Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoosterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen,werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.Vooral omtrent definantiënis de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld enobligatiëndan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242: 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerdƒ 342,366: 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden ƒ 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige derhoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden876.Den 22stenJunij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig877.De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13denAugustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16denAugustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”De artikelen der aangeboden capitulatie waren:1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;5oen 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2eartikel der capitulatie bedoeld.Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen alskrijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2ealinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven878.Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”Den 20stenstevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22stenwerden de forten overgegeven; den 26stenontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen879.Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts ƒ 50:– handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven ƒ 25:– aante bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken880. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en ƒ 18000,— ’s jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz.881.Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van ƒ 15000,— geschat, werd nolens volens voldaan882.Den 2denSeptember 1799werdendoor den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor’slands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot ƒ 90,000,—884; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor ƒ 20,000,— willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor ƒ 10,000,— kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht885. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt886. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig doorFriderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt887. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden888. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels889. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven890. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijkediscussiënplaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamenafhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald”, zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas derSociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans—vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt ƒ 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim ƒ 200,000, dat van het cordon ƒ 74,000; daarbij was er ƒ 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en deobligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn.” Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en” hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van.” Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodigeremonstrantiënte doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen891.Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerigediscussiënwerd eindelijk den 13denJanuarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld896; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801897. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz.,werdente gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoedenliet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting” om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok898.Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze” gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered899.In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd900.Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand901; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmerenen beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was.” Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren902.Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11denDecember 1799 overleed Ds. de Vos en den 1stenMaart 1800 Ds.Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijdonvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzochtFridericizich daartoe aan Z.B. M. te wenden903.De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen905.Den 18denDecember 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1stenOctober 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd906. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27stenMaart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat deEngelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en’slands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13denNovember 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met’srijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.Er bevonden zich nog wel 2 Engelscheoorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28stenNovember werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publiekegebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.Den 2denDecember werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. ’s Avonds waren vele huizen van particulierengeïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting907.Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking” van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen908. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11denOctober 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten909.Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.Den 4denDecember1802presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn910.Eenigepublicatiënwerden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19denFebruarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren911.Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig wasvoor eene somma vanƒ6896.—oud en ongangbaar geldƒ,,935.—zoo dat te zamenƒ7831.—aan specie in die kas was:dit was de eenige specie in’slands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som vanƒ1782:14.9⅔in de kas der hoofdgeldenƒ,,53136:17.12⅔in die der venduregtenƒ,,100361:12.12Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papierengeld) eene som vanƒ409,659:5.8doch zij was schuldigƒ,,660,509:11.7⅔in de kas der gemeene weiden eene som vanƒ,,157,9:12⅔en schuldigƒ,,1491:4.8Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam ƒ700,000:–aan de voormaligesociëteitƒ 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt912.Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31stenJanuarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij allenegotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden913. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven914, en erheerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen915, met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet916.Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen917.Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen inHolland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5denDecember 1803 in de kolonie aan, en nam den 9denDecember het bewind over.In zijne eerste missive aan den Raad dercoloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde.” Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woordente water en te lande,”waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft”, schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval—en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructiealleenverantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen”918. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officierenen beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken922. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van ƒ 500 verboden923. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van ƒ 2000 moest stellen924.Berranger stelde ook aan den Raad dercoloniëneen nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en deeigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoosterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen,werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.Vooral omtrent definantiënis de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld enobligatiëndan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242: 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerdƒ 342,366: 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden ƒ 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige derhoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden876.Den 22stenJunij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig877.De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13denAugustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16denAugustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”De artikelen der aangeboden capitulatie waren:1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;5oen 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2eartikel der capitulatie bedoeld.Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen alskrijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2ealinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven878.Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”Den 20stenstevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22stenwerden de forten overgegeven; den 26stenontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen879.Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts ƒ 50:– handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven ƒ 25:– aante bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken880. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en ƒ 18000,— ’s jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz.881.Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van ƒ 15000,— geschat, werd nolens volens voldaan882.Den 2denSeptember 1799werdendoor den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor’slands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot ƒ 90,000,—884; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor ƒ 20,000,— willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor ƒ 10,000,— kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht885. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt886. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig doorFriderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt887. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden888. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels889. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven890. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijkediscussiënplaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamenafhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald”, zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas derSociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans—vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt ƒ 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim ƒ 200,000, dat van het cordon ƒ 74,000; daarbij was er ƒ 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en deobligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn.” Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en” hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van.” Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodigeremonstrantiënte doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen891.Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerigediscussiënwerd eindelijk den 13denJanuarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld896; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801897. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz.,werdente gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoedenliet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting” om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok898.Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze” gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered899.In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd900.Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand901; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmerenen beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was.” Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren902.Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11denDecember 1799 overleed Ds. de Vos en den 1stenMaart 1800 Ds.Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijdonvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzochtFridericizich daartoe aan Z.B. M. te wenden903.De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen905.Den 18denDecember 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1stenOctober 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd906. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27stenMaart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat deEngelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en’slands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13denNovember 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met’srijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.Er bevonden zich nog wel 2 Engelscheoorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28stenNovember werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publiekegebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.Den 2denDecember werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. ’s Avonds waren vele huizen van particulierengeïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting907.Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking” van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen908. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11denOctober 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten909.Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.Den 4denDecember1802presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn910.Eenigepublicatiënwerden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19denFebruarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren911.Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig wasvoor eene somma vanƒ6896.—oud en ongangbaar geldƒ,,935.—zoo dat te zamenƒ7831.—aan specie in die kas was:dit was de eenige specie in’slands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som vanƒ1782:14.9⅔in de kas der hoofdgeldenƒ,,53136:17.12⅔in die der venduregtenƒ,,100361:12.12Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papierengeld) eene som vanƒ409,659:5.8doch zij was schuldigƒ,,660,509:11.7⅔in de kas der gemeene weiden eene som vanƒ,,157,9:12⅔en schuldigƒ,,1491:4.8Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam ƒ700,000:–aan de voormaligesociëteitƒ 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt912.Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31stenJanuarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij allenegotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden913. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven914, en erheerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen915, met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet916.Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen917.Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen inHolland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5denDecember 1803 in de kolonie aan, en nam den 9denDecember het bewind over.In zijne eerste missive aan den Raad dercoloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde.” Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woordente water en te lande,”waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft”, schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval—en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructiealleenverantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen”918. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officierenen beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken922. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van ƒ 500 verboden923. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van ƒ 2000 moest stellen924.Berranger stelde ook aan den Raad dercoloniëneen nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en deeigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoosterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen,werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.Vooral omtrent definantiënis de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld enobligatiëndan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242: 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerdƒ 342,366: 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden ƒ 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige derhoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden876.Den 22stenJunij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig877.De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13denAugustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16denAugustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”De artikelen der aangeboden capitulatie waren:1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;5oen 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2eartikel der capitulatie bedoeld.Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen alskrijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2ealinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven878.Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”Den 20stenstevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22stenwerden de forten overgegeven; den 26stenontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen879.Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts ƒ 50:– handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven ƒ 25:– aante bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken880. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en ƒ 18000,— ’s jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz.881.Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van ƒ 15000,— geschat, werd nolens volens voldaan882.Den 2denSeptember 1799werdendoor den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor’slands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot ƒ 90,000,—884; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor ƒ 20,000,— willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor ƒ 10,000,— kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht885. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt886. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig doorFriderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt887. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden888. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels889. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven890. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijkediscussiënplaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamenafhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald”, zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas derSociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans—vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt ƒ 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim ƒ 200,000, dat van het cordon ƒ 74,000; daarbij was er ƒ 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en deobligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn.” Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en” hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van.” Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodigeremonstrantiënte doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen891.Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerigediscussiënwerd eindelijk den 13denJanuarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld896; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801897. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz.,werdente gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoedenliet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting” om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok898.Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze” gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered899.In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd900.Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand901; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmerenen beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was.” Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren902.Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11denDecember 1799 overleed Ds. de Vos en den 1stenMaart 1800 Ds.Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijdonvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzochtFridericizich daartoe aan Z.B. M. te wenden903.De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen905.Den 18denDecember 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1stenOctober 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd906. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27stenMaart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat deEngelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en’slands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13denNovember 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met’srijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.Er bevonden zich nog wel 2 Engelscheoorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28stenNovember werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publiekegebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.Den 2denDecember werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. ’s Avonds waren vele huizen van particulierengeïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting907.Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking” van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen908. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11denOctober 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten909.Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.Den 4denDecember1802presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn910.Eenigepublicatiënwerden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19denFebruarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren911.Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig wasvoor eene somma vanƒ6896.—oud en ongangbaar geldƒ,,935.—zoo dat te zamenƒ7831.—aan specie in die kas was:dit was de eenige specie in’slands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som vanƒ1782:14.9⅔in de kas der hoofdgeldenƒ,,53136:17.12⅔in die der venduregtenƒ,,100361:12.12Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papierengeld) eene som vanƒ409,659:5.8doch zij was schuldigƒ,,660,509:11.7⅔in de kas der gemeene weiden eene som vanƒ,,157,9:12⅔en schuldigƒ,,1491:4.8Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam ƒ700,000:–aan de voormaligesociëteitƒ 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt912.Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31stenJanuarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij allenegotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden913. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven914, en erheerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen915, met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet916.Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen917.Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen inHolland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5denDecember 1803 in de kolonie aan, en nam den 9denDecember het bewind over.In zijne eerste missive aan den Raad dercoloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde.” Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woordente water en te lande,”waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft”, schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval—en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructiealleenverantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen”918. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officierenen beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken922. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van ƒ 500 verboden923. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van ƒ 2000 moest stellen924.Berranger stelde ook aan den Raad dercoloniëneen nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en deeigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoosterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen,werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.Vooral omtrent definantiënis de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld enobligatiëndan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242: 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerdƒ 342,366: 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden ƒ 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige derhoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden876.Den 22stenJunij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig877.De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13denAugustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16denAugustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”De artikelen der aangeboden capitulatie waren:1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;5oen 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2eartikel der capitulatie bedoeld.Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen alskrijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2ealinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven878.Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”Den 20stenstevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22stenwerden de forten overgegeven; den 26stenontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen879.Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts ƒ 50:– handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven ƒ 25:– aante bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken880. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en ƒ 18000,— ’s jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz.881.Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van ƒ 15000,— geschat, werd nolens volens voldaan882.Den 2denSeptember 1799werdendoor den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor’slands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot ƒ 90,000,—884; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor ƒ 20,000,— willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor ƒ 10,000,— kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht885. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt886. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig doorFriderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt887. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden888. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels889. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven890. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijkediscussiënplaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamenafhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald”, zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas derSociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans—vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt ƒ 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim ƒ 200,000, dat van het cordon ƒ 74,000; daarbij was er ƒ 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en deobligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn.” Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en” hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van.” Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodigeremonstrantiënte doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen891.Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerigediscussiënwerd eindelijk den 13denJanuarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld896; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801897. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz.,werdente gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoedenliet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting” om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok898.Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze” gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered899.In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd900.Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand901; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmerenen beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was.” Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren902.Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11denDecember 1799 overleed Ds. de Vos en den 1stenMaart 1800 Ds.Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijdonvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzochtFridericizich daartoe aan Z.B. M. te wenden903.De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen905.Den 18denDecember 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1stenOctober 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd906. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27stenMaart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat deEngelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en’slands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13denNovember 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met’srijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.Er bevonden zich nog wel 2 Engelscheoorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28stenNovember werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publiekegebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.Den 2denDecember werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. ’s Avonds waren vele huizen van particulierengeïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting907.Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking” van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen908. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11denOctober 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten909.Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.Den 4denDecember1802presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn910.Eenigepublicatiënwerden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19denFebruarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren911.Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig wasvoor eene somma vanƒ6896.—oud en ongangbaar geldƒ,,935.—zoo dat te zamenƒ7831.—aan specie in die kas was:dit was de eenige specie in’slands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som vanƒ1782:14.9⅔in de kas der hoofdgeldenƒ,,53136:17.12⅔in die der venduregtenƒ,,100361:12.12Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papierengeld) eene som vanƒ409,659:5.8doch zij was schuldigƒ,,660,509:11.7⅔in de kas der gemeene weiden eene som vanƒ,,157,9:12⅔en schuldigƒ,,1491:4.8Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam ƒ700,000:–aan de voormaligesociëteitƒ 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt912.Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31stenJanuarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij allenegotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden913. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven914, en erheerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen915, met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet916.Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen917.Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen inHolland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5denDecember 1803 in de kolonie aan, en nam den 9denDecember het bewind over.In zijne eerste missive aan den Raad dercoloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde.” Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woordente water en te lande,”waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft”, schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval—en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructiealleenverantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen”918. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officierenen beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken922. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van ƒ 500 verboden923. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van ƒ 2000 moest stellen924.Berranger stelde ook aan den Raad dercoloniëneen nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en deeigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoosterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen,werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.Vooral omtrent definantiënis de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld enobligatiëndan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242: 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerdƒ 342,366: 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden ƒ 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige derhoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden876.Den 22stenJunij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig877.De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13denAugustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16denAugustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”De artikelen der aangeboden capitulatie waren:1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;5oen 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2eartikel der capitulatie bedoeld.Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen alskrijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2ealinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven878.Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”Den 20stenstevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22stenwerden de forten overgegeven; den 26stenontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen879.Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts ƒ 50:– handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven ƒ 25:– aante bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken880. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en ƒ 18000,— ’s jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz.881.Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van ƒ 15000,— geschat, werd nolens volens voldaan882.Den 2denSeptember 1799werdendoor den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor’slands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot ƒ 90,000,—884; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor ƒ 20,000,— willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor ƒ 10,000,— kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht885. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt886. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig doorFriderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt887. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden888. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels889. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven890. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijkediscussiënplaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamenafhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald”, zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas derSociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans—vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt ƒ 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim ƒ 200,000, dat van het cordon ƒ 74,000; daarbij was er ƒ 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en deobligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn.” Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en” hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van.” Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodigeremonstrantiënte doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen891.Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerigediscussiënwerd eindelijk den 13denJanuarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld896; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801897. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz.,werdente gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoedenliet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting” om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok898.Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze” gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered899.In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd900.Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand901; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmerenen beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was.” Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren902.Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11denDecember 1799 overleed Ds. de Vos en den 1stenMaart 1800 Ds.Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijdonvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzochtFridericizich daartoe aan Z.B. M. te wenden903.De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen905.Den 18denDecember 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1stenOctober 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd906. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27stenMaart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat deEngelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en’slands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13denNovember 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met’srijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.Er bevonden zich nog wel 2 Engelscheoorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28stenNovember werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publiekegebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.Den 2denDecember werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. ’s Avonds waren vele huizen van particulierengeïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting907.Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking” van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen908. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11denOctober 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten909.Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.Den 4denDecember1802presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn910.Eenigepublicatiënwerden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19denFebruarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren911.Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig wasvoor eene somma vanƒ6896.—oud en ongangbaar geldƒ,,935.—zoo dat te zamenƒ7831.—aan specie in die kas was:dit was de eenige specie in’slands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som vanƒ1782:14.9⅔in de kas der hoofdgeldenƒ,,53136:17.12⅔in die der venduregtenƒ,,100361:12.12Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papierengeld) eene som vanƒ409,659:5.8doch zij was schuldigƒ,,660,509:11.7⅔in de kas der gemeene weiden eene som vanƒ,,157,9:12⅔en schuldigƒ,,1491:4.8Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam ƒ700,000:–aan de voormaligesociëteitƒ 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt912.Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31stenJanuarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij allenegotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden913. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven914, en erheerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen915, met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet916.Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen917.Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen inHolland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5denDecember 1803 in de kolonie aan, en nam den 9denDecember het bewind over.In zijne eerste missive aan den Raad dercoloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde.” Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woordente water en te lande,”waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft”, schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval—en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructiealleenverantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen”918. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officierenen beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken922. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van ƒ 500 verboden923. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van ƒ 2000 moest stellen924.Berranger stelde ook aan den Raad dercoloniëneen nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en deeigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende:
Het verval der koffijplantaadjes in beneden Commewijne en wel voornamelijk aan de regterhand in het opvaren, was zoosterk, dat verscheidenen niet meer uit de opbrengsten konden worden onderhouden, waarom Friderici, op aanhouden van verscheidene ingezetenen, de landen, tusschen het zeestrand gelegen, had doen verdeelen en uitgegeven en alzoo was afgeweken van het project in den jare 1772 door den landmeter Helleday ontworpen.
Saramacca begon een bewoond en gecultiveerd distrikt te worden; de aldaar geteelde koffij was reeds »de waag gepasseerd” en binnen weinige maanden zou de eerste suikermolen in dat kwartier in werking worden gebragt.
Velen der ingezetenen hadden door de roofzucht der Engelsche kapers en andere gevolgen van den oorlog aanzienlijke verliezen ondergaan; vele anderen daarentegen hadden de omstandigheden groote winsten opgeleverd, onder deze laatsten behoorden de inwoners van Paramaribo en voornamelijk de Joodsche kooplieden. De huizen in de stad waren 25 pCt. in waarde gestegen en de huishuren pro rato. Als reden van deze tijdelijke welvaart vermeldt Friderici dat »de koopman en winkelier en vele anderen thans gebruik maakten van de gelden, die eigenlijk aan het vaderland en aan hunne crediteuren aldaar behoorden, doch nu niet opgeëischt wierden.” De staat der magazijnen werd in die missive opgegeven: »als door bij tijds genomen arrangementen nog voldoende wat de levensmiddelen aanbelangde, doch slecht van kleeding en nog minder van ammunitie voorzien.” Het militair- en defensiewezen liet veel te wenschen over. Het corps vrijnegers was met 100 man versterkt; het aanstaande vertrek der scheepsmagt waardoor de grootste middelen ter defensie der kolonie ontvallen,werd zeer door Friderici betreurd; hij vreesde voor het verlies der kolonie, zoo de vrede niet spoedig gesloten werd.
Vooral omtrent definantiënis de missive uitvoerig. Door de exorbitante aankoopen voor de magazijnen, het onderhoud van het Eskader en de reparatiën aan de schepen waren buitengewone uitgaven geweest; daarenboven hadden de fournissementen aan het bestuur van Cayenne en voor de vaartuigen der Fransche republiek, die in Suriname korter of langer tijd vertoefden, vele uitgaven vereischt.
De inkomsten waren zeer verminderd door de stremming der vaart naar het moederland, waardoor de uitvoer der producten werd belet. Friderici had alzoo tot buitengewone middelen zijne toevlugt moeten nemen, namelijk de uitgifte van kaartengeld en obligatiën. Daar deze maatregel door het Committé bij rescriptie van 1 Julij 1797 goedgekeurd was, had Friderici ook ruimschoots van dat verlof gebruik gemaakt, en, gelijk wij reeds hierboven vermeldden, aan kaartengeld en obligatiën voor twee millioen guldens in circulatie gebragt. Wanneer men hierbij rekende de vroegere van tijd tot tijd door Gouverneurs en Raden uitgegeven kaartengeld enobligatiëndan rouleerde toen in de kolonie ƒ4,513,242: 15 stuivers aan papieren geld, dat eigenlijk geen reëele waarde tot onderpand had. Ongeveer twee millioen hiervan berustte in de verschillende kassen der ontvangers en in die der wees- en onbeheerde boedelskamers, waar de gelden ten behoeve van minderjarigen waren gedeponeerd.
Deze massa van papieren geld was veel te groot voor de kolonie; als een eerste gevolg hiervan had zij het weinige goud en zilver geld, dat in circulatie was, doen verdwijnen; terwijl bij ruiling of inwisseling van kaarten tegen gouden of zilveren munt reeds 30 pCt. werd betaald. Hieruit bleek dat die papieren munt in mistrouwen kwam, want vroeger gold de zilveren spaansche daalder of piaster nooit meer dan 55 stuivers papieren geld. Friderici maakte alzoo het Committé opmerkzaam, dat er bij continuerend geldgebrek een ander middel tot aanvulling der kas bij de hand moest genomen worden.
Door het kantoor der inkomende en uitgaande regten werd bij deze gelegenheid aan het Committé gerestitueerdƒ 342,366: 9 stuivers, en uit de kas der hoofdgelden ƒ 199,304: 7 : 4 in differente wisselbrieven. Die wissels waren grootendeels getrokken op het Committé van de zaken der Marine, wegens geleverde goederen enz. voor het eskader. Friderici vermeende dat ze wel met betaling zouden worden gehonoreerd en vleide zich alzoo met de hoop, dat het Committé hierdoor in staat zou worden esteld, om eenige derhoogst noodige artikelen voor de magazijnen aan te koopen en naar Suriname te zenden876.
Den 22stenJunij 1799 verzond Friderici weder een brief naar het Committé. De berigten omtrent de binnenlandsche rust waren geruststellende, doch de missive behelsde vele klagten over de arbitraire handelwijze der Franschen, die vooral door het nemen van Amerikaansche schepen naar Suriname bestemd, veel ongerief veroorzaakten, en waartegen vruchteloos was betoogd: dat de Bataafsche republiek neutraal behoorde te zijn en dat er ook nog geene formele oorlogsverklaring tusschen Frankrijk en Amerika had plaats gevonden en alzoo het nemen van schepen ongeoorloofd was. De Franschen bekommerden zich weinig over deze vertoogen en maakten het Friderici zeer lastig877.
De vrees voor een aanval der Engelschen werd weldra verwezenlijkt. Den 13denAugustus 1799 vertoonde zich voor den mond der rivier eene Engelsche vloot, onder commando van Lord Hugh Seymour; een aanmerkelijk getal troepen, onder bevel van den Luitenant-Generaal Trigge, bevond zich mede aan boord. Men bereidde zich in de kolonie tot tegenweer, doch de tijdingen omtrent de groote magt der Britten verontrustte de gemoederen en had men weinig hoop op een goeden uitslag. Den 16denAugustus zond de Engelsche bevelhebber eene sommatie tot overgave. In den grooten krijgsraad die nu gehouden werd besloot men, »daar de omstandigheden, waarin zich de Colonie sedert eenigen tijd bevond, eene behoorlijke verdediging onmogelijk maakte en omdat er geene andere middelen waren om de Colonie van eene totale omwenteling en verwoesting te bevrijden” de capitulatie hier en daar eenigzins gewijzigd aan te nemen en »de Colonie Suriname alzoo te stellen onder immediate protectie van Zijne Britsche Majesteit.”
De artikelen der aangeboden capitulatie waren:
1o. Suriname zal komen onder protectie van Z. B. M;
2o. de inwoners zullen genieten: zekerheid van personen, vrije uitoefening hunner godsdienst en rustig bezit van hun eigendom.
De bezittingen der Spanjaarden en Franschen zullen hiervan worden uitgezonderd;
3o. de schepen, artillerie, ammunitie, enz. enz. zullen worden overgeleverd aan de Engelschen;
4o. de schulden der kolonie zullen worden voldaan uit de gewone belastingen;
5o. Geene veranderingen in het belastingstelsel zullen ingevoerd of nieuwe belastingen opgelegd worden, dan met goedkeuring der beide partijen;
6o. zoo de kolonie bij den vrede in het bezit van Z. B. M. mogt blijven, zal zij gelijke regten met de andere Britsche bezittingen in West-Indië ontvangen;
7o. De troepen onder bevel van den Gouverneur kunnen overgaan in dienst van Z. B. M.; de zeelieden evenzeer;
8o. de civiele ambtenaren blijven in functie, mits eed doende aan Z. B. M.
Door Gouverneur en Raden was verder nog verzocht:
1o. eene nadere guarantie der particuliere eigendommen;
2o. het toestaan der vaart van neutrale schepen, voornamelijk de Amerikaansche;
3o. dat de Bataafsche troepen, die in Britsche dienst overgingen, in de kolonie zouden verblijven, en dat zij, die niet genegen waren om zich aan de dienst van Z. B. M. te verbinden, vrijheid zouden erlangen om als particulieren in de kolonie te blijven of dezelve te verlaten;
4o. de Spaansche troepen te veroorloven naar Spanje terug te keeren;
5oen 6o. dat jegens de militairen en zeelieden bij de overgave der forten en schepen militaire honneurs zouden worden waargenomen;
7o. eene nadere explicatie van de uitzonderingen bij alinea 2 in het 2eartikel der capitulatie bedoeld.
Het eerste, vijfde en zesde dier verzoeken werden volkomen toegestaan; betreffende het tweede en derde zouden nadere bevelen uit Londen worden verwacht, die men echter vermoedde dat gunstig zouden luiden; omtrent het vierde werd bepaald, dat men wel de Spaansche troepen zou overvoeren, doch hen alskrijgsgevangenen tegen Britsche gevangenen uitwisselen; als nadere explicatie van artikel 2, 2ealinea werd gezegd: dat de eigendommen dergenen, die tegen Groot-Brittanje krijgden en die der onderdanen van de Fransche republiek onder sequestratie zouden worden gebragt, tot dat nadere bevelen daaromtrent de nadere gedragslijn zouden voorschrijven878.
Friderici drukt in zijne missive dato 22 Augustus aan het Committé, waarbij hij de overgave der kolonie meldt, den wensch uit: »dat de inwoonders inmiddels, tot dat het lot der Colonie door een finale generaale vreede geheel zal zijn beslischt, niet uit het oog zullen verliezen de mercantiele engagementen, welke zij met het moederland hebben gecontracteerd, en dat zij door hunnen eiver en naarstigheid zullen kunnen herstellen de meenigvuldige verliezen welke zij hebben ondergaan.”
Den 20stenstevenden zes Engelsche fregatten de rivier Suriname op. Er heerschten rust en stilte; den 22stenwerden de forten overgegeven; den 26stenontsloeg Friderici in de vergadering van het Hof van Policie de leden van hunnen eed aan de Bataafsche republiek, waarop zij zich en corps begaven naar het hotel van den Luitenant-Generaal Trigge, om in zijne handen den eed van getrouwheid aan Z. M. Koning George den derde af te leggen879.
Suriname stond dan nu onder Engelsche bescherming en men trachtte de nieuwe heeren door ongevraagde diensten aan zich te verpligten. Zoo werd door het Hof bepaald, om aan de Hollandsche soldaten, die niet veel lust betoonden om in Engelsche dienst over te gaan, daar zij slechts ƒ 50:– handgeld ontvingen, uit de kas der kolonie daarenboven ƒ 25:– aante bieden, ten einde hen daartoe bereidwilliger te maken880. De Generaal Magan, met het opperbevel der troepen in Suriname belast, werd uit eigen beweging door het Hof, uit consideratie dat hij naar behooren zijn rang moest kunnen ophouden, vrije woning en ƒ 18000,— ’s jaarlijks als zoogenaamd servies of tafelgeld verstrekt, enz. enz.881.
Het corps jagers en het vrijcorps verkregen nu den naam van Royal white and Royal black chasseurs. Ofschoon onder de troepen van Z. B. M. ingelijfd, bleven ze echter soldij uit de koloniale kas genieten. Friderici had dit aangeraden, daar hij deze sacrifice noodig achtte, voornamelijk om te beletten dat het laatstgenoemde uit de kolonie werd verzonden en een ander corps negers er voor in de plaats werd gesteld, zoo als de Engelsche bevelhebber van plan was. De Britsche generaal, die dit op die voorwaarde had toegegeven, zag zeer spoedig de belangrijkheid van dit corps in. Hij wenschte deszelfs vermeerdering en drong er ook op aan, dat de leden evenveel soldij en rantsoen zouden erlangen als de andere soldaten in dienst van Z. B. M. Aan dit verzoek, op eene jaarlijksche vermeerderde uitgaaf van ƒ 15000,— geschat, werd nolens volens voldaan882.
Den 2denSeptember 1799werdendoor den Engelschen bevelhebber Trigge drie proclamatiën uitgevaardigd: de eerste behelsde het bevel aan alle ambtenaren en inwoners om den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen. Zij die dit weigerden verloren hun regt van inwoning in de kolonie, werden gesteld buiten de protectie aan ieder bij de capitulatie toegezegd en waren genoodzaakt de kolonie te verlaten.
De tweede regelde de sequestratie der eigendommen toebehoorende aan onderdanen van den koning van Spanje of van burgers der Fransche republiek, die in Suriname woonden.
De derde strekte om den koers van het in omloop zijnde geld te bepalen: een piaster werd gesteld op 55 stuivers, de wigtige Johannes houdende 8 engels op ƒ 22,—. Had men voor eenige weken vrees voor een overval der Engelschen gekoesterd en was die vrees verwezenlijkt, — nu de kolonie onder protectie der Engelschen was gekomen, moest men op zijne hoede zijn tegen de vorige vrienden, de Franschen. De posten aan de Marowyne werden versterkt, een ligt vaartuig werd ingerigt om telkens verkenningen te doen en tevens de correspondentie met het Engelsche hoofdkwartier te onderhouden.
Hiertoe werd uit de kas der modique lasten ƒ 40,000,— gefourneerd883.
Weldra deed zich de geldnood deerlijk gevoelen. Behalve de gewone en de reeds genoemde buitengewone uitgaven, waren er nog verscheidene van anderen aard. De benoodigdheden voor’slands gasthuis werden vroeger uit de lands-magazijnen verschaft; daar deze nu aan de Britten waren overgegeven, moest bij aanbesteding hierin worden voorzien en in een zeer korten tijd klom de subsidie tot ƒ 90,000,—884; de toeneming der bevolking van Paramaribo had het inrigten van een nieuw kerkhof noodig gemaakt; eerst had men daartoe de zoogenaamde Hortus Surinamensis voor ƒ 20,000,— willen aankoopen, doch daar zich sedert eene andere gelegenheid namelijk een tuin daarnaast gelegen, toebehoorende aan Mesquita, had opgedaan, die beter geschikt was en voor ƒ 10,000,— kon verkregen worden, had men dit laatste perceel gekocht885. Het heerschen der kinderpokken, waartegen voorzorgsmaatregelen werden genomen, had mede buitengewone uitgaven vereischt886. Bij het toenemen der bevolking van Saramacca achtte men het aldaar gelegen etablissement van Boassie-zieken Voorzorg als gevaarlijk voor de bevolking en werden dus voorloopig doorFriderici eenige toebereidselen gemaakt om het aan de Nickerie over te brengen. Hoewel het Hof de latere beslissing hierover zich voorbehield, had dit echter ook reeds onkosten veroorzaakt887. De toestand der gevangenis was zoo slecht, dat de een na den ander ontvlugtte, waardoor ook hierin moest voorzien worden888. Door den toevloed van vreemdelingen en het rondzwerven van afgedankte matrozen werd de omtrek van Paramaribo zeer onveilig en hadden aanrandingen van personen en huisbraken plaats, zoodat het getal der policiedienaren met 4 werd vermeerderd en dezen nu ook in montering werden gestoken: blaauwe rok, roode kraag, witte knoopen, wit vest en broek, het wapen der kolonie aan een zilveren ketting op de linkerborst, de onderschout ontving een degen, de policiedienaren sabels889. Dit alles kostte geld en de kassen waren uitgeput. De wissels op het Committé van Marine in Nederland getrokken wegens geleverde goederen aan de oorlogsschepen, kwamen allen met protest terug. Bij het berigt hiervan had er eene onstuimige vergadering van het Hof plaats. Sommige leden wilden den Gouverneur aansprakelijk stellen en eischten, dat hij als endosseur de 25 pCt. herwissel en verdere protestkosten zou betalen: hieraan werd echter geen gevolg gegeven890. Ook uit Engeland kwamen missives van de regering, die den kolonisten verre van aangenaam waren. De Britsche regering namelijk kwam er tegen op, dat de producten uit de kolonie in neutrale, Amerikaansche en andere schepen, werden verzonden, waardoor Engeland niet die voordeelen van het in bezit nemen der kolonie trok als men had verwacht; ook achtte de Britsche regering het billijk, dat de in- en uitgaande regten ten voordeele der kroon kwamen. Hierover hadden belangrijkediscussiënplaats. Het Hof vermeende, in de eerste plaats, dat als men met de afzending der producten wachten moest, tot dat Engelsche schepen dezelven kwamenafhalen, een groot gedeelte opgestapeld zou moeten blijven en bederven en dit uitstel alzoo ruïneus voor den kolonialen landbouw zijn; ten tweede, dat de door de Britsche regering begeerde inkomsten van de belasting der in- en uitgaande regten, in strijd was met de capitulatie. »Er was bepaald”, zoo luidde de redenering: »dat alle wetten in stand zouden blijven. Wel kwamen de in- en uitgaande regten vroeger ten profijte van de kas derSociëteit, doch deze moest dan ook voor de verdediging der kolonie zorgen. En thans—vele voorschotten hiertoe vereischt waren geput uit de kas der modique lasten, die toch uitsluitend voor de huishoudelijke behoeften der kolonie was bestemd, welke voorschotten nog niet terugbetaald waren; de belasting op de producten ten behoeve van de kas tegen de wegloopers bragt ƒ 300,000 op, doch het onderhoud van het vrijcorps kostte jaarlijks ruim ƒ 200,000, dat van het cordon ƒ 74,000; daarbij was er ƒ 2,000,000 schuld te betalen wegens het uitgegeven kaartengeld en deobligatiën; zoo dit verzuimd werd zouden de houders hiervan, die het ter goeder trouw hadden aangenomen, totaal geruineerd zijn.” Verder beklaagde het Hof zich over de arbitraire handelwijze der officieren van het Custom house, die meermalen in de regten van den Raad Fiscaal ingrepen; »en” hiermede eindigde hun betoog, »Suriname was wel onder protectie van Z. B. M., doch er nog geene bezitting van.” Men verzocht den Gouverneur over een en ander de noodigeremonstrantiënte doen bij den Secretaris van Staat, den heer Dundas, of anderen891.
Door den geldeloozen staat der kassen geschiedden de betalingen ook ongeregeld. Het vrijcorps o. a. ontving geen behoorlijke soldij en zelfs beklaagde zich de Engelsche Commandant, dat hij reeds voor de voeding van dit corps had moeten zorgen892. De Britsche bevelhebber Magan leverde in 1801 eene rekening »wegens verschillende vivres ten gebruike der troepen in soldije der colonie van 29 Augustus1799 tot 27 Junij 1800 verstrekt ad ƒ 110,578:19”893. Friderici drong er bij het Hof op aan, dat men toch het mogelijke beproeven zou, om het vrijcorps voor de kolonie te behouden en niet in onmiddellijke dienst van Z. B. M. te doen overgaan, daar dan welligt, even als zulks met het Royal Dutch bataillon was geschied, het naar de Berbice zou worden gezonden en een ander met den toestand van Suriname onbekend corps deszelfs plaats zou innemen894. Na herhaalde en breedvoerigediscussiënwerd eindelijk den 13denJanuarij 1802 besloten, om den Britschen Commandant aan te schrijven, dat men Z. B. M. zeer voor zijn betoonden goeden wil bedankte, doch voor het tegenwoordige niet in staat was de rekening van de geleverde vivres te betalen895.
Paramaribo nam intusschen in uitgebreidheid toe: het Combé, dat zich tot aan Zeelandia uitstrekte, werd als eene wijk onder den naam van voorstad Zeelandia ingedeeld896; eene nieuwe quotisatie der huizen van Paramaribo ter regeling van belasting geschiedde in 1801897. Nieuwe bepalingen omtrent het reinigen der straten, onderhoud der bruggen en wegen enz.,werdente gelijker tijd uitgevaardigd. De luxe nam toe, naarmate de toestand zorgelijker werd, gelijk men dit meer bij volken en bijzondere personen vindt. De behandeling der slaven bleef slecht: de notulen zijn als opgevuld met onderscheidene door meesters of directeurs omtrent hen begane wreedheden. Vele slaven en slavinnen stierven ten gevolge der wreede en onmenschelijke straffen hun op last hunner meesters toegediend. Om de reeks der gruwelen niet te veel te vermenigvuldigen, deelen wij slechts twee gevallen uit de vele mede. De directeur C. Varenhorst mishandelde in den regel zijne slaven, deed ze zwaar werken, en onthield hun zelfs het noodige voedsel. Op een bloot vermoedenliet hij een neger zwaar kastijden, daarna met de beenen in eene boei sluiten en met eene ketting om den hals aan eene post bij den suikermolen vastmaken. Hij verbood zijnen slaven dien armen man eenig soelagement te verstrekken, en alzoo kwam de neger weldra uit gebrek »in verstinking en verrotting” om. En nog werd de Directeur door het Hof in het gelijk gesteld en de aanklagers ontvingen een Spaansche bok898.
Schreiber, Directeur der plantaadje Arendsrust, liet een neger op vermoeden, dat hij een minnehandel met zijne concubine Betje had aangeknoopt, ophijschen, deerlijk met zweepen slaan, toen afnemen en nu aan de post der gaanderij vastbinden en met tamarinde roeden geeselen en op verschillende plaatsen van zijn ligchaam branden, en daarna in een houten boei spijkeren, waar hij weldra bezweek en op last van den Directeur in een gat werd geworpen en met ongebluschte kalk bestrooid. Betje die zwanger was, werd mede opgebonden, met tamarinde roeden gegeeseld en op »eene schandelijke en afschuwelijke wijze” gebrand. Toen er eindelijk bevel tot gevangenneming van dien onverlaat was gegeven, had hij zich reeds met de vlugt gered899.
In de rivier werden telkens lijken van slaven gevonden, die met een paar steenen of kogels om den hals in het water waren geworpen om de moeite van het begraven te besparen; hiertegen werd eene verordening uitgevaardigd900.
Volgens regterlijk vonnis werden bijna maandelijks slaven gehangen of geradbraakt; in Mei 1800 werd de neger Efa gecondamneerd, om gebonden aan een paal levend te worden verbrand901; Spaansche bokken werden bijna dagelijks onder de galg of in het fort Zeelandia toegediend. De militairen aldaar gekaserneerd poogden soms die executie door goedwillige tusschenkomst soms door feitelijken tegenstand te belemmerenen beklaagden zich ook dat dit »bijna dagelijks voorkomend spectakel onaangenaam en rebutant was.” Er werd hierover in het Hof gedelibereerd en men vreesde dat het een pernicieusen invloed op de slaven zou uitoefenen zoo zij bemerkten dat blanken de straffen hun toegediend onbillijk vonden. Friderici stelde daarop voor om dergelijke straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren902.
Suriname verloor in korten tijd al zijne Hervormde predikanten. Den 11denDecember 1799 overleed Ds. de Vos en den 1stenMaart 1800 Ds.Groeneveld. De vacante plaatsen bleven langen tijdonvervuld. Het Hof vermeende, dat gelijk vroeger HH. Directeuren hiervoor zorgden, dit nu de pligt van Koning George den derde was en verzochtFridericizich daartoe aan Z.B. M. te wenden903.
De Luthersche predikant doopte, trouwde, bezocht kranken en ter dood veroordeelde misdadigers en ontving hier voor eene gratificatie904.
In November 1801 verzocht de kerkeraad van Paramaribo, daar eene wettige benoeming thans onmogelijk was, vrijheid om zekeren Abraham van Tricht, vroeger te Nieuwdam in Nederland, daarna op St. Thomas en later predikant der Hervormde gemeente in Amerika, thans in Suriname aanwezig, als herder en leeraar te mogen aannemen. Het Hof stond slechts toe, dat hij voorloopig de predikdienst zou vervullen905.
Den 18denDecember 1801 deelde Friderici de blijde tijding aan het Hof mede, dat hij van Z. B. M. minister Hobar te Londen berigt had ontvangen dat den 1stenOctober 1801 de Preliminaires of peace tusschen Z. B. M. en de Fransche republiek waren geteekend en eenige dagen later geratificeerd906. Er was alzoo stilstand van wapenen ter zee en te lande. De vrede naderde en gelijk algemeen bekend is, den 27stenMaart 1802 werd te Amiëns de vrede geteekend, en bepaald dat deEngelschen al de door hen in bezit genomen Hollandsche koloniën, behalve Ceylon, zouden teruggeven. Terwijl men nu de Bataafsche commissarissen verwachtte om de kolonie over te nemen, bleef alles provisioneel op den ouden voet voortgaan. De fortificatiën, de barakken en de andere publieke gebouwen geraakten meer en meer in een vervallen staat. De Engelschen hadden niet veel voor haar onderhoud gedaan en de koloniale kas liet geene verbetering toe. De ammunitie verminderde. De Engelschen hadden reeds bij het begin der in bezitneming van Suriname de koperen kanonnen weggevoerd en de ijzeren alleen overgelaten, en’slands magazijnen door hen als prijs beschouwd, werden geledigd doch niet weder gevuld. Deze provisioneele toestand was een toestand van kwijning en met verlangen werden de Bataafsche commissarissen en troepen te gemoet zien.
Zij bleven lang uit: windstilte, contrarie winden, onkunde der schippers deden de reis 16 weken duren. Den 13denNovember 1802 eindelijk kwam het eskader onder bevel van den kolonel kapitein ter zee O. W. Blois van Treslong op de kust van Guiana (bij de Marowijne) aan. In October hadden de Gouverneurs van St. Eustatius en St. Martin reeds het eskader verlaten, om zich naar hunne bestemming te begeven; nu scheidde zich ook van hetzelve de Gouverneur-Generaal van Demerary en Essequebo van Meerten: Blois van Treslong kwam met’srijks fregat Proserpina en 6 transportschepen met troepen voor Paramaribo.
Er bevonden zich nog wel 2 Engelscheoorlogsschepen, doch de transportschepen bestemd om de Engelsche troepen over te voeren, niet langer op de aankomst der Bataafsche kunnende wachten, hadden reeds de kolonie verlaten. De Britsche Commandant wenschte nu tot overbrenging naar de eilanden van 1500 man de aangekomen schepen te gebruiken, maar daar die voor een ander doel waren bestemd, kon de Hollandsche kapitein in dit verzoek niet treden. Door bemiddeling van Friderici werd de Britsche Commandant overgehaald dit plan te laten varen. Den 28stenNovember werden de Bataafsche troepen ontscheept en voorloopig in sommige publiekegebouwen gehuisvest. Twee Engelsche transportschepen waren inmiddels opgekomen om de Britsche troepen op te nemen.
Den 2denDecember werd er door den Engelschen Commandant A. Campbell eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de autoriteiten en ingezetenen van den eed van getrouwheid aan Z. B. M. gedaan, werden ontslagen. Blois van Treslong ging aan het inventariseren der forten enz. en den volgenden dag werd bepaald om de Bataafsche vlag te hijschen. Dit geschiedde den volgenden dag met vele plegtigheden en terwijl de lucht van een daverend hoezee weergalmde. ’s Avonds waren vele huizen van particulierengeïllumineerd; de Engelsche magt verliet dienzelfden avond de rivier en Suriname was voor een wijle weder eene Nederlandsche bezitting907.
Friderici zou de kolonie echter niet langer besturen. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had bij besluit van 5 Julij 1802 zijne voorloopige schorsing bevolen en denzelfden dag, waarop de Bataafsche vlag op het fort Zeelandia werd geheschen, werd hem door Blois van Treslong zijne suspensie aangezegd. Hij bleef echter zijne goede diensten bewijzen: »de goedwillende medewerking” van den gesuspendeerden Gouverneur wordt in de missives van Blois van Treslong zeer geprezen908. Friderici verliet de kolonie niet, als ambteloos burger genoot hij een welverdiende en eervolle rust van staatszaken en legde zich met ijver op den landbouw toe. Door velen geacht en bemind overleed hij den 11denOctober 1812 en werd in den nieuwen Oranjetuin begraven en zijn graf met een wit marmersteen gedekt. Om zijne nagedachtenis nog meer in eere te houden vereenigde zich later eenige personen in de kolonie en deden ter linkerzijde van den predikstoel in de Gereformeerde kerk een prachtig wit marmeren gedenkteeken, voorstellende eene doodkist, waarbij een grenadier staat te weenen, oprigten909.
Friderici had gedurende den moeijelijken tijd van zijn bestuur steeds met ijver en getrouwheid de belangen der kolonie, naar zijn beste weten, bevorderd. Dat hij, de aanhanger van het huis van Oranje, zich zoo spoedig in de nieuwe orde van zaken na de revolutie schikken kon, mogen wij hem niet te zwaar aanrekenen. Hij handelde hierin zoo als de meeste mannen van zijnen tijd, terwijl wij vertrouwen, dat het belang der aan hem toevertrouwde kolonie de voornaamste drijfveer zijner handelwijze was. Streng regtvaardig, soms zelfs niet van overdrevene gestrengheid vrij te pleiten, dat echter ook veel aan den toestand, waarin hij leefde, moet worden toegeschreven, schijnt hij tevens een godsdienstig man te zijn geweest: zijne brieven en andere officieele stukken getuigen hiervan. Ook bij zijne klagten over ware of vermeende verongelijkingen heerschte niet die bittere geest als bij Mauricius en Nepveu. Als krijgsman had hij vele blijken van dapperheid gegeven en het vrijcorps was voornamelijk door hem geworden, wat zoowel Engelschen als Bataven erkenden, »een corps tot onberekenbaar nut der colonie”. De landbouw had groote verpligting aan hem, doch zijne geldelijke administratie liet wel wat te wenschen over. Hij dreef de vermenigvuldiging van het papieren geld, soms tegen den goeden raad van het Hof door, en werd hierin ondersteund door het bestuur in Nederland, dat toenmaals ook, om de ledige kassen te vullen, papier uitgaf, dat geene reëele waarde vertegenwoordigde. Wij willen echter gelooven dat het moeijelijk was op andere wijze in de bestaande behoefte te voorzien. De eer van een zeer verdienstelijk Gouverneur te zijn geweest kan Friderici niet worden ontzegd.
Den 4denDecember1802presideerde Blois van Treslong in eene buitengewone vergadering van het Hof en in de gewone van 6 December maakte hij de suspensie van Friderici bekend en tevens dat hij gecommitteerd was om met de twee oudste raden van policie W. H. van Ommeren en D. Brederode voorloopig het bestuur waar te nemen, tot dat door het staatsbewind op andere wijze daarin zou voorzien zijn910.
Eenigepublicatiënwerden uitgevaardigd als: eene behelzende de bekendmaking der schorsing van Friderici en het aanvaarden van het provisioneel bewind door de reeds genoemde heeren; en waarbij berigt werd, dat het staatsbewind, als de hoogste uitvoerende magt der Bataafsche republiek, ingevolge de aangenomene acte van staatsregeling door het Bataafsche volk, het bestuur over de West-Indische coloniën gedemandeerd had aan een raad der Amerikaansche coloniën en bezittingen der Bataafsche republiek en achtervolgens deszelven besluit, tot leden van denzelven had aangesteld de burgers: H. Costerus, J. H. Mulders, D. Werner en G. A. W. Ruysch en tot secretaris F. E. Turr; eene waarbij verordend werd, dat alle publieke kantoren weder op den ouden voet moesten worden hersteld, verwekte veel tegenstand, daar zij hoofdzakelijk ten doel had de door Friderici bij publicatie van den 19denFebruarij 1802, geschorste belasting aan de kas tegen de wegloopers weder in te voeren911.
Het provisioneel bewind achtte de herstelling er van echter noodig, want de publieke kassen waren in een »deplorablen” toestand.
Uit een aan den raad der Amerikaansche coloniën overgelegden staat blijkt o. a. dat in de kas van het kantoor der in- en uitgaande regten aan zilver en goud geld aanwezig was
voor eene somma vanƒ6896.—oud en ongangbaar geldƒ,,935.—zoo dat te zamenƒ7831.—aan specie in die kas was:dit was de eenige specie in’slands kassen. Verder bevond zich in die kas aan kaarten-geld, obligatiën en wissels eene som vanƒ1782:14.9⅔in de kas der hoofdgeldenƒ,,53136:17.12⅔in die der venduregtenƒ,,100361:12.12Doch behalve dat dit papieren geld slechts eene zeer betrekkelijke waarde had, die van de tijdsomstandigheid afhing, waren ook nog verscheidene kassen met schulden bezwaard. In de kas der Modique lasten was aanwezig (altijd aan papierengeld) eene som vanƒ409,659:5.8doch zij was schuldigƒ,,660,509:11.7⅔in de kas der gemeene weiden eene som vanƒ,,157,9:12⅔en schuldigƒ,,1491:4.8
Voornamelijk echter bevond zich de kas tegen de wegloopers in ongunstigen toestand: in kas was er niets, wel nog had zij te vorderen ƒ 418,686:16:11, maar was daarentegen schuldig aan de stad Amsterdam ƒ700,000:–aan de voormaligesociëteitƒ 1,707,987:12:3, behalve nog aan verschillende ingezetenen wegens huur van slaven, die aan het cordon hadden gearbeid: tegen over dit laatste stond, dat ook vele dier ingezetenen hun quotum nog moesten aanzuiveren, men rekende dit in globaal te compenseren. Sedert 1796 was de rekening dier kas niet opgemaakt912.
Het Provisioneel bewind hoopte, dat de kolonie, nu weder aan Nederland gehecht, door de uitbreiding van den landbouw en degelijken handel, weldra de geledene verliezen zou te boven komen. Om de in Suriname toenemende zucht tot speculatie te bedwingen, werd den 31stenJanuarij 1803 eene publicatie uitgevaardigd, waarbij allenegotiatiën, zonder voorafgaande goedkeuring van het bewind, werden verboden913. Er waren verblijdende teekenen. Drie Hollandsche koopvaarders waren reeds, volgeladen met stapelproducten, naar het Moederland vertrokken; veertien hadden hunne vracht gedeeltelijk geladen en zouden weder spoedig volgen; de laatste koffijpluk was door de vele regens wel niet voordeelig geweest, doch de aanstaande beloofde een goeden oogst; in het district Saramacca waren vele nieuwe gronden uitgegeven914, en erheerschte (volgens hun schrijven) nieuwe moed en opgewektheid om, daar ook nu weder een nieuwe aanvoer van slaven was gekomen915, met ijver de handen in een te slaan, ten einde landbouw en koophandel te bevorderen.
De verdedigingswerken der kolonie werden hersteld en verbeterd; behalve de troepen met Blois van Treslong mede gekomen, arriveerden in Maart nieuwe uit het vaderland, terwijl ook de corpsen blanke en negerjagers in stand werden gehouden. Ofschoon de Instructie van Blois van Treslong luidde, om geen der officieren, die den eed aan Z. B. M. hadden gedaan, in Bataafsche dienst te nemen, vermeende het Provisioneel bewind echter eene uitzondering te moeten maken omtrent hen, die bij de genoemde corpsen dien rang bekleedden. Men achtte het noodig die corpsen, die ook in koloniale soldij waren gebleven, in hun geheel te moeten houden. Van de zijde der negerjagers zelve ontstond echter eenige moeijelijkheid. Sommigen van hen droegen nog op hunne mutsen koperen platen, waarop W. P. v. O. stond. Toen de kolonel van Batenburg die platen door andere wilde doen vervangen, betoonden zij zich weigerachtig; zij wenschten niet in Bataafsche dienst te treden en vermeenden trouw te moeten blijven aan Z. B. M., aan wien zij den eed hadden gedaan. Het kostte veel moeite hen te overreden en zes van hen die halsstarrig bleven weigeren, werden in arrest gezet916.
Het provisioneel bewind scheen niet zeer in den geest van verscheidene kolonisten te zijn en, hoe kort van duur het was, kwamen er al zeer spoedig moeijelijkheden, zoo met den Raad Fiscaal Wohlfahrt als met anderen917.
Bij gelegenheid dat de nieuwe, door het Bataafsche volk aangenomene staatsregeling zou worden gepubliceerd, maakte de Raad Fiscaal tegen de daarin voorkomende bepaling, waarbij het zoogenaamd scherper Examen: de Tortuur of Pijnbank, werd afgeschaft, bezwaar indien niet ter-gelijkertijd hetgeen inHolland daarvoor in de plaats was gekomen, in werking wierd gebragt.
Wohlfahrt trad weldra af en werd door Chr. J. Valkenaer opgevolgd.
In het vaderland was intusschen Pierre Berranger, vroeger Secretaris van Friderici, benoemd tot Commissaris-Generaal en Gouverneur o. i. van Suriname. Berranger kwam den 5denDecember 1803 in de kolonie aan, en nam den 9denDecember het bewind over.
In zijne eerste missive aan den Raad dercoloniën, dato 28 December 1803, berigt hij, dat zijne komst den kolonisten veel genoegen deed, daar er tusschen hen en het Provisioneel bewind geschillen bestonden, »die hij echter niet naspeuren wilde.” Reeds dadelijk beklaagde hij zich over Blois van Treslong, »die zeer geraakt was over de woordente water en te lande,”waarover hem volgens artikel 2 zijner instructie het opperbevel was opgedragen. »Hij heeft”, schrijft Berranger verder, »zich uitgelaten, dat hij mij niet zou gehoorzamen, zoo ik iets omtrent den dienst beval—en ik zal dit toch moeten doen, daar ik volgens artikel 9 mijner Instructiealleenverantwoordelijk ben; het zal mij echter aangenaam zijn nader schrijven te ontvangen, waardoor de grenzen van ieders gezag worden afgebakend, daar zich kruissende magten in den staat zelden den vijand afbreuk doen”918. Dat deze spreuk waarheid bevat leerde ook hier weder de ondervinding, gelijk wij nader zullen zien.
Het defensiewezen was in vrij goede orde. De krijgsmagt bedroeg 1829 man, en aan kruid en kogels was geen gebrek. Berranger wilde de verdedigingsmaatregelen echter nog verbeteren en riep daartoe ook de schutterij op; hij inspecteerde haar—en hoewel zij sedert de installatie van Friderici geen dienst had gedaan, roemde hij echter haar betoonden goeden wil en wenschte haar verder te organiseren. Hij bragt ook verbeteringen in het bestuur van het hospitaal. Hoewel een goed en doelmatig gebouw, waren, daar de beste vertrekken door officierenen beambten werden gebruikt of tot apotheek enz. ingerigt, de zieken in lage, vochtige, ongezonde kamers gehuisvest; terwijl de geneeskundige verzorging allerellendigst was. Het geheel was »een gedrocht, dat men bijna niet wist hoe aan te tasten.” Na een paar maanden evenwel was alles behoorlijk ingerigt919. De Roomsch Catholieke kerk, die door Friderici werd gesloten, omdat zij hare verpligting, de verzorging harer armen, niet naleefde, werd door Berranger (zelf R. C.) weder geopend920. Ook werd door hem, in overeenstemming met het Hof, bij den voortdurenden herderloozen staat der Gereformeerde gemeente (van Tright had 26 December 1802 zijne afscheidsrede gehouden) bevolen, dat voortaan, te beginnen met Januarij 1804, op alle zon- en feestdagen, door een lid van den kerkeraad eene predikatie zou worden gelezen, gebeden en gezongen, en werd ieder lid der kerk zeer tot bijwoning daarvan uitgenoodigd921.
Ofschoon liberaal in beginsel, raadde hij echter de gelijkstelling der gezindheden en de benoembaarheid van iederen burger tot alle ambten af, omdat er zoo een groot getal Joden in de kolonie waren en hunne benoeming verwarring zoude veroorzaken922. Het verspreiden van boekwerken zonder consent werd door hem op eene boete van ƒ 500 verboden923. Ook strekte hij zijne liberaliteit niet tot de slaven uit, daar hij hunne manumissie belemmerde, door te bevelen, dat ieder die een slaaf wilde manumitteren eene borgtogt van ƒ 2000 moest stellen924.
Berranger stelde ook aan den Raad dercoloniëneen nieuw belastingstelsel voor, »waardoor de rentenier, die meestal woekert, de eigenaar van particuliere slaven, die of nutteloos de weelde voedt, door het houden van een sleep bedienden, of ongehoorde winsten van hunne verhuring ontvangt, en deeigenaars van woningen in Paramaribo, die een grooten huurprijs trokken, meer zouden moeten betalen, doch de landbouwer daarentegen ontlast worden.
Daar in den regel de uitgaven 1½ millioen gulden bedroegen, stelde hij tot dekking daarvan voor, het volgende: