De Nederlandsche regering—de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine enKoloniënen zijn invloed strekte steeds ten goede voor ’s Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen—verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar NederlandschWest-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie tescheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder—eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van ’s lands zorg. Het vooroordeel tegenkleurlingenenjodenwas in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,—zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21stenJulij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz’laar, op den 20stenMei 1828.Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22stenJulij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal derFinanciën, de Commissaris-Generaal voor ’s Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld,worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor ’s Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt,” zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijkecollegiënin Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal.”Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer danƒ 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der RegterlijkeCollegiënkunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren.”Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, tweeWethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.Omtrent definantiënwerd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of ’s landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der AlgemeeneFinantiënen de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal vanFinantiën. Met het oppertoezigt over ’s Rijksdomeinen, als: ’s Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen alszakenen niet alspersonenwerden beschouwd. Genoemd artikel luidt:»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreftin betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan alsonmondigentot hunneKurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen alszakenen niet alspersonenkunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft.”Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:1o. te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verderemateriëleverzorging.Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn.”De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd,om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan.”De handel en vaartopenvande kolonie Suriname bleef provisioneel beperktuitennaarhet moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken59.Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingenaangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. DeIsraëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigtersgeheimebedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz’laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en—zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk:Maatschappijter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de EvangelischLutherscheGemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente;Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7denJunij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eeneMaatschappijofGenootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten eindemen alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijkschecontributiënder leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar dePlantagiënen terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren,hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien.”Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.Reeds den 10denderzelfden maand Junij ontvangen de ontwerperseen goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1stenAugustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken,tenminste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijlshet oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.P. R. Cantz’laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz’laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren.” In eene zijne eerstepublicatiënbetuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie60.Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz’laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen eninstructiënwerden daargesteld.Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen eninstructiënnader werden geregeld61. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weidenwerden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen62. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur63.Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in deWest-Indiënaar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26stenOctober 1830 door Cantz’laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (ƒ 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en ƒ 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van ƒ 100 werd gesteld64.Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, deAdministriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der kolonialeFinantiënde reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd65.De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bijpublicatiënvan 23 December 1828 geregeld66.Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd67; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd68; het uitoefenen dernotariëlepractijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt69, en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen,instructiën,publicatiënenz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op ƒ 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl alsrepresentatiefdaarvan eene gelijke som in bankbilletten van ½ gulden tot ƒ 1000 zou worden uitgegeven.De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en deWest-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als ’s Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland,70a.alle panden en voorwerpen door de bank beleend, enb.eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort.71.De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister vanKoloniënBaud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen hadgedaan72. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijkParticulierebank kon worden.In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van ƒ 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot ƒ 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor ƒ 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1odoor het aflossen vanNederlandschhypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten;2o.door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van ƒ1,200,000beleeningen gedaan.Negen dier geldopnemersleverdenhet bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,uit hoofdevan hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om dooracceptatiënvan de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit—op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd,omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve—zoo heette het—liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van ƒ 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.In het begin van 1831adverteerdede Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, datprovisioneelgeene wisselbrieven op het Ministerie vanKoloniënzouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3denMei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten inZuid-Nederland(de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in denfinanciëlenstaat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen wordenondergaan.”73Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister vanKoloniëneenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt infinantiëlezaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben,” maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan.”Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor ƒ 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz.654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.De afgifte van wissels op het Ministerie vanKoloniënhield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer74.Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.Ookdaaldende bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigenfinantiëlentoestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten75.De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz.76. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur,den 27stenApril 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden77: in het kort Suriname ging niet vooruit.Tijdens het bestuur van Cantz’laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt.78Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende” het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, metden dood zouden worden gestraft79.In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre vanBraziliëdoor den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren80.Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.Cantz’laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardigkarakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten81.Cantz’laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich82; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd83.Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om denwensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:1o. het aangenomen stelsel, dat dekoloniëngeheel en al zich zelven moesten onderhouden;2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal,voor zoo verredaarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie’s gewijze te verkoopen.Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-IndischeMaatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker86, de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat deKoloniënzich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; delandstaxenof akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaanscheprovisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie;terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à ƒ 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer ƒ 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning derW.-I.eilanden zich zelve niet onderhouden87, en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4deder hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheidder militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was.88De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dierdesertiën, de openbaarmaking door den druk, ende wijze der redactie van het 117 artikelvan het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij nietuiterst voorzigtigwerden opgesteld.Over het 5dehoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel enfamilie’sgewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt89.Omtrent het noodzakelijke vanpartieelenverkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst ende thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring vanfamiliebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:Artikel 1a.Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,zonder meer;b.dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin90.Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing doorhet Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt91. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest ƒ 500, en beneden de 14 jaren ƒ 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren92.Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waarde brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op ƒ 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, diedezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van ƒ 3,843.10 heeft opgebragt.
De Nederlandsche regering—de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine enKoloniënen zijn invloed strekte steeds ten goede voor ’s Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen—verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar NederlandschWest-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie tescheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder—eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van ’s lands zorg. Het vooroordeel tegenkleurlingenenjodenwas in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,—zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21stenJulij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz’laar, op den 20stenMei 1828.Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22stenJulij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal derFinanciën, de Commissaris-Generaal voor ’s Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld,worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor ’s Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt,” zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijkecollegiënin Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal.”Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer danƒ 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der RegterlijkeCollegiënkunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren.”Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, tweeWethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.Omtrent definantiënwerd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of ’s landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der AlgemeeneFinantiënen de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal vanFinantiën. Met het oppertoezigt over ’s Rijksdomeinen, als: ’s Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen alszakenen niet alspersonenwerden beschouwd. Genoemd artikel luidt:»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreftin betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan alsonmondigentot hunneKurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen alszakenen niet alspersonenkunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft.”Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:1o. te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verderemateriëleverzorging.Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn.”De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd,om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan.”De handel en vaartopenvande kolonie Suriname bleef provisioneel beperktuitennaarhet moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken59.Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingenaangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. DeIsraëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigtersgeheimebedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz’laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en—zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk:Maatschappijter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de EvangelischLutherscheGemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente;Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7denJunij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eeneMaatschappijofGenootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten eindemen alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijkschecontributiënder leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar dePlantagiënen terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren,hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien.”Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.Reeds den 10denderzelfden maand Junij ontvangen de ontwerperseen goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1stenAugustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken,tenminste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijlshet oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.P. R. Cantz’laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz’laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren.” In eene zijne eerstepublicatiënbetuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie60.Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz’laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen eninstructiënwerden daargesteld.Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen eninstructiënnader werden geregeld61. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weidenwerden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen62. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur63.Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in deWest-Indiënaar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26stenOctober 1830 door Cantz’laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (ƒ 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en ƒ 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van ƒ 100 werd gesteld64.Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, deAdministriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der kolonialeFinantiënde reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd65.De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bijpublicatiënvan 23 December 1828 geregeld66.Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd67; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd68; het uitoefenen dernotariëlepractijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt69, en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen,instructiën,publicatiënenz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op ƒ 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl alsrepresentatiefdaarvan eene gelijke som in bankbilletten van ½ gulden tot ƒ 1000 zou worden uitgegeven.De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en deWest-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als ’s Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland,70a.alle panden en voorwerpen door de bank beleend, enb.eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort.71.De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister vanKoloniënBaud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen hadgedaan72. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijkParticulierebank kon worden.In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van ƒ 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot ƒ 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor ƒ 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1odoor het aflossen vanNederlandschhypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten;2o.door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van ƒ1,200,000beleeningen gedaan.Negen dier geldopnemersleverdenhet bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,uit hoofdevan hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om dooracceptatiënvan de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit—op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd,omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve—zoo heette het—liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van ƒ 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.In het begin van 1831adverteerdede Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, datprovisioneelgeene wisselbrieven op het Ministerie vanKoloniënzouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3denMei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten inZuid-Nederland(de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in denfinanciëlenstaat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen wordenondergaan.”73Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister vanKoloniëneenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt infinantiëlezaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben,” maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan.”Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor ƒ 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz.654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.De afgifte van wissels op het Ministerie vanKoloniënhield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer74.Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.Ookdaaldende bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigenfinantiëlentoestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten75.De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz.76. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur,den 27stenApril 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden77: in het kort Suriname ging niet vooruit.Tijdens het bestuur van Cantz’laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt.78Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende” het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, metden dood zouden worden gestraft79.In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre vanBraziliëdoor den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren80.Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.Cantz’laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardigkarakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten81.Cantz’laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich82; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd83.Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om denwensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:1o. het aangenomen stelsel, dat dekoloniëngeheel en al zich zelven moesten onderhouden;2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal,voor zoo verredaarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie’s gewijze te verkoopen.Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-IndischeMaatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker86, de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat deKoloniënzich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; delandstaxenof akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaanscheprovisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie;terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à ƒ 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer ƒ 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning derW.-I.eilanden zich zelve niet onderhouden87, en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4deder hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheidder militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was.88De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dierdesertiën, de openbaarmaking door den druk, ende wijze der redactie van het 117 artikelvan het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij nietuiterst voorzigtigwerden opgesteld.Over het 5dehoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel enfamilie’sgewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt89.Omtrent het noodzakelijke vanpartieelenverkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst ende thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring vanfamiliebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:Artikel 1a.Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,zonder meer;b.dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin90.Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing doorhet Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt91. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest ƒ 500, en beneden de 14 jaren ƒ 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren92.Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waarde brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op ƒ 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, diedezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van ƒ 3,843.10 heeft opgebragt.
De Nederlandsche regering—de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine enKoloniënen zijn invloed strekte steeds ten goede voor ’s Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen—verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar NederlandschWest-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie tescheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder—eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van ’s lands zorg. Het vooroordeel tegenkleurlingenenjodenwas in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,—zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21stenJulij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz’laar, op den 20stenMei 1828.Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22stenJulij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal derFinanciën, de Commissaris-Generaal voor ’s Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld,worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor ’s Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt,” zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijkecollegiënin Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal.”Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer danƒ 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der RegterlijkeCollegiënkunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren.”Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, tweeWethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.Omtrent definantiënwerd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of ’s landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der AlgemeeneFinantiënen de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal vanFinantiën. Met het oppertoezigt over ’s Rijksdomeinen, als: ’s Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen alszakenen niet alspersonenwerden beschouwd. Genoemd artikel luidt:»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreftin betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan alsonmondigentot hunneKurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen alszakenen niet alspersonenkunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft.”Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:1o. te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verderemateriëleverzorging.Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn.”De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd,om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan.”De handel en vaartopenvande kolonie Suriname bleef provisioneel beperktuitennaarhet moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken59.Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingenaangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. DeIsraëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigtersgeheimebedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz’laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en—zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk:Maatschappijter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de EvangelischLutherscheGemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente;Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7denJunij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eeneMaatschappijofGenootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten eindemen alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijkschecontributiënder leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar dePlantagiënen terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren,hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien.”Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.Reeds den 10denderzelfden maand Junij ontvangen de ontwerperseen goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1stenAugustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken,tenminste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijlshet oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.P. R. Cantz’laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz’laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren.” In eene zijne eerstepublicatiënbetuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie60.Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz’laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen eninstructiënwerden daargesteld.Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen eninstructiënnader werden geregeld61. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weidenwerden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen62. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur63.Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in deWest-Indiënaar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26stenOctober 1830 door Cantz’laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (ƒ 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en ƒ 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van ƒ 100 werd gesteld64.Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, deAdministriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der kolonialeFinantiënde reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd65.De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bijpublicatiënvan 23 December 1828 geregeld66.Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd67; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd68; het uitoefenen dernotariëlepractijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt69, en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen,instructiën,publicatiënenz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op ƒ 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl alsrepresentatiefdaarvan eene gelijke som in bankbilletten van ½ gulden tot ƒ 1000 zou worden uitgegeven.De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en deWest-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als ’s Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland,70a.alle panden en voorwerpen door de bank beleend, enb.eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort.71.De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister vanKoloniënBaud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen hadgedaan72. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijkParticulierebank kon worden.In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van ƒ 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot ƒ 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor ƒ 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1odoor het aflossen vanNederlandschhypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten;2o.door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van ƒ1,200,000beleeningen gedaan.Negen dier geldopnemersleverdenhet bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,uit hoofdevan hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om dooracceptatiënvan de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit—op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd,omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve—zoo heette het—liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van ƒ 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.In het begin van 1831adverteerdede Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, datprovisioneelgeene wisselbrieven op het Ministerie vanKoloniënzouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3denMei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten inZuid-Nederland(de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in denfinanciëlenstaat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen wordenondergaan.”73Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister vanKoloniëneenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt infinantiëlezaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben,” maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan.”Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor ƒ 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz.654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.De afgifte van wissels op het Ministerie vanKoloniënhield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer74.Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.Ookdaaldende bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigenfinantiëlentoestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten75.De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz.76. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur,den 27stenApril 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden77: in het kort Suriname ging niet vooruit.Tijdens het bestuur van Cantz’laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt.78Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende” het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, metden dood zouden worden gestraft79.In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre vanBraziliëdoor den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren80.Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.Cantz’laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardigkarakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten81.Cantz’laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich82; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd83.Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om denwensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:1o. het aangenomen stelsel, dat dekoloniëngeheel en al zich zelven moesten onderhouden;2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal,voor zoo verredaarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie’s gewijze te verkoopen.Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-IndischeMaatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker86, de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat deKoloniënzich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; delandstaxenof akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaanscheprovisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie;terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à ƒ 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer ƒ 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning derW.-I.eilanden zich zelve niet onderhouden87, en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4deder hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheidder militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was.88De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dierdesertiën, de openbaarmaking door den druk, ende wijze der redactie van het 117 artikelvan het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij nietuiterst voorzigtigwerden opgesteld.Over het 5dehoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel enfamilie’sgewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt89.Omtrent het noodzakelijke vanpartieelenverkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst ende thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring vanfamiliebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:Artikel 1a.Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,zonder meer;b.dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin90.Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing doorhet Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt91. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest ƒ 500, en beneden de 14 jaren ƒ 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren92.Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waarde brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op ƒ 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, diedezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van ƒ 3,843.10 heeft opgebragt.
De Nederlandsche regering—de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine enKoloniënen zijn invloed strekte steeds ten goede voor ’s Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen—verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar NederlandschWest-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie tescheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder—eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van ’s lands zorg. Het vooroordeel tegenkleurlingenenjodenwas in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,—zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21stenJulij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz’laar, op den 20stenMei 1828.Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22stenJulij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal derFinanciën, de Commissaris-Generaal voor ’s Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld,worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor ’s Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt,” zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijkecollegiënin Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal.”Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer danƒ 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der RegterlijkeCollegiënkunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren.”Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, tweeWethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.Omtrent definantiënwerd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of ’s landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der AlgemeeneFinantiënen de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal vanFinantiën. Met het oppertoezigt over ’s Rijksdomeinen, als: ’s Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen alszakenen niet alspersonenwerden beschouwd. Genoemd artikel luidt:»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreftin betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan alsonmondigentot hunneKurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen alszakenen niet alspersonenkunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft.”Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:1o. te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verderemateriëleverzorging.Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn.”De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd,om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan.”De handel en vaartopenvande kolonie Suriname bleef provisioneel beperktuitennaarhet moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken59.Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingenaangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. DeIsraëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigtersgeheimebedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz’laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en—zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk:Maatschappijter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de EvangelischLutherscheGemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente;Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7denJunij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eeneMaatschappijofGenootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten eindemen alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijkschecontributiënder leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar dePlantagiënen terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren,hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien.”Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.Reeds den 10denderzelfden maand Junij ontvangen de ontwerperseen goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1stenAugustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken,tenminste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijlshet oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.P. R. Cantz’laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz’laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren.” In eene zijne eerstepublicatiënbetuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie60.Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz’laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen eninstructiënwerden daargesteld.Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen eninstructiënnader werden geregeld61. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weidenwerden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen62. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur63.Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in deWest-Indiënaar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26stenOctober 1830 door Cantz’laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (ƒ 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en ƒ 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van ƒ 100 werd gesteld64.Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, deAdministriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der kolonialeFinantiënde reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd65.De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bijpublicatiënvan 23 December 1828 geregeld66.Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd67; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd68; het uitoefenen dernotariëlepractijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt69, en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen,instructiën,publicatiënenz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op ƒ 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl alsrepresentatiefdaarvan eene gelijke som in bankbilletten van ½ gulden tot ƒ 1000 zou worden uitgegeven.De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en deWest-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als ’s Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland,70a.alle panden en voorwerpen door de bank beleend, enb.eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort.71.De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister vanKoloniënBaud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen hadgedaan72. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijkParticulierebank kon worden.In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van ƒ 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot ƒ 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor ƒ 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1odoor het aflossen vanNederlandschhypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten;2o.door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van ƒ1,200,000beleeningen gedaan.Negen dier geldopnemersleverdenhet bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,uit hoofdevan hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om dooracceptatiënvan de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit—op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd,omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve—zoo heette het—liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van ƒ 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.In het begin van 1831adverteerdede Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, datprovisioneelgeene wisselbrieven op het Ministerie vanKoloniënzouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3denMei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten inZuid-Nederland(de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in denfinanciëlenstaat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen wordenondergaan.”73Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister vanKoloniëneenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt infinantiëlezaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben,” maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan.”Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor ƒ 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz.654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.De afgifte van wissels op het Ministerie vanKoloniënhield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer74.Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.Ookdaaldende bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigenfinantiëlentoestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten75.De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz.76. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur,den 27stenApril 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden77: in het kort Suriname ging niet vooruit.Tijdens het bestuur van Cantz’laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt.78Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende” het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, metden dood zouden worden gestraft79.In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre vanBraziliëdoor den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren80.Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.Cantz’laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardigkarakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten81.Cantz’laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich82; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd83.Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om denwensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:1o. het aangenomen stelsel, dat dekoloniëngeheel en al zich zelven moesten onderhouden;2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal,voor zoo verredaarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie’s gewijze te verkoopen.Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-IndischeMaatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker86, de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat deKoloniënzich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; delandstaxenof akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaanscheprovisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie;terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à ƒ 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer ƒ 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning derW.-I.eilanden zich zelve niet onderhouden87, en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4deder hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheidder militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was.88De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dierdesertiën, de openbaarmaking door den druk, ende wijze der redactie van het 117 artikelvan het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij nietuiterst voorzigtigwerden opgesteld.Over het 5dehoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel enfamilie’sgewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt89.Omtrent het noodzakelijke vanpartieelenverkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst ende thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring vanfamiliebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:Artikel 1a.Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,zonder meer;b.dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin90.Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing doorhet Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt91. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest ƒ 500, en beneden de 14 jaren ƒ 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren92.Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waarde brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op ƒ 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, diedezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van ƒ 3,843.10 heeft opgebragt.
De Nederlandsche regering—de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine enKoloniënen zijn invloed strekte steeds ten goede voor ’s Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen—verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar NederlandschWest-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie tescheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder—eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van ’s lands zorg. Het vooroordeel tegenkleurlingenenjodenwas in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,—zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21stenJulij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz’laar, op den 20stenMei 1828.Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22stenJulij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal derFinanciën, de Commissaris-Generaal voor ’s Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld,worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor ’s Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt,” zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijkecollegiënin Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal.”Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer danƒ 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der RegterlijkeCollegiënkunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren.”Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, tweeWethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.Omtrent definantiënwerd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of ’s landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der AlgemeeneFinantiënen de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal vanFinantiën. Met het oppertoezigt over ’s Rijksdomeinen, als: ’s Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen alszakenen niet alspersonenwerden beschouwd. Genoemd artikel luidt:»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreftin betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan alsonmondigentot hunneKurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen alszakenen niet alspersonenkunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft.”Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:1o. te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verderemateriëleverzorging.Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn.”De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd,om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan.”De handel en vaartopenvande kolonie Suriname bleef provisioneel beperktuitennaarhet moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken59.Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingenaangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. DeIsraëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigtersgeheimebedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz’laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en—zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk:Maatschappijter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de EvangelischLutherscheGemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente;Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7denJunij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eeneMaatschappijofGenootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten eindemen alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijkschecontributiënder leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar dePlantagiënen terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren,hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien.”Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.Reeds den 10denderzelfden maand Junij ontvangen de ontwerperseen goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1stenAugustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken,tenminste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijlshet oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.P. R. Cantz’laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz’laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren.” In eene zijne eerstepublicatiënbetuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie60.Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz’laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen eninstructiënwerden daargesteld.Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen eninstructiënnader werden geregeld61. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weidenwerden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen62. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur63.Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in deWest-Indiënaar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26stenOctober 1830 door Cantz’laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (ƒ 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en ƒ 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van ƒ 100 werd gesteld64.Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, deAdministriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der kolonialeFinantiënde reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd65.De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bijpublicatiënvan 23 December 1828 geregeld66.Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd67; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd68; het uitoefenen dernotariëlepractijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt69, en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen,instructiën,publicatiënenz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op ƒ 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl alsrepresentatiefdaarvan eene gelijke som in bankbilletten van ½ gulden tot ƒ 1000 zou worden uitgegeven.De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en deWest-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als ’s Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland,70a.alle panden en voorwerpen door de bank beleend, enb.eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort.71.De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister vanKoloniënBaud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen hadgedaan72. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijkParticulierebank kon worden.In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van ƒ 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot ƒ 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor ƒ 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1odoor het aflossen vanNederlandschhypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten;2o.door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van ƒ1,200,000beleeningen gedaan.Negen dier geldopnemersleverdenhet bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,uit hoofdevan hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om dooracceptatiënvan de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit—op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd,omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve—zoo heette het—liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van ƒ 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.In het begin van 1831adverteerdede Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, datprovisioneelgeene wisselbrieven op het Ministerie vanKoloniënzouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3denMei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten inZuid-Nederland(de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in denfinanciëlenstaat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen wordenondergaan.”73Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister vanKoloniëneenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt infinantiëlezaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben,” maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan.”Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor ƒ 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz.654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.De afgifte van wissels op het Ministerie vanKoloniënhield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer74.Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.Ookdaaldende bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigenfinantiëlentoestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten75.De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz.76. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur,den 27stenApril 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden77: in het kort Suriname ging niet vooruit.Tijdens het bestuur van Cantz’laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt.78Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende” het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, metden dood zouden worden gestraft79.In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre vanBraziliëdoor den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren80.Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.Cantz’laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardigkarakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten81.Cantz’laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich82; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd83.Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om denwensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:1o. het aangenomen stelsel, dat dekoloniëngeheel en al zich zelven moesten onderhouden;2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal,voor zoo verredaarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie’s gewijze te verkoopen.Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-IndischeMaatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker86, de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat deKoloniënzich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; delandstaxenof akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaanscheprovisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie;terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à ƒ 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer ƒ 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning derW.-I.eilanden zich zelve niet onderhouden87, en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4deder hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheidder militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was.88De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dierdesertiën, de openbaarmaking door den druk, ende wijze der redactie van het 117 artikelvan het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij nietuiterst voorzigtigwerden opgesteld.Over het 5dehoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel enfamilie’sgewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt89.Omtrent het noodzakelijke vanpartieelenverkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst ende thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring vanfamiliebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:Artikel 1a.Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,zonder meer;b.dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin90.Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing doorhet Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt91. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest ƒ 500, en beneden de 14 jaren ƒ 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren92.Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waarde brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op ƒ 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, diedezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van ƒ 3,843.10 heeft opgebragt.
De Nederlandsche regering—de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine enKoloniënen zijn invloed strekte steeds ten goede voor ’s Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen—verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar NederlandschWest-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.
Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.
Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie tescheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder—eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.
Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van ’s lands zorg. Het vooroordeel tegenkleurlingenenjodenwas in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.
De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,—zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.
Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.
Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21stenJulij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.
Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz’laar, op den 20stenMei 1828.
Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22stenJulij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.
In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal derFinanciën, de Commissaris-Generaal voor ’s Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld,worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.
De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.
In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor ’s Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.
Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.
Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt,” zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijkecollegiënin Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal.”
Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer danƒ 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.
Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.
Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.
Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der RegterlijkeCollegiënkunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren.”
Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.
Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.
Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, tweeWethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.
Omtrent definantiënwerd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of ’s landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der AlgemeeneFinantiënen de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal vanFinantiën. Met het oppertoezigt over ’s Rijksdomeinen, als: ’s Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.
Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.
Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen alszakenen niet alspersonenwerden beschouwd. Genoemd artikel luidt:
»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreftin betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan alsonmondigentot hunneKurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen alszakenen niet alspersonenkunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft.”
Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:
1o. te streng voor den slaaf;
2o. te toegevend voor mishandelingen; en
3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verderemateriëleverzorging.
Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:
»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn.”
De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:
»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd,om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan.”
De handel en vaartopenvande kolonie Suriname bleef provisioneel beperktuitennaarhet moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.
Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken59.
Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.
Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingenaangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. DeIsraëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigtersgeheimebedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.
Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz’laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en—zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.
Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk:Maatschappijter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.
De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:
Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de EvangelischLutherscheGemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente;Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.
Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7denJunij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:
»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eeneMaatschappijofGenootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.
De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.
Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.
De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten eindemen alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.
Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijkschecontributiënder leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.
Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:
1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar dePlantagiënen terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;
2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.
Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;
3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren,hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;
4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;
5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.
Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien.”
Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.
Reeds den 10denderzelfden maand Junij ontvangen de ontwerperseen goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!
Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1stenAugustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.
Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken,tenminste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijlshet oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.
P. R. Cantz’laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz’laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren.” In eene zijne eerstepublicatiënbetuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie60.
Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz’laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen eninstructiënwerden daargesteld.
Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen eninstructiënnader werden geregeld61. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weidenwerden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen62. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur63.
Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in deWest-Indiënaar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26stenOctober 1830 door Cantz’laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (ƒ 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en ƒ 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van ƒ 100 werd gesteld64.
Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.
De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, deAdministriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der kolonialeFinantiënde reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd65.
De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bijpublicatiënvan 23 December 1828 geregeld66.
Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd67; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd68; het uitoefenen dernotariëlepractijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt69, en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen,instructiën,publicatiënenz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.
Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.
De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op ƒ 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl alsrepresentatiefdaarvan eene gelijke som in bankbilletten van ½ gulden tot ƒ 1000 zou worden uitgegeven.
De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en deWest-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als ’s Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.
Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.
Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.
Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland,70
a.alle panden en voorwerpen door de bank beleend, en
b.eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort.71.
De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?
Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister vanKoloniënBaud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen hadgedaan72. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijkParticulierebank kon worden.
In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van ƒ 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot ƒ 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor ƒ 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.
Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1odoor het aflossen vanNederlandschhypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten;2o.door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van ƒ1,200,000beleeningen gedaan.
Negen dier geldopnemersleverdenhet bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die,uit hoofdevan hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om dooracceptatiënvan de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.
De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.
Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.
Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.
De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit—op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd,omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve—zoo heette het—liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.
Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van ƒ 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.
Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.
In het begin van 1831adverteerdede Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, datprovisioneelgeene wisselbrieven op het Ministerie vanKoloniënzouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3denMei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten inZuid-Nederland(de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van ’s lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in denfinanciëlenstaat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen wordenondergaan.”73Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister vanKoloniëneenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz’laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt infinantiëlezaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.
In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben,” maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan.”
Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor ƒ 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz.654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.
De afgifte van wissels op het Ministerie vanKoloniënhield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer74.
Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.
Ookdaaldende bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.
De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigenfinantiëlentoestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten75.
De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz.76. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur,den 27stenApril 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.
Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden77: in het kort Suriname ging niet vooruit.
Tijdens het bestuur van Cantz’laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt.78
Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende” het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, metden dood zouden worden gestraft79.
In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre vanBraziliëdoor den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren80.
Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.
Cantz’laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardigkarakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten81.
Cantz’laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.
Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich82; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd83.
Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om denwensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.
Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.
Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:
1o. het aangenomen stelsel, dat dekoloniëngeheel en al zich zelven moesten onderhouden;
2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal,voor zoo verredaarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;
3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;
4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en
5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie’s gewijze te verkoopen.
Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest” zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-IndischeMaatschappij gedragen moest worden84; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty)85; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten.”
En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker86, de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat deKoloniënzich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; delandstaxenof akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaanscheprovisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie;terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à ƒ 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer ƒ 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.
En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.
De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.
En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning derW.-I.eilanden zich zelve niet onderhouden87, en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4deder hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheidder militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was.88
De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dierdesertiën, de openbaarmaking door den druk, ende wijze der redactie van het 117 artikelvan het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij nietuiterst voorzigtigwerden opgesteld.
Over het 5dehoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel enfamilie’sgewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.
Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt89.
Omtrent het noodzakelijke vanpartieelenverkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst ende thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring vanfamiliebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.
Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.
Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:
Artikel 1a.Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde,zonder meer;
b.dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.
Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.
Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin90.
Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing doorhet Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.
Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt91. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest ƒ 500, en beneden de 14 jaren ƒ 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.
In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren92.
Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.
Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waarde brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.
Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op ƒ 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.
De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, diedezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.
De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van ƒ 3,843.10 heeft opgebragt.