Chapter 28

[1197]R. S.-G. 21 Apr. 1618.[1198]N. Z. 4 Febr., 12 Mrt. 1620.—Miss. v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, achter: N. Z. 1620.[1199]Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622. (Gr. Placaetb. I p. 675.)—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.[1200]Zie meer hierover: hiervóorp. 142,43.—Vgl. ook over de walvischvaart der Zeeuwen van 1619-22: hiervóorp. 109 Noot 5.[1201]Gr. Placaetb. I p. 672.—R. S.-G. 21, 24 Jan. 1617.[1202]Het octrooi was verleend voor vier jaren, maar ging door de éenjarige verlenging van het octrooi der N. C. op 1 April 1615 eerst met het jaar 1618 in.[1203]Resol. N. C. 29 Juli 1621, bij het: Request der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.[1204]R. S.-G. 8 Jan. 1622.[1205]R. S.-G. 3, 4 Febr. 1622.[1206]N. Z. 17 Mrt. 1622.—Miss. v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, in: N. Z. 1622.—R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622—Ook de kleine N. C., aanvankelijk bereid om de Zeeuwen op Jan Mayen-eiland toe te laten (Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.), schijnt later bezwaren gemaakt te hebben. (R. S.-G. 4 Febr. 1622.)[1207]R. S.-G. 28 Mei 1622.—Zie de akte afgedrukt in: Gr. Placaetb. I p. 673,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 218.[1208]R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.—Gr. Placaetb. I p. 673.

[1197]R. S.-G. 21 Apr. 1618.

[1198]N. Z. 4 Febr., 12 Mrt. 1620.—Miss. v. Zeeland dd. 4 Febr. 1620, achter: N. Z. 1620.

[1199]Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622. (Gr. Placaetb. I p. 675.)—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.

[1200]Zie meer hierover: hiervóorp. 142,43.—Vgl. ook over de walvischvaart der Zeeuwen van 1619-22: hiervóorp. 109 Noot 5.

[1201]Gr. Placaetb. I p. 672.—R. S.-G. 21, 24 Jan. 1617.

[1202]Het octrooi was verleend voor vier jaren, maar ging door de éenjarige verlenging van het octrooi der N. C. op 1 April 1615 eerst met het jaar 1618 in.

[1203]Resol. N. C. 29 Juli 1621, bij het: Request der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

[1204]R. S.-G. 8 Jan. 1622.

[1205]R. S.-G. 3, 4 Febr. 1622.

[1206]N. Z. 17 Mrt. 1622.—Miss. v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, in: N. Z. 1622.—R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622—Ook de kleine N. C., aanvankelijk bereid om de Zeeuwen op Jan Mayen-eiland toe te laten (Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.), schijnt later bezwaren gemaakt te hebben. (R. S.-G. 4 Febr. 1622.)

[1207]R. S.-G. 28 Mei 1622.—Zie de akte afgedrukt in: Gr. Placaetb. I p. 673,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 218.

[1208]R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.—Gr. Placaetb. I p. 673.

Een derde aanval op de uitsluitende rechten der Noordsche Compagnie kwam van eene geheel andere zijde. De Staten-Generaal, afkeerig van monopolie als zij waren, hadden het octrooi der compagnie alleen zóover uitgestrekt als zij dat voor den bloei der walvischvangst noodig oordeelden: tusschen Novaya-Zemlya en straat Davis meende men, dat eene compagnie een veld ter ontginning had, ruim genoeg om daarvan te bestaan en om zelfs groote winsten te maken. De beperking had tevens misschien ten doel, de geheel op zich zelf staande walvischvangst, door sommige Nederlanders reeds lang vóor de oprichting der Noordsche Compagnie aan de Noordkaap en bij IJsland gedreven, ook naast de bevoorrechte vereeniging te laten bestaan. En werkelijk bleef dit bedrijf zich zoolang het octrooi duurde nevens de compagnie handhaven. Maar daar de in die wateren gevangen walvisschen steeds kleiner en minder rijk aan traan waren dan de bewoners der Spitsbergsche wateren,—vooral daar het verbod van den Deenschen koning de visschers gedurig dwong hun bedrijf te staken of zich van Deensche paspoorten te voorzien, was deze concurrentie voor de Noordsche Compagnie nooit eenigszins gevaarlijk geweest[1209].Bedenkelijker scheen het, toen anderen dit voorbeeld volgende ook elders metde compagnie trachtten te wedijveren op plaatsen, buiten haar octrooi gelegen en waarop niemand eenige aanspraak maakte. Nog erger voor de vereeniging was het, dat die poging uitging van Zaanlanders, die reeds van ouds getoond hadden, geschiktheid en moed genoeg voor het gevaarlijke bedrijf te hebben.

[1209]Eene geschiedenis van dit bedrijf is bij de onvolledigheid der gegevens niet samen te stellen en zou waarschijnlijk ook blijken van weinig belang te zijn. Zie intusschen over die geschiedenis een en ander: hiervóorp. 240 Noot 1.

[1209]Eene geschiedenis van dit bedrijf is bij de onvolledigheid der gegevens niet samen te stellen en zou waarschijnlijk ook blijken van weinig belang te zijn. Zie intusschen over die geschiedenis een en ander: hiervóorp. 240 Noot 1.

Het was in 1626, dat Pieter Gijssen en Gijs Pieters[1210],twee Zaansche kooplieden, van den prins commissie vroegen om te mogen varen op Ruslands noordkust, op »de Samoetsche Cust” en door de straat van Nassau verder oostelijk[1211].Men wist, dat zich daar geene walvisschen ophielden, maar vooral bij Novaya-Zemlya was overvloed van walrussen en de Zaandammers, de oudste Nederlandsche walrusjagers, meenden voornamelijk met de tanden der gevangene dieren ruime winsten te zullen behalen. Frederik Hendrik vroeg de voorlichting der Staten-Generaal met de mededeeling, dat de nieuwe vereeniging zich steeds buiten het gebied der Noordsche Compagnie, bij »plaetsen noyt in dier vougen wesende bevaeren,” dacht op te houden. Maar het was toch niet dan onder uitdrukkelijke vermaning, dat het octrooi der Noordsche Compagnie door de commissie van den prins vooral »niet en soude werden geinfringeert,” dat de Staten gunstig op het request der Zaandammers adviseerden[1212].

[1210]Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) noemt de reeders „twee gebroeders Sybrant en Claes Cornelis. soonen, Serdammers.” De namen, door de R. S.-G. opgegeven, schijnen mij echter meer gezag te hebben.[1211]Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) verhaalt, dat de reeders van plan waren „om noch hooger als de vorighe onder den Noortschen Pool te loopen, en daer den Walrus vangst te vorderen.” Het schijnt, dat hij bij dit verhaal het oog had op de Poolzee ten noorden van Spitsbergen (hoewel „’t gevoelen was, dat onder de Pool al meest ghebroocken Eylanden lagen, alsmen in Spitsberghen bevindt”), maar het verhaal is verward en uit den afloop der reis blijkt duidelijk, dat de opgave der R. S.-G. juister is.[1212]R. S.-G. 7 Mrt. 1626.

[1210]Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) noemt de reeders „twee gebroeders Sybrant en Claes Cornelis. soonen, Serdammers.” De namen, door de R. S.-G. opgegeven, schijnen mij echter meer gezag te hebben.

[1211]Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) verhaalt, dat de reeders van plan waren „om noch hooger als de vorighe onder den Noortschen Pool te loopen, en daer den Walrus vangst te vorderen.” Het schijnt, dat hij bij dit verhaal het oog had op de Poolzee ten noorden van Spitsbergen (hoewel „’t gevoelen was, dat onder de Pool al meest ghebroocken Eylanden lagen, alsmen in Spitsberghen bevindt”), maar het verhaal is verward en uit den afloop der reis blijkt duidelijk, dat de opgave der R. S.-G. juister is.

[1212]R. S.-G. 7 Mrt. 1626.

Twee schepen, van eenige kleine stukken geschut voorzien en met dertien koppen bemand, vertrokken dan ook in Mei 1626 naar het noorden[1213].De onderneming was echter allerongelukkigst. Walrussen werden niet gevonden, slechts éen walvisch werd gedood; aan de straat van Nassau gekomen vonden de schepen die zoo geheel verstopt met ijs, dat de reis moest opgegeven worden[1214].Werkelijk bleef het ijs steeds een bezwaar, dat ieder beletten zou met de Noordsche Compagnie, die hare tochten naar het bijna altijd ijsvrije Spitsbergen richtte, met vrucht te concurreeren. Hoewel de reeders de zaak nog niet opgaven en van plan waren in 1627 op nieuw naar het noorden te zeilen, hoorenwij dan ook verder van de zaak niets en men mag dus aannemen, dat de onderneming is opgegeven.

[1213]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56.[1214]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.

[1213]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56.

[1214]Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.

Zoo was ook deze aanval op het monopoliestelsel mislukt en in lange jaren had de compagnie geene mededingers meer te vreezen. Krachtig en onaangevochten stond zij in 1622 daar met een ruim kapitaal, met ervarene zeelieden, en in het vooruitzicht van twaalf jaren binnenlandsche rust. Wat kon men niet in die twaalf jaren van bijna ongestoorden arbeid van hare pogingen verwachten! Tot welk een bloei kon de walvischnering niet door de vereenigde krachten van alle kamers, zelfstandig en toch vereenigd, gebracht worden! Welk een ruime winst beloofde dit tijdvak (1622-1634) aan de aandeelhouders! Juist echter de rust, die der compagnie gegund werd, ontwikkelde de zaden van tweedracht, die reeds in eigen boezem schuilden. De tijd werd met kleingeestig gekibbel om den voorrang doorgebracht, elke kamer was slechts op eigen voordeel bedacht en benadeelde de belangen der andere zooveel mogelijk; alleen de noodzakelijkheid hield de twistende partijen bijeen. De concurrentie, die door het octrooi bedwongen was, wroette nu in de eigene ingewanden der compagnie.

Wij zagen, dat reeds in het jaar der oprichting een ernstige twist ontstond tusschen twee bewindhebbers der Delftsche kamer en hunne ambtgenooten, en dat die twist zelfs tot eene scheuring leidde. De twee schuldigen, door de overigen met verwijten overladen, namen de gelegenheid waar om den Amsterdamschen bewindhebbers voor de voeten te werpen, dat zij zelven door hunne afzonderlijke walvischvangst aan de Noordkaap met Deensche passen de belangen der vereeniging op veel ergere wijze benadeelden dan de ontdekkers van Jan Mayen-eiland dat ooit konden doen[1215].Zij, die zoo klaagden, schijnen op hunne beurt door de IJslandsche visscherij met de Noordsche Compagnie geconcurreerd te hebben[1216].De Enkhuizensche en Hoornsche kamers lagen lange jaren overhoop over de verdeeling van de gedane vangst[1217].Uitvoerig schetste ik reeds in hetvijfde hoofdstukde concurrentie, der generale compagnie aangedaan door de ontdekkingsreizen, die ondernomen werden op kosten van enkele kamers en vooral van enkele leden, onder wie de energieke Adriaen Dircxz. Leversteyn eene eerste plaats inneemt. Dit alles zijn echter slechts op zich zelf staande feiten, die alleen bewijzen,dat monopolie geen wedijver uitsluit, maar ze slechts verplaatst en van aard doet veranderen. Belangrijker was het streven van éene kamer, die jaren achtereen trachtte het overwicht over de andere te verkrijgen. De Amsterdammers, die in de oorspronkelijke Noordsche Compagnie van 1614 voor de helft participeerden[1218],waren niet tevreden met het overwicht, dat hunne positie hun van zelf verschafte. Evenals overal in de geschiedenis der Nederlandsche republiek vertoont zich ook hier het streven der Amsterdammers naar zelfstandigheid en overmacht duidelijk. Het zou niet moeielijk zijn, daarvan talrijke bewijzen aan te voeren; slechts enkele voorbeelden wil ik hier noemen.

[1215]„Cort advertissement” en „Debath” v. Kyen en Leversteyn tegen de N. C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.[1216]R. S.-G. 18 Mei 1615.[1217]Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 22 Dec. 1633, 20 Jan. 1634.—Dictums v. d. H. R. dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637.—Sent. v. d. H. R. dd. 4 Apr. 1637.[1218]Contr. der N. C. met die v. Zeeland dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1215]„Cort advertissement” en „Debath” v. Kyen en Leversteyn tegen de N. C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.

[1216]R. S.-G. 18 Mei 1615.

[1217]Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 22 Dec. 1633, 20 Jan. 1634.—Dictums v. d. H. R. dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637.—Sent. v. d. H. R. dd. 4 Apr. 1637.

[1218]Contr. der N. C. met die v. Zeeland dd. 19 Mrt. 1617, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Wij zagen reeds, dat de eigenmachtige handelwijze der Amsterdamsche kamer met de door de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie verleende konvooischepen in de jaren 1616, 1617 en 1618 de vereeniging met het machtige Engeland in moeielijkheden wikkelde, die het een tijd lang zelfs twijfelachtig maakten of de Nederlandsche walvischvangst zich op Spitsbergen zou kunnen handhaven en die, ofschoon dit gevaar gelukkig afgewend werd, aan de kamers van het Noorderkwartier en van Zeeland eene aanmerkelijke schade veroorzaakten[1219].De ernstige gevolgen, die deze willekeurige handelwijze had, schrikten echter de Amsterdammers niet af: hun streven naar onafhankelijkheid toonde zich sedert steeds duidelijker. Toen de Zeeuwen in 1622, na de overeenkomst van de drie Nederlandsche compagniën door tusschenkomst der Staten-Generaal, zich gereed maakten de walvischvangst te hervatten, werden de Amsterdammers weigerachtig bevonden om eenig reglement te helpen beramen, dat de wederzijdsche rechten en verplichtingen nauwkeurig omschreef[1220].Voor de handhaving harer eigene rechten was de oppermachtige kamer niet bevreesd; tegenover hare zwakkere bondgenooten wilde zij meer en meer eene onafhankelijke stelling innemen. Er waren meer teekenen, die reeds dadelijk van dit streven blijk gaven. Toen Pieter Van der Graeff, een der woeligste leden van de kleine Noordsche Compagnie, reeds bij de resolutiën van 11 en 12 Februari 1622 door de Staten-Generaal zéer bevoordeeld, door aankoop van aandeelen en misschien door andere middelen dreigde een gevaarlijk overwicht te verkrijgen, rustten de Amsterdammers, bevreesd voor den toenemenden invloed der Delftenaars niet, voordat Van der Graeff zich naar hunne stad had verplaatst en met zijne aandeelenlid der Amsterdamsche kamer geworden was[1221].Maar er was nog meer. Niet alleen poogden de Amsterdammers, die niets met de vergoeding der schade van 1617 wilden te doen hebben en zich hooghartig van alle voorlichting over het in 1618 voorgevallene verschoonden, zonder de andere kamers te kennen vergoeding hunner in 1613 geledene schade te verkrijgen[1222];maar zij wendden zich zelfs tot de Staten-Generaal met het verzoek om de hun bij de loting voor dit jaar toegevallene Mauritius-baai, de voordeeligste baai op Spitsbergen en de eenige, waar de Nederlandsche walvischvaarders aan geene aanvallen van buitenlandsche mededingers blootstonden, voor goed voor zich alleen te mogen behouden. Zij voegden er de schoonschijnende verklaring bij, dat zij er niets tegen hadden, zoo de andere kamers met de hun voor dat jaar toebedeelde baaien evenzoo handelden, en zij beloofden, alsof dit niet van zelf sprak, dat men in dat geval over geen overlast van de Amsterdamsche zuster zou hebben te klagen[1223]!

[1219]Zie meer hierover: hiervóorp. 229-33.[1220]R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622.—N. Z. 17 Mrt. 1622.—Miss. v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, achter: N. Z. 1622.[1221]Het accoord met Van der Graeff van 13 Apr. 1623, is opgenomen in de: R. S.-G. 14 Apr. 1623.—Zie meer over deze zaak: hiervóorp. 322 Noot 3.—Eveneens handelde de Amsterdamsche kamer in 1636, toen zij voorsloeg, bij de opname der nieuwe participanten de Haarlemmers, die het grootste aandeel zouden hebben, met de Amsterdammers te vereenigen. (Repartitie dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)[1222]R. S.-G. 4 Nov. 1622.—Verbaal der ambass. naar Eng. 1621-23 ad 27 Nov. 1622.[1223]R. S.-G. 5 Nov. 1622.—De toeleg der Amsterdammers schijnt gelukt te zijn; althans de N. C. verklaarde nog in 1631, dat de Mauritius-baai aan de Amsterdamsche kamer behoorde. (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.)

[1219]Zie meer hierover: hiervóorp. 229-33.

[1220]R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622.—N. Z. 17 Mrt. 1622.—Miss. v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, achter: N. Z. 1622.

[1221]Het accoord met Van der Graeff van 13 Apr. 1623, is opgenomen in de: R. S.-G. 14 Apr. 1623.—Zie meer over deze zaak: hiervóorp. 322 Noot 3.—Eveneens handelde de Amsterdamsche kamer in 1636, toen zij voorsloeg, bij de opname der nieuwe participanten de Haarlemmers, die het grootste aandeel zouden hebben, met de Amsterdammers te vereenigen. (Repartitie dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)

[1222]R. S.-G. 4 Nov. 1622.—Verbaal der ambass. naar Eng. 1621-23 ad 27 Nov. 1622.

[1223]R. S.-G. 5 Nov. 1622.—De toeleg der Amsterdammers schijnt gelukt te zijn; althans de N. C. verklaarde nog in 1631, dat de Mauritius-baai aan de Amsterdamsche kamer behoorde. (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.)

Onder deze en dergelijke onderlinge twisten verliep langzamerhand de tijd van het octrooi en men begon zich gereed te maken, om een nieuw te verzoeken. Maar te gelijk was het ook gedaan met de rust, die de Noordsche Compagnie sinds 1622 van binnenlandsche mededingers had gehad. Weldra bleek het nu, dat velen begeerig waren in de voordeelen der walvischvangst te deelen. Hilbrandt Dircksz., burgemeester van Harlingen, en Wybe Jansz. van Stavoren, die de Amsterdamsche kamer der Noordsche Compagnie jarenlang als scheepskapitein gediend had[1224],verzochten van de Staten van Friesland om verlof om ter walvischvangst te mogen uitreeden. Terwijl het twaalfjarig octrooi der Noordsche Compagnie eerst met het jaar 1634 verstrijken zou, liet dan ook Friesland reeds 13 November 1632 bij de Staten-Generaal aanhouden op weigering van eventueele verzoeken der vereenigingom verlenging van haar octrooi. De provincie begeerde, dat de vrijheid der vaart ook in dit opzicht gehandhaafd, of in ieder geval haren inwoners een aandeel in de vangst ingeruimd worden zou[1225].Den 7 Maart 1633 werd dit verzoek nader aangedrongen[1226],maar desniettegenstaande verlengden de Staten-Generaal den 25 October van dat jaar in de afwezigheid der Friesche afgevaardigden het octrooi der Noordsche Compagnie nogmaals voor acht jaar[1227].Het is waarlijk niet te verwonderen, dat de Friezen daarover zeer ontstemd waren: zij protesteerden den 19 November en verklaarden niet in de verlenging te bewilligen. Holland liet dadelijk een lang »tegenbericht” voorlezen[1228],maar de verongelijkte provincie drong »seer yverich ende met grooten ernst” op haar recht aan. De oneenigheid, die zoo ontstond, was een natuurlijk gevolg van den onzekeren toestand van het publieke recht in de republiek[1229].Terwijl de Staten-Generaal bij hun besluit de oude gewoonte gevolgd waren, beriep Friesland zich met nadruk op de letter der wet. Hare gedeputeerden stelden aan de Staten-Generaal de bepaalde vraag, »off het recht dat d’ een provincie soowel toecompt als d’ andere, by absentie van die Provincie by d’andere Provincien mocht worden vergeven,” en verklaarden, dat zij, hetzij de Staten-Generaal die vraag beantwoordden of niet, volgens hun recht zouden handelen[1230].En waarlijk, zij hadden gelijk: de toegevendheid der Staten-Generaal voor Zeeland in 1615 gaf Friesland recht om te eischen, dat het hoogste regeeringscollegie haar niet zou verbieden te concurreeren met eene compagnie, in wier octrooi zij niet had toegestemd. De Staten-Generaal waren dan ook in groote verlegenheid, en besloten eindelijk eene commissie te benoemen om met de Friezen in conferentie te treden. Maar men poogde blijkbaar de zaak op de lange baan te schuiven: tot de benoeming dier commissie kwam het niet[1231].Toen tastte Friesland door en ging over tot het verleenen van een partikulier octrooi aan de beide requestranten, die zich op de walvischvangst wilden gaan toeleggen. (22 November 1634.)

[1224]Octrooi der Friesche comp., bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634 (Bijl. K.), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.[1225]R. S.-G. 13 Nov. 1632.[1226]R. S.-G. 7 Mrt. 1633.[1227]R. S.-G. 18, 25 Oct. 1633.[1228]R. S.-G. 19 Nov. 1633.[1229]Zie daarover: hiervóorp. 323,24.[1230]R. S.-G. 17 Mrt. 1634.[1231]R. S.-G. 16 Dec. 1634.

[1224]Octrooi der Friesche comp., bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221.—Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634 (Bijl. K.), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1225]R. S.-G. 13 Nov. 1632.

[1226]R. S.-G. 7 Mrt. 1633.

[1227]R. S.-G. 18, 25 Oct. 1633.

[1228]R. S.-G. 19 Nov. 1633.

[1229]Zie daarover: hiervóorp. 323,24.

[1230]R. S.-G. 17 Mrt. 1634.

[1231]R. S.-G. 16 Dec. 1634.

De Staten van Friesland beriepen zich in dit octrooi vrij zonderling op de vrijheid der zee, die voor allen openstaat en doorden een voor den ander niet gesloten mag worden[1232],en wijdden verder uit over de buiten hunne toestemming verleende verlenging van het octrooi. Zij overwogen »dat sy ofte hunne Ingesetenen door den voorszeiden hunnen Oppositie niet konden sijn ghehouden aen de observantie van de voorszeide Prolongatie (indien de selve verkreghen soude moghen sijn) ende dat oock strijdigh soude sijn teghens de Tractaten ende Articulen van de Unie, dat den eene Provintie doorden anderen soude worden ontrocken de Negotien ende Trafijcquen in eenen vryen Zee, alwaer aen de voorszeide hunne Provintie naerder geleghen was als de voorszeide andere beyde Provintien, ende alsoo voor een groot deel ontbloot soude worden van de middelen waer uyt de contributien tot de gemeene saecken geheven worden.” Op deze gronden verleenden zij aan de compagnie, die zich onder toezicht der requestranten gevormd had, en aan hen, die binnen de maand verklaren zouden, daarin te willen treden, octrooi tot de walvischvangst voor twintig jaar op een reglement, door de compagnie samen te stellen[1233].

[1232]De zinsnede schijnt overgenomen te zijn uit het request van Dircksz. en Jansz. aan de Staten van Friesland.[1233]Zie het octrooi afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221.

[1232]De zinsnede schijnt overgenomen te zijn uit het request van Dircksz. en Jansz. aan de Staten van Friesland.

[1233]Zie het octrooi afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 412,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221.

De Friesche compagnie was dus gegrondvest: in twee kamers, gevestigd te Harlingen en te Stavoren, verdeeld[1234],maakte zij zich tot de walvischvangst gereed. Maar de Friezen zelven, die zoo stoutmoedig hun recht handhaafden, begrepen, dat dit recht alleen hen niet tegen de Noordsche Compagnie zou beschermen; het was te voorzien, dat er, zoodra de nieuwe compagnie schepen uitzond, op Spitsbergen moeielijkheden zouden ontstaan met de veel talrijker vloot van de oudere vereeniging. De Friezen oordeelden het dus veiliger om nogmaals eene poging te beproeven, ten einde de verlenging van het octrooi op de oude voorwaarden tegen te gaan, nu den Staten-Generaal getoond was, dat het de provincie ernst was met haar protest. Maar te vergeefs! Men had gerekend buiten Holland, dat niettegenstaande het blijkbare goed recht van Friesland de Noordsche Compagnie steunde en zelfs hooghartig durfde eischen, dat de provincie het verleende octrooi zou intrekken, voordat het tot eenige onderhandelingen kwam[1235].Eindelijk gaven de Friezen de hoop op eene schikkingdan ook op, en rustten drie schepen ter walvischvangst uit. De gedeputeerden der provincie verklaarden aan de Staten-Generaal, dat zij, wanneer de schepen niet tegen geweld van de Noordsche Compagnie beschermd werden, de schade zouden verhalen op de quote van Friesland voor den oorlog te water. Het gevolg was, dat H.H.M., onder protest tegen de in deze verklaring vervatte bedreiging, besloten, dat de nieuwe compagnie voor dat jaar zonder prejuditie der van weerszijden beweerde rechten op de walvischvangst zou mogen uitreeden[1236].Maar ook nu nog rekenden de Friezen zich niet veilig voor hunne mededingers. De drie schepen vertrokken wel; maar oefenden dien zomer volgens overeenkomst met de Noordsche Compagnie[1237]hun bedrijf in de opene zee bij Spitsbergen, waar de visscherij volgens het octrooi aan ieder vrijstond. Die van Stavoren kwamen met eene vangst van 81⁄2walvisch weder thuis[1238].

[1234]Ik maak dit op uit het feit, dat bij alle gelegenheden door de Friezen een persoon uit Harlingen en een uit Stavoren genoemd wordt. (Octrooi der Fr. comp., en: Accoord der N. C. met de Friezen, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221, 23.—R. S.-G. 9 Apr. 1636.)[1235]R. S.-G. 25 Nov., 16 Dec. 1634, 12, 13 Jan., 20 Febr., 3, 8 Mrt., 17, 20, 26, 30 Apr., 1, 3, 5 Mei 1635.[1236]R. S.-G. 19 Mei, 9 Juni 1635.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 359.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.[1237]R. S.-G. 19 Mei 1635.[1238]R. S.-G. 14 Apr. 1636.—Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Phillipsz. dd. 31 Juli 1641.

[1234]Ik maak dit op uit het feit, dat bij alle gelegenheden door de Friezen een persoon uit Harlingen en een uit Stavoren genoemd wordt. (Octrooi der Fr. comp., en: Accoord der N. C. met de Friezen, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221, 23.—R. S.-G. 9 Apr. 1636.)

[1235]R. S.-G. 25 Nov., 16 Dec. 1634, 12, 13 Jan., 20 Febr., 3, 8 Mrt., 17, 20, 26, 30 Apr., 1, 3, 5 Mei 1635.

[1236]R. S.-G. 19 Mei, 9 Juni 1635.—Aitzema, Saken v. Staet. II p. 359.—Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.

[1237]R. S.-G. 19 Mei 1635.

[1238]R. S.-G. 14 Apr. 1636.—Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake Moutmaker c. Phillipsz. dd. 31 Juli 1641.

Op den duur was dan ook de concurrentie voor de Friezen met de zooveel machtiger Noordsche Compagnie niet vol te houden; de Staten dier provincie zagen het zelven in, en reeds spoedig na het vertrek der schepen hernieuwden zij hunne pogingen om in de generale compagnie te worden opgenomen[1239].Het recht der Friezen werd nu eindelijk door de Staten-Generaal erkend, en eene conferentie tot stand gebracht, waarop beide partijen met elkaar over een accoord in der minne zouden beraadslagen[1240].De Noordsche Compagnie, die er rond voor uitkwam, dat zij de taktiek volgde, om met Friesland »sacht te handelen om haer wt te houden”,[1241]was echter ook nu weder oorzaak, dat het tot het voorjaar van 1636 duurde, eer men iets verder kwam. De Friesche compagnie had toen hare schepen reeds weder gereed voor eene tweede reis en drong herhaaldelijk op eene beslissing aan[1242].Maar het was niet mogelijk de partijen te vereenigen en nogmaals werden de Friezen voorloopig naar de opene zee verwezen[1243].Eindelijk werden in Juli de uitgestelde conferentiën met ernst hervat.[1244].De NoordscheCompagnie, sinds de oppositie van eenige Hollandsche steden door de provincie, die steeds haar machtigste steun was geweest, verlaten, gaf ten slotte iets toe, en den 25 Juli 1636 troffen partijen door bemiddeling van Nobel, een lid der Staten-Generaal, en van den bekenden Lieuwe Van Aitzema, een verdrag[1245].

[1239]R. S.-G. 2 Juli, 8 Oct. 1635.[1240]R. S.-G. 14 Febr., 28 Mrt. 1636.—R. H. 15 Febr. 1636.[1241]Aanteekeningen v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N. C. (1econfer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.[1242]R. S.-G. 9, 10, 11 Apr. 1636.[1243]R. S.-G. 14 Apr. 1636.[1244]R. S.-G. 20 Juni, 15, 21, 28 Juli 1636.—R. H. 18 Juli 1636.[1245]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 359, 413.

[1239]R. S.-G. 2 Juli, 8 Oct. 1635.

[1240]R. S.-G. 14 Febr., 28 Mrt. 1636.—R. H. 15 Febr. 1636.

[1241]Aanteekeningen v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N. C. (1econfer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1242]R. S.-G. 9, 10, 11 Apr. 1636.

[1243]R. S.-G. 14 Apr. 1636.

[1244]R. S.-G. 20 Juni, 15, 21, 28 Juli 1636.—R. H. 18 Juli 1636.

[1245]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 359, 413.

Men kwam daarbij overeen, dat de Friezen in de Noordsche Compagnie zouden worden opgenomen; hun aandeel zou zijn 3000 quarteelen traan in de vangst, die op 27.000 geraamd werd. (art. 2.)[1246]De baaien en het terrein, door de Noordsche Compagnie in de IJszee gebruikt, zouden voortaan ook voor de Friezen openstaan, mits zij de andere leden der compagnie niet door te groote nabijheid in hunne nering hinderden. (art. 3.) Alle concurrentie van Nederlanders op Spitsbergen en van buitenlanders op de Nederlandsche markt zou met vereende krachten geweerd worden. (art. 5-8.) Drie jaarlijksche algemeene vergaderingen zouden strekken om de uitrustingen der compagnie te regelen. (art. 9, 10.) Het praesidium daarbij zou drie jaren bij de Hollandsche kamers, het vierde bij de Zeeuwsche blijven, terwijl Friesland éene stem zou hebben tegen Holland en Zeeland zes en twee. (art. 14.) Ontdekkingen, door leden der compagnie gedaan, zouden gedurende vijf jaren ten bate der vinders, daarna door de geheele Noordsche Compagnie geëxploiteerd worden. (art. 19, 20.) Twisten tusschen kamers der compagnie of leden der kamers onderling zouden beslist worden door de neutrale leden of door wederzijds te benoemen arbiters. (art. 22.)[1247]Op dezen voet werd nu de Noordsche Compagnie hervormd; twee nieuwe kamers werden opgericht te Harlingen en te Stavoren[1248].Op de oostzijde van het Deensche eiland aan Spitsbergens noordwesthoek werd door de Friezen eene nieuwe nederzetting gevestigd, die weldra den naam van de »Harlinger kokerij” kreeg[1249].

[1246]Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) verhaalt, dat Friesland van hare 3000 quarteelen weder 300 moest uitkeeren aan die van Amsterdam. Het accoord spreekt daarvan niet, maar daar Aitzema natuurlijk als medebewerker van de schikking bizonder goed ingelicht was, is het waarschijnlijk bij onderhandsche afspraak zoo geregeld.—Het accoord vermeldt nog (art. 2), dat op de 27.000 quarteelen „ter Zee gebraght souden mogen werden ses Saloupen ofte duysent quarteelen;” de zin dezer bepaling is mij niet duidelijk.[1247]Het accoord is afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.[1248]Het bestaan der kamer van Harlingen blijkt uit het: Iournael v. Raven. p. 5; dat van die te Stavoren wordt bewezen door de: Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 31 Juli 1641.—Dat de Friezen aanvankelijk recht op drie of vier kamers meenden te hebben, blijkt uit de: Repartitie der N. C. te Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[1249]Zie o. a. de kaart van Spitsbergen, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 85.—Zie over de pogingen, door Friesland in 1642 en 43 aangewend omop geheel gelijke wijzedeel te krijgen aan de O. I. C.: Van Rees, Gesch. der Staathuishoudk. II p. 205 vlg.

[1246]Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) verhaalt, dat Friesland van hare 3000 quarteelen weder 300 moest uitkeeren aan die van Amsterdam. Het accoord spreekt daarvan niet, maar daar Aitzema natuurlijk als medebewerker van de schikking bizonder goed ingelicht was, is het waarschijnlijk bij onderhandsche afspraak zoo geregeld.—Het accoord vermeldt nog (art. 2), dat op de 27.000 quarteelen „ter Zee gebraght souden mogen werden ses Saloupen ofte duysent quarteelen;” de zin dezer bepaling is mij niet duidelijk.

[1247]Het accoord is afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 360,—en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.

[1248]Het bestaan der kamer van Harlingen blijkt uit het: Iournael v. Raven. p. 5; dat van die te Stavoren wordt bewezen door de: Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 31 Juli 1641.—Dat de Friezen aanvankelijk recht op drie of vier kamers meenden te hebben, blijkt uit de: Repartitie der N. C. te Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[1249]Zie o. a. de kaart van Spitsbergen, bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 85.—Zie over de pogingen, door Friesland in 1642 en 43 aangewend omop geheel gelijke wijzedeel te krijgen aan de O. I. C.: Van Rees, Gesch. der Staathuishoudk. II p. 205 vlg.

De meerdere buigzaamheid, door de Noordsche Compagnie in 1636 getoond, was het gevolg eener oppositie, die van elders kwam en de vereeniging met groot gevaar dreigde. Door de overeenkomst met de Friezen hoopten de bewindhebbers zich te sterken tegen de pretensiën van acht Hollandsche steden, die mede in het octrooi begeerden toegelaten te worden[1250].Niettegenstaande de Hollandsche gedeputeerden ter generaliteit in 1633 uitdrukkelijk mede toegestemd hadden in de verlenging van het octrooi der Noordsche Compagnie, had de tegenstand door Friesland geboden, eenige leden der Hollandsche statenvergadering op het denkbeeld gebracht om met gelijke eischen op te treden.

[1250]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.—Accoord der N. C. met de Friezen, art. 5-8, bij: Aitzema l. c. II p. 360.

[1250]Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.—Accoord der N. C. met de Friezen, art. 5-8, bij: Aitzema l. c. II p. 360.

Niet lang na de verlenging schijnen eerst Dordrecht, daarna Haarlem, Leiden en Alkmaar, later Edam, Monnikendam en Medemblik, en eindelijk ook Gouda aanspraak gemaakt te hebben op toelating tot het octrooi. Er werd gefluisterd, oogenschijnlijk niet zonder grond, »datt verscheijden landt-steden in Hollandt gheen ghelegentheijtt hebbende om ter See te equiperen,bij perticuliere persoonen in andere ghelegender Steden woonendewierden opgemaeckt[1251].” Hoe dit zij, de aandrang werd weldra zoo hevig, dat de regeering zich daarmede bemoeide. In Mei 1634 werd in de Hollandsche statenvergadering geproponeerd, »dat eenigen tijd geleden uyt goede consideratien ende ten dienste van dese Provincie het Octroy voor de Noortsche Compagnie ende Walvisch-vanghst, ter Vergaderinge van de Heeren Staten-Generael voor acht jaren was gecontinueert, ende Leden van dese Vergaderinge welckers Ingezetenen in ’t voorszeide Octroy participeren, of daer op pretenderen, elck anderen dienden te verstaen, of vereenight te werden, ten eynde ’t voorszeide Octroy te beter mochte werden gemainctineert.” De Staten besloten dadelijk, dat de participeerende en pretendeerende leden der vergadering voor hunne ingezetenen met elkander in conferentie zouden treden, om te trachten eene overeenkomst te treffen »aengaende de participatie ende verdeylinghe respective in de voorszeide Compagnie, tot conservatie van ’t voorschreve Octroy ende vande Neringe in dese Provincie[1252].”

[1251]Repartitie door de N. C. kamer Amst. aan gedeput. der Stn. v. Holl. overgegeven 19 Mrt. 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.[1252]R. H. verg. v. 4-20 Mei 1634. p. 47.

[1251]Repartitie door de N. C. kamer Amst. aan gedeput. der Stn. v. Holl. overgegeven 19 Mrt. 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.

[1252]R. H. verg. v. 4-20 Mei 1634. p. 47.

Het was te voorzien, dat de Noordsche Compagnie niet gemakkelijkvan haar verkregen recht zou afstand doen, en werkelijk werd men het na maandenlang gehaspel niet eens. De pretendenten waren over den tegenstand der compagnie zeer ontevreden; zij zagen weldra in, dat het niet aanging de compagnie tot toegevendheid te bewegen. Ten einde hunnen wensch een schijn van recht te geven, grepen zij toen een middel aan, zoo uiterst onbillijk, dat het op het eerste gezicht niets dan een voorwendsel bleek te zijn.

Het is van algemeene bekendheid, dat de personen, die de provinciën als hare vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal zonden, slechts als lasthebbers hunner principalen optraden en eigenlijk tot geen besluit mochten medewerken, waarover zij niet eerst den wil hunner committenten gehoord hadden. Het spreekt echter van zelf, dat men in oneindig vele gevallen van die gedragslijn moest afwijken. Dagelijks kwamen er zaken voor, die dadelijk afdoening vorderden; dagelijks werden er besluiten aan de orde gesteld, die van veel te weinig belang waren, om de Staten van elk der zeven gewesten daarover te raadplegen. Het gebruik had dan ook ingevoerd, dat de leden der Staten-Generaal in dergelijke zaken ook zonder bepaalden last besloten; wel is waar bleef het natuurlijk den Staten der provinciën voorbehouden, hunne vertegenwoordigers te desavoueeren, maar hoogst zelden kwam het tot zulk een uiterste. De Hollandsche afgevaardigden, wier committenten op slechts weinige schreden afstands van de zaal der Staten-Generaal vergaderden, maakten natuurlijk van deze door het gebruik gewettigde vrijheid een minder ruim gebruik dan die der andere gewesten, en zoo was dan ook het laatste octrooi der Noordsche Compagnie van 1622, dat den 20 December in de Staten-Generaal aan de orde gesteld was[1253],eerst twee dagen later gearresteerd[1254],nadat de Hollandsche Staten hunne afgevaardigden den vorigen dag tot de goedkeuring gemachtigd hadden[1255],iets waartoe de andere provinciën uit den aard der zaak geen tijd gehad hadden. Maar toen den 25 October 1633, terwijl de Staten van Holland niet bijeen waren, het nieuwe octrooi aan de orde was gekomen, hadden de Hollandsche afgevaardigden geene zwarigheid gemaakt, om in de verlenging toe te stemmen, daar hun geene bezwaren daartegen, geene pretensiën van Hollanders bekend waren[1256].Misschien maakte de aandrang derFriezen, die dien dag juist afwezig waren, het toen voor de Hollanders zelve gewenscht, dat de zaak nu dadelijk zonder verdere deliberatiën doorging. De Staten van Holland hadden natuurlijk, toen zij weder samenkwamen, van de zaak vernomen, maar noch toen noch gedurende de eerste maanden dachten zij er aan, de handelwijze hunner afgevaardigden af te keuren. Wij zagen zelfs, dat zij veelmeer nog in Mei 1634 verklaarden, dat het octrooi »eenigen tijd geleden uyt goede consideratien ende ten dienste vande Provintie ter vergaderinge van de Heeren Staten-Generael was gecontinueert.” Het was dus waarlijk niet twijfelachtig, of de verlenging hunne goedkeuring had weggedragen, en niets luidde vreemder dan de verklaring, door de pretendenten eerst in December 1634 gedaan, dat het octrooi verlengd was »sonder kennisse van haer Ed. Groot Mog.” en dat zij zich dus niet aan eene beperking hunner vrijheid dachten te storen, die zij onrechtmatig oordeelden, maar integendeel voorgenomen hadden, openlijk met de Noordsche Compagnie te gaan concurreeren[1257].


Back to IndexNext