Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als “Coprali” (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera” (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer—echter toch meer—bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstondom Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ 1.— per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemmingtusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.Den 23stenApril 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ 30,000; Kappler had ƒ 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;—slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.—Op Montecattini’s oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen,J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in hettijdschriftvan genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend212.Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23stenAugustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde213.Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriendenatiënin Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoehet eerst eene overeenkomst aangegaan214; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met anderenatiëngesloten.215Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen216. Waren—zoo als wij op bladz.723aanmerkten—in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.—Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.—Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaarstraden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,—en waarvan de administrateurs 10 procent genoten—daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden—in compagnie met de administrateuren,—daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunneslavenprovisiëngoedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al dein Surinamegevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.—Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd217; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele enstrafzaken bij het regtswezen gemaakt218; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen219; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden220. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd221; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld222en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname’s uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwelwas het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen223.In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en—bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffingder slavernij in Suriname, dat—vrij algemeen afgekeurd—als zeer onpractisch werd beschouwd.De toenmalige Minister vanKoloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld224.Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en—alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaventer harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch—die hoop werd verijdeld.In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven—en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijlofficieeleverslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;—daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en—vergenoegden zich met de gedachteeenmaaltoch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien—zoo redeneerden sommigen—men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?—daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echternog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden225.Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eenebehoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname’s bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en—het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;—had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,—spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en—van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en—nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,—nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen—en door hem te heerschen.Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;—men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveelmogelijk met de partij teidentificerenen in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en—prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;—zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.Vooral verkreeg een gewezenIsraëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan deCommewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, hetkostewat het wil.”Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen226, met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening227opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch—gelijk meermalen—heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigrantenzelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan228.Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sederteenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan ’s landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijkeofficieeleberigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte inSuriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29stenDecember 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ookmalversatiënin publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene ’s Landswerkenhadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister vanKoloniën(Rochussen) niet kon vereenigen.Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde230, werden deze adressen doorverscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11dendier maand het bestuur van Schimpf overnam231.Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en—ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig ’s volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30stenSeptember 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang derkoloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van ’s Konings nadere goedkeuring232.Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26stenApril 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5denOctober 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, doorrelatiënmet zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven233. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder hetCaraïbischopperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over deBonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen deprovisioneeleInspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernementslaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijneEIGENE SLAVENeen begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten omde blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegevenen hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.Te negen ure des voormiddags van den 18denNovember (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, endaarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen235.Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!” werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet.”Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar—het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandschkoloniënmenschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht;nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandschekoloniëndikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch—wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister vanKoloniënLoudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, omhun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn237.Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders vanChristuseene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheidverwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz.759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid,partieelegeschenken gegeven238.Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegersen worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken—en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen239, en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegerskan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven240. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden,indien hetafschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen241.Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz.171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz.178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Surinamebestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wijopbladz.312vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië242; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaanschewaren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijendeJoden-Savanneis nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijkePortugeesch-Israëlietieschegeslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen243.In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of anderGouvernementsambtbekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als “Coprali” (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera” (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer—echter toch meer—bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstondom Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ 1.— per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemmingtusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.Den 23stenApril 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ 30,000; Kappler had ƒ 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;—slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.—Op Montecattini’s oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen,J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in hettijdschriftvan genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend212.Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23stenAugustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde213.Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriendenatiënin Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoehet eerst eene overeenkomst aangegaan214; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met anderenatiëngesloten.215Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen216. Waren—zoo als wij op bladz.723aanmerkten—in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.—Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.—Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaarstraden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,—en waarvan de administrateurs 10 procent genoten—daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden—in compagnie met de administrateuren,—daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunneslavenprovisiëngoedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al dein Surinamegevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.—Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd217; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele enstrafzaken bij het regtswezen gemaakt218; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen219; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden220. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd221; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld222en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname’s uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwelwas het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen223.In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en—bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffingder slavernij in Suriname, dat—vrij algemeen afgekeurd—als zeer onpractisch werd beschouwd.De toenmalige Minister vanKoloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld224.Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en—alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaventer harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch—die hoop werd verijdeld.In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven—en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijlofficieeleverslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;—daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en—vergenoegden zich met de gedachteeenmaaltoch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien—zoo redeneerden sommigen—men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?—daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echternog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden225.Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eenebehoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname’s bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en—het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;—had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,—spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en—van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en—nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,—nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen—en door hem te heerschen.Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;—men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveelmogelijk met de partij teidentificerenen in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en—prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;—zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.Vooral verkreeg een gewezenIsraëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan deCommewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, hetkostewat het wil.”Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen226, met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening227opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch—gelijk meermalen—heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigrantenzelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan228.Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sederteenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan ’s landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijkeofficieeleberigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte inSuriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29stenDecember 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ookmalversatiënin publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene ’s Landswerkenhadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister vanKoloniën(Rochussen) niet kon vereenigen.Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde230, werden deze adressen doorverscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11dendier maand het bestuur van Schimpf overnam231.Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en—ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig ’s volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30stenSeptember 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang derkoloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van ’s Konings nadere goedkeuring232.Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26stenApril 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5denOctober 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, doorrelatiënmet zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven233. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder hetCaraïbischopperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over deBonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen deprovisioneeleInspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernementslaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijneEIGENE SLAVENeen begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten omde blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegevenen hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.Te negen ure des voormiddags van den 18denNovember (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, endaarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen235.Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!” werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet.”Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar—het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandschkoloniënmenschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht;nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandschekoloniëndikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch—wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister vanKoloniënLoudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, omhun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn237.Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders vanChristuseene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheidverwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz.759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid,partieelegeschenken gegeven238.Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegersen worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken—en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen239, en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegerskan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven240. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden,indien hetafschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen241.Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz.171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz.178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Surinamebestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wijopbladz.312vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië242; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaanschewaren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijendeJoden-Savanneis nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijkePortugeesch-Israëlietieschegeslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen243.In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of anderGouvernementsambtbekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als “Coprali” (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera” (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer—echter toch meer—bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstondom Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ 1.— per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemmingtusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.Den 23stenApril 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ 30,000; Kappler had ƒ 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;—slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.—Op Montecattini’s oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen,J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in hettijdschriftvan genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend212.Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23stenAugustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde213.Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriendenatiënin Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoehet eerst eene overeenkomst aangegaan214; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met anderenatiëngesloten.215Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen216. Waren—zoo als wij op bladz.723aanmerkten—in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.—Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.—Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaarstraden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,—en waarvan de administrateurs 10 procent genoten—daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden—in compagnie met de administrateuren,—daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunneslavenprovisiëngoedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al dein Surinamegevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.—Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd217; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele enstrafzaken bij het regtswezen gemaakt218; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen219; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden220. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd221; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld222en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname’s uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwelwas het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen223.In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en—bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffingder slavernij in Suriname, dat—vrij algemeen afgekeurd—als zeer onpractisch werd beschouwd.De toenmalige Minister vanKoloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld224.Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en—alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaventer harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch—die hoop werd verijdeld.In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven—en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijlofficieeleverslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;—daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en—vergenoegden zich met de gedachteeenmaaltoch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien—zoo redeneerden sommigen—men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?—daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echternog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden225.Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eenebehoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname’s bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en—het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;—had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,—spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en—van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en—nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,—nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen—en door hem te heerschen.Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;—men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveelmogelijk met de partij teidentificerenen in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en—prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;—zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.Vooral verkreeg een gewezenIsraëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan deCommewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, hetkostewat het wil.”Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen226, met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening227opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch—gelijk meermalen—heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigrantenzelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan228.Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sederteenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan ’s landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijkeofficieeleberigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte inSuriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29stenDecember 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ookmalversatiënin publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene ’s Landswerkenhadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister vanKoloniën(Rochussen) niet kon vereenigen.Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde230, werden deze adressen doorverscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11dendier maand het bestuur van Schimpf overnam231.Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en—ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig ’s volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30stenSeptember 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang derkoloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van ’s Konings nadere goedkeuring232.Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26stenApril 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5denOctober 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, doorrelatiënmet zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven233. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder hetCaraïbischopperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over deBonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen deprovisioneeleInspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernementslaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijneEIGENE SLAVENeen begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten omde blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegevenen hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.Te negen ure des voormiddags van den 18denNovember (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, endaarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen235.Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!” werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet.”Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar—het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandschkoloniënmenschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht;nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandschekoloniëndikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch—wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister vanKoloniënLoudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, omhun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn237.Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders vanChristuseene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheidverwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz.759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid,partieelegeschenken gegeven238.Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegersen worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken—en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen239, en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegerskan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven240. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden,indien hetafschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen241.Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz.171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz.178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Surinamebestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wijopbladz.312vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië242; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaanschewaren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijendeJoden-Savanneis nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijkePortugeesch-Israëlietieschegeslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen243.In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of anderGouvernementsambtbekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als “Coprali” (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera” (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer—echter toch meer—bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstondom Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ 1.— per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemmingtusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.Den 23stenApril 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ 30,000; Kappler had ƒ 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;—slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.—Op Montecattini’s oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen,J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in hettijdschriftvan genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend212.Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23stenAugustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde213.Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriendenatiënin Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoehet eerst eene overeenkomst aangegaan214; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met anderenatiëngesloten.215Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen216. Waren—zoo als wij op bladz.723aanmerkten—in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.—Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.—Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaarstraden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,—en waarvan de administrateurs 10 procent genoten—daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden—in compagnie met de administrateuren,—daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunneslavenprovisiëngoedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al dein Surinamegevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.—Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd217; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele enstrafzaken bij het regtswezen gemaakt218; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen219; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden220. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd221; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld222en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname’s uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwelwas het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen223.In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en—bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffingder slavernij in Suriname, dat—vrij algemeen afgekeurd—als zeer onpractisch werd beschouwd.De toenmalige Minister vanKoloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld224.Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en—alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaventer harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch—die hoop werd verijdeld.In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven—en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijlofficieeleverslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;—daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en—vergenoegden zich met de gedachteeenmaaltoch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien—zoo redeneerden sommigen—men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?—daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echternog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden225.Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eenebehoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname’s bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en—het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;—had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,—spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en—van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en—nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,—nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen—en door hem te heerschen.Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;—men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveelmogelijk met de partij teidentificerenen in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en—prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;—zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.Vooral verkreeg een gewezenIsraëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan deCommewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, hetkostewat het wil.”Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen226, met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening227opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch—gelijk meermalen—heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigrantenzelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan228.Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sederteenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan ’s landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijkeofficieeleberigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte inSuriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29stenDecember 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ookmalversatiënin publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene ’s Landswerkenhadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister vanKoloniën(Rochussen) niet kon vereenigen.Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde230, werden deze adressen doorverscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11dendier maand het bestuur van Schimpf overnam231.Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en—ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig ’s volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30stenSeptember 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang derkoloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van ’s Konings nadere goedkeuring232.Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26stenApril 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5denOctober 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, doorrelatiënmet zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven233. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder hetCaraïbischopperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over deBonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen deprovisioneeleInspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernementslaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijneEIGENE SLAVENeen begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten omde blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegevenen hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.Te negen ure des voormiddags van den 18denNovember (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, endaarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen235.Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!” werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet.”Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar—het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandschkoloniënmenschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht;nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandschekoloniëndikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch—wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister vanKoloniënLoudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, omhun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn237.Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders vanChristuseene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheidverwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz.759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid,partieelegeschenken gegeven238.Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegersen worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken—en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen239, en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegerskan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven240. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden,indien hetafschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen241.Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz.171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz.178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Surinamebestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wijopbladz.312vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië242; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaanschewaren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijendeJoden-Savanneis nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijkePortugeesch-Israëlietieschegeslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen243.In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of anderGouvernementsambtbekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als “Coprali” (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera” (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer—echter toch meer—bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstondom Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ 1.— per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemmingtusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.Den 23stenApril 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ 30,000; Kappler had ƒ 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;—slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.—Op Montecattini’s oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen,J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in hettijdschriftvan genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend212.Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23stenAugustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde213.Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriendenatiënin Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoehet eerst eene overeenkomst aangegaan214; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met anderenatiëngesloten.215Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen216. Waren—zoo als wij op bladz.723aanmerkten—in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.—Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.—Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaarstraden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,—en waarvan de administrateurs 10 procent genoten—daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden—in compagnie met de administrateuren,—daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunneslavenprovisiëngoedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al dein Surinamegevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.—Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd217; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele enstrafzaken bij het regtswezen gemaakt218; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen219; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden220. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd221; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld222en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname’s uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwelwas het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen223.In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en—bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffingder slavernij in Suriname, dat—vrij algemeen afgekeurd—als zeer onpractisch werd beschouwd.De toenmalige Minister vanKoloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld224.Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en—alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaventer harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch—die hoop werd verijdeld.In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven—en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijlofficieeleverslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;—daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en—vergenoegden zich met de gedachteeenmaaltoch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien—zoo redeneerden sommigen—men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?—daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echternog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden225.Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eenebehoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname’s bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en—het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;—had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,—spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en—van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en—nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,—nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen—en door hem te heerschen.Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;—men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveelmogelijk met de partij teidentificerenen in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en—prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;—zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.Vooral verkreeg een gewezenIsraëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan deCommewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, hetkostewat het wil.”Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen226, met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening227opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch—gelijk meermalen—heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigrantenzelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan228.Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sederteenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan ’s landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijkeofficieeleberigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte inSuriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29stenDecember 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ookmalversatiënin publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene ’s Landswerkenhadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister vanKoloniën(Rochussen) niet kon vereenigen.Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde230, werden deze adressen doorverscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11dendier maand het bestuur van Schimpf overnam231.Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en—ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig ’s volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30stenSeptember 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang derkoloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van ’s Konings nadere goedkeuring232.Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26stenApril 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5denOctober 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, doorrelatiënmet zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven233. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder hetCaraïbischopperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over deBonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen deprovisioneeleInspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernementslaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijneEIGENE SLAVENeen begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten omde blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegevenen hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.Te negen ure des voormiddags van den 18denNovember (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, endaarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen235.Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!” werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet.”Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar—het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandschkoloniënmenschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht;nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandschekoloniëndikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch—wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister vanKoloniënLoudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, omhun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn237.Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders vanChristuseene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheidverwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz.759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid,partieelegeschenken gegeven238.Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegersen worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken—en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen239, en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegerskan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven240. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden,indien hetafschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen241.Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz.171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz.178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Surinamebestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wijopbladz.312vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië242; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaanschewaren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijendeJoden-Savanneis nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijkePortugeesch-Israëlietieschegeslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen243.In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of anderGouvernementsambtbekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als “Coprali” (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera” (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.
Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer—echter toch meer—bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.
Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.
Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstondom Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.
Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.
In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.
De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.
Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun ƒ 1.— per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.
Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemmingtusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.
Den 23stenApril 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.
Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.
De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven ƒ 30,000; Kappler had ƒ 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor ƒ 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;—slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.—Op Montecattini’s oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.
Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen,J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.
Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.
Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in hettijdschriftvan genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend212.
Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23stenAugustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde213.
Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriendenatiënin Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoehet eerst eene overeenkomst aangegaan214; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met anderenatiëngesloten.215
Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen216. Waren—zoo als wij op bladz.723aanmerkten—in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.—Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.—Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaarstraden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,—en waarvan de administrateurs 10 procent genoten—daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden—in compagnie met de administrateuren,—daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunneslavenprovisiëngoedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al dein Surinamegevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.—Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.
Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.
In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd217; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele enstrafzaken bij het regtswezen gemaakt218; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen219; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden220. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd221; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld222en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.
De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname’s uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.
In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwelwas het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.
Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen223.
In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en—bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffingder slavernij in Suriname, dat—vrij algemeen afgekeurd—als zeer onpractisch werd beschouwd.
De toenmalige Minister vanKoloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.
Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld224.
Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en—alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.
Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.
Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaventer harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch—die hoop werd verijdeld.
In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven—en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijlofficieeleverslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.
Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;—daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en—vergenoegden zich met de gedachteeenmaaltoch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien—zoo redeneerden sommigen—men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?—daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.
Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echternog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.
Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.
Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, ƒ 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden225.
Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eenebehoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname’s bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en—het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.
Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;—had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,—spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.
Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en—van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en—nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,—nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen—en door hem te heerschen.
Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;—men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveelmogelijk met de partij teidentificerenen in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en—prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;—zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.
Vooral verkreeg een gewezenIsraëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.
Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.
Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.
Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan deCommewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, hetkostewat het wil.”
Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.
Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt;doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.
Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.
De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen226, met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.
De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening227opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch—gelijk meermalen—heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigrantenzelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan228.
Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.
In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.
Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sederteenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan ’s landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.
Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.
De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond.” In krijtende tegenspraak met dergelijkeofficieeleberigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte inSuriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29stenDecember 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en—de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren,dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond229. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en—ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.
Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ookmalversatiënin publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.
Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene ’s Landswerkenhadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.
Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister vanKoloniën(Rochussen) niet kon vereenigen.
Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.
Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde230, werden deze adressen doorverscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.
Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11dendier maand het bestuur van Schimpf overnam231.
Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.
Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en—ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.
Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.
Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.
In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig ’s volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.
Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30stenSeptember 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang derkoloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indischekoloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.
Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van ’s Konings nadere goedkeuring232.
Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26stenApril 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5denOctober 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,
Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.
In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.
Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, doorrelatiënmet zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven233. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder hetCaraïbischopperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.
Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over deBonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.
Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.
In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen deprovisioneeleInspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die—èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners—vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernementslaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijneEIGENE SLAVENeen begin moest maken.”—Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;” tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten omde blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegevenen hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen234.”
Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.
Te negen ure des voormiddags van den 18denNovember (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.
De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.
Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, endaarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.
De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen235.
Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!” werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet.”
Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar—het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandschkoloniënmenschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht;nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandschekoloniëndikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch—wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister vanKoloniënLoudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.
Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname’s ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan236; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, omhun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.
Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.
De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn237.
Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.
Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders vanChristuseene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!
De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij—zij het dan ook in ruwen vorm—edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheidverwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.
Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz.759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.
De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.
Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid,partieelegeschenken gegeven238.
Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegersen worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.
De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.
In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken—en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen239, en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.
Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegerskan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.
De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.
Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.
Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven240. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden,indien hetafschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen241.
Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.
De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz.171–78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz.178–201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Surinamebestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wijopbladz.312vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs” kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit.”
Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.
Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië242; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.
De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaanschewaren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.
Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijendeJoden-Savanneis nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijkePortugeesch-Israëlietieschegeslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen243.
In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.
De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of anderGouvernementsambtbekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.