Den 28stenFebruarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof558.Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in1763, reeds gunstig onderscheiden559. In 1764 tot 2denRaad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12denNovember van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming560.Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.De strijd met de wegloopers heettegeëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,—doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Hetcorps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten561. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven562.De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten563. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug564.Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen565. De Aucaners verklaarden:»dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden566”. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen”, echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken”. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand567.»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen”, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten.Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er zijnen zegen toe.” Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten568. De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. Dedesertiënnamen zeer toe569.»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.” Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder ’t vee, maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.”570Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.571Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republieknog onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,” wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.572Na hun vertrekkruistende Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte dan ookveleAmerikaansche schepen buit.573In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden.” »De menschen schreeuwen enlamenteerenom brood, dat er bijna niet te krijgen is, en ’t weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.”574De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit deSociëteits-bakkerijmogt worden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood …!” Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, ’s wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisiezoudenbinnenkomen575. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21stenMaart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.Den 6denMaart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van ’s landsoorlogsschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen,onmiddellijknaar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijkegebeurteniste geven576.Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minderonmiddellijkin betrokken werd.Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.Na het vertrek deroorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met ’s lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken577. Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien578. Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen579; het kwam den 9denMei voor Paramaribo ten anker580; doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefdeslechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao581, maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4denFebruarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij rieponmiddellijkhet Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en deroorlogsschepen.Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt582. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden583. Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen.Onmiddellijkwerd er ook een begin gemaakt, om het fortNieuwAmsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet584.Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn585.Reeds den 9denMaart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboersenacht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over586. Bij trommelslag werd bekendgemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ 100.— handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins587.De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche enSaramaccaanscheboschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute geplaatst588.Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen589. Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19denMaart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden”590.Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarinofficieelemededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen591; hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen592. De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding”, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt593.Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen veroverdwas en, dat Curaçao door hen werd bedreigd594. Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd595.Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven596; eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo597.In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen598; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden599.Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt600; de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijandenverschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen601.In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd602.Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat demogelijkekans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien603.Na de overgave der naburigekoloniënaan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigenontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij »het getal eters” te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldatengeëngageerd604. Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot diekoloniëngemakkelijk zoukunnenveroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.605De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen606. In Julij was het werk, niettegenstaandede genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden607.In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.608Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.609Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk deSociëteits-kostgrond, Voorburg inordebrengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen toestand.”610Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.611Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.612Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor deSociëteitwillen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ 75.613Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch dekosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.614Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ 3000.— erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.615De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,—doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.616De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd” zijn geworden—maarbij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24stenDecember 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25stenNovember St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek vanRodneynog niet betaald, doch latergeïncasseerdwaren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingenonmiddellijkrestitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.617Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22stenJanuarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig tehebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.618Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31stenJanuarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren619; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6denMaart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.620Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3denOctober 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.621Den 28stenderzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30stenOctober arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen,” dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.622De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.623Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op deoorlogsschepenwas bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.Den 3denApril 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimentijd, een Hollandsch schip ter anker voorParamaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geendepêchesvoor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en,bijgebrek aangeneesmiddelenen ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan.”624Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2denMei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverseammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ 15 recognitie voor ieder slaaf.625Eindelijk, den 10denJunij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.626Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14denSeptember 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.627Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt628, zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd” werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers,die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent,” dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.629De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)630was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline;»er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;” zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.”631In overleg met de kapiteins deroorlogsschepenwerd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.Den 26stenOctober 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door deoorlogsschepende Thetis en de Valk.632Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming deroorlogsschepenberoofd zijn geweest, zoo niet ’s landsoorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4denOctober 1782 voor Paramaribo was gekomen.633Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch overceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoekvan Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.634Van Raders verliet den 3denMaart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:635doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandschoorlogsschip, (den 16denFebruarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.636Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21stenAugustus ontving Texier deofficieelemededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs,denheer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,637welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.638Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor deSociëteiten voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst derSociëteiten die der door HH. MM. gezondenoorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.639Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.640Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.” De talrijkheid der tot de Christelijkereligieovergaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met deRaden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.”641Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar deLutherschekerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren.”Hij liet daarop denLutherschenpredikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag ’s morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; ’s middags in de Luthersche kerk, en ’s avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, alsrecrutenin Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend,waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement” eene gratificatie van ƒ 400.642Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heerRaadFiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.643De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.De oprigting van het CollegiumMedicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6denDecember1778en den 18denMei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijkediscussiëngevoerd; den 8stenAugustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21stenFebruarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen enwerd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.644Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.” Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.645De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was,gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden646; den 18denSeptember 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvanhijniet weder opstond; den 25stenSeptember des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van57jaren, 1 maand en 7 dagen.Voor zoo ver wij uit deofficieeleen andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels vanhetbewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch—als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd—drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind647.Den volgenden dag, den 26stenSeptember 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.”Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hofen den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene” de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur648.De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren” en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.”Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof—om het niet geheel ongestraft te laten—bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen649.Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken650.Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijnenieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefdeom door onderling overleg met de ingezetenengewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen651.Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ 250.— te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden652. Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschietersslechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H. H. M. toegezonden653.In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring654. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was, ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan ’s lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in ’s lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781–83 eene som van ƒ 40,772.19655.
Den 28stenFebruarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof558.Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in1763, reeds gunstig onderscheiden559. In 1764 tot 2denRaad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12denNovember van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming560.Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.De strijd met de wegloopers heettegeëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,—doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Hetcorps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten561. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven562.De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten563. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug564.Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen565. De Aucaners verklaarden:»dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden566”. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen”, echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken”. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand567.»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen”, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten.Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er zijnen zegen toe.” Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten568. De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. Dedesertiënnamen zeer toe569.»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.” Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder ’t vee, maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.”570Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.571Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republieknog onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,” wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.572Na hun vertrekkruistende Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte dan ookveleAmerikaansche schepen buit.573In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden.” »De menschen schreeuwen enlamenteerenom brood, dat er bijna niet te krijgen is, en ’t weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.”574De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit deSociëteits-bakkerijmogt worden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood …!” Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, ’s wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisiezoudenbinnenkomen575. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21stenMaart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.Den 6denMaart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van ’s landsoorlogsschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen,onmiddellijknaar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijkegebeurteniste geven576.Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minderonmiddellijkin betrokken werd.Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.Na het vertrek deroorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met ’s lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken577. Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien578. Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen579; het kwam den 9denMei voor Paramaribo ten anker580; doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefdeslechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao581, maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4denFebruarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij rieponmiddellijkhet Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en deroorlogsschepen.Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt582. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden583. Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen.Onmiddellijkwerd er ook een begin gemaakt, om het fortNieuwAmsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet584.Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn585.Reeds den 9denMaart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboersenacht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over586. Bij trommelslag werd bekendgemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ 100.— handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins587.De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche enSaramaccaanscheboschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute geplaatst588.Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen589. Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19denMaart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden”590.Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarinofficieelemededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen591; hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen592. De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding”, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt593.Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen veroverdwas en, dat Curaçao door hen werd bedreigd594. Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd595.Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven596; eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo597.In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen598; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden599.Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt600; de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijandenverschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen601.In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd602.Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat demogelijkekans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien603.Na de overgave der naburigekoloniënaan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigenontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij »het getal eters” te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldatengeëngageerd604. Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot diekoloniëngemakkelijk zoukunnenveroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.605De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen606. In Julij was het werk, niettegenstaandede genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden607.In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.608Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.609Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk deSociëteits-kostgrond, Voorburg inordebrengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen toestand.”610Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.611Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.612Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor deSociëteitwillen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ 75.613Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch dekosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.614Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ 3000.— erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.615De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,—doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.616De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd” zijn geworden—maarbij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24stenDecember 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25stenNovember St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek vanRodneynog niet betaald, doch latergeïncasseerdwaren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingenonmiddellijkrestitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.617Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22stenJanuarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig tehebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.618Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31stenJanuarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren619; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6denMaart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.620Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3denOctober 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.621Den 28stenderzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30stenOctober arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen,” dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.622De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.623Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op deoorlogsschepenwas bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.Den 3denApril 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimentijd, een Hollandsch schip ter anker voorParamaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geendepêchesvoor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en,bijgebrek aangeneesmiddelenen ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan.”624Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2denMei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverseammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ 15 recognitie voor ieder slaaf.625Eindelijk, den 10denJunij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.626Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14denSeptember 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.627Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt628, zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd” werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers,die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent,” dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.629De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)630was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline;»er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;” zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.”631In overleg met de kapiteins deroorlogsschepenwerd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.Den 26stenOctober 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door deoorlogsschepende Thetis en de Valk.632Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming deroorlogsschepenberoofd zijn geweest, zoo niet ’s landsoorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4denOctober 1782 voor Paramaribo was gekomen.633Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch overceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoekvan Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.634Van Raders verliet den 3denMaart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:635doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandschoorlogsschip, (den 16denFebruarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.636Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21stenAugustus ontving Texier deofficieelemededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs,denheer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,637welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.638Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor deSociëteiten voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst derSociëteiten die der door HH. MM. gezondenoorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.639Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.640Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.” De talrijkheid der tot de Christelijkereligieovergaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met deRaden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.”641Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar deLutherschekerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren.”Hij liet daarop denLutherschenpredikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag ’s morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; ’s middags in de Luthersche kerk, en ’s avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, alsrecrutenin Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend,waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement” eene gratificatie van ƒ 400.642Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heerRaadFiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.643De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.De oprigting van het CollegiumMedicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6denDecember1778en den 18denMei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijkediscussiëngevoerd; den 8stenAugustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21stenFebruarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen enwerd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.644Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.” Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.645De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was,gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden646; den 18denSeptember 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvanhijniet weder opstond; den 25stenSeptember des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van57jaren, 1 maand en 7 dagen.Voor zoo ver wij uit deofficieeleen andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels vanhetbewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch—als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd—drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind647.Den volgenden dag, den 26stenSeptember 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.”Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hofen den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene” de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur648.De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren” en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.”Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof—om het niet geheel ongestraft te laten—bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen649.Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken650.Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijnenieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefdeom door onderling overleg met de ingezetenengewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen651.Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ 250.— te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden652. Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschietersslechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H. H. M. toegezonden653.In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring654. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was, ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan ’s lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in ’s lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781–83 eene som van ƒ 40,772.19655.
Den 28stenFebruarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof558.Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in1763, reeds gunstig onderscheiden559. In 1764 tot 2denRaad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12denNovember van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming560.Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.De strijd met de wegloopers heettegeëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,—doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Hetcorps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten561. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven562.De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten563. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug564.Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen565. De Aucaners verklaarden:»dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden566”. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen”, echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken”. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand567.»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen”, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten.Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er zijnen zegen toe.” Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten568. De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. Dedesertiënnamen zeer toe569.»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.” Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder ’t vee, maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.”570Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.571Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republieknog onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,” wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.572Na hun vertrekkruistende Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte dan ookveleAmerikaansche schepen buit.573In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden.” »De menschen schreeuwen enlamenteerenom brood, dat er bijna niet te krijgen is, en ’t weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.”574De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit deSociëteits-bakkerijmogt worden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood …!” Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, ’s wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisiezoudenbinnenkomen575. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21stenMaart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.Den 6denMaart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van ’s landsoorlogsschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen,onmiddellijknaar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijkegebeurteniste geven576.Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minderonmiddellijkin betrokken werd.Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.Na het vertrek deroorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met ’s lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken577. Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien578. Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen579; het kwam den 9denMei voor Paramaribo ten anker580; doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefdeslechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao581, maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4denFebruarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij rieponmiddellijkhet Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en deroorlogsschepen.Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt582. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden583. Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen.Onmiddellijkwerd er ook een begin gemaakt, om het fortNieuwAmsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet584.Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn585.Reeds den 9denMaart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboersenacht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over586. Bij trommelslag werd bekendgemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ 100.— handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins587.De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche enSaramaccaanscheboschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute geplaatst588.Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen589. Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19denMaart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden”590.Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarinofficieelemededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen591; hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen592. De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding”, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt593.Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen veroverdwas en, dat Curaçao door hen werd bedreigd594. Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd595.Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven596; eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo597.In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen598; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden599.Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt600; de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijandenverschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen601.In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd602.Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat demogelijkekans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien603.Na de overgave der naburigekoloniënaan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigenontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij »het getal eters” te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldatengeëngageerd604. Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot diekoloniëngemakkelijk zoukunnenveroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.605De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen606. In Julij was het werk, niettegenstaandede genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden607.In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.608Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.609Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk deSociëteits-kostgrond, Voorburg inordebrengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen toestand.”610Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.611Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.612Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor deSociëteitwillen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ 75.613Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch dekosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.614Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ 3000.— erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.615De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,—doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.616De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd” zijn geworden—maarbij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24stenDecember 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25stenNovember St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek vanRodneynog niet betaald, doch latergeïncasseerdwaren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingenonmiddellijkrestitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.617Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22stenJanuarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig tehebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.618Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31stenJanuarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren619; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6denMaart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.620Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3denOctober 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.621Den 28stenderzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30stenOctober arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen,” dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.622De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.623Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op deoorlogsschepenwas bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.Den 3denApril 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimentijd, een Hollandsch schip ter anker voorParamaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geendepêchesvoor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en,bijgebrek aangeneesmiddelenen ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan.”624Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2denMei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverseammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ 15 recognitie voor ieder slaaf.625Eindelijk, den 10denJunij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.626Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14denSeptember 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.627Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt628, zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd” werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers,die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent,” dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.629De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)630was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline;»er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;” zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.”631In overleg met de kapiteins deroorlogsschepenwerd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.Den 26stenOctober 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door deoorlogsschepende Thetis en de Valk.632Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming deroorlogsschepenberoofd zijn geweest, zoo niet ’s landsoorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4denOctober 1782 voor Paramaribo was gekomen.633Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch overceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoekvan Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.634Van Raders verliet den 3denMaart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:635doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandschoorlogsschip, (den 16denFebruarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.636Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21stenAugustus ontving Texier deofficieelemededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs,denheer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,637welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.638Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor deSociëteiten voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst derSociëteiten die der door HH. MM. gezondenoorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.639Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.640Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.” De talrijkheid der tot de Christelijkereligieovergaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met deRaden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.”641Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar deLutherschekerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren.”Hij liet daarop denLutherschenpredikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag ’s morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; ’s middags in de Luthersche kerk, en ’s avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, alsrecrutenin Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend,waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement” eene gratificatie van ƒ 400.642Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heerRaadFiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.643De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.De oprigting van het CollegiumMedicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6denDecember1778en den 18denMei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijkediscussiëngevoerd; den 8stenAugustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21stenFebruarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen enwerd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.644Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.” Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.645De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was,gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden646; den 18denSeptember 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvanhijniet weder opstond; den 25stenSeptember des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van57jaren, 1 maand en 7 dagen.Voor zoo ver wij uit deofficieeleen andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels vanhetbewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch—als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd—drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind647.Den volgenden dag, den 26stenSeptember 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.”Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hofen den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene” de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur648.De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren” en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.”Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof—om het niet geheel ongestraft te laten—bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen649.Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken650.Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijnenieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefdeom door onderling overleg met de ingezetenengewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen651.Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ 250.— te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden652. Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschietersslechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H. H. M. toegezonden653.In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring654. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was, ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan ’s lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in ’s lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781–83 eene som van ƒ 40,772.19655.
Den 28stenFebruarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof558.Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in1763, reeds gunstig onderscheiden559. In 1764 tot 2denRaad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12denNovember van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming560.Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.De strijd met de wegloopers heettegeëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,—doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Hetcorps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten561. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven562.De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten563. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug564.Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen565. De Aucaners verklaarden:»dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden566”. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen”, echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken”. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand567.»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen”, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten.Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er zijnen zegen toe.” Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten568. De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. Dedesertiënnamen zeer toe569.»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.” Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder ’t vee, maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.”570Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.571Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republieknog onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,” wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.572Na hun vertrekkruistende Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte dan ookveleAmerikaansche schepen buit.573In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden.” »De menschen schreeuwen enlamenteerenom brood, dat er bijna niet te krijgen is, en ’t weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.”574De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit deSociëteits-bakkerijmogt worden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood …!” Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, ’s wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisiezoudenbinnenkomen575. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21stenMaart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.Den 6denMaart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van ’s landsoorlogsschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen,onmiddellijknaar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijkegebeurteniste geven576.Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minderonmiddellijkin betrokken werd.Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.Na het vertrek deroorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met ’s lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken577. Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien578. Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen579; het kwam den 9denMei voor Paramaribo ten anker580; doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefdeslechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao581, maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4denFebruarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij rieponmiddellijkhet Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en deroorlogsschepen.Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt582. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden583. Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen.Onmiddellijkwerd er ook een begin gemaakt, om het fortNieuwAmsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet584.Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn585.Reeds den 9denMaart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboersenacht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over586. Bij trommelslag werd bekendgemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ 100.— handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins587.De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche enSaramaccaanscheboschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute geplaatst588.Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen589. Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19denMaart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden”590.Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarinofficieelemededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen591; hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen592. De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding”, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt593.Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen veroverdwas en, dat Curaçao door hen werd bedreigd594. Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd595.Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven596; eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo597.In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen598; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden599.Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt600; de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijandenverschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen601.In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd602.Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat demogelijkekans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien603.Na de overgave der naburigekoloniënaan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigenontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij »het getal eters” te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldatengeëngageerd604. Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot diekoloniëngemakkelijk zoukunnenveroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.605De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen606. In Julij was het werk, niettegenstaandede genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden607.In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.608Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.609Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk deSociëteits-kostgrond, Voorburg inordebrengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen toestand.”610Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.611Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.612Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor deSociëteitwillen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ 75.613Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch dekosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.614Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ 3000.— erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.615De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,—doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.616De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd” zijn geworden—maarbij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24stenDecember 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25stenNovember St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek vanRodneynog niet betaald, doch latergeïncasseerdwaren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingenonmiddellijkrestitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.617Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22stenJanuarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig tehebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.618Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31stenJanuarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren619; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6denMaart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.620Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3denOctober 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.621Den 28stenderzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30stenOctober arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen,” dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.622De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.623Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op deoorlogsschepenwas bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.Den 3denApril 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimentijd, een Hollandsch schip ter anker voorParamaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geendepêchesvoor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en,bijgebrek aangeneesmiddelenen ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan.”624Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2denMei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverseammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ 15 recognitie voor ieder slaaf.625Eindelijk, den 10denJunij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.626Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14denSeptember 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.627Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt628, zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd” werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers,die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent,” dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.629De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)630was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline;»er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;” zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.”631In overleg met de kapiteins deroorlogsschepenwerd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.Den 26stenOctober 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door deoorlogsschepende Thetis en de Valk.632Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming deroorlogsschepenberoofd zijn geweest, zoo niet ’s landsoorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4denOctober 1782 voor Paramaribo was gekomen.633Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch overceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoekvan Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.634Van Raders verliet den 3denMaart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:635doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandschoorlogsschip, (den 16denFebruarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.636Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21stenAugustus ontving Texier deofficieelemededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs,denheer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,637welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.638Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor deSociëteiten voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst derSociëteiten die der door HH. MM. gezondenoorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.639Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.640Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.” De talrijkheid der tot de Christelijkereligieovergaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met deRaden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.”641Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar deLutherschekerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren.”Hij liet daarop denLutherschenpredikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag ’s morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; ’s middags in de Luthersche kerk, en ’s avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, alsrecrutenin Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend,waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement” eene gratificatie van ƒ 400.642Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heerRaadFiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.643De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.De oprigting van het CollegiumMedicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6denDecember1778en den 18denMei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijkediscussiëngevoerd; den 8stenAugustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21stenFebruarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen enwerd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.644Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.” Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.645De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was,gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden646; den 18denSeptember 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvanhijniet weder opstond; den 25stenSeptember des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van57jaren, 1 maand en 7 dagen.Voor zoo ver wij uit deofficieeleen andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels vanhetbewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch—als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd—drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind647.Den volgenden dag, den 26stenSeptember 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.”Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hofen den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene” de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur648.De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren” en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.”Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof—om het niet geheel ongestraft te laten—bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen649.Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken650.Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijnenieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefdeom door onderling overleg met de ingezetenengewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen651.Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ 250.— te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden652. Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschietersslechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H. H. M. toegezonden653.In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring654. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was, ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan ’s lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in ’s lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781–83 eene som van ƒ 40,772.19655.
Den 28stenFebruarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof558.Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in1763, reeds gunstig onderscheiden559. In 1764 tot 2denRaad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12denNovember van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming560.Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.De strijd met de wegloopers heettegeëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,—doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Hetcorps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten561. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven562.De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten563. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug564.Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen565. De Aucaners verklaarden:»dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden566”. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen”, echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken”. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand567.»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen”, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten.Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er zijnen zegen toe.” Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten568. De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. Dedesertiënnamen zeer toe569.»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.” Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder ’t vee, maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.”570Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.571Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republieknog onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,” wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.572Na hun vertrekkruistende Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte dan ookveleAmerikaansche schepen buit.573In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden.” »De menschen schreeuwen enlamenteerenom brood, dat er bijna niet te krijgen is, en ’t weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.”574De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit deSociëteits-bakkerijmogt worden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood …!” Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, ’s wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisiezoudenbinnenkomen575. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21stenMaart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.Den 6denMaart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van ’s landsoorlogsschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen,onmiddellijknaar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijkegebeurteniste geven576.Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minderonmiddellijkin betrokken werd.Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.Na het vertrek deroorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met ’s lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken577. Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien578. Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen579; het kwam den 9denMei voor Paramaribo ten anker580; doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefdeslechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao581, maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4denFebruarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij rieponmiddellijkhet Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en deroorlogsschepen.Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt582. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden583. Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen.Onmiddellijkwerd er ook een begin gemaakt, om het fortNieuwAmsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet584.Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn585.Reeds den 9denMaart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboersenacht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over586. Bij trommelslag werd bekendgemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ 100.— handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins587.De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche enSaramaccaanscheboschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute geplaatst588.Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen589. Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19denMaart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden”590.Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarinofficieelemededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen591; hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen592. De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding”, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt593.Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen veroverdwas en, dat Curaçao door hen werd bedreigd594. Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd595.Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven596; eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo597.In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen598; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden599.Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt600; de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijandenverschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen601.In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd602.Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat demogelijkekans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien603.Na de overgave der naburigekoloniënaan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigenontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij »het getal eters” te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldatengeëngageerd604. Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot diekoloniëngemakkelijk zoukunnenveroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.605De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen606. In Julij was het werk, niettegenstaandede genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden607.In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.608Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.609Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk deSociëteits-kostgrond, Voorburg inordebrengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen toestand.”610Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.611Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.612Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor deSociëteitwillen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ 75.613Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch dekosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.614Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ 3000.— erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.615De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,—doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.616De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd” zijn geworden—maarbij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24stenDecember 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25stenNovember St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek vanRodneynog niet betaald, doch latergeïncasseerdwaren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingenonmiddellijkrestitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.617Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22stenJanuarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig tehebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.618Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31stenJanuarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren619; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6denMaart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.620Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3denOctober 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.621Den 28stenderzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30stenOctober arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen,” dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.622De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.623Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op deoorlogsschepenwas bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.Den 3denApril 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimentijd, een Hollandsch schip ter anker voorParamaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geendepêchesvoor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en,bijgebrek aangeneesmiddelenen ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan.”624Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2denMei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverseammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ 15 recognitie voor ieder slaaf.625Eindelijk, den 10denJunij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.626Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14denSeptember 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.627Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt628, zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd” werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers,die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent,” dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.629De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)630was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline;»er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;” zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.”631In overleg met de kapiteins deroorlogsschepenwerd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.Den 26stenOctober 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door deoorlogsschepende Thetis en de Valk.632Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming deroorlogsschepenberoofd zijn geweest, zoo niet ’s landsoorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4denOctober 1782 voor Paramaribo was gekomen.633Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch overceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoekvan Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.634Van Raders verliet den 3denMaart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:635doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandschoorlogsschip, (den 16denFebruarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.636Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21stenAugustus ontving Texier deofficieelemededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs,denheer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,637welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.638Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor deSociëteiten voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst derSociëteiten die der door HH. MM. gezondenoorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.639Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.640Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.” De talrijkheid der tot de Christelijkereligieovergaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met deRaden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.”641Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar deLutherschekerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren.”Hij liet daarop denLutherschenpredikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag ’s morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; ’s middags in de Luthersche kerk, en ’s avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, alsrecrutenin Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend,waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement” eene gratificatie van ƒ 400.642Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heerRaadFiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.643De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.De oprigting van het CollegiumMedicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6denDecember1778en den 18denMei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijkediscussiëngevoerd; den 8stenAugustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21stenFebruarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen enwerd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.644Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.” Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.645De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was,gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden646; den 18denSeptember 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvanhijniet weder opstond; den 25stenSeptember des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van57jaren, 1 maand en 7 dagen.Voor zoo ver wij uit deofficieeleen andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels vanhetbewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch—als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd—drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind647.Den volgenden dag, den 26stenSeptember 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.”Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hofen den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene” de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur648.De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren” en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.”Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof—om het niet geheel ongestraft te laten—bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen649.Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken650.Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijnenieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefdeom door onderling overleg met de ingezetenengewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen651.Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ 250.— te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden652. Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschietersslechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H. H. M. toegezonden653.In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring654. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was, ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan ’s lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in ’s lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781–83 eene som van ƒ 40,772.19655.
Den 28stenFebruarij 1779 (daags na het overlijden van Nepveu) werd, als naar gewoonte, de geheime resolutie omtrent de opvolging van den overledenen Gouverneur geopend en gelezen. De Commandeur, Bernard Texier, werd hierbij als Gouverneur ad interim aangewezen, en hij aanvaardde de teugels van het bewind zonder eenige tegenkanting van de zijde van het Hof558.
Texier had zich bij den opstand der slaven in Berbice in1763, reeds gunstig onderscheiden559. In 1764 tot 2denRaad Fiscaal benoemd, had hij zich gevleid met de benoeming tot eersten Raad Fiscaal, maar was hierin teleurgesteld, daar de kundige Wichers ter vervulling dier opengevallen betrekking door Directeuren naar Suriname werd gezonden; doch Directeuren stelden Texier weldra hiervoor schadeloos, door hem in Mei 1772 tot Commandeur aan te stellen. Texier had Nepveu trouw ter zijde gestaan en toen reeds getoond, dat hij een helder hoofd en vrij groote mate van militaire kennis bezat. Niemand verwonderde zich dus over zijne benoeming als Gouverneur, ad Interim; men was hier goed over te vreden, en ook bij zijne aanstelling tot Definitief Gouverneur den 12denNovember van hetzelfde jaar ontving hij vele blijken van hartelijke deelneming560.
Het was een geluk voor Suriname, dat men een bekwaam en krachtig man als landvoogd verkreeg. In deze moeijelijke tijden waarin de grootste waakzaamheid zoo tegen binnen- als buitenlandsche vijanden noodzakelijk was, had men vooral behoefte aan een wakker en voorzigtig krijgsman. Texier bezat deze eigenschappen, gelijk uit den loop der geschiedenis verder blijken zal.
De strijd met de wegloopers heettegeëindigd; het overschot der hulptroepen was naar Nederland teruggekeerd, want de gevreesde Bonni had zich immers met een groot gedeelte der Marrons, over de Marowyne teruggetrokken. Het is waar, dat was geschied,—doch dit gaf geen waarborg tegen nieuwe aanslagen van Bonni tegen de veiligheid der kolonie.
Geruchten van vijandelijke voornemens en plannen van Bonni, o. a. tegen de Joden Savane, (op de Joden was hij vooral verbitterd) verspreidden telkens schrik en angst onder de kolonisten. Ook werd men nog gedurig verontrust door verstrooide benden van wegloopers. Men moest steeds op zijne hoede wezen. Grootere of kleinere expeditiën werden ondernomen en met meer of minder goeden uitslag bekroond. Hetcorps negerjagers verrigtte hierbij uitstekende diensten561. Texier liet de onder Nepveu aangevangen werken aan het militaire cordon voltooijen. Hij zette dit met kracht door en bezigde hiervoor 600 slaven562.
De Indianen en ook de Aucaner en Saramaccaner bevredigde boschnegers betoonden zich meermalen als getrouwe bondgenooten der blanken. Zij hielpen de kampen der wegloopers verwoesten563. De Aucaners ondernamen zelfs, onder bevel van den vaandrig Thies, eene togt over de Marowyne, waarbij zij zeven wegloopers doodden en twee en twintig (meest vrouwen en kinderen) gevangen namen. Zij waren tot op een dag reizens van het dorp Bonni genaderd, maar op het vernemen van dien geduchten naam trokken zij terug564.
Eenige maanden later sloten de Aucaners, op het onverwachts vrede met Bonni. Texier en het Hof van Policie verzetten zich hier zoo lang mogelijk tegen. Men koesterde groote vrees, dat zij zich mogelijk later te zamen tegen de blanken zouden vereenigen565. De Aucaners verklaarden:»dat zij Bonni nimmer tegen de blanken zouden helpen, en dat Bonni, niet gemolesteerd wordende, zich ook stil zou houden566”. De Indianen, die in de nabijheid der Marowyne woonden, wenschten ook van dien vrede te genieten, »alleen om niet door Bonni verontrust te worden en met vrede in hunne hutten te kunnen wonen”, echter »onder expresse conditie zulks in geenen deelen tot nadeel der blanken moest strekken”. Door bemiddeling der Aucaners kwam ook dien vrede tot stand567.
»Eene kwade conscientie doet gestadig vreezen”, luidt eene merkwaardige spreuk. En zoo was het ook thans bij de kolonisten.Die vrede tusschen de Aucaners en Bonni gaf hun veel bekommering, die door de genoemde plegtige betuiging en verklaring niet weg werd genomen. Texier zelfs gewaagt er dikwijls van in zijn dagboek en bij het vermoeden eener vredebreuk tusschen hen onderling, schrijft hij daarin den vroom schijnenden doch inderdaad godslasterlijken wensch: »God geve er zijnen zegen toe.” Hoe kan toch de mensch het heiligste misbruiken!
De reeds in den laatsten tijd van Nepveu uitgebroken ziekten bleven nog voortwoeden en vorderden vele offers, zoo onder blanken als slaven. Voornamelijk leden de districten Cottica en Perica, ook vele soldaten werden hierdoor aangetast: de hospitalen werden opgevuld en de posten kon men naauwelijks bezetten568. De dienst der militairen werd hierdoor zoo verzwaard, dat velen zich hieraan door de vlugt onttrokken. Dedesertiënnamen zeer toe569.
»In Para heerschte eene terrible sterfte onder het hoornvee en paarden; het wild werd in de bosschen dood gevonden in zoo groote getale, dat de stinkvogels er niet op azen wilden.” Deze ziekte (zij schijnt van eene besmettende aard te zijn geweest) was niet alleen onder ’t vee, maar ook onder de menschen: »dagelijks hoort men van sterfte, en in alle straaten van Paramaribo zijn zieken, die ellendig ter neder leggen.”570Zware regens, gevolgd door eene schielijke droogte, veroorzaakte veel nadeel aan de veldgewassen: duizende koffijboomen stierven.571
Behalve deze onheilen en rampen, met welke men in Suriname had te kampen werd ook de vrees voor een vredebreuk met Engeland spoedig verwezentlijkt.
De oorlog tusschen Engeland en zijne Amerikaansche bezittingen en Frankrijk, die de partij der Amerikanen koos, had reeds een geruimen tijd geduurd. Wel was onze republieknog onzijdig gebleven, doch reeds onder Nepveu had men in Suriname veel overlast van de wederzijdsche kapers gehad.
De zeekapiteins Delvoss en Melville wilden evenmin aan het verzoek van Texier als vroeger aan dat van Nepveu voldoen, om bij den ingang der rivier Suriname te gaan liggen, om de Kapers af te weren. Zelfs niettegenstaande de dringende vertoogen van Texier: »om in deze critique tijden de kolonie niet van de zoo noodige verdediging te ontblooten,” wilden die heeren niet wachten tot dat andere schepen uit Nederland hen kwamen aflossen. In het laatst van Junij 1779 wendden zij den steven en verlieten de kolonie.572
Na hun vertrekkruistende Engelsche Kapers, vrij en onverlet op de kust, en maakten jagt op de Amerikaansche schepen, die met provisiën beladen, koers naar Suriname zetten. Zij konden nu, zonder verhindering te ondervinden tot hoog in de rivier de jagt voortzetten en maakte dan ookveleAmerikaansche schepen buit.573
In de kolonie, hierdoor van toevoer van buiten verstoken (het convooi uit Holland bleef ook achterwege) kwam spoedig gebrek, voornamelijk aan Blom (meel), zooals »zulks de oudste coloniërs niet heugden.” »De menschen schreeuwen enlamenteerenom brood, dat er bijna niet te krijgen is, en ’t weinige zoo nog te bekomen, moet met geld opgewogen worden, waardoor onder eenige menschen groot armoede ontstaat, en andere met hun inkomen, op verre na, niet bestaan kunnen, onder welk getal zich ook de officieren bevinden.”574
De officieren verzochten, dat aan ieder van hen wekelijks drie roggebrooden uit deSociëteits-bakkerijmogt worden verstrekt, tegen inhouding van een gedeelte hunner gagie. Dit verzoek werd geredelijk toegestaan.
Het gebrek nam toe, en de inlandsche aardvruchten als Banannen, Tayers enz. stegen ook zeer in prijs. Banannen waren niet onder de negen stuivers de bos te bekomen.
Texier schrijft: »het wordt den ordinaire burgerman ondragelijk en veroorzaakt groote armoede, de burger schreeuwt om brood …!” Zij wendden zich tot den Gouverneur met verzoek, om uit de magazijnen der directie met wat brood te worden geassisteerd. Hierin was voor vier maanden voorraad (240,000 pond rogge). Na gehouden conferentie met het Hof van Policie werd besloten, om de armoede eenigzins te gemoet te komen, ’s wekelijks 400 roggebrooden, tegen 5 stuivers het stuk, aan de burgerij af te staan; doch niet meer dan 8 en hoogstens 10,000 stuks.
Men hoopte, dat er in die 8 weken wel schepen met provisiezoudenbinnenkomen575. Die hoop werd niet verwezenlijkt en den 21stenMaart moest men de gegeven permissie, om aan de burgers brood uit de magazijnen te leveren, intrekken. Er kwamen nog moeijelijker tijden voor de kolonie.
Den 6denMaart 1781 keerde de koopvaardij-kapitein Hermans, die eerst kort geleden de reede verlaten had, terug en bragt de tijding aan, dat de oorlog tusschen Engeland en de republiek der Vereenigde Nederlanden verklaard was. Hij had dit vernomen van den kapitein A. de Broek, commandant van ’s landsoorlogsschip, die met drie op de kust kruisende kapers slaags was geweest. Genoemde commandant had den schipper Hermans bevolen,onmiddellijknaar Paramaribo terug te keeren, om den Gouverneur kennis van deze belangrijkegebeurteniste geven576.
Het ligt niet in ons plan, om de oorzaken van dien oorlog met Engeland na te gaan of de nadeelige gevolgen daarvan voor ons vaderland te schetsen. Men raadplege daartoe de onderscheidene werken over de geschiedenis van Nederland. Wij houden ons streng aan de bepaling om slechts eene geschiedenis van Suriname te schrijven. Geschiedde er in die dagen veel belangrijks in de West-Indische zee, wij stippen slechts aan, datgene, waar Suriname meer of minderonmiddellijkin betrokken werd.
Was het een geluk voor Suriname, merkten wij vroeger aan, dat in dien tijd aan een wakker en voorzigtig krijgsman het bestuur der kolonie was opgedragen, het was evenzeer een geluk voor Suriname, dat de tijding van het uitbreken van den oorlog er zoo spoedig bekend werd. Texier was alzoo in de gelegenheid, om maatregelen van verdediging te nemen.
Na het vertrek deroorlogsschepen, onder het bevel van de kapiteins Delvoss en Melville (1779), was de kolonie een geruimen tijd ontbloot geweest van de belangrijke hulp, die oorlogsschepen konden toebrengen. In Maart 1780 had kapitein Delvoss met ’s lands fregat, de Arend, wel een bezoek aan Suriname gebragt, doch er maar korten tijd vertoefd.
Delvoss had den last om zich met een nog te verwachten schip, te vereenigen en de bezittingen der Nederlanders aan de kust van Guinea tegen vreemden overval te dekken577. Dat verwachte schip, onder bevel van Kapitein Muller, naderde in het laatst van Maart de kust van Suriname, maar verviel bij vergissing in de Marowyne: de stuurman had de bank voor de Marowyne voor Braamspunt aangezien578. Met veel moeite en groote kosten gelukte het dit vaartuig vlot te krijgen579; het kwam den 9denMei voor Paramaribo ten anker580; doch beide schepen verlieten kort daarna de kolonie, om hunne reis te vervolgen.
Een ander oorlogsschip, Beverwijk, kapitein J. Bool, vertoefdeslechts eenige dagen en zette koers naar Curaçao581, maar tot groote blijdschap van Texier kwamen den 4denFebruarij 1781 twee oorlogsvaartuigen, de Valk, kapitein Silvester, en de Thetis, kapitein Spengler, op de reede. Deze schepen waren tot secours der kolonie door H.H.M. afgezonden; hun lastbrief luidde: aldaar 5 à 6 maanden te blijven, doch indien de noodzakelijkheid bestond langer te toeven, kon zulks geschieden, mits op requisitie van den Gouverneur en het Hof van Policie.
Texier beijverde zich nu, om alle mogelijke middelen van verdediging te nemen. Hij rieponmiddellijkhet Hof bijeen; hield des morgens eene gewone vergadering en des middags eene gecombineerde met de officieren der krijgsmagt en deroorlogsschepen.
Nog dienzelfden dag werden de voor Paramaribo liggende Engelsche vaartuigen, drie in getal, in beslag genomen en de bemanning derzelven in arrest gebragt582. Den luitenant-kolonel van Baerle werd gelast, naar het fort Nieuw Amsterdam te gaan, en het bevel dier sterkte op zich te nemen; den adjudant van Riets, gecommandeerd naar het cordon te gaan, om te onderzoeken hoeveel volk daar kon gemist worden en dat naar Paramaribo te zenden583. Den volgenden dag werd er eene expresse over land, vergezeld van eenige Indianen, naar Berbice gezonden, om den Gouverneur te waarschuwen.Onmiddellijkwerd er ook een begin gemaakt, om het fortNieuwAmsterdam, de beide Redouten Leiden en Purmerend, benevens het fort Zeelandia in behoorlijken staat van tegenweer te brengen. Texier maakte ook gebruik van de magt, in cas van nood, den Gouverneur bij resolutie van HH. M., dato 17Julij 1747, toegekend; hij equipeerde vier der beste koopvaardijschepen en rigtte hen als oorlogsvaartuigen in, benevens twee den in beslag genomen Engelsche; allen werden behoorlijk van ammunitie voorzien en ieder met 35 man bezet584.
Texier betoonde buitengewonen ijver. Door woord en voorbeeld moedigde hij officieren en soldaten tot getrouwe pligtsbetrachtingen, tot des gevorderd wordende, moedige verdediging aan. De officieren en soldaten ontvingen eene vriendelijke toespraak; de kolonel van Baerle eene heusche vermaning. Die kolonel was niet zeer bemind, en vaak rezen klagten over zijne ruwheid en onvriendelijkheid. Texier die zelf zich meermalen over hem te beklagen had, spoorde hem nu zeer aan, om vriendelijk jegens de officieren en billijk jegens de soldaten te zijn585.
Reeds den 9denMaart trokken de militairen uit het garnizoen te Paramaribo naar het fort Nieuw Amsterdam. Er bleven slechts drie sergeants, drie corporaals, drie tamboersenacht en dertig gemeenen (de kleermakers hieronder begrepen) over586. Bij trommelslag werd bekendgemaakt, dat zij, die in militaire dienst wilden treden ƒ 100.— handgeld zouden ontvangen: verscheidene personen engageerden zich. De matrozen der koopvaardijschepen maakten eenige zwarigheden omtrent de maandgelden; Texier gaf hunne billijke eischen toe en de matrozen waren daarover zoo verheugd, dat zij, bij het naar boord gaan, de lucht van een daverend Hoezee deden weergalmen. Zelfs de schippers waren te vreden en zoo opgewekt, dat zij aanboden uniform te dragen; Texier verwees hen daartoe naar de zeekapiteins587.
De zich te Paramaribo bevindende Ostagiërs der Aucaansche enSaramaccaanscheboschnegers boden mede hunne diensten aan, en zes en veertig van hen werden op de redoute geplaatst588.Texier hield zoo veel mogelijk op alles het oog. Om den noodigen spoed te bevorderen, ging hij telkens naar Nieuw Amsterdam de werkzaamheden in oogenschouw nemen en de werklieden aansporen589. Met vertrouwen schreef hij dan ook den 19denMaart in zijn dagboek: »Wij stellen ons (zoo veel het onze geringe magt toelaat) in zulke situatie en wy sullen niets versuymen, om den vijand (zoo hy komt) af te houden”590.
Er was reeds veel verrigt toen dienzelfden dag door den kapitein van een Portugeesch schip brieven werden aangebragt van den schout bij nacht Graaf van Bylandt en den Hollandschen minister te Lissabon, den heer Smissaerd, waarinofficieelemededeeling van het uitbreken des oorlogs werd gegeven.
Texier nam in Augustus zijn intrek op de plantaadje Clevia. Van daar kon hij in ½ uur te paard naar het fort Nieuw Amsterdam en in ¾ uur naar Paramaribo komen591; hij trachtte in alle takken van bestuur de noodige orde en zuinigheid te bevorderen, doch ondervond hierin weinig medewerking. Zelfs werd hij verpligt van tijd tot tijd inspectie op de schepen te nemen592. De ijver en zorg van Texier droegen goede vruchten en de Heer behoedde Suriname.
Droevige berigten omtrent het lot der andere Nederlandsche bezittingen vervulden weldra de harten in Suriname met kommer en angst. Een der bijleggers van de post aan de Corantijn bragt de »fatale tijding”, dat zes Engelsche kapers te Demerary waren geweest en zeventien Hollandsche schepen hadden buit gemaakt593.
Volgens een brief van den Gouverneur van Berbice, Koppiers, had Essequebo een gelijk lot ondergaan. Op een klein vaartuig uit Cayenne, bestierd door een Indiaan, was de Jobsbode, die berigtte, dat St. Eustatius door de Engelschen veroverdwas en, dat Curaçao door hen werd bedreigd594. Negentien Hollandsche matrozen, die uit de Berbice kwamen, deelden mede, dat de Engelschen ook aldaar geweest waren en vijf Hollandsche schepen hadden weggevoerd595.
Een expresse uit de Berbice bragt de tijding over, dat Berbice aan de Engelschen was overgegeven596; eenige dagen later ontving men hetzelfde droevige berigt van Demerary en Essequebo597.
In Suriname was men dubbel op zijne hoede. Om zooveel mogelijk op alles gewapend te zijn, werden er nog twee koopvaardijschepen ten oorlog uitgerust, ten einde, des noods, eene tweede linie van defensie te vormen598; een derde schip werd geëquipeerd en gelast, tusschen de redoute Leiden en het fort Nieuw Amsterdam te gaan liggen, om te voorkomen, dat vijandelijke schepen des nachts de rivier opvoeren en de forten voorbij zeilden, zonder gezien te worden; op de droogte voor de redoute Purmerend werden twee vlotbatterijen gesteld en gewapend; eenige ponten werden tot branders ingerigt. Tot meerdere verzekering van de Wanica-kreek werden negers en mulatten gezonden, die in corjalen de wacht aan de Saramacca moesten houden599.
Van tijd tot tijd hadden er schermutselingen plaats tusschen de gewapende barken en de op de kust kruisende Engelsche kapers. Twee slavenschepen, met 400 en 280 slaven bevracht, voor Suriname bestemd, werden door de Engelschen tusschen de Marowyne en de Motkreek buit gemaakt600; de communicatie en daardoor de toevoer van levensmiddelen werd gestremd, doch Suriname bleef van een inval der vijandenverschoond. Wel had hiertoe meermalen het plan bestaan. Hollandsche matrozen uit Demerary, Berbice en Essequebo naar Suriname gevlugt, verhaalden, dat men meermalen het voornemen daartoe had opgevat; o.a. deelden vier matrozen, die zich van de Engelsche schepen, waarop zij tegen hunnen wil geplaatst waren, bij nacht hadden verwijderd, mede, dat de Engelschen de kolonie op den eersten April 1781 hadden willen overvallen. De vloot, waarmede zij den aanval hadden willen beproeven, bestond uit twee fregatten, een brik en een sloep. Toen de Engelschen echter voor de rivier kwamen en van de kapers hoorden dat men in de kolonie zoo goed op tegenweer bedacht was, hadden zij weder het ruime sop gekozen601.
In April werden twee Engelsche vaartuigen bij de Wanica-kreek, digt bij Braamspunt gezien; zij hadden eenige schoten op de aldaar aanwezige Indianen gedaan en een van hen gedood, doch zich daarna verwijderd602.
Hier bewees Texier, dat bij den meesten ijver en voortvarendheid tevens eene loffelijke voorzigtigheid kan gepaard gaan. Bij het vernemen van het genoemd berigt wenschten de beide zeekapiteins zeer om naar zee te gaan; zij brandden van verlangen, om zich met den vijand te meten en de kapers, die de kust geblokkeerd hielden, te verjagen. Texier voorzag het gevaar, dat die groote schepen zoo ligt kon overkomen door op de modderbanken te vervallen, en besefte, dat demogelijkekans van welslagen der onderneming van de zeekapiteins niet opwoog tegen het verlies, hetwelk de kolonie zoude lijden bij de mislukking; terwijl het bovendien gevaarlijk was om Suriname van eene zoo belangrijke hulp ter verdediging, al was dit dan ook maar voor korten tijd, te ontblooten. Hij sprak in dien geest en het gelukte hem de kapiteins van hun voornemen te doen afzien603.
Na de overgave der naburigekoloniënaan de Engelschen kwamen er gedurig matrozen en andere lieden van daar in Suriname, die geen dienst bij den vijand wilden nemen. Sommigenontvlugtten over land en werden door Indianen naar Paramaribo geleid; anderen beproefden den overtogt in opene booten over zee, en stonden vele ontberingen uit voor dat zij de gewenschte kust bereikten. Zij, die het eerst aankwamen, werden met blijdschap ontvangen en onmiddellijk in dienst gesteld. Toen hun aantal echter spoedig aanwies en men hen niet meer op de schepen gebruiken kon, waren zij minder welkome gasten, omdat zij »het getal eters” te sterk vermeerderden en er nog steeds groote schaarschte aan levensmiddelen was. Enkelen werden op het fort Nieuw Amsterdam geplaatst om bij het geschut dienst te doen; anderen werden provisioneel als soldatengeëngageerd604. Algemeen getuigden de uit Demerary, Essequebo en Berbice gekomenen, dat de magt der Engelschen aldaar zwak was en men met een betrekkelijk kleine vloot diekoloniëngemakkelijk zoukunnenveroveren, doch over iets dergelijks behoefde men in Suriname niet te denken: men moest daar voor eigen verdediging zorgen.605
De werkzaamheden aan het in order brengen der forten gingen geregeld voort. Men ondervond echter vele belemmering door de aanhoudende stortregens: in een dag werd hierdoor soms meer geruineerd, dan in eene week was verrigt. Doch aan den anderen kant verstrekten die regens tot meerdere beveiliging der kolonie tegen een onverhoedsche landing des vijands aan de Corentijn. Zoo men deze beproeven mogt, met het oogmerk, om door de bosschen tot Paramaribo door te dringen, moest zij mislukken door het wassen der vele zwampen en moerassen606. In Julij was het werk, niettegenstaandede genoemde belemmeringen, zoo ver gevorderd, dat men voor Zeelandia 100 werknegers, en voor Nieuw Amsterdam 130 kon afdanken en naar hunne meesters terug zenden607.
In Augustus zond men weder 200 slaven naar huis.608Texier hield er echter nog eenigen in dienst. Hij liet door hen o. a. de waag, die sedert verscheidene jaren zoo bouwvallig was, dat men voor instorting vreesde, herstellen; er kwamen nu toch geen producten ter markt en er bestond hiertoe dus eene goede gelegenheid.609Door een veertigtal negers deed hij ook zoo goed mogelijk deSociëteits-kostgrond, Voorburg inordebrengen: daar toch was in de laatste tijden alles in de war; er waren geen banannen en het geheel verkeerde in een »miserablen toestand.”610
Het gebrek aan provisie veroorzaakte voortdurend veel bekommering. Reeds was men genoodzaakt geweest, om al de rantsoen trekkende personen een brood en een halve stoop gort wekelijks in te trekken en hun daarvoor een bos banannen te geven.611Nu bleek het echter weldra hoe slecht de planters voor kostgronden zorgden, daar de banannen spoedig bijna niet meer te krijgen waren.612
Ook andere artikelen werden schaarsch, o. a. het zoo onontbeerlijke zout. Texier had reeds vroeger voor deSociëteitwillen opslaan, maar de Boekhouder-Generaal had zich toen tegen deze voorzigtigheids-maatregel verzet. Nu gaf hij verlof om 9 vaten zout te koopen tegen 50 en 55 gulden: de planters en ingezetenen betaalden reeds ƒ 75.613
Eene proef door iemand, vroeger op eene zoutfabriek in Europa werkzaam, genomen, om van rivier of zeewater zout te maken voldeed niet. De kwaliteit was vrij goed, doch dekosten liepen te hoog. De fabrikant, die reeds om octrooi had verzocht, zag hiervan af, en de zoutmakerij werd gestaakt.614
Er kwamen ook andere moeijelijkheden, die Texier door overleg en bedaardheid uit den weg zocht te ruimen. Onder het corps vrijnegers openbaarde zich een geest van wederspannigheid, voornamelijk veroorzaakt door hun afkeer om onder militairen te staan en door de hooghartige behandeling der blanken op de plantaadjes. Na onderscheidene conferentiën, waarbij de bekende vrijneger Quassy goede diensten bewees, besloot men hen door eenig toegeven tot onderwerping te brengen en dit gelukte volkomen. Texier oordeelde, dat het goed was, om de eenheid te bevorderen, een generaal opperhoofd over dit corps te stellen en dit moest dan een man zijn voor wien zij te gelijk liefde en ontzag hadden. De keus hiertoe viel op den majoor Friderici, die reeds onder Fourgeoud tijdelijk aan hun hoofd had gestaan, en die keus was zeer gelukkig. Friderici nam het aan: Hij zou als tractement ƒ 3000.— erlangen, vrije boot en de magt om met zijn corps vrij te handelen en op zijn tijd verhooging van rang.615
De slaven op de plantaadje Maagdenburg hadden in de meening, dat men door den oorlog minder acht op hen sloeg, getracht eenige meerdere vrijheid te verkrijgen en daarbij enkele buitensporigheden gepleegd. Men bedwong dien opstand krachtig,—doch droevig was het, dat men daarbij weder zoo wreed te werk ging.616
De vrees, die men had gevoed, dat de Aucaner-boschnegers met de Marrons gemeene zaak tegen de blanken zouden maken bleek ongegrond te zijn geweest. Het was waar, het handje vol volks op het cordon had, indien zij dit beproefd hadden, er weinig tegen kunnen doen, en vele blanken zouden spoedig »ellendig gemassacreerd” zijn geworden—maarbij die verachte negers heerschte meer goede trouw dan de blanken verwachtten: niets kwaads werd door hen ondernomen.
De Engelschen hadden in dien tijd groote verliezen op zee geleden. Den 24stenDecember 1781 bragt een Fransch schip uit Martinique de heuchelijke tijding dat de Marquis van Bouille, Gouverneur van Martinique, op den 25stenNovember St. Eustatius heroverd en aan de Hollanders teruggegeven had; het Engelsch garnizoen, 600 man sterk, was krijgsgevangen gemaakt en naar Martinique gevoerd; de Fransche vlootvoogd had in de openbare kassen drie millioen gulden gevonden, afkomstig van verkochte goederen, die bij het vertrek vanRodneynog niet betaald, doch latergeïncasseerdwaren; de ingezetenen, die hun regt op die van hen geroofde gelden konden bewijzen, ontvingenonmiddellijkrestitutie, terwijl het overige voor de afwezige eigenaars bewaard bleef.617Ook Saba en Martin viel den Franschen in handen. Den 22stenJanuarij 1782 kwam een Fransch eskader, onder den Franschen Admiraal Kersaint te Suriname. Kersaint deelde Texier mede, dat hij van plan was, om Demerary en Essequebo te gaan heroveren en daarom eenige nadere inlichtingen van Texier wenschte te ontvangen, omtrent de verdedigingsmiddelen dier volkplantingen, enz. Hij verzocht ook om eenige, goed met die kusten bekende zeelieden, als loodsen op zijne schepen. Natuurlijk werden de gevraagde inlichtingen volgaarne gegeven en aan het verzoek, om Hollandsche zeelieden, gereedelijk voldaan. Texier had nu echter op nieuw veel moeite met de beide Hollandsche zeekapiteins. Zij wenschten met Kersaint mede te gaan, om deel aan den te behalen roem te hebben; zij achtten het beleedigend voor de eer der Nederlandsche natie, dat men aan vreemden de herovering der zoo nabij gelegen Nederlandsche koloniën, moest overlaten, enz., enz. Kersaint betuigde, hunne hulp voor de herovering van Demerary en Essequebo, niet noodig tehebben, doch wilde die van Berbice wel voor hen overlaten en bood aan, om een detachement van zijn corps uit Demerary naar Berbice te zenden, indien men van onzen kant, den aanval van de zeezijde wilde ondernemen. Texier kantte er zich sterk tegen aan. Hij trachtte te bewijzen, dat er weinig roem bij te behalen was, daar, bij de geringe magt der Engelschen aldaar, de herovering weinig moeite zoude kosten: het blijvend bezetten zou echter veel volk vereischen en daarover kon men niet beschikken. Hij voerde aan, dat de voorzigtigheid gebood, om Suriname niet van verdediging te ontblooten en dat het wel hunne roeping was, om tot secours der kolonie al het mogelijke aan te wenden, maar geenszins om aan andere expeditiën deel te nemen. De kapiteins waren zeer ontevreden en oordeelden, dat zij het verlof van den Gouverneur niet noodig hadden, om de eer der Hollandsche vlag te handhaven. Na herhaalde vertoogen van weerskanten, en nadat ook het Hof van Policie sterk op het blijven der zeekapiteins had aangedrongen, gaven deze heeren eindelijk toe, tot groote blijdschap van Texier.618
Texier had goed gezien, want wel ontving men den 31stenJanuarij, door een vlugteling uit Essequebo, het berigt, dat de Hollandsche Gouverneurs van Demerary, Essequebo en Berbice den eed van getrouwheid aan de Engelschen hadden afgelegd en daarop door dezen in hunne ambten hersteld waren619; doch weldra mogt men zich in de ontvangst van betere tijdingen verheugen. Den 6denMaart 1782 kwamen Indianen over land in Paramaribo en bragten de tijding aan, dat de drie genoemde volkplantingen zich, zonder een enkel schot tot tegenweer te hebben gedaan, aan den Franschen Admiraal Kersaint hadden overgegeven.620
Daar sedert eenigen tijd de krijgskans zich in de West-Indische zee ten nadeele der Engelschen gekeerd had, werd de kust van Suriname meer vrij en kwamen er nu en dan schepen met provisie aan. Reeds den 3denOctober 1781 arriveerde een Amerikaansch schip, met visch, tabak, ajuin enz. geladen, waardoor Texier de hoop koesterde, dat er weldra meerderen zouden komen, en die hoop werd verwezenlijkt.621Den 28stenderzelfde maand kwam weder een Amerikaansch schip met plantains, bakkeljaauw enz. ter reede aan, en den 30stenOctober arriveerde een Fransch schip uit Martinique, door den broeder van den Gouverneur Texier bevracht, met wijn, blom, zeep en meer andere »zeer te pas komende goederen,” dat 11, 15 en 16 November door andere schepen uit Martinique, met provisie, gevolgd werd.622
De communicatie met Cayenne was nu ook weder hersteld, en Texier roemt zeer de beleefdheid en hulpvaardigheid van den Franschen Gouverneur Tiedmont. Om in het nog voortdurend gebrek aan levensmiddelen te voorzien, (het door genoemde schepen aangebragte was, naar evenredigheid der behoeften, zeer gering) werd er een persoon naar Cayenne gezonden en gemagtigd, om aldaar eenige inkoopen te doen. Die gemagtigde werd met de meeste vriendelijkheid behandeld en zelfs bragten eenige schepen van het eskader, onder Kersaint, ter besparing van kosten, provisiën mede.623Niettegenstaande dit alles, bleef er nog schaarschte in de kolonie heerschen, want de voorraad der levensmiddelen op deoorlogsschepenwas bijna verteerd en de 21 koopvaardijschepen waren van alles ontbloot.
Den 3denApril 1782 kwam voor het eerst, sedert geruimentijd, een Hollandsch schip ter anker voorParamaribo. Het was uit Rotterdam en bragt wel brieven voor particulieren, maar geendepêchesvoor den Gouverneur mede. Texier vond het zeer onaangenaam, dat hij geene nadere tijding omtrent den stand der zaken, noch nadere bevelen ontving. Hij klaagt in zijn dagboek, dat hij niet wist hoe hij handelen moest met de producten, die in de pakhuizen opgeslagen waren; ze eenigermate voor bederf te bewaren, dat evenwel niet geheel kon geweerd worden, veroorzaakte groote kosten; daarbij waren de magazijnen uitgeput; door gebrek aan kleeding zou de militie welhaast naakt loopen en,bijgebrek aangeneesmiddelenen ververschingen, de zieken van »miserie moeten vergaan.”624Er kwam echter weldra uitkomst. Den 2denMei liet een gewapend Hollandsch schip voor Paramaribo het anker vallen, en bragt o. a. mede: 130 vaten vleesch, 10 dito hammen, 5 dito spek, 85 dito rogge, 100 dito gort, 23 dito meel, 300 kazen, 6 oxhoofden roode-, 2 dito rijnsche- en 2 dito witte wijnen, 2 kelders brandewijn, 1 dito genever en daarenboven diverseammunitie: o. a. 2600 pond kruid; andere doch vreemde schepen, vermeerderden den voorraad en ook werd in Mei eenigzins aan eene andere behoefte, die aan slaven voorzien. Een schip van St. Thomas liep te Suriname binnen en wenschte zijne lading o. a. 40 slaven te verkoopen. De eerste en tweede Raden Fiscaal, de heeren Wichers en Karsenboom, verklaarden zich ten sterkste tegen het geven van verlof daartoe, daar zij, volgens hunne instructie,gehouden waren, bepaald te waken tegen den invoer van slaven, door wie het ook ware, anders dan door de W. I. compagnie; doch Texier en de Boekhouder-Generaal besloten om in deze fatale tijden van den nood eene deugd te maken en den kapitein werd toegestaan, zijne lading te verkoopen, mits betalende ƒ 15 recognitie voor ieder slaaf.625
Eindelijk, den 10denJunij 1782, voer de lang verwachte vloot, de rivier Suriname op: zij bestond uit 15 schepen, als: twee fregatten en dertien zoogenaamde Lettres de Marque.626Het gebrek was nu geweken, en weldra kwam er, ook door andere aanvoeren, een zoo groote overvloed van levensmiddelen, dat een schip uit Holland, onder de keizerlijke vlag, met provisie geladen, den 14denSeptember 1782 in Suriname gekomen, geen markt voor zijne lading kon vinden (de provisiën golden minder dan de inkoopsprijs in Holland) en het schip verliet Suriname, om elders een voordeeliger markt op te zoeken.627
Niet slechts kwamen de door de vloot aangebragte levensmiddelen goed te stade, ook de vermeerdering van magt was zeer gewenscht. De Engelschen toch hadden zich van de geleden verliezen hersteld en hunne scheepsmagt in de W. I. zee met 9 linieschepen versterkt628, zoodat hunne vloot thans 36 linieschepen en de Fransche slechts 32 van het zelfde kaliber telde. Geruchten omtrent voornemens van den Engelschen Admiraal Rodney, om te beproeven, de door de Franschen veroverde koloniën te hernemen en ook Suriname aan te tasten, werden verbreid en Texier wenschte op alles, zooveel mogelijk, voorbereid te zijn.
Texier oordeelde, dat voor eene behoorlijke verdediging der kolonie, minstens 2000 man noodig waren, en de krijgsmagt bestond slechts uit 1000 man, waarvan niet meer dan 600 in weerbaren staat. Daarbij had Texier ook veel moeite om de ontevredenheid der soldaten te stillen. Er heerschte onder hen een slechte geest; vele soldaten deserteerden en men sprak zelfs van een komplot onder hen, van 80 à 90 man. De voornaamste oorzaak hiervan was niet het gebrek dat zij hadden moeten lijden, maar de onverstandige, ruwe en despotieke handelingen van hun chef: den luitenant-kolonel van Baerle; de goede discipline, die vroeger »exactelijk geobserveerd” werd, lag geheel in duigen, en Texier had veel te doen, om die eenigzins te herstellen. De vrijwilligers van de Aucaner boschnegers,die op het fort waren geplaatst, werden ook zoo »malcontent,” dat zij weigerden langer te dienen en men hen alzoo ontslaan moest. Men vreesde dat hieruit soms een vredebreuk met hunnen stam zou ontstaan en versterkte alzoo de bezetting van het cordon.629De hulp door de bemanning der Lettres de Marque aangebragt, (de beide fregatten waren kort na hunne aankomst vertrokken, terwijl zij 4 koopvaardijschepen onder convooi namen)630was zeer betrekkelijk. Ook hier ontbrak discipline;»er geschiedde vele ongeregeldheden onder het zeevolk en de kapiteins dier schepen, gedroegen zich zeer »arrogant;” zij matigden zich veel gezag aan en lieten de reveille en taptoe slaan, dat den inwoneren van Paramaribo hooren en zien als verging.”631In overleg met de kapiteins deroorlogsschepenwerd hierin dan ook eenige veranderingen gebragt.
Den 26stenOctober 1782 verlieten de meeste Lettres de Marque de kolonie en werden geconvoyeerd door deoorlogsschepende Thetis en de Valk.632Suriname zou alzoo geheel van de belangrijke bescherming deroorlogsschepenberoofd zijn geweest, zoo niet ’s landsoorlogsschip, de prinses Royal Sophia Frederica Wilhelmine, kapitein van Raders, den 4denOctober 1782 voor Paramaribo was gekomen.633Genoemde heer van Raders schijnt een man van een beminnelijk karakter te zijn geweest; hij wenschte zeer in goede harmonie met den Gouverneur te leven, en gezamenlijk met hem de handen ineen te slaan, tot wering van den mogelijk te verwachten vijand. Noch overceremonieel, noch over andere kleinigheden, rezen nu die hatelijke verschillen, die anders in Suriname zoo gewoon waren. In November arriveerden nog twee oorlogsschepen en de instructie van kapitein Raders luidde: met die bodems naar Curaçao te vertrekken; hij gaf echter aan het dringend verzoekvan Texier en het Hof van Policie toe en bleef tot primo Maart 1783.634
Van Raders verliet den 3denMaart 1783 met zijn schip de kolonie en nam onder zijn geleide twee der nagebleven Lettres de Marque:635doch de hulp der oorlogsvaartuigen kon nu weldra ontbeerd worden, daar nog in diezelfde maand, een ander Hollandschoorlogsschip, (den 16denFebruarij uit Goerêe gezeild) overbrenger der tijding van den prins van Oranje was: dat de Nederlandsche republiek toegetreden was tot den wapenstilstand met Engeland.636Het gevaar voor het oogenblik was alzoo geweken; verscheidene, zoo oorlogs- als koopvaardijschepen, kwamen nu van tijd tot tijd binnen, en den 21stenAugustus ontving Texier deofficieelemededeeling van den Nederlandschen Gezant te Parijs,denheer Lestevenon van Berkenroode, dat HH. MM. toegetreden waren tot den wapenstilstand tusschen onze Republiek en de Britschen kroon,637welke wapenstilstand weldra door vredes-preliminairen en eindelijk door een vredestraktaat gevolgd werd.638
Texier genoot dus de voldoening, dat Suriname voor deSociëteiten voor Nederland behouden was gebleven. Hij had in dien zwaren tijd, met kracht en energie en tevens met voorzigtigheid gehandeld; hij was trouw bijgestaan door den kundigen en algemeen geachten Raad-Fiscaal Wichers, doch had daarentegen meermalen verschil met den Boekhouder-Generaal Wolphert Beeldsnijder Matroos. Grooter moeijelijkheden echter had Texier met den chef der troepen, den luitenant-kolonel van Baerle, tegen wien èn militairen èn burgers, gelijkelijk waren ingenomen. Door bedaardheid en overleg,was het aan Texier ook gelukt den vrede en de eendragt, tusschen de officieren in dienst derSociëteiten die der door HH. MM. gezondenoorlogsschepen, te bewaren, ofschoon dit met regt een zware taak mogt worden genoemd.
Niet slechts als krijgsman, maakte Texier zich verdienstelijk door getrouwe verdediging der kolonie tegen binnen- en buitenlandsche vijanden; ook in andere opzigten wilde hij het heil van Surinames ingezetenen bevorderen. Zoo betoonde hij zich een vriend der zendingszaak onder de Heidensche inwoners, welke taak door de Moravische broeders met zooveel ijver en warme liefde werd ter harte genomen.
Als eene droevige gebeurtenis onder zijn bestuur, moet genoemd worden, het ophouden der zending onder de Indianen te Saron, waartoe onderscheidene omstandigheden medewerkten.639Die onder de bevredigde Saramaccaner-boschnegers had wel met veel te kampen, maar werkte echter niet ongezegend. De zoon van het vroeger opperhoofd Albini (in 1766 in eene expeditie tegen de Matturinegers gesneuveld) werd door het Evangelie getroffen: hij ontving den heiligen doop en werd een waar Christen, die door woord en voorbeeld een goed getuigenis aflegde van de hoop, die in hem was; in Julij 1783 tot algemeen opperhoofd der Saramaccaners benoemd, bezigde hij zijn invloed om de goede verstandhouding der zijnen, met de kolonisten te bewaren.640Vooral droeg de arbeid der liefde onder de negerslaven goede vruchten. Reeds in het begin van 1780 kwamen de Hernhutters bij Texier, met het verzoek, om onder de hand eene collecte te mogen doen, ter vergrooting van hun kerkgebouw, daar hunne middelen te gering waren, »om zulks uyt hunne eygene beurs te kunnen fourneeren.” De talrijkheid der tot de Christelijkereligieovergaande negerslaven maakte die vergrooting noodzakelijk; reeds waren er 109 negers door hen gedoopt en in de gemeente ingelijfd, waaronder slechts 2 kinderen en behalve deze waren er wel 40 volwassenen, die mede in staat waren hunne geloofsbelijdenis af te leggen. Texier stond, na overleg daaromtrent, met deRaden van Policie, hun verzoek met de meeste welwillendheid toe en bewees, dat hij met hunne pogingen ingenomen was, door het volgend getuigenis in zijn dagboek te doen neder schrijven: »Het is te wenschen dat die lieden verder zoo voortgaan, om de slaaven tot het kristelijk geloof over te haalen, want men bespeurd tusschen die geene die daarin zijn opgenomen, en die het Heydendom aankleeven een groot onderscheid ten goede.”641
Het blijkt dat Texier in het godsdienstige, verdraagzaamheid liefhad; zonder dat dit uit minachting voor alle godsdienst voortsproot. Waar dit eenigzins mogelijk was, wilde hij liever door minnelijke schikking dan door geweld, ontstane verschillen uit den weg ruimen. Zoo had hij ter zijde vernomen, dat men op den jaarlijkschen bededag in Augustus 1779 voornemens was, »de Gereformeerde predikanten voor stoelen en banken te laten prediken en allen naar deLutherschekerk te gaan, om den meer begaafden redenaar dier gemeente te hooren.”Hij liet daarop denLutherschenpredikant bij zich komen en stelde hem voor, ten einde de wederzijdsche armen niet te benadeelen, des namiddags te prediken. Deze nam dit aan en alzoo werd er op dien Bededag ’s morgens in de gereformeerde kerk in het Hollandsch gepreekt; ’s middags in de Luthersche kerk, en ’s avonds weder in de Gereformeerde kerk in het Fransch. Texier woonde alle drie deze godsdienstoefeningen bij. Hij kwam over het geheel trouw ter kerke en ofschoon dit evenzeer uit politieke als religieuse oorzaken kon geschieden, willen wij (naar den aard der liefde) de laatste vooral niet miskennen, temeer daar wij hem ook bij andere gelegenheden belangstelling in de verkondiging des Evangelies zien stellen. Behalve de begunstiging van de zending der broedergemeente, leidden wij die belangstelling ook af uit het volgende:
In 1780 waren twee Duitsche proponenten van de Luthersche religie, alsrecrutenin Suriname gekomen. Deze lieden waren van goede getuigschriften omtrent hun gedrag en hunne bekwaamheid voorzien; zij gedroegen zich dan ook uitmuntend,waarom Texier genoopt werd een derzelven, Adam genaamd, op het Fort Nieuw Amsterdam als ziekentrooster en veldprediker aan te stellen. Het garnizoen op genoemd fort was vrij talrijk en Texier verheugde zich dat Adam uitnemend voldeed en tot stichting van officieren en soldaten strekte: na een onderzoek van dien man door Ds. Schierbeek werd ook zijn tractement verhoogd (hij genoot slechts soldaten rantsoen) en ontving hij tot »encouragement” eene gratificatie van ƒ 400.642
Nuttige kennis te bevorderen was Texier mede aangenaam. In December 1779 had eene deputatie ven eenige liefhebbers, die een genootschap tot onderzoek der natuur wenschten op te rigten zich bij hem vervoegd, om hem het honorair lidmaatschap aan te bieden. Met heuschheid nam Texier deze opdragt aan en begaf zich ook naar de eerste vergadering, die in Februarij 1780 werd gehouden. Die vergadering was talrijk bezocht. De heerRaadFiscaal Wichers, president van het collegie, hield eene sierlijke aanspraak en verscheidene der werkende leden lazen fraaije stukken, aangaande de onderzoekingen op het natuurkundig gebied betrekking hebbende, voor.643
De spoedig daarop ingevallen oorlog met Engeland en de vrees die men in Suriname van een aanval der Engelschen koesterde, belette voor het oogenblik aan dergelijke zaken veel tijd te besteden.
De oprigting van het CollegiumMedicum, had mede onder het bestuur van Texier plaats. Den 6denDecember1778en den 18denMei 1781 waren in het Hof van Policie over die oprigting reeds belangrijkediscussiëngevoerd; den 8stenAugustus 1781 werd een concept-instructie van 16 artikels ter tafel gebragt en goedgekeurd; de Raad van Policie Lemmers werd tot president benoemd; de overige leden van het bestuur bestonden uit docters, chirurgijns en apothekers. Den 21stenFebruarij 1782 onderging de instructie eenige wijzingen enwerd de Taxa, waarnaar de onderscheidene beoefenaars der geneeskunde zich moesten regelen vastgesteld.644
Texier die ook gezellige omgang beminde hield, reeds kort na zijne komst tot het bewind (het eerst op woensdag 7 April 1779) eene wekelijksche assemblee aan het Gouvernementshuis voor »alle gedistingueerde heeren en dames in de kolonie.” Hij kwam hierdoor in dadelijke aanraking met de aanzienlijken in Suriname en leerde hen alzoo beter kennen; terwijl die zamenkomsten bevorderlijk waren om de goede verstandhouding onderling zoo veel mogelijk te bewaren.645
De vele vermoeienissen, die Texier in de laatste jaren had ondergaan en de geweldige inspanning waartoe hij genoodzaakt was geweest, hadden zijn gestel, dat evenwel niet heel sterk was,gesloopt. Vooral in het laatste jaar had hij veel aan maagpijnen geleden646; den 18denSeptember 1785 werd hij door een zware koorts aangetast, waarvanhijniet weder opstond; den 25stenSeptember des namiddags ten twee uren blies hij den laatsten adem uit. Hij bereikte den ouderdom van57jaren, 1 maand en 7 dagen.
Voor zoo ver wij uit deofficieeleen andere bescheiden kunnen oordeelen, was Texier iemand, die vele goede hoedanigheden bezat en die, gedurende den korten tijd dat hij de teugels vanhetbewind over Suriname voerde, veel ten goede voor de kolonie heeft verrigt. Zijne voorzigtige en wijze maatregelen tot verdediging der kolonie, tijdens den Engelschen oorlog, bragten er onder Gods hulp veel toe bij, dat Suriname van een aanval der Engelschen bleef verschoond; vooral echter moeten wij in Texier de bekwaamheid roemen, met welke hij de verschillende opiniën, onder militaire en burgerlijke autoriteiten zoo wist te leiden, dat eene meermalen gevreesde botsing voorkomen werd.
Ofschoon wij Texier geen persoonlijken moed willen ontzeggen vinden wij echter in zijn dagboek dikwijls uitdrukkingen,die van eene bezorgdheid getuigen, welke soms den schijn van zekere vreesachtigheid aanneemt; die voornamelijk doorstraalt uit hetgeen in Texiers dagboek omtrent de boschnegers voorkomt, en waar sprake is van eene vermoedelijke vredebreuk met hen; doch—als vertegenwoordiger der blanke bevolking in Suriname beschouwd—drukte Texier slechts haar gevoelen uit, en verhief zich hierin niet boven zijn tijd.
Hij verwierf zich eene algemeene achting en zijn overlijden werd door velen in Suriname hartelijk betreurd.
Denzelfden dag, waarop Texier overleed, werden in eene buitengewone vergadering van het Hof van Politie, de geheime Resolutiën omtrent de tijdelijke opvolging van den Gouverneur geopend en gelezen. De eerste hield de benoeming in van den eersten Raad Fiscaal Wichers tot Interims-Gouverneur; doch hieraan kon geen gevolg worden gegeven, daar genoemde heer zich, met verlof, in Nederland bevond. Er was evenwel in dergelijk geval voorzien: de tweede Resolutie wees den Raad en Boekhouder-Generaal mr. Wolphert Jacob Beeldsnijder Matroos aan, om zich, bij de mogelijke afwezigheid van den heer Wichers, na het overlijden van Texier, met het Interims bestuur te belasten. Hierop ontving de heer Beeldsnijder Matroos, die in de vergadering van het Hof tegenwoordig was, onmiddellijk de gelukwenschingen der aanwezige Raden van Politie en aanvaardde het bewind647.
Den volgenden dag, den 26stenSeptember 1783, werd het lijk van Texier, met de gewone plegtigheden, ter aarde besteld. Ter vermijding van dezelfde onaangenaamheden en moeijelijkheden, waarmede men ten opzigte van het ceremonieel, bij gelegenheid van de begrafenis van Nepveu, tegenover de officieren der ter reede liggende oorlogsschepen te kampen had, werd besloten: den beiden zeekapiteins de zaak voor te stellen, en het aan hunne beslissing overlaten of zij bij de lijkstaatsie wilde tegenwoordig zijn, terwijl er werd bijgevoegd: »dat men het als geene beleediging zoude aanmerken indien zij verkozen te huis te blijven.”
Die heeren waren over de loyale handelwijze van het Hofen den Interims-Gouverneur zeer tevreden, en, ofschoon het corps zee-officieren aan den afgestorvene de laatste eer niet bewees, volgden echter de beide zeekapiteins »ter consideratie der achting voor den overledene” de lijkstaatsie, gaande in rang direct na den Interims-Gouverneur648.
De plegtigheid, met zooveel zorg geregeld, om moeijelijkheden te voorkomen, werd echter op eene andere wijze, en wel door de Joden, verstoord. Als naar gewoonte waren de burger-compagniën te Paramaribo opgeroepen, om in de wapenen als schutters die plegtigheid »te celebreren” en alzoo ook de Joodsche burger-compagnie.
De dag der begrafenis viel juist op een Israëlitischen feestdag; »in plaats van den Interims-Gouverneur op eene decente en respectueuse wijze daaromtrent remonstrantiën te doen,maakten verscheidene Joodsche burgers een geweldig geraas en getier en een hunner Regenten beleedigde zelfs den heer Interims-Gouverneur.”
Deze handelwijze verwekte bij vele ingezetenen verontwaardiging, en de Raad Fiscaal werd door het Hof gelast eene vervolging over die zaak in te stellen. De zaak was evenwel niet van dien aard, dat een regterlijk vonnis volgen kon, waarop het Hof—om het niet geheel ongestraft te laten—bij resolutie van 15 December 1784 besloot: de Joodsche burgers te eximeren, om voortaan bij festiviteiten in de wapenen te komen649.
Deze maatregel echter was der Joodsche natie, die nu om het verkeerd gedrag van enkelen, in haar geheel beleedigd werd, zeer onaangenaam, en, op dringend verzoek harer Regenten, werd deze Resolutie den 15 Februarij 1785 buiten werking gebragt en ingetrokken650.
Mr. W. J. Beeldsnijder Matroos was vijf jaren lang Boekhouder-Generaal geweest en bezat in het finantiële vak vele bekwaamheden. Hij trachtte met die bekwaamheden in zijnenieuwe betrekking nuttig te zijn. Wij zien hem, in den korten tijd, dat hij het bewind over Suriname in handen had, ijverig bezig om verbeteringen in het bestuur der geldmiddelen in te voeren, en pogingen aanwenden om het geschokte crediet op te beuren en tegen verder verval te bewaren.
Onoverkomelijke hinderpalen belemmerden hem telkens in de uitvoering zijner plannen; hij deed echter wat hij kon, en sloeg daarbij een goeden weg in, namelijk: hij beproefdeom door onderling overleg met de ingezetenengewenschte verbeteringen van den droevigen finantiëlen toestand tot stand te brengen. Hij won ook gaarne raad en voorlichting van anderen in en handelde niet als zoo vele hooggeplaatste personen, die vermeenen alles alleen en beter dan ieder ander te weten.
In April 1784 vergaderden eenige personen te Paramaribo, om met elkander over den moeijelijken toestand der kolonie te beraadslagen; na langdurige deliberatiën besloten zij eindelijk, om uit hun midden een paar personen te benoemen, ten einde in Holland de geldelijke belangen der kolonisten voor te staan. De keuze en benoeming dier personen hadden dan ook werkelijk plaats; slechts over de aan hen te verleenen vergoeding voor reis- en verblijfkosten was nog eenig verschil. Beeldsnijder Matroos vernam een en ander en liet daarop een paar dier heeren bij zich komen en, hoewel hij bun mededeelde, dat hij in beginsel niet tegen dergelijke pogingen was, raadde hij hun om nog eenigen tijd te wachten en verzocht hen vriendelijk, met hem te overleggen hoe het beste in deze was te handelen651.
Door dergelijke handelingen won hij het vertrouwen der kolonisten, verkreeg hij meer invloed en was het hem alzoo gemakkelijker de zaken naar zijn inzigt te leiden. Meermalen werd dan ook de finantiële kwestie door hem in het Hof ter sprake gebragt en daaromtrent voorstellen gedaan, die een gunstig onthaal vonden.
Indien er de eene of andere finantiële kwestie ter sprake of een rekwest dat daarop betrekking had, ter tafel kwam;nam Beeldsnijder Matroos die gelegenheid waar, om zijne denkbeelden ten beste der kolonie ingang te verschaffen. Zoo werd o. a., toen een door zekeren Jakob Soesman ingediend rekwest, om eenige gelden op hypotheek van den lande te mogen ontvangen, in het Hof werd besproken, door Beeldsnijder Matroos eene belangrijke memorie ingeleverd. In deze memorie wees hij op de importante schade, die het land of de koloniale kas vroeger bij het verleenen van gelden op hypotheek geleden had; hij erkende, dat eene meerdere securiteit alzoo volstrekt noodig was, doch dat, zoo deze behoorlijk kon worden vastgesteld, men toch op deze wijze de burgers gerieven en zelfs de koloniale kas bevoordeelen kon, waarop hij het volgende voorstelde:
In plaats van 1000 stuks obligatiën à ƒ 250.— te verbranden, (waartoe men het voornemen had, om de menigte papieren, die zonder soliede waarborg, zeer gebrekkig geld vertegenwoordigde, te verminderen) ze op hypotheek in betaling te geven; de interest (op de huizen te Paramaribo 8 procent, op suiker, koffij, cacao en katoen-plantaadjes 6 procent en op houtgronden 10 procent), te bezigen om die obligatiën in te ruilen en eerst daarna te verbranden652. Eenigzins gewijzigd is hieraan gevolg gegeven.
Van grooter belang en dieper ingrijpende waren de beide voorstellen door Beeldsnijder Matroos, in de vergadering van het Hof den 31 Augustus 1784 ter nadere bespreking overgegeven. Het eerste behelsde niets minder dan: eene reductie van de door de planters aan de geldschieters verschuldigde kapitalen tot op de innerlijke waarde der verhypothekeerde effecten. In den regel had men door te hooge prisatie en andere schelmachtige streken veel meer geld op de plantaadjes enz. ontvangen, dan derzelver innerlijke waarde bedroeg; dit veroorzaakte een abnormalen en onhoudbaren toestand, dien Beeldsnijder Matroos door de voorgestelde reductie wenschte te doen ophouden. Hij wilde dan van dit verminderd kapitaal de schuldenaars 6 procent intrest doen betalen, waarvan de geldschietersslechts 4 procent zouden ontvangen, terwijl men de overige 2 procent moest doen oploopen, om hieruit van tijd tot tijd een dividend aan de houders der obligatiën uit te keeren, die hierdoor, tegen den tijd der uitkeering, zouden rijzen en levendigheid aan de speculatie bijzetten.
Het tweede voorstel bestond: in het verleenen van meerdere vrijheid aan de planters bij het verkoopen hunner producten, waardoor zij grootere voordeelen dan op de gewone wijze zouden kunnen bedingen. Het Hof vereenigde zich met de denkbeelden van den Interims-Gouverneur en beide voorstellen werden ter goedkeuring aan HH. directeuren en H. H. M. toegezonden653.
In verscheidene publieke kassen heerschten schaarschte en tevens verwarring654. Texier had wel getracht, zoo veel hem mogelijk was, ook hierin orde en regel te bevorderen, maar de omstandigheden waren daartoe zeer ongunstig geweest: de buitengewone bemoeijingen ter verdediging der kolonie tegen een onverhoopten vijandelijken aanval hadden bijkans zijn geheelen tijd ingenomen. Die verdediging had ook vele onvermijdelijke groote uitgaven na zich gesleept. Volgens daarvan opgemaakte rekening bedroeg o. a. alleen: de huur voor slaven tot den arbeid aan ’s lands werken voor de defensie der kolonie, de vergoeding der in ’s lands dienst overledenen aan hunne meesters en de door de planters geleverde provisiën tijdens de jaren 1781–83 eene som van ƒ 40,772.19655.