Den 13denApril 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie, en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland, gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in wiens magt het had gestaan,”zoo luidde het antwoord: »om de kolonie het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken”47.Den 15denApril 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven van het aanstaande vertrek van den landvoogd48; en reeds twee dagen later, den 17denApril, verliet Green de kolonie.De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12denApril te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene vergadering van het hof van Policie op den 18dendierzelfde maand, waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van had ontvangen49; maar bovendien had de geregelde aanvoer derprovisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van7 December 1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter, rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch, traan, lijn- en raapolie,kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge prijzen te bekomen.En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet worden ontbeerd voor de slavenbevolking.De traanwas benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; deraap- en spermacetie-olievoor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd, de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep tot het wasschen van linnen, enz.Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om, behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805 vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland boven anderenatiënbevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het, van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt., hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren had omtrent den invoer vankaarsenen zeep, dieanders voornamelijk uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra inkomend regt belasten, »waaruit”, gelijk men ten slotte aanvoerde: »genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen”50.Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan, daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen; doch—zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen te voorzien—dan zoude hij daartoe toestemming verleenen51.Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter, Visch, Kaas en Olie52. Ook later, toen de nood dit vereischte en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt, kocht hij dit van een Amerikaansch schip53.De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds onder Greenbestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen (zie bladz.529) namen toe—in de kas der Modique lasten was een nadeelig slot van ƒ 400,000.—; in de kas ter verdediging tegen de wegloopers ruimƒ 100,000.—en de belastingen, die reeds drukkend waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van ƒ 1,— tot ƒ 2,10 te brengen,—maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van, om eene leening te sluiten,—doch waar zou men de gelden vinden ter betaling der interesten; Heshuysenbetoogde, dat de beste wijze, om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld of obligatiën.54Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;—men was in Suriname hier zoo aan gewend—en, na verkregen magtiging van het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met 4000 billets de banque, ieder à ƒ 125 dus te zamen voor eene som van ƒ 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname, bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten deze te vrijwaren55. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche regering niet toegestaan56, en zoo wist men weldra niet meer wat te doen:—alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men jaarlijks meer dan ƒ 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan, om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud van het vrijcorps57.De gedurige vermelding dergeldkwestiënneemt eene groote plaats in deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is: geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanningverworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen, werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen, verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms ooktrachttenpersonen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren, in geval van niet voldoening hunner vorderingen58.In naauw verband met het doel »geld te verdienen”, stond de telkens benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En hierin kwam weldra eene groote verandering.De welsprekende stemmen van mannen alsWilberforce,Buxtonen andere menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen; eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der slavernij in Britschkoloniënwerd gevolgd, teschrijven; wij willen ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze maatregel in Suriname teweeg bragt.Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten, mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal, reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van 987 slaven59; in 1807 tot een getal van 46760.In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten, aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven, o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheideneplantaadjesvooral een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich somshonderdmannen tegen slechtsvijfvrouwen bevonden61.Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over, of de slavenmagten alzoomoestenafnemen, zoo men door nieuwen invoer hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding tot gruwelen van allerlei aard.De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807 ontving men in Suriname deParlements-acte betreffende degeheele afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in werking zoude komen62.De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden werd nagevolgd; en—hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel beklaagde—men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden er hunne lading meermalen ongehinderd aanwalbrengen. Zelfs spreekt men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de verdere cultivering dezer gronden63. En toch niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten voor de overvallen enstrooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd, dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid was nimmer getwijfeld.Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt: »Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk.”Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30 man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden—en dan wie wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van de post Armina bleef gegrond te zijn.De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de zestig en zeventig zielen.64De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de Negerjagers op de Brandwacht,lang vóór de komst der Britsche troepen, commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk achtte65, en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen; of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware, het was een onrustbarend feit; want—het corps dat, vóór den opstand, uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor aanmerkelijk verzwakt, en menvoeldevrees omtrent de getrouwheid der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten te plaatsen en—sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur, eene vrij sterke militaire magt aanwezig.Een ander bezwaar was:Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken66.Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina,ten einde het terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren67.Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen, als zij bij degeheel vrijenegerjagers mogten wonen; doch zij hadden geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar, dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagersoverrompeld, gebonden en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20stenDecember 1806 ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen, dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen, daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand.68Gelijk wij reedsopbladz.522hebben aangemerkt, was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche magt inWest-Indiëte Barbados gevestigd; zoodat de gouverneurs der anderekoloniënzich bij belangrijke zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden, terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806, een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang, eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op ƒ 12,000 bepaald.69Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen, en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede:»Sir Charles Green”, zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europaterug te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om, bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber, en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer, sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren.” Daar Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering naar Europa terug te mogen keeren.70Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze met elkander verkeerden.De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799–1801) hadden de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant.” Friderici had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren71; doch daar de Engelschen kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander geschied,en nog, bijna dagelijks, werden die wreedebarbaarschestraffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend.De Engelsche officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller naam, waarin hij o.a.getuigde, dat dergelijke strafoefeningen niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt (the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in de vervulling hunner pligten hinderden.72Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes, dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz.73. Aangezien Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek74. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte75. De Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer beleedigd over de woorden in Cramstown’s brief »the cries of these poor wretches suffering torture;” daar die woorden eene beschuldiging tegen hem Fiscaal inhielden, als of hijtorture(pijniging) toe liet. Verder verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijkeafstraffingenwas, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te zenden76. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes, dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte77.Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der Policie, gehouden den 22stenFebruarij 1806. De leden van het Hof beschouwden deze daad van Archer als eenepoging tot verkrachting der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen78.Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten; tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok; welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der misdaad van den gestrafte” eindigt hij zijn brief, »maar naar de door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen”79. Hughes antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen80; een later door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal wasbeleedigdgeworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam en eere zoude benadeelen81. Archer verliet weldra de kolonie; de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het fort Zeelandia alzoo voortduren.Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijzeder beambten van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en in plaats van ƒ 12,— voor een pond sterling thans ƒ 24.— moest worden betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z.M. Customhouse, was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde, dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden” in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het pakhuis naar het Custom-house vervoerd82.De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde, daar Spiering, om redenen vangezondheidzijn ambt had nedergelegd, trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich, per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor:1o. of Cameronen de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet aan de wetten der kolonie onderworpen waren;2o. of hij (Lolkens) inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house, om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover rapport had gedaan.83De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen nietcategorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van ’s konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden verschaft84. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan het Hof en—aldaar onstonden over deze zaak hevigediscussiën.Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden, om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie niet aan dien heer wilde overgeven85. Hughes vermeende evenwel, dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg86.Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek ingesteld en hiermede Charles Thesinger,Collector of H. M.Customsat St. Vincentbelast. Het daarover door dien heer (na den dood van Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden worden beschuldigd87.De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet achteruit.Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard: naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes, had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord88.Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht en verkreeg daartoe verlof89; echter heeft hij Engeland niet weder gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808) overleed90.John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders geboekt, dan dat de planters aanWardlaueene memorie inleverden; waarbij zij vergunning verzochten, om—zooals dit reeds aan planters te Essequebo enDemerarywas toestaan—hunne ladingen, onder een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden, in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker was91. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was, namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag, aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan, omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes, waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne strenge reglementen, zie bladz.537,hadden zeker de gemoederen der slaven verbitterd).Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd, daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en verwarring kon te gemoet zien92.Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaandeorde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary; Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd, en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809 uit Engeland. Baron CharlesBentinckarriveerde den 14denMei 1809 te Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid, ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen, hem door Wardlau overgegeven, eene som van ƒ 383,00093.Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente,Ds.P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was reeds twee jarenzonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck, die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt.94De komst vanDs.van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte, daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe zij behooren. Devermeerderingvan het personeel der Geneesheeren door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte, zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende Gouverneurs, bestaat zoo weinigeofficieeleCorrespondentie; daarom moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien niet geheel onpartijdig zijn.Voor zoo veel wij uitofficieeleen andere stukken kunnen opmaken, komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk het welzijn van Suriname bedoelde.Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld, vermeenen wij, dat buiten twijfel is.Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte, omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van vijandelijkheden beducht was95.Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman, Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen, voornamelijkonder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr, welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest; doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in 1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2deFiscaal (Lolkens.)Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander, in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van het fort Zeelandia.Of dat complot ergens elders dan in het brein van Maxwill heeft bestaan hebben wij niet kunnen ontdekken; veeleer komt het ons waarschijnlijk voor, dat Maxwill den Gouverneur en den Fiscaal had beleedigd en dien ten gevolge in de gevangenis is geworpen.96Keizer Napoleon, die zijn meestersstaf toen ook over ons vaderland zwaaide, had bij het zoogenaamde continentaal stelsel den invoer van koloniale producten verboden; al die voortbrengselen vervulden dus nu de markten van Engeland. Ook de Surinaamsche planters consigneerden hunne producten naar Engeland, waartoe zij verpligt waren. De aan Hollandsche kooplieden verschuldigde sommen wegens opgenomen gelden en de intresten daarvan konden dus niet worden betaald; want suiker enz. kon niet worden verzonden en geld bezat men niet; evenwel werden door gelastigden der Hollandsche kooplieden sommige personen in Suriname voor schulden geregterlijk vervolgd. Verscheidene kolonisten dienden in October 1811 een verzoekschrift in, dat alle vervolgingen, omtrent schulden aan Hollandsche Kooplieden, zouden worden geschorst, daar men thans om boven vermelde redenen, toch in de onmogelijkheidwas,om ze te kunnen voldoen. Dit verzoekschrift werd in handen gesteld van de Reus, Raad-Fiscaal, die er gunstig op adviseerde, waarna het werd toegestaan.97De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost; doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het betalen hunner crediteuren vrij waren en—zij rigtten daarnaar hunne levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel inruime mate.Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?” redeneerden velen: »men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten.”Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »aprèsnous le déluge” zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit temeerte kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.De belangen der Surinamers werden te Londen door Agenten, welke door het Hof van Policie werden benoemd, getrouw en ijverig behartigd98, en in de kolonie zelve heerschte overal bedrijvigheid, zoodat ook de mindere klasse ruime verdiensten had.Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschenjegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a., dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het tooneelgezelschap der Joden,de verrezene Phoenix, opvoerden, en de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen, die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken, bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht, zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen;tenminste zij werden er niet toe geroepen.Bentinck verpligtte de bevolking zeer aan zich, door te bepalen, dat voor de nieuwe kerk der Hervormde Gemeente, die men te Paramaribo wilde bouwen en waarvan de kosten op ƒ 300,000warenbegroot, ⅓ dier kosten uit de Souvereins of ’s Konings kas zou worden verstrekt.99Na deze gunstigetoezeggingenvan Bentinck, in de vergadering van het Hof van Policie op 1 Junij 1810, ging men weldra aan het bouwen; den 26stenJunij 1810 werd de eerste steen gelegd en reeds in 1811 werd de kerk voltooid. Zij werd koepelvormig gebouwd, op acht fraaije pilaren rustte het dak, verder prijkte zij met een goed orgel; doch naar derzelve inwendige ruimte of breedte was zij wat te laag.100Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers, nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:Na den opstand van sommige negerjagers was het corps gereorganiseerd, en ofschoon die nieuwe inrigting van hetzelve vrij wel aan het doel beantwoordde, waren de kosten voor onderhoudvermeerderd. Volgens de overeenkomst door Trigge en Hood met Friderici gemaakt, en sedert niet ingetrokken, moest dit corps uit de koloniale fondsen worden onderhouden. Reeds tijdens het bestuur van Hughes had men ondersteuning hiertoe verzocht (zie bladz.544); doch op die vraag was geen antwoord gekomen. Het Hof wendde zich nu tot Bentinck en deze toonde zich niet ongenegen dit verzoek toe te staan, en—in de vergadering van 30 Augustus 1809—werd door hem aangenomen, om wat het onderhoud van het vrij-corps jaarlijks meer dan ƒ 600,000 zou kosten, uit ’s Konings kas te betalen. Het Hof had gewenscht, dat de som, door de koloniale kassen te dragen, op slechts ƒ 500,000 werd bepaald; doch nam echter het aanbod van Bentinck dankbaar aan, onder voorwaarde, dat onder die som van ƒ 600,000 tevens gedeeltelijk het onderhoud van het cordon, zoude worde begrepen.101Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het jaar 1811, tot ongeveer ƒ 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter eerst na den dood van Bentinck aan het licht.Bentinck overleed den 8stenNovember 1811102; zijn overlijden werd door de blanke bevolking met droefheid vernomen; de Surinaamsche couranten vermelden, met lof, zijne regtvaardigheid, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid; en de dankbare burgerij rigtte hem later in de nieuw gebouwde Hervormde kerk te Paramaribo, een marmeren gedenkteeken op.De Majoor-GeneraalPinsonBonham aanvaardde voorloopig het bewind, en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed doch tevens een zwak man, die zich te veeldoor anderen leiden liet; Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand, waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan, als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden ons van verdere aanmerkingen.Zoodra Bonham het bewind had aanvaard, trachtte hij den wezenlijken stand van zaken te leeren kennen. Al dadelijk trof hem de slechte staat der finantiën. In de souvereins- of koningskas bevond zich slechts: aan papieren geld ƒ 57,055, aan klinkende specie ƒ 7,233, te zamen ƒ 64,288.10.103Dit geringe saldo in ’s konings kas, noopte hem, om onmiddellijk een streng onderzoek naar de oorzaken daarvan in te stellen.Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond sterling bedroeg ƒ 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet ingerigt. Twee en zestigpersonen waren voor een corps, dat slechts 380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris jaarlijks ƒ 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a ƒ 200,000; bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor ƒ 100,000. Bentinck had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten der koloniale en souvereins-kassen te zamen.Op voorstel van Bonham gaf het Hof als zijn gevoelen te kennen, dat Bonham niet gehouden was, om de door de Reus met Cairstairs aangegane contracten gestand te doen. Zij werden dan ook weldra door den Gouverneur vernietigd.104Daar er overal verwarring in de koloniale kassen heerschte werd er eene finantiële commissie, tot nader onderzoek, ingesteld; deze bestond uit den nieuwen Boekhouder-Generaal en de door het Hof benoemde heeren Eysma en Friderici.105Uit dit onderzoek bleek weldra, dat er in de koloniale kas een deficit was van ƒ 535,950.15. Om in de loopende en volstrekt noodige uitgaven evenwel te voorzien, had men de gelden die door het bestuur der weeskamer in de koloniale kas waren gedeponeerd, gebruikt; tevens waren nog vele schulden te betalen.106Bij de verificatie der rekening van de Reus, als Commissaris van het jagercorps, werd door den nieuwen Boekhouder-Generaal al dadelijk een abuis ontdekt van ƒ 23,000, welke som (volgens Bonham) de Reus in zijn eigen zak (his own pocket) had gestoken.107Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen.Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het deficit in de koloniale kas, groot ƒ 335,950.15, geheel gedekt was; dat er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan ƒ 1,000,000 betaald was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van ƒ 99,180.16.1½. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve in de jaren 1809, 10 en 11, ƒ 490,000 meer beliepen dan de door het Hof hiervoor gestelde som van ƒ 600,000; en dit aanmerkelijk te kort door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd, in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog ƒ 821.13 minder dan de door het hof toegestane som van ƒ 600,000 hadden bedragen; zoodat uit de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.Het batig saldo van de souvereinskas bedroeg bij het einde van 1811ƒ 85,178.17.3½; in dat jaar waren eraan buitengewone inkomsten voor eene som van ƒ 187,317.10 ontvangen; daarentegen bevond zich in genoemde kas, bij het einde van 1812 (het eerste van Bonhams bestuur) eene som van ƒ 487,213.10.13½, niettegenstaande er ter reparatie van het Gouvernementshuisalleen ƒ 61,328.83 alleen was noodig geweest.108De rekening der souvereins en der koloniale kassen van 1804 tot het einde van 1812 werden, op last van Bonham, door den Boekhouder-Generaal Melville, in behoorlijke orde opgemaakt en naar Engeland overgezonden.De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen gegaan. Uit ’s konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd voor ƒ 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers, die in 1811 eindelijk tot ƒ 48,10 voor een pond sterling gestegen was, daalde in korten tijd tot ƒ 25.De nog door Bentinck (17 October 1811) bevolen volkstelling, zoowel van slaven als vrijen, werd onder Bonhams bestuur ten einde gebragt. Deorigineelestaten dezer met groote zorg uitgevoerde volkstelling, zijn behoorlijk ingebonden in 16 folio deelen en berusten thans op H. B. M. state-papers-office te Londen.109Volgens deze volkstelling bestond de Portugesche Israëlitische gemeente uit 745 blanken en 79 kleurlingen bezittende 824 slaven; de Duitsche Israëlitische gemeente uit 547 blanken en 16 kleurlingen, bezittende 563 slaven; de Christengemeente uit 737 blanken (⅔ der blanken waren Joden). Het aantal vrije kleurlingen en negers, zoo Christenen als Heidenen bedroeg 2980, dus de geheele vrije bevolking 5104; de particuliere slaven 7115 en de plantaadje-slaven 42,223, met die der Joden (1387) te zamen 50,725. De geheele bevolking van Suriname, uitgezonderd de militairen, bedroeg alzoo 55,829 zielen.110Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds.P. van Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas ƒ 1700,uit de souvereinskas ƒ 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde ƒ 500,uitde tweede ƒ500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente ongeveer ƒ 12,000.Verder waren er eenige Moravische zendelingen, die in hunne kapel elken avond godsdienstoefening hielden, welke altijd vóór 8 ure was afgeloopen, omdat na dien tijd geen slaaf zich op straat mogt vertoonen zonder verlofbriefje van zijnen meester111; en de meeste bezoekers dier kapel behoorden tot den slavenstand. Ook in de districten bevonden zich eenige zendelingen dier gemeente. Bonham legt omtrent hen een gunstig getuigenis af. »Zij voorzien geheel in hunne eigen behoeften. Zij werken met veel zegen; nimmer hoort men van eenige ongeregeldheden door hen verwekt, of worden klagten tegen hen vernomen.” Hunne gemeente bestond uit 83 vrije negers, 20 vrije kleurlingen; 526 neger- en 21 kleurlingslaven.112Sedert de verovering van Suriname door de Engelschen, was er geen geestelijke (Clergyman), om de dienst, naar degebruiken der Engelsche kerk, voor zijne landslieden te houden. Bonham wenschte hierin voorziening te brengen; hij bragt deze zaak in de vergadering van het Hof ter sprake, en, na eenige bezwaren, verkreeg hij de toestemming, om de zaal, boven de vergaderplaats van het Hof, vroeger als Hollandsch bedehuis gebruikt, voor de godsdienstoefening, volgens de Engelsche ritus, te gebruiken. Met eene uitgave van 150 pond sterling werd die zaal voor bedoeld gebruik geschikt gemaakt. Bonham stelde den Garnizoens-prediker Rev. M. Austin totOfficial Clergy-manof the English congregationin Suriname aan. Austin ontving de bevoegdheid, om te doopen, huwelijken te sluiten, de lijkdienst voor gestorvenen te lezen, etc. »Tot dien tijd,” schrijft Bonham, »werden de Engelschen in Suriname als honden, d. i. zonder eenige plegtigheid begraven.” Het Hof stond als tractement voor den Engelschen predikant ƒ 5000 toe; Bonham voegde uit de souvereinskas er ƒ 5000 bij, dus te zamenƒ10,000; dat evenwel bij den toenmaligen wisselkoers niet veel meer dan 250 pond sterling bedroeg113.Onder het bestuur van Bentinck was (3November 1810) een schip, bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in dit geval te moeten handelen.114Hij ontving hierop tot antwoord, dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten bij het W. I.regimentworden ingedeeld. Bentinck had er niets van medegedeeld, doch dit waszoo zijne gewoonte.115Bij een nader onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan”, en daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald; zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik heb”, schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven.”116Het Britsch Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan.117
Den 13denApril 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie, en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland, gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in wiens magt het had gestaan,”zoo luidde het antwoord: »om de kolonie het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken”47.Den 15denApril 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven van het aanstaande vertrek van den landvoogd48; en reeds twee dagen later, den 17denApril, verliet Green de kolonie.De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12denApril te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene vergadering van het hof van Policie op den 18dendierzelfde maand, waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van had ontvangen49; maar bovendien had de geregelde aanvoer derprovisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van7 December 1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter, rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch, traan, lijn- en raapolie,kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge prijzen te bekomen.En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet worden ontbeerd voor de slavenbevolking.De traanwas benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; deraap- en spermacetie-olievoor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd, de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep tot het wasschen van linnen, enz.Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om, behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805 vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland boven anderenatiënbevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het, van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt., hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren had omtrent den invoer vankaarsenen zeep, dieanders voornamelijk uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra inkomend regt belasten, »waaruit”, gelijk men ten slotte aanvoerde: »genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen”50.Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan, daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen; doch—zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen te voorzien—dan zoude hij daartoe toestemming verleenen51.Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter, Visch, Kaas en Olie52. Ook later, toen de nood dit vereischte en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt, kocht hij dit van een Amerikaansch schip53.De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds onder Greenbestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen (zie bladz.529) namen toe—in de kas der Modique lasten was een nadeelig slot van ƒ 400,000.—; in de kas ter verdediging tegen de wegloopers ruimƒ 100,000.—en de belastingen, die reeds drukkend waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van ƒ 1,— tot ƒ 2,10 te brengen,—maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van, om eene leening te sluiten,—doch waar zou men de gelden vinden ter betaling der interesten; Heshuysenbetoogde, dat de beste wijze, om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld of obligatiën.54Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;—men was in Suriname hier zoo aan gewend—en, na verkregen magtiging van het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met 4000 billets de banque, ieder à ƒ 125 dus te zamen voor eene som van ƒ 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname, bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten deze te vrijwaren55. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche regering niet toegestaan56, en zoo wist men weldra niet meer wat te doen:—alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men jaarlijks meer dan ƒ 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan, om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud van het vrijcorps57.De gedurige vermelding dergeldkwestiënneemt eene groote plaats in deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is: geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanningverworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen, werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen, verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms ooktrachttenpersonen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren, in geval van niet voldoening hunner vorderingen58.In naauw verband met het doel »geld te verdienen”, stond de telkens benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En hierin kwam weldra eene groote verandering.De welsprekende stemmen van mannen alsWilberforce,Buxtonen andere menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen; eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der slavernij in Britschkoloniënwerd gevolgd, teschrijven; wij willen ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze maatregel in Suriname teweeg bragt.Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten, mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal, reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van 987 slaven59; in 1807 tot een getal van 46760.In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten, aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven, o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheideneplantaadjesvooral een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich somshonderdmannen tegen slechtsvijfvrouwen bevonden61.Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over, of de slavenmagten alzoomoestenafnemen, zoo men door nieuwen invoer hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding tot gruwelen van allerlei aard.De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807 ontving men in Suriname deParlements-acte betreffende degeheele afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in werking zoude komen62.De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden werd nagevolgd; en—hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel beklaagde—men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden er hunne lading meermalen ongehinderd aanwalbrengen. Zelfs spreekt men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de verdere cultivering dezer gronden63. En toch niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten voor de overvallen enstrooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd, dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid was nimmer getwijfeld.Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt: »Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk.”Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30 man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden—en dan wie wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van de post Armina bleef gegrond te zijn.De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de zestig en zeventig zielen.64De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de Negerjagers op de Brandwacht,lang vóór de komst der Britsche troepen, commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk achtte65, en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen; of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware, het was een onrustbarend feit; want—het corps dat, vóór den opstand, uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor aanmerkelijk verzwakt, en menvoeldevrees omtrent de getrouwheid der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten te plaatsen en—sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur, eene vrij sterke militaire magt aanwezig.Een ander bezwaar was:Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken66.Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina,ten einde het terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren67.Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen, als zij bij degeheel vrijenegerjagers mogten wonen; doch zij hadden geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar, dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagersoverrompeld, gebonden en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20stenDecember 1806 ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen, dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen, daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand.68Gelijk wij reedsopbladz.522hebben aangemerkt, was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche magt inWest-Indiëte Barbados gevestigd; zoodat de gouverneurs der anderekoloniënzich bij belangrijke zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden, terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806, een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang, eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op ƒ 12,000 bepaald.69Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen, en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede:»Sir Charles Green”, zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europaterug te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om, bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber, en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer, sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren.” Daar Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering naar Europa terug te mogen keeren.70Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze met elkander verkeerden.De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799–1801) hadden de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant.” Friderici had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren71; doch daar de Engelschen kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander geschied,en nog, bijna dagelijks, werden die wreedebarbaarschestraffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend.De Engelsche officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller naam, waarin hij o.a.getuigde, dat dergelijke strafoefeningen niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt (the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in de vervulling hunner pligten hinderden.72Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes, dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz.73. Aangezien Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek74. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte75. De Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer beleedigd over de woorden in Cramstown’s brief »the cries of these poor wretches suffering torture;” daar die woorden eene beschuldiging tegen hem Fiscaal inhielden, als of hijtorture(pijniging) toe liet. Verder verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijkeafstraffingenwas, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te zenden76. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes, dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte77.Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der Policie, gehouden den 22stenFebruarij 1806. De leden van het Hof beschouwden deze daad van Archer als eenepoging tot verkrachting der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen78.Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten; tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok; welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der misdaad van den gestrafte” eindigt hij zijn brief, »maar naar de door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen”79. Hughes antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen80; een later door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal wasbeleedigdgeworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam en eere zoude benadeelen81. Archer verliet weldra de kolonie; de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het fort Zeelandia alzoo voortduren.Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijzeder beambten van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en in plaats van ƒ 12,— voor een pond sterling thans ƒ 24.— moest worden betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z.M. Customhouse, was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde, dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden” in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het pakhuis naar het Custom-house vervoerd82.De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde, daar Spiering, om redenen vangezondheidzijn ambt had nedergelegd, trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich, per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor:1o. of Cameronen de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet aan de wetten der kolonie onderworpen waren;2o. of hij (Lolkens) inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house, om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover rapport had gedaan.83De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen nietcategorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van ’s konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden verschaft84. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan het Hof en—aldaar onstonden over deze zaak hevigediscussiën.Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden, om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie niet aan dien heer wilde overgeven85. Hughes vermeende evenwel, dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg86.Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek ingesteld en hiermede Charles Thesinger,Collector of H. M.Customsat St. Vincentbelast. Het daarover door dien heer (na den dood van Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden worden beschuldigd87.De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet achteruit.Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard: naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes, had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord88.Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht en verkreeg daartoe verlof89; echter heeft hij Engeland niet weder gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808) overleed90.John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders geboekt, dan dat de planters aanWardlaueene memorie inleverden; waarbij zij vergunning verzochten, om—zooals dit reeds aan planters te Essequebo enDemerarywas toestaan—hunne ladingen, onder een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden, in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker was91. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was, namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag, aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan, omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes, waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne strenge reglementen, zie bladz.537,hadden zeker de gemoederen der slaven verbitterd).Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd, daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en verwarring kon te gemoet zien92.Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaandeorde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary; Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd, en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809 uit Engeland. Baron CharlesBentinckarriveerde den 14denMei 1809 te Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid, ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen, hem door Wardlau overgegeven, eene som van ƒ 383,00093.Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente,Ds.P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was reeds twee jarenzonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck, die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt.94De komst vanDs.van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte, daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe zij behooren. Devermeerderingvan het personeel der Geneesheeren door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte, zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende Gouverneurs, bestaat zoo weinigeofficieeleCorrespondentie; daarom moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien niet geheel onpartijdig zijn.Voor zoo veel wij uitofficieeleen andere stukken kunnen opmaken, komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk het welzijn van Suriname bedoelde.Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld, vermeenen wij, dat buiten twijfel is.Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte, omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van vijandelijkheden beducht was95.Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman, Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen, voornamelijkonder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr, welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest; doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in 1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2deFiscaal (Lolkens.)Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander, in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van het fort Zeelandia.Of dat complot ergens elders dan in het brein van Maxwill heeft bestaan hebben wij niet kunnen ontdekken; veeleer komt het ons waarschijnlijk voor, dat Maxwill den Gouverneur en den Fiscaal had beleedigd en dien ten gevolge in de gevangenis is geworpen.96Keizer Napoleon, die zijn meestersstaf toen ook over ons vaderland zwaaide, had bij het zoogenaamde continentaal stelsel den invoer van koloniale producten verboden; al die voortbrengselen vervulden dus nu de markten van Engeland. Ook de Surinaamsche planters consigneerden hunne producten naar Engeland, waartoe zij verpligt waren. De aan Hollandsche kooplieden verschuldigde sommen wegens opgenomen gelden en de intresten daarvan konden dus niet worden betaald; want suiker enz. kon niet worden verzonden en geld bezat men niet; evenwel werden door gelastigden der Hollandsche kooplieden sommige personen in Suriname voor schulden geregterlijk vervolgd. Verscheidene kolonisten dienden in October 1811 een verzoekschrift in, dat alle vervolgingen, omtrent schulden aan Hollandsche Kooplieden, zouden worden geschorst, daar men thans om boven vermelde redenen, toch in de onmogelijkheidwas,om ze te kunnen voldoen. Dit verzoekschrift werd in handen gesteld van de Reus, Raad-Fiscaal, die er gunstig op adviseerde, waarna het werd toegestaan.97De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost; doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het betalen hunner crediteuren vrij waren en—zij rigtten daarnaar hunne levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel inruime mate.Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?” redeneerden velen: »men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten.”Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »aprèsnous le déluge” zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit temeerte kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.De belangen der Surinamers werden te Londen door Agenten, welke door het Hof van Policie werden benoemd, getrouw en ijverig behartigd98, en in de kolonie zelve heerschte overal bedrijvigheid, zoodat ook de mindere klasse ruime verdiensten had.Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschenjegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a., dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het tooneelgezelschap der Joden,de verrezene Phoenix, opvoerden, en de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen, die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken, bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht, zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen;tenminste zij werden er niet toe geroepen.Bentinck verpligtte de bevolking zeer aan zich, door te bepalen, dat voor de nieuwe kerk der Hervormde Gemeente, die men te Paramaribo wilde bouwen en waarvan de kosten op ƒ 300,000warenbegroot, ⅓ dier kosten uit de Souvereins of ’s Konings kas zou worden verstrekt.99Na deze gunstigetoezeggingenvan Bentinck, in de vergadering van het Hof van Policie op 1 Junij 1810, ging men weldra aan het bouwen; den 26stenJunij 1810 werd de eerste steen gelegd en reeds in 1811 werd de kerk voltooid. Zij werd koepelvormig gebouwd, op acht fraaije pilaren rustte het dak, verder prijkte zij met een goed orgel; doch naar derzelve inwendige ruimte of breedte was zij wat te laag.100Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers, nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:Na den opstand van sommige negerjagers was het corps gereorganiseerd, en ofschoon die nieuwe inrigting van hetzelve vrij wel aan het doel beantwoordde, waren de kosten voor onderhoudvermeerderd. Volgens de overeenkomst door Trigge en Hood met Friderici gemaakt, en sedert niet ingetrokken, moest dit corps uit de koloniale fondsen worden onderhouden. Reeds tijdens het bestuur van Hughes had men ondersteuning hiertoe verzocht (zie bladz.544); doch op die vraag was geen antwoord gekomen. Het Hof wendde zich nu tot Bentinck en deze toonde zich niet ongenegen dit verzoek toe te staan, en—in de vergadering van 30 Augustus 1809—werd door hem aangenomen, om wat het onderhoud van het vrij-corps jaarlijks meer dan ƒ 600,000 zou kosten, uit ’s Konings kas te betalen. Het Hof had gewenscht, dat de som, door de koloniale kassen te dragen, op slechts ƒ 500,000 werd bepaald; doch nam echter het aanbod van Bentinck dankbaar aan, onder voorwaarde, dat onder die som van ƒ 600,000 tevens gedeeltelijk het onderhoud van het cordon, zoude worde begrepen.101Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het jaar 1811, tot ongeveer ƒ 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter eerst na den dood van Bentinck aan het licht.Bentinck overleed den 8stenNovember 1811102; zijn overlijden werd door de blanke bevolking met droefheid vernomen; de Surinaamsche couranten vermelden, met lof, zijne regtvaardigheid, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid; en de dankbare burgerij rigtte hem later in de nieuw gebouwde Hervormde kerk te Paramaribo, een marmeren gedenkteeken op.De Majoor-GeneraalPinsonBonham aanvaardde voorloopig het bewind, en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed doch tevens een zwak man, die zich te veeldoor anderen leiden liet; Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand, waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan, als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden ons van verdere aanmerkingen.Zoodra Bonham het bewind had aanvaard, trachtte hij den wezenlijken stand van zaken te leeren kennen. Al dadelijk trof hem de slechte staat der finantiën. In de souvereins- of koningskas bevond zich slechts: aan papieren geld ƒ 57,055, aan klinkende specie ƒ 7,233, te zamen ƒ 64,288.10.103Dit geringe saldo in ’s konings kas, noopte hem, om onmiddellijk een streng onderzoek naar de oorzaken daarvan in te stellen.Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond sterling bedroeg ƒ 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet ingerigt. Twee en zestigpersonen waren voor een corps, dat slechts 380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris jaarlijks ƒ 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a ƒ 200,000; bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor ƒ 100,000. Bentinck had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten der koloniale en souvereins-kassen te zamen.Op voorstel van Bonham gaf het Hof als zijn gevoelen te kennen, dat Bonham niet gehouden was, om de door de Reus met Cairstairs aangegane contracten gestand te doen. Zij werden dan ook weldra door den Gouverneur vernietigd.104Daar er overal verwarring in de koloniale kassen heerschte werd er eene finantiële commissie, tot nader onderzoek, ingesteld; deze bestond uit den nieuwen Boekhouder-Generaal en de door het Hof benoemde heeren Eysma en Friderici.105Uit dit onderzoek bleek weldra, dat er in de koloniale kas een deficit was van ƒ 535,950.15. Om in de loopende en volstrekt noodige uitgaven evenwel te voorzien, had men de gelden die door het bestuur der weeskamer in de koloniale kas waren gedeponeerd, gebruikt; tevens waren nog vele schulden te betalen.106Bij de verificatie der rekening van de Reus, als Commissaris van het jagercorps, werd door den nieuwen Boekhouder-Generaal al dadelijk een abuis ontdekt van ƒ 23,000, welke som (volgens Bonham) de Reus in zijn eigen zak (his own pocket) had gestoken.107Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen.Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het deficit in de koloniale kas, groot ƒ 335,950.15, geheel gedekt was; dat er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan ƒ 1,000,000 betaald was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van ƒ 99,180.16.1½. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve in de jaren 1809, 10 en 11, ƒ 490,000 meer beliepen dan de door het Hof hiervoor gestelde som van ƒ 600,000; en dit aanmerkelijk te kort door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd, in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog ƒ 821.13 minder dan de door het hof toegestane som van ƒ 600,000 hadden bedragen; zoodat uit de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.Het batig saldo van de souvereinskas bedroeg bij het einde van 1811ƒ 85,178.17.3½; in dat jaar waren eraan buitengewone inkomsten voor eene som van ƒ 187,317.10 ontvangen; daarentegen bevond zich in genoemde kas, bij het einde van 1812 (het eerste van Bonhams bestuur) eene som van ƒ 487,213.10.13½, niettegenstaande er ter reparatie van het Gouvernementshuisalleen ƒ 61,328.83 alleen was noodig geweest.108De rekening der souvereins en der koloniale kassen van 1804 tot het einde van 1812 werden, op last van Bonham, door den Boekhouder-Generaal Melville, in behoorlijke orde opgemaakt en naar Engeland overgezonden.De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen gegaan. Uit ’s konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd voor ƒ 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers, die in 1811 eindelijk tot ƒ 48,10 voor een pond sterling gestegen was, daalde in korten tijd tot ƒ 25.De nog door Bentinck (17 October 1811) bevolen volkstelling, zoowel van slaven als vrijen, werd onder Bonhams bestuur ten einde gebragt. Deorigineelestaten dezer met groote zorg uitgevoerde volkstelling, zijn behoorlijk ingebonden in 16 folio deelen en berusten thans op H. B. M. state-papers-office te Londen.109Volgens deze volkstelling bestond de Portugesche Israëlitische gemeente uit 745 blanken en 79 kleurlingen bezittende 824 slaven; de Duitsche Israëlitische gemeente uit 547 blanken en 16 kleurlingen, bezittende 563 slaven; de Christengemeente uit 737 blanken (⅔ der blanken waren Joden). Het aantal vrije kleurlingen en negers, zoo Christenen als Heidenen bedroeg 2980, dus de geheele vrije bevolking 5104; de particuliere slaven 7115 en de plantaadje-slaven 42,223, met die der Joden (1387) te zamen 50,725. De geheele bevolking van Suriname, uitgezonderd de militairen, bedroeg alzoo 55,829 zielen.110Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds.P. van Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas ƒ 1700,uit de souvereinskas ƒ 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde ƒ 500,uitde tweede ƒ500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente ongeveer ƒ 12,000.Verder waren er eenige Moravische zendelingen, die in hunne kapel elken avond godsdienstoefening hielden, welke altijd vóór 8 ure was afgeloopen, omdat na dien tijd geen slaaf zich op straat mogt vertoonen zonder verlofbriefje van zijnen meester111; en de meeste bezoekers dier kapel behoorden tot den slavenstand. Ook in de districten bevonden zich eenige zendelingen dier gemeente. Bonham legt omtrent hen een gunstig getuigenis af. »Zij voorzien geheel in hunne eigen behoeften. Zij werken met veel zegen; nimmer hoort men van eenige ongeregeldheden door hen verwekt, of worden klagten tegen hen vernomen.” Hunne gemeente bestond uit 83 vrije negers, 20 vrije kleurlingen; 526 neger- en 21 kleurlingslaven.112Sedert de verovering van Suriname door de Engelschen, was er geen geestelijke (Clergyman), om de dienst, naar degebruiken der Engelsche kerk, voor zijne landslieden te houden. Bonham wenschte hierin voorziening te brengen; hij bragt deze zaak in de vergadering van het Hof ter sprake, en, na eenige bezwaren, verkreeg hij de toestemming, om de zaal, boven de vergaderplaats van het Hof, vroeger als Hollandsch bedehuis gebruikt, voor de godsdienstoefening, volgens de Engelsche ritus, te gebruiken. Met eene uitgave van 150 pond sterling werd die zaal voor bedoeld gebruik geschikt gemaakt. Bonham stelde den Garnizoens-prediker Rev. M. Austin totOfficial Clergy-manof the English congregationin Suriname aan. Austin ontving de bevoegdheid, om te doopen, huwelijken te sluiten, de lijkdienst voor gestorvenen te lezen, etc. »Tot dien tijd,” schrijft Bonham, »werden de Engelschen in Suriname als honden, d. i. zonder eenige plegtigheid begraven.” Het Hof stond als tractement voor den Engelschen predikant ƒ 5000 toe; Bonham voegde uit de souvereinskas er ƒ 5000 bij, dus te zamenƒ10,000; dat evenwel bij den toenmaligen wisselkoers niet veel meer dan 250 pond sterling bedroeg113.Onder het bestuur van Bentinck was (3November 1810) een schip, bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in dit geval te moeten handelen.114Hij ontving hierop tot antwoord, dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten bij het W. I.regimentworden ingedeeld. Bentinck had er niets van medegedeeld, doch dit waszoo zijne gewoonte.115Bij een nader onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan”, en daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald; zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik heb”, schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven.”116Het Britsch Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan.117
Den 13denApril 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie, en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland, gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in wiens magt het had gestaan,”zoo luidde het antwoord: »om de kolonie het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken”47.Den 15denApril 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven van het aanstaande vertrek van den landvoogd48; en reeds twee dagen later, den 17denApril, verliet Green de kolonie.De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12denApril te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene vergadering van het hof van Policie op den 18dendierzelfde maand, waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van had ontvangen49; maar bovendien had de geregelde aanvoer derprovisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van7 December 1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter, rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch, traan, lijn- en raapolie,kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge prijzen te bekomen.En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet worden ontbeerd voor de slavenbevolking.De traanwas benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; deraap- en spermacetie-olievoor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd, de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep tot het wasschen van linnen, enz.Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om, behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805 vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland boven anderenatiënbevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het, van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt., hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren had omtrent den invoer vankaarsenen zeep, dieanders voornamelijk uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra inkomend regt belasten, »waaruit”, gelijk men ten slotte aanvoerde: »genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen”50.Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan, daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen; doch—zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen te voorzien—dan zoude hij daartoe toestemming verleenen51.Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter, Visch, Kaas en Olie52. Ook later, toen de nood dit vereischte en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt, kocht hij dit van een Amerikaansch schip53.De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds onder Greenbestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen (zie bladz.529) namen toe—in de kas der Modique lasten was een nadeelig slot van ƒ 400,000.—; in de kas ter verdediging tegen de wegloopers ruimƒ 100,000.—en de belastingen, die reeds drukkend waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van ƒ 1,— tot ƒ 2,10 te brengen,—maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van, om eene leening te sluiten,—doch waar zou men de gelden vinden ter betaling der interesten; Heshuysenbetoogde, dat de beste wijze, om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld of obligatiën.54Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;—men was in Suriname hier zoo aan gewend—en, na verkregen magtiging van het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met 4000 billets de banque, ieder à ƒ 125 dus te zamen voor eene som van ƒ 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname, bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten deze te vrijwaren55. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche regering niet toegestaan56, en zoo wist men weldra niet meer wat te doen:—alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men jaarlijks meer dan ƒ 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan, om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud van het vrijcorps57.De gedurige vermelding dergeldkwestiënneemt eene groote plaats in deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is: geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanningverworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen, werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen, verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms ooktrachttenpersonen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren, in geval van niet voldoening hunner vorderingen58.In naauw verband met het doel »geld te verdienen”, stond de telkens benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En hierin kwam weldra eene groote verandering.De welsprekende stemmen van mannen alsWilberforce,Buxtonen andere menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen; eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der slavernij in Britschkoloniënwerd gevolgd, teschrijven; wij willen ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze maatregel in Suriname teweeg bragt.Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten, mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal, reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van 987 slaven59; in 1807 tot een getal van 46760.In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten, aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven, o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheideneplantaadjesvooral een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich somshonderdmannen tegen slechtsvijfvrouwen bevonden61.Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over, of de slavenmagten alzoomoestenafnemen, zoo men door nieuwen invoer hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding tot gruwelen van allerlei aard.De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807 ontving men in Suriname deParlements-acte betreffende degeheele afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in werking zoude komen62.De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden werd nagevolgd; en—hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel beklaagde—men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden er hunne lading meermalen ongehinderd aanwalbrengen. Zelfs spreekt men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de verdere cultivering dezer gronden63. En toch niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten voor de overvallen enstrooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd, dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid was nimmer getwijfeld.Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt: »Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk.”Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30 man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden—en dan wie wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van de post Armina bleef gegrond te zijn.De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de zestig en zeventig zielen.64De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de Negerjagers op de Brandwacht,lang vóór de komst der Britsche troepen, commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk achtte65, en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen; of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware, het was een onrustbarend feit; want—het corps dat, vóór den opstand, uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor aanmerkelijk verzwakt, en menvoeldevrees omtrent de getrouwheid der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten te plaatsen en—sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur, eene vrij sterke militaire magt aanwezig.Een ander bezwaar was:Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken66.Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina,ten einde het terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren67.Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen, als zij bij degeheel vrijenegerjagers mogten wonen; doch zij hadden geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar, dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagersoverrompeld, gebonden en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20stenDecember 1806 ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen, dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen, daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand.68Gelijk wij reedsopbladz.522hebben aangemerkt, was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche magt inWest-Indiëte Barbados gevestigd; zoodat de gouverneurs der anderekoloniënzich bij belangrijke zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden, terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806, een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang, eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op ƒ 12,000 bepaald.69Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen, en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede:»Sir Charles Green”, zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europaterug te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om, bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber, en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer, sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren.” Daar Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering naar Europa terug te mogen keeren.70Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze met elkander verkeerden.De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799–1801) hadden de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant.” Friderici had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren71; doch daar de Engelschen kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander geschied,en nog, bijna dagelijks, werden die wreedebarbaarschestraffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend.De Engelsche officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller naam, waarin hij o.a.getuigde, dat dergelijke strafoefeningen niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt (the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in de vervulling hunner pligten hinderden.72Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes, dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz.73. Aangezien Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek74. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte75. De Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer beleedigd over de woorden in Cramstown’s brief »the cries of these poor wretches suffering torture;” daar die woorden eene beschuldiging tegen hem Fiscaal inhielden, als of hijtorture(pijniging) toe liet. Verder verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijkeafstraffingenwas, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te zenden76. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes, dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte77.Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der Policie, gehouden den 22stenFebruarij 1806. De leden van het Hof beschouwden deze daad van Archer als eenepoging tot verkrachting der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen78.Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten; tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok; welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der misdaad van den gestrafte” eindigt hij zijn brief, »maar naar de door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen”79. Hughes antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen80; een later door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal wasbeleedigdgeworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam en eere zoude benadeelen81. Archer verliet weldra de kolonie; de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het fort Zeelandia alzoo voortduren.Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijzeder beambten van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en in plaats van ƒ 12,— voor een pond sterling thans ƒ 24.— moest worden betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z.M. Customhouse, was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde, dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden” in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het pakhuis naar het Custom-house vervoerd82.De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde, daar Spiering, om redenen vangezondheidzijn ambt had nedergelegd, trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich, per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor:1o. of Cameronen de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet aan de wetten der kolonie onderworpen waren;2o. of hij (Lolkens) inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house, om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover rapport had gedaan.83De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen nietcategorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van ’s konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden verschaft84. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan het Hof en—aldaar onstonden over deze zaak hevigediscussiën.Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden, om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie niet aan dien heer wilde overgeven85. Hughes vermeende evenwel, dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg86.Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek ingesteld en hiermede Charles Thesinger,Collector of H. M.Customsat St. Vincentbelast. Het daarover door dien heer (na den dood van Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden worden beschuldigd87.De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet achteruit.Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard: naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes, had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord88.Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht en verkreeg daartoe verlof89; echter heeft hij Engeland niet weder gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808) overleed90.John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders geboekt, dan dat de planters aanWardlaueene memorie inleverden; waarbij zij vergunning verzochten, om—zooals dit reeds aan planters te Essequebo enDemerarywas toestaan—hunne ladingen, onder een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden, in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker was91. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was, namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag, aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan, omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes, waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne strenge reglementen, zie bladz.537,hadden zeker de gemoederen der slaven verbitterd).Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd, daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en verwarring kon te gemoet zien92.Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaandeorde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary; Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd, en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809 uit Engeland. Baron CharlesBentinckarriveerde den 14denMei 1809 te Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid, ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen, hem door Wardlau overgegeven, eene som van ƒ 383,00093.Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente,Ds.P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was reeds twee jarenzonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck, die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt.94De komst vanDs.van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte, daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe zij behooren. Devermeerderingvan het personeel der Geneesheeren door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte, zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende Gouverneurs, bestaat zoo weinigeofficieeleCorrespondentie; daarom moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien niet geheel onpartijdig zijn.Voor zoo veel wij uitofficieeleen andere stukken kunnen opmaken, komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk het welzijn van Suriname bedoelde.Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld, vermeenen wij, dat buiten twijfel is.Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte, omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van vijandelijkheden beducht was95.Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman, Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen, voornamelijkonder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr, welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest; doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in 1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2deFiscaal (Lolkens.)Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander, in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van het fort Zeelandia.Of dat complot ergens elders dan in het brein van Maxwill heeft bestaan hebben wij niet kunnen ontdekken; veeleer komt het ons waarschijnlijk voor, dat Maxwill den Gouverneur en den Fiscaal had beleedigd en dien ten gevolge in de gevangenis is geworpen.96Keizer Napoleon, die zijn meestersstaf toen ook over ons vaderland zwaaide, had bij het zoogenaamde continentaal stelsel den invoer van koloniale producten verboden; al die voortbrengselen vervulden dus nu de markten van Engeland. Ook de Surinaamsche planters consigneerden hunne producten naar Engeland, waartoe zij verpligt waren. De aan Hollandsche kooplieden verschuldigde sommen wegens opgenomen gelden en de intresten daarvan konden dus niet worden betaald; want suiker enz. kon niet worden verzonden en geld bezat men niet; evenwel werden door gelastigden der Hollandsche kooplieden sommige personen in Suriname voor schulden geregterlijk vervolgd. Verscheidene kolonisten dienden in October 1811 een verzoekschrift in, dat alle vervolgingen, omtrent schulden aan Hollandsche Kooplieden, zouden worden geschorst, daar men thans om boven vermelde redenen, toch in de onmogelijkheidwas,om ze te kunnen voldoen. Dit verzoekschrift werd in handen gesteld van de Reus, Raad-Fiscaal, die er gunstig op adviseerde, waarna het werd toegestaan.97De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost; doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het betalen hunner crediteuren vrij waren en—zij rigtten daarnaar hunne levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel inruime mate.Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?” redeneerden velen: »men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten.”Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »aprèsnous le déluge” zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit temeerte kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.De belangen der Surinamers werden te Londen door Agenten, welke door het Hof van Policie werden benoemd, getrouw en ijverig behartigd98, en in de kolonie zelve heerschte overal bedrijvigheid, zoodat ook de mindere klasse ruime verdiensten had.Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschenjegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a., dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het tooneelgezelschap der Joden,de verrezene Phoenix, opvoerden, en de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen, die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken, bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht, zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen;tenminste zij werden er niet toe geroepen.Bentinck verpligtte de bevolking zeer aan zich, door te bepalen, dat voor de nieuwe kerk der Hervormde Gemeente, die men te Paramaribo wilde bouwen en waarvan de kosten op ƒ 300,000warenbegroot, ⅓ dier kosten uit de Souvereins of ’s Konings kas zou worden verstrekt.99Na deze gunstigetoezeggingenvan Bentinck, in de vergadering van het Hof van Policie op 1 Junij 1810, ging men weldra aan het bouwen; den 26stenJunij 1810 werd de eerste steen gelegd en reeds in 1811 werd de kerk voltooid. Zij werd koepelvormig gebouwd, op acht fraaije pilaren rustte het dak, verder prijkte zij met een goed orgel; doch naar derzelve inwendige ruimte of breedte was zij wat te laag.100Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers, nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:Na den opstand van sommige negerjagers was het corps gereorganiseerd, en ofschoon die nieuwe inrigting van hetzelve vrij wel aan het doel beantwoordde, waren de kosten voor onderhoudvermeerderd. Volgens de overeenkomst door Trigge en Hood met Friderici gemaakt, en sedert niet ingetrokken, moest dit corps uit de koloniale fondsen worden onderhouden. Reeds tijdens het bestuur van Hughes had men ondersteuning hiertoe verzocht (zie bladz.544); doch op die vraag was geen antwoord gekomen. Het Hof wendde zich nu tot Bentinck en deze toonde zich niet ongenegen dit verzoek toe te staan, en—in de vergadering van 30 Augustus 1809—werd door hem aangenomen, om wat het onderhoud van het vrij-corps jaarlijks meer dan ƒ 600,000 zou kosten, uit ’s Konings kas te betalen. Het Hof had gewenscht, dat de som, door de koloniale kassen te dragen, op slechts ƒ 500,000 werd bepaald; doch nam echter het aanbod van Bentinck dankbaar aan, onder voorwaarde, dat onder die som van ƒ 600,000 tevens gedeeltelijk het onderhoud van het cordon, zoude worde begrepen.101Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het jaar 1811, tot ongeveer ƒ 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter eerst na den dood van Bentinck aan het licht.Bentinck overleed den 8stenNovember 1811102; zijn overlijden werd door de blanke bevolking met droefheid vernomen; de Surinaamsche couranten vermelden, met lof, zijne regtvaardigheid, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid; en de dankbare burgerij rigtte hem later in de nieuw gebouwde Hervormde kerk te Paramaribo, een marmeren gedenkteeken op.De Majoor-GeneraalPinsonBonham aanvaardde voorloopig het bewind, en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed doch tevens een zwak man, die zich te veeldoor anderen leiden liet; Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand, waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan, als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden ons van verdere aanmerkingen.Zoodra Bonham het bewind had aanvaard, trachtte hij den wezenlijken stand van zaken te leeren kennen. Al dadelijk trof hem de slechte staat der finantiën. In de souvereins- of koningskas bevond zich slechts: aan papieren geld ƒ 57,055, aan klinkende specie ƒ 7,233, te zamen ƒ 64,288.10.103Dit geringe saldo in ’s konings kas, noopte hem, om onmiddellijk een streng onderzoek naar de oorzaken daarvan in te stellen.Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond sterling bedroeg ƒ 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet ingerigt. Twee en zestigpersonen waren voor een corps, dat slechts 380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris jaarlijks ƒ 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a ƒ 200,000; bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor ƒ 100,000. Bentinck had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten der koloniale en souvereins-kassen te zamen.Op voorstel van Bonham gaf het Hof als zijn gevoelen te kennen, dat Bonham niet gehouden was, om de door de Reus met Cairstairs aangegane contracten gestand te doen. Zij werden dan ook weldra door den Gouverneur vernietigd.104Daar er overal verwarring in de koloniale kassen heerschte werd er eene finantiële commissie, tot nader onderzoek, ingesteld; deze bestond uit den nieuwen Boekhouder-Generaal en de door het Hof benoemde heeren Eysma en Friderici.105Uit dit onderzoek bleek weldra, dat er in de koloniale kas een deficit was van ƒ 535,950.15. Om in de loopende en volstrekt noodige uitgaven evenwel te voorzien, had men de gelden die door het bestuur der weeskamer in de koloniale kas waren gedeponeerd, gebruikt; tevens waren nog vele schulden te betalen.106Bij de verificatie der rekening van de Reus, als Commissaris van het jagercorps, werd door den nieuwen Boekhouder-Generaal al dadelijk een abuis ontdekt van ƒ 23,000, welke som (volgens Bonham) de Reus in zijn eigen zak (his own pocket) had gestoken.107Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen.Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het deficit in de koloniale kas, groot ƒ 335,950.15, geheel gedekt was; dat er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan ƒ 1,000,000 betaald was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van ƒ 99,180.16.1½. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve in de jaren 1809, 10 en 11, ƒ 490,000 meer beliepen dan de door het Hof hiervoor gestelde som van ƒ 600,000; en dit aanmerkelijk te kort door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd, in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog ƒ 821.13 minder dan de door het hof toegestane som van ƒ 600,000 hadden bedragen; zoodat uit de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.Het batig saldo van de souvereinskas bedroeg bij het einde van 1811ƒ 85,178.17.3½; in dat jaar waren eraan buitengewone inkomsten voor eene som van ƒ 187,317.10 ontvangen; daarentegen bevond zich in genoemde kas, bij het einde van 1812 (het eerste van Bonhams bestuur) eene som van ƒ 487,213.10.13½, niettegenstaande er ter reparatie van het Gouvernementshuisalleen ƒ 61,328.83 alleen was noodig geweest.108De rekening der souvereins en der koloniale kassen van 1804 tot het einde van 1812 werden, op last van Bonham, door den Boekhouder-Generaal Melville, in behoorlijke orde opgemaakt en naar Engeland overgezonden.De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen gegaan. Uit ’s konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd voor ƒ 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers, die in 1811 eindelijk tot ƒ 48,10 voor een pond sterling gestegen was, daalde in korten tijd tot ƒ 25.De nog door Bentinck (17 October 1811) bevolen volkstelling, zoowel van slaven als vrijen, werd onder Bonhams bestuur ten einde gebragt. Deorigineelestaten dezer met groote zorg uitgevoerde volkstelling, zijn behoorlijk ingebonden in 16 folio deelen en berusten thans op H. B. M. state-papers-office te Londen.109Volgens deze volkstelling bestond de Portugesche Israëlitische gemeente uit 745 blanken en 79 kleurlingen bezittende 824 slaven; de Duitsche Israëlitische gemeente uit 547 blanken en 16 kleurlingen, bezittende 563 slaven; de Christengemeente uit 737 blanken (⅔ der blanken waren Joden). Het aantal vrije kleurlingen en negers, zoo Christenen als Heidenen bedroeg 2980, dus de geheele vrije bevolking 5104; de particuliere slaven 7115 en de plantaadje-slaven 42,223, met die der Joden (1387) te zamen 50,725. De geheele bevolking van Suriname, uitgezonderd de militairen, bedroeg alzoo 55,829 zielen.110Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds.P. van Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas ƒ 1700,uit de souvereinskas ƒ 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde ƒ 500,uitde tweede ƒ500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente ongeveer ƒ 12,000.Verder waren er eenige Moravische zendelingen, die in hunne kapel elken avond godsdienstoefening hielden, welke altijd vóór 8 ure was afgeloopen, omdat na dien tijd geen slaaf zich op straat mogt vertoonen zonder verlofbriefje van zijnen meester111; en de meeste bezoekers dier kapel behoorden tot den slavenstand. Ook in de districten bevonden zich eenige zendelingen dier gemeente. Bonham legt omtrent hen een gunstig getuigenis af. »Zij voorzien geheel in hunne eigen behoeften. Zij werken met veel zegen; nimmer hoort men van eenige ongeregeldheden door hen verwekt, of worden klagten tegen hen vernomen.” Hunne gemeente bestond uit 83 vrije negers, 20 vrije kleurlingen; 526 neger- en 21 kleurlingslaven.112Sedert de verovering van Suriname door de Engelschen, was er geen geestelijke (Clergyman), om de dienst, naar degebruiken der Engelsche kerk, voor zijne landslieden te houden. Bonham wenschte hierin voorziening te brengen; hij bragt deze zaak in de vergadering van het Hof ter sprake, en, na eenige bezwaren, verkreeg hij de toestemming, om de zaal, boven de vergaderplaats van het Hof, vroeger als Hollandsch bedehuis gebruikt, voor de godsdienstoefening, volgens de Engelsche ritus, te gebruiken. Met eene uitgave van 150 pond sterling werd die zaal voor bedoeld gebruik geschikt gemaakt. Bonham stelde den Garnizoens-prediker Rev. M. Austin totOfficial Clergy-manof the English congregationin Suriname aan. Austin ontving de bevoegdheid, om te doopen, huwelijken te sluiten, de lijkdienst voor gestorvenen te lezen, etc. »Tot dien tijd,” schrijft Bonham, »werden de Engelschen in Suriname als honden, d. i. zonder eenige plegtigheid begraven.” Het Hof stond als tractement voor den Engelschen predikant ƒ 5000 toe; Bonham voegde uit de souvereinskas er ƒ 5000 bij, dus te zamenƒ10,000; dat evenwel bij den toenmaligen wisselkoers niet veel meer dan 250 pond sterling bedroeg113.Onder het bestuur van Bentinck was (3November 1810) een schip, bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in dit geval te moeten handelen.114Hij ontving hierop tot antwoord, dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten bij het W. I.regimentworden ingedeeld. Bentinck had er niets van medegedeeld, doch dit waszoo zijne gewoonte.115Bij een nader onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan”, en daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald; zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik heb”, schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven.”116Het Britsch Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan.117
Den 13denApril 1805 gaf Green hiervan kennis aan het Hof van Policie, en stelde der vergadering de vraag voor, of men nog eenig verzoek aan Z. B. M, had te doen, hetgeen hij dan, bij zijne komst in Engeland, gaarne in persoon zou willen ondersteunen. Het Hof betuigde, bij deze gelegenheid, zijn leedwezen over het vertrek van een man »in wiens magt het had gestaan,”zoo luidde het antwoord: »om de kolonie het lot des oorlogs te doen ondervinden, dan in steede van dit hadde hoogst zijn Edele Gestrenge alles aangewend, wat tot geluk, welvaart en voorspoed van dit wingewest heeft kunnen strekken”47.
Den 15denApril 1805 wierd den volke bij publicatie kennis gegeven van het aanstaande vertrek van den landvoogd48; en reeds twee dagen later, den 17denApril, verliet Green de kolonie.
De Brigadier-Generaal William Carlyon Hughes, die den 12denApril te Suriname was aangekomen, presideerde voor het eerst in eene vergadering van het hof van Policie op den 18dendierzelfde maand, waarin de proclamatie omtrent de aanvaarding van zijn bestuur, als Luitenant-Gouverneur, werd vastgesteld en daarna uitgevaardigd.
De korte regering van Green was vrij rustig geweest; doch zijn plaatsvervanger daarentegen had gedurende zijn bestuur met vele moeijelijkheden te kampen. Al kort na zijne optreding begon zich eene schaarschte aan sommige artikelen in de kolonie te openbaren. Door de aanwezigheid eener vijandelijke zeemagt in de W. I. zee, werd de correspondentie zeer bemoeijelijkt, zoodat er reeds drie brievenmalen te Barbados waren aangekomen, zonder dat men in Suriname er een van had ontvangen49; maar bovendien had de geregelde aanvoer derprovisiën, met Engelsche schepen, geen plaats gevonden.
De handel met Amerikaansche en andere neutrale schepen was achtereenvolgens meer beperkt, en bij de Proclamatiën van7 December 1804 en van 24 April 1805 de invoer van artikelen verboden, waaraan men nu juist behoefte begon te gevoelen. Hiertoe behoorden: boter, rund- en varkensvleesch, haringen en andere soorten van gezouten visch, traan, lijn- en raapolie,kaarsen, zeep, enz. Aan boter en aan haring was bepaald gebrek, en de andere artikelen waren niet dan tot hooge prijzen te bekomen.
En boter was eene eerste behoefte voor alle inwoners; gezouten vleesch en spek niet slechts voor de Directeuren en de andere blanken op de plantaadjes, die zich moeijelijk altijd van versch vleesch of spek konden voorzien, maar ook voor de geringere volksklassen in Paramaribo en voor de koloniale troepen; haring en gezouten visch konden niet worden ontbeerd voor de slavenbevolking.
De traanwas benoodigd voor de lampen op de plantaadjes, bij welker licht de negers hun avondwerk moesten doen; deraap- en spermacetie-olievoor de lampen en de kandelaars in gebruik bij de blanke bevolking. De lijnolie diende, om, met verwstoffen vermengd, de huizen, die allen van hout waren, voor bederf te bewaren; de zeep tot het wasschen van linnen, enz.
Daar men vrees koesterde, dat het nog lang kon duren, voordat de Britsche zeemagt in die wateren, in genoegzamen staat was, om te zorgen, dat de handel met Engeland vrij en ongehinderd kon plaats vinden, wendde het Hof van Policie zich tot Hughes.
In dit ter dier zake ingeleverd verzoekschrift werd verzocht: om, behalve den invoer der artikelen, bij Proclamatie van 24 April 1805 vrijelijk aan Amerikaansche of andere neutrale schepen vergund die vergunning uit te strekken tot de bovengenoemde artikelen en dit tot het einde van het jaar 1805. Ten einde te zorgen, dat Engeland boven anderenatiënbevoorregt bleef, bood men aan, om, boven het, van het reeds per neutrale schepen aangevoerde, regt van 8 pCt., hiervoor nog 12 pCt. inkomende regten te betalen, en den uitvoer tot rum en melassie beperkt te houden. Zoo de Gouverneur bezwaren had omtrent den invoer vankaarsenen zeep, dieanders voornamelijk uit Engeland kwamen, wilde men die bovendien nog met 10 pCt. extra inkomend regt belasten, »waaruit”, gelijk men ten slotte aanvoerde: »genoegzaam bleek, dat het volstrekt niet in de bedoeling van het Hof lag, om vreemdelingen met Engelschen gelijk te stellen”50.
Hughes antwoordde hierop, dat hij onmogelijk dit verzoek kon toestaan, daar het tegen de scheepvaart- en handelswetten van Groot-Brittanje en tegen verscheidene, onlangs uitgevaardigde, besluiten van het Parlement streed. Hij gaf als zijne meening te kennen, dat de Britsche zeemagt in de W. I. zee, weldra genoegzaam zou zijn, om den handel te beschermen; doch—zoo er volstrekt gebrek aan het een of ander mogt komen, en de gelegenheid zich aanbood, om hierin door middel van neutrale schepen te voorzien—dan zoude hij daartoe toestemming verleenen51.
Bij een herhaald dringend aanzoek van het Hof verleende Hughes, bij publicatie van 28 Augustus 1805, vrijheid tot den invoer van Boter, Visch, Kaas en Olie52. Ook later, toen de nood dit vereischte en de Engelsche schepen geen vleesch en spek hadden aangebragt, kocht hij dit van een Amerikaansch schip53.
De ongunstige staat van de geldmiddelen der Kolonie, welke reeds onder Greenbestond, bereikte weldra eene hoogte, die voorziening noodzakelijk maakte. De te korten in de onderscheidene kassen (zie bladz.529) namen toe—in de kas der Modique lasten was een nadeelig slot van ƒ 400,000.—; in de kas ter verdediging tegen de wegloopers ruimƒ 100,000.—en de belastingen, die reeds drukkend waren, konden moeijelijk verhoogd worden. Wat dan nu te doen? Het Committé van Finantiën stelde voor, om het Hoofdgeld van ƒ 1,— tot ƒ 2,10 te brengen,—maar hoe weinig baatte dit; Hughes sprak er van, om eene leening te sluiten,—doch waar zou men de gelden vinden ter betaling der interesten; Heshuysenbetoogde, dat de beste wijze, om in den nood te voorzien, bestond: in de uitgifte van kaartengeld of obligatiën.54
Tot het opvolgen van dien raad van Heshuysen werd weldra besloten;—men was in Suriname hier zoo aan gewend—en, na verkregen magtiging van het Britsch bestuur, werd het papieren geld op nieuw vermeerderd met 4000 billets de banque, ieder à ƒ 125 dus te zamen voor eene som van ƒ 50,000. Het Britsch Gouvernement had bij het verleenen van zijne toestemming hiertoe, echter uitdrukkelijk bepaald, dat men de noodige voorzorgen moest gebruiken, ten einde het Britsch bewind, zoo Suriname, bij den vrede, teruggegeven werd, voor alle aansprakelijkheid ten deze te vrijwaren55. Deze maatregel hielp echter weinig; spoedig heerschte er op nieuw geldgebrek in de koloniale kassen. Een op nieuw aangevraagde vermeerdering van papieren geld werd nu door de Engelsche regering niet toegestaan56, en zoo wist men weldra niet meer wat te doen:—alleen voor het onderhoud van het vrijcorps kwam men jaarlijks meer dan ƒ 100,000 te kort. Het Hof drong bij herhaling aan, om vrijheid te erlangen tot vermeerdering van het papieren geld, of ondersteuning der Engelsche regering te ontvangen voor het onderhoud van het vrijcorps57.
De gedurige vermelding dergeldkwestiënneemt eene groote plaats in deze geschiedenis in, en dit verwondere niemand: want speelt overal in de burgerlijke maatschappij het geld eene groote rol, in eene volkplanting, waar het voornaamste doel der zich nederzettenden is: geld te verdienen, overheerscht de geldkwestie bijna alle andere. Dat het beoogde doel: rijk te worden, velen in den strik deed vallen en in meniglei verzoekingen bragt, bevestigt op nieuw de waarheid van Gods Woord, hetwelk dit heeft voorzegd. Op het goud, verkregen ten koste van het zweet en bloed van medemenschen, rustte geen zegen. Het vermogen, dat niet, onder den zegen Gods, door eigen inspanningverworven, maar door aan anderen afgepersten arbeid is verkregen, werd roekeloos verkwist en evenmin als er orde en spaarzaamheid heerschten in de beheering der koloniale geldmiddelen, evenmin was dit, in den regel, bij particulieren te vinden. Vandaar dat er gedurig veel meer dan ergens elders, regterlijke vervolgingen, verkoop bij executie en gijzeling om schulden plaats hadden. Soms ooktrachttenpersonen de kolonie te verlaten, ten einde vrij van hunne schuldeischers te zijn. Om dit te beletten werd door Hughes eene verordening uitgevaardigd, waarbij kennis werd gegeven: dat er voortaan geen passen aan vertrekkende personen zouden worden afgegeven, ten zij men, 14 dagen vooraf, daarvan ter Gouvernements-Secretarie aangifte deed, en zulks in de nieuwspapieren werd afgekondigd, ten einde de crediteuren gelegenheid te geven, zich daartegen te opposseren, in geval van niet voldoening hunner vorderingen58.
In naauw verband met het doel »geld te verdienen”, stond de telkens benoodigde aanvulling der uitgeput wordende slaven bevolking. En hierin kwam weldra eene groote verandering.
De welsprekende stemmen van mannen alsWilberforce,Buxtonen andere menschenvrienden tegen den menschonteerenden slavenhandel, waren lang als die eens roependen in de woestijn geweest. Zij werden echter telkens en luider en luider herhaald; die edele mannen lieten zich niet door miskenning of bespotting weerhouden; in de kracht huns Heeren gingen zij voort, openlijk en krachtig, tegen dien gruwel te getuigen; eindelijk vonden hunne stemmen weerklank, eerst bij enkelen, later bij meerderen; het werd eene volkszaak en de zaak was gewonnen. De Heer had hunne pogingen gezegend en bij Parlements-acte werd eerst die gruwelijke handel beperkt en spoedig daarna geheel verboden.
Het ligt niet in ons plan om hier eene geschiedenis van de afschaffing des slavenhandels, die na eenige jaren door de afschaffing der slavernij in Britschkoloniënwerd gevolgd, teschrijven; wij willen ons thans slechts bepalen tot het schetsen van den indruk, dien deze maatregel in Suriname teweeg bragt.
Bij Parlements-acte van 23 Mei 1806 was bepaald, dat jaarlijks geen grooter aantal slaven, ter vermeerdering of aanvulling der magten, mogt worden ingevoerd, dan hoogstens drie voor ieder honderdtal, reeds in de kolonie aanwezig. Hughes handelde overeenkomstig deze verordening. In 1806 verleende hij vergunning tot den aanvoer van 987 slaven59; in 1807 tot een getal van 46760.
In Suriname was men over deze beperking zeer ontevreden; men wendde zich daarom bij herhaling tot den Luitenant-Gouverneur, en toen dit bleek vergeefs te zijn, door tusschenkomst van Engelsche agenten, aan de Britsche regering. Zekere Simon Cock te Londen, agent van Melville in Suriname, leverde een verzoekschrift aan het Britsche Gouvernement in; hij uitte daarin de meening, dat indien deze maatregel werd doorgezet, de kolonie, in plaats in bloei toe te nemen, onder het Britsch bestuur, belangrijk zou achter uitgaan. Melville had, ten bewijze van de noodzakelijkheid van een ruimeren aanvoer van slaven, o. a. aan Cock gemeld, dat er, op verscheideneplantaadjesvooral een groot gebrek aan vrouwen was, daar er zich somshonderdmannen tegen slechtsvijfvrouwen bevonden61.
Uit deze door Melville, ten zijnen profijte, aangeduide bijzonderheid blijkt op nieuw, hoe zeer schandelijke winzucht de eischen der natuur over het hoofd deed zien. Wat bekommerde er men zich in Suriname over, of de slavenmagten alzoomoestenafnemen, zoo men door nieuwen invoer hierin slechts kon voorzien. Het stelsel der slavernij geeft aanleiding tot gruwelen van allerlei aard.
De meermalen herhaalde verzoeken, om opheffing der beperking van den slavenhandel, werden niet toegestaan. Integendeel, in December 1807 ontving men in Suriname deParlements-acte betreffende degeheele afschaffing van den slavenhandel, welke met 1 Januarij 1808, in werking zoude komen62.
De eischen van godsdienst en menschelijkheid hadden over die van zelfzucht en eigenbelang gezegevierd: Engeland had den eersten stap op den goeden weg gedaan, die weldra door de andere Europesche mogendheden werd nagevolgd; en—hoezeer men zich in Suriname over dien maatregel beklaagde—men was genoodzaakt zich hieraan te onderwerpen. Men deed dit echter noode en trachtte nu zich door den sluikhandel in slaven schadeloos te stellen, en alzoo werden nog jaarlijks vele dier ongelukkigen ingevoerd. Vooral werd die sluikhandel in het district Saramacca gedreven. Reeds vroeger was de aanmerking gemaakt, dat door de onder Friderici plaats gehad hebbende uitgifte van gronden ter cultivatie, die in genoemd district gelegen waren en het dientengevolge omhakken der bosschen aan den zeekant, de verdediging der kolonie moeijelijk was geworden, omdat de vijand daar landingsplaatsen kon vinden. Bleef dit echter moeijelijk voor zware oorlogsschepen, ligtere vaartuigen, en men bezigde na de afschaffing des slavenhandels, kleine doch snelvarende schepen, om de slaven ter sluik in te voeren, konden er hunne lading meermalen ongehinderd aanwalbrengen. Zelfs spreekt men van kanalen, die opzettelijk tot dit doel zijn gegraven. Om deze kwade praktijken tegen te gaan verbood Hughes, bij proclamatie, de verdere cultivering dezer gronden63. En toch niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen begroot men het getal der slaven, die jaarlijks ter sluik werden ingevoerd, op duizend.
Tijdens het bestuur van Hughes vond eene gebeurtenis plaats, die de gemoederen van velen met schrik en angst vervulde. Het corps negerjagers, dat de Kolonie, in den strijd tegen de Marrons, zoo veel dienst had bewezen, strekte later voornamelijk ter bezetting van het Cordon, dat onder Nepveu was aangelegd, ten einde de Kolonisten voor de overvallen enstrooptogten der wegloopers te beveiligen. Ook nu lagen op de onderscheidene militaire posten detachementen van dit corps. Het onderhoud van dit corps kostte veel, maar toch was men zoo algemeen van de noodzakelijkheid en het nut van dit corps overtuigd, dat men zich gewillig die kosten getroostte: aan hunne getrouwheid was nimmer getwijfeld.
Men stelle zich de ontsteltenis voor, die het berigt te weeg bragt: »Een detachement der Negerjagers, op de posten Oranjebo en Imotapie, bij de Boven-Commewijne, heeft gerevolteerd en twee officieren, een sergeant, twee commissarissen en de Directeur eener plantaadje (allen blanken) vermoord; men heeft de muitelingen dadelijk door eenige soldaten en getrouw gebleven Negerjagers doen vervolgen, doch zij zijn naar Armina, bij de Marowijne gevlugt, en om hen aldaar, dat drie dagreizen verder, in een onbewoond oord ligt, te vervolgen is bijna onmogelijk.”
Het getal der op de beide genoemde posten gerevolteerden bedroeg 30 man; 30 negers eener naburige plantaadje hadden gemeene zaak met hen gemaakt en waren mede gegaan; men vreesde, dat ook de Negerjagers van de post Armina, 20 in getal, deel aan het complot hadden—en dan wie wist hoe ver het zich uitstrekte. De vrees omtrent de bezetting van de post Armina bleef gegrond te zijn.
De revolterende Negerjagers kwamen aan gezegde post; het aldaar gestationeerd detachement vereenigde zich met hen, de aanwezige blanken, de officieren en chirurgijn werden vermoord; een ander detachement aan de post Mapane revolteerde mede en trok zich in de bosschen terug; de officieren en de sergeant ontsnapten echter gelukkig. Het geheele getal der oproerlingen bedroeg nu tusschen de zestig en zeventig zielen.64
De eigenlijke beweegredenen tot dezen opstand liggen in het duister. Er schijnt geene voorafgaande muiterij te hebben plaats gehad, doch het plan tot den opstand was reeds gevormd toen de Majoor Gordon de Negerjagers op de Brandwacht,lang vóór de komst der Britsche troepen, commandeerde. Of de zucht naar geheele onafhankelijkheid hen tot deze daad heeft bewogen; of dat zij in den laatsten tijd minder goed behandeld waren, hetgeen het Britsche Gouvernement waarschijnlijk achtte65, en zij, daarover wrevelig, tot opstand overgingen; of dat, gelijk door sommigen beweerd werd, de planters, voor hooge prijzen, slaven aan het vrijcorps hadden afgestaan, die door hun oproerigen aard reeds op de plantaadjes gevaarlijk waren, wagen wij niet te beslissen. Misschien wel hebben al deze genoemde oorzaken in meerdere en mindere mate hiertoe medegewerkt. Hoe dit dan ook ware, het was een onrustbarend feit; want—het corps dat, vóór den opstand, uit 20 onder-officieren en 336 manschappen bestond, werd hierdoor aanmerkelijk verzwakt, en menvoeldevrees omtrent de getrouwheid der overigen. Die vrees, ofschoon niet ongegrond, werd echter niet verwezenlijkt: de opstand breidde zich niet verder uit. Hughes nam evenwel de voorzorg, om op de posten bij het Cordon, die tot hiertoe alleen aan de Negerjagers waren toevertrouwd, ook andere soldaten te plaatsen en—sedert was daar, gedurende het Engelsch bestuur, eene vrij sterke militaire magt aanwezig.
Een ander bezwaar was:
Zeventig à tachtig goed gewapende negers, met de wijze van krijgvoeren in de bosschen bekend, stonden vijandig tegen de blanke bevolking over; zij vereenigden zich met de Bonni-negers en deden de kolonisten door rooven en plunderen en wegvoeren van slaven, in gestadige angst leven. Zij waren stoutmoedig genoeg: want in November vielen de opstandelingen en een groot aantal Bonni-negers, de nu door soldaten bezette post Armina aan; doch door het dapper gedrag der bezetting werden zij, na een hardnekkig gevecht, genoodzaakt af te trekken66.
Men beproefde om hen in hunne schuilhoeken te vervolgen, doch nutteloos. Hughes begaf zich in persoon naar Armina,ten einde het terrein te verkennen en daarna maatregelen te nemen; hij zag echter de onmogelijkheid in, om met eenige hoop op goed slagen, dieper de bosschen in te dringen en hij moest onverrigter zake terug keeren67.
Later vielen vier der oproerlingen den blanken in handen; list vermogt meer dan geweld. Een plantaadje-slaaf was door de muiters met geweld van zijne plantaadje gesleept, en werd hard door hen behandeld. Streng bewaakt, was het hem onmogelijk te ontsnappen, totdat zich eindelijk eene gelegenheid opdeed, om uit hunne magt te geraken, welke hij gretig aangreep. De muiters verlangden vrouwen te bezitten, en hun gevangene verhaalde hun nu, dat hij, op de plantaadje zijns meesters eene zuster en twee nichten had, die zich ongetwijfeld zouden verheugen, als zij bij degeheel vrijenegerjagers mogten wonen; doch zij hadden geene gelegenheid om van haren meester te ontvlugten. Hij deed hen daarop een voorslag dien zij eerst mistrouwden, daarna bespraken, en eindelijk besloten ten uitvoer te leggen. Na eene sterke bedreiging van den plantaadje-slaaf, dat zij hem, bij het geringste blijk van verraad, zouden dooden, werden vier man, behoorlijk gewapend, met hem afgezonden, om de bedoelde vrouwen te halen. In eene boot voeren zij de rivier af en naderden weldra de plantaadje; voor het aan wal stappen maakte de slaaf hen opmerkzaam, dat zij, indien zij soms met hunne wapenen werden gezien, gevaar liepen ontdekt te worden, waarom hij hun raadde de geweren achter te laten. De negerjagers luisterden naar dezen raad, stapten in den avond aan wal, gingen naar de plantaadje en vonden daar in eene hut de drie meisjes. De plantaadje-neger wist heimelijk zijn voornemen aan haar bekend te maken, waarop zij schijnbaar zich genegen betoonden om mede te gaan. De vier jagers dachten nu hun doel bereikt te hebben; in blijdschap hierover vergaten zij alle gevaar, dronken de aangebodene rum en werden vrolijk. Toen zij door de in groote hoeveelheid gebruikte rum beneveld, niet meer wisten wat er omging, liep de slaaf haastig tot zijn meester en deelde hem deze zaak mede. De hut werd omsingeld, de vier negerjagersoverrompeld, gebonden en naar Paramaribo gebragt. Hier werden zij scherp ondervraagd, en bekenden, dat de muiters hulp van de Aucaners hadden genoten, die ook hadden gezworen, hen niet te zullen verraden. Een hunner stierf in de gevangenis; de drie overgeblevenen werden den 20stenDecember 1806 ter dood gebragt. Het Hof van Policie had er sterk op aangedrongen, dat de straf van radbraken op hen werd toegepast; doch Hughes wilde deze barbaarsche straf niet doen uitvoeren. Zij werden dus gehangen, daarna onthoofd en hunne ligchamen verbrand.68
Gelijk wij reedsopbladz.522hebben aangemerkt, was het eigenlijke hoofdkwartier der Britsche magt inWest-Indiëte Barbados gevestigd; zoodat de gouverneurs der anderekoloniënzich bij belangrijke zaken, als verlangde versterking der krijgsmagt, enz., zich tot den te Barbados residerenden opperbevelhebber moesten wenden, terwijl aan officieren van minderen rang, onder de respectieve Gouverneurs in iedere kolonie het gezag over de aanwezige militairen werd opgedragen. Voor Suriname echter werd, in het begin van 1806, een hoofdofficier de Majoor-Generaal Archer benoemd, om het bevel over de krijgsmagt aldaar te voeren. Hughes stelde dientengevolge op de vergadering van het Hof van Policie voor, om dien onlangs in de kolonie gearriveerden officier, overeenkomstig zijn hoogen rang, eene toelage uit de koloniale kas te verstrekken; in welk voorstel werd toegestemd, en de jaarlijksche toelage op ƒ 12,000 bepaald.69
Archer dankte per missive voor deze gracieuse toezegging; doch kon echter zijne teleurstelling niet ontveinzen, die hij bij zijne komst in Suriname had ondervonden. Hij was namelijk gekomen in de verwachting van zoowel het burgerlijk als het militaire bestuur op zich te nemen, en zag nu zijn werkkring alleen tot het laatste bepaald. Archer deelde in zijnen brief daaromtrent het een en ander mede:»Sir Charles Green”, zoo schrijft hij: »had verlof aan Z. M. gevraagd, om naar Europaterug te keeren; Hughes had hetzelfde verzoek gedaan. Ik was toen bij den staf in Ierland; een vriend van mij en van Hughes stelde mij voor, om, bij het openvallen der betrekking, van Gouverneur waarin ik nuttig kon zijn, hiernaar te dingen. De hoop waarlijk nuttig te kunnen zijn, was de reden en de reden alleen, waarom ik aanbood, om in een tropisch element te dienen, ik wendde mij dus tot den opperbevelhebber, en Z. K. H. was zoo vriendelijk, om zijnen secretaris een brief over deze zaak te dicteren aan den Bevelhebber der Britsche magt in W. I. William Meyers. Het is van algemeene bekendheid, dat deze heer, sedert door Beckwitz vervangen, mij voor de kolonie Suriname wenschte en reeds was er bevel gegeven, dat hetzelfde vaartuig dat mij zou overbrengen den Brigadier Generaal Hughes zou terugvoeren.” Daar Archer dus zeer teleurgesteld was, verzocht hij de Britsche regering naar Europa terug te mogen keeren.70
Tusschen Hughes en Archer kwamen al spoedig onaangenaamheden en het schijnt dat beide heeren niet op eene zeer vriendschappelijke wijze met elkander verkeerden.
De voorname aanleiding hiertoe was het volgende. Volgens gewoonte hadden de afstraffingen der slaven, met Spaansche bokken, plaats op het plein van het fort Zeelandia, waar zich tevens het Militaire Hoofdkwartier bevond. Reeds onder het Protectoraat (1799–1801) hadden de Britsche krijgslieden zich beklaagd over: »het bijna dagelijks voorkomende spektakel, als zeer onaangenaam en rebutant.” Friderici had toen aan het Hof voorgesteld om deze straf af te schaffen of op eene andere plaats te doen executeren71; doch daar de Engelschen kort daarop de kolonie verlieten, was noch het een noch het ander geschied,en nog, bijna dagelijks, werden die wreedebarbaarschestraffen op dezelfde plaats den armen slaven toegediend.De Engelsche officieren en soldaten waren hierover zeer verontwaardigd, en een hunner kapitein Cramstown schreef een brief aan Archer, uit aller naam, waarin hij o.a.getuigde, dat dergelijke strafoefeningen niet slechts tegen alle menschelijkheid streden, maar dat ook de kreeten der ongelukkige wezens, gedurende hunne pijniging geslaakt (the cries of these poor wretches, suffering torture) de soldaten in de vervulling hunner pligten hinderden.72
Archer deelde dezelfde overtuiging en verzocht daarom aan Hughes, dat hij bevel zou geven, om de kastijding der slaven niet langer op het hoofdkwartier van Z. B. M. troepen te doen plaats vinden: daar het menschelijk gevoel er tegen opkwam en het de Britsche vlag, onder welker bescherming zoo iets gebeurde, onteerde, enz.73. Aangezien Archer geen dadelijk antwoord daarop ontving, wendde hij zich na eenige dagen opnieuw tot Hughes, met herhaling van het vorige verzoek74. Hughes berigtte hem toen, dat hij zijne brieven en die van kapitein Cramstown aan het Hof overgelegd en de inhoud daarvan aan den Fiscaal had medegedeeld en het antwoord daarop afwachtte75. De Fiscaal antwoordde reeds den volgenden dag. Hij rekende zich zeer beleedigd over de woorden in Cramstown’s brief »the cries of these poor wretches suffering torture;” daar die woorden eene beschuldiging tegen hem Fiscaal inhielden, als of hijtorture(pijniging) toe liet. Verder verklaarde hij, dat Zeelandia de geschikste plaats voor dergelijkeafstraffingenwas, daar men er ook tevens de gevangenis had; dat men het sedert onheugelijke jaren alzoo gewend was, en dat het tevens een regt der ingezetenen was hunne slaven daartoe naar het fort te zenden76. Archer intusschen bleef aanhouden en verweet Hughes, dat hij van zijne magt geen beter gebruik maakte77.
Hughes zond hierop naar Archer copij der Notulen van het Hof der Policie, gehouden den 22stenFebruarij 1806. De leden van het Hof beschouwden deze daad van Archer als eenepoging tot verkrachting der wetten, die zelfs door den Souverein waren bekrachtigd; overigens kwam hunne beschouwing met die van den Raad-Fiscaal overeen78.
Archer verdedigde zich tegen de aantijging als of hij gepoogd had, de door zijnen Souverein bekrachtigd koloniale wetten, te verkrachten; tevens beschuldigde hij Hughes van zwakheid en inconsequentie, daar hij wel op eigen gezag belastingen had durven uitschrijven en toch niet een zoo groot kwaad durfde tegen te gaan. Om de bewering dat die straf geene pijniging was te logenstraffen, beschreef hij in gloeijende kleuren, het toedienen eener zoogenaamde spaansche bok; welke beschrijving, hoe waar ook, wij nogtans om het gevoel onzer lezers te sparen, achterwege laten. »Niet naar evenredigheid der misdaad van den gestrafte” eindigt hij zijn brief, »maar naar de door den meester betaalde som, worden meer of minder hevige slagen of een meer of min groot getal toegediend. Met het Hof of met den Fiscaal heb ik niets te maken; alleen met u en ik verzoek u hierover naar Engeland te schrijven of anders zal ik het doen”79. Hughes antwoordde slechts, dat hij zijn brief had ontvangen80; een later door Archer begeerd mondgesprek werd hem afgewezen, op grond, dat hij in zijn karakter als militair en als Luitenant-Generaal wasbeleedigdgeworden. Hughes zond de onderscheidene documenten, betreffende deze naar Beckwitz; hij beklaagde zich zeer over den trotsheid en onhandelbaarheid van Archer, die met ieder kwade vrienden werd, en verzocht aan Beckwitz om Z. K. H. verder omtrent deze kwestie in te lichten, opdat Archer niet door eenzijdig verhaal zijn goeden naam en eere zoude benadeelen81. Archer verliet weldra de kolonie; de zaken bleven op den ouden voet en de kastijding der slaven op het fort Zeelandia alzoo voortduren.
Van verschillende zijden rezen klagten over de handelwijzeder beambten van Z. M. Customhouse. Die klagten hielden in, dat zij te hooge belooningen eischten; dat zij willekeurig de kantooruren verkortten en indien zij in tusschen-uren de belanghebbenden hielpen, het dubbelde der gewone som verlangden; en eindelijk, dat zij het den burgers zeer lastig maakten, door, zonder de wetten der kolonie in acht te nemen, in de pakhuizen te dringen, ten einde te onderzoeken of er zich sluikwaren in bevonden. In hoe verre deze klagten gegrond waren is moeijelijk met zekerheid te bepalen. Omtrent de eerste beschuldiging, beweerden de ambtenaren van het Customhouse, dat zij hun wettig tarief niet hadden overschreden; doch, omdat het kaartengeld in waarde was verminderd en in plaats van ƒ 12,— voor een pond sterling thans ƒ 24.— moest worden betaald, zij volgens dien koers rekenden; de tweede beschuldiging werd bepaald door hen ontkend en wat de derde betrof, getuigden zij hiertoe door de noodzakelijkheid om hun pligt te vervullen, te zijn gedwongen geworden. Omtrent deze laatste beschuldiging werden door de joden Sanches en Abrahams klagten bij Hughes en bij het Hof van Policie ingeleverd. Cameron, de hoofdambtenaar bij Z.M. Customhouse, was met eenige lieden bij het pakhuis van Sanches gekomen, en had den eigenaar verzocht, hetzelve te mogen onderzoeken, daar hij vermoedde, dat er gesmokkelde goederen in waren. Sanches erkende hem niet in zijne functie en weigerde dus het verzoek toe te staan. Cameron trok hierop een dolk en herhaalde met hooge woorden zijn verzoek; Sanches week op zijne bedreiging terug; vervolgens was »een hoop vreemde lieden” in het pakhuis gegaan en had 5 kistjes en 5 trossen touw uit het pakhuis naar het Custom-house vervoerd82.
De tweede Fiscaal Lolkens, die provisioneel als eerste fungeerde, daar Spiering, om redenen vangezondheidzijn ambt had nedergelegd, trok zich deze zaak aan. Hij vermeende dat Cameron in zijne regten had ingegrepen, en achtte zich hierdoor beleedigd. Lolkens wendde zich, per geschrifte, tot Hughes en stelde hem de navolgende vragen voor:1o. of Cameronen de andere ambtenaren van het Customhouse al of niet aan de wetten der kolonie onderworpen waren;2o. of hij (Lolkens) inzage mogt hebben van de wetten en reglementen voor het Custom-house, om dienovereenkomstig te kunnen handelen. Verder verlangde hij dat Hughes Cameron verbieden zou de door hem medegenomen goederen te verkoopen, totdat de Fiscaal zijn onderzoek volbragt en daarover rapport had gedaan.83
De door Hughes aan Lolkens daarop verleende inlichtingen kwamen laatstgenoemden niet genoegzaam voor; terwijl Hughes zijne vragen nietcategorisch, maar eenigzins onbepaald had beantwoord; doch hem zeer bepaald aan zijnen pligt had herinnerd, om de ambtenaars van ’s konings Customhouse te protecteren. Lolkens diende nu een uitvoerig rapport bij het Hof in, en verklaarde daarin, dat de tolbeambten zich meermalen met geweld toegang tot de pakhuizen der ingezetenen hadden verschaft84. Ook Sanches en Abrahams leverden rekwesten in aan het Hof en—aldaar onstonden over deze zaak hevigediscussiën.
Hughes wilde deze zaak door commissarissen, daartoe door het Britsch bewind te benoemen, doen onderzoeken; hij zelf was niet te vreden over de beambten bij het Custom-house[Customhouse] en hij had reeds vroeger moeijelijkheden met Cameron gehad, bij gelegenheid dat door het Britsch Gouvernement zekere heer Bollingbroke naar Suriname was gezonden, om het ambt van vendue-meester te aanvaarden, en Cameron dit officie niet aan dien heer wilde overgeven85. Hughes vermeende evenwel, dat Lolkens te ver ging en zijn eerbied voor de Britsche magt te veel uit het oog verloor, waarom hij hem uit zijn ambt ontsloeg86.
Door het Britsch Gouvernement werd vervolgens een onderzoek ingesteld en hiermede Charles Thesinger,Collector of H. M.Customsat St. Vincentbelast. Het daarover door dien heer (na den dood van Hughes) ingediend rapport behelsde hoofdzakelijk, dat de klagten overdreven waren, dat particuliere grieven tusschen Hughes en de ambtenaren van het Custom-house tot eene onbillijke beoordeeling der laatsten hadden geleid; dat de Joden verbaasd veel sloken en streng onderzoek bij hen daarom noodzakelijk maakte; kortom, dat de ambtenaren van Z. M. tolhuis niet met regt van pligtverzuim konden worden beschuldigd87.
De landbouw en handel gingen tijdens het bestuur van Hughes niet achteruit.Van 5 Januarij 1807 tot 5 Januarij 1808 werden uitgeklaard: naar Engeland 31 schepen, naar de Britsche bezittingen op het vaste land van Amerika 8, naar Britsche West-Indische eilanden 23, naar de neutrale staten van Amerika 28, te zamen 118 schepen, beladen met voortbrengselen der kolonie. Bij de levendigheid van de scheepvaart verloor men wel eens de noodige voorzorg, om steeds bij het convooi te blijven, uit het oog; zoo werden in September o. a. drie uit de kolonie vertrokken schepen, tengevolge dier onvoorzigtigheid, door een Franschen kaper buit gemaakt: een dier schepen, de Neptunes, had goederen en papieren voor de Britsche regering aan boord88.
Hughes intusschen verlangde naar Engeland terug te keeren; hij verzocht en verkreeg daartoe verlof89; echter heeft hij Engeland niet weder gezien; daar hij voor zijn vertrek nog in Suriname (27 September 1808) overleed90.
John Wardlau, de bevelhebber van de krijgsmagt nam, tot nadere beschikking van Z. B. M. het burgerlijk bewind op zich. Gedurende dit tusschenbestuur, van 27 September 1808 tot 1809, is weinig anders geboekt, dan dat de planters aanWardlaueene memorie inleverden; waarbij zij vergunning verzochten, om—zooals dit reeds aan planters te Essequebo enDemerarywas toestaan—hunne ladingen, onder een behoorlijk convooi, direct naar Engeland te mogen verzenden, in plaats van genoodzaakt te worden den omweg te nemen langs de eilanden onder den wind en St. Kits, die daarenboven gevaarlijker was91. Echter geschiedde er tijdens dit interims-bestuur een belangrijk feit, dat wel niet in Suriname voorviel, maar toch voor genoemde kolonie, vooral voor hare veiligheid niet onbelangrijk was, namelijk: Cayenne werd door den Franschen bevelhebber, bij verdrag, aan Z. K. H. den Prins Regent van Portugal, toenmaals Bondgenoot van Groot-Brittanje en den Britschen vlootvoogd IJko overgegeven.
De Fransche Gouverneur van Cayenne, Victor Hugues was voornamelijk tot de overgave van den aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie overgegaan, omdat de slaven zich aan de zijde des vijands schaarden en daarenboven de kolonie met verwoesting bedreigden en reeds eenige plantaadjes, waaronder die van den Gouverneur, in brand hadden gestoken. (Zijne strenge reglementen, zie bladz.537,hadden zeker de gemoederen der slaven verbitterd).
Hugues stelde o. a. als voorwaarde, dat de negerslaven ontwapend en naar hunne plantaadjes zouden terug gezonden worden, en dat zij, die door Z. K. H. den Prins Regent in militaire dienst waren aangenomen en in vrijheid gesteld, uit de kolonie zouden worden verwijderd, daar men van het verblijf dezer lieden, voortaan niets dan onrust en verwarring kon te gemoet zien92.
Het Britsche Gouvernement vermeende de bevolking der koloniën Suriname en Demerary genoegen te doen, door de vacante Gouverneursplaatsen door Hollanders te doen vervullen. De keuze daartoe viel op de gebroeders Bentinck, afstammelingen van een oud aanzienlijk en in de geschiedenis bekend Hollandsch geslacht, die, omdat zij zich niet met de bestaandeorde van zaken in Nederland konden vereenigen, naar Engeland waren uitgeweken. Baron Henry Bentinck werd tot Gouverneur van Demerary; Baron Charles Bentinck werd tot Gouverneur van Suriname benoemd, en zij vertrokken, ter aanvaarding hunner betrekking in April 1809 uit Engeland. Baron CharlesBentinckarriveerde den 14denMei 1809 te Paramaribo, en werd door John Wardlau, met de meeste vriendelijkheid, ontvangen. Bentinck vond de kolonie rustig en in de koloniale kassen, hem door Wardlau overgegeven, eene som van ƒ 383,00093.
Met Bentinck kwam mede: een predikant voor de Hervormde Gemeente,Ds.P. van Esch, die vroeger op Curaçao had gestaan en een Duitsch Geneesheer Dr. Suppert. De Hervormde Gemeente te Paramaribo was reeds twee jarenzonder leeraar geweest; de Engelsche Gouverneurs hadden telkens het verzoek van het Hof van Policie ter voorziening in dat gemis, aan het Britsche bewind, ondersteund; doch men had niet spoedig een geschikt persoon hiervoor kunnen vinden. Aan Bentinck, die er zich te Londen moeite voor gaf, was dit eindelijk gelukt.94
De komst vanDs.van Esch vervulde eene lang gevoelde behoefte, daar de kerkedienst nu weder geregeld kon worden waargenomen, en men hiervan goede verwachting koesterde ter bevordering van Godsdienst en zedelijkheid. Ook het schoolonderwijs bevond zich ter dien tijd in een ellendigen toestand; doch in hetzelfde jaar 1809 kwam de bekwame schoolonderwijzer Johannes Vrolijk in de kolonie. Hij was een inboorling van Suriname, een kleurling, en had in Nederland zijne opleiding genoten. Van toen af werd er spoedig eene verbetering bespeurd, die waarlijk verrassend was. Vrolijk had weldra eene groote welbezochte school en vormde zeer kundige leerlingen, die in de Surinaamsche maatschappij het sieraad uitmaken van den kring, waartoe zij behooren. Devermeerderingvan het personeel der Geneesheeren door de komst van Dr. Suppert was mede een gewenschte aanwinst.
Baron Bentinck was door de blanke bevolking zeer bemind; hij trachtte, zoo veel mogelijk, hun belang te bevorderen: hij ging hierbij zelfs zoo ver, dat hij de belangen der Britsche regering, wier behartiging hem in de eerste plaats was toevertrouwd, wel eenigermate uit het oog verloor. Van geen der, in den Engelschen tijd, geregeerd hebbende Gouverneurs, bestaat zoo weinigeofficieeleCorrespondentie; daarom moeten de bijzonderheden, omtrent zijn bestuur, voornamelijk worden ontleend aan brieven, memoriën en verschillende andere stukken door zijn opvolger aan het Britsch Gouvernement overgelegd, en die misschien niet geheel onpartijdig zijn.
Voor zoo veel wij uitofficieeleen andere stukken kunnen opmaken, komt het ons voor, dat Baron Bentinck een goed man was, die werkelijk het welzijn van Suriname bedoelde.
Evenmin echter kan het worden ontkend, dat hij, door te groote toegevendheid en door den invloed van verkeerde raadslieden, bij gebrek aan genoegzaam doorzigt, een verwarden staat van zaken, voornamelijk wat de geldmiddelen betrof, veroorzaakte. Dat hij zelf geheel ter goeder trouw en niet met zelfzuchtige bedoelingen heeft gehandeld, vermeenen wij, dat buiten twijfel is.
Scheen bij de komst van Bentinck alles rustig te zijn, het bleek echter weldra, dat ontevredenheid onder de Aucaner-negers heerschte, omdat zij de gewone geschenken niet op hun tijd hadden ontvangen.
Bentinck trachtte hen, zoo goed mogelijk, te bevredigen, en drong bij het Britsch Gouvernement sterk aan, dat weder de gewone uitdeeling zou plaats vinden; daar hij zonder deze voor het uitbreken van vijandelijkheden beducht was95.
Ook werd er onrust in de Kolonie verwekt door zekeren Engelschman, Maxwill genaamd, die zich, bij uitvoerig schrijven, aan den Britschen Secretaris van staat, zeer over Bentinck beklaagde. Maxwill noemde den Gouverneur een vreemdeling, die geheel onder den invloed van anderen, voornamelijkonder dien van den Oud-Gouverneur Friderici staande, niet meer dan eene machine was. Hij beschreef Bentinck verder als omringd door vleijers, met name Anthony White, kapitein Pearce en Martijr, welke laatstgenoemde ook vroeger de raadsman van Hughes was geweest; doch aan wien Hughes nog vóór zijn dood het huis had verboden, en de in 1807 ontslagen, doch sedert op nieuw aangestelde 2deFiscaal (Lolkens.)
Maxwill deelde verder mede, dat hij stappen had gedaan, ter ontdekking van een complot tegen Z. M. Deputy-Commissaris-Generaal Alexander, in welk complot ook Bentinck was gewikkeld. Waarin dat complot bestond, verhaalde hij niet; maar wel weidde hij veel uit over zijne gevangenneming, en slechte behandeling in den vunzigen kerker van het fort Zeelandia.
Of dat complot ergens elders dan in het brein van Maxwill heeft bestaan hebben wij niet kunnen ontdekken; veeleer komt het ons waarschijnlijk voor, dat Maxwill den Gouverneur en den Fiscaal had beleedigd en dien ten gevolge in de gevangenis is geworpen.96
Keizer Napoleon, die zijn meestersstaf toen ook over ons vaderland zwaaide, had bij het zoogenaamde continentaal stelsel den invoer van koloniale producten verboden; al die voortbrengselen vervulden dus nu de markten van Engeland. Ook de Surinaamsche planters consigneerden hunne producten naar Engeland, waartoe zij verpligt waren. De aan Hollandsche kooplieden verschuldigde sommen wegens opgenomen gelden en de intresten daarvan konden dus niet worden betaald; want suiker enz. kon niet worden verzonden en geld bezat men niet; evenwel werden door gelastigden der Hollandsche kooplieden sommige personen in Suriname voor schulden geregterlijk vervolgd. Verscheidene kolonisten dienden in October 1811 een verzoekschrift in, dat alle vervolgingen, omtrent schulden aan Hollandsche Kooplieden, zouden worden geschorst, daar men thans om boven vermelde redenen, toch in de onmogelijkheidwas,om ze te kunnen voldoen. Dit verzoekschrift werd in handen gesteld van de Reus, Raad-Fiscaal, die er gunstig op adviseerde, waarna het werd toegestaan.97
De schuldenaars werden hierdoor tijdelijk uit hunnen druk verlost; doch bij velen was het nu, alsof zij geheel en voor altijd van het betalen hunner crediteuren vrij waren en—zij rigtten daarnaar hunne levenswijze en verteringen in en maakten weldra nieuwe schulden bij de Engelsche handelshuizen, die wederom voorschotten gaven en wel inruime mate.
Men baadde zich in overdaad; de verkwisting van sommige kolonisten kende geen palen; »waarom zou men zuinig zijn?” redeneerden velen: »men had nu geld genoeg; want men behoefde geene remises naar Nederland te doen, en Engeland gaf hooge voorschotten.”
Zoo redeneerden velen en handelden dien overeenkomstig; zoo leefde men in begoocheling voort en bedacht niet, dat de in Holland opgenomen gelden, door de jaarlijksche renten aanmerkelijk grooter werden.
In Suriname leefden velen volgens het ligtzinnig beginsel »aprèsnous le déluge” zorgeloos voort, en thans vermeenden zij dit temeerte kunnen doen, daar de landbouw niet achteruit ging; want was wel door de wet op de afschaffing des slavenhandels de invoer van slaven verboden, ter sluiks werden genoegzaam negers ingevoerd; men behoefde dus hunne krachten niet te sparen en de handel zelfs bloeide.
De belangen der Surinamers werden te Londen door Agenten, welke door het Hof van Policie werden benoemd, getrouw en ijverig behartigd98, en in de kolonie zelve heerschte overal bedrijvigheid, zoodat ook de mindere klasse ruime verdiensten had.
Ook bestond er vrij algemeen eene goede gezindheid der Engelschenjegens de Surinaamsche burgers. Tot bewijs daarvan strekt o. a., dat de Engelsche officieren tooneelstukken in het gebouw van het tooneelgezelschap der Joden,de verrezene Phoenix, opvoerden, en de opbrengst van dergelijke voorstellingen, bezigden, om personen, die voor schulden in de gevangenis zaten, uit hunnen kerker te verlossen. Dit doel werd bij de aankondiging der te geven stukken, bepaaldelijk uitgedrukt, en de voorstellingen werden druk bezocht, zoodat menigeen de weldadige vruchten daarvan heeft gesmaakt.
De Joden echter werden in den Engelschen tijd vernederd en achteruit gezet. Zij mogten geene openbare bedieningen waarnemen;tenminste zij werden er niet toe geroepen.
Bentinck verpligtte de bevolking zeer aan zich, door te bepalen, dat voor de nieuwe kerk der Hervormde Gemeente, die men te Paramaribo wilde bouwen en waarvan de kosten op ƒ 300,000warenbegroot, ⅓ dier kosten uit de Souvereins of ’s Konings kas zou worden verstrekt.99
Na deze gunstigetoezeggingenvan Bentinck, in de vergadering van het Hof van Policie op 1 Junij 1810, ging men weldra aan het bouwen; den 26stenJunij 1810 werd de eerste steen gelegd en reeds in 1811 werd de kerk voltooid. Zij werd koepelvormig gebouwd, op acht fraaije pilaren rustte het dak, verder prijkte zij met een goed orgel; doch naar derzelve inwendige ruimte of breedte was zij wat te laag.100
Won Bentinck door dergelijke mildheid de liefde der Surinamers, nog meer steeg zijn aanzien bij hen door het volgende:
Na den opstand van sommige negerjagers was het corps gereorganiseerd, en ofschoon die nieuwe inrigting van hetzelve vrij wel aan het doel beantwoordde, waren de kosten voor onderhoudvermeerderd. Volgens de overeenkomst door Trigge en Hood met Friderici gemaakt, en sedert niet ingetrokken, moest dit corps uit de koloniale fondsen worden onderhouden. Reeds tijdens het bestuur van Hughes had men ondersteuning hiertoe verzocht (zie bladz.544); doch op die vraag was geen antwoord gekomen. Het Hof wendde zich nu tot Bentinck en deze toonde zich niet ongenegen dit verzoek toe te staan, en—in de vergadering van 30 Augustus 1809—werd door hem aangenomen, om wat het onderhoud van het vrij-corps jaarlijks meer dan ƒ 600,000 zou kosten, uit ’s Konings kas te betalen. Het Hof had gewenscht, dat de som, door de koloniale kassen te dragen, op slechts ƒ 500,000 werd bepaald; doch nam echter het aanbod van Bentinck dankbaar aan, onder voorwaarde, dat onder die som van ƒ 600,000 tevens gedeeltelijk het onderhoud van het cordon, zoude worde begrepen.101
Bentinck beging hier, geheel ter goeder trouw, eene groote onvoorzigtigheid; want toen men die toezegging had, bekommerde men er zich niet meer over, hoeveel het onderhoud meer zou kosten. Ruw werd er met de gelden omgesprongen en alzoo werden de kosten, in het jaar 1811, tot ongeveer ƒ 1,200,000 opgevoerd. Dit alles kwam echter eerst na den dood van Bentinck aan het licht.
Bentinck overleed den 8stenNovember 1811102; zijn overlijden werd door de blanke bevolking met droefheid vernomen; de Surinaamsche couranten vermelden, met lof, zijne regtvaardigheid, zachtmoedigheid en verdraagzaamheid; en de dankbare burgerij rigtte hem later in de nieuw gebouwde Hervormde kerk te Paramaribo, een marmeren gedenkteeken op.
De Majoor-GeneraalPinsonBonham aanvaardde voorloopig het bewind, en werd 30 Mei 1812 definitief tot Gouverneur van Suriname benoemd.
Bonham was een geheel ander man dan Bentinck. Was Bentinck een goed doch tevens een zwak man, die zich te veeldoor anderen leiden liet; Bonham daarentegen bezat kracht, zelfstandigheid en energie. Met een vaste hand greep hij de teugels van het bestuur en ontzag niemand, waar hij vermeende dat zijn pligt hem gebood. Hij vond een verwarden stand van zaken in Suriname; hij wenschte dien te verbeteren èn orde èn regel in de verschillende takken van bestuur te doen heerschen. Dit echter was een moeijelijk werk; de tegenstand, dien hij daarbij ondervond, maakte hem soms bitter, en hooghartige trots deed hem soms de vereischte matiging uit het oog verliezen. Bonham was streng regtvaardig; hij bezat evenwel een medelijdend hart; want geen der vorige Gouverneurs trok zich het lot der arme slaven zoo krachtig aan, als Bonham. Wij zullen hem nu handelend zien optreden en onthouden ons van verdere aanmerkingen.
Zoodra Bonham het bewind had aanvaard, trachtte hij den wezenlijken stand van zaken te leeren kennen. Al dadelijk trof hem de slechte staat der finantiën. In de souvereins- of koningskas bevond zich slechts: aan papieren geld ƒ 57,055, aan klinkende specie ƒ 7,233, te zamen ƒ 64,288.10.103Dit geringe saldo in ’s konings kas, noopte hem, om onmiddellijk een streng onderzoek naar de oorzaken daarvan in te stellen.
Al spoedig zag hij, dat men zijn voorganger met slechten raad gediend had, waarop hij onmiddellijk de voornaamste raadgevers van Bentinck, als: De Reus, Raad Fiscaal, en H. L. Meynertzhagen, Raad Boekhouder-Generaal, uit hunne functien ontsloeg en de heeren Egbert Veldwijk en Andrew Melville provisioneel in hunne plaats aanstelde.
Bonham ontdekte verder, dat bij ieder departement eene onbeschrijfelijke wanorde heerschte; bijna zoude men zeggen, dat de kolonie in staat van bankroet was; de wisselkoers voor een pond sterling bedroeg ƒ 45 en zoo was alles naar evenredigheid. Dit moest anders worden. Vooral was men ten opzigte van de uitgaven voor het vrijcorps op ruwe en verkwistende wijze te werk gegaan. De administratie was op een veel te omslagtigen en kostbaren voet ingerigt. Twee en zestigpersonen waren voor een corps, dat slechts 380 man bedroeg, in onderscheidene betrekkingen geëmploijeerd en genoten bezoldiging; de Reus alleen ontving als Commissaris jaarlijks ƒ 30,000. En dan de wijze van administratie! Door de Reus was met zekeren Cairstairs een contract aangegaan, tot levering van voedingsmiddelen voor genoemd corps, voor drie maanden a ƒ 200,000; bij een ander contract was daarenboven aanbesteed: het leveren van rum en zoutevisch, mede voor drie maanden, voor ƒ 100,000. Bentinck had te ligtvaardig contracten goedgekeurd, waardoor de kosten tot onderhoud van het vrijcorps, meer zou hebben bedragen dan de inkomsten der koloniale en souvereins-kassen te zamen.
Op voorstel van Bonham gaf het Hof als zijn gevoelen te kennen, dat Bonham niet gehouden was, om de door de Reus met Cairstairs aangegane contracten gestand te doen. Zij werden dan ook weldra door den Gouverneur vernietigd.104
Daar er overal verwarring in de koloniale kassen heerschte werd er eene finantiële commissie, tot nader onderzoek, ingesteld; deze bestond uit den nieuwen Boekhouder-Generaal en de door het Hof benoemde heeren Eysma en Friderici.105Uit dit onderzoek bleek weldra, dat er in de koloniale kas een deficit was van ƒ 535,950.15. Om in de loopende en volstrekt noodige uitgaven evenwel te voorzien, had men de gelden die door het bestuur der weeskamer in de koloniale kas waren gedeponeerd, gebruikt; tevens waren nog vele schulden te betalen.106Bij de verificatie der rekening van de Reus, als Commissaris van het jagercorps, werd door den nieuwen Boekhouder-Generaal al dadelijk een abuis ontdekt van ƒ 23,000, welke som (volgens Bonham) de Reus in zijn eigen zak (his own pocket) had gestoken.107
Kende Bonham nu den stand der zaken, hij was ook ijverig bedacht om hierin verbetering te brengen en dit zonder tot het anders zoo gewone middel, het maken van nieuw kaarten geld, zijne toevlugt te nemen. In vereeniging met het Hof voerde hij een betere heffing van de onderscheidene belastingen in; vele onregelmatigheden hielden hierdoor op en de gewone belastingen bragten nu veel meer op. Verder maakte hij het den onderscheiden ambtenaren tot pligt, om in al hunne administratiën eene behoorlijke zuinigheid in acht te nemen; en zoo nam Bonham voor, de evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven te herstellen.
Dit voornemen werd met ijver en energie ten uitvoer gelegd, en de uitkomst bekroonde de verwachting. Reeds in Julij 1813 kon Bonham aan het Britsch-Gouvernement berigten, dat, bij het einde van 1812, het deficit in de koloniale kas, groot ƒ 335,950.15, geheel gedekt was; dat er bovendien in de eerste negen maanden, meer dan ƒ 1,000,000 betaald was, wegens schulden, tijdens het driejarig bestuur van Bentinck gemaakt en onbetaald gebleven; en eindelijk, dat er nu, in plaats van een tekort in de kas, een saldo aanwezig was van ƒ 99,180.16.1½. Omtrent het vrijcorps meldde hij, dat de uitgaven voor hetzelve in de jaren 1809, 10 en 11, ƒ 490,000 meer beliepen dan de door het Hof hiervoor gestelde som van ƒ 600,000; en dit aanmerkelijk te kort door de souvereins-kas was gedekt; dat die uitgaven, zoo de contracten door de Reus met Cairstairs en anderen gesloten, waren nageleefd, in 1812 nog oneindig veel grooter zouden zijn geweest; terwijl zij thans door zijne bezuinigings-maatregelen, nog ƒ 821.13 minder dan de door het hof toegestane som van ƒ 600,000 hadden bedragen; zoodat uit de souvereinskas hiertoe geen penning behoefde bijbetaald te worden.
Het batig saldo van de souvereinskas bedroeg bij het einde van 1811ƒ 85,178.17.3½; in dat jaar waren eraan buitengewone inkomsten voor eene som van ƒ 187,317.10 ontvangen; daarentegen bevond zich in genoemde kas, bij het einde van 1812 (het eerste van Bonhams bestuur) eene som van ƒ 487,213.10.13½, niettegenstaande er ter reparatie van het Gouvernementshuisalleen ƒ 61,328.83 alleen was noodig geweest.108De rekening der souvereins en der koloniale kassen van 1804 tot het einde van 1812 werden, op last van Bonham, door den Boekhouder-Generaal Melville, in behoorlijke orde opgemaakt en naar Engeland overgezonden.
De finantiën werden gedurende het bewind van Bonham geregeld en ordelijk bestuurd; onnoodige uitgaven vermeden en verkwisting tegen gegaan. Uit ’s konings kas werden van tijd tot tijd aanzienlijke sommen naar het Britsch Gouvernement overgemaakt; in de koloniale fondsen heerschte evenredigheid tusschen inkomsten en uitgaven; en er werd geen nieuw kaartengeld uitgegeven; integendeel in 1814 werd voor ƒ 150,000 vernietigd. Het vertrouwen herleefde en de wisselkoers, die in 1811 eindelijk tot ƒ 48,10 voor een pond sterling gestegen was, daalde in korten tijd tot ƒ 25.
De nog door Bentinck (17 October 1811) bevolen volkstelling, zoowel van slaven als vrijen, werd onder Bonhams bestuur ten einde gebragt. Deorigineelestaten dezer met groote zorg uitgevoerde volkstelling, zijn behoorlijk ingebonden in 16 folio deelen en berusten thans op H. B. M. state-papers-office te Londen.109
Volgens deze volkstelling bestond de Portugesche Israëlitische gemeente uit 745 blanken en 79 kleurlingen bezittende 824 slaven; de Duitsche Israëlitische gemeente uit 547 blanken en 16 kleurlingen, bezittende 563 slaven; de Christengemeente uit 737 blanken (⅔ der blanken waren Joden). Het aantal vrije kleurlingen en negers, zoo Christenen als Heidenen bedroeg 2980, dus de geheele vrije bevolking 5104; de particuliere slaven 7115 en de plantaadje-slaven 42,223, met die der Joden (1387) te zamen 50,725. De geheele bevolking van Suriname, uitgezonderd de militairen, bedroeg alzoo 55,829 zielen.110
Het predikambt werd bij de Hervormde gemeente bekleed door Ds.P. van Esch; bij de Luthersche door Ds. J. Koops en de kerkelijke diensten bij de Roomsch Catholieken waargenomen door een pastoor wiens naam niet genoemd wordt. Ds. van Esch ontving uit de koloniale kas ƒ 1700,uit de souvereinskas ƒ 5000; Ds. J. Koops uit eerstgenoemde ƒ 500,uitde tweede ƒ500; de R. C. pastoor ontving van zijne gemeente ongeveer ƒ 12,000.
Verder waren er eenige Moravische zendelingen, die in hunne kapel elken avond godsdienstoefening hielden, welke altijd vóór 8 ure was afgeloopen, omdat na dien tijd geen slaaf zich op straat mogt vertoonen zonder verlofbriefje van zijnen meester111; en de meeste bezoekers dier kapel behoorden tot den slavenstand. Ook in de districten bevonden zich eenige zendelingen dier gemeente. Bonham legt omtrent hen een gunstig getuigenis af. »Zij voorzien geheel in hunne eigen behoeften. Zij werken met veel zegen; nimmer hoort men van eenige ongeregeldheden door hen verwekt, of worden klagten tegen hen vernomen.” Hunne gemeente bestond uit 83 vrije negers, 20 vrije kleurlingen; 526 neger- en 21 kleurlingslaven.112
Sedert de verovering van Suriname door de Engelschen, was er geen geestelijke (Clergyman), om de dienst, naar degebruiken der Engelsche kerk, voor zijne landslieden te houden. Bonham wenschte hierin voorziening te brengen; hij bragt deze zaak in de vergadering van het Hof ter sprake, en, na eenige bezwaren, verkreeg hij de toestemming, om de zaal, boven de vergaderplaats van het Hof, vroeger als Hollandsch bedehuis gebruikt, voor de godsdienstoefening, volgens de Engelsche ritus, te gebruiken. Met eene uitgave van 150 pond sterling werd die zaal voor bedoeld gebruik geschikt gemaakt. Bonham stelde den Garnizoens-prediker Rev. M. Austin totOfficial Clergy-manof the English congregationin Suriname aan. Austin ontving de bevoegdheid, om te doopen, huwelijken te sluiten, de lijkdienst voor gestorvenen te lezen, etc. »Tot dien tijd,” schrijft Bonham, »werden de Engelschen in Suriname als honden, d. i. zonder eenige plegtigheid begraven.” Het Hof stond als tractement voor den Engelschen predikant ƒ 5000 toe; Bonham voegde uit de souvereinskas er ƒ 5000 bij, dus te zamenƒ10,000; dat evenwel bij den toenmaligen wisselkoers niet veel meer dan 250 pond sterling bedroeg113.
Onder het bestuur van Bentinck was (3November 1810) een schip, bestemd voor de Nickerie, met 21 slaven voor Paramaribo aangekomen. De beambten aan het customhouse hadden er beslag op gelegd, daar door dien invoer tegen de wet van de afschaffing des slavenhandels werd gehandeld. Bentinck kwam echter tusschen beide en verklaarde dit voor een bijzonder geval, een dat hem bekend was, en de aangebragte slaven werden in de gevangenis van de fortres Zeelandia opgesloten en bevonden er zich nog tijdens Bonhams komst aan het bestuur. Bonham vroeg, zoodra hij hiervan kennis had gekregen, aan het Britsch Gouvernement, hoe in dit geval te moeten handelen.114Hij ontving hierop tot antwoord, dat die slaven, als tegen de wet ingevoerd, als vrijen moesten verschoond en goed behandeld worden; zij konden ook als soldaten bij het W. I.regimentworden ingedeeld. Bentinck had er niets van medegedeeld, doch dit waszoo zijne gewoonte.115Bij een nader onderzoek, door Bonham ingesteld, bleek het dat de bedoelde slaven beschuldigd waren van op Martinique »met vergif te hebben omgegaan”, en daarom voor eene geringe som waren gekocht door zekeren heer Bent, die in Suriname eene plantaadje had. Hun getal was tot veertien gedaald; zij waren oud; verscheidenen onder hen leden aan verlamming; voor de militaire dienst of voor den arbeid waren ze geheel ongeschikt; ze vrij te geven was gevaarlijk en niemand wilde ze in huis nemen. »Ik heb”, schrijft Bonham, »regt medelijden met die arme schepsels, en vind het het beste, om ze naar het etablissement te zenden, waar de tot dwangarbeid veroordeelde negers zijn; daar kunnen zij behoorlijk gekleed en gevoed worden en stillekens voortleven.”116Het Britsch Gouvernement was hiermede echter nog niet tevreden en verlangde hunne geheele in vrijheidstelling, waaraan door Bonham werd voldaan.117