Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven te werk gingen.»Ik heb,” schreef hij o. a. aan lord Bathurst, »21 jaren in de West-Indiën verkeerd, en in iedere kolonie heb ik steeds gehoord,dat het eene zeer zware straf voor een neger was, om hem aan een planter in Suriname te verkoopen, en ik bevind nu dat zulks waarheid is.”118»Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en waar zij toch tot zulk een zwaren arbeid, boven hunne krachten worden genoodzaakt.”119Bonham vergenoegde zich echter niet met zijne verontwaardiging te betuigen, maar nammaatregelen ter verbetering van het lot dezer ongelukkige wezens (those unfortunate Beings.) Om willekeurige afstraffingen, ten minste eenigermate tegen te gaan, vaardigde hij den 14denMei 1814, de navolgende publicatie uit:»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk een getuigschrift.Geen straf zal vermogen uitgeoefend te worden, alvorens zulk een slaaf 48 uren lang in hetbinnen-fortgezeten heeft, in dien tusschentijd moet het bovengemelde getuigschrift aan de heer Fiscaal worden toegezonden, welke alleen geauthoriseerd is, om de straf te decideeren welke aan de misdaad is evenreedig. Dezelfde Regulatie moet in acht genomen worden op het Piquet of Schoutenhuis.”120Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen, getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren, geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven, om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen in Suriname.Bonham zag met leede oogen de verkwisting aan, welke sommige kolonisten niet slechts hun eigen belang deed verwaarloozen, maar waardoor ook de belangen der afwezige crediteurs, in Holland, (toen in Frankrijk ingelijfd) schade leed. Hij vergenoegde zich echter niet om deze verkwisting met droefheid gade te slaan, maar poogde ze paal en perk te stellen. Reeds kort na de aanvaarding van het bewind over Suriname, had hij, aan den Secretaris van Staat voor hetDepartement derkoloniënEarl of Liverpool, het voorstel gedaan, om de belangrijke sommen, die zich in de handen van sommige individuen bevonden, doch die eigenlijk aan personen in Holland behoorden, in de koloniale kas te doen deponeren en ze aldaar te doen berusten, tot een algemeenen vrede; hij begrootte het bedrag dier gelden op ƒ 600.000 à ƒ 800,000.121Den 12denMaart des volgenden jaars schreef hij: »Het kwam mij voor, dat het goed ware, om een vertrouwd persoon naar Suriname te zenden, als Curator over de verhypothekeerde plantaadjes, en dat aan dien persoon een naauwkeurig verslag moest worden gegeven van den staat dier plantaadjes, enz. Er zijn vele personen in de kolonie wier plantaadjes verhypothekeerd zijn ten behoeve van personen in Holland wonende. Door de wet van 26 Januarij 1812 worden deze lieden gebaat; maar, omdat zij nu voor een tijd in de vreedzame bezitting hiervan zijn gewaarborgd, zullen zij mogelijk verkwisten wat hun niet toekomt, speculatiën doen, enz. enz., zoodat het zeer noodig ware, in het belang der hypotheekhouders, dat hierop eene behoorlijke contrôle worde gehouden.”122Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en benoemde, den 12denMaart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren heer John Bent, die daarop den 15denMei 1813 in Suriname arriveerde.Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op, die twee dagendaarna werduitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:»Aan zijde van de kroonis de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementenvan alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulkeproductenzullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:“Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebbengefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van dePlantagiënte bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoete hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week vaniederemaand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op ’t zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren, ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen, duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van de generale rekeningen, loopende tot den 15denMei 1813, van ieder plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie, die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren, tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order.”123Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes (eigenaars bevinden zich weinigin Suriname) vermeenden door dezen maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen, stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham »een oproerig geschrift” werd genoemd, tegen dezen maatregel ter onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift; hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers, Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van ƒ 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de kolonie zouden verwijderd worden.Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten (the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in, waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt, als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop, 1o. dat hij zich niet gehoudenachtte, om aan het Hof als zoodanig, een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen; en2o.dat hij niet geregtigd was, omduidelijkeenstelligebevelen van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering te houden, om nader over deze zaak tediscussiëren. Die vergadering, gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht teruïneeren.” Bonham vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen.” Halfhide sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen ondersteunen zal.” Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen: »Nu mijnheer,gij zijt geschorscht, ik schors u.” Halfhide geheel door drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te plakken, zoo gij durft.Ik wil niet geschorst worden.” Bonham trok aan de bel en sloot de vergadering.Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen, onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.De leden van het Hof van Policie gevoelden, bij eenig nadenken, toch ook de dwaasheid van hunnen eisch aan Bonham, om stellige bevelen van Z. K. H. niet ten uitvoerte doen leggen, en »zij waren geheel van haar stuk gebragt” (disconcerted)124Het Britsch Gouvernement had steeds begeerd, dat deze zaak in der minne geschiedde. Bent was aanbevolen zijne commissie met matiging waar te nemen. Hij moestzoo veel mogelijkde administrateurs het huishoudelijk bestuur overlaten, en de consignatiën,zoo veel mogelijk, op den ouden voet laten. Steeds moest hij voor oogen houden het eigenlijk doel zijner commissie, namelijk: dat het bestuur over de verhypothekeerde plantaadjes geregeld en behoorlijk ging, opdat zij, indien een gehoopte vrede tot stand kwam, zonder verwijl en met zoo weinig moeijelijkheid als mogelijk was, aan de eigenaars konden worden overgegeven, waardoor aan de bedoeling der Britsche regering zou worden voldaan.125Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering metBentscommissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid, waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde den 2denJunij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen, bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien, op of voor den 27stenMei in te leveren, niet ten volle is worden nagekomen; zoowordtbij dezen bekend gemaakt, dat ten dien einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den 10dendezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in ’t bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen worden vervangen, maar benevens alle andere personen,die hieraan blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoowordtbij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen, die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom wordengepubliceerden aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden.”126Den 20stenen 21stenJunij werden in nieuweproclamatiënnader een en ander omtrentBentscommissie geëxpliceerd. Evenwel bleef er onwil heerschen. Bonham meende tot strengere maatregelen de toevlugt te moeten nemen. De Administrateuren Taunay, Winkelbach en Fuchtenberg hadden, zonder Bent hiervan kennis te geven, op eigen gezag 100 okshoofden suiker verzonden; allen werden daarop uit hunne administratiën van buitenlandsche eigendommen ontslagen; Taunay daarenboven als Raad van Policie.127Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstatender plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom den 26stenAugustus 1813, de navolgende annonce deed:»Daar verscheidene Directeuren vanPlantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil vanZijneExcellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21stenJunij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoowordtaan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15dendag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,—en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.(get.) Joh. Bent,Ontvanger en Bestierder.”Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling ’s jaars werd begroot; 2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor Bent om gunsten te verleenen, te groot was.Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent, dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toondehij aan, dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige Londensche huizen hunneconsignatiëndoor zijne commissie verloren, was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand,die eerlijk handeldedoor zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter, in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname onderhypothecairverband waren gekomen, hoe de bestuurders dier Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen; ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij eensoort van dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden; zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot dier armen aantrok. »In geen deel der wereld,” dus besluit hij zijnen brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier.”Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den 14denOctober 1813, deed hij de navolgende aankondiging:»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedaneleverantiën, ten behoeve van sommigeplantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.John Bent.Ontvanger en Bestierder128.”Om alle mogelijke knoeijerijen bij den verkoop der producten tegen te gaan, werd door Bonham besloten, die voortaan publiek te doen plaats hebben; waartoe hij 11 December 1813 de volgende proclamatie uitvaardigde:»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op deplantagiënonderhevig aan de commissie vanden ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroonmeest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzerproclamatiënofnotificatiëneenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11dendag van December 1813, en in het 54stejaar van Zijne Majesteits regering.P. Bonham129.”Ten gevolge van het besluit in deze proclamatie bekend gemaakt, deed John Bent, den 21stenDec. 1813 deze advertentie:»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheideneplantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28stendezer, ’s morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.John Bent,Ontvanger en Bestierder130.”Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der onderscheideneplantagiënen andere eigendommen, onder des Konings commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheideneadministratiënop te maken, tot den 31stendezer, behelzende de generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve schuldig is en tot derzelfdendatum, en die zoo spoedig mogelijk ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen omtrent dezelve kunnen gemaakt worden131.”Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen, blijkt ook uit de volgende annonce:»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching vanobligatiënten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit comptoir ten hunnen laste heeft132.”Bonham leefde eenigen tijd in de verbeelding, dat de oppositie tegen Bents commissie gebroken was. Met welgevallen schreef hij den 25 September 1813 aan Earl Bathurst, dat nu alle tegenstand had opgehouden en als een goed gevolg van den invloed van Bent berigtte hij, dat verscheidene personen, die hunne slaven zeer wreed behandelden door Bent waren bewogen geworden, om een beter systeem aan te nemen; en hij had dan ook de hoop, dat hierdoor niet slechts die ongelukkige schepselen,maarde geheele kolonie zoude worden gebaat133. Bonhamvergistezich echter zeer. De onwil omtrent Bents commissie bleef in Suriname bestaan; omdat men echter begreep, dat protesten die aan Bonham gedaan werden, weinig zouden teweeg brengen, hield men zich eenigen tijd stil, doch intrigueerde zoo veel te meer in stilte.De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.De laatstgenoemden ondersteunden het verzet der Surinanersbij de Britsche regering, ter opschorting of opheffing van Bents commissie, die, volgens eene petitie door 40 administrateurs onderteekend, zoo nadeelig voor de kolonie was, dat—indien Bents commissie in haar geheel werd uitgevoerd, de kolonie zoude worden geruïneerd. Men trachtte deze bewering te staven, door aan te voeren: 1o. dat door Bent overal eerst in te moeten kennen, vele vertragingen werden veroorzaakt, ja de handen als gebonden waren; 2o. dat de aan Bent verleende magt veel te groot was, en 3o. dat de slaven, die vrijheid hadden, om zich op Bent te kunnen beroepen, daardoor het vereischte ontzag voor hunne meesters uit het oog verloren. Verder beklaagde men zich in diezelfde petitie over de gestrenge maatregelen door den Gouverneur genomen tegen Vlier en de Rives, waarbij hij tevens de wetten der kolonie had verkracht134.Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs staatdat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn, in een brief dato 29 November 1813 aan GeorgeHamilton, Esq. omtrent Bents commissie afgelegd.Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur, enz.De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.Fagel en Penn stelden het Britsch Gouvernement voor, om in plaats van de magt van Bent te bekorten, die te vermeerderen, en zoo verre uit te breiden, dat hij beter in staat zou zijn de mishandelingen der slaven en hunne verwaarloozing tegen te gaan. Reeds nu had zijn invloed gunstig gewerkt opde slaven zelf; gevlugte slaven waren door zijne bemiddeling vrijwillig terug gekomen; doch hij had veel te strijden tegen den onwil der Directeuren, die hem meermalen in zijne goede voornemens belemmerden. Genoemde commissarissen verzochten het Britsch Gouvernement, om geen acht te slaan op de klagten der Londensche kooplieden te dezer zake. Dezen toch ontleenden hunneinformatiënvan administrateuren en directeuren in Suriname, welke zeer den vroegeren verwarden toestand, waarbij zijalleenbelang hadden, terug wenschten135.Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval was hiertoe de voornaamste aanleiding:De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de overledene F. Gomarus groot ƒ 170,784:10—3 en van P. Bloeddoorn groot ƒ 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt; hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord; den 3denJanuarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van de erfgenamen, aan wie het vervolgens tebeslissen stond, of zij de gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen, daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2defiscaal, A. Melville, Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan en H. L. Pierre Gentil.Bonham zag hierin eene opzettelijk wederstreven van zijne bevelen en was daarom zeer vertoornd. Hij ontsloeg onmiddellijk den boekhouder-generaal Melville en den 2defiscaal Lolkens. In de plaats van Melville benoemde hij M. van der Tanck, de betrekking van 2defiscaal bleef voorloopig onvervuld. Hij had gewenscht om den raad-fiscaal Veldwijck te gelijk te ontslaan, maar kon niet zoo dadelijk een voor dit ambt geschikt persoon vinden. Toen echter eenige dagen later Schüster, een regtsgeleerde, die wel de weigering mede had onderteekend, doch later zijn spijt over deze daad in een brief aan Bonham te kennen gaf, dacht Bonham deze zwarigheid opgelost te zien, en ook Veldwijck werd ontslagen en Schüster voorloopig als raad-fiscaal aangesteld136.De strenge maatregelen troffen echter geen doel.De uit hunne ambten ontslagen fiscalen en de boekhouder-generaal waren ook wel vroeger tegen de commissie van Bent geweest; doch tijdens zij hunne ambten bekleedden waren zij meer gebonden. Nu echter wierpen zij zich in de armen der ontevreden partij. Ook bij het hof, dat zich een tijd lang stil had gehouden verhief zich de oppositiegeest tegen de gestrenge maatregelen van het Gouvernement. Bonham liet zich echter door niets afschrikken; hij belegde eene buitengewone vergaderingvan het hof, die ook door personen, tot zijnen staf behoorende, werd bijgewoond; hier, in eene korte en bondige rede, hield hij allen hun pligt voor, om de bevelen van den Souverein en diens vertegenwoordiger in de kolonie te gehoorzamen; terwijl hij hun, die hierin nalatig bleven, met ontzetting uit hunne betrekking bedreigde. Men begreep dat Bonham woord zou houden en de bedreiging volvoeren, zoodat het hof, ofschoon gedwongen, toegaf137.Veldwijk diende een rekwest bij Bonham in, welke hem antwoordde, dat hij op zijne bekwaamheid niets had aan te merken; dat hij evenwel ontevreden was over zijn gedrag op den 31stenMei 1810, op welken dag hij, in plaats van het Hof met den Gouverneur te verlaten, was achter gebleven, zeker niet met goede oogmerken, en dat hij sedert dien tijd dikwijls over gebrek aan ijver en waakzaamheid door hem (Bonham) was berispt geworden; doch dat de eigenlijke reden voor zijn ontslag was: zijne weigering in de kwaliteit van weesmeester om de bevelen van den Gouverneur te gehoorzamen. Bonham kon dus niet op zijn genomen besluit terug komen, maar aan Veldwijk stond het vrij zich deswegens tot het Britsch Gouvernement te wenden138.Daar Bonham niet toegaf,wenddenzich de afgezette ambtenaren per rekwest tot Lord Bathurst. In deze rekwesten verdedigden zij hun gedrag omtrent de zaak der weeskamer en beklaagden zich over hun door Bonham willekeurig gegeven ontslag139. D. J. Wernink, Hollandsch predikant te Londen, en Steenbergen, koopman, vroeger te Amsterdam thans mede in Londen woonachtig, ondersteunden deze verzoekschriften bij de Britsche regering.Behalve genoemdepetitiënkwamen op nieuw twee rekwesten tegen Bents commissie, uit Suriname, bij het Britsch Gouvernementin. De hoofdinhoud der rekwesten was: dat men de Britsche regering verzocht, om zoo zij de maatregelen omtrent deverhypothekeerdeplantaadjes volstrekt wenschte door te zetten, het beheer aan eene commissie en niet aan een enkel persoon op te dragen. Een dezer rekwesten was door vier, het andere door vier en tachtig personen onderteekend140. Het Britsch Gouvernement leende ten deele gehoor aan deze klagten en aan Bonham werd bevolen, dat hij de gemoederen niet door noodelooze gestrengheid nog meer moest verbitteren, maar integendeel trachten moest om ze door inschikkelijkheid tot verzoening te brengen.In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen: Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk’s troon te verlaten en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen; de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook Nederland herkreeg zijn volksbestaan.Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere handelwijze der Britsche regering in Suriname.Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel, dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen, doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen,” om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie onder zijnbestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen kantore te vervoegen, ten einde hunnerespectieverekeningen zoo spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtensnagekomenzijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk ontheven worden.En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude kunnen voorgeven, zal dezelve alom wordengepubliceerden geaffigeerd ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8steJunij 1814, en in het 54stejaar Zijner Majesteits regering.P. Bonham”141.Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief, dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van zijn pligt jegensdeSouverein hem hooger ging. Die pligt schreef hem voor: ’s Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen, daar ze de uitvoering van ’s Konings bevelen onmogelijk maakten en tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het levenhem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten, het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent, die den 18denJulij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den minister kunnen mede deelen.Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde en de geheele toeleg van het bestuur wasom onder een schoonschijnend voorwendsel,Bentscommissie tegen te werken, was hij tot het nemen van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland zelf ongerijmd ware geweest, »maar” zoo vervolgt hij: »de lieden hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here, who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in to measures, even fortheirown benefit). Bonham zou echter, volgens verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.Bonham gaf dan ook weldra een bewijs van zijne verzoenende gezindheid door Lolkens den 20stenAugustus 1814 in zijn ambt als 2efiscaal te herstellen. Deze heer had hier echter weinig genot van, daar hij reeds drie dagen daarna, den 23stenAugustus overleed142.Thans verder te gaan vermeende Bonham ongeraden te wezen, daar dit eene zekere zwakheid zou verraden143; doch de Britsche regering bleef bij hem aanhouden om nog meerdere stappen van verzoening te doen. Bonham gaf toe en ook Taunay werd weder als raad van policie in het Hof toegelaten; terwijl tweeactiën, welke Bonham tegen hem had, niet vervolgd werden. »Maar wat is hiervan het gevolg?” schreef Bonham later aan lord Bathurst en hij zelf beantwoorde deze vraag door te vervolgen: »datgene wat immer bij zulk onwetend en laatdunkend volk het geval is: hij denkt nu dat ikbang ben om hem te straffen en hij begaat eene nieuwe beleediging, waarvoor hij nu lijden moet.”Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot eene geldboete van ƒ 12,750—en de kosten van het proces.Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg doch daar het Hof dit vonnis als hoogste geregtshof, had gewezen, had de Gouverneur als partij zich wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president moeten onderteekenen. Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst over, dat men te Londen op slechte informatiën afging; »want,” schrijft hij:»ware dat niet het geval geweest, dan zouden de heeren Barry and Broth Taunay nimmer eengentleman of high respectabilityhebben genoemd, daar hij zoo iets niet is en daarenboven over het algemeen als de wreedste man in de kolonie bekend is”144.Toen bepaald was, dat Suriname weder aan Nederland zou worden teruggegeven, wendden Taunay en Winkelbach zich tot den Nederlandschen gezant te Londen Fagel en bragten hier hun beklag over Bonham uit. Fagel zond die rekwesten aan de Britsche regering en antwoordde, dat hij geloofde, dat Bonham de grenzen zijner magt verre had overschreden, doch dat hem zou gelast worden nadere informatiën te geven. Na het ontvangen van dit bevel gaf Bonham aan lord Bathurst het berigt: dat hij bij zijne komst in Engeland alle papieren desbetreffende zou medebrengen, en dat het dan zou blijken, dat hij goed had gehandeld145.Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie, die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben ze verhaald, zoo als ze ons uit deofficieelebronnen, berustende opHer Majesty’s State Paper Officeendoor particuliere berigten, is bekend geworden.Is het gedrag van Bonham welligt niet in alles geheel van willekeur vrij te pleiten, is b. v. zijne handelwijze tegenover het bestuur der weeskamer niet van willekeur vrij te pleiten, zoo kunnen wij hem niet te hard vallen, indien men de moeijelijkheden en de heftigheid van den tegenstand beschouwt, dien hij bij de uitvoering van deze, door zijnen souverein bevolen maatregel ondervond, terwijl men verder onpartijdig oordeelende, moet erkennen, dat de Britsche regering bij de instelling van Bents commissie uit edele beweegredenen heeft gehandeld en dat geen baatzuchtig eigenbelang maar opregte begeerte om de regten der hypotheekhouders te beschermen, hare drijfveer was. Al neemt men voor een oogenblik aan, dat de Britsche regering in de keuze harer middelen heeft gedwaald, dan nog heeft zij ter goeder trouw gedwaald. Wij gelooven echter dat het controleren der administrateurs eene zeer goede zaak was, en wij beroepen ons hierbij op de getuigenis van een man, die als Nederlandsche staatsman zich een welverdiende roem heeft verworven, en die later een plan voorstelde, dat veel overeenkomst met Bents commissie had146.De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname ontvangen van den tusschenGroot-Brittanjeen Frankrijk gesloten vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements acte, waarbij de handel tusschen de VereenigdeProvinciën(Nederland) en een gedeelte van Z. B. M.koloniënwerd toegestaan. Deofficieelevertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van de VereenigdeProvinciënte vergunnen handel te drijven met decoloniënSuriname,Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin, in Amerika en deWest-Indiën, welke voorheen behoord hebbenaan het gouvernement van de VereenigdeProvinciën, doch zich hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit van Zijne Majesteit zijn; zoo is ‘t, dat Zijne Koninglijke Majesteit, op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords, en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd, en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren van deze acte alle onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en aldaar woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de VereenigdeProvinciënen aankomende onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegdeprovinciënzijnde of ineenigBrittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren in voornoemdecoloniënvan de VereenigdeProvinciën, en uitvoeren naar de VereenigdeProvinciën, en niet direct naar eenig ander plaats, alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de wet in de voornoemdecoloniënmogen worden ingevoerd, of nu volgens de wet uit de voornoemdecoloniënvan Groot-Brittanien mogen worden uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden ofcoloniënmoeten betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte, gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten, dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische Minister resideerende in de VereenigdeProvinciën, authoriseerende het schip of vaartuig,om gezegde reis voort te zetten ten opzigte van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending en zeevaart van Zijne MajesteitsKoloniënbepaald is”147.Van deze vergunning werd spoedig gebruik gemaakt en, op Vrijdag den 23stenDecember 1814, arriveerde, ter reede van Paramaribo, het eerste Hollandsche schip, direct van Amsterdam, zijnde: de Surinaamsche vrienden, kapitein C. Kraay; en weldra werd dit door andere gevolgd. Ook de sedert eenigen tijd, door het uitbreken van oorlog tusschen Noord-Amerika en Engeland, gestoorde Amerikaansche handel werd hersteld, daar de vrede tusschen de beide rijken den 24stenDecember 1814 werd geteekend148.De handel van Suriname met het moederland was alzoo hersteld en de tijd naderde tot eene vernieuwde vereeniging tusschen de kolonie en Nederland. Het Britsch gouvernement handelde met de Nederlandsche regering aan welke weldra Suriname zou worden overgegeven, in overeenstemming en droeg haar nu reeds de bevordering van Suriname’s belangen op. Do. van Esch was in den aanvang van 1813 overleden, en Bonham deed daarop bij zijn Gouvernement aanvraag voor een persoon ter vervulling van het opengevallen ambt. De Britsche regering zond die aanvraag aan Fagel, Nederlandsch Gezant te Londen; deze benoemde hiertoe den heer Uden Masman, die kort daarop naar Suriname op reis ging149.Verscheidene min of meer belangrijkedepêchesof verslagen of petities uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemdekan die der ingezetenen uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.In genoemd district waren de meeste eigenaars vanplantaadjesEngelschen, die zich na 1799 aldaar hadden gevestigd (zie bladz.535). Reeds in 1813 had de Gouverneur van Demerary Gordon een voorstel gedaan, om het district Nickerie bij Demerary te voegen; daar het ver van Paramaribo en in het geheel ver van de oude kolonie (Suriname) was gelegen, doch Bonham in wiens handen dit voorstel toen werd gesteld, was hier zeer tegen. Hij antwoordde, dat Nickerie veel beloofde; dat de vaart van Paramaribo tot Nickerie over zee geene groote moeijelijkheden opleverde en dat daarenboven de weg over land werd verbeterd. Hij geloofde, dat dit voorstel voornamelijk was uitgegaan van sommige planters van Berbice, die kale, zandige plantaadjes hadden en begeerig uitzagen naar den vetten grond van Nickerie.150Overeenkomstig den raad van Bonham was dit voorstel door de Britsche regering van de hand gewezen.Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om, zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvendekoloniënDemerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer hunner benoodigdheden,uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar de Britschekoloniënin deWest-Indiëof van Engeland, in Engelsche schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribohad men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool, Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek, dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes, te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden uit Demerary en Berbice onderteekend.De Britsche regering trachtte hunne belangen bij den koning der Nederlanden voor te staan en de koning stond hun de verlangde voorregten toe.151Bonham had reeds vroeger zijne begeerte te kennen gegeven, om, wegens familieaangelegenheden en redenen van gezondheid, voor eenigen tijd naar Engeland terug te keeren; hij had daartoe verlof gevraagd en dit verkregen, doch door de veranderde omstandigheden begreep hij, dat het zijn pligt was hiervan geen gebruik te maken, en te wachten tot dat de kolonie aan het Nederlandsch gouvernement zou zijn overgegeven.152Bonham gebruikte den tijd, dien hij nog als gouverneur van Suriname in de kolonie doorbragt, om alles in behoorlijke orde te brengen. De rekeningen zoowel van de koloniale fondsen als die van desouvereinskaswerden opgemaakt en gesloten. Bonham was ordelievend, trouw aan zijnen koning en eerlijk in alles. Een blijk van dit laatste vinden wij o. a. nog weder in hetvolgende: Bentinck had eenige gelden, die onder het bestuur der weeskamer berustten, doch niet door de belanghebbenden opgevraagd waren, doen deponeren in de kas der Modique lasten, maar ze later in desouvereinskasovergebragt. Bonham zond een copie der lijst van die aan verschillende personen toekomende gelden, waarvan het totaal eene som van ƒ 87,517:10:1529⁄60 bedroeg, naar het Britsch gouvernement met de aanmerking, dat hoewel in 33 jaren hiernaar geen navraag was geweest, die gelden toch niet aan den souverein behoorden, maar dat hij ze gedeponeerd wilde laten, om ze terug te kunnen betalen aan hen, die er regtmatig aanspraak op hadden; terwijl hij vermoedde, dat, daar de vrede tusschen Nederland en Engeland nu hersteld was, de belanghebbenden weldra hunne aanspraken zouden doen gelden.153Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden overgegeven, moesten debuitenpostenafgelost worden. Daartoe werden decompagniënkleurlingenenvrije negersder schutterij geconsigneerd. (Decompagniënblanken bleven in de stad).—De kleurlingen gingen dan ook, opeigen kosten, de Engelschen op de buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen dercompagniënkleurlingen zijndrie maandenlang op de posten gebleven—en hebben daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.De Generaal-Majoor Willem Benjamin van Panhuijs werd door den Koning der Nederlanden, Willem de eerste, tot Gouverneur van Suriname benoemd, en een eskader, onder den Vice-Admiraal van Braam, met ongeveer 1000 man Nederlandsche troepen stak in zee om hem naar deze kolonie te brengen154.Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, inhet begin van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneurvan Panhuijs was genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen te loopen.Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen tot zijne aankomst.Panhuijs kwam echter reeds den 26stenJanuarij aan en nu werden door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche troepen enz. gemaakt en den 26stenFebruarij 1816 werd Suriname aan het Nederlandsch bewind overgegeven.Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd nedergelaten, terwijl deHollandsche driekleureven statig werd opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven en hetOranje bovendaverend door de lucht weêrgalmde.Den juichtoonOranje bovente hooren doet een Hollandsch hart goed, en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen; wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel, daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur als nadeelig voor de kolonie beschouwen.De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.Deofficieelecorrespondentie tusschen de Engelsche Gouverneursen de Secretarissen van Staat van het Departement vanKoloniën; verscheidene brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen, enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement vanKoloniënte Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname, de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland genomen »om,” gelijk hij aan Goulborn, Esq.,2deSecretaris van Staat, bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden correspondentie” (to prevent the Dutch gaining any information as to our correspondence with Certain persons in Surinam.)Deze papieren berustten thans op Her Majesty’sState Paper Officete Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde welwillendheid, die ik vroeger op ’s Rijks Archief in ’s Gravenhage van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren bij het Departement van Koloniën en hetState Paper Officete Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek derofficieelebronnen gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.
Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven te werk gingen.»Ik heb,” schreef hij o. a. aan lord Bathurst, »21 jaren in de West-Indiën verkeerd, en in iedere kolonie heb ik steeds gehoord,dat het eene zeer zware straf voor een neger was, om hem aan een planter in Suriname te verkoopen, en ik bevind nu dat zulks waarheid is.”118»Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en waar zij toch tot zulk een zwaren arbeid, boven hunne krachten worden genoodzaakt.”119Bonham vergenoegde zich echter niet met zijne verontwaardiging te betuigen, maar nammaatregelen ter verbetering van het lot dezer ongelukkige wezens (those unfortunate Beings.) Om willekeurige afstraffingen, ten minste eenigermate tegen te gaan, vaardigde hij den 14denMei 1814, de navolgende publicatie uit:»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk een getuigschrift.Geen straf zal vermogen uitgeoefend te worden, alvorens zulk een slaaf 48 uren lang in hetbinnen-fortgezeten heeft, in dien tusschentijd moet het bovengemelde getuigschrift aan de heer Fiscaal worden toegezonden, welke alleen geauthoriseerd is, om de straf te decideeren welke aan de misdaad is evenreedig. Dezelfde Regulatie moet in acht genomen worden op het Piquet of Schoutenhuis.”120Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen, getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren, geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven, om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen in Suriname.Bonham zag met leede oogen de verkwisting aan, welke sommige kolonisten niet slechts hun eigen belang deed verwaarloozen, maar waardoor ook de belangen der afwezige crediteurs, in Holland, (toen in Frankrijk ingelijfd) schade leed. Hij vergenoegde zich echter niet om deze verkwisting met droefheid gade te slaan, maar poogde ze paal en perk te stellen. Reeds kort na de aanvaarding van het bewind over Suriname, had hij, aan den Secretaris van Staat voor hetDepartement derkoloniënEarl of Liverpool, het voorstel gedaan, om de belangrijke sommen, die zich in de handen van sommige individuen bevonden, doch die eigenlijk aan personen in Holland behoorden, in de koloniale kas te doen deponeren en ze aldaar te doen berusten, tot een algemeenen vrede; hij begrootte het bedrag dier gelden op ƒ 600.000 à ƒ 800,000.121Den 12denMaart des volgenden jaars schreef hij: »Het kwam mij voor, dat het goed ware, om een vertrouwd persoon naar Suriname te zenden, als Curator over de verhypothekeerde plantaadjes, en dat aan dien persoon een naauwkeurig verslag moest worden gegeven van den staat dier plantaadjes, enz. Er zijn vele personen in de kolonie wier plantaadjes verhypothekeerd zijn ten behoeve van personen in Holland wonende. Door de wet van 26 Januarij 1812 worden deze lieden gebaat; maar, omdat zij nu voor een tijd in de vreedzame bezitting hiervan zijn gewaarborgd, zullen zij mogelijk verkwisten wat hun niet toekomt, speculatiën doen, enz. enz., zoodat het zeer noodig ware, in het belang der hypotheekhouders, dat hierop eene behoorlijke contrôle worde gehouden.”122Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en benoemde, den 12denMaart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren heer John Bent, die daarop den 15denMei 1813 in Suriname arriveerde.Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op, die twee dagendaarna werduitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:»Aan zijde van de kroonis de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementenvan alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulkeproductenzullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:“Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebbengefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van dePlantagiënte bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoete hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week vaniederemaand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op ’t zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren, ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen, duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van de generale rekeningen, loopende tot den 15denMei 1813, van ieder plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie, die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren, tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order.”123Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes (eigenaars bevinden zich weinigin Suriname) vermeenden door dezen maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen, stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham »een oproerig geschrift” werd genoemd, tegen dezen maatregel ter onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift; hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers, Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van ƒ 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de kolonie zouden verwijderd worden.Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten (the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in, waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt, als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop, 1o. dat hij zich niet gehoudenachtte, om aan het Hof als zoodanig, een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen; en2o.dat hij niet geregtigd was, omduidelijkeenstelligebevelen van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering te houden, om nader over deze zaak tediscussiëren. Die vergadering, gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht teruïneeren.” Bonham vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen.” Halfhide sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen ondersteunen zal.” Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen: »Nu mijnheer,gij zijt geschorscht, ik schors u.” Halfhide geheel door drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te plakken, zoo gij durft.Ik wil niet geschorst worden.” Bonham trok aan de bel en sloot de vergadering.Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen, onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.De leden van het Hof van Policie gevoelden, bij eenig nadenken, toch ook de dwaasheid van hunnen eisch aan Bonham, om stellige bevelen van Z. K. H. niet ten uitvoerte doen leggen, en »zij waren geheel van haar stuk gebragt” (disconcerted)124Het Britsch Gouvernement had steeds begeerd, dat deze zaak in der minne geschiedde. Bent was aanbevolen zijne commissie met matiging waar te nemen. Hij moestzoo veel mogelijkde administrateurs het huishoudelijk bestuur overlaten, en de consignatiën,zoo veel mogelijk, op den ouden voet laten. Steeds moest hij voor oogen houden het eigenlijk doel zijner commissie, namelijk: dat het bestuur over de verhypothekeerde plantaadjes geregeld en behoorlijk ging, opdat zij, indien een gehoopte vrede tot stand kwam, zonder verwijl en met zoo weinig moeijelijkheid als mogelijk was, aan de eigenaars konden worden overgegeven, waardoor aan de bedoeling der Britsche regering zou worden voldaan.125Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering metBentscommissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid, waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde den 2denJunij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen, bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien, op of voor den 27stenMei in te leveren, niet ten volle is worden nagekomen; zoowordtbij dezen bekend gemaakt, dat ten dien einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den 10dendezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in ’t bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen worden vervangen, maar benevens alle andere personen,die hieraan blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoowordtbij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen, die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom wordengepubliceerden aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden.”126Den 20stenen 21stenJunij werden in nieuweproclamatiënnader een en ander omtrentBentscommissie geëxpliceerd. Evenwel bleef er onwil heerschen. Bonham meende tot strengere maatregelen de toevlugt te moeten nemen. De Administrateuren Taunay, Winkelbach en Fuchtenberg hadden, zonder Bent hiervan kennis te geven, op eigen gezag 100 okshoofden suiker verzonden; allen werden daarop uit hunne administratiën van buitenlandsche eigendommen ontslagen; Taunay daarenboven als Raad van Policie.127Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstatender plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom den 26stenAugustus 1813, de navolgende annonce deed:»Daar verscheidene Directeuren vanPlantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil vanZijneExcellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21stenJunij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoowordtaan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15dendag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,—en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.(get.) Joh. Bent,Ontvanger en Bestierder.”Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling ’s jaars werd begroot; 2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor Bent om gunsten te verleenen, te groot was.Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent, dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toondehij aan, dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige Londensche huizen hunneconsignatiëndoor zijne commissie verloren, was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand,die eerlijk handeldedoor zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter, in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname onderhypothecairverband waren gekomen, hoe de bestuurders dier Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen; ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij eensoort van dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden; zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot dier armen aantrok. »In geen deel der wereld,” dus besluit hij zijnen brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier.”Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den 14denOctober 1813, deed hij de navolgende aankondiging:»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedaneleverantiën, ten behoeve van sommigeplantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.John Bent.Ontvanger en Bestierder128.”Om alle mogelijke knoeijerijen bij den verkoop der producten tegen te gaan, werd door Bonham besloten, die voortaan publiek te doen plaats hebben; waartoe hij 11 December 1813 de volgende proclamatie uitvaardigde:»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op deplantagiënonderhevig aan de commissie vanden ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroonmeest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzerproclamatiënofnotificatiëneenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11dendag van December 1813, en in het 54stejaar van Zijne Majesteits regering.P. Bonham129.”Ten gevolge van het besluit in deze proclamatie bekend gemaakt, deed John Bent, den 21stenDec. 1813 deze advertentie:»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheideneplantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28stendezer, ’s morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.John Bent,Ontvanger en Bestierder130.”Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der onderscheideneplantagiënen andere eigendommen, onder des Konings commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheideneadministratiënop te maken, tot den 31stendezer, behelzende de generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve schuldig is en tot derzelfdendatum, en die zoo spoedig mogelijk ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen omtrent dezelve kunnen gemaakt worden131.”Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen, blijkt ook uit de volgende annonce:»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching vanobligatiënten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit comptoir ten hunnen laste heeft132.”Bonham leefde eenigen tijd in de verbeelding, dat de oppositie tegen Bents commissie gebroken was. Met welgevallen schreef hij den 25 September 1813 aan Earl Bathurst, dat nu alle tegenstand had opgehouden en als een goed gevolg van den invloed van Bent berigtte hij, dat verscheidene personen, die hunne slaven zeer wreed behandelden door Bent waren bewogen geworden, om een beter systeem aan te nemen; en hij had dan ook de hoop, dat hierdoor niet slechts die ongelukkige schepselen,maarde geheele kolonie zoude worden gebaat133. Bonhamvergistezich echter zeer. De onwil omtrent Bents commissie bleef in Suriname bestaan; omdat men echter begreep, dat protesten die aan Bonham gedaan werden, weinig zouden teweeg brengen, hield men zich eenigen tijd stil, doch intrigueerde zoo veel te meer in stilte.De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.De laatstgenoemden ondersteunden het verzet der Surinanersbij de Britsche regering, ter opschorting of opheffing van Bents commissie, die, volgens eene petitie door 40 administrateurs onderteekend, zoo nadeelig voor de kolonie was, dat—indien Bents commissie in haar geheel werd uitgevoerd, de kolonie zoude worden geruïneerd. Men trachtte deze bewering te staven, door aan te voeren: 1o. dat door Bent overal eerst in te moeten kennen, vele vertragingen werden veroorzaakt, ja de handen als gebonden waren; 2o. dat de aan Bent verleende magt veel te groot was, en 3o. dat de slaven, die vrijheid hadden, om zich op Bent te kunnen beroepen, daardoor het vereischte ontzag voor hunne meesters uit het oog verloren. Verder beklaagde men zich in diezelfde petitie over de gestrenge maatregelen door den Gouverneur genomen tegen Vlier en de Rives, waarbij hij tevens de wetten der kolonie had verkracht134.Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs staatdat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn, in een brief dato 29 November 1813 aan GeorgeHamilton, Esq. omtrent Bents commissie afgelegd.Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur, enz.De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.Fagel en Penn stelden het Britsch Gouvernement voor, om in plaats van de magt van Bent te bekorten, die te vermeerderen, en zoo verre uit te breiden, dat hij beter in staat zou zijn de mishandelingen der slaven en hunne verwaarloozing tegen te gaan. Reeds nu had zijn invloed gunstig gewerkt opde slaven zelf; gevlugte slaven waren door zijne bemiddeling vrijwillig terug gekomen; doch hij had veel te strijden tegen den onwil der Directeuren, die hem meermalen in zijne goede voornemens belemmerden. Genoemde commissarissen verzochten het Britsch Gouvernement, om geen acht te slaan op de klagten der Londensche kooplieden te dezer zake. Dezen toch ontleenden hunneinformatiënvan administrateuren en directeuren in Suriname, welke zeer den vroegeren verwarden toestand, waarbij zijalleenbelang hadden, terug wenschten135.Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval was hiertoe de voornaamste aanleiding:De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de overledene F. Gomarus groot ƒ 170,784:10—3 en van P. Bloeddoorn groot ƒ 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt; hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord; den 3denJanuarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van de erfgenamen, aan wie het vervolgens tebeslissen stond, of zij de gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen, daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2defiscaal, A. Melville, Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan en H. L. Pierre Gentil.Bonham zag hierin eene opzettelijk wederstreven van zijne bevelen en was daarom zeer vertoornd. Hij ontsloeg onmiddellijk den boekhouder-generaal Melville en den 2defiscaal Lolkens. In de plaats van Melville benoemde hij M. van der Tanck, de betrekking van 2defiscaal bleef voorloopig onvervuld. Hij had gewenscht om den raad-fiscaal Veldwijck te gelijk te ontslaan, maar kon niet zoo dadelijk een voor dit ambt geschikt persoon vinden. Toen echter eenige dagen later Schüster, een regtsgeleerde, die wel de weigering mede had onderteekend, doch later zijn spijt over deze daad in een brief aan Bonham te kennen gaf, dacht Bonham deze zwarigheid opgelost te zien, en ook Veldwijck werd ontslagen en Schüster voorloopig als raad-fiscaal aangesteld136.De strenge maatregelen troffen echter geen doel.De uit hunne ambten ontslagen fiscalen en de boekhouder-generaal waren ook wel vroeger tegen de commissie van Bent geweest; doch tijdens zij hunne ambten bekleedden waren zij meer gebonden. Nu echter wierpen zij zich in de armen der ontevreden partij. Ook bij het hof, dat zich een tijd lang stil had gehouden verhief zich de oppositiegeest tegen de gestrenge maatregelen van het Gouvernement. Bonham liet zich echter door niets afschrikken; hij belegde eene buitengewone vergaderingvan het hof, die ook door personen, tot zijnen staf behoorende, werd bijgewoond; hier, in eene korte en bondige rede, hield hij allen hun pligt voor, om de bevelen van den Souverein en diens vertegenwoordiger in de kolonie te gehoorzamen; terwijl hij hun, die hierin nalatig bleven, met ontzetting uit hunne betrekking bedreigde. Men begreep dat Bonham woord zou houden en de bedreiging volvoeren, zoodat het hof, ofschoon gedwongen, toegaf137.Veldwijk diende een rekwest bij Bonham in, welke hem antwoordde, dat hij op zijne bekwaamheid niets had aan te merken; dat hij evenwel ontevreden was over zijn gedrag op den 31stenMei 1810, op welken dag hij, in plaats van het Hof met den Gouverneur te verlaten, was achter gebleven, zeker niet met goede oogmerken, en dat hij sedert dien tijd dikwijls over gebrek aan ijver en waakzaamheid door hem (Bonham) was berispt geworden; doch dat de eigenlijke reden voor zijn ontslag was: zijne weigering in de kwaliteit van weesmeester om de bevelen van den Gouverneur te gehoorzamen. Bonham kon dus niet op zijn genomen besluit terug komen, maar aan Veldwijk stond het vrij zich deswegens tot het Britsch Gouvernement te wenden138.Daar Bonham niet toegaf,wenddenzich de afgezette ambtenaren per rekwest tot Lord Bathurst. In deze rekwesten verdedigden zij hun gedrag omtrent de zaak der weeskamer en beklaagden zich over hun door Bonham willekeurig gegeven ontslag139. D. J. Wernink, Hollandsch predikant te Londen, en Steenbergen, koopman, vroeger te Amsterdam thans mede in Londen woonachtig, ondersteunden deze verzoekschriften bij de Britsche regering.Behalve genoemdepetitiënkwamen op nieuw twee rekwesten tegen Bents commissie, uit Suriname, bij het Britsch Gouvernementin. De hoofdinhoud der rekwesten was: dat men de Britsche regering verzocht, om zoo zij de maatregelen omtrent deverhypothekeerdeplantaadjes volstrekt wenschte door te zetten, het beheer aan eene commissie en niet aan een enkel persoon op te dragen. Een dezer rekwesten was door vier, het andere door vier en tachtig personen onderteekend140. Het Britsch Gouvernement leende ten deele gehoor aan deze klagten en aan Bonham werd bevolen, dat hij de gemoederen niet door noodelooze gestrengheid nog meer moest verbitteren, maar integendeel trachten moest om ze door inschikkelijkheid tot verzoening te brengen.In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen: Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk’s troon te verlaten en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen; de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook Nederland herkreeg zijn volksbestaan.Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere handelwijze der Britsche regering in Suriname.Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel, dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen, doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen,” om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie onder zijnbestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen kantore te vervoegen, ten einde hunnerespectieverekeningen zoo spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtensnagekomenzijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk ontheven worden.En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude kunnen voorgeven, zal dezelve alom wordengepubliceerden geaffigeerd ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8steJunij 1814, en in het 54stejaar Zijner Majesteits regering.P. Bonham”141.Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief, dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van zijn pligt jegensdeSouverein hem hooger ging. Die pligt schreef hem voor: ’s Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen, daar ze de uitvoering van ’s Konings bevelen onmogelijk maakten en tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het levenhem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten, het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent, die den 18denJulij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den minister kunnen mede deelen.Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde en de geheele toeleg van het bestuur wasom onder een schoonschijnend voorwendsel,Bentscommissie tegen te werken, was hij tot het nemen van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland zelf ongerijmd ware geweest, »maar” zoo vervolgt hij: »de lieden hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here, who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in to measures, even fortheirown benefit). Bonham zou echter, volgens verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.Bonham gaf dan ook weldra een bewijs van zijne verzoenende gezindheid door Lolkens den 20stenAugustus 1814 in zijn ambt als 2efiscaal te herstellen. Deze heer had hier echter weinig genot van, daar hij reeds drie dagen daarna, den 23stenAugustus overleed142.Thans verder te gaan vermeende Bonham ongeraden te wezen, daar dit eene zekere zwakheid zou verraden143; doch de Britsche regering bleef bij hem aanhouden om nog meerdere stappen van verzoening te doen. Bonham gaf toe en ook Taunay werd weder als raad van policie in het Hof toegelaten; terwijl tweeactiën, welke Bonham tegen hem had, niet vervolgd werden. »Maar wat is hiervan het gevolg?” schreef Bonham later aan lord Bathurst en hij zelf beantwoorde deze vraag door te vervolgen: »datgene wat immer bij zulk onwetend en laatdunkend volk het geval is: hij denkt nu dat ikbang ben om hem te straffen en hij begaat eene nieuwe beleediging, waarvoor hij nu lijden moet.”Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot eene geldboete van ƒ 12,750—en de kosten van het proces.Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg doch daar het Hof dit vonnis als hoogste geregtshof, had gewezen, had de Gouverneur als partij zich wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president moeten onderteekenen. Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst over, dat men te Londen op slechte informatiën afging; »want,” schrijft hij:»ware dat niet het geval geweest, dan zouden de heeren Barry and Broth Taunay nimmer eengentleman of high respectabilityhebben genoemd, daar hij zoo iets niet is en daarenboven over het algemeen als de wreedste man in de kolonie bekend is”144.Toen bepaald was, dat Suriname weder aan Nederland zou worden teruggegeven, wendden Taunay en Winkelbach zich tot den Nederlandschen gezant te Londen Fagel en bragten hier hun beklag over Bonham uit. Fagel zond die rekwesten aan de Britsche regering en antwoordde, dat hij geloofde, dat Bonham de grenzen zijner magt verre had overschreden, doch dat hem zou gelast worden nadere informatiën te geven. Na het ontvangen van dit bevel gaf Bonham aan lord Bathurst het berigt: dat hij bij zijne komst in Engeland alle papieren desbetreffende zou medebrengen, en dat het dan zou blijken, dat hij goed had gehandeld145.Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie, die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben ze verhaald, zoo als ze ons uit deofficieelebronnen, berustende opHer Majesty’s State Paper Officeendoor particuliere berigten, is bekend geworden.Is het gedrag van Bonham welligt niet in alles geheel van willekeur vrij te pleiten, is b. v. zijne handelwijze tegenover het bestuur der weeskamer niet van willekeur vrij te pleiten, zoo kunnen wij hem niet te hard vallen, indien men de moeijelijkheden en de heftigheid van den tegenstand beschouwt, dien hij bij de uitvoering van deze, door zijnen souverein bevolen maatregel ondervond, terwijl men verder onpartijdig oordeelende, moet erkennen, dat de Britsche regering bij de instelling van Bents commissie uit edele beweegredenen heeft gehandeld en dat geen baatzuchtig eigenbelang maar opregte begeerte om de regten der hypotheekhouders te beschermen, hare drijfveer was. Al neemt men voor een oogenblik aan, dat de Britsche regering in de keuze harer middelen heeft gedwaald, dan nog heeft zij ter goeder trouw gedwaald. Wij gelooven echter dat het controleren der administrateurs eene zeer goede zaak was, en wij beroepen ons hierbij op de getuigenis van een man, die als Nederlandsche staatsman zich een welverdiende roem heeft verworven, en die later een plan voorstelde, dat veel overeenkomst met Bents commissie had146.De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname ontvangen van den tusschenGroot-Brittanjeen Frankrijk gesloten vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements acte, waarbij de handel tusschen de VereenigdeProvinciën(Nederland) en een gedeelte van Z. B. M.koloniënwerd toegestaan. Deofficieelevertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van de VereenigdeProvinciënte vergunnen handel te drijven met decoloniënSuriname,Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin, in Amerika en deWest-Indiën, welke voorheen behoord hebbenaan het gouvernement van de VereenigdeProvinciën, doch zich hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit van Zijne Majesteit zijn; zoo is ‘t, dat Zijne Koninglijke Majesteit, op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords, en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd, en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren van deze acte alle onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en aldaar woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de VereenigdeProvinciënen aankomende onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegdeprovinciënzijnde of ineenigBrittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren in voornoemdecoloniënvan de VereenigdeProvinciën, en uitvoeren naar de VereenigdeProvinciën, en niet direct naar eenig ander plaats, alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de wet in de voornoemdecoloniënmogen worden ingevoerd, of nu volgens de wet uit de voornoemdecoloniënvan Groot-Brittanien mogen worden uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden ofcoloniënmoeten betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte, gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten, dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische Minister resideerende in de VereenigdeProvinciën, authoriseerende het schip of vaartuig,om gezegde reis voort te zetten ten opzigte van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending en zeevaart van Zijne MajesteitsKoloniënbepaald is”147.Van deze vergunning werd spoedig gebruik gemaakt en, op Vrijdag den 23stenDecember 1814, arriveerde, ter reede van Paramaribo, het eerste Hollandsche schip, direct van Amsterdam, zijnde: de Surinaamsche vrienden, kapitein C. Kraay; en weldra werd dit door andere gevolgd. Ook de sedert eenigen tijd, door het uitbreken van oorlog tusschen Noord-Amerika en Engeland, gestoorde Amerikaansche handel werd hersteld, daar de vrede tusschen de beide rijken den 24stenDecember 1814 werd geteekend148.De handel van Suriname met het moederland was alzoo hersteld en de tijd naderde tot eene vernieuwde vereeniging tusschen de kolonie en Nederland. Het Britsch gouvernement handelde met de Nederlandsche regering aan welke weldra Suriname zou worden overgegeven, in overeenstemming en droeg haar nu reeds de bevordering van Suriname’s belangen op. Do. van Esch was in den aanvang van 1813 overleden, en Bonham deed daarop bij zijn Gouvernement aanvraag voor een persoon ter vervulling van het opengevallen ambt. De Britsche regering zond die aanvraag aan Fagel, Nederlandsch Gezant te Londen; deze benoemde hiertoe den heer Uden Masman, die kort daarop naar Suriname op reis ging149.Verscheidene min of meer belangrijkedepêchesof verslagen of petities uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemdekan die der ingezetenen uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.In genoemd district waren de meeste eigenaars vanplantaadjesEngelschen, die zich na 1799 aldaar hadden gevestigd (zie bladz.535). Reeds in 1813 had de Gouverneur van Demerary Gordon een voorstel gedaan, om het district Nickerie bij Demerary te voegen; daar het ver van Paramaribo en in het geheel ver van de oude kolonie (Suriname) was gelegen, doch Bonham in wiens handen dit voorstel toen werd gesteld, was hier zeer tegen. Hij antwoordde, dat Nickerie veel beloofde; dat de vaart van Paramaribo tot Nickerie over zee geene groote moeijelijkheden opleverde en dat daarenboven de weg over land werd verbeterd. Hij geloofde, dat dit voorstel voornamelijk was uitgegaan van sommige planters van Berbice, die kale, zandige plantaadjes hadden en begeerig uitzagen naar den vetten grond van Nickerie.150Overeenkomstig den raad van Bonham was dit voorstel door de Britsche regering van de hand gewezen.Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om, zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvendekoloniënDemerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer hunner benoodigdheden,uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar de Britschekoloniënin deWest-Indiëof van Engeland, in Engelsche schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribohad men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool, Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek, dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes, te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden uit Demerary en Berbice onderteekend.De Britsche regering trachtte hunne belangen bij den koning der Nederlanden voor te staan en de koning stond hun de verlangde voorregten toe.151Bonham had reeds vroeger zijne begeerte te kennen gegeven, om, wegens familieaangelegenheden en redenen van gezondheid, voor eenigen tijd naar Engeland terug te keeren; hij had daartoe verlof gevraagd en dit verkregen, doch door de veranderde omstandigheden begreep hij, dat het zijn pligt was hiervan geen gebruik te maken, en te wachten tot dat de kolonie aan het Nederlandsch gouvernement zou zijn overgegeven.152Bonham gebruikte den tijd, dien hij nog als gouverneur van Suriname in de kolonie doorbragt, om alles in behoorlijke orde te brengen. De rekeningen zoowel van de koloniale fondsen als die van desouvereinskaswerden opgemaakt en gesloten. Bonham was ordelievend, trouw aan zijnen koning en eerlijk in alles. Een blijk van dit laatste vinden wij o. a. nog weder in hetvolgende: Bentinck had eenige gelden, die onder het bestuur der weeskamer berustten, doch niet door de belanghebbenden opgevraagd waren, doen deponeren in de kas der Modique lasten, maar ze later in desouvereinskasovergebragt. Bonham zond een copie der lijst van die aan verschillende personen toekomende gelden, waarvan het totaal eene som van ƒ 87,517:10:1529⁄60 bedroeg, naar het Britsch gouvernement met de aanmerking, dat hoewel in 33 jaren hiernaar geen navraag was geweest, die gelden toch niet aan den souverein behoorden, maar dat hij ze gedeponeerd wilde laten, om ze terug te kunnen betalen aan hen, die er regtmatig aanspraak op hadden; terwijl hij vermoedde, dat, daar de vrede tusschen Nederland en Engeland nu hersteld was, de belanghebbenden weldra hunne aanspraken zouden doen gelden.153Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden overgegeven, moesten debuitenpostenafgelost worden. Daartoe werden decompagniënkleurlingenenvrije negersder schutterij geconsigneerd. (Decompagniënblanken bleven in de stad).—De kleurlingen gingen dan ook, opeigen kosten, de Engelschen op de buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen dercompagniënkleurlingen zijndrie maandenlang op de posten gebleven—en hebben daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.De Generaal-Majoor Willem Benjamin van Panhuijs werd door den Koning der Nederlanden, Willem de eerste, tot Gouverneur van Suriname benoemd, en een eskader, onder den Vice-Admiraal van Braam, met ongeveer 1000 man Nederlandsche troepen stak in zee om hem naar deze kolonie te brengen154.Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, inhet begin van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneurvan Panhuijs was genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen te loopen.Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen tot zijne aankomst.Panhuijs kwam echter reeds den 26stenJanuarij aan en nu werden door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche troepen enz. gemaakt en den 26stenFebruarij 1816 werd Suriname aan het Nederlandsch bewind overgegeven.Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd nedergelaten, terwijl deHollandsche driekleureven statig werd opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven en hetOranje bovendaverend door de lucht weêrgalmde.Den juichtoonOranje bovente hooren doet een Hollandsch hart goed, en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen; wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel, daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur als nadeelig voor de kolonie beschouwen.De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.Deofficieelecorrespondentie tusschen de Engelsche Gouverneursen de Secretarissen van Staat van het Departement vanKoloniën; verscheidene brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen, enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement vanKoloniënte Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname, de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland genomen »om,” gelijk hij aan Goulborn, Esq.,2deSecretaris van Staat, bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden correspondentie” (to prevent the Dutch gaining any information as to our correspondence with Certain persons in Surinam.)Deze papieren berustten thans op Her Majesty’sState Paper Officete Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde welwillendheid, die ik vroeger op ’s Rijks Archief in ’s Gravenhage van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren bij het Departement van Koloniën en hetState Paper Officete Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek derofficieelebronnen gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.
Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven te werk gingen.»Ik heb,” schreef hij o. a. aan lord Bathurst, »21 jaren in de West-Indiën verkeerd, en in iedere kolonie heb ik steeds gehoord,dat het eene zeer zware straf voor een neger was, om hem aan een planter in Suriname te verkoopen, en ik bevind nu dat zulks waarheid is.”118»Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en waar zij toch tot zulk een zwaren arbeid, boven hunne krachten worden genoodzaakt.”119Bonham vergenoegde zich echter niet met zijne verontwaardiging te betuigen, maar nammaatregelen ter verbetering van het lot dezer ongelukkige wezens (those unfortunate Beings.) Om willekeurige afstraffingen, ten minste eenigermate tegen te gaan, vaardigde hij den 14denMei 1814, de navolgende publicatie uit:»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk een getuigschrift.Geen straf zal vermogen uitgeoefend te worden, alvorens zulk een slaaf 48 uren lang in hetbinnen-fortgezeten heeft, in dien tusschentijd moet het bovengemelde getuigschrift aan de heer Fiscaal worden toegezonden, welke alleen geauthoriseerd is, om de straf te decideeren welke aan de misdaad is evenreedig. Dezelfde Regulatie moet in acht genomen worden op het Piquet of Schoutenhuis.”120Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen, getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren, geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven, om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen in Suriname.Bonham zag met leede oogen de verkwisting aan, welke sommige kolonisten niet slechts hun eigen belang deed verwaarloozen, maar waardoor ook de belangen der afwezige crediteurs, in Holland, (toen in Frankrijk ingelijfd) schade leed. Hij vergenoegde zich echter niet om deze verkwisting met droefheid gade te slaan, maar poogde ze paal en perk te stellen. Reeds kort na de aanvaarding van het bewind over Suriname, had hij, aan den Secretaris van Staat voor hetDepartement derkoloniënEarl of Liverpool, het voorstel gedaan, om de belangrijke sommen, die zich in de handen van sommige individuen bevonden, doch die eigenlijk aan personen in Holland behoorden, in de koloniale kas te doen deponeren en ze aldaar te doen berusten, tot een algemeenen vrede; hij begrootte het bedrag dier gelden op ƒ 600.000 à ƒ 800,000.121Den 12denMaart des volgenden jaars schreef hij: »Het kwam mij voor, dat het goed ware, om een vertrouwd persoon naar Suriname te zenden, als Curator over de verhypothekeerde plantaadjes, en dat aan dien persoon een naauwkeurig verslag moest worden gegeven van den staat dier plantaadjes, enz. Er zijn vele personen in de kolonie wier plantaadjes verhypothekeerd zijn ten behoeve van personen in Holland wonende. Door de wet van 26 Januarij 1812 worden deze lieden gebaat; maar, omdat zij nu voor een tijd in de vreedzame bezitting hiervan zijn gewaarborgd, zullen zij mogelijk verkwisten wat hun niet toekomt, speculatiën doen, enz. enz., zoodat het zeer noodig ware, in het belang der hypotheekhouders, dat hierop eene behoorlijke contrôle worde gehouden.”122Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en benoemde, den 12denMaart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren heer John Bent, die daarop den 15denMei 1813 in Suriname arriveerde.Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op, die twee dagendaarna werduitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:»Aan zijde van de kroonis de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementenvan alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulkeproductenzullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:“Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebbengefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van dePlantagiënte bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoete hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week vaniederemaand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op ’t zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren, ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen, duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van de generale rekeningen, loopende tot den 15denMei 1813, van ieder plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie, die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren, tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order.”123Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes (eigenaars bevinden zich weinigin Suriname) vermeenden door dezen maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen, stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham »een oproerig geschrift” werd genoemd, tegen dezen maatregel ter onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift; hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers, Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van ƒ 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de kolonie zouden verwijderd worden.Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten (the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in, waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt, als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop, 1o. dat hij zich niet gehoudenachtte, om aan het Hof als zoodanig, een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen; en2o.dat hij niet geregtigd was, omduidelijkeenstelligebevelen van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering te houden, om nader over deze zaak tediscussiëren. Die vergadering, gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht teruïneeren.” Bonham vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen.” Halfhide sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen ondersteunen zal.” Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen: »Nu mijnheer,gij zijt geschorscht, ik schors u.” Halfhide geheel door drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te plakken, zoo gij durft.Ik wil niet geschorst worden.” Bonham trok aan de bel en sloot de vergadering.Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen, onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.De leden van het Hof van Policie gevoelden, bij eenig nadenken, toch ook de dwaasheid van hunnen eisch aan Bonham, om stellige bevelen van Z. K. H. niet ten uitvoerte doen leggen, en »zij waren geheel van haar stuk gebragt” (disconcerted)124Het Britsch Gouvernement had steeds begeerd, dat deze zaak in der minne geschiedde. Bent was aanbevolen zijne commissie met matiging waar te nemen. Hij moestzoo veel mogelijkde administrateurs het huishoudelijk bestuur overlaten, en de consignatiën,zoo veel mogelijk, op den ouden voet laten. Steeds moest hij voor oogen houden het eigenlijk doel zijner commissie, namelijk: dat het bestuur over de verhypothekeerde plantaadjes geregeld en behoorlijk ging, opdat zij, indien een gehoopte vrede tot stand kwam, zonder verwijl en met zoo weinig moeijelijkheid als mogelijk was, aan de eigenaars konden worden overgegeven, waardoor aan de bedoeling der Britsche regering zou worden voldaan.125Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering metBentscommissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid, waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde den 2denJunij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen, bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien, op of voor den 27stenMei in te leveren, niet ten volle is worden nagekomen; zoowordtbij dezen bekend gemaakt, dat ten dien einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den 10dendezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in ’t bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen worden vervangen, maar benevens alle andere personen,die hieraan blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoowordtbij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen, die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom wordengepubliceerden aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden.”126Den 20stenen 21stenJunij werden in nieuweproclamatiënnader een en ander omtrentBentscommissie geëxpliceerd. Evenwel bleef er onwil heerschen. Bonham meende tot strengere maatregelen de toevlugt te moeten nemen. De Administrateuren Taunay, Winkelbach en Fuchtenberg hadden, zonder Bent hiervan kennis te geven, op eigen gezag 100 okshoofden suiker verzonden; allen werden daarop uit hunne administratiën van buitenlandsche eigendommen ontslagen; Taunay daarenboven als Raad van Policie.127Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstatender plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom den 26stenAugustus 1813, de navolgende annonce deed:»Daar verscheidene Directeuren vanPlantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil vanZijneExcellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21stenJunij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoowordtaan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15dendag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,—en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.(get.) Joh. Bent,Ontvanger en Bestierder.”Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling ’s jaars werd begroot; 2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor Bent om gunsten te verleenen, te groot was.Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent, dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toondehij aan, dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige Londensche huizen hunneconsignatiëndoor zijne commissie verloren, was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand,die eerlijk handeldedoor zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter, in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname onderhypothecairverband waren gekomen, hoe de bestuurders dier Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen; ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij eensoort van dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden; zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot dier armen aantrok. »In geen deel der wereld,” dus besluit hij zijnen brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier.”Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den 14denOctober 1813, deed hij de navolgende aankondiging:»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedaneleverantiën, ten behoeve van sommigeplantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.John Bent.Ontvanger en Bestierder128.”Om alle mogelijke knoeijerijen bij den verkoop der producten tegen te gaan, werd door Bonham besloten, die voortaan publiek te doen plaats hebben; waartoe hij 11 December 1813 de volgende proclamatie uitvaardigde:»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op deplantagiënonderhevig aan de commissie vanden ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroonmeest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzerproclamatiënofnotificatiëneenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11dendag van December 1813, en in het 54stejaar van Zijne Majesteits regering.P. Bonham129.”Ten gevolge van het besluit in deze proclamatie bekend gemaakt, deed John Bent, den 21stenDec. 1813 deze advertentie:»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheideneplantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28stendezer, ’s morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.John Bent,Ontvanger en Bestierder130.”Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der onderscheideneplantagiënen andere eigendommen, onder des Konings commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheideneadministratiënop te maken, tot den 31stendezer, behelzende de generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve schuldig is en tot derzelfdendatum, en die zoo spoedig mogelijk ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen omtrent dezelve kunnen gemaakt worden131.”Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen, blijkt ook uit de volgende annonce:»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching vanobligatiënten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit comptoir ten hunnen laste heeft132.”Bonham leefde eenigen tijd in de verbeelding, dat de oppositie tegen Bents commissie gebroken was. Met welgevallen schreef hij den 25 September 1813 aan Earl Bathurst, dat nu alle tegenstand had opgehouden en als een goed gevolg van den invloed van Bent berigtte hij, dat verscheidene personen, die hunne slaven zeer wreed behandelden door Bent waren bewogen geworden, om een beter systeem aan te nemen; en hij had dan ook de hoop, dat hierdoor niet slechts die ongelukkige schepselen,maarde geheele kolonie zoude worden gebaat133. Bonhamvergistezich echter zeer. De onwil omtrent Bents commissie bleef in Suriname bestaan; omdat men echter begreep, dat protesten die aan Bonham gedaan werden, weinig zouden teweeg brengen, hield men zich eenigen tijd stil, doch intrigueerde zoo veel te meer in stilte.De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.De laatstgenoemden ondersteunden het verzet der Surinanersbij de Britsche regering, ter opschorting of opheffing van Bents commissie, die, volgens eene petitie door 40 administrateurs onderteekend, zoo nadeelig voor de kolonie was, dat—indien Bents commissie in haar geheel werd uitgevoerd, de kolonie zoude worden geruïneerd. Men trachtte deze bewering te staven, door aan te voeren: 1o. dat door Bent overal eerst in te moeten kennen, vele vertragingen werden veroorzaakt, ja de handen als gebonden waren; 2o. dat de aan Bent verleende magt veel te groot was, en 3o. dat de slaven, die vrijheid hadden, om zich op Bent te kunnen beroepen, daardoor het vereischte ontzag voor hunne meesters uit het oog verloren. Verder beklaagde men zich in diezelfde petitie over de gestrenge maatregelen door den Gouverneur genomen tegen Vlier en de Rives, waarbij hij tevens de wetten der kolonie had verkracht134.Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs staatdat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn, in een brief dato 29 November 1813 aan GeorgeHamilton, Esq. omtrent Bents commissie afgelegd.Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur, enz.De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.Fagel en Penn stelden het Britsch Gouvernement voor, om in plaats van de magt van Bent te bekorten, die te vermeerderen, en zoo verre uit te breiden, dat hij beter in staat zou zijn de mishandelingen der slaven en hunne verwaarloozing tegen te gaan. Reeds nu had zijn invloed gunstig gewerkt opde slaven zelf; gevlugte slaven waren door zijne bemiddeling vrijwillig terug gekomen; doch hij had veel te strijden tegen den onwil der Directeuren, die hem meermalen in zijne goede voornemens belemmerden. Genoemde commissarissen verzochten het Britsch Gouvernement, om geen acht te slaan op de klagten der Londensche kooplieden te dezer zake. Dezen toch ontleenden hunneinformatiënvan administrateuren en directeuren in Suriname, welke zeer den vroegeren verwarden toestand, waarbij zijalleenbelang hadden, terug wenschten135.Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval was hiertoe de voornaamste aanleiding:De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de overledene F. Gomarus groot ƒ 170,784:10—3 en van P. Bloeddoorn groot ƒ 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt; hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord; den 3denJanuarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van de erfgenamen, aan wie het vervolgens tebeslissen stond, of zij de gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen, daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2defiscaal, A. Melville, Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan en H. L. Pierre Gentil.Bonham zag hierin eene opzettelijk wederstreven van zijne bevelen en was daarom zeer vertoornd. Hij ontsloeg onmiddellijk den boekhouder-generaal Melville en den 2defiscaal Lolkens. In de plaats van Melville benoemde hij M. van der Tanck, de betrekking van 2defiscaal bleef voorloopig onvervuld. Hij had gewenscht om den raad-fiscaal Veldwijck te gelijk te ontslaan, maar kon niet zoo dadelijk een voor dit ambt geschikt persoon vinden. Toen echter eenige dagen later Schüster, een regtsgeleerde, die wel de weigering mede had onderteekend, doch later zijn spijt over deze daad in een brief aan Bonham te kennen gaf, dacht Bonham deze zwarigheid opgelost te zien, en ook Veldwijck werd ontslagen en Schüster voorloopig als raad-fiscaal aangesteld136.De strenge maatregelen troffen echter geen doel.De uit hunne ambten ontslagen fiscalen en de boekhouder-generaal waren ook wel vroeger tegen de commissie van Bent geweest; doch tijdens zij hunne ambten bekleedden waren zij meer gebonden. Nu echter wierpen zij zich in de armen der ontevreden partij. Ook bij het hof, dat zich een tijd lang stil had gehouden verhief zich de oppositiegeest tegen de gestrenge maatregelen van het Gouvernement. Bonham liet zich echter door niets afschrikken; hij belegde eene buitengewone vergaderingvan het hof, die ook door personen, tot zijnen staf behoorende, werd bijgewoond; hier, in eene korte en bondige rede, hield hij allen hun pligt voor, om de bevelen van den Souverein en diens vertegenwoordiger in de kolonie te gehoorzamen; terwijl hij hun, die hierin nalatig bleven, met ontzetting uit hunne betrekking bedreigde. Men begreep dat Bonham woord zou houden en de bedreiging volvoeren, zoodat het hof, ofschoon gedwongen, toegaf137.Veldwijk diende een rekwest bij Bonham in, welke hem antwoordde, dat hij op zijne bekwaamheid niets had aan te merken; dat hij evenwel ontevreden was over zijn gedrag op den 31stenMei 1810, op welken dag hij, in plaats van het Hof met den Gouverneur te verlaten, was achter gebleven, zeker niet met goede oogmerken, en dat hij sedert dien tijd dikwijls over gebrek aan ijver en waakzaamheid door hem (Bonham) was berispt geworden; doch dat de eigenlijke reden voor zijn ontslag was: zijne weigering in de kwaliteit van weesmeester om de bevelen van den Gouverneur te gehoorzamen. Bonham kon dus niet op zijn genomen besluit terug komen, maar aan Veldwijk stond het vrij zich deswegens tot het Britsch Gouvernement te wenden138.Daar Bonham niet toegaf,wenddenzich de afgezette ambtenaren per rekwest tot Lord Bathurst. In deze rekwesten verdedigden zij hun gedrag omtrent de zaak der weeskamer en beklaagden zich over hun door Bonham willekeurig gegeven ontslag139. D. J. Wernink, Hollandsch predikant te Londen, en Steenbergen, koopman, vroeger te Amsterdam thans mede in Londen woonachtig, ondersteunden deze verzoekschriften bij de Britsche regering.Behalve genoemdepetitiënkwamen op nieuw twee rekwesten tegen Bents commissie, uit Suriname, bij het Britsch Gouvernementin. De hoofdinhoud der rekwesten was: dat men de Britsche regering verzocht, om zoo zij de maatregelen omtrent deverhypothekeerdeplantaadjes volstrekt wenschte door te zetten, het beheer aan eene commissie en niet aan een enkel persoon op te dragen. Een dezer rekwesten was door vier, het andere door vier en tachtig personen onderteekend140. Het Britsch Gouvernement leende ten deele gehoor aan deze klagten en aan Bonham werd bevolen, dat hij de gemoederen niet door noodelooze gestrengheid nog meer moest verbitteren, maar integendeel trachten moest om ze door inschikkelijkheid tot verzoening te brengen.In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen: Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk’s troon te verlaten en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen; de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook Nederland herkreeg zijn volksbestaan.Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere handelwijze der Britsche regering in Suriname.Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel, dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen, doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen,” om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie onder zijnbestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen kantore te vervoegen, ten einde hunnerespectieverekeningen zoo spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtensnagekomenzijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk ontheven worden.En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude kunnen voorgeven, zal dezelve alom wordengepubliceerden geaffigeerd ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8steJunij 1814, en in het 54stejaar Zijner Majesteits regering.P. Bonham”141.Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief, dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van zijn pligt jegensdeSouverein hem hooger ging. Die pligt schreef hem voor: ’s Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen, daar ze de uitvoering van ’s Konings bevelen onmogelijk maakten en tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het levenhem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten, het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent, die den 18denJulij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den minister kunnen mede deelen.Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde en de geheele toeleg van het bestuur wasom onder een schoonschijnend voorwendsel,Bentscommissie tegen te werken, was hij tot het nemen van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland zelf ongerijmd ware geweest, »maar” zoo vervolgt hij: »de lieden hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here, who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in to measures, even fortheirown benefit). Bonham zou echter, volgens verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.Bonham gaf dan ook weldra een bewijs van zijne verzoenende gezindheid door Lolkens den 20stenAugustus 1814 in zijn ambt als 2efiscaal te herstellen. Deze heer had hier echter weinig genot van, daar hij reeds drie dagen daarna, den 23stenAugustus overleed142.Thans verder te gaan vermeende Bonham ongeraden te wezen, daar dit eene zekere zwakheid zou verraden143; doch de Britsche regering bleef bij hem aanhouden om nog meerdere stappen van verzoening te doen. Bonham gaf toe en ook Taunay werd weder als raad van policie in het Hof toegelaten; terwijl tweeactiën, welke Bonham tegen hem had, niet vervolgd werden. »Maar wat is hiervan het gevolg?” schreef Bonham later aan lord Bathurst en hij zelf beantwoorde deze vraag door te vervolgen: »datgene wat immer bij zulk onwetend en laatdunkend volk het geval is: hij denkt nu dat ikbang ben om hem te straffen en hij begaat eene nieuwe beleediging, waarvoor hij nu lijden moet.”Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot eene geldboete van ƒ 12,750—en de kosten van het proces.Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg doch daar het Hof dit vonnis als hoogste geregtshof, had gewezen, had de Gouverneur als partij zich wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president moeten onderteekenen. Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst over, dat men te Londen op slechte informatiën afging; »want,” schrijft hij:»ware dat niet het geval geweest, dan zouden de heeren Barry and Broth Taunay nimmer eengentleman of high respectabilityhebben genoemd, daar hij zoo iets niet is en daarenboven over het algemeen als de wreedste man in de kolonie bekend is”144.Toen bepaald was, dat Suriname weder aan Nederland zou worden teruggegeven, wendden Taunay en Winkelbach zich tot den Nederlandschen gezant te Londen Fagel en bragten hier hun beklag over Bonham uit. Fagel zond die rekwesten aan de Britsche regering en antwoordde, dat hij geloofde, dat Bonham de grenzen zijner magt verre had overschreden, doch dat hem zou gelast worden nadere informatiën te geven. Na het ontvangen van dit bevel gaf Bonham aan lord Bathurst het berigt: dat hij bij zijne komst in Engeland alle papieren desbetreffende zou medebrengen, en dat het dan zou blijken, dat hij goed had gehandeld145.Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie, die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben ze verhaald, zoo als ze ons uit deofficieelebronnen, berustende opHer Majesty’s State Paper Officeendoor particuliere berigten, is bekend geworden.Is het gedrag van Bonham welligt niet in alles geheel van willekeur vrij te pleiten, is b. v. zijne handelwijze tegenover het bestuur der weeskamer niet van willekeur vrij te pleiten, zoo kunnen wij hem niet te hard vallen, indien men de moeijelijkheden en de heftigheid van den tegenstand beschouwt, dien hij bij de uitvoering van deze, door zijnen souverein bevolen maatregel ondervond, terwijl men verder onpartijdig oordeelende, moet erkennen, dat de Britsche regering bij de instelling van Bents commissie uit edele beweegredenen heeft gehandeld en dat geen baatzuchtig eigenbelang maar opregte begeerte om de regten der hypotheekhouders te beschermen, hare drijfveer was. Al neemt men voor een oogenblik aan, dat de Britsche regering in de keuze harer middelen heeft gedwaald, dan nog heeft zij ter goeder trouw gedwaald. Wij gelooven echter dat het controleren der administrateurs eene zeer goede zaak was, en wij beroepen ons hierbij op de getuigenis van een man, die als Nederlandsche staatsman zich een welverdiende roem heeft verworven, en die later een plan voorstelde, dat veel overeenkomst met Bents commissie had146.De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname ontvangen van den tusschenGroot-Brittanjeen Frankrijk gesloten vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements acte, waarbij de handel tusschen de VereenigdeProvinciën(Nederland) en een gedeelte van Z. B. M.koloniënwerd toegestaan. Deofficieelevertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van de VereenigdeProvinciënte vergunnen handel te drijven met decoloniënSuriname,Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin, in Amerika en deWest-Indiën, welke voorheen behoord hebbenaan het gouvernement van de VereenigdeProvinciën, doch zich hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit van Zijne Majesteit zijn; zoo is ‘t, dat Zijne Koninglijke Majesteit, op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords, en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd, en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren van deze acte alle onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en aldaar woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de VereenigdeProvinciënen aankomende onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegdeprovinciënzijnde of ineenigBrittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren in voornoemdecoloniënvan de VereenigdeProvinciën, en uitvoeren naar de VereenigdeProvinciën, en niet direct naar eenig ander plaats, alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de wet in de voornoemdecoloniënmogen worden ingevoerd, of nu volgens de wet uit de voornoemdecoloniënvan Groot-Brittanien mogen worden uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden ofcoloniënmoeten betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte, gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten, dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische Minister resideerende in de VereenigdeProvinciën, authoriseerende het schip of vaartuig,om gezegde reis voort te zetten ten opzigte van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending en zeevaart van Zijne MajesteitsKoloniënbepaald is”147.Van deze vergunning werd spoedig gebruik gemaakt en, op Vrijdag den 23stenDecember 1814, arriveerde, ter reede van Paramaribo, het eerste Hollandsche schip, direct van Amsterdam, zijnde: de Surinaamsche vrienden, kapitein C. Kraay; en weldra werd dit door andere gevolgd. Ook de sedert eenigen tijd, door het uitbreken van oorlog tusschen Noord-Amerika en Engeland, gestoorde Amerikaansche handel werd hersteld, daar de vrede tusschen de beide rijken den 24stenDecember 1814 werd geteekend148.De handel van Suriname met het moederland was alzoo hersteld en de tijd naderde tot eene vernieuwde vereeniging tusschen de kolonie en Nederland. Het Britsch gouvernement handelde met de Nederlandsche regering aan welke weldra Suriname zou worden overgegeven, in overeenstemming en droeg haar nu reeds de bevordering van Suriname’s belangen op. Do. van Esch was in den aanvang van 1813 overleden, en Bonham deed daarop bij zijn Gouvernement aanvraag voor een persoon ter vervulling van het opengevallen ambt. De Britsche regering zond die aanvraag aan Fagel, Nederlandsch Gezant te Londen; deze benoemde hiertoe den heer Uden Masman, die kort daarop naar Suriname op reis ging149.Verscheidene min of meer belangrijkedepêchesof verslagen of petities uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemdekan die der ingezetenen uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.In genoemd district waren de meeste eigenaars vanplantaadjesEngelschen, die zich na 1799 aldaar hadden gevestigd (zie bladz.535). Reeds in 1813 had de Gouverneur van Demerary Gordon een voorstel gedaan, om het district Nickerie bij Demerary te voegen; daar het ver van Paramaribo en in het geheel ver van de oude kolonie (Suriname) was gelegen, doch Bonham in wiens handen dit voorstel toen werd gesteld, was hier zeer tegen. Hij antwoordde, dat Nickerie veel beloofde; dat de vaart van Paramaribo tot Nickerie over zee geene groote moeijelijkheden opleverde en dat daarenboven de weg over land werd verbeterd. Hij geloofde, dat dit voorstel voornamelijk was uitgegaan van sommige planters van Berbice, die kale, zandige plantaadjes hadden en begeerig uitzagen naar den vetten grond van Nickerie.150Overeenkomstig den raad van Bonham was dit voorstel door de Britsche regering van de hand gewezen.Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om, zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvendekoloniënDemerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer hunner benoodigdheden,uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar de Britschekoloniënin deWest-Indiëof van Engeland, in Engelsche schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribohad men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool, Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek, dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes, te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden uit Demerary en Berbice onderteekend.De Britsche regering trachtte hunne belangen bij den koning der Nederlanden voor te staan en de koning stond hun de verlangde voorregten toe.151Bonham had reeds vroeger zijne begeerte te kennen gegeven, om, wegens familieaangelegenheden en redenen van gezondheid, voor eenigen tijd naar Engeland terug te keeren; hij had daartoe verlof gevraagd en dit verkregen, doch door de veranderde omstandigheden begreep hij, dat het zijn pligt was hiervan geen gebruik te maken, en te wachten tot dat de kolonie aan het Nederlandsch gouvernement zou zijn overgegeven.152Bonham gebruikte den tijd, dien hij nog als gouverneur van Suriname in de kolonie doorbragt, om alles in behoorlijke orde te brengen. De rekeningen zoowel van de koloniale fondsen als die van desouvereinskaswerden opgemaakt en gesloten. Bonham was ordelievend, trouw aan zijnen koning en eerlijk in alles. Een blijk van dit laatste vinden wij o. a. nog weder in hetvolgende: Bentinck had eenige gelden, die onder het bestuur der weeskamer berustten, doch niet door de belanghebbenden opgevraagd waren, doen deponeren in de kas der Modique lasten, maar ze later in desouvereinskasovergebragt. Bonham zond een copie der lijst van die aan verschillende personen toekomende gelden, waarvan het totaal eene som van ƒ 87,517:10:1529⁄60 bedroeg, naar het Britsch gouvernement met de aanmerking, dat hoewel in 33 jaren hiernaar geen navraag was geweest, die gelden toch niet aan den souverein behoorden, maar dat hij ze gedeponeerd wilde laten, om ze terug te kunnen betalen aan hen, die er regtmatig aanspraak op hadden; terwijl hij vermoedde, dat, daar de vrede tusschen Nederland en Engeland nu hersteld was, de belanghebbenden weldra hunne aanspraken zouden doen gelden.153Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden overgegeven, moesten debuitenpostenafgelost worden. Daartoe werden decompagniënkleurlingenenvrije negersder schutterij geconsigneerd. (Decompagniënblanken bleven in de stad).—De kleurlingen gingen dan ook, opeigen kosten, de Engelschen op de buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen dercompagniënkleurlingen zijndrie maandenlang op de posten gebleven—en hebben daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.De Generaal-Majoor Willem Benjamin van Panhuijs werd door den Koning der Nederlanden, Willem de eerste, tot Gouverneur van Suriname benoemd, en een eskader, onder den Vice-Admiraal van Braam, met ongeveer 1000 man Nederlandsche troepen stak in zee om hem naar deze kolonie te brengen154.Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, inhet begin van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneurvan Panhuijs was genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen te loopen.Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen tot zijne aankomst.Panhuijs kwam echter reeds den 26stenJanuarij aan en nu werden door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche troepen enz. gemaakt en den 26stenFebruarij 1816 werd Suriname aan het Nederlandsch bewind overgegeven.Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd nedergelaten, terwijl deHollandsche driekleureven statig werd opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven en hetOranje bovendaverend door de lucht weêrgalmde.Den juichtoonOranje bovente hooren doet een Hollandsch hart goed, en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen; wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel, daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur als nadeelig voor de kolonie beschouwen.De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.Deofficieelecorrespondentie tusschen de Engelsche Gouverneursen de Secretarissen van Staat van het Departement vanKoloniën; verscheidene brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen, enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement vanKoloniënte Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname, de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland genomen »om,” gelijk hij aan Goulborn, Esq.,2deSecretaris van Staat, bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden correspondentie” (to prevent the Dutch gaining any information as to our correspondence with Certain persons in Surinam.)Deze papieren berustten thans op Her Majesty’sState Paper Officete Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde welwillendheid, die ik vroeger op ’s Rijks Archief in ’s Gravenhage van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren bij het Departement van Koloniën en hetState Paper Officete Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek derofficieelebronnen gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.
Was Bonham streng regtvaardig, hij bezat echter, zoo als wij reeds vroeger hebben aangemerkt, een medelijdend hart en trok zich het lot der verdrukte slaven aan. Telkens vindt men hiervan het bewijs in zijne uitspraken aan de Britsche regering. Hij was verontwaardigd over de wreede wijze, waarop sommige kolonisten jegens hunne slaven te werk gingen.
»Ik heb,” schreef hij o. a. aan lord Bathurst, »21 jaren in de West-Indiën verkeerd, en in iedere kolonie heb ik steeds gehoord,dat het eene zeer zware straf voor een neger was, om hem aan een planter in Suriname te verkoopen, en ik bevind nu dat zulks waarheid is.”118»Ik ben nog in geene kolonie geweest, waar de slaven zoo slecht worden behandeld, zulk slecht voedsel en zulke sobere kleeding ontvangen en waar zij toch tot zulk een zwaren arbeid, boven hunne krachten worden genoodzaakt.”119Bonham vergenoegde zich echter niet met zijne verontwaardiging te betuigen, maar nammaatregelen ter verbetering van het lot dezer ongelukkige wezens (those unfortunate Beings.) Om willekeurige afstraffingen, ten minste eenigermate tegen te gaan, vaardigde hij den 14denMei 1814, de navolgende publicatie uit:
»Een iegelijk word hiermede gewaarschuwd van geen slaven in het binnen-fort (Zeelandia) te zenden, om gestraft te worden, zonder een schriftelijke aanklagt van de misdaad aan welke dezelve zich hebben schuldig gemaakt, aan de cipier over te geven, welke niet verpligt zal zijn, een eenige slaaf onder zijne bewaring te nemen, zonder zulk een getuigschrift.
Geen straf zal vermogen uitgeoefend te worden, alvorens zulk een slaaf 48 uren lang in hetbinnen-fortgezeten heeft, in dien tusschentijd moet het bovengemelde getuigschrift aan de heer Fiscaal worden toegezonden, welke alleen geauthoriseerd is, om de straf te decideeren welke aan de misdaad is evenreedig. Dezelfde Regulatie moet in acht genomen worden op het Piquet of Schoutenhuis.”120
Ook andere maatregelen door Bonham omtrent deze aangelegenheid genomen, getuigen van zijne goede gezindheid jegens de slaven; hij ontzag ook niet hen, die hoog in staat waren en tot de zoogenaamde aanzienlijken van Suriname behoorden, te doen vervolgen en straffen; zoo het hem bekend werd, dat zij hunne slaven mishandelden.
Werden de pogingen van Bonham, om mishandeling der slaven te keeren, geweldig tegengewerkt, nog meer tegenwerking ondervond zijn streven, om de regten der afwezige crediteuren te handhaven. Dit vooral deed velen vijandig tegen hem worden en beroerden de gemoederen van velen in Suriname.
Bonham zag met leede oogen de verkwisting aan, welke sommige kolonisten niet slechts hun eigen belang deed verwaarloozen, maar waardoor ook de belangen der afwezige crediteurs, in Holland, (toen in Frankrijk ingelijfd) schade leed. Hij vergenoegde zich echter niet om deze verkwisting met droefheid gade te slaan, maar poogde ze paal en perk te stellen. Reeds kort na de aanvaarding van het bewind over Suriname, had hij, aan den Secretaris van Staat voor hetDepartement derkoloniënEarl of Liverpool, het voorstel gedaan, om de belangrijke sommen, die zich in de handen van sommige individuen bevonden, doch die eigenlijk aan personen in Holland behoorden, in de koloniale kas te doen deponeren en ze aldaar te doen berusten, tot een algemeenen vrede; hij begrootte het bedrag dier gelden op ƒ 600.000 à ƒ 800,000.121
Den 12denMaart des volgenden jaars schreef hij: »Het kwam mij voor, dat het goed ware, om een vertrouwd persoon naar Suriname te zenden, als Curator over de verhypothekeerde plantaadjes, en dat aan dien persoon een naauwkeurig verslag moest worden gegeven van den staat dier plantaadjes, enz. Er zijn vele personen in de kolonie wier plantaadjes verhypothekeerd zijn ten behoeve van personen in Holland wonende. Door de wet van 26 Januarij 1812 worden deze lieden gebaat; maar, omdat zij nu voor een tijd in de vreedzame bezitting hiervan zijn gewaarborgd, zullen zij mogelijk verkwisten wat hun niet toekomt, speculatiën doen, enz. enz., zoodat het zeer noodig ware, in het belang der hypotheekhouders, dat hierop eene behoorlijke contrôle worde gehouden.”122
Het Britsch Gouvernement keurde dezen voorslag goed en regtmatig, en benoemde, den 12denMaart 1813, tot het houden dier contrôle zekeren heer John Bent, die daarop den 15denMei 1813 in Suriname arriveerde.
Denzelfden dag van Bents aankomst, maakte Bonham de Proclamatie op, die twee dagendaarna werduitgevaardigd, waarbij de bevoegdheid van Bent en de verpligtingen der representanten van de afwezige erfgenamen werden beschreven. Die Proclamatie luidde o. a. aldus:
»Aan zijde van de kroonis de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementenvan alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulkeproductenzullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:“Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebbengefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van dePlantagiënte bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoete hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week vaniederemaand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op ’t zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren, ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen, duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van de generale rekeningen, loopende tot den 15denMei 1813, van ieder plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie, die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren, tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order.”123
»Aan zijde van de kroonis de ontvanger en bestierder (John Bent), mede Administrateur en geauthoriseerd om generaallijk de administratie te controleeren, van, en over al de plantagiën of andere gronden, doorgaands deze colonie, aan zoodanige personen als voorschreven is, behoorende. De gemelde ontvanger en bestierder zal de afscheping en consignementenvan alle, en iegelijk specie van Producten, Proviniëerende van al zulke plantagiën, of gronden naar Groot-Brittanniën bepalen, reguleeren en bestieren, derwijze, dat al zulkeproductenzullen worden geconsigneerd, aan de respectieve Huizen van Negotie in Groot-Brittannië, aan dewelke zoodanige producten gewoonlijk zijn, werden geconsigneerd, en wijders dat alle cognossementen van dusdanige producten door den gemelden ontvanger en bestierder aan zoodanige geconsigneerden moeten werden ingevuld, voor rekening van de commissarissen; ten dien einde door de kroon aangesteld, te weten aan Hendrik Fagel en Greenville Penn, Esquires; en zoo dikmaals de verkoop van eenige gedeelte der dusdanige producten in de colonie mogte noodig zijn, hetzij ter betaling van aangekochte noodwendigheden, of andere onvermijdelijke uitgaven, zoo zal aan hem insgelijks zoodanige verkoopen zijn gedemandeerd, en zal de opbrengst derzelve, zoodra hij die zal ontvangen hebben, worden uitgekeerd, aan degeenen die van ieder respectieve Administratie het comptoir houdt; ten einde regelmatigheid in de rekeningen mogen werden bewaard, en dat het geld mag worden besteed, tot de eindens voorschreeven:
“Aan zijde van de afwezige eigenaren, zal de mede-administratie blijven, in de handen van diegenen die tot hiertoe in de qualiteit hebbengefungeerd, en zullen zij gehouden zijn, het huishoudelijke van zoodanige administratie te bestieren, en daarvoor aansprakelijk wezen, de bebouwing behoorlijk te onderhouden, de tucht onder de slaven te handhaven, en er generaallijk de Directie van dePlantagiënte bestieren, in stricte overeenkomst met de ten dien einde, in de colonie geëtablisseerde wetten, en inrigtingen en in alle gevallen het belang van de eigendommen, onder derzelver bestier, na hun uiterste vermogen bevorderen. In de volvoering van deze pligten zullen nogthans geene onkosten van aanbelang, hetzij tot de gewoonlijke Leverantiën of tot de Reparatiën van gebouwen, door den persoon of personen, die de Administratie aan zijde van den Eigenaar, waarnemen, mogen gemaakt worden, buiten de sanctie van den gemelden ontvanger en bestierder den heer John Bent, alvorens daartoete hebben verkregen; terwijl het duidelijk moet verstaan worden, dat die in geval van noodzakelijkheid, altoos moeten geschieden, naar de allerzuinigste grondbeginsels, en met de goedkeuring en toestemming van alle partijen.
De voormelde mede-administrateuren worden al verder gerequireerd, om met het minst mogelijk vertraag de Directeurs van de Respectieve Plantagiën, of andere eigendommen voormeld, te gelasten, om aan het comptoir van den gemelden ontvanger en bestierder, binnen de eerste week vaniederemaand, een exacte Duplicaat-Maandlijst, volgens coloniaal gebruik, in te zenden, benevens een Duplicaatlijst van zoodanige benoodigheden of requisiten, als voor de plantagiën vereischt mogen worden, moetende dezelve op ’t zelve tijdstip, en met dezelfde gelegenheid, geadresseerd als boven, verzonden worden, als die aan de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren.
En zullen de gemelde administrateuren, aan zijde van de eigenaren, ten einde den gemelden ontvanger en bestierder in staat te stellen, duidelijk en voldoende, den staat en gesteldheid van de Respectieve Plantagiën of gronden voorschreven, te kunnen nagaan, onverwijld ten comptoire van den gemelden ontvanger en bestierder, fourneren, een copij van de laatst gemaakte inventaris, benevens een uittreksel van de generale rekeningen, loopende tot den 15denMei 1813, van ieder plantagie of grond, onder derzelver administratie. Voor de getrouwe volvoering zijner respectieve pligten, »zal de gemaakte ontvanger en bestierder gerechtigd zijn, tot een vierde gedeelte van de provisie, die gewoonlijk aan de Administrateuren van Effecten in deze colonie wordt toegestaan, en de Administrateuren aan zijde van de eigenaren, tot de overige drievierde parten van dien, tot nader order.”123
Naauwelijks was die proclamatie uitgevaardigd, of er verhief zich eene sterke oppositie tegen het opdragen van eene zoo groote magt aan den ontvanger en bestierder. De Administrateuren van plantaadjes (eigenaars bevinden zich weinigin Suriname) vermeenden door dezen maatregel, in hunne regten gekrenkt, in hunne belangen verkort en in hunne magt en aanzien besnoeid te worden; deze personen en eenige kooplieden, wiens belangen met die der Administrateuren overeenkwamen, stelden er zich dadelijk ten sterkste tegen.
Weldra circuleerde in de kolonie eene petitie, die door Bonham »een oproerig geschrift” werd genoemd, tegen dezen maatregel ter onderteekening. Die petitie was opgesteld door de heeren Vlier en de Rives, regtsgeleerden, van wie het, (altijd volgens Bonham) wel bekend was, dat zij vroeger tot de Jacobijnsche partij in Suriname hadden behoord. Bonham verbood de verdere circulatie van dat geschrift; hij eischte het van Vlier terug, en beval, dat de beide opstellers, Vlier en en de Rives, binnen tien dagen, ieder eene borgtogt van ƒ 10,000 zouden stellen, ter verzekering van hun verder rustig gedrag als goedgezinde onderdanen; terwijl zij, bij gebreke daarvan, uit de kolonie zouden verwijderd worden.
Die gestrengheid bereikte echter het daarmede beoogde doel niet. Door sommige lieden in de kolonie werd desniettegenstaande de afkeer tegen Bents commissie luide verkondigd, en men liet niet na, allerlei ongunstige gevolgtrekkingen daaruit op te maken en valsche geruchten (the most scandalous falsehoods) omtrent dezelve te verspreiden, zoodat vele weigerachtig bleven, om de verlangde opening aan Bent te doen.
Ook in het Hof van Policie, welks leden voor het grootste gedeelte uit Administrateuren bestonden, openbaarde zich een heftige geest van tegenstand. Het Hof leverde aan Bonham eene remonstrantie in, waarbij de verklaring werd afgelegd, dat de proclamatie van 15 Mei de grootste consternatie had verwekt, zoo wegens deszelfs onmiddellijk effect en de schorsing van alle bezigheden, daardoor veroorzaakt, als wegens de onbepaalde uitgebreidheid der magt, die hierbij aan John Bent werd verleend. Men vroeg dus nadere uitlegging omtrent die magt, en verzocht aan den Gouverneur om, terwijl zij zich over deze commissie, aan Z. K. H. den Prins Regent zouden wenden, voorloopig de Commissie van John Bent te schorsen. Bonham antwoordde hierop, 1o. dat hij zich niet gehoudenachtte, om aan het Hof als zoodanig, een nadere verklaring te geven; doch dat hij en John Bent, als particulieren, bereid waren alle mogelijke inlichtingen te verleenen; en2o.dat hij niet geregtigd was, omduidelijkeenstelligebevelen van Z. K. H. den Prins-Regent te wederstreven.
De leden van het Hof bleven echter bij hunne, reeds bekend gemaakte gevoelens, volharden; en zij verlangden eene buitengewone vergadering te houden, om nader over deze zaak tediscussiëren. Die vergadering, gehouden 31 Mei 1813, was zeer onstuimig. Dezelfde vragen over en vertoogen tegen Bents commissie werden door de leden gedaan en door Bonham op dezelfde korte en bondige, doch tevens wel eenigermate hooghartige wijze beantwoord. Eindelijk zeide een der leden, de heer Halfhide (vroeger horologiemaker te Londen) op beleedigenden toon: »Ik geloof, dat de Prins-Regent deze kolonie wenscht teruïneeren.” Bonham vatte hierop vuur en antwoordde: »De Prins-Regent wenscht zulke dingen niet, maar gij, hoe durft gij eene dergelijke aanmerking in mijne tegenwoordigheid maken; ik zou u deswege wel kunnen schorsen.” Halfhide sprak nu op uittartenden toon: »Gij wilt mij schorsen? Ik wil niet geschorst worden en ik hoop dat het Hof mij in mijn verzet hiertegen ondersteunen zal.” Bonham beantwoordde deze uittarting door te zeggen: »Nu mijnheer,gij zijt geschorscht, ik schors u.” Halfhide geheel door drift overheerd, riep toen op eene alles te bovengaande beleedigende wijze: »Dan moogt gij uwe soldaten wel zenden, om mij in het fort te plakken, zoo gij durft.Ik wil niet geschorst worden.” Bonham trok aan de bel en sloot de vergadering.
Bonham die volstrekt de man niet was, om slechts door woorden te dreigen, maar die van handelen hield, schreef, te huis gekomen, onmiddellijk het bevel tot schorsing van Halfhide en zond het hem te huis. Halfhide die begreep dat hij te ver gegaan was, verzocht den Gouverneur om een mondeling onderhoud, doch dit werd hem geweigerd.
De leden van het Hof van Policie gevoelden, bij eenig nadenken, toch ook de dwaasheid van hunnen eisch aan Bonham, om stellige bevelen van Z. K. H. niet ten uitvoerte doen leggen, en »zij waren geheel van haar stuk gebragt” (disconcerted)124
Het Britsch Gouvernement had steeds begeerd, dat deze zaak in der minne geschiedde. Bent was aanbevolen zijne commissie met matiging waar te nemen. Hij moestzoo veel mogelijkde administrateurs het huishoudelijk bestuur overlaten, en de consignatiën,zoo veel mogelijk, op den ouden voet laten. Steeds moest hij voor oogen houden het eigenlijk doel zijner commissie, namelijk: dat het bestuur over de verhypothekeerde plantaadjes geregeld en behoorlijk ging, opdat zij, indien een gehoopte vrede tot stand kwam, zonder verwijl en met zoo weinig moeijelijkheid als mogelijk was, aan de eigenaars konden worden overgegeven, waardoor aan de bedoeling der Britsche regering zou worden voldaan.125
Deze begeerte en bedoeling van de Britsche regering metBentscommissie, werden echter verhinderd, èn door de heftige tegenstand tegen die commissie èn welligt ook eenigermate door de heftigheid, waarmede Bonham dien tegenstand zocht te onderdrukken.
Bonham, die zich niet zoo spoedig uit het veld liet slaan, vaardigde den 2denJunij 1813 eene nieuwe proclamatie uit:
»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen, bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien, op of voor den 27stenMei in te leveren, niet ten volle is worden nagekomen; zoowordtbij dezen bekend gemaakt, dat ten dien einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den 10dendezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in ’t bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen worden vervangen, maar benevens alle andere personen,die hieraan blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoowordtbij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen, die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom wordengepubliceerden aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden.”126
»Naardemaal de heer Bent, ontvanger en bestierder der eigendommen van afwezigen, aan ons heeft te kennen gegeven, dat onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813, ontbiedende de houders van alle eigendommen, bij gemelde proclamatie uitgeduid om derzelver opgaven van dien, op of voor den 27stenMei in te leveren, niet ten volle is worden nagekomen; zoowordtbij dezen bekend gemaakt, dat ten dien einde een verder uitstel zal worden verleend, tot Donderdag den 10dendezer. Na welke dag de Administrateuren van Plantagiën in ’t bijzonder, die verzuimen daaraan te voldoen, hiermede worden aangezegd, dat zij niet slechts in derzelver administratie zullen worden vervangen, maar benevens alle andere personen,die hieraan blijven in gebreke, aan zoodanige verdere poenaliteiten onderhevig zijn, als een besluitvolle ongehoorzaamheid aan zijner Majesteits bevelen, mogen noodzakelijk maken, hun op te leggen. En alzoo ons is ter kennisse gekomen, dat onderscheidene kwalijk gezinde lieden, zijn trachtende, om de gemoederen van het algemeen, met valsche geruchten te beangsten, aangaande de uitwerking van de bedoelde commissie; zoowordtbij deze de ernstige waarschuwing gedaan, dat de allerstrengste maatregelen promptelijk zullen worden aangewend, tegen alle degeenen, die in het vervolg mogen bevonden worden, gebruik te maken, hetzij in gesprekken of anderzins, van al zulke onbehoorlijke en oproerige taal. Wordende al verder hiermede bevolen, dat wanneer eenige twijfel mogte ontstaan, aangaande eenige der pointen, in verband staande met den eigendom, waarop onze Proclamatie de dato 15 Mei 1813 is toe te passen, de belanghebbende personen zich om uitlegging zullen hebben te vervoegen, bij den gemelden ontvanger en bestierder den heer Bent, of wel aan ons, naar dat de omstandigheden der zaken, zullen schijnen te vereischen. En opdat niemand van deze onze Proclamatie eenige ignorantie zoude mogen pretenderen zal dezelve alom wordengepubliceerden aangeplakt, ter plaatse waar men gewoon is zulks te doen, en van Plantagie tot Plantagie worden rondgezonden.”126
Den 20stenen 21stenJunij werden in nieuweproclamatiënnader een en ander omtrentBentscommissie geëxpliceerd. Evenwel bleef er onwil heerschen. Bonham meende tot strengere maatregelen de toevlugt te moeten nemen. De Administrateuren Taunay, Winkelbach en Fuchtenberg hadden, zonder Bent hiervan kennis te geven, op eigen gezag 100 okshoofden suiker verzonden; allen werden daarop uit hunne administratiën van buitenlandsche eigendommen ontslagen; Taunay daarenboven als Raad van Policie.127
Velen bleven achterlijk in de verpligte inzending van maandstatender plantaadjes, zie proclamatie 15 Mei, aan John Bent, die daarom den 26stenAugustus 1813, de navolgende annonce deed:
»Daar verscheidene Directeuren vanPlantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil vanZijneExcellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21stenJunij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoowordtaan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15dendag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,—en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.(get.) Joh. Bent,Ontvanger en Bestierder.”
»Daar verscheidene Directeuren vanPlantagiën, onder de vereenigde administratie van den ontvanger en bestierder, in weerwil vanZijneExcellentie den Gouverneurs Proclamatie van den 21stenJunij 1813, nalatig geweest zijn om den gemelden ontvanger en bestierder, de maandelijksche lijsten, welke gerequireerd worden toe te zenden, zoowordtaan zulke personen hiermede bekend gemaakt, dat er op den 15dendag van iedere maand een lijst van de namen der nalatigen, in dit respect aan den Fiscaal zal worden overgegeven, ten einde zijn Ed. tegen dezulken overeenkomstig de wetten kan procederen,—en de heeren Administrateuren worden verzogt, aan de onderscheidene Directeuren onder hun, hiervan kennis te geven, opdat zij geen onwetendheid zouden kunnen voorwenden van de straf, aan welke zij waarschijnlijk, door het volharden in hunne nalatigheid zullen onderworpen zijn.
(get.) Joh. Bent,Ontvanger en Bestierder.”
Als voorname bezwaren tegen Bents commissie werden opgenoemd: 1o. zijne groote bezoldiging, die op 30,000 pond sterling ’s jaars werd begroot; 2o. dat één man een zoo uitgebreide administratie niet behoorlijk kon voeren; 3o. dat er eene hardheid in lag voor sommige Londensche huizen hunne consignatiën te verliezen; en 4o. dat de verleiding voor Bent om gunsten te verleenen, te groot was.
Bent wederlegde die bezwaren in een brief, waarvan een extract door Bonham aan het Departement van kolonie werd gezonden. Op het eerste bezwaar, omtrent de te hooge bezoldiging, antwoordde Bent, dat dezelve niet zoo hoog was, als men veronderstelde; het zou veel wezen indien zijn inkomen 15,000 pond sterling bedroeg, en daarvan moest hij een dozijn klerken, een groot etablissement onderhouden. Wat het tweede bezwaar, de veronderstelde onmogelijkheid om zulk eene uitgebreide administratie alleen te houden betrof, toondehij aan, dat die uitgebreidheid meer scheen, dan ze inderdaad was. Het geheele bestier der verhypothekeerde plantaadjes werd uitgeoefend door zeven of acht hoofdadministrateurs, die als het ware de geheele kolonie in bezit hadden; de verdere administrateurs waren het niet veel meer dan in naam en hun werkkring was tot het huishoudelijk bestuur der plantaadjes beperkt; op deze wijze werd reeds het toezigt over het geheel gemakkelijk gemaakt en verder, bij vermeerdering van werkzaamheden, vermeerderde Bent eenvoudig het aantal zijner klerken. Over het derde bezwaar, de onbillijkheid, dat sommige Londensche huizen hunneconsignatiëndoor zijne commissie verloren, was hij zeer kort en merkte slechts aan, dat niemand,die eerlijk handeldedoor zijne commissie zou worden benadeeld en omtrent het vierde, de verzoeking om gunsten te verleenen, was genoeg waarborg te vinden, behalve in de bekende eerlijkheid van zijn karakter, in de omstandigheid, dat zijne mede-administrateuren, die hem zeer vijandig waren gezind, met arendsoogen zijne gangen nagingen en hem bij de geringste aanleiding hiertoe heftig zouden beschuldigen.
In dienzelfden brief deelt Bent mede, hoe de plantaadjes in Suriname onderhypothecairverband waren gekomen, hoe de bestuurders dier Fondsen in Holland, de administrateurs in Suriname benoemden; doch dat alles hebben ook wij reeds vroeger in de geschiedenis behandeld.
Verder beschrijft hij de wijze waarop door de gemagtigden (de administrateuren) de zaken werden bestierd. Het oordeel van Bent hierover is zeer ongunstig. Als een klein bewijs hoe de handelwijze dier heeren nadeelig voor de crediteuren was, verhaalt hij, dat van sommige inwoners, die hunne goederen aan personen in Holland bij erfenis vermaakt hadden, niet slechts de plantaadjes onder beheer der administrateurs bleven, maar dat dezen zelfs de getesteerde gelden in handen hielden, terwijl tegen deze handelingen niets was te doen; ook geen processen hielpen hiertegen, want daar de geregtshoven in Suriname grootendeels uit administrateuren bestonden, was hiervan geen regt tegen lieden van hunne soort te wachten.
Van de directeurs der plantaadjes getuigt Bent, dat zij eensoort van dronken lieden waren, die de slaven allerwreedaardigst behandelden; zoodat het zeer noodzakelijk was, dat het Gouvernement zich het lot dier armen aantrok. »In geen deel der wereld,” dus besluit hij zijnen brief, »hebben zoo vele misbruiken van allerlei aard plaats, als hier.”
Bent begeerde die misbruiken te keer te gaan en daartegen doortastend te handelen. Het schijnt o. a., dat er kwade trouw plaats gehad heeft bij het aankoopen van benoodigdheden voor de plantaadjes, want den 14denOctober 1813, deed hij de navolgende aankondiging:
»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedaneleverantiën, ten behoeve van sommigeplantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.John Bent.Ontvanger en Bestierder128.”
»Zeer buitensporige prijzen gebleken hebbende in de laatste maandlijsten wegens gedaneleverantiën, ten behoeve van sommigeplantagiën, onder mijne mede-administratie en beheering, zoo geve ik aan een ieder, die zulks aangaat kennis, dat bij de jaarlijksche betaling van de rekeningen van plantagies, geene zullen worden goedgekeurd, zonder dat de bewijzen, waaruit dezelve gefourneerd zijn, eerst ten deze comptoiren zullen zijn geapprobeerd geweest, ter verkrijging van welke het ten allen tijden noodzakelijk zal zijn, om de Requisitie te vertoonen, met de prijzen gesteld nevens ieder Articul dat gerequireerd werd.
John Bent.Ontvanger en Bestierder128.”
Om alle mogelijke knoeijerijen bij den verkoop der producten tegen te gaan, werd door Bonham besloten, die voortaan publiek te doen plaats hebben; waartoe hij 11 December 1813 de volgende proclamatie uitvaardigde:
»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op deplantagiënonderhevig aan de commissie vanden ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroonmeest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzerproclamatiënofnotificatiëneenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11dendag van December 1813, en in het 54stejaar van Zijne Majesteits regering.P. Bonham129.”
»Naardemaal in aanziening van onze proclamatie de dato 21 Junij 1813, als ook die van vroegere datum, waarbij de pligten van den ontvanger en bestierder, aan zijde van de kroon, als mede van de administrateuren, aan zijde van de afwezige eigenaren zijn werden gedetailleerd, het aan ons als oirbaar is voorgesteld, om met de tot dusverre gebruikelijke wijze van het uit de hand verkoopen van producten, gepercipieerd op deplantagiënonderhevig aan de commissie vanden ontvanger en bestierder, te doen veranderen, in een publieke verkoop, bij advertissementen en inschrijvingen.
Zoo lasten en bevelen wij bij dezen, dat de voormelde wijze onverwijld zal worden aangenomen, en, ten einde hetzelve onmiddellijk effect te doen sorteren, zoo worden de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, ontboden om aan den gemelden ontvanger en bestierder, lijsten in te zenden, van zoodanige quantiteiten en qualiteiten van producten, waarvan de verkoop noodzakelijk zijn mag ter betaling van de binnenlandsche onkosten; ten einde hij tot den verkoop derzelve, de noodige advertentie kan doen, tegen zoodanige tijdstippen, als voor de belangens van de kroonmeest raadzaam en voordeelig moge geoordeeld worden, werdende den gemelden ontvanger en bestierder hiermede gelast, om alle inschrijvingen, welke ingevolge zijne advertissementen mogen gedaan worden, in onze tegenwoordigheid te openen, wanneer de, voor de respectieve eigendommen, voordeeligste aanbiedingen, mits geapprobeerd zijnde, zullen worden aangenomen.
Ende wij waarschuwen op de ernstigste wijze hiermede, alle de vreedzame en welgezinde ingezetenen dezer kolonie, tegen de arglistigheden van zekere lieden, die trachtende zijn, om twijfelingen en angstvalligheden in de gemoederen van het algemeen te prenten, en wij gelasten insgelijks mits dezen, dat, bij aldien er wegens den inhoud van onze proclamatie de dato 21 Junij of van eenige ander onzerproclamatiënofnotificatiëneenig onderscheid van gevoelen mogt ontstaan, ten aanzien van de magt, en de pligten van den gemelden ontvanger en bestierder, en van de onderscheidene administrateuren en andere belanghebbenden, de gemelde partijen of wie het ook zij, die zichzelve beschouwen, als te zijn aangedaan, buiten de bedoeling van onze onderscheidene beschikkingen, derzelver respectieve gevallen, aan ons zullen overlaten, als het opperhoofd dezer kolonie, om door ons dadelijk te worden geredresseerd of geëxpliceerd.
En opdat niemand van deze onze proclamatie eenige ignorantie zouden pretendeeren, zal dezelve alom worden gepubliceerd en geaffigeerd, ter gewoonlijke plaatsen, en van plantagie tot plantagie worden rondgezonden.
Gegeven aan het Gouvernementshuis in de kolonie Suriname, dezer den 11dendag van December 1813, en in het 54stejaar van Zijne Majesteits regering.
P. Bonham129.”
Ten gevolge van het besluit in deze proclamatie bekend gemaakt, deed John Bent, den 21stenDec. 1813 deze advertentie:
»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheideneplantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28stendezer, ’s morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.John Bent,Ontvanger en Bestierder130.”
»Wordt hiermede bekend gemaakt, dat er te dezen comptoire inschrijvingen zullen ontvangen worden, voor de verkooping van zekere gedeelten van suiker, koffij en catoen der voortbrengsels of producten van de onderscheideneplantagiën, onder de jurisdictie van den ontvanger en bestierders-commissie, tot aanstaande Dingsdag den 28stendezer, ’s morgens ten elf uren, wanneer dezelve zullen geopend worden, in tegenwoordigheid van Zijn Excellentie den Gouverneur (en dezulken welke goedgekeurd zijn) zullen worden aangenomen. Monsters van de koffij en catoen kunnen ten dezen comptoire gezien worden. De betaling moet ten dezen comptoire geschieden, al vorens de order tot aflevering der producten gegeven wordt, en het oxhoofd suiker zal gecalculeerd worden op 1100 Pds. netto, tot dat men van het gewigt verzekerd is, wanneer de geheele afrekening zal geschieden, en bij gebreken van zulke betaling binnen acht en veertig uren na de opening der inschrijvingen, zal de koop van nul en geener waarde gerekend worden.
John Bent,Ontvanger en Bestierder130.”
Ten einde de administratie geregeld te kunnen houden, vroeg John Bent tijdig de rekeningen op, om ze te kunnen verifieeren, enz.
»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der onderscheideneplantagiënen andere eigendommen, onder des Konings commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheideneadministratiënop te maken, tot den 31stendezer, behelzende de generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve schuldig is en tot derzelfdendatum, en die zoo spoedig mogelijk ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen omtrent dezelve kunnen gemaakt worden131.”
»De ontvanger en bestierder verzoekt de administrateuren der onderscheideneplantagiënen andere eigendommen, onder des Konings commissie, zoo goed te zijn van de rekeningen van hunne onderscheideneadministratiënop te maken, tot den 31stendezer, behelzende de generale, provisie en commissierekeningen, welke op ieder derzelve schuldig is en tot derzelfdendatum, en die zoo spoedig mogelijk ten dezen comptoire over te geven, ten einde de noodige schikkingen omtrent dezelve kunnen gemaakt worden131.”
Dat men in alles nog al nalatig bleef de orders van Bent op te volgen, blijkt ook uit de volgende annonce:
»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching vanobligatiënten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit comptoir ten hunnen laste heeft132.”
»Zeer weinig acht geslagen zijnde op de vorige advertissementen van den ontvanger en bestierder, ten opzichten van zijn officieele opeisching vanobligatiënten zijnen comptoire leggende, in plaats van betaling in geld, behoorende aan diegeenen waarover zijne commissie zich strekt, zoo zal ten eersten een lijst van de voornaamste Nalatigen opgemaakt worden en aan Zijn Excellentie den Heer Gouverneur ter zijner beslissing wegens dezelven worden toegezonden, en de namen van dusdanige personen zullen publiek gemaakt worden, indien dezelve nog langer voorgeven onwetende te zijn aan de vorderingen, dewelke dit comptoir ten hunnen laste heeft132.”
Bonham leefde eenigen tijd in de verbeelding, dat de oppositie tegen Bents commissie gebroken was. Met welgevallen schreef hij den 25 September 1813 aan Earl Bathurst, dat nu alle tegenstand had opgehouden en als een goed gevolg van den invloed van Bent berigtte hij, dat verscheidene personen, die hunne slaven zeer wreed behandelden door Bent waren bewogen geworden, om een beter systeem aan te nemen; en hij had dan ook de hoop, dat hierdoor niet slechts die ongelukkige schepselen,maarde geheele kolonie zoude worden gebaat133. Bonhamvergistezich echter zeer. De onwil omtrent Bents commissie bleef in Suriname bestaan; omdat men echter begreep, dat protesten die aan Bonham gedaan werden, weinig zouden teweeg brengen, hield men zich eenigen tijd stil, doch intrigueerde zoo veel te meer in stilte.
De kolonisten zochten sommige Engelsche kooplieden tot bevordering hunner belangen over te halen en dit gelukte hun.
De laatstgenoemden ondersteunden het verzet der Surinanersbij de Britsche regering, ter opschorting of opheffing van Bents commissie, die, volgens eene petitie door 40 administrateurs onderteekend, zoo nadeelig voor de kolonie was, dat—indien Bents commissie in haar geheel werd uitgevoerd, de kolonie zoude worden geruïneerd. Men trachtte deze bewering te staven, door aan te voeren: 1o. dat door Bent overal eerst in te moeten kennen, vele vertragingen werden veroorzaakt, ja de handen als gebonden waren; 2o. dat de aan Bent verleende magt veel te groot was, en 3o. dat de slaven, die vrijheid hadden, om zich op Bent te kunnen beroepen, daardoor het vereischte ontzag voor hunne meesters uit het oog verloren. Verder beklaagde men zich in diezelfde petitie over de gestrenge maatregelen door den Gouverneur genomen tegen Vlier en de Rives, waarbij hij tevens de wetten der kolonie had verkracht134.
Tegenover dit ongunstig getuigenis van Surinaamsche administrateurs staatdat der door de Regering benoemde commissarissen Fagel en Penn, in een brief dato 29 November 1813 aan GeorgeHamilton, Esq. omtrent Bents commissie afgelegd.
Deze heeren toch verklaarden, dat hun uit de ontvangen stukken en statistieke opgaven enz. duidelijk bleek, dat John Bent met ijver en naauwgezetheid zijn pligt vervulde. De door hem ingeleverde staten waren in behoorlijke orde en muntten door naauwkeurigheid uit. Men verkreeg ook daardoor een goed overzigt over den toestand der cultuur, enz.
De suiker-plantaadjes bleven zich goed staande houden, doch de koffij-plantaadjes vervielen, vooral was het lot der slaven op de laatsten zeer beklagenswaardig, want zij werden er geheel verwaarloosd.
Fagel en Penn stelden het Britsch Gouvernement voor, om in plaats van de magt van Bent te bekorten, die te vermeerderen, en zoo verre uit te breiden, dat hij beter in staat zou zijn de mishandelingen der slaven en hunne verwaarloozing tegen te gaan. Reeds nu had zijn invloed gunstig gewerkt opde slaven zelf; gevlugte slaven waren door zijne bemiddeling vrijwillig terug gekomen; doch hij had veel te strijden tegen den onwil der Directeuren, die hem meermalen in zijne goede voornemens belemmerden. Genoemde commissarissen verzochten het Britsch Gouvernement, om geen acht te slaan op de klagten der Londensche kooplieden te dezer zake. Dezen toch ontleenden hunneinformatiënvan administrateuren en directeuren in Suriname, welke zeer den vroegeren verwarden toestand, waarbij zijalleenbelang hadden, terug wenschten135.
Had de oppositie in Suriname schijnbaar eenigen tijd gerust; weldra verhief zij zich tot eene onrustbarende hoogte. Het volgende geval was hiertoe de voornaamste aanleiding:
De balansen en de gelden, behoorende aan twee boedels, namelijk van de overledene F. Gomarus groot ƒ 170,784:10—3 en van P. Bloeddoorn groot ƒ 27.000 berustten onder het bestuur der weeskamer. Bent vermeende dat deze balansen en gelden mede onder zijn bestier moesten worden gebragt; hij schreef er Bonham over, die zijne overtuiging deelde en daarom aan het bestuur der weeskamer schreef, om die balansen en gelden aan Bent over te dragen. Bonham wachtte vier maanden te vergeefs op antwoord; den 3denJanuarij 1814 rigtte hij zich op nieuw per missive tot bedoeld bestuur en eischtte de overgave van papieren en gelden aan John Bent.
Het bestuur der weeskamer was van gevoelen, dat die overgave, door hen niet kon geschieden, zonder eene finale kwijting en decharge van de erfgenamen, aan wie het vervolgens tebeslissen stond, of zij de gelden al of niet aan Bent wilden overgeven, zoodat bestuurderen der weeskamer niet aan het verlangen van den Gouverneur konden voldoen, daar zij niet tegen hunnen eed en tegen de wetten der kolonie vermogten te handelen. Bonham antwoordde kortelijk, dat hij met hunne redenering niets te maken had, maar dat hij begeerde gehoorzaamd te worden. De leden van het bestuur der weeskamer bleven echter bij hunne weigering volharden. Die weigering was onderteekend door C. G. Veldwijk, Raad-Fiscaal, J. Lolkens, 2defiscaal, A. Melville, Raad-Boekhouder-Generaal en verder door M. J. Schüster, D. Rochetan en H. L. Pierre Gentil.
Bonham zag hierin eene opzettelijk wederstreven van zijne bevelen en was daarom zeer vertoornd. Hij ontsloeg onmiddellijk den boekhouder-generaal Melville en den 2defiscaal Lolkens. In de plaats van Melville benoemde hij M. van der Tanck, de betrekking van 2defiscaal bleef voorloopig onvervuld. Hij had gewenscht om den raad-fiscaal Veldwijck te gelijk te ontslaan, maar kon niet zoo dadelijk een voor dit ambt geschikt persoon vinden. Toen echter eenige dagen later Schüster, een regtsgeleerde, die wel de weigering mede had onderteekend, doch later zijn spijt over deze daad in een brief aan Bonham te kennen gaf, dacht Bonham deze zwarigheid opgelost te zien, en ook Veldwijck werd ontslagen en Schüster voorloopig als raad-fiscaal aangesteld136.
De strenge maatregelen troffen echter geen doel.
De uit hunne ambten ontslagen fiscalen en de boekhouder-generaal waren ook wel vroeger tegen de commissie van Bent geweest; doch tijdens zij hunne ambten bekleedden waren zij meer gebonden. Nu echter wierpen zij zich in de armen der ontevreden partij. Ook bij het hof, dat zich een tijd lang stil had gehouden verhief zich de oppositiegeest tegen de gestrenge maatregelen van het Gouvernement. Bonham liet zich echter door niets afschrikken; hij belegde eene buitengewone vergaderingvan het hof, die ook door personen, tot zijnen staf behoorende, werd bijgewoond; hier, in eene korte en bondige rede, hield hij allen hun pligt voor, om de bevelen van den Souverein en diens vertegenwoordiger in de kolonie te gehoorzamen; terwijl hij hun, die hierin nalatig bleven, met ontzetting uit hunne betrekking bedreigde. Men begreep dat Bonham woord zou houden en de bedreiging volvoeren, zoodat het hof, ofschoon gedwongen, toegaf137.
Veldwijk diende een rekwest bij Bonham in, welke hem antwoordde, dat hij op zijne bekwaamheid niets had aan te merken; dat hij evenwel ontevreden was over zijn gedrag op den 31stenMei 1810, op welken dag hij, in plaats van het Hof met den Gouverneur te verlaten, was achter gebleven, zeker niet met goede oogmerken, en dat hij sedert dien tijd dikwijls over gebrek aan ijver en waakzaamheid door hem (Bonham) was berispt geworden; doch dat de eigenlijke reden voor zijn ontslag was: zijne weigering in de kwaliteit van weesmeester om de bevelen van den Gouverneur te gehoorzamen. Bonham kon dus niet op zijn genomen besluit terug komen, maar aan Veldwijk stond het vrij zich deswegens tot het Britsch Gouvernement te wenden138.
Daar Bonham niet toegaf,wenddenzich de afgezette ambtenaren per rekwest tot Lord Bathurst. In deze rekwesten verdedigden zij hun gedrag omtrent de zaak der weeskamer en beklaagden zich over hun door Bonham willekeurig gegeven ontslag139. D. J. Wernink, Hollandsch predikant te Londen, en Steenbergen, koopman, vroeger te Amsterdam thans mede in Londen woonachtig, ondersteunden deze verzoekschriften bij de Britsche regering.
Behalve genoemdepetitiënkwamen op nieuw twee rekwesten tegen Bents commissie, uit Suriname, bij het Britsch Gouvernementin. De hoofdinhoud der rekwesten was: dat men de Britsche regering verzocht, om zoo zij de maatregelen omtrent deverhypothekeerdeplantaadjes volstrekt wenschte door te zetten, het beheer aan eene commissie en niet aan een enkel persoon op te dragen. Een dezer rekwesten was door vier, het andere door vier en tachtig personen onderteekend140. Het Britsch Gouvernement leende ten deele gehoor aan deze klagten en aan Bonham werd bevolen, dat hij de gemoederen niet door noodelooze gestrengheid nog meer moest verbitteren, maar integendeel trachten moest om ze door inschikkelijkheid tot verzoening te brengen.
In Europa waren intusschen belangrijke gebeurtenissen voorgevallen: Napoleon was genoodzaakt geworden Frankrijk’s troon te verlaten en zich met de souvereiniteit van het eiland Elba te vergenoegen; de volkeren, die een zoo geruimen tijd onder het juk des Franschen heerschers hadden gezucht, erlangden hunne vrijheid weder en ook Nederland herkreeg zijn volksbestaan.
Deze groote gebeurtenissen oefenden mede invloed uit op de verdere handelwijze der Britsche regering in Suriname.
Daar de Britsche regering begreep, dat haar bewind over Suriname waarschijnlijk van korten duur zou wezen, wilde zij een maatregel, dien zij voornamelijk in het belang der crediteuren had genomen, doch die zoo veel tegenkanting in de kolonie ondervond, niet langer doorzetten, en zij besloot de commissie van Bent op te heffen.
Bonham gaf bij proclamatie van 8 Junij 1814, daarvan den volke kennis:
»Naardien Zijne Majesteits minister ons door de paquet, hebben gecommuniceerd, dat het Zijne Majesteit had behaagd, uit aanmerking van de »groote gebeurtenissen onlangs in Europa voorgevallen,” om de commissie van den ontvanger en bestierder van eigendommen van afwezigen op te schorten, met last op gezegde ontvanger en bestierder der eigendommen welke hij, uit krachte van voorschreven commissie onder zijnbestier mogte hebben, weder over te geven. Zoo gelasten en beveelen wij bij deezen allen en een iegelijk dewelke ter zaake voorsz. met gezegden ontvanger en bestierder, de mede-administratie hebben, of wie zulks anders zoude mogen aangaan, zich ter zijnen kantore te vervoegen, ten einde hunnerespectieverekeningen zoo spoedig mogelijk te vereffenen, opdat de verder aan hem gegevene beveelen, ten volle kunnen worden gehoorzaamd, zullende op vertooning van zijn certificaat ter gouvernements secretarye, dat die vereischtensnagekomenzijn, de sequestratie van alle zulke eigendommen dadelijk ontheven worden.
En opdat niemand, van deze onze proclamatie eenige onkunde zoude kunnen voorgeven, zal dezelve alom wordengepubliceerden geaffigeerd ter gewoone plaatse, en van plantagie tot plantagie rondgezonden.
Gegeven te Gouvernementshuize in de kolonie Suriname, deze den 8steJunij 1814, en in het 54stejaar Zijner Majesteits regering.
P. Bonham”141.
Bonham ontving eene berisping van zijn gouvernement over zijn gedrag en werd op nieuw aanbevolen om op verzoenende wijze te werk te gaan. Hij antwoordde daarop en verdedigde zijn gehouden gedrag in een brief aan lord Bathurst dato 12 Junij 1814. Hij betuigde in dien brief, dat gestrengheid niet in zijn karakter lag; dat hij niets liever wenschte dan met ieder in vrede te leven; doch, dat de vervulling van zijn pligt jegensdeSouverein hem hooger ging. Die pligt schreef hem voor: ’s Konings bevelen te doen gehoorzamen, en hoewel hij de wetten der kolonie in ernst wilde handhaven, had hij zich soms in de noodzakelijkheid bevonden, om die wetten ter zijde te stellen, daar ze de uitvoering van ’s Konings bevelen onmogelijk maakten en tot eene doode letter zouden hebben verlaagd. Hij had veel goeds van Bents commissie verwacht, en ze daarom krachtdadig bevorderd; maar had hierbij tevens zoo veel tegenstand ondervonden, dat het levenhem sints dien tijd, met regt moeijelijk was gemaakt; zelf was hij genoodzaakt geworden, om personen, die dagelijks aan zijne tafel aten, het huis te ontzeggen; hoe hij belasterd en beleedigd was zou Bent, die den 18denJulij uit Suriname naar Engeland zou vertrekken, den minister kunnen mede deelen.
Wat de zaak omtrent de Weeskamer betrof, verklaarde hij, lang geduld te hebben geoefend; maar daar men steeds in het geheim beraadslaagde en de geheele toeleg van het bestuur wasom onder een schoonschijnend voorwendsel,Bentscommissie tegen te werken, was hij tot het nemen van krachtige maatregelen genoodzaakt geworden. Hij erkende, dat hij nu en dan wel een hoogen toon had gebezigd, die ongetwijfeld in Engeland zelf ongerijmd ware geweest, »maar” zoo vervolgt hij: »de lieden hier zijn zoo onwetend en tevens zoo hardnekkig, dat zij, zelfs voor hun eigen welzijn, in toom moeten worden gehouden (the people here, who are very ignorant, proverbially obstinate and must be driven in to measures, even fortheirown benefit). Bonham zou echter, volgens verlangen van den minister, toegeven waar dit eenigzins mogelijk was.
Bonham gaf dan ook weldra een bewijs van zijne verzoenende gezindheid door Lolkens den 20stenAugustus 1814 in zijn ambt als 2efiscaal te herstellen. Deze heer had hier echter weinig genot van, daar hij reeds drie dagen daarna, den 23stenAugustus overleed142.
Thans verder te gaan vermeende Bonham ongeraden te wezen, daar dit eene zekere zwakheid zou verraden143; doch de Britsche regering bleef bij hem aanhouden om nog meerdere stappen van verzoening te doen. Bonham gaf toe en ook Taunay werd weder als raad van policie in het Hof toegelaten; terwijl tweeactiën, welke Bonham tegen hem had, niet vervolgd werden. »Maar wat is hiervan het gevolg?” schreef Bonham later aan lord Bathurst en hij zelf beantwoorde deze vraag door te vervolgen: »datgene wat immer bij zulk onwetend en laatdunkend volk het geval is: hij denkt nu dat ikbang ben om hem te straffen en hij begaat eene nieuwe beleediging, waarvoor hij nu lijden moet.”
Deze hier bedoelde beleediging bestond daarin, dat toen Taunay op nieuw in het Hof was toegelaten, hij daar volhield, dat hij vroeger goed had gehandeld en onwettig geschorst was. Bonham achtte deze stijfhoofdigheid eene beleediging hem als Gouverneur aangedaan, en de zaak werd mede door het Hof alzoo beschouwd en Taunay in staat van beschuldiging gesteld, daarna formeel als lid ontslagen en onbekwaam verklaard, verder een ambt te bekleeden en daarenboven verwezen tot eene geldboete van ƒ 12,750—en de kosten van het proces.
Bonham vond deze straf bij lange na niet zwaar genoeg doch daar het Hof dit vonnis als hoogste geregtshof, had gewezen, had de Gouverneur als partij zich wel buiten beraadslagingen gehouden, maar het als president moeten onderteekenen. Hij beklaagde er zich bij lord Bathurst over, dat men te Londen op slechte informatiën afging; »want,” schrijft hij:»ware dat niet het geval geweest, dan zouden de heeren Barry and Broth Taunay nimmer eengentleman of high respectabilityhebben genoemd, daar hij zoo iets niet is en daarenboven over het algemeen als de wreedste man in de kolonie bekend is”144.
Toen bepaald was, dat Suriname weder aan Nederland zou worden teruggegeven, wendden Taunay en Winkelbach zich tot den Nederlandschen gezant te Londen Fagel en bragten hier hun beklag over Bonham uit. Fagel zond die rekwesten aan de Britsche regering en antwoordde, dat hij geloofde, dat Bonham de grenzen zijner magt verre had overschreden, doch dat hem zou gelast worden nadere informatiën te geven. Na het ontvangen van dit bevel gaf Bonham aan lord Bathurst het berigt: dat hij bij zijne komst in Engeland alle papieren desbetreffende zou medebrengen, en dat het dan zou blijken, dat hij goed had gehandeld145.
Hiermede eindigt onze mededeeling betreffende de Bents commissie, die zoo veel gerucht in de Surinaamsche wereld maakte. Wij hebben ze verhaald, zoo als ze ons uit deofficieelebronnen, berustende opHer Majesty’s State Paper Officeendoor particuliere berigten, is bekend geworden.
Is het gedrag van Bonham welligt niet in alles geheel van willekeur vrij te pleiten, is b. v. zijne handelwijze tegenover het bestuur der weeskamer niet van willekeur vrij te pleiten, zoo kunnen wij hem niet te hard vallen, indien men de moeijelijkheden en de heftigheid van den tegenstand beschouwt, dien hij bij de uitvoering van deze, door zijnen souverein bevolen maatregel ondervond, terwijl men verder onpartijdig oordeelende, moet erkennen, dat de Britsche regering bij de instelling van Bents commissie uit edele beweegredenen heeft gehandeld en dat geen baatzuchtig eigenbelang maar opregte begeerte om de regten der hypotheekhouders te beschermen, hare drijfveer was. Al neemt men voor een oogenblik aan, dat de Britsche regering in de keuze harer middelen heeft gedwaald, dan nog heeft zij ter goeder trouw gedwaald. Wij gelooven echter dat het controleren der administrateurs eene zeer goede zaak was, en wij beroepen ons hierbij op de getuigenis van een man, die als Nederlandsche staatsman zich een welverdiende roem heeft verworven, en die later een plan voorstelde, dat veel overeenkomst met Bents commissie had146.
De tijd naderde intusschen dat Suriname weder onder het bestuur van Nederland zou komen. Reeds in Junij 1814 werd de tijding in Suriname ontvangen van den tusschenGroot-Brittanjeen Frankrijk gesloten vrede; in Augustus van het zelfde jaar ontving men de parlements acte, waarbij de handel tusschen de VereenigdeProvinciën(Nederland) en een gedeelte van Z. B. M.koloniënwerd toegestaan. Deofficieelevertaling dier acte luidde aldus: »Naardien het is dienstig geoordeeld geworden, om in de tegenwoordige omstandigheden aan de onderdanen van de VereenigdeProvinciënte vergunnen handel te drijven met decoloniënSuriname,Demerary, Essequebo, Berbice, Curaçao, St. Eustatius, Saba en St. Martin, in Amerika en deWest-Indiën, welke voorheen behoord hebbenaan het gouvernement van de VereenigdeProvinciën, doch zich hebben overgegeven aan Zijner Majesteits wapenen en thans in het bezit van Zijne Majesteit zijn; zoo is ‘t, dat Zijne Koninglijke Majesteit, op den raad en in overeenkomst met de Geestelijke en Wereldlijke Lords, en de leden van het Lagerhuis, in dit tegenwoordig Parlement vergaderd, en op derzelver Authoriteit heeft besloten: Dat van en na het passeeren van deze acte alle onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en aldaar woonachtig, in eenig schip of vaartuig gebouwd in het gebied van de VereenigdeProvinciënen aankomende onderdanen van de VereenigdeProvinciën, en bevaren wordende door een kapitein en drie vierde gedeelte der matrozen, onderdanen van gezegdeprovinciënzijnde of ineenigBrittannisch gebouwd schip of vaartuig aankomende en bevaren wordende volgens de wet, wettiglijk zullen kunnen en vermogen invoeren in voornoemdecoloniënvan de VereenigdeProvinciën, en uitvoeren naar de VereenigdeProvinciën, en niet direct naar eenig ander plaats, alle zulke goederen, waren en koopmanschappen, als men volgens de wet in de voornoemdecoloniënmogen worden ingevoerd, of nu volgens de wet uit de voornoemdecoloniënvan Groot-Brittanien mogen worden uitgevoerd, doch geene andere goederen, waren of koopmanschappen hoe ook genaamd, tegen betaling in alle gevallen van dezelfde imposten als door Brittaniesche onderdanen in gezegde eilanden ofcoloniënmoeten betaald worden, zich verbindende aan dezelfde verbanden en dezelfde voorwaarden en schikkingen nakomende, als bij den invoer van, en de uitvoer naar Groot-Brittanie plaats vind, niettegenstaande een acte, gepasseerd in het twaalfde jaar van de regering van Zijne Majesteit Koning Karel de tweede, ten titel hebbende: Acte ter aanmoediging en vermeerdering van verzending en zeevaart, of in eenige andere acte hiertegen strijdende; onder beding echter, en het zij verder besloten, dat den kapitein of bevelvoerder van elk zoodanig schip of vaartuig zal vertoonen aan de behoorlijke officieren van de Tol, in de haven van invoer en uitvoer, een vergunningsbrief van de Brittanische Minister resideerende in de VereenigdeProvinciën, authoriseerende het schip of vaartuig,om gezegde reis voort te zetten ten opzigte van zoodanige invoer en uitvoer; op straffe van verbeurdverklaring en boete als bij gezegde acte op het verbreken van de wet op verzending en zeevaart van Zijne MajesteitsKoloniënbepaald is”147.
Van deze vergunning werd spoedig gebruik gemaakt en, op Vrijdag den 23stenDecember 1814, arriveerde, ter reede van Paramaribo, het eerste Hollandsche schip, direct van Amsterdam, zijnde: de Surinaamsche vrienden, kapitein C. Kraay; en weldra werd dit door andere gevolgd. Ook de sedert eenigen tijd, door het uitbreken van oorlog tusschen Noord-Amerika en Engeland, gestoorde Amerikaansche handel werd hersteld, daar de vrede tusschen de beide rijken den 24stenDecember 1814 werd geteekend148.
De handel van Suriname met het moederland was alzoo hersteld en de tijd naderde tot eene vernieuwde vereeniging tusschen de kolonie en Nederland. Het Britsch gouvernement handelde met de Nederlandsche regering aan welke weldra Suriname zou worden overgegeven, in overeenstemming en droeg haar nu reeds de bevordering van Suriname’s belangen op. Do. van Esch was in den aanvang van 1813 overleden, en Bonham deed daarop bij zijn Gouvernement aanvraag voor een persoon ter vervulling van het opengevallen ambt. De Britsche regering zond die aanvraag aan Fagel, Nederlandsch Gezant te Londen; deze benoemde hiertoe den heer Uden Masman, die kort daarop naar Suriname op reis ging149.
Verscheidene min of meer belangrijkedepêchesof verslagen of petities uit Suriname aan het Britsch bewind gezonden, werden aan onzen Gezant ter hand gesteld. Onder deze laatstgenoemdekan die der ingezetenen uit het district Nickerie wel eene der belangrijkste worden genoemd.
In genoemd district waren de meeste eigenaars vanplantaadjesEngelschen, die zich na 1799 aldaar hadden gevestigd (zie bladz.535). Reeds in 1813 had de Gouverneur van Demerary Gordon een voorstel gedaan, om het district Nickerie bij Demerary te voegen; daar het ver van Paramaribo en in het geheel ver van de oude kolonie (Suriname) was gelegen, doch Bonham in wiens handen dit voorstel toen werd gesteld, was hier zeer tegen. Hij antwoordde, dat Nickerie veel beloofde; dat de vaart van Paramaribo tot Nickerie over zee geene groote moeijelijkheden opleverde en dat daarenboven de weg over land werd verbeterd. Hij geloofde, dat dit voorstel voornamelijk was uitgegaan van sommige planters van Berbice, die kale, zandige plantaadjes hadden en begeerig uitzagen naar den vetten grond van Nickerie.150Overeenkomstig den raad van Bonham was dit voorstel door de Britsche regering van de hand gewezen.
Thans verzochten de inwoners van Nickerie in hunne petitie, om, zoo het al niet mogelijk ware, met Demerary en Berbice te worden vereenigd, dan toch door bemiddeling van het Britsch Gouvernement bij den koning der Nederlanden te bewerken, dat hun wederkeerig dezelfde vrijheid zou worden verleend, als door de Britsche regering aan de Hollandsche bewoners der onder het Britsch bestuur blijvendekoloniënDemerary en Berbice was toegestaan, namelijk: vrijen invoer hunner benoodigdheden,uit- en vrijen uitvoer hunner producten, naar de Britschekoloniënin deWest-Indiëof van Engeland, in Engelsche schepen. Als drangreden tot hun verzoek voerden zij aan, dat zij door den verren afstand van de oude kolonie immer verpligt waren geweest met Demerary en Berbice handel te drijven. (De overtogt van Nickerie naar de Berbice geschiedde in 5 uren, voor dien naar Paramaribohad men 6 à 7 dagen noodig). Hun bestaan hing van deze vergunning af. Zij betreurden dat het Britsch bestuur hen niet verder beschermen kon: zij waren meest oorspronkelijk Engelschen; zij hadden gelden tot in cultuur brenging hunner gronden ontvangen van personen uit Londen, Liverpool, Glasgow enz.; zij zouden zich eenzaam en verlaten gevoelen onder het Nederlandsch bewind, waarop zij geene betrekking hadden, zoo als de anderen in Suriname, enz. Deze petitie was door 7 personen (meest Engelsche namen) onderteekend. Uit een hierbij gevoegden staat bleek, dat in het District Nickerie waren: 6 koffij- en 14 katoenplantaadjes, te zamen groot 13,000 acres, met eene slavenmagt van 1,528 personen.
Tot ondersteuning van dit verzoekschrift kwam mede bij het Britsch bewind een stuk in van denzelfden geest door 18 planters en kooplieden uit Demerary en Berbice onderteekend.
De Britsche regering trachtte hunne belangen bij den koning der Nederlanden voor te staan en de koning stond hun de verlangde voorregten toe.151
Bonham had reeds vroeger zijne begeerte te kennen gegeven, om, wegens familieaangelegenheden en redenen van gezondheid, voor eenigen tijd naar Engeland terug te keeren; hij had daartoe verlof gevraagd en dit verkregen, doch door de veranderde omstandigheden begreep hij, dat het zijn pligt was hiervan geen gebruik te maken, en te wachten tot dat de kolonie aan het Nederlandsch gouvernement zou zijn overgegeven.152
Bonham gebruikte den tijd, dien hij nog als gouverneur van Suriname in de kolonie doorbragt, om alles in behoorlijke orde te brengen. De rekeningen zoowel van de koloniale fondsen als die van desouvereinskaswerden opgemaakt en gesloten. Bonham was ordelievend, trouw aan zijnen koning en eerlijk in alles. Een blijk van dit laatste vinden wij o. a. nog weder in hetvolgende: Bentinck had eenige gelden, die onder het bestuur der weeskamer berustten, doch niet door de belanghebbenden opgevraagd waren, doen deponeren in de kas der Modique lasten, maar ze later in desouvereinskasovergebragt. Bonham zond een copie der lijst van die aan verschillende personen toekomende gelden, waarvan het totaal eene som van ƒ 87,517:10:1529⁄60 bedroeg, naar het Britsch gouvernement met de aanmerking, dat hoewel in 33 jaren hiernaar geen navraag was geweest, die gelden toch niet aan den souverein behoorden, maar dat hij ze gedeponeerd wilde laten, om ze terug te kunnen betalen aan hen, die er regtmatig aanspraak op hadden; terwijl hij vermoedde, dat, daar de vrede tusschen Nederland en Engeland nu hersteld was, de belanghebbenden weldra hunne aanspraken zouden doen gelden.153
Men begon langzamerhand toebereidselen te maken tot de ontruiming der kolonie en trok alzoo de buitenposten in. Ten tijde der Engelsche regering waren deze sterk bezet; gewoonlijk bevonden zich in de kolonie twee regimenten. Toen Suriname aan de Hollanders zou worden overgegeven, moesten debuitenpostenafgelost worden. Daartoe werden decompagniënkleurlingenenvrije negersder schutterij geconsigneerd. (Decompagniënblanken bleven in de stad).—De kleurlingen gingen dan ook, opeigen kosten, de Engelschen op de buitenposten aflossen, en bleven de krijgsdienst waarnemen, totdat de Hollandsche militairen hen kwamen aflossen. Sommigen dercompagniënkleurlingen zijndrie maandenlang op de posten gebleven—en hebben daardoor onmiskenbare blijken van hunne gehechtheid aan Nederland en aan het Huis van Oranje aan den dag gelegd.
De Generaal-Majoor Willem Benjamin van Panhuijs werd door den Koning der Nederlanden, Willem de eerste, tot Gouverneur van Suriname benoemd, en een eskader, onder den Vice-Admiraal van Braam, met ongeveer 1000 man Nederlandsche troepen stak in zee om hem naar deze kolonie te brengen154.
Van Braam arriveerde per fregat, met 250 man troepen, inhet begin van Januarij 1816; de nieuw benoemde Gouverneurvan Panhuijs was genoodzaakt geworden door bekomen avary, met het fregat, waarop hij zich met de andere troepen bevond, in de Baai van Biscaye binnen te loopen.
Daar van Panhuijs al de orders en overeenkomsten omtrent de overgave der kolonie aan Nederland bij zich had, vermeende Bonham te moeten wachten met de overgave der kolonie en de ontscheping van troepen tot zijne aankomst.
Panhuijs kwam echter reeds den 26stenJanuarij aan en nu werden door Bonham de noodige toebereidselen voor het vertrek der Britsche troepen enz. gemaakt en den 26stenFebruarij 1816 werd Suriname aan het Nederlandsch bewind overgegeven.
Het was een plegtig oogenblik toen de Engelsche vlag, die midden op het Gouvernementsplein aan een hoogen stok woei, langzaam werd nedergelaten, terwijl deHollandsche driekleureven statig werd opgeheschen; waarop een luid gejuich door het volk werd aangeheven en hetOranje bovendaverend door de lucht weêrgalmde.
Den juichtoonOranje bovente hooren doet een Hollandsch hart goed, en te kunnen vermelden, dat die juichtoon weder in Suriname uit vrije borst werd aangeheven, is ons een hartverheffend genoegen; wij verheugen ons met de geschiedenis tot dat tijdstip te zijn genaderd. Bij het sluiten van het Engelsche tijdvak moeten wij evenwel, daar wij steeds wenschen onpartijdig te zijn, bekennen, dat wij niet met Teenstra en anderen instemmen, wanneer zij het Britsch bestuur als nadeelig voor de kolonie beschouwen.
De Britsche regering heeft met matiging van de verkregen magt gebruik gemaakt, en getracht de belangen van Suriname te bevorderen en tevens die der Hollandsche geldschieters niet uit het oog te verliezen.
Dat door vroegere schrijvers een ongunstig en onregtvaardig oordeel over het Britsch bewind is uitgebragt, gelooven wij voornamelijk te moeten zoeken, in de omstandigheid, dat er zoo weinig bronnen tot het regt kennen van dit tijdvak in Holland of Suriname aanwezig waren.
Deofficieelecorrespondentie tusschen de Engelsche Gouverneursen de Secretarissen van Staat van het Departement vanKoloniën; verscheidene brieven aan bijzondere personen; extracten van notulen van het Hof van Policie omtrent belangrijke aangelegenheden; de uitvoerige memorien van Heshuijzen; de rekeningen en balansen der verschillende kassen, enz. enz. waren achtereenvolgens naar het Departement vanKoloniënte Londen overgemaakt en verder had Bonham bij zijn vertrek uit Suriname, de overige papieren (every document in the English) mede naar Engeland genomen »om,” gelijk hij aan Goulborn, Esq.,2deSecretaris van Staat, bij zijn aankomst te Londen meldde, »voor te komen, dat de Hollanders kennis bekwamen van de met zekere personen in Suriname gehouden correspondentie” (to prevent the Dutch gaining any information as to our correspondence with Certain persons in Surinam.)
Deze papieren berustten thans op Her Majesty’sState Paper Officete Londen. Om zooveel mogelijk licht over het Engelsche tijdvak te verspreiden, heb ik mij eene reis naar Londen getroost en aldaar is mij het onderzoek dier belangrijke bescheiden toegestaan; terwijl ik bij deze de diensten mij hiertoe door de Nederlandsche legatie verleend, dankbaar gedenk, moet ik tevens erkennen, dat dezelfde welwillendheid, die ik vroeger op ’s Rijks Archief in ’s Gravenhage van den heer Archivarius en anderen ontving, bij de bewerking van vroegere tijdvakken, evenzeer door mij genoten is van de ambtenaren bij het Departement van Koloniën en hetState Paper Officete Londen. Nederlandsche en Britsche authoriteiten en ambtenaren wedijveren in beleefdheid, om het onderzoek derofficieelebronnen gemakkelijk te maken, zelfs voor hem, die zich met zwakke schreden en nog weinig geoefenden blik op het moeijelijk gebied van historie waagt te begeven en die hierdoor moed erlangt om verder voort te gaan.