[1052]In de later gewisselde stukken beriep Vrolicq zich herhaaldelijk op het volkenrecht, volgens hetwelk „t’ eenemael woeste ende onbewoonde landen gehouden werden van deselve natuyre ende recht als de zee selffs.” (Req. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.) De N. C. antwoordde daarop met een beroep op de handelwijze der Franschen zelven in Canada en Terre-neuve, waar het aan alle vreemde volken verboden was te visschen of te handelen. (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. E. l. c.)[1053]Zie de drie gewisselde stukken bij elkander in: L. F. 1633 (bij de nota van Baugy dd. 11 Mrt. 1633); de twee eerste bevinden zich ook onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.[1054]Zie over deze reis van Vrolicq: Req. v. Vrolicq en v. de N. C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.
[1052]In de later gewisselde stukken beriep Vrolicq zich herhaaldelijk op het volkenrecht, volgens hetwelk „t’ eenemael woeste ende onbewoonde landen gehouden werden van deselve natuyre ende recht als de zee selffs.” (Req. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.) De N. C. antwoordde daarop met een beroep op de handelwijze der Franschen zelven in Canada en Terre-neuve, waar het aan alle vreemde volken verboden was te visschen of te handelen. (Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. E. l. c.)
[1053]Zie de drie gewisselde stukken bij elkander in: L. F. 1633 (bij de nota van Baugy dd. 11 Mrt. 1633); de twee eerste bevinden zich ook onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1054]Zie over deze reis van Vrolicq: Req. v. Vrolicq en v. de N. C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.
Dadelijk wendde Vrolicq zich dan ook tot den koning van Frankrijk; hij verzocht hem de Nederlanders te dwingen om het Fransche octrooi voortaan niet weder te schenden en om de hem en zijnen deelgenooten toegebrachte schade te vergoeden. In Frankrijk was men echter niet geneigd, om zulk eene betrekkelijk onbelangrijke zaak geweld te gebruiken en men verwees dus Vrolicq naar de Staten-Generaal als de overheid der Noordsche Compagnie, om door hunne tusschenkomst schadevergoeding en betere regeling voor het vervolg te verkrijgen[1055].Daartoe wendde zich dus Vrolicqs zaakgelastigde Isaac Mahieu, een deelgenoot der Fransche compagnie, den 11 Maart 1633 tot de Staten[Bijlage XIX]en verzocht na breedvoerig verhaal van het in 1631 en 1632 voorgevallene behalve vergoeding der geledene schade eene akte, waarbij aan de Noordsche Compagnie bepaaldelijk verboden werd de Franschen te hinderen in hunne visscherij, al werd die binnen de grenzen van haar octrooi gedreven, opdat de schepen, die Vrolicq voornemens was in 1633 weder naar Spitsbergen te zenden, ongestoord hun bedrijf zouden kunnen oefenen. Een proces over de geldigheid van het Fransche octrooi werd reeds dadelijk geweigerd: Vrolicqs ondervinding in de zaak van Braem had hemgenoeg geleerd, dat er van de Nederlandsche rechters niets te hopen was en hij schreef dus, »dat de kennisse van de qualiteyt van het octroy niet en competeert aen eenich Hoff ofte Gerichte van herwaerts over”[1056].De Fransche ambassadeur Baugy voegde bij deze memorie eene aanbevelende nota, waarin hij er op wees, dat de visscherij aan Spitsbergen den Franschen even goed als aan alle andere natiën, die jaarlijks schepen daarheen zonden, vrij moest zijn[1057].
[1055]Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.[1056]Zie het request onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Vgl. R. S.-G. 11 Mrt. 1633.[1057]Zie de nota in de: L. F. 1633.
[1055]Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1056]Zie het request onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Vgl. R. S.-G. 11 Mrt. 1633.
[1057]Zie de nota in de: L. F. 1633.
Op deze stukken, die dadelijk aan de Noordsche Compagnie gezonden werden, antwoordde deze weldra (8 April) met een breedvoerig verhaal van Vrolicqs aandeel aan haar proces met Braem, eene uiteenzetting van zijne verdere handelwijze sinds 1629, en eindelijk met hevige klachten over twee Baskische schepen, die in 1632 aan Jan Mayen-eiland de loges der compagnie geplunderd hadden[1058].De compagnie verklaarde zich bereid, met Vrolicq voor de Nederlandsche rechters te procedeeren, en verzocht onderwijl onder beroep op haar met zooveel moeite verkregen recht en onder verwijzing naar het belang der Nederlandsche walvischvaarders handhaving van haar octrooi tegen alle inbreuken[1059].Van Fransche zijde werd deze redeneering den 15 April beantwoord met eene korte uiteenzetting van Vrolicqs goed recht tot het oprichten eener Fransche compagnie voor de walvischvangst op gezag van den koning, een plan »dat by alle redelycke menschen altyts gehouden soude werden voor goet, eerlyck ende pryselyck.” Na uitvoerige wederlegging van alle hem door de Noordsche Compagnie toegedichte streken bleef Vrolicq standvastig een proces weigeren[1060].
[1058]Zie over deze hier niets ter zake doende gebeurtenis: hiervóorp. 262.—Natuurlijk is ook het aandeel van Vrolicq aan de zaak van Braem hier van geen belang.[1059]Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 8 Apr. 1633.—De N. C. beweerde o. a. in deze memorie, dat „onder de mede participanten” van Vrolicq ook waren „eenige Nederlandsche Factoors tot Roan haerlieden onthoudende, dewelcke naer apparentie oock haere meesters hadden in dese Landen.” Vrolicq antwoordde 15 April, dat door de N. C. „sonder reden ende fondament gesuspicieert werdt, dat onder zyne geassocieerde waren eenige inwoonders van dese landen, nochte ondersaeten van haere Ho: Mo:”. Niettemin waren zulke praktijken ter ontduiking van het octrooi der N. C. niet ongewoon, getuige het plakkaat der Stn.-Gen. van 11 Maart van hetzelfde jaar, waarvan boven (p. 265) sprake was.[1060]Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 15 Apr. 1633.
[1058]Zie over deze hier niets ter zake doende gebeurtenis: hiervóorp. 262.—Natuurlijk is ook het aandeel van Vrolicq aan de zaak van Braem hier van geen belang.
[1059]Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 8 Apr. 1633.—De N. C. beweerde o. a. in deze memorie, dat „onder de mede participanten” van Vrolicq ook waren „eenige Nederlandsche Factoors tot Roan haerlieden onthoudende, dewelcke naer apparentie oock haere meesters hadden in dese Landen.” Vrolicq antwoordde 15 April, dat door de N. C. „sonder reden ende fondament gesuspicieert werdt, dat onder zyne geassocieerde waren eenige inwoonders van dese landen, nochte ondersaeten van haere Ho: Mo:”. Niettemin waren zulke praktijken ter ontduiking van het octrooi der N. C. niet ongewoon, getuige het plakkaat der Stn.-Gen. van 11 Maart van hetzelfde jaar, waarvan boven (p. 265) sprake was.
[1060]Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 15 Apr. 1633.
De zaak scheen op de lange baan geschoven te zullen worden,en Baugy voegde dan ook bij Vrolicqs repliek eene nota, waarin hij op terzijdestelling van alle »longueurs affectées” aandrong[1061].De Staten-Generaal stelden toen dadelijk alle stukken, die op deze zaak betrekking hadden, in handen van den heer Van Vosberghen, om de zaak zoo mogelijk te schikken in overleg met de Noordsche Compagnie[1062].Deze, niet meer in de gelegenheid om Vrolicqs laatste vertoog te beantwoorden, en bevreesd, dat de Staten-Generaal haar in het ongelijk zouden stellen, leverde 3 Mei nog eene memorie over, waarin zij, terwijl zij haar recht op hare in Spitsbergen gevestigde kolonie nader aandrong, zich eindelijk bereid verklaarde de Franschen met twee schepen op het eiland toe te laten, maar op voorwaarde, dat zij niet verschenen binnen »den cleynen hoeck”, dien de Nederlanders voor hunne visscherij gebruikten, namelijk »buyten delimytten van Magdalenen baije ende de noorder punt ofte noorder gatt”[1063].De voorzorg was echter geheel overbodig: Vosberghens pogingen liepen vruchteloos af[1064]en Vrolicq zelf weigerde verdere wisseling van stukken, die hem nutteloos scheen[1065].Toen Baugy later op voldoening aandrong, nam de provincie Holland de zaak over[1066].Alle pogingen om haar tot een besluit te brengen waren vruchteloos, en eindelijk werd 8 November »de saecke daerbij gelaten”[1067].
[1061]Zie de nota bij de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 15 Apr. 1633.—R. H. 3 Mei 1633.[1062]R. S.-G. 15 Apr. 1633.[1063]Zie deze memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 3 Mei 1633.[1064]R. S.-G. 23 Apr., 3 Mei 1633.[1065]Mem. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Apostille v. d. notaris V. d. Aa achter de memorie der N. C. dd. 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. F. l. c.—R. S.-G. 31 Mei 1633.[1066]R. S.-G. 31 Mei 1633.[1067]R. S.-G. 2 Juni, 11 Juli, 10 Aug., 28 Sept., 17 Oct., 8 Nov. 1633.—R. H. 1 Sept.—8 Oct. 1633, p. 88.—Nota v. Baugy dd. 2 Juni 1633, in L. F. 1633.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 89.
[1061]Zie de nota bij de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 15 Apr. 1633.—R. H. 3 Mei 1633.
[1062]R. S.-G. 15 Apr. 1633.
[1063]Zie deze memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—R. S.-G. 3 Mei 1633.
[1064]R. S.-G. 23 Apr., 3 Mei 1633.
[1065]Mem. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Apostille v. d. notaris V. d. Aa achter de memorie der N. C. dd. 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.—Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. F. l. c.—R. S.-G. 31 Mei 1633.
[1066]R. S.-G. 31 Mei 1633.
[1067]R. S.-G. 2 Juni, 11 Juli, 10 Aug., 28 Sept., 17 Oct., 8 Nov. 1633.—R. H. 1 Sept.—8 Oct. 1633, p. 88.—Nota v. Baugy dd. 2 Juni 1633, in L. F. 1633.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 89.
Onderwijl had Vrolicq niet stil gezeten. Reeds den 11 Maart had hij den Staten-Generaal zijn voornemen te kennen gegeven, dit jaar weder eene uitrusting op Spitsbergen te doen en 20 Mei had Baugy in de volle statenvergadering medegedeeld, dat de schepen vertrokken waren. Werkelijk kwam Vrolicq met vier schepen den 27 Juni nogmaals in de Robbenbaai aan, maar reeds den volgenden dag ontving hij bevel van den Nederlandschen commandeur Cornelis Pietersz. Ys om bij hem aan boord te komen. Vrolicq begaf zich dadelijk naar de Mauritius-baai, waar Ys zich bevond, en er ontstond eene hevige woordenwisseling.Ys verklaarde, dat hij in het volgens zijn zeggen door de Nederlanders bezeten gebied niemand dan de Denen kon toelaten en de Franschen dus verzocht die plaats te verlaten, om ergens anders ten zuiden daarvan eene voor de walvischvangst geschikte baai op te zoeken. Vrolicq antwoordde daarop natuurlijk met een beroep op zijn octrooi, maar na herhaalde wisseling van stukken week hij eindelijk voor de bedreiging van geweld en onderwierp zich aan den eisch van den commandeur. Hij stelde eerst voor, de zoogenaamde Engelsche baai in Fairhaven voor zijne vestiging te kiezen, maar de Nederlanders ontzeiden hem nadrukkelijk het verblijf daarin, »aengesien deselue was gelegen inde visscherie ende neringe by hen geexerceert.” Ook Maudlen-sound werd om dezelfde reden afgekeurd, maar ten zuiden daarvan buiten het gezicht der Nederlanders mocht Vrolicq eene baai uitzoeken om te visschen, of zoo hij wilde zich naar de opene zee terugtrekken[1068].De Franschen vertrokken daarop eindelijk na lang talmen en niet voordat zij verscheidene malen met geweld bedreigd waren, naar eene baai op korten afstand van Maudlen-sound gelegen, die zij kort te voren hadden laten opnemen en »le Refuge Français” genoemd hadden.
[1068]Zie de zeven over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1068]Zie de zeven over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Het schijnt, dat deze wijkplaats—een kleine baai op de westkust van Spitsbergen, juist halverwege tusschen Maudlen-sound en de Hamburgerbaai[1069]—door Vrolicq met buitengewone behendigheid gekozen was; zij was gelegen »sur l’advenue des balleines” en zoo uitnemend voor de visscherij geschikt, dat de Nederlanders de concurrentie vreezende, niet alleen de Engelschen, onder wier zoogenaamd gebied de plaats behoorde, schijnen te hebben willen overhalen om de Franschen te verdrijven, maar ook later aan de Staten-Generaal bij request verzochten, dat zij Vrolicq zouden willen bevelen, zich op eenen afstand van niet minder dan tien mijlen van hunne vestiging op te houden. Van dit alles kwam echter niets; maar Vrolicq van zijne zijde was kleingeestig genoeg, om niettegenstaande het groote voordeel, dat zijne baai hem beloofde, herhaaldelijk eenige van zijne sloepen naar het noorden te zenden en ze bepaaldelijk in Maudlen-soundte laten visschen. Het was te voorzien, dat de Nederlanders dit niet zouden dulden, maar eerst nadat door hen op vijf sloepen beslag gelegd en met nog krassere maatregelen gedreigd was, bleef Vrolicq binnen de nu eenmaal door hem zelven gekozene grenzen[1070].
[1069]Zij staat als „Baskes bay” aangeteekend op de kaart der IJszee in den atlas van Colom (1656). Ook nog als „Basken bai” op Petermanns kaartje van Spitsbergens noordwesthoek achter: Lindeman, Arkt. Fisch. der Deutschen Seestädte.—Zeker heeft de Biscayer-hoek, reeds in 1633 door Vander Brugge (Journael der Seeven Matroosen. p. 8) vermeld, niets met de zaak van Vrolicq te maken; waarschijnlijk draagt hij zijnen naam naar eenige Biscaaische harpoeniers in Nederlandschen dienst.[1070]Zie de drie over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. loop. N. C. R.-A.—Zie het op deze reis voorgevallene uitvoerig verhaald in: Mem. v. de N. C. en v. Vrolicq dd. 2 Febr., 30 Mrt. (?) 1634[Bijlage XX], in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1069]Zij staat als „Baskes bay” aangeteekend op de kaart der IJszee in den atlas van Colom (1656). Ook nog als „Basken bai” op Petermanns kaartje van Spitsbergens noordwesthoek achter: Lindeman, Arkt. Fisch. der Deutschen Seestädte.—Zeker heeft de Biscayer-hoek, reeds in 1633 door Vander Brugge (Journael der Seeven Matroosen. p. 8) vermeld, niets met de zaak van Vrolicq te maken; waarschijnlijk draagt hij zijnen naam naar eenige Biscaaische harpoeniers in Nederlandschen dienst.
[1070]Zie de drie over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. loop. N. C. R.-A.—Zie het op deze reis voorgevallene uitvoerig verhaald in: Mem. v. de N. C. en v. Vrolicq dd. 2 Febr., 30 Mrt. (?) 1634[Bijlage XX], in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Nauwelijks waren de vier Fransche schepen in het vaderland teruggekeerd, of zij deelden den koning hunne bezwaren mede over de hun door het nemen der vijf sloepen toegebrachte schade; zij klaagden vooral, dat de slechte uitslag hunner reis hen voor meer dan 100,000 livres benadeeld had, en toonden zich zeer teleurgesteld, dat in hunne afwezigheid door de vereenigde bemoeiingen van Baugy en Mahieu nog geene vergoeding der schade van 1632 verkregen was. Op al deze gronden verleende dan ook de admiraliteit van Rouaan den 30 December 1633 aan Jean Vrolicq volmacht om beslag te leggen op de in Frankrijk aanwezige goederen der Noordsche Compagnie[1071],en weldra werd aan dit verlof gevolg gegeven door het arrest, gelegd op de goederen der compagnie, berustende onder kooplieden te Rouaan, Bordeaux en Bayonne[1072].Om de gevoeligheid der Franschen te toonen, was ook reeds aan de Basken verboden in Nederlandschen dienst ter walvischvangst uit te varen[1073].
[1071]Zie dit stuk als bijlage I achter het Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.—Vgl. R. H. 6 Apr. 1634.[1072]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. I. l. c.—Vgl. R. H. verg. v. 14 Mrt.—8 Apr. p. 27.[1073]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. H. l. c.
[1071]Zie dit stuk als bijlage I achter het Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.—Vgl. R. H. 6 Apr. 1634.
[1072]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. I. l. c.—Vgl. R. H. verg. v. 14 Mrt.—8 Apr. p. 27.
[1073]Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. H. l. c.
Natuurlijk werd de zaak nu in Nederland weder levendig. De Noordsche Compagnie, ondersteund door de regeeringen van verschillende Hollandsche steden, verzocht 2 Februari 1634 de tusschenkomst der Staten-Generaal tot opheffing van het arrest en intrekking van het Rouaansche vonnis; zij eischte tevens, dat de Staten zouden zorgen, dat Vrolicq haar niet meer hinderde en dat hij, zoo hij voornemens was weder op Spitsbergen te verschijnen, haar gebied niet betreden, maar integendeel tien mijlen van daar verwijderd blijven zou[1074].Ook Vrolicq zelf wendde zich op bevel van koning en kardinaal nog eenmaal met eene memorie tot de Staten en verzocht, dat zij hem vergoeding der dien zomer geledene schade verschaffen en maatregelen nemen zouden,dat hij het volgende jaar ongestoord aan Spitsbergen kon verkeeren[1075].Beide stukken werden reeds dadelijk in handen eener commissie gesteld en de zaak bleef dan ook, niettegenstaande Baugy ze »seer yverich vervolgde” en »seer hart aenhielt” om antwoord, voorloopig rusten[1076].Eerst in Mei werden er pogingen aangewend, om door conferentiën van de Noordsche Compagnie met gedeputeerden uit de Staten-Generaal de zaak te schikken; men wilde op Spitsbergen eene grensregeling maken, opdat ieder der beide partijen op haar eigen gebied hare visscherij ongehinderd zou kunnen oefenen[1077].Lang duurden de onderhandelingen, en toch schijnt men het niet eens te hebben kunnen worden[1078];eerst op het uiterste oogenblik toch werd aan Baugy, die gereed stond naar Frankrijk te vertrekken, het antwoord der Staten op zijne herhaalde vertoogen ter hand gesteld[1079].Het luidde weinig bevredigend: de Staten-Generaal wezen op het recht der Nederlanders als ontdekkers van Spitsbergen en bezitters van het land, bepaaldelijk van de Robbenbaai; de geringe omvang van het Nederlandsche gebied, waar onmogelijk de Franschen en de Nederlanders gezamenlijk zouden kunnen visschen zonder elkander wederzijds te benadeelen, werd als reden voor de weigering van toelating daarbij gevoegd. De Staten oordeelden het wenschelijk, dat de Franschen zich ten zuiden van het Nederlandsche gebied vestigden; de zaak zou zoodoende in der minne geschikt kunnen worden, en terwijl de Noordsche Compagnie behouden zou wat haar toekwam konden de Franschen op eenen onderling te bepalen afstand even goed en gemakkelijk visschen als in de zoo begeerde Robbenbaai. De Fransche regeering werd dus uitgenoodigd om met de Nederlandsche in overleg te treden, ten einde met onderling goedvinden de wederzijdsche grenzen te bepalen[1080].Over de quaestie der door beide partijen geledene schade waren de Staten-Generaal korter: er werd geklaagd over het vonnis derRouaansche admiraliteit en intrekking daarvan verzocht; de klachten van Vrolicq over hem toegebrachte schade werden als geheel ongegrond afgewezen. Eene laatste poging werd eindelijk gewaagd om de zaak bij gewoon proces te eindigen[1081].
[1074]Zie het request der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Vgl. R. S.-G. 2, 7 Febr. 1634 (waar de inhoud der memorie echter onjuist voorgesteld wordt.)[1075]Zie de memorie (dd. 30 Maart 1634?) in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1076]R. S.-G. 30 Mrt., 28 Apr. 1634.—R. H. verg. v. 14 Mrt.—8 Apr. p. 27.[1077]R. S.-G. 15, 30 Mei 1634.[1078]R. S.-G. 10, 27 Juni 1634.[1079]R. S.-G. 22, 24 Juli 1634.[1080]Zeer juist zetten de Stn.-Gen in deze nota de wel eens door de N. C. vergeten waarheid uiteen, dat de handelwijze der Nederlanders niet gerechtvaardigd werd door het octrooi der N. C., „qui n’est considérable sinon à l’endroit des sujets ou habitans des Provinces Unies.” Zij voegden er bij, „qu’ils se fondoient sur le droict de nature et des gens, suivant lequel ceux qui ont occupé et pris possession de quelque accoing de mer, ou plage et ij establij et exercé la pescherie peuvent en exclurre tous aultres, tant qu’ils continuent ceste possession, ainsij qu’ils ont faict continuellement d’an en an et le font encore pour le présent.”[1081]Zie de memorie der Stn.-Gen. dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.
[1074]Zie het request der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Vgl. R. S.-G. 2, 7 Febr. 1634 (waar de inhoud der memorie echter onjuist voorgesteld wordt.)
[1075]Zie de memorie (dd. 30 Maart 1634?) in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1076]R. S.-G. 30 Mrt., 28 Apr. 1634.—R. H. verg. v. 14 Mrt.—8 Apr. p. 27.
[1077]R. S.-G. 15, 30 Mei 1634.
[1078]R. S.-G. 10, 27 Juni 1634.
[1079]R. S.-G. 22, 24 Juli 1634.
[1080]Zeer juist zetten de Stn.-Gen in deze nota de wel eens door de N. C. vergeten waarheid uiteen, dat de handelwijze der Nederlanders niet gerechtvaardigd werd door het octrooi der N. C., „qui n’est considérable sinon à l’endroit des sujets ou habitans des Provinces Unies.” Zij voegden er bij, „qu’ils se fondoient sur le droict de nature et des gens, suivant lequel ceux qui ont occupé et pris possession de quelque accoing de mer, ou plage et ij establij et exercé la pescherie peuvent en exclurre tous aultres, tant qu’ils continuent ceste possession, ainsij qu’ils ont faict continuellement d’an en an et le font encore pour le présent.”
[1081]Zie de memorie der Stn.-Gen. dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.
Daartoe kwam het echter niet. De loop der zaken had aan ieder der twistende partijen reeds een afzonderlijk gebied aangewezen. De Staten-Generaal hadden tegen deze regeling geene bezwaren in te brengen, en er was geen enkele reden, waarom de Franschen met zulk eene schikking minder ingenomen zouden zijn. De aan Vrolicq toegebrachte schade was ook reeds op de Noordsche Compagnie verhaald. Het schijnt dan ook zeker, dat Vrolicq zonder verdere onderhandelingen zijn voornemen uitvoerde en het volgende jaar weder op Spitsbergen verscheen. De »Refuge Français” was vermoedelijk ook nu weder zijn verblijfplaats en de Nederlanders waren verstandig genoeg hunnen ouden vijand, nu hij zich eindelijk rustig hield, niet te hinderen[1082].
[1082]Op nieuwe moeielijkheden der N. C. met Vrolicq over deze zaak schijnen echter te wijzen: Accoord der Friezen met de N. C. dd. 25 Juli 1636. art. 4. bij: Aitzema. Saken v. Staet. II p. 360.—R. H. 11 Oct. 1636.
[1082]Op nieuwe moeielijkheden der N. C. met Vrolicq over deze zaak schijnen echter te wijzen: Accoord der Friezen met de N. C. dd. 25 Juli 1636. art. 4. bij: Aitzema. Saken v. Staet. II p. 360.—R. H. 11 Oct. 1636.
Weldra nam de Fransche walvischvangst aan Spitsbergen nu verbazend toe. Maar die bloei was van korten duur. Wel mislukte eene poging van Christiaan IV, om de Franschen, die vroeger zijne hulp hadden ingeroepen, tot erkenning van zijne hoogheid te brengen, geheel[1083];maar toch schijnen de Fransche walvischvangers, die nog in 1636 niet minder dan veertien schepen naar Spitsbergen uitrustten[1084],op den duur de nering opgegeven te hebben. De compagnie kon misschien de verliezen der eerste onvoordeelige jaren, gevolgd door de aanzienlijke schade haar in 1636 door de Spanjaarden toegebracht[1085],niet dragen, en was daarom spoedig genoodzaakt zich te ontbinden; misschien ook oordeelde Richelieu het niet raadzaam, de sinds 1635 nauw met Frankrijk verbondene Nederlandsche natie door de vernieuwing van Vrolicqs octrooi, dat met 1 Januari 1638 eindigde[1086],te verbitteren. Hoe het zij, in 1639 verschenen de Franschen niet weder op Spitsbergen[1087],en de walvischvangst schijnt althans voorloopig door hen opgegeven te zijn.
[1083]Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F. 1636.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.[1084]Scoresby, Account. II p. 165.[1085]Scoresby, Account. II p. 165.[1086]Zie hiervóorp. 292 Noot 2.[1087]Antw. v. Christiaan IV aan de Nederl. ambass., in: Verbaal v. Burch en Conders van Helpen ad 7 Oct. 1639.—In 1638 waren de Basken echter waarschijnlijk nog op Spitsbergen geweest, want in het voorjaar van 1639 was er sprake van, hen dien zomer van het eiland te verdrijven. (Br. v. Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
[1083]Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F. 1636.—R. S.-G. 4 Jan. 1636.
[1084]Scoresby, Account. II p. 165.
[1085]Scoresby, Account. II p. 165.
[1086]Zie hiervóorp. 292 Noot 2.
[1087]Antw. v. Christiaan IV aan de Nederl. ambass., in: Verbaal v. Burch en Conders van Helpen ad 7 Oct. 1639.—In 1638 waren de Basken echter waarschijnlijk nog op Spitsbergen geweest, want in het voorjaar van 1639 was er sprake van, hen dien zomer van het eiland te verdrijven. (Br. v. Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)
Ook in latere jaren is mij van eene eenigszins belangrijke visscherij der Franschen in deze streken niets gebleken; de natie, die altijd zoo krachtdadig had medegewerkt tot den bloei der walvischvangst van vreemden, slaagde er met al hare behendigheid en volharding toch niet in, hare eigene visscherij op den duur te vestigen.
Van geheel denzelfden aard als het geschil met Vrolicq waren de onaangenaamheden, lange jaren te voren met eene Duinkerksche compagnie ontstaan. Ook hier was de beweerde ontdekking van Jan Mayen-eiland de aanleiding tot de oneenigheden; ook hier was het verdringen der Noordsche Compagnie uit hare te uitsluitende positie het doel der mededingende natie.
Reeds onder de eerste schepen, die in 1613 met de Engelsche walvischvaarders op Spitsbergen kwamen concurreeren, was een Duinkerker geweest onder bevel van kapitein Fopp. Bij hem behoorde een Nederlandsche pinas, waarop zekere Claes Martensz. van Hoorn gezagvoerder was. Engelschen schijnen den stoutmoedigen zeelieden weder den weg naar het eiland gewezen te hebben. De behandeling, die beide schepen van den Engelschen commandeur Joseph ondervonden, was niet veel beter dan zich verwachten liet. Terwijl het kleine schip reeds 12 Juni veroverd en gevangen gehouden was, werd ook kapitein Fopp zelf den 19 uit Greenharbour verjaagd. Later ontmoetten de Duinkerkers, die te vergeefs aan de zuidpunt van het eiland naar eene andere, voor hun bedrijf geschikte plaats gezocht hadden, de Engelschen nogmaals, toen zij op weg waren om geheel in het noorden op 82° en 83° NB. hun geluk te beproeven. Bij deze gelegenheid kregen zij wel verlof tot de visscherij en werd de hun ontnomene pinas—met de bemanning behalve de daarop gevondene Engelschen—hun op hun verzoek teruggegeven, maar slechts op voorwaarde, dat zij als handlangers der Engelschen optraden en alle vreemde bezoekers, die in Hornsound de walvischvangst zouden willen oefenen, daaruit verdreven (23 Juni). Kapitein Fopp nam dit bereidwillig op zich, maar nauwelijks waren de Engelschen weggezeild of de bemanning van zijn schip nam hem zelven gevangen en vertrok van het eiland[1088].
[1088]Zie over deze reis der Duinkerkers: Hist. de Spitsberghe. p. 11, 20, 21, 23-35.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.
[1088]Zie over deze reis der Duinkerkers: Hist. de Spitsberghe. p. 11, 20, 21, 23-35.—Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.
Het resultaat der reis was dus waarlijk niet gunstig voor de reeders! Zij vielen klachtig aan hunne souvereinen de aartshertogen,die hunne bezwaren aan het Engelsche hof kenbaar maakten[1089].Maar onderwijl was men van het bezoeken van Spitsbergen afgeschrikt: noch in 1614[1090],noch in de eerstvolgende jaren vertoonde zich een Duinkerksch schip aan het eiland[1091].Maar de stoutmoedige geest, die reeds kapitein Fopp gedreven had om in het hooge noorden nieuwe plaatsen voor zijn bedrijf te zoeken, bleef zijne stadgenooten bezielen. In 1614 reedde eene Duinkerksche compagnie, aan wier hoofd een Engelschman John Clarke (door de Nederlanders veelal Jan De Clerck genoemd) stond,—waarschijnlijk dezelfde vereeniging, die ook kapitein Fopp had uitgezonden[1092],—weder een schip ter ontdekking uit. Het resultaat was gunstig: den 28 Juni 1614 werd Jan Mayen-eiland bereikt[1093].Terwijl dus de Duinkerksche ontdekkers ongetwijfeld beter recht hadden dan de Nederlandsche, wier schepen eerst in Juli van hetzelfde jaar van Spitsbergen vertrokken, schijnen zij bovendien, verstandiger dan dezen, dadelijk van de uitmuntende gelegenheid voor de walvischvangst gebruik gemaakt te hebben. Want hoewel de algemeene aandacht zich waarschijnlijk eerst na 1616 door de reizen der beide Noordsche Compagniën eenigszins op Jan Mayen-eiland vestigde, vinden wij daar reeds in den zomer van dat jaar een of twee schepen van deDuinkerksche compagnie, bemand met Engelsch scheepsvolk onder bevel van Guillaume Le Gouverneur en Marten Clarke, Johns broeder, als kapitein en commies, en voorzien van de voor de visscherij noodige Basken[1094].Dit jaar schijnen de schepen zonder hinder van de Noordsche Compagnie of haar mededingster, de zoogenaamde kleine Noordsche Compagnie, gevischt te hebben; een twist met de Zeeuwsche walvischvaarders over het onderhuren van eenige Basken had op de rechtsquaestie geene betrekking. Eerst toen Clarke en zijne deelgenooten in den zomer van 1617 op nieuw eene uitrusting ter walvischvangst naar Jan Mayen-eiland deden, kregen zij onaangenaamheden met de schepen der Noordsche Compagnie, die zich toen reeds in vrij groot getal aan het eiland vertoonden. De Duinkerksche schippers werden door de Nederlandsche »beschadicht” en van hunne vangst beroofd; van de zes schepen ter walvischvangst aangekomen werden slechts twee toegelaten, nadat zij plechtig beloofd hadden er nooit weder te zullen komen[1095].Natuurlijk deden de reeders toen hunne klachten weder bij de aartshertogen, die den 15 Januari 1618 hun request met eenen aanbevelingsbrief aan de Staten-Generaal zonden[1096].
[1089]Verclaringh vande Francoisen dd. 12 Mei 1615, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.[1090]Verclaringh vande Francoisen l. c.[1091]Muller, Mare Clausum. p. 162.[1092]Ik maak dit op uit het feit, dat de Duinkerksche schepen, die in 1613 aan Spitsbergen verschenen, evenals de vloot van deze reederij gedeeltelijk met Engelschen bemand waren,—en vooral uit de verklaring der N. C., dat Clarke en de zijnen „als bederuers vande gemeene handelinge ende negotie” door de Engelschen verjaagd waren. (Req. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.)[1093]R. S.-G. 8 Jan. 1619.—Wel beweerde de N. C. 2 Febr. 1634, dat zij genoodzaakt was geweest „de supporter de grande(s) questions et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels soustenoijent avoir esté les premiers trouveursde Spitsberguen”, maar Clarke zelf verklaarde, dat het door hem gevonden eiland gelegen was op 711⁄2° NB. (R. S.-G. 8 Jan. 1619), en uit alles blijkt overtuigend, dat de Duinkerkers juist aan Jan Mayen-eiland hunne nering oefenden. (Zie o. a. het vonnis v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarckque dd. 31 Juli 1620, dat uitdrukkelijk zegt, dat de Duinkerkers aan „het Eijlandt In questie” vischten.)—Het is niet onwaarschijnlijk, dat Clarke uit Hull afkomstig was, en dat Jan Mayen-eiland dus bij deze gelegenheid den in Engeland lang gangbaren naam van Trinity-island kreeg. (Zie hiervóorp. 190,191.) Is dit juist, dan stond de oprichting der Duinkerksche compagnie in verband met plannen, om te concurreeren met de in Engeland geoctrooieerde Moscovische Compagnie. Jakob I heeft in dat geval het recht der compagnie op het eiland in 1618 bekrachtigd (zie hiervóorp. 191,192 Noot 2), hetgeen weder zeer goed sluit met de latere interventie van Carleton voor Clarke.[1094]Zie de twee vonnissen v. d. H. R. in zake Lampsius c. Clarckque dd. 31 Juli 1620.[1095]Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.—R. S.-G. 16 Febr. 1618.—Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.[1096]R. S.-G. 16 Febr. 1618.
[1089]Verclaringh vande Francoisen dd. 12 Mei 1615, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.
[1090]Verclaringh vande Francoisen l. c.
[1091]Muller, Mare Clausum. p. 162.
[1092]Ik maak dit op uit het feit, dat de Duinkerksche schepen, die in 1613 aan Spitsbergen verschenen, evenals de vloot van deze reederij gedeeltelijk met Engelschen bemand waren,—en vooral uit de verklaring der N. C., dat Clarke en de zijnen „als bederuers vande gemeene handelinge ende negotie” door de Engelschen verjaagd waren. (Req. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.)
[1093]R. S.-G. 8 Jan. 1619.—Wel beweerde de N. C. 2 Febr. 1634, dat zij genoodzaakt was geweest „de supporter de grande(s) questions et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels soustenoijent avoir esté les premiers trouveursde Spitsberguen”, maar Clarke zelf verklaarde, dat het door hem gevonden eiland gelegen was op 711⁄2° NB. (R. S.-G. 8 Jan. 1619), en uit alles blijkt overtuigend, dat de Duinkerkers juist aan Jan Mayen-eiland hunne nering oefenden. (Zie o. a. het vonnis v. de H. R. in zake Lampsius c. Clarckque dd. 31 Juli 1620, dat uitdrukkelijk zegt, dat de Duinkerkers aan „het Eijlandt In questie” vischten.)—Het is niet onwaarschijnlijk, dat Clarke uit Hull afkomstig was, en dat Jan Mayen-eiland dus bij deze gelegenheid den in Engeland lang gangbaren naam van Trinity-island kreeg. (Zie hiervóorp. 190,191.) Is dit juist, dan stond de oprichting der Duinkerksche compagnie in verband met plannen, om te concurreeren met de in Engeland geoctrooieerde Moscovische Compagnie. Jakob I heeft in dat geval het recht der compagnie op het eiland in 1618 bekrachtigd (zie hiervóorp. 191,192 Noot 2), hetgeen weder zeer goed sluit met de latere interventie van Carleton voor Clarke.
[1094]Zie de twee vonnissen v. d. H. R. in zake Lampsius c. Clarckque dd. 31 Juli 1620.
[1095]Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.—R. S.-G. 16 Febr. 1618.—Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.
[1096]R. S.-G. 16 Febr. 1618.
Door schade wijs geworden, wendden Clarke en zijne compagnons Pieter Tenge en Roland Gerard zich het volgende jaar vóor het vertrek hunner walvischvaarders tot de Nederlandsche regeering en verzochten van deze brieven van vrijgeleide voor vier schepen, die zij hadden uitgerust tot de walvischvangst naar Groenland (d. i. hier Jan Mayen-eiland.)[1097]De Noordsche Compagnie protesteerde natuurlijk, evenals hare jongere zuster de kleine compagnie voor de walvischvangst, ernstig tegen de inwilliging van dit verzoek, als »streckende tot confusie ende bederff vande negotie ende handelinge vande geoctroyeerde Compaignie.” Zij noemde de requestranten »enterloopers” en »bederuers vande gemeene handelinge ende negotie,” die zij als onder geene geoctrooieerde compagnie behoorende diep verachtte. Hun verzoek eindelijk, meende de Noordsche Compagnie, behoorde afgewezen te worden als strijdig met haar recht 1o. als ontdekster van Jan Mayen-eiland, 2o. als bezitster van het octrooi van 1614,en eindelijk 3o. als rechthebbende uit het contract, in 1617 met het scheepsvolk van Clarke gesloten, als voorwaarde waarop men hen toeliet[1098].Niettegenstaande dit krachtig aangedrongen advies, dat in latere jaren voldoende zou geweest zijn om het verzoek der Duinkerkers onmiddellijk te doen afwijzen, besloten de Staten-Generaal aan Clarke te schrijven, dat de Nederlandsche schepen hem op bepaald bevel der regeering geene verhindering in zijne nering zouden aandoen[1099].De schepen van Clarke schijnen dan ook in 1618 rustig aan Jan Mayen-eiland gevischt te hebben, en ook voor het volgende jaar werd niettegenstaande het herhaald protest der Noordsche Compagnie aan de Duinkerkers op hun verzoek voor een jaar verlof verleend om met twee schepen aan het eiland te mogen visschen en hun traan aan land te koken. Ditmaal werd echter uitdrukkelijk de voorwaarde aan dit verlof verbonden, dat het niet zou praejudiciëeren het recht van partijen in het proces ten principale[1100].
[1097]R. S.-G. 30 Jan. 1618.[1098]Zie deze rescriptie v. de N. C. (verkeerdelijk gedateerd 15 Maart 1619), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.—R. S.-G. 15 Mrt. 1618.[1099]R. S.-G. 10 Apr. 1618.—Vgl. Miss. der Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, in: N. Z. Bijlagen.[1100]R. S.-G. 8 Jan., 16 Mei, 8 Juni 1619.—Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de gedeput. ter Generalit. dd. 4 Febr. 1620, als bijlage achter: N. Z. 1620.
[1097]R. S.-G. 30 Jan. 1618.
[1098]Zie deze rescriptie v. de N. C. (verkeerdelijk gedateerd 15 Maart 1619), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.—R. S.-G. 15 Mrt. 1618.
[1099]R. S.-G. 10 Apr. 1618.—Vgl. Miss. der Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, in: N. Z. Bijlagen.
[1100]R. S.-G. 8 Jan., 16 Mei, 8 Juni 1619.—Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de gedeput. ter Generalit. dd. 4 Febr. 1620, als bijlage achter: N. Z. 1620.
Toen namelijk de klachten van Clarke over de hem in 1617 toegebrachte schade met zijn verzoek om vergoeding den 16 Februari 1618 door de aartshertogen aan de Staten-Generaal waren aanbevolen, hadden dezen de stukken dadelijk in handen der Noordsche Compagnie gesteld om daarop te antwoorden[1101].Het lag in den aard der zaak, dat deze eerst dan door de schade te vergoeden haar ongelijk erkennen zou, wanneer zij toegaf, dat Clarke recht had aan Jan Mayen-eiland te visschen. Wij zagen reeds, dat de bewindhebbers aan niets minder dachten en het is dus licht te begrijpen, dat de geest van uitsluiting, die hen drong tot het advies om de Duinkerksche compagnie niet aan het eiland toe te laten, hun ook het vergoeden der schade zou ontraden. De strijd, die door de Noordsche Compagnie tegen hare Duinkerksche zuster gevoerd werd, was dan ook, hoewel het niet tot een eigenlijk proces kwam, lang en verbitterd. Eerst na vele maanden kwam het eerste antwoord der compagnie op Clarke’s klachten in, en van toen af werden gedurende een paar jaren onophoudelijk replieken en duplieken bij de Staten-Generaal ingeleverd. De bedrijvige Duinkerkers hadden gewoonlijk reeds weder twee of drie nieuwe requesten gereed om hunne mededingster nader aan te sporen, terwijl deze hun het antwoord op vroegere memoriën nog steeds schuldig was[1102].De NoordscheCompagnie handhaafde voortdurend het standpunt, door haar reeds in Maart 1618 ingenomen, dat de beweerde ontdekking van het eiland door de Duinkerkers verdicht was en zij zelve alleen dus recht op het bezit had[1103].