorslagen tot regeling der visscherij werd niet meer gerept, en terwijl men den resident na langdurige onderhandelingen met den kanselier Fries tot het verkrijgen van schadevergoeding naar den aanstaanden Deenschen rijksdag en vandaar weder naar de justitie verwees, bleef de koning eene nieuwe schriftelijke verklaring van zijne goede bedoelingen jegens de Noordsche Compagnie weigeren met de verzekering, dat hij zich aan de nota van 9 November bleefhouden. Toch was het moeielijk door dergelijke betuigingen gerustgesteld te worden, terwijl de Deensche regeering hardnekkig weigerde aan het goede recht der beide schepen te gelooven, terwijl de verhalen over de uitrusting van Deensche oorlogschepen toenamen[988],en terwijl er zelfs voor de Kopenhaagsche admiraliteit geprocedeerd werd tusschen Vhlefeldt en Johann Braem, nog steeds het hoofd der Deensche compagnie voor de walvischvangst, wie de oorzaak was geweest van het ontsnappen der schepen en dus de schade aan den vertoornden koning moest vergoeden. De meest tegenstrijdige geruchten waren te Kopenhagen in omloop. Terwijl de een verzekerde, dat de Noordsche Compagnie, voorzien van »een nieuw vast Octrooij bij alle de Provintien geconfirmeert”, hare uitrustingen zou moeten »besnijden” en eene overeenkomst met de Deensche compagnie treffen over de onderlinge verhouding harer uitrustingen[989],wisten anderen te verhalen, dat niets dan het verkrijgen eener recognitie het geheime doel van den Deenschen vorst was; alle moeielijkheden, meenden dezen, zouden plotseling eindigen, wanneer men hiervan slechts repte[990].De ware bedoelingen van Christiaan IV bleven zoodoende een geheim, maar toch scheen er reden om ernstig ongerust te zijn.
[985]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.[986]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.—Instr. der ambass. v. 1639.[987]Zie over Van Cracouw’s onderhandelingen tot de aankomst der Nederlandsche ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 4, 11 Mrt., 14 Apr., 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.—R. S.-G. 24, 29 Mrt. 1639.—R. H. 24, 25 Mrt. 1639.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christ. IV en aan Van Cracouw dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.[988]Die verhalen bleken echter onjuist; lang schijnt men geweifeld te hebben, maar eindelijk bleven de schepen liggen. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28, 31 Mei, 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.) Nog den 9 Augustus waren zij niet vertrokken. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambassade van 1639.)[989]Als reden daarvoor werd opgegeven, dat „de traen in reputatie gehouden” moest worden, en dat bij voortduring van concurrentie de beide compagniën „sich souden consumeeren” en de vaart op Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)[990]Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV was. Uit allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te noemen: men beweerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen aan alle Nederlandsche walvischvaarders eene generale insinuatie en protestatie had laten beteekenen, waarbij hij hun uit naam van den koning op hooge boeten verbood, voortaan zonder Deensche commissiën en verlofsbrieven aan Spitsbergen te verschijnen. (Miss. der Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Deze handeling werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last gedaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Misschien had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op de visscherij aan de Noordkaap, die altijd aan vreemdelingen verboden was. (Zie hiervóorp. 240 Noot 1.) De Deensche oorlogschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van Spitsbergen het eerst gezien, en de kanselier Fries verklaarde bij deze gelegenheid uitdrukkelijk, dat zijn meester niet voornemens was de walvischvangst aan de Noordkaap zonder zijne paspoorten toe te staan, terwijl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. „sich scheen te asscribeeren Dominium Maris SeptentrionalisNorvegici.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
[985]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[986]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.—Instr. der ambass. v. 1639.
[987]Zie over Van Cracouw’s onderhandelingen tot de aankomst der Nederlandsche ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 4, 11 Mrt., 14 Apr., 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.—R. S.-G. 24, 29 Mrt. 1639.—R. H. 24, 25 Mrt. 1639.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christ. IV en aan Van Cracouw dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[988]Die verhalen bleken echter onjuist; lang schijnt men geweifeld te hebben, maar eindelijk bleven de schepen liggen. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28, 31 Mei, 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.) Nog den 9 Augustus waren zij niet vertrokken. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambassade van 1639.)
[989]Als reden daarvoor werd opgegeven, dat „de traen in reputatie gehouden” moest worden, en dat bij voortduring van concurrentie de beide compagniën „sich souden consumeeren” en de vaart op Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
[990]Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV was. Uit allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te noemen: men beweerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen aan alle Nederlandsche walvischvaarders eene generale insinuatie en protestatie had laten beteekenen, waarbij hij hun uit naam van den koning op hooge boeten verbood, voortaan zonder Deensche commissiën en verlofsbrieven aan Spitsbergen te verschijnen. (Miss. der Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Deze handeling werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last gedaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Misschien had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op de visscherij aan de Noordkaap, die altijd aan vreemdelingen verboden was. (Zie hiervóorp. 240 Noot 1.) De Deensche oorlogschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van Spitsbergen het eerst gezien, en de kanselier Fries verklaarde bij deze gelegenheid uitdrukkelijk, dat zijn meester niet voornemens was de walvischvangst aan de Noordkaap zonder zijne paspoorten toe te staan, terwijl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. „sich scheen te asscribeeren Dominium Maris SeptentrionalisNorvegici.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
Geen wonder dan ook, dat de Noordsche Compagnie op maatregelenbedacht was om zich te verdedigen. Herhaaldelijk had zij reeds op het laatst van 1638 bij de Staten-Generaal op bijstand aangedrongen. In den beginne had zij alleen verzocht om voorlichting, hoe zich den volgenden zomer jegens de Denen te gedragen[991];maar toen de Staten daarop geen voldoend antwoord konden geven, had zij bepaalde maatregelen tegen hare vijanden geëischt. Zij wenschte de hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken op haar octrooi, verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden, eindelijk bijstand met een oorlogschip[992],»niet soo seer tot assistentie (want sy waren den Deenen wel ghewassen) als om te toonen, dat sy aldaer vischten met kennis ende authoriteyt van den Staet”[993].De prins van Oranje, wiens advies was ingewonnen, had deze maatregelen wel goedgekeurd, maar toch geraden, voordat men tot geweld overging, den koning van Denemarken nog eens nadrukkelijk het recht der Vereenigde Provinciën op de visscherij bij Spitsbergen voor te dragen[994].Dienovereenkomstig hadden de Staten reeds dadelijk besloten, de ambassade, die gereed stond naar Denemarken te vertrekken, van last over deze zaak te voorzien[995].Onder den indruk der ongunstige berichten uit Denemarken werden nu deze resolutiën met kracht doorgezet. De Staten besloten de Noordsche Compagnie bij te staan met het gevraagde konvooischip, welks kapitein last kreeg de walvischvaarders overal tegen ieder, die ze lastigviel, wie het ook wezen mocht, te beschermen[996].En zoodra de onderlinge twisten der provinciën het toelieten, werd ook de Instructie voor de ambassade naar Denemarken gearresteerd[997].Burch en Coenders Van Helpen waren tot gezanten benoemd[998].
[991]R. S.-G. 2 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.[992]R. S.-G. 2, 9 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.[993]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.[994]R. S.-G. 9 Nov. 1638.—R. H. 20 Dec. 1638.[995]R. S.-G. 16 Apr. 1639.—R. H. 17 Apr. 1639.[996]R. S.-G. 11 Mrt., 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.[997]R. S.-G. 14 Mei 1639.—R. H. 12 Mei 1639.[998]R. S.-G. 14 Mei 1639.—R. H. 15, 17 Apr., 16, 19, 23 Mei 1639.
[991]R. S.-G. 2 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.
[992]R. S.-G. 2, 9 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.
[993]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[994]R. S.-G. 9 Nov. 1638.—R. H. 20 Dec. 1638.
[995]R. S.-G. 16 Apr. 1639.—R. H. 17 Apr. 1639.
[996]R. S.-G. 11 Mrt., 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.
[997]R. S.-G. 14 Mei 1639.—R. H. 12 Mei 1639.
[998]R. S.-G. 14 Mei 1639.—R. H. 15, 17 Apr., 16, 19, 23 Mei 1639.
Hunne Instructie behandelde de zaak, die ons bezig houdt, zeer uitvoerig. Na het verhaal van het met kapitein Vhlefeldt voorgevallene volgde de last om te bewerken: 1o. dat de koning den Nederlandschen walvischvaarders geen overlast meer aandoen zou, 2o. dat voortaan geen onderscheid gemaakt zou worden tusschen de leden der Noordsche Compagnie en andere Nederlandsche ingezetenen, hetzij zij octrooi hadden of niet, 3o. dat het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dat »nul ende van geender waerden en was”, daar men de Noordsche Compagnie niet behoorlijk terharer verdediging had opgeroepen, niet uitgevoerd en dus op de twee schepen, die het vorige jaar gearresteerd en nu gereed waren om met de andere weder uit te varen, geen wraak genomen worden zou, zooals het gerucht wilde dat men voornemens was. Mocht Z. M. geene ronde en afdoende verklaring willen geven, dat hij de Nederlandsche walvischvaarders voortaan ongehinderd zou laten, dan werd den gezanten aanbevolen, de zaak »wat ernstiger” aan te dringen door te wijzen op de ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, op de erkenning van hun recht door alle mededingers zelfs de Engelschen, en op het feit, dat de Denen zeer vele jaren[999]na de Nederlanders komende uit vriendschap door dezen op Spitsbergen waren toegelaten[1000].
[999]De juiste toedracht van het in 1615 en 1616 over de walvischvangst met Denemarken voorgevallene schijnt aan beide zijden vergeten geweest te zijn. De Nederlanders, meenende dat Spitsbergen in 1594 ontdekt was, beweerden, dat de Denen 23 jaar na hen op het eiland aangekomen waren (Instr. der ambass. v. 1639, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 638 vgl. p. 442); terwijl de Denen van hunnen kant het over de souvereiniteitsrechten van Christiaan IV in 1615 en 1616 voorgevallene terugbrachten tot de komst van den eersten Deenschenwalvischvaarderop Spitsbergen. (1617.) Zij verwezen dan ook naar eenen volgens hen in 1617 door Z. M. geschrevenen brief, als „van de welcke de reden sonderling soude dienen tot esclaressement ende decisie van dit geheele stuck.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambass. v. 1639.) De Stn.-Gen. antwoordden echter, dat zich in hun archief zulk een brief niet bevond, maar dat zij een afschrift zonden van de missive van 18 Februari 1616. (Miss. v. de Stn.-Gen. aan de ambass. in Denem. dd. 26 Aug. 1639, in: L. D. 1639.)[1000]„Instructie vande. . . Staten Generael. . . voor de Heeren . . . Burgh. . . ende . . . Conders van Helpen . . . gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken” dd. 14 Mei 1639. (Ook afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629 vlg.)
[999]De juiste toedracht van het in 1615 en 1616 over de walvischvangst met Denemarken voorgevallene schijnt aan beide zijden vergeten geweest te zijn. De Nederlanders, meenende dat Spitsbergen in 1594 ontdekt was, beweerden, dat de Denen 23 jaar na hen op het eiland aangekomen waren (Instr. der ambass. v. 1639, bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 638 vgl. p. 442); terwijl de Denen van hunnen kant het over de souvereiniteitsrechten van Christiaan IV in 1615 en 1616 voorgevallene terugbrachten tot de komst van den eersten Deenschenwalvischvaarderop Spitsbergen. (1617.) Zij verwezen dan ook naar eenen volgens hen in 1617 door Z. M. geschrevenen brief, als „van de welcke de reden sonderling soude dienen tot esclaressement ende decisie van dit geheele stuck.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambass. v. 1639.) De Stn.-Gen. antwoordden echter, dat zich in hun archief zulk een brief niet bevond, maar dat zij een afschrift zonden van de missive van 18 Februari 1616. (Miss. v. de Stn.-Gen. aan de ambass. in Denem. dd. 26 Aug. 1639, in: L. D. 1639.)
[1000]„Instructie vande. . . Staten Generael. . . voor de Heeren . . . Burgh. . . ende . . . Conders van Helpen . . . gaende in Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken” dd. 14 Mei 1639. (Ook afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629 vlg.)
De voorbeeldeloos lompe behandeling, die deze ambassade van Christiaan IV had te verduren, verhinderde, dat deze last behoorlijk uitgevoerd werd. Den 16 Juli 1639 in Denemarken aangekomen, hadden de gezanten eerst 25 September gelegenheid om geheel volgens het eerste gedeelte hunner Instructie de klachten der Nederlandsche walvischvaarders aan Z. M. voor te houden. Den 7 October werd hun een antwoord gezonden, waarin de koning zijne verwondering betuigde, dat de Noordsche Compagnie, terwijl hij met zoo groote kosten de walvischvaarders op Spitsbergen beschermd en alle vreemden behalve de leden der compagnie van daar geweerd had, klaagde over eene handeling, die haar niet dan voordeelig kon zijn. De twee gearresteerde schepen toch, dus beweerde de vorst, behoorden niet aan de Noordsche Compagnie en hadden zelfs geene papieren bij zich gehad om hunne herkomst te bewijzen. Z. M. herhaalde de verklaring aan VanCracouw gedaan, dat hij de compagnie volgens de oude gewoonte op Spitsbergen wilde toelaten, maar »der ferner unconditionnirter Fischfanck”, die tot nadeel van de compagnie en van de geheele. walvischvangst moest strekken, zou hij niet dulden, evenmin als de Staten-Generaal die zeker wilden begunstigen. Hadden de Nederlanders echter bezwaren tegen het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dan konden zij door beroep op den koning zelven spoedig eene beslissing verwachten. Alsof dit alles nog niet genoeg geweest ware om de Nederlanders teleur te stellen, werd de oude zaak van Johann Braem op nieuw opgerakeld en op voldoening aangedrongen.
Voordat de Nederlandsche ambassade een repliek gereed had, was Christiaan IV reeds weder vertrokken en de Staten-Generaal riepen hunne gezanten op het eerste bericht van hun wedervaren terug. (28 November 1639[1001].) In December ontvingen de Staten eene nadere verklaring van den koning, waarin hij echter over dit punt volkomen hetzelfde zeide als reeds aan de ambassadeurs in het kort geantwoord was[1002].
[1001]Zie over deze ambassade: Verbaal der ambassade van 1639, vooral ad 25 Sept., 7 Oct. 1639; ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 633-36.[1002]Zie deze „naerder verklaringh” bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 636.
[1001]Zie over deze ambassade: Verbaal der ambassade van 1639, vooral ad 25 Sept., 7 Oct. 1639; ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 633-36.
[1002]Zie deze „naerder verklaringh” bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 636.
De Staten-Generaal stonden tegenover Denemarken dit jaar op een veel te weinig onafhankelijk standpunt, om den machtigen vorst, dien men evenals Karel I van sterke Spaanschgezindheid verdacht, te durven weerstreven. De behandeling, aan de ambassade van 1639 wedervaren, versterkte de Nederlandsche regeering echter in den weerzin, dien zij voor Christiaan IV had opgevat; het liet zich aanzien, dat men geene gelegenheid zou laten voorbijgaan, om zich op de inhalige mogendheid, die de Sondtollen steeds hooger opdreef, te wreken. Langzamerhand dreigde eene Zweedsch-Nederlandsche alliantie in het verschiet, en Christiaan IV begon dan ook in te zien, dat hij te ver gegaan was door de Staten-Generaal zoo grovelijk te beleedigen. Zelf deed hij eenen stap in de richting van verzoening en liet zijnen zoon, den aartsbisschop van Bremen, aan de Staten-Generaal voorstellen doen om tot eene schikking der tusschen Denemarken en Nederland hangende partikuliere quaestiën te geraken. De Staten toonden zich daartoe natuurlijk niet ongeneigd en zonden de heeren Boreel, Sonck en Van Weede in Mei 1641 als commissarissen naar eene conferentie, die te Staden gehouden zou worden. Onder de daar te behandelen punten trad wel de quaestie over den Sondtol bepaaldelijk op den voorgrond, maar ook de twisten over de walvischvangst namen eene aanzienlijke plaats in de onderhandelingen in. En geen wonder! De gedragslijn, door den koning van Denemarkenin deze zaak sedert 1637 gevolgd, dreigde den Nederlandschen handel met ernstige moeielijkheden. Christiaan IV had herhaaldelijk verklaard, dat hij ter voorkoming van te groote en voor zijne onderdanen schadelijke concurrentie alleen de schepen der Noordsche Compagnie op Spitsbergen wilde toelaten. En nu was het zoo goed als zeker geworden, dat het octrooi dezer compagnie, wanneer het met het jaar 1642 eindigde, niet zou verlengd worden, ja bij de vele concurrenten, die van alle kanten waren opgedaagd,—concurrenten, die, sinds 1636 door de Staten van Holland krachtig gesteund, onbevreesd hunne nering aan Spitsbergen zelf oefenden,—kon men het octrooi der compagnie reeds voor feitelijk vernietigd houden. Wanneer Christiaan IV dus ernstig voornam, de schepen, die niet onder de compagnie behoorden, van Spitsbergen te verdrijven, dan stond den Nederlandschen walvischvaarders eene groote schade te wachten, en het was dan ook geen wonder, dat dezen zich tot de Staten-Generaal wendden met de klacht, »dat de Coninck van Denemarcken in Spitsbergen ende andere Eijlanden naer den Noort Pool gelegen, onder pretext dat het syne Mats. Landen syn, Voorneempt te verbieden daeromtrent het gebruyck van Zee ende Lant aende Ingesetenen deser Nederlanden.”[1003]
[1003]„Instructie vande Staaten-Genl. voor de heeren . . . . haar hoog mogende Gedepde. Commissarissen, gaande naa de conferentie dag tot Staade” dd. 18 Mei 1641.
[1003]„Instructie vande Staaten-Genl. voor de heeren . . . . haar hoog mogende Gedepde. Commissarissen, gaande naa de conferentie dag tot Staade” dd. 18 Mei 1641.
In de Instructie der commissarissen, die naar Staden vertrokken, werd overeenkomstig met deze klachten de last opgenomen om te bewerken, »dat de Vaert ende Walvischvanck int Noorden by Spitsbergen ende overall vry ende onbecommert werden gelaten aende Ingesetenen deser Lande volgens het recht van Natien, ende al waere Spitsbergen van des Rycke Norwegens dependentie, gelyck tselve niet en is[1004].” In dien zin waren dan ook Boreel en zijne ambtgenooten werkzaam. Tegenover het verzoek der Nederlanders om de walvischvangst in vrijheid te mogen oefenen zonder eenigen hinder van Deensche zijde en om eventueele quaestiën daarover bij tractaat te regelen, handhaafde Christiaan IV echter zijne oude stelling, dat hij niettegenstaande zijn recht op Spitsbergen de Nederlanders daar vrij wilde toelaten en alleen uit zorg voor den handel zijner eigene onderdanen wenschte te voorkomen, »dat de Commercie door altegrooten toeloop niet en mochte comen te niet te gaen.” Ook de Staten-Generaal zouden zeker met deze handelwijze instemmen, meende de koning, en hij stelde dus voor, dat beide partijen eene overeenkomst zouden treffen »op wat voet de Commercien te stabilieren ende jegensvremde die aldaer indringen wilden, te defenderen.” Vooraf eischte Z. M. echter de belofte, dat de Deensche compagnie niet als vroeger wel eens in hare nering gehinderd en dat de reeds toegebrachte schade haar vergoed zou worden[1005].Na eenige onderhandelingen deed Z. M. zelf den eersten belangrijken stap en schreef, »dat gelyck haer Ho: Mo: dese commercie eenige jaren geleden door een sekere Compaignie gelimiteert hebben, Soo komt het syne Co: Mat. (voor) alderbest te wesen, tot verhoudinge van alle twist, ende tot meerdere profyt vande negocierende, dat men sigh te wedersyden veraccordere op een seker getael van schepen jaerlyx daerna toe te senden, ende dat buyten de genommeerde somme der Compaignie toebehoorende niemant anders toegelaten worde derwaerts te varen, Alsdan soude het aen byde perthyen connen toegestaen worden, ontrent Christiaenbergh ende het Eijlant van Johan May te mogen visschen sonder eenige verder exceptie ende condicie[1006].”
[1004]Instr. der commiss. te Staden, dd. 18 Mei 1641.[1005]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 13, 19/29 Juni, 5, 8/18, 10 Juli.[1006]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 10/20 Juli.
[1004]Instr. der commiss. te Staden, dd. 18 Mei 1641.
[1005]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 13, 19/29 Juni, 5, 8/18, 10 Juli.
[1006]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 10/20 Juli.
Niettegenstaande de uitdrukkelijke bijvoeging aan het einde van dezen voorslag, was echter daaraan reeds vroeger stilzwijgend de voorwaarde verbonden, dat Johann Braem vergoeding zou krijgen voor de schade, aan zijne schepen in 1623 en 1632 toegebracht. Van beide zijden werd deze zaak herhaaldelijk besproken, maar terwijl de Nederlanders steeds volhardden de klagenden naar de Nederlandsche rechters te verwijzen en hunne bemiddeling daartoe aan te bieden, werd dit voorwendsel door hen gebezigd voor het uitstellen van het beramen van een bepaald reglement op den door den koning voorgestelden voet. De bezwaren der Nederlanders tegen het sluiten van een tractaat zaten echter dieper: de commissarissen schijnen bij den twijfelachtigen toestand, waarin de Noordsche Compagnie verkeerde, niet recht geweten te hebben hoe zich te gedragen tegenover ’s konings voorstel, dat het bestaan eener Nederlandsche compagnie voor de walvischvangst onderstelde. Ook het bezit van Jan Mayen-eiland, dat nu voor het eerst in de onderhandelingen tusschen Denemarken en Nederland genoemd werd, kon licht tot zwarigheden aanleiding geven. Aitzema meent, dat de commissarissen ook oordeelden door verdere onderhandelingen bij veel tijdverlies niet dan nadeeliger voorwaarden te kunnen verkrijgen. Hoe dit zij, het is zeker, dat de Nederlanders aanvankelijk uitstellend, later bepaald onvoldoend antwoord gaven.
Christiaan IV volhardde echter aanvankelijk bij zijn plan. In September 1641 sloeg hij nogmaals voor, den band tusschen de wederzijdsche onderdanen nauw aan te halen doorvoortaan gezamenlijk »in Compaignie (buyten gemeene risico ofte winst nochtans)” de walvischvangst met een vooraf bepaald getal schepen aan Spitsbergen te oefenen en alle andere natiën van daar te weren. Ofschoon deze voorslag nagenoeg geheel overeenkwam met het door Van Cracouw in 1638 voorgestelde, wilden de commissarissen zich tot niets verbinden; zij beweerden nu stoutweg, dat eene regeling in den door den koning gewenschten geest onmogelijk was, daar er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer bestond[1007]en het hoogst onwaarschijnlijk heeten mocht, dat er eene nieuwe opgericht zou worden: elke regeling en beperking der Nederlandsche walvischvangst was dus ten eenenmale onmogelijk. Om die reden namen zij dan ook alleen op zich, den voorslag aan de Staten-Generaal mede te deelen. De koning uitte daarop wel den wensch, dat het octrooi der Noordsche Compagnie verlengd mocht worden, en betuigde zijne ontevredenheid, dat men niet dadelijk een tractaat wilde sluiten, maar toen de commissarissen bij hunne vroegere beweringen bleven en zelfs eene schriftelijke verklaring gaven, dat er geene compagnie voor de walvischvangst in Nederland meer bestond, gaf hij toe[1008].Waarschijnlijk uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de Staten-Generaal keurde de koning het nu eindelijk goed, dat voortaan alle Nederlandsche schepen met de Deensche vrijelijk de walvischvangst aan Spitsbergen zouden oefenen op voorwaarde, dat men zich goed gedragen en elkander niet door geweld hinderen of verdrijven zou. Het denkbeeld eener compagnie, uit leden van de beide natiën samengesteld, werd opgegeven: ook »de ongelimiteerde cours” werd door den koning vergund[1009].