De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9denOctober 1845 te Suriname aan.De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeedhieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten169.Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door ’s Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.Den 13denOctober 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over170.Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10denMei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9denJunij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren teblijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.In den morgen van den 21stenJunij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan171.Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de PlantaadjeMijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15denOctober 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ 700.— dus te zamen ƒ 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch—veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.Van Raders die reedsop Curaçaomet ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweekenvan Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie “Eenige woorden ter aanprijzing van denMaïsbouwin de kolonie Suriname”); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd172.Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en—zoo sprak men—met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord173. Kleine stukken landrondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd174; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij laterekolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en—om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen—leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?” Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijntuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd—en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname’s burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op hetveld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.”De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.”Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:»Leve de Baron van Raders!” welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. ’s Middags hadden volksvermaken plaats; ’s avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welksboordongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister vanKoloniënmede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ 20,000. De Minister echter keurde het plan af en25December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburigekoloniënCayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften enofficieelerapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,—doch de Minister vanKoloniënbleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort.De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som vanƒ 31,800.— was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,175waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos176.Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen177.Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, diealdaar,op lastvan den Minister vanKoloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen178.De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch ’s lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren179. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders steldegrooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;” en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;—ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden180.Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:—beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.—De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nognietsgedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;” men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie—en toen bleef alles bij het oude.Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelschekoloniënen Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië”, zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheiden kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden inWest-Indiëen Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.”Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie” te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken:hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voorPfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap.”Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken181.Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht.”Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt182. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden183.Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan—en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,—was toch ook dat van 1851:1o.te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandschemuntspeciën184.Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ 100.— werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot185. In September1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850186. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.Den 22stenMaart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft187. Den 20stenApril werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche188. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd.189Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld190.Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermateverlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voorplantaadje-gebruikvan daar verzonden.Den 11denMei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16denMaart, in het 57stejaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den PrinsvanOranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt191.In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen192. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig eenstad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met deadministratievebureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,—die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was—voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de ondernemingwas aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens ⅙ hebben genoten.En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen193.In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip deVenezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om deovergebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen eninventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnenvierweken, bedoeld schip worden verkocht.Vóórdit collegiehiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval—met afwijking van het bestaande reglement,—maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, diemet het welzijnof het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits” zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworeneverpligtingom den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eeneongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondereinstructiënof bevelen.”Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen,om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.”Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, diemet het welzijn der koloniein geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ 5100.Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister vanKoloniënPahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd194.Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of—beter gezegd—aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.Den 1stenMaart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde.195In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ 190,000.— aan deReserve-kasverschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ 80,000.— ter beschikking; ’s Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandschemuntspeciënvervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemdenatiënopengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.Van Raders vertoefde nog tot den 8stenApril in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantalder vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal vanKwattadankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.Van Raders verliet den 8stenApril Suriname, en keerde naar Nederland terug.Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijkecommissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14denJunij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam196.Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22stenJunij 1852 het bewind aanvaardde197.Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen,omtrenthandel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz.722) met eenige, thans met vele bevriendenatiëntractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden;198de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering vanbaak-,los- en steigergeld199; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten200; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd201.De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voorWest-Indiëverbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in ’s lands kassen konden worden gebezigd202.In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.” In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionairepartij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oudregimebehoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld203.De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd204; de premien vroeger gesteld205op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast206en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren vanenkeleslaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven207.Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet—zoo als Elias gewenscht had,—aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen hetdriedubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.Den 28stenNovember 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar25-jarigbestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechtsbij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van eenweduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ 100.— uit naam van Koningin Victoria uitGroot-Brittanjetoegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4denJulij 1854 haar25-jarigbestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uitinteressenen vooral ook doorsubsidiënvan het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd208. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt aufAltenstadtkoeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot eengezamenlijkbedrag van p. m. ƒ 4000, dus p. m. ƒ 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten209.Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerdgenomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeerinteressantegebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje210heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ 700.— ontving, had in die streek 10 akkers landgeheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, enten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,211en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9denOctober 1845 te Suriname aan.De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeedhieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten169.Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door ’s Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.Den 13denOctober 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over170.Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10denMei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9denJunij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren teblijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.In den morgen van den 21stenJunij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan171.Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de PlantaadjeMijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15denOctober 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ 700.— dus te zamen ƒ 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch—veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.Van Raders die reedsop Curaçaomet ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweekenvan Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie “Eenige woorden ter aanprijzing van denMaïsbouwin de kolonie Suriname”); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd172.Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en—zoo sprak men—met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord173. Kleine stukken landrondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd174; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij laterekolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en—om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen—leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?” Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijntuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd—en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname’s burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op hetveld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.”De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.”Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:»Leve de Baron van Raders!” welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. ’s Middags hadden volksvermaken plaats; ’s avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welksboordongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister vanKoloniënmede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ 20,000. De Minister echter keurde het plan af en25December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburigekoloniënCayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften enofficieelerapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,—doch de Minister vanKoloniënbleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort.De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som vanƒ 31,800.— was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,175waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos176.Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen177.Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, diealdaar,op lastvan den Minister vanKoloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen178.De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch ’s lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren179. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders steldegrooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;” en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;—ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden180.Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:—beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.—De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nognietsgedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;” men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie—en toen bleef alles bij het oude.Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelschekoloniënen Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië”, zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheiden kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden inWest-Indiëen Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.”Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie” te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken:hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voorPfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap.”Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken181.Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht.”Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt182. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden183.Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan—en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,—was toch ook dat van 1851:1o.te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandschemuntspeciën184.Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ 100.— werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot185. In September1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850186. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.Den 22stenMaart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft187. Den 20stenApril werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche188. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd.189Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld190.Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermateverlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voorplantaadje-gebruikvan daar verzonden.Den 11denMei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16denMaart, in het 57stejaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den PrinsvanOranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt191.In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen192. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig eenstad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met deadministratievebureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,—die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was—voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de ondernemingwas aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens ⅙ hebben genoten.En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen193.In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip deVenezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om deovergebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen eninventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnenvierweken, bedoeld schip worden verkocht.Vóórdit collegiehiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval—met afwijking van het bestaande reglement,—maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, diemet het welzijnof het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits” zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworeneverpligtingom den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eeneongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondereinstructiënof bevelen.”Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen,om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.”Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, diemet het welzijn der koloniein geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ 5100.Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister vanKoloniënPahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd194.Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of—beter gezegd—aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.Den 1stenMaart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde.195In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ 190,000.— aan deReserve-kasverschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ 80,000.— ter beschikking; ’s Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandschemuntspeciënvervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemdenatiënopengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.Van Raders vertoefde nog tot den 8stenApril in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantalder vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal vanKwattadankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.Van Raders verliet den 8stenApril Suriname, en keerde naar Nederland terug.Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijkecommissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14denJunij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam196.Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22stenJunij 1852 het bewind aanvaardde197.Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen,omtrenthandel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz.722) met eenige, thans met vele bevriendenatiëntractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden;198de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering vanbaak-,los- en steigergeld199; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten200; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd201.De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voorWest-Indiëverbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in ’s lands kassen konden worden gebezigd202.In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.” In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionairepartij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oudregimebehoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld203.De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd204; de premien vroeger gesteld205op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast206en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren vanenkeleslaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven207.Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet—zoo als Elias gewenscht had,—aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen hetdriedubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.Den 28stenNovember 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar25-jarigbestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechtsbij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van eenweduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ 100.— uit naam van Koningin Victoria uitGroot-Brittanjetoegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4denJulij 1854 haar25-jarigbestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uitinteressenen vooral ook doorsubsidiënvan het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd208. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt aufAltenstadtkoeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot eengezamenlijkbedrag van p. m. ƒ 4000, dus p. m. ƒ 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten209.Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerdgenomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeerinteressantegebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje210heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ 700.— ontving, had in die streek 10 akkers landgeheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, enten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,211en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9denOctober 1845 te Suriname aan.De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeedhieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten169.Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door ’s Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.Den 13denOctober 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over170.Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10denMei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9denJunij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren teblijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.In den morgen van den 21stenJunij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan171.Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de PlantaadjeMijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15denOctober 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ 700.— dus te zamen ƒ 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch—veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.Van Raders die reedsop Curaçaomet ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweekenvan Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie “Eenige woorden ter aanprijzing van denMaïsbouwin de kolonie Suriname”); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd172.Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en—zoo sprak men—met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord173. Kleine stukken landrondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd174; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij laterekolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en—om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen—leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?” Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijntuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd—en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname’s burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op hetveld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.”De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.”Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:»Leve de Baron van Raders!” welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. ’s Middags hadden volksvermaken plaats; ’s avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welksboordongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister vanKoloniënmede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ 20,000. De Minister echter keurde het plan af en25December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburigekoloniënCayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften enofficieelerapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,—doch de Minister vanKoloniënbleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort.De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som vanƒ 31,800.— was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,175waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos176.Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen177.Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, diealdaar,op lastvan den Minister vanKoloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen178.De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch ’s lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren179. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders steldegrooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;” en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;—ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden180.Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:—beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.—De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nognietsgedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;” men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie—en toen bleef alles bij het oude.Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelschekoloniënen Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië”, zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheiden kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden inWest-Indiëen Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.”Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie” te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken:hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voorPfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap.”Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken181.Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht.”Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt182. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden183.Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan—en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,—was toch ook dat van 1851:1o.te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandschemuntspeciën184.Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ 100.— werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot185. In September1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850186. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.Den 22stenMaart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft187. Den 20stenApril werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche188. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd.189Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld190.Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermateverlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voorplantaadje-gebruikvan daar verzonden.Den 11denMei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16denMaart, in het 57stejaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den PrinsvanOranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt191.In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen192. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig eenstad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met deadministratievebureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,—die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was—voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de ondernemingwas aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens ⅙ hebben genoten.En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen193.In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip deVenezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om deovergebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen eninventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnenvierweken, bedoeld schip worden verkocht.Vóórdit collegiehiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval—met afwijking van het bestaande reglement,—maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, diemet het welzijnof het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits” zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworeneverpligtingom den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eeneongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondereinstructiënof bevelen.”Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen,om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.”Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, diemet het welzijn der koloniein geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ 5100.Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister vanKoloniënPahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd194.Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of—beter gezegd—aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.Den 1stenMaart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde.195In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ 190,000.— aan deReserve-kasverschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ 80,000.— ter beschikking; ’s Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandschemuntspeciënvervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemdenatiënopengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.Van Raders vertoefde nog tot den 8stenApril in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantalder vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal vanKwattadankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.Van Raders verliet den 8stenApril Suriname, en keerde naar Nederland terug.Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijkecommissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14denJunij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam196.Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22stenJunij 1852 het bewind aanvaardde197.Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen,omtrenthandel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz.722) met eenige, thans met vele bevriendenatiëntractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden;198de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering vanbaak-,los- en steigergeld199; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten200; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd201.De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voorWest-Indiëverbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in ’s lands kassen konden worden gebezigd202.In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.” In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionairepartij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oudregimebehoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld203.De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd204; de premien vroeger gesteld205op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast206en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren vanenkeleslaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven207.Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet—zoo als Elias gewenscht had,—aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen hetdriedubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.Den 28stenNovember 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar25-jarigbestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechtsbij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van eenweduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ 100.— uit naam van Koningin Victoria uitGroot-Brittanjetoegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4denJulij 1854 haar25-jarigbestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uitinteressenen vooral ook doorsubsidiënvan het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd208. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt aufAltenstadtkoeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot eengezamenlijkbedrag van p. m. ƒ 4000, dus p. m. ƒ 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten209.Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerdgenomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeerinteressantegebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje210heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ 700.— ontving, had in die streek 10 akkers landgeheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, enten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,211en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9denOctober 1845 te Suriname aan.De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeedhieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten169.Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door ’s Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.Den 13denOctober 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over170.Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10denMei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9denJunij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren teblijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.In den morgen van den 21stenJunij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan171.Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de PlantaadjeMijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15denOctober 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ 700.— dus te zamen ƒ 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch—veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.Van Raders die reedsop Curaçaomet ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweekenvan Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie “Eenige woorden ter aanprijzing van denMaïsbouwin de kolonie Suriname”); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd172.Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en—zoo sprak men—met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord173. Kleine stukken landrondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd174; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij laterekolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en—om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen—leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?” Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijntuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd—en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname’s burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op hetveld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.”De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.”Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:»Leve de Baron van Raders!” welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. ’s Middags hadden volksvermaken plaats; ’s avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welksboordongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister vanKoloniënmede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ 20,000. De Minister echter keurde het plan af en25December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburigekoloniënCayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften enofficieelerapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,—doch de Minister vanKoloniënbleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort.De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som vanƒ 31,800.— was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,175waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos176.Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen177.Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, diealdaar,op lastvan den Minister vanKoloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen178.De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch ’s lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren179. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders steldegrooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;” en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;—ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden180.Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:—beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.—De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nognietsgedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;” men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie—en toen bleef alles bij het oude.Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelschekoloniënen Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië”, zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheiden kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden inWest-Indiëen Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.”Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie” te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken:hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voorPfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap.”Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken181.Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht.”Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt182. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden183.Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan—en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,—was toch ook dat van 1851:1o.te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandschemuntspeciën184.Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ 100.— werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot185. In September1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850186. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.Den 22stenMaart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft187. Den 20stenApril werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche188. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd.189Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld190.Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermateverlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voorplantaadje-gebruikvan daar verzonden.Den 11denMei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16denMaart, in het 57stejaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den PrinsvanOranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt191.In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen192. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig eenstad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met deadministratievebureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,—die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was—voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de ondernemingwas aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens ⅙ hebben genoten.En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen193.In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip deVenezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om deovergebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen eninventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnenvierweken, bedoeld schip worden verkocht.Vóórdit collegiehiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval—met afwijking van het bestaande reglement,—maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, diemet het welzijnof het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits” zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworeneverpligtingom den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eeneongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondereinstructiënof bevelen.”Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen,om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.”Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, diemet het welzijn der koloniein geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ 5100.Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister vanKoloniënPahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd194.Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of—beter gezegd—aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.Den 1stenMaart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde.195In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ 190,000.— aan deReserve-kasverschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ 80,000.— ter beschikking; ’s Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandschemuntspeciënvervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemdenatiënopengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.Van Raders vertoefde nog tot den 8stenApril in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantalder vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal vanKwattadankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.Van Raders verliet den 8stenApril Suriname, en keerde naar Nederland terug.Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijkecommissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14denJunij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam196.Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22stenJunij 1852 het bewind aanvaardde197.Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen,omtrenthandel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz.722) met eenige, thans met vele bevriendenatiëntractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden;198de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering vanbaak-,los- en steigergeld199; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten200; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd201.De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voorWest-Indiëverbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in ’s lands kassen konden worden gebezigd202.In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.” In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionairepartij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oudregimebehoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld203.De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd204; de premien vroeger gesteld205op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast206en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren vanenkeleslaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven207.Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet—zoo als Elias gewenscht had,—aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen hetdriedubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.Den 28stenNovember 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar25-jarigbestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechtsbij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van eenweduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ 100.— uit naam van Koningin Victoria uitGroot-Brittanjetoegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4denJulij 1854 haar25-jarigbestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uitinteressenen vooral ook doorsubsidiënvan het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd208. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt aufAltenstadtkoeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot eengezamenlijkbedrag van p. m. ƒ 4000, dus p. m. ƒ 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten209.Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerdgenomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeerinteressantegebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje210heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ 700.— ontving, had in die streek 10 akkers landgeheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, enten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,211en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9denOctober 1845 te Suriname aan.De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeedhieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten169.Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door ’s Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.Den 13denOctober 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over170.Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10denMei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9denJunij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren teblijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.In den morgen van den 21stenJunij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan171.Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de PlantaadjeMijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15denOctober 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ 700.— dus te zamen ƒ 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch—veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.Van Raders die reedsop Curaçaomet ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweekenvan Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie “Eenige woorden ter aanprijzing van denMaïsbouwin de kolonie Suriname”); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd172.Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en—zoo sprak men—met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord173. Kleine stukken landrondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd174; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij laterekolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en—om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen—leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?” Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijntuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd—en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname’s burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op hetveld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.”De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.”Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:»Leve de Baron van Raders!” welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. ’s Middags hadden volksvermaken plaats; ’s avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welksboordongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister vanKoloniënmede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ 20,000. De Minister echter keurde het plan af en25December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburigekoloniënCayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften enofficieelerapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,—doch de Minister vanKoloniënbleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort.De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som vanƒ 31,800.— was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,175waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos176.Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen177.Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, diealdaar,op lastvan den Minister vanKoloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen178.De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch ’s lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren179. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders steldegrooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;” en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;—ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden180.Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:—beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.—De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nognietsgedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;” men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie—en toen bleef alles bij het oude.Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelschekoloniënen Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië”, zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheiden kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden inWest-Indiëen Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.”Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie” te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken:hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voorPfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap.”Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken181.Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht.”Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt182. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden183.Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan—en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,—was toch ook dat van 1851:1o.te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandschemuntspeciën184.Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ 100.— werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot185. In September1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850186. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.Den 22stenMaart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft187. Den 20stenApril werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche188. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd.189Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld190.Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermateverlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voorplantaadje-gebruikvan daar verzonden.Den 11denMei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16denMaart, in het 57stejaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den PrinsvanOranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt191.In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen192. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig eenstad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met deadministratievebureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,—die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was—voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de ondernemingwas aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens ⅙ hebben genoten.En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen193.In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip deVenezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om deovergebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen eninventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnenvierweken, bedoeld schip worden verkocht.Vóórdit collegiehiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval—met afwijking van het bestaande reglement,—maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, diemet het welzijnof het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits” zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworeneverpligtingom den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eeneongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondereinstructiënof bevelen.”Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen,om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.”Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, diemet het welzijn der koloniein geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ 5100.Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister vanKoloniënPahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd194.Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of—beter gezegd—aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.Den 1stenMaart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde.195In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ 190,000.— aan deReserve-kasverschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ 80,000.— ter beschikking; ’s Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandschemuntspeciënvervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemdenatiënopengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.Van Raders vertoefde nog tot den 8stenApril in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantalder vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal vanKwattadankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.Van Raders verliet den 8stenApril Suriname, en keerde naar Nederland terug.Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijkecommissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14denJunij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam196.Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22stenJunij 1852 het bewind aanvaardde197.Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen,omtrenthandel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz.722) met eenige, thans met vele bevriendenatiëntractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden;198de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering vanbaak-,los- en steigergeld199; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten200; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd201.De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voorWest-Indiëverbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in ’s lands kassen konden worden gebezigd202.In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.” In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionairepartij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oudregimebehoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld203.De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd204; de premien vroeger gesteld205op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast206en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren vanenkeleslaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven207.Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet—zoo als Elias gewenscht had,—aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen hetdriedubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.Den 28stenNovember 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar25-jarigbestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechtsbij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van eenweduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ 100.— uit naam van Koningin Victoria uitGroot-Brittanjetoegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4denJulij 1854 haar25-jarigbestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uitinteressenen vooral ook doorsubsidiënvan het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd208. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt aufAltenstadtkoeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot eengezamenlijkbedrag van p. m. ƒ 4000, dus p. m. ƒ 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten209.Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerdgenomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeerinteressantegebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje210heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ 700.— ontving, had in die streek 10 akkers landgeheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, enten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,211en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9denOctober 1845 te Suriname aan.
De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeedhieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten169.
Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door ’s Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.
Den 13denOctober 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over170.
Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.
De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10denMei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9denJunij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.
De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren teblijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.
In den morgen van den 21stenJunij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan171.
Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.
Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.
Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.
De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.
Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.
Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!
De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de PlantaadjeMijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15denOctober 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.
Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven,waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.
Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.
Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder ƒ 700.— dus te zamen ƒ 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch—veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.
Van Raders die reedsop Curaçaomet ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.
Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.
Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweekenvan Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie “Eenige woorden ter aanprijzing van denMaïsbouwin de kolonie Suriname”); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.
In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd172.
Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.
Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.
Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en—zoo sprak men—met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.
In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord173. Kleine stukken landrondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd174; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.
Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij laterekolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.
Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.
Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en—om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen—leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?” Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.
Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijntuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.
Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd—en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.
In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:
»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname’s burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.
In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op hetveld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.
Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.
Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.
De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk.”
De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.
»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten.”
Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:
»Leve de Baron van Raders!” welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.
De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.
De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. ’s Middags hadden volksvermaken plaats; ’s avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.
Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.
De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welksboordongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.
Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks ƒ 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister vanKoloniënmede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van ƒ 20,000. De Minister echter keurde het plan af en25December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.
Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde ƒ 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen ƒ 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburigekoloniënCayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften enofficieelerapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,—doch de Minister vanKoloniënbleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort.De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.
Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som vanƒ 31,800.— was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts ƒ 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen,175waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos176.
Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen177.
Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.
De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.
De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, diealdaar,op lastvan den Minister vanKoloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.
Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen178.
De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch ’s lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3⅓ okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren179. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders steldegrooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;” en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.
Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;—ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden180.
Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.
In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:
1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:—beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.
2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.
3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.
4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.
5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.
6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.—De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nognietsgedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;” men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie—en toen bleef alles bij het oude.
Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelschekoloniënen Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië”, zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheiden kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden inWest-Indiëen Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden.”
Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie” te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken:hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.
Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.
Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voorPfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap.”
Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken181.
Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht.”
Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan ƒ 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend,tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt182. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden183.
Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan—en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,—was toch ook dat van 1851:1o.te streng voor den slaaf;2o. te toegevend voor mishandelingen; en3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.
De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.
Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandschemuntspeciën184.
Vijftien duizend schatkistbilletten elk van ƒ 100.— werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot185. In September1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850186. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.
Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.
Den 22stenMaart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft187. Den 20stenApril werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche188. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd.189Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld190.
Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermateverlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voorplantaadje-gebruikvan daar verzonden.
Den 11denMei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16denMaart, in het 57stejaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den PrinsvanOranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt191.
In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen192. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.
Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.
In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.
Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig eenstad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.
Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.
De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.
Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.
Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met deadministratievebureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.
Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.
De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,—die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was—voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.
Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.
Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de ondernemingwas aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6½ tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens ⅙ hebben genoten.
En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen193.
In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip deVenezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.
Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om deovergebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.
Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen eninventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnenvierweken, bedoeld schip worden verkocht.
Vóórdit collegiehiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval—met afwijking van het bestaande reglement,—maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.
Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, diemet het welzijnof het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits” zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworeneverpligtingom den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eeneongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondereinstructiënof bevelen.”
Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen,om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten.”
Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, diemet het welzijn der koloniein geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van ƒ 5100.
Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister vanKoloniënPahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd194.
Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of—beter gezegd—aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.
Den 1stenMaart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde.195
In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas ƒ 190,000.— aan deReserve-kasverschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen ƒ 80,000.— ter beschikking; ’s Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandschemuntspeciënvervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemdenatiënopengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.
Van Raders vertoefde nog tot den 8stenApril in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantalder vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal vanKwattadankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.
Van Raders verliet den 8stenApril Suriname, en keerde naar Nederland terug.
Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijkecommissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.
De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14denJunij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam196.
Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22stenJunij 1852 het bewind aanvaardde197.
Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen,omtrenthandel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz.722) met eenige, thans met vele bevriendenatiëntractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden;198de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering vanbaak-,los- en steigergeld199; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten200; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd201.
De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voorWest-Indiëverbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in ’s lands kassen konden worden gebezigd202.
In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.
De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet.” In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionairepartij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.
Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oudregimebehoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld203.
De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd204; de premien vroeger gesteld205op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast206en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren vanenkeleslaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven207.
Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.
De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet—zoo als Elias gewenscht had,—aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.
Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen hetdriedubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.
Den 28stenNovember 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar25-jarigbestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.
In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechtsbij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van eenweduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.
De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van ƒ 100.— uit naam van Koningin Victoria uitGroot-Brittanjetoegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.
Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4denJulij 1854 haar25-jarigbestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van ƒ 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom ƒ 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uitinteressenen vooral ook doorsubsidiënvan het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.
De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd208. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.
De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt aufAltenstadtkoeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot eengezamenlijkbedrag van p. m. ƒ 4000, dus p. m. ƒ 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten209.
Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerdgenomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.
In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.
Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeerinteressantegebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje210heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.
Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij ƒ 700.— ontving, had in die streek 10 akkers landgeheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.
Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.
De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, enten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had,211en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.