Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn, indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand; velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben”, is het echter niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman, die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon met droefheidin het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil, en ook hierin moet worden verheerlijkt.Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers, vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond, te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804–1816, dat der Engelsche overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw kunnen wij niet vermelden.Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken: Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den Gouverneur te onderwerpen. Dit bragtverwarring te weeg: de voor het fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden; tweecompagniënvrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door dergelijke redenen verhinderd1. Heldhaftig kan de verdediging niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt, een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan, die met kleine wijzigingen werd aangenomen.Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles, te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804, uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:»Paramaribo 2 Mei 1804.Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij niet of de nationale heldhaftigheidder Bataven, dan of wel de stoutmoedigheid der strijders vanAlbiondit plekje lands, door den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maarEenzal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde colonisten, oneindig veel bijdragen tot hetcoloniaal welzijn.”Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens, het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig voegen naar de omstandigheden des tijds.In diezelfde Courant van den 3denMei 1804 vindt men een, dat den zelfden geest ademt:»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing allengs te naderen.De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan ’t lot dezer Colonie te twijfelen.—Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is, noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen, over onze schedels losgebarsten zijn.”De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch gezind, als sommigepublicatiënenproclamatiënvan dien tijd zouden doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802),doch verscheidene planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om hunne producten te vermenigvuldigen2, en—hetgeen men hierbij ook niet over het hoofd moet zien—zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelenlachtesommige kolonisten nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten; het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen3.Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen”, waarop de Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden geobserveerd zo als is aangeboden”4.Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden, zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden, zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het corps, bekend onder den naam vanwitteenzwartejagers, meer bepaald in dienst van de kolonie staande, zou met hetColoniaal Gouvernementbehoorlijk schikkingen worden getroffen.De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog, meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie, enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd als krijgsgevangene beschouwd.Den 6denMei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hoogeCollegiënden volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber5.Den 7denMei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten, door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne en Ierland, zo hebben wijnodig gedagt door deze tegenwoordige alle goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten, door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent zijn”6.Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten: het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine, vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen, die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;—wordende degenen, die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9denMei, des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize, ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen7.Den 9denMei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie en vervolgens door de andereCollegiënin zijne handen afgelegd8; waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen met den toestand der kolonie, als nu zijndeeene Engelsche bezitting.De Gouverneur gaf den 19denMei, bij Proclamatie bevel, dat de eed van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners, binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28stenMei en door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt, in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken, als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten noodzakelijk maken9.De Britsche autoriteiten gingen,—dit moet erkend worden, met gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door toegefelijkheid te winnen—echter toonden zij Heeren en Meesters te zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit ondervond o. a. de Secretaris der Koloniedu Moulin, een man die doorBerrangerals uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt geprezen.Du Moulinwas in twist geraakt met zekerenvan der Hoop, die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, datdu Moulinuit de Kolonie werd verbannen10. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen, dat zekereF. S. C. P. van der Hoopdoor het Engelsch Gouvernement zou zijn belast geworden met de commissie, om zich overBarbadosnaarSurinamete begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement over te geven.—Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O.Bloisvan Treslong, Commanderende ’s lands Eskader in de W. I.,aan te schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet doorBloisvan Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen, en berust thans op Her Majesty’s statepapers office11.Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen, tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der AmerikaanscheColoniënvan 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:1ohij reeds, op den 13denMei1804, als krijgsgevangen was beschouwd en dus in alles had gedefungeerd;2ogedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;3oontwaarde, dat hetgrootstegedeelte der soldaten dienst bij de Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te soldieeren, en eindelijk;4ozeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige gunst hadden.”Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk endosseurs vonden, en Berranger,—»om met niets te doen te hebben, of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken” vroeg en verkreeg verlof om zich, op zijn eerewoord,naar zijne plantaadje te begeven, tot dat nader omtrent hem zou worden beslist.12Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd, waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan, als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld13.De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris van staat voor het departement van Koloniën LordHobart, en bood dezen zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven, voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd, bij welslagen, met het bestuur te worden belast14.Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten enverbeurdverklaringen,als op den handel naar en van Z. B. M.Coloniën,Plantagiënen eilanden, ergens in deWest-Indiëgelegen, zijn vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld”15.Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren; terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij deSociëteitvan Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop immer een weigerend antwoord bekomen. DeSociëteitwilde dit verzoek niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo dit zelfs onder velerestrictiënwerd toegegeven, de planters hiervan misbruik zouden maken. Toen door definantiëlemoeijelijkheden, waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten voortaan aan hen moest geschieden.Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven (zie bladz.491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen Gouverneur aan, om den in- en uitvoerin Amerikaansche schepen geheel of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door Green gehoor verleend:»Provisioneel voor den tijd vanvier maandenwordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand recht van 8 pCt.”16Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26stenSeptember voor drie en den 7denDecember 1804 voor vier maanden verlengd, doch met eenigerestrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die beperking zich ook tot den invoer uit17.De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge de volgende proclamatie uit:»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4 pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren heimelijk in ’t klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend gulden.”18Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe; Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee, zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën, zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:»Blenheim, Barbados den 20stenJulij 1804.Sir!Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3denOctober aanstaande, eenoorlogsschipop de hoogte van Suriname zijn zal, om de naEuropagedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen.”18In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa; den 27stenJanuarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuigImogene, direct bestemd naar Engeland19.Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden; men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe, ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk de goederen zou kunnen laden20.Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten, benevens zes honderd gewapende negers bestond21.Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleendeconcessiënomtrent het handelsverkeer met Amerikaanscheschepen; was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de veroverde kolonie behandelde;—dit alles nam niet weg, dat men toch nu en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was, ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen, voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der koopsom onder de Britsche militairen en matrozen,nemers der kolonie, werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren, dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten, zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER KOLONIE,” dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen ten huize van den heerBarryteParamariboen van den heerBentteBarbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De verkooplijsten der carga’s van de schepenPelicaanenHenriette Johannaliggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregatProserpinaen de oorlogssloepPylades, het grof geschut met deszelfs toebehooren wordt in Engeland bepaald.Deplantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven.De gelden, die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft, zullen dadelijk, nadat ’s konings orders ten opzigte der evenredige verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke kennis zal gegeven worden.get. J. Bent,Agent voor de armee,Th. Barry,Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de marine.”22.In de courant van 22 October1804treft men weder eene dergelijke advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26stendier maand van: de snelzeilende schoenerGeorge, met koperen bodem, zijnde een prijs derNEEMERSvan de kolonie23.Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de vervulling van dezen wenschbleekverre van gemakkelijk te zijn. Als vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite zich de noodige inlichtingen te verschaffen.Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds secretaris van staat voor het departement vankoloniën, leidde dit onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan ⅔ der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen”, schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen(for warlike operations).” Eene gebonden inspectie over de militie (men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden24.Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel, enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens hetProtectoraatover de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen staat van zakenwarengebleven. Hij beschouwde als de voornaamste oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had hierbij steeds het doelvoor oogengehouden, »om de Colonie voor den Prins van Oranje te bewaren,”gelijk hij zelf later verklaard heeft25. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten, belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas, ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat Dundas van tijd tot tijd eenige vragendaaromtrent aan Friderici gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1½ cent Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald, en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen26.Om kennis van denfinantiëlentoestand, enz. te bekomen, vervoegde Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop, in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den oorsprong van het kaarten gelden derobligatiënmededeelde. Evenzeer waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel, over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen toestand derbevredigdeBoschnegers en van die Boschnegers, die nog in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld, om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen, en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.Het beheer over definantiënwas tweederlei. Een gedeelte stond onder onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten te zamengevoegd de zoogenaamdesociëteitskasuit. Na de omwenteling in 1795, toen desociëteitwerd vernietigd, moest hiervan verantwoording worden gedaan aan den Raad derColoniën, het committé en hoe die verderecollegiënlater genoemd werden, en kwam het overschot ten voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel ditaan de Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek, en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit: de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas (sovereyns-chest) of ’s konings-kas.De inkomsten dezer kas bestondenthansuit de hoofdgelden, vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden27.De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis (custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen, werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd28.Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur, ruim ƒ 50,000.Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er voorhanden eene som vanƒ 49,463.18doch er moest daarentegen nog worden betaald:tractementenƒ 15,000.—werklieden aan het fort Amsterdamƒ,,15,447.01rekeningen voor idemƒ,,13,687.15presenten aan de Indianenƒ,,10,000.—sommaƒ 54,138.16zoodat er een te kort was vanƒ 4,674.18.En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met een batig saldo van ƒ 162,347.11.7½29.De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde: Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot deburgerlijkeadministratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie, van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van ’s lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden, der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken, daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen kant, de, in die respective kassen ontstane,tekortenmoest aanvullen.Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in den loopdes tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en van het corps Negerjagers.Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der Modique lasten bedroeg het te kort ƒ 60,000.–; bij die ter verdediging tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim ƒ 100,000.– te kort.Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen, door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique lasten werdalleenaan tractementen ongeveer ƒ 200,000.– betaald, en deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18 Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de waardigheid van ’s Konings vertegenwoordiger op te houden—aangeboden: eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van ƒ 60,000.— en aan de officieren der Britsche krijgsmagt ƒ 30,000.—30;Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan, werd door hem met dankbaarheid aangenomen31.Het tractement van den Gouverneur, die uit ’s Konings kas mede ƒ 60,000.– ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe montering en verhooging van soldij ontving32.Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een door definantiëlecommissie uitgebragt rapport en velediscussiënstelde het Hof eindelijk voor:1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder het gelag betalen);2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer dan ƒ 20,000 bedroeg; en3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt, goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te verstrekken33.Heteerstevoorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11denJulij 1804 de publicatie daaromtrent uitgevaardigd:»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende dienen, tot de dringende ondersteuning derfinanciën, is voorgekomen: de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur) in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt; invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan, voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie” ten behoeve van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van die van ’t mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud, de som van ƒ 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren ƒ 25034.”Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt35;doch de voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps negerjagers bleef achterwege; en—weldra ging men weder over tot de in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van papieren of kaartengeld.Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie van Heshuijsen zeer belangrijk.In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt geld door desociëteitingevoerd, doch dit verdween spoedig uit de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels, in blancogeëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren, konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen; maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of kaartengeld, met het kleine ’s landszegel voorzien, uit te geven, (zie bladz.265–64.)De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde desociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij elkefinantiëlemoeijelijkheid,eral zeer spoedig toe overging, om op die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij dekomst der Engelschen voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs, met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.Behalve dit was nog door Friderici voor ƒ 2,385,750 papieren geld in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie (zie bladz.477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag van Friderici op de volgende wijze:De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen, dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had, en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl in vredestijd alles door desociëteiten later door het Committé vancoloniënin Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag, geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur, na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door depretentiënvan de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2denDecember 1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé vanColoniën, in omloopbragt ƒ 250,000 in kaarten enobligatiën, geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied, dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat papier (zie bladz.477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was ƒ 2,385,75036.Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product, waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde,hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die van de suiker.Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java, en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren, zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer 3,000,000—pond berekenen.Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen (1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd, om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij groot belang te worden37.Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen, van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden, in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der Kolonie, naar het moederland.Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit Holland, zoodat men genoodzaakt was devoor de Koloniën benoodigde artikelen duur van de vreemden te koopen.Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers, nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard, waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit dat het niet tot het doel,om een geheel jaar te dragengeschikt was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven, doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste, uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde philosophen”, zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de natuur der menschen—en aan het toegeven aan die droombeelden dankt Frankrijk het verlies van St. Domingo38, en het verval van zijne anderekoloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De slaven-reglementen door Victor Hugues,den tegenwoordigen Gouverneur van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag, met een lading slaven, welke hier verkocht werden.”Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd, dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare artikelen zoude komen39.Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd; eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen,beschreven.De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde overeen. »Zeldzaam is het”, merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen.”—»Men beschouwt Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden, die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz.”De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd, ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd, dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard, doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beideIsraëlitischegemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit40.De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens uitvoerig medegedeeld—haar op te nemen zou slechts eene herhaling zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal Gouvernement waren, wordt opgegeven als:Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers 150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de Coppename en Cassawina hielden.Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne meesters ontvlugte slaven.De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen, 700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers, 670 mannen, 630 vrouwen en 1200kinderen, te zamen 2450 personen; Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg alzoo 5200 personen.De Indianen waren in drie stammen verdeeld:Caraïben, Arrowakken en Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizendmannen,vrouwen en kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met het koloniaal bewind41.Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf, bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg met het Hof van Policie.Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq., den tweeden secretaris van staat voor het Departement vankoloniën, waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en delords commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend, zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister vankoloniën, als Boekhouder-Generaalaanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in, om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester, niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen, werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief opgedragen aan denprovisioneelenBoekhouder-Generaal Heshuysen »een man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met definantiëleen andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk wel bedreven in het Engelsch”42.De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd43, zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou worden gerukt44.De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland; om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen keeren45; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid, het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen46.
Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn, indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand; velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben”, is het echter niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman, die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon met droefheidin het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil, en ook hierin moet worden verheerlijkt.Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers, vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond, te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804–1816, dat der Engelsche overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw kunnen wij niet vermelden.Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken: Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den Gouverneur te onderwerpen. Dit bragtverwarring te weeg: de voor het fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden; tweecompagniënvrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door dergelijke redenen verhinderd1. Heldhaftig kan de verdediging niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt, een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan, die met kleine wijzigingen werd aangenomen.Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles, te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804, uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:»Paramaribo 2 Mei 1804.Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij niet of de nationale heldhaftigheidder Bataven, dan of wel de stoutmoedigheid der strijders vanAlbiondit plekje lands, door den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maarEenzal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde colonisten, oneindig veel bijdragen tot hetcoloniaal welzijn.”Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens, het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig voegen naar de omstandigheden des tijds.In diezelfde Courant van den 3denMei 1804 vindt men een, dat den zelfden geest ademt:»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing allengs te naderen.De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan ’t lot dezer Colonie te twijfelen.—Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is, noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen, over onze schedels losgebarsten zijn.”De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch gezind, als sommigepublicatiënenproclamatiënvan dien tijd zouden doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802),doch verscheidene planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om hunne producten te vermenigvuldigen2, en—hetgeen men hierbij ook niet over het hoofd moet zien—zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelenlachtesommige kolonisten nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten; het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen3.Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen”, waarop de Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden geobserveerd zo als is aangeboden”4.Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden, zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden, zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het corps, bekend onder den naam vanwitteenzwartejagers, meer bepaald in dienst van de kolonie staande, zou met hetColoniaal Gouvernementbehoorlijk schikkingen worden getroffen.De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog, meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie, enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd als krijgsgevangene beschouwd.Den 6denMei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hoogeCollegiënden volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber5.Den 7denMei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten, door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne en Ierland, zo hebben wijnodig gedagt door deze tegenwoordige alle goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten, door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent zijn”6.Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten: het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine, vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen, die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;—wordende degenen, die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9denMei, des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize, ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen7.Den 9denMei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie en vervolgens door de andereCollegiënin zijne handen afgelegd8; waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen met den toestand der kolonie, als nu zijndeeene Engelsche bezitting.De Gouverneur gaf den 19denMei, bij Proclamatie bevel, dat de eed van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners, binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28stenMei en door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt, in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken, als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten noodzakelijk maken9.De Britsche autoriteiten gingen,—dit moet erkend worden, met gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door toegefelijkheid te winnen—echter toonden zij Heeren en Meesters te zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit ondervond o. a. de Secretaris der Koloniedu Moulin, een man die doorBerrangerals uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt geprezen.Du Moulinwas in twist geraakt met zekerenvan der Hoop, die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, datdu Moulinuit de Kolonie werd verbannen10. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen, dat zekereF. S. C. P. van der Hoopdoor het Engelsch Gouvernement zou zijn belast geworden met de commissie, om zich overBarbadosnaarSurinamete begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement over te geven.—Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O.Bloisvan Treslong, Commanderende ’s lands Eskader in de W. I.,aan te schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet doorBloisvan Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen, en berust thans op Her Majesty’s statepapers office11.Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen, tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der AmerikaanscheColoniënvan 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:1ohij reeds, op den 13denMei1804, als krijgsgevangen was beschouwd en dus in alles had gedefungeerd;2ogedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;3oontwaarde, dat hetgrootstegedeelte der soldaten dienst bij de Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te soldieeren, en eindelijk;4ozeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige gunst hadden.”Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk endosseurs vonden, en Berranger,—»om met niets te doen te hebben, of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken” vroeg en verkreeg verlof om zich, op zijn eerewoord,naar zijne plantaadje te begeven, tot dat nader omtrent hem zou worden beslist.12Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd, waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan, als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld13.De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris van staat voor het departement van Koloniën LordHobart, en bood dezen zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven, voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd, bij welslagen, met het bestuur te worden belast14.Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten enverbeurdverklaringen,als op den handel naar en van Z. B. M.Coloniën,Plantagiënen eilanden, ergens in deWest-Indiëgelegen, zijn vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld”15.Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren; terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij deSociëteitvan Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop immer een weigerend antwoord bekomen. DeSociëteitwilde dit verzoek niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo dit zelfs onder velerestrictiënwerd toegegeven, de planters hiervan misbruik zouden maken. Toen door definantiëlemoeijelijkheden, waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten voortaan aan hen moest geschieden.Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven (zie bladz.491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen Gouverneur aan, om den in- en uitvoerin Amerikaansche schepen geheel of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door Green gehoor verleend:»Provisioneel voor den tijd vanvier maandenwordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand recht van 8 pCt.”16Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26stenSeptember voor drie en den 7denDecember 1804 voor vier maanden verlengd, doch met eenigerestrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die beperking zich ook tot den invoer uit17.De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge de volgende proclamatie uit:»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4 pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren heimelijk in ’t klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend gulden.”18Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe; Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee, zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën, zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:»Blenheim, Barbados den 20stenJulij 1804.Sir!Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3denOctober aanstaande, eenoorlogsschipop de hoogte van Suriname zijn zal, om de naEuropagedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen.”18In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa; den 27stenJanuarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuigImogene, direct bestemd naar Engeland19.Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden; men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe, ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk de goederen zou kunnen laden20.Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten, benevens zes honderd gewapende negers bestond21.Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleendeconcessiënomtrent het handelsverkeer met Amerikaanscheschepen; was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de veroverde kolonie behandelde;—dit alles nam niet weg, dat men toch nu en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was, ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen, voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der koopsom onder de Britsche militairen en matrozen,nemers der kolonie, werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren, dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten, zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER KOLONIE,” dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen ten huize van den heerBarryteParamariboen van den heerBentteBarbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De verkooplijsten der carga’s van de schepenPelicaanenHenriette Johannaliggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregatProserpinaen de oorlogssloepPylades, het grof geschut met deszelfs toebehooren wordt in Engeland bepaald.Deplantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven.De gelden, die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft, zullen dadelijk, nadat ’s konings orders ten opzigte der evenredige verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke kennis zal gegeven worden.get. J. Bent,Agent voor de armee,Th. Barry,Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de marine.”22.In de courant van 22 October1804treft men weder eene dergelijke advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26stendier maand van: de snelzeilende schoenerGeorge, met koperen bodem, zijnde een prijs derNEEMERSvan de kolonie23.Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de vervulling van dezen wenschbleekverre van gemakkelijk te zijn. Als vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite zich de noodige inlichtingen te verschaffen.Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds secretaris van staat voor het departement vankoloniën, leidde dit onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan ⅔ der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen”, schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen(for warlike operations).” Eene gebonden inspectie over de militie (men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden24.Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel, enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens hetProtectoraatover de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen staat van zakenwarengebleven. Hij beschouwde als de voornaamste oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had hierbij steeds het doelvoor oogengehouden, »om de Colonie voor den Prins van Oranje te bewaren,”gelijk hij zelf later verklaard heeft25. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten, belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas, ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat Dundas van tijd tot tijd eenige vragendaaromtrent aan Friderici gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1½ cent Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald, en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen26.Om kennis van denfinantiëlentoestand, enz. te bekomen, vervoegde Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop, in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den oorsprong van het kaarten gelden derobligatiënmededeelde. Evenzeer waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel, over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen toestand derbevredigdeBoschnegers en van die Boschnegers, die nog in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld, om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen, en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.Het beheer over definantiënwas tweederlei. Een gedeelte stond onder onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten te zamengevoegd de zoogenaamdesociëteitskasuit. Na de omwenteling in 1795, toen desociëteitwerd vernietigd, moest hiervan verantwoording worden gedaan aan den Raad derColoniën, het committé en hoe die verderecollegiënlater genoemd werden, en kwam het overschot ten voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel ditaan de Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek, en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit: de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas (sovereyns-chest) of ’s konings-kas.De inkomsten dezer kas bestondenthansuit de hoofdgelden, vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden27.De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis (custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen, werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd28.Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur, ruim ƒ 50,000.Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er voorhanden eene som vanƒ 49,463.18doch er moest daarentegen nog worden betaald:tractementenƒ 15,000.—werklieden aan het fort Amsterdamƒ,,15,447.01rekeningen voor idemƒ,,13,687.15presenten aan de Indianenƒ,,10,000.—sommaƒ 54,138.16zoodat er een te kort was vanƒ 4,674.18.En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met een batig saldo van ƒ 162,347.11.7½29.De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde: Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot deburgerlijkeadministratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie, van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van ’s lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden, der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken, daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen kant, de, in die respective kassen ontstane,tekortenmoest aanvullen.Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in den loopdes tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en van het corps Negerjagers.Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der Modique lasten bedroeg het te kort ƒ 60,000.–; bij die ter verdediging tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim ƒ 100,000.– te kort.Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen, door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique lasten werdalleenaan tractementen ongeveer ƒ 200,000.– betaald, en deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18 Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de waardigheid van ’s Konings vertegenwoordiger op te houden—aangeboden: eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van ƒ 60,000.— en aan de officieren der Britsche krijgsmagt ƒ 30,000.—30;Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan, werd door hem met dankbaarheid aangenomen31.Het tractement van den Gouverneur, die uit ’s Konings kas mede ƒ 60,000.– ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe montering en verhooging van soldij ontving32.Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een door definantiëlecommissie uitgebragt rapport en velediscussiënstelde het Hof eindelijk voor:1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder het gelag betalen);2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer dan ƒ 20,000 bedroeg; en3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt, goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te verstrekken33.Heteerstevoorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11denJulij 1804 de publicatie daaromtrent uitgevaardigd:»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende dienen, tot de dringende ondersteuning derfinanciën, is voorgekomen: de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur) in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt; invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan, voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie” ten behoeve van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van die van ’t mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud, de som van ƒ 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren ƒ 25034.”Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt35;doch de voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps negerjagers bleef achterwege; en—weldra ging men weder over tot de in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van papieren of kaartengeld.Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie van Heshuijsen zeer belangrijk.In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt geld door desociëteitingevoerd, doch dit verdween spoedig uit de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels, in blancogeëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren, konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen; maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of kaartengeld, met het kleine ’s landszegel voorzien, uit te geven, (zie bladz.265–64.)De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde desociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij elkefinantiëlemoeijelijkheid,eral zeer spoedig toe overging, om op die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij dekomst der Engelschen voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs, met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.Behalve dit was nog door Friderici voor ƒ 2,385,750 papieren geld in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie (zie bladz.477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag van Friderici op de volgende wijze:De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen, dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had, en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl in vredestijd alles door desociëteiten later door het Committé vancoloniënin Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag, geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur, na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door depretentiënvan de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2denDecember 1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé vanColoniën, in omloopbragt ƒ 250,000 in kaarten enobligatiën, geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied, dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat papier (zie bladz.477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was ƒ 2,385,75036.Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product, waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde,hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die van de suiker.Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java, en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren, zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer 3,000,000—pond berekenen.Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen (1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd, om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij groot belang te worden37.Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen, van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden, in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der Kolonie, naar het moederland.Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit Holland, zoodat men genoodzaakt was devoor de Koloniën benoodigde artikelen duur van de vreemden te koopen.Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers, nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard, waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit dat het niet tot het doel,om een geheel jaar te dragengeschikt was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven, doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste, uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde philosophen”, zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de natuur der menschen—en aan het toegeven aan die droombeelden dankt Frankrijk het verlies van St. Domingo38, en het verval van zijne anderekoloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De slaven-reglementen door Victor Hugues,den tegenwoordigen Gouverneur van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag, met een lading slaven, welke hier verkocht werden.”Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd, dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare artikelen zoude komen39.Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd; eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen,beschreven.De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde overeen. »Zeldzaam is het”, merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen.”—»Men beschouwt Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden, die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz.”De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd, ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd, dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard, doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beideIsraëlitischegemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit40.De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens uitvoerig medegedeeld—haar op te nemen zou slechts eene herhaling zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal Gouvernement waren, wordt opgegeven als:Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers 150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de Coppename en Cassawina hielden.Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne meesters ontvlugte slaven.De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen, 700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers, 670 mannen, 630 vrouwen en 1200kinderen, te zamen 2450 personen; Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg alzoo 5200 personen.De Indianen waren in drie stammen verdeeld:Caraïben, Arrowakken en Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizendmannen,vrouwen en kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met het koloniaal bewind41.Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf, bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg met het Hof van Policie.Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq., den tweeden secretaris van staat voor het Departement vankoloniën, waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en delords commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend, zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister vankoloniën, als Boekhouder-Generaalaanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in, om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester, niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen, werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief opgedragen aan denprovisioneelenBoekhouder-Generaal Heshuysen »een man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met definantiëleen andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk wel bedreven in het Engelsch”42.De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd43, zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou worden gerukt44.De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland; om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen keeren45; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid, het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen46.
Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn, indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand; velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben”, is het echter niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman, die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon met droefheidin het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil, en ook hierin moet worden verheerlijkt.Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers, vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond, te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804–1816, dat der Engelsche overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw kunnen wij niet vermelden.Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken: Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den Gouverneur te onderwerpen. Dit bragtverwarring te weeg: de voor het fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden; tweecompagniënvrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door dergelijke redenen verhinderd1. Heldhaftig kan de verdediging niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt, een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan, die met kleine wijzigingen werd aangenomen.Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles, te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804, uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:»Paramaribo 2 Mei 1804.Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij niet of de nationale heldhaftigheidder Bataven, dan of wel de stoutmoedigheid der strijders vanAlbiondit plekje lands, door den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maarEenzal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde colonisten, oneindig veel bijdragen tot hetcoloniaal welzijn.”Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens, het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig voegen naar de omstandigheden des tijds.In diezelfde Courant van den 3denMei 1804 vindt men een, dat den zelfden geest ademt:»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing allengs te naderen.De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan ’t lot dezer Colonie te twijfelen.—Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is, noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen, over onze schedels losgebarsten zijn.”De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch gezind, als sommigepublicatiënenproclamatiënvan dien tijd zouden doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802),doch verscheidene planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om hunne producten te vermenigvuldigen2, en—hetgeen men hierbij ook niet over het hoofd moet zien—zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelenlachtesommige kolonisten nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten; het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen3.Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen”, waarop de Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden geobserveerd zo als is aangeboden”4.Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden, zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden, zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het corps, bekend onder den naam vanwitteenzwartejagers, meer bepaald in dienst van de kolonie staande, zou met hetColoniaal Gouvernementbehoorlijk schikkingen worden getroffen.De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog, meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie, enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd als krijgsgevangene beschouwd.Den 6denMei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hoogeCollegiënden volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber5.Den 7denMei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten, door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne en Ierland, zo hebben wijnodig gedagt door deze tegenwoordige alle goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten, door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent zijn”6.Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten: het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine, vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen, die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;—wordende degenen, die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9denMei, des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize, ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen7.Den 9denMei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie en vervolgens door de andereCollegiënin zijne handen afgelegd8; waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen met den toestand der kolonie, als nu zijndeeene Engelsche bezitting.De Gouverneur gaf den 19denMei, bij Proclamatie bevel, dat de eed van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners, binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28stenMei en door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt, in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken, als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten noodzakelijk maken9.De Britsche autoriteiten gingen,—dit moet erkend worden, met gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door toegefelijkheid te winnen—echter toonden zij Heeren en Meesters te zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit ondervond o. a. de Secretaris der Koloniedu Moulin, een man die doorBerrangerals uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt geprezen.Du Moulinwas in twist geraakt met zekerenvan der Hoop, die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, datdu Moulinuit de Kolonie werd verbannen10. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen, dat zekereF. S. C. P. van der Hoopdoor het Engelsch Gouvernement zou zijn belast geworden met de commissie, om zich overBarbadosnaarSurinamete begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement over te geven.—Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O.Bloisvan Treslong, Commanderende ’s lands Eskader in de W. I.,aan te schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet doorBloisvan Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen, en berust thans op Her Majesty’s statepapers office11.Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen, tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der AmerikaanscheColoniënvan 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:1ohij reeds, op den 13denMei1804, als krijgsgevangen was beschouwd en dus in alles had gedefungeerd;2ogedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;3oontwaarde, dat hetgrootstegedeelte der soldaten dienst bij de Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te soldieeren, en eindelijk;4ozeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige gunst hadden.”Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk endosseurs vonden, en Berranger,—»om met niets te doen te hebben, of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken” vroeg en verkreeg verlof om zich, op zijn eerewoord,naar zijne plantaadje te begeven, tot dat nader omtrent hem zou worden beslist.12Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd, waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan, als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld13.De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris van staat voor het departement van Koloniën LordHobart, en bood dezen zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven, voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd, bij welslagen, met het bestuur te worden belast14.Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten enverbeurdverklaringen,als op den handel naar en van Z. B. M.Coloniën,Plantagiënen eilanden, ergens in deWest-Indiëgelegen, zijn vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld”15.Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren; terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij deSociëteitvan Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop immer een weigerend antwoord bekomen. DeSociëteitwilde dit verzoek niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo dit zelfs onder velerestrictiënwerd toegegeven, de planters hiervan misbruik zouden maken. Toen door definantiëlemoeijelijkheden, waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten voortaan aan hen moest geschieden.Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven (zie bladz.491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen Gouverneur aan, om den in- en uitvoerin Amerikaansche schepen geheel of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door Green gehoor verleend:»Provisioneel voor den tijd vanvier maandenwordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand recht van 8 pCt.”16Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26stenSeptember voor drie en den 7denDecember 1804 voor vier maanden verlengd, doch met eenigerestrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die beperking zich ook tot den invoer uit17.De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge de volgende proclamatie uit:»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4 pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren heimelijk in ’t klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend gulden.”18Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe; Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee, zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën, zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:»Blenheim, Barbados den 20stenJulij 1804.Sir!Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3denOctober aanstaande, eenoorlogsschipop de hoogte van Suriname zijn zal, om de naEuropagedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen.”18In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa; den 27stenJanuarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuigImogene, direct bestemd naar Engeland19.Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden; men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe, ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk de goederen zou kunnen laden20.Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten, benevens zes honderd gewapende negers bestond21.Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleendeconcessiënomtrent het handelsverkeer met Amerikaanscheschepen; was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de veroverde kolonie behandelde;—dit alles nam niet weg, dat men toch nu en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was, ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen, voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der koopsom onder de Britsche militairen en matrozen,nemers der kolonie, werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren, dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten, zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER KOLONIE,” dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen ten huize van den heerBarryteParamariboen van den heerBentteBarbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De verkooplijsten der carga’s van de schepenPelicaanenHenriette Johannaliggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregatProserpinaen de oorlogssloepPylades, het grof geschut met deszelfs toebehooren wordt in Engeland bepaald.Deplantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven.De gelden, die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft, zullen dadelijk, nadat ’s konings orders ten opzigte der evenredige verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke kennis zal gegeven worden.get. J. Bent,Agent voor de armee,Th. Barry,Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de marine.”22.In de courant van 22 October1804treft men weder eene dergelijke advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26stendier maand van: de snelzeilende schoenerGeorge, met koperen bodem, zijnde een prijs derNEEMERSvan de kolonie23.Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de vervulling van dezen wenschbleekverre van gemakkelijk te zijn. Als vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite zich de noodige inlichtingen te verschaffen.Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds secretaris van staat voor het departement vankoloniën, leidde dit onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan ⅔ der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen”, schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen(for warlike operations).” Eene gebonden inspectie over de militie (men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden24.Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel, enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens hetProtectoraatover de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen staat van zakenwarengebleven. Hij beschouwde als de voornaamste oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had hierbij steeds het doelvoor oogengehouden, »om de Colonie voor den Prins van Oranje te bewaren,”gelijk hij zelf later verklaard heeft25. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten, belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas, ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat Dundas van tijd tot tijd eenige vragendaaromtrent aan Friderici gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1½ cent Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald, en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen26.Om kennis van denfinantiëlentoestand, enz. te bekomen, vervoegde Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop, in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den oorsprong van het kaarten gelden derobligatiënmededeelde. Evenzeer waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel, over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen toestand derbevredigdeBoschnegers en van die Boschnegers, die nog in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld, om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen, en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.Het beheer over definantiënwas tweederlei. Een gedeelte stond onder onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten te zamengevoegd de zoogenaamdesociëteitskasuit. Na de omwenteling in 1795, toen desociëteitwerd vernietigd, moest hiervan verantwoording worden gedaan aan den Raad derColoniën, het committé en hoe die verderecollegiënlater genoemd werden, en kwam het overschot ten voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel ditaan de Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek, en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit: de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas (sovereyns-chest) of ’s konings-kas.De inkomsten dezer kas bestondenthansuit de hoofdgelden, vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden27.De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis (custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen, werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd28.Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur, ruim ƒ 50,000.Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er voorhanden eene som vanƒ 49,463.18doch er moest daarentegen nog worden betaald:tractementenƒ 15,000.—werklieden aan het fort Amsterdamƒ,,15,447.01rekeningen voor idemƒ,,13,687.15presenten aan de Indianenƒ,,10,000.—sommaƒ 54,138.16zoodat er een te kort was vanƒ 4,674.18.En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met een batig saldo van ƒ 162,347.11.7½29.De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde: Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot deburgerlijkeadministratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie, van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van ’s lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden, der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken, daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen kant, de, in die respective kassen ontstane,tekortenmoest aanvullen.Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in den loopdes tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en van het corps Negerjagers.Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der Modique lasten bedroeg het te kort ƒ 60,000.–; bij die ter verdediging tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim ƒ 100,000.– te kort.Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen, door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique lasten werdalleenaan tractementen ongeveer ƒ 200,000.– betaald, en deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18 Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de waardigheid van ’s Konings vertegenwoordiger op te houden—aangeboden: eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van ƒ 60,000.— en aan de officieren der Britsche krijgsmagt ƒ 30,000.—30;Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan, werd door hem met dankbaarheid aangenomen31.Het tractement van den Gouverneur, die uit ’s Konings kas mede ƒ 60,000.– ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe montering en verhooging van soldij ontving32.Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een door definantiëlecommissie uitgebragt rapport en velediscussiënstelde het Hof eindelijk voor:1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder het gelag betalen);2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer dan ƒ 20,000 bedroeg; en3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt, goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te verstrekken33.Heteerstevoorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11denJulij 1804 de publicatie daaromtrent uitgevaardigd:»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende dienen, tot de dringende ondersteuning derfinanciën, is voorgekomen: de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur) in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt; invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan, voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie” ten behoeve van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van die van ’t mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud, de som van ƒ 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren ƒ 25034.”Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt35;doch de voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps negerjagers bleef achterwege; en—weldra ging men weder over tot de in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van papieren of kaartengeld.Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie van Heshuijsen zeer belangrijk.In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt geld door desociëteitingevoerd, doch dit verdween spoedig uit de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels, in blancogeëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren, konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen; maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of kaartengeld, met het kleine ’s landszegel voorzien, uit te geven, (zie bladz.265–64.)De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde desociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij elkefinantiëlemoeijelijkheid,eral zeer spoedig toe overging, om op die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij dekomst der Engelschen voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs, met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.Behalve dit was nog door Friderici voor ƒ 2,385,750 papieren geld in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie (zie bladz.477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag van Friderici op de volgende wijze:De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen, dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had, en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl in vredestijd alles door desociëteiten later door het Committé vancoloniënin Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag, geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur, na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door depretentiënvan de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2denDecember 1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé vanColoniën, in omloopbragt ƒ 250,000 in kaarten enobligatiën, geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied, dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat papier (zie bladz.477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was ƒ 2,385,75036.Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product, waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde,hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die van de suiker.Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java, en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren, zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer 3,000,000—pond berekenen.Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen (1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd, om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij groot belang te worden37.Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen, van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden, in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der Kolonie, naar het moederland.Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit Holland, zoodat men genoodzaakt was devoor de Koloniën benoodigde artikelen duur van de vreemden te koopen.Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers, nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard, waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit dat het niet tot het doel,om een geheel jaar te dragengeschikt was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven, doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste, uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde philosophen”, zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de natuur der menschen—en aan het toegeven aan die droombeelden dankt Frankrijk het verlies van St. Domingo38, en het verval van zijne anderekoloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De slaven-reglementen door Victor Hugues,den tegenwoordigen Gouverneur van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag, met een lading slaven, welke hier verkocht werden.”Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd, dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare artikelen zoude komen39.Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd; eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen,beschreven.De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde overeen. »Zeldzaam is het”, merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen.”—»Men beschouwt Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden, die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz.”De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd, ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd, dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard, doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beideIsraëlitischegemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit40.De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens uitvoerig medegedeeld—haar op te nemen zou slechts eene herhaling zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal Gouvernement waren, wordt opgegeven als:Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers 150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de Coppename en Cassawina hielden.Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne meesters ontvlugte slaven.De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen, 700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers, 670 mannen, 630 vrouwen en 1200kinderen, te zamen 2450 personen; Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg alzoo 5200 personen.De Indianen waren in drie stammen verdeeld:Caraïben, Arrowakken en Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizendmannen,vrouwen en kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met het koloniaal bewind41.Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf, bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg met het Hof van Policie.Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq., den tweeden secretaris van staat voor het Departement vankoloniën, waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en delords commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend, zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister vankoloniën, als Boekhouder-Generaalaanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in, om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester, niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen, werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief opgedragen aan denprovisioneelenBoekhouder-Generaal Heshuysen »een man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met definantiëleen andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk wel bedreven in het Engelsch”42.De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd43, zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou worden gerukt44.De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland; om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen keeren45; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid, het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen46.
Wij kunnen ons eenigzins voorstellen welk een pijnlijk gezigt het een dapperen bevelhebber en zijnen dapperen krijgsmakkers moet zijn, indien hij, door de omstandigheden genoodzaakt de aan zijne verdediging toevertrouwde sterkte den vijand over te geven, de vlag, het symbool van het gezag zijns souvereins, ziet nederhalen, om plaats te maken voor die van den overwinnaar, den straks nog fel bestreden vijand; velen getuigden liever een roemvollen dood op de wallen te hebben gevonden, dan dergelijke vernedering te moeten ondergaan.
Als mensch kunnen wij dit gevoel begrijpen, doch zoo wij waarlijk Christen zijn en het woord der Schrift gelooven: »dat alle dingen medewerken ten goede dengenen, die God lief hebben”, is het echter niet goed aan dat gevoel toe te geven, daar steeds de overtuiging levendig moet zijn, dat niets bij toeval geschiedt, maar alles ter vervulling van den raad Gods, en zoo kan ook de Christen-krijgsman, die getrouw zijn pligt heeft betracht, zich zonder morren, ofschoon met droefheidin het hart, aan die schikking onderwerpen, waarin hij de hand van zijnen God erkent, die verhoogt en vernedert wien Hij wil, en ook hierin moet worden verheerlijkt.
Wij kunnen het ons eenigermate voorstellen, hoe trouwe burgers, vervuld met liefde voor hun vaderland, die mede goed en bloed ten offer bragten ter verdediging van den dierbaren vaderlandschen grond, te moede zijn, zoo de vaderlandsche vlag weggenomen en vervangen wordt door die van den vijand, den vreemde, die nu over hen heerschen zal.
Hoe pijnlijk het voor den geschiedschrijver is, om te gewagen van een tijdvak, gedurende hetwelk zijn vaderland onder vreemde overheersching zuchtte, wordt reeds eenigzins door mij gevoeld, nu ik met mijn overzigt van de geschiedenis van Suriname, eene Nederlandsche volkplanting, genaderd ben tot het tijdvak 1804–1816, dat der Engelsche overheersching. Maar hoe pijnlijk het dan ook valt, toch wensch ik onpartijdig te zijn en mij te wachten om, door partijdige liefde voor mijn vaderland verblind, de handelingen van de overheerschers in een verkeerd licht te plaatsen. In hoeverre het straks geschetste weemoedig gevoel bij den bevelhebber der Bataafsche troepen, bij zijne onderhoorigen, bij den Interims-Gouverneur Berranger en bij de inwoners van Suriname aanwezig was, toen de kolonie in Engelsche handen overging, willen wij niet beslissen; dat het zeer sterk sprak hebben wij bij het onderzoek der officieele en andere bescheiden niet kunnen ontwaren; ook buitengewone daden van heldenmoed en burgertrouw kunnen wij niet vermelden.
Gelijk wij reeds bij het slot der vorige afdeeling deden opmerken: Er heerschte verdeeldheid, er bestond onderling wantrouwen en afgunst tusschen den Commissaris-Generaal, den Gouverneur ad interim Berranger en de bevelhebbers der land- en zeemagt, den Luitenant-Colonel Batenburg en den Schout bij nacht Blois van Treslong.
Deze verdeeldheid, dat wantrouwen, die onderlinge afgunst belette eene krachtdadige verdediging. Officieren door het voorbeeld hunner superieuren weggesleept, weigerden zich aan de bevelen van den Gouverneur te onderwerpen. Dit bragtverwarring te weeg: de voor het fort Nieuw Amsterdam aangevraagde levensmiddelen werden niet verzonden; tweecompagniënvrijheden, bestemd voor eene post bij de plantaadje Zoelen, ten einde de omsingeling van de fortres door den vijand te beletten, vertrokken niet derwaarts, de luitenant van Beugen met hun geleide belast, maakte allerlei uitvlugten; eene versterking van het garnizoen aldaar door schutternegers werd evenzeer door dergelijke redenen verhinderd1. Heldhaftig kan de verdediging niet worden genoemd, slechts bij de redoute Leijden had een min of meer ernstig gevecht plaats. De Engelschen vermeesterden de redoute en een gedeelte hunner magt, aan de Commewijne geland, trok, door een verrader geleid, achter het Fort Nieuw Amsterdam om en vond, door het vroeger verzuim, geen tegenstand op den weg, en omsingelde alzoo de voornaamste sterkte der kolonie, het fort Nieuw Amsterdam. Batenburg achtte nu het voortzetten van den strijd tegen eene groote overmagt, een te ongelijken kamp, die slechts nutteloos bloedverlies ten gevolge zou hebben; hij bood den Engelschen bevelhebber eene capitulatie aan, die met kleine wijzigingen werd aangenomen.
Berranger ofschoon niet tegen het sluiten eener capitulatie, blijkens zijn advies in den krijgsraad, protesteerde echter tegen deze handeling van den bevelhebber bij proclamatie en wierp alle verantwoordelijkheid er van op Batenburg. Om de stemming der inwoners, onder dit alles, te doen kennen, strekke de mededeeling van een paar artikels uit de Surinaamsche couranten van dien tijd. In die van Woensdag 2 Mei 1804, uitgegeven bij L. E. A. Heiman, leest men het volgende artikel:
»Paramaribo 2 Mei 1804.
Was er ooit een tijdstip, sedert het oprijzen van dit wingewest, uit de moerrassen van Amerika, dat den geest van de daarin belanghebbende gaande maakte, zoo is het gewis het tegenwoordige. Nog weten wij niet of de nationale heldhaftigheidder Bataven, dan of wel de stoutmoedigheid der strijders vanAlbiondit plekje lands, door den onmeetbaren oceaan van het moederland afgescheiden, behouden of vermeesteren zal; in beide gevallen, doch van welke evenwel maarEenzal plaats hebben, zal de gemaatigde, bescheiden, en zich naar de omstandigheden des tijds verstandig voegende conduite aller welgezinde colonisten, oneindig veel bijdragen tot hetcoloniaal welzijn.”
Dit artikel vloeit zeker niet over van vaderlandslievende gevoelens, het wekt niet tot moed en volharding op, maar tot een zich verstandig voegen naar de omstandigheden des tijds.
In diezelfde Courant van den 3denMei 1804 vindt men een, dat den zelfden geest ademt:
»Onder het afdrukken dezes begint het politieke raadsel, waarover men zich omtrent 10 dagen de hoofden gebroken heeft, zijne oplossing allengs te naderen.
De inhoud der Proclamatie, op heden alhier op de gebruikelijke wijze gepubliceerd, laat ons niet toe langer aan ’t lot dezer Colonie te twijfelen.—Het middelpunt der verdediging aan den overwinnaar afgestaan zijnde, vervalt alle verdere tegenkanting van zelve en ieder vriend der menschheid alhier en zijner mede-colonisten zal het bestier der Voorzienigheid zegenen, dat geen burgerbloed vergooten is, noch dat andere rampen, welke beleegeringen gewoonlijk vergezellen, over onze schedels losgebarsten zijn.”
De burgerwacht of schutterij, ofschoon door Berranger, kort na zijne komst, eenigermate georganiseerd, had geen aandeel aan den strijd genomen, maar was te Paramaribo gebleven om aldaar de rust te bewaren en had alzoo weinig gevaar geloopen van bloed te verliezen.
De blanke bevolking van Suriname was ook niet zoo bepaald anti-Engelsch gezind, als sommigepublicatiënenproclamatiënvan dien tijd zouden doen gelooven. Er bestonden hiervoor gegronde redenen. Het algemeen belang en voornamelijk dat van de geldschieters in Holland had veel geleden tijdens den duur van het zoogenaamd protectoraat van den Koning van Engeland (Augustus 1799 tot November 1802),doch verscheidene planters hadden groote voordeelen genoten, daar aanzienlijke Britsche kapitalen, in de kolonie geplaatst, hen in staat hadden gesteld, om hunne producten te vermenigvuldigen2, en—hetgeen men hierbij ook niet over het hoofd moet zien—zij waren, gedurende dien tijd, bevrijd geweest om aan hunne verpligtingen jegens de Hollandsche geldschieters te voldoen. De hoop op dergelijke voordeelenlachtesommige kolonisten nu op nieuw toe en deed hen daardoor de verovering der kolonie door de Engelschen niet als eene zoo groote ramp beschouwen.
De met de Engelsche aangegane capitulatie was, de omstandigheden in aanmerking genomen, niet onvoordeelig te noemen. Bij de opeisching der kolonie door de Engelsche bevelhebbers, werden o. a. de volgende voorwaarden aangeboden: de ingezetenen zouden volle zekerheid voor hunne personen en vrije uitoefening van godsdienst genieten; het behoud hunner bijzondere eigendommen, van welken aard die ook zijn mogten, werd hun gewaarborgd; de wetten der kolonie zouden van kracht blijven en de vertegenwoordiger der Britsche troon zou slechts zulke verordeningen mogen maken, als tot tijdelijke voorziening in de verdediging der kolonie noodig werden geoordeeld en die maatregelen nemen, welke den koophandel met Engeland regelden; de verschillende civiele autoriteiten, uitgenomen den Gouverneur, konden, mits den eed aan Z. B. M. doende, hunne betrekkingen blijven waarnemen3.
Daar men deze voorwaarden niet had aangenomen en de Engelsche bevelhebbers, zich bij de weigering hadden verklaard, hieraan dan ook niet langer gebonden te zijn; en terwijl men nu tegenstand had geboden, vreesde Berranger, dat de capitulatie, door Batenburg aangegaan, wel eervol en voordeelig voor de militairen zou zijn, maar minder in het belang der inwoners. Die vrees bleek echter ongegrond te zijn. Batenburg had bij zijne capitulatie voorgesteld: »dat alle articulen, welke ten voordeele der ingezetenen bij de sommatie waren voorgeslagen, in haar geheel zouden worden nagekomen”, waarop de Engelsche bevelhebbers antwoordden: »Zijne Britsche Majesteit heeft ons stricte orders gegeeven de gunst voor de Colonie Suriname zoo veel moogelijk is te verleenen, en waarborgen u dat zulks zal worden geobserveerd zo als is aangeboden”4.
Voornamelijk echter waren de voorwaarden der capitulatie gunstig voor het garnizoen: aan hetzelve was toegestaan met krijgseer uit te trekken, de officieren zouden hunne degens behouden. Aan de vrouwen en kinderen en verdere personen aan het garnizoen verbonden, werden dezelfde voorregten als aan de militairen verleend; allen zouden, zoodra er eene bekwame scheepsgelegenheid was, naar eene der havens van de Bataafsche republiek worden vervoerd en hun werd veroorloofd in de krijgsdienst te blijven, mits niet te strijden tegen Z. B. M. of deszelfs geallieerden; geen anderen, dan die dit vrijwillig begeerden, zouden in dienst van Z. B. M. worden geëngageerd. Betrekkelijk het corps, bekend onder den naam vanwitteenzwartejagers, meer bepaald in dienst van de kolonie staande, zou met hetColoniaal Gouvernementbehoorlijk schikkingen worden getroffen.
De Engelschen waren alzoo weder, volgens het regt van den oorlog, meesters van Suriname. De overgave der forten, magazijnen, ammunitie, enz. had achtereenvolgens plaats, terwijl het garnizoen met krijgseer uittrok en de officieren met beleefdheid door de Engelschen werden behandeld: alleen de Commissaris-Generaal ad interim Berranger werd als krijgsgevangene beschouwd.
Den 6denMei 1804, des namiddags ten één uur, werd op het fort Zeelandia de Engelsche vlag geheschen, en kort daarna kwam de Generaal-Majoor Sir Charles Green van het fort Nieuw Amsterdam met zijn gevolg te Paramaribo. De oud-Gouverneur Friderici en de Bataafsche Commissaris-Generaal maakten dienzelfden dag nog, de hoogeCollegiënden volgenden, hunne opwachting bij genoemden bevelhebber5.
Den 7denMei werd door Sir Ch. Green en S. Hood eene proclamatie uitgevaardigd, waarvan de officieele vertaling luidt:
»Alzoo de volkplanting van Surinamen en onderhoorige districten, door de wapenen van zijn Groot-Brittannische Majesteit is veroverd en dus geworden een wingewest van het vereenigd Rijk van Groot-Brittagne en Ierland, zo hebben wijnodig gedagt door deze tegenwoordige alle goede ingezetenen deezer plaatze te vermaanen zich rustiglijk en vreedsaam te gedragen en zodanig als betaamd aan getrouwe onderdaanen van Hooggemelde Zijne Majesteit, geevende wij hunlieden de volkomenste verzekering, dat derzelver goederen en bezittingen in alle opzichten veilig zijn en beschermd zullen worden, waartoe de strictste ordres aan de troupen gegeven zijn, en dat ons het welweezen der ingezetenen, als Zijner Majesteits onderdanen, door Hoogstdezelve is aanbevoolen. Strekkende het mede een ieder tot narigt, dat het Civiele Gouvernement dezer volkplanting en onderhoorige districten, door den Generaal Major Sir Charles Green zal worden waargenomen tot dat deswegens Zijner Majesteits nadere beschikkingen zullen bekent zijn”6.
Bij publicatie van 8 Mei 1804 maakte Sir Ch. Green bekend, dat hij het bestuur der kolonie, als wettig vertegenwoordiger Z. B. M., had aanvaard en gelastte, dat de wettig geconstitueerde magten, te weten: het Hof van Policie en Criminele Justitie, het Collegie van kleine, vacerende over groote zaken, de Curateele kamer, de Commissarissen van Gemeene weide, de Joodsche Weeskamers en alle andere personen, die eenig publiek ambt of betrekking bekleeden, met de uitoefening van derzelver respectieve pligten blijven voortgaan;—wordende degenen, die onder de zoo even bedoelden begrepen zijn, gelast, op den 9denMei, des voormiddags ten 9 uur, zich te vervoegen ten Gouvernementshuize, ten einde den eed van getrouwheid aan Z. B. M. af te leggen7.
Den 9denMei presideerde Green voor het eerst in het Hof van Policie en werd de eed van getrouwheid aan Z. B. M. door de Raden van Policie en vervolgens door de andereCollegiënin zijne handen afgelegd8; waarna alles verder geregeld werd om een en ander in verband te brengen met den toestand der kolonie, als nu zijndeeene Engelsche bezitting.
De Gouverneur gaf den 19denMei, bij Proclamatie bevel, dat de eed van getrouwheid aan Z. M. moest worden gedaan, door de stadbewoners, binnen den tijd van 14 dagen, te rekenen van den 28stenMei en door de plantaadje-bewoners binnen vier weken. De Gouverneur zegt, in bedoelde proclamatie, te verwachten, »dat niemand oorzaak zal geven, om zoodanige middelen van gestrengheid te moeten gebruiken, als derzelven ongehoorzaamheid aan dezelve anderzints zoude moeten noodzakelijk maken9.
De Britsche autoriteiten gingen,—dit moet erkend worden, met gematigdheid te werk en trachtten de inwoners van Suriname door toegefelijkheid te winnen—echter toonden zij Heeren en Meesters te zijn en dulden niet, dat men zich op eenigerlei wijze tegen hun gezag verzette, of dat men aan personen, die de Engelsche belangen, zelfs meer dan betamelijk voorstonden, daarover verwijtingen deed. Dit ondervond o. a. de Secretaris der Koloniedu Moulin, een man die doorBerrangerals uiterst bekwaam en als een warm patriot wordt geprezen.Du Moulinwas in twist geraakt met zekerenvan der Hoop, die de Engelschen tot gids had verstrekt en hij voegde den verrader scherpe verwijtingen toe, die zich daarover bij den Engelschen Gouverneur beklaagde en het gevolg hiervan was, datdu Moulinuit de Kolonie werd verbannen10. Het staatsbewind der Bataafsche republiek had in Februarij 1804 van goederhand berigt ontvangen, dat zekereF. S. C. P. van der Hoopdoor het Engelsch Gouvernement zou zijn belast geworden met de commissie, om zich overBarbadosnaarSurinamete begeven, ten einde aldaar, met den Gouverneur dier Kolonie en met den Commandant der troepen, betrekkingen aan te knoopen en hem te trachten te bewegen gemelde Kolonie aan het Britsch Gouvernement over te geven.—Waarop besloten werd den Kapitein ter zee W. O.Bloisvan Treslong, Commanderende ’s lands Eskader in de W. I.,aan te schrijven hieraan geen gehoor te geven, maar, in overleg met den Gouverneur of het Gouvernement, de Kolonie op de best mogelijke en rigoureuste wijze te verdedigen. Dit schrijven werd echter niet doorBloisvan Treslong ontvangen, maar viel den Engelschen in handen, en berust thans op Her Majesty’s statepapers office11.
Berranger toonde mede zich niet genegen om zich naar de wenschen van de Britsche autoriteiten te voegen. Batenburg had hem verzocht om wissels op het bewind der Bataafsche republiek te trekken, ter goedmaking der verschenen doch nog niet betaalde soldijen; terwijl hij daarenboven, bij een additioneel artikel der capitulatie, met de Engelsche bevelhebbers was overeengekomen: dat de Bataafsche troepen, tot op het oogenblik van hun vertrek uit de Kolonie, de gewone soldij zouden blijven ontvangen. Berranger weigerde aan dit verzoek te voldoen en gaf, bij zijne Missive aan den Raad der AmerikaanscheColoniënvan 30 Julij 1804, als reden dezer weigering, op, dat:
1ohij reeds, op den 13denMei1804, als krijgsgevangen was beschouwd en dus in alles had gedefungeerd;
2ogedacht had om, zonder buitengewone omstandigheden, die betalingen uit de gewone kassen te kunnen doen, zonder traites op het committé;
3oontwaarde, dat hetgrootstegedeelte der soldaten dienst bij de Engelschen nam, en hij dus geene roeping gevoelde om overloopers te soldieeren, en eindelijk;
4ozeer wel meende in te zien, dat die traites, zonder dat zulks bij dezelve wierd uitgedrukt, tot eene gratificatie voor de officieren zouden verstrekken en »die heeren gewisselijk geen aanspraak op eenige gunst hadden.”
Batenburg gaf daarop zelf wissels uit, die echter niet gemakkelijk endosseurs vonden, en Berranger,—»om met niets te doen te hebben, of zelfs niets te schijnen zulks te zoeken” vroeg en verkreeg verlof om zich, op zijn eerewoord,naar zijne plantaadje te begeven, tot dat nader omtrent hem zou worden beslist.12
Er namen, gelijk wij hier boven zagen, vele soldaten dienst bij de Engelschen; sommigen daarentegen bleven hun vaandel getrouw; anderen zwierven in de Kolonie om en, daar zij zonder vast middel van bestaan waren, leefden zij ten koste van de burgers. Tegen deze vagabondage werd door den Gouverneur Green eene proclamatie uitgevaardigd, waarbij bedoelde personen werden gelast zich, binnen 14 dagen, naar het Hoofdkwartier te begeven, op poene van, bij nalatigheid hiervan, als vagebonden aangemerkt, als zoodanig opgevat en behandeld te worden. De ingezetenen werden vermaand om geen dier personen te huisvesten of te verbergen, als zullende tegen de Contraventeurs volgens de gestrengheid der wetten worden gehandeld13.
De oud-Gouverneur Friderici, die door het Bataafsch bewind uit zijnen post was ontslagen, voedde hoop om nu weder aan het bestuur te komen. Hij wendde zich daartoe per missive aan den Britschen Secretaris van staat voor het departement van Koloniën LordHobart, en bood dezen zijne diensten aan. Lord Hobart dankte hem, bij vriendelijk schrijven, voor zijne aan de Engelschen betoonde welwillendheid, doch wees zijn verzoek beleefdelijk af, als reden opgevende dat aan Green was beloofd, bij welslagen, met het bestuur te worden belast14.
Daar Suriname nu eene Britsche bezitting was geworden, moest de handel van de Kolonie met Groot Brittanje worden geregeld. Bij Proclamatie van 29 Mei 1804 werd »aan alle Britsche onderdanen de handel naar en van deze Kolonie veroorloofd, met in achtneming van alle rechten, schikkingen, voorwaarden, bepalingen, poenaliteiten enverbeurdverklaringen,als op den handel naar en van Z. B. M.Coloniën,Plantagiënen eilanden, ergens in deWest-Indiëgelegen, zijn vastgesteld, of voortaan bij wetten nog zullen worden vastgesteld”15.
Wij hebben meermalen doen opmerken van welk een groot belang de handel van Suriname met Noord-Amerika was. Amerikaansche schepen toch bragten steeds die goederen aan, welke onontbeerlijk voor de plantaadjes waren; terwijl hunne retourvracht uit Melassie en Dram, beide in Europa niet zeer gewild, bestond. Door de planters was dikwijls bij deSociëteitvan Suriname aangedrongen, om hun te vergunnen ook andere producten als: suiker, koffij en katoen, te verkoopen, doch zij hadden hierop immer een weigerend antwoord bekomen. DeSociëteitwilde dit verzoek niet toestaan, omdat zij meende hierdoor het groote voordeel der consignatie aan hare kantoren, te verliezen, en vermeende dat, zoo dit zelfs onder velerestrictiënwerd toegegeven, de planters hiervan misbruik zouden maken. Toen door definantiëlemoeijelijkheden, waarin de Kolonie achtereenvolgens geraakte, vele plantaadjes in handen van Hollandsche geldschieters overgingen, werd door dezen ook uitdrukkelijk bepaald, dat de consignatie der uitgevoerde producten voortaan aan hen moest geschieden.
Gedurende het Engelsch protectoraat had deze handel of liever het misbruik dat, volgens begrip der Engelschen, hiervan door de Colonisten werd gemaakt, aanleiding tot eenige verwikkelingen gegeven (zie bladz.491). De planters drongen nu sterk bij den Britschen Gouverneur aan, om den in- en uitvoerin Amerikaansche schepen geheel of ten minste gedeeltelijk toe te laten. Aan dit verzoek werd door Green gehoor verleend:
»Provisioneel voor den tijd vanvier maandenwordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand recht van 8 pCt.”16
»Provisioneel voor den tijd vanvier maandenwordt de invoer gepermitteerd in Amerikaansche of andere neutrale bodems, toekomende aan onderdanen van mogendheden in vriendschap met Z. G. B. M. levende, van: pik, teer, terpentijn, hennip, vlas, masten, raas, boegsprieten, duiken, kuipen, deksels, timmerhout, singels en alle andere soorten van houtwaren, paarden, hoornvee, schapen, varkens, gevogelte en pluimvee van allerlei soort, brood, beschuit, blom, erwten, boonen, aardappelen, tarwe, rijst, haver, garst en allerlei granen, gezouten vleesch, spek, boter, ingelegen en drooge zoutevisch van het grondgebied van Amerika of van zoodanige mogendheden hierboven gemeld, mits betalende op den invoer 4 pCt., zoowel van de goederen hiervoren vermeld, als van dezulken waarvan men hierna den invoer mogt goedvinden toe te staan.
Wordende aan de hierboven bedoelde schepen den uitvoer gepermitteerd van suiker, rum en melassie, (mits niet te boven gaande de waarde van het beloop hunner ingebrachte lading) tegen betaling van een uitgaand recht van 8 pCt.”16
Deze voor de kolonisten gunstige bepaling werd wel den 26stenSeptember voor drie en den 7denDecember 1804 voor vier maanden verlengd, doch met eenigerestrictiën: de uitvoer werd nu tot rum en melassie beperkt en bij eene latere bepaling van 24 April 1805 strekte die beperking zich ook tot den invoer uit17.
De schippers en supercargas der neutrale schepen veroorloofden zich echter weldra eene eigenmagtige uitbreiding der hun toegekende voorregten, daar zij hunne ladingen niet onmiddellijk en in het groot aan de gevestigde kooplieden verkochten, doch dezelve in pakhuizen opsloegen en zoo stuksgewijze van de hand zetteden. Deze handeling benadeelde èn de gevestigde kooplieden èn de koloniale kas.
Dit misbruik moest worden tegengegaan. Green vaardigde dientengevolge de volgende proclamatie uit:
»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4 pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren heimelijk in ’t klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend gulden.”18
»Schippers en supercargas worden gelast, hij hun arrivement in de kolonie, aan het kantoor tegen de wegloopers eene verklaring af te leggen, of zij hunne lading in een pakhuis wenschen op te slaan en vandaar te verkoopen, in welk geval zij moeten betalen (boven de 4 pCt. inkomende rechten) 10 pCt. voor pakhuisrecht, of het recht om pakhuis te mogen houden. Zij die daartegen handelen en hunne waren heimelijk in ’t klein verkoopen, verbeuren eene boete van drie duizend gulden.”18
Nam in dien tijd Frankrijks magt en aanzien op het vaste land toe; Engeland daarentegen behield en vermeerderde zijne overmagt op zee, zoodat de bescherming der Britsche vlag door de koopvaarders zeer gewenscht werd. De handelsvloten, die uit Suriname naar Europa gingen, genoten thans die veelvermogende bescherming. Te Barbados was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche krijgs- en zeemagt voor de West-Indië gevestigd. De Gouverneurs der andere koloniën, zooals: Suriname, Demerary, Berbice, moesten zich tot de te Barbados gestationneerde bevelhebbers wenden: om onderstand in troepen of ter verkrijging van convooi voor de uitzeilende schepen. Zoo dit eenigzins mogelijk was werd hieraan voldaan, gelijk uit brieven en kennisgevingen als de volgende van Commodore Hood aan Green blijkt:
»Blenheim, Barbados den 20stenJulij 1804.Sir!Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3denOctober aanstaande, eenoorlogsschipop de hoogte van Suriname zijn zal, om de naEuropagedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen.”18
»Blenheim, Barbados den 20stenJulij 1804.
Sir!
Verzoeke Uwe Excellentie de goedheid te willen hebben aan diegenen, die onder uw gouvernement behooren, kennis te geven, dat, op den 3denOctober aanstaande, eenoorlogsschipop de hoogte van Suriname zijn zal, om de naEuropagedestineerde koopvaardijschepen onder bescherming te neemen ten einde zich met het generale convooi op de bestemde verzamelplaats te vereenigen.”18
In October 1804 verliet eene vrij aanzienlijke koopvaardijvloot, met koloniale producten beladen, Suriname, en zette koers naar Europa; den 27stenJanuarij 1805 zeilde op nieuw eene vloot, nu uit 32 schepen bestaande, uit, onder geleide van Z. B. M. oorlogsvaartuigImogene, direct bestemd naar Engeland19.
Wel is waar, Engeland behield zijne overmagt op zee, doch zij werd hem door Frankrijk sterk betwist. Verscheidene Fransche kapers maakten de W. I. zee onveilig en nu en dan vertoonde zich een Fransch eskader in die wateren. De correspondentie werd hierdoor zeer belemmerd en de handel bemoeijelijkt. Zoo was o. a. in het begin van 1805 wederom eene handelsvloot gereed om den steven naar Engeland te wenden; men wachtte slechts op een voldoend convooi. Op de aanvraag daartoe, ontving Green een schrijven van den Commodore Hood, waarbij berigt werd, dat met het uitzeilen der schepen moest worden gewacht, totdat er eene superieure Britsche magt aanwezig was en de vijand deze zeeën had verlaten. Hij beloofde echter veertien dagen te voren kennis te geven, wanneer er een convooi gereed was, ten einde men behoorlijk de goederen zou kunnen laden20.
Het nabijgelegen Cayenne kon als station of vereenigingspunt beschouwd worden voor de meeste expeditiën, die uit Europa tegen de Britsche bezittingen in de West-Indië werden afgezonden. Green drong daarom sterk bij de Britsche regering aan, om pogingen aan te wenden, ten einde Cayenne te veroveren; volgens door hem ingewonnen berigten zoude die verovering eene gemakkelijke taak zijn, daar het garnizoen slechts uit drie à vier honderd slecht gekleedde en gewapende blanke soldaten, benevens zes honderd gewapende negers bestond21.
Was den inwoners van Suriname gunst bewezen door de verleendeconcessiënomtrent het handelsverkeer met Amerikaanscheschepen; was de hoop op voordeel, door een regelmatigen afzet der koloniale producten aan Engelsche kooplieden, bij den planter verlevendigd; was men redelijk wel tevreden over de gematigdheid waarmede Engeland de veroverde kolonie behandelde;—dit alles nam niet weg, dat men toch nu en dan gevoelde, onder de magt eens vreemden te zijn gebragt. Het moest den Surinamer, wien Nederland als het dierbare moederland lief was, ongetwijfeld pijnlijk hebben aangedaan, toen vaderlandsche schepen, voor goeden prijs verklaard, verkocht werden en de opbrengst der koopsom onder de Britsche militairen en matrozen,nemers der kolonie, werd verdeeld. Doch hoe pijnlijk dit ook voor het nationaal gevoel mogt geweest zijn, het was volgens het regt des oorlogs. Dit regt geeft den veroveraar aanspraak op eene regelmatige verdeeling van den op den vijand behaalden buit, en het kon alzoo niemand in Suriname ergeren, dat ook dien overeenkomstig werd gehandeld. In de Surinaamsche courant van 5 October 1804, las men daaromtrent de volgende advertentie:
»Bij deze wordt kennis gegeven aan HH. Exc. den Generaal Majoor sir Charles Green en den Commodore Sam. Wood, aan de officieren, soldaten, zeelieden en zeesoldaten van de armee en de marine, »NEEMERS DEZER KOLONIE,” dat de geverifieerde verkooplijsten van de goederen en schepen, die als prijzen gecondemneerd en op publieke vendue, bij den geaccrediteerden vendumeester verkocht zijn, ter visie liggen ten huize van den heerBarryteParamariboen van den heerBentteBarbados, en dat alle bewijzen en de daartoe specteerende papieren zullen voorgelegd en aan hun nader onderzoek onderworpen worden. De verkooplijsten der carga’s van de schepenPelicaanenHenriette Johannaliggen insgelijks ter visie; ofschoon nog niet bepaaldelijk door het Admiraliteitshof te Barbados gecondemneerd. De waarde van het fregatProserpinaen de oorlogssloepPylades, het grof geschut met deszelfs toebehooren wordt in Engeland bepaald.
Deplantagiën, negers, enz. aan het Bataafsche Gouvernement en de kolonie toebehoorende, zijn aan de agenten niet overgegeven.De gelden, die de verkoop van de gecondemneerde eigendommen opgebragt heeft, zullen dadelijk, nadat ’s konings orders ten opzigte der evenredige verdeeling ontvangen zijn, uitgedeeld worden, waarvan behoorlijke kennis zal gegeven worden.
get. J. Bent,Agent voor de armee,Th. Barry,
Waarnemende voor den WelEdele heer James Maxwell, Agent voor de marine.”22.
In de courant van 22 October1804treft men weder eene dergelijke advertentie aan, nu omtrent den verkoop op den 26stendier maand van: de snelzeilende schoenerGeorge, met koperen bodem, zijnde een prijs derNEEMERSvan de kolonie23.
Green wenschte den toestand der kolonie, zoo veel mogelijk, goed te leeren kennen; hij wilde weten hoe of de zaken stonden; doch de vervulling van dezen wenschbleekverre van gemakkelijk te zijn. Als vreemdeling, onbekend met de taal des lands, kostte het hem moeite zich de noodige inlichtingen te verschaffen.
Wat hij zelf doen kon, namelijk: door eigen aanschouwing, de verdedigingsmiddelen der kolonie inspecteren, bewerkstelligde hij al zeer spoedig. Volgens zijne brieven aan lord Camden, destijds secretaris van staat voor het departement vankoloniën, leidde dit onderzoek tot de overtuiging: dat er steeds eene sterke militaire magt aanwezig behoorde te zijn; want dat men, bij een aanval van buiten, niet veel op de hulp der inwoners zou kunnen rekenen. Dezen toch zouden hunne bezittingen niet gaarne in de waagschaal willen stellen, daarbij was het getal der blanke bevolking niet groot en die weinigen nog over het geheele land verspreid, terwijl meer dan ⅔ der blanke bevolking in Paramaribo uit Joden bestonden, »en dezen”, schrijft Green: »zijn niet geschikt voor krijgshaftige ondernemingen(for warlike operations).” Eene gebonden inspectie over de militie (men zou thans zeggen: schutterij), die uit blanke en vrije kleurlingen was zamengesteld, had Green er ook geen hoogen dunk van gegeven. Hij bevond ze slecht gewapend en geheel zonder krijgstucht (miserably armed and totally without discipline); tevens vermeende Green, dat de blanke inwoners, bij een aanval van buiten, genoeg de handen vol zouden hebben, met hunne slaven in toom te houden24.
Wat de kennis van den finantieelen toestand en van landbouw en handel, enz. betrof, klaagde Green er over, dat de Engelschen, tijdens hetProtectoraatover de kolonie, zoo geheel onbekend met den algemeenen staat van zakenwarengebleven. Hij beschouwde als de voornaamste oorzaak daarvan, het aanblijven van Friderici als Gouverneur. Friderici had getracht alles, zoo veel mogelijk, bij het oude te laten; hij had hierbij steeds het doelvoor oogengehouden, »om de Colonie voor den Prins van Oranje te bewaren,”gelijk hij zelf later verklaard heeft25. Daarbij ook had Friderici, onbekend met de Engelsche wetten, belasting blijven heffen op de inkomende en uitgaande goederen, zoowel van Engelsche als van neutrale schepen; terwijl eerstgenoemde hiervan vrij gesteld hadden moeten worden. Niettegenstaande deze en nog andere buitengewone ontvangsten, ten behoeve der souvereinskas, hadden de uitgaven de inkomsten overtroffen. Bij het vertrek der Engelschen uit Suriname (1802), leverde Friderici eene memorie aan het hof van policie in, waaruit bleek, dat de uitgaven uit de souvereinskas, ten gevolge van aanvragen, die hij, in de toenmalige omstandigheden moeijelijk kon weigeren, zoo vele waren geweest, dat hij genoodzaakt was geworden gelden uit de koloniale kas te nemen.
Tijdens het protectoraat was geen geregelde verantwoording aan de Britsche autoriteiten gedaan. Wel waren door den secretaris van staat Dundas van tijd tot tijd eenige vragendaaromtrent aan Friderici gedaan, doch hij had dezen zeer en vague beantwoord; terwijl bij het spoedig daarop gevolgd vertrek der Engelschen, deze zaak was blijven rusten. Green echter wenschte behoorlijk verantwoording te doen van iedere farthing (de kleinste Engelsche munt, ongeveer 1½ cent Holl.), die in de souvereinskas kwam of uit dezelve werd betaald, en dit van het tijdstip van de overgave der kolonie aan de Engelschen26.
Om kennis van denfinantiëlentoestand, enz. te bekomen, vervoegde Green zich tot den Raad-Boekhouder-Generaal, Heshuijsen, die daarop, in verscheidene belangrijke memorien, in de Fransche taal, een vrij goed overzigt gaf van den finantieelen toestand, en daarbij de geschiedenis van de achtereenvolgens ingevoerde belastingen, van den oorsprong van het kaarten gelden derobligatiënmededeelde. Evenzeer waren de memorien van Heshuijzen over den landbouw en handel, over de Indianen, den strijd met de wegloopers, den toenmaligen toestand derbevredigdeBoschnegers en van die Boschnegers, die nog in vijandschap met het Gouvernement leefden, hoogstbelangrijk. De voornaamste bijzonderheden, die daarin worden vermeld, hebben wij reeds in den loop der geschiedenis behandeld. Wij zullen dus thans slechts datgene overnemen, waardoor men beter in staat kan worden gesteld, om den toestand, waarin de Britten Suriname vonden, te leeren kennen, en een onpartijdig oordeel over hun bestuur uit te brengen.
Het beheer over definantiënwas tweederlei. Een gedeelte stond onder onmiddellijk toezigt van den Gouverneur, een ander onder dat van den Gouverneur en het Hof van Policie of onder dat van het Hof alleen.
De fondsen, waarvan den Gouverneur het beheer was opgedragen, maakten te zamengevoegd de zoogenaamdesociëteitskasuit. Na de omwenteling in 1795, toen desociëteitwerd vernietigd, moest hiervan verantwoording worden gedaan aan den Raad derColoniën, het committé en hoe die verderecollegiënlater genoemd werden, en kwam het overschot ten voordeele van den staat. Onder het protectoraat verviel ditaan de Britsche kroon; bij den vrede van Amiens, toen de kolonie aan de Bataafsche republiek werd overgegeven, ten voordeele dier republiek, en nu Suriname eene Engelsche bezitting was, aan Z. G. B. Majesteit: de kas werd nu even als tijdens het protectoraat genoemd souvereins-kas (sovereyns-chest) of ’s konings-kas.
De inkomsten dezer kas bestondenthansuit de hoofdgelden, vendue-geregtigheden, grondbelasting en recognitie-gelden27.
De eerstgenoemde inkomsten: In- en uitgaande regten, vervielen, voor zoover die anders in de souvereins-kas kwamen, als zijnde in strijd met de Britsche zeevaartwetten en de oprigting van het koninklijk tolhuis (custom house). Van de opbrengst der hoofdgelden, moesten slechts de bij dat bureau geëmploijeerde ambtenaren worden betaald, en van de opbrengst der vendue-geregtigheden moesten, behalve de ambtenaren aan dit kantoor werkzaam, daarenboven het onderhoud van het fort Amsterdam en de Redoutes, later ook het tractement van den Gouverneur worden betaald. Uit de inkomsten der grondbelasting en recognitie-gelden werd behalve aan de ambtenaren (twee secretarissen en de klerken van het bureau) een gedeelte van het salaris van den Raad-Boekhouder-Generaal en van zijne klerken uitbetaald. Het onderhoud der posthouders bij de Indianen, benevens de geschenken aan dezen telken jare uit te deelen, werden mede uit laatstgenoemde kas bekostigd28.
Het totaal bedrag der uit de souvereins-kas betaald wordende tractementen bedroeg, behalve het tractement van den Gouverneur, ruim ƒ 50,000.
Bij het opmaken dier kas op 1 November 1804 was er voorhanden eene som vanƒ 49,463.18doch er moest daarentegen nog worden betaald:tractementenƒ 15,000.—werklieden aan het fort Amsterdamƒ,,15,447.01rekeningen voor idemƒ,,13,687.15presenten aan de Indianenƒ,,10,000.—sommaƒ 54,138.16zoodat er een te kort was vanƒ 4,674.18.
En schijnen echter in dat jaar nog vele betalingen aangezuiverd te zijn geworden, daar de Souvereins-kas op 31 December 1804 sloot met een batig saldo van ƒ 162,347.11.7½29.
De Koloniale kassen bestonden uit: de Modique lasten en de kas tot verdediging tegen de wegloopers. De ontvangsten der eerstgenoemde: Modique lasten, waren van verschillenden aard, gelijk wij reeds vroeger hebben medegedeeld. Hieruit werd alles betaald, wat tot deburgerlijkeadministratie der Kolonie behoorde, als: de verschillende Civiele en regterlijke ambtenaars, de onkosten der Justitie en Policie, van kerk- en schooldienst; het onderhoud van bruggen en wegen, van ’s lands gebouwen en der hospitalen en inrigtingen ter verpleging der Melaatschen. De kassen der Gemeene weiden, der kerkgeregtigheden, der Militie van de blanken, van de vrije Mulatten en Negers en de kas van de Exploiteurs, werden wel afzonderlijk beheerd, doch men kan ze als onderafdelingen der Hoofdkas (Modique lasten) aanmerken, daar ieder overschot in de Hoofdkas werd gestort, die, aan den anderen kant, de, in die respective kassen ontstane,tekortenmoest aanvullen.
Aan de kas opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers waren, in den loopdes tijds, mede verschillende ontvangsten gekomen. Hare voornaamste uitgaven bestonden in: het onderhoud van het Cordon en van het corps Negerjagers.
Beide kassen bevonden zich in een erbarmelijken staat. Bij die der Modique lasten bedroeg het te kort ƒ 60,000.–; bij die ter verdediging tegen de wegloopers kwam jaarlijks ruim ƒ 100,000.– te kort.
Het stond te vreezen, dat dit nadeelig slot, bij beiden, zou toenemen, door vele en steeds klimmende uitgaven. Uit de kas der Modique lasten werdalleenaan tractementen ongeveer ƒ 200,000.– betaald, en deze reeds aanzienlijke som werd nog aanmerkelijk verhoogd door een besluit genomen door het Hof van Policie in zijne vergadering van 18 Junij 1804. Bij dat besluit toch werd Green uit erkentelijkheid voor de milde wijze, waarop hij jegens de veroverde Kolonie handelde, en overeenkomstig het gebruik in andere Britsche Koloniën bestaande, om de waardigheid van ’s Konings vertegenwoordiger op te houden—aangeboden: eene jaarlijksche toelage uit de Koloniale fondsen van ƒ 60,000.— en aan de officieren der Britsche krijgsmagt ƒ 30,000.—30;
Dit aanbod, door het Hof op kiesche en beleefde wijze aan Green gedaan, werd door hem met dankbaarheid aangenomen31.
Het tractement van den Gouverneur, die uit ’s Konings kas mede ƒ 60,000.– ontving, werd alzoo vrij beduidend, doch de uitgaven van de Koloniale kas: Modique lasten, (men hield deze jaarlijksche gratificatie ook bij de volgende Gouverneurs vol) tevens beduidend vermeerderd. Die van de kas tegen de wegloopers klommen mede aanzienlijk, daar het corps Negerjagers, op order van Green, nieuwe montering en verhooging van soldij ontving32.
Eene der eerste zorgen van het Hof van Policie moest dus zijn, om de inkomsten der koloniale kassen te vermeerderen. Dat dit noodzakelijk was, werd door alle leden gereedelijk toegestemd, doch over de wijze hoe dit te bewerkstelligen, was men het niet zoo spoedig eens. Na een door definantiëlecommissie uitgebragt rapport en velediscussiënstelde het Hof eindelijk voor:
1o. de belasting op de manumissie der slaven, die slechts vijf à zes duizend gulden opbragt, te verhoogen; (die armen moesten dus weder het gelag betalen);
2o. dit zelfde te doen omtrent de zegelbelasting, die nu niet meer dan ƒ 20,000 bedroeg; en
3o. te trachten, zooveel mogelijk, op de uitgaven voor het cordon en voor het corps negerjagers te bezuinigen: men hoopte dat Green hierin te hulp zou komen, door, uit de magazijnen der Britsche krijgsmagt, goedkoop kleedingstukken en wapenen voor het corps jagers te verstrekken33.
Heteerstevoorstel: verhooging der manumissiebrieven, werd door den Gouverneur goedgekeurd en reeds den 11denJulij 1804 de publicatie daaromtrent uitgevaardigd:
»Uit aanmerking, dat, onder de middelen, die gevoegelijk kunnende dienen, tot de dringende ondersteuning derfinanciën, is voorgekomen: de verhooging der belasting op de manumissie van slaven, geconsidereerd de voordeeligen staatsverwisseling van zoodanige voorwerpen, de maatschappij aanspraak geeft op derzelver erkentenis, en, onaangezien de groote vermenigvuldiging dezer vrijlaatingen, Wij (de Gouverneur) in ervaring zijn gekomen hoe weinig deze tak der inkomsten opbrengt; invoegen de billijkheid (?), gegrond op de vermoedelijke gunstige omstandigheden der manumittenten, dit middel aan augmentatie onderhevig maakt, buiten en behalve dat het acres der gemanumitteerden sints eenigen tijd, zoo merkelijk is toegenomen, dat zulks tot een motief te meer in dezen is strekkende, gestatuëerd, dat van nu voortaan, voor elken slaaf »ter obtien van brieven van manumissie” ten behoeve van de cassa tegen de wegloopers, zal moeten worden betaald: van die van ’t mannelijk en vrouwelijk geslacht, boven de 14 jaren oud, de som van ƒ 500 en van kinderen, beneden de 14 jaren ƒ 25034.”
Ook de zegelbelasting werd meer productief gemaakt35;doch de voorgestelde bezuiniging zoowel voor het cordon als bij het corps negerjagers bleef achterwege; en—weldra ging men weder over tot de in Suriname gewone wijze, om de tekorten te dekken: het maken van papieren of kaartengeld.
Omtrent den oorsprong van papierengeld in de kolonie is de Memorie van Heshuijsen zeer belangrijk.
In de eerste tijden der kolonie was de suiker, gerekend tegen een stuiver het pond, wettig betaalmiddel; later werd wel eenig gemunt geld door desociëteitingevoerd, doch dit verdween spoedig uit de kolonie zoodat weldra schaarste van geld ontstond. De andere betaalmiddelen waren wisselbrieven, betaalbaar 6 weken op zigt, door planters op hunne correspondenten in Holland getrokken. Deze wissels, in blancogeëndosseerd, liepen soms jaren vóór zij naar Holland werden opgezonden. De planters, die niet als solied bekend waren, konden moeijelijk wissels afgeven, daar ze niet werden aangenomen; maar ook, indien de Plantaadje van de een of anderen als solied bekende planter door de Marrons werd aangevallen en verwoest, zonden de houders de wissels onmiddellijk naar Holland, doch dan kwamen zij menigmaal met protest terug, hetgeen 25 pCt. per wissel kostte.
Onder Gouverneur Crommelin werd voorgesteld om een voor Suriname alleen gangbare munt, van tin, te maken. Door H. H. M. werd dit verzoek van de hand gewezen en als toen in 1761 besloten, om cartonnen of kaartengeld, met het kleine ’s landszegel voorzien, uit te geven, (zie bladz.265–64.)
De kolonisten ontvingen dit kaartengeld gaarne; men was in Suriname aan papierengeld gewend, en men verkoos het door het koloniaal Gouvernement gewaarborgde boven hetgeen door particulieren werd uitgegeven. Men had nu eenmaal den voet op een verkeerden weg gezet en ging daarop met rassche schreden voort. Te vergeefs waarschuwde desociëteit, H. H. M. enz., tegen die gedurige vermeerdering van een geldswaardig papier, waarvoor geen degelijke waarborg bestond. Wij hebben reeds dikwijls doen opmerken dat men voortaan in Suriname, bij elkefinantiëlemoeijelijkheid,eral zeer spoedig toe overging, om op die wijze in de tekorten voorzien; zoodat bij dekomst der Engelschen voor zes millioen gulden van dat kaartengeld, door Gouverneurs, met medewerking van het Hof van Policie, uitgegeven, in omloop was.
Behalve dit was nog door Friderici voor ƒ 2,385,750 papieren geld in omloop gebragt, zonder de toestemming van het Hof van Policie (zie bladz.477). Heshuysen verdedigt in zijne memorie dit gedrag van Friderici op de volgende wijze:
De in 1795 in Holland plaats gehad hebbende revolutie vervulde sommige heethoofden met fantastique ideën van vrijheid en gelijkheid, die ieder op zijne eigene wijze uitlegde. Vooral hinderde het velen, dat de Gouverneur zoo veel meer magt dan een gewoon Raadslid had, en daarom beproefden eenige wargeesten die magt te verminderen en stelden zich daartoe aan het hoofd eener partij.
Nu had de Gouverneur vele groote uitgaven te doen: hij moest alles koopen, wat voor de magazijnen noodig was, en dit twee à driemaal duurder betalen, dan het in vredestijd in Holland kostte; terwijl in vredestijd alles door desociëteiten later door het Committé vancoloniënin Holland werd gekocht en betaald. Verder moest de Gouverneur voorzien in het onderhoud van het eskader, dat onder bevel van van Braak in de kolonie was gearriveerd: van Braak was wel van een crediet-brief, doch niet van geld voorzien. De ontvangst bij de onderscheidene kassen was niet genoegzaam ter voorziening in die buitengewone uitgaven; daarenboven was de handel met Holland verstoord. Er moest op de eene of andere wijze in dezen geldnood worden voorzien; doch daar de Gouverneur zich, op eigen gezag, geen middelen daartoe kon verschaffen, hoopte de reeds genoemde partij, die sterk in het hof van policie vertegenwoordigd werd, dat Friderici, door dien nood gedrongen, zich aan de voorwaarden zou moeten onderwerpen, die zij goed vond voor te schrijven. Maar de Gouverneur, na tot het laatste oogenblik te hebben gewacht, en geen ander middel ter uitredding ziende, daar de gewone middelen door depretentiënvan de Cabale impracticabel waren, vaardigde den 2denDecember 1796 een besluit uit, waarbij hij voor rekening van het committé vanColoniën, in omloopbragt ƒ 250,000 in kaarten enobligatiën, geteekend door den Boekhouder-Generaal. Dit trof de cabale als een donderslag en vooral was zij uit het veld geslagen, toen die daad van den Gouverneur niet slechts door het committé goedgekeurd, maar hem daarenboven vrijheid werd verleend, om dit, zoo het noodig mogt zijn, te herhalen. Zoo was de Gouverneur aan die laag der tegen hem vijandige partij ontsnapt. Alles was zoo zeer in het geheim geschied, dat de cabale geen gelegenheid had gehad, om het publiek tegen deze nieuwigheid op te zetten; zij moest het aanzien, dat het publiek evenveel vertrouwen in dat nieuwe papier stelde, als in hetgeen op last en met medewerking van het Hof was uitgegeven. Het werd echter slechts gebruikt ter betaling van de buitengewone uitgaven, en niet op hypotheek uitgegeven of tot andere einden gebezigd. De Gouverneur in het vervolg geld noodig hebbende, creëerde dan maar weder van dat papier (zie bladz.477), zoodat toen de kolonie onder Protectoraat der Engelschen kwam (1799) er hiervan in omloop was ƒ 2,385,75036.
Bevonden de Koloniale kassen zich in een droevigen toestand, de staat van landbouw en handel was mede niet zeer gunstig. Ofschoon Suriname nimmer een wezenlijke welvaart had genoten, was de Kolonie vooral sedert 1773 achteruitgegaan. Toen toch gingen de Franschen koffij bouwen en vervulden weldra de markten van Europa met dit product, waardoor de prijs der Surinaamsche koffij tot op de helft daalde,hetgeen een aanmerkelijk verschil te weeg bragt, daar de gemiddelde jaarlijksche uitvoer 12 millioen Amst. ponden bedroeg.
Langzamerhand verminderde de koffij-cultuur, doch vermeerderde die van de suiker.
Men kon rekenen, dat de Kolonie, in een gewoon jaar, 24 duizend vaten van 1000 pond ieder, voortbragt; daarbij leverden 4 vaten suiker een vat melassie van 100 gallons, dus 6000 vaten melassie, waarvan een gedeelte in de Kolonie gebruikt en het verdere naar Amerika, niet naar Holland, werd verzonden. De van de suiker verkregen Rum werd niet uitgevoerd; in Holland verkoos men liever den Arak uit Java, en op vreemde markten kon men niet tegen de Engelschen concurreeren, zoodat de Rum tot binnenlandsch gebruik bleef beperkt.
De Cacao-cultuur nam mede jaarlijks af en de uitvoer, die vroeger gemiddeld 350,000 pond bedroeg, verminderde gestadig.
De katoenteelt nam eenigzins toe en men kon den uitvoer op ongeveer 3,000,000—pond berekenen.
Kort na dat Suriname onder het Protectoraat van Engeland was gekomen (1799), hadden eenige Engelschen vergunning verzocht en erlangd, om gronden tusschen de rivieren Coppename en Corantijn in cultuur te brengen, waarop zij voornamelijk katoen en koffij verbouwden. Dat zoogenaamde Nickerie-district lag wel is waar ver van de oude Kolonie af, de Communicatie met Paramaribo was wel niet gemakkelijk, doch door de energie der daar gevestigde Kolonisten beloofde het van vrij groot belang te worden37.
Omtrent den handel deelt Heshuysen het volgende mede:
Jaarlijks, vóór den oorlog, kwamen ongeveer 35 Hollandsche schepen, van 200 tot 400 ton, met provisiën, voor de magazijnen en kooplieden, in Suriname aan, en vertrokken van daar, beladen met producten der Kolonie, naar het moederland.
Na de revolutie in 1795 kwamen er geene geregelde convooijen meer uit Holland, zoodat men genoodzaakt was devoor de Koloniën benoodigde artikelen duur van de vreemden te koopen.
Toen Suriname in 1799 onder Britsche bescherming werd gebragt, werden wel vele producten uitgevoerd, doch er was een zoo groote voorraad op de Engelsche markten, dat de helft der gewone prijzen niet kon worden bedongen. Ook sommige der uit Engeland aangebragte artikelen voldeden minder goed dan die, welke vroeger uit Holland kwamen. Vooral was dit het geval met het ijzerwerk van Duitsch fabrikaat, als: spijkers, nagels, enz., waarvan men, daar de gebouwen te Paramaribo van hout zijn, veel noodig had; de Engelsche spijkers waren of te hard, waardoor zij spoedig braken of te zacht en daardoor te buigzaam. Het te Inverness vervaardigde linnen, dat tot kleeding der negers moest dienen, beantwoordde ook zoo goed niet aan dat doel als het Osnabrugsch linnen. Dit Engelsch fabrikaat was van eene zoo slechte kwaliteit dat het niet tot het doel,om een geheel jaar te dragengeschikt was. Bij den vrede van 1802 begonnen landbouw en handel te herleven, doch door den spoedig daarop weder ontstanen oorlog werden de meeste, uit Suriname verzonden, schepen buit gemaakt. De assuradeurs wilden niet langer verzekeren, en de kooplieden leden groote schade.
Een andere voorname soort van handel, was de slavenhandel. Het verval hiervan was te verwachten. »De droombeelden van zoogenaamde philosophen”, zoo leest men in de Memorie van Heshuysen: »verklaren zich tegen dien handel, en beschouwen hem als strijdende tegen de natuur der menschen—en aan het toegeven aan die droombeelden dankt Frankrijk het verlies van St. Domingo38, en het verval van zijne anderekoloniën, en toch niet alleen die zoogenaamde philosophen maar zelfs sommige mogendheden stellen zich tegen dien handel. Frankrijk evenwel komt langzamerhand van zijne dwaze philantropie terug. De slaven-reglementen door Victor Hugues,den tegenwoordigen Gouverneur van Cayenne, uitgevaardigd, zijn zeer gestreng, en, na den vrede van Amiens, arriveerde te Suriname een schip onder Fransche vlag, met een lading slaven, welke hier verkocht werden.”
Aan het slot dezer beschouwing wordt de wensch tot instandhouding van dien voordeeligen (doch menschonteerenden) handel uitgedrukt.
Daarna wordt in genoemde memories de handel met Amerika en de belangrijkheid daarvan voor de kolonie beschreven en tevens betuigd, dat zonder dien handel er weldra gebrek aan verscheidene onmisbare artikelen zoude komen39.
Verder worden door Heshuysen aan den Britschen landvoogd inlichtingen gegeven omtrent den vorm van het bestuur en den aard der verschillende ambten, betrekkingen enz., die in de kolonie werden geëmploijeerd; eenige bijzonderheden betreffende de blanke bevolking medegedeeld en ten slotte de geschiedenis verhaald en den tegenwoordigen toestand van de Indianen en de Boschnegers, bevredigde en anderen,beschreven.
De vorm van het bestuur en den aard der verschillende koloniale ambten en betrekkingen zijn reeds uitvoerig in de geschiedenis behandeld. Hetgeen in die memorien over de blanke bevolking wordt gezegd, komt in de hoofdzaak met het door ons medegedeelde overeen. »Zeldzaam is het”, merkt Heshuysen aan: »dat een eigenaar op zijne plantaadje woont en zelfs de Burger-Officieren in de divisien moeten alzoo uit de Directeurs worden gekozen.”—»Men beschouwt Suriname in den vreemde als eene rijke kolonie, doch dit is onwaar en het zou moeijelijk zijn, om drie personen in de kolonie te vinden, die een fortuin van 50,000 p. st. bezitten, enz. enz.”
De voor de Engelschen vreemde verdeeling der Joden in Portugesche en Hoogduitsche, welke verdeeling en scheiding zoo naauwgezet in acht werd gehouden, werd door Heshuysen verklaard, als niet eerst in Suriname maar reeds in Holland te zijn ontstaan.
»De Joden die uit Spanje en Portugal naar Holland waren gevlugt, hadden voor het grootste gedeelte, eene beschaafde opvoeding genoten, en er waren vele rijken en aanzienlijken onder hen. Toen zij in Holland aankwamen vonden zij aldaar een aantal geloofsgenooten, die uit Duitschland, Polen en Rusland geweken, in Holland godsdienstvrijheid genoten en aan wie tevens eenige burgerlijke regten waren verleend. Deze geloofsgenooten echter waren grootendeels onbeschaafd, ruw en arm en met dezulken wilden de Portugesche Joden geen gemeenschap oefenen. Zij vormden daarom eene afzonderlijke gemeente; ieder had hare eigene synagoge en zoo ver ging die afscheiding, dat er bepaald werd, dat geen huwelijken onder elkander zouden mogen plaats hebben. Die laatste bepaling werd wel door de wet des lands niet geldig verklaard, doch men hield er zich evenwel naauwkeurig aan. Van beideIsraëlitischegemeenten vestigden zich leden in Suriname, maar ook daar werd die afscheiding streng gehandhaafd. De regtsmagt aan de Joden op hunne Savane toegestaan en aldaar door hen uitgeoefend, strekte zich slechts tot de Portugesche en niet mede tot de Duitsche Joden uit40.
De geschiedenis van den strijd met de wegloopers werd vervolgens uitvoerig medegedeeld—haar op te nemen zou slechts eene herhaling zijn. Het getal der Negers, die nog vijandig tegen het koloniaal Gouvernement waren, wordt opgegeven als:
Bonni-negers, 150 mannen, 100 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen, deze woonden bij of over de Marowyne; Goliath-negers 150 mannen, 160 vrouwen en 40 kinderen, deze woonden tusschen de rivieren Suriname en Saramacca; Coffij-negers, 12 mannen, 16 vrouwen en 14 kinderen, te zamen 42 personen, welke hun verblijf tusschen de Coppename en Cassawina hielden.
Bij dit getal van 842 nog steeds in vijandschap met de blanken levende Marrons, moest nog worden gerekend de bevolking van de hier en daar in de kolonie verspreidde wegloopers-kampen, en de nu en dan hunne meesters ontvlugte slaven.
De bevredigde boschnegers bestonden uit: Auca-negers, p. m. 600 mannen, 700 vrouwen en 1000 kinderen, tezamen 2300 personen; Saramacca-negers, 670 mannen, 630 vrouwen en 1200kinderen, te zamen 2450 personen; Boucou en Musinga-negers, 120 mannen, 130 vrouwen en 200 kinderen, te zamen 450 personen. Het geheele getal der met het Gouvernement in vriendschap levende, zoogenaamde bevredigde boschnegers, bedroeg alzoo 5200 personen.
De Indianen waren in drie stammen verdeeld:Caraïben, Arrowakken en Warauen. Hun aantal werd op vier à vijf duizendmannen,vrouwen en kinderen, begroot. Deze allen leefden in goede verstandhouding met het koloniaal bewind41.
Door eigen aanschouwing en door de hier aangehaalde belangrijke memories van Heshuyzen was Green in staat gesteld het Britsche bewind behoorlijk omtrent den toestand der veroverde kolonie in te lichten. Zijn Gouvernement erkende de door hem bewezen diensten en gaf, bij schrijven van lord Camden, 23 Februarij 1805, zijne goedkeuring over zijn gehouden gedrag te kennen. Ook bij de kolonisten was Green bemind: als een man van gematigde beginselen, had hij niet met ijzeren hand van het regt des overwinnaars gebruik gemaakt, maar eerbiedigde de koloniale wetten, en handelde, waar hij kon, in gemeen overleg met het Hof van Policie.
Dit blijkt o. a. uit het volgende. In Januarij 1805 kwam zekere mr. Henhuys in Suriname, voorzien van een brief van Edward Cooke, Esq., den tweeden secretaris van staat voor het Departement vankoloniën, waarin gemeld werd, dat genoemde persoon door lord Camden en delords commissioners of the Treasury, den Gouverneur werd aanbevolen voor de betrekking van Boekhouder-Generaal. Henhuys was in de kolonie bekend, zijnde vroeger klerk op het bureau van den Gouvernements-secretaris geweest, terwijl hij tevens het ambt van weesmeester had bekleed. Green wendde zich tot het Hof om nadere inlichtingen omtrent Henhuys, voor hij hem, volgens het verlangen van den Britschen Minister vankoloniën, als Boekhouder-Generaalaanstelde. Het Hof van Policie zeer vereerd met dat vertrouwen van den Gouverneur, voldeed aan het verzoek van Green en leverde weldra eene magt van papieren als bewijsstukken in, om aan te toonen dat Henhuys, in zijne kwaliteit als weesmeester, niet zoodanig had gehandeld, dat men hem nu voor den post van Boekhouder-Generaal kon aanbevelen. Green leende gehoor aan dezen raad en Henhuys, ofschoon door het Britsche Gouvernement aanbevolen, werd niet met het door hem begeerde ambt bekleed, maar dit definitief opgedragen aan denprovisioneelenBoekhouder-Generaal Heshuysen »een man grijs geworden in de dienst der kolonie, goed met definantiëleen andere aangelegenheden bekend, bekwaam in het Fransch en redelijk wel bedreven in het Engelsch”42.
De kolonie was rustig; tegen een onverhoedschen aanval der in de W. I. zee kruisende Fransche zeemagt waren behoorlijke voorzorgsmaatregelen genomen; de nieuwe vijand: Spanje, die mede Engeland den oorlog had verklaard werd niet zeer gevreesd43, zoodat Green vermeende grond te hebben, om te gelooven, dat de kolonie Suriname niet gemakkelijk uit de handen van het Britsch bestuur zou worden gerukt44.
De gezondheid van Green had door een langdurig verblijf in Tropische gewesten, veel geleden; tevens verlangde hij naar Oud-Engeland; om welke redenen hij verlof vroeg, om naar Engeland terug te mogen keeren45; dit verlof werd hem toegestaan en bepaald, dat de Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, tijdens zijne afwezigheid, het burgerlijk en militair bestuur zou waarnemen46.