[1007]Eigenlijk was deze verklaring onjuist: het octrooi in 1633 vernieuwd (ingaande met 1 Jan. 1635) eindigde eerst 31 Dec. 1642. Waarschijnlijk steunt zich dus deze stoute uitspraak alleen op de verklaring van Holland van 11 Dec. 1636, waarover meer inHfdst. IX.[1008]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 23, 26 Juli, 1 Aug., 10, 2/12, 9/19, 16/26, 18/28, 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct.[1009]Zie over deze ambassade: Verbaal der ambass. v. 1641.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 768, 788-97.
[1007]Eigenlijk was deze verklaring onjuist: het octrooi in 1633 vernieuwd (ingaande met 1 Jan. 1635) eindigde eerst 31 Dec. 1642. Waarschijnlijk steunt zich dus deze stoute uitspraak alleen op de verklaring van Holland van 11 Dec. 1636, waarover meer inHfdst. IX.
[1008]Verbaal der ambass. v. 1641 ad 23, 26 Juli, 1 Aug., 10, 2/12, 9/19, 16/26, 18/28, 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct.
[1009]Zie over deze ambassade: Verbaal der ambass. v. 1641.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 768, 788-97.
Zoo hadden de Staten-Generaal eindelijk na bijna dertigjarige onderhandelingen hunnen zin volkomen gekregen; van de souvereiniteit van Denemarken over Spitsbergen werd niet meer gerept en de Nederlanders konden voortaan ongestoord aan het eiland visschen. Was er ook geen formeel tractaat over de quaestie gesloten, de commissarissen hadden »des Koninghs handt ende zegel” over het geslotene en hadden bij eene verdere onderhandeling slechts kunnen verliezen[1010].Christiaan IV erkendede bindende kracht dezer regeling stilzwijgend, toen hij aan het einde van het verdrag van Christianopel (1645), dat over deze quaestie zweeg, instemde met de bewering, dat bij dit verdrag »alle differenten tusschen Denemarcken ende de Staeten Ghenerael geheelijck waren afghedaen ende afgehandelt[1011].”
[1010]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 795.[1011]Zie dit verdrag bij: Aitzema, Saken van Staet. III p. 13 vlg.—De aangehaalde woorden komen voor in art. XIX.
[1010]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 795.
[1011]Zie dit verdrag bij: Aitzema, Saken van Staet. III p. 13 vlg.—De aangehaalde woorden komen voor in art. XIX.
Nu de zaak dus eindelijk definitief geregeld was, beproefde Denemarken ook later niet voordeeliger voorwaarden te bedingen[1012];de alle verwachting overtreffende vermeerdering der Nederlandsche walvischvangst na de vernietiging van het octrooi der Noordsche Compagnie maakte dan ook gewelddadige handelingen tegen haar nagenoeg onmogelijk, en gedurende de geheele zeventiende eeuw bleven verder de betrekkingen tusschen Nederland en Denemarken over deze zaak van den meest vriendschappelijken aard[1013].
[1012]Dit werd trouwens weldra onnoodig: de Deensche walvischvangst kwijnde reeds sinds 1636 en de compagnie gaf de concurrentie eerlang voor lange jaren op. (Scoresby, Account. II p. 167.)[1013]Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. (R.-A.)
[1012]Dit werd trouwens weldra onnoodig: de Deensche walvischvangst kwijnde reeds sinds 1636 en de compagnie gaf de concurrentie eerlang voor lange jaren op. (Scoresby, Account. II p. 167.)
[1013]Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. (R.-A.)
Terwijl Engelschen en Denen met de Nederlanders op Spitsbergen om de opperheerschappij kampten, wendde eene andere natie pogingen aan om zich tusschen de strijdende partijen te vestigen en in vrede haar bedrijf te oefenen. Het bleek echter weldra, dat het op den voorgrond stellen van uitsluitende aanspraken en het dreigen met krachtige maatregelen de zekerste wegen waren naar het vreedzaam bezit der visscherij: de volken, die de heerschappij op Spitsbergen voerden, lieten daar slechts uit vrees of uit onmacht vreemde mededingers toe. Het was dus het lot der Fransche natie om dikwijls pogingen aan te wenden tot het vestigen der walvischvangst, maar om ook telkens in de handen van een der oppermachtige volken te vallen. Hoe zij het ook aanlegde, hetzij zij zelfstandig optrad of de heerschende volken door geldelijke opofferingen tot toegevendheid trachtte te stemmen, altijd was zij genoodzaakt hare pogingen op te geven om ze na weinige jaren met even ongelukkigen uitslag te hervatten.
In 1612 was onder de vreemde schepen, die toen voor het eerst met Engeland kwamen wedijveren, ook een Spaansch schip geweest, dat door den Engelschman Nicholas Woodcocke naar Spitsbergen geleid was. Het was uit St. Sebastiaan afkomstig, en, ervaren als de Basken door lange oefening reeds in de walvischvangst waren, brachten zij eene rijke vangst mede naar huis[1014].Het was niet te denken, dat zulk een schitterend resultaat onbekend zou blijven. Behalve verscheidene schepen uit St. Sebastiaan zelf, verschenen dan ook in 1613 vier schepen van Fransche Basken uit St. Jean de Luz op Spitsbergen. Vier wedijverende reederijen hadden van daar hare vaartuigen uitgezonden:de grootste, die van »Monsieur de Turbyde”, had een groot schip uitgereed, de andere zonden elk slechts een klein scheepje. Een dezer laatste werd dadelijk na zijne aankomst in Behouden-haven (17 Juni) door den Engelschen admiraal naar huis gezonden[1015];een ander, dat zich met het Enkhuizensche schip onder Bonner vereenigd had, onderging 23 Juni in Horn-sound hetzelfde lot[1016];het derde, aanvankelijk door Van Muyden en het schip van De Turbyde verjaagd, kreeg later tegen betaling eener belasting van 40 tonnen traan van de Engelschen verlof om in Bell-sound te visschen. (21 Juli[1017].) Het schip van de compagnie van De Turbyde, grooter en sterker dan de andere Basken, sloot eene overeenkomst met Van Muyden en zijne Nederlanders om gezamenlijk alle andere walvischvaarders uit Bell-sound te weren. Een maandlang vischten zij in vrede, maar den 21 Juli verscheen admiraal Joseph en liet het Fransche schip, dat zich dadelijk onderwierp, slechts tot de visscherij toe op voorwaarde, dat het de helft der gekookte traan en alle walvischbaarden aan de Engelschen zou uitleveren[1018].
[1014]Hist. de Spitsberghe. p. 11.—Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 715.—Edge, Dutch disturbance, bij Purchas l. c. III p. 466.[1015]Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.—Hist. de Spitsberghe. p. 21.[1016]Hist. de Spitsberghe. p. 24.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.[1017]Hist. de Spitsberghe. p. 23.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.[1018]Hist. de Spitsberghe. p. 22, 23.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.—Baffin verhaalt ad 31 Mei 1613, dat een der schepen van St. Jean de Luz van de (Moscovische) Compagnie verlof had medegebracht om op Spitsbergen te visschen. (?)
[1014]Hist. de Spitsberghe. p. 11.—Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 715.—Edge, Dutch disturbance, bij Purchas l. c. III p. 466.
[1015]Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.—Hist. de Spitsberghe. p. 21.
[1016]Hist. de Spitsberghe. p. 24.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.
[1017]Hist. de Spitsberghe. p. 23.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.
[1018]Hist. de Spitsberghe. p. 22, 23.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.—Baffin verhaalt ad 31 Mei 1613, dat een der schepen van St. Jean de Luz van de (Moscovische) Compagnie verlof had medegebracht om op Spitsbergen te visschen. (?)
Andere Franschen, die zich dit jaar op Spitsbergen vertoonden, was het niet beter gegaan. Een klein schip, te Hoorn voor zekeren Jean Macqui, een koopman te La Rochelle, uitgerust, werd 17 Juni door den Engelschen admiraal uit Behouden-haven verjaagd, en vertrok naar de Noordkaap.[1019]Een grooter schip, de »Jacques” van Bordeaux, waarop Allan Sallowes, die het vorige jaar de Nederlanders naar Spitsbergen had geleid, stuurman was, gaf zich tegelijk met dat van La Rochelle na eenige aarzeling aan de Engelschen over. Men trof de overeenkomst, dat het schip in Greenharbour zou mogen visschen en dat de eerste acht walvisschen, die men ving, voor de Engelschen zouden zijn, Sallowes had dit jaar eene goede vangst: niet alleen was hij in staat de bedongene acht walvisschen te leveren, maar met eenebuit van niet minder dan dertig visschen kon het schip 24 Augustus met de Engelschen naar huis keeren.[1020]
[1019]Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17.—Het verhaal van Baffin omtrent de verschijning van een tweede schip uit La Rochelle aan Spitsbergen (11/21 Juli 1613) schijnt op een misverstand te berusten. Het bedoelde scheepje was uit St. Jean de Luz. (Hist. de Spitsberghe. p. 23.)[1020]Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.—Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.—Het verhaal van dit laatste boekje over een roof, door de Engelschen op dit schip gepleegd, vindt zijne verklaring in het door Baffin (ad 17 Juli 1613) medegedeelde van een twist over het recht op eenen gevonden walvisch. („The order of the Biscaines is, that who so doth strike the first Harping Iron into the Whale, it is his, if his Iron hold.”)
[1019]Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17.—Het verhaal van Baffin omtrent de verschijning van een tweede schip uit La Rochelle aan Spitsbergen (11/21 Juli 1613) schijnt op een misverstand te berusten. Het bedoelde scheepje was uit St. Jean de Luz. (Hist. de Spitsberghe. p. 23.)
[1020]Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.—Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.—Het verhaal van dit laatste boekje over een roof, door de Engelschen op dit schip gepleegd, vindt zijne verklaring in het door Baffin (ad 17 Juli 1613) medegedeelde van een twist over het recht op eenen gevonden walvisch. („The order of the Biscaines is, that who so doth strike the first Harping Iron into the Whale, it is his, if his Iron hold.”)
Ernstig werd weldra tegen de aanmatigende handelwijze der Engelschen geprotesteerd door den Franschen ambassadeur te Londen, De Buisseaux. Hij drong herhaaldelijk aan op schadevergoeding en ging zelfs zoover van te beweren, dat de toeëigening, waarop Jakob I zijn recht grondde, reeds daarom niet bestaan kon, omdat de Franschen Spitsbergen lang voor de Engelschen bezeten hadden. (?) Veel liet hij zich ook voorstaan op het verlof, door den koning van Frankrijk aan de Biscaaiers van St. Jean de Luz en Bayonne verleend, om sinds 1610 tegen loon de Engelschen naar Spitsbergen te vergezellen en hen de walvischvangst te leeren.[1021]
[1021]„Verclaringh vande Francoisen opte vaert ende visschery vande Waluisschen Int noorden ontfangen vande heere du maurier den 12enMey 1615,” in: Noordsche togten. 4. Loopende N. C. R.-A.
[1021]„Verclaringh vande Francoisen opte vaert ende visschery vande Waluisschen Int noorden ontfangen vande heere du maurier den 12enMey 1615,” in: Noordsche togten. 4. Loopende N. C. R.-A.
Hoewel de Franschen zoo vast van de gegrondheid dezer dwaze aanmatigingen overtuigd waren, dat zij ze twee jaren later nog herhaalden[1022],durfden de Fransche reeders toch in 1614 geene schepen ter walvischvangst naar Spitsbergen zenden[1023].Maar dat dit slechts eene tijdelijke terughouding was, bleek weldra. Nauwelijks waren Wotton en de overige leden van het Engelsche gezantschap den 6 Mei 1615 na eenige onderhandelingen over de Nederlandsche walvischvangst uit Den Haag vertrokken[1024],of de Fransche ambassadeur Du Maurier leverde aan Oldenbarnevelt eene »verclaringh” over, waarin hij protesteerde tegen het door hem veronderstelde plan der Engelschen om met de Nederlanders eene overeenkomst te treffen, ten einde met vereende krachten alle andere natiën van Spitsbergen te verdrijven. Wij zagen reeds, dat deze verdenking volkomen ongegrond was: de Engelschen toch waren in 1615 evenmin tot eene combinatie met Nederland als met Denemarken geneigd[1025].Maar Du Maurier meendedesniettegenstaande zeker genoeg van de zaak te zijn, om bij Oldenbarnevelt ernstige pogingen aan te wenden tot verijdeling der gewaande Engelsche plannen. Onder beroep op geheel dezelfde tweeslachtige argumenten als de door Nederland in deze zaak steeds gebruikte, op de vrijheid van zee en visscherij en op het door Frankrijk verkregen bezit, verklaarde de gezant, dat Spanje en Frankrijk voornemens waren in deze zaak gezamenlijk te handelen en de walvischvangst hunner onderdanen te handhaven. Wilden de Staten-Generaal in het verbond tegen Engeland treden, het zou den verbondenen vorsten aangenaam zijn. In ieder geval was Du Maurier van plan, de Nederlandsche regeering officiëel met de voornemens der vereenigde vorsten bekend te maken, ten einde haar van eene combinatie met Engeland terug te houden[1026].
[1022]In dehierbovenaangehaalde „verclaringh.”[1023]Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1024]Zie hiervóorp. 206-8.[1025]Toch schreef ook De Groot, toen hij aan Du Maurier de hier vermelde „verclaringh” terugzond, na vele betuigingen van instemming met de houding der Franschen: „Ego cum jampridem viderem, hoc agere Anglos, ut exclusis aliis gentibus nos solos in societatem iniquissimi juris admitterent, sedulo obstiti ne veniretur ad tam turpes pactiones.” (Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.)[1026]Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.
[1022]In dehierbovenaangehaalde „verclaringh.”
[1023]Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1024]Zie hiervóorp. 206-8.
[1025]Toch schreef ook De Groot, toen hij aan Du Maurier de hier vermelde „verclaringh” terugzond, na vele betuigingen van instemming met de houding der Franschen: „Ego cum jampridem viderem, hoc agere Anglos, ut exclusis aliis gentibus nos solos in societatem iniquissimi juris admitterent, sedulo obstiti ne veniretur ad tam turpes pactiones.” (Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.)
[1026]Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.
Of het zoover gekomen is, blijkt niet; maar allicht zouden de voorstellen, hoe gewillig de Staten-Generaal zelven toen ook zijn mochten om in deze zaak eene vrijgevige politiek met betrekking tot de vreemde mogendheden te volgen[1027],afgestuit zijn op den onwil der Noordsche Compagnie. Want deze had geheel andere plannen, zooals weldra blijken zou. In den zomer van 1615 bleek de samenwerking tusschen Franschen en Spanjaarden reeds openlijk, toen twee schepen van Bordeaux, die voor eene reederij te St. Sebastiaan voeren, op Spitsbergen verschenen. De Noordsche Compagnie, die door hare groote machtsontwikkeling in 1614 en 1615 zich in de IJszee reeds eene zelfstandige plaats meende veroverd te hebben, even onaantastbaar als die der Engelschen, toonde zich echter geenszins geneigd op hare beurt weder anderen tot de met zooveel inspanning bemachtigde visscherij toe te laten. Zij weigerde bepaald den schepen verlof tot het visschen te geven. Niettegenstaande de bekende gezindheidder Staten-Generaal werden de Basken van Spitsbergen geweerd, hoewel zij zelfs aanboden om1⁄3van hunne vangst voor hunne toelating aan de Nederlanders uit te keeren[1028].Het volgende jaar gelastten de Staten de compagnie wel toegefelijker te zijn en bevalen zij uitdrukkelijk, de Biscaaiers, wanneer zij hun aanbod hernieuwden, niet alleen vriendelijk te behandelen maar ook tegen de Engelschen te beschermen[1029],maar het was te laat: de Franschen schijnen door de behandeling der Nederlanders ontmoedigd te zijn. Hoewel zij zich na 1615 nog een enkele maal aan Spitsbergen vertoond schijnen te hebben[1030],was het toch in 1619 reeds zoover gekomen, dat koning Jakob I verklaren kon, dat zij met de andere mededingers der Engelschen van de visscherij aldaar hadden afgezien[1031].Toen dit resultaat eenmaal verkregen was, weigerde de Noordsche Compagnie hen weder toe te laten; hoewel de Basken herhaaldelijk pogingen aanwendden om de visscherij met kleine schepen ongemerkt weder te beginnen en zich zelfs op nieuw bereid verklaarden voor het verlof te betalen, werd dit door de compagnie steeds »met beleeftheyt” maar zeer bepaald geweigerd[1032].In hetvorige hoofdstukis breedvoerig verhaald, hoe de ongelukkige Biscaaiers bij de Denen voor dergelijke aanbiedingen gewilliger ooren vonden, maar dat de Nederlanders ook tegenover de slinksche handelingen der vereenigde natiën hun doel niet uit het oog verloren en hardnekkig de toelating der vreemden bleven weigeren. De poging, door de Franschen beproefd om op eigen naam toegang tot de visscherij aan Spitsbergen te verkrijgen, verdient hier echter uitvoeriger beschreven te worden dan daar uit den aard der zaak geschied is.
[1027]Instr. der Stn.-Gen. voor H. Gsz. Quast en J. Jsz. Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—R. S.-G. 10 Apr. 1618.—Req. v. J. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A. (Vrolicq beweerde, dat volgens de R. S.-G. de Instructie, door den prins aan de walvischvaarders gegeven, „expresselyck mede bracht”: „dat soo verre syluyden in haere reyse ende walvisch neeringe eenighe vreemde natien comen te ontmoeten, sij luijden aen de selve verclaeren souden, haerluyden intentie niet anders te syn, dan alleenlyck vryichlyck den Walvischvanck te mogen doen, sonder imanden anders van gelycken te doen te willen beletten.” Ook „andere resolutien” waren volgens hem „by haere Ho. Mo. over dese saecke tot voordeel vande vreemde natien, ende specialyck vande ondersaeten vande Croone van Vranckryck genomen.” Alleen de drie bovenaangehaalde stukken van 1614, 1616 en 1618 komen, voorzoover ik heb kunnen nagaan, met deze beschrijving overeen.)[1028]Instr. v. Schrobop art. 15.[1029]Instr. v. Schrobop art. 11, 12.[1030]R. S.-G. 10 Apr. 1618.[1031]Muller, Mare Clausum. p. 162.[1032]Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[Bijlage XVIII]—Het bij Aitzema l. c. medegedeelde over het verzoek van „die van Sint Ian de Lux,selver oock (van) den Gouverneur(?)Grammont” aan de N. C. schijnt mij duister: alleen blijkt het, dat op de beide hierboven vermelde schepen van Bordeaux „Lestinotte” en „Le Pellecan” kapiteins waren Jean De Lasso enJean De Gramont.—Het komt mij om verschillende aanwijzingen waarschijnlijk voor, dat de pogingen der Basken om hunne walvischvangst te vestigen na 1615 beproefd werden niet aan Spitsbergen, maar aan Jan Mayen-eiland. Was het feit bewijsbaar, dan zou het zeker een argument zijn ten voordeele van Vrolicqs beweerde ontdekking van het eiland in 1612.
[1027]Instr. der Stn.-Gen. voor H. Gsz. Quast en J. Jsz. Schrobop, dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—R. S.-G. 10 Apr. 1618.—Req. v. J. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A. (Vrolicq beweerde, dat volgens de R. S.-G. de Instructie, door den prins aan de walvischvaarders gegeven, „expresselyck mede bracht”: „dat soo verre syluyden in haere reyse ende walvisch neeringe eenighe vreemde natien comen te ontmoeten, sij luijden aen de selve verclaeren souden, haerluyden intentie niet anders te syn, dan alleenlyck vryichlyck den Walvischvanck te mogen doen, sonder imanden anders van gelycken te doen te willen beletten.” Ook „andere resolutien” waren volgens hem „by haere Ho. Mo. over dese saecke tot voordeel vande vreemde natien, ende specialyck vande ondersaeten vande Croone van Vranckryck genomen.” Alleen de drie bovenaangehaalde stukken van 1614, 1616 en 1618 komen, voorzoover ik heb kunnen nagaan, met deze beschrijving overeen.)
[1028]Instr. v. Schrobop art. 15.
[1029]Instr. v. Schrobop art. 11, 12.
[1030]R. S.-G. 10 Apr. 1618.
[1031]Muller, Mare Clausum. p. 162.
[1032]Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[Bijlage XVIII]—Het bij Aitzema l. c. medegedeelde over het verzoek van „die van Sint Ian de Lux,selver oock (van) den Gouverneur(?)Grammont” aan de N. C. schijnt mij duister: alleen blijkt het, dat op de beide hierboven vermelde schepen van Bordeaux „Lestinotte” en „Le Pellecan” kapiteins waren Jean De Lasso enJean De Gramont.—Het komt mij om verschillende aanwijzingen waarschijnlijk voor, dat de pogingen der Basken om hunne walvischvangst te vestigen na 1615 beproefd werden niet aan Spitsbergen, maar aan Jan Mayen-eiland. Was het feit bewijsbaar, dan zou het zeker een argument zijn ten voordeele van Vrolicqs beweerde ontdekking van het eiland in 1612.
Weinige dagen nadat Johann Braem in zijn proces tegen de Noordsche Compagnie door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld was, verleende de kardinaal De Richelieu een octrooi voorde walvischvangst aan zekeren Jean Vrolicq. De dus begunstigde persoon was een Bask van geringe afkomst, die vele jaren in dienst der Noordsche Compagnie geweest was[1033].Later had hij de Nederlanders verlaten en was in dienst van Haraneder en Laralde,—de beide kooplieden, die na verscheidene vergeefsche pogingen bij de Noordsche Compagnie in 1623 het Deensche contract gesloten hadden,—bekend geworden met Braem. Daar de walvischvangst der Basken in 1623 dadelijk weder gestaakt werd, verscheen hij in het volgende jaar nogmaals in Nederlandschen dienst als harpoenier op Spitsbergen[1034].Maar weldra trad hij als Braems zaakwaarnemer op en nam zijne belangen in Nederland waar gedurende het eindelooze proces voor het Hof van Holland[1035].Nauwelijks namen de zaken echter voor de Denen een ongunstigen keer, of Vrolicq wendde zich tot Richelieu. De suppliant, die zich »Capitaine de la marine de la ville de St. Jean de Luz” noemde, beweerde, dat hij den 3 Juni 1612 op 711⁄2° NB. had ontdekt een eiland, Pico genaamd, dat vroeger nooit bekend geweest was. Met eenige andere Basken, die zich bij hem gevoegd hadden, zou hij daar de walvischvangst begonnen, maar weldra door de kooplieden der gepriviligiëerde Nederlandsche en Engelsche compagniën verjaagd zijn van zijne nieuwe ontdekking, die hij eerlang »à cause des grands profficts qui se font es costes d’icelle” Richelieu (ook wel Isle de Richelieu) genoemd had[1036].
[1033]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1034]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1035]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.—Vgl. R. S.-G. 10 Sept., 21 Oct. 1630.[1036]Octr. v. Richelieu aan Vrolicq. (Bijl. C v. h. Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.)
[1033]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1034]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1035]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.—Vgl. R. S.-G. 10 Sept., 21 Oct. 1630.
[1036]Octr. v. Richelieu aan Vrolicq. (Bijl. C v. h. Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.)
Laat ons hier even stilstaan, om te zien wat er van de zaak was. Reeds door de opgave van de ligging van het eiland blijkt, dat hier sprake is van het bekende Jan Mayen-eiland[1037].Zoo Vrolicqs bewering waar was, dan had hij dus een beter recht dan de Noordsche Compagnie, die eerst in 1614 het eiland ontdekteen er niet vóor 1616 de visscherij vestigde. Juist om deze reden is echter het verhaal van Vrolicq onmogelijk: al wat hij bericht van zijne onaangenaamheden in 1612 of 1613—immers alleen de onmiddellijke inbezitneming en vestiging op het eiland schiep zijn recht,—met de Noordsche Compagnie, die niet vóor 1616 en met de Moscovische Compagnie, die voor zoover mij bekend is nooit op Jan Mayen-eiland eenige acht heeft geslagen, is natuurlijk onwaar. Maar ook om andere redenen is de bewering van Vrolicq onwaarschijnlijk: wie zal het gelooven, dat iemand die in 1624 nog jong was en het niet verder gebracht had dan tot harpoenier op een Nederlandsch walvischvaarder, reeds twaalf jaren vroeger op een eigen schip reizen deed en nieuwe plaatsen ontdekte, die dadelijk rijke winst afwierpen? dat die persoon, nadat hij die winst gemaakt had, berust zou hebben in de verdrijving zijner schepen van die plaats door overweldigers, die minder recht hadden dan hij, zonder ooit over deze zaak bij zijnen machtigen koning te klagen voordat zeventien jaren daarna verloopen waren? dat een man, die later toonde even ondernemend als volhardend te zijn, niet alleen geene pogingen aanwendde om zijn recht te handhaven en zijne ontdekking te exploiteeren, maar zich integendeel in den dienst begaf eener natie, die hem verongelijkt had;—eene natie, die er natuurlijk belang bij had, dat de ontdekking geheim bleef en die dus juist de eenige was, bij wie hij met de openbaring geen voordeel doen kon. Ik aarzel dan ook niet, hoewel Vrolicq een plan der ligging van het eiland en het proces-verbaal der ontdekking overlegde, met de Noordsche Compagnie te verklaren: »que Jean Vrolicq ne prouvera jamais avoir esté en icelle Isle, qu’au service de ceux de la Compagnie flamande; qu’aussi il n’est point vraij semblable, et n’ij a nulle apparence, que ledict Vrolicq eust trouvé ladite Isle l’an 1612, et seulement l’auroit descouvert l’an 1629[1038].”
[1037]De N. C. verhaalde in 1631, dat Vrolicq walvisschen wilde vangen op „Spitzbergennoemende de selve plaetse Pico ende Richelieu.” (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.) Ook de Rouaansche admiraliteit sprak in 1633 van „la Baye de Richelieu, dict le port de S. Pierre, le long des costes du Nord et Terre verte.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. I. l. c.—De bedoelde baai is de Robbenbaai op Spitsbergen.) Toch is dit eene vergissing. Al bewees niet reeds de opgave der ligging van het eiland en de naam Pico, die klaarblijkelijk op den zeer in het oog vallenden Beerenberg slaat, dat hier sprake is van Jan Mayen-eiland, dan zou reeds het feit, dat Vrolicq lang in Nederlandschen dienst geweest was, hem wel vrijspreken van eene domme vergissing als deze. Het kan hem toch niet onbekend geweest zijn, dat Spitsbergen in 1612 reeds lang ontdekt was.[1038]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1037]De N. C. verhaalde in 1631, dat Vrolicq walvisschen wilde vangen op „Spitzbergennoemende de selve plaetse Pico ende Richelieu.” (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.) Ook de Rouaansche admiraliteit sprak in 1633 van „la Baye de Richelieu, dict le port de S. Pierre, le long des costes du Nord et Terre verte.” (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. I. l. c.—De bedoelde baai is de Robbenbaai op Spitsbergen.) Toch is dit eene vergissing. Al bewees niet reeds de opgave der ligging van het eiland en de naam Pico, die klaarblijkelijk op den zeer in het oog vallenden Beerenberg slaat, dat hier sprake is van Jan Mayen-eiland, dan zou reeds het feit, dat Vrolicq lang in Nederlandschen dienst geweest was, hem wel vrijspreken van eene domme vergissing als deze. Het kan hem toch niet onbekend geweest zijn, dat Spitsbergen in 1612 reeds lang ontdekt was.
[1038]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
In Frankrijk, waar men met de toedracht der zaken minder goed bekend was, kon Vrolicq zijn ongerijmd verhaal met kans op goed geloof doen. Hij deelde dan ook zijne gewichtige ontdekking aan Richelieu mede, beriep zich op »le droict des gens qui permet à toutes personnes d’aller pescher en mers eslonguées,” en op het recht der Basken, die, sinds jaren gewoon de IJszee ter walvischvangst te bezoeken, aan de vreemde natiën jaarlijks hunne onmisbare hulp en voorlichting verleenden. Hij wees verder op het nadeel, dat Frankrijk leed door de uitsluiting van de walvischvangst en de noodzakelijkheid om alle traan en baleinvan buitenslands te ontbieden, en eindigde met op grond van Frankrijks recht en in naam der vrijheid octrooi voor tien jaren te verzoeken voor eene compagnie, die hij met eenige Basken en andere Franschen gevormd had om de visscherij van walvisschen en andere zeemonsters te ondernemen in het noorden tusschen 60° en 80° NB.[1039].
[1039]Octrooi v. Richelieu aan Vrolicq. (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. C. l. c.)
[1039]Octrooi v. Richelieu aan Vrolicq. (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. C. l. c.)
Richelieu, die den Franschen handel zoo krachtig aanmoedigde, verleende Vrolicq dadelijk uit naam van den koning van Frankrijk het verzochte octrooi (3 Juli 1629) en gaf hem en zijne compagnie verlof om met uitsluiting van alle andere Franschen overal ten noorden van 60° en bepaaldelijk aan het eiland Richelieu walvisschen te vangen gedurende vier jaren ingaande met 1 Januari 1630, op voorwaarde dat de vangst in vier aangewezene Fransche havens ingebracht zou worden. Inbreuken op het octrooi zouden met verbeurdverklaring van schip en goed gestraft worden, maar na verloop der vier jaren zou de visscherij weder voor alle Franschen vrij zijn[1040].
[1040]Het octrooi werd echter weldra stilzwijgend verlengd door de bepaling (bij de akte van koning en kardinaal dd. 28, 30 Jan. 1632), dat geen Fransch schip het door Vrolicq op Spitsbergen ingenomen terrein dichter dan op tien mijlen zou mogen naderen gedurende zes jaren (dus tot 1638).—Zie de stukken bij: Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. G.
[1040]Het octrooi werd echter weldra stilzwijgend verlengd door de bepaling (bij de akte van koning en kardinaal dd. 28, 30 Jan. 1632), dat geen Fransch schip het door Vrolicq op Spitsbergen ingenomen terrein dichter dan op tien mijlen zou mogen naderen gedurende zes jaren (dus tot 1638).—Zie de stukken bij: Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. G.
Met dit octrooi wendde zich nu Vrolicq 27 November 1629 tot de Staten-Generaal en verzocht hen de Noordsche Compagnie te bevelen, hem »rustelick ende vredelick” te laten visschen volgens het verlof van den koning van Frankrijk. Als gewoonlijk vroeg de regeering de voorlichting der compagnie[1041]en deze haastte zich, de handelwijze van Vrolicq als »mauvaise et impertinente” voor te stellen, terwijl zijne ontdekking van het eiland ontkend werd[1042].Men besloot dan ook Vrolicq evenals vroeger Braem naar de justitie te verwijzen, om daar zijnen eisch tegen de Noordsche Compagnie in te stellen[1043];maar deze voorkwam dit en verkreeg van het Hof van Holland mandement penael tegen Vrolicq. Op welke gronden dit geschiedde blijkt niet, maar de bedreigde nam dadelijk de wijk buiten de Vereenigde Provinciën[1044]en vergenoegde zich verder met zijne zaak door den Franschen ambassadeur in Den Haag aan de Staten te laten aanbevelen. Dezen verklaarden dadelijk, dat zij de Noordsche Compagnie bij haar recht wilden handhaven, maar zij oordeelden toch »dattet soude strecken tot gerustheit van de compagnie, dat dese saeckebuyten verwyderinge werde gehouden” en trachtten dan ook de zaak door conferentiën met de bewindhebbers te schikken[1045].
[1041]R. S.-G. 27 Nov. 1629.[1042]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.[1043]R. S.-G. 18 Dec. 1629.[1044]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.[1045]R. S.-G. 4, 18 Juni 1630.
[1041]R. S.-G. 27 Nov. 1629.
[1042]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.
[1043]R. S.-G. 18 Dec. 1629.
[1044]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.
[1045]R. S.-G. 4, 18 Juni 1630.
Maar de Staten mochten zich met een goeden uitslag op zulke halve maatregelen vleien, Vrolicq kende de compagnie en haar streven beter. Hij zag reeds toen dadelijk in, dat hij niet zonder hulp tot de vrije visscherij aan Spitsbergen zou geraken. Evenals zijne vroegere patroons wendde hij zich dus tot Braem en het gevolg van het gemeen overleg was, dat de koning van Denemarken een nieuw octrooi aan de compagnie voor de walvischvangst verleende met uitdrukkelijk verlof om twee Baskische schepen onder hare uitrusting naar Spitsbergen op te nemen[1046].Nu hij zich zoodoende den steun van Denemarken verzekerd had, wendde Vrolicq zich met eenen aanbevelingsbrief van Christiaan IV nogmaals tot de Staten-Generaal, klaagde over de Noordsche Compagnie en drong zijn verzoek om toelating tot de walvischvangst nader aan[1047].Een gunstig antwoord volgde echter ook nu niet.
[1046]Zie hiervóorp. 258,259.[1047]R. S.-G. 13 Aug., 10, 20 Sept. 1630.
[1046]Zie hiervóorp. 258,259.
[1047]R. S.-G. 13 Aug., 10, 20 Sept. 1630.
Onderwijl werd in Frankrijk alles tot de visscherij gereed gemaakt. De compagnie werd te Havre de Grace gevestigd en in den zomer van 1631 verscheen Vrolicq met een klein scheepje op Spitsbergen, waar Gödert Braem met zijn schip reeds aangekomen was. Wij hebben boven gezien, dat de beide schepen door de ontwikkeling der Nederlandsche macht in de Mauritius-baai sinds 1623 daar nu geen plaats meer konden vinden en dus genoodzaakt waren in de Robbenbaai een toevlucht te zoeken. Uitvoerig werd ook reeds verhaald, hoe de Nederlandsche commandeur van Braem trachtte te vernemen, of Vrolicq bij hem behoorde, maar dat hij slechts zeer onvoldoend antwoord verkreeg. Ook Vrolicq had na overleg met Braem geweigerd zijne paspoorten en commissie te vertoonen en beweerd, dat hij aan niemand rekenschap van zijne daden schuldig was. De Nederlandsche commandeur had hem toen het visschen verboden en gedreigd hem met geweld te zullen verdrijven, maar zoodra Braem eene verdedigende houding aangenomen en eenige kanonnen ontbloot had, had hij afgehouden en beide schepen verder met vrede gelaten[1048].
[1048]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. D. l. c.—Zie ook: Req. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Vgl. hiervóorp. 259,260.
[1048]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. D. l. c.—Zie ook: Req. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Vgl. hiervóorp. 259,260.
In hetvorige hoofdstukmerkten wij reeds op, dat den Nederlanders dan ook het recht ontbrak de Denen en hunne beschermelingen uit de Robbenbaai te verdrijven: terecht beriep Vrolicqzich later herhaaldelijk op de geheele vrijheid der Robbenbaai vóor 1631. Maar overigens liet hij zich blijkbaar weinig met juridieke redeneeringen in: het was hem onverschillig met welk recht hij toegelaten werd, zoo men hem slechts in de gelegenheid stelde om winst te maken. Twee zaken waren hem volkomen duidelijk: de Nederlanders hadden hem zonder vertoon zijner commissie tot de walvischvangst toegelaten en hij was zonder hinder met een volgeladen schip te Havre de Grace aangekomen. Weinig kiesch in de keuze zijner middelen vergat hij, dat hij slechts aan de tijdige tusschenkomst van Gödert Braem zijne toelating te danken had, en dat hij krachtens zijn eigen recht alle aanspraak op de visscherij in de Robbenbaai miste. Niet inziende, dat het geheel van de Denen afhing of zij hem daar wilden toelaten, was hij dadelijk gereed zelfs tegen hen op te treden, nu hem dat voordeelig scheen. Nogmaals evenals in 1629 wilde hij beproeven, zelf zonder vreemde hulp op Spitsbergen toegelaten te worden. Hij verklaarde dus na zijne terugkomst in Frankrijk aan ieder, die het hooren wilde, dat de Nederlanders hem op zijn Fransche paspoort aan Spitsbergen hadden toegelaten,—dat hij bezit genomen had van de Robbenbaai, die hij voortaan St. Pierre noemde, en dat de Fransche compagnie de visscherij nu vrijelijk aan Spitsbergen kon oefenen[1049].Deze bewering, geheel bezijden de waarheid, kwam volstrekt niet overeen met de bedoelingen der Noordsche Compagnie. Wel begrijpende, dat het Vrolicq alleen te doen was om de walvischvangst in Frankrijk te vestigen, had zij integendeel haren commandeur gelast geen Fransch schip op Spitsbergen toe te laten. Nu de tegen hare bedoeling begunstigde Franschman zulk eene verkeerde voorstelling der zaak gaf, zweeg de compagnie dan ook niet; zij liet een verhaal van de ware toedracht der gebeurtenissen opstellen, verklaarde daarbij dat het hare bedoeling geenszins geweest was, vreemden binnen haar gebied op Spitsbergen toe te laten behalve de Denen, die zij uit vriendschap duldde, en dreigde haar octrooi evenals in 1623 met geweld tegen de Franschen te zullen handhaven. Dit protest werd tot behoud van het recht der compagnie aan Vrolicq en zijn compagnon Adriaan Ficq beteekend[1050].Het was echter te denken, dat dezen zich daardoor niet zouden laten afschrikken: Vrolicq verzocht en verkreeg zelfs van koning en kardinaal de bevestiging van zijn octrooi en verbod aan alle Franschen, die op het gerucht van zijne goede vangst zich gereed maakten uitrustingen naar Spitsbergen te doen,om de plaats waar hij zich bevond op tien mijlen te naderen[1051].Onbeschroomd verscheen hij daarop in het laatst van Juni 1632 met twee schepen weder in de Robbenbaai.
[1049]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D. l. c.[1050]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.—Het protest is daarbij gevoegd als bijlage D.[1051]Zie dit stuk als bijlage G. achter: Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.—De Fransche schepen, waarover Vrolicq klaagde, waren misschien de twee Biscaaiers, die met Deensche passen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland verschenen. (Zie hiervóorp. 262.)
[1049]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D. l. c.
[1050]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.—Het protest is daarbij gevoegd als bijlage D.
[1051]Zie dit stuk als bijlage G. achter: Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.—De Fransche schepen, waarover Vrolicq klaagde, waren misschien de twee Biscaaiers, die met Deensche passen op Spitsbergen en Jan Mayen-eiland verschenen. (Zie hiervóorp. 262.)
De overmoedige handelwijze van Vrolicq tegenover Denemarken kon onmogelijk door Christiaan IV gebillijkt worden en de Franschen stonden dus alleen tegenover de Noordsche Compagnie. Zij waren nu onafhankelijk; maar het bleek weldra, dat zij toch nog te zwak waren om op eigen beenen te staan. Gödert Braem, weder in de Robbenbaai aanwezig, liet Vrolicq naar het schijnt wel toe nevens hem te visschen, maar toen den 29 Juni de Nederlandsche commandeur Jacob Jansz. Duynkercker daar ook verscheen en Vrolicq aan boord klampte, maakte Braem zich niet als in 1631 gereed om de Franschen te verdedigen, maar wachtte kalm af hetgeen gebeuren zou. Duynkercker—steunende op den last der Noordsche Compagnie, die het uitsluitend recht der Denen op de Robbenbaai niet erkende,—verbood daarop aan Vrolicq op last der Noordsche Compagnie het visschen aan Spitsbergen. Hij liet hem aanzeggen, dat hij hem krachtens de ontdekking en toeëigening van de Mauritius-baai en de aangrenzende plaatsen door de Noordsche Compagnie en het octrooi aan haar verleend, verzocht zich te begeven naar de opene zee of elders buiten het Nederlandsche gebied, waar goede gelegenheid voor de visscherij was. Vrolicq van zijn kant beriep zich op zijn octrooi en op zijn gerust bezit en gebruik der Robbenbaai in 1631; de ontdekking en toeëigening van Spitsbergen door Nederlanders wilde hij niet ontkennen, »alsoo de selve dispute genouchsaem bij andere tegens die vande Compaignie gedaen wort,” maar het eigendomsrecht der Nederlanders op geheel Spitsbergen en met name op de Robbenbaai, waar hij beweerde dat zij nooit gevischt hadden, ontkende hij bepaaldelijk. Ten slotte wees hij op de goede verstandhouding der Staten-Generaal met Frankrijk, die met eene vijandelijke behandeling der Fransche walvischvaarders zoo weinig zou strooken[1052].Duynkercker was echter niet gezind juridieke debatten te beginnen; hij liet aan Vrolicq eenvoudigeen antwoord insinueeren, waarin hij op de reeds aangevoerde gronden dreigde, bij weigering van vertrek »genootsaeckt te sullen wesen te gebruycken soo daenige middelen van wapens ende andersints als hy soude meynen tot dienste van syn voornemen de stercxste ende crachtichste te wesen.” Vrolicq herhaalde daarop mondeling de verzekering, dat hij volgens zijn Fransche pas en verkregen recht zou voortgaan met visschen totdat hij met geweld verdreven werd[1053],en de Nederlanders waren dus wel genoodzaakt, wilden zij hun doel bereiken, geweld te gebruiken. Nauwelijks begonnen zij echter hunne bedreiging uit te voeren, of de Franschen maakten zich tot het vertrek gereed, en de zaak liep dus zonder bloedvergieten af. Vrolicq vertrok met zijne twee schepen en het derde, dat hij onderweg ontmoette, naar IJsland, waar hij echter te vergeefs trachtte eene goede vangst te doen: toen hij in het najaar te Havre de Grace binnenviel, had de reis hem niet alleen geen winst, maar zelfs een verlies van 350,000 livres opgeleverd[1054].