Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijnepoging, om de belangrijke vorderingen, die desociëteitaan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg656.Den 21stenNovember 1783 echter bragt een Hollandsch fregat deofficieeletijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2denSeptember 1783 te Parijs geteekend waren657, en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat658.De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld”659; zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergeldingtoepasten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren gevlogen.” Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ 12.— maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen660. Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoekentoestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd661. Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij662en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt663, voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning”, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd664.Deze woning, »Gouverneurs lust” geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aangenaamvoorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen eneen enander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ 1874.5 bedroegen665; doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam ’s avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; menverdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,” besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen—maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden666.Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij tweeàdrie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur667.Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen enmogelijkevredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg668; maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missiveovergezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W. I.Sociëteitvoorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en deSociëteitzouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven669: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17denDecember 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23stenApril 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden670. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbodengoederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen671.Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven endepêchesnaar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven ofdepêchesdoor de Indianen overgebragt; somsbelasttenzich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit ’s lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ 30.— en voor de terugreis ƒ 10.—672.Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ 400.— ’s jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1½ bottel inkt en 4 bos pennen673.De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien674. En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor deintellectueelebelangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten675. Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie” en zijn spoedig aftreden »een geluk voor de natie”676. Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden vanPoliciemoesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur677. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1stenDecember 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22stenDecember 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24stenDecember het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam678.De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bijdergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd679.De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid alom waar te nemen” zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16denMaart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;” de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ookzwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta’s van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd680.Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.” Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon681.Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van hetConventusvan 1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christelijkengodsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias”682.De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt683.In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef684).Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29stenJanuarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1stenFebruarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: »hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden”685. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaarkonden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn”686.Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ 3000 verleend, die in 1789 tot ƒ 5000 werd verhoogd687.Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie”; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting688.Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas »deerlijk in de war” was689.De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ 600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz.200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28stenNovember 1784.Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord690.De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ 600.— aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eenekoffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ 8000.— op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ 25,000.— en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ 74,745.—. Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van ⅝ der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ 149,900.— (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ 93,182.10).Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ 400.— te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ 150.—, ƒ 200.—, ƒ 300— en ƒ 500.— à 4 procent’s jaars daargesteld, waarin voor ƒ 7000.— deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje691.Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren692.De drukkende belasting van ’s jaarlijks ƒ 600.— aan ’s Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ 8000.— afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ 700.— voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand693.Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren derSociëteitom ondersteuning;2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ 1500.—, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11denAugustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21stenderzelfde maand, gewezen van de hand.Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan694.De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met hetverzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en—men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders695.Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken696.De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname697gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen.Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: »In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten698.Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6deartikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, omtrentoft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen.”Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid699; gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt700.Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10denNovember 1787701; doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen702.Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden703, zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren dersociëteitin 1754 bekrachtigd704. De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8stenMaart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt705.” Wichers ontving alzoo »de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de PortugeescheJoodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth’ Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden”706.Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,” het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.” Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.” Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd707.Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz.72) en den 12denOctober 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natiedaaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot708.Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz.313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleinedanspartijenen andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig709.Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op ’s Heeren straten aantrof710.Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed711.Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden vanloterijengevormd; eene van ƒ 50,000.— en eene van ƒ 30,000.—. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,—»doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was”712. (Zonderlinge redenering.)Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.»Misschien,” redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij ’t best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.”Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten,” voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.”Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een joodvan groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan713.Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hunvaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz.383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen enbediscussieerd.De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren714.Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust715.Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur.”Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16denFebruarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte enschromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden.”Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25stenFebruarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte.716Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen717.Een ander collegie onder den naam vanSurinaamsche lettervriendenwerd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd718. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel “Surinaamsche mengelpoëzij” heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap719.In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over hetlicentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de “uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden.” In dit vers getiteld: “de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L.” kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesprokenwas, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo720. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen:Licentieus boekdrukken.In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van “Surinaamsche Spectator” bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, “dat”, zoo luidde zijne aanklagt, “er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren.”Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent “eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst.” Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden721.Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. “De letteren,” merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: “maaktenin Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; ’t welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen”722.De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz.181enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.
Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijnepoging, om de belangrijke vorderingen, die desociëteitaan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg656.Den 21stenNovember 1783 echter bragt een Hollandsch fregat deofficieeletijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2denSeptember 1783 te Parijs geteekend waren657, en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat658.De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld”659; zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergeldingtoepasten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren gevlogen.” Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ 12.— maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen660. Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoekentoestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd661. Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij662en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt663, voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning”, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd664.Deze woning, »Gouverneurs lust” geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aangenaamvoorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen eneen enander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ 1874.5 bedroegen665; doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam ’s avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; menverdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,” besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen—maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden666.Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij tweeàdrie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur667.Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen enmogelijkevredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg668; maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missiveovergezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W. I.Sociëteitvoorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en deSociëteitzouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven669: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17denDecember 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23stenApril 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden670. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbodengoederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen671.Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven endepêchesnaar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven ofdepêchesdoor de Indianen overgebragt; somsbelasttenzich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit ’s lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ 30.— en voor de terugreis ƒ 10.—672.Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ 400.— ’s jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1½ bottel inkt en 4 bos pennen673.De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien674. En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor deintellectueelebelangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten675. Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie” en zijn spoedig aftreden »een geluk voor de natie”676. Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden vanPoliciemoesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur677. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1stenDecember 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22stenDecember 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24stenDecember het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam678.De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bijdergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd679.De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid alom waar te nemen” zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16denMaart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;” de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ookzwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta’s van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd680.Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.” Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon681.Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van hetConventusvan 1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christelijkengodsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias”682.De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt683.In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef684).Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29stenJanuarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1stenFebruarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: »hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden”685. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaarkonden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn”686.Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ 3000 verleend, die in 1789 tot ƒ 5000 werd verhoogd687.Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie”; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting688.Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas »deerlijk in de war” was689.De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ 600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz.200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28stenNovember 1784.Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord690.De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ 600.— aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eenekoffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ 8000.— op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ 25,000.— en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ 74,745.—. Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van ⅝ der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ 149,900.— (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ 93,182.10).Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ 400.— te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ 150.—, ƒ 200.—, ƒ 300— en ƒ 500.— à 4 procent’s jaars daargesteld, waarin voor ƒ 7000.— deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje691.Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren692.De drukkende belasting van ’s jaarlijks ƒ 600.— aan ’s Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ 8000.— afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ 700.— voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand693.Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren derSociëteitom ondersteuning;2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ 1500.—, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11denAugustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21stenderzelfde maand, gewezen van de hand.Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan694.De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met hetverzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en—men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders695.Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken696.De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname697gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen.Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: »In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten698.Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6deartikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, omtrentoft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen.”Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid699; gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt700.Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10denNovember 1787701; doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen702.Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden703, zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren dersociëteitin 1754 bekrachtigd704. De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8stenMaart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt705.” Wichers ontving alzoo »de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de PortugeescheJoodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth’ Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden”706.Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,” het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.” Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.” Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd707.Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz.72) en den 12denOctober 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natiedaaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot708.Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz.313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleinedanspartijenen andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig709.Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op ’s Heeren straten aantrof710.Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed711.Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden vanloterijengevormd; eene van ƒ 50,000.— en eene van ƒ 30,000.—. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,—»doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was”712. (Zonderlinge redenering.)Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.»Misschien,” redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij ’t best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.”Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten,” voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.”Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een joodvan groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan713.Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hunvaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz.383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen enbediscussieerd.De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren714.Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust715.Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur.”Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16denFebruarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte enschromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden.”Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25stenFebruarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte.716Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen717.Een ander collegie onder den naam vanSurinaamsche lettervriendenwerd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd718. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel “Surinaamsche mengelpoëzij” heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap719.In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over hetlicentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de “uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden.” In dit vers getiteld: “de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L.” kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesprokenwas, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo720. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen:Licentieus boekdrukken.In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van “Surinaamsche Spectator” bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, “dat”, zoo luidde zijne aanklagt, “er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren.”Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent “eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst.” Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden721.Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. “De letteren,” merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: “maaktenin Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; ’t welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen”722.De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz.181enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.
Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijnepoging, om de belangrijke vorderingen, die desociëteitaan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg656.Den 21stenNovember 1783 echter bragt een Hollandsch fregat deofficieeletijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2denSeptember 1783 te Parijs geteekend waren657, en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat658.De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld”659; zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergeldingtoepasten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren gevlogen.” Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ 12.— maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen660. Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoekentoestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd661. Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij662en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt663, voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning”, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd664.Deze woning, »Gouverneurs lust” geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aangenaamvoorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen eneen enander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ 1874.5 bedroegen665; doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam ’s avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; menverdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,” besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen—maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden666.Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij tweeàdrie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur667.Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen enmogelijkevredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg668; maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missiveovergezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W. I.Sociëteitvoorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en deSociëteitzouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven669: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17denDecember 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23stenApril 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden670. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbodengoederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen671.Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven endepêchesnaar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven ofdepêchesdoor de Indianen overgebragt; somsbelasttenzich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit ’s lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ 30.— en voor de terugreis ƒ 10.—672.Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ 400.— ’s jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1½ bottel inkt en 4 bos pennen673.De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien674. En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor deintellectueelebelangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten675. Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie” en zijn spoedig aftreden »een geluk voor de natie”676. Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden vanPoliciemoesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur677. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1stenDecember 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22stenDecember 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24stenDecember het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam678.De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bijdergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd679.De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid alom waar te nemen” zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16denMaart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;” de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ookzwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta’s van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd680.Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.” Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon681.Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van hetConventusvan 1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christelijkengodsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias”682.De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt683.In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef684).Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29stenJanuarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1stenFebruarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: »hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden”685. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaarkonden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn”686.Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ 3000 verleend, die in 1789 tot ƒ 5000 werd verhoogd687.Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie”; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting688.Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas »deerlijk in de war” was689.De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ 600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz.200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28stenNovember 1784.Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord690.De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ 600.— aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eenekoffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ 8000.— op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ 25,000.— en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ 74,745.—. Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van ⅝ der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ 149,900.— (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ 93,182.10).Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ 400.— te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ 150.—, ƒ 200.—, ƒ 300— en ƒ 500.— à 4 procent’s jaars daargesteld, waarin voor ƒ 7000.— deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje691.Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren692.De drukkende belasting van ’s jaarlijks ƒ 600.— aan ’s Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ 8000.— afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ 700.— voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand693.Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren derSociëteitom ondersteuning;2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ 1500.—, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11denAugustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21stenderzelfde maand, gewezen van de hand.Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan694.De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met hetverzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en—men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders695.Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken696.De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname697gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen.Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: »In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten698.Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6deartikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, omtrentoft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen.”Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid699; gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt700.Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10denNovember 1787701; doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen702.Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden703, zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren dersociëteitin 1754 bekrachtigd704. De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8stenMaart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt705.” Wichers ontving alzoo »de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de PortugeescheJoodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth’ Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden”706.Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,” het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.” Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.” Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd707.Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz.72) en den 12denOctober 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natiedaaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot708.Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz.313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleinedanspartijenen andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig709.Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op ’s Heeren straten aantrof710.Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed711.Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden vanloterijengevormd; eene van ƒ 50,000.— en eene van ƒ 30,000.—. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,—»doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was”712. (Zonderlinge redenering.)Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.»Misschien,” redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij ’t best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.”Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten,” voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.”Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een joodvan groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan713.Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hunvaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz.383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen enbediscussieerd.De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren714.Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust715.Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur.”Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16denFebruarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte enschromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden.”Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25stenFebruarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte.716Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen717.Een ander collegie onder den naam vanSurinaamsche lettervriendenwerd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd718. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel “Surinaamsche mengelpoëzij” heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap719.In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over hetlicentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de “uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden.” In dit vers getiteld: “de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L.” kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesprokenwas, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo720. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen:Licentieus boekdrukken.In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van “Surinaamsche Spectator” bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, “dat”, zoo luidde zijne aanklagt, “er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren.”Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent “eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst.” Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden721.Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. “De letteren,” merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: “maaktenin Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; ’t welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen”722.De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz.181enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.
Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijnepoging, om de belangrijke vorderingen, die desociëteitaan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg656.Den 21stenNovember 1783 echter bragt een Hollandsch fregat deofficieeletijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2denSeptember 1783 te Parijs geteekend waren657, en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat658.De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld”659; zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergeldingtoepasten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren gevlogen.” Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ 12.— maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen660. Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoekentoestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd661. Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij662en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt663, voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning”, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd664.Deze woning, »Gouverneurs lust” geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aangenaamvoorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen eneen enander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ 1874.5 bedroegen665; doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam ’s avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; menverdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,” besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen—maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden666.Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij tweeàdrie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur667.Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen enmogelijkevredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg668; maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missiveovergezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W. I.Sociëteitvoorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en deSociëteitzouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven669: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17denDecember 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23stenApril 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden670. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbodengoederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen671.Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven endepêchesnaar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven ofdepêchesdoor de Indianen overgebragt; somsbelasttenzich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit ’s lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ 30.— en voor de terugreis ƒ 10.—672.Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ 400.— ’s jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1½ bottel inkt en 4 bos pennen673.De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien674. En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor deintellectueelebelangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten675. Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie” en zijn spoedig aftreden »een geluk voor de natie”676. Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden vanPoliciemoesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur677. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1stenDecember 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22stenDecember 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24stenDecember het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam678.De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bijdergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd679.De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid alom waar te nemen” zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16denMaart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;” de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ookzwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta’s van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd680.Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.” Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon681.Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van hetConventusvan 1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christelijkengodsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias”682.De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt683.In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef684).Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29stenJanuarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1stenFebruarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: »hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden”685. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaarkonden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn”686.Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ 3000 verleend, die in 1789 tot ƒ 5000 werd verhoogd687.Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie”; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting688.Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas »deerlijk in de war” was689.De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ 600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz.200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28stenNovember 1784.Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord690.De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ 600.— aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eenekoffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ 8000.— op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ 25,000.— en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ 74,745.—. Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van ⅝ der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ 149,900.— (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ 93,182.10).Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ 400.— te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ 150.—, ƒ 200.—, ƒ 300— en ƒ 500.— à 4 procent’s jaars daargesteld, waarin voor ƒ 7000.— deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje691.Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren692.De drukkende belasting van ’s jaarlijks ƒ 600.— aan ’s Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ 8000.— afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ 700.— voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand693.Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren derSociëteitom ondersteuning;2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ 1500.—, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11denAugustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21stenderzelfde maand, gewezen van de hand.Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan694.De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met hetverzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en—men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders695.Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken696.De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname697gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen.Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: »In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten698.Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6deartikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, omtrentoft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen.”Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid699; gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt700.Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10denNovember 1787701; doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen702.Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden703, zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren dersociëteitin 1754 bekrachtigd704. De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8stenMaart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt705.” Wichers ontving alzoo »de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de PortugeescheJoodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth’ Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden”706.Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,” het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.” Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.” Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd707.Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz.72) en den 12denOctober 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natiedaaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot708.Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz.313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleinedanspartijenen andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig709.Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op ’s Heeren straten aantrof710.Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed711.Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden vanloterijengevormd; eene van ƒ 50,000.— en eene van ƒ 30,000.—. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,—»doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was”712. (Zonderlinge redenering.)Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.»Misschien,” redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij ’t best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.”Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten,” voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.”Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een joodvan groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan713.Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hunvaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz.383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen enbediscussieerd.De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren714.Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust715.Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur.”Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16denFebruarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte enschromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden.”Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25stenFebruarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte.716Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen717.Een ander collegie onder den naam vanSurinaamsche lettervriendenwerd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd718. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel “Surinaamsche mengelpoëzij” heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap719.In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over hetlicentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de “uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden.” In dit vers getiteld: “de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L.” kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesprokenwas, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo720. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen:Licentieus boekdrukken.In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van “Surinaamsche Spectator” bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, “dat”, zoo luidde zijne aanklagt, “er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren.”Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent “eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst.” Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden721.Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. “De letteren,” merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: “maaktenin Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; ’t welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen”722.De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz.181enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.
Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijnepoging, om de belangrijke vorderingen, die desociëteitaan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg656.Den 21stenNovember 1783 echter bragt een Hollandsch fregat deofficieeletijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2denSeptember 1783 te Parijs geteekend waren657, en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat658.De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld”659; zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergeldingtoepasten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren gevlogen.” Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ 12.— maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen660. Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoekentoestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd661. Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij662en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt663, voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning”, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd664.Deze woning, »Gouverneurs lust” geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aangenaamvoorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen eneen enander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ 1874.5 bedroegen665; doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam ’s avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; menverdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,” besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen—maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden666.Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij tweeàdrie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur667.Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen enmogelijkevredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg668; maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missiveovergezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W. I.Sociëteitvoorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en deSociëteitzouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven669: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17denDecember 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23stenApril 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden670. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbodengoederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen671.Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven endepêchesnaar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven ofdepêchesdoor de Indianen overgebragt; somsbelasttenzich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit ’s lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ 30.— en voor de terugreis ƒ 10.—672.Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ 400.— ’s jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1½ bottel inkt en 4 bos pennen673.De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien674. En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor deintellectueelebelangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten675. Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie” en zijn spoedig aftreden »een geluk voor de natie”676. Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden vanPoliciemoesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur677. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1stenDecember 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22stenDecember 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24stenDecember het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam678.De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bijdergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd679.De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid alom waar te nemen” zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16denMaart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;” de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ookzwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta’s van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd680.Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.” Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon681.Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van hetConventusvan 1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christelijkengodsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias”682.De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt683.In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef684).Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29stenJanuarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1stenFebruarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: »hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden”685. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaarkonden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn”686.Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ 3000 verleend, die in 1789 tot ƒ 5000 werd verhoogd687.Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie”; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting688.Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas »deerlijk in de war” was689.De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ 600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz.200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28stenNovember 1784.Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord690.De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ 600.— aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eenekoffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ 8000.— op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ 25,000.— en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ 74,745.—. Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van ⅝ der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ 149,900.— (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ 93,182.10).Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ 400.— te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ 150.—, ƒ 200.—, ƒ 300— en ƒ 500.— à 4 procent’s jaars daargesteld, waarin voor ƒ 7000.— deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje691.Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren692.De drukkende belasting van ’s jaarlijks ƒ 600.— aan ’s Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ 8000.— afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ 700.— voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand693.Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren derSociëteitom ondersteuning;2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ 1500.—, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11denAugustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21stenderzelfde maand, gewezen van de hand.Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan694.De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met hetverzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en—men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders695.Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken696.De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname697gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen.Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: »In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten698.Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6deartikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, omtrentoft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen.”Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid699; gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt700.Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10denNovember 1787701; doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen702.Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden703, zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren dersociëteitin 1754 bekrachtigd704. De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8stenMaart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt705.” Wichers ontving alzoo »de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de PortugeescheJoodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth’ Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden”706.Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,” het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.” Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.” Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd707.Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz.72) en den 12denOctober 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natiedaaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot708.Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz.313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleinedanspartijenen andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig709.Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op ’s Heeren straten aantrof710.Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed711.Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden vanloterijengevormd; eene van ƒ 50,000.— en eene van ƒ 30,000.—. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,—»doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was”712. (Zonderlinge redenering.)Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.»Misschien,” redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij ’t best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.”Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten,” voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.”Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een joodvan groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan713.Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hunvaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz.383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen enbediscussieerd.De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren714.Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust715.Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur.”Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16denFebruarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte enschromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden.”Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25stenFebruarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte.716Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen717.Een ander collegie onder den naam vanSurinaamsche lettervriendenwerd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd718. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel “Surinaamsche mengelpoëzij” heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap719.In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over hetlicentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de “uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden.” In dit vers getiteld: “de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L.” kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesprokenwas, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo720. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen:Licentieus boekdrukken.In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van “Surinaamsche Spectator” bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, “dat”, zoo luidde zijne aanklagt, “er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren.”Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent “eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst.” Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden721.Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. “De letteren,” merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: “maaktenin Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; ’t welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen”722.De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz.181enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.
Wij begrijpen dat het alzoo den Interims-Gouverneur onmogelijk was om in den korten tijd van zijn bestuur alles op effen voet te brengen. Vooral ondervond hij moeijelijkheden in zijnepoging, om de belangrijke vorderingen, die desociëteitaan de koloniale kas had, te regelen en een begin te maken met dezelve af te doen: hierbij kon hij niet op medewerking van de Raden van Politie rekenen.
Het gerucht, dat de vredes-onderhandelingen tusschen onze Republiek en de Kroon van Engeland niet tot goede resultaten leidden en misschien zouden worden afgebroken, verwekte nieuwe vrees in de kolonie en men nam op nieuw eenige maatregelen van voorzorg656.
Den 21stenNovember 1783 echter bragt een Hollandsch fregat deofficieeletijding over, dat de vredes-preliminairen tusschen onzen Staat en de Engelsche Kroon den 2denSeptember 1783 te Parijs geteekend waren657, en den 17 November 1784 ontving men de copie van het definitieve vredestractaat658.
De vrees voor den buitenlandschen vijand was alzoo voor dit oogenblik verdwenen; doch nu dreigde het gevaar weder van een anderen kant. Weinige dagen na het ontvangen der tijding van de teekening der vredes-preliminairen kwam er berigt uit het district Para, dat de Marrons de aldaar gelegene plantaadje La bonne Amitié hadden overvallen, de gebouwen verbrand, sommige slaven medegevoerd, anderen mishandeld en den blanken officier Maas gedood. Ook was, volgens dat berigt, de directeur niet te voorschijn gekomen en vreesde men, dat hij in den brand was omgekomen. Alleen dit laatste bevestigde zich niet; de directeur had zich met de vlugt gered en zich zoo lang in de struiken verborgen gehouden, tot dat de Marrons de plantaadje en den omtrek verlaten hadden; doch al het andere was maar al te waar. Bij het in brand steken der plantaadje-gebouwen hadden de Marrons een luid geschreeuw aangeheven en geroepen: »Zoo hebt gij blanken ook met ons gehandeld”659; zoodat zij eenvoudig de wet der wedervergeldingtoepasten. Een gedeelte van het vrijcorps werd afgezonden om de Marrons op te sporen, doch »de vogels waren gevlogen.” Het is opmerkelijk, dat men in Suriname, toen men ieder oogenblik den aanval van een buitenlandschen vijand vreesde, weinig of geen overlast van de Marrons had gehad, en dat, zoodra de vrede hersteld en dus die vrees geweken was, er telkens weder aanvallen op plantaadjes geschiedden. Slechts door den ijver en de vigilantie van het vrijcorps, dat zich gedurig op de bedreigde punten vertoonde en de Marrons in hunne schuilhoeken terugdreef, werden grootere onheilen verhoed. De maatregel door Texier genomen, om door de aanstelling van een eminent hoofd, waarvoor de leden van het corps tegelijk liefde en ontzag hadden, de rust der kolonie te bevorderen, voldeed uitmuntend. De daartoe gekozene persoon de heer Friderici was juist de man, die hiervoor geschiktheid bezat. Dapper, streng, regtvaardig, doch tevens minzaam, won hij geheel hun vertrouwen, terwijl hij zelf ook groot belang stelde in den goeden staat van het corps, en tevens de belangen van elk lid in het bijzonder ter harte nam.
In 1784 was het getal leden door sterfte en andere omstandigheden zeer verminderd en bedroeg slechts 178 personen, waarvan verscheidene door verkregen ongemakken en zwakte buiten staat waren behoorlijk de dienst waar te nemen. Friderici drong er nu op aan om het corps weder voltallig te maken en op zijn voorstel werd door Gouverneur en Raden besloten, om uit het eerstkomende slavenschip 15 à 20 man te koopen en die na een proeftijd, zoo zij hiertoe geschikt werden bevonden, in het corps in te lijven; ook werd Friderici verlof gegeven, om vrije mulatten of negers te engageren tegen ƒ 12.— maandelijksche soldij, het ordinaire rantsoen en vrije montering, terwijl zij bovendien een handgeld zouden ontvangen660. Ook namen eenige der Aucaansche negers dienst bij dit corps.
Was de dienst in de bosschen zwaar en vermoeijend, zij werd hun ligt door op te merken, dat hunne diensten op prijs werden gesteld en men hen goed verzorgde en billijke verzoekentoestond. Zoo werd ook van tijd tot tijd door hen aanzoek gedaan, om over de hun door de regering geschonken erven bij uitersten wil te mogen beschikken, welk verzoek meestal onder eenige restrictie toegestaan werd661. Ook kochten zij soms bloedverwanten vrij662en sommigen verhieven zich tot den rang van welgezeten burgers.
De beide compagniën vrije negers en mulatten in 1770 mede door Nepveu opgerigt663, voldeden minder goed en vond men hier dezelfde ongeregeldheden als bij de compagniën schutters, die enkel uit blanken bestonden, en waarover dikwijls en bij herhaling geklaagd werd.
De andere maatregelen tot bescherming tegen de binnenlandsche vijanden was het Cordon, dat thans deszelfs voltooijing nabij was.
Het eene gedeelte van dit Cordon nam een begin bij de Joden Savane; had een grond van wit zand, eene breedte van 150 en 200 voet, was aan de eenen zijde bezet met krijgsposten en aan den andere met digt bosch en strekte tot aan de Commewijne uit; het andere gedeelte liep van de Commewijne tot bijkans aan de zee. De hoofdpost bij het eerstgenoemde gedeelte heette Mauritsburg. Hier stond het Hospitaal en nabij hetzelve de zoogenaamde »huishoudelijke woning”, die door Beeldsnijder Matroos veel verbeterd werd664.
Deze woning, »Gouverneurs lust” geheeten, was met schoone tuinen omringd, beplant met velerlei kruiden, kleine boomen en moesgroenten. Op uitgestrekte weilanden graasden een aantal runderen, bestemd voor de zieken van het hospitaal, alsmede verscheidene paarden en muilezels, benoodigd, om de levensmiddelen uit de Savane naar de onderscheidene posten over te voeren. Het geheel was goed onderhouden en had een aangenaamvoorkomen, dat echter getemperd werd indien men een blik sloeg op de werklieden, misdadigers, zoo blanken als slaven, die aldaar geboeid den hun opgelegden arbeid moesten verrigten, om dus voor hunne wanbedrijven te boeten.
Door directeuren waren reeds meermalen plannen gevormd, om door kolonisatie van blanken een zekeren voormuur tegen de Marrons daar te stellen; doch, hoe dikwijls gevormd en beproefd, steeds waren zij mislukt. Niettegenstaande de droevige ondervinding daarbij opgedaan gaven de directeuren het toch nog niet op.
In 1779 hadden zij aan Texier bevolen hier en daar, digt bij het Cordon, gronden uit te geven en de ontginning daarvan door blanken op allerlei wijze te bevorderen. Dit bevel echter had Texier in de toen zoo drukkende tijden niet ten uitvoer kunnen leggen; Beeldsnijder Matroos liet nieuwe proeven nemen eneen enander werd in gereedheid gebragt, waarvan de onkosten ƒ 1874.5 bedroegen665; doch de nieuwe proef mislukte evenzeer als de vorige. In de Semeribo-kreek was een kostgrond aangelegd en aan een daarop geplaatsten blanke eene slavin tot het verrigten van huiswerk en veldarbeid, benevens gereedschappen enz. verstrekt. Spoedig werd die grond echter door den blanke verlaten, die naar Paramaribo terugkeerde.
Dat het mislukken van dergelijke ondernemingen vooral aan gebrek aan ijver en energie moet worden toegeschreven, en dat, waar deze gevonden worden, er veel kans tot welslagen is, trachtte Beeldsnijder Matroos o. a. te bewijzen door eene ontmoeting mede te deelen, op zijne reis in de divisie Para. Daar toch had hij een arbeidersgezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw, verscheidene kinderen en twee of drie slaven. Tijdens zijn bezoek was de vrouw bezig met huisselijken arbeid en onderwees tevens hare kinderen; de man kwam ’s avonds met zijn bijl over den schouder van zijn werk, ofschoon vermoeid toch vrolijk, te huis. Er heerschte eene betrekkelijke welvaart; menverdiende genoegzaam voor levensonderhoud en hield zelfs nog over. »Kon men zulke blanke landbouwers overhalen zich op de door HH. directeuren geprojecteerde etablissementen te vestigen, dan bestond er gegronde hoop, dat dergelijke nederzettingen wel slagen zouden,” besloot Beeldsnijder Matroos zijne mededeeling in de vergadering van het Hof van 10 September 1784, en wij willen hem dit gaarne toestemmen—maar dergelijke personen zijn zoo schaars te vinden666.
Na het ophouden van den oorlog met Engeland kwam er nieuwe levendigheid in de kolonie; vooral bezochten vele Amerikaansche schepen Suriname en dreven een vrij sterken handel. Behalve de provisiën door hen aangebragt werd ook nu weder in het gebrek aan muilezels voorzien, waaraan in den Engelschen oorlog eene groote schaarschte was ontstaan. Deze dieren waren van groot nut en voornamelijk voor die werkzaamheden, waar het vervoeren van zware lasten een hoofdvereischte was. Vele slaven konden hierdoor worden uitgewonnen, daar men berekende, dat men met twee karren, ieder bespannen met twee muilezels en waarbij tweeàdrie slaven als voerlieden dienden, men meer specie vervoeren kon dan met twaalf of veertien slaven, die dien last op hunne hoofden droegen. Vijf à zes honderd gulden werden dan ook doorgaans voor een muilezel betaald en dit was niet te duur667.
Niet slechts Amerikaansche, ook Portugeesche schepen en somtijds Duitsche verschenen voor Paramaribo om handel te drijven. De geruchten omtrent verwikkelingen enmogelijkevredebreuk tusschen onzen staat en den Duitschen Keizer noopten echter wel tot eenige voorzigtigheid en maatregelen van voorzorg668; maar milder begrippen omtrent den handel wonnen in Suriname veld, waarvan o. a. het volgende getuigt:
In Maart 1784 werd door directeuren eene copie missiveovergezonden van zekeren Goozewind Erkelins, wonende in den staat Connecticut in Nieuw-Engeland, gedagteekend den 16 Mei 1783, waarop door HH. directeuren het oordeel van Gouverneur en Raden werd verzocht. Genoemde heer had aan de W. I.Sociëteitvoorstellen tot een wederkeerigen handel gedaan. Hij wenschte een zeker monopolie te erlangen, in het zenden van provisie naar Suriname, waarvoor hij op gelijke wijze als retourvracht al de in de kolonie te maken melassiestroop wilde opkoopen. Er moesten dan wel is waar te Paramaribo magazijnen worden opgerigt, om de melassie tot de komst van zijne schepen te bewaren, hetgeen eenige kosten zou veroorzaken; doch hij verklaarde zich bereid een gedeelte dier kosten op zich te nemen en gaf verder hoog op van de vermoedelijke voordeelen, die uit dit monopolie voor de planters en deSociëteitzouden voortvloeijen, enz. Gouverneur en Raden oordeelden echter teregt, dat dergelijk monopolie eer na- dan voordeelig voor de kolonie zoude werken en dat concurrentie verre te verkiezen was. In dien zin werd daarop aan HH. directeuren geschreven669: de overeenkomst met den heer Erkelins kwam niet tot stand.
Een ander voorstel, aan het Hof bekend gemaakt door eene missive van HH. directeuren van den 17denDecember 1783, betreffende het permitteren van eene vaart tusschen Suriname en Noord-Amerika heen en terug, vond meer bijval. Ook volgens dit voorstel bleven er nog vele restrictiën; doch het reeds daaromtrent bestaande placaat van den 23stenApril 1704 zou er toch in milden zin door geamplieerd en gealtereerd worden670. Gunstig werd hierover aan HH. directeuren geadviseerd. Dat men in Suriname meer en meer wenschte om den handel van de vele kwellende banden te bevrijden, bleek uit verscheidene Resolutiën van het Hof en andere omstandigheden. Onder vele vermelden wij er slechts één. Directeuren beklaagden zich bij het Hof, dat er sluikhandel met Amerikaansche schepen werd gedreven: tegen de wet en overeenkomsten werden meermalen suiker en andere verbodengoederen met die vaartuigen vervoerd. Directeuren wilden hiertegen bepalingen maken, die niet konden nalaten den geheelen handel eenigzins te belemmeren. Na kennisgeving hiervan antwoordden Gouverneur en Raden: dat zij beloofden strengelijk tegen dien sluikhandel te zullen waken, maar tevens dringend verzochten, om den geoorloofden handel geen hinderpalen in den weg te leggen671.
Suriname heeft ook aan Beeldsnijder Matroos eene betere regeling van het verzenden der brieven endepêchesnaar Berbice, Demerary en Essequebo te danken. Tot dien tijd ging dit zeer onregelmatig; soms werden brieven ofdepêchesdoor de Indianen overgebragt; somsbelasttenzich de schippers, die van de eene naar de andere plaats voeren, er zich mede, doch eene geregelde orde ontbrak, waardoor men soms lang naar tijding moest wachten. Volgens een nu, op voorstel van den Interims-Gouverneur, door het Hof genomen besluit, werd bepaald: dat de posthouder aan de Corentijn, om de andere maand, de brieven van Berbice naar Paramaribo en van daar naar Berbice zou overbrengen; behalve billijke port voor particuliere brieven zou hij uit ’s lands kas hiervoor eene toelage genieten, als: voor iedere reis van Berbice naar Suriname ƒ 30.— en voor de terugreis ƒ 10.—672.
Het was mede op bevel van Beeldsnijder Matroos, dat de luitenant-kolonel van Baerle een accoord aanging met den schoolmeester H. Beumer, om aan 25 militairen het lezen, schrijven en cijferen te leeren, tegen eene belooning van ƒ 400.— ’s jaars en voor ieder leerling daarenboven ½ riem papier, 1½ bottel inkt en 4 bos pennen673.
De gevangenis in Zeelandia, die, met steenen bevloerd, zoo ongezond was, dat de gevangenen gedurig ziek werden, liet hij in beteren staat brengen en van een planken vloer voorzien674. En niet slechts zorgde Beeldsnijder Matroos voor deintellectueelebelangen der soldaten en den tijdelijken welstand der gevangenen, maar tevens verfraaide hij de stad Paramaribo, door de straten, tijdens zijn bestuur meer algemeen met oranjeboomen te doen beplanten675. Wie echter Beeldsnijder Matroos ook voldoen kon, den Joden niet. Zij waren niet met hem ingenomen. Reeds bij de begrafenis van Texier hadden zij hiervan blijken gegeven. Hun oordeel over zijn persoon luidde: hij was onbedreven in de »huishoudelijke zaken der natie” en zijn spoedig aftreden »een geluk voor de natie”676. Zij respecteerden en ontzagen hem weinig. Toen er in December 1784 twee nieuwe Raden vanPoliciemoesten worden benoemd, over welke benoeming nog al eenig verschil tusschen den Interims-Gouverneur en het Hof ontstond, kwamen de Joden niet bij ZWEGestr. om van hem te vernemen, wie door hem het liefst als Raad verlangd werd, maar stemden naar eigen willekeur677. Deze handelwijze streed tegen den gewonen regel, daar de Gouverneur anders meestal door de stemmen der Joden de nominatie naar zijnen wil leiden kon.
Beeldsnijder Matroos behoefde zich echter niet lang aan dit gedrag der Joden te ergeren, want spoedig naderde de tijd, waarop hij de teugels van het bewind uit zijne handen in die van den nieuw benoemden Gouverneur-Generaal Mr. Jan Gerhard Wichers kon overgeven. De tijding dier benoeming was den 1stenDecember 1784 te Suriname aangekomen, en 21 dagen later, den 22stenDecember 1784, zeilde het Hollandsche fregat, kapitein C. Koos, de Suriname op, aan welks boord zich de heer Wichers bevond, die den 24stenDecember het bestuur van Beeldsnijder Matroos overnam678.
De onderscheidene redevoeringen, die als naar gewoonte bijdergelijke gelegenheden gehouden werden, droegen den stempel van onderlinge achting en welwillendheid. Beeldsnijder Matroos ontving zoo van Wichers als van de Raden van Politie grooten lof over de wijze waarop hij de zaken had bestuurd679.
De heer Wichers, in 1771 ter vervulling der belangrijke betrekking van Raad Fiscaal in de kolonie gekomen, was met derzelver behoeften bekend en daar hij in het moeijelijk ambt om: »het regt der hooge overheid alom waar te nemen” zich veel achting had verworven, werd zijne terugkomst in Suriname, in de waardigheid van Gouverneur-Generaal, over het algemeen met blijdschap begroet. In een vers van den Surinaamschen dichter P. F. Roos, bij deze gelegenheid vervaardigd, en aan Wichers bij zijne plegtige installatie op den 16denMaart 1785 aangeboden, wordt die komst genoemd: »een heilstraal die Suriname kwam beschijnen;” de dichter huldigde verder de edele hoedanigheden van den nieuwen Gouverneur en gaf de hooggestemde verwachting, die men van zijne komst aan het bewind koesterde, in verzen lucht.
Wichers werd algemeen als een kundig en verlicht man beschouwd en hem tevens eene groote mate van verdraagzaamheid zoo in het politieke als religieuse toegeschreven.
Bij den blik, dien wij thans willen werpen op den godsdienstigen toestand en den staat van het armwezen, zullen wij reeds hieromtrent eenige bijzonderheden kunnen opmerken; bij de vermelding van de ontwaakte zucht voor letterkunde zullen wij Wichers leeren kennen als een ijverig bevorderaar daarvan en uit zijne verdere handelingen als Gouverneur zal het ons blijken, dat hij de jegens hem gekoesterde verwachting niet geheel heeft teleurgesteld. Had hij ookzwakheden en gebreken, het is echter minder hieraan dan aan den ongunstigen loop der omstandigheden en aan de droevige verblindheid der Surinamers toe te schrijven, dat Suriname zich niet uit het naderend verval kon opheffen.
Bij het overzigt over den kerkelijken toestand en de armverzorging ten dien tijde in Suriname, rigtten wij thans het eerst den blik op de Hervormde of staatskerk. Omtrent den toestand der Hervormde kerk kan echter weinig worden medegedeeld. De voornaamste bronnen, waaruit wij kunnen putten, de acta’s van het Conventus Deputatorum, werden telkens minder belangrijk. Het Conventus in 1788 gehouden duurde slechts twee dagen en uit den boezem van hetzelve kwam het verzoek aan het Hof, dat men het voortaan, in plaats van ieder jaar, om de drie jaren zou houden, hetgeen dan ook door het Hof goedgevonden werd680.
Het scheen alles vrij geregeld toe te gaan; er waren minder onderlinge twistingen, maar of er meerder godsdienstig leven was valt moeijelijk hieruit alleen op te maken. In de acta van 1786 vindt men nog weder eens eene klagt over de Hernhutters: »die menschen maatigen zich aan, om slaaven buiten kennis van hunne meesters of meesteressen in hunne godsdienst te onderwijzen, aan te neemen en te doopen; hetgeen zelfs in de Gereformeerde Kerk niet mogt geschieden.” Aan HH. Commissarissen politiek werd verzocht deze klagt bekend te maken, opdat het Hof hiertegen waken kon681.
Om in plaats van dergelijke kleingeestige aanmerkingen, die zeker niet van ingenomenheid met dien arbeid der liefde getuigden, zelven met ijver de handen aan den ploeg te slaan en het Evangelie van genade der slaven te verkondigen, bestond helaas (wij merkten dit reeds vroeger op) weinig opgewektheid bij de predikanten. En slechts zeer zelden vindt men een berigt als wij lezen in de acta van hetConventusvan 1788, »de predikanten onderwijzen van tijd tot tijd neegers in den Christelijkengodsdienst en neemen hen aan tot ledematen van Vorst Messias”682.
De gemeente aan de Commewijne had sedert 1758 geen eigen leeraar gehad en, ofschoon die zaak meermalen ter sprake kwam, werd er echter geen gevolg gegeven aan de herhaalde verzoeken om een leeraar; het kerkgebouw verviel en werd later gesloopt683.
In de gemeente van Perica en Cottica werd de predikdienst vrij geregeld door een aldaar gevestigd predikant waargenomen. De in den tijd van Wichers aldaar dienende leeraar was Ds. J. C. de Cros.
Reeds in 1770 had hij zijn ambt in die gemeente aanvaard; van Februarij 1780 tot April 1781 was hij te Paramaribo werkzaam geweest, doch toen door zijne vorige gemeente teruggeroepen, had hij die roepstem gehoor gegeven en er zijn dienstwerk hervat, (hij was de laatste predikant dier gemeente, daar hij in Julij 1797 ten tweede male naar Paramaribo beroepen, deze beroeping aannam en zijne betrekking in Perica en Cottica sedert onvervuld bleef684).
Te Paramaribo waren bij afwisseling een, twee of drie predikanten geweest. Toen Wichers aan het bewind kwam, bevonden er zich drie predikanten aldaar: Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporron. Kort na zijn optreden overleden de twee eerstgenoemden, als Ds. Schierbeek den 29stenJanuarij 1785 en Ds. Donkerman drie dagen later, den 1stenFebruarij. Omtrent den eerste vermeldt Wichers in zijn dagboek, dat: »hij was een man, die redelijk wel predikte, dog zijn lichaam veel verwaarloosde; het was egter te wenschen, dat hij herstelt was geweest, dewijl men dikwijls gevaar loopt van met min vreedzaamen opgescheept te worden”685. Van Donkerman geeft de Gouverneur een gunstig getuigenis: »Hij was een braaf man, aan wien alle eigenschappen van een opregt Evangelie-dienaarkonden worden toegelegd; zijn overlijden is een verlies voor die kolonie, dat bezwaarlijk zal te herstellen zijn”686.
Er bleef alzoo slechts een predikant, Ds. Sporron, over, om de predikdienst en andere aan het ambt verbonden pligten waar te nemen; terwijl eerst in November 1789 in de bestaande vacature door de overkomst van Ds. Groenevelt werd voorzien. Na het door Ds. Grob in 1783 genomen Emeritaat is er geen leeraar voor de Fransch-Gereformeerde (Waalsche) gemeente geweest.
De vermeerdering der armen hield geen gelijken tred met de vermeerdering van liefdegaven ten hunnen behoeve; de daarenboven aan de Gereformeerde armen verleende voorregten, als een gedeelte der op sommige wetsovertredingen gestelde boeten enz. enz. stijfden de diaconale kas niet genoegzaam, en men zag zich weldra in de onmogelijkheid gebragt, om de armen uit die kas te onderhouden. De Kerkeraad van Paramaribo wendde zich alzoo in 1786 tot het Hof van Policie, om subsidie te mogen erlangen. Dit verzoek werd toegestaan en eene jaarlijksche subsidie van ƒ 3000 verleend, die in 1789 tot ƒ 5000 werd verhoogd687.
Hoewel Gouverneur en Raden hun goeden wil ten dezen opzigte toonden, vonden zij zich evenwel verpligt, om den Kerkeraad van Paramaribo ernstig te vermanen, van beter op de armverzorging toe te zien. Het ophalen der gelden geschiedde met »verregaande negligentie”; het toezigt over het Diaconiehuis was zeer gebrekkig en er heerschte veel verkwisting688.
Die vermaningen schenen echter weinig doel te treffen, want in de notulen van het Hof vindt men o. a. in 1789 hernieuwde klagten dat de diaconiale kas »deerlijk in de war” was689.
De Luthersche gemeente had met veel wederwaardigheden te kampen.
In 1741 was haar onder bezwarende voorwaarde (namelijk het opbrengen eener jaarlijksche belasting van ƒ 600, tot onderhoud van het hospitaal) toegestaan een eigen kerkgebouw op te rigten, dat in 1741 begonnen en in 1744 voltooid werd; in 1742 was de eerste Luthersche predikant, Ds. Pfaff, in Suriname gekomen (zie bladz.200). Sedert dien tijd had de gemeente meestal een, soms echter twee predikanten gehad. Enkele dezer mannen waren door gaven en ijver uitmuntende; anderen daarentegen verwekten twist en tweedragt: in den Kerkeraad ging het nu en dan hevig toe. Door vertrek of onverwacht overlijden van predikanten was de Luthersche gemeente meermalen zonder voorganger. Zoo goed mogelijk werd dan echter in de dienst voorzien door een ouderling, die des zondags eene preek voorlas en alzoo de gemeente trachtte te stichtten.
Toen Ds. Carel Ferdinand Guntzer Ritter, om redenen van gezondheid, in Mei 1783 Suriname had verlaten, werden de openbare godsdienstoefeningen geregeld voortgezet, onder de leiding van den voorzanger en cathechiseermeester Bernard Kerman, die, op verzoek van een gedeelte der gemeente, daartoe de predikatiën van den abt Jerusalem voorlas.
In November 1784 kwam Ds. Reinhart Ritter, laatst predikant te Utrecht, in Suriname en hield zijne intreerede den 28stenNovember 1784.
Als een blijk van de zonderlinge wijze, waarop toenmaals in Suriname godsdienstige plegtigheden werden opgeluisterd, vermelden wij, dat, op verzoek van den heer C. Nagel, oud-ouderling der Luthersche gemeente, de scheepskapitein, met wien Ds. Ritter den overtogt had gedaan, na het eindigen der godsdienstoefening, met het losbranden van het scheepsgeschut salueerde, welk saluut door de andere ter reede liggende vaartuigen werd beantwoord690.
De behoefte aan een kerkefonds, waaruit de predikant, de koster enz. moesten worden betaald en dat tevens strekken moest voor het onderhoud van kerk en pastorie en voor de jaarlijksche contributie van ƒ 600.— aan het hospitaal, werd weldra gevoeld. De heer Knöffel, een aanzienlijk lid der gemeente, schonk daartoe in 1757 een stuk land, groot 250 akkers, gelegen aan de Beneden-Commewijne, en geschikt tot het aanleggen van eenekoffij-plantaadje. Dit geschenk kwam der gemeente duur te staan. Ter bestrijding der onkosten voor het aanleggen en bebouwen van den grond en den aankoop der daartoe benoodigde slaven werd eene buitengewone collecte gedaan, en men ondervond allerwege eene groote milddadigheid. Onderscheidene koopvaardij-kapiteins deden aanbiedingen van materialen (steenen, kalk en cement) tot het oprigten der gebouwen; nu en dan werden slaven kosteloos afgestaan om op de plantaadje te arbeiden; enkelen werden zelfs geschonken; doch dit alles was niet genoegzaam; er waren meer gelden noodig.
Men besloot reeds, na eenige andere mislukte pogingen ter verkrijging daarvan, in 1758 eene som van ƒ 8000.— op hypotheek te nemen bij den heer M. Broen te Amsterdam. Die schuld werd gedurig grooter, en zelfs niettegenstaande in dien tijd der gemeente eene erfenis ten deele viel van zekeren Jan Schuttelaar, ten bedrage van ƒ 25,000.— en niettegenstaande (zoo het heette) de administratie kosteloos werd waargenomen, wies de schuld zoozeer aan, dat in 1771 het aan den heer Broen competerende saldo was geklommen tot ƒ 74,745.—. Op verzoek van den heer Broen en op voorstel van den Administrateur werd de oude hypotheek geannuleerd en eene nieuwe daarop gevestigd, ten bedrage van ⅝ der laatste prisatie. Deze had plaats gevonden in de maand Februarij van hetzelfde jaar, toen de plantaadje werd geschat op eene waarde van ƒ 149,900.— (de hypotheek bedroeg alzoo ƒ 93,182.10).
Een huis, door den inmiddels overleden oud-ouderling J. G. Telbingen aan de kerk vermaakt, werd in 1774 verkocht, om den kassier-diaken een voorschot van ƒ 400.— te rembourseren. Ook werd er eene negotiatie in kleine aandeelen van ƒ 150.—, ƒ 200.—, ƒ 300— en ƒ 500.— à 4 procent’s jaars daargesteld, waarin voor ƒ 7000.— deelgenomen werd. Als waarborg hiervoor werd de pastorie verhypothekeerd. Deze gelden moesten voornamelijk strekken tot het aankoopen van slaven voor de plantaadje691.
Dit alles echter kon de vermeerdering van schuld bij den hypotheekhouder niet verhoeden. De heer Broen verlangde medebeheering in de Administratie, of dat de schuld zou worden voldaan, of dat de plantaadje hem tot kwijting daarvan zou worden toegewezen.
Aan dit eerste verlangen werd voldaan in 1785 door de aanstelling van den heer André tot mede-Administrateur; verder wilde de Kerkeraad de plantaadje wel aan den heer Broen afstaan, indien hij al de andere schuld voor zijne rekening nam en den laatsten koffijpluk aan de kerk overliet. Hierin nam genoemde heer echter geen genoegen. Onder gestadige onderhandelingen met den heer André, schrijven en wederschrijven en altijd ernstiger bedreigingen van den heer Broen, verliepen nog eenige jaren692.
De drukkende belasting van ’s jaarlijks ƒ 600.— aan ’s Rijks-Hospitaal uit te keeren was in 1768 voor eene som van ƒ 8000.— afgekocht. Men was daartoe in staat gesteld door een edelmoedig aanbod van den oud-ouderling J. G. Telbingen, die deze belangrijke som uit eigene middelen daartoe verstrekte. Er kwamen werkelijk vele giften voor de kerk. De heer Knöffel had in 1762 een fraai orgel geschonken. Op den dag der plaatsing werd ƒ 700.— voor het onderhoud er van gecollecteerd. Mevrouw Kraaijvanger gaf een fraai zilveren doopbekken; gedurig werd door vermogende gemeenteleden de kas gestijfd, en toch gingen de finantiën achteruit.
De onderneming van den aanleg van eene plantaadje had vele kosten veroorzaakt. Wij zeggen het den eerwaarden Moes, aan wiens opstel over de Geschiedenis der Evangelisch-Luthersche Gemeente in Suriname wij veel hebben ontleend, volmondig na: nimmer had een christelijk kerkbestuur zich in deze onderneming behooren in te laten.
Slecht beheer zoo over die plantaadje als over de andere kerkfondsen (twee kerkmeesters o. a. lieten bij hun overlijden een duchtig deficit in de kas achter), onverwachts overlijden van predikanten, wier weduwen pensioen moesten ontvangen enz. enz. werkten tot dezen droevigen staat mede.
Ook de Diaconie-kas verkeerde in slechten toestand. Het getal behoeftigen, die in het Diaconie-huis werden opgenomen, nam steeds toe. Onder hen bevonden zich ook vele bejaarde, zieke en buiten brood zijnde plantaadje-bedienden, die kosteloos werden verpleegd. De Kerkeraad rigtte zich uit dien hoofde, bij rekwest van 7 December 1785, tot den Gouverneur en het Hof, met verzoek, om een of tweemaal in het jaar, bij de plantaadje-bewoners ten behoeve van het Diaconie-huis te mogen collecteren. Onder de restrictie, dat men zich enkel tot geloofsgenooten zou bepalen, werd dit toegestaan.
Doch ook dit baatte niet genoegzaam; de kas der Diaconie verkeerde in 1788 weder in een zeer slechten staat. Er werd nu een breedvoerig rekwest aan Gouverneur en Raden ingediend, inhoudende het verzoek, om eene jaarlijksche subsidie van 5 à 6 duizend gulden van den lande, ter tegemoetkoming in de kosten tot onderhoud der armen in het Diaconie-huis. De Boekhouder-Generaal adviseerde hierop ongunstig en daarop werd dit verzoek gewezen van de hand693.
Men trachtte toen met de Hervormde Diaconie in schikking te komen; daar ontving men een ontwijkend antwoord. De Gouverneur Wichers werd nu in den arm genomen en geraadpleegd: hij vermeende, dat het Hof op een aanzoek tot leening wel gunstig zou beschikken, en dat men zich tevens tot hetzelve moest wenden, om brieven van voorschrijving bij HH.Directeuren. Overeenkomstig dezen raad werd in Augustus 1788 alzoo een nieuw rekwest ingediend; daarin verzocht men:
1o. Brieven van voorschrijving door Gouverneur en Raden bij een voorgenomen adres aan HH. Directeuren derSociëteitom ondersteuning;
2o. Eene driemaandelijksche toelage van ƒ 1500.—, bij wijze van leening, totdat het antwoord op gemeld adres zou zijn ingekomen.
Dit verzoek werd, wat aangaat het eerste punt, bij resolutie van den 11denAugustus van 1788, ingewilligd; doch, wat betreft het tweede, na ingewonnen advies van den Raad Boekhouder-Generaal, bij besluit van den 21stenderzelfde maand, gewezen van de hand.
Door den drang der nijpende omstandigheden besloot men eenige commensalen uit het Diaconie-huis weg te zenden; dezen beklaagden zich hierover bij den Gouverneur, die daarop den kassier Diacoon bij zich ontbood. De Gouverneur vermaande den Kerkeraad, om de weggezonden commensalen weder op te nemen, dewijl de gemeente zich had verbonden voor hare armen te zorgen en hij vermeende, dat zij dit thans te eerder moest doen, daar het Hof nog zoo kort geleden de verlangde brieven van voorschrijving had verleend, waaromtrent hij niet twijfelde, of zij zouden van een gewenscht effect zijn. Op raad van den Gouverneur werd er nu, in afwachting daarvan, eene buitengewone collecte bij de in- en opgezetenen gedaan694.
De broedergemeente breidde zich steeds meer en meer uit. De Evangelie-prediking onder de slaven werd ruimschoots gezegend, en niet slechts in de stad Paramaribo en in hare naaste omgeving werd deze arbeid der liefde getrouw behartigd: de gemeente rigtte haren liefdevollen blik naar de zonder troost levende plantaadje-slaven. In Februarij 1785 vervoegden de voorstanders der gemeente zich tot den Gouverneur met hetverzoek, om een door hen aangewezen stuk grond aan de rivier Commewijne, bij het fort Sommelsdijk, aan de gemeente af te staan, ten einde aldaar een zendingstation ten behoeve der plantaadje-slaven op te rigten. Dit verzoek, door Wichers in de vergadering van het Hof ondersteund, werd goed opgenomen en aan de waardige zendboden werd, wel niet het door hen verlangde, maar een ander geschikte grond geschonken en—men verwachtte veel goeds van de vestiging der Morarische broeders695.
Dat die verwachting niet teleurgesteld werd zullen wij later doen opmerken696.
De in de kolonie verspreidde Roomsch-Catholieken hadden meermalen pogingen aangewend, om de vrijheid te erlangen hunne godsdienst openlijk te vieren en als gemeente te worden erkend. Steeds waren die pogingen zonder goeden uitslag gebleven, thans echter gelukten zij.
Voornamelijk hadden de Roomsch-Catholieken te Amsterdam zich de belangen hunner geloofsgenooten in Suriname aangetrokken. Zij hadden zich in de eerste plaats tot heeren Directeuren en regeerders der kolonie Suriname697gewend. Dezen zonden dit rekwest naar Suriname, om het gevoelen van Gouverneur en Raden daaromtrent te vernemen.Het Hof was gunstig voor het verzoek gestemd. De hoofdinhoud der missive, daarover door hetzelve aan HH. Directeuren gezonden, luidde als volgt: »In aanmerking neemende, dat wij thans de tijden beleeven, dat veele vooroordeelen schijnen te wijken, en de verdraagzaamheid hoe langer hoe meer veld wint bij de beschaafde volkeren, vermeenen Gouverneur en Raden, dat het verzoek der rekwestranten kan worden toegestaan, echter onder de volgende restrictiën:
1o. dat de plaats tot openbare godsdienstoefening niet anders zijn mag dan te Paramaribo;
2o. hunne vergaderplaats of kerk geen ander aanzien hebbe dan een gewoon burgerhuis;
3o. slechts wereldlijke priesters worden toegelaten, die in cas van wangedrag door Gouverneur en Raden, zonder vorm van proces, uit de kolonie kunnen worden weggezonden;
4o. omgangen en processiën verboden blijven en de priesters zich op straat niet anders dan in burgerlijke kleeding mogen vertoonen;
5o. hunne armen niet komen ten laste van den staat;
6o. geene slaven tot hunne godsdienst mogen overgaan;
7o. zoo zij tegen een of ander der vastgestelde punten handelen, hunne kerk gesloten worde;
8o. zij zich verder zullen gedragen, volgens de voorwaarden en bepalingen, bij placaten en reglementen door de Staten van Holland, omtrent de uitoefening van de Roomschen godsdienst geëmaneerd.
Verder liet men aan HH. directeuren over, om nadere restrictiën en bepalingen te vormen, welke zij oirbaar zouden achten698.
Het Hof had echter hieromtrent milder begrippen dan HH. Directeuren; want toen dezen later het 6deartikel, waarbij verboden werd, dat slaven tot de Roomsch-Catholieke godsdienst overgingen, wilden uitbreiden en toepassen op vrije mulatten en negers, antwoordden Gouverneur en Raden: »dat het verbod aan de Roomschen om slaaven tot hunnen godsdienst te lokken aanmoedigen en veelmin aanneemen uit politieque redenen voortvloeyde, om geene openbaare gelegendheden te geven, tot het insluypen van verscheidene ongeregeldheden, die onder het dekmantel van godsdienstoefening door de slaaven zouden kunnen worden bedreeven, oft waartoe deselve zouden kunnen worden geëmployeerd, dog dat vrye mulatten en neegers, die oftschoon voor het grootste gedeelte gemanumitteerd, nogtans alle de voorregten van vrye geboorenen in den Burgerstaat genieten, en het daarom niet gevoeglyk te compasseeren is, dat ymand die de vryheid geniet zoude worden bepaald, omtrentoft te wel verstooten van de een oft andere geloofsbelydenis, die een zoodanige, veelligt nyt overtuiging zoude willen aanneemen.”
Gouverneur en Raden verzochten dus dat het artikel onveranderd bleef en niet zou worden uitgebreid699; gelijk dan ook dienovereenkomstig is geschied.
In 1785 nog kwamen twee Roomsch-Catholieke priesters in Suriname. Hunne hier en daar verspreidde geloofsgenooten waren over deze komst zeer verheugd, en spoedig werd een groot huis van twee verdiepingen gekocht, waarvan het benedenste gedeelte tot kerk en het bovenste tot eene woning voor de priesters werd ingerigt. De meeste inwoners, zoo Christenen als Joden, gaven bijdragen tot voltooijing van dit gebouw.
Op den eersten April 1787 werd de nieuwe kerk plegtig ingewijd, onder het celebreren eener Hoogmis. De Gouverneur en de leden der beide Hoven werden tot het bijwonen dezer plegtigheid uitgenoodigd en woonden dezelve bij. De toevloed van nieuwsgierigen was ontzaggelijk groot. Velen, die in Suriname waren geboren en nooit Europa hadden bezocht en alzoo nimmer eene godsdienstoefening der Roomsch-Catholieken hadden gezien, stonden verbaasd bij het aanschouwen der ceremoniën, die zoo weinig overeenkomst bezaten met die der Protestanten.
De Joden meenden daarin eenige overeenkomst te zien met de viering der Israëlitische godsdienst in den tempel te Jeruzalem. Veel eere en begroetingen en heilwenschen werden den autoriteiten toegebragt700.
Een der Roomsche priesters, Adriaan Kerstens, verliet in hetzelfde jaar de kolonie, en zijn ambtgenoot Albertus van Doornick overleed den 10denNovember 1787701; doch reeds in het begin van 1788 kwam de priester Petrus van Noort de vacante plaats vervullen.
Het getal Roomsch-Catholieken was in de eerste tijden zeer gering, zoodat zij moeijelijk in staat waren, om in al het noodige voor de eeredienst te voorzien en de schulden af te betalen, die men tot aankoop en bouw der kerk en pastorie had moeten maken. De verzorging hunner eigene armen, waartoe zij, volgens artikel 3 der voorwaarden op hunne toelating gesteld, verpligt waren, kon dus niet dadelijk geschieden. In December 1788 echter berigtte de pastoor, dat de Roomsch-Catholieke gemeente voortaan voor haar eigen armen zou zorg dragen702.
Bij de Portugesche Joodsche gemeente heerschte steeds veel verwarring. Behalve dat er partijschappen onder hen bestonden, die bij den achtergang der kolonie, waarin de Joden vooral deelden703, zeer ten nadeele voor hunne belangen strekten, kwamen de verschillen op kerkelijk gebied.
Reeds onder Mauritius en von Spörche had de regeling van onderscheidene kerkelijke verordeningen vele moeijelijkheden veroorzaakt. De regeling was echter tot stand gekomen en onder den naam van Ascamoth door H. H. M. en de prinses Gouvernante en HH. Directeuren dersociëteitin 1754 bekrachtigd704. De behoefte naar veranderingen deed zich thans op nieuw gevoelen en een groot gedeelte der natie drong hierop sterk aan.
De Joodsche regenten stelden veel vertrouwen in Wichers, want op de algemeene vergadering van Regenten en bijgevoegden (het collegie der Mahamad en Universele Junta), gehouden den 8stenMaart 1785, waar de verbetering van de instellingen en het bestier der natie werd besproken, besloot men deze over te laten »aan de zorgen en het bescheiden oordeel van den heer Gouverneur, ten einde die daarover naar zijne wijsheid oordeelen mogt705.” Wichers ontving alzoo »de magt en authoriteit om te disponeeren in zoodanige middelen als hij tot reforme en redres onder de PortugeescheJoodsche natie, zoo omtrent deszelfs privilegiën, Ascamoth’ Usantiën, costumen als finantiën van den Sinagoge, nuttig en billijk mogt bevinden”706.
Nadat Wichers met deze magt bekleed, omtrent het een en ander nader was ingelicht, waartoe voornamelijk de adjunct-penningmeester David de Is. C. Nassy (een der schrijvers van de historische proeve) hem ten dienste stond, achtte hij het noodig, »alvoorens eenige pogingen van reforme of redres te beramen,” het getal der Regenten te vergrooten en dezelven voor een langeren tijd, dan bij de Ascamoth was bepaald, in hun ambt te doen continueren, »om daardoor met gestadigheid, zorg en vlijt te kunnen werken, en door eene grondige verkreegene kennis van zaaken, in staat gesteld te worden om een volledig en welgesteld plan van reforme uit te werken.” Zeven Regenten werden toen voor drie en een half jaar aangesteld en onder dezen D. I. C. Nassy. Deze nieuwe Regenten beijverden zich, om, overeenkomstig den last hun door den Gouverneur opgedragen, »de gemoederen der leden in het bijzonder voor te bereiden; en allengs bragten zij het zoo verre, dat zij de nieuwe instellingen, of Ascamoth, in order hebbende gebragt, dezelve aan de algemeene vergadering der natie overgaven, om daar onderzocht en vervolgens goedgekeurd te worden.” Dit geschiedde in gepaste orde en met de vereischte omstandigheden en werd daarna den heere Gouverneur aangeboden, die de nieuwe regeling of Ascamoth aan HH. Directeuren zond, om door hen en H. H. M. te worden geapprobeerd707.
Kort na de aanstelling der nieuwe Regenten vond het honderdjarig jubelfeest plaats van de stichting der Synagoge op de Joden Savane. Deze Synagoge was onder van Sommelsdijk in 1685 gebouwd (zie bladz.72) en den 12denOctober 1785 werd het eeuwfeest dier stichting met veel plegtigheid gevierd. De Gouverneur en de meeste leden der beide Hoven woonden dit feest bij, waarbij alle praal, die de natiedaaraan met mogelijkheid kon bijzetten, niet gespaard werd, als: kostbare tafels met ruim 300 schotels, eene illuminatie van 1000 lampions en fraaije decoratiën. Er werd gegeten en gedronken, vele toasten ingesteld, eenige Hebreeuwsche gebeden uitgesproken, enz. enz. Een tweetal dichtstukken van de heeren Roos en Lemmers werden voorgedragen; terwijl een luisterrijk bal (Surinaamsche gewoonte) het feest besloot708.
Bij deze gelegenheid had de Savane nog eens weder een feestelijk aanzien; zij begon anders zeer te vervallen. Er woonden nog slechts een twintig arme huisgezinnen; vele huizen waren onbewoond en vervielen door het onvermogen der meesters om ze te herstellen. De natie had hare meeste plantaadjes verloren (zie bladz.313, 14, 15); vijf achtste derzelve woonden te Paramaribo; de arme lieden, die nog op de Savane toefden, vonden hun bestaan in het drijven van koopmanschap met de officieren en soldaten van het Cordon; doch bij vermeerdering der concurrentie verdienden zij naauwelijks het noodige tot hun levensonderhoud. In de maand September bij de viering van het loofhuttenfeest kwamen echter nog vele personen van Paramaribo en de plantaadjes en vulden de gedeeltelijk ledig staande huizen. Verscheidene Christenen kwamen dan ook de Savane bezoeken, verlustigden zich in wandeltogtjes naar het Cordon en waren deelgenooten van de kleinedanspartijenen andere vreugdebedrijven door de Joden gegeven. De gezonde lucht, die men er inademde; de vrijheid, die men er genoot om naar welgevallen te leven; de goede sier, die er werd gemaakt; dit alles tezamen maakte de Savane voor den tijd van vier weken tot een aangenaam verblijf. Waren de feesten afgeloopen en de aanzienlijken naar de stad teruggekeerd, dan werd het er weder doodsch en treurig709.
Niettegenstaande de groote verliezen door de Joden geleden, bevonden er zich onder hen nog verscheidene rijke menschen. Bij de Portugesche gemeente vond men, ten dien tijde, personen en familiën, die van vijftig tot viermaal honderd duizend gulden kapitaal bezaten; grootendeels bijeenverzameld door den handel met de Engelschen enz.; en ook, die twintig tot vijftig duizend besteedden in de houtvellingen, welke goede opbrengsten gaven.
Enkele kapitalisten, die honderd vijftig tot twee honderd duizend gulden bezaten, waren ook onder de Duitsche Joden. Het grootste gedeelte der beide natiën, wel twee derde, echter behoorde tot de behoeftigen.
De weinige rijken hadden alzoo veel voor hunne rekening. Behalve de verzorging hunner talrijke armen moest de Portugeesch-Israëlitische gemeente de straks vermelde Synagoge op de Savane onderhouden en die in Paramaribo (in 1729 gebouwd); de Hoogduitsche Israëlitische voor hunne Synagoge in de stad, waarvan de eerste steen in 1775 was gelegd. Geen der beide Joodsche gemeenten hadden een bijzonder huis ter verpleging hunner armen; doch ieder arm huisgezin genoot naar evenredigheid van zijne behoeften, eene jaarlijksche bezoldiging, zoodat men weinig of in het geheel geen bedelaars onder hen op ’s Heeren straten aantrof710.
Behalve de algemeene armenkas, wier gemiddelde uitgaven zeven à acht duizend gulden bedroeg, waren bij de Portugeesch-Israëlitische gemeente nog drie broederschappen, die in betrekking tot armverzorging stonden, als: de een tot begraving der dooden en het onderhoud der kerkhoven; de andere tot verzorging der zweetdoeken of doodlakens, doodvaten, grafsteenen enz. en het onderhoud der arme huisgezinnen gedurende de zeven dagen van den rouw; de derde tot bijstand der zieken en bezorging van hetgeen zij noodig hebben. Door deze drie broederschappen werd ongeveer vier duizend gulden jaarlijks tot onderstand der armen besteed711.
Zoogenaamd ter tegemoetkoming voor de armen werden in 1787 ook twee plannen tot het houden vanloterijengevormd; eene van ƒ 50,000.— en eene van ƒ 30,000.—. 10 pCt. zou van de te betalen prijzen en premiën voor de Gereformeerde armen worden ingehouden. HH. Directeuren, aan wie het verzoek, om hiertoe vrijheid te verleenen, was gedaan, antwoordden, dat zij deze gemelde loterijen zouden toestaan,—»doch geene meer, voordat de ondervinding zoude hebben geleerd, dat dezelve geene zoo nadeelige gevolgen op de zeden en gemoederen der inwoners hebben, als dit in Europa het geval was”712. (Zonderlinge redenering.)
Bij de mededeeling der bijzonderheden op kerkelijk gebied loopt het in het oog, dat werkelijk de verdraagzaamheid op godsdienstig gebied in Suriname veld won, ofschoon niet altijd de edelste beweegredenen de oorsprong hiervan waren. Ter kenschetsing van den aard derzelve deelen wij het oordeel mede, zoo als dat door tijdgenooten (de schrijvers der Historische proeve) daaromtrent werd gegeven.
»Misschien,” redeneeren die schrijvers, »is er in de gansche wereld niet eene plaats te vinden, daar de verdraagzaamheid zich zo wijd uitstrekt, en zoo naauwkeuriglijk onderhouden wordt als in Suriname. Nooit hoort men er van eenigerlei godsdienstige geschilstukken; elk aanbidt daar God op zijne wijze; ieder doet naar hetgeen hij ’t best en bekwaamst oordeelt ter behoudenisse zijner ziele.”
Tot staving hiervan vermeldden zij, dat zekere Directeur eener Fransche plantaadje, die zich op reis te Lyon bevond, in gezelschap zijner landslieden, waar men breed opgaf van de verdraagzaamheid in Frankrijk, verhaalde, dat hij in Suriname had gegeten in een huis, waarvan het gezin bestond uit Heidenen, Joden, Roomsch-Catholieken, scheurzieke Grieken en Calvinisten; »zij zaten,” voegde hij er bij, »aan tafel vrolijk en weltevreden en leefden voor het overige in de volmaakste eensgezindheid.”
Het feit, waarop hij zinspeelde, was het volgende: Een joodvan groote belezenheid en een gezond oordeel, had eene negerin tot bijzit; zij baarde hem verscheidene kinderen, welke in de Gereformeerde godsdienst werden opgeleid; vervolgens huwde hij de oudste dier dochters uit aan een Roomsch-Catholieken weduwnaar, die, uit zijn eerste huwelijk, een zoon had, die, in Rusland geboren, opgevoed was in de leerstellingen der Grieksche Kerk; zoodat de vader een jood was, de moeder eene Heidin, de dochter eene Gereformeerde, de schoonzoon een Roomsch-Catholieke en zijn kind een Griek. Toen de man kort daarna overleed, hertrouwde zijne weduwe met een Engelsch Presbyteriaan713.
Na vermelding van dit feit volgt eene hernieuwde lofspraak op de verdraagzaamheid. Wij beamen dezelve niet: wel schuwen en haten wij alle onedele middelen om de godsdienst uit te breiden. Tot uitbreiding van het rijk des Heeren wenschen wij niets dan geestelijke wapenen te gebruiken; van eene andere handelwijze zien wij slechts onheil. Alleen over verkondiging van het Evangelie en aan een wandel overeenkomstig het Evangelie wil God zegen verleenen; maar de verdraagzaamheid, die hier geroemd en geprezen wordt, vloeit niet uit de ware bron, maar is een kenmerk van ligtzinnigheid en ongeloof, en zij verdraagt slechts wat daarmede overeenstemt en is vaak zeer vijandig en onverdraagzaam jegens dengene, die God in alle ernst wil dienen en daardoor getuigenis aflegt tegen alle zonde en goddeloosheid.
Thans willen wij de in Suriname ontwakende lust tot letterkunde iets nader beschouwen.
De smaak voor letterkunde bestond vóór den tijd van Mauritius volstrekt niet; langzamerhand begon hij eenigzins te worden opgewekt en weldra werd het niet langer als eene groote zeldzaamheid beschouwd, indien iemand zich Hollandsche, Spaansche en Fransche boeken aanschafte. Sommige Franschen, die, om de droevige tijdsomstandigheden, hunvaderland verlieten en zich in Suriname kwamen vestigen, wakkerden de lust voor letterkunde aldaar aan.
Het eerste genootschap van eenigzins wetenschappelijken aard, tot onderzoek der natuur, was in 1780 opgerigt. De heer Wichers, toen Raad Fiscaal, werd tot president verkozen, (zie bladz.383) en naar Suriname, als Gouverneur-Generaal, teruggekeerd, bleef hij deze betrekking aanhouden. Maandelijks werd er vergadering gehouden en alsdan de door de leden ingeleverde geschriften gelezen enbediscussieerd.
De akkerbouw en de natuurlijke historie van Suriname waren voornamelijk de onderwerpen, welke dan werden behandeld. Ook werden metereologische waarnemingen gedaan, omtrent den staat des dampkrings, de zwaarte der lucht, de winden, die genoegzaam bestendig in elke maand waaijen, de graden van koude en warmte, volgens thermometer en barometer.
De geneesheer Schilling, een man vervuld met liefde voor de wetenschap, was een der ijverigste en verdienstelijkste leden van dit genootschap. Eigenaar eener uitgebreide verzameling van physische, chirurgische en optische instrumenten gaf hij zich veel moeite, om het onderwijs in de natuurkunde door proeven op te helderen, en alzoo de kennis daarvan onder de kolonisten te bevorderen. Eene dergelijke wijze was hiertoe bij uitstek geschikt, want de in Suriname geborenen, die nimmer Europa hadden bezocht, hadden niet genoeg aan bloote bespiegelingen om een of ander afgetrokken onderwerp te begrijpen; doch zoo men op zigtbare wijze, door proeven, een en ander kon aantoonen, dan verstonden zij het zelfs beter dan gewoonlijk bij Europeanen het geval is. Bij voorbeeld vruchteloos zou men een Creool door redeneringen hebben getracht te bewijzen, dat de lucht, die wij inademen, werktuigelijk uit ons kan worden weggepompt, zoodat wij dezelve ten eenemale missen, doch na eenige proeven met de luchtpomp in zijn bijzijn, begreep hij aanstonds de mogelijkheid en waarheid er van en was in staat, om daarover zeer verstandig te redeneren714.
Dit genootschap had echter grooter vorderingen kunnen maken, indien de honoraire leden, die op de plantaadjes woonden, beter voldaan hadden aan het verzoek, om belangrijke waarnemingen omtrent het en een ander te maken en hiervan aan het bestuur kennis te geven; doch het ontbrak dezen heeren niet aan tijd maar wel aan lust715.
Het eerste bepaald letterkundig genootschap dankt zijn oorsprong aan een rijk bejaard Israëliet, den heer de Montel. Deze heer, lid van de Portugesche Israëlitische gemeente in Suriname, was een groot beminnaar der Fransche letterkunde; hij onderhield eene geregelde correspondentie met den boekhandelaar Michaël Bey te Amsterdam, van wien hij de nieuwst uitgekomen boekwerken ontving, terwijl hij vele boeken aan Surinaamsche liefhebbers bezorgde.
De heeren Texier, Wichers, Friderici, Meinertshagen, van Dam, de geneesheeren Schilling en van Wiert, benevens verscheidene andere liefhebbers, werden hierdoor aangespoord, om in Suriname, eene bibliotheek op te rigten. Spoedig was zij zoo wel voorzien, dat zij destijds voor geene in Amerika behoefde te wijken en verscheidene groote bibliotheken in Europa evenaarde. De lust voor de letterkunde nam toe en toen de heer Wichers, wiens liefde voor de fraaije letteren bekend was, als Gouverneur in Suriname terug keerde, besloten eenige voorname Portugesche Joden, om een Collegie van letterkunde op te rigten, onder de zinspreuk: »Docendo Docemur.”
Het prospectus, op eene voorloopige vergadering den 16denFebruarij 1783 opgemaakt, is gansch niet onbelangrijk. Eerst wordt in dit stuk de goede aanleg der Surinamers geprezen, die slechts niet was ontwikkeld. Eene gebrekkige opvoeding had, zoo vervolgt dit betoog, de meeste jongelieden onkundig gelaten van hetgeen in eene beschaafde maatschappij onontbeerlijk is; de drift voor het spel, hun als het ware aangeboren, was eene andere belemmering, om iets goeds te leeren, terwijl zij daarenboven de redelijke vermogens verzwakte enschromelijke gevolgen daarvan te wachten waren. Daarom wenschten de oprigters van dit Collegie »iets nuttigs te bedenken en in gebruik te brengen, dat wel inzonderheid de jeugd tot een prikkel kan verstrekken, en, door leiding der natuurlijke nieuwsgierigheid, den lust opwekken tot het verkrijgen van kundigheden, waardoor hunne zeden beschaafd en zij alzoo den vaderlande nuttig zouden kunnen worden.”
Zij vermeenden dit doel te kunnen bereiken, door het oprigten van een letterkundig collegie. Zij veronderstelden dat de betamelijkheid en eerbied, die men verschuldigd was aan een dergelijk genootschap, wier leden hunne ledige oogenblikken opofferden aan het welzijn der menschheid, van hoog gewigt moest worden beschouwd; ook waren er minder bezwaren, minder kosten aan verbonden dan aan het oprigten van publieke scholen, te meer daar de heer de Montel, kosteloos een vertrek in zijne woning, tot het houden der vergaderingen had aangeboden, benevens vrij en volkomen gebruik zijner belangrijke bibliotheek.
Elken zondag- en woensdag avond van 6 tot 9 ure zouden er vergaderingen worden gehouden, alwaar men, daar er gebrek aan kundige mannen als voorgangers bestond, eenige werken zoude lezen over: oude, Romeinsche en vaderlandsche geschiedenis, koophandel, scheepvaart, landbouw en ook over wijsbegeerte.
De lezing zou beurtelings in het Fransch en Hollandsch geschieden, en tevens gelegenheid tot onderlinge zamenspreking worden gegeven. Om lid te worden was de algemeene toestemming van allen noodig; de onkosten moesten door de leden worden gedragen. Ieder volwassene van beide secsen, zonder onderscheid van godsdienst, zou als toehoorder, na kennisgeving daarvan aan de leden, op de vergaderingen worden toegelaten. Dit prospectus werd aan Wichers toegezonden, die den 25stenFebruarij 1785 hierop een antwoord gaf, waarbij hij zijne goedkeuring betuigde, zijne medewerking beloofde en eenige kleine aanmerkingen maakte.716
Behalve dit collegie waren er toen nog twee genootschappen, welker leden eenmaal in de maand bijeen kwamen, om elkander den inhoud van die werken, welke zij voor de beide genootschappen uit Holland ontvingen mede te deelen en ze onder elkander te verkoopen717.
Een ander collegie onder den naam vanSurinaamsche lettervriendenwerd in 1786 opgerigt. Aldaar werden proeven geleverd van Hollandsche dichtkunst en taal; ieder lid leverde hetgeen het best met zijn smaak en bekwaamheid overeenkwam, dat dan door de gezamenlijke leden getoetst en verbeterd werd718. Jaarlijks werden te Paramaribo een of twee boekdeelen van de dichtkundige voortbrengselen van dit collegie gedrukt. De heer P. F. Roos, die een quarto boekdeel “Surinaamsche mengelpoëzij” heeft doen uitgeven en ook nog andere geschriften van politieken aard heeft vervaardigd, was voorzitter van dit genootschap719.
In dit laatstgenoemd collegie schenen de meer en meer veldwinnende deïstische gevoelens eene voorname plaats in te nemen. Ten minste reeds kort na deszelfs oprigting werd er in het Conventus Deputatorium geklaagd over hetlicentieus boekdrukken, waartoe aanleiding gaf een dichtstukje voorkomende in den eersten bundel van de “uitspanningen der Surinaamsche lettervrienden.” In dit vers getiteld: “de Wijsgeer op zijn sterfbedde, door N. C. L.” kwamen zeer vrijgeestige denkbeelden voor en veel dat strijdig was met de leer der Gereformeerde kerk; waarom het Conventie verzocht, dat H. H. Commissarissen politiek deze zaak in het Hof ter tafel zouden brengen, opdat men in het vervolg waken kon tegen het drukken van dergelijke, de godsdienst aanrandende, geschriften. HH. Commissarissen meldden, dat hierover reeds in het Hof gesprokenwas, doch, dat men, daar de Autheur geen lidmaat der gereformeerde kerk was, en het stuk nu reeds was gedrukt, het voor deze keer onbemerkt zou laten doorgaan. De Gouverneur had echter bevolen, dat voortaan niets mogt worden gedrukt dan hetgeen te voren door hem was geapprobeerd, terwijl hij, wat van theologischen aard was, vooraf ter inzage zou geven aan den oudsten predikant van Paramaribo720. Het conventus nam genoegen met deze verklaring, doch sedert dien tijd vindt men in de Lemmata opgenomen:Licentieus boekdrukken.
In 1787 bragt de Raad-Fiscaal ter kennisse van het Hof, dat onder den titel van “Surinaamsche Spectator” bij de wed. J. Tresson, Junior, een periodiek werk werd uitgegeven, “dat”, zoo luidde zijne aanklagt, “er zijn werk van scheen te maken, om, onder hoezeer quasie bedekte termen, egter duydelijk genoeg, personen van rang te denoteeren en omtrent deze hatelijke comparatiën te maken, welke in alle opzigten onbetamelijk waren.”
Wichers berigtte, dat over diezelfde Spectator klagten bij hem waren ingekomen van den Gereformeerden kerkeraad, omtrent “eenige uytdrukkingen strijdig met de aangenomen principes van de openbare godsdienst.” Op voorstel van den Gouverneur werd hierop besloten, de wed. Tresson strengelijk te waarschuwen zich van dit laatstgenoemde bepaald te onthouden721.
Na al het hier opgenoemde zou men welligt geneigd zijn om te denken, dat er voor Suriname een tijdvak was aangebroken als in Athene onder Pericles, doch zou men zich ongetwijfeld zeer bedriegen. Er was, dit moet erkend worden, in dit opzigt, eenige verbetering gekomen; er was eenige smaak voor de letterkunde ontwaakt, maar men vorme zich daarvan geene te groote verwachtingen. “De letteren,” merken schrijvers van dien tijd (die der Historische proeve) aan: “maaktenin Suriname een geringen opgang, want de meeste bewoners, en zelfs verscheiden leden van de genoemde maatschappijen, gaven zich luttel moeite, om zich met een boek te onderhouden, of over onderwerpen van letterkunde te hooren spreken; ’t welk dikwijls te weeg bragt, dat op de avonden der vergaderingen de collegiën bijkans zonder genoegzame leden waren, zelfs om diegenen aan te moedigen, welke zich de moeite gaven, om eenig letterkundig onderwerp te behandelen”722.
De schets van het leven in Suriname ten tijde van Mauricius, zoo als wij dat op bladz.181enz. gaven, kon ook nu nog in vele opzigten worden toegepast. De veranderingen, sedert ontstaan, waren gering. In de gezellige bijeenkomst der aanzienlijken heerschte, dit moet erkend worden, minder ruwe, doch echter geen godsdienstigen toon. De lust tot vermeerdering van kennis was wel eenigzins opgewekt, maar de zucht tot vermaken evenzeer. Schouwburgen en Concerten werden vrij druk bezocht; speelpartijen werden echter nog meer door de mannen en jongelingen, bals door de vrouwen en jongedochters geliefd.
Ofschoon er veel sterke drank in Suriname werd gebruikt, waren er echter weinig eigenlijke dronkaards, en slechts in de kleine kroegjes, die door matrozen en het volk van de laagste klasse werden bezocht, vernam men nu en dan het rumoer van beschonkenen.