Chapter 17

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand derEngelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzendekoloniënCayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.” Zij werden dan ook terug gegeven349.Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlenoostelijkergelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deeldenzij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk,” volgens het oordeel dier heeren,»het terrain van den Koning van Vrankrijk was,” »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake vandat volk” (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.” Om dittevoorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:—»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.”Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten350. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteursberigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt351352.De in ’s lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was353. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen354.De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369–517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ 1200 Hol.355356.De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zijden tegenwoordigenheeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen357. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft358. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernementonthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,”—»synde” vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is”359.Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken—doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug360.Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder dennaam van »Roode slaven” in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten deBokken-ruilderssoms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad361.Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca362.Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van ƒ 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren363. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente364. Toen een der hoofdenMusinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard365.De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter366. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd huno. a.tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd367.Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij deSaramaccanersvervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd,zoodatzij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt—en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen ende boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft368. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Radendat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en deschuldigenstraffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:Blijkens gedaneinformatiënen getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadjeLa Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan”, gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneeddie met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.—Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om:als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden369. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf.Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande.370Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw,371was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. HetHof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren372.Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,—in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen.”373Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen,” liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen.” Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling374.De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland375. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder degalg,—en de meesteres werd aanbevolen om:voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen.376De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en ƒ 300 boete.377Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.—Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld.378De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan,” opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken.379Het Hof, na kennis van deze zakente hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven envermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen.380Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordigzijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen” tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;—»en,” zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo ’t al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorszemesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk wordgeüseerdomtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om ’t leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet.”Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:1o.»Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan ’t om ’t leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren.”2o.»Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om ’t leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om methaar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;”»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met ƒ 500, de tweede keer het dubbele dier som,” enz.3o. »Dat de straffen bij ’t 15deartikel van »het reglement voor de blanke bedienden,” de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden.”4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz.”381Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt wasdusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant” (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe,” tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden.”—De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën”—en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen.”—Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd.382De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van eenlegioen huisslaven.” Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers,” door »blanke livry-bedienden” lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat.383Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden.384De zoo dikwijls door desociëteitgeëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.De Raden wenschten dat desociëteiteenregimentmilitairen afdankte: »hierdoor toch,” vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden.”385Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en—alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren—werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige.386Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando’s keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput.387Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver—wil hij de waarheid getrouw zijn—verpligt is te leveren.Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst,388noch de stijgende prijs der andere stapel-producten,389noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para,390noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelenvan het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echtsociëteitsman” te zijn.Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens desociëteiten den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.Sommige onstaatkundige maatregelen dersociëteiten de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen391en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren dersociëteitverlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22stenNovember 1768gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken.392Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooralwerd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen393; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;”394dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd”395; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5denFebruarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8stenMaart plegtig geïnstalleerd.396Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150voet lang, eene voor de mindere bedienden dersociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag.397Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggendoorlogsschipde Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen” verre hunne verwachting overtrof398.Den 16denMaart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd399.In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats400.Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten401; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen dehuurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen402; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht,” vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven403; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten404.Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,—en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,—bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen.”405De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname’s ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen dersociëteitverworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz.261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz.233–236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz.261–62).Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedigewraaknemingop te zetten, en om aan denanderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men—men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht—dat de Surinaamsche planters door degeregtelijkevervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeeligekoffijoogsttwee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;” merken de schrijvers der Historische Proeve aan406, »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika.”Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten,vanprocuratiënvoorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname’s ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk.En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten,”407had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om ’t noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan ’t gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomeloozeweelde inde kolonie aan de orde van den dag werden.”408Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door hetHof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft409, doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken” te beletten.De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst410, de verhoogde prijs der slaven411, maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingenna te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters,” die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80.412In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd.413Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces.414Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden.415Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen denzin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende.416Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van ƒ 2000 tot ƒ 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van ƒ 500 tot ƒ 1000, van den tweede tot ƒ 800 en van den derde tot ƒ 600, terwijl de emolumenten werden verminderd.417Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van ƒ 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen.418Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen,” merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging419enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is.” De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan4 millioen guldenaan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met denexorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioenbedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,” terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Jodenoud en armte zijn,” waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname’s ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijkeexecutiënte bedoelen—maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd.420Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen.421De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:1o. gebrek aan circulerend medium;2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:a.het maken van nog een millioen kaartengeld;b.het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die ’s lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht;422de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;c.het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:1o. degenen, die rijk en vermogend waren;2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan ⅝ hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:a.De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeeldenadressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.b.Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd” plaats vond.Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:a.opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:b.eene belasting van de 40steof 80stepenning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; enc.eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand derEngelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzendekoloniënCayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.” Zij werden dan ook terug gegeven349.Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlenoostelijkergelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deeldenzij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk,” volgens het oordeel dier heeren,»het terrain van den Koning van Vrankrijk was,” »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake vandat volk” (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.” Om dittevoorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:—»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.”Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten350. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteursberigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt351352.De in ’s lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was353. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen354.De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369–517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ 1200 Hol.355356.De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zijden tegenwoordigenheeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen357. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft358. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernementonthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,”—»synde” vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is”359.Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken—doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug360.Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder dennaam van »Roode slaven” in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten deBokken-ruilderssoms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad361.Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca362.Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van ƒ 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren363. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente364. Toen een der hoofdenMusinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard365.De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter366. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd huno. a.tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd367.Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij deSaramaccanersvervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd,zoodatzij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt—en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen ende boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft368. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Radendat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en deschuldigenstraffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:Blijkens gedaneinformatiënen getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadjeLa Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan”, gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneeddie met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.—Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om:als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden369. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf.Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande.370Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw,371was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. HetHof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren372.Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,—in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen.”373Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen,” liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen.” Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling374.De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland375. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder degalg,—en de meesteres werd aanbevolen om:voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen.376De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en ƒ 300 boete.377Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.—Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld.378De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan,” opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken.379Het Hof, na kennis van deze zakente hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven envermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen.380Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordigzijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen” tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;—»en,” zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo ’t al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorszemesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk wordgeüseerdomtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om ’t leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet.”Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:1o.»Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan ’t om ’t leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren.”2o.»Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om ’t leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om methaar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;”»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met ƒ 500, de tweede keer het dubbele dier som,” enz.3o. »Dat de straffen bij ’t 15deartikel van »het reglement voor de blanke bedienden,” de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden.”4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz.”381Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt wasdusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant” (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe,” tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden.”—De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën”—en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen.”—Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd.382De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van eenlegioen huisslaven.” Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers,” door »blanke livry-bedienden” lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat.383Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden.384De zoo dikwijls door desociëteitgeëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.De Raden wenschten dat desociëteiteenregimentmilitairen afdankte: »hierdoor toch,” vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden.”385Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en—alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren—werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige.386Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando’s keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput.387Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver—wil hij de waarheid getrouw zijn—verpligt is te leveren.Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst,388noch de stijgende prijs der andere stapel-producten,389noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para,390noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelenvan het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echtsociëteitsman” te zijn.Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens desociëteiten den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.Sommige onstaatkundige maatregelen dersociëteiten de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen391en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren dersociëteitverlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22stenNovember 1768gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken.392Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooralwerd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen393; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;”394dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd”395; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5denFebruarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8stenMaart plegtig geïnstalleerd.396Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150voet lang, eene voor de mindere bedienden dersociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag.397Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggendoorlogsschipde Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen” verre hunne verwachting overtrof398.Den 16denMaart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd399.In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats400.Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten401; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen dehuurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen402; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht,” vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven403; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten404.Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,—en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,—bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen.”405De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname’s ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen dersociëteitverworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz.261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz.233–236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz.261–62).Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedigewraaknemingop te zetten, en om aan denanderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men—men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht—dat de Surinaamsche planters door degeregtelijkevervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeeligekoffijoogsttwee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;” merken de schrijvers der Historische Proeve aan406, »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika.”Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten,vanprocuratiënvoorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname’s ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk.En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten,”407had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om ’t noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan ’t gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomeloozeweelde inde kolonie aan de orde van den dag werden.”408Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door hetHof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft409, doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken” te beletten.De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst410, de verhoogde prijs der slaven411, maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingenna te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters,” die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80.412In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd.413Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces.414Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden.415Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen denzin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende.416Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van ƒ 2000 tot ƒ 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van ƒ 500 tot ƒ 1000, van den tweede tot ƒ 800 en van den derde tot ƒ 600, terwijl de emolumenten werden verminderd.417Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van ƒ 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen.418Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen,” merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging419enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is.” De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan4 millioen guldenaan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met denexorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioenbedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,” terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Jodenoud en armte zijn,” waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname’s ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijkeexecutiënte bedoelen—maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd.420Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen.421De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:1o. gebrek aan circulerend medium;2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:a.het maken van nog een millioen kaartengeld;b.het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die ’s lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht;422de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;c.het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:1o. degenen, die rijk en vermogend waren;2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan ⅝ hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:a.De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeeldenadressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.b.Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd” plaats vond.Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:a.opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:b.eene belasting van de 40steof 80stepenning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; enc.eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand derEngelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzendekoloniënCayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.” Zij werden dan ook terug gegeven349.Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlenoostelijkergelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deeldenzij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk,” volgens het oordeel dier heeren,»het terrain van den Koning van Vrankrijk was,” »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake vandat volk” (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.” Om dittevoorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:—»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.”Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten350. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteursberigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt351352.De in ’s lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was353. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen354.De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369–517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ 1200 Hol.355356.De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zijden tegenwoordigenheeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen357. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft358. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernementonthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,”—»synde” vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is”359.Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken—doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug360.Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder dennaam van »Roode slaven” in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten deBokken-ruilderssoms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad361.Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca362.Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van ƒ 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren363. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente364. Toen een der hoofdenMusinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard365.De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter366. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd huno. a.tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd367.Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij deSaramaccanersvervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd,zoodatzij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt—en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen ende boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft368. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Radendat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en deschuldigenstraffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:Blijkens gedaneinformatiënen getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadjeLa Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan”, gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneeddie met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.—Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om:als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden369. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf.Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande.370Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw,371was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. HetHof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren372.Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,—in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen.”373Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen,” liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen.” Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling374.De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland375. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder degalg,—en de meesteres werd aanbevolen om:voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen.376De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en ƒ 300 boete.377Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.—Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld.378De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan,” opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken.379Het Hof, na kennis van deze zakente hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven envermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen.380Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordigzijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen” tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;—»en,” zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo ’t al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorszemesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk wordgeüseerdomtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om ’t leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet.”Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:1o.»Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan ’t om ’t leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren.”2o.»Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om ’t leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om methaar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;”»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met ƒ 500, de tweede keer het dubbele dier som,” enz.3o. »Dat de straffen bij ’t 15deartikel van »het reglement voor de blanke bedienden,” de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden.”4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz.”381Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt wasdusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant” (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe,” tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden.”—De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën”—en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen.”—Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd.382De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van eenlegioen huisslaven.” Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers,” door »blanke livry-bedienden” lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat.383Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden.384De zoo dikwijls door desociëteitgeëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.De Raden wenschten dat desociëteiteenregimentmilitairen afdankte: »hierdoor toch,” vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden.”385Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en—alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren—werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige.386Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando’s keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput.387Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver—wil hij de waarheid getrouw zijn—verpligt is te leveren.Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst,388noch de stijgende prijs der andere stapel-producten,389noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para,390noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelenvan het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echtsociëteitsman” te zijn.Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens desociëteiten den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.Sommige onstaatkundige maatregelen dersociëteiten de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen391en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren dersociëteitverlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22stenNovember 1768gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken.392Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooralwerd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen393; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;”394dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd”395; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5denFebruarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8stenMaart plegtig geïnstalleerd.396Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150voet lang, eene voor de mindere bedienden dersociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag.397Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggendoorlogsschipde Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen” verre hunne verwachting overtrof398.Den 16denMaart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd399.In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats400.Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten401; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen dehuurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen402; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht,” vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven403; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten404.Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,—en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,—bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen.”405De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname’s ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen dersociëteitverworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz.261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz.233–236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz.261–62).Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedigewraaknemingop te zetten, en om aan denanderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men—men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht—dat de Surinaamsche planters door degeregtelijkevervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeeligekoffijoogsttwee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;” merken de schrijvers der Historische Proeve aan406, »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika.”Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten,vanprocuratiënvoorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname’s ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk.En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten,”407had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om ’t noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan ’t gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomeloozeweelde inde kolonie aan de orde van den dag werden.”408Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door hetHof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft409, doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken” te beletten.De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst410, de verhoogde prijs der slaven411, maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingenna te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters,” die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80.412In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd.413Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces.414Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden.415Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen denzin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende.416Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van ƒ 2000 tot ƒ 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van ƒ 500 tot ƒ 1000, van den tweede tot ƒ 800 en van den derde tot ƒ 600, terwijl de emolumenten werden verminderd.417Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van ƒ 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen.418Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen,” merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging419enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is.” De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan4 millioen guldenaan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met denexorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioenbedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,” terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Jodenoud en armte zijn,” waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname’s ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijkeexecutiënte bedoelen—maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd.420Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen.421De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:1o. gebrek aan circulerend medium;2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:a.het maken van nog een millioen kaartengeld;b.het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die ’s lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht;422de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;c.het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:1o. degenen, die rijk en vermogend waren;2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan ⅝ hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:a.De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeeldenadressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.b.Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd” plaats vond.Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:a.opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:b.eene belasting van de 40steof 80stepenning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; enc.eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand derEngelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzendekoloniënCayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.” Zij werden dan ook terug gegeven349.Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlenoostelijkergelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deeldenzij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk,” volgens het oordeel dier heeren,»het terrain van den Koning van Vrankrijk was,” »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake vandat volk” (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.” Om dittevoorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:—»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.”Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten350. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteursberigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt351352.De in ’s lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was353. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen354.De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369–517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ 1200 Hol.355356.De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zijden tegenwoordigenheeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen357. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft358. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernementonthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,”—»synde” vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is”359.Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken—doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug360.Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder dennaam van »Roode slaven” in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten deBokken-ruilderssoms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad361.Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca362.Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van ƒ 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren363. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente364. Toen een der hoofdenMusinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard365.De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter366. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd huno. a.tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd367.Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij deSaramaccanersvervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd,zoodatzij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt—en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen ende boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft368. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Radendat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en deschuldigenstraffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:Blijkens gedaneinformatiënen getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadjeLa Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan”, gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneeddie met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.—Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om:als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden369. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf.Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande.370Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw,371was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. HetHof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren372.Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,—in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen.”373Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen,” liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen.” Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling374.De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland375. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder degalg,—en de meesteres werd aanbevolen om:voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen.376De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en ƒ 300 boete.377Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.—Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld.378De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan,” opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken.379Het Hof, na kennis van deze zakente hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven envermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen.380Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordigzijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen” tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;—»en,” zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo ’t al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorszemesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk wordgeüseerdomtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om ’t leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet.”Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:1o.»Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan ’t om ’t leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren.”2o.»Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om ’t leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om methaar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;”»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met ƒ 500, de tweede keer het dubbele dier som,” enz.3o. »Dat de straffen bij ’t 15deartikel van »het reglement voor de blanke bedienden,” de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden.”4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz.”381Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt wasdusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant” (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe,” tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden.”—De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën”—en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen.”—Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd.382De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van eenlegioen huisslaven.” Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers,” door »blanke livry-bedienden” lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat.383Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden.384De zoo dikwijls door desociëteitgeëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.De Raden wenschten dat desociëteiteenregimentmilitairen afdankte: »hierdoor toch,” vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden.”385Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en—alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren—werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige.386Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando’s keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput.387Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver—wil hij de waarheid getrouw zijn—verpligt is te leveren.Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst,388noch de stijgende prijs der andere stapel-producten,389noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para,390noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelenvan het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echtsociëteitsman” te zijn.Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens desociëteiten den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.Sommige onstaatkundige maatregelen dersociëteiten de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen391en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren dersociëteitverlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22stenNovember 1768gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken.392Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooralwerd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen393; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;”394dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd”395; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5denFebruarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8stenMaart plegtig geïnstalleerd.396Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150voet lang, eene voor de mindere bedienden dersociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag.397Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggendoorlogsschipde Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen” verre hunne verwachting overtrof398.Den 16denMaart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd399.In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats400.Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten401; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen dehuurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen402; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht,” vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven403; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten404.Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,—en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,—bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen.”405De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname’s ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen dersociëteitverworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz.261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz.233–236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz.261–62).Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedigewraaknemingop te zetten, en om aan denanderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men—men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht—dat de Surinaamsche planters door degeregtelijkevervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeeligekoffijoogsttwee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;” merken de schrijvers der Historische Proeve aan406, »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika.”Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten,vanprocuratiënvoorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname’s ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk.En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten,”407had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om ’t noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan ’t gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomeloozeweelde inde kolonie aan de orde van den dag werden.”408Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door hetHof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft409, doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken” te beletten.De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst410, de verhoogde prijs der slaven411, maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingenna te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters,” die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80.412In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd.413Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces.414Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden.415Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen denzin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende.416Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van ƒ 2000 tot ƒ 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van ƒ 500 tot ƒ 1000, van den tweede tot ƒ 800 en van den derde tot ƒ 600, terwijl de emolumenten werden verminderd.417Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van ƒ 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen.418Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen,” merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging419enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is.” De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan4 millioen guldenaan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met denexorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioenbedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,” terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Jodenoud en armte zijn,” waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname’s ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijkeexecutiënte bedoelen—maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd.420Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen.421De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:1o. gebrek aan circulerend medium;2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:a.het maken van nog een millioen kaartengeld;b.het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die ’s lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht;422de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;c.het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:1o. degenen, die rijk en vermogend waren;2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan ⅝ hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:a.De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeeldenadressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.b.Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd” plaats vond.Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:a.opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:b.eene belasting van de 40steof 80stepenning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; enc.eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand derEngelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzendekoloniënCayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.” Zij werden dan ook terug gegeven349.Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlenoostelijkergelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deeldenzij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk,” volgens het oordeel dier heeren,»het terrain van den Koning van Vrankrijk was,” »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake vandat volk” (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.” Om dittevoorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:—»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.”Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten350. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteursberigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt351352.De in ’s lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was353. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen354.De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369–517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ 1200 Hol.355356.De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zijden tegenwoordigenheeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen357. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft358. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernementonthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,”—»synde” vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is”359.Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken—doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug360.Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder dennaam van »Roode slaven” in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten deBokken-ruilderssoms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad361.Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca362.Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van ƒ 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren363. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente364. Toen een der hoofdenMusinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard365.De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter366. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd huno. a.tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd367.Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij deSaramaccanersvervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd,zoodatzij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt—en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen ende boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft368. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Radendat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en deschuldigenstraffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:Blijkens gedaneinformatiënen getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadjeLa Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan”, gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneeddie met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.—Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om:als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden369. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf.Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande.370Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw,371was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. HetHof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren372.Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,—in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen.”373Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen,” liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen.” Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling374.De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland375. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder degalg,—en de meesteres werd aanbevolen om:voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen.376De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en ƒ 300 boete.377Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.—Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld.378De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan,” opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken.379Het Hof, na kennis van deze zakente hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven envermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen.380Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordigzijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen” tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;—»en,” zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo ’t al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorszemesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk wordgeüseerdomtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om ’t leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet.”Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:1o.»Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan ’t om ’t leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren.”2o.»Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om ’t leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om methaar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;”»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met ƒ 500, de tweede keer het dubbele dier som,” enz.3o. »Dat de straffen bij ’t 15deartikel van »het reglement voor de blanke bedienden,” de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden.”4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz.”381Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt wasdusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant” (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe,” tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden.”—De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën”—en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen.”—Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd.382De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van eenlegioen huisslaven.” Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers,” door »blanke livry-bedienden” lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat.383Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden.384De zoo dikwijls door desociëteitgeëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.De Raden wenschten dat desociëteiteenregimentmilitairen afdankte: »hierdoor toch,” vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden.”385Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en—alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren—werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige.386Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando’s keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput.387Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver—wil hij de waarheid getrouw zijn—verpligt is te leveren.Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst,388noch de stijgende prijs der andere stapel-producten,389noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para,390noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelenvan het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echtsociëteitsman” te zijn.Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens desociëteiten den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.Sommige onstaatkundige maatregelen dersociëteiten de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen391en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren dersociëteitverlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22stenNovember 1768gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken.392Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooralwerd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen393; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;”394dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd”395; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5denFebruarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8stenMaart plegtig geïnstalleerd.396Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150voet lang, eene voor de mindere bedienden dersociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag.397Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggendoorlogsschipde Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen” verre hunne verwachting overtrof398.Den 16denMaart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd399.In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats400.Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten401; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen dehuurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen402; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht,” vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven403; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten404.Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,—en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,—bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen.”405De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname’s ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen dersociëteitverworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz.261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz.233–236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz.261–62).Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedigewraaknemingop te zetten, en om aan denanderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men—men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht—dat de Surinaamsche planters door degeregtelijkevervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeeligekoffijoogsttwee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;” merken de schrijvers der Historische Proeve aan406, »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika.”Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten,vanprocuratiënvoorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname’s ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk.En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten,”407had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om ’t noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan ’t gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomeloozeweelde inde kolonie aan de orde van den dag werden.”408Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door hetHof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft409, doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken” te beletten.De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst410, de verhoogde prijs der slaven411, maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingenna te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters,” die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80.412In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd.413Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces.414Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden.415Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen denzin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende.416Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van ƒ 2000 tot ƒ 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van ƒ 500 tot ƒ 1000, van den tweede tot ƒ 800 en van den derde tot ƒ 600, terwijl de emolumenten werden verminderd.417Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van ƒ 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen.418Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen,” merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging419enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is.” De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan4 millioen guldenaan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met denexorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioenbedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,” terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Jodenoud en armte zijn,” waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname’s ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijkeexecutiënte bedoelen—maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd.420Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen.421De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:1o. gebrek aan circulerend medium;2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:a.het maken van nog een millioen kaartengeld;b.het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die ’s lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht;422de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;c.het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:1o. degenen, die rijk en vermogend waren;2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan ⅝ hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:a.De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeeldenadressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.b.Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd” plaats vond.Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:a.opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:b.eene belasting van de 40steof 80stepenning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; enc.eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:

Van tijd tot tijd verscheen wel eens een Fransche kaper in de rivier en vroeg verlof om, na de gevangenen aan land te hebben gezet, zijne op de Engelschen buit gemaakte goederen te verkoopen, doch daar zulks tegen de tractaten streed, werd dit niet toegestaan.

De Franschen vermeenden dat men in Suriname op de hand derEngelschen was en hun somtijds van oorlogs-materiëel voorzag en door dit wantrouwen ontstond er eenige spanning tusschen de authoriteiten der aan elkander grenzendekoloniënCayenne en Suriname. Het wantrouwen der Franschen was echter ongegrond. Men hield van onze zijde de stipste onzijdigheid in acht. Integendeel Nederland had zich over de Franschen te beklagen, die, in strijd met de tractaten, de Engelsche schepen soms in de rivier Suriname tot onder het geschut van het fort Nieuw-Amsterdam, en dus op onzijdig gebied, vervolgden. Eenmaal zelfs had een Fransche kaper Indiaansche slaven, welke met visschen bezig waren en die hun verlangen hadden te kennen gegeven om naar Cayenne te gaan, op zijn schip genomen. Tegen deze wederregtelijke daad werd door Gouverneur en Raden geprotesteerd. De Fransche kaper verontschuldigde zich met te zeggen, dat hij in de meening had verkeerd, dat het vrije Indianen waren, doch de Raad Fiscaal bewees in zijn aan het Hof daaromtrent ingediend advies, dat deze bewering uit de lucht gegrepen was, »want dat aan de sweepslaagen op hun huyd genoeg blykelyk was, dat zy slaaven waaren.” Zij werden dan ook terug gegeven349.

Men trachtte steeds zooveel mogelijk verwikkelingen met de Franschen te voorkomen, want door de nabijheid van Cayenne toch lag Suriname van een aanval dier zijde spoedig bloot. En aan deze zucht om onaangenaamheden met den magtigen nabuur te voorkomen is het ook toe te schrijven, dat de grensscheiding tusschen beide koloniën nimmer juist bepaald is. Hierover toch heerschte verschil van meeningen; de Franschen wilden de rivier de Marowyne als zoodanig beschouwen, de Nederlanders de eenige mijlenoostelijkergelegen rivier de Sinemary. Beiden voerden tot staving dezer bewering gronden aan doch tot eene volkomen beslissing werd deze kwestie niet gebragt. Feitelijk handelden de Franschen alsof hunne bewering de ware was en de Nederlanders ontweken dien strijd.

In 1764 vertoefden de Fransche kapitein Mauvant en de heer Douzet in Suriname en vóór hun vertrek naar Cayenne deeldenzij Crommelin mede, dat zij voornemens waren om hunne reeds aldaar bestaande etablissementen verder uit te breiden tot in Rio Amano, slechts 5 uren van de Marowyne gelegen. Zij vreesden te eeniger tijd met de Aukaner Boschnegers, die toen met de blanken in vrede leefden, in onaangenaamheden te komen. Die boschnegers toch strekten hunne dorpen tot over de Marowyne uit, »hetwelk,” volgens het oordeel dier heeren,»het terrain van den Koning van Vrankrijk was,” »en indien die boschnegers beproefden hunne etablissementen eenig molest aan te doen, of indien zij hunne slaven ophielden, zoo zoude men ze tot over de Marowyne verjagen, doch nu zou het hun echter leed doen, indien ter oorzaake vandat volk” (de boschnegers) »eenige differentiën tusschen beide koloniën ontstonden.” Om dittevoorkomen, stelden zij aan Crommelin voor eene commissie van Franschen en Nederlanders ter regeling dezer zaak in te stellen of andere maatregelen te verordenen. Crommelin, die de kwestie over de grensscheiding wilde vermijden, gaf een ontwijkend antwoord:—»hij rekende zich hiertoe niet bevoegd en zoude er dadelijk de Directeuren kennis van geven.”

Ten einde voorloopig alle disordres en misverstanden te voorkomen, stelde de Gouverneur aan het Hof voor: om te trachten de Boschnegers te bewegen zich liever aan deze zijde der Marowyne te vestigen en om hun vooral te waarschuwen den Franschen geene overlast aan te doen. Dien overeenkomstig werd besloten350. Het later daaromtrent ontvangen schrijven van H.H. Directeuren getuigde van denzelfden ontwijkenden geest. De genoemde etablissementen der Franschen namen echter niet zeer op. Deserteursberigtten, dat van de 10,000 arbeiders, die er toch nog slechts korten tijd hadden vertoefd, reeds 5000 bezweken waren; dat de overblijvenden er zich zeer ongelukkig gevoelden en dat de meesten, zoo de overtogt over de Marowyne niet zoo moeijelijk en de verdere weg niet zoo ongebaand ware, reeds de wijk naar Suriname zouden hebben genomen, waartoe verscheidene complotten werden gemaakt351352.

De in ’s lands dienst zijnde kapitein Bogman deed in 1765 eene togt naar de Marowyne, om de nieuwe volkplantingen der Franschen aan den anderen oever op te nemen. Zijn destijds gehouden Journaal, in de Notulen van 6 Aug. 1765geïnsereerd, behelst hierover vele belangrijke bijzonderheden, die wij ons noode wederhouden om mede te deelen; het stemt in de hoofdzaken met het door de Deserteurs vermelde over een, namelijk: dat de toestand der volkplanters treurig was353. De Fransche regering liet in 1766 aan de Marowyne eene redoute opwerpen voor geschut enz. Men vermeende hierin vijandelijke bedoelingen tegen Suriname te zien, maar na het daaromtrent gedane onderzoek bij den Gouverneur van Cayenne, werd die ongerustheid weggenomen. Het was slechts een maatregel om het gestadig wegloopen der arbeiders en slaven te verhinderen354.

De tijding van den vreesselijken slavenopstand in de naburige kolonie Berbice kwam in Mei 1763 in Suriname aan en verontrustte aldaar zeer de gemoederen. De Gouverneur van Berbice, Hogenheim, vroeg hulp en bijstand, en men besloot 75 man militairen daartoe beschikbaar te stellen en daarenboven 25 man, die later tot 40 man werden vermeerderd, ter versterking van de post aan de Corantijn te zenden.

Die vreesselijke slavenopstand is door Hartsinck in zijn eerste deel over Guiana van bladz. 369–517 uitvoerig beschreven. Die hieromtrent nadere bijzonderheden wenscht te weten, zoo over den oorsprong, den voortgang, de eindelijke demping van den opstand, als over de barbaarsche straffen die men de gevangen genomen hoofden der opstandelingen deed ondergaan, verwijzen wij naar het verhaal van genoemde schrijver. Wij bepalen ons met er slechts in zooverre melding van te maken als Suriname er mede in gemoeid werd.

De Hollandsche schippers waren niet zeer genegen om de hulptroepen naar de Berbices over te brengen en zochten allerlei uitvlugten. Men werd alzoo genoodzaakt tot vreemden de toevlugt te nemen en met veel moeite werd eindelijk de Engelsche schipper Buckmaster hiertoe overgehaald voor ƒ 1200 Hol.355356.

De naar de Corantijn gezonden troepen moesten voornamelijk dienen om te beletten, dat de te Berbice opgestane slaven zich in Suriname vestigden en met de slaven aldaar, over wier gezindheid men steeds vrees koesterde, gemeene zaak maakten en ook hen tot opstand bewogen. Het detachement soldaten echter rebelleerde en verscheidene derzelven voegden zich, tot elks verwondering, bij de muitende slaven van Berbice. Na de demping van den opstand werden de later gevangen genomen soldaten met den dood gestraft.

Een ander onheil van dezen vreesselijken opstand was de verwoesting van het zendingsstation der Hernhutters onder de daar wonende Indianen. De aanleiding tot deze verwoesting, de nadere bijzonderheden en de droevige gevolgen derzelve zullen wij bij de latere afdeeling van ons werk, die meer bepaald aan de zending gewijd is, behandelen. Nu slechts een enkel woord over de Indianen zelven.

De Indianen, de oorspronkelijke inwoners des lands, leefden hier en daar in kleine dorpen door de kolonie verspreid. Met de Europeanen stonden zij voortdurend op goeden voet; van tijd tot tijd bewezen zijden tegenwoordigenheeren van het schoone land, dat hun eenmaal toekwam, gewigtige diensten. Zij dienden hen als gidsen door de bijna ondoordringbare wouden van Suriname ter opsporing van de kampen en dorpen der weggeloopen slaven. Soms namen zij een nog werkdadiger aandeel aan den strijd tegen deze laatsten en streden aan de zijde der blanken; soms deden zij op eigen hand, doch met goedvinden van Gouverneur en Raden, strooptogten tegen de Marrons en bragten de gevangenen of de handen der gedoodden te Paramaribo, om de daarvoor gestelde premien te ontvangen357. Dit bloedgeld bragt hen echter weinig wezenlijk voordeel aan, het ging doorgaans spoedig in de zakken der Vettewariers en andere winkeliers over. Eenige snuisterijen werden tot veel te hoogen prijs gekocht, voornamelijk echter werd hiervoor rum of dram aangeschaft358. Meermalen kwamen talrijke troepen Indianen in de stad. Zij namen doorgaans hun intrek bij den Indiaanschen tolk, die er soms honderd te gelijk bij zich herbergde. Daar bij de nieuwe brandkeur (25 Mei 1763) bepaald was, dat in de stad Paramaribo niet langer huizen of schuren met Pina-bladeren mogten gedekt worden, vroeg de Indiaansche tolk verlof om een dergelijk gebouw tot tijdelijk verblijf der Indianen op de Savane buiten de stad te mogen oprigten, hetgeen hem toegestaan werd.

Om de Indianen in eene goede stemming te houden werden zij, tijdens hun verblijf in de stad, in den tuin van het Gouvernementonthaald en hun toegestaan te baljaren. In de dagboeken der onderscheidene Gouverneurs wordt hiervan dikwijls melding gemaakt.

Een hunner opperhoofden had eene reis naar Holland gemaakt. Bij zijne terugkomst in Suriname vertoefde hij, voor zich naar zijn dorp te begeven, eene groote maand te Paramaribo. Hij werd bijna dagelijks door Crommelin ter maaltijd genoodigd en hij gedroeg zich aan de tafel niet slechts »ordentelijk, maar diverteerde het gezelschap, waaronder zich de heer Crommelin en de Raad Fiscaal bevonden, met een verhaal van al hetgeen hy in Europa gezien heeft, en toonde sig ten uyterste geloueert over al de goedheden, die H.E.G. Achtb. voor hem gehad hebben,”—»synde” vervolgt het Journaal van Crommelin, »te verwonderen, dat in soo korten tyd soo geciviliseert is geworden, waarvan veel goeds te hoopen is”359.

Het getal der Indianen nam gestadig af. Hunne neiging tot geestrijke dranken door den omgang met de Europeanen gevoed, was hiervan eene voorname oorzaak. De gedurige kampstrijd der elkander vijandige stammen bragt mede hiertoe veel bij. Met hevigheid en vernielende woede werd dien strijd soms gevoerd. Onder velen slechts dit weinige. In 1758 kwamen eenige Indianen bij Crommelin en verzochten hem om geweren, kruid en lood, ten einde een dorp van Indianen, genaamd Piano-lotto of Akouris te attaqueren. Crommelin trachtte hen tot vreedzamer gedachten te brengen en dit scheen hem te gelukken—doch eenige dagen later kwamen zij terug en nu met brandende wraaklust bezield. De Akouris hadden hen in den nacht overvallen en 48 van hen en daaronder 6 opperhoofden gedood. Deze daad kon niet ongewroken blijven, slechts in het bloed der vijanden was dezen hoon af te wisschen. De zaak werd voor het Hof gebragt en men stond hun verzoek om wapenen toe, en zij moordden en verdelgden elkander en bragten daarna eerlijk de geleende geweren terug360.

Enkelen Indianen werden nog door de blanken onder dennaam van »Roode slaven” in slavernij gehouden en ook nog na den tijd van Mauricius, bragten deBokken-ruilderssoms de roode menschen uit de digte wouden tot dat doel in de stad361.

Eene der belangrijkste gebeurtenissen tijdens het bestuur van Crommelin was de reeds door Mauricius geprojecteerde, doch eerst door Crommelin tot stand gebragte vrede, met de boschnegers van Auka en Saramacca362.

Het kostte evenwel nog al eenige moeite om dien vrede te bewaren. Over het zenden van geschenken en de rigtige verdeeling derzelve, ontstond meermalen verschil en de weigering der regering om hun het door hen verlangde kruid te verstrekken, werd door de boschnegers als een blijk van wantrouwen beschouwd. De Aukanernegers waren daarenboven ontevreden dat men hun, (zoo zij vermeenden, wederregtelijk), eene som van ƒ 1692 onthield, die zij eischten voor de kosten op de reis naar de Saramaccaansche negers gemaakt, welke reis zij op verzoek van Gouverneur en Raden hadden ondernomen om dezen tot de vrede met de blanken over te halen en waarin zij niet ongelukkig geslaagd waren363. Een valsch gerucht, dat hun ter oore kwam, namelijk: dat de afgezonden boschnegers, die zich te Paramaribo bevonden, gevangen waren genomen en dat de blanken met een groot commando op weg waren om hen te vernielen, maakte hunne verontwaardiging zoo zeer gaande, dat zij in hunne eerste woede daarover den bij hen geposteerde, sergeant Frick en twee soldaten mishandelden. Toen hun de zaak opgehelderd werd en hun de valschheid van dat gerucht bleek, waren zij onmiddellijk bevredigd.

Het opperhoofd der Saramaccaner negers Albini, toonde groot belang te stellen in den met de blanken gesloten vrede. Hij wenschte en ondersteunde ook zeer de onder zijn stam in 1765 opgerigte zending der Broedergemeente364. Toen een der hoofdenMusinga, die door een misverstand geen geschenken had ontvangen en ook om andere redenen tegen de blanken was ingenomen, den vrede schond en eenige plantaadjes afliep en de slaven derzelven weg voerde, was Albini hierover zoo verontwaardigd, dat hij met de blanken tegen Musinga ten strijde toog en in het gevecht sneuvelde. De luitenant Dorig, die met een commando tegen Musinga was opgetrokken, moest onverrigter zake terug keeren. Het ontstane misverstand werd later weggenomen, de vrede met Musinga hernieuwd en sedert ongestoord bewaard365.

De boschnegers kwamen nu en dan in de stad en indien dit was uit naam der opperhoofden om de een of andere commissie te verrigten, werd hun onderhoud door het Hof bekostigd. Het onderling vertrouwen werd beter366. Vier van de zonen der opperhoofden, die als gijzelaars te Paramaribo werden achtergelaten, ontvingen behoorlijk schoolonderwijs en gedroegen zich zeer goed. Tot belooning van hun gedrag en tot opwekking werd huno. a.tot nieuwjaarsgift in 1765 een hoed met zilveren kriel vereerd367.

Bij ieder der twee stammen werd een militair beambte geplaatst om de belangen der regering bij hen te behartigen en door wien zij hunne belangen het Hof konden bekend maken.

Deze gansch niet gemakkelijke betrekking werd bij de Aukaners het eerst vervuld door den sergeant Frick, die zich hiervan zoo goed kweet, dat hem meermalen douceurs van het Hof werden toegestaan en hij later ook den officiersrang bekwam. Bij deSaramaccanersvervulde Luitenant Dorig deze post, die ook zeer door de negers bemind werd,zoodatzij meermalen toegaven in iets, waar zij dit anders niet zouden hebben gedaan, maar zulks alleen om hem genoegen te doen of om hem voor onaangenaamheden te vrijwaren.

Indien men de breedvoerige notulen en de wijdloopige journalen der bij de boschnegers gedetacheerde militairen oplettend nagaat, zal men tot de overtuiging komen, dat zij werkelijk in alle opregtheid den vrede hebben willen onderhouden. Dat zij trachtten die zoo voordeelig mogelijk voor hen zelven te doen zijn, kan door de staatkunde dezer wereld niet worden veroordeeld en dat er soms verschil over de geschenken en derzelver verdeeling ontstond, zal niemand verwonderen.

De grootste moeijelijkheid tusschen de koloniale regering en de boschnegers was over de uitlevering der bij hun gevlugtte slaven. De regering wenschte alle slaven zonder onderscheid en zonder eenig beding tegen de vastgestelde premie terug te erlangen. De boschnegers wilden wel de kwaaddoeners, doodslagers en vergiftigers uitleveren en ook hen, die zonder genoegzaam geldige redenen hunne meesters waren ontvlugt, maar om ook de ongelukkigen, die gekweld, geslagen en op velerlei wijze door wreede meesters mishandeld, tot hen de toevlugt namen aan de streng straffende hand der justitie over te geven stuitte hen tegen de borst en wij duiden hun deze aarzeling niet ten kwade, al wordt zij in de journalen en notulen bijna als misdaad aangemerkt—en evenmin zien wij laag neder op hunne pogingen, om voor de over te leveren slaven vrijheid van straf te willen bedingen. Integendeel zulk gedrag pleit voor hun menschelijk gevoel.

Om in dit laatste bezwaar eenigzins te gemoet te komen ende boschnegers te noopen de bij hun gevlugte slaven over te leveren, werd in Februarij 1762 een besluit door het Hof genomen, dat de slaven, die tot dien tijd bij hen waren gekomen, uitgeleverd wordende, geen straf zouden ontvangen, doch dat latere wegloopers, zonder eenige genade, met den dood zouden worden gestraft368. Van tijd tot tijd week men echter somtijds op dringend verzoek der boschnegers van deze laatste strenge bepaling af. Verder beloofden Gouverneur en Radendat, indien het wegloopen der slaven door wreede handelwijze der meesters was veroorzaakt, het Hof naar regt en billijkheid hierover uitspraak zou doen en deschuldigenstraffen. Dat deze belofte in eene slaven-kolonie en onder den jegens de slaven heerschenden geest echter weinig te beduiden had leert de geschiedenis maar al te duidelijk, en tot bewijs dezer bewering zullen wij uit de zeer vele gevallen van mishandeling den slaven aangedaan, die ter kennis van het Hof kwamen, eenige weinigen laten volgen, en hierdoor zal ons de houding der boschnegers en het gedurige wegloopen der slaven en de vreesselijke opstand die weldra plaats vond, zeer natuurlijk voorkomen.

Wij nemen hiertoe slechts eenige feiten tijdens het bestuur van Crommelin voorgevallen, doch moeten vooraf nog één feit vermelden, dat geschiedde toen Mauricius nog de teugels van het bewind in handen had en dat alle anderen in vreesselijkheid overtrof:

Blijkens gedaneinformatiënen getuigenverhoor van den neger-officier en een blanken timmerman, maakte zekere Claas Badouw, Directeur op de plantaadjeLa Rencontre, zich aan vele wreedheden jegens de slaven-bevolking schuldig; o. a. had hij een neger Pierro genaamd, die beschuldigd werd »van met vergif te hebben omgegaan”, gebragt in het kookhuis en hem aldaar de vingers van de handen en de teenen van de voeten met een bijtel afgekapt en gedwongen die op te eten, waarna hij hem een oor af sneed en dwong ook dit op te eten; vervolgens liet hij hem zijn tong uitsteken, sneeddie met een scheermes af, waarna hij ook die op moest eten. De neger stamelde met de stomp der tong nog een weinig, Baldouw haalde met een nijptang het overige gedeelte uit den hals en sneed ook dat af; daarop liet hij hem aan eene oude tentboot, die op het land stond, vast binden en drooge kantras onder hem leggen en poogde deze door het bijbrengen van vuur in brand te steeken ten einde den neger levend te verbranden. De kantras vatte echter geen vlam. Baldouw beval toen den neger los te maken liet hem daarop door een anderen slaaf geweldig zwepen en slaan en vervolgens nog levend in een kuil werpen en dezen met aarde bedekken.—Om deze en vele andere gruweldaden meer werd Baldouw gearresteerd, een proces tegen hem aangevangen en hij veroordeeld om:als Directeur ontslagen en uit het land gebannen te worden369. Wij gaan een tijdvak van tien jaren stilzwijgende voorbij, echter helaas niet uit gebrek aan stof, maar èn omdat de beperkte ruimte het ons niet toelaat èn omdat het ons moeijelijk valt dergelijke vreeslijkheden te vermelden.

De Directeur Conijnenberg liet eene negerin met de armen achterom gebonden, bij herhaling zoo geducht zwepen, dat toen zij van het touw los gemaakt werd, neder viel, en zonder een enkel woord te uiten, den geest gaf.Conijnenberg ontving tot straf eene reprimande.370

Mevrouw de wed. P. Mauricius, eene boosaardige vrouw,371was een ware tyran voor hare slaven. Hare eigen minne had zij uit boosaardigheid aan een touw laten doodslaan. De dresneger had dit zelfde lot ondergaan, zelfs kinderen werden onmenschelijk met Spaansche bokken gestraft. De negers verklaarden, dat zoo haar het bestuur der plantaadje niet ontnomen werd, zij allen nog eenmaal zouden wegloopen. Het Hof, dat met dit alles bekend werd, beproefde haar over te halen om hare plantaadje door iemand anders te doen administreren. HetHof vermeende hier op zeer te moeten aandringen,omdat men anders voor eene totale ruïne der bezitting harer pupillen vreesde.

Mevrouw Mauricius wilde hiervan echter niets hooren. Zij achtte zich zelve uitnemend in staat het beheer over slaven te voeren372.

Van tijd tot tijd vlugtten hare slaven,—in Julij 1761 o. a. 21 te gelijk. Door het Hof werden commissarissen uitgezonden om een nader onderzoek daaromtrent in te stellen. Deze bevestigden bij hun terugkeer de waarheid der geruchten, en verklaarden: »dat de slaven er zeer slecht en mishandeld uitzagen.”373

Mevrouw Mauricius bekreunde zich aan niets en ging op dezelfde wijze voort. Eenige vrije boschnegers maakten met den luitenant Veyra een bezoek op de plantaadje. De edele dame had opgemerkt, dat de boschnegers er glad en welgedaan uitzagen. Na hun vertrek liet zij drie bosschen tasstokken kappen, en onder het bij herhaling zeggen van: »ik wil niet dat een neger van mij met zoo een glad vel in het bosch zal rondloopen,” liet zij al hare negers 24 uren lang met tasstokken slaan en »half afschinden of villen.” Een neger en twee negerinnen bezweken onder deze mishandeling374.

De boschnegers weigerden de van haar gevlugte slaven over te leveren, en ook om jagt op dezelve te maken. Het Hof besloot eindelijk haar het beheer over de plantaadje te ontnemen en haar directeur vertrok, op verzoek, van het Hof, naar Holland375. Bij haar tweede huwelijk verkreeg zij echter het bestuur weder en ging zij op dezelfde wreedaardige wijze voort hare slaven te mishandelen.

De huisvrouw van den jood La Parra behandelde hare slaven zoo slecht, dat sommigen de vlugt naar het bosch namen, doch weldra vielen zij der justitie in handen. Twee negers en eene negerin werden daarop met den koorde gestraft; drie negers en vier negerinnen ontvingen eene Spaansche bok onder degalg,—en de meesteres werd aanbevolen om:voortaan op ordentelijker en moderater wijze hare slaven te behandelen.376

De directeur der plantaadje Annasburg deed een neger zoodanig zwepen, dat hij daags daarop dientengevolge overleed. De directeur werd veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf en ƒ 300 boete.377

Johannes Weeber mishandelde een neger zoozeer, dat hij onder die mishandeling dood bleef.—Van straf over deze daad vinden wij niets vermeld.378

De neger Darius kwam bij den fiskaal klagen over de wreede straffen aan de slaven door den directeur der plantaadje Sinabo, Jan Jakob Bongaard, opgelegd. Door het Hof werd een onderzoek bevolen; het daaromtrent uitgebragt verslag behelsde o. a. de volgende bijzonderheden: De directeur had een neger, die beschuldigd werd van »met vergif te hebben omgegaan,” opgebonden laten zwepen, vervolgens een Spaansche bok doen geven en in de timmerloods doen vastleggen. Hij verbood den man te verplegen, of hem voedsel of drinken te verstrekken. De neger stierf, en zijn lijk werd in de Cappewierie geworpen, waar het onbegraven bleef liggen. Een andere neger, die eenige dagen geschuild had, was door den negerofficier in den slaap verrast en gevangen genomen. Bij de daardoor tusschen hem en den bastiaan ontstane worsteling, had hij dezen laatste een wond aan den hals toegebragt. De directeur liet hem even als den vermoedelijken giftmenger straffen; hij bleef echter in het leven; dit bewijs van hardnekkigheid verdroot den directeur en op diens last werd hij geworgd. Diezelfde directeur had ook de gewoonte om, indien de slaven aan het touw, en dus zeer streng gestraft werden, hun een brandend hout voor den mond te houden, omdat zij, zoo gaf hij voor, hierdoor belet werden hunne tong door te slikken, en alzoo een einde aan hun leven te maken.379Het Hof, na kennis van deze zakente hebben genomen, liet de negers vermanen om: vooral hun meester gehoorzaam te zijn; deed den aanbrenger Darius, op verzoek van zijn meester, een Spaansche bok rondom Paramaribo geven envermaande den directeur om, indien in het vervolg door zijne slaven weder zulke grove misdaden als vergiftigingen werden begaan, hen aan de justitie over te geven en niet op eigene authoriteit te straffen.380

Crommelin, die jegens de slavenbevolking niet zoo slecht gezind was als menig ander in Suriname, begeerde verbetering in dien steeds ellendiger wordenden toestand te brengen. Bij gelegenheid dat er weder vele aanklagten over wreede behandeling jegens slaven bij het Hof inkwamen, sprak hij over de menigvuldigheid dier feiten, welke door het niet tegenwoordigzijn van blanken, die als getuigen konden dienen, meestal ongestraft bleven. Hij erkende wel dat er bij reglement boeten voor blanke bedienden waren bepaald, indien zij hunne bevoegdheid in het straffen der slaven te buiten gingen, maar hij merkte tevens aan, dat het moeijelijk was, deze overtredingen te bewijzen, en dat er daarenboven verscheidene leemten in die reglementen bestonden. Zoo behoorde volgens artikel 15: »80 matige zweepslagen” tot de ordinaire plantaadje-straffen, doch er was niet bij gespecifiëerd of die slagen los dan wel opgebonden mogten geappliceerd worden;—»en,” zegt Crommelin, »het is nogtans wel bekend, dat de slaven opgebonden en uitgerekt zijnde, wel met veel minder slagen worden doodgeslagen; dat ondertusschen dergelijke en quaade feyten, daagelijks meer en meer toenemen, en altoos geprexteerd werd (soo ’t al ter kennisse komt), dat de dood niet door de slagen en mishandelingen veroorzaakt, maar toevallig is gevolgd, en vermits de voorszemesures niet alleen voor de particuliere planters haar welweesen zeer nadeelig is, maar ook het gemeene welzijn, daardoor ten hoogste gelegen ligt, voornamelijk met opzigt van de dangereuse gevolgen die daaruyt moeten resulteren, door de slaven tot de uyterste disperatie te verwekken; dat ook zeer verschijdentlijk wordgeüseerdomtrent de slaven, die door ongeluk omkomen, of zig selfs om ’t leeven te brengen; bij welk laatste geval dikmaals zonder eenige formaliteyt maar de hoofden worden afgeschopt en op staken gezet.”

Crommelin stelde daarop voor om het bestaande reglement te ampliëren met de volgende artikels:

1o.»Dat een ieder, wie hij ook zij, eygenaar of bediende, in cas bevonden werd, dat hij zig schuldig gemaakt heeft, aan ’t om ’t leeven brengen van eenige slaaf, zal worden gestraft aan lijff of leeven, zoo als de gemeene regten medebrengen en nae Exigentie zal bevonden worden te behooren.”

2o.»Dat een ieder, (als bij art. 1 is omschreven) wanneer hem door een blanke of slaaf berigt wordt, dat een slaaf op buytengewoone wijze om ’t leeven was gekoomen, verpligt werde om zich bij zijn twee naaste buuren te vervoegen om methaar het doode ligchaam te inspecteeren, en van den staat waarin en de vermoedelijke oorzaak daarvan, zij zulks bevonden, eene geteekende verklaring af te leggen;”

»dat eerst hiernae het ligchaam mogt begraaven worden en dat tot het afhouwen van het hoofd, om dit op een staak ter exempel te stellen, eerst hiertoe verlof aan den fiscaal moest gevraagd worden, terwijl de buren, die op het verzoek weigerden te komen, beboet zouden worden voor de eerste keer met ƒ 500, de tweede keer het dubbele dier som,” enz.

3o. »Dat de straffen bij ’t 15deartikel van »het reglement voor de blanke bedienden,” de dato 21 December 1759, als ordinaire straffen gepermitteerd, egter niet anders zullen moogen geappliceerd worden, als los en liber, zonder den slaaff te mogen opbinden; ingeval egter zoodanige slaaff niet zoude willen staan, dezelve niet opgeheschen maar aan een paal gebonden, en dus gezweept worden.”

4o. »Dat, ingevalle door den meester off op deszelfs schriftelijke ordre, ingevolge voorzegd reglement eenige andere off meerdere straffen zouden moeten geoeffend worden omtrent de slaaven, zulks niet zal moogen geschieden dan in bijzijn van twee blanken, buyten dengeene die de straffen oefent, hetzij bedienden der plantaadje of buuren of andere: om indien er soms een ongeluk gebeurde te kunnen getuygen, enz.”381

Dit voorstel van Crommelin vond geen onverdeelden bijval. De heeren Raden, na hunne gedachten rijpelijk over dit voorstel te hebben laten gaan, verklaarden: »dat zy, zoowel als syn WelEdel Gestrenge overtuigt waaren van het misbruyk van veele bestierders, door het mishandelen der slaaven; dat er meede wel enkelde eygenaaren konden zyn, die soo boos van aard waaren, dat zy zig niet ontsagen tegen haar eigen kapitaal te woeden, ofschoon zy hun welweezen daarvan moesten hebben, dog dat egter van de laatste weynige soodaanige gedenatureerde lieden gevonden wierden, daar in tegendeel het getal der eerstgenoemden abundeerde, waardoor meest alle sessiën van den Hove, men genoodzaakt wasdusdaanige baldaadigheeden te straffen, maar aan den anderen kant” (hierop volgde de oude redenering over den hardnekkigen aard der slaven, die slechts »door vrees van swaare straffe,” tot hun pligt konden worden gebragt) »oordeelen zy dat, ofschoon een eigenaar zich nimmer het regt van leeven en dood over slaaven moet arrogeeren, het evenwel van de uyterste importantie is dat de slaaven niet uyt dat denkbeeld gebragt worden, dat hun meesters het Jus vite denecis hebben, en dat zy niet te beteugelen zouden zijn, indien haar bewust was dat haar meester over het doodslaan van een slaaff aan lijff of leven gestraft zou kunnen worden.”—De Raden verklaarden zich, na deze hier veel verkorte voorafspraak, tegen het eerste artikel; vermeenden, wat het tweede betreft, dat het getuigenis van een bediende genoegzaam ware, en dat de meester voor het stellen van het hoofd eens gestorven slaafs op eene staak, verlof aan den fiskaal moest vragen, indien de plantaadje digt bij de stad lag, doch anders met het geven van berigt hiervan kon volstaan. Het derde artikel werd goedgekeurd, doch het vierde vonden heeren Raden »seer impracticabel, terwijl men bij de castydinge van slaaven, soo altoos om geen blanken souden kunnen senden om present te syn, en dat ook daardoor de zoo noodige authoriteyt der blanken zoude worden gevilipendeerd, terwyl men de slaaven uyt een afkeer voor de ceremonieel en de difficulteyten om daaraan te voldoen, meerendeels ongestraft souden laaten, tot ruïn der plantagiën”—en zij rekenden, »dat het van seer gevaarlijke consequentiën souden syn, byaldien de slaaven ondervonden, dat men hun selfs niet van importantie castyden mogt als in presentie van getuygen.”—Na uitvoerige discussiën werd het voorstel van Crommelin gealtereerd naar de consideratiën der heeren Raden in een resolutie geconverteerd.382

De klagten over ongeregeldheden der talrijke huisslaven, enz. in Paramaribo werden dikwijls herhaald. Even als Mauricius, schreef Crommelin de voorname oorzaak hiervan toe aan de overtollige luxe, »het houden eener onnutte sleep van eenlegioen huisslaven.” Hij drong er zeer op aan dat de fatsoenlijke lieden zich, in plaats van door »swarte negers,” door »blanke livry-bedienden” lieten bedienen, daar men dan ook ligter het legioen huisslaven ontberen en dezen naar de plantaadjes kon zenden, waardoor de kolonie beter zou worden gebaat.383

Later werden eenige bepalingen daaromtrent gemaakt, maar deze vonden zooveel tegenstand, dat men genoodzaakt werd ze weder in te trekken. Voornamelijk kwamen de joden hier tegen op, die vermeenden hierdoor in hunne privilegiën verkort te worden.384

De zoo dikwijls door desociëteitgeëischte vermeerdering van blanke bedienden voor de plantaadjes, ten einde beter toezigt op de slaven te kunnen uitoefenen, werd gedurig onder allerlei voorwendsels uitgesteld.

De Raden wenschten dat desociëteiteenregimentmilitairen afdankte: »hierdoor toch,” vermeenden zij, »zouden de lasten der kolonisten worden verminderd en verscheidene dier afgedankte militairen zouden zich wel voor eene geringe som als blanke bedienden willen verbinden.”385

Niet slechts werden de slaven door hunne meesters vaak wreed behandeld, maar ook de straffen, hun door het Hof opgelegd, getuigden van dezelfde wreedheid.

De onmenschelijke straf, waarbij slaven in den haak werden opgehangen, werd ook, tijdens het bestuur van Crommelin, meermalen toegepast. Soms sloeg men hen den haak door de ribben, soms door het vel, en—alsof de vreeselijke pijnen, die de aldus gehangene leed, nog niet genoegzaam waren—werd de straf nog verzwaard door het nijpen met gloeijende tangen in de vleeschzige deelen van den tusschen hemel en aarde zwevende ongelukkige.386Het levend verbranden der slaven was zeer gewoon. Op verzoek der meesters vond die strafoefening dikwijls op de plantaadjes plaats.

En toch nam, niettegenstaande deze wreede straffen, het wegloopen der slaven toe. De tot hunne opsporing uitgezonden commando’s keerden doorgaans onverrigter zake terug. De vermetelheid der wegloopers vermeerderde, en de kassen werden uitgeput.387

Droevig en somber is het tafereel dat zich voor de oogen vertoont dergenen, die het waagt een blik te slaan in de officieele bescheiden der kolonie Suriname. De naakte werkelijkheid is vreeselijker dan de versierde verdichting. Geen romanschrijver zou het wagen, om zijnen lezers het verhaal der gruwelen te doen, hetgeen de geschiedschrijver—wil hij de waarheid getrouw zijn—verpligt is te leveren.

Als een kanker knaagde de worm der slavernij in Suriname aan ieder ontluikend spruitje, dat, bij behoorlijke verpleging, tot bloei en welvaart der kolonie had kunnen strekken.

Noch de voordeelen van een gunstigen koffij-oogst,388noch de stijgende prijs der andere stapel-producten,389noch de gelukkige afloop eener krijgstogt tegen de wegloopers van Para,390noch het zich weder vermeerderende crediet der kolonie bij de Amsterdamsche kooplieden vermogten Suriname tot wezenlijken bloei en welvaart brengen. Integendeel, die voordeelenvan het oogenblik, deden de oogen voor het meer en meer naderend verval de kolonie sluiten, en, onder Crommelins opvolger werd Suriname aan den rand des afgronds gebragt.

Crommelin verlangde naar rust; ruim 20 jaren had hij in de kolonie doorgebragt. In 1748 tot Commandeur benoemd, werd hij spoedig in strijd gewikkeld. Dat hij de partij van den door velen gehaten Gouverneur Mauricius koos, werd hem door vele der aanzienlijke inwoners zeer ten kwade geduid, en de haat tegen hem vermeerderde, toen hij eerst a. i. en later als werkelijk Gouverneur door zijne handelingen toonde, een »echtsociëteitsman” te zijn.

Eenige jaren, van 1756 tot 1760, gingen vrij kalm voorbij, maar na dien tijd werd de geest van tegenstand in de kolonie jegens desociëteiten den Gouverneur weder sterker. Die geest was door den hevigen strijd tegen Mauricius aangevuurd, doch, als natuurlijk gevolg van reactie, op uitputting was eene verdooving gevolgd, die de schijn van kalmte droeg, zonder er de wezenlijkheid van te bezitten. Er was alzoo weinig noodig om het slechts gesmoorde vuur der tweedragt weder in lichterlaaije vlam te doen opstijgen.

Sommige onstaatkundige maatregelen dersociëteiten de ijver van Crommelin om dezen, trots alle tegenstand, door te zetten, gaven het sein tot eene vernieuwde worsteling tusschen de Raden van Policie en andere ingezetenen, en den Gouverneur. Een tweede Duplessis, zekere heer Steenmeijer, trad als kampvechter voor de ware of vermeende regten der kolonisten op, en de Raden lieten zich door dezen man beheerschen391en, gelijk wij zagen, nieuwe tooneelen van twist en tweedragt vielen in en buiten de Raadkamers voor.

Het was dus niet te verwonderen dat Crommelin naar rust verlangde. In het begin van 1768 verzocht hij den Directeuren dersociëteitverlof tot het doen van eene reis naar Nederland. Dit verlof werd hem verleend, en den 22stenNovember 1768gaf hij het bewind over aan Jan Nepveu, die als Gouverneur a. i. werd aangesteld.

Crommelin bleef echter nog een vol jaar in de kolonie wonen, doch, hoewel tot het ambteloos leven teruggekeerd, scheen zijn wrevelig korzelig humeur eer toe dan af te nemen. Vooral ondervond zijn opvolger, Jan Nepveu, hiervan vele onaangename blijken.392

Nepveu was vroeger de vertrouwde vriend van Crommelin geweest, maar die vriendschap was sedert zeer verkoeld, waartoe verscheidene omstandigheden hadden bijgedragen. Vooralwerd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Verscheidene voorvallen lezen wij daarvan in het Journaal van Nepveu, als o. a.: dat zij het gouvernementshuis niet voor den nieuwen Gouverneur wilde ruimen393; dat zij bij zijne installatie »geen kopje zelfs wilde geven;”394dat zij »selfs weigerde water uit den regenbak te geven, de eerste ryze dat het sedert zes weken gevraagd werd”395; en meer dergelijke kleinigheden, die, wel is waar, nietig en onbeduidend zijn, doch een bewijs der onderlinge verhouding geven.

Terwijl Crommelin zich nog in de kolonie bevond, verzocht hij om zijn bepaald ontslag; ook dit verzoek werd hem toegestaan, en Nepveu den 5denFebruarij 1770 definitief in zijne plaats tot Gouverneur van Suriname benoemd en den 8stenMaart plegtig geïnstalleerd.396

Bij den maaltijd te dezer gelegenheid gegeven, had men 60 couverts in de bovenzaal; in eene andere twee tafels, ieder van 40, en beneden mede eene van 80 couverts, terwijl een afzonderlijke disch was aangericht voor de joodsche regenten, en daarenboven, buiten in een opgeslagen loods, van 150voet lang, eene voor de mindere bedienden dersociëteit, schippers der koopvaardij-vaartuigen en andere ingezetenen.

Aan goeden sier, aan overvloed van spijzen en dranken ontbrak het niet, en alles liep zonder eenige stoornis af. Eene illuminatie en een vuurwerk besloot het feest van dien dag.397

Den volgenden dag werd het feest voortgezet. Ten huize van Nepveu was eene groote receptie van dames, en des avonds bal op het gouvernementshuis.

Toen mevrouw Nepveu en de andere dames zich ter bijwoning van het bal naar het gouvernementshuis begaven, vormden zij eene luisterrijke optogt. De kapitein van het ter reede liggendoorlogsschipde Castor, Hoogwerf, en zijne officieren, die hiervan getuigen waren, verwonderden zich ten hoogste iets dergelijks in de West-Indië te ontmoeten, waarbij »de optooysels naar de smaak en de kostelijkheid van kleeding en juweelen” verre hunne verwachting overtrof398.

Den 16denMaart 1770 was Nepveu, op verzoek der regenten van de Hoogduitsche Israëlietische gemeente, bij de publieke gebeden in de synagoge tegenwoordig. De ingang der synagoge was versierd399.

In October van hetzelfde jaar werd Nepveu op der Joden Savane gehuldigd en vele ceremoniën en feesten hadden daarbij plaats400.

Indien men naar de feesten en partijen, die veel geld kostten401; indien men naar de te dien tijde heerschende pracht en overdaad den toestand van Suriname wilde beoordeelen, zou men tot het besluit komen, dat de kolonie toen eene buitengewone mate van bloei en welvaart genoot.

Er was nog meer dat dit deed vermoeden. De stad Paramaribo werd jaarlijks vergroot en uitgelegd, en toch stegen dehuurprijzen, er was bijna geen huis te verkrijgen402; het aantal paarden en rijtuigen »enkel uit luxe en pracht,” vermeerderde gestadig, zoodat eene verhoogde belasting hierop werd uitgeschreven403; op de plantaadjes werden groote kostbare gebouwen opgerigt, die zelfs de bewondering van vreemden opwekten404.

Dan al die weelde, al die overdaad, al die pracht was slechts schijn, waarachter een wijle het toenemend verval der kolonie verborgen werd gehouden,—en, terwijl »de weelde en overdaad de luyden het hoofd deed draaijen, niet weetende van hoogmoed op wat voet zij staan wilden,—bragt de luxerieuse wijze van leven te Paramaribo nog meer toe tot vermeerdering der onheilen dan alle andere verliezen.”405

De achteruitgang van Suriname was niet tegen te houden.

Er rustte geen zegen op het door afpersing van arme slaven verworven geld. Het werd roekeloos verspild, en Suriname’s ingezetenen stapelden dwaasheden op ongeregtigheden, en ongeregtigheden op dwaasheden, en bereidden alzoo zelven den ondergang voor. En ofschoon Nepveu een bekwaam en door ondervinding geleerd man was, kon hij echter den stroom van onspoed niet tegenhouden, waarin zoo vele kapitalen werden verzwolgen. Had het in zijne magt gestaan, hij had dit gedaan, want het ontbrak hem bij goeden wil en energie, ook niet aan de noodige kennis der kolonie.

Sedert 1734 toch had hij in Suriname vertoefd en was eerst, na alle rangen te hebben doorgeloopen, tot de hoogste waardigheid, die van Gouverneur, opgeklommen. Trouw en eerlijk in zijn handel en wandel had hij niet slechts zich de achting en het vertrouwen dersociëteitverworven, ook door andere belanghebbenden (de geldschieters, zie bladz.261) werden zijne verdiensten erkend, en zelfs was de oppositie, vroeger zoo levendig, tegen hem verminderd. Hoewel hij in belangrijke zaken pal stond, gaf hij in kleinigheden, waar hij dit vermogt, toe, en daardoor werd mede de verhouding tusschen Nepveu en de kolonisten van vriendschappelijker aard dan zij bij Mauricius en Crommelin geweest was.

Niets echter kon, zoo als wij vroeger aanmerkten, het naderend verval der kolonie stuiten; ook de bekwaamheid van Nepveu kon de onheilen niet afweren, die de Surinaamsche planters zich zelven berokkenden door hunne wreede behandeling der slaven, door hunne roekelooze verkwisting en door hun ligtvaardig gebruik maken van het voor een tijd weder vermeerderd crediet.

Deze ligtvaardigheid, die zulke nadeelige gevolgen had, zullen wij thans een weinig verder beschouwen.

Reeds in 1751 was er door het kantoor van Willem Gideon Deutz eene geldleening van een millioen gulden, onder verband der plantaadjes, met de Surinaamsche kolonisten aangegaan; (zie bladz.233–236) vele kunstenarijen en bedriegelijke opgaven, die daarbij gepleegd waren, kwamen in 1765 en 1766 aan het licht toen door de opvolgers van Deutz (Marselis) eenige der verhypothekeerde plantaadjes onder sequestratie werden gebragt of verkocht. Het crediet in de Surinaamsche planters werd hierdoor zeer geschokt, en het kostte veel moeite om een ander Amsterdamsch handelshuis, dat van den heer van de Poll, te bewegen op nieuw een millioen gulden à 6 percent voor te schieten, (zie bladz.261–62).

Sedert waren de omstandigheden in Suriname niet verbeterd. De kolonisten toch waren op dezelfde wijze voortgegaan om hunne slaven door wreede behandeling tot wegloopen te brengen, tot bloedigewraaknemingop te zetten, en om aan denanderen kant hunne wankelende fortuinen door weelde en overdaad te verspillen. Dit alles moest, zou men zeggen, genoegzaam geweest zijn om de Hollandsche kooplieden af te schrikken verdere geldleeningen ten behoeve van Suriname te sluiten, maar er was ter dien tijd overvloed van geld in Holland en men wilde geld uitzetten. En nu dacht men—men denkt zoo gaarne hetgeen men wenscht—dat de Surinaamsche planters door degeregtelijkevervolgingen, op last der Amsterdamsche handelshuizen geschied, geleerd zouden hebben niet zoo ligtvaardig te handelen en beter orde op hunne zaken te stellen. En toen eene togt tegen de wegloopers met nog al gunstige gevolgen was bekroond, die echter zeer vergroot in Holland werden voorgesteld; toen een voordeeligekoffijoogsttwee jaren achter elkander plaats vond en daarbij een goeden prijs voor de andere stapel-producten te bedingen was, toen werd het vertrouwen der Hollandsche kooplieden in Surinaamsche planters verlevendigd.

In 1769 en in het begin van 1770 hoorde men in de kolonie bijna van niets dan van verschillende plannen om geld aan de planters voor te schieten. »Het was als of de gouden eeuw wederom voor de kolonie geopend ware;” merken de schrijvers der Historische Proeve aan406, »de rampen van den voorgaanden oorlog, de tegenspoeden, zelfs de vijandelijkheden der Marrons, alles werd, in een woord, vergeten, en de kolonisten, dronken van ingebeelden voorspoed, rekenden zich reeds de gelukkigste van geheel Amerika.”

Verscheidene der fondsen echter, die men in Holland voor Suriname bestemd had, waren noch op goede beginselen, noch op vaste en duurzame verzekeringen gevestigd. Het had bij eenig nadenken achterdocht moeten verwekken, dat sommige agenten van Hollandsche kantoren zoo kwistig met de aanbieding van geld te werk gingen.

In de meeste straten van Paramaribo toch vond men agenten,vanprocuratiënvoorzien, om den eerstkomende geld op renten aan te bieden. Het gegronde vermoeden, dat deze agenten, die bij provisie eenige percenten van de te leveren gelden ontvingen, in de eerste plaats hun eigen voordeel beoogden, kwam niet in aanmerking. Suriname’s ingezetenen waren verblind en verbijsterd door het voorgespiegeld geluk.En deze verblinding en verbijstering deelden zich aan alle klassen der maatschappij mede. Sommige aanzienlijken wenschten hunne bezittingen tot den hoogsten prijs te verkoopen: om zich daarvoor andere, beter gelegene, aan te schaffen; anderen wilden het aantal hunner effecten vermeerderen, en personen, die naauwelijks het noodige tot hun eigen levensonderhoud bezaten, werden begeerig om eigenaars van plantaadjes, grondbezitters, dat zoo deftig klonk en zoo veel aanzien gaf, te worden.

Deze laatsten vooral werden hiertoe bewogen door zekeren La Croix, agent van het kantoor van Schouten en Valens. Deze La Croix, »de doortrapste van alle agenten,”407had onbepaalde orders om over geld te beschikken. »Toen wilde alle man, Christen, Jood, handwerksman, ja, zelfs schoenmakers, die geen stuiver in de wereld had om ’t noodige leer tot zijn ambacht te koopen, planter worden; en mijnheer de agent maakte met een enkele pennestreek veel rasser landbouwers en planters, dan eertijds Pyrrha menschen wist te maken, door het werpen van steenen; zoodat men van niets anders hoorde dan van koopen en verkoopen, en geduriglijk, dat schoenmakers, losbollen, slagers en dergelijk slag van lieden, groote hanzen wierden; waarvan ’t gevolg was, dat verkwisting, overdadige geldverspilling en toomeloozeweelde inde kolonie aan de orde van den dag werden.”408

Om over groote sommen te kunnen beschikken, werden de ongeoorloofdste middelen gebezigd. Omgekochte priseurs schatten de plantaadjes drie à viermaal boven de waarde; reeds verhypothekeerde effecten werden, als vrij en onbelast, meer dan ééns verkocht, enz. enz. Verscheidene malen werden door hetHof tegen deze handelwijze placaten uitgevaardigd, en nu en dan schelmachtige priseurs, enz. gestraft409, doch ook deze maatregelen baatten niet genoegzaam om »de kwade practijken” te beletten.

De onnatuurlijke toestand, waarin Suriname nu verkeerde, kon niet lang blijven bestaan; ook dat uiterlijk voorkomen, die schijn van geluk, had weldra een einde.

De koopers van plantaadjes, die geld van soliede kantoren hadden opgenomen, ontvingen op behoorlijken tijd betaling hunner getrokken wissels, maar om van de opbrengst hunner effecten de interesten en aflossingen der opgenomen kapitalen te doen, viel hen weldra te zwaar; want, in den regel hadden zij hunne plantaadjes veel te duur gekocht, en de geringste tegenstand, een minder voordeelige oogst410, de verhoogde prijs der slaven411, maakten het hun onmogelijk, hunne verpligtingenna te komen en hunne goederen gingen over in de handen der geldschieters, die er echter dadelijk aanzienlijk bij verloren.

Anderen, en hieronder verscheiden »nieuwbakken planters,” die op agenten als La Croix vertrouwd en wissels, op order dier agenten, op hunne correspondenten hadden afgegeven, en zij, die deze wissels hadden geëndosseerd, ondervonden de gevolgen van hunne ligtvaardige en onvoorzigtige handelwijze. Bijna al die wissels kwamen met protest terug. Alleen in de voorjaarszitting van het Hof van Civiele Justitie was het getal der behandelde zaken, door deze fatale wissel-protesteering, tot 240 aangegroeid; anders bedroeg het slechts 60 à 80.412

In hetzelfde Hof hadden toen verscheidene pleitgedingen plaats over de kwestie: of de mandatarissen van de geldschieters in hun privé aansprakelijk waren voor de met protest geretourneerde wisselbrieven, door hen q.q. geëndosseerd.413

Het Hof besliste in een tegenovergestelden zin. De eisch, om op de mandatarissen de geleden schade te verhalen, werd ontzegd en de eischers gecondamneerd in de kosten van het proces.414

Zoo werd dan de kolonie Suriname in korten tijd beladen met eene schuld van 50 millioen gulden aan Hollandsche kooplieden.415Geregtelijke verkoopingen van de verhypothekeerde plantaadjes, geregtelijke vervolgingen van hen, die hunne geldelijke verpligtingen niet konden nakomen, deden velen uit den zoeten droom van ingebeelden rijkdom ontwaken.

Het Hof van Civiele Justitie kon bijna alle hangende zaken niet beregten en de exploiteur werd overstelpt met werkzaamheden, om de geslagen vonnissen ten uitvoer te leggen.

Daarbij liet het kantoor van den exploiteur veel te wenschen over. Een jong mensch, van Rees, door Crommelin, tegen denzin van Raden, tot deze belangrijke betrekking benoemd, had veel verwarring veroorzaakt, en was eindelijk uit de kolonie gevlugt, een groot deficit in de kas achterlatende.416Er was een ander aangesteld en Nepveu had hier veel verbetering aangebragt. Het tractement van den eersten exploiteur was van ƒ 2000 tot ƒ 4000 verhoogd, dat van den eersten substituut van ƒ 500 tot ƒ 1000, van den tweede tot ƒ 800 en van den derde tot ƒ 600, terwijl de emolumenten werden verminderd.417Maar niettegenstaande deze verbetering en de betere salarissen der substituten waren de te doene exploiten zoo menigvuldig, dat hun getal op nieuw moest vermeerderd worden. Bij resolutie van het Hof van Policie werd den exploiteur tot assistentie een vierde substituut, op een tractement van ƒ 600, gegeven en hem vrijheid verleend, om op eigen kosten, een vijfde aan te stellen.418

Eene belangrijke bijdrage tot de kennis van den ellendigen toestand van Suriname bevat het verhandelde in de zittingen van 6 Augustus 1773 en 22 Feb. 1774 van het Hof van Policie. In de eerstgenoemde zitting werd door Nepveu een verzoekschrift ter tafel gebragt door 36 ingezetenen onderteekend. Deze ingezetenen beklaagden zich daarin over »de dagelijks toenemende vervolgingen en executiën door den eenen burger tegen den andere geëxtimeerd, zoo voor zich zelven, of door kwalificatie van buitenlandsche personen, tot erlanging van de eene of andere pretentie, en dat alles met zoodanig rigeur, dat het droeve geval zal komen,” merken zij aan, »dat de meeste ingezetenen van hunne bezittingen en middelen van bestaan zullen worden beroofd, daar de goederen en effecten alle zeer ver beneden hunne waarde worden verkocht, terwijl de opbrengst nog daarenboven door de hooge kosten der regtspleging419enz. worden geabsorbeerd en er alzoo algemeene armoede te wachten is.” De rekwestranten schreven de oorzaak van een en ander voornamelijk toe: aan het bedriegelijk aanbod van een, hierachter blijkend imaginair, crediet, door sommige lieden uit den vaderlande alhier gedaan, waarvan vele ingezetenen, door een al te ligtvaardig betrouwen en aanlokking, in de hoop om daardoor tot beter fortuin te zullen geraken, ongelukkig gebruik hebben gemaakt, en langs welken weg alhier in de kolonie meer dan4 millioen guldenaan wisselbrieven zijn getraceert en uitgegeven, die allen met protest geretourneerd, met denexorbetanten herwissel van 25 pCt., alzoo een millioenbedroegen, waarvoor geen de allerminste waarde was genoten, hetgeen alleen teweegbragt, dat de ongelukkige trekkers en de nog ongelukkiger endosseurs geheel en al werden geruïneerd. Verder gewaagden de adressanten: over de verzwaring der moeijelijkheden door het wegloopen der slaven veroorzaakt; over de drukkende belastingen en ten slotte over de »onlangs in het vaderland voorgevallen considerabele faillissementen, waardoor de hoop op verdere hulp van daar verdwijnt,” terwijl daarenboven nog eene aanmerkelijke daling in de koloniale producten was gekomen, zoo gaven zij hunne vrees te kennen, dat velen in een jammerlijken poel van ellende zullen worden gedompeld en »aan alle ingezetenen zal worden vervuld de vloek der Jodenoud en armte zijn,” waarna zij den Gouverneur verzoeken: om, in overleg met het Hof, maatregelen tot herstel te beramen.

Bij de beraadslagingen over genoemd adres moesten én Gouverneur én Raden wel erkennen, dat de toestand van Suriname’s ingezetenen er naar waarheid in geschetst was, doch zij wisten geene middelen te bedenken, waardoor deze kon worden verbeterd. De adressanten schenen in hun geschrift o. a. eene schorsing der geregtelijkeexecutiënte bedoelen—maar hiertoe konde het Hof toch niet overgaan, daar HH. M. dato 8 Junij 1740 een besluit hadden uitgevaardigd, waarbij het verleenen eener generale surcheance verboden werd.420Daar het Hof echter den schijn niet op zich wilde laden, dat het onverschillig was omtrent de belangen der ingezetenen, besloot het, om den adressanten uit te noodigen zelve een plan ter verbetering te ontwerpen en aan het Hof over te leggen.421

De adressanten voldeden aan deze uitnooding en de zitting van het Hof van 22 Februarij 1774 werd voornamelijk aan het bespreken van dat plan gewijd. In het belangrijke door dezelfde personen overgelegd, daartoe behoorend, geschrift werden eerst de oorzaken medegedeeld waardoor de geldcrisis was ontstaan, als:

1o. gebrek aan circulerend medium;

2o. gebrek aan solied buitenlandsch crediet; en

3o. de onevenredig te zware en drukkende belastingen.

Bij ieder punt gaven zij de door hen goedgedachte middelen tot herstel op en deden die van eene toelichting vergezeld gaan.

Ter voorziening in het eerst opgenoemde: gebrek aan circulerend medium, stelden zij het volgende voor:

a.het maken van nog een millioen kaartengeld;

b.het betalen met dit millioen kaartengeld van alle gelden, die ’s lands kas aan particulieren schuldig was, als: de slaven voor het vrijcorps gekocht;422de huur der slaven, die aan de forten arbeidden enz. enz.;

c.het op hypotheek of goede obligatiën stellen van het in kas verblijvende kaartengeld voor 3 à 4 jaren.

Om middelen ter opbeuring van solied buitenlandsch crediet aan te geven, veroorloofden zij zich vooraf de inwoners, op het papier, in vier klassen te verdeelen:

1o. degenen, die rijk en vermogend waren;

2o. degenen, die hunne effecten niet hooger dan de helft der werkelijke waarde belast hadden;

3o. degenen, die hunne effecten voor meer dan ⅝ hadden verhypothekeerd, doch echter nog beneden de werkelijke waarde;

4o. die meer schuldig waren dan de geheele waarde hunner goederen bedroeg.

De ingezetenen, die tot de beide eerste klassen behoorden, behoefden, zoo vermeenden de adressanten, geene hulp; slechts door totale ruïne der beide laatst genoemden, waardoor zij genoodzaakt zouden worden alle lasten te dragen en voortdurend slecht bestuur hunner zaken, konden zij hulpbehoevend worden. De adressanten wenschten voornamelijk de aandacht te vestigen op de derde klasse, waarvoor nog herstel mogelijk was, en stelden daartoe het volgende voor:

a.De oprigting van een collegie van notabele personen, waaraan de bedoelde lieden zich in de eerste plaats moesten wenden, en waaraan zij opening van zaken en verder alle noodige inlichtingen moesten geven, enz. enz.

Dit collegie moest dan de bevoegdheid worden verleend en den pligt opgelegd om behoorlijke inzage te nemen van alles wat het nog overig vermogen en de verdere zaken betrof van dengene, die zich tot hetzelve wendde, en van hare bevinding een gemotiveerd schriftelijk bewijs afgeven.

Met overlegging van dat bewijs konde men zich dan, per rekwest, tot den Gouverneur vervoegen ter bekoming van brieven van respijt voor twee, drie of meer jaren, en de Gouverneur moest dan de magt worden gegeven om die al of niet te verleenen, volgens advies van het collegie. Werden de zaken dier lieden niet in orde bevonden dan moesten zij worden overgebragt in de vierde klasse, waartoe zij behoorden, en die reeds alle hoop op herstel hadden opgegeven. Voor dezen, oordeeldenadressanten, was weinig te doen; zij stelden alleen voor, ten hunnen opzigte te bepalen, dat deze lieden alles aan hunne crediteuren moesten overgeven en trachten met hen een accoord te sluiten, ten einde van verdere vervolging bevrijd te blijven en niet genoodzaakt te moeten worden de kolonie te verlaten, opdat deze alzoo niet van het noodig aantal blanken zou beroofd worden. Deze lieden konden dan in ondergeschikte betrekkingen hun brood verdienen en zoo den lande nuttig zijn.

b.Het maken van strenge bepalingen tegen den woeker, die zoo onbeschaamd werd bedreven, en hier onder te begrijpen de woeker, die onder den naam van »wissel op tijd” plaats vond.

Ter wegneming der door adressanten in de derde plaats genoemde onevenredigheid der te zware en drukkende belastingen, werd door hen voorgesteld:

a.opheffing der belasting van het hoofdgeld aan de kas tegen de wegloopers, daar deze belasting het meest op de planters drukte, en daarvoor in plaatst te stellen:

b.eene belasting van de 40steof 80stepenning op colloteraal, verkooping van onroerende goederen, enz; en

c.eene belasting van 4 pCt. op de winst der door Hollandsche of Engelsche schippers verkochte goederen.

Nadat dit uitvoerig plan door eene commissie uit het Hof onderzocht was, volgden er belangrijke discussiën. Algemeen was men echter van oordeel, dat van de door de adressanten voorgestelde maatregelen tot voorziening en herstel slechts konden worden overgenomen:


Back to IndexNext