[1101]R. S.-G. 16 Febr. 1618.[1102]R. S.-G. 12, 13 Oct., 7 Nov., 4 Dec. 1618, 11, 15 Febr., 7, 29 Mrt., 30 Apr., 14, 17 Sept., 1 Oct. 1619, 25 Jan., 17 Febr., 10 Mrt., 6 Apr., 15 Juli, 9, 30 Sept. 1620.—Req. v. de N. C. dd. 10 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.[1103]Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A. (De ontkenning ligt in de bewering der ontdekking door Nederlanders opgesloten.)—R. S.-G. 23 Dec. 1620.
[1101]R. S.-G. 16 Febr. 1618.
[1102]R. S.-G. 12, 13 Oct., 7 Nov., 4 Dec. 1618, 11, 15 Febr., 7, 29 Mrt., 30 Apr., 14, 17 Sept., 1 Oct. 1619, 25 Jan., 17 Febr., 10 Mrt., 6 Apr., 15 Juli, 9, 30 Sept. 1620.—Req. v. de N. C. dd. 10 Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[1103]Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A. (De ontkenning ligt in de bewering der ontdekking door Nederlanders opgesloten.)—R. S.-G. 23 Dec. 1620.
Eindelijk, na twee jaren van twist, werd de zaak op verzoek van Clarke in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld om partijen te hooren en zoo mogelijk te vereenigen[1104],maar een paar maanden later moest men deze pogingen weder opgeven[1105].Ook de kleine Noordsche Compagnie, die mede aanspraak op Jan Mayen-eiland maakte, bemoeide zich met de zaak[1106]en de wisseling van stukken begon op nieuw[1107],toen de ambassadeur Carleton zich de zaak van den Engelschen onderdaan aantrok en aandrong op »vuytinge” van de quaestie met Clarke[1108].Toen eindelijk scheen er een einde aan de zaak te zullen komen; men besloot ze aan den Hoogen Raad van Holland in handen te geven om er in te vonnissen, nu de pogingen tot schikking mislukt waren[1109].Maar ook bij dit laatste middel stuitten de Staten-Generaal op onverwachte moeielijkheden. Zij hadden den Hoogen Raad vrij zonderling bevolen te vonnissen »tot costen van partijen[1110]”, en deze nam daaruit aanleiding om de behandeling der lastige zaak, waarin zoovele belangen gemoeid, zoovele rechten betrokken waren, te weigeren met de merkwaardige verklaring, dat »alle souueraine Princen ende republycken schuldich ende gehouden syn haere ondersaten recht en Iustitie sonder der seluer costen te doen administreren, gelyck tot noch toe In dese Prouintiën Is gebruyct geweest.” Naar het oordeel van den Raad zou het zijn »Jegens de Hoocheyt ende reputatie deser Landen, mitsgaders digniteyt ende luyster van hun collegie, dat sy tvoorseide proces tot coste der partyen visiteren ende daerinne sententieren souden, als haere Hooch Mog. op hen waren begeerende[1111].” Hoewel het later bleek, dat dit alles niets was dan een schoonschijnendvoorwendsel, terwijl de ware reden was, »dat dese saecke soo veele ingesetenen van dese landen was aengaende, Ende dat de trefves vuyt waren[1112],” bleven alle onderhandelingen om den Hoogen Raad van zijn gevoelen aftebrengen vruchteloos[1113].Men waagde eindelijk eene poging, om partijen over te halen hun geschil bij overeenkomst aan den Hoogen Raad als scheidsrechter te onderwerpen[1114],en waarschijnlijk was het ten gevolge van zulk eene schikking, dat deze 1 December 1622 in de zaak uitspraak deed. Evenals het vorige jaar bevreesd om partikuliere belangen te kwetsen, poogde men ook nu nog partijen door de heeren Van Vosberghen en Pauw te doen »vereenigen,” maar voor het geval, dat dit niet gelukte, veroordeelde de Raad de Noordsche Compagnie, om aan Clarke en zijne deelgenooten te vergoeden de hoofdsom met interessen van alle schade, door hen geleden »deurt belet hen gedaen In haren Walvischvanck ende het affnemen van haerluyder traen[1115].” Toen eindelijk schijnt de Noordsche Compagnie in de schikking toegestemd te hebben[1116],want tot een nader vonnis kwam het niet.
[1104]R. S.-G. 1 Mei, 30 Sept., 3 Oct. 1620.[1105]R. S.-G. 20 Oct., 5 Nov., 3 Dec. 1620.[1106]R. S.-G. 3 Dec. 1620.[1107]R. S.-G. 16, 23 Dec. 1620.[1108]R. S.-G. 4 Jan. 1621.[1109]R. S.-G. 5 Jan. 1621.[1110]Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 5 Jan. 1621, in: L. loop. 1621.[1111]Miss. v. d. H. R. aan de Stn.-Gen. dd. 23 Apr. 1621, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—R. S.-G. 27 Apr. 1621.[1112]R. S.-G. 4 Mei 1621.[1113]R. S.-G. 28, 29 Apr., 4, 11, 22 Mei, 13 Juli 1621.[1114]R. S.-G. 4 Mei 1621.[1115]Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.[1116]De N. C. beweerde in 1634, „qu’il a Convenu a ceux de la Compaignie de supporter de grande questions et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels aussi soustenoijent avoir esté les premiers trouveurs de Spitsberguen (lees: Jan Mayen-eiland), Toutes lesquelles traverses et molesties il a fallu qu’ils aijent superées avec grande patience, et defendre leur bon droictavec frais et despens excessifs, de sorte qu’à cela ont esté despendus et consumez Capitaux tout entiers.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[1104]R. S.-G. 1 Mei, 30 Sept., 3 Oct. 1620.
[1105]R. S.-G. 20 Oct., 5 Nov., 3 Dec. 1620.
[1106]R. S.-G. 3 Dec. 1620.
[1107]R. S.-G. 16, 23 Dec. 1620.
[1108]R. S.-G. 4 Jan. 1621.
[1109]R. S.-G. 5 Jan. 1621.
[1110]Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 5 Jan. 1621, in: L. loop. 1621.
[1111]Miss. v. d. H. R. aan de Stn.-Gen. dd. 23 Apr. 1621, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—R. S.-G. 27 Apr. 1621.
[1112]R. S.-G. 4 Mei 1621.
[1113]R. S.-G. 28, 29 Apr., 4, 11, 22 Mei, 13 Juli 1621.
[1114]R. S.-G. 4 Mei 1621.
[1115]Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.
[1116]De N. C. beweerde in 1634, „qu’il a Convenu a ceux de la Compaignie de supporter de grande questions et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels aussi soustenoijent avoir esté les premiers trouveurs de Spitsberguen (lees: Jan Mayen-eiland), Toutes lesquelles traverses et molesties il a fallu qu’ils aijent superées avec grande patience, et defendre leur bon droictavec frais et despens excessifs, de sorte qu’à cela ont esté despendus et consumez Capitaux tout entiers.” (Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
Was dus Clarke tegen de Noordsche Compagnie in het gelijk gesteld, het kon hem nu gewis vrij onverschillig zijn. Zeker was het hem minder om de schadevergoeding zelve te doen geweest, dan om zijn recht voor het vervolg erkend te zien, maar eene zoo late erkenning baatte hem niets. Want hoewel de Hooge Raad de Duinkerkers bij dezelfde uitspraak zelfs ontsloeg van het hierboven vermelde contract van 1617, waarbij hun scheepsvolk zich verbonden had, niet weder op Jan Mayen-eiland te verschijnen[1117],en hun recht op de vrije visscherij dus bepaald erkend was, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat hunne walvischvangst daardoor in geenen deele bevoordeeld is. Reeds in 1620 was er, toen Clarke van de Staten-Generaal hangende het proces wederom verzocht had te zorgen, dat de Noordsche Compagnie de schepen, die hij ook nu weder voornemenswas naar Jan Mayen-eiland te zenden, niet hinderde[1118],op zijn request geene dispositie gevolgd en dus de visscherij aan het eiland voor hem onveilig geworden. Mogelijk heeft hij echter niettegenstaande de herhaalde oneenigheden met de Noordsche Compagnie dit jaar nog volgehouden, maar toen »de trefves vuyt waren” was het ondenkbaar, dat de onderdaan der aartshertogen zich zou kunnen handhaven tegen de machtige Nederlandsche compagnie, voortaan door den oorlog gerechtigd tot openlijke vijandelijkheden[1119].
[1117]Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.[1118]R. S.-G. 27 Mrt. 1620.[1119]Dat de Duinkerkers de walvischvangst opgaven, schijnt ook opgemaakt te kunnen worden uit de verklaring der N. C. in haar request aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1117]Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.
[1118]R. S.-G. 27 Mrt. 1620.
[1119]Dat de Duinkerkers de walvischvangst opgaven, schijnt ook opgemaakt te kunnen worden uit de verklaring der N. C. in haar request aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Bij de groote overeenkomst van de geschillen der Noordsche Compagnie met Vrolicq en Clarke in aanleiding en doel, verschillen zij echter onderling in twee opzichten. Terwijl over de zaak van Vrolicq nagenoeg geen enkel stuk uit de nog voorhanden, hoewel verspreide verzameling gemist wordt, is van de gedurende vier jaren tusschen de Noordsche Compagnie en Clarke gewisselde stukken er nauwelijks éen overgebleven om ons over het sustenu der partijen in te lichten. Zelfs de resolutiën der Staten-Generaal, anders soms een vruchtbare bron, geven hier, hoewel zij zeer dikwijls van de zaak spreken, nagenoeg niets dan bevelen, die op de wisseling der stukken betrekking hebben. Ook de registers onzer rechterlijke collegiën kunnen ons hier slechts weinig helpen. Het hierboven over Clarke en zijne pretensie medegedeelde is dus slechts het geraamte eener zaak, die, wanneer men ze door betere kennis der omstandigheden vleesch en bloed kon bijzetten, misschien even leerzaam zou zijn voor de kennis der beginselen, die de Noordsche Compagnie leidden, als de andere in dit hoofdstuk behandelde. Nu reeds bezit zij in tegenstelling met deze het belang, dat zij ons overtuigend bewijst, dat, terwijl de Noordsche Compagnie, reeds bij hare oprichting even exclusief als gedurende haar geheele verdere bestaan als geoctrooieerde compagnie, ook tegenover de ontdekkers van het door haar bezeten land haar onrechtmatig systeem volhield, de Staten-Generaal hunne vrijzinnige beginselen wijzigden, naarmate de omstandigheden het belang der Nederlanders verplaatsten. Terwijl de regeering in 1618 verstandig genoeg was om in te zien, dat, wanneer men eenige kans wilde hebben op eene overwinning in de hevige geschillen met de Engelschen over de walvischvangst, men dan ook vooral tegen een Engelsch onderdaan consequent moest vasthouden aan de vrijzinnige leuze, die de steun der Nederlandsche diplomatenin hunne onderhandelingen met Jakob I was, vergat zij in latere jaren, toen de Nederlandsche walvischvangst zich krachtig ontwikkeld had en zich met goeden uitslag tegen alle mededingers staande hield, welke beginselen haar in vroegere jaren geleid hadden, en gaf zij aan Jean Vrolicq gegronde aanleiding om te zeggen, dat hij »van haer Ho: Mo: alsoo veel gunste verwacht hadde, als in gelycke gelegentheyt voor desen genoten hadde gehadt Jan Clerck woonende tot Duynkercken.”[1120]
[1120]Rescr. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1120]Rescr. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
De strijd met de buitenlandsche mededingers was dus volstreden en het jaar 1642 vond de Noordsche Compagnie zegevierend gevestigd in de Mauritius-baai op Spitsbergen en in het ongestoord bezit van Jan Mayen-eiland. Ongelukkig voor haar was juist dit jaar bestemd om haren val te zien. Buitenlandsche concurrentie kon de Nederlandsche kooplieden der zeventiende eeuw niet van de eens ingenomene plaats verdrijven, maar eindelijk bezweek de bevoorrechte vereeniging voor den tegenzin harer landgenooten, die haar reeds sinds hare oprichting gedurig met vernietiging had bedreigd.
Wij zagen, dat reeds op den dag, toen het octrooi der Noordsche Compagnie verleend werd, de tegenwerking van Le Maire aan de Staten eene heilzame beperking daarvan afdwong; de nieuwe compagnie moest daardoor steeds op hare hoede zijn voor mededingers, die éen enkele gelukkige reis voor haar kon oproepen. Had ook op den duur deze maatregel voor de compagnie niet de gewichtige gevolgen, die men er gewis van verwacht had, weinige maanden na de uitvaardiging bracht het »generael octroy” aan de bevoorrechte walvischvangers toch een gevoeligen slag toe. Van de drie kwetsbare plekken, die het uitsluitende octrooi der Noordsche Compagnie aanbood en die achter elkander zouden gebruikt worden om concurrenten op te roepen, was de beperking van het charter der vereeniging door het »generael octroy” de eerste bres, waardoor men eenen aanval op haar monopolie deed.
In hetvijfde hoofdstukhebben wij gezien, dat in Juli 1614 door twee schepen van de Noordsche Compagnie op 711⁄2° NB. toevallig ontdekt werd een den Nederlanders nog onbekend eiland, dat naar den bevelhebber der expeditie Jan Mayen-eiland genoemd werd. De reis werd gedaan op kosten der kamers van Amsterdam en Enkhuizen. Maar de Delftsche kamer der NoordscheCompagnie had in hetzelfde jaar onder bevel van kapitein Jan Jansz. Kerckhoff een ander schip »het cleyne Swaentgen” naar het noorden gezonden. Ook Kerckhoff kwam kort na de andere reizigers toevallig aan Jan Mayen-eiland, en verstandiger dan zijne voorgangers ging hij aan land en onderzocht het nauwkeurig. Natuurlijk werd na de terugkomst der drie schepen rapport van de reizen gedaan aan de bewindhebbers, die ze uitgezonden hadden, maar de aandacht der Amsterdammers schijnt zich op de gedane ontdekking niet bizonder gevestigd te hebben. Althans toen zij aan Z. Exc. en aan eene commissie uit de Staten-Generaal rapport van hunne reis deden, schijnt van Jan Mayen-eiland niet gesproken te zijn; aan de Delftsche bewindhebbers werd het overgelaten, of zij door hunnen kapitein Kerckhoff volgens de bepalingen van het »generael octroy” verslag van hunne ontdekking wilden doen aan de Staten-Generaal[1121].Eerst daardoor toch, zoo was er voorgeschreven, kon men eene akte verkrijgen, dat men recht had op de vier als belooning der ontdekking uitgeloofde reizen, met de bepaling van den tijd, waarin die reizen volbracht moesten zijn[1122].
[1121]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—„Debath gedaen maecken” enz. v. Kyen c.s. aan de gecommitt. der Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 1. R.-A.[1122]Gr. Placaet-boeck. I p. 564.
[1121]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—„Debath gedaen maecken” enz. v. Kyen c.s. aan de gecommitt. der Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 1. R.-A.
[1122]Gr. Placaet-boeck. I p. 564.
Ondertusschen dachten de Delftsche heeren aan niets minder. Kerckhoff had na zijne terugkomst dadelijk uitvoerig rapport van zijne bevindingen gedaan aan de twee bewindhebbers der Delftsche kamer, onder wier toezicht deze uitrusting geschied was, Nicasius Kyen en Dirck Adriaensz. Leversteyn (de derde bewindhebber Antonie Monier was in 1614 zelf als bevelhebber der visscherijvloot mede naar Spitsbergen gegaan en dus niet tegenwoordig geweest.) De kapitein verhaalde aan zijne reeders dadelijk, dat hij aan het nieuwe eiland eene menigte walvisschen gezien had: de zee scheen daar ten minste even vischrijk als bij Spitsbergen. Deze belangrijke ontdekking, die aan de andere schippers ontgaan schijnt te zijn, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling der beide bewindhebbers: zij waren de mannen er niet naar om hun voordeel daarmede niet te doen. Niet zeer kiesch in de middelen om winst te maken, schijnen beiden personen geweest te zijn van meer dan gewone bekwaamheid en volharding. De familie Kyen had dadelijk aan de beginselen der walvischvangst hare aandacht gewijd en er krachtig aan deelgenomen: terwijl een der leden reeds in 1612 als commies op het schip van Van Muyden aanwezigwas en op Prince Charles’ foreland den dood vond[1123],vinden wij Nicasius onder de oprichters der Noordsche Compagnie genoemd. Dadelijk had hij eenen zetel ingenomen als bewindhebber van de kamer der nieuwe compagnie, die te Delft, de stad zijner inwoning, gevestigd werd[1124];naast hem vinden wij Dirck Adriaensz. Leversteyn genoemd, den energieken man wiens krachtig optreden tegen de Noordsche Compagnie eene soms verrassende overeenkomst vertoont met de rol, door Isaac Le Maire in dezelfde jaren tegenover de Oost-Indische gespeeld[1125].Ook zijne familie wijdde zich met kracht aan de exploitatie der walvischvangst: terwijl zijn zoon Abraham in 1618 als bevelhebber der walvischvaarders op Spitsbergen tegen de Engelschen optrad, was een andere zoon, Adriaen, de man die de taak zijns vaders moedig opvatte. Reeds in 1616 kapitein op een walvischvaarder aan Jan Mayen-eiland[1126],was hij het, die in 1618, 1624 en 1625 de drie reizen deed ondernemen, die oorzaak waren, dat op Groenlands oost- en westkust nieuwe plaatsen voor de walvischvangst geschikt werden ontdekt[1127].
[1123]Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.[1124]De heer burgemeester Kien, die met groote welwillendheid op mijn verzoek wel heeft willen nazien, of zijne familiepapieren stukken betreffende de kleine Noordsche Compagnie en haren oprichter bevatten, bericht mij, dat het archief der vereeniging niet onder hem berust. Nicasius Kien was volgens aantekening in gemelde familiepapieren zijnen vader Pieter Kien in November 1604 opgevolgd als Commissaris-generael van de Vivres. Beiden liggen met hunne wapenen begraven in een grafkelder van het koor der Groote kerk te ’s-Gravenhage.[1125]Ofschoon Leversteyn eerst in 1631 overleed, schijnt hij zich weldra van de zaken teruggetrokken te hebben. Reeds in 1622 toch vinden wij zijnen zoon Adriaen als aandeelhouder der kleine N. C. genoemd; hij zelf stierf als „Contrerolleur vande buyten Ontfanck” te Grave. (R. S.-G. 21 Febr., 22 Mrt. 1631.)[1126]Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop als commandeur van het konvooi der walvischvaarders dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1127]Zie hiervóorp. 178,181,184.
[1123]Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 714.—Hist. du pays de Spitsberghe. p. 12.
[1124]De heer burgemeester Kien, die met groote welwillendheid op mijn verzoek wel heeft willen nazien, of zijne familiepapieren stukken betreffende de kleine Noordsche Compagnie en haren oprichter bevatten, bericht mij, dat het archief der vereeniging niet onder hem berust. Nicasius Kien was volgens aantekening in gemelde familiepapieren zijnen vader Pieter Kien in November 1604 opgevolgd als Commissaris-generael van de Vivres. Beiden liggen met hunne wapenen begraven in een grafkelder van het koor der Groote kerk te ’s-Gravenhage.
[1125]Ofschoon Leversteyn eerst in 1631 overleed, schijnt hij zich weldra van de zaken teruggetrokken te hebben. Reeds in 1622 toch vinden wij zijnen zoon Adriaen als aandeelhouder der kleine N. C. genoemd; hij zelf stierf als „Contrerolleur vande buyten Ontfanck” te Grave. (R. S.-G. 21 Febr., 22 Mrt. 1631.)
[1126]Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop als commandeur van het konvooi der walvischvaarders dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1127]Zie hiervóorp. 178,181,184.
Mannen als dezen, in de walvischvangst zoo ervaren, waren dadelijk met hun plan gereed. Er werd besloten den door de Staten-Generaal voor het rapport der ontdekking gestelden termijn van veertien dagen na de terugkomst van het schip te laten verloopen en voor eigene rekening eene uitrusting naar het eiland te doen: de betrekking der bewindhebbers was voor hen geen bezwaar, om als concurrenten op te treden der vereeniging, wier belangen zij moesten waarnemen. Kerckhoff en zijn stuurman Pieter Douckesz. werden met eenig bootsvolk, dat de reis van 1614 medegemaakt had, in dienst genomen en in het voorjaar van 1615 in het geheim[1128]weder naar Jan Mayen-eiland gezondenmet een schip, geheel tot de walvischvangst uitgerust. De onderneming beantwoordde volkomen aan de gekoesterde verwachting: Kerckhoff nam bezit van het eiland, plantte er de wapens der Staten-Generaal en noemde het Mauritius naar den naam van Z. Exc. Ook de walvischvangst gelukte uitnemend: met een rijken buit keerde het schip huiswaarts[1129].
[1128]Misschien werd als het doel der reis IJsland opgegeven, althans Kyen verzocht 18 Mei 1615 uit naam der „compaignie van Islandt” van de Stn.-Gen. vijf gotelingen te leen, om zijne schepen te beschermen op de visscherij aan IJsland, „alwaer ordinaris veel Roovers haer onthouden.” De Stn. stonden het verzoek toe „tot vermeerderinge van neringe in dese landen.” (R. S.-G. 18 Mei 1615.)[1129]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[1128]Misschien werd als het doel der reis IJsland opgegeven, althans Kyen verzocht 18 Mei 1615 uit naam der „compaignie van Islandt” van de Stn.-Gen. vijf gotelingen te leen, om zijne schepen te beschermen op de visscherij aan IJsland, „alwaer ordinaris veel Roovers haer onthouden.” De Stn. stonden het verzoek toe „tot vermeerderinge van neringe in dese landen.” (R. S.-G. 18 Mei 1615.)
[1129]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
Onderwijl had ook de Noordsche Compagnie niet stilgezeten. De Amsterdamsche bewindhebbers hadden in het begin van 1615 bij afwezigheid van alle andere kamers besloten dit jaar eene nieuwe ontdekkingsreis te doen ondernemen. Het schip »Tswaentgen”, ook wel genoemd »het duyffgen”, werd onder bevel van kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes uitgezonden, om nieuwe eilanden te ontdekken en tegelijk Jan Mayen-eiland nader te onderzoeken met het oog op eventueel aldaar te verkrijgen voordeel[1130].Reeds in Augustus kwam Paelman overhaast terug met het bericht, dat hij aan het eiland het schip van Kyen en Leversteyn met de walvischvangst bezig had gevonden.
[1130]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615 in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—„Debath gedaen maecken” door Kyen en Leversteyn, in: Noordsche togten. 1. R.-A.—Zee-atlas van Van Keulen. I p. 75.
[1130]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.) 1615 in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—„Debath gedaen maecken” door Kyen en Leversteyn, in: Noordsche togten. 1. R.-A.—Zee-atlas van Van Keulen. I p. 75.
Dadelijk wendden zich nu de bewindhebbers tot de Staten-Generaal, die zich de arbitrage over geschillen, uit het »generael octroy” ontstaande, hadden voorbehouden. Zij verzochten volmacht om beslag op het schip van Kyen en Leversteyn te mogen leggen en eischten, overeenkomstig met hun tweeslachtig sustenu, dat niet alleen schip en goed volgens de bepalingen van hun octrooi verbeurd verklaard, maar dat de reeders ook veroordeeld zouden worden in de boete van 50,000 dukaten, op den inbreuk van het »generael octroy” gesteld. Een paar dagen later verzochten zij, na breedvoerige uiteenzetting hunner grieven tegen Kyen en Leversteyn octrooi voor de ontdekking van Jan Mayen-eiland volgens het plakkaat van 27 Maart 1614[1131].De regeeringen van Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn, vooral die van Delft, ondersteunden de Noordsche Compagnie krachtig tegen hare mededingers[1132],en de Staten-Generaal besloten Kyen en Leversteyn voorzich te ontbieden. Den 17 Augustus 1615 verschenen beide partijen »geassisteert met heure Advocaten respective” in de vergadering: aan de Staten-Generaal was het nu om tusschen hen te beslissen.[1133]
[1131]R. S.-G. 13 Aug., 2 Sept. 1615.[1132]Ook Petrus Plancius—met de bewindhebbers der N. C. Tweenhuysen en Harencarspel voor de vaart op Nieuw-Nederland in compagnie (O’Callaghan, New Netherland. I p. 94)—koos de zijde der Noordsche Compagnie, en stond de reeders evenals in 1613 met zijne aardrijkskundige kennis bij. Hij trachtte in eene memorie, vergezeld van „sekere raijinge,” te bewijzen, dat Jan Mayen-eiland onder het octrooi der compagnie behoorde. („Cort advertissement” v. Kyen c. s. aan de gecommitt. der Stn.-Gen. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)[1133]R. S.-G. 17 Aug. 1615.
[1131]R. S.-G. 13 Aug., 2 Sept. 1615.
[1132]Ook Petrus Plancius—met de bewindhebbers der N. C. Tweenhuysen en Harencarspel voor de vaart op Nieuw-Nederland in compagnie (O’Callaghan, New Netherland. I p. 94)—koos de zijde der Noordsche Compagnie, en stond de reeders evenals in 1613 met zijne aardrijkskundige kennis bij. Hij trachtte in eene memorie, vergezeld van „sekere raijinge,” te bewijzen, dat Jan Mayen-eiland onder het octrooi der compagnie behoorde. („Cort advertissement” v. Kyen c. s. aan de gecommitt. der Stn.-Gen. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche togten. 1. R.-A.)
[1133]R. S.-G. 17 Aug. 1615.
Bij de onvolledigheid der gegevens is het hoogst moeielijk een oordeel te vellen over de quaestie, wie der partijen het recht aan zijne zijde had in eene zaak, die zoo geheel van het vervullen of verwaarloozen van formaliteiten afhing en waarin van beide zijden zoozeer geknoeid schijnt te zijn om elkaar de loef af te steken. Het komt mij echter volkomen zeker voor, dat de Noordsche Compagnie gelijk had met de bewering, dat Kyen en Leversteyn niet alleen »int regart van de generale societeyt nijet al te sinceerlick mette compagnie ofte heure geassocieerde gehandelt hadden”, maar ook dat de beide bewindhebbers »meer sochten haer particulier proffyt als het beste vande gemene Compaignie twelck sij schuldich waeren te besorgen.” Maar afgezien van de moraliteit der zaak schijnt het mij toe, dat de Noordsche Compagniedoor de Staten-Generaalbepaaldelijk in het ongelijk gesteld moest worden. De bewindhebbers erkenden zelven, dat zij niet voldaan hadden aan de bij het »generael octroy” gestelde voorwaarde; zij mochten nu de fout, door hen begaan, op rekening hunner tegenpartij schuiven en van »het versuym ofte veel eer eygenbaatsouckicheyt” van Kyen en Leversteyn spreken, te ontkennen was het niet, dat zij hun recht op een octrooi van vier jaren voor goed verbeurd hadden. Zelven schijnen zij dit gebrek in hun sustenu te hebben ingezien, althans zij trachtten vrij onhandig de Staten te overtuigen, dat het nieuw ontdekte eiland eigenlijk reeds onder het octrooi der Noordsche Compagnie begrepen was als behoorende onder »de Kusten ende Landen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe” en als een van de »andere Landen die onder Groenlant gevonden souden mogen werden.” Juist om dergelijke redeneeringen te voorkomen, was echter het »generael octroy” uitgevaardigd, en de eenvoudige lezing van het octrooi der Noordsche Compagnie in verband met het plakkaat van 27 Maart 1614 overtuigt dan ook ieder van de ongegrondheid dezer beweringen. Dit feit als bewezen aannemende, verklaardende gedaagden dan ook ronduit, dat de beoordeeling der middelen, waarmede zij hun voordeel »in mari libero” gezocht hadden, niet aan de Staten-Generaal stond; slechts een uitspraak over de feitelijke quaestiën, of het eiland al of niet onder het octrooi der Noordsche Compagnie behoorde, en zoo neen wie als ontdekker daarvan moest beschouwd worden, werd van de Staten geëischt[1134].
[1134]„Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.
[1134]„Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.
Bij eene zoo duidelijke redeneering kan het oppervlakkig eenigszins zonderling schijnen, dat de gedaagden aanvankelijk geen aanspraak op uitsluitende rechten gemaakt schijnen te hebben. Maar zoo sterk als hunne zaak was voor de Staten-Generaal, die slechts over inbreuken op het octrooi der compagnie en over het recht op de voordeelen van het »generael octroy” als arbiters uitspraak doen konden, zoo uiterst zwak was zij, wanneer hunne tegenpartij den gewonen weg van rechten wilde inslaan. De Noordsche Compagnie was dadelijk begonnen met aan de Staten over te leggen de Instructie van de bewindhebbers der compagnie, waarvan art. 10 bepaalde, dat niemand de besluiten der vereeniging of hetgeen hij in zijne hoedanigheid als aandeelhouder gehoord had, tot zijn partikulier voordeel mocht aanwenden. Volgens dit artikel waren de bewindhebbers natuurlijk volkomen gerechtigd hunne ambtgenooten, die op het van Kerckhoff inhunne hoedanigheid van bewindhebbersvernomene het ontdekte eiland, dat in het gunstigste geval ten bate der Delftsche kamer had moeten komen, in hun eigen voordeel geëxploiteerd hadden, voor de gewone rechters aan te spreken tot vergoeding van de schade, die de Noordsche Compagnie door de gevolgen hunner onrechtmatige daad geleden had. De verdediging van Kyen en Leversteyn was op dit punt uiterst zwak[1135].
[1135]„Debath,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.—Mijn oordeel over de zaak is natuurlijk gegrond op de voorstelling, die ik van de feiten gegeven heb. Ik moet echter bekennen, dat deze uit de enkele stukken, ons over de quaestie bewaard, onvolledig en niet altijd met volkomen zekerheid op te maken zijn. Reeds dadelijk maakt het geen goeden indruk, dat de N. C. na het vonnis van den Hoogen Raad in 1617 Kyen en Leversteyn niet voor den gewonen rechter om schadevergoeding aangesproken schijnt te hebben; het bewijst, dat ook de compagnie zich eenig onrecht bewust was. Mag men de mededingers der N. C. gelooven, dan hadden de Amsterdammers zich o. a. schuldig gemaakt aan afzonderlijke walvischvangst aan de Noordkaap met Deensche passen.
[1135]„Debath,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.—Mijn oordeel over de zaak is natuurlijk gegrond op de voorstelling, die ik van de feiten gegeven heb. Ik moet echter bekennen, dat deze uit de enkele stukken, ons over de quaestie bewaard, onvolledig en niet altijd met volkomen zekerheid op te maken zijn. Reeds dadelijk maakt het geen goeden indruk, dat de N. C. na het vonnis van den Hoogen Raad in 1617 Kyen en Leversteyn niet voor den gewonen rechter om schadevergoeding aangesproken schijnt te hebben; het bewijst, dat ook de compagnie zich eenig onrecht bewust was. Mag men de mededingers der N. C. gelooven, dan hadden de Amsterdammers zich o. a. schuldig gemaakt aan afzonderlijke walvischvangst aan de Noordkaap met Deensche passen.
Het zal dan ook wel door het bewustzijn geweest zijn, dat dit gevaar hen dreigde nu hunne handelwijze bekend geworden was, dat Kyen en Leversteyn, toen zij voor de door de Staten-Generaal benoemde commissie[1136]verschenen, voorstellen deden,die men van rechthebbenden volgens het »generael octroy” niet verwacht hebben zou. Zij sloegen voor: dat men hun zou toelaten met vier schepen aan het »eylant in questie” te visschen, terwijl de Noordsche Compagnie daarheen zoovele schepen zou mogen zenden als zij wilde; òf dat men hun verlof zou geven tot de vier reizen naar het eiland op de voorwaarden, dat zij al, wat de ondervinding hun over de ligging en de geschiktheid daarvan voor de visscherij had geleerd, aan hunne medebewindhebbers zouden mededeelen en dat zij door den verkoop hunner traan de markt voor de Noordsche Compagnie niet zouden bederven. Toen deze voorslagen werden geweigerd, verzochten Kyen en Leversteyn eindelijk, dat de Staten-Generaal in plaats van de »enorme sware conclusie” der Noordsche Compagnie toe te wijzen zouden bevelen, dat beide partijen zonder prejuditie der wederzijdsche aanspraken dit jaar aan Jan Mayen-eiland zouden mogen visschen. Men zou zoodoende in de gelegenheid zijn het sustenu der Noordsche Compagnie met betrekking tot de ligging van het eiland behoorlijk te onderzoeken en na acht of tien maanden zouden de Staten met kennis van zaken uitspraak kunnen doen[1137].Dit voorstel werd eindelijk 29 Februari 1616 door de Staten-Generaal goedgekeurd[1138].De Noordsche Compagnie was echter slechts door de bedreiging, dat men anders met afwijzing van al hare actiën tegen Kyen en Leversteyn over het vroeger gebeurde de nu voorgestelde regeling voor goed zou vaststellen, tot berusten in deze uitspraak der Staten te brengen[1139].
[1136]R. S.-G. 3 Oct. 1615.[1137]„Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.[1138]R. S.-G. 29 Febr. 1616.—De commandeur van het konvooi der walvischvaarders voor 1616, Jan Jacobsz. Schrobop, kreeg dan ook van de Stn.-Gen. bevel om met zijne stuurlieden te nemen „de rechte Polus Hoochte vande gelegentheyt van t’ selue Eylandt, wat streckinge, ende hoedanige opdoeninge tselue Eylandt is hebbende,” en om van zijne bevindingen zoo spoedig mogelijk rapport te doen aan de Stn.-Gen. (Instr. v. Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 5, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)[1139]R. S.-G. 16, 18, 23 Apr. 1616.
[1136]R. S.-G. 3 Oct. 1615.
[1137]„Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.
[1138]R. S.-G. 29 Febr. 1616.—De commandeur van het konvooi der walvischvaarders voor 1616, Jan Jacobsz. Schrobop, kreeg dan ook van de Stn.-Gen. bevel om met zijne stuurlieden te nemen „de rechte Polus Hoochte vande gelegentheyt van t’ selue Eylandt, wat streckinge, ende hoedanige opdoeninge tselue Eylandt is hebbende,” en om van zijne bevindingen zoo spoedig mogelijk rapport te doen aan de Stn.-Gen. (Instr. v. Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 5, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[1139]R. S.-G. 16, 18, 23 Apr. 1616.
In den zomer van 1616 vischten beide partijen, nadat zij overeengekomen waren, dat men de door beiden te vangen walvisschen zou verdeelen naar evenredigheid van het getal der sloepen[1140],in vrede aan het eiland; maar spoedig wendden toch beiden zich weder tot de Staten met verzoek om bepaling van den tijd, waarin zij de bij het »generael octroy” vermelde vier reizenmoesten doen[1141].De Staten-Generaal toonden zich geneigd de zaak voor het volgende jaar nogmaals te schikken evenals in 1616[1142],maar de nadere kennismaking had beide partijen het gewicht van het eiland doen beseffen. De verbittering was zoo groot, dat zij beiden de Staten-Generaal verzochten om zonder uitstel in hunne zaak te beslissen. De stukken waren reeds vroeger gesteld in handen van den Hoogen Raad[1143]en na vele aanmaningen gelukte het nu, den 13 April 1617 eene definitieve uitspraak van dit college te verkrijgen[1144].Waarschijnlijk op grond der bepaling in het »generael octroy,” dat »bij soo verre in ofte ontrent, een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer Compagnien, nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende ontdeckten, de selve te samen het Octroy ende Privilegie souden genieten,” besliste de Hooge Raad met het oog op de beide reizen van Kerckhoff en Paelman in 1615, dat beide partijen gedurende vier jaren, ingaande met 1618[1145]»met gelyck recht, ende sonder malkanderen eenich beleth te doen het eylant in questie souden mogen beuisschen op alsulcken ordre als syluyden metten anderen onderlinge souden ghoedt vinden, off anders by de hoochgemelte heeren Staten generael soude werden gearbitreert[1146].”
[1140]Instr. van Schrobop, art. 7, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Niet te verklaren schijnt mij een request van Kyen, Monier en Leversteyn (de drie Delftsche bewindhebbers der N. C.), waarvan de R. S.-G. 30 Aug. 1616 spreken.[1141]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Juni 1616, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—R. S.-G. 3, 18 Oct. 1616.[1142]R. S.-G. 3 Oct., 24 Dec. 1616, 16 Mrt. 1617.[1143]Miss. der Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617. R.-A.[1144]R. S.-G. 25, 28, 29 Mrt., 3 Apr. 1617.[1145]Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622, in: Groot Placaetb. I p. 675.—R. S.-G. 16 Mrt. 1618.[1146]Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.—Zie eene geheel verkeerde voorstelling dezer quaestie by Wassenaer (Hist. verh. X fol. 107), die echter iets van de ware toedracht der zaak vernomen schijnt te hebben.—Om de herhaling van dergelijke onaangename zaken te voorkomen, hielden de Staten-Generaal bij de verlenging van het octrooi der N. C. in 1617 de beslissing van alle geschillen tusschen de participanten aan zich. (R. S.-G. 24 Jan. 1617.—Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)—De N. C. stelde voortaan als straf op het openbaren en het tot eigen voordeel gebruiken van resolutiën, adviezen, ontdekkingen of andere geheimen der compagnie eene boete van ƒ 100 voor de armen, vergoeding van alle schade aan de N. C. en bovendienontzetting van de betrekking van bewindhebber. (Contr. der N. C. met Zeeland, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
[1140]Instr. van Schrobop, art. 7, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Niet te verklaren schijnt mij een request van Kyen, Monier en Leversteyn (de drie Delftsche bewindhebbers der N. C.), waarvan de R. S.-G. 30 Aug. 1616 spreken.
[1141]Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Juni 1616, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.—R. S.-G. 3, 18 Oct. 1616.
[1142]R. S.-G. 3 Oct., 24 Dec. 1616, 16 Mrt. 1617.
[1143]Miss. der Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617. R.-A.
[1144]R. S.-G. 25, 28, 29 Mrt., 3 Apr. 1617.
[1145]Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622, in: Groot Placaetb. I p. 675.—R. S.-G. 16 Mrt. 1618.
[1146]Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.—Zie eene geheel verkeerde voorstelling dezer quaestie by Wassenaer (Hist. verh. X fol. 107), die echter iets van de ware toedracht der zaak vernomen schijnt te hebben.—Om de herhaling van dergelijke onaangename zaken te voorkomen, hielden de Staten-Generaal bij de verlenging van het octrooi der N. C. in 1617 de beslissing van alle geschillen tusschen de participanten aan zich. (R. S.-G. 24 Jan. 1617.—Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)—De N. C. stelde voortaan als straf op het openbaren en het tot eigen voordeel gebruiken van resolutiën, adviezen, ontdekkingen of andere geheimen der compagnie eene boete van ƒ 100 voor de armen, vergoeding van alle schade aan de N. C. en bovendienontzetting van de betrekking van bewindhebber. (Contr. der N. C. met Zeeland, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)
Zoo hadden dus de kapitalisten, die hun geld in de onderneming van Kyen en Leversteyn steken zouden, recht om ten minste gedurende vier jaren nevens de Noordsche Compagnie openlijk als mededingers op te treden. De gelegenheid was te schoon om ze niet te gebruiken: aan Jan Mayen-eiland had men niet zooals aan Spitsbergen eene zware concurrentie van buitenlanders tevreezen. De ondernemingszucht der Nederlandsche kooplieden aarzelde dan ook niet, aandeelen op ruime schaal te nemen. Reeds in 1616 was »de cleyne Noortsche Compagnie”, zooals men de vereeniging noemde, in staat geweest, vijf schepen naar het eiland te zenden, terwijl de uitrusting der Noordsche Compagnie uit slechts zes schepen bestaan had[1147].Eene quaestie tusschen de beide wedijverende compagniën over den zin van het vonnis schijnt geen gevolg gehad te hebben[1148],en de Noordsche Compagnie berustte weldra in wat niet te veranderen was. Den 25 Mei 1620 trof zij met hare jongere zuster eene overeenkomst, waarbij partijen op de gemeenschappelijke visscherij aan het eiland orde stelden[1149],en elkander tot behoud der goede verstandhouding een gedeelte van het strand tot de oprichting van de tot de vangst noodige gebouwen toedeelden[1150].
[1147]Instr. v. Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1148]R. S.-G. 17 Jan., 9 Febr. 1618.—De Stn.-Gen. verwezen partijen weder aan den H. R., maar een nieuwe uitspraak schijnt niet gevolgd te zijn.[1149]Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.[1150]Akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvangers, in: Groot Placaet-boeck. I p. 674.
[1147]Instr. v. Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1148]R. S.-G. 17 Jan., 9 Febr. 1618.—De Stn.-Gen. verwezen partijen weder aan den H. R., maar een nieuwe uitspraak schijnt niet gevolgd te zijn.
[1149]Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.
[1150]Akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvangers, in: Groot Placaet-boeck. I p. 674.
De vereeniging der beide compagniën schijnt reeds toen vrij nauw geweest te zijn[1151],en toen weldra de tijd aanbrak, waarop de kleine Noordsche Compagnie door het einde van haar vierjarig recht zich zou moeten oplossen, had de geoctrooieerde vereeniging, door herhaalde verliezen verzwakt, er niets tegen zich door de opname der kleinere met haar vrij aanzienlijk kapitaal te versterken. Wel is waar moest dan het uitsluitende recht der Noordsche Compagnie op Spitsbergen opgegeven worden, maar de visscherij aan dat eiland, waar Engeland en Denemarken om den voorrang twistten, had in de laatste jaren sinds de exploitatie van Jan Mayen-eiland veel van haar belang verloren. Men besloot dan ook 4 December 1620 om het volgende jaar, wanneer ook het octrooi der Noordsche Compagnie ten einde liep, op naam der twee compagniën aan de Staten-Generaal verlenging daarvan te vragen; tegen 26 Augustus 1621 zouden afgevaardigden van de beide vereenigingen in Den Haag verschijnen om nadere maatregelen te beramen. Met de Zeeuwsche walvischvaarders vereenigd, hoopte men eene groote compagnie vrij van alle concurrentie te vormen[1152].Toen echter de combinatie der Noordsche Compagnie met de Zeeuwen spoedig tot stand kwam,—toen misschien eene goede vangst in den zomer van 1621 de walvischvaarders verrijkte, schijnt de Noordsche Compagnie gemeend te hebben, dat zij de medewerking der kleine Noordsche wel kon ontberen. Zeker is het ten minste, dat de oude animositeit weder opleefde, en toen de afgevaardigden der kleine Noordsche Compagnie op den bepaalden tijd in Den Haag aankwamen, vonden zij hunne partij van gevoelen veranderd. Tegenspraak baatte niet, en werkelijk verzocht de Noordsche Compagnie 1 September 1621 alleen op haar eigen naam verlenging van het octrooi voor twaalf jaren[1153].Dadelijk protesteerde de kleine Noordsche, en verzocht van hare zijde een octrooi voor de walvischvangst van zes jaren[1154].