Chapter 24

aan deSociëteitƒ2,342,474: 4.15en aan het kantoor der modique lastenƒ,,1,590,582:17.6Alzoo te zamen.ƒ,,3,933,087: 2.5of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn desociëteithiertoe op den duur onmagtig waren.807Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden808.Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, dienuhet vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren.”—Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was809.Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateuren Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag derprovisioneelebewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken810.Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26stenMaart 1793 Suriname812; een Engelsch schip bragt den 3denApril eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen813.Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijkversterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts eenoorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.Den 6denMei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen814.In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding permissivevan H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds815.De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten,zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren” was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan.” De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan816.Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:1oLangs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;2oposteren een gewapend schip bij den mond derCommewijneop de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, eenoorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweerbrengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen817.Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6denOctober van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drieoorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou dekoopvaardijvlootnaar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren818. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen819. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4denMaart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden820.In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande dedrukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Franschekoloniënwas afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname’s inwoners en slaven zoude werken821.Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen822.De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt823. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschapgegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden824.Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal825, zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt826.Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlatenen zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt827.Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, deofficieelemissives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,—weldra was alles veranderd—en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne828.Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beidekoloniënhad haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5deen zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18denJanuarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8stenMaart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21stenMei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.Waarmede,Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.(Get.)W. Pr. van Oranje.Kew, den 7 Feb. 1795.Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.(Get.)J. W. Boejink.Aan den Gouverneur van Suriname.”Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen829.Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen830. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerderszeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen enMinisters der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in decoloniënmoest influenceren.” Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen831.Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4denAugustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname,JurriaanFrançois Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.”832In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1stenJunij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zounietslechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden doorde krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt.833Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want inDemerarywas een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven.834Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden835. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug836.De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoomede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte” (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren.837De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezigeoorlogsschepenmoest geschieden838.Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.Sabbathi den 11 April 1795.Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.Accordeert met voorz. register.(Was Getekend)W. Quarles.”Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden839.Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20stenJulij 1795 werdtot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26stenAugustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag840.In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16denMei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4denJunij te Parijsgeratificeerdwas; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden841.Friderici liet toen den 31stenAugustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8stenSeptember de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt842.Den 27stenAugustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31stenAugustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen deroorlogsschepenen hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond843.Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. Deofficieeletijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen844.Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor ƒ 12.— à ƒ 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken845.Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen—alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen,en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen846.Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12denMei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17denMei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20stenMei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogstgunstigete schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5denOctober 1795 de Directie derSociëteitvan Suriname hadden vernietigd en den 9denin plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheeleCommitté en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van ƒ 2000, de Advocaat-Fiscaal ƒ 4000, de Secretaris ƒ 6000 en de Ontvanger-Generaal ƒ 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors847.Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijkeSociëteiten Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste opde eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van eenligchaamvan commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1stenJunij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld eenRaadover decoloniënin America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfdecoloniënen bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: decoloniënDemerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemdeSociëteitvan Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel dercoloniënen tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors.coloniënvan den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle devoorsz.directiëndenzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelvecoloniënbij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indischecoloniëngenoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfdeligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé849.Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heerenhadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodigepublicatiënwerden uitgevaardigd850.Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis,” en door Beeldsnijder een libel: »Hans en ’t Schaduwbeeld,” die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang.” Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan851. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen852. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt853. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug854.A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2denNovember 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats”855. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd856. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden857.Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12denAugustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen858. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.Den 5denSeptember 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaatsvan H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje859.De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. eenpakketaan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd860. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren861.Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde,vermeerderdende moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien,dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,”stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was866.Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandscheweldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp ƒ 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in867.Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18denFructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9denJunij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayennehem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan869; in ’s lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander,tenminste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis.” De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen870. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden871.De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. Deonophoudelijkeveranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel872. Anderepublicatiënover het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden873; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet874.Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D’amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd875. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallonsmaken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;” hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31stenJanuarij 1799.De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:1ohet politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;2oden landbouw en den staat der ingezetenen;3oden toestand der magazijnen;4ohet militaire wezen en defensie;5oden toestand der finantiën.Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- enCacaoteeltechter ging achteruit.

aan deSociëteitƒ2,342,474: 4.15en aan het kantoor der modique lastenƒ,,1,590,582:17.6Alzoo te zamen.ƒ,,3,933,087: 2.5of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn desociëteithiertoe op den duur onmagtig waren.807Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden808.Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, dienuhet vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren.”—Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was809.Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateuren Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag derprovisioneelebewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken810.Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26stenMaart 1793 Suriname812; een Engelsch schip bragt den 3denApril eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen813.Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijkversterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts eenoorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.Den 6denMei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen814.In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding permissivevan H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds815.De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten,zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren” was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan.” De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan816.Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:1oLangs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;2oposteren een gewapend schip bij den mond derCommewijneop de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, eenoorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweerbrengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen817.Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6denOctober van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drieoorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou dekoopvaardijvlootnaar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren818. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen819. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4denMaart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden820.In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande dedrukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Franschekoloniënwas afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname’s inwoners en slaven zoude werken821.Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen822.De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt823. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschapgegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden824.Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal825, zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt826.Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlatenen zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt827.Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, deofficieelemissives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,—weldra was alles veranderd—en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne828.Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beidekoloniënhad haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5deen zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18denJanuarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8stenMaart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21stenMei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.Waarmede,Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.(Get.)W. Pr. van Oranje.Kew, den 7 Feb. 1795.Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.(Get.)J. W. Boejink.Aan den Gouverneur van Suriname.”Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen829.Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen830. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerderszeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen enMinisters der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in decoloniënmoest influenceren.” Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen831.Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4denAugustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname,JurriaanFrançois Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.”832In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1stenJunij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zounietslechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden doorde krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt.833Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want inDemerarywas een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven.834Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden835. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug836.De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoomede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte” (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren.837De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezigeoorlogsschepenmoest geschieden838.Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.Sabbathi den 11 April 1795.Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.Accordeert met voorz. register.(Was Getekend)W. Quarles.”Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden839.Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20stenJulij 1795 werdtot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26stenAugustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag840.In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16denMei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4denJunij te Parijsgeratificeerdwas; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden841.Friderici liet toen den 31stenAugustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8stenSeptember de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt842.Den 27stenAugustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31stenAugustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen deroorlogsschepenen hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond843.Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. Deofficieeletijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen844.Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor ƒ 12.— à ƒ 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken845.Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen—alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen,en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen846.Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12denMei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17denMei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20stenMei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogstgunstigete schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5denOctober 1795 de Directie derSociëteitvan Suriname hadden vernietigd en den 9denin plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheeleCommitté en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van ƒ 2000, de Advocaat-Fiscaal ƒ 4000, de Secretaris ƒ 6000 en de Ontvanger-Generaal ƒ 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors847.Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijkeSociëteiten Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste opde eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van eenligchaamvan commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1stenJunij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld eenRaadover decoloniënin America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfdecoloniënen bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: decoloniënDemerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemdeSociëteitvan Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel dercoloniënen tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors.coloniënvan den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle devoorsz.directiëndenzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelvecoloniënbij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indischecoloniëngenoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfdeligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé849.Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heerenhadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodigepublicatiënwerden uitgevaardigd850.Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis,” en door Beeldsnijder een libel: »Hans en ’t Schaduwbeeld,” die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang.” Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan851. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen852. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt853. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug854.A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2denNovember 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats”855. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd856. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden857.Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12denAugustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen858. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.Den 5denSeptember 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaatsvan H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje859.De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. eenpakketaan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd860. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren861.Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde,vermeerderdende moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien,dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,”stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was866.Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandscheweldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp ƒ 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in867.Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18denFructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9denJunij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayennehem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan869; in ’s lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander,tenminste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis.” De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen870. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden871.De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. Deonophoudelijkeveranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel872. Anderepublicatiënover het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden873; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet874.Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D’amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd875. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallonsmaken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;” hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31stenJanuarij 1799.De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:1ohet politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;2oden landbouw en den staat der ingezetenen;3oden toestand der magazijnen;4ohet militaire wezen en defensie;5oden toestand der finantiën.Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- enCacaoteeltechter ging achteruit.

aan deSociëteitƒ2,342,474: 4.15en aan het kantoor der modique lastenƒ,,1,590,582:17.6Alzoo te zamen.ƒ,,3,933,087: 2.5of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn desociëteithiertoe op den duur onmagtig waren.807Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden808.Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, dienuhet vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren.”—Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was809.Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateuren Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag derprovisioneelebewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken810.Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26stenMaart 1793 Suriname812; een Engelsch schip bragt den 3denApril eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen813.Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijkversterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts eenoorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.Den 6denMei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen814.In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding permissivevan H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds815.De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten,zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren” was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan.” De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan816.Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:1oLangs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;2oposteren een gewapend schip bij den mond derCommewijneop de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, eenoorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweerbrengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen817.Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6denOctober van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drieoorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou dekoopvaardijvlootnaar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren818. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen819. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4denMaart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden820.In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande dedrukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Franschekoloniënwas afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname’s inwoners en slaven zoude werken821.Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen822.De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt823. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschapgegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden824.Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal825, zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt826.Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlatenen zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt827.Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, deofficieelemissives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,—weldra was alles veranderd—en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne828.Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beidekoloniënhad haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5deen zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18denJanuarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8stenMaart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21stenMei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.Waarmede,Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.(Get.)W. Pr. van Oranje.Kew, den 7 Feb. 1795.Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.(Get.)J. W. Boejink.Aan den Gouverneur van Suriname.”Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen829.Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen830. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerderszeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen enMinisters der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in decoloniënmoest influenceren.” Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen831.Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4denAugustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname,JurriaanFrançois Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.”832In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1stenJunij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zounietslechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden doorde krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt.833Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want inDemerarywas een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven.834Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden835. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug836.De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoomede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte” (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren.837De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezigeoorlogsschepenmoest geschieden838.Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.Sabbathi den 11 April 1795.Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.Accordeert met voorz. register.(Was Getekend)W. Quarles.”Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden839.Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20stenJulij 1795 werdtot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26stenAugustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag840.In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16denMei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4denJunij te Parijsgeratificeerdwas; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden841.Friderici liet toen den 31stenAugustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8stenSeptember de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt842.Den 27stenAugustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31stenAugustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen deroorlogsschepenen hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond843.Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. Deofficieeletijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen844.Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor ƒ 12.— à ƒ 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken845.Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen—alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen,en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen846.Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12denMei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17denMei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20stenMei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogstgunstigete schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5denOctober 1795 de Directie derSociëteitvan Suriname hadden vernietigd en den 9denin plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheeleCommitté en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van ƒ 2000, de Advocaat-Fiscaal ƒ 4000, de Secretaris ƒ 6000 en de Ontvanger-Generaal ƒ 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors847.Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijkeSociëteiten Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste opde eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van eenligchaamvan commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1stenJunij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld eenRaadover decoloniënin America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfdecoloniënen bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: decoloniënDemerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemdeSociëteitvan Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel dercoloniënen tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors.coloniënvan den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle devoorsz.directiëndenzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelvecoloniënbij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indischecoloniëngenoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfdeligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé849.Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heerenhadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodigepublicatiënwerden uitgevaardigd850.Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis,” en door Beeldsnijder een libel: »Hans en ’t Schaduwbeeld,” die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang.” Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan851. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen852. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt853. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug854.A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2denNovember 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats”855. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd856. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden857.Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12denAugustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen858. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.Den 5denSeptember 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaatsvan H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje859.De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. eenpakketaan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd860. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren861.Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde,vermeerderdende moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien,dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,”stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was866.Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandscheweldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp ƒ 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in867.Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18denFructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9denJunij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayennehem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan869; in ’s lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander,tenminste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis.” De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen870. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden871.De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. Deonophoudelijkeveranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel872. Anderepublicatiënover het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden873; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet874.Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D’amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd875. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallonsmaken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;” hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31stenJanuarij 1799.De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:1ohet politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;2oden landbouw en den staat der ingezetenen;3oden toestand der magazijnen;4ohet militaire wezen en defensie;5oden toestand der finantiën.Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- enCacaoteeltechter ging achteruit.

aan deSociëteitƒ2,342,474: 4.15en aan het kantoor der modique lastenƒ,,1,590,582:17.6Alzoo te zamen.ƒ,,3,933,087: 2.5of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn desociëteithiertoe op den duur onmagtig waren.807Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden808.Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, dienuhet vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren.”—Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was809.Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateuren Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag derprovisioneelebewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken810.Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26stenMaart 1793 Suriname812; een Engelsch schip bragt den 3denApril eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen813.Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijkversterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts eenoorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.Den 6denMei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen814.In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding permissivevan H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds815.De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten,zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren” was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan.” De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan816.Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:1oLangs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;2oposteren een gewapend schip bij den mond derCommewijneop de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, eenoorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweerbrengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen817.Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6denOctober van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drieoorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou dekoopvaardijvlootnaar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren818. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen819. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4denMaart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden820.In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande dedrukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Franschekoloniënwas afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname’s inwoners en slaven zoude werken821.Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen822.De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt823. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschapgegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden824.Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal825, zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt826.Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlatenen zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt827.Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, deofficieelemissives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,—weldra was alles veranderd—en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne828.Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beidekoloniënhad haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5deen zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18denJanuarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8stenMaart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21stenMei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.Waarmede,Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.(Get.)W. Pr. van Oranje.Kew, den 7 Feb. 1795.Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.(Get.)J. W. Boejink.Aan den Gouverneur van Suriname.”Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen829.Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen830. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerderszeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen enMinisters der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in decoloniënmoest influenceren.” Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen831.Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4denAugustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname,JurriaanFrançois Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.”832In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1stenJunij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zounietslechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden doorde krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt.833Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want inDemerarywas een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven.834Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden835. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug836.De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoomede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte” (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren.837De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezigeoorlogsschepenmoest geschieden838.Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.Sabbathi den 11 April 1795.Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.Accordeert met voorz. register.(Was Getekend)W. Quarles.”Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden839.Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20stenJulij 1795 werdtot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26stenAugustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag840.In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16denMei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4denJunij te Parijsgeratificeerdwas; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden841.Friderici liet toen den 31stenAugustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8stenSeptember de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt842.Den 27stenAugustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31stenAugustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen deroorlogsschepenen hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond843.Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. Deofficieeletijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen844.Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor ƒ 12.— à ƒ 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken845.Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen—alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen,en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen846.Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12denMei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17denMei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20stenMei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogstgunstigete schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5denOctober 1795 de Directie derSociëteitvan Suriname hadden vernietigd en den 9denin plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheeleCommitté en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van ƒ 2000, de Advocaat-Fiscaal ƒ 4000, de Secretaris ƒ 6000 en de Ontvanger-Generaal ƒ 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors847.Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijkeSociëteiten Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste opde eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van eenligchaamvan commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1stenJunij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld eenRaadover decoloniënin America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfdecoloniënen bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: decoloniënDemerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemdeSociëteitvan Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel dercoloniënen tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors.coloniënvan den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle devoorsz.directiëndenzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelvecoloniënbij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indischecoloniëngenoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfdeligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé849.Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heerenhadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodigepublicatiënwerden uitgevaardigd850.Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis,” en door Beeldsnijder een libel: »Hans en ’t Schaduwbeeld,” die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang.” Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan851. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen852. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt853. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug854.A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2denNovember 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats”855. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd856. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden857.Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12denAugustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen858. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.Den 5denSeptember 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaatsvan H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje859.De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. eenpakketaan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd860. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren861.Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde,vermeerderdende moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien,dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,”stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was866.Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandscheweldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp ƒ 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in867.Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18denFructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9denJunij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayennehem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan869; in ’s lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander,tenminste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis.” De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen870. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden871.De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. Deonophoudelijkeveranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel872. Anderepublicatiënover het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden873; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet874.Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D’amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd875. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallonsmaken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;” hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31stenJanuarij 1799.De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:1ohet politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;2oden landbouw en den staat der ingezetenen;3oden toestand der magazijnen;4ohet militaire wezen en defensie;5oden toestand der finantiën.Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- enCacaoteeltechter ging achteruit.

aan deSociëteitƒ2,342,474: 4.15en aan het kantoor der modique lastenƒ,,1,590,582:17.6Alzoo te zamen.ƒ,,3,933,087: 2.5of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn desociëteithiertoe op den duur onmagtig waren.807Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden808.Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, dienuhet vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren.”—Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was809.Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateuren Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag derprovisioneelebewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken810.Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26stenMaart 1793 Suriname812; een Engelsch schip bragt den 3denApril eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen813.Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijkversterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts eenoorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.Den 6denMei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen814.In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding permissivevan H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds815.De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten,zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren” was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan.” De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan816.Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:1oLangs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;2oposteren een gewapend schip bij den mond derCommewijneop de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, eenoorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweerbrengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen817.Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6denOctober van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drieoorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou dekoopvaardijvlootnaar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren818. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen819. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4denMaart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden820.In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande dedrukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Franschekoloniënwas afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname’s inwoners en slaven zoude werken821.Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen822.De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt823. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschapgegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden824.Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal825, zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt826.Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlatenen zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt827.Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, deofficieelemissives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,—weldra was alles veranderd—en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne828.Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beidekoloniënhad haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5deen zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18denJanuarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8stenMaart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21stenMei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.Waarmede,Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.(Get.)W. Pr. van Oranje.Kew, den 7 Feb. 1795.Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.(Get.)J. W. Boejink.Aan den Gouverneur van Suriname.”Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen829.Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen830. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerderszeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen enMinisters der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in decoloniënmoest influenceren.” Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen831.Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4denAugustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname,JurriaanFrançois Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.”832In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1stenJunij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zounietslechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden doorde krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt.833Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want inDemerarywas een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven.834Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden835. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug836.De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoomede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte” (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren.837De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezigeoorlogsschepenmoest geschieden838.Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.Sabbathi den 11 April 1795.Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.Accordeert met voorz. register.(Was Getekend)W. Quarles.”Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden839.Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20stenJulij 1795 werdtot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26stenAugustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag840.In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16denMei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4denJunij te Parijsgeratificeerdwas; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden841.Friderici liet toen den 31stenAugustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8stenSeptember de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt842.Den 27stenAugustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31stenAugustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen deroorlogsschepenen hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond843.Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. Deofficieeletijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen844.Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor ƒ 12.— à ƒ 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken845.Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen—alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen,en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen846.Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12denMei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17denMei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20stenMei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogstgunstigete schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5denOctober 1795 de Directie derSociëteitvan Suriname hadden vernietigd en den 9denin plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheeleCommitté en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van ƒ 2000, de Advocaat-Fiscaal ƒ 4000, de Secretaris ƒ 6000 en de Ontvanger-Generaal ƒ 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors847.Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijkeSociëteiten Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste opde eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van eenligchaamvan commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1stenJunij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld eenRaadover decoloniënin America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfdecoloniënen bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: decoloniënDemerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemdeSociëteitvan Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel dercoloniënen tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors.coloniënvan den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle devoorsz.directiëndenzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelvecoloniënbij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indischecoloniëngenoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfdeligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé849.Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heerenhadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodigepublicatiënwerden uitgevaardigd850.Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis,” en door Beeldsnijder een libel: »Hans en ’t Schaduwbeeld,” die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang.” Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan851. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen852. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt853. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug854.A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2denNovember 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats”855. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd856. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden857.Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12denAugustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen858. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.Den 5denSeptember 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaatsvan H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje859.De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. eenpakketaan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd860. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren861.Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde,vermeerderdende moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien,dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,”stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was866.Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandscheweldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp ƒ 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in867.Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18denFructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9denJunij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayennehem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan869; in ’s lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander,tenminste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis.” De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen870. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden871.De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. Deonophoudelijkeveranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel872. Anderepublicatiënover het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden873; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet874.Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D’amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd875. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallonsmaken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;” hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31stenJanuarij 1799.De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:1ohet politique en civiele wezen en de ambtenaren daarbij aangesteld;2oden landbouw en den staat der ingezetenen;3oden toestand der magazijnen;4ohet militaire wezen en defensie;5oden toestand der finantiën.Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- enCacaoteeltechter ging achteruit.

aan deSociëteitƒ2,342,474: 4.15en aan het kantoor der modique lastenƒ,,1,590,582:17.6Alzoo te zamen.ƒ,,3,933,087: 2.5

of ongeveer 4 millioen gulden. Het verwondert ons dus niet, dat de Raden van Policie de onmogelijkheid inzagen, dezen schuld immer te boven te komen en daarom bij herhaling aandrongen dat H.H.M. zich voortaan met de kosten der verdediging zouden belasten, daar èn de inwoners èn desociëteithiertoe op den duur onmagtig waren.807

Men wenschte dit zoo veel te meer, daar de politieke horizon steeds duisterder werd. De in Frankrijk uitgebroken revolutie die reeds zoo verre was gegaan, dat de koning en koningin hun leven op het schavot hadden moeten verliezen, (21 Januarij 1793) bedreigde ook de republiek der Vereenigde Nederlanden, die reeds door tweedragt verscheurd werd. En dat Suriname in den worstelstrijd zou worden gesleept en de gevolgen daarvan ondervinden, was wel te denken.

Niet slechts was er oorlog tusschen Engeland en Frankrijk, en de ondervinding had geleerd hoe moeijelijk het was onzijdig te blijven, maar ook in het naburige Cayenne was reeds de regering veranderd en mannen aan het bestuur, tegen wie H.H.M, noodig achtten eene publicatie uit te vaardigen, strekkende, om het houden van eenige correspondentie te verbieden808.

Suriname ging een moeijelijken tijd te gemoet.

In Cayenne waren reeds groote veranderingen voorgevallen; het bestuur was vervangen door eene revolutionaire koloniale vergadering, dienuhet vroeger met Suriname gesloten cartel omtrent de uitlevering van deserteurs niet meer van kracht beschouwde. Eene poging om uit Suriname gevlugte deserteurs terug te erlangen, door Friderici aangewend, bleef zonder gevolg; de koloniale vergadering oordeelde dit niet te moeten doen: »nademaal alle menschen gelijk zijn, zij er geene van verschillende soort erkent en altijd gunstiglijk zal ontfangen die bescherming komen reclameeren.”—Men strekte dit toen echter nog niet tot de slaven uit. Dezen werden beschouwd, als een artikel van koopmanschap, waartoe geen cartel noodig was809.

Friderici liet nu een wakend oog op Cayenne houden, zoo door een gedeelte van het vrijcorps als door een gewapend vaartuig te doen af en aanvaren, om zooveel mogelijk de handelingen aldaar gade te slaan. In October 1792 werden de verwarde zaken eenigzins hersteld. Een Gouverneur, Ordonateuren Commissaris-Civiel kwamen, daartoe vergezeld, met een aantal soldaten (het tweede battailjon van het regiment Royal Alsace) in de kolonie. Ook werd getracht de vriendschappelijke betrekkingen met Suriname weder aan te knoopen. De per Fransche corvet gearriveerde commissaris keurde het gedrag derprovisioneelebewindslieden in Cayenne omtrent het Cartel af en beloofde de door Friderici verlangde uitlevering der deserteurs, zoo mogelijk, nu nog te doen plaats vinden. De secretaris Berranger werd daarop afgevaardigd om naar Cayenne te gaan en aldaar alles nader te regelen. Berranger ging en vertoefde eenigen tijd in de Fransche volkplanting, waar hij met de uiterste beleefdheid werd behandeld, doch zijn doel: de uitlevering der deserteurs, niet bereikte, daar zij, reeds vóór zijne aankomst, naar Frankrijk waren vertrokken810.

Was er alzoo een oogenblik verademing; weldra werden de gemoederen in Suriname op nieuw verontrust.

Geruchten van oorlog tusschen Engeland en Frankrijk gingen vooraf en verkregen telkens meer zekerheid811: het berigt dat de koning van Frankrijk Lodewijk den 16de, den 21{sten} Januarij 1793, door het schrikbewind te Parijs ter dood veroordeeld, op een schavot dit vonnis had ondergaan, bereikte den 26stenMaart 1793 Suriname812; een Engelsch schip bragt den 3denApril eene missive van den heer Parry, Gouverneur van Barbados, over, waarin door genoemden Gouverneur aan Friderici gemeld werd, dat de thans in Frankrijk aan het hoofd der regering staande mannen den oorlog aan Engeland en aan de Republiek der Vereenigde Nederlanden hadden verklaard. Parry bood aan om, bij voorkomende gelegenheden, alle mogelijke dienst aan Suriname te bewijzen813.

Men vernam tevens dat het garnizoen in Cayenne aanmerkelijkversterkt was geworden, zoodat er wel reden bestond om beducht te wezen; want er bevond zich in de kolonie slechts eenoorlogsschip, de Jason, kapitein de Virieux, die door Friderici met moeite werd overgehaald, om nog eenigen tijd te vertoeven; terwijl de andere verdedigingsmiddelen gering en daarenboven nog in slechten staat waren. Men besloot dan ook de zeilree liggende koopvaardijschepen niet te doen vertrekken, ten zij door een behoorlijk convooi gedekt, en eenigen derzelven te doen wapenen om tot verdediging van de rivier te kunnen verstrekken.

Den 6denMei 1793 kwam de luitenant-kolonel Millet van Coehoorn, die als expresse uit het vaderland naar Suriname was gedetacheerd, in de Kolonie aan, en bevestigde de door den Engelschen Gouverneur Parry reeds medegedeelde tijding van den door Frankrijk aan Engeland en Nederland verklaarden oorlog. Hij hing ook een treurig tafereel op van de gesteldheid der zaken in Europa in het algemeen en in Nederland in het bijzonder, daar men voorals nog niet, met eenige waarschijnlijkheid, kon voorzien welken keer dezelve zouden nemen. Als maatregelen van voorzorg werd het oorlogs-fregat Jason en drie gearmeerde koopvaardijschepen voorloopig bij Nieuw-Amsterdam en bij Braamspunt gestationeerd: een op de reede liggende Fransch vaartuig werd in beslag genomen814.

In Julij 1793 ontving men de verblijdende tijding permissivevan H.H. Directeuren en Regeerders dat de Franschen van Nederlandsch grondgebied waren verdreven. Friderici beval, in overeenstemming met het Hof, dat er een plegtige dankdag zou worden gehouden en dat, als bewijs van gehechtheid aan het vaderland, bij inschrijving giften zouden worden verzameld tot ondersteuning van de verdediging des dierbaren vaderlandschen gronds815.

De schippers welke geladen waren en zeilree lagen, wenschten hunne reis naar Nederland aan te nemen en verzochten,zonder Friderici hiervan kennis te geven, den kapitein de Virieux hen te convoyeren. De Virieux was hiertoe wel genegen, doch Friderici en het Hof verklaarden er zich bepaald tegen, en toen de Virieux het voornaamste aangevoerde bezwaar: het ontblooten der kolonie van de noodige verdediging, wilde ontzenuwen door aan te merken: »dat indien men hulp ter defensie noodig had wel Engelsche schepen te krijgen waren” was men hierover zeer verontwaardigd en wees men den kapitein op »de onwelvoegelijkheid om bij vreemden hulp te zoeken zoo men nog zich zelf helpen kan.” De Virieux gaf toe, mits hij zich door eene behoorlijke resolutie voor zijne superieuren zou kunnen verantwoorden, aan welk billijk verzoek werd voldaan816.

Friderici wenschte de kolonie in een goed verdedigbaren toestand te brengen. In September 1793 hield hij in eene vergadering van het Hof, waar tevens de officieren der bezetting, de zee-kapitein de Virieux en diens luitenant Bisdom tegenwoordig waren, eene aanspraak, waarbij hij den benarden staat van zaken bloot lag en tevens de maatregelen voorstelde, die hij, in overeenstemming met den krijgsraad, besloten had ter verdediging der kolonie aan te wenden.

Deze maatregelen, die door het Hof werden goedgekeurd, waren als volgt:

1oLangs de kusten hier en daar wachten plaatsen, deze behoefden echter niet zeer sterk te zijn, daar eene landing op eene andere wijze dan door opvaren in de rivier Suriname, wegens hare groote moeijelijkheid niet waarschijnlijk was;

2oposteren een gewapend schip bij den mond derCommewijneop de hoogte der redoute Leiden en op ⅓ breedte der rivier Suriname, beneden de redoute Purmerend, eenoorlogsschip, benevens drie gewapende koopvaardij-vaartuigen, vier platboomde vaartuigen als drijvende batterijen en twee à drie ponten tot branders inrigten en een sloep bij Braamspunt tot wachtschip. Verder de werken op het fort Nieuw-Amsterdam en die der andere forten en redoutes, in behoorlijken staat van tegenweerbrengen; de post aan de Marowijne versterken, doch de militairen van de andere posten op de binnenlandsche lijn van defensie (het cordon) terugroepen, ter versterking van het garnizoen en deze militairen door 100 schutters-negers doen vervangen817.

Het strekte den Gouverneur en den Kolonisten tot eene groote bemoediging toen den 6denOctober van hetzelfde jaar de koopvaardijvloot, onder convooi van drieoorlogsschepen, de Medea, kapitein C. Wiertz, de nieuwe Argo, kapitein E. van Braam en de Snelheid, kapitein C. Blois van Treslong, voor anker kwamen. Niet slechts werd de kolonie als nu genoegzaam van proviand en ammunitie voorzien, maar ook kon men nu, met minder vrees, een vijandelijken aanval te gemoet zien, daar twee der oorlogsvaartuigen (de beide laatstgenoemde) tot secours zouden blijven: de Medea zou dekoopvaardijvlootnaar Berbice en Demerary convoyeren en ook daarna te Suriname terugkeeren818. De kapitein de Virieux ontving den last om de in lading liggende schepen naar Curaçao te geleiden, van waar zij een ander convooi zouden erlangen. De schippers remonstreerden hiertegen, daar het saizoen thans zoo ongunstig was (de assurantie in October kostte 8 pCt. meer dan in Januarij); ook wenschten zij liever eene gelegenheid af te wachten om onmiddellijk de reis naar het vaderland te kunnen volbrengen819. Aan hun verzoek werd toegegeven; zij bleven tot den 4denMaart 1794 in de kolonie, wanneer een getal van 51 koopvaardijschepen, onder de geleide van de kapiteins de Virieux en van Braam, uitzeilden820.

In Januarij 1794 kwam weder eene vrij aanzienlijke vloot, onder convooi van het fregat de Erfprins van Brunswijk, kapitein P. Hartsinck, in Suriname aan. Niettegenstaande dedrukkende tijden heerschte er levendigheid en vertier, doch de nabijheid van Cayenne bleef steeds verontrusten. Friderici was niet alleen op zijne hoede tegen een mogelijken aanval van die zijde, maar wilde verder gaan en eene poging aanwenden om Cayenne te veroveren. Hij vond zich genoopt dat plan in goeden ernst aan het Hof voor te stellen om de volgende redenen: in December 1793 had men in Suriname vernomen dat, bij besluit der Nationale conventie te Parijs, de slavernij in de Franschekoloniënwas afgeschaft, doch dat dit besluit nog niet in Cayenne bekend was en de negers zich tot heden rustig gedroegen. Nu vreesde Friderici dat, zoodra de negers in Cayenne deze tijding vernamen, zij tot groote wanordelijkheden zouden overslaan en dat de slaven in Suriname, indien hun het gerucht van de vrijmaking hunner lotgenooten in eene naburige kolonie ter oore kwam, met geweld trachten zouden hunne vrijheid te verwerven, enz. Friderici vermeende op medewerking van de meeste eigenaren van plantaadjes en slaven in Cayenne te kunnen rekenen, »daar zij,” zoo sprak Friderici: »minder afkeerig zouden wezen, onder Hollandsche bescherming, met slaven te kunnen blijven voortwerken, dan onder den Franschen naam, hunne bezittingen te zien verwoesten en ter prooi aan losbandig gepeupel te laten.” Hetgeen de kans op welslagen vermeerderde was de zekere wetenschap die men had dat de militaire bezetting in Cayenne thans zeer gering was en dat de in Suriname aanwezigen zeekapiteins volkomen met dit plan instemden en hunne goede diensten tot verwezenlijking er van bereidwillig aanboden.

De raden van policie, misschien meer nog dan Friderici, bevreesd voor de gevolgen van de vrijmaking der slaven in Cayenne in betrekking tot die in Suriname, zagen er echter groote zwarigheden in, want de onderneming kon mislukken en, al gelukte zij, hoe moeijelijk zou de voortdurende bezetting zijn. De kolonie Suriname zou ook hierdoor te veel van eigen verdediging worden ontbloot; daarbij vreesden de Raden van policie, dat het verkeer met de inwoners en slaven van Cayenne, reeds zoo zeer door een revolutionairen geest bezield nadeelig op Suriname’s inwoners en slaven zoude werken821.Er werd alzoo geen verder gevolg aan dit plan van Friderici gegeven, en toen eenige maanden later (in Augustus 1794) verscheidene Surinaamsche planters een verzoekschrift aan het Hof indienden, waarbij men, op dezelfde gronden als vroeger door Friderici was aangevoerd, aandrong om eene poging tot verovering van Cayenne te beproeven, werd ook dit verzoek door het Hof van de hand gewezen822.

De vrees bleek echter overdreven te zijn geweest. De tijding van het decreet der Nationale vergadering te Parijs bereikte wel de ooren der slaven in Suriname en bragt eenige agitatie onder hen teweeg, doch dezelve werd gemakkelijk onderdrukt. Eenige slaven vlugtten naar de Marowijne, omdat zij, zoo als zij aangehouden wordende, voorgaven,naar het land der vrijheid wilden gaan; gevangen zijnde, boetten zij voor hunne zucht naar vrijheid met strenge spaansche bokken en werden daarop in ketenen geklonken. Hier en daar hadden zamenscholingen der slaven plaats; op de gronden tusschen Zeelandia en Paramaribo, (het zoogenaamde Combé) pleegden zij eenige ongeregeldheden en baldadigheden. Scherpe verordeningen, waaraan met alle kracht de hand gehouden werd, werden daarop uitgevaardigd en niet slechts zamensprekingen verhinderd, zamenrottingen uit elkander gejaagd en de daders gestraft, maar ook hunne feesten, als: danspartijen (baljaren) does enz. verboden of beperkt823. De slaven in Suriname die zagen dat tegenstand nutteloos was en slechts hun lijden verzwaarde, bleven zuchtende zich onder hun juk krommen.

In Cayenne bleek het dat de revolutiekoorts bij de negers minder hevig dan bij de blanken was. De vandaar naar Suriname gevlugte Franschen verhaalden, dat het bewuste Decreet den 15 Junij 1794 te Cayenne was geproclameerd. Toen dit den negers bekend was geworden, had hun dit blijdschapgegeven, doch geene buitengewone sensatie veroorzaakt: zij waren rustig aan den arbeid gebleven. Eerst door het onvoorzigtig gedrag van den Commissaris-Civiel, uit Frankrijk gekomen om het decreet in werking te brengen, waren eenige ongeregeldheden ontstaan. Men had de negers in de clubs en de gemeentens ingelijfd en met accollades in het publiek ontvangen, en door deze, zeker voor de negers zeer ongewone eerbewijzingen, waren zij eenigermate opgewonden geworden824.

Het bewind te Parijs had een decreet van verbanning tegen velen der aanzienlijkste inwoners van Cayenne uitgevaardigd en dit werd met alle rigeur ter executie gelegd. Dien tengevolge vlugtten van tijd tot tijd verscheidene personen naar Suriname en vonden aldaar een gastvrij onthaal825, zelfs werd een der immigranten, de Fransche edelman Henry Nicolas Gilles, als officier bij de krijgsmagt aangesteld. De berigten dier vlugtelingen omtrent de gevolgen van de afschaffing der slavernij in Cayenne waren vrij eenparig en getuigden dat de vrees daar omtrent niet was verwezenlijkt826.

Surinames ingezetenen bleven echter vol bezorgdheid. De afschaffing der slavernij in Cayenne was hun een doorn in het oog en luide gaven zij hunne blijdschap te kennen, toen zij vernamen dat de Engelschen de Fransche volkplantingen op de eilanden (uitgezonderd een gedeelte van St. Domingo) hadden veroverd en nu ook het plan hadden gevormd Cayenne in bezit te gaan nemen, welk plan echter niet ten uitvoer werd gelegd.

Een ander onrustbarend verschijnsel was de neiging tot desertie onder de militairen. Velen trachtten de kolonie te verlatenen zich naar de eene of andere Fransche kolonie te begeven en somtijds gelukte het hun; meerendeels echter werden zij achterhaald of kwamen in open booten van honger en gebrek om of werden door de golven verslonden.

Eene zeer vermetele poging tot ontvlugting geschiedde in April 1794. Een Amerikaansch schip, met 81 slaven geladen, kwam voor Braamspunt ten anker. De schipper liet zich, volgens gewoonte, naar Paramaribo brengen, ten einde den eed af te leggen, dat er aan boord van zijn schip geene besmettelijke ziekten heerschten. Den volgenden morgen ging hij met den doctor, tot nader onderzoek, naar Braamspunt terug, doch tot zijne verwondering, was het schip verdwenen. Zijn stuurman kwam hem met een paar matrozen in eene boot tegen roeijen en deze berigtte, dat in den vorigen nacht tien soldaten aan boord waren gekomen en de manschappen met geweld hadden gedwongen de ankers te ligten en koers naar Martinique te zetten. De stuurman had in de verwarring gelegenheid gevonden om te ontvlugten. De deserteurs bestonden uit een sergeant en soldaten zijner compagnie die dienzelfden nacht uit het fort Nieuw Amsterdam waren ontsnapt827.

Was de gevaarlijke nabijheid van Cayenne eene oorzaak van gestadige vrees, waartegen men zich op allerlei wijze zocht te wapenen; werden onderscheidene maatregelen van voorzorg tegen een aanval van die zijde genomen, waren de notulen, de dagboeken, deofficieelemissives van dien tijd, opgevuld met betuigingen van vrees voor dien gevaarlijken nabuur, droegen zij vele blijken van vijandelijke gezindheid tegen de, toen aan het bewind in Frankrijk staande, personen,—weldra was alles veranderd—en men roemde de goede gezindheid der autoriteiten en men verheugde zich in de vriendschappelijke betrekkingen met Cayenne828.

Die zoo veel van elkander verschillende verhouding tusschen de beidekoloniënhad haren oorsprong in de belangrijke gebeurtenissen die in Europa waren voorgevallen, waardoor de geheele stand van zaken was veranderd.

Wij zouden ons bestek overschrijden indien wij hier een min of meer omstandig verhaal dier in Europa en ons vaderland zich elkander snel opvolgende gebeurtenissen gaven. Dit behoort tot de algemeene en vaderlandsche geschiedenis en slechts voor zoo verre Suriname er onmiddellijk in werd betrokken, wordt er door ons gewag van gemaakt.

Gelijk van algemeene bekendheid is: De revolutionairen hadden gezegepraald; de Franschen waren in Nederland gekomen en door een gedeelte der verdwaalde menigte als redders begroet. Daar de Franschen de verwijdering van Willem de 5deen zijn huis als conditio sine qua non tot den vrede stelden, vertrok hij, om vergieten van burgerbloed voor te komen, den 18denJanuarij 1795, met al de zijnen van Scheveningen naar Engeland.

In Maart 1795 was deze tijding in Suriname nog onbekend. Den 8stenMaart werd nog, als naar gewoonte, de geboortedag van den Prins van Oranje plegtig gevierd. In April kwamen echter verontrustende tijdingen; eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders die daarop betrekking had, werd in het Hof van Policie door Friderici ter tafel gebragt en gelezen. Den 21stenMei 1795 ontving Friderici een brief van den Prins van Oranje van den volgenden inhoud:

»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.Waarmede,Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.(Get.)W. Pr. van Oranje.Kew, den 7 Feb. 1795.Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.(Get.)J. W. Boejink.Aan den Gouverneur van Suriname.”

»Edele, Erentfeste, vroome, onze Lieve Getrouwe.

Wij hebben noodig geacht, UEd. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om, zoo te Paramaribo, als verder in de colonie van Suriname, te admitteeren de Troupes, die van wegen zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden verzonden, en op de rivieren zoodanigeoorlogsschepen, fregatten of gewapende vaartuigen, die van wegens hooggemelde Zijne Groot-Brittanische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden, en dezelve te considereeren als troupes en schepen van eene Mogendheid, die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoog Mogende, en die derwaarts komen om tebeletten, dat die colonie door de Franschen worde geïnvadeerd.

Waarmede,

Edele, Erentfeste, Vroome, onze Lieve Getrouwe,

Wij UEd. beveelen in Godes heilige protectie. UEd. goedwillige vriend.

(Get.)W. Pr. van Oranje.

Kew, den 7 Feb. 1795.

Ter ordonnantie van Zijne Hoogheid bij absentie van den Geheim-secretaris.

(Get.)J. W. Boejink.

Aan den Gouverneur van Suriname.”

Welken indruk deze brief op Friderici en de leden van het Hof maakte, kunnen wij met geene zekerheid mededeelen, daar de notulen van Gouverneur en Raden van Januarij 1795 tot 20 Junij 1795 ontbreken. In het dagboek van Friderici van 21 Mei 1795 wordt eenvoudig de ontvangst er van gemeld en in de missive aan HH. Directeuren dato 25 Mei 1795 wordt, bij de verzending van een duplicaat, slechts gewag gemaakt, dat genoemde brief door Friderici in de vergadering van het Hof was ingebragt en voorgelezen829.

Of Friderici als een aanhanger van Oranje, nog pogingen heeft aangewend om de Raden te stemmen ten gunste van dit in den brief van den Prins gedaan verzoek, of dat hij overtuigd dat dit toch niet baten zou, die poging heeft nagelaten, kunnen wij uit gemis aan bescheiden daaromtrent niet beslissen. Wij vermelden dus slechts: dat aan den wensch van den Prins om de Engelschen als vrienden te ontvangen, geen gehoor gegeven werd; dat men overeenkomstig de missive van HH. Directeuren en de daarbij gevoegde resolutie van 3 Februarij 1795 van H. H. M., den 16 April ontvangen, besloot de nieuwe orde van zaken in het vaderland te erkennen830. Friderici drong echter bij HH. Directeuren en Regeerderszeer aan om hem bepaalde bevelen over te zenden, »hoe hij zich ten opzichte van de Hooge Ambtspersonen enMinisters der Republiek hadde te gedragen, daar hem ook de legale kennisgeving van de veranderingen die in het vaderland hadden plaats gevonden ontbrak en hij alzoo niet wist in hoeverre dezelve op den staat van zaken in decoloniënmoest influenceren.” Hij beschrijft zijne positie als zeer zorgelijk, daar hij ten gevolge van onbekendheid daarmede, in de mogelijkheid kon komen, om zich bij voorkomende gelegenheden te gedragen op eene wijze, die misschien niet overeenkwam met de beschikkingen welke in de republiek zouden worden gemaakt, doch hij vertrouwde dat in zulke gevallen zijne zucht tot orde en een geregeld bestier als overeenkomstig met de bevelen, waarmede hij voorzien was, in acht zouden worden genomen831.

Zijn gedrag werd door Directeuren geprezen en in de vergadering van de Provisioneele Representanten van het volk van Holland, gehouden op Dingsdag den 4denAugustus 1795, het eerste jaar der Bataafsche vrijheid, werd op voordragt van den Burger A. Vereul, pres. van het collegie van Directeuren, geresolveerd: »de Gedeputeerden ter generaliteit te gelasten, het bij H. H. M. daar heenen te dirigeeren, dat, daar de Gouverneur der kolonie Suriname,JurriaanFrançois Friderici, die in weerwil der misdaadige poging des gewezen stadhouders, in zorglijke en kommerlijke oogenblikken, niets dan zijn pligt gezien, en plegtig betuigd heeft, alles te zullen verrigten, wat van een man van eer, die het behoud der colonie voor het moederland boven alles stelt, kan worden verwacht, H. H. M. bij eene speciale resolutie hoogstderzelve genoegen over dit braaf gedrag des Gouverneurs tot heden gehouden, gelieven te betuigen, en denzelven tot het manmoedig persevereeren op dit zelfde loffelijk voetspoor aan te moedigen; en hem extract dezer resolutie bij eerste gelegenheid toe te zenden.”832

In Suriname heerschte ook onrust, die Friderici, zoo spoedig mogelijk, wenschte te onderdrukken. Den 1stenJunij 1795 deed hij, in overeenstemming met het Hof, eene publicatie uitvaardigen, waarbij het vormen en bijwonen van genootschappen waar over de regten van den mensch werd gesproken, het verspreiden van ontrustende tijdingen, het drukken en uitgeven van libellen, het indienen van oproerige adressen streng verboden en het gehoorzamen der wettige overheid als eerste burgerpligt werd aanbevolen. De revolutionaire geest ofschoon ook wel in Suriname aanwezig, kwam echter niet tot die ontwikkeling als in Europa. De reeds genoemde maatregel bragt het zijne er toe bij, om die ontwikkeling te stuiten, doch er was meer: het eigenbelang hield die ontwikkeling tegen. Men begreep in Suriname zeer goed, dat nevens de in aantal geringe blanke bevolking eene andere, eene gekleurde, leefde die gretig naar de gelegenheid wachtte om het juk, dat haar drukte, af te werpen. Toegeven aan de droombeelden van vrijheid, gelijkheid en broederschap zounietslechts agitatie onder de blanken te weeg brengen, maar zich welligt tot de slavenbevolking uitstrekken: het naburig Cayenne was tot leerend voorbeeld. De laatste tijdingen toch uit die kolonie luidden ongunstig. De slaven waren door de dwaze en onvoorzigtige handelwijze van sommige heethoofden uit Frankrijk in beweging gekomen: zij hadden zich van hunne meesters verwijderd en velen gaven zich aan losbandigheid over, doch werden doorde krachtige handeling van den nieuwe Gouverneur Cointet tot rust en orde gebragt.833

Men moest voorzigtig zijn, daar men als het ware tusschen twee vuren stond, want inDemerarywas een opstand onder de slaven uitgebroken en dringend werd van daar door den Gouverneur ad interim Beaujon hulp uit Suriname verlangd.

Eerst werd slechts hulp van 200 à 300 Indianen gevraagd »om de bosschen te doorkruisen en van wegloopers te zuiveren.” Zoo spoedig mogelijk werd hier aan voldaan, door den posthouder aan den Corentijn aan te schrijven Indianen uit dat district op te roepen, te wapenen en naar Demerary te zenden, waartoe de goede hulp der Moravische broeders werd ingeroepen om de Indianen te bewegen aan die roepstem gehoor te geven.834

Weldra echter werd de nood in Demerary dringender. De wegloopers hadden militaire posten aangevallen en verslagen; hunne vermetelheid wies en zelfs hadden zij den blanken reeds voorgesteld, dat dezen de kolonie zouden verlaten en dezelve aan hèn overgeven. Beaujon wenschte dus zeer ook hulp van militairen te ontvangen. Ofschoon men Suriname niet te zeer van krijgslieden ontblooten kon, werd evenwel een corps van p. m. 50 soldaten en 25 man van het legercorps onder den Luitenant-Kolonel Stoelman naar Demerary tot Secours gezonden835. Met behulp van dit corps werd de opstand der slaven onderdrukt en keerde Stoelman met zijne manschappen in December 1795 terug836.

De goede maatregelen door Friderici en het Hof en andere genoemde en niet genoemde omstandigheden werkten alzoomede dat Friderici van den toestand van Suriname in het slot zijner missive aan HH. Directeuren en Regeerders kon getuigen: »Ik zal deese onaangenaame berichte” (zoo als die over Demerary, den slechten stand der geldmiddelen enz. enz.) »eenigzints veraangenaamen met de verzeekering dat deze colonie zig bij continuatie blijft distingueeren door zijne rustige toestand, dat in het generaal genomen de vooruitzichten van de aanstaande insameling der producten zeer aangenaam zijn, en dat eene aansienlijke voorraad van derselver voortbrengselen ter afscheeping zijn gereed liggende; vleijende zig den planter dat eerlang eene generaale vreede de gepaste middelen tot de overvoering van deselve na den vaderlande zal kunnen opleveren.837

De wensch naar een generalen vrede werd nog niet vervuld. Er zou nog veel bloed stroomen en Europa, ter prooi aan onderlinge verdeeldheid, verscheurd en vertreden worden, vóór dat men zich over den gewenschten vrede verblijden en er den Heere voor danken kon.

Hoewel men zich in Suriname aan de nieuwe orde van zaken in het vaderland had onderworpen, wachtte men zich echter, om door overijlde maatregelen den gang der zaken vooruit te loopen. In de vergadering van het Hof van 8 Julij 1795 bragt Friderici de kwestie van het afleggen der Oranje-cocardes (in 1787 verordend) ter sprake. Hij vermeende dat, ofschoon de nieuwspapieren de verandering in de staatsgesteldheid der republiek mededeelden, men echter hiermede wachten moest tot een stellig bevel van den souverein (H. H. M.) zulks gebood. Het Hof vereenigde zich met dit voorstel en oordeelde ook dat indien men hierin overijld te werk ging, er welligt opschudding door zoude ontstaan en dat het vooral niet dan met overleg en in overeenstemming met de kapiteins der aanwezigeoorlogsschepenmoest geschieden838.

Een paar dagen later kwam de resolutie van H. H. M. van11 April 1795 aan. Deze resolutie had vooral de strekking om verkeerde uitlegging van de resolutie van 4 Maart 1795 tegen te gaan. De resolutie van 4 Maart behelsde: »de erkenning van de eeuwige en onveranderlijke beginsels van Gelijkheid, Vrijheid en algemeen Broederschap, zoo wel als de daaruit voortvloeijende rechten en plichten van den mensch en burger, mitsgaders de souvereiniteit van het geheele volk van Nederland;” de afschaffing en vernietiging van »de erffelijke waardigheeden van den Stadhouder” enz. enz., »zoo als dezelve waren toegekend geweest en feitelijk geresideert hadden in den persoon of het huis des Princen van Oranje,” enz. enz.

Men schijnt in Holland bevreesd te zijn geweest, dat men in de koloniën spoedig te ver zou gaan, gelijk uit de resolutie van 11 April die wij hier laten volgen blijkt:

»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.Sabbathi den 11 April 1795.Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.Accordeert met voorz. register.(Was Getekend)W. Quarles.”

»Gelijkheid, Vrijheid, Broederschap.Extractuit hetRegisterderResolutiënvan deHoogmogende Heeren Staten-GeneraalderVereenigde Nederlanden.

Sabbathi den 11 April 1795.

Het eerste jaar der Bataafsche vrijheid.

DeGecommiteerden van Hollandhebben tervergaderingvoorgedragen: dat zij ter kennis van hunne principalen gebragt hebbende de Missive van den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën alhier op gisteren ingekomen, en breeder aldaar vermeld, door dezelven waren gelast om dien aangaande te doen een voorstel.

Waarop dien conform is goedgevonden en verstaan, te verklaren dat H. H. M. zich met ernst zullen bezig houden om het charter voor de coloniën te bepalen: en dus wel ernstig begeeren, dat niemand de deswegens te houdene deliberatiën vooruit loopen en door eene willekeurige interpretatie van Hoogstderzelverpublicatievan den 4denMaart dezes jaars, de thans plaats hebbende order van zaken eigendunkelijk veranderen.

Dat in tegendeel alle opperhoofden,collegiënvan regeringen, officianten en ingezetenen in de respective coloniën alle de reeds gegevene of nog te geevene ordres van den Raad der coloniën ofte van zodanige andere Directie waar onder zijgesteld zijn, zullen moeten respecteeren en gehoorzaamen tot tijd en wijlen zij daarvan door Haar Hoog. Mog. zelve op eene legaale wijze, zullen zijn ontslagen; gelastende Haar Hoog. Mog. de opperhoofden of de derzelver plaats bekleedende, alle attroupementen of daaden van geweld, met allerigeurtegen te gaan en de geenen die dezelve mogten pleegen, ter rigoureusten te doen straffen.

En gelasten insgelijks aan alle commandanten van ’s lands troepen zo te lande als ter zee, omme de gestelde machten in het handhaven van rust en goede order, en in het volvoeren dezer beveelen met al hun vermogen te adsisteeren, op poene dat de opperhoofden en commandanten voor alle omissien en verzuim deswegens zullen aansprakelijk zijn.

En zal uit hoofde van het spoedig vertrek van schepen naar de West Indiën extract van deze Haar Hoog. Mog. Resolutie worden gezonden aan den Raad der coloniën van den staat in de West-Indiën, met last om van den inhoud van deselve ten spoedigste kennisse te doen geven aan de respective coloniën, ten einde alleconfusiënvoor te komen, die door het achterblijven dezes orders zouden kunnen ontstaan.

(Was Geparapheert)J. G. H. Hahn, Vt.

Accordeert met voorz. register.

(Was Getekend)W. Quarles.”

Deze resolutie (die van 4 Maart schijnt toen nog niet te zijn ontvangen) werd bij publicatie den ingezetenen bekend gemaakt. Oefeningen in den wapenhandel, zonder consent der Authoriteiten, en het vormen van bijzondere corpsen, zoogenaamde vrijkorpsen, werd hierbij tevens verboden839.

Intusschen begonnen sommige ingezetenen en zelfs slaven zich met de driekleurige Fransche cocarden te versieren. Wel werd hiertegen straf bedreigd en ook enkele personen gestraft, doch Friderici achtte het niet raadzaam, langer het afleggen der oranje-cocarde uit te stellen. Hij trad daarover in overleg met den colonel-commandant Millet van Coehoorn en den kapitein ter zee van Overvelde, en den 20stenJulij 1795 werdtot het afleggen derzelve besloten, dat echter, ten opzigte van de militairen, eerst den 26stenAugustus plaats had en, voor de burger-officieren, den daarop volgenden dag840.

In de laatste dagen van Augustus 1795 werd door Friderici eene missive van H. H. Directeuren en Regeerders ontvangen, waarbij gevoegd was eene resolutie van H. H. M. dato 5 Junij 1795, behelzende mededeeling van een tractaat van vrede, vriendschap en alliantie, den 16denMei tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en die van Frankrijk gesloten, welk tractaat den 4denJunij te Parijsgeratificeerdwas; een duplicaat der reeds genoemde resolutie van 4 Maart omtrent de erkenning van de regten van den mensch, de vernietiging van het stadhouderschap en de vervallen verklaring van den Prins van Oranje, was hierbij gevoegd. Friderici wilde nu het een en ander doen publiceren, doch stelde voor, om van de laatstgenoemde resolutie dat gedeelte, hetwelk betrekking had op de erkenning van de regten van den mensch, achterwege te laten, daar dit mogelijk agitatie bij de slaven zoude verwekken. Friderici vreesde zeker dat zij zich eens mogten gaan verbeelden ook menschen te zijn en regten te hebben. Het Hof achtte het echter oorbaar, dat de geheele resolutie werd gepubliceerd, doch liet aan den Gouverneur over, met dien verstande en voorzigtigheid te handelen als hij mogt goedvinden841.

Friderici liet toen den 31stenAugustus de resolutie omtrent het tractaat van vrede, vriendschap en alliantie met Frankrijk publiceren en den 8stenSeptember de resolutie van 4 Maart, terwijl die van 11 April er tegelijk onder werd gedrukt842.

Den 27stenAugustus werden de civiele autoriteiten door Friderici van den eed aan den stadhouder ontslagen, en den 31stenAugustus de militairen. Dien dag was er een feestelijke maaltijd bij Friderici om deze heuchelijke? gebeurtenis te vieren, die door de Raden van Policie, de kapiteinen deroorlogsschepenen hoofdofficieren der bezetting werd bijgewoond843.

Daar er nu eene alliantie met Frankrijk was gesloten, werden de afgebroken betrekkingen met Cayenne weder aangeknoopt. Deofficieeletijding dier alliantie werd door Friderici naar Cayenne gezonden, èn om daardoor een blijk te geven van zijne blijdschap over dezelve èn om de autoriteiten aldaar te nopen de Fransche kapers, die het inkomen der Amerikaansche schepen zeer belemmerden, van de kust te doen verwijderen844.

Men moest nu ook op zijne hoede zijn tegen nieuwe vijanden, de vorige bondgenooten, de Engelschen. Om het inkomen der rivier voor groote schepen die met het vaarwater onbekend waren, zoo veel mogelijk te belemmeren, liet Friderici voor ƒ 12.— à ƒ 14.000 te Cayenne twee oude, aldaar opgebragt zijnde, Engelsche schepen koopen, welke men daarna bij Braamspunt deed zinken845.

Even als in het moederland trachtten de Franschen zooveel voordeel mogelijk van de alliantie met Nederland te trekken. Zoo schreef de Fransche gezant in Amerika o. a. een brief aan Friderici, waarin hij in hoogstbeleefde termen verzocht om Cayenne van allerlei benoodigdheden, voornamelijk levensmiddelen, te voorzien, daar men in die kolonie aan alles gebrek had. Zoo de magazijnen in Suriname hiertoe geen genoegzame voorraad hadden, dan verzocht hij dat men daartoe van Amerikaansche schepen het noodige zou aankoopen, en dit met producten uit Suriname betalen—alles bij wijze van leening. Friderici raadpleegde met het Hof hoe in deze te handelen. Terwijl men oordeelde moeijelijk aan dezen exorbitanten eisch te kunnen voldoen, vreesde men aan den anderen kant om de Franschen te vertoornen. Men besloot alzoo om de weigering in zeer beleefde termen in te kleeden, zich op den slechten staat der openbare kassen te beroepen,en tevens het een en ander wat men eenigzins missen kon te zenden. Ook schreef men daarover aan H. H. Directeuren, om hunne nadere bevelen te ontvangen846.

Men zag in de kolonie verlangende naar de toegezegde versterking uit, zoo dat men met blijdschap den 12denMei 1796 het berigt vernam, dat de langverwachte vloot de rivier Suriname kwam opzeilen. Deze vloot, onder bevel van den Vice-Admiraal van Braak, bestond uit vijf oorlogsvaartuigen en een koopvaardijschip. Van Braak werd den 17denMei plegtig gerecipieerd en verscheen den 20stenMei in het Hof van Policie. Hij trachtte daar in eene uitvoerige rede, volgens den geest van dien tijd, den ommekeer van zaken als een hoogstgunstigete schetsen en de handelwijze van den Prins van Oranje als slecht, en misdadig te doen voorkomen. Hij prees den Gouverneur en de Raden van Policie, omdat zij geen gevolg hadden gegeven aan het verzoek van den Prins om de kolonie in handen van den algemeenen vijand, het trotsche Engeland, over te geven, en omdat zij getoond hadden hun pligt en hunne roeping te begrijpen, door reeds de Oranje-cocarde te doen afleggen en het krijgsvolk en de burgers van den eed aan den Prins van Oranje te ontslaan. Hij deelde verder mede dat H.H.M, den 5denOctober 1795 de Directie derSociëteitvan Suriname hadden vernietigd en den 9denin plaats daarvan aangesteld: een Committé tot de zaken van de koloniën en bezittingen op de kust van Guinea en in America, welk Committé zou bestaan uit 21 leden, waarvan 7 leden meer bepaald met de directie van den militairen staat, 7 met het huishoudelijk bestier der koloniën en 7 met het beheer der commerciële zaken zouden worden belast; een Advocaat Fiscaal tot waarneming van het regt der Hooge Overheid in cas van misdaden door burgerlijke of militaire ambtenaren in de colonie geperpetreerd; mitsgaders in cas van delicten welke door suppoosten of bedienden, aan hetzelve Committé werden gesubjecteerd; een Secretaris voor het geheeleCommitté en een Ontvanger-Generaal, met de geldelijke administratie belast. De leden zouden genieten een jaarlijksch traktement van ƒ 2000, de Advocaat-Fiscaal ƒ 4000, de Secretaris ƒ 6000 en de Ontvanger-Generaal ƒ 2500; allen ontvingen daarenboven vergoeding van reiskosten. Tot president werd benoemd A. Vereul, tot secretaris W. Irhoven van Dam, tot Advocaat-Fiscaal Jacob Spoors847.

Als reden van de vernietiging der vorige Directie en der instelling van genoemd Committé werd in de resolutie van 9 October 1795 het volgende aangevoerd:

»Dat de te voren bestaan hebbende West-Indische Compagnie dezer landen, oorspronkelijk, even als de Oost-Indische Compagnie is geweest een commerciëerend ligchaam, dog hetwelk sedert vele jaren, vóór deszelfs vernieting, hoewel geheel en al van aard en natuur veranderd zijnde, zoodanig, dat door hetzelve geen commercie, hoegenaamd, meer werd gedreeven, nogthans, even als of het nog een commerciëerend ligchaam ware, directie of de administratie had van den handel op Essequebo, Demerary, St. Eustatius, Curaçao en de bezittingen van den staat langs de kust van Guinée, terwijl de colonie van Suriname en de Berbice wederom door eene afzonderlijkeSociëteiten Directie geadministreerd werden, zoodat alle dezelve in geenerlei verband staan met malkanderen, en er derhalve nimmer eenige gemeenschappelijke schikkingen kunnen worden gemaakt.

»Dat deze onderscheidene ligchamen daarenboven eeniglijk geadministreerd wordende door kooplieden of regtsgeleerden, het ook toen niet anders zijn kon, of derzelver staat van defensie zoo te water als te lande, moest meestal verzuimt of kwalijk gedirigeerd, ten minste niet zoodanig behandeld worden, als van lieden, die genoegzame kennis hadden van hetgeen daartoe behoord, zou kunnen en moeten worden verwagt. Gelijk men ook in den laatsten oorlog met Engeland heeft gezien dat alle dezelve (Suriname misschien eenigzins uitgezondert) zig in zodanigen staat bevonden, dat de meeste opde eerste vertooning van een vijand, zijn genomen, en tegen den geringsten aanval niet te defendeeren waren.

»Dat de ontaarding der West-Indische Compagnie van eenligchaamvan commercie in een van louter administratie haar langzamerhand buiten staat gesteld heeft, om zelfs de interessen van haare gemaakte schulden te betaalen, waardoor de houders van een important capitaal, dat zij in der tijd hadden genegotieerd, derzelver interessen hebben moeten missen, en waardoor de Compagnie zelve in een totaal discrediet is vervallen, waaromme dat men onder het voorig bestuur verpligt is geweest, dezelve op het einde van haar Octroy (schoon op eene wijze, die vis à vis van haare particuliere crediteuren, zoo Actionisten als anderzints, van geene onbillijkheid, ja men mag wel zeggen onregtvaardigheid, vrij te spreken ware) geheel te moeten ontbinden, en in haare plaats eene andere directie van zaaken aan te stellen.

»Dat bij hun Hoog Mog. op den 1stenJunij 1792 eindelijk, na lange en breede overleggingen, is aangesteld eenRaadover decoloniënin America en over de bezittingen van den staat in Africa, waardoor nogthans dezelfdecoloniënen bezittingen, die te vooren onder de administratie der West-Indische Compagnie gestaan hadden, onder de directie en beheering van deezen Raad waren gebragt, te weeten: decoloniënDemerary en Essequebo, de eilanden van St. Eustatius en Curaçao, en de bezittingen van den staat op de kust van Africa, terwijl de colonie van Suriname en van Berbice weder gebleven zijn onder de administratie van de zogenoemdeSociëteitvan Suriname, en de Directie van de Berbice, en er dus even als te vooren eene drieleedige beheering bleef plaats hebben, tot groot nadeel dercoloniënen tot merkelijk bezwaar der kosten, welke tot goedmaaking van zoodanige drieleedige administratie vereischt worden.

»Dat de Souverain, door deze wijze van alle de voors.coloniënvan den staat in de West-Indiën te administreren, nimmer behoorlijke informatie of zekerheid hebben kan omtrent derzelver toestand zoo te water als te lande.

»Dat die daar nauwlijks meer van weten kan dan alle devoorsz.directiëndenzelven wel gelieven te informeeren: en dat deeze bij hunne Instructie of speciaale ordres niet verpligt zijnde, om daarvoor te zorgen naar behooren, en door derzelver instelling en inrigting daartoe zelfs geheel ongeschikt, het niet te verwonderen is wanneer dezelvecoloniënbij geleegenheid van eenen oorlog in eenen slegten staat bevonden worden, tot merkelijk voordeel van den vijand, en tot onuitspreeklijk nadeel voor den Staat.

»Dat daarenboven door de tegenwoordige wijze waarop de West-Indischecoloniëngenoegzaam ieder afzonderlijk geadministreerd worden, alle onderlinge schikkingen ten opzigte van elkanderen niet alleen zeer moeijelijk, maar zelfs ondoenlijk zijn, terwijl men zig niet considereert, als leden van een en hetzelfdeligchaam, maar veeleer als corpora, die een onderscheiden belang hebben, die jaloers zijn van elkanderen, en dat in plaats van eene gemeenschappelijke werking tot generaal nut en voordeel, en tot een zo veel mogelijk eenparig bestuur over alle de voorsz. volkplantingen en bezittingen, er integendeel eene geheimhouding omtrent elkanderen, en eene onverschilligheid omtrent elkanders voorspoed en geluk plaats heeft, welke onder eene welgereegelde regeringsvorm van een land geen plaats altoos behoorden te hebben.

»Is goedgevonden en verstaan, enz. enz.848.”

Nadat Friderici en anderen de gewone redevoeringen, bij dergelijke gelegenheden in gebruik, hadden gehouden, legde hij daarop in handen van van Braak den eed af: aan H. H. M. of aan zoodanige regering, welke door den wille des volks in het vervolg zal worden gekozen, alsmede aan het genoemde Committé849.

Den volgenden dag nam van Braak dien eed af van de officieren der bezetting en van de zeemagt. Friderici werd gecommitteerd de Raden in den eed te nemen. Deze heerenhadden hiertegen eenige bezwaren, niet wegens gehechtheid aan de vorige orde van zaken, maar omdat zij gemeend hadden dit collegaliter aan van Braak te hebben moeten doen. Na eenig tegenstribbelen gingen zij er evenwel toe over, waarna de noodigepublicatiënwerden uitgevaardigd850.

Er was in Suriname thans ook nog al wat gisting, die echter door krachtige maatregelen spoedig werd onderdrukt. Reeds in Januarij was door Hendrik Schouten uitgegeven een Tijdschrift, onder den titel: »Nieuwsverteller of Zamenspraak tusschen Louw en Krelis,” en door Beeldsnijder een libel: »Hans en ’t Schaduwbeeld,” die beide »tendeerde om de vriendelijke ommegang en eenigheid onder de ingezeetenen deezer colonie te verminderen en partijzucht, laster en wrevel te weege te brengen, tot werkelijk nadeel van de goede ordre en het publiek belang.” Friderici verbood de verdere verspreiding hiervan851. In de Zaturdagsche en in de Woensdagsche couranten waren weder, zonder voorafgaande approbatie, artikelen geplaatst die beleedigende voor de regering, en tegen de goede orde strijdende waren. Friderici hield voortaan strenge censuur om dit te voorkomen852. Daarenboven liepen eenige vrije Mulatten van de burgerwacht en begingen baldadigheden, doch werden spoedig in arrest gebragt853. Ook bij sommige feesten der aanzienlijken vielen ongeregeldheden voor en zelfs ontzag de predikant La Pra zich niet om in de herberg in verachtelijke termen over het Hof en den Gouverneur te spreken. Hierom bij Friderici ontboden, behandelde La Pra hem brusquement en dreigde zich tot van Braak te zullen wenden. Friderici bragt hem evenwel tot zijnen pligt terug854.

A. Vereul, de president van het Committé, sprak bij het openen der eerste zitting den 2denNovember 1795 o. a. de volgende woorden: »Donkere wolken hangen boven de loopbaan, welke ons heden ontsloten is. Het trotsche Engeland, welks oorlogskielen, in groot getal, de zeeën drukken, gelijk hunne misdaden de beide waerelddeelen; welks bloeddorstigheid door het bloed, dat reeds gestroomd heeft, schijnt aan te wakkeren, bedreigt ook de Westersche Bezittingen des staats”855. Hierin sprak hij in zoo verre eene waarheid uit, dat werkelijk de Engelschen de West-Indische bezittingen bedreigden. Reeds in Mei was er tijding gekomen dat Demerary zich bij capitulatie aan den Britschen vlootvoogd had overgegeven: die tijding werd sedert bevestigd856. Van tijd tot tijd vertoonden zich Engelsche schepen aan de kust, maakten zich soms van Fransche, naar Suriname bestemde schepen meester en attaqueerden Indiaansche booten, die met levensmiddelen voor de post aan de Marowyne waren afgezonden857.

Friderici trad met van Braak in overleg over de beste maatregelen van verdediging der kolonie, doch den 12denAugustus 1796 overleed de man, van wien Friderici in zijne missive aan het Committé had getuigd, dat hij met ijver en voorzigtigheid de belangrijke taak, die hem opgedragen was, trachtte te vervullen858. Het bevel over het eskader werd door kapitein Hartsinck overgenomen, met wien van tijd tot tijd weder moeijelijkheden voorvielen.

Den 5denSeptember 1796 werd bij trommelslag gepubliceerd het Manifest van de Bataafsche republiek, of wel der Nationale Conventie representeerende het volk van Nederland (zoo luidde de naam der toenmalige regering die voor een wijle in plaatsvan H. H. M. was gekomen) tegen het rijk van Groot-Brittanje859.

De Engelschen trachtten verstandhouding aan te knoopen, en ofschoon zij de kust blokkeerden, bewezen zij echter onderscheidene beleefdheden. In November zonden zij o. a. eenpakketaan den Gouverneur, die het in tegenwoordigheid van het Hof opende. Behalve een zeer beleefden brief aan den Gouverneur bevatte het verscheidene brieven aan particulieren, die door de Engelschen uit een door hen genomen schip waren genomen en nu werden overgemaakt. Die brieven werden aan hunne adressen bezorgd860. Eenige dagen later zond de Engelsche Commodore een vaatje boter als geschenk aan Friderici, die dit echter niet aannam, zoodat de Britsche officieren onverrigter zake moesten terugkeeren861.

Terwijl de vijand de kusten bewaakte en de toevoeren van levensmiddelen en ammunitie zoo veel mogelijk verhinderde,vermeerderdende moeijelijkheden voor Friderici. De zeekapitein Hartsinck klaagde over het achterblijven van verscheidene door hem gerequireerde betalingen; in den Raad ontstond meermalen verschil; sommige leden legden hunne betrekkingen neder en waren er met moeite toe te bewegen om de daarop gestelde boete te betalen en het viel bezwaarlijk, geschikte personen ter vervulling dier betrekking te verkrijgen. De Raad Docher beklaagde zich in het Hof over den droevigen finantiëelen toestand en ijverde zeer tegen de gestadige vermeerdering van het kaartengeld; de Raad Saffin had dezelfde klagten en was tevens zeer ontevreden over den Raad Boekhouder-Generaal, die uit de kas der Modique lasten wissels had doen ligten ten behoeve van de kassa tegen de wegloopers; andere Raden hadden gedeeltelijk dezelfde grieven, waarbij later nog kwam de ontevredenheid over de quotisatie der prijzen van de producten door het Committé bepaald862. Friderici zag echter geen kans om anders in de bestaande behoefde te voorzien,dan door het maken van kaartengeld en het aanspreken van de kas der modique lasten ten behoeve der verdedigingsmaatregelen, terwijl zij anders meer bepaaldelijk voor de huishoudelijke zaken der kolonie was bestemd. Hij liet dus in Julij 1796 weder voor 50 mille daarna voor 250 mille en in Julij 1797 voor 350 mille, in April 1798 voor ƒ 400,000, in November 1798 voor ƒ 600,000 aan kaartengeld en obligatiën stempelen; hij verdedigde de maatregelen van den Raad Boekhouder-Generaal en—hoewel hij genegen was »om alles op de vriendelijkste wijze te termineeren,”stelde hem (volgens zijn getuigenis) »ongemesureerde onmatige heerschzugt, de geest van partijschap en ontevreedenheid meer als eens in de noodzakelijkheid om van dien algemeenen regel af te gaan, zoo hij geen gevaar wilde loopen om de ordre van zaaken ten eenemale te zien vervallen en hem zelf ten speelpop van hunne (hij bedoelt hiermede de leden van het Hof) wandrogtelijke gevoelens te maaken863”. Het Raadslid Docher werd dan ook ontslagen864, en Friderici ging voort om met of zonder goedkeuring van het Hof datgene te doen, wat hij in het belang der kolonie oirbaar achtte, en hij handhaafde het bevel van het Committé omtrent de quotisatie der prijzen van de producten. Zijn gedrag scheen door het nieuwe Committé goed opgenomen te worden, daar hij in Julij 1797 in zijn privé ƒ 21,000 ontving, als vermeerdering van tractement ad ƒ 6000 ’s jaars, berekend van 1 Januarij 1794, op welk tijdstip hij die vermeerdering aan H. H. Directeuren had verzocht865.

In Februarij 1798 bereikte de droevige tijding Suriname, dat de Hollandsche vloot onder Admiraal de Winter den 16 October 1797 totaal door de Engelschen geslagen was866.

Het doet ons genoegen te kunnen mededeelen, dat de Nederlandscheweldadigheid zich ook nu in Suriname niet verloochende. Door de Maatschappij van Landbouw in de Warappa-kreek werd onmiddellijk na het vernemen van die ramp ƒ 500 aan Friderici toegezonden ter tegemoetkoming in het lot der gekwetsten en der weduwen en weezen van de bij dien zeeslag gesneuvelden. Ook andere giften kwamen daartoe in867.

Het oefenen der gastvrijheid omtrent hen die van tijd tot tijd uit Cayenne vlugten, om de arbitraire maatregelen der toenmalige bewindslieden te ontgaan, veroorzaakte meermalen moeijelijkheden en vele missives werden tusschen Friderici en de elkander snel opvolgende Gouverneurs, Commissarissen enz. enz. hierover gewisseld. Vooral had er eene geanimeerde correspondentie plaats toen Pichegru, Barthelemy, Aubry, Villot, La Reu, Ramel, Dosfonville en Tellier die den 18denFructidor (4 September) 1797 door het Directoire gearresteerd, en naar Cayenne waren gebannen, waar zij door den Gouverneur met gestrengheid werden behandeld, met eene Pirouette (Fransch vaartuigje) naar Suriname waren gevlugt. Zij kwamen den 9denJunij 1798 aan de Motkreek aan en door het opgeven van valsche namen en het vertoonen van echte of valsche papieren waren zij goed ontvangen. Spoedig echter eischtte de Gouverneur van Cayenne Jeannet de vlugtelingen op, doch Friderici verontschuldigde zich met de mededeeling, dat hij ze uit het oog verloren en vergeefsche pogingen had aangewend om ze te doen arresteren, zoodat hij vermeende dat ze reeds de kolonie hadden verlaten. Noch het Journaal van Friderici noch de gevoerde correspondentie geven eenig blijk, dat de Gouverneur hun vertrek oogluikend heeft toegestaan. Teenstra evenwel vermeldt dit en het door een der heeren uitgegeven verhaal schijnt dit te bevestigen, en het komt ons mede niet onwaarschijnlijk voor, daar Friderici zich dikwijls beklaagt over de handelwijze der Fransche Gouverneurs, Commissarissen, Agenten enz., en de nabuurschap van Cayennehem, ofschoon er in schijn eene goede verstandhouding heerschte, meer tot last dan tot genoegen strekte868.

De zaken gingen verder hun gewonen gang. Ongeregeldheden in het administratief beheer bij sommige collegiën, voornamelijk het collegie van kleine zaken, werden zoo goed mogelijk tegen gegaan869; in ’s lands gasthuis gaven de binnenvader en moeder door een losbandig gedrag een slecht voorbeeld aan de gealimenteerden; in het Conventum Deputatorum en in het Collegium Medicum hadden vele kibbelarijen plaats en Friderici had werk om het een en ander,tenminste eenigermate, in goede orde brengen en de harmonie te herstellen. Dat hier en daar ook nog aanhangers van den prins van Oranje waren, blijkt uit verscheidene stukken. Op een maaltijd bij den heer Opitz werd o. a. eene conditie door een zeeofficier ingesteld: »Oranje boven en de keezen naar de verdoemenis.” De zaak werd onderzocht doch later ontkend. Het scheen echter dat reeds meermalen dergelijke scènes voorvielen870. De wreede en tirannique behandeling der slaven bleef bestaan. Meermalen vindt men gewag gemaakt dat slaven door hunne meesters of meesteressen zoodanig werden mishandeld, dat zij aan de gevolgen hiervan overleden871.

De toestand in het vaderland, waar men, terwijl men meer en meer de zelfstandigheid verloor en onder Franschen invloed geraakte, met groote woorden hoog opgaf van de Bataafsche vrijheid, werkte mede niet gunstig op Suriname. Deonophoudelijkeveranderingen in het staatsbestuur, het telkens optreden van nieuwe mannen, maakten het handelen met energie onmogelijk.

In April 1799 ontving men in de kolonie de publicatie van het uitvoerend bewind, dato 16 Mei 1798, betrekkelijk het aannemen en in werking stellen der nieuwe staatsregeling, waardoor de nationale vergadering verviel872. Anderepublicatiënover het inrigten van schepen ter kaapvaart volgden873; doch wat baatte de daartoe verleende vrijheid, daar het noodige materieel en de manschap ontbrak en Suriname intusschen van zijne beste verdediging, die van een goed Eskader, werd ontbloot? Reeds in November 1798 was door den burger de Mist het bevel tot het vertrek der vloot overgebragt en in Februarij 1797 gaf de Commandant-kapitein Hartsinck aan Friderici kennis, dat hij niet langer vertragen kon met het opvolgen der ontvangen bevelen om eersdaags met het grootste gedeelte zijner scheepsmagt, de kolonie te verlaten: alleen eenige ligte vaartuigen zouden achterblijven. De Gouverneur en de Raden van Policie drongen er zeer op aan, dat Hartsinck bleef tot dat men over deze zaak naar het vaderland had geschreven, doch de door hem ontvangen bevelen tot vertrek waren te stellig, zoo dat hij zich zeilvaardig maakte en het Eskader den 21 Maart 1799 Suriname verliet874.

Als tot vergoeding der aan de kolonie ontrukte magt kwam in Februarij 1799 een corps Spaansche hulptroepen van 600 man, onder bevel van Don Manuel D’amparan, scheepskapitein in dienst van den koning van Spanje. Valkenaer, gezant der Bataafsche republiek aan het Hof van Spanje, had er veel toe bijgedragen dat deze hulp werd verleend. Zij kwam echter wel wat laat, daar zij reeds in 1797 was beloofd875. Dit korps Wallons werd als dappere soldaten geroemd, doch de kolonie had er niet veel dienst van, maar wel veel kosten. Eerst moesten zij gekleed worden, want zij waren in erbarmelijke plunje; »de snijders moeten voor het corps Wallonsmaken 600 kamisoolen met mouwen, 600 pantalons, daar zij slecht van kleeding zijn voorzien;” hun moest eene hooger soldij worden betaald dan de gewone militairen, waardoor men, om den naijver der anderen niet op te wekken, genoodzaakt werd een gedeelte der soldij, als in het geheim te betalen enz. enz.

Een algemeen overzigt van den toestand der kolonie in dien tijd wordt geleverd in eene uitvoerige missive door Friderici aan het Committé geschreven den 31stenJanuarij 1799.

De Gouverneur geeft in die missive mededeelingen omtrent:

Omtrent dit eerstgenoemde wordt door hem geklaagd: over de moeijelijkheden om, bij afnemende populatie, geschikte personen te vinden ter vervulling der betrekking van Raden voor de beide hoven, leden voor het collegie van kleine zaken, klerken ter secretarie tevens bekwaam voor de notariële praktijk; over gebrek aan Practizijns; over traagheid van de Curators der Wees- en onbeheerde boedelskamer, enz. enz. enz.

Wat den landbouw betreft is de schets niet ongunstig.

Wel had hij door verscheidene oorzaken geleden, doch in evenredigheid der werkbare negers was hij in de laatste 6 jaren eer toe- dan afgenomen. De suikerplantaadjes vooral gaven, door de aanplanting van het Molukkisch riet, waarvan eenige jaren te voren door een vriend van Friderici, den heer Aquart uit Martinique, eenige planten waren gezonden, eene nieuwe hoop op eene voordeelige opbrengst. De katoencultuur was door aanleg en uitbreiding van vele plantaadjes in de Motkreek, Sapouripi en Mattappica aanzienlijk vermeerderd. De koffij- enCacaoteeltechter ging achteruit.


Back to IndexNext