Chapter 27

[1151]Dit maak ik op uit het feit, dat de Resolutiën der N. C., medegedeeld bij het request der kleine N. C. dd. 2 Sept. 1621 (Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.) getrokken zijn uit „het resolutiebouck vande heeren Bewinthebberen vande grootte endede consortenvande cleyne geoctroyeerde noortsche compagnie.”[1152]Resol. N. C. 4 Dec. 1620, 25 Mrt., 29 Juli 1621, bij het: Req. der kl. N. C. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.[1153]R. S.-G. 1 Sept. 1621, 8 Jan. 1622.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.[1154]R. S.-G. 24 Aug., 2 Sept., 6 Oct. 1621.—Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

[1151]Dit maak ik op uit het feit, dat de Resolutiën der N. C., medegedeeld bij het request der kleine N. C. dd. 2 Sept. 1621 (Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.) getrokken zijn uit „het resolutiebouck vande heeren Bewinthebberen vande grootte endede consortenvande cleyne geoctroyeerde noortsche compagnie.”

[1152]Resol. N. C. 4 Dec. 1620, 25 Mrt., 29 Juli 1621, bij het: Req. der kl. N. C. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

[1153]R. S.-G. 1 Sept. 1621, 8 Jan. 1622.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

[1154]R. S.-G. 24 Aug., 2 Sept., 6 Oct. 1621.—Req. der kl. N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

De Staten-Generaal waren nu in een moeielijk geval. Eenheid in de uitrustingen ter walvischvangst te brengen en daardoor dit bedrijf niettegenstaande den tegenstand van buiten in de Vereenigde Nederlanden te vestigen was steeds hun streven geweest. Hunne pogingen, in 1614 door de vereeniging van alle bestaande compagniën onder éen octrooi zoo goed geslaagd, waren reeds in 1616 door de oprichting van twee nieuwe compagniën weder vruchteloos gemaakt. Wat wonder was het, dat zij, nu twee der mededingsters zich met eensluidende verzoekschriften tot hen wendden, dadelijk besloten om te beproeven van beide compagniën en eventueele nieuwe participanten bij deze gelegenheid eene nieuwe generale compagnie voor de walvischvangst te vormen[1155].Het kapitaal van beiden zou zoodoende voor de Nederlandsche walvischvangst behouden blijven, zonder dat er gevaar was dat de eene compagnie de andere doodvaren zou.

[1155]R. S.-G. 2 Sept. 1621.

[1155]R. S.-G. 2 Sept. 1621.

Holland, als altijd toongevend in een besluit dat handel en zeevaart betrof, poogde dadelijk de beide twistende vereenigingen door hare tusschenkomst tot een vergelijk te brengen. Na langdurige conferentiën sloegen de gedeputeerden der Staten van dit gewest voor, de aandeelhouders der kleine compagnie over de kamers van Maas en Noorderkwartier te verdeelen; de onderlinge verhouding van de kamers der Noordsche Compagnie zou dan in zooverre gewijzigd worden, dat, terwijl Zeeland het haar toekomende1⁄4van de geheele vangst behield, de overschietende3⁄4in drie gelijke deelen tusschen de kamers van Amsterdam, de Maas en het Noorderkwartier verdeeld zouden worden.Maar deze regeling stuitte af op den bepaalden onwil der groote compagnie, voornamelijk zeker van de Amsterdamsche kamer, die dusdoende haar overwicht zou verloren hebben. Een andere voorslag »omme de cleyne Compaignie te laten soo die is,” d. i. eene afzonderlijke kamer op te richten, vond niet meer genade in de oogen der oudste zuster en ook de jongere was hardnekkig en »wilde oick niet en affstaen.” Het scheen onmogelijk de twistenden tot overeenstemming te brengen; de tijd der nieuwe uitrusting naderde en de commissie wist dan ook geen beter raad te geven, dan om »alsoo de disputen langer tyt requireerden” de beide compagniën te machtigen, dat jaar nog op den ouden voet haar bedrijf te oefenen en onderwijl de onderhandelingen voort te zetten. De Staten van Holland vereenigden zich met dezen voorslag en gelastten hunne gedeputeerden ter generaliteit in dien geest werkzaam te zijn[1156].Zij deden dit met het beste gevolg: reeds den volgenden dag werd door de Staten-Generaal eene commissie benoemd, om de twee requestranten tot een vergelijk en tot berusten in den wil der Staten-Generaal te brengen[1157].Na eenige weinige conferentiën bleek het echter ook aan deze gedeputeerden, dat de onderlinge naijver der twee compagniën te groot was om spoedig eene verzoening te weeg te brengen: de commissie adviseerde de Staten-Generaal »hierinne met authoriteyt te decreteren ende decideren.” Zij zelve deed daartoe in den geest van de resolutie door Holland genomen eenen voorloopigen voorslag, dien zij wenschten, dat de Staten-Generaal de beide compagniën op verbeurte van haar octrooi zouden doen aannemen. Dienovereenkomstig werd besloten[1158]en de voorslag 4 Februari 1622 gearresteerd. De geheele jaarlijksche vangst der Nederlanders was daarbij begroot op 21.000 quarteelen traan en de Staten-Generaal beslisten nu, dat van dit getal de geoctrooieerde Noordsche Compagnie zou mogen vangen tot 10.000 quarteelen, terwijl de kleine met 6000 zou moeten tevreden zijn[1159].De kleine Noordsche Compagnie bleef bij hare vangst als vroeger beperkt tot Jan Mayen-eiland; de groote zou echter in mindering van haar aandeel aan de visscherij bij dit eiland haar bedrijf ook aan Spitsbergen of elders mogen oefenen. De voorslag zou het recht van geene der partijen bij eene definitieve regeling praejudiciëeren, maar het was dan ook alleen bij aanneming daarvan, dat de Staten-Generaal voorloopignog voor éen jaar aan beiden verlof tot de walvischvangst gaven[1160].Aan Pieter Van der Graeff, Reyer Van der Burch en Adriaen Dircxz. Leversteyn, die te zamen1⁄4aandeel hadden in de kleine Noordsche Compagnie, werd op hun herhaald verzoek eene afzonderlijke vermeerdering van hunne portie toegestaan met 1500, later met nog 300 quarteelen[1161],zoodat de kleine Noordsche Compagnie nu bestond uit drie deelen, elk van 1500 quarteelen, en een vierde, dat onder drie kooplieden verdeeld was, die gezamenlijk recht hadden op 3300 quarteelen[1162].Uit de resolutie van 4 Februari zou daarop volgens de voorstellen van alle compagniën een reglement op de walvischvangst door de Staten-Generaal gearresteerd worden[1163].

[1156]R. H. 24 Jan. 1622.[1157]R. S.-G. 25 Jan. 1622.[1158]R. S.-G. 3 Febr. 1622.[1159]De overige 5000 quarteelen werden aan de Zeeuwsche walvischvaarders toegeleid. (Zie hiernap. 331.)[1160]R. S.-G. 4 Febr. 1622.[1161]R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.—Miss. v. Delft aan de Stn.-Gen. dd. 9 (lees: 10) Febr. 1622,—en: Req. v. Van der Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. (dd. 12 Febr. 1622), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Delft dd. 11 Febr. 1622, in: Lias loop. 1622.[1162]De naijver tusschen de N. C. en Van der Graeff eindigde hiermede niet. Van der Graeff en een Rotterdamsch koopman, Willem Van Muylwyck, schijnen zich door aankoop in het bezit van eene groote party aandeelen in de Noordsche Compagnie gesteld te hebben (de beperking der vangst door de Stn.-Gen. had vele reeders der kleine N. C. van het bedrijf afkeerig gemaakt. cf. Miss. v. Delft aan de Gecommitt. Raden v. Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.) en in 1622 met eene grootere uitrusting dan het reglement der compagnie hun toeliet ter walvischvangst uitgevaren te zijn. De N. C., vooral de Amsterdamsche kamer, protesteerde hiertegen met kracht en 13 April 1623 kwam het tot een vergelijk, waarbij de compagnie de geheele uitrusting, die de reeders voor eene nieuwe reis hadden aangekocht, overnam op voorwaarde, dat Van der Graeff zich metterwoon te Amsterdam zou vestigen en lid der daar bestaande kamer zou worden, totdat bij eene nieuwe regeling elders eene bewindhebbersplaats voor hem openkwam. (R. S.-G. 24 Mrt., 4, 8, 11, 12, 14 Apr. 1623.) Van Muylwyck was ondertusschen overleden, maar Van der Graeff lag nog anderhalf jaar na dit contract met de N. C. overhoop. (R. S.-G. 10, 12 Mei 1623.—Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 11 Sept. 1624.)[1163]R. S.-G. 5, 20 Febr., 3 Mrt. 1622.—Daartoe kwam het echter waarschijnlijk niet. (Vgl. de akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvaarders dd. 28 Mrt. 1622, in: Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)

[1156]R. H. 24 Jan. 1622.

[1157]R. S.-G. 25 Jan. 1622.

[1158]R. S.-G. 3 Febr. 1622.

[1159]De overige 5000 quarteelen werden aan de Zeeuwsche walvischvaarders toegeleid. (Zie hiernap. 331.)

[1160]R. S.-G. 4 Febr. 1622.

[1161]R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.—Miss. v. Delft aan de Stn.-Gen. dd. 9 (lees: 10) Febr. 1622,—en: Req. v. Van der Graeff c. s. aan de Stn.-Gen. (dd. 12 Febr. 1622), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.—Miss. v. de Stn.-Gen. aan Delft dd. 11 Febr. 1622, in: Lias loop. 1622.

[1162]De naijver tusschen de N. C. en Van der Graeff eindigde hiermede niet. Van der Graeff en een Rotterdamsch koopman, Willem Van Muylwyck, schijnen zich door aankoop in het bezit van eene groote party aandeelen in de Noordsche Compagnie gesteld te hebben (de beperking der vangst door de Stn.-Gen. had vele reeders der kleine N. C. van het bedrijf afkeerig gemaakt. cf. Miss. v. Delft aan de Gecommitt. Raden v. Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche togten. 4. Loop N. C. R.-A.) en in 1622 met eene grootere uitrusting dan het reglement der compagnie hun toeliet ter walvischvangst uitgevaren te zijn. De N. C., vooral de Amsterdamsche kamer, protesteerde hiertegen met kracht en 13 April 1623 kwam het tot een vergelijk, waarbij de compagnie de geheele uitrusting, die de reeders voor eene nieuwe reis hadden aangekocht, overnam op voorwaarde, dat Van der Graeff zich metterwoon te Amsterdam zou vestigen en lid der daar bestaande kamer zou worden, totdat bij eene nieuwe regeling elders eene bewindhebbersplaats voor hem openkwam. (R. S.-G. 24 Mrt., 4, 8, 11, 12, 14 Apr. 1623.) Van Muylwyck was ondertusschen overleden, maar Van der Graeff lag nog anderhalf jaar na dit contract met de N. C. overhoop. (R. S.-G. 10, 12 Mei 1623.—Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 11 Sept. 1624.)

[1163]R. S.-G. 5, 20 Febr., 3 Mrt. 1622.—Daartoe kwam het echter waarschijnlijk niet. (Vgl. de akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvaarders dd. 28 Mrt. 1622, in: Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)

Nu de regeering zoodoende tot eenheid gedwongen had, nam ook het onderlinge twisten der mededingsters een einde. De proef van een jaar gelukte uitnemend: den 20 December 1622 verzochten beide compagniën, nu tot éene vereenigd, om verlenging van haar octrooi[1164].De Staten-Generaal waren dadelijk bereid het verzoek toe te staan[1165],en de kleine Noordsche Compagnie deelde voortaan als tweede Delftsche kamer der geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst in alle voordeelen harer oudere zuster[1166].

[1164]R. S.-G. 20 Dec. 1622.[1165]R. S.-G. 22 Dec. 1622.[1166]Nog onder het contract der N. C. met Friesland van 25 Juli 1636 teekenden voor de Delftsche kamer twee personen, Jacob Van de Graaf (waarschijnlijk voor de kleine N. C.) en Dirk De Haan (voor de groote N. C.). De opgave der bewindhebbers over den staat der N. C. in Februari 1636 spreekt echter behalve van de gewone Delftsche kamer van eene 1eDelftsche kamer, waarvan de aandeelen verdeeld waren tusschen een Zeeuw Willem Pedij en een Enkhuizenaar Jacob Meyn,—en eene 2e, die verdeeld was tusschen de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen. (Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.)

[1164]R. S.-G. 20 Dec. 1622.

[1165]R. S.-G. 22 Dec. 1622.

[1166]Nog onder het contract der N. C. met Friesland van 25 Juli 1636 teekenden voor de Delftsche kamer twee personen, Jacob Van de Graaf (waarschijnlijk voor de kleine N. C.) en Dirk De Haan (voor de groote N. C.). De opgave der bewindhebbers over den staat der N. C. in Februari 1636 spreekt echter behalve van de gewone Delftsche kamer van eene 1eDelftsche kamer, waarvan de aandeelen verdeeld waren tusschen een Zeeuw Willem Pedij en een Enkhuizenaar Jacob Meyn,—en eene 2e, die verdeeld was tusschen de kamers van Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen. (Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.)

De tweede aanval op de alleenheerschappij der Noordsche Compagnie kwam van Zeeuwsche zijde. Toen de Staten-Generaal in 1614 octrooi verleend hadden aan de vereenigde walvischvangers, had Zeeland zich met kracht hiertegen verzet. De provincie meende, dat het als eene uittarting van den machtigen vorst van Groot-Britannië zou beschouwd worden, zoo men niettegenstaande diens bepaald uitgedrukt verlangen openlijk de overtreders van zijn gebod in bescherming nam en hunne handelwijze wettigde. Door zijdelingsche ondersteuning en aanmoediging van staatswege, dus schreven de Staten van Zeeland, zou de Nederlandsche walvischvangst weldra in staat zijn zich met de Engelschen te meten; dezen zouden dan geen aanval meer wagen en de koning zelf zou dan niet langer aandringen op de erkenning van souvereiniteitsrechten, wier handhaving onmogelijk gebleken was. Eerst wanneer dit resultaat door bezendingen en goede woorden verkregen was, zou de tijd gekomen zijn om aan de walvischvaarders het verzochte octrooi te verleenen. Niettegenstaande alle pogingen van Den Haag uit aangewend, bleef Zeeland in zijne oppositie volharden en het octrooi werd eindelijk zonder de toestemming der provincie verleend[1167].

[1167]R. S.-G. 27 Jan., 22 Febr., 27 Mrt., 4 Apr. enz. 1614.—N. Z. 30 Jan., 8 Febr., 19, 20 Mrt. 1614.—Miss. v. de Stn. v. Zeeland aan hunne Gedeput. ter Generaliteit dd. 3 Febr. 1614, als bijlage achter de: N. Z. 1614.

[1167]R. S.-G. 27 Jan., 22 Febr., 27 Mrt., 4 Apr. enz. 1614.—N. Z. 30 Jan., 8 Febr., 19, 20 Mrt. 1614.—Miss. v. de Stn. v. Zeeland aan hunne Gedeput. ter Generaliteit dd. 3 Febr. 1614, als bijlage achter de: N. Z. 1614.

De Staten-Generaal hadden ongetwijfeld het recht, zich niet aan den tegenstand van eene provincie te storen. De grondwet der Vereenigde Provinciën had het verleenen van octrooien als niet dependeerende van de Unie aan de gewesten gelaten, en het was dus volgens de Unie van Utrecht aan zes provinciën volkomen geoorloofd een octrooi uit te geven, al weerhield de zevende zuster hare toestemming. Ook het gebruik, die gewichtige rechtsbron in de republiek, wettigde het besluit der Staten-Generaal. Het was namelijk reeds dadelijk in 1579 gewoonte geworden of liever gebleven, om sommige onderwerpen, wier regeling de Unie aan de provinciën had overgelaten, bij de vergadering der Staten-Generaal te brengen, ten einde meer eenstemmigheid in de vastgestelde maatregelen te verkrijgen. Tot die onderwerpen behoorde ook zonder tegenspraak het verleenen van octrooien. En daar dit eene zaak was, in verreweg de meestegevallen van zeer ondergeschikt belang, hadden de provinciën stilzwijgend van haar recht afstand gedaan en besloot men daarin steeds bij overstemming. Het gebruik had deze regeling bekrachtigd en hechtte dus ook nu zijn zegel aan het besluit der generaliteit, om geen acht te slaan op Zeelands tegenstand. Wettigden dus recht en gewoonte gelijkelijk het verleenen van het octrooi, de positie van Zeeland bleef min of meer dubbelzinnig. De Unie van Utrecht liet de Staten der tegenstrevende provincie als souvereinen in hun gewest toe een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen; de gewoonte vorderde, dat zij zich aan den wil der Staten-Generaal onderwierpen en zich gebonden rekenden door het door hen verleende octrooi. Ook hier weder week men echter in de republiek in sommige gevallen van het eenmaal vastgestelde af. De Staten-Generaal zelven hadden weldra het onmogelijke ingezien, om hun door gewoonte verkregen recht te handhaven. Was het reeds ondoenlijk gebleken machtige provinciën tot onderwerping aan de generaliteit te dwingen, waar de Unie dit uitdrukkelijk beval; hoeveel te minder was dit uitvoerbaar, waar de weerstrevende provincie den letter der wet in haar voordeel had. De Staten-Generaal waren dan ook steeds geneigd bevonden om toe te geven, wanneer eene machtige provincie meende zich niet door het tegen haren zin doorgegane besluit te moeten laten binden, en Zeeland had dus ook nu veel kans hare vrijheid erkend te zien.

Niet lang duurde het, of de provincie besloot van de gunstige positie, waarin haar het toeval geplaatst had, gebruik te maken. Nauwelijks bleek het, dat de Hollanders in de walvischvangst uitnemend slaagden en ook de Engelschen zich aanvankelijk rustig hielden of Jan Lampsius en eenige andere Vlissingsche kooplieden wendden zich tot de Staten van hun gewest met de mededeeling, dat zij voornemens waren zich nevens de Hollanders op de walvischvangst te gaan toeleggen. Daar echter de uitsluitende geest der Noordsche Compagnie hun te goed bekend was, verzochten zij van de Staten eene akte »om hun te indempniseren van zoodanigen schade als hun by de Hollanders zoude mogen aengedaen werden.” De Staten van Zeeland, naijverig op hunne vrijheid, verklaarden dadelijk: »dat, alzoo de Heeren Staten van Zeelant in het voorschreve Octroy niet en hadden geconsenteert, men niet en verstond dat selve soude strecken tot prejuditie van de Neeringe van hunne Ingesetenen, die daerom vryelyck nevens andere van dese Landen mochten aldaer visschen[1168].”

[1168]N. Z. 11 Mrt. 1615.

[1168]N. Z. 11 Mrt. 1615.

Niettegenstaande deze gunstige beschikking ging er met deuitrusting der schepen te veel tijd heen, dan dat men nog dit jaar eene reis kon doen[1169].Eerst in 1616 rustte de Vlissingsche reederij twee schepen, de »Cabbeliau” kapitein Willem Willemsz., en een ander schip, kapitein Jan Verelle, naar het noorden uit. De Noordsche Compagnie protesteerde wel daartegen, maar de Staten-Generaal handhaafden de vrijheid van Zeeland en bevalen commandeur Schrobop de Zeeuwen evenals de Hollanders tegen hunne vijanden te beschermen[1170].In den zomer verschenen dan ook de twee schepen aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland en hadden eene goede vangst[1171].Maar nauwelijks kregen de bewindhebbers der Noordsche Compagnie hiervan bericht, of zij schreven aan den commandeur met bevel om de beide Zeeuwen te arresteeren en naar eene Hollandsche haven te voeren. Het gevolg was, dat het schip de »Cabbeliau” werkelijk in Texel opgebracht werd en de Noordsche Compagnie zich gereed maakte het te laten verbeurd verklaren[1172].De reeders wendden zich dadelijk in groote onrust aan de Staten van Zeeland. Zij klaagden over de gewelddadige handelwijze der Hollanders, niettegenstaande de akte van vrijgeleide hun door de Staten van Zeeland verleend, niettegenstaande het bevel der Staten-Generaal aan den commandeur om de Zeeuwen te beschermen, en zij eischten van hunne regeering, dat zij ter handhaving van hun vrijgeleide hunne onderdanen van het dreigende proces zouden bevrijden. De Staten van Zeeland, verontwaardigd over het door de Hollanders gepleegde geweld, zeiden den supplianten terstond hunne hulp toe en schreven aan hunne gedeputeerden naar Den Haag om hen op alle mogelijke wijzen bij te staan[1173].

[1169]Dit blijkt uit de Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620, die de reis, waarop de arrestatie der Zeeuwsche schepen plaats vond, noemt „de eerste reijse.” Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) verhaalt ook, dat de Zeeuwen, die in 1617 op Spitsbergen kwamen, „were neuer in those parts before.”[1170]R. S.-G. 3 Juni 1616.[1171]Sent. v. d. H. R. in zake Jan Lampsius c. s. c. Jan Clarcque c. s. dd. 31 Juli 1620.[1172]R. S.-G. 30 Aug. 1616.—Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620.[1173]N. Z. 15 Oct. 1616.

[1169]Dit blijkt uit de Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620, die de reis, waarop de arrestatie der Zeeuwsche schepen plaats vond, noemt „de eerste reijse.” Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 467) verhaalt ook, dat de Zeeuwen, die in 1617 op Spitsbergen kwamen, „were neuer in those parts before.”

[1170]R. S.-G. 3 Juni 1616.

[1171]Sent. v. d. H. R. in zake Jan Lampsius c. s. c. Jan Clarcque c. s. dd. 31 Juli 1620.

[1172]R. S.-G. 30 Aug. 1616.—Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620.

[1173]N. Z. 15 Oct. 1616.

Hoe gunstig zich de zaak dus aanvankelijk voor de Vlissingsche reeders liet aanzien, de afloop was hun zeer nadeelig. En terecht! De Staten-Generaal hadden het recht van Zeeland erkend om ongestoord alle voordeelen te genieten, die aan de Noordsche Compagnievolgens haar octrooitoekwamen. Waarschijnlijk zou deze dan ook hare mededingers gewillig op Spitsbergen hebben toegelaten. Geheel anders stonden echter de zaken, nu de Zeeuwen aan Jan Mayen-eiland hunne nering wildenoefenen. Niet krachtens het octrooi, maar door haar verkregen recht als ontdekkers volgens het plakkaat van 27 Maart 1614 vischten de beide Hollandsche compagniën aan dit eiland. De provincie Zeeland had zelve medegewerkt tot het vaststellen van dit plakkaat en was dus aan de bepalingen daarvan gebonden. Zeeuwsche compagniën hadden hier niets voor boven Hollandsche: het was hun evenmin als dezen geoorloofd gedurende vier jaar aan Jan Mayen-eiland met de beide bevoorrechte vereenigingen te concurreeren. Weldra beter ingelicht, mengden zich dan ook de Staten van Zeeland niet verder in het proces. Het gearresteerde schip werd spoedig tegen cautie in vrijheid gesteld[1174],maar de Hooge Raad, aan wien de zaak door de Staten-Generaal in handen gegeven was[1175],besliste 13 April 1617, dat de Vlissingsche reederij gedurende den tijd bij het »generael octroy” bepaald geen recht had aan »het eylant in questie” te visschen. Over het gearresteerde schip zouden partijen zoo mogelijk eene minnelijke schikking treffen, en daartoe voor den raadsheeren Rombout Hoogerbeets en Adriaan Junius verschijnen[1176].

[1174]R. S.-G. 9 Sept. 1616.[1175]Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617.[1176]Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.—Miss. v. Zeeland aan de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, als Bijlage achter de N. Z. 1620.—Waarschijnlijk is het schip vrijgegeven op voorwaarde, dat de compagnie, die het uitgezonden had, nooit weder op Jan Mayen-eiland zou doen uitreeden, althans in de aangehaalde missive van de Stn. v. Zeeland van 1620 wordt gezegd, „dat of eenigh Verdragh werde geobiciëert tegens eenige Zeelantsche Groenlants Vaerders (die verlof hadden verzocht naar Jan Mayen-eiland te stevenen) als ofte die mette Hollanders over de Visscherye van dien Eylande hadden getransigeert, dat zulcx geen plaetse kon grypen, dan misschien tegen Jan Lampsius cum Suis, ende niet tegen anderen.”

[1174]R. S.-G. 9 Sept. 1616.

[1175]Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias loop. 1617.

[1176]Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.—Miss. v. Zeeland aan de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, als Bijlage achter de N. Z. 1620.—Waarschijnlijk is het schip vrijgegeven op voorwaarde, dat de compagnie, die het uitgezonden had, nooit weder op Jan Mayen-eiland zou doen uitreeden, althans in de aangehaalde missive van de Stn. v. Zeeland van 1620 wordt gezegd, „dat of eenigh Verdragh werde geobiciëert tegens eenige Zeelantsche Groenlants Vaerders (die verlof hadden verzocht naar Jan Mayen-eiland te stevenen) als ofte die mette Hollanders over de Visscherye van dien Eylande hadden getransigeert, dat zulcx geen plaetse kon grypen, dan misschien tegen Jan Lampsius cum Suis, ende niet tegen anderen.”

Voor deze laatste verzoenende bepaling was veel reden: de strijdende partijen stonden reeds niet meer vijandig tegen elkander over; het waren nu compagnons, die onderling twistten. Reeds in October 1616 was er in de statenvergadering van Zeeland ernstig beraadslaagd over het verzoek der Noordsche Compagnie om verlenging van haar octrooi, dat met het jaar 1617 eindigen zou[1177].Nu zich in Zeeland zelf eene compagnie voor de walvischvangst gevormd had, toonden de Staten van dat gewest zich geneigd tot de verlenging mede te werken, mits men hunne onderdanen voor een gedeelte in de geoctrooieerde vereeniging toeliet[1178].De vraag was nu echter, hoe de Hollanders, die natuurlijk met het oog op devoortdurende concurrentie der Zeeuwen, dezen gaarne in hunne compagnie wilden opnemen, bij die toelating zouden willen handelen. De Staten van Zeeland wenschten te weten, of de bedoeling der Hollanders was, de kapitalen der beide vereenigingen te combineeren en gezamenlijk éene compagnie uit te maken, waarvan alle leden gelijke aanspraak op winst en verlies hadden en allen door dezelfde bewindhebbers bestuurd werden, dan wel of de vereenigingen alleen zouden samenwerken in het gezamenlijk aanvragen van octrooi. In het laatste geval toch zou elke kamer der compagnie voor eigene rekening schepen uitrusten, terwijl men daarbij alleen door een reglement, door de gezamenlijke kamers gemaakt over de grootte en uitrusting der schepen en het samenblijven tot gemeenschappelijke verdediging tegen vijanden, in zijne vrijheid beperkt zou zijn. (regulated company.)[1179]Aan zulk een vrijzinnigen voorslag dachten echter de Hollandsche reeders niet: eene regeling als deze zou voor de Zeeuwen een ruim veld ter concurrentie overlaten, en de bezwaren, door de Noordsche Compagnie tegen de oprichting der Zeeuwsche geopperd, zouden zoodoende bijna allen blijven bestaan. Zij wezen er dan ook dadelijk op, dat twist onvermijdelijk was, wanneer men zich niet geheel vereenigde; het was toch onmogelijk, aan ieder der compagniën afzonderlijke baaien voor hare visscherij aan te wijzen en twee of drie zouden dus naast elkander haar bedrijf moeten oefenen. Bovendien was het noodzakelijk, dat men ook over het getal der uitterusten schepen bepalingen maakte, want »de neringe selve was soo groot niet, dat die vruchtbaerlyck met onbepaeldt getal van schepen soude connen werden gedaen.” De Noordsche Compagnie was dus van plan de verlenging van het octrooi voor zich alleen aan te vragen, »als vele costen gedragen hebbende met cleine profictien.” Wel wilde zij de Zeeuwen voor een nader te bepalen deel toelaten, maar het zou zijn op voorwaarde, dat zoowel het kapitaal als de risico vereenigd zouden worden en dus ook de uitrustingen voor gezamenlijke rekening zouden plaats hebben. Stonden de Zeeuwen er echter bepaald op, zich op zich zelf te houden, dan wenschten de Hollanders ieders aandeel in de vangst afzonderlijk te bepalen; de verschillende uitrustingen zouden dan »tot gemeenen behouve den visch vangen, die men in loco soude deelen en ijder sijn contingent mede gheven.”[1180].

[1177]N. Z. 12, 13 Oct. 1616.—Men meende in Zeeland, dat het octrooi met het jaar 1616 eindigde. (Miss. der Stn. v. Zeel. aan hunne gedeput. dd. 14 Oct. 1616, in: N. Z. 1616.) Het was echter in 1615 met een jaar verlengd (R. S.-G. 1 Apr. 1615) en eindigde dus eerst met 1617.[1178]N. Z. 14 Oct. 1616.[1179]Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 14 Oct. 1616,—en v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan den magistraat v. Zierikzee dd. 23 Oct. 1616, achter: N. Z. 1616.[1180]Miss. v. de Gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616, in: Archief Zeeland.

[1177]N. Z. 12, 13 Oct. 1616.—Men meende in Zeeland, dat het octrooi met het jaar 1616 eindigde. (Miss. der Stn. v. Zeel. aan hunne gedeput. dd. 14 Oct. 1616, in: N. Z. 1616.) Het was echter in 1615 met een jaar verlengd (R. S.-G. 1 Apr. 1615) en eindigde dus eerst met 1617.

[1178]N. Z. 14 Oct. 1616.

[1179]Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 14 Oct. 1616,—en v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan den magistraat v. Zierikzee dd. 23 Oct. 1616, achter: N. Z. 1616.

[1180]Miss. v. de Gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616, in: Archief Zeeland.

De onderhandelingen duurden lang. Zeeland schijnt zich met de haar eigene doorzettende vrijheidsliefde tegen eene geheele vereeniging verzet te hebben, en tot eene combinatie van kapitalen kwam het dan ook niet. Toch kregen de Hollanders in zooverre hunnen zin, dat het getal schepen onderling bepaald werd en aan elk der contractanten een vooruit bepaald aandeel aan de uitrustingen werd toegekend. Zij boden daarop den Zeeuwen1⁄5aan[1181];de Vlissingsche reederij was niet ongeneigd, voor1⁄4aandeel als lid der vereeniging op te treden[1182].Door bemiddeling der Staten-Generaal[1183],die in de talrijke concurrenten der Noordsche Compagnie vijanden der eenheid en macht zagen, die zij door het octrooi aan de Nederlandsche walvischvaarders hadden willen geven, werden de twee compagniën het nu weldra eens, en gezamenlijk werd bij de Staten-Generaal een nieuw octrooi aangevraagd[1184].Den 24 Januari 1617 werd dit op naam der beide vereenigingen voor vier jaar verleend[1185].De Staten van Zeeland, die in deze zaak met groote behoedzaamheid handelden en niet dan met volkomen kennis van zaken hunne toestemming verleenen wilden[1186],keurden het 27 Januari goed[1187].

[1181]N. Z. 26 Jan. 1617.[1182]N. Z. 27 Jan. 1617.[1183]R. S.-G. 24 Dec. 1616.[1184]R. S.-G. 21 Jan. 1617.[1185]R. S.-G. 24 Jan. 1617.—Gr. Placaetb. I p. 671.[1186]N. Z. 12, 13, 14 Oct. 1616, 26 Jan. 1617.—Miss. der Stn. v. Zeel. dd. 14, 23 Oct. 1616, in: N. Z. 1616. (Bijlagen.)[1187]N. Z. 27 Jan. 1617.

[1181]N. Z. 26 Jan. 1617.

[1182]N. Z. 27 Jan. 1617.

[1183]R. S.-G. 24 Dec. 1616.

[1184]R. S.-G. 21 Jan. 1617.

[1185]R. S.-G. 24 Jan. 1617.—Gr. Placaetb. I p. 671.

[1186]N. Z. 12, 13, 14 Oct. 1616, 26 Jan. 1617.—Miss. der Stn. v. Zeel. dd. 14, 23 Oct. 1616, in: N. Z. 1616. (Bijlagen.)

[1187]N. Z. 27 Jan. 1617.

Weldra kwam nu de zaak in orde: den 19 Maart 1617 sloten de Hollandsche en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst eene overeenkomst, waarbij aan die van Zeeland1⁄4deel in het gemeenschappelijk octrooi werd ingeruimd. Er werd verder bepaald, dat gedurende drie jaren Holland vier stemmen zou hebben tegen Zeeland éene, terwijl de vergaderingen onder praesidium van eene der Hollandsche kamers in die provincie zouden gehouden worden; het vierde jaar zou Holland drie stemmen hebben tegen Zeeland twee, terwijl een der Zeeuwsche bewindhebbers de algemeene vergadering in Zeeland zou praesideeren. (art. 2-4.) De meerderheid der kamers zou de minderheid binden aan alle besluiten der algemeene vergadering. (art. 5, 7.) Nieuwe bewindhebbers eener kamer zouden uit een dubbeltal, door de overblijvende bewindhebbers uit de hoogste participanten opgemaakt, gekozen worden door den magistraat der stad, waar de kamer gevestigd was. (art. 10.) Over de jaarlijksche uitrustingenzou de algemeene vergadering beslissen. (art. 12.) Ontdekkingen, door schepen der Noordsche Compagnie gedaan, zouden komen ten bate der generale compagnie. (art. 19.)[1188]

[1188]Zie het contract als bijlage achter het request der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1188]Zie het contract als bijlage achter het request der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel., in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Evenals de Hollandsche walvischvaarders werden nu ook de Zeeuwen in kamers verdeeld. De hoop op vereeniging met de groote compagnie voor de walvischvangst had nieuwe mededingers opgeroepen. Eene tweede Vlissingsche compagnie, aan het hoofd waarvan zekere Jan De Moor stond, was naast Lampsius en de zijnen opgetreden[1189]en zond in het voorjaar van 1617 naast zijne twee schepen een derde naar Spitsbergen. En weldra meldden zich nog meer Zeeuwen aan, die begeerig waren in de winsten der walvischvangst te deelen. De Staten van Zeeland hadden dadelijk na het verleenen van het nieuwe octrooi, brieven rondgezonden aan de verschillende Zeeuwsche steden, ze aanschrijvende binnen veertien dagen opgave te doen van de kooplieden, die in elke stad in de nieuwe compagnie wilden participeeren[1190].Het resultaat was zeer bevredigend geweest, en uit de oude participanten, te zamen met de nieuwe pretendenten werden nu bij het contract met de Hollanders drie kamers gevormd. De beide Vlissingsche reederijen werden tot éene kamer der Noordsche Compagnie vereenigd[1191];uit de nieuwe participanten werden twee andere kamers gevormd, die zich te Middelburg en te Veere vestigden[1192].Deze verdeeling bleef bestaan tot den val der Noordsche Compagnie toe.

[1189]Getuigenissen in zake het gebeurde met de Engelschen op Spitsbergen in 1617, als bijlagen bij het: Request der Zeeuwsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.[1190]N. Z. 27 Jan. 1617.—Miss. v. Zeeland dd. 27 Jan. 1617. (Bijl. achter N. Z. 1617.)[1191]In het request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621 (in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.) worden Lampsius en De Moor naast elkander als bewindhebbers van de Vlissingsche kamer der N. C. genoemd.[1192]Hoewel in 1617 alleen de beide Vlissingsche compagniën hare schepen naar Spitsbergen zonden, werd echter deze verdeeling in drie kamers reeds dadelijk in het contract aangenomen. Dit blijkt uit de onderteekening daarvan door verschillende personen voor Middelburg, Vlissingen en Veere. Waarschijnlijk was het jaar reeds te ver verloopen, dan dat de nieuwe participanten reeds in 1617 eene uitrusting konden gereed krijgen.

[1189]Getuigenissen in zake het gebeurde met de Engelschen op Spitsbergen in 1617, als bijlagen bij het: Request der Zeeuwsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland, in: Noordsche togten 4. Loop. N. C. R.-A.

[1190]N. Z. 27 Jan. 1617.—Miss. v. Zeeland dd. 27 Jan. 1617. (Bijl. achter N. Z. 1617.)

[1191]In het request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621 (in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.) worden Lampsius en De Moor naast elkander als bewindhebbers van de Vlissingsche kamer der N. C. genoemd.

[1192]Hoewel in 1617 alleen de beide Vlissingsche compagniën hare schepen naar Spitsbergen zonden, werd echter deze verdeeling in drie kamers reeds dadelijk in het contract aangenomen. Dit blijkt uit de onderteekening daarvan door verschillende personen voor Middelburg, Vlissingen en Veere. Waarschijnlijk was het jaar reeds te ver verloopen, dan dat de nieuwe participanten reeds in 1617 eene uitrusting konden gereed krijgen.

Boven hebben wij reeds gezien, dat de vereeniging van Hollanders en Zeeuwen aanvankelijk niet de gewenschte vruchten droeg[1193].Door hunne bondgenooten alleen gelaten konden dedrie schepen der Vlissingsche compagniën in 1617 geen verlof van de Engelschen krijgen om hun bedrijf aan Spitsbergen te oefenen, en werd een der schepen van Lampsius door hen zelfs van alles beroofd[1194].Eene poging, door de teleurgestelde reeders gewaagd, om zich voor dergelijke aanvallen in het vervolg te behoeden door zich te vereenigen met eene nieuwe Engelsche compagnie, die zich gereed maakte met de Moscovische Compagnie te concurreeren, mislukte[1195]en in 1618 wreekten twee Vlissingsche walvischvaarders en een van Veere zich op de Engelschen door het berooven van het schip »the Pleasure” in Sir Thomas Smiths-bay[1196].

[1193]De onderlinge naijver schijnt met het sluiten van het contract niet opgehouden te zijn; ten minste voor de uitrusting van 1618 was het noodig, dat partijen eene nieuwe overeenkomst sloten. (R. S.-G. 7 Dec. 1617.) De onaangenaamheden over den omslag der schade, den Zeeuwen in 1617 door de Engelschen in de afwezigheid der Hollanders toegebracht, kunnen hiertoe medegewerkt hebben.[1194]R. S.-G. 9 Nov. 1617.—Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, als: Bijlage achter de N. Z. 1617.—Zie meer hiervóorp. 211,12.[1195]Macpherson, Annals of commerce. II p. 287.[1196]Zie meer hiervóorp. 215-17.

[1193]De onderlinge naijver schijnt met het sluiten van het contract niet opgehouden te zijn; ten minste voor de uitrusting van 1618 was het noodig, dat partijen eene nieuwe overeenkomst sloten. (R. S.-G. 7 Dec. 1617.) De onaangenaamheden over den omslag der schade, den Zeeuwen in 1617 door de Engelschen in de afwezigheid der Hollanders toegebracht, kunnen hiertoe medegewerkt hebben.

[1194]R. S.-G. 9 Nov. 1617.—Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617, als: Bijlage achter de N. Z. 1617.—Zie meer hiervóorp. 211,12.

[1195]Macpherson, Annals of commerce. II p. 287.

[1196]Zie meer hiervóorp. 215-17.

Eene andere zaak dreigde de Zeeuwen nog langen tijd met moeielijkheden. Niettegenstaande het contract van 1617 bleef er tusschen de Hollandsche en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst nog steeds een groot onderscheid. Zeeland bleef van Jan Mayen-eiland natuurlijk uitgesloten; de oude Noordsche Compagnie was de eenige der drie mededingsters, die hare uitrustingen zoowel naar Spitsbergen als naar Jan Mayen-eiland kon zenden. Deze ongelijkheid hinderde de Zeeuwen steeds, maar door de ondervinding geleerd, waagden zij het niet weder zonder uitdrukkelijke verklaring van de Staten-Generaal aan Jan Mayen-eiland te verschijnen. Eene eerste poging, reeds in 1618 tot het verkrijgen van zulk eene verklaring aangewend, stuitte natuurlijk af op het blijkbare recht der Hollanders[1197].In het voorjaar van 1620 werd het verzoek der Zeeuwen met meer nadruk en ook met meer recht herhaald[1198]:de beide Hollandsche compagniën hadden nu reeds vier jaren aan Jan Mayen-eiland gevischt, de kleine zelfs reeds vijf jaren, en de tijd bij het »generael octroy” bepaald was dus verstreken. Het schijnt echter, dat de Hooge Raad bij zijn vonnis den tijd der vier reizen heeft willen doen ingaan met 1618[1199]en het gelukte den Hollandschen reeders dan ook, de toelating der Zeeuwen aan het eiland te doen verschuiventot twee jaren na de aanvrage. De Zeeuwen berustten daarin, en niettegenstaande hunne onaangenaamheden met de Engelschen op Spitsbergen in 1617 en 1618 hielden zij vol en zonden telkens weder hunne schepen daarheen. In de aan de Mauritius-baai grenzende inham, die de Zeeuwsche baai genoemd wordt, vestigden zij zich afgescheiden van hunne deelgenooten; kort na 1624 verhuisden de Vlissingers zelfs naar het door de Denen lediggelaten terrein in de Mauritius-baai[1200].Toen echter het octrooi van 1617, dat alleen verleend was »sonder prejuditie van het recht op het Eylant in questie by d’ Ondeckers van ’t selve uyt krachte van het Generael Placaet verkregen”[1201],met het jaar 1621 geëindigd was[1202],begreep de Noordsche Compagnie zelve, dat verdere pogingen om de Zeeuwen van Jan Mayen-eiland verwijderd te houden vruchteloos zouden zijn. Zij nam het initiatief en noodigde de Zeeuwsche walvischvaarders tot eene conferentie om over de voorwaarden eener algeheele vereeniging te beraadslagen[1203].De zaak slaagde naar wensch en 8 Januari 1622 verzochten beide compagniën te zamen verlenging van het octrooi voor de walvischvangst[1204].De toegevendheid der Noordsche Compagnie was waarschijnlijk niets dan eene list om eene combinatie met de gehate kleine Noordsche Compagnie te vermijden: met de Zeeuwen vereenigd voelde zij zich sterk genoeg om alle concurrentie te trotseeren. De Staten-Generaal waren echter van een ander gevoelen; wij zagen reeds, dat door hunne tusschenkomst de drie compagniën gedwongen werden voor het jaar 1621 zich bij de vangst tot een bepaald getal quarteelen traan te beperken. Terwijl aan de groote en kleine Hollandsche compagniën 10,000 en 6000 quarteelen traan werden toegelegd, bedroeg het aantal der Zeeuwen in de te vangen 21,000 quarteelen slechts 5000. Maar tevens werd dan ook hun recht op de visscherij bij Jan Mayen-eiland, dat sinds het vierjarig octrooi der ontdekkers geëindigd was, onder het octrooi der Noordsche Compagnie behoorde, uitdrukkelijk erkend[1205].De Hollanders schijnen echter, nu eens de toestemming der Staten verkregen was, weder minder willig geweest te zijn om de resolutie uit te voeren; althans het reglement, dat volgens het verlangen derregeering in den geest der jongste regeling door de compagnie zelve opgemaakt moest worden, stuitte bij hen voortdurend op zwarigheden[1206].Geen wonder dan ook, dat de Zeeuwen hunne medeleden wantrouwden; gedachtig aan hun wedervaren van 1616 verzochten zij de Staten-Generaal om eene afzonderlijke akte, waarbij hun uitdrukkelijk verlof gegeven werd om aan Jan Mayen-eiland hunne traankokerijen te mogen bouwen. De akte werd dadelijk verleend[1207],en op het einde des jaars werden de Zeeuwen evenals de kleine Noordsche Compagnie mede begrepen onder de definitieve verlenging van het octrooi der walvischvaarders voor twaalf jaar[1208].Voortaan was er dus in Nederland slechts éene compagnie, waarvan alle kamers geheel dezelfde rechten genoten.


Back to IndexNext