Chapter 12

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,“De roest weêr van mijn’ snaren,“En grijp met stramme hand“De luit weêr van de wand.“Ik heb mijn tijd versleten,“Bij slimmer dan de Geeten.“Sprong daar de Hengstebron,“Zij droogde van de zon.“Men zou de zanggodinnen,“Katoen daar leeren spinnen.“En zoo ’t gevleugeld paard,“Daar neêrstreek in de vaart,“Men zou hem onbeslagen,“In suikermolens jagen,“Nu adem ik weêr lucht,“En wil met nieuwe vlugt“Langs toebegroeide trappen,“Den Helicon opstappen.”162De blanke Creolen163meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan,ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.De godsdienstige rigting in de 18deeeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.—In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:—1Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek,164tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;—zelfs isdagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden”.Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerdenIsraëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was165;2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen—een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd—en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.—Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verbodenwerd166; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze” gelijkMauriciusschrijft: »abime van vuiligheden” mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167»heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugdsteeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten—eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven—ten andere in een leven van genot en opschik.168Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.De meeste vermogende planters hadden hunne woning inde stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder deslavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger169om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen envooral luiheid van ziekte te onderscheiden.Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begafhij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.Nadat deze gewigtigebezighedenafgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijnvermoeijenden arbeiduitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.Een dergelijk eentoonigmaterieelleven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn,en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen.170Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.Wel luidde het 28steartikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat decoloniërsten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde decoloniërsen de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij decoloniërsen opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe opapprobatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen.”Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd,171ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld.172Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname,173en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten174te verkrijgen.Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20stenMei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum175een voorstel,om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde”, en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe”, merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz.”Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheidom geschikte sujetten te verkrijgenbleef bestaan.Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen.176Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie.177Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,—het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.”, tot wegneming van verdereergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden178, gelijk dan ook geschied is179.Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijnaan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen hadgeïnsulteerd—deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst—hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had—de kerkenraad gaf echter later consent.In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen”; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin,180als eenontaarden zoontot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen—na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747181namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, densociëteits-NegerBenjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hijwerd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748182werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd.”Den 5 Junij 1748183leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,—waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,—of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.Den 8 Januarij 1749184, werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht—welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren—het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in deofficieelebescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen” werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan—en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken.”Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis vanAmsterdam, meer dan eens bij de directeuren dersociëteitvoorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten.” Directeurs dersociëteitschreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijkediscussiënplaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als ’t God maar behaagt den wasdom te geven aan ’t geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig enonkostelijkmiddel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens ’t onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in ’t Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van ’s menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae ’t begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten,185nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van ’t goddelijke weesen, ’t Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd.”De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan desociëteit,30 Nov. 1751, op een nieuwememorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid186ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hijdesociëteitdeed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt.”187Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft188, hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem ƒ 30.— present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zijgeheel beroofdwas, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was189, aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie derSociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, ƒ 15.— ’s maands en dubbel rantsoen;”—de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraaktbetoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.Toen zekere Smith van de R. C. religiegeëxecuteerdwerd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur.”190Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eenerLutherschegemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;—in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.—Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4denOctober 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over.191Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten192. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzerte worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook inde beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd ƒ 200.—, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijkeexercitiënte onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van ƒ 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:—ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.—Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waardezeheerscht zoo als ze in Surinameheerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.—Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel teveranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden—en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschapverlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van ƒ 6000, waarover langdurigediscussiënvolgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan.193Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu,werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civieleJustitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen,of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderdhad, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggenvonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigdachtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17denFebruarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde”, en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hemals Voorzittermoesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd.194De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door desociëteitverstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Radenvan Policiehiertegen protest in.195De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor eeninvalvreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27stenArt. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door desociëteitmoesten worden gedragen.Deze zaak gafaanleidingtot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was,196in staat van verdedigingte brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweermoestonderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren derSociëteitgezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden.197Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.Een nieuw reglementvoorde burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. Deburgerofficierenleverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen—dan—voerden zij als beweegredenaan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stadParamariboof ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan.198Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten doorMauriciusgenomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius199die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude—dan—Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel” eninenbuitende vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingenvielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet.200Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.—Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten,al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigdwerd201—een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd—»daar gaat Trijn van Hamburg”—Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede:202»Nadat het canailleuse wyf van Scherping203voor een jaar ’t exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l’Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit—waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging ’t zo verre, dat devrouwenvan Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden.”Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten.204Door hare huwelijken achtereenvolgensmet drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierdemalegehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan—Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.—De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan205—en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.—De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest,buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27stenMei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.—Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L’Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29stenDecember 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.—L’Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij” schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk ’t masker aflegt en geen schaduw van respect meerobserveert,” hetwelk zelfs zoo verre gingdatde Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10denMei 1748 overleed de heer L’Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat—de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13denDec. 1746 te Suriname aan.—Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26stenJanuarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27stenOct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31stenOctober 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25stenSept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?”206De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat zij teekenden enz.Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname door de leden der Cabale ondersteund.Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer, beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip, waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te Morlain, waar het schip binnengebragt was.Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden was, en welker handelingen onrustverwekten, uit de kolonie te verbannen. Zie bladz.173.Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later sloot echter Carilho die van een onrustigwoelzieken aard scheen te zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden, heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan—aan de politieke uitzetting is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste hartelijkheid” aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen.207Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen, kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen, hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en ’s namiddags hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt, ’t welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor ’t Gouvernement eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, ’s avonds hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier nooit gezien is, en ’t welk de heer Bird208de galanterie heeft gehad van tedirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den voet op een kussen.)” Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade, wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat, maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden, die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745 ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad licht testellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden opgesomd en H. H. M. toegezonden.Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij, om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen) van een bevrienden stam, dien derCaraïben, een zoodanig misnoegen bij dit volk hadgaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van hunne zijdevreesde.209Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend, maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent de Zwitserschefamiliën(zie bladz.112) met onverschoonlijke nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel onschuldig was.Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel mogelijk.210Den 28 October211onderzocht hij de planken die tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopenvan gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men dat Mauricius hielp waar hij kon. Deboerenfamiliënin Augustus 1747 aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had, partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een ander in zijne plaats gesteld212doch hun eigen slecht gedrag, gepaard met andere omstandigheden,213was de voorname oorzaak dat deze kolonisatie geene goede gevolgen had.

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,“De roest weêr van mijn’ snaren,“En grijp met stramme hand“De luit weêr van de wand.“Ik heb mijn tijd versleten,“Bij slimmer dan de Geeten.“Sprong daar de Hengstebron,“Zij droogde van de zon.“Men zou de zanggodinnen,“Katoen daar leeren spinnen.“En zoo ’t gevleugeld paard,“Daar neêrstreek in de vaart,“Men zou hem onbeslagen,“In suikermolens jagen,“Nu adem ik weêr lucht,“En wil met nieuwe vlugt“Langs toebegroeide trappen,“Den Helicon opstappen.”162De blanke Creolen163meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan,ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.De godsdienstige rigting in de 18deeeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.—In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:—1Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek,164tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;—zelfs isdagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden”.Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerdenIsraëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was165;2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen—een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd—en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.—Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verbodenwerd166; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze” gelijkMauriciusschrijft: »abime van vuiligheden” mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167»heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugdsteeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten—eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven—ten andere in een leven van genot en opschik.168Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.De meeste vermogende planters hadden hunne woning inde stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder deslavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger169om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen envooral luiheid van ziekte te onderscheiden.Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begafhij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.Nadat deze gewigtigebezighedenafgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijnvermoeijenden arbeiduitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.Een dergelijk eentoonigmaterieelleven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn,en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen.170Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.Wel luidde het 28steartikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat decoloniërsten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde decoloniërsen de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij decoloniërsen opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe opapprobatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen.”Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd,171ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld.172Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname,173en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten174te verkrijgen.Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20stenMei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum175een voorstel,om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde”, en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe”, merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz.”Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheidom geschikte sujetten te verkrijgenbleef bestaan.Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen.176Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie.177Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,—het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.”, tot wegneming van verdereergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden178, gelijk dan ook geschied is179.Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijnaan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen hadgeïnsulteerd—deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst—hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had—de kerkenraad gaf echter later consent.In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen”; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin,180als eenontaarden zoontot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen—na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747181namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, densociëteits-NegerBenjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hijwerd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748182werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd.”Den 5 Junij 1748183leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,—waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,—of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.Den 8 Januarij 1749184, werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht—welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren—het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in deofficieelebescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen” werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan—en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken.”Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis vanAmsterdam, meer dan eens bij de directeuren dersociëteitvoorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten.” Directeurs dersociëteitschreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijkediscussiënplaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als ’t God maar behaagt den wasdom te geven aan ’t geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig enonkostelijkmiddel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens ’t onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in ’t Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van ’s menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae ’t begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten,185nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van ’t goddelijke weesen, ’t Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd.”De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan desociëteit,30 Nov. 1751, op een nieuwememorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid186ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hijdesociëteitdeed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt.”187Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft188, hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem ƒ 30.— present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zijgeheel beroofdwas, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was189, aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie derSociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, ƒ 15.— ’s maands en dubbel rantsoen;”—de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraaktbetoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.Toen zekere Smith van de R. C. religiegeëxecuteerdwerd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur.”190Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eenerLutherschegemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;—in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.—Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4denOctober 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over.191Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten192. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzerte worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook inde beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd ƒ 200.—, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijkeexercitiënte onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van ƒ 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:—ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.—Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waardezeheerscht zoo als ze in Surinameheerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.—Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel teveranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden—en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschapverlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van ƒ 6000, waarover langdurigediscussiënvolgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan.193Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu,werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civieleJustitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen,of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderdhad, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggenvonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigdachtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17denFebruarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde”, en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hemals Voorzittermoesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd.194De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door desociëteitverstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Radenvan Policiehiertegen protest in.195De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor eeninvalvreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27stenArt. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door desociëteitmoesten worden gedragen.Deze zaak gafaanleidingtot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was,196in staat van verdedigingte brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweermoestonderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren derSociëteitgezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden.197Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.Een nieuw reglementvoorde burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. Deburgerofficierenleverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen—dan—voerden zij als beweegredenaan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stadParamariboof ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan.198Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten doorMauriciusgenomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius199die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude—dan—Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel” eninenbuitende vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingenvielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet.200Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.—Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten,al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigdwerd201—een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd—»daar gaat Trijn van Hamburg”—Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede:202»Nadat het canailleuse wyf van Scherping203voor een jaar ’t exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l’Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit—waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging ’t zo verre, dat devrouwenvan Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden.”Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten.204Door hare huwelijken achtereenvolgensmet drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierdemalegehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan—Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.—De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan205—en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.—De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest,buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27stenMei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.—Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L’Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29stenDecember 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.—L’Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij” schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk ’t masker aflegt en geen schaduw van respect meerobserveert,” hetwelk zelfs zoo verre gingdatde Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10denMei 1748 overleed de heer L’Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat—de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13denDec. 1746 te Suriname aan.—Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26stenJanuarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27stenOct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31stenOctober 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25stenSept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?”206De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat zij teekenden enz.Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname door de leden der Cabale ondersteund.Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer, beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip, waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te Morlain, waar het schip binnengebragt was.Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden was, en welker handelingen onrustverwekten, uit de kolonie te verbannen. Zie bladz.173.Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later sloot echter Carilho die van een onrustigwoelzieken aard scheen te zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden, heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan—aan de politieke uitzetting is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste hartelijkheid” aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen.207Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen, kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen, hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en ’s namiddags hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt, ’t welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor ’t Gouvernement eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, ’s avonds hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier nooit gezien is, en ’t welk de heer Bird208de galanterie heeft gehad van tedirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den voet op een kussen.)” Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade, wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat, maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden, die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745 ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad licht testellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden opgesomd en H. H. M. toegezonden.Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij, om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen) van een bevrienden stam, dien derCaraïben, een zoodanig misnoegen bij dit volk hadgaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van hunne zijdevreesde.209Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend, maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent de Zwitserschefamiliën(zie bladz.112) met onverschoonlijke nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel onschuldig was.Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel mogelijk.210Den 28 October211onderzocht hij de planken die tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopenvan gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men dat Mauricius hielp waar hij kon. Deboerenfamiliënin Augustus 1747 aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had, partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een ander in zijne plaats gesteld212doch hun eigen slecht gedrag, gepaard met andere omstandigheden,213was de voorname oorzaak dat deze kolonisatie geene goede gevolgen had.

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,“De roest weêr van mijn’ snaren,“En grijp met stramme hand“De luit weêr van de wand.“Ik heb mijn tijd versleten,“Bij slimmer dan de Geeten.“Sprong daar de Hengstebron,“Zij droogde van de zon.“Men zou de zanggodinnen,“Katoen daar leeren spinnen.“En zoo ’t gevleugeld paard,“Daar neêrstreek in de vaart,“Men zou hem onbeslagen,“In suikermolens jagen,“Nu adem ik weêr lucht,“En wil met nieuwe vlugt“Langs toebegroeide trappen,“Den Helicon opstappen.”162De blanke Creolen163meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan,ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.De godsdienstige rigting in de 18deeeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.—In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:—1Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek,164tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;—zelfs isdagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden”.Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerdenIsraëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was165;2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen—een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd—en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.—Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verbodenwerd166; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze” gelijkMauriciusschrijft: »abime van vuiligheden” mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167»heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugdsteeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten—eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven—ten andere in een leven van genot en opschik.168Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.De meeste vermogende planters hadden hunne woning inde stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder deslavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger169om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen envooral luiheid van ziekte te onderscheiden.Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begafhij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.Nadat deze gewigtigebezighedenafgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijnvermoeijenden arbeiduitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.Een dergelijk eentoonigmaterieelleven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn,en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen.170Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.Wel luidde het 28steartikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat decoloniërsten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde decoloniërsen de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij decoloniërsen opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe opapprobatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen.”Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd,171ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld.172Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname,173en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten174te verkrijgen.Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20stenMei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum175een voorstel,om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde”, en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe”, merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz.”Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheidom geschikte sujetten te verkrijgenbleef bestaan.Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen.176Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie.177Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,—het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.”, tot wegneming van verdereergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden178, gelijk dan ook geschied is179.Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijnaan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen hadgeïnsulteerd—deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst—hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had—de kerkenraad gaf echter later consent.In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen”; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin,180als eenontaarden zoontot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen—na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747181namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, densociëteits-NegerBenjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hijwerd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748182werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd.”Den 5 Junij 1748183leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,—waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,—of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.Den 8 Januarij 1749184, werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht—welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren—het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in deofficieelebescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen” werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan—en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken.”Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis vanAmsterdam, meer dan eens bij de directeuren dersociëteitvoorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten.” Directeurs dersociëteitschreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijkediscussiënplaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als ’t God maar behaagt den wasdom te geven aan ’t geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig enonkostelijkmiddel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens ’t onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in ’t Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van ’s menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae ’t begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten,185nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van ’t goddelijke weesen, ’t Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd.”De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan desociëteit,30 Nov. 1751, op een nieuwememorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid186ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hijdesociëteitdeed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt.”187Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft188, hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem ƒ 30.— present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zijgeheel beroofdwas, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was189, aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie derSociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, ƒ 15.— ’s maands en dubbel rantsoen;”—de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraaktbetoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.Toen zekere Smith van de R. C. religiegeëxecuteerdwerd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur.”190Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eenerLutherschegemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;—in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.—Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4denOctober 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over.191Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten192. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzerte worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook inde beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd ƒ 200.—, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijkeexercitiënte onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van ƒ 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:—ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.—Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waardezeheerscht zoo als ze in Surinameheerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.—Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel teveranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden—en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschapverlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van ƒ 6000, waarover langdurigediscussiënvolgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan.193Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu,werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civieleJustitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen,of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderdhad, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggenvonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigdachtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17denFebruarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde”, en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hemals Voorzittermoesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd.194De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door desociëteitverstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Radenvan Policiehiertegen protest in.195De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor eeninvalvreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27stenArt. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door desociëteitmoesten worden gedragen.Deze zaak gafaanleidingtot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was,196in staat van verdedigingte brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweermoestonderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren derSociëteitgezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden.197Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.Een nieuw reglementvoorde burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. Deburgerofficierenleverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen—dan—voerden zij als beweegredenaan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stadParamariboof ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan.198Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten doorMauriciusgenomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius199die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude—dan—Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel” eninenbuitende vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingenvielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet.200Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.—Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten,al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigdwerd201—een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd—»daar gaat Trijn van Hamburg”—Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede:202»Nadat het canailleuse wyf van Scherping203voor een jaar ’t exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l’Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit—waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging ’t zo verre, dat devrouwenvan Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden.”Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten.204Door hare huwelijken achtereenvolgensmet drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierdemalegehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan—Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.—De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan205—en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.—De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest,buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27stenMei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.—Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L’Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29stenDecember 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.—L’Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij” schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk ’t masker aflegt en geen schaduw van respect meerobserveert,” hetwelk zelfs zoo verre gingdatde Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10denMei 1748 overleed de heer L’Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat—de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13denDec. 1746 te Suriname aan.—Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26stenJanuarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27stenOct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31stenOctober 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25stenSept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?”206De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat zij teekenden enz.Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname door de leden der Cabale ondersteund.Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer, beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip, waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te Morlain, waar het schip binnengebragt was.Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden was, en welker handelingen onrustverwekten, uit de kolonie te verbannen. Zie bladz.173.Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later sloot echter Carilho die van een onrustigwoelzieken aard scheen te zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden, heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan—aan de politieke uitzetting is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste hartelijkheid” aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen.207Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen, kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen, hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en ’s namiddags hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt, ’t welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor ’t Gouvernement eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, ’s avonds hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier nooit gezien is, en ’t welk de heer Bird208de galanterie heeft gehad van tedirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den voet op een kussen.)” Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade, wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat, maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden, die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745 ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad licht testellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden opgesomd en H. H. M. toegezonden.Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij, om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen) van een bevrienden stam, dien derCaraïben, een zoodanig misnoegen bij dit volk hadgaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van hunne zijdevreesde.209Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend, maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent de Zwitserschefamiliën(zie bladz.112) met onverschoonlijke nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel onschuldig was.Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel mogelijk.210Den 28 October211onderzocht hij de planken die tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopenvan gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men dat Mauricius hielp waar hij kon. Deboerenfamiliënin Augustus 1747 aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had, partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een ander in zijne plaats gesteld212doch hun eigen slecht gedrag, gepaard met andere omstandigheden,213was de voorname oorzaak dat deze kolonisatie geene goede gevolgen had.

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,“De roest weêr van mijn’ snaren,“En grijp met stramme hand“De luit weêr van de wand.“Ik heb mijn tijd versleten,“Bij slimmer dan de Geeten.“Sprong daar de Hengstebron,“Zij droogde van de zon.“Men zou de zanggodinnen,“Katoen daar leeren spinnen.“En zoo ’t gevleugeld paard,“Daar neêrstreek in de vaart,“Men zou hem onbeslagen,“In suikermolens jagen,“Nu adem ik weêr lucht,“En wil met nieuwe vlugt“Langs toebegroeide trappen,“Den Helicon opstappen.”162De blanke Creolen163meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan,ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.De godsdienstige rigting in de 18deeeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.—In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:—1Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek,164tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;—zelfs isdagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden”.Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerdenIsraëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was165;2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen—een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd—en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.—Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verbodenwerd166; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze” gelijkMauriciusschrijft: »abime van vuiligheden” mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167»heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugdsteeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten—eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven—ten andere in een leven van genot en opschik.168Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.De meeste vermogende planters hadden hunne woning inde stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder deslavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger169om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen envooral luiheid van ziekte te onderscheiden.Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begafhij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.Nadat deze gewigtigebezighedenafgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijnvermoeijenden arbeiduitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.Een dergelijk eentoonigmaterieelleven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn,en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen.170Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.Wel luidde het 28steartikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat decoloniërsten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde decoloniërsen de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij decoloniërsen opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe opapprobatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen.”Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd,171ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld.172Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname,173en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten174te verkrijgen.Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20stenMei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum175een voorstel,om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde”, en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe”, merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz.”Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheidom geschikte sujetten te verkrijgenbleef bestaan.Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen.176Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie.177Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,—het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.”, tot wegneming van verdereergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden178, gelijk dan ook geschied is179.Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijnaan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen hadgeïnsulteerd—deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst—hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had—de kerkenraad gaf echter later consent.In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen”; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin,180als eenontaarden zoontot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen—na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747181namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, densociëteits-NegerBenjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hijwerd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748182werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd.”Den 5 Junij 1748183leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,—waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,—of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.Den 8 Januarij 1749184, werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht—welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren—het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in deofficieelebescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen” werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan—en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken.”Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis vanAmsterdam, meer dan eens bij de directeuren dersociëteitvoorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten.” Directeurs dersociëteitschreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijkediscussiënplaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als ’t God maar behaagt den wasdom te geven aan ’t geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig enonkostelijkmiddel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens ’t onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in ’t Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van ’s menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae ’t begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten,185nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van ’t goddelijke weesen, ’t Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd.”De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan desociëteit,30 Nov. 1751, op een nieuwememorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid186ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hijdesociëteitdeed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt.”187Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft188, hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem ƒ 30.— present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zijgeheel beroofdwas, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was189, aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie derSociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, ƒ 15.— ’s maands en dubbel rantsoen;”—de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraaktbetoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.Toen zekere Smith van de R. C. religiegeëxecuteerdwerd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur.”190Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eenerLutherschegemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;—in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.—Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4denOctober 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over.191Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten192. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzerte worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook inde beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd ƒ 200.—, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijkeexercitiënte onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van ƒ 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:—ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.—Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waardezeheerscht zoo als ze in Surinameheerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.—Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel teveranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden—en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschapverlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van ƒ 6000, waarover langdurigediscussiënvolgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan.193Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu,werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civieleJustitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen,of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderdhad, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggenvonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigdachtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17denFebruarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde”, en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hemals Voorzittermoesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd.194De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door desociëteitverstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Radenvan Policiehiertegen protest in.195De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor eeninvalvreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27stenArt. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door desociëteitmoesten worden gedragen.Deze zaak gafaanleidingtot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was,196in staat van verdedigingte brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweermoestonderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren derSociëteitgezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden.197Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.Een nieuw reglementvoorde burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. Deburgerofficierenleverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen—dan—voerden zij als beweegredenaan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stadParamariboof ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan.198Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten doorMauriciusgenomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius199die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude—dan—Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel” eninenbuitende vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingenvielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet.200Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.—Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten,al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigdwerd201—een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd—»daar gaat Trijn van Hamburg”—Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede:202»Nadat het canailleuse wyf van Scherping203voor een jaar ’t exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l’Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit—waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging ’t zo verre, dat devrouwenvan Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden.”Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten.204Door hare huwelijken achtereenvolgensmet drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierdemalegehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan—Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.—De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan205—en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.—De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest,buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27stenMei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.—Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L’Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29stenDecember 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.—L’Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij” schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk ’t masker aflegt en geen schaduw van respect meerobserveert,” hetwelk zelfs zoo verre gingdatde Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10denMei 1748 overleed de heer L’Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat—de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13denDec. 1746 te Suriname aan.—Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26stenJanuarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27stenOct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31stenOctober 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25stenSept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?”206De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat zij teekenden enz.Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname door de leden der Cabale ondersteund.Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer, beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip, waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te Morlain, waar het schip binnengebragt was.Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden was, en welker handelingen onrustverwekten, uit de kolonie te verbannen. Zie bladz.173.Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later sloot echter Carilho die van een onrustigwoelzieken aard scheen te zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden, heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan—aan de politieke uitzetting is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste hartelijkheid” aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen.207Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen, kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen, hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en ’s namiddags hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt, ’t welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor ’t Gouvernement eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, ’s avonds hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier nooit gezien is, en ’t welk de heer Bird208de galanterie heeft gehad van tedirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den voet op een kussen.)” Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade, wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat, maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden, die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745 ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad licht testellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden opgesomd en H. H. M. toegezonden.Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij, om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen) van een bevrienden stam, dien derCaraïben, een zoodanig misnoegen bij dit volk hadgaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van hunne zijdevreesde.209Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend, maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent de Zwitserschefamiliën(zie bladz.112) met onverschoonlijke nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel onschuldig was.Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel mogelijk.210Den 28 October211onderzocht hij de planken die tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopenvan gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men dat Mauricius hielp waar hij kon. Deboerenfamiliënin Augustus 1747 aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had, partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een ander in zijne plaats gesteld212doch hun eigen slecht gedrag, gepaard met andere omstandigheden,213was de voorname oorzaak dat deze kolonisatie geene goede gevolgen had.

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,“De roest weêr van mijn’ snaren,“En grijp met stramme hand“De luit weêr van de wand.“Ik heb mijn tijd versleten,“Bij slimmer dan de Geeten.“Sprong daar de Hengstebron,“Zij droogde van de zon.“Men zou de zanggodinnen,“Katoen daar leeren spinnen.“En zoo ’t gevleugeld paard,“Daar neêrstreek in de vaart,“Men zou hem onbeslagen,“In suikermolens jagen,“Nu adem ik weêr lucht,“En wil met nieuwe vlugt“Langs toebegroeide trappen,“Den Helicon opstappen.”162De blanke Creolen163meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan,ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.De godsdienstige rigting in de 18deeeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.—In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:—1Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek,164tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;—zelfs isdagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden”.Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerdenIsraëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was165;2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen—een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd—en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.—Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verbodenwerd166; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze” gelijkMauriciusschrijft: »abime van vuiligheden” mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167»heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugdsteeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten—eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven—ten andere in een leven van genot en opschik.168Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.De meeste vermogende planters hadden hunne woning inde stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder deslavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger169om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen envooral luiheid van ziekte te onderscheiden.Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begafhij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.Nadat deze gewigtigebezighedenafgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijnvermoeijenden arbeiduitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.Een dergelijk eentoonigmaterieelleven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn,en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen.170Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.Wel luidde het 28steartikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat decoloniërsten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde decoloniërsen de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij decoloniërsen opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe opapprobatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen.”Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd,171ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld.172Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname,173en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten174te verkrijgen.Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20stenMei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum175een voorstel,om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde”, en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe”, merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz.”Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheidom geschikte sujetten te verkrijgenbleef bestaan.Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen.176Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie.177Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,—het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.”, tot wegneming van verdereergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden178, gelijk dan ook geschied is179.Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijnaan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen hadgeïnsulteerd—deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst—hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had—de kerkenraad gaf echter later consent.In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen”; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin,180als eenontaarden zoontot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen—na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747181namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, densociëteits-NegerBenjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hijwerd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748182werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd.”Den 5 Junij 1748183leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,—waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,—of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.Den 8 Januarij 1749184, werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht—welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren—het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in deofficieelebescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen” werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan—en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken.”Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis vanAmsterdam, meer dan eens bij de directeuren dersociëteitvoorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten.” Directeurs dersociëteitschreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijkediscussiënplaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als ’t God maar behaagt den wasdom te geven aan ’t geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig enonkostelijkmiddel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens ’t onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in ’t Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van ’s menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae ’t begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten,185nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van ’t goddelijke weesen, ’t Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd.”De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan desociëteit,30 Nov. 1751, op een nieuwememorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid186ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hijdesociëteitdeed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt.”187Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft188, hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem ƒ 30.— present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zijgeheel beroofdwas, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was189, aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie derSociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, ƒ 15.— ’s maands en dubbel rantsoen;”—de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraaktbetoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.Toen zekere Smith van de R. C. religiegeëxecuteerdwerd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur.”190Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eenerLutherschegemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;—in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.—Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4denOctober 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over.191Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten192. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzerte worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook inde beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd ƒ 200.—, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijkeexercitiënte onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van ƒ 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:—ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.—Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waardezeheerscht zoo als ze in Surinameheerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.—Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel teveranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden—en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschapverlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van ƒ 6000, waarover langdurigediscussiënvolgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan.193Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu,werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civieleJustitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen,of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderdhad, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggenvonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigdachtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17denFebruarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde”, en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hemals Voorzittermoesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd.194De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door desociëteitverstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Radenvan Policiehiertegen protest in.195De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor eeninvalvreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27stenArt. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door desociëteitmoesten worden gedragen.Deze zaak gafaanleidingtot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was,196in staat van verdedigingte brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweermoestonderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren derSociëteitgezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden.197Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.Een nieuw reglementvoorde burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. Deburgerofficierenleverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen—dan—voerden zij als beweegredenaan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stadParamariboof ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan.198Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten doorMauriciusgenomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius199die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude—dan—Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel” eninenbuitende vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingenvielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet.200Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.—Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten,al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigdwerd201—een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd—»daar gaat Trijn van Hamburg”—Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede:202»Nadat het canailleuse wyf van Scherping203voor een jaar ’t exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l’Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit—waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging ’t zo verre, dat devrouwenvan Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden.”Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten.204Door hare huwelijken achtereenvolgensmet drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierdemalegehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan—Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.—De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan205—en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.—De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest,buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27stenMei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.—Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L’Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29stenDecember 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.—L’Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij” schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk ’t masker aflegt en geen schaduw van respect meerobserveert,” hetwelk zelfs zoo verre gingdatde Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10denMei 1748 overleed de heer L’Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat—de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13denDec. 1746 te Suriname aan.—Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26stenJanuarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27stenOct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31stenOctober 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25stenSept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?”206De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat zij teekenden enz.Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname door de leden der Cabale ondersteund.Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer, beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip, waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te Morlain, waar het schip binnengebragt was.Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden was, en welker handelingen onrustverwekten, uit de kolonie te verbannen. Zie bladz.173.Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later sloot echter Carilho die van een onrustigwoelzieken aard scheen te zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden, heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan—aan de politieke uitzetting is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste hartelijkheid” aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen.207Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen, kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen, hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en ’s namiddags hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt, ’t welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor ’t Gouvernement eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, ’s avonds hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier nooit gezien is, en ’t welk de heer Bird208de galanterie heeft gehad van tedirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den voet op een kussen.)” Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade, wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat, maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden, die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745 ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad licht testellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden opgesomd en H. H. M. toegezonden.Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij, om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen) van een bevrienden stam, dien derCaraïben, een zoodanig misnoegen bij dit volk hadgaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van hunne zijdevreesde.209Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend, maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent de Zwitserschefamiliën(zie bladz.112) met onverschoonlijke nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel onschuldig was.Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel mogelijk.210Den 28 October211onderzocht hij de planken die tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopenvan gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men dat Mauricius hielp waar hij kon. Deboerenfamiliënin Augustus 1747 aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had, partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een ander in zijne plaats gesteld212doch hun eigen slecht gedrag, gepaard met andere omstandigheden,213was de voorname oorzaak dat deze kolonisatie geene goede gevolgen had.

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,“De roest weêr van mijn’ snaren,“En grijp met stramme hand“De luit weêr van de wand.“Ik heb mijn tijd versleten,“Bij slimmer dan de Geeten.“Sprong daar de Hengstebron,“Zij droogde van de zon.“Men zou de zanggodinnen,“Katoen daar leeren spinnen.“En zoo ’t gevleugeld paard,“Daar neêrstreek in de vaart,“Men zou hem onbeslagen,“In suikermolens jagen,“Nu adem ik weêr lucht,“En wil met nieuwe vlugt“Langs toebegroeide trappen,“Den Helicon opstappen.”162

“Ik veeg na zooveel’ jaaren,

“De roest weêr van mijn’ snaren,

“En grijp met stramme hand

“De luit weêr van de wand.

“Ik heb mijn tijd versleten,

“Bij slimmer dan de Geeten.

“Sprong daar de Hengstebron,

“Zij droogde van de zon.

“Men zou de zanggodinnen,

“Katoen daar leeren spinnen.

“En zoo ’t gevleugeld paard,

“Daar neêrstreek in de vaart,

“Men zou hem onbeslagen,

“In suikermolens jagen,

“Nu adem ik weêr lucht,

“En wil met nieuwe vlugt

“Langs toebegroeide trappen,

“Den Helicon opstappen.”162

De blanke Creolen163meestal lui en vadsig van aard, hadden noch voor kunsten noch voor wetenschappen eenige voorliefde, zelfs eenige lectuur te hebben behoorde onder de uitzondering. Miste het gezellige leven de godsdienstige heiliging en ook den beschaafden toon, ook in den huisselijken kring trof men hiervan, op weinige uitzonderingen na, geen enkel spoor.

De godsdienstige zin onzer voorvaderen, die ofschoon hij meermalen in vormelijkheid, in bloot kerkgaan,ontaardde, maar evenwel eene zekere degelijkheid aan hunne handelingen gaf, ontbrak bij de Surinamers van dien tijd.

De godsdienstige rigting in de 18deeeuw toch uitte zich in de eerste plaats door eene getrouwe opkomst bij de verkondiging van Gods Woord.—In Suriname was die opkomst zeer gering. Zoo lezen wij, dat de kerkeraad eene memorie aan het hof indiende om bij de aanstaande nominatie van raden van Policie de volgenden te excluderen:—1Luthersche; 2 die wel gereformeerd, maar geene lidmaten waren; 3 die niet vlijtig te kerk gingen. Op deze memorie werd een weigerend antwoord, in de notulen vermeld, door het hof gegeven. Mauricius schrijft in zijn dagboek,164tot nadere explicatie van dat antwoord o. a. »Verleden jaar zijn Camijn en Scherping verkooren geweest tot diaconen, doch men heeft die verkiezing moeten achterlaten, omdat men bevond dat ze geen lidmaten waren. Ook heeft men niet alleen van Daalen tot ouderling verkooren, maar zelfs die verkiezing tegen de regering gesouteneerd tot op heden, daar nogtans van Daalen in geen twee jaren ter kerke is geweest;—zelfs isdagelijks gebeurd, dat er bij de godsdienst geen één ouderling nog diacon was, ja zelfs dat er geen diacon was bij de communie, ook hebben zij bij haar onlangs gepresenteerde memorie zelf erkend, dat zij dikwijls zoonen éligeerden, die geen respect voor de godsdienst hadden, en als ze verkooren waren den kerkendienst onder frivole voorgeevens weigerden”.

Er bestond in Suriname weinig eerbied voor de openbare godsdienstoefening, dat o. a. blijkt: 1o. uit het proces over kerkschennis, gevoerd tegen den jongeling Carilho, zoon van den befaamden Carilho. Deze jongeling had, in de Gereformeerde kerk gezeten, den predikant Veyra, een bekeerdenIsraëliet, bespot en een openlijk schandaal veroorzaakt, waartoe hij door een paar Christen jongelingen, Pichot en van der Beets, verleid was. Niettegenstaande dit alles, fungeerde hij, hangende dit proces, als secretaris eener vergadering van aanzienlijke Surinaamsche burgers, van welke vergadering de predikant Duvoisin praeses was165;

2o. daaruit, dat bij eene der aanzienlijkste vrouwen, de weduwe Brouwer, een eclatant bal werd gegeven op den avond vóór het Nachtmaal, ofschoon de predikant Yver haar eene beleefde waarschuwing had laten doen—een bal dat door een talrijk gezelschap heeren en dames werd bijgewoond en waar het luidruchtig toeging, waar niet slechts gedanst en muziek gemaakt, maar met zwermers, ja zelfs met oranje-appelen op de voorbijgangers of schildwachten vóór het huis des commandants staande, gegooid werd—en waar de schout, die het bevel van den Gouverneur tot het staken hiervan overbragt, op eene gemeene wijze uitgejouwd werd, enz. enz.—Wij zouden zoo kunnen voortgaan met verscheidene bewijzen te leveren. Ontbrak die godsdienstige zin, was er weinig of geen vreeze Gods, het kon dan ook niet anders: de zedelijkheid stond er op een zeer laag peil.

Wel waren er van tijd tot tijd placaten uitgevaardigd, waarbij de gemeenschap der blanken met de slavinnen verbodenwerd166; dan dezen waren niet veel meer dan eene doode letter; nu en dan werd een geval van onwettige zamenwoning van blanken met blanken voor het hof gebragt en met eene geldboete gestraft, maar over die met slavinnen brak niemand den staf; zelfs onder de raden van policie, die de wet hadden moeten toepassen, vond men zoo velen die ze overtraden, en het jaarlijks toenemend getal der kleurlingen strekke tot bewijs, hoe het ten deze opzigte in de kolonie gesteld was.

Een groot aantal mannen stierven in jeugdigen leeftijd ten gevolge hunner ongebondene levenswijze of kropen als uitgeteerde geraamten daar heen en weinigen waren er, die hunne vrouwen overleefden.

De lezer verschoone ons van bijzonderheden uit »deze” gelijkMauriciusschrijft: »abime van vuiligheden” mede te deelen, het is eene droevige zaak voor den schrijver om gedurig melding te moeten maken van de zonden en gebreken van het volk, welks geschiedenis hij waagt te schetsen; dubbel droevig is dit echter, indien het een volk betreft, dat door afkomst zoo naauw met hem verwant is, doch hij mag hierdoor zich niet laten weerhouden, om aan de waarheid getrouw te zijn, hoe vurig hij ook wenscht, dat het hem gegeven ware, grooter en edeler daden te vermelden.

Als eene der grootste oorzaken van het lage peil der zedelijkheid in Suriname moet zeker beschouwd worden, dat het stelsel der slavernij zich, in al hare noodlottige kracht, ten kwade deed gevoelen.

Het stelsel der slavernij toch, iedereen erkent zulks, is droevig en ellendig voor den slaaf, maar is zulks mede voor den meester; vooral is het onvermijdelijk noodlottig voor de reinheid van zeden; het regt om vrouwelijke wezens in eigendom te hebben, geheel van den wil des eigenaars afhankelijk, is een zeer gevaarlijk regt.

»In alle slavenstaten,” zegt een beroemd man167»heerscht onder jonge lieden eene jeugdige ongebondenheid. Is de jeugdsteeds een gevaarlijke leeftijd, in slavenstaten is zij zulks meer dan elders; en dit houdt niet met dien leeftijd op. De verpligtingen der huwelijkstrouw, de heiligheid van huisselijke banden worden aldaar slecht geëerbiedigd. Reeds in dit leven is er eene schrikkelijke vergelding van het gepleegde onregt. Het huisselijk geluk van den slaaf is eene bijna onbekende zaak, maar ook de ontrouw des meesters brengt verderf over zijn eigen huisselijke neigingen en genietingen. Het huisgezin is zonder reinheid en getrouwheid ongelukkig, daar het alzoo van zijne heiligste aanlokkelijkheden en gezegendste invloeden beroofd wordt—en elk slavengewest rookt van ongebondenheid; het is besmet met doodelijker pestilentie dan de pest zelve.”

En de vrouwen, de wettige echtgenooten, van velen harer kon men zeggen, dat zij vergoeding zochten voor het ongelijk en de verwaarloozing door hare echtgenooten—eerstelijk in den haat dien zij jegens hare mededingsters koesterden en dien zij soms met eene onverzadelijke wreedheid jegens deze arme, vaak tegen haren wil verleidden, botvierden, terwijl zij hare mannen straften met verachting en tevens door een openlijk niet te miskennen voorrang, welken zij aan den pas uit Europa aangekomen vreemdeling gaven—ten andere in een leven van genot en opschik.168

Verkwisting, die onafscheidbare gezellin van onzedelijkheid, deed het geld verdwijnen en bij het onontbeerlijke hiervan ter voldoening der steeds nieuwe prikkels begeerende zinnelijkheid, moest de slaaf, het menschelijk werktuig om geld te verdienen, zijne krachten ten beste geven. Van daar zoo dikwijls de harde en wreede behandeling van den slaaf door menschen, die anders van nature toch niet zoo wreed of hardvochtig waren. Om in de stad prachtig te leven en zich als in weelde te baden, moest de slaaf op de plantaadje dubbel hard werken.

De meeste vermogende planters hadden hunne woning inde stad en gingen slechts van tijd tot tijd hunne plantaadjes bezoeken, alwaar zij dan korten of langen tijd vertoefden, terwijl zij verder het bestuur hunner effecten aan den directeur overlieten.

De lust en begeerte om meer met andere Europeanen in gezelschap te zijn, de vermaken der stad, hoe weinig verfijnd of veredeld, trokken hen en nu maakten zij zich diets, dat er belangrijke redenen hiertoe bestonden, als bijv. dat men door dadelijke aanraking met de schippers hoogere prijzen voor de producten en lagere voor hetgeen men zelf noodig had bedingen kon; dat men, en dit woog zeer zwaar, meerderen invloed op den gang van het bestuur kon uitoefenen, enz.

De ondervinding leerde, dat deze verwijdering der eigenaars zeer verkeerd werkte, zoo ten opzigte van de inkomsten hunner effecten als van den toestand der slaven, die hierdoor nog harder en onverdragelijker werd en dus meer tot wegloopen aanleiding gaf.

Werd het meer en meer de gewoonte, dat de groote planter zijn verblijf in de stad vestigde en slechts van tijd tot tijd zijne plantaadjes bezocht, enkelen volgden den ouden regel en vertoefden er het grootst gedeelte van het jaar en gingen slechts naar de stad, indien belangrijke zaken hen daar riepen. Om eenigermate over het leven op de plantaadjes te oordeelen, diene het volgende:

Om 6 uur in den morgen stond de heer en meester doorgaans op en begaf hij zich op de plaats voor het huis of in de veranda, waarvan eenige plantaadjegebouwen voorzien waren; de vaderlandsche pijp werd aangestoken en een kop koffij genuttigd. Terwijl hij hier op zijn gemak de koele en verfrisschende morgenlucht genoot, verscheen de opzigter om zijn verslag in te leveren en de orders voor den dag te ontvangen.

De opzigter, die zich dikwijls door kruipende beleefdheid in de gunst van zijn patroon zocht in te dringen, maakte, na eenige bewijzen van eerbied door buigen of strijkkaadjes te hebben gegeven, den meester bekend wat er den vorigen dag gewerkt was, welke negers weggeloopen, gestorven, ziek of weder gezond waren geworden; of er ook geboorten onder deslavenmagt hadden plaats gehad en daarop volgden de aanklagten over dezen slaaf of die slavin; welke het werk niet goed verrigt, luiheid getoond, kleine diefstallen begaan of iets, dat in de oogen van den opzigter niet goed was, hadden gedaan. Daar de aangeklaagde meestal tegenwoordig was, volgde er doorgaans parate executie.

Dan kwam de heelmeester of liever de Dresneger169om zijn verslag uit te brengen. Viel dit wat te ongunstig naar het oordeel des meesters uit, dan werd hij soms met een duchtigen vloek weggezonden of kreeg eenige streken met de karwats, als toevoegsel tot de vermaning om zijn pligt te doen envooral luiheid van ziekte te onderscheiden.

Vervolgens naderde de creolen-mama, eene oude negerin, met het opzigt der kinderen van de plantaadje belast, vergezeld van al de jeugdige slaven en slavinnen; dezen, na zich vooraf gebaad te hebben, ontvingen meestal hun ontbijt, uit rijst en banannen bestaande, onder het oog van den meester, waarna zij, na eenige grimassen te hebben gemaakt, weder vertrokken.

Nu ging de planter in zijn negligé eene wandeling maken of steeg, zoo hiertoe gelegenheid was, te paard, om zijne rijke velden in oogenschouw te nemen en te zien of zijne negers goed werkten.

Dit negligé bestond meestal in een fijn linnen broek, zijden kousen en roode of gele muilen of pantoffels, een hemd aan den halsboord open en daarover eene japon van Oost-Indische chits, een muts zoo fijn als spinrag en daarover een grootte beverhoed, ter beschutting voor de zon.

Tegen acht à negen ure van dit morgentogtje terug gekomen, ontbeet hij en kleedde zich volgens de gewoonte van dien tijd, waarbij gedienstige slaven of slavinnen hem ter hulpe stonden.

Wilde hij nu vrienden of buren gaan bezoeken, zoo begafhij zich naar zijne tentboot, die door den opzigter met vruchten, wijn, sterke dranken en tabak goed voorzien was, en zes of acht sterke roeinegers bragten hem waar hij wezen wilde.

Had hij geen lust om uit te gaan, dan ontbeet hij wat later en besteedde hieraan meer tijd. Een dergelijk ontbijt bestond uit ham, pekelvleesch, gebraadde hoenders of duiven; verder banannen, zoete cassaves, brood, boter, kaas, enz., waarbij zwaar bier en een glas madeira, Rijnsche of Fransche wijn werd gedronken. Was de planter ongehuwd of woonde zijne vrouw in de stad, dan was de directeur menigmaal slechts de eenigste deelgenoot van dit ontbijt.

Nadat deze gewigtigebezighedenafgeloopen en de directeur vertrokken was om het werk na te zien (den blankofficier was de taak opgedragen om hierbij gestadig tegenwoordig te zijn), ging de planter eenige berekeningen maken, of dergelijk werk verrigten; een enkelen keer nam hij eens een boek in de hand, doch dit behoorde tot de uitzonderingen; lezen viel doorgaans niet veel in zijn smaak.

Bij de toeneming der warmte, nam hij zijn middagslaapje; tegen drie ure opgestaan, zette hij zich aan tafel. Zijn opzigter en enkele keeren een paar zijner blankofficieren, indien deze mannen van zijn smaak waren, waren zijne dischgenooten, die hierdoor zich dan zeer vereerd gevoelden, en om strijd zijn tafel prezen, dat niet slechts vleitaal behoefde te zijn, want zij was goed voorzien van vleesch, gevogelte, wildbraad, visch, groenten, vruchten en de wijn, soms van de beste en edelste soort, ontbrak er niet.

Met zonsondergang kwamen de slaven van het veld en hetzelfde tooneel van des morgens herhaalde zich. De avond werd doorgebragt met rum of punch drinken, tabak rooken en kaartspelen. Waren er gasten op de plantaadje aanwezig, dan werd dit meermalen tot laat in den nacht voortgezet, anders ging de planter tegen 10 of 11 ure naar zijne slaapkamer, waar hij veelal, in de armen van eene zijner favorieten, van zijnvermoeijenden arbeiduitrustte, om den volgenden dag tot den zelfden kring van werkzaamheden, of liever geestelooze tijdsdooding, weder te keeren.

Een dergelijk eentoonigmaterieelleven was verwoestend voor de zedelijkheid. De mensch, hier onbepaald heerschende over medemenschen, die op zijne wenken vlogen, die voor de minste zamentrekking zijner wenkbraauwen, voor een donkeren blik van hem sidderden, werd meer en meer hoogmoedig, trotsch, laatdunkend; en hoe weinig beduidend hij soms ware, hij begon zich in te beelden waarlijk een persoon van gewigt te zijn,en velen uit hun néant tot rijkdom en eere opgeklommen, begon het hoofd te draaijen.170

Schetsten wij in enkele trekken het leven der aanzienlijksten in Suriname, van de mindere klassen, zoo der blanken als kleurlingen, worde slechts dit gezegd: zij trachtten de anderen na te volgen, en hetgeen bij de eerste soms nog door een zeker waas van uiterlijke beschaving bedekt, minder afzigtelijk voor des menschen oog scheen, kwam bij de laatsten, bij gemis van dat waas, in al hare afschuwelijke naaktheid te voorschijn.

Wel vond men in Suriname toen evenzeer als nu mannen en vrouwen, die ondanks den, de goede zeden doodenden atmospheer, den eernaam van christen waardig waren; over het algemeen was het met den zedelijken toestand der inwoners droevig gesteld.

Het godsdienstig en kerkelijk leven was ook zeer weinig ontwikkeld.

Wel luidde het 28steartikel van het octrooi: »dat de voornoemde Bewinthebbers sullen moeten besorgen dat decoloniërsten allen tijde zijn voorzien van een of meer Bedienaers des Goddelijken woorts, na dat de gelegentheydt van de kolonie het zoude moghen komen te vereysschen, ten eynde decoloniërsen de verdere opgezetenen aldaer in de vreeze des Heeren, ende de leere der zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden, mitsgaders tot het gebruyck der Heilighe Sacramenten bequame occasie hebben, zullende de voornoemde Predikanten niet bij de voorz. compagnie, maar bij decoloniërsen opgezetenen zelve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur en de Raden daertoe opapprobatie van Bewindhebberen zullen mogen ordonneren te heffen.”

Wel was er in het volgend artikel aangewezen waaruit de kosten voor de kerkdienst en die voor de schoolmeesters voorzien moesten worden.

Wel was de Gouverneur volgens zijne instructie gehouden de Gereformeerde godsdienst te beschermen en voort te planten.

Wel waren er kerken in de kolonie ter uitoefening der openbare godsdienstoefening, als: ééne te Paramaribo waar beurtelings in de Nederduitsche en Fransche talen gepredikt werd,171ééne door de zorg van van Sommelsdijk aan de boven Commewijne, waar deze zich met de Cottica vereenigt, in 1688 gebouwd en door Ds. Ketelaar ingewijd, ééne op den hoek van Cottica en Perica, in 1721 daargesteld.172

Wel waren doorgaans eenige predikanten in Suriname,173en naar den aard der liefde, die alle dingen hoopt en gaarne het beste denkt, willen wij gelooven dat hieronder waardige mannen werden gevonden, al is het dat wij uit gebrek aan bescheiden hiervan weinig hebben mede te deelen; echter schijnt het steeds moeijelijk te zijn geweest om geschikte sujetten174te verkrijgen.

Daarom dan ook deed Ds. Veyra, een bekeerde Israëliet, die veel ijver in zijn ambt betoonde, den 20stenMei 1740 in de vergadering van het Conventus Deputatorum175een voorstel,om, daar men zoo moeijelijk predikanten uit het vaderland kon bekomen, het Hof te verzoeken, boven en behalve het gewone getal predikanten, twee of meer proponenten aan te stellen, om, bij vacature of anderzins, in de dienst te kunnen voorzien en tot dat doel in Paramaribo, hetzij uit het weeshuis of ergens elders, om te zien naar kinderen »waar men een snedig verstand, goed begrip en leerlust in bespeurde”, en ze naar Holland te zenden, om daar, na voorbereidende en andere studiën, te worden bevestigd, terwijl zij, daar de koloniale kas de kosten hiervan dragen zoude, zich moesten verbinden om na volbragte studiën naar Suriname terug te keeren, »waartoe”, merkt Ds. Veyra aan, »zij te eerder zouden geneigd zijn, omdat zij daar hunne bloedverwanten en betrekkingen weder konden ontmoeten enz.”

Ds. Veyra vermeende, gelijk hij in zijn voorstel nader toelichtte, dat hierdoor in volgende tijden het land niet slechts altijd van een genoegzaam aantal predikanten kon worden voorzien, maar dat hierdoor de grond zou worden gelegd tot een hooger onderwijs in de kolonie, daar sommige dezer teruggekeerde jongelieden misschien als Preceptors of Lectors in verscheiden kunsten en wetenschappen zouden kunnen worden aangesteld, enz.

Over dit plan zijn wel van tijd tot tijd discussiën gevoerd, maar verder is er niets van gekomen, en de moeijelijkheidom geschikte sujetten te verkrijgenbleef bestaan.

Tusschen de predikanten onderling, de Nederduitsche en de Fransche, rezen ook meermalen verschillen, en in het Conventus Deputatorum vielen soms, vooral in den tijd van Mauricius, ergerlijke tooneelen voor, zoo zelfs, dat de Commissarissen politiek de vergadering moesten schorsen.176

Gedurig vindt men ook gewag gemaakt van twisten tusschen de predikanten en hunne kerkeraden en het Hof van Policie.177

Onder de Gouverneurs Cheusses en Raye was men zelfs genoodzaakt geworden tot politieke uitzetting van predikanten.

Zekere Ds. Kals, predikant te Perica en Cottica, was door het Conventus Deputatorum, op rapport en beklag van Ds. Jan Martin Kleyn, geschorst; na de expiratie zou hij door genoemden Ds. Kleyn, die zoo lang de predikbeurt in die gemeente had waargenomen, volgens besluit van het Conventus 6 Feb. 1733, op nieuw in zijne bediening worden hersteld. In plaats van hiermede genoegen te nemen en zich, zoo als zijn kerkeraad verlangde, op nieuw in de dienst te laten bevestigen, voer hij op ruwen toon tegen Ds. Kleyn en tegen het Conventus uit, even als hij vroeger tegen den Commandeur de Vries en het Hof van Policie uitgevaren was, welke ergerlijke tooneelen breedvoerig in de Notulen van 4 en 5 Aug. 1732, Mei 1733 enz. opgeteekend zijn,—het Hof concludeerde dat »daar Ds. Kals was een persoon van een onrustig en querelleus humeur, die zich noch aan wereldlijke noch aan geestelijke regten en vermaningen wilde onderwerpen, maar zich halsstarrig meerder en meerder in onrusten inwikkelde enz.”, tot wegneming van verdereergernissen, hem, Ds. Kals, met het eerst vertrekkende schip uit de kolonie te verzenden178, gelijk dan ook geschied is179.

Bij besluit van het Hof van Politie van 3 Februarij 1736 werd Ds. Jan Martin Kleijn, mede, om in de notulen breedvoerig vermelde redenen, uit de kolonie verbannen, doch hij kwam onder v. d. Schepper, in November 1738, terug; in eene vergadering van het Hof, op den 20 November 1738, verzocht hij verschooning voor vroegere gedragingen en werd weder in de dienst hersteld.

Den 20 December 1743 klaagde Ds. Liege Mevr. Halewijnaan, dat, toen hij haar vermaande, zij hem met vloeken, bespottingen en onkuische uitdrukkingen hadgeïnsulteerd—deze zaak heeft lang geduurd, eindelijk werd Ds. Liege voor 6 maanden geschorst—hij verzocht daarop in Maart 1744 naar Holland te gaan, om zijn zaak te bepleiten, dan hiertegen verzette zich de kerkeraad, omdat hij in de 4 maanden van zijn verblijf nog maar slechts 3 keeren gepredikt had—de kerkenraad gaf echter later consent.

In een brief, gedagteekend 14 April 1749, door de Eerw. classis van Amsterdam, waaronder Suriname kerkelijk ressorteerde, aan het Conv. Deputatorum gerigt, wordt de droefheid der vergadering kenbaar gemaakt, »over de zware twisten, ja droevige oneenigheden, die zoo ver gingen, dat de eene dienstknecht des Heeren den anderen wel eens openlijk hoonde, schold en liefdeloos behandelde op meer dan eene wijze, terwijl HH. predikanten zich niet ontzagen, om door onbetamelijke uitdrukkingen, enz. de hooge regering te beleedigen”; de classis vermaande tot vrede. In eenen lateren brief, 7 Sept. 1750, der Eerw. classis, maar nu aan Gouverneur en Raden, werd verzocht den voornaamsten woelgeest, den Franschen predikant Duvoisin,180als eenontaarden zoontot rede en een betamelijk gedrag te brengen. Ook trof men het ten tijde van Mauricius ongelukkig met zekeren Ds. Hoevenaar, die met regt een wargeest was; bij de minste tegenspraak geraakte hij in drift, rekende zich in zijne eer beleedigd en dreigde den beleediger met degen of pistool tot zwijgen te brengen—na een korten tijd werd hij volslagen waanzinnig.

Slechts zelden worden overgangen der slaven tot het Christendom vermeld: de enkelen die wij aangeteekend vinden, laten wij hier volgen: den 1 Junij 1747181namen Ds. IJver, Ds. de Ronde en 5 leden uit den kerkenraad, in presentie van de familie van den Gouverneur, Mevr. Larcher en andere dames, densociëteits-NegerBenjamin tot Lidmaat der Ger. kerk aan, nadat hij zijne geloofsbelijdenis met groote deftigheid, tot verbazing der aanwezenden had afgelegd; hijwerd den volgenden Zondag gedoopt, waarbij hij den naam verkreeg van Jan Jacob van Paramaribo; den 30 Mei 1748182werden des namiddags twee negers aangenomen, welke plegtigheid Ds. de Ronde, »zeer deftig bewegelijk heeft uitgevoerd.”

Den 5 Junij 1748183leverde Ds. de Ronde een klagt in, dat zekere Jood Machielse, een slaaf, die door Ds. de Ronde in de Christelijke godsdienst werd onderwezen, dagelijks sloeg en mishandelde omdat hij Christen wilde worden,—waarop de Raad Fiscaal zulks den Jood heeft laten verbieden,—of het veel geholpen heeft, meldt de geschiedenis niet.

Den 8 Januarij 1749184, werd door zekeren Picorna vrijdom voor zijne slavin Elisabeth met hare drie kinderen verzocht—welke 3 kinderen reeds ledematen der Christelijk Gereformeerde religie waren—het werd toegestaan. Behalve deze weinige hier medegedeelde overgangen van slaven tot het Christendom zoekt men in deofficieelebescheiden van dien tijd te vergeefs naar eenig berigt van pogingen, door de Hervormde predikanten aangewend om de slaven tot de kennis van het Evangelie te brengen. Het bevel des Heeren »predikt het Evangelie aan alle creaturen” werd door hen niet geacht; slechts eenige der eerste Fransche predikanten en de eerste aankomelingen van de secte der Labadisten en later de trouwe waardige Moravische broeders gaven hieraan gehoor; integendeel zien wij de predikanten met een wantrouwend oog de werkzaamheden der Hernhutters gadeslaan—en gelijk wij bij de behandeling van de geschiedenis der zending breeder zullen vermelden, was het voornamelijk door hunne aanstoking, dat den 21 November 1740 in het Hof van Politie besloten werd der broeders te verbieden openlijke godsdienstoefening te houden, en zij voortaan zelfs bij de huisselijke godsdienst niemand mogten toelaten. In de notulen der vergadering van het Convent. Deput. van 7 Febr. 1749 werd ook »over de Hernhutteren gevoelens gedelibereerd en besloten steeds tegen dezelve te blijven waken.”

Eervol moet hier vermeld worden, dat door de classis vanAmsterdam, meer dan eens bij de directeuren dersociëteitvoorstellen zijn gedaan, om de kolonie van genoegzame predikanten en catechiseermeesters te voorzien, »om daardoor de Christelijke religie onder de Heidenen des te beter voort te planten.” Directeurs dersociëteitschreven daarover aan Gouverneur en Raden en den 16 Dec. 1744 hadden daarover belangrijkediscussiënplaats. De Raden waren er niet zeer mede ingenomen. Mauricius erkende wel, dat er vele zwarigheden bestonden, doch oordeelde evenwel »dat deze eene Christelijke regering niet moesten wederhouden, om haar best te doen; dat het eenvoudig Evangelie niet veel omslag van noode heeft, als ’t God maar behaagt den wasdom te geven aan ’t geen met eene goede meening geplant wordt; hij geloofde echter hiervan weinig vrucht bij de oude slaven te zullen zien en stelde dus een eenvoudig enonkostelijkmiddel voor, »naementlijk om de kleijne vragen van Borstius off een ander, beneevens ’t onze Vaeder, het gelooff, de thien gebooden en eenige eenvoudige schriftuurplaatsen, strekkende om het geloof en vertrouwen in ’t Opperste Weezen, de resignatie aan Zijn wille en de liefde tot God en den naeste, het begrip van ’s menschen doemwaerdigheit en de middelen der genade kort, beknopt nae ’t begrip van een dom verstand eenvoudig in te prenten, in de Neger-Engelsche taele te doen overzetten,185nae Holland te zenden, dezelve te laeten drucken, en aen een ieder ingezeetenen uit te deelen met recommandatie om zoo veel mogelijk alle de slaeven, ten minste de kleijne kinderen alle Zondaegen door een hunner bedienden dezelve allenkens te laeten bijbrengen, opdat zij van de jeugd aff wat kennisse krijgen van ’t goddelijke weesen, ’t Christendom en van den staet der ziele nae dit leven, alsmeede beloning des goeds off quaedt nae dit leven, welk eenvoudig middel (zoo God het beliefde te zeegenen) naederhand nae bevind van zaeken verder zou kunnen worden achtervolgd.”

De tegenstand in het Hof was echter zoo groot, dat zelfs dit weinige niet ten uitvoer werd gebragt en in een berigt door Mauricius aan desociëteit,30 Nov. 1751, op een nieuwememorie der classis van Amsterdam over deze aangelegenheid186ingediend, beklaagde hij zich dat alle pogingen om dat godsdienstig werk te favoriseren, zijn besoignes met onderscheidene predikanten enz., vruchteloos waren geweest, waarbij hijdesociëteitdeed opmerken, dat een voornaam beletsel was »het quaad exempel, dat de meeste meesters aan hunne slaven gaven, zoodat de bekeering der zoogenaamde Christenen in de kolonie diende vooraf te gaan eer men van de bekeering der Heidenen iets hoopen mogt.”187

Ook werd er door de predikanten weinig werk van de verkondiging des Evangeliums, onder de militairen gemaakt; gelijk o. a. Mauricius ons in zijn dagboek verhaalt: dat bij gelegenheid eener executie van twee ter dood veroordeelde deserteurs, een soldaat, Jan Ark, als ziekentrooster de twee gecondemneerden had ter dood geprepareerd en zich, zoo als Mauricius schrijft188, hiervan zoo goed gekweten had, dat hij hem ƒ 30.— present gaf. Daar de militie op het nieuwe fort bij die gelegenheid hare begeerte getoond had om somtijds een gebed of predikatie te hooren, waarvan zijgeheel beroofdwas, zoo had Mauricius, als »zulkx zeer heilzaam en hoog noodig oordeelende, een soldaat, die daartoe zeer bequaem was189, aangesteld om op Zondag en feestdaagen een gebed en predicatie te leezen, waarvoor hem, op approbatie derSociëteit, toegelegd werd vrijdom van de dienst, ƒ 15.— ’s maands en dubbel rantsoen;”—de instructie werd in overleg met de predikanten Yver en Veyra opgesteld.

Kan men, voor zoo veel men uit de oude bescheiden oordeelen kan, weinig roemen over den ijver der predikanten in getrouwe pligtsvervulling, daarentegen vindt men meermalen opgeteekend dat zij naijverig waren en zich spoedig geraaktbetoonden, indien iemand anders een woord van godsdienstige vertroosting tot arme zondaars sprak.

Toen zekere Smith van de R. C. religiegeëxecuteerdwerd, waarbij Ds. Kleijn tegenwoordig was, en een ander van dezelfde godsdienst dien man op zijne wijze wilde aanspreken, werd dit door Ds. Kleyn zeer kwalijk genomen en op zijn verzoek besloot het Hof, »dat in het toekomende niemand, ofschoon hem toegang mogt worden verleend, bij een ter dood veroordeelde over religiezaken zal mogen spreken dan met speciale permissie van den Gouverneur.”190

Zoo kantten de Gereformeerde predikanten zich ook lang tegen de vestiging eenerLutherschegemeente aan. Reeds vroeg was het aantal der inwoners die de Augsburgsche confestie toegedaan waren, vrij aanzienlijk;—in 1740 hielden zij bijzondere bijeenkomsten, die echter door den Raad Fiscaal, als strijdende met de wetten des lands, verboden werden.—Na vele rekwesten enz. werd hun eindelijk onder bezwarende voorwaarden toegestaan eene eigene kerk te bouwen (15 Nov. 1741), en den 4denOctober 1742 kwam hun eerste leeraar, Ds. Johannes Pfaff, die vroeger te Zaandam stond, over.191

Voor het onderwijs der jeugd was bepaald dat er drie schoolmeesters moesten zijn, die, buiten hun tractement, vrije woning genoten192. Dan ook dit getal schijnt niet altijd compleet te zijn geweest en over de personen, welke deze betrekking vervulden, rezen meermalen verscheidene klagten.

Om de zorg, die door het Hof van Politie voor de opvoeding der jeugd werd gedragen te doen kennen, halen wij het volgende uit de notulen van Gouverneur en Raden aan:

22 Nov. 1725. Zekere La Combe doet aanzoek om tot onderwijzerte worden aangesteld, zullende dit onderwijs bestaan in lezen, schrijven, cijferen en de beginselen der godsdienst, alsook inde beleefdheid; hij wordt aangesteld en hem bij provicie toegelegd ƒ 200.—, dan geëxamineerd wordende bleek het, dat hij niet in staat was de allergeringste kindervragen, laat staan andere van eenig gewigt, in de Nederduitsche taal te beantwoorden.

27 April 1731. Om de blanke jeugd in goede manier en betamelijkeexercitiënte onderwijzen, wordt besloten uit het vaderland een dansmeester te ontbieden, op een tractement van ƒ 600, het eerste jaar, behalve hetgeen hij van zijne discipelen zal ontvangen, en vrijen overtogt.

3 Januarij 1749. Zekere Anna Michelon, huisvrouw van H. Noordbeek, vraagt verlof om te Paramaribo eene kinderschool op te rigten, welk verzoek, na ingewonnen rapport van den kerkeraad, toegestaan wordt.

Het onderwijs der jeugd bepaalde zich te Suriname tot lezen, schrijven, rekenen en het machinaal van buiten leeren van den Catechismus.

Met korte trekken schetsten wij het leven van de blanke bevolking in Suriname te dien tijde:—ruw, slecht onderwezen, door hartstogtelijke neigingen vervoerd, zich meermalen aan twist, spel en onzedelijkheid overgevende, terwijl wreedheid, laatdunkendheid en domme trots in ruime mate onder die bevolking gevonden werden, ja hunne hoofdgebreken uitmaakten.—Voorzeker is dit geene vleijende schets, doch men verwondere of ergere zich niet over deze ongunstige voorstelling, want het is de voorstelling van een volk door slavernij bezoedeld, en waardezeheerscht zoo als ze in Surinameheerschte, kan het niet anders of het volk moest diep bedorven worden; daar kon de vreeze Gods niet heerschen. Een zoodanig volk was Mauricius geroepen te besturen en te leiden.—Wel erkennen wij dat het eene zware taak was, welke hij hier te vervullen had. Groot waren de verwachtingen. Men verwachtte veel, misschien te veel van hem. Wij zullen thans zien in hoeverre hij hieraan beantwoordde.

Mauricius zag spoedig bij zijne aankomst dat er veel teveranderen en te verbeteren was en, als regtsgeleerde, was het een zijner eerste pogingen om de gebrekkige regtspleging te verbeteren. De hiervoren geschetste zamenstelling der hoogste en andere regterlijke collegiën was dan ook in alle opzigte zeer ongeschikt voor eene goede en onpartijdige regtsbedeeling.

Daar de vorige Gouverneurs meest allen tot den krijgsmansstand behoorden, hadden zij zulks meer lijdelijk aangezien en voor het grootste gedeelte alles aan den Raad-Fiscaal overgelaten, wiens magt en aanzien hierdoor zeer geklommen was, maar wien het zelfs bij den besten wil en de grootste bekwaamheid onmogelijk was de zaken naar behooren waar te nemen, te meer daar het ambt van exploiteur aan het fiscaliaat was verbonden—en daarbij eene langwijlige en ondoelmatige wijze van procederen eene spoedige afdoening van zaken onmogelijk maakte.

Mauricius woonde getrouw de zittingen van de beide hoven bij; de aanhangige zaken, wier aantal eenmaal 300 bedroeg, werden afgedaan; de werkzaamheden der Raden van Policie en die van Civiele Justitie vermeerderden hierdoor, ofschoon hunne magt en aanzien er eerder door verminderden. Had de Raad-Fiscaal, toen de heer Mr. Jacobus Halewijn, heer van Werven, Mauricius getrouw ter zijde gestaan, zeker zoude zijne taak ligter zijn geweest. Van Werven schijnt echter een opvliegend man, een man van een zeer prikkelbaar karakter te zijn geweest, waardoor dikwijls botsingen met den Gouverneur ontstonden.

Toen van Werven echter in hevig verschil was geraakt met de leden van het Hof van Justitie, voornamelijk over de waarneming dier betrekking als Exploiteur, zocht Mauricius dit in der minne bij te leggen en toonde hij zich in deze zeer onpartijdig.

Mauricius zag zeer goed, dat de vereeniging dier beide bijna onvereenigbare betrekkingen, eene gestadige bron van verschillen en eene belemmering voor den goeden gang des regts was, en trachtte daarop de reeds vroeger door directeurs verlangde scheiding te bewerkstelligen. Als een conditio sine qua non, was echter de vrijwillige toestemming van den daarbij betrokken persoon noodig en daarom werd de Heer van Werven gevraagd, welke som hij ter vergoeding van het exploiteurschapverlangde. Van Werven vroeg hiervoor eene jaarlijksche som van ƒ 6000, waarover langdurigediscussiënvolgden, schetsrekening of calculas werden gemaakt, welke wij hieronder laten volgen, waaruit bleek dat de gevraagde som billijk, was; waarna men dan ook besloot, den heer van Werven zijnen eisch toe te staan.193

Hendrik Boullé en daarna Aubin Nepveu, broeder van den particulieren secretaris van Mauricius, Jan Nepveu,werden tot exploiteurs benoemd. Deze betrekking, waardoor men, als uitvoerder van de vonnissen van het Hof van civieleJustitie, meermalen in onaangename aanraking met de inwoners kwam; daar het meestal dwangbevelen tot betaling enz. gold, was ook verre van aangenaam te zijn. Onder den Gouverneur Raije in 1737 gebeurde het onder anderen meermalen, dat wanneer de assistenten van de exploiteur op plantaadjes kwamen, om dezelve voor de crediteuren in bezit te nemen,of ze te inventariseren, zij daarop noch goederen, noch slaven vonden, daar de meester zich met zijne slaven enz. bij hunne aankomst in het bosch verwijderdhad, zoodat zij onverrigter zaken moesten terugkeeren; en behalve deze praktijken ter ontduiking van de door den exploiteur ten uitvoer te leggenvonnissen van het Hof van Civiele Justitie, kwamen nog andere moeijelijkheden: bij de zoo ligt opgewekte wrevel der heeren planters en anderen, behoorde er veel wijsheid toe ter vervulling dezer moeijelijke betrekking. Zoo spoedig genoemde heeren zich maar eenigzins door een dergelijk ambtenaar beleedigdachtten, kwamen zij onmiddellijk met hevige klagten te voorschijn. Zoo werd op den 17denFebruarij 1747 de substituut exploiteur die zich bij eene dagvaardiging van burger officieren eenige dreigementen had veroorloofd, ten eerste uit zijn ambt ontslagen, ten tweede veroordeeld om op een stuk geschut te worden gesteld met een papier op de borst, waarop stond »de substituut Exploiteur, die de burgers dreigt zonder orde”, en alzoo een half uur lang te pronk te staan en ten derde uit de kolonie te worden gebannen, terwijl hij de kosten der justitie moest betalen.

De verbetering door Mauricius in de regtsbedeeling gebragt, was verre van algemeen te behagen; dat aanzien en vermogen niet langer een vrijbrief was, om straffeloos de wetten te overtreden, voldeed velen, die dit privilegie zoolang zonder stoornis genoten hadden, volstrekt niet en al spoedig werd hierdoor wrevel, ontevredenheid onder dezulken tegen Mauricius opgewekt, terwijl zij ieder voorwendsel om de daden des Gouverneurs in een kwaad licht te stellen, gretig aangrepen. Zoo werd de bepaling waarbij Mauricius gebood, dat rekwesten enz. aan den Raad geadresseerd eerst aan hemals Voorzittermoesten worden ter hand gesteld, hetgeen ter voorkoming van misbruiken en als goede regel geschiedde, zeer ten kwade uitgelegd.194

De verdere maatregelen door Mauricius genomen om orde en regel te bevorderen, baarden doorgaans ontevredenheid; zoo werd hem nu een door hem uitgevaardigd placaat, waarbij de ingezetenen gelast werden nieuwe kaarten of warranden der aan hun door desociëteitverstrekte gronden te laten maken, zeer ten kwade geduid en als misbruik van magt toegekend, zelfs leverden de Radenvan Policiehiertegen protest in.195

De begeving van ambten, veroorzaakte, zooals trouwens meermalen het geval was, vele onaangenaamheden; de benoeming o. a. van zekeren Borgtorff tot keurmeester der suiker, hoe weinig beduidend op zich zelve, gaf aanleiding tot hevige disputen, daar de benoemde niet naar den zin der heeren planters was en men hiertoe een ander begeerd had.

In 1744 deden zich aan den staatkundigen horizon van Europa ongunstige verschijnselen voor wegens de vrees voor het uitbreken des oorlogs met Frankrijk. Mauricius, die wegens de nabijheid van Caijenne voor eeninvalvreesde, wilde de noodige voorzorgsmaatregelen nemen en vroeg hiertoe de hulp van het Hof van Policie, die schoorvoetend en slechts onder protest verleend werd, daar men zich steeds op het 27stenArt. van het octrooi grondde, waarbij bepaald werd, dat de verdedigingskosten door desociëteitmoesten worden gedragen.

Deze zaak gafaanleidingtot vele moeijelijkheden: Mauricius nam in overleg met het Hof verscheidene besluiten, waarbij de schippers, tot eigene veiligheid en die der kolonie, bevolen werden om meer in de nabijheid van Paramaribo met hunne schepen voor anker te gaan liggen; hij had hier met onwil en ontevredenheid der schippers, die door sommige ingezetenen werden opgestookt, te kampen; zelfs leverden zij later een beklag over de willekeurige handeling (gelijk zij zulks kwalificeerden) van den Gouverneur bij de Staten in; Mauricius deed zijn uiterste best, om de nieuwe fortres, wiens bestaan hier nog niet geheel voltooid was,196in staat van verdedigingte brengen, maar vond hierin gedurig tegenstand, dan van den Commandeur, met wien hij op geen goeden voet stond, dan van de leden van het hof, die als commissarissen toezigt moesten uitoefenen, doch eerder zijne maatregelen belemmerden, dan weder met de ingezetenen, die in gebreke bleven, het bij conventie bepaalde getal slaven voor den bouw te leveren. Niettegenstaande al deze bezwaren en moeiten, gelukte het toch aan Mauricius, om daartoe door de Staten-Generaal gemagtigd, met de Raden van Policie, als vertegenwoordigers der ingezetenen, eene overeenkomst te treffen, waarbij die zaak geregeld werd; en bij acte v. H.H.M. van 6 Maart 1748 kwam een verdrag tot stand, waarin bepaald werd, dat men de nu voltooide forten steeds in goeden staat en tegenweermoestonderhouden; dat het aandeel der kosten door de Directeuren derSociëteitgezamenlijk gedragen, en dat het fort Sommelsdijk zoude verlaten worden.197Een door hem in Junij 1744 gedaan voorstel, om eene redoute tegenover het nieuwe fort aan te leggen, daar het geschut op hetzelve niet ver genoeg reikte, om de kleine schepen, die weinig diepgang hadden, af te weren, vond om dezelfde redenen zeer veel tegenstand en eerst na verscheidene jaren slaagde hij er in tot het bouwen daarvan over te gaan.

Een nieuw reglementvoorde burgermilitie, dat bepalingen behelsde, waarbij de straf aan lijf of leven bij sommige gevallen gesteld werd en het artikel inhield: dat in cas van alarm de burgers zich ter verdediging naar de nieuwe fortres hadden te begeven, om onder de militairen dienst te doen, gaf veel aanleiding tot ontevredenheid. Deburgerofficierenleverden een geschrift daaromtrent aan het Hof in, waarbij zij zich over de genoemde bepalingen beklaagden, en een voorstel deden om, in cas van alarm, al de militairen naar de nieuwe forten te zenden, terwijl de burgers alsdan Zeelandia en Sommelsdijk zouden verdedigen—dan—voerden zij als beweegredenaan, was er geen vrees voor verschil tusschen militairen en burgers. Bij onverhoopte verovering der nieuwe fortres, bleef er nog kans over ter verdediging der stadParamariboof ter verkrijging van redelijke voorwaarden, en hierdoor werd tevens het bezwaar weggenomen dat er op de plantaadjes, door vertrek der meeste blanken en tengevolge van gebrekkig toezigt, uitspattingen, ja welligt opstand onder de slavenmagt zoude ontstaan; men stelde alzoo voor, liever goede, bekwame negers ter verdediging der fortres af te staan.198

Mauricius toonde zich niet ongenegen, om in dit voorstel, behoudens eenige nadere bepalingen, te treden, doch juist over deze nadere bepalingen kwam weder verschil, en de burgerofficieren begonnen afzonderlijke vergaderingen te houden, waarover Mauricius zich zeer ontevreden toonde, als zijnde deze vergaderingen strijdig met het octrooi, waarbij alle magt aan Gouverneur en Raden opgedragen werd, terwijl ook het houden van afzonderlijke vergaderingen bij besluiten van H.H.M. in 1712 en 13, strengelijk verboden was. De maatregelen tot sluiting dezer bijeenkomsten doorMauriciusgenomen, verbitterden velen dier kolonisten die in meerdere of mindere mate met de burgerofficieren instemden.

Men poogde dan ook in het hof van policie leden der oppositie te vestigen, en daar een dier leden, Salomon Duplessis, de meeste stemmen van een dubbeltal verkregen had, werd hij geëligeerd door Mauricius199die hoopte èn dat hierdoor aan de tegenpartij genoegen gedaan wordende, deze meer tot billijke waardering zijner handelwijze zou worden gebragt, èn dat de genoemde Duplessis deze daad van loyaliteit van hem Gouverneur erkennen zoude—dan—Mauricius vleide zich met eene ijdele hoop.

De tegenpartij, door Mauricius steeds de Cabale genoemd, werd integendeel hierdoor meer verwaten, en Duplessis toonde zich, zooals Mauricius het noemt »als een woeste kwade kerel” eninenbuitende vergaderingen van het Hof was hij immer de sterkste tegenstander van den Gouverneur; in de vergaderingenvielen, tengevolge zijner heftigheid, soms ergerlijke tooneelen voor; en toen er bij het vacant worden van twee plaatsen in het Hof eene nieuwe verkiezing geschieden moest, cabaleerde hij met anderen, vooral met den raad Pichot, zeer sterk om die vacante plaatsen door mannen in zijn geest te doen vervullen; zulks mislukte hem echter, en als een blijk zijner heftigheid worde vermeld, dat hij over die mislukking zoo verwoed was, dat hij over de straat liep als een moedwillige bootsgezel, afgrijselijk in vloeken uitbarstende, terwijl hij n. b. van boosheid op een kogel beet.200

Meer en meer ontwikkelde de geest van tegenstand tegen Mauricius: de misnoegden begonnen vergaderingen te houden, waar voorzitters, secretarissen, ja zelfs thesauriers niet ontbraken.—Niet slechts was er strijd over algemeene beginselen, maar verscheidene particuliere gevallen maakten den strijd hatelijk en persoonlijk.

Die strijd werd niet alleen in de raadzaal of in vergaderingen gevoerd, maar zelfs in particuliere gezelschappen barstte te dier zake meermalen de ergerlijkste twisten uit, en niet slechts Mauricius, maar ook zijne vrouw, zijne bloedverwanten,al die men dacht dat zijne zijde kozen, werden de voorwerpen van den hevigsten haat, die zich soms in allerlei grofheden openbaarde.

Zoo verhaalt Mauricius in zijn dagboek 14 Dec. 1746, dat zijne vrouw en dochter, welke des avonds de zieke vrouw van Ds. Ronde een bezoek hadden gebragt, in het naar huis gaan, bij de woning van Visser, een ijverig lid der Cabale, door dezen als een anderen Simeï met vreeselijke vloekwoorden beleedigdwerd201—een anderen keer werd mevrouw Mauricius door eenige dames nagejouwd—»daar gaat Trijn van Hamburg”—Mauricius beklaagt zich in zijn dagboek hierover meermalen, wij deelen hieruit nog het volgende mede:202»Nadat het canailleuse wyf van Scherping203voor een jaar ’t exempel heeft gegeven, van, op haar hoogen stoep sittende, op my en myn vrouw, (als wy voorbygaan) te spuuwen in plaats van te groeten, hebben ook op dat exempel sederd eenige maanden eenige dames, alle in deze naburige straat woonende, zich het woord gegeven, van my, myn vrouw en allen die voor Gouverneursgezind passeeren, niet wederom te groeten, al groet men eerst, specialyk Mev. l’Archer, de wed. van de Meel, de vrouwen van Pichot, Freher, Brouwer en Raket. De vrouw van Pichot heeft sich altyd voornaamlijk gesignaleerd met eene bysondere agiliteit—waarop wy ook sederd eenigen tyd de resolutie hebben genomen, van sachtjens voorby te gaan, zonder om te zien, doch gisteren ging ’t zo verre, dat devrouwenvan Pichot en Brouwer op den stoep sittende myn vrouw in het voorbygaan met een schaterend gelach uitjouwden.”

Niet slechts telde Mauricius zijne tegenstanders onder vele der aanzienlijkste mannen, maar ook, gelijk wij uit het hier aangehaalde zagen, kozen de aanzienlijke vrouwen partij tegen hem. Eene der voornaamste onder haar was eene dame Charlotte Elisabeth van der Lith, dochter van een Hoogduitsch predikant, weduwe van drie Gouverneurs en later van twee Fransche predikanten.204Door hare huwelijken achtereenvolgensmet drie Gouverneurs was zij ruimschoots in de gelegenheid geweest invloed op den gang van zaken te kunnen uitoefenen; dit scheen hare heerschzucht meer en meer te hebben opgewekt, en niet tevreden met de vervulling harer pligten als moeder en echtgenoot, (zij was 7 Januarij 1742 ten vierdemalegehuwd met den predikant der Waalsche gemeente Audra,) begon zij al spoedig Mauricius te dwarsboomen, de aanleiding hiertoe was het volgende: Sedert den aanval der Marrons in 1750 op de afgelegene plantaadje Bergendaal, die Mev. Audra toebehoorde, was aldaar in de nabijheid eene militaire post geplaatst. De aldaar gestationeerde soldaten moesten gedurig over den grond der plantaadje gaan—Mevr. Audra klaagde te regt of ten onregte over den grooten last dien dit haar veroorzaakte.—De secretaris Jan Nepveu door Mauricius naar den heer Audra gezonden om deze zaak in der minne te schikken, vond slechts mevrouw die met de meeste impertinentie verklaarde, absoluut dien weg niet te zullen permitteren en degenen die er op kwamen, de beenen te zullen laten aan stukken slaan205—en toen Mauricius zich hierover gebelgd toonde, schaarde Mevr. Audra zich weldra onder de vijanden van den Gouverneur, ja werd weldra de ziel der Cabale, vooral na den dood van haar vierden echtgenoot, (den 17 Mei 1744), die eene openlijke vijandschap vreesde en meermalen getracht had haar tot bedaren te brengen.—De botsing tusschen haar en den landvoogd, door onderscheidene kleine omstandigheden gevoed, werd steeds heviger, waartoe veel bijdroeg haar onbetamelijke omgang met den Franschen Waalschen predikant Bartelomeus Louis Duvoisin, een woest,buitensporig en opvliegend man, met wien zij den 27stenMei 1748 zich door den band des huwelijks verbond. Het zoude ons bestek te zeer overschrijden, indien wij een verhaal gaven van de onderscheidene moeijelijkheden met welke Mauricius te kampen had, en indien wij al zijne vijanden en de redenen hunner vijandschap tegen hem den lezer wilde leeren kennen.—Reeds uit het medegedeelde kan men oordeelen, hoe moeijelijk de toestand van Mauricius was. Daarbij kwam nog dat de personen die hem terzijde moesten staan, om rust en orde te handhaven, meerendeels de zijde zijner tegenstanders kozen. Zoo vond hij o.a. al spoedig tegenwerking bij den persoon, die op hem in rang volgde, namelijk de Commandeur, die als bevelhebber der troepen en als eerste Raad van Policie, grooten invloed zoowel ten kwade als ten goede kon uitoefenen. Philippe Cambrier, een Franschman, die vroeger kapitein bij de Zwitsers was, werd tot luitenant-kolonel en Commandeur benoemd en arriveerde kort na de aankomst van Mauricius in Suriname; hij was met de familie van Sommelsdijk vermaagschapt en met vele hooggeplaatste personen in Nederland bekend, met welke hij een gestadige briefwisseling onderhield, waarin hij de daden van Mauricius in een verkeerd daglicht plaatste, terwijl hij zich in Suriname aan de partij tegen den Gouverneur aansloot.

Toen Cambrier, die wegens verzuim in de dienst meermalen door Mauricius tot ijver en pligtsbetrachting moest worden aangemaand, in Feb. 1744 om zijn ontslag verzocht, werd hem dit verleend; in zijne plaats kwam Jean Louis L’Archer, heer van Keenenburg, sedert 1743 Ritmeester der cavallerie welke den 29stenDecember 1746 in Suriname arriveerde, doch hiervan had Mauricius weinig dienst.—L’Archer was veelal ziek en veroorzaakte daarenboven den Gouverneur veel moeite en onaangenaamheden, »daar hij” schrijft Mauricius in zijn dagboek 5 November 1747, »plompelijk ’t masker aflegt en geen schaduw van respect meerobserveert,” hetwelk zelfs zoo verre gingdatde Gouverneur hem huisarrest deed aanzeggen en de bijwoning der vergaderingen verbieden; den 10denMei 1748 overleed de heer L’Archer, en zijne vrouw behoorde sedert dien tijd tot de hevigste tegenstanders van den Gouverneur.

De tot zijn opvolger benoemde heer Wigbold Crommelin, kwam eerst in 1749 in Suriname aan; deze heer had door zijne bekwaamheden en door zijne gehechtheid aan en overeenstemming met Mauricius, dezen tot grooten steun kunnen zijn; hij kwam daartoe te laat—de oneenigheden waren reeds te ver gekomen.

Met den Raad Fiscaal van Werven waren ook velerlei onaangenaamheden. Na diens overlijden 22 Aug. 1746, kwam, ter zijner vervanging, Mr. Nicolaas Anthony Kohl den 13denDec. 1746 te Suriname aan.—Deze stond Mauricius trouw ter zijde, werd zelf zeer met hem bevriend en huwde den 26stenJanuarij 1746 met zijne oudste dochter, doch overleed reeds den 27stenOct. 1748. Bijna een jaar lang werd het Fiscalaat a. i. waargenomen door den Raad van Policie Hendrik Talbot, doch het meeste werk kwam nu op Mauricius neder, die hierom echter van heerschzucht beschuldigd werd. Den 31stenOctober 1749 aanvaardde de in Nederland tot Fiscaal benoemde Secretaris Jacobus van Baerle die betrekking, maar overleed reeds den 25stenSept. 1750, waardoor de werkzaamheden van Mauricius weder zeer vermeerderd werden.

De secretaris van het hof Scherping behoorde mede tot de tegenpartij; was hij zulks in het eerst slechts in het geheim, zijne vrouw daarentegen, door Mauricius meermalen de Gouvernante van den waterkant genoemd, kwam hier voor openlijk uit. (het hier straks vermelde strekke ten bewijze).

Zoo beleedigde ook de vrouw van den ontvanger Freher, mede Raad van Politie, den Gouverneur. Deze had een deurwaarder uitgezonden, om zekeren heer Cellier te spreken. De deurwaarder vervoegde zich, ter voldoening aan den last des Gouverneurs, in een huis, waar onder meer gezelschap zich ook mevrouw Freher bevond, die hem toevoegde: »Moet gij hem van dien Aap spreken, die schelm, wat moet die schoelje hebben?”206

De daaromtrent ingestelde regterlijke vervolging was van langen duur en baarde nieuwe onaangenaamheden.

Meer en meer barstte het vuur der tweedragt uit, toen Salomon Duplessis in Maart 1747 door de ontevredenen, op gezamenlijke kosten naar Holland werd gezonden, om daar over Mauricius te klagen en zijne terugroeping te bewerken.

Later werd Duplessis eene procuratie door eenige leden onderteekend nagezonden, waarvan de teekening van sommige personen door list of vreesverwekking afgeperst was, enkelen hadden zelfs niet geweten wat zij teekenden enz.

Duplessis wendde in den Haag alle pogingen aan ter bereiking van zijn doel: de terugroeping van Mauricius, en werd hiertoe uit Suriname door de leden der Cabale ondersteund.

Mauricius moest zich nu in uitvoerige memoriën tegen die aanklagten verdedigen en de bewijzen hiervan overleggen; daarbij werd hij genoodzaakt om met krachtige hand de woelingen in Suriname tegen te gaan, waardoor hij zich echter gedurig nieuwe vijanden verwierf.

In overleg met het Hof van Policie, waarin hij bij nieuwe keuze meer medestanders verkreeg, maakte Mauricius in December 1748 gebruik van het den Gouverneur en Raden toegekende regt van Politieke uitzetting om den burger kapitein Jan Pieterse Visser en Everardus Brouwer, beide raden van Civiele Justitie de kolonie te doen verlaten; hierdoor werden nieuwe grieven tegen hem gevonden. Ongelukkig kwam het schip, waarmede Visser verzonden werd, nimmer te regt en dat waarop Brouwer zich bevond, werd door Fransche kapers genomen. Brouwer overleed te Morlain, waar het schip binnengebragt was.

Reeds in het begin van December was tot de politieke uitzetting van den Joodschen burger kapitein Isaac Carilho besloten, op verzoek der Joodsche regenten, aan wie een privilegie reeds door van Parham was toegekend om personen hunner natie, over wier gedrag men ontevreden was, en welker handelingen onrustverwekten, uit de kolonie te verbannen. Zie bladz.173.

Vroeger had Mauricius getracht, om de oneenigheden tusschen regenten en Carilho te stillen; en was hem dit toen gedeeltelijk gelukt, later sloot echter Carilho die van een onrustigwoelzieken aard scheen te zijn, zich bij des Gouverneurs tegenstanders aan, en werd door hem als burger officier ontslagen. Tot veel geschrijf en onaangenaamheden, heeft deze zaak aanleiding gegeven, dan—aan de politieke uitzetting is echter geen gevolg gegeven. Zoo brandde het vuur der tweedragt aan alle zijden, want ook Mauricius had zijne aanhangers, waaronder voornamelijk Ds. Ronde en de raadsheeren Tourton en Pallak geteld kunnen worden. Sommigen dezer heeren hadden een memorie tegen de klagten v. Duplessis geteekend, hetgeen Mauricius echter, om elk verwijt over partijdigheid te vermijden, had verhinderd; zelfs boden de heeren Tourton en Pallak in de volle raadsvergadering »met de teederste hartelijkheid” aan, om naar Holland te gaan ten einde de onschuld van den Gouverneur te bewijzen, terwijl de raden zich mede zeer gekwetst gevoelden over de valsche en onware beschuldigingen.207

Als een bewijs van de goede gezindheid van verscheidene ingezetenen, kan genoemd worden de instelling der Mauritsridders, waarvan Mauricius in zijn dagboek van 3 Mei 1743 het volgende verhaalt. »De goede ingezetenen van Suriname hebben mij in mijn verdriet willen vervrolijken met heden mijn geboortedag te celebreren op eene gedistingueerde wijze. Genoegzaam alle heeren en dames van fatsoen, hebben mij en mijne vrouw komen komplimenteren en ’s namiddags hebben een groot getal jonge heeren een optocht te paard gemaakt, ’t welk nooit hier gezien is, met muziek vooruit. Wanneer de ruiters niet gewoon zijn te paard te zitten, en de paarden niet gewoon zijn onder den man te gaan, geeft het eene slechte cavalcade, doch deze is echter in volkomen orde geweest, zelfs hebben se voor ’t Gouvernement eene soort van exercitie gedaan, die wel uitgevoerd is, ’s avonds hebben zij mij vereerd met een fraai vuurwerk, welks gelijken hier nooit gezien is, en ’t welk de heer Bird208de galanterie heeft gehad van tedirigeeren; verder heb ik een maaltijd en bal gegeven voor het gansche gezelschap (de nieuwe ridders er onder begrepen)doch heb bij alle die vreugde niet kunnen assisteren dan met den voet op een kussen.)” Genoemde ridders, 24 in getal, droegen roode monteringrokken en zilveren kruisen aan een blaauw lint, zij boden aan een corps op te rigten, om in tijd van nood het land te kunnen verdedigen, Mauricius die echter begreep, dat in Suriname zelden iets in zijne regte palen kon blijven, zonder de een of andere echappade, wees dit beleefdelijk van de hand en maakte eenige bepalingen omtrent deze nieuwe ridders; doch daar deze instelling, hoe onschuldig ook in zijn aard, tot vele klagten aanleiding gaf, is het corps spoedig reeds (6 November) 1745 ontbonden. De hoofdman van dit corps was Herman Nicolaas van de Schepper die wel zekere hartelijkheid bezat, maar zich door ligtzinnigheid en losheid van zeden kenmerkte, zoodat zijne vrouw zelfs scheiding van hem verzocht en verkreeg; hij liet het de onder zijn bevel geplaatste eerewacht aan geen wijn en andere ververschingen ontbreken, zoodat na afloop der exercitie, meermalen zwelgpartijen plaats vonden waarop het ruw toeging en meermalen hevige twisten tusschen de Mauritsridders en de leden der cabale ontstonden, die door stokslagen en degenstooten opgevolgd werden.

De oprigting van dit corps, waarvan Mauricius geen kennis had gedragen, werd hem door zijne vijanden echter als blijk van hoogmoed en inbeelding verweten, en toen hij nadeelige gevolgen van onverstandigen ijver bij die jonge lieden vreezende, het zelf in November 1745 ontbond, berokkende hij zich hierdoor weder andere vijanden. Zijne vijanden zochten dan ook gretig al zijne handelingen in een kwaad licht testellen; allerlei beschuldigingen, waarvan sommigen als uit de lucht gegrepen waren, anderen door verdraaijing en verkeerde toelichting der feiten, een schijn van waarheid verkregen, werden opgesomd en H. H. M. toegezonden.

Zoo werd hem ook inhaligheid, schraapzucht en eigenbaat verweten en in de klagten van Duplessis werd gezegd, dat dit zoo ver ging, dat hij, om ze te bevredigen, door het verkoopen van roode slaven (Indianen) van een bevrienden stam, dien derCaraïben, een zoodanig misnoegen bij dit volk hadgaande gemaakt, dat men voor vijandelijkheden van hunne zijdevreesde.209

Mauricius wederlegde de meeste dezer beschuldigingen voldingend, maar men voer voort met gedurig nieuwe bij de oude te voegen; zoo beschuldigde de predikant Duvoisin hem o. a. dat hij zich omtrent de Zwitserschefamiliën(zie bladz.112) met onverschoonlijke nalatigheid gedragen had, en door partijdige bescherming van den bestuurder Bussy, die hen niet goed behandelde, oorzaak van hun ondergang was geweest. Doch uit het dagboek van Mauricius, gelijk uit zijne verdediging (Recueil 4, dl. 42), blijkt dat hij hierin geheel onschuldig was.

Reeds bij aankomst der bergwerkers, overtuigde hij zich met eigen oogen of zij goed gelogeerd waren, en ondersteunde hen zooveel mogelijk.210Den 28 October211onderzocht hij de planken die tot het bouwen der woningen gereed gemaakt en die reeds een jaar van te voren betaald waren, maar hij bevond dat men hem schandelijk bedrogen had en dat de planken niet bruikbaar waren. Gedurig vindt men in het dagboek vermeld van ziekten onder hen, van wegloopenvan gehuurde slaven, van aanvallen der Marrons en bij dat alles ziet men dat Mauricius hielp waar hij kon. Deboerenfamiliënin Augustus 1747 aangekomen, werden door hem gemonsterd en verdeeld. Zijn oordeel over hen was vrij gunstig, doch weldra (Nov. 1778) schrijft Mauricius van hen dat zij geen hand willen uitsteken. Over de later aangekomen Zwitsers was mede het eerste oordeel gunstig (zie dagb. 17 Nov.,3 Dec. 1748), doch spoedig slaat hij ook over hen een anderen toon aan. In Maart 1749 dienden zij klagten in over hunne bestuurders Du Bussy en Felix; en in plaats van deze, zooals Duvoisin gezegd had, partijdig te beschermen, werd, daar sommigen dier klagten gegrond waren, Du Bussy niet weder terug gezonden, Felix gedegradeerd en een ander in zijne plaats gesteld212doch hun eigen slecht gedrag, gepaard met andere omstandigheden,213was de voorname oorzaak dat deze kolonisatie geene goede gevolgen had.


Back to IndexNext