Chapter 44

In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van ƒ 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van ƒ 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerinPeggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2½ cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname,” een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, enin naam des Koningsregt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Presentlevendte worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk mettamarinde-roedente doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren93. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van ƒ 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor ƒ 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld94.In den nacht van den 17denop den 18denMei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim ƒ 70,000 geschat95.De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2denJanuarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur96.De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost97.Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidenepublicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren,waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,ordonnantiënenpublicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3denDecember 1832 in de Kolonie gepubliceerd98.Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en—hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur vanFinantiën(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal vanFinantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegereHof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen” (art. 10).»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.”»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal deplanoen buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn” (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt99.De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshofder kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.Het beheer derFinantiënbleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur vanFinantiënvoerde.Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en deCommissiëntot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof100.De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren ende pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van hetCollegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur101.Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden dewetgevers(in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, alsuitvoerders(Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingenuitleggen,beperkenofuitbreidennaar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen” getuigt van halfheid, de 2dealinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om,voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen”.De tusschenzin hier door onscursiefgesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en—al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vondendesertiënplaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdereexpeditiënuitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen102.In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoenerHenriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamdWillem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener,de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd103.De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommigekolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat derfinantiënte veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost104.In 1835 genoot Suriname het voorregt vanPrins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1steklasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maasen Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door denkapitein luitenantter zee Ferguson, den 24stenJunij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6denJulij.Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname’s ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was105; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw)106.Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, eenzestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.Onderscheidenepublicatiënbetreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland,klassikaalworden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis desNieuwen Testamentsalleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven108.Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in viercompagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettighuwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaalin overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggendeoorlogsschepentegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheidenandere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20stenen 21stenMei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd109.Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen110; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.Op den 7denFebruarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd111.Den 25stenJunij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur vanFinantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst112.Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der NederlandscheIsraëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd113.In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd114; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5denMei van het volgende jaar van het tooneelgebouwThaliade eerste steen gelegd115.Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van ƒ 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren116.Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal117.Van Heeckeren vertrok den 5denJunij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15denJunij daaraanvolgende overleed118.De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis119.Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenigepublicatiënhoudende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten120; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van ƒ 100,000 verleende121.In den vroegen morgen van den 11denJanuarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld122.Den 7denJulij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen123.Rijk nam den 16denJulij 1839 het bestuur van de Kanter over124; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld125. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd126.Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12denMei 1840127, en verder verscheidenepublicatiënvan min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegende prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van ƒ 1.20 tot ƒ 1.50 te brengen128. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van ƒ 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd129; de invoer van slagtvee werd nuvoortdurendvrijgesteld en de uitvoer verboden130.In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken131.Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglementtegendanvoorde slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Surinameverzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.Rijk zag een hoog belang in demedewerkingvan eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14denMaart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten132.Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp deconsideratiënen advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch—gelijk wel te begrijpen was—dit baarde slechts nieuw uitstel133. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden;men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister vanKoloniënJ. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwdeslavinnen(waarvan erachttienin het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van ƒ 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen,inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft134.Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eerete stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent hetvanggeld(hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van ƒ 3 tot ƒ 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van ƒ 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld135.)Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen136.Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.Rijk vaardigde den 16denOctober 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven137.Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwenrentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur vanfinantiënà pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden138.Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit139.In 1839 beproefde men door de uitgavevaneen tijdschrift »de Kolonist,” toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden140.In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt141.Op den 9denJanuarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschipClyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail142.De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7denOctober 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28stenNovember 1840, uitgevaardigd den 24stenMaart 1841143.Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde144.Den 31stenMaart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal145.Rijk verliet den 5denApril daaraanvolgende met de korvetJunode Kolonie Suriname146.De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van ƒ 100 tot ƒ 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz.eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van ƒ 100 tot ƒ 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie vanKoloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en—ondervond vele tegenwerking.Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13denderzelver maand het bestuur van de Kanter over147.Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doendedoor hemte heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden148.Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.Sommige Amsterdamsche kooplieden,—met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden—protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zijachttenwijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus—zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend—onwettig was; terwijl hijanderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeursmaar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hijde onmisbare huiselijke tuchtonder de slaven belemmerde.De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,—kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister vanKoloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen ’s Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmengingvan vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843.149Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijndeeffectieveleden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten150.De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissente Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen ofpetitiënaan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bijindividueeladres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen151.De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias152.De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten:dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde153.In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was154; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijkejurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is155.Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2oOctober 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen156.In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring:het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer157.De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekendebeschuldigingentegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en wasdadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, endat(dit is letterlijk in de notulen vermeld)het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal,à pariescompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844158.Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde.159Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.Er werd eenecomparitiebelegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en tweeprovisioneeleleden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamdproces-verbaaluit te brengen160.Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l’Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede,provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten161.Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt—en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld162.Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten—dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden,botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van ’s Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op ’s lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.BijKoninklijkbesluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.Den 22stenJunij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvellingAndresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur vanFinantiënLeers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.

In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van ƒ 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van ƒ 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerinPeggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2½ cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname,” een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, enin naam des Koningsregt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Presentlevendte worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk mettamarinde-roedente doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren93. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van ƒ 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor ƒ 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld94.In den nacht van den 17denop den 18denMei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim ƒ 70,000 geschat95.De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2denJanuarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur96.De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost97.Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidenepublicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren,waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,ordonnantiënenpublicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3denDecember 1832 in de Kolonie gepubliceerd98.Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en—hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur vanFinantiën(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal vanFinantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegereHof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen” (art. 10).»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.”»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal deplanoen buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn” (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt99.De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshofder kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.Het beheer derFinantiënbleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur vanFinantiënvoerde.Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en deCommissiëntot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof100.De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren ende pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van hetCollegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur101.Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden dewetgevers(in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, alsuitvoerders(Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingenuitleggen,beperkenofuitbreidennaar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen” getuigt van halfheid, de 2dealinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om,voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen”.De tusschenzin hier door onscursiefgesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en—al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vondendesertiënplaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdereexpeditiënuitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen102.In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoenerHenriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamdWillem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener,de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd103.De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommigekolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat derfinantiënte veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost104.In 1835 genoot Suriname het voorregt vanPrins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1steklasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maasen Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door denkapitein luitenantter zee Ferguson, den 24stenJunij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6denJulij.Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname’s ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was105; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw)106.Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, eenzestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.Onderscheidenepublicatiënbetreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland,klassikaalworden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis desNieuwen Testamentsalleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven108.Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in viercompagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettighuwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaalin overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggendeoorlogsschepentegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheidenandere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20stenen 21stenMei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd109.Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen110; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.Op den 7denFebruarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd111.Den 25stenJunij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur vanFinantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst112.Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der NederlandscheIsraëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd113.In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd114; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5denMei van het volgende jaar van het tooneelgebouwThaliade eerste steen gelegd115.Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van ƒ 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren116.Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal117.Van Heeckeren vertrok den 5denJunij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15denJunij daaraanvolgende overleed118.De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis119.Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenigepublicatiënhoudende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten120; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van ƒ 100,000 verleende121.In den vroegen morgen van den 11denJanuarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld122.Den 7denJulij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen123.Rijk nam den 16denJulij 1839 het bestuur van de Kanter over124; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld125. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd126.Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12denMei 1840127, en verder verscheidenepublicatiënvan min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegende prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van ƒ 1.20 tot ƒ 1.50 te brengen128. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van ƒ 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd129; de invoer van slagtvee werd nuvoortdurendvrijgesteld en de uitvoer verboden130.In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken131.Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglementtegendanvoorde slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Surinameverzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.Rijk zag een hoog belang in demedewerkingvan eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14denMaart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten132.Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp deconsideratiënen advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch—gelijk wel te begrijpen was—dit baarde slechts nieuw uitstel133. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden;men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister vanKoloniënJ. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwdeslavinnen(waarvan erachttienin het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van ƒ 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen,inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft134.Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eerete stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent hetvanggeld(hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van ƒ 3 tot ƒ 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van ƒ 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld135.)Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen136.Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.Rijk vaardigde den 16denOctober 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven137.Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwenrentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur vanfinantiënà pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden138.Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit139.In 1839 beproefde men door de uitgavevaneen tijdschrift »de Kolonist,” toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden140.In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt141.Op den 9denJanuarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschipClyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail142.De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7denOctober 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28stenNovember 1840, uitgevaardigd den 24stenMaart 1841143.Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde144.Den 31stenMaart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal145.Rijk verliet den 5denApril daaraanvolgende met de korvetJunode Kolonie Suriname146.De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van ƒ 100 tot ƒ 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz.eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van ƒ 100 tot ƒ 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie vanKoloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en—ondervond vele tegenwerking.Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13denderzelver maand het bestuur van de Kanter over147.Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doendedoor hemte heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden148.Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.Sommige Amsterdamsche kooplieden,—met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden—protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zijachttenwijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus—zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend—onwettig was; terwijl hijanderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeursmaar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hijde onmisbare huiselijke tuchtonder de slaven belemmerde.De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,—kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister vanKoloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen ’s Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmengingvan vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843.149Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijndeeffectieveleden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten150.De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissente Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen ofpetitiënaan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bijindividueeladres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen151.De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias152.De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten:dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde153.In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was154; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijkejurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is155.Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2oOctober 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen156.In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring:het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer157.De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekendebeschuldigingentegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en wasdadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, endat(dit is letterlijk in de notulen vermeld)het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal,à pariescompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844158.Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde.159Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.Er werd eenecomparitiebelegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en tweeprovisioneeleleden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamdproces-verbaaluit te brengen160.Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l’Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede,provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten161.Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt—en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld162.Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten—dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden,botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van ’s Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op ’s lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.BijKoninklijkbesluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.Den 22stenJunij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvellingAndresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur vanFinantiënLeers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.

In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van ƒ 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van ƒ 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerinPeggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2½ cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname,” een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, enin naam des Koningsregt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Presentlevendte worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk mettamarinde-roedente doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren93. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van ƒ 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor ƒ 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld94.In den nacht van den 17denop den 18denMei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim ƒ 70,000 geschat95.De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2denJanuarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur96.De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost97.Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidenepublicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren,waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,ordonnantiënenpublicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3denDecember 1832 in de Kolonie gepubliceerd98.Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en—hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur vanFinantiën(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal vanFinantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegereHof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen” (art. 10).»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.”»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal deplanoen buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn” (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt99.De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshofder kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.Het beheer derFinantiënbleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur vanFinantiënvoerde.Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en deCommissiëntot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof100.De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren ende pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van hetCollegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur101.Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden dewetgevers(in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, alsuitvoerders(Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingenuitleggen,beperkenofuitbreidennaar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen” getuigt van halfheid, de 2dealinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om,voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen”.De tusschenzin hier door onscursiefgesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en—al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vondendesertiënplaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdereexpeditiënuitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen102.In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoenerHenriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamdWillem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener,de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd103.De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommigekolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat derfinantiënte veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost104.In 1835 genoot Suriname het voorregt vanPrins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1steklasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maasen Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door denkapitein luitenantter zee Ferguson, den 24stenJunij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6denJulij.Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname’s ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was105; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw)106.Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, eenzestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.Onderscheidenepublicatiënbetreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland,klassikaalworden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis desNieuwen Testamentsalleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven108.Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in viercompagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettighuwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaalin overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggendeoorlogsschepentegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheidenandere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20stenen 21stenMei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd109.Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen110; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.Op den 7denFebruarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd111.Den 25stenJunij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur vanFinantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst112.Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der NederlandscheIsraëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd113.In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd114; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5denMei van het volgende jaar van het tooneelgebouwThaliade eerste steen gelegd115.Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van ƒ 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren116.Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal117.Van Heeckeren vertrok den 5denJunij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15denJunij daaraanvolgende overleed118.De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis119.Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenigepublicatiënhoudende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten120; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van ƒ 100,000 verleende121.In den vroegen morgen van den 11denJanuarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld122.Den 7denJulij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen123.Rijk nam den 16denJulij 1839 het bestuur van de Kanter over124; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld125. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd126.Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12denMei 1840127, en verder verscheidenepublicatiënvan min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegende prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van ƒ 1.20 tot ƒ 1.50 te brengen128. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van ƒ 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd129; de invoer van slagtvee werd nuvoortdurendvrijgesteld en de uitvoer verboden130.In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken131.Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglementtegendanvoorde slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Surinameverzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.Rijk zag een hoog belang in demedewerkingvan eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14denMaart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten132.Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp deconsideratiënen advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch—gelijk wel te begrijpen was—dit baarde slechts nieuw uitstel133. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden;men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister vanKoloniënJ. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwdeslavinnen(waarvan erachttienin het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van ƒ 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen,inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft134.Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eerete stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent hetvanggeld(hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van ƒ 3 tot ƒ 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van ƒ 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld135.)Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen136.Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.Rijk vaardigde den 16denOctober 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven137.Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwenrentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur vanfinantiënà pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden138.Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit139.In 1839 beproefde men door de uitgavevaneen tijdschrift »de Kolonist,” toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden140.In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt141.Op den 9denJanuarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschipClyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail142.De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7denOctober 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28stenNovember 1840, uitgevaardigd den 24stenMaart 1841143.Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde144.Den 31stenMaart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal145.Rijk verliet den 5denApril daaraanvolgende met de korvetJunode Kolonie Suriname146.De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van ƒ 100 tot ƒ 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz.eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van ƒ 100 tot ƒ 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie vanKoloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en—ondervond vele tegenwerking.Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13denderzelver maand het bestuur van de Kanter over147.Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doendedoor hemte heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden148.Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.Sommige Amsterdamsche kooplieden,—met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden—protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zijachttenwijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus—zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend—onwettig was; terwijl hijanderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeursmaar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hijde onmisbare huiselijke tuchtonder de slaven belemmerde.De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,—kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister vanKoloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen ’s Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmengingvan vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843.149Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijndeeffectieveleden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten150.De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissente Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen ofpetitiënaan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bijindividueeladres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen151.De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias152.De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten:dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde153.In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was154; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijkejurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is155.Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2oOctober 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen156.In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring:het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer157.De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekendebeschuldigingentegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en wasdadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, endat(dit is letterlijk in de notulen vermeld)het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal,à pariescompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844158.Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde.159Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.Er werd eenecomparitiebelegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en tweeprovisioneeleleden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamdproces-verbaaluit te brengen160.Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l’Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede,provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten161.Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt—en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld162.Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten—dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden,botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van ’s Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op ’s lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.BijKoninklijkbesluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.Den 22stenJunij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvellingAndresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur vanFinantiënLeers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.

In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van ƒ 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van ƒ 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerinPeggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2½ cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname,” een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, enin naam des Koningsregt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Presentlevendte worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk mettamarinde-roedente doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren93. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van ƒ 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor ƒ 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld94.In den nacht van den 17denop den 18denMei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim ƒ 70,000 geschat95.De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2denJanuarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur96.De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost97.Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidenepublicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren,waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,ordonnantiënenpublicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3denDecember 1832 in de Kolonie gepubliceerd98.Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en—hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur vanFinantiën(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal vanFinantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegereHof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen” (art. 10).»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.”»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal deplanoen buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn” (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt99.De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshofder kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.Het beheer derFinantiënbleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur vanFinantiënvoerde.Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en deCommissiëntot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof100.De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren ende pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van hetCollegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur101.Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden dewetgevers(in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, alsuitvoerders(Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingenuitleggen,beperkenofuitbreidennaar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen” getuigt van halfheid, de 2dealinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om,voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen”.De tusschenzin hier door onscursiefgesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en—al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vondendesertiënplaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdereexpeditiënuitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen102.In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoenerHenriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamdWillem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener,de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd103.De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommigekolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat derfinantiënte veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost104.In 1835 genoot Suriname het voorregt vanPrins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1steklasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maasen Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door denkapitein luitenantter zee Ferguson, den 24stenJunij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6denJulij.Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname’s ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was105; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw)106.Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, eenzestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.Onderscheidenepublicatiënbetreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland,klassikaalworden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis desNieuwen Testamentsalleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven108.Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in viercompagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettighuwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaalin overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggendeoorlogsschepentegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheidenandere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20stenen 21stenMei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd109.Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen110; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.Op den 7denFebruarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd111.Den 25stenJunij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur vanFinantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst112.Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der NederlandscheIsraëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd113.In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd114; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5denMei van het volgende jaar van het tooneelgebouwThaliade eerste steen gelegd115.Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van ƒ 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren116.Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal117.Van Heeckeren vertrok den 5denJunij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15denJunij daaraanvolgende overleed118.De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis119.Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenigepublicatiënhoudende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten120; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van ƒ 100,000 verleende121.In den vroegen morgen van den 11denJanuarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld122.Den 7denJulij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen123.Rijk nam den 16denJulij 1839 het bestuur van de Kanter over124; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld125. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd126.Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12denMei 1840127, en verder verscheidenepublicatiënvan min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegende prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van ƒ 1.20 tot ƒ 1.50 te brengen128. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van ƒ 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd129; de invoer van slagtvee werd nuvoortdurendvrijgesteld en de uitvoer verboden130.In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken131.Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglementtegendanvoorde slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Surinameverzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.Rijk zag een hoog belang in demedewerkingvan eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14denMaart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten132.Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp deconsideratiënen advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch—gelijk wel te begrijpen was—dit baarde slechts nieuw uitstel133. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden;men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister vanKoloniënJ. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwdeslavinnen(waarvan erachttienin het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van ƒ 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen,inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft134.Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eerete stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent hetvanggeld(hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van ƒ 3 tot ƒ 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van ƒ 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld135.)Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen136.Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.Rijk vaardigde den 16denOctober 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven137.Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwenrentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur vanfinantiënà pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden138.Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit139.In 1839 beproefde men door de uitgavevaneen tijdschrift »de Kolonist,” toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden140.In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt141.Op den 9denJanuarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschipClyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail142.De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7denOctober 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28stenNovember 1840, uitgevaardigd den 24stenMaart 1841143.Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde144.Den 31stenMaart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal145.Rijk verliet den 5denApril daaraanvolgende met de korvetJunode Kolonie Suriname146.De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van ƒ 100 tot ƒ 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz.eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van ƒ 100 tot ƒ 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie vanKoloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en—ondervond vele tegenwerking.Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13denderzelver maand het bestuur van de Kanter over147.Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doendedoor hemte heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden148.Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.Sommige Amsterdamsche kooplieden,—met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden—protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zijachttenwijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus—zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend—onwettig was; terwijl hijanderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeursmaar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hijde onmisbare huiselijke tuchtonder de slaven belemmerde.De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,—kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister vanKoloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen ’s Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmengingvan vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843.149Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijndeeffectieveleden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten150.De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissente Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen ofpetitiënaan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bijindividueeladres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen151.De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias152.De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten:dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde153.In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was154; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijkejurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is155.Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2oOctober 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen156.In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring:het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer157.De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekendebeschuldigingentegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en wasdadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, endat(dit is letterlijk in de notulen vermeld)het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal,à pariescompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844158.Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde.159Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.Er werd eenecomparitiebelegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en tweeprovisioneeleleden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamdproces-verbaaluit te brengen160.Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l’Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede,provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten161.Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt—en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld162.Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten—dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden,botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van ’s Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op ’s lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.BijKoninklijkbesluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.Den 22stenJunij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvellingAndresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur vanFinantiënLeers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.

In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van ƒ 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van ƒ 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerinPeggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2½ cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname,” een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, enin naam des Koningsregt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Presentlevendte worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk mettamarinde-roedente doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren93. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van ƒ 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor ƒ 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld94.In den nacht van den 17denop den 18denMei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim ƒ 70,000 geschat95.De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2denJanuarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur96.De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost97.Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidenepublicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren,waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,ordonnantiënenpublicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3denDecember 1832 in de Kolonie gepubliceerd98.Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en—hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur vanFinantiën(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal vanFinantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegereHof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen” (art. 10).»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.”»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal deplanoen buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn” (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt99.De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshofder kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.Het beheer derFinantiënbleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur vanFinantiënvoerde.Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en deCommissiëntot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof100.De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren ende pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van hetCollegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur101.Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden dewetgevers(in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, alsuitvoerders(Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingenuitleggen,beperkenofuitbreidennaar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen” getuigt van halfheid, de 2dealinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om,voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen”.De tusschenzin hier door onscursiefgesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en—al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vondendesertiënplaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdereexpeditiënuitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen102.In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoenerHenriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamdWillem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener,de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd103.De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommigekolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat derfinantiënte veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost104.In 1835 genoot Suriname het voorregt vanPrins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1steklasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maasen Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door denkapitein luitenantter zee Ferguson, den 24stenJunij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6denJulij.Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname’s ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was105; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw)106.Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, eenzestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.Onderscheidenepublicatiënbetreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland,klassikaalworden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis desNieuwen Testamentsalleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven108.Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in viercompagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettighuwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaalin overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggendeoorlogsschepentegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheidenandere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20stenen 21stenMei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd109.Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen110; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.Op den 7denFebruarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd111.Den 25stenJunij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur vanFinantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst112.Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der NederlandscheIsraëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd113.In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd114; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5denMei van het volgende jaar van het tooneelgebouwThaliade eerste steen gelegd115.Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van ƒ 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren116.Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal117.Van Heeckeren vertrok den 5denJunij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15denJunij daaraanvolgende overleed118.De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis119.Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenigepublicatiënhoudende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten120; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van ƒ 100,000 verleende121.In den vroegen morgen van den 11denJanuarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld122.Den 7denJulij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen123.Rijk nam den 16denJulij 1839 het bestuur van de Kanter over124; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld125. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd126.Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12denMei 1840127, en verder verscheidenepublicatiënvan min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegende prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van ƒ 1.20 tot ƒ 1.50 te brengen128. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van ƒ 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd129; de invoer van slagtvee werd nuvoortdurendvrijgesteld en de uitvoer verboden130.In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken131.Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglementtegendanvoorde slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Surinameverzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.Rijk zag een hoog belang in demedewerkingvan eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14denMaart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten132.Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp deconsideratiënen advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch—gelijk wel te begrijpen was—dit baarde slechts nieuw uitstel133. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden;men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister vanKoloniënJ. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwdeslavinnen(waarvan erachttienin het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van ƒ 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen,inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft134.Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eerete stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent hetvanggeld(hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van ƒ 3 tot ƒ 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van ƒ 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld135.)Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen136.Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.Rijk vaardigde den 16denOctober 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven137.Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwenrentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur vanfinantiënà pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden138.Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit139.In 1839 beproefde men door de uitgavevaneen tijdschrift »de Kolonist,” toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden140.In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt141.Op den 9denJanuarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschipClyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail142.De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7denOctober 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28stenNovember 1840, uitgevaardigd den 24stenMaart 1841143.Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde144.Den 31stenMaart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal145.Rijk verliet den 5denApril daaraanvolgende met de korvetJunode Kolonie Suriname146.De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van ƒ 100 tot ƒ 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz.eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van ƒ 100 tot ƒ 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie vanKoloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en—ondervond vele tegenwerking.Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13denderzelver maand het bestuur van de Kanter over147.Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doendedoor hemte heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden148.Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.Sommige Amsterdamsche kooplieden,—met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden—protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zijachttenwijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus—zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend—onwettig was; terwijl hijanderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeursmaar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hijde onmisbare huiselijke tuchtonder de slaven belemmerde.De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,—kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister vanKoloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen ’s Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmengingvan vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843.149Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijndeeffectieveleden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten150.De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissente Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen ofpetitiënaan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bijindividueeladres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen151.De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias152.De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten:dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde153.In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was154; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijkejurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is155.Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2oOctober 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen156.In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring:het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer157.De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekendebeschuldigingentegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en wasdadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, endat(dit is letterlijk in de notulen vermeld)het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal,à pariescompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844158.Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde.159Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.Er werd eenecomparitiebelegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en tweeprovisioneeleleden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamdproces-verbaaluit te brengen160.Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l’Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede,provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten161.Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt—en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld162.Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten—dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden,botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van ’s Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op ’s lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.BijKoninklijkbesluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.Den 22stenJunij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvellingAndresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur vanFinantiënLeers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.

In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van ƒ 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van ƒ 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.

Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerinPeggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2½ cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.

In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.

De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.

De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.

Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname,” een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.

Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.

Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, enin naam des Koningsregt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Presentlevendte worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk mettamarinde-roedente doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.

Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.

Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren93. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van ƒ 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor ƒ 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld94.

In den nacht van den 17denop den 18denMei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim ƒ 70,000 geschat95.

De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2denJanuarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur96.

De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost97.

Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidenepublicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.

Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren,waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen,ordonnantiënenpublicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3denDecember 1832 in de Kolonie gepubliceerd98.

Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en—hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.

Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur vanFinantiën(nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal vanFinantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegereHof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.

»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen” (art. 10).

»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).

Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:

»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken.”

»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal deplanoen buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn” (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt99.

De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshofder kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.

De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.

Het beheer derFinantiënbleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur vanFinantiënvoerde.

Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en deCommissiëntot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof100.

De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren ende pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.

Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van hetCollegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur101.

Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden dewetgevers(in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, alsuitvoerders(Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingenuitleggen,beperkenofuitbreidennaar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.

Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen” getuigt van halfheid, de 2dealinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om,voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen”.

De tusschenzin hier door onscursiefgesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.

De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en—al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.

En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vondendesertiënplaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdereexpeditiënuitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen102.

In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoenerHenriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamdWillem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener,de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd103.

De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommigekolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat derfinantiënte veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost104.

In 1835 genoot Suriname het voorregt vanPrins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1steklasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maasen Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door denkapitein luitenantter zee Ferguson, den 24stenJunij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6denJulij.

Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname’s ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was105; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw)106.

Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname” o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, eenzestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees,” schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan”107.

Onderscheidenepublicatiënbetreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland,klassikaalworden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis desNieuwen Testamentsalleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven108.

Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in viercompagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettighuwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.

Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.

Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaalin overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.

Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggendeoorlogsschepentegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheidenandere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20stenen 21stenMei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd109.

Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen110; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.

Op den 7denFebruarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd111.

Den 25stenJunij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur vanFinantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst112.

Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der NederlandscheIsraëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd113.

In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd114; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.

In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5denMei van het volgende jaar van het tooneelgebouwThaliade eerste steen gelegd115.

Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van ƒ 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren116.

Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal117.

Van Heeckeren vertrok den 5denJunij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15denJunij daaraanvolgende overleed118.

De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis119.

Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenigepublicatiënhoudende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten120; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van ƒ 100,000 verleende121.

In den vroegen morgen van den 11denJanuarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld122.

Den 7denJulij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen123.

Rijk nam den 16denJulij 1839 het bestuur van de Kanter over124; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld125. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd126.

Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12denMei 1840127, en verder verscheidenepublicatiënvan min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.

Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegende prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van ƒ 1.20 tot ƒ 1.50 te brengen128. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van ƒ 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd129; de invoer van slagtvee werd nuvoortdurendvrijgesteld en de uitvoer verboden130.

In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken131.

Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.

Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglementtegendanvoorde slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.

Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Surinameverzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.

Rijk zag een hoog belang in demedewerkingvan eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14denMaart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.

Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten132.

Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp deconsideratiënen advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch—gelijk wel te begrijpen was—dit baarde slechts nieuw uitstel133. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden;men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister vanKoloniënJ. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwdeslavinnen(waarvan erachttienin het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van ƒ 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen,inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft134.

Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eerete stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent hetvanggeld(hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van ƒ 3 tot ƒ 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van ƒ 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld135.)Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen136.

Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.

Rijk vaardigde den 16denOctober 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven137.

Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.

Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwenrentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur vanfinantiënà pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden138.

Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit139.

In 1839 beproefde men door de uitgavevaneen tijdschrift »de Kolonist,” toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.

In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden140.

In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt141.

Op den 9denJanuarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschipClyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail142.

De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7denOctober 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28stenNovember 1840, uitgevaardigd den 24stenMaart 1841143.

Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde144.

Den 31stenMaart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal145.

Rijk verliet den 5denApril daaraanvolgende met de korvetJunode Kolonie Suriname146.

De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van ƒ 100 tot ƒ 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz.eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van ƒ 100 tot ƒ 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.

Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie vanKoloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en—ondervond vele tegenwerking.

Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13denderzelver maand het bestuur van de Kanter over147.

Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doendedoor hemte heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden148.

Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.

Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.

Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.

Sommige Amsterdamsche kooplieden,—met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden—protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zijachttenwijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.

Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus—zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend—onwettig was; terwijl hijanderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeursmaar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.

In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hijde onmisbare huiselijke tuchtonder de slaven belemmerde.

De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,—kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister vanKoloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen ’s Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.

Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmengingvan vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.

Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843.149

Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijndeeffectieveleden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.

De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten150.

De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissente Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen ofpetitiënaan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bijindividueeladres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen151.

De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias152.

De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten:dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde153.

In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was154; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijkejurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is155.

Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2oOctober 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen156.

In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring:het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer157.

De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekendebeschuldigingentegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:

De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en wasdadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, endat(dit is letterlijk in de notulen vermeld)het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.

Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal,à pariescompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844158.

Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde.159

Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.

Er werd eenecomparitiebelegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en tweeprovisioneeleleden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamdproces-verbaaluit te brengen160.

Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.

Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l’Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede,provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten161.

Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt—en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.

Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld162.

Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten—dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden,botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.

Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.

Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van ’s Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.

Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op ’s lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.

Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.

BijKoninklijkbesluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.

Den 22stenJunij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.

De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvellingAndresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur vanFinantiënLeers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.

Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.

Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.


Back to IndexNext