Chapter 4

Deeze onmagt was het eerste middel om my een weinig tot inkeer te brengen.Hoe zeide ik by my zelven, ik meende altijd gelukkig en vermakelijk te leven, en ik ben kwalijk in diergelijk een levenswijs getreeden, of ik ben ’t reeds moede en heb ’er een walg van af! Waar komt deeze ongevoeligheid van daan en deeze afkeer? Het moeten dan zekerlijk deeze vermakelijkheden niet zyn die ik bygewoont heb, ’t geen een mensch kan gelukkig maken: want anders zoude ik daar meer smaak in moeten krygen. Dus by my zelven mymerende was ’er niemand, die my daar op voldoende oplossing geven, of daar ik dorst te vertrouwen. Ik smoorde dan alles by my zelven en wierd zoo zwaarmoedig, dat ik my genoegzaam van alle gezelschappen afzonderde, ’t welk een groote verwondering by al die geenen die my te vooren gekent hadden, te weeg bragt.Myn Ouders en Familie waren voornamentlijk zeer nieuwsgierig hier van de oorzaak te weten; dewijl ik te vooren haast nooit te huis was geweest, nu zeer weinig uitging, en genoegzaam altyd op myn Kamer zat te mymeren: maar ik liet daar nooit het een of ander van blijken; gevende alleen voor reden, dat ik my zelve niet als te welbevond, (’t welk ook zo was) en dat ik my derhalven zoo veel stil hield als mogelijk was. Zy waren daar over aangedaan, en de liefde tot haar Kint door myn voorig kwaad gedrag, in haar nog niet uitgeblust zynde, waren zy zeer bezorgt om my in myn voorige gezontheid te herstellen.Zy gebruikte dan alle middelen die zy dagten daar bekwaam toe te weezen; maar alles mogt niet helpen, wat zy ook te werk stelde. Ik wierd van dag tot dag zwaarmoediger en droefgeestiger, ’t welk zy voorlichaamsonpasselijkheidaanzagen, en van voornamen waren een geneesmeester by my te laten komen; om na de oorzaak van mijn kwaal te vernemen en my daar van te herstellen. Zy verkozen hier toe een man, die door zyn konst zeer beroemt was, en door zyn lange ervarentheid in dezelve, een naam had verkregen, dat hy de allervoorzigtigste en bekwaamde Doctor van gansch Lions was.Deeze man, by my gekomen zijnde; ondervond myn kwaal van een heele andere natuur, en van een heele andere oorzaak oorspronkelijk te wezen, als myn Ouders zig verbeelden. Na dat hy verzogt had my eens alleen te spreeken,en de omstanders waren weg gegaan, zeide hy tegens my; uwe onpasselijkheid is om zoo te spreeken geen eigentlijke ziekte, het is een verval van kragten en levensgeesten, verzeld met zwaarmoedigheid, die u alle lust beneemt; daarom zoo gy iets op u hart hebt, zoo betrouwt het my toe; op dat nevens de Medicynen die ik u zal laten gebruiken, ik u daar by met een goede raad mag bystaan. Ik wilde in den beginne veinzen met te zeggen, dat my van dien kant niets ontbrak en dat ik by my zelven heel wel te vreeden was; maar hy wist my zoo te overtuigen en door zijn schranderheid zoodanig in myn gemoet te dringen, dat ik wel genoodzaakt was hem mijn hart te openbaren.Myn Heer zeide ik tegen hem;dewijlik zie en ondervind dat gy een man van oordeelzijt, dat gy genoegzaam als in myn hart heb kunnen zien, wat ’er in om gaat, en daar by myn kwaal zoo wel uitgevonden hebt; zoo wil ik u de oorzaak van het een en het andere niet verzwyge; maar u daar van een openhartige belijdenis doen.Ik maakte hem als doen bekend wat voor gedagten ik van den Godsdienst gehad hadde, waar door ik tot allerhandebuitensporigheden wasvervallen, ’t welk my in dien staat gebragt had, waar in ik my thans bevond en dat zoo hy in staat was om my uit die akelige omstandigheden te redden, ik het hem al mijn leven dank zoude weten.Ik dagt wel dat ik het zoude geraden hebben, zeide hy tegens my; om u dan voor eerst een goede raad te geven, is dit, dat gy u zelven zoo veel vermand als mogelijk is en dat gy alle zwaarmoedige gedagten van u zelven zoekt af te weeren; Ik zal ondertusschen door de hulp des hemels u zulke middelen laten gebruiken, dat ik hoop door die zelve hulp gesterkt, u weder tot voorige kragten te herstellen. Weest derhalven goeds moeds en houd een ordentelijke levenswijs en alles zal wel gaan. Hy schreef vervolgens een recept, om voor my klaar te laten maken, en na dat hy belooft had den anderen dag weder te komen, nam hy afscheid van my om zyn andere Patienten te bezoeken.Doen was het als of ik een weinig in myn gemoed verligt was; deeze man zeide ik by my zelven, schynt een verstandig man te weezen: mogelijk kan hy my niet alleen van myn zwakke natuursgesteldheidgenezen, maar my ook eenige onderrigtinge in het zedelijke geven: als hy wederom komt, zal ik my met hem daar eens een wynig over onderhouden en hem toetzen of hy daar ook bekwaam toe is. Dusdanig my te vreeden gesteld hebbende, gebruikte ik de middelen die hy my geordonneert had, en om kort te gaan, den anderen dag gekomen zijnde, bleef hy ook in geen gebreken my te komen bezoeken.Het eerste wat hy deed, was my te vragen hoe ik my al bevond en of zyn hulpmiddelen ook eenige uitwerking gehad hadden. Dat gaat heel wel myn Heer zeide ik tegens hem; maar zoo lang als ik nog met een zekere ongewisheid en twyffeling behebt ben, zal myn gemoed die rust en kalmte nooit konnen genieten als zy anders wel zoude. Wat is dat voor een ongewisheid en twyffeling? Zeide hy tegens my, het is die over den Godsdienst, antwoorde ik hem, daar ik u gisteren van gesproken heb; indien gy my daar eenige verligting in kunt geven, zult gy my nog meer dienst doen als of gy my op staande voet van myn zwakheid genas. Ik heb nooit geen gelegentheid gehad ommet een verstandig man daar over te spreken, en dewyl ik u daar voor aanzie, zoo doet my de vriendschap en laaten wy een weinig daar over spreken. Myn vriend zeide hy, voor als nog zyt gy niet in staat, om u met diepzinnige redeneringen te vermoeijen u gesteltheid is te zwak; wanneer dezelve een weinig sterker zal weezen en haar voorige kragten zal beginnen te krygen, zullen wy tyd en gelegentheid genoeg hebben om dit te doen. Laten wy het derhalven nog eenige dagen uitstellen; wanneer ik oordeel dat gy ’er in staat toe zy, zal ik u wel waarschuwen, en stel u voor het tegenwoordige gerust tot dat die tyt zal gekomen zyn.Ik was hier mede te vreeden, en na dat hy nog eenige dagen over my gegaan had, bevond ik my merkelijk beter, en hy oordeelden nu de tydgekomente wezen, om myn verzoek te beantwoorden.Dewijl gy u zoo wel bevind zeide hy, schynt die tyd gekomen te wezen, dat wy ons een weinig onderhouden, over dat geen daar gy my laatst van gesproken hebt: indien gy nu genegentheid daar toe hebt, wil ik my wel zoo als my de tyd toelaat, daar over met u inlaten.Ik nam de gelegentheid waar, en sprak hem aan op deze wijze.Mijn Heer. Het is my lief u voor het tegenswoordige zoo wel genegen te vinden, en my in staat te keuren om met u daar over in gesprek te treeden. Dewijl het nu onnodig is om weder te herhalen ’t geen ik u reeds gezegt heb, en het geen de twyffeling en ongelovigheid van den Godsdienst betreft; zoo is alleen mijn verzoek, dat zoo gy my daar in eenige verligting kunt geven, gy my het grootste vermaak des werelds zult doen.De Doctor hier op antwoordende zeide; zeer gaarn, maar waar mede zullen wy beginnen, ik denk evenwel dat gy wel een natuurlijke Religie zult hebben?Ik. In het geheel niet: ik geloof zoo min aan een natuurlijke als geopenbaarde Godsdienst.De Doctor. Na ik aan u horen kan, Gelooft gy dan niet aan een Opperwezen, ’t welk men God noemt?Ik. Neen ik mijn Heer, en ik wenste wel dat gy my van de aanwezentheid van dat opperwezen een weinig kost overtuigen.De Doctor. Ongelukkig mensch diezonder God of Godsdienst in de waereld leeft! Het geeft my geen wonder dat gy u tijd in zoo veel wreede twijffelingen en zwaarmoedige gedagten door moet brengen; want was ’er geen God, wy waren de ongelukkigste van alle schepselen.Ik. Waarom mijn Heer? de beesten leven wel zonder dezelven, en gaan alleen maar na haar natuurlijke driften te werk; zoude een mensch ook zoo niet kunnen doen, en even gelijk zy gelukkig leven?De Doctor. Geenzins: want een mensch heeft edeler gaven ontfangen als de dieren, hy is met een reden begaaft, waar door hy ver boven dezelve verheven is.Ik. Zou dan een dier, ieder in zyn soort genomen, zoo wel met geen verstand begaaft zyn als een mensch?De Doctor. Zy hebben ieder wel na haar hoedanigheid die bekwaamheden, die zy nodig hebben, om zig zelven en haar geslacht te doen bestaan: maar al het geen zy doen, weten zy niet waarom dat zy het doen. Het is met een mensch zoo niet gelegen; dezelve oordeelt van het voorledene, voorziet het toekomende en wat zig daar voorzigtigin het tegenswoordige van te bedienen.Ik. Ik moet dit met u toestemmen, dat den mensch van vry verhevener hoedanigheden is, als een dier; maar waar uit zoud gy my de aanwezentheid van een God kunnen betoogen.De Doctor. Door die zelve reden en bekwaamheid die wy boven dieren bezitten, worden wy geleid om zulk een Opperweezen te erkennen, dezelve doet ons door onze uiterlijke zinnen de grootheid, wonderlijkheid, schoonheid, en order van al het zigtbare beschouwen; wy zien dat het van zig zelven dood is en onbeweegbaar in zyn delen, maar door de beweging al die gestaltens en hoedanigheden verkrygt, waar in wy het zien: dewijl het uit zig zelven onbeweegbaar is, moeten zyn deelen door een eerste bewegende oorzaak aan de gang gemaakt worden; niet gelijk als een gewigt of veer de raderen van een horologie doet omgaan; maar als de maker van dat gewigt, die het zelve met verstand en overleg toegestelt heeft, om het Horologie op een zekere welgestelde maat en order te doen omgaan; want anders zouden wy God als een blinde beweger moeten aanmerken, zonderte weten waarom hy de stoffe bewoog, en de beweging zoude niet regelmatig geschieden; maar alles zoude eer ten ondersten boven keeren, en een verwarde Chaos veroorzaken. Daar men dit nu regt anders in de schoonheid, regelmatigheid en order der samengesteldelichamenvind.Ik. Ik moet het toestemmen dat men alles verwonderlijk in de natuur en derzelver uitwerkselen vind: maar om niet boven onze kring te gaan; zoo laaten wy alleen den mensch en zyn lotgevallen beschouwen: kan men daar die order wel in vinden die gy voorgeeft? Hy is het voornaamste schepsel op het oppervlak der Aarde, met zulke schoone hoedanigheden boven de dieren begaaft, en nogtans ziet men dit voortreffelijke schepsel ô wonder! altyd met zoo veel tegenspoeden, en ongelijke lotgevallen besprongen! Waarom stelt die eerste beweeger geen beter order om een schepzel te behouden, ’t welk zulke voortreffelijke hoedanigheden heeft? en daar hy zoo veel aan heeft te kosten geleid?Hier op kwam de Doctor op de openbaring en zeide my genoegzaam even het zelve dat gy tegens de Neger gezegt hebt. Hy zeide my om kort tegaan dat wy menschen door onze redenkaveling en bespiegeling, wel tot een eerste werkende oorzaak kosten komen; maar niet op hoedanig een wijze hy met zyn schepzelen, en voornamentlijk den mensch omgaat: dat hy de goetheid gehad had om ons door overlevering en Schriftuur, het alles nader te openbaren en ons zyn wil te kennen gegeven, op hoedanig een wijze hy wilde gedient zyn. Hy wist my vervolgens zoo door zyn redeneringen, als door bewyzen uit de Schriftuur, zodanig van de waarheid der Christelijke Religie te overtuigen, dat ik daar van ten vollen overtuigd wierd. Maar dewijl ik hem zoo lang hy geredeneert had, nooit van de Kerk nog van derzelver instelling had hooren spreeken; twyffelde ik of hy wel van de Roomsche Religie was: Ik vroeg hem dan het een en andere dezelve aangaande, en of hy ook van diezelve gevoelens was. Waar op hy my antwoorde, dat hy nooit zoo bygeloovig geweest was, om aan derzelver instellinge en ceremonien geloof te slaan of toe te stemmen; maar dat hy van de hervormde Godsdienst was, dewijl hy die het best met de gezonde reden en het geen inden Bybel vervat was, overeen dagt te koomen.Ik verzogt hem hier op, dat hy my de gronden van die Religie eens wilde openbaren; maar hy zeide my voor als doen geen tyd te hebben om dit te doen, dat als hy in het vervolg weder kwam, hy my dezelve zou bekent maken. Daar op van my afscheid nemende, bedankte ik hem wel duizendmaal voor zyn goede onderrigting, met verzoek van in het vervolg volgens zyn beloften in dezelve te vervolgen.De Heer N.... wilde in zyn verhaal voortvaren; maar hy wierd daar in door de Heer le Sage belet met tegen hem te zeggen; Myn Heer dewijl gy reeds zoo veel gezegt hebt zonder u te verpozen; zoo dunkt het my nu wel eens tyd te weezen, dat gy een weinig rust: wy zullen onderwijle een glaasje wyn drinken; want u mond zal door het veel spreeken zekerlijk wel zyn droog geworden. Daar op iemand geroepen hebbende om Wyn te bezorgen, dronken zy te samen een glaasje, en na dat de Heer N.... zig weder een weinig in staat gestelt had om zyn verhaal te vervolgen, voer hy aldus voort.De Doctor quam my weder bezoeken, en na dat hy my het een en ander voorgeschreven had, bragt ik hem zyn belofte te binnen; ’t welk ik hem niet zoo haast gedaan had, of hy quam dezelve na en onderrigte my zodanig in de gronden van zyn Godsdienst, dat ik in korte tyd daar van een volkomen kennis had. En dewijl ik dezelve zoo redelijk vond en zoo tegenstrydig niet als die van de Roomsche Religie, begaf ik my geheel en al aan dezelve over, hem zeggende dat zoo draa Ik weder in staat was, en in vorige welstand hersteld, ik my zelven in de vergadering en in de gemeente van zyn geloof zou begeven. Hy moedigde my hier verder toe aan en prees myn verkiezing, en dewijl het niet lang duurde of ik was volkomen hersteld, bevond ik my wel haast al in de vergaderingen die de Gereformeerde in stilte oeffende; maar ik kon dit zelve zoo geheim niet houden, of de Jesuiten die over al op myn gangen lettede, hadden ’er wel gaauw de lugt af. Nu dagten zy haar tyd gevonden te hebben, om my dat geen te doen betalen, ’t welk ik door myn al te vrye spreeken tegens die van haar order na haar gedagten verschuldigt was.De Jesuit die myn Leermeester geweest was, vervoegde zig aan het huis van myn Vader, en liet zig aanmelden om hem te spreeken. Na dat myn Vader hem hem in zyn zydvertrek had laten komen, zeide de Jesuit tegens hem: Ik dagt wel dat u Zoon van het eene uiterste tot het andere zoude overgaan! Na eerst de grootste Vrygeest te zyn geweest, is hy nu de grootste Ketter en dweeper geworden. Ik weet van goeder hand, dat hy zig nu onder de zoogenaamde Gereformeerde ophoud, dat hy zig in al haar geheime vergaderingen laat vinden, en zig in de gronden van die Godsdienst, die zy belijden, laat onderwijzen.Myn Vader die een zeer ieverig Catholijk was, en die liever zou gehad hebben dat zyn Zoon de grootste Vrygeest geweest was, mits dat hy maar nu en dan de Roomsche Godsdienst pligten bygewoont had, als een Ketter te weezen, (zoodanig blind en buitensporig is een al te overbodige Godsdienstiever), was hier zeer over verwondert als hy dit hoorde. Ik heb al niet geweten zeide hy, hoe dat hy zig zoo stil en ingetogen hield sedert dat hy niet wel te pas geweest is, ik was dit niet van hem gewent; maar nu geeft het mygeen wonder, dat nu hy onder die fymelaars gekomen is, hy zoodanig verandert is.Maar wat raad hier in te doen mijn Heer? U Zoon onder het oog te brengen zeide hy, dat hy zich tegen het gezag van de Kerk en des Konings vergreepen heeft, en dat zoo hy zich niet weder in de schoot van de eerstgenoemde begeeft en dezelve om vergiffenis smeekt, dat zelve gezag zal gebruikt worden om ’er hem toe te noodzaken, of anders de maatregelen die ’er tegen gestelt zyn. Daarom is het u plicht om hem ten scherpsten daar over te onderhouden, en hem tot zyn plicht te doen keren; want zoo gy dit niet doet zult gy aangezien worden, als een man die medepligtig is aan u Zoons buitensporigheden.Mijn Vader beloofde hem dit te zullen doen, en na dat de Jesuit was weggegaan, verhaalde hy het geen hem was voorgekomen aan myn Moeder, Broeder, en Zuster. Dezelve waren alle zeer verwondert, en die zelve blinde Religie-yver die mijn Vader had, bezielde haar ook boezemde haar die zelve gedachten tegens my in. Om kort te gaan zy waren alle zeer tegens my ingenomen,en het eerst dat mijn Vader deed, was my by zig te roepen, om met my daar over te spreeken.Zoo draa ik by hem gekoomen was, vroeg hy my met een verontwaardiging, tot wat voor buitensporigheden ik my begaf: Ik vroeg hem daar tegens wat buitensporigheden hy meende: hy daar op antwoordende zeide; vraagt gy noch daar na? Of dunkt u dit geen buitensporigheden genoeg te weezen, dat men zich van de waare Religie en de algemeene Moeder de Roomsche Kerk afzondert en zich onder de snoodste en argste Ketters begeeft die ’er onder de Zon te vinden zyn? Ik ben ’er van goeder hand achter gekomen, en zoo gy niet van zin verandert; kunt gy staat maaken, dat ik u niet langer voor mijn Zoon erkennen en in mijn huis dulden zal.Ik zogt my zoo veel te verschonen als mogelijk was, met te zeggen, dat een mensch behoorde vry te weezen in het oeffenen van zyn Godsdienst, die hem dagt de beste te weezen; zoo lang hy zich daar door niet schuldig maakte aan ongehoorzaamheid tegens zyn Vorst of de wetten van het Land; maar hy lachte met mijn verontschuldigingen, zeggendedat de Ketters daar altijd mede voor den dag kwamen, te weten met de verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst en dat zoo zy de overhand eens hadden boven de andere, zy mogelijk veel onverdraagzamer als dezelve zouden weezen.Wat konde ik veel doen in zoo een netelige omstandigheid voor my? Het beste dat my dacht was eenig uitstel te verzoeken om ’er my over te bedenken; ’t welk ik hier voornamentlijk om deed, om in de tusschentyd eenige wijze schikkingen te beramen, om my voor de vervolgingen der Jesuiten te bevryden. Mijn Vader bewilligde daar in, en gaf my daar toe den tyd van veertien dagen, dewelke ik besteede om my met den Doctor en de andere geloofsgenoten te beraden, wat ik zoude doen, en hoe hier in te gedragen. Wy denken niet zeide zy dat gy u door de vrees van vervolgt te zullen worden, van de waare Religie zult laten afwenden, en om menschen te behagen, een geloof dat gy zoo billijk keurt zult verlaten, om u tot een ander te begeeven, dat zoo strydig is tegen het gezonde vernuft en reden? Wy raden u dat gy om die vervolging te ontgaan; veel liever dit landverlaat om u in een ander te begeven, daar gy meer vryheid kunt genieten: gaat dan liever na Holland dewijl gy noch jong en sterk zyt, zal het u niet aan middelen ontbreeken, aan uw brood te komen, ’t welk wy u des te meer aanraden, om dat zoo gy hier blijft wy gevaar lopen van een en ’t zelve lot met u te zullen moeten deelen, en in die draaikolk waar in gy thans verwart zyt, mede zullen ingesleept worden: daar zy in tegendeel nu noch maar alleen tegens u een haat opgevat hebbende, dezelve door u vlucht zal worden uit de weg geruimt, en wy gerustelijk hier zullen kunnen blijven. Wanneer gy derhalven onze raad wilt opvolgen, zullen wy u zoo veel ons mogelijk zy helpen, en gy zult u zelven en ons van een niet ongegronde vrees ontslaan.Deeze raad dacht my goed te weeze en op reden te steunen: Ik maakte my derhalven bereid om hier toe over te gaan, en des te meer, om mijn goede geloofsgenoten niet in het zelve gevaar te brengen, waar in ik thans was.Men zogt my vervolgens van alle benodigtheden op de reis te bezorgen, daar wierd beslooten dat ik zelfs myn Ouders geen kennis daar van geven zoude,uit vrees dat zy my daar in mogten beletten, en doe ik klaar was om te vertrekken, nam ik afscheid van al mijn goede vrienden, ’t welk niet zonder tranen geschiede, en vertrok na Holland.Daar gekomen zynde, begaf ik my ten eersten met brieven van aanbeveling, die ik van eenige mijner geloofsgenoten gekreegen had, na die geenen daar zy aan hoorde, en gaf haar mijn omstandigheden te kennen. Zy beloofden my met zoo veel raad en daad behulpzaam te zyn als mogelijk was, gelijk zy ook zoo lang ik my in Holland bevond, te werk stelden. Maar gelijk ’er geen een van die goede vrienden in staat was, om my in Holland iets te bezorgen, waar door ik mijn bestaan op een fatzoenlijke wyze zou kunnen vinden; zoo rade zy my dat ik my na de West-Indien zou begeven en wel na Surinamen, dewijl ’er zich op die tyd een goed vriend van haar t’Amsterdam bevond, die te Suriname een Plantagie had, en een Directeur op dezelve benodigt had. Ik keurde haar raad goed, en verzogt haar dat zy voor my die plaats wilde verzoeken. Zy stelde het ook ten eersten te werk, en verkregen de Directeurs plaatsvoor my; waar na ik kort daar na my aan boord begaf, om na Suriname te stevenen.Mijn reis was kort en goed, en ik kwam gezond en wel op de Plantagie daar ik op hoorde, ik nam myn post getrouwelijk waar, ’t welk my (al zeg ik het zelfs) eenige agting onder fatzoenlyke lieden te weeg bragt; dewijl zy my bejegende en in haare gezelschappen toelieten, als of ik zelfs Heer van een plantagie was.In een der gezelschappen die ik onder andere bywoonde, was een jonge weduwe, die twee plantagien kort by de myne daar ik op was tot eigendom had, haar man was omtrent een jaar dood geweest, en had haar zonder Kinderen overgelaten. Deeze Weduwe stond my zeer wel aan; dewijl zy gantsch niet onbillijk nog onvriendelyk was, ik kreeg genegendheid voor haar, en zogt maar na bekwame middelen en wegen, om het haar bekend te maken. De meeste zwarigheid die ik ’er in vond, was myn armoede in vergelyking van haar rykdom, maar de liefde over alle zwarigheden ligtelijk heen stappende, nam ik voor, maar hoe eer hoe liever mijn hard aan haar te openbaaren.Ik begaf my dan op een nademiddag na haar woonplaats toe, en liet my aanmelden, verzoekende om haar eens te mogen spreeken. Zy liet my achter in een zaaltje (waarin zy zat; om de koelte te scheppen) by haar komen. Na dat wy in den beginnen over een en andere onverschillige zaaken gesproken hadden, vroeg zy my wat ik te zeggen had. Mevrouw zeide ik; Indien het geoorlooft is voor een persoon, die van de goederen des geluks niet al te zeer voorzien is, aan een ander van meerder middelen zyn hart open te leggen, zonder dezelven te vertoornen; zoo wenschte ik wel dit aan u te doen en ...... Zy daarop my in de reden vallende zeide: Myn Heer schoon iemand minder goederen als een ander bezit, zou hy daarom niet bevoegt zyn, zyn belangens voor te dragen? Ik geef u daar volkomen vryheid toe, en wel verre van my daar over te vertoornen, beloof ik u, zoo het in mijn vermogen is u eenige dienst te doen, ik het met vermaak zal werkstellig maken.Mevrouw zeide ik daarop, het staat volkomen in u magt om my gelukkigtemaken: Ik kom om de bezitting van u beminnelijke persoon, en schenk u mynhart; indien gy u verwaardigen wilt het zelve aan te nemen. Zy veranderde op dit mijn zeggen van couleur, en zeide: Mijn Heer indien ik geweten had dat gy dit van my zoud verzogt hebben, zoude ik u zoo veel niet belooft hebben, daar by verbeeld gy u dat dit zoo in mijn magt stond; maar ik moet u zeggen dat gy u daar in bedriegt, vermits mijn waarde overlede man nog zoodanig in mijn hart en geheugenis begraven leid, dat ik daar onmogelijk een ander in zoude kunnen plaatsen. Ik bedank u derhalven voor u genegentheid ’t mywaarts en wensche dat den Hemel u een vrouw mag toeschikken, met meer volmaaktheden als ik bezit; dewijl ik niet kan overgaan om mijn hart een ander te schenken, ’t welk mijn waarde overlede man noch ten vollen bezit.Mevrouw zeide ik daar op, de levendige kunnen immers met de dooden niet meer omgaan! Wat vrugt heeft u overlede man meer van u liefde? Hy is hoop ik heden in een staat, waar in hy Hemelsche zoetigheden geniet, om aan de geen die hy hier om laag gelaten heeft de aardsche te laten; laat hy dan voor een ander de plaats, die hy reeds zonder vrucht zoo lang bezeten heeft,ontruimen en maakt die ook zoo gelukkig als hy geweest is; op dat gy en hy de vruchten van een volmaakte liefde plukken mag. Dit zeggende en met een, een van haar handen nemende, dezelve zagtelijk drukkende, scheen het als of zy een weinig na mijn reden luisterde. Mijn Heer zeide zy, voor het tegenwoordige kan ik ten minsten daar noch niet toe over gaan; wat de tyd in het vervolg zal te weeg brengen, weet ik niet: verwin dan u zelven voor het tegenwoordige en laat ....., Ik viel haar als doen in de reden en zeide;Mevrouw ik begeer niets meer als tyd en vryheid te hebben om u by wijlen eens te mogen komen bezoeken, en ik hoop dat dezelve te weeg zal brengen, dat ik mijn geluk volmaakt zal zien. Zy stont my dit na een zoete weigering toe en ik als doen mijn afscheid van haar nemende, keerde ik weder tot mijnent te rug, met de hoop en het genoegen van t’eeniger tyd mijn wensch eens vervuld te zien.Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op kort daar na met haar trouwde. Ik heb myganschelijk over myn trouwdag niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van ’er nu noch maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb; de andere zyn vroeg gestorven.Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my van al het goed waar na ik t’eeniger tyd had kunnen staan, versteken hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent, dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde, en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet nodig had.Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigstedatmy een weinig tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat ’er eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy ’er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen haar te zeggen, dat ’er meer goede lieden in de waerelt waren als ik, en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van hun meesters te winnen; ’t mogt weinig baten, de neerslachtigheit was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven, dat men dikwils door zagtheid en goetheidmeer op de harten van zyn volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t’ Scheep begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had; maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, ’t geen haar met ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een ieder van het zelve daar zy wezen moesten.Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit Eiland verlieten, gebeurde ’er nog een geval, ’t welk zichop deze wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien, die ’er gansch niet onbillijk uit zag.Zy had hem door haar bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende,begonzy een weinig het oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het eindelijk zoo ver, dat hy in ’t geheel meester van haar hart wierd.Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid; maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen, dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over, en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke trouw was toegekomen.Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt; zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantscheVolkplanting in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik ’er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb, en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt, dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen; want dat hyin het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven ’er in ’t geheel geen geweten van maakte.Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. ’T is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot een voorbeelt gebruikt om ’er zich na te gedraagen. Want wat staat zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf, zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt, de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was, zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te maken. Rampzaligesterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt dikwils van het eene quaad in een ander, ’t welk nog veel erger als het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart, kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.Zy dan een koort genomen hebbende, maakte ’er een strop van en verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom, die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van haar Dood op een zeker blad, ’t welk zoo veel als voor papier diende, geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den inhoud van dit papier luide aldus.Aan alle die van de Volkplanting zyn.“Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, ’t welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft mydoor schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede.”Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent gemaakt.Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering: dat dewijl ’er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende straf te doen erlangen. De Schipper en de andereOfficieren stelden zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam, om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt, het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip weder zou kunnen oeffenen.De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, alsof het buiten haarlieder kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere onderzoekingen zouden bevryd zyn.Daar mede wierd ten eersten aan eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard, tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip, om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de voornaamste desvolks, die den raad uitmaakte, zaten op banken, gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed, en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt, moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy weder op vrye voeten gesteld.De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent hadden, gingen allemet een treurige vertoning agter het lijk. Dus nam dit treurspel een einde; ’t welk van grooter gevolg had kunnen wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om aan boord te gaan.Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar kosten bekomen; ’t geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken, om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen; maar Thomas was ’er nog wel het meest over aangedaan.Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een eenige traante kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze wyze aan.Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet voor schuldig?Gewisselijkal moeste ik myn geheele levensloop u ten dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer: een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt, staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou niets in staat zyn om my van uaf te rukken, en ik zoude liever met u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen; is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte vriendschap zullen konnen genieten.Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had, te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar geloof over een komen!Al zyn ’er geen schatten by u te vinden, of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot ’s mensen verderf als voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders bezitten de waare rykdom, ’t welk is de vergenoeging en de opregtheid van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen, konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte spoedig uit het gezicht.De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene diehy ’er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten, vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven, dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid enpracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen; daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is, vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas, niet dat ik zeggen wil dat ’er in het geheel geen eerlyke lieden in zouden weezen; maar ik heb ’er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien ’er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn ’er evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste getroffen te hebben; want anders zoud gy’er op een andere wyze van oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn, en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft; maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat ’er leeft.Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld leggen, hervatte de Heer N....; ’t welk veroorzaakt dat zy meer eerbied gebruiken vooriemanddie ryk is, als voor den genen die niet bezit; want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste schurk, nog eenig voordeel kan genieten, ’t welk zyn behoeftigheid kan te hulp komen.Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my mynvriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken ’t onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel genootzaakt om het te doen, al heeft hy ’er geen zin in. In Holland en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan de kost komen.Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige kan komen, en daar men om ’er aan te geraken zulke laagheden moet begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy als vyanden tegen malkanderenopstaan: Die geenen die onder een hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel na slavernyzweemen, dat ’er niets anders als de naam aan ontbreekt.De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan, dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat langer hier zult zyn geweest, zult gy ’er wel anders van oordeelen. Gy zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet, zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik geloof dat ’er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegevenhebt, om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper daar ikmy op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar zyn ’er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek staan, antwoorde de Heer N...... Daar is ’er voornamentlijk een, dat een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan, en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel, en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy ’er weinig kennis van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld leveren, dat gy ’er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy Laken dat zoozagt als zyde is; ’t is wel waar dat het een weinig dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden; want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken) geloofde al het geen hyzeide.MynHeer zeide hy; dewyl ik u op u woord geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan; maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t’welk de koopman gedaan hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en ging na huis. T’huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat’er geenbeter Laken en Voering voor dat geld te krygen was.De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag ’t tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet,zeide hy; gy zyt ’er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem ’er altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken, dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander en beter goed of uw geld wederom geeft; t’welk Thomas doende, zyde tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, hetdeugd niet; gy hebt my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders moet gy my myn geld wederom geven.Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt enaf latensnyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik ’er niet toe zal overgaan.Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen; dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt, wie dat goed by u komt kopen! Is het niethet zet zelve wie dit doed als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen, zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegtbetalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden, dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig weder by de HeerN....die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman zoo de waarheid gezeit had.Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel niet of gy zultdaar zeer wel te regt komen; want dat is een man die niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom: hy is in Kerkendienst, en derhalven is ’t niet te denken dat hy u bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. ’T is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf hy zig na het huis van den Winkelier.Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy ’er nog by, ik ben daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen: Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik inhet geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende, zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden, dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen, by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft; want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet genegen om iemand te misleiden.Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen hebbende, zogt ’er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefdegy u zelven niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeidedaaromtegen de Winkelier het geen hy ’er van dagt: die daar op antwoorde. ô Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy ’er zoo weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide; zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou ’er zonde van maken dat ik iemand,overeischen zoude. ’T is wel zeide Thomas, en daar op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende, betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit nemende, begaf zig weder na huis.De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas; blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat ’er in het geheel geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat ’er zeer weinige waren: Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe Hoed opzetten.Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen: maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als gom, ’t welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men ’er met een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden, bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; ’t welkveroorzaaktwas dat ’er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost ’er niet veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat ’er onder luiden die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren; hy daarom niet naliet te gelooven, dat ’er ook veel eerlijke lieden onder waren: dat ’er onder een mant met Appelen die ’er alle op het oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was, waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was; dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn gevoelen, dat ’er in een Land waar de gewin enbaatzugt zoo groot was, zeer weinige waare vroome en eerlijkeliedenkosten gevonden worden.Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar ophielden, gebeurde het dat ’er iemand van zyn kennissen na Suriname zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in handen, en bezorgde het goed, ’t geen zyn vriend mede zoude nemen, met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed te Surinamen verkopen zoude, en hem ’er weder andere goederen of geld voor in de plaats zoude zenden.

Deeze onmagt was het eerste middel om my een weinig tot inkeer te brengen.Hoe zeide ik by my zelven, ik meende altijd gelukkig en vermakelijk te leven, en ik ben kwalijk in diergelijk een levenswijs getreeden, of ik ben ’t reeds moede en heb ’er een walg van af! Waar komt deeze ongevoeligheid van daan en deeze afkeer? Het moeten dan zekerlijk deeze vermakelijkheden niet zyn die ik bygewoont heb, ’t geen een mensch kan gelukkig maken: want anders zoude ik daar meer smaak in moeten krygen. Dus by my zelven mymerende was ’er niemand, die my daar op voldoende oplossing geven, of daar ik dorst te vertrouwen. Ik smoorde dan alles by my zelven en wierd zoo zwaarmoedig, dat ik my genoegzaam van alle gezelschappen afzonderde, ’t welk een groote verwondering by al die geenen die my te vooren gekent hadden, te weeg bragt.Myn Ouders en Familie waren voornamentlijk zeer nieuwsgierig hier van de oorzaak te weten; dewijl ik te vooren haast nooit te huis was geweest, nu zeer weinig uitging, en genoegzaam altyd op myn Kamer zat te mymeren: maar ik liet daar nooit het een of ander van blijken; gevende alleen voor reden, dat ik my zelve niet als te welbevond, (’t welk ook zo was) en dat ik my derhalven zoo veel stil hield als mogelijk was. Zy waren daar over aangedaan, en de liefde tot haar Kint door myn voorig kwaad gedrag, in haar nog niet uitgeblust zynde, waren zy zeer bezorgt om my in myn voorige gezontheid te herstellen.Zy gebruikte dan alle middelen die zy dagten daar bekwaam toe te weezen; maar alles mogt niet helpen, wat zy ook te werk stelde. Ik wierd van dag tot dag zwaarmoediger en droefgeestiger, ’t welk zy voorlichaamsonpasselijkheidaanzagen, en van voornamen waren een geneesmeester by my te laten komen; om na de oorzaak van mijn kwaal te vernemen en my daar van te herstellen. Zy verkozen hier toe een man, die door zyn konst zeer beroemt was, en door zyn lange ervarentheid in dezelve, een naam had verkregen, dat hy de allervoorzigtigste en bekwaamde Doctor van gansch Lions was.Deeze man, by my gekomen zijnde; ondervond myn kwaal van een heele andere natuur, en van een heele andere oorzaak oorspronkelijk te wezen, als myn Ouders zig verbeelden. Na dat hy verzogt had my eens alleen te spreeken,en de omstanders waren weg gegaan, zeide hy tegens my; uwe onpasselijkheid is om zoo te spreeken geen eigentlijke ziekte, het is een verval van kragten en levensgeesten, verzeld met zwaarmoedigheid, die u alle lust beneemt; daarom zoo gy iets op u hart hebt, zoo betrouwt het my toe; op dat nevens de Medicynen die ik u zal laten gebruiken, ik u daar by met een goede raad mag bystaan. Ik wilde in den beginne veinzen met te zeggen, dat my van dien kant niets ontbrak en dat ik by my zelven heel wel te vreeden was; maar hy wist my zoo te overtuigen en door zijn schranderheid zoodanig in myn gemoet te dringen, dat ik wel genoodzaakt was hem mijn hart te openbaren.Myn Heer zeide ik tegen hem;dewijlik zie en ondervind dat gy een man van oordeelzijt, dat gy genoegzaam als in myn hart heb kunnen zien, wat ’er in om gaat, en daar by myn kwaal zoo wel uitgevonden hebt; zoo wil ik u de oorzaak van het een en het andere niet verzwyge; maar u daar van een openhartige belijdenis doen.Ik maakte hem als doen bekend wat voor gedagten ik van den Godsdienst gehad hadde, waar door ik tot allerhandebuitensporigheden wasvervallen, ’t welk my in dien staat gebragt had, waar in ik my thans bevond en dat zoo hy in staat was om my uit die akelige omstandigheden te redden, ik het hem al mijn leven dank zoude weten.Ik dagt wel dat ik het zoude geraden hebben, zeide hy tegens my; om u dan voor eerst een goede raad te geven, is dit, dat gy u zelven zoo veel vermand als mogelijk is en dat gy alle zwaarmoedige gedagten van u zelven zoekt af te weeren; Ik zal ondertusschen door de hulp des hemels u zulke middelen laten gebruiken, dat ik hoop door die zelve hulp gesterkt, u weder tot voorige kragten te herstellen. Weest derhalven goeds moeds en houd een ordentelijke levenswijs en alles zal wel gaan. Hy schreef vervolgens een recept, om voor my klaar te laten maken, en na dat hy belooft had den anderen dag weder te komen, nam hy afscheid van my om zyn andere Patienten te bezoeken.Doen was het als of ik een weinig in myn gemoed verligt was; deeze man zeide ik by my zelven, schynt een verstandig man te weezen: mogelijk kan hy my niet alleen van myn zwakke natuursgesteldheidgenezen, maar my ook eenige onderrigtinge in het zedelijke geven: als hy wederom komt, zal ik my met hem daar eens een wynig over onderhouden en hem toetzen of hy daar ook bekwaam toe is. Dusdanig my te vreeden gesteld hebbende, gebruikte ik de middelen die hy my geordonneert had, en om kort te gaan, den anderen dag gekomen zijnde, bleef hy ook in geen gebreken my te komen bezoeken.Het eerste wat hy deed, was my te vragen hoe ik my al bevond en of zyn hulpmiddelen ook eenige uitwerking gehad hadden. Dat gaat heel wel myn Heer zeide ik tegens hem; maar zoo lang als ik nog met een zekere ongewisheid en twyffeling behebt ben, zal myn gemoed die rust en kalmte nooit konnen genieten als zy anders wel zoude. Wat is dat voor een ongewisheid en twyffeling? Zeide hy tegens my, het is die over den Godsdienst, antwoorde ik hem, daar ik u gisteren van gesproken heb; indien gy my daar eenige verligting in kunt geven, zult gy my nog meer dienst doen als of gy my op staande voet van myn zwakheid genas. Ik heb nooit geen gelegentheid gehad ommet een verstandig man daar over te spreken, en dewyl ik u daar voor aanzie, zoo doet my de vriendschap en laaten wy een weinig daar over spreken. Myn vriend zeide hy, voor als nog zyt gy niet in staat, om u met diepzinnige redeneringen te vermoeijen u gesteltheid is te zwak; wanneer dezelve een weinig sterker zal weezen en haar voorige kragten zal beginnen te krygen, zullen wy tyd en gelegentheid genoeg hebben om dit te doen. Laten wy het derhalven nog eenige dagen uitstellen; wanneer ik oordeel dat gy ’er in staat toe zy, zal ik u wel waarschuwen, en stel u voor het tegenwoordige gerust tot dat die tyt zal gekomen zyn.Ik was hier mede te vreeden, en na dat hy nog eenige dagen over my gegaan had, bevond ik my merkelijk beter, en hy oordeelden nu de tydgekomente wezen, om myn verzoek te beantwoorden.Dewijl gy u zoo wel bevind zeide hy, schynt die tyd gekomen te wezen, dat wy ons een weinig onderhouden, over dat geen daar gy my laatst van gesproken hebt: indien gy nu genegentheid daar toe hebt, wil ik my wel zoo als my de tyd toelaat, daar over met u inlaten.Ik nam de gelegentheid waar, en sprak hem aan op deze wijze.Mijn Heer. Het is my lief u voor het tegenswoordige zoo wel genegen te vinden, en my in staat te keuren om met u daar over in gesprek te treeden. Dewijl het nu onnodig is om weder te herhalen ’t geen ik u reeds gezegt heb, en het geen de twyffeling en ongelovigheid van den Godsdienst betreft; zoo is alleen mijn verzoek, dat zoo gy my daar in eenige verligting kunt geven, gy my het grootste vermaak des werelds zult doen.De Doctor hier op antwoordende zeide; zeer gaarn, maar waar mede zullen wy beginnen, ik denk evenwel dat gy wel een natuurlijke Religie zult hebben?Ik. In het geheel niet: ik geloof zoo min aan een natuurlijke als geopenbaarde Godsdienst.De Doctor. Na ik aan u horen kan, Gelooft gy dan niet aan een Opperwezen, ’t welk men God noemt?Ik. Neen ik mijn Heer, en ik wenste wel dat gy my van de aanwezentheid van dat opperwezen een weinig kost overtuigen.De Doctor. Ongelukkig mensch diezonder God of Godsdienst in de waereld leeft! Het geeft my geen wonder dat gy u tijd in zoo veel wreede twijffelingen en zwaarmoedige gedagten door moet brengen; want was ’er geen God, wy waren de ongelukkigste van alle schepselen.Ik. Waarom mijn Heer? de beesten leven wel zonder dezelven, en gaan alleen maar na haar natuurlijke driften te werk; zoude een mensch ook zoo niet kunnen doen, en even gelijk zy gelukkig leven?De Doctor. Geenzins: want een mensch heeft edeler gaven ontfangen als de dieren, hy is met een reden begaaft, waar door hy ver boven dezelve verheven is.Ik. Zou dan een dier, ieder in zyn soort genomen, zoo wel met geen verstand begaaft zyn als een mensch?De Doctor. Zy hebben ieder wel na haar hoedanigheid die bekwaamheden, die zy nodig hebben, om zig zelven en haar geslacht te doen bestaan: maar al het geen zy doen, weten zy niet waarom dat zy het doen. Het is met een mensch zoo niet gelegen; dezelve oordeelt van het voorledene, voorziet het toekomende en wat zig daar voorzigtigin het tegenswoordige van te bedienen.Ik. Ik moet dit met u toestemmen, dat den mensch van vry verhevener hoedanigheden is, als een dier; maar waar uit zoud gy my de aanwezentheid van een God kunnen betoogen.De Doctor. Door die zelve reden en bekwaamheid die wy boven dieren bezitten, worden wy geleid om zulk een Opperweezen te erkennen, dezelve doet ons door onze uiterlijke zinnen de grootheid, wonderlijkheid, schoonheid, en order van al het zigtbare beschouwen; wy zien dat het van zig zelven dood is en onbeweegbaar in zyn delen, maar door de beweging al die gestaltens en hoedanigheden verkrygt, waar in wy het zien: dewijl het uit zig zelven onbeweegbaar is, moeten zyn deelen door een eerste bewegende oorzaak aan de gang gemaakt worden; niet gelijk als een gewigt of veer de raderen van een horologie doet omgaan; maar als de maker van dat gewigt, die het zelve met verstand en overleg toegestelt heeft, om het Horologie op een zekere welgestelde maat en order te doen omgaan; want anders zouden wy God als een blinde beweger moeten aanmerken, zonderte weten waarom hy de stoffe bewoog, en de beweging zoude niet regelmatig geschieden; maar alles zoude eer ten ondersten boven keeren, en een verwarde Chaos veroorzaken. Daar men dit nu regt anders in de schoonheid, regelmatigheid en order der samengesteldelichamenvind.Ik. Ik moet het toestemmen dat men alles verwonderlijk in de natuur en derzelver uitwerkselen vind: maar om niet boven onze kring te gaan; zoo laaten wy alleen den mensch en zyn lotgevallen beschouwen: kan men daar die order wel in vinden die gy voorgeeft? Hy is het voornaamste schepsel op het oppervlak der Aarde, met zulke schoone hoedanigheden boven de dieren begaaft, en nogtans ziet men dit voortreffelijke schepsel ô wonder! altyd met zoo veel tegenspoeden, en ongelijke lotgevallen besprongen! Waarom stelt die eerste beweeger geen beter order om een schepzel te behouden, ’t welk zulke voortreffelijke hoedanigheden heeft? en daar hy zoo veel aan heeft te kosten geleid?Hier op kwam de Doctor op de openbaring en zeide my genoegzaam even het zelve dat gy tegens de Neger gezegt hebt. Hy zeide my om kort tegaan dat wy menschen door onze redenkaveling en bespiegeling, wel tot een eerste werkende oorzaak kosten komen; maar niet op hoedanig een wijze hy met zyn schepzelen, en voornamentlijk den mensch omgaat: dat hy de goetheid gehad had om ons door overlevering en Schriftuur, het alles nader te openbaren en ons zyn wil te kennen gegeven, op hoedanig een wijze hy wilde gedient zyn. Hy wist my vervolgens zoo door zyn redeneringen, als door bewyzen uit de Schriftuur, zodanig van de waarheid der Christelijke Religie te overtuigen, dat ik daar van ten vollen overtuigd wierd. Maar dewijl ik hem zoo lang hy geredeneert had, nooit van de Kerk nog van derzelver instelling had hooren spreeken; twyffelde ik of hy wel van de Roomsche Religie was: Ik vroeg hem dan het een en andere dezelve aangaande, en of hy ook van diezelve gevoelens was. Waar op hy my antwoorde, dat hy nooit zoo bygeloovig geweest was, om aan derzelver instellinge en ceremonien geloof te slaan of toe te stemmen; maar dat hy van de hervormde Godsdienst was, dewijl hy die het best met de gezonde reden en het geen inden Bybel vervat was, overeen dagt te koomen.Ik verzogt hem hier op, dat hy my de gronden van die Religie eens wilde openbaren; maar hy zeide my voor als doen geen tyd te hebben om dit te doen, dat als hy in het vervolg weder kwam, hy my dezelve zou bekent maken. Daar op van my afscheid nemende, bedankte ik hem wel duizendmaal voor zyn goede onderrigting, met verzoek van in het vervolg volgens zyn beloften in dezelve te vervolgen.De Heer N.... wilde in zyn verhaal voortvaren; maar hy wierd daar in door de Heer le Sage belet met tegen hem te zeggen; Myn Heer dewijl gy reeds zoo veel gezegt hebt zonder u te verpozen; zoo dunkt het my nu wel eens tyd te weezen, dat gy een weinig rust: wy zullen onderwijle een glaasje wyn drinken; want u mond zal door het veel spreeken zekerlijk wel zyn droog geworden. Daar op iemand geroepen hebbende om Wyn te bezorgen, dronken zy te samen een glaasje, en na dat de Heer N.... zig weder een weinig in staat gestelt had om zyn verhaal te vervolgen, voer hy aldus voort.De Doctor quam my weder bezoeken, en na dat hy my het een en ander voorgeschreven had, bragt ik hem zyn belofte te binnen; ’t welk ik hem niet zoo haast gedaan had, of hy quam dezelve na en onderrigte my zodanig in de gronden van zyn Godsdienst, dat ik in korte tyd daar van een volkomen kennis had. En dewijl ik dezelve zoo redelijk vond en zoo tegenstrydig niet als die van de Roomsche Religie, begaf ik my geheel en al aan dezelve over, hem zeggende dat zoo draa Ik weder in staat was, en in vorige welstand hersteld, ik my zelven in de vergadering en in de gemeente van zyn geloof zou begeven. Hy moedigde my hier verder toe aan en prees myn verkiezing, en dewijl het niet lang duurde of ik was volkomen hersteld, bevond ik my wel haast al in de vergaderingen die de Gereformeerde in stilte oeffende; maar ik kon dit zelve zoo geheim niet houden, of de Jesuiten die over al op myn gangen lettede, hadden ’er wel gaauw de lugt af. Nu dagten zy haar tyd gevonden te hebben, om my dat geen te doen betalen, ’t welk ik door myn al te vrye spreeken tegens die van haar order na haar gedagten verschuldigt was.De Jesuit die myn Leermeester geweest was, vervoegde zig aan het huis van myn Vader, en liet zig aanmelden om hem te spreeken. Na dat myn Vader hem hem in zyn zydvertrek had laten komen, zeide de Jesuit tegens hem: Ik dagt wel dat u Zoon van het eene uiterste tot het andere zoude overgaan! Na eerst de grootste Vrygeest te zyn geweest, is hy nu de grootste Ketter en dweeper geworden. Ik weet van goeder hand, dat hy zig nu onder de zoogenaamde Gereformeerde ophoud, dat hy zig in al haar geheime vergaderingen laat vinden, en zig in de gronden van die Godsdienst, die zy belijden, laat onderwijzen.Myn Vader die een zeer ieverig Catholijk was, en die liever zou gehad hebben dat zyn Zoon de grootste Vrygeest geweest was, mits dat hy maar nu en dan de Roomsche Godsdienst pligten bygewoont had, als een Ketter te weezen, (zoodanig blind en buitensporig is een al te overbodige Godsdienstiever), was hier zeer over verwondert als hy dit hoorde. Ik heb al niet geweten zeide hy, hoe dat hy zig zoo stil en ingetogen hield sedert dat hy niet wel te pas geweest is, ik was dit niet van hem gewent; maar nu geeft het mygeen wonder, dat nu hy onder die fymelaars gekomen is, hy zoodanig verandert is.Maar wat raad hier in te doen mijn Heer? U Zoon onder het oog te brengen zeide hy, dat hy zich tegen het gezag van de Kerk en des Konings vergreepen heeft, en dat zoo hy zich niet weder in de schoot van de eerstgenoemde begeeft en dezelve om vergiffenis smeekt, dat zelve gezag zal gebruikt worden om ’er hem toe te noodzaken, of anders de maatregelen die ’er tegen gestelt zyn. Daarom is het u plicht om hem ten scherpsten daar over te onderhouden, en hem tot zyn plicht te doen keren; want zoo gy dit niet doet zult gy aangezien worden, als een man die medepligtig is aan u Zoons buitensporigheden.Mijn Vader beloofde hem dit te zullen doen, en na dat de Jesuit was weggegaan, verhaalde hy het geen hem was voorgekomen aan myn Moeder, Broeder, en Zuster. Dezelve waren alle zeer verwondert, en die zelve blinde Religie-yver die mijn Vader had, bezielde haar ook boezemde haar die zelve gedachten tegens my in. Om kort te gaan zy waren alle zeer tegens my ingenomen,en het eerst dat mijn Vader deed, was my by zig te roepen, om met my daar over te spreeken.Zoo draa ik by hem gekoomen was, vroeg hy my met een verontwaardiging, tot wat voor buitensporigheden ik my begaf: Ik vroeg hem daar tegens wat buitensporigheden hy meende: hy daar op antwoordende zeide; vraagt gy noch daar na? Of dunkt u dit geen buitensporigheden genoeg te weezen, dat men zich van de waare Religie en de algemeene Moeder de Roomsche Kerk afzondert en zich onder de snoodste en argste Ketters begeeft die ’er onder de Zon te vinden zyn? Ik ben ’er van goeder hand achter gekomen, en zoo gy niet van zin verandert; kunt gy staat maaken, dat ik u niet langer voor mijn Zoon erkennen en in mijn huis dulden zal.Ik zogt my zoo veel te verschonen als mogelijk was, met te zeggen, dat een mensch behoorde vry te weezen in het oeffenen van zyn Godsdienst, die hem dagt de beste te weezen; zoo lang hy zich daar door niet schuldig maakte aan ongehoorzaamheid tegens zyn Vorst of de wetten van het Land; maar hy lachte met mijn verontschuldigingen, zeggendedat de Ketters daar altijd mede voor den dag kwamen, te weten met de verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst en dat zoo zy de overhand eens hadden boven de andere, zy mogelijk veel onverdraagzamer als dezelve zouden weezen.Wat konde ik veel doen in zoo een netelige omstandigheid voor my? Het beste dat my dacht was eenig uitstel te verzoeken om ’er my over te bedenken; ’t welk ik hier voornamentlijk om deed, om in de tusschentyd eenige wijze schikkingen te beramen, om my voor de vervolgingen der Jesuiten te bevryden. Mijn Vader bewilligde daar in, en gaf my daar toe den tyd van veertien dagen, dewelke ik besteede om my met den Doctor en de andere geloofsgenoten te beraden, wat ik zoude doen, en hoe hier in te gedragen. Wy denken niet zeide zy dat gy u door de vrees van vervolgt te zullen worden, van de waare Religie zult laten afwenden, en om menschen te behagen, een geloof dat gy zoo billijk keurt zult verlaten, om u tot een ander te begeeven, dat zoo strydig is tegen het gezonde vernuft en reden? Wy raden u dat gy om die vervolging te ontgaan; veel liever dit landverlaat om u in een ander te begeven, daar gy meer vryheid kunt genieten: gaat dan liever na Holland dewijl gy noch jong en sterk zyt, zal het u niet aan middelen ontbreeken, aan uw brood te komen, ’t welk wy u des te meer aanraden, om dat zoo gy hier blijft wy gevaar lopen van een en ’t zelve lot met u te zullen moeten deelen, en in die draaikolk waar in gy thans verwart zyt, mede zullen ingesleept worden: daar zy in tegendeel nu noch maar alleen tegens u een haat opgevat hebbende, dezelve door u vlucht zal worden uit de weg geruimt, en wy gerustelijk hier zullen kunnen blijven. Wanneer gy derhalven onze raad wilt opvolgen, zullen wy u zoo veel ons mogelijk zy helpen, en gy zult u zelven en ons van een niet ongegronde vrees ontslaan.Deeze raad dacht my goed te weeze en op reden te steunen: Ik maakte my derhalven bereid om hier toe over te gaan, en des te meer, om mijn goede geloofsgenoten niet in het zelve gevaar te brengen, waar in ik thans was.Men zogt my vervolgens van alle benodigtheden op de reis te bezorgen, daar wierd beslooten dat ik zelfs myn Ouders geen kennis daar van geven zoude,uit vrees dat zy my daar in mogten beletten, en doe ik klaar was om te vertrekken, nam ik afscheid van al mijn goede vrienden, ’t welk niet zonder tranen geschiede, en vertrok na Holland.Daar gekomen zynde, begaf ik my ten eersten met brieven van aanbeveling, die ik van eenige mijner geloofsgenoten gekreegen had, na die geenen daar zy aan hoorde, en gaf haar mijn omstandigheden te kennen. Zy beloofden my met zoo veel raad en daad behulpzaam te zyn als mogelijk was, gelijk zy ook zoo lang ik my in Holland bevond, te werk stelden. Maar gelijk ’er geen een van die goede vrienden in staat was, om my in Holland iets te bezorgen, waar door ik mijn bestaan op een fatzoenlijke wyze zou kunnen vinden; zoo rade zy my dat ik my na de West-Indien zou begeven en wel na Surinamen, dewijl ’er zich op die tyd een goed vriend van haar t’Amsterdam bevond, die te Suriname een Plantagie had, en een Directeur op dezelve benodigt had. Ik keurde haar raad goed, en verzogt haar dat zy voor my die plaats wilde verzoeken. Zy stelde het ook ten eersten te werk, en verkregen de Directeurs plaatsvoor my; waar na ik kort daar na my aan boord begaf, om na Suriname te stevenen.Mijn reis was kort en goed, en ik kwam gezond en wel op de Plantagie daar ik op hoorde, ik nam myn post getrouwelijk waar, ’t welk my (al zeg ik het zelfs) eenige agting onder fatzoenlyke lieden te weeg bragt; dewijl zy my bejegende en in haare gezelschappen toelieten, als of ik zelfs Heer van een plantagie was.In een der gezelschappen die ik onder andere bywoonde, was een jonge weduwe, die twee plantagien kort by de myne daar ik op was tot eigendom had, haar man was omtrent een jaar dood geweest, en had haar zonder Kinderen overgelaten. Deeze Weduwe stond my zeer wel aan; dewijl zy gantsch niet onbillijk nog onvriendelyk was, ik kreeg genegendheid voor haar, en zogt maar na bekwame middelen en wegen, om het haar bekend te maken. De meeste zwarigheid die ik ’er in vond, was myn armoede in vergelyking van haar rykdom, maar de liefde over alle zwarigheden ligtelijk heen stappende, nam ik voor, maar hoe eer hoe liever mijn hard aan haar te openbaaren.Ik begaf my dan op een nademiddag na haar woonplaats toe, en liet my aanmelden, verzoekende om haar eens te mogen spreeken. Zy liet my achter in een zaaltje (waarin zy zat; om de koelte te scheppen) by haar komen. Na dat wy in den beginnen over een en andere onverschillige zaaken gesproken hadden, vroeg zy my wat ik te zeggen had. Mevrouw zeide ik; Indien het geoorlooft is voor een persoon, die van de goederen des geluks niet al te zeer voorzien is, aan een ander van meerder middelen zyn hart open te leggen, zonder dezelven te vertoornen; zoo wenschte ik wel dit aan u te doen en ...... Zy daarop my in de reden vallende zeide: Myn Heer schoon iemand minder goederen als een ander bezit, zou hy daarom niet bevoegt zyn, zyn belangens voor te dragen? Ik geef u daar volkomen vryheid toe, en wel verre van my daar over te vertoornen, beloof ik u, zoo het in mijn vermogen is u eenige dienst te doen, ik het met vermaak zal werkstellig maken.Mevrouw zeide ik daarop, het staat volkomen in u magt om my gelukkigtemaken: Ik kom om de bezitting van u beminnelijke persoon, en schenk u mynhart; indien gy u verwaardigen wilt het zelve aan te nemen. Zy veranderde op dit mijn zeggen van couleur, en zeide: Mijn Heer indien ik geweten had dat gy dit van my zoud verzogt hebben, zoude ik u zoo veel niet belooft hebben, daar by verbeeld gy u dat dit zoo in mijn magt stond; maar ik moet u zeggen dat gy u daar in bedriegt, vermits mijn waarde overlede man nog zoodanig in mijn hart en geheugenis begraven leid, dat ik daar onmogelijk een ander in zoude kunnen plaatsen. Ik bedank u derhalven voor u genegentheid ’t mywaarts en wensche dat den Hemel u een vrouw mag toeschikken, met meer volmaaktheden als ik bezit; dewijl ik niet kan overgaan om mijn hart een ander te schenken, ’t welk mijn waarde overlede man noch ten vollen bezit.Mevrouw zeide ik daar op, de levendige kunnen immers met de dooden niet meer omgaan! Wat vrugt heeft u overlede man meer van u liefde? Hy is hoop ik heden in een staat, waar in hy Hemelsche zoetigheden geniet, om aan de geen die hy hier om laag gelaten heeft de aardsche te laten; laat hy dan voor een ander de plaats, die hy reeds zonder vrucht zoo lang bezeten heeft,ontruimen en maakt die ook zoo gelukkig als hy geweest is; op dat gy en hy de vruchten van een volmaakte liefde plukken mag. Dit zeggende en met een, een van haar handen nemende, dezelve zagtelijk drukkende, scheen het als of zy een weinig na mijn reden luisterde. Mijn Heer zeide zy, voor het tegenwoordige kan ik ten minsten daar noch niet toe over gaan; wat de tyd in het vervolg zal te weeg brengen, weet ik niet: verwin dan u zelven voor het tegenwoordige en laat ....., Ik viel haar als doen in de reden en zeide;Mevrouw ik begeer niets meer als tyd en vryheid te hebben om u by wijlen eens te mogen komen bezoeken, en ik hoop dat dezelve te weeg zal brengen, dat ik mijn geluk volmaakt zal zien. Zy stont my dit na een zoete weigering toe en ik als doen mijn afscheid van haar nemende, keerde ik weder tot mijnent te rug, met de hoop en het genoegen van t’eeniger tyd mijn wensch eens vervuld te zien.Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op kort daar na met haar trouwde. Ik heb myganschelijk over myn trouwdag niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van ’er nu noch maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb; de andere zyn vroeg gestorven.Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my van al het goed waar na ik t’eeniger tyd had kunnen staan, versteken hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent, dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde, en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet nodig had.Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigstedatmy een weinig tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat ’er eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy ’er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen haar te zeggen, dat ’er meer goede lieden in de waerelt waren als ik, en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van hun meesters te winnen; ’t mogt weinig baten, de neerslachtigheit was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven, dat men dikwils door zagtheid en goetheidmeer op de harten van zyn volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t’ Scheep begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had; maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, ’t geen haar met ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een ieder van het zelve daar zy wezen moesten.Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit Eiland verlieten, gebeurde ’er nog een geval, ’t welk zichop deze wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien, die ’er gansch niet onbillijk uit zag.Zy had hem door haar bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende,begonzy een weinig het oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het eindelijk zoo ver, dat hy in ’t geheel meester van haar hart wierd.Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid; maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen, dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over, en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke trouw was toegekomen.Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt; zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantscheVolkplanting in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik ’er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb, en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt, dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen; want dat hyin het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven ’er in ’t geheel geen geweten van maakte.Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. ’T is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot een voorbeelt gebruikt om ’er zich na te gedraagen. Want wat staat zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf, zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt, de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was, zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te maken. Rampzaligesterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt dikwils van het eene quaad in een ander, ’t welk nog veel erger als het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart, kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.Zy dan een koort genomen hebbende, maakte ’er een strop van en verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom, die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van haar Dood op een zeker blad, ’t welk zoo veel als voor papier diende, geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den inhoud van dit papier luide aldus.Aan alle die van de Volkplanting zyn.“Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, ’t welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft mydoor schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede.”Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent gemaakt.Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering: dat dewijl ’er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende straf te doen erlangen. De Schipper en de andereOfficieren stelden zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam, om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt, het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip weder zou kunnen oeffenen.De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, alsof het buiten haarlieder kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere onderzoekingen zouden bevryd zyn.Daar mede wierd ten eersten aan eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard, tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip, om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de voornaamste desvolks, die den raad uitmaakte, zaten op banken, gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed, en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt, moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy weder op vrye voeten gesteld.De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent hadden, gingen allemet een treurige vertoning agter het lijk. Dus nam dit treurspel een einde; ’t welk van grooter gevolg had kunnen wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om aan boord te gaan.Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar kosten bekomen; ’t geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken, om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen; maar Thomas was ’er nog wel het meest over aangedaan.Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een eenige traante kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze wyze aan.Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet voor schuldig?Gewisselijkal moeste ik myn geheele levensloop u ten dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer: een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt, staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou niets in staat zyn om my van uaf te rukken, en ik zoude liever met u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen; is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte vriendschap zullen konnen genieten.Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had, te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar geloof over een komen!Al zyn ’er geen schatten by u te vinden, of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot ’s mensen verderf als voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders bezitten de waare rykdom, ’t welk is de vergenoeging en de opregtheid van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen, konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte spoedig uit het gezicht.De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene diehy ’er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten, vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven, dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid enpracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen; daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is, vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas, niet dat ik zeggen wil dat ’er in het geheel geen eerlyke lieden in zouden weezen; maar ik heb ’er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien ’er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn ’er evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste getroffen te hebben; want anders zoud gy’er op een andere wyze van oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn, en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft; maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat ’er leeft.Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld leggen, hervatte de Heer N....; ’t welk veroorzaakt dat zy meer eerbied gebruiken vooriemanddie ryk is, als voor den genen die niet bezit; want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste schurk, nog eenig voordeel kan genieten, ’t welk zyn behoeftigheid kan te hulp komen.Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my mynvriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken ’t onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel genootzaakt om het te doen, al heeft hy ’er geen zin in. In Holland en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan de kost komen.Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige kan komen, en daar men om ’er aan te geraken zulke laagheden moet begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy als vyanden tegen malkanderenopstaan: Die geenen die onder een hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel na slavernyzweemen, dat ’er niets anders als de naam aan ontbreekt.De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan, dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat langer hier zult zyn geweest, zult gy ’er wel anders van oordeelen. Gy zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet, zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik geloof dat ’er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegevenhebt, om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper daar ikmy op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar zyn ’er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek staan, antwoorde de Heer N...... Daar is ’er voornamentlijk een, dat een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan, en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel, en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy ’er weinig kennis van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld leveren, dat gy ’er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy Laken dat zoozagt als zyde is; ’t is wel waar dat het een weinig dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden; want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken) geloofde al het geen hyzeide.MynHeer zeide hy; dewyl ik u op u woord geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan; maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t’welk de koopman gedaan hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en ging na huis. T’huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat’er geenbeter Laken en Voering voor dat geld te krygen was.De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag ’t tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet,zeide hy; gy zyt ’er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem ’er altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken, dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander en beter goed of uw geld wederom geeft; t’welk Thomas doende, zyde tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, hetdeugd niet; gy hebt my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders moet gy my myn geld wederom geven.Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt enaf latensnyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik ’er niet toe zal overgaan.Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen; dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt, wie dat goed by u komt kopen! Is het niethet zet zelve wie dit doed als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen, zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegtbetalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden, dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig weder by de HeerN....die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman zoo de waarheid gezeit had.Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel niet of gy zultdaar zeer wel te regt komen; want dat is een man die niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom: hy is in Kerkendienst, en derhalven is ’t niet te denken dat hy u bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. ’T is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf hy zig na het huis van den Winkelier.Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy ’er nog by, ik ben daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen: Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik inhet geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende, zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden, dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen, by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft; want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet genegen om iemand te misleiden.Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen hebbende, zogt ’er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefdegy u zelven niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeidedaaromtegen de Winkelier het geen hy ’er van dagt: die daar op antwoorde. ô Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy ’er zoo weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide; zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou ’er zonde van maken dat ik iemand,overeischen zoude. ’T is wel zeide Thomas, en daar op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende, betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit nemende, begaf zig weder na huis.De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas; blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat ’er in het geheel geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat ’er zeer weinige waren: Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe Hoed opzetten.Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen: maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als gom, ’t welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men ’er met een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden, bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; ’t welkveroorzaaktwas dat ’er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost ’er niet veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat ’er onder luiden die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren; hy daarom niet naliet te gelooven, dat ’er ook veel eerlijke lieden onder waren: dat ’er onder een mant met Appelen die ’er alle op het oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was, waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was; dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn gevoelen, dat ’er in een Land waar de gewin enbaatzugt zoo groot was, zeer weinige waare vroome en eerlijkeliedenkosten gevonden worden.Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar ophielden, gebeurde het dat ’er iemand van zyn kennissen na Suriname zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in handen, en bezorgde het goed, ’t geen zyn vriend mede zoude nemen, met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed te Surinamen verkopen zoude, en hem ’er weder andere goederen of geld voor in de plaats zoude zenden.

Deeze onmagt was het eerste middel om my een weinig tot inkeer te brengen.Hoe zeide ik by my zelven, ik meende altijd gelukkig en vermakelijk te leven, en ik ben kwalijk in diergelijk een levenswijs getreeden, of ik ben ’t reeds moede en heb ’er een walg van af! Waar komt deeze ongevoeligheid van daan en deeze afkeer? Het moeten dan zekerlijk deeze vermakelijkheden niet zyn die ik bygewoont heb, ’t geen een mensch kan gelukkig maken: want anders zoude ik daar meer smaak in moeten krygen. Dus by my zelven mymerende was ’er niemand, die my daar op voldoende oplossing geven, of daar ik dorst te vertrouwen. Ik smoorde dan alles by my zelven en wierd zoo zwaarmoedig, dat ik my genoegzaam van alle gezelschappen afzonderde, ’t welk een groote verwondering by al die geenen die my te vooren gekent hadden, te weeg bragt.Myn Ouders en Familie waren voornamentlijk zeer nieuwsgierig hier van de oorzaak te weten; dewijl ik te vooren haast nooit te huis was geweest, nu zeer weinig uitging, en genoegzaam altyd op myn Kamer zat te mymeren: maar ik liet daar nooit het een of ander van blijken; gevende alleen voor reden, dat ik my zelve niet als te welbevond, (’t welk ook zo was) en dat ik my derhalven zoo veel stil hield als mogelijk was. Zy waren daar over aangedaan, en de liefde tot haar Kint door myn voorig kwaad gedrag, in haar nog niet uitgeblust zynde, waren zy zeer bezorgt om my in myn voorige gezontheid te herstellen.Zy gebruikte dan alle middelen die zy dagten daar bekwaam toe te weezen; maar alles mogt niet helpen, wat zy ook te werk stelde. Ik wierd van dag tot dag zwaarmoediger en droefgeestiger, ’t welk zy voorlichaamsonpasselijkheidaanzagen, en van voornamen waren een geneesmeester by my te laten komen; om na de oorzaak van mijn kwaal te vernemen en my daar van te herstellen. Zy verkozen hier toe een man, die door zyn konst zeer beroemt was, en door zyn lange ervarentheid in dezelve, een naam had verkregen, dat hy de allervoorzigtigste en bekwaamde Doctor van gansch Lions was.Deeze man, by my gekomen zijnde; ondervond myn kwaal van een heele andere natuur, en van een heele andere oorzaak oorspronkelijk te wezen, als myn Ouders zig verbeelden. Na dat hy verzogt had my eens alleen te spreeken,en de omstanders waren weg gegaan, zeide hy tegens my; uwe onpasselijkheid is om zoo te spreeken geen eigentlijke ziekte, het is een verval van kragten en levensgeesten, verzeld met zwaarmoedigheid, die u alle lust beneemt; daarom zoo gy iets op u hart hebt, zoo betrouwt het my toe; op dat nevens de Medicynen die ik u zal laten gebruiken, ik u daar by met een goede raad mag bystaan. Ik wilde in den beginne veinzen met te zeggen, dat my van dien kant niets ontbrak en dat ik by my zelven heel wel te vreeden was; maar hy wist my zoo te overtuigen en door zijn schranderheid zoodanig in myn gemoet te dringen, dat ik wel genoodzaakt was hem mijn hart te openbaren.Myn Heer zeide ik tegen hem;dewijlik zie en ondervind dat gy een man van oordeelzijt, dat gy genoegzaam als in myn hart heb kunnen zien, wat ’er in om gaat, en daar by myn kwaal zoo wel uitgevonden hebt; zoo wil ik u de oorzaak van het een en het andere niet verzwyge; maar u daar van een openhartige belijdenis doen.Ik maakte hem als doen bekend wat voor gedagten ik van den Godsdienst gehad hadde, waar door ik tot allerhandebuitensporigheden wasvervallen, ’t welk my in dien staat gebragt had, waar in ik my thans bevond en dat zoo hy in staat was om my uit die akelige omstandigheden te redden, ik het hem al mijn leven dank zoude weten.Ik dagt wel dat ik het zoude geraden hebben, zeide hy tegens my; om u dan voor eerst een goede raad te geven, is dit, dat gy u zelven zoo veel vermand als mogelijk is en dat gy alle zwaarmoedige gedagten van u zelven zoekt af te weeren; Ik zal ondertusschen door de hulp des hemels u zulke middelen laten gebruiken, dat ik hoop door die zelve hulp gesterkt, u weder tot voorige kragten te herstellen. Weest derhalven goeds moeds en houd een ordentelijke levenswijs en alles zal wel gaan. Hy schreef vervolgens een recept, om voor my klaar te laten maken, en na dat hy belooft had den anderen dag weder te komen, nam hy afscheid van my om zyn andere Patienten te bezoeken.Doen was het als of ik een weinig in myn gemoed verligt was; deeze man zeide ik by my zelven, schynt een verstandig man te weezen: mogelijk kan hy my niet alleen van myn zwakke natuursgesteldheidgenezen, maar my ook eenige onderrigtinge in het zedelijke geven: als hy wederom komt, zal ik my met hem daar eens een wynig over onderhouden en hem toetzen of hy daar ook bekwaam toe is. Dusdanig my te vreeden gesteld hebbende, gebruikte ik de middelen die hy my geordonneert had, en om kort te gaan, den anderen dag gekomen zijnde, bleef hy ook in geen gebreken my te komen bezoeken.Het eerste wat hy deed, was my te vragen hoe ik my al bevond en of zyn hulpmiddelen ook eenige uitwerking gehad hadden. Dat gaat heel wel myn Heer zeide ik tegens hem; maar zoo lang als ik nog met een zekere ongewisheid en twyffeling behebt ben, zal myn gemoed die rust en kalmte nooit konnen genieten als zy anders wel zoude. Wat is dat voor een ongewisheid en twyffeling? Zeide hy tegens my, het is die over den Godsdienst, antwoorde ik hem, daar ik u gisteren van gesproken heb; indien gy my daar eenige verligting in kunt geven, zult gy my nog meer dienst doen als of gy my op staande voet van myn zwakheid genas. Ik heb nooit geen gelegentheid gehad ommet een verstandig man daar over te spreken, en dewyl ik u daar voor aanzie, zoo doet my de vriendschap en laaten wy een weinig daar over spreken. Myn vriend zeide hy, voor als nog zyt gy niet in staat, om u met diepzinnige redeneringen te vermoeijen u gesteltheid is te zwak; wanneer dezelve een weinig sterker zal weezen en haar voorige kragten zal beginnen te krygen, zullen wy tyd en gelegentheid genoeg hebben om dit te doen. Laten wy het derhalven nog eenige dagen uitstellen; wanneer ik oordeel dat gy ’er in staat toe zy, zal ik u wel waarschuwen, en stel u voor het tegenwoordige gerust tot dat die tyt zal gekomen zyn.Ik was hier mede te vreeden, en na dat hy nog eenige dagen over my gegaan had, bevond ik my merkelijk beter, en hy oordeelden nu de tydgekomente wezen, om myn verzoek te beantwoorden.Dewijl gy u zoo wel bevind zeide hy, schynt die tyd gekomen te wezen, dat wy ons een weinig onderhouden, over dat geen daar gy my laatst van gesproken hebt: indien gy nu genegentheid daar toe hebt, wil ik my wel zoo als my de tyd toelaat, daar over met u inlaten.Ik nam de gelegentheid waar, en sprak hem aan op deze wijze.Mijn Heer. Het is my lief u voor het tegenswoordige zoo wel genegen te vinden, en my in staat te keuren om met u daar over in gesprek te treeden. Dewijl het nu onnodig is om weder te herhalen ’t geen ik u reeds gezegt heb, en het geen de twyffeling en ongelovigheid van den Godsdienst betreft; zoo is alleen mijn verzoek, dat zoo gy my daar in eenige verligting kunt geven, gy my het grootste vermaak des werelds zult doen.De Doctor hier op antwoordende zeide; zeer gaarn, maar waar mede zullen wy beginnen, ik denk evenwel dat gy wel een natuurlijke Religie zult hebben?Ik. In het geheel niet: ik geloof zoo min aan een natuurlijke als geopenbaarde Godsdienst.De Doctor. Na ik aan u horen kan, Gelooft gy dan niet aan een Opperwezen, ’t welk men God noemt?Ik. Neen ik mijn Heer, en ik wenste wel dat gy my van de aanwezentheid van dat opperwezen een weinig kost overtuigen.De Doctor. Ongelukkig mensch diezonder God of Godsdienst in de waereld leeft! Het geeft my geen wonder dat gy u tijd in zoo veel wreede twijffelingen en zwaarmoedige gedagten door moet brengen; want was ’er geen God, wy waren de ongelukkigste van alle schepselen.Ik. Waarom mijn Heer? de beesten leven wel zonder dezelven, en gaan alleen maar na haar natuurlijke driften te werk; zoude een mensch ook zoo niet kunnen doen, en even gelijk zy gelukkig leven?De Doctor. Geenzins: want een mensch heeft edeler gaven ontfangen als de dieren, hy is met een reden begaaft, waar door hy ver boven dezelve verheven is.Ik. Zou dan een dier, ieder in zyn soort genomen, zoo wel met geen verstand begaaft zyn als een mensch?De Doctor. Zy hebben ieder wel na haar hoedanigheid die bekwaamheden, die zy nodig hebben, om zig zelven en haar geslacht te doen bestaan: maar al het geen zy doen, weten zy niet waarom dat zy het doen. Het is met een mensch zoo niet gelegen; dezelve oordeelt van het voorledene, voorziet het toekomende en wat zig daar voorzigtigin het tegenswoordige van te bedienen.Ik. Ik moet dit met u toestemmen, dat den mensch van vry verhevener hoedanigheden is, als een dier; maar waar uit zoud gy my de aanwezentheid van een God kunnen betoogen.De Doctor. Door die zelve reden en bekwaamheid die wy boven dieren bezitten, worden wy geleid om zulk een Opperweezen te erkennen, dezelve doet ons door onze uiterlijke zinnen de grootheid, wonderlijkheid, schoonheid, en order van al het zigtbare beschouwen; wy zien dat het van zig zelven dood is en onbeweegbaar in zyn delen, maar door de beweging al die gestaltens en hoedanigheden verkrygt, waar in wy het zien: dewijl het uit zig zelven onbeweegbaar is, moeten zyn deelen door een eerste bewegende oorzaak aan de gang gemaakt worden; niet gelijk als een gewigt of veer de raderen van een horologie doet omgaan; maar als de maker van dat gewigt, die het zelve met verstand en overleg toegestelt heeft, om het Horologie op een zekere welgestelde maat en order te doen omgaan; want anders zouden wy God als een blinde beweger moeten aanmerken, zonderte weten waarom hy de stoffe bewoog, en de beweging zoude niet regelmatig geschieden; maar alles zoude eer ten ondersten boven keeren, en een verwarde Chaos veroorzaken. Daar men dit nu regt anders in de schoonheid, regelmatigheid en order der samengesteldelichamenvind.Ik. Ik moet het toestemmen dat men alles verwonderlijk in de natuur en derzelver uitwerkselen vind: maar om niet boven onze kring te gaan; zoo laaten wy alleen den mensch en zyn lotgevallen beschouwen: kan men daar die order wel in vinden die gy voorgeeft? Hy is het voornaamste schepsel op het oppervlak der Aarde, met zulke schoone hoedanigheden boven de dieren begaaft, en nogtans ziet men dit voortreffelijke schepsel ô wonder! altyd met zoo veel tegenspoeden, en ongelijke lotgevallen besprongen! Waarom stelt die eerste beweeger geen beter order om een schepzel te behouden, ’t welk zulke voortreffelijke hoedanigheden heeft? en daar hy zoo veel aan heeft te kosten geleid?Hier op kwam de Doctor op de openbaring en zeide my genoegzaam even het zelve dat gy tegens de Neger gezegt hebt. Hy zeide my om kort tegaan dat wy menschen door onze redenkaveling en bespiegeling, wel tot een eerste werkende oorzaak kosten komen; maar niet op hoedanig een wijze hy met zyn schepzelen, en voornamentlijk den mensch omgaat: dat hy de goetheid gehad had om ons door overlevering en Schriftuur, het alles nader te openbaren en ons zyn wil te kennen gegeven, op hoedanig een wijze hy wilde gedient zyn. Hy wist my vervolgens zoo door zyn redeneringen, als door bewyzen uit de Schriftuur, zodanig van de waarheid der Christelijke Religie te overtuigen, dat ik daar van ten vollen overtuigd wierd. Maar dewijl ik hem zoo lang hy geredeneert had, nooit van de Kerk nog van derzelver instelling had hooren spreeken; twyffelde ik of hy wel van de Roomsche Religie was: Ik vroeg hem dan het een en andere dezelve aangaande, en of hy ook van diezelve gevoelens was. Waar op hy my antwoorde, dat hy nooit zoo bygeloovig geweest was, om aan derzelver instellinge en ceremonien geloof te slaan of toe te stemmen; maar dat hy van de hervormde Godsdienst was, dewijl hy die het best met de gezonde reden en het geen inden Bybel vervat was, overeen dagt te koomen.Ik verzogt hem hier op, dat hy my de gronden van die Religie eens wilde openbaren; maar hy zeide my voor als doen geen tyd te hebben om dit te doen, dat als hy in het vervolg weder kwam, hy my dezelve zou bekent maken. Daar op van my afscheid nemende, bedankte ik hem wel duizendmaal voor zyn goede onderrigting, met verzoek van in het vervolg volgens zyn beloften in dezelve te vervolgen.De Heer N.... wilde in zyn verhaal voortvaren; maar hy wierd daar in door de Heer le Sage belet met tegen hem te zeggen; Myn Heer dewijl gy reeds zoo veel gezegt hebt zonder u te verpozen; zoo dunkt het my nu wel eens tyd te weezen, dat gy een weinig rust: wy zullen onderwijle een glaasje wyn drinken; want u mond zal door het veel spreeken zekerlijk wel zyn droog geworden. Daar op iemand geroepen hebbende om Wyn te bezorgen, dronken zy te samen een glaasje, en na dat de Heer N.... zig weder een weinig in staat gestelt had om zyn verhaal te vervolgen, voer hy aldus voort.De Doctor quam my weder bezoeken, en na dat hy my het een en ander voorgeschreven had, bragt ik hem zyn belofte te binnen; ’t welk ik hem niet zoo haast gedaan had, of hy quam dezelve na en onderrigte my zodanig in de gronden van zyn Godsdienst, dat ik in korte tyd daar van een volkomen kennis had. En dewijl ik dezelve zoo redelijk vond en zoo tegenstrydig niet als die van de Roomsche Religie, begaf ik my geheel en al aan dezelve over, hem zeggende dat zoo draa Ik weder in staat was, en in vorige welstand hersteld, ik my zelven in de vergadering en in de gemeente van zyn geloof zou begeven. Hy moedigde my hier verder toe aan en prees myn verkiezing, en dewijl het niet lang duurde of ik was volkomen hersteld, bevond ik my wel haast al in de vergaderingen die de Gereformeerde in stilte oeffende; maar ik kon dit zelve zoo geheim niet houden, of de Jesuiten die over al op myn gangen lettede, hadden ’er wel gaauw de lugt af. Nu dagten zy haar tyd gevonden te hebben, om my dat geen te doen betalen, ’t welk ik door myn al te vrye spreeken tegens die van haar order na haar gedagten verschuldigt was.De Jesuit die myn Leermeester geweest was, vervoegde zig aan het huis van myn Vader, en liet zig aanmelden om hem te spreeken. Na dat myn Vader hem hem in zyn zydvertrek had laten komen, zeide de Jesuit tegens hem: Ik dagt wel dat u Zoon van het eene uiterste tot het andere zoude overgaan! Na eerst de grootste Vrygeest te zyn geweest, is hy nu de grootste Ketter en dweeper geworden. Ik weet van goeder hand, dat hy zig nu onder de zoogenaamde Gereformeerde ophoud, dat hy zig in al haar geheime vergaderingen laat vinden, en zig in de gronden van die Godsdienst, die zy belijden, laat onderwijzen.Myn Vader die een zeer ieverig Catholijk was, en die liever zou gehad hebben dat zyn Zoon de grootste Vrygeest geweest was, mits dat hy maar nu en dan de Roomsche Godsdienst pligten bygewoont had, als een Ketter te weezen, (zoodanig blind en buitensporig is een al te overbodige Godsdienstiever), was hier zeer over verwondert als hy dit hoorde. Ik heb al niet geweten zeide hy, hoe dat hy zig zoo stil en ingetogen hield sedert dat hy niet wel te pas geweest is, ik was dit niet van hem gewent; maar nu geeft het mygeen wonder, dat nu hy onder die fymelaars gekomen is, hy zoodanig verandert is.Maar wat raad hier in te doen mijn Heer? U Zoon onder het oog te brengen zeide hy, dat hy zich tegen het gezag van de Kerk en des Konings vergreepen heeft, en dat zoo hy zich niet weder in de schoot van de eerstgenoemde begeeft en dezelve om vergiffenis smeekt, dat zelve gezag zal gebruikt worden om ’er hem toe te noodzaken, of anders de maatregelen die ’er tegen gestelt zyn. Daarom is het u plicht om hem ten scherpsten daar over te onderhouden, en hem tot zyn plicht te doen keren; want zoo gy dit niet doet zult gy aangezien worden, als een man die medepligtig is aan u Zoons buitensporigheden.Mijn Vader beloofde hem dit te zullen doen, en na dat de Jesuit was weggegaan, verhaalde hy het geen hem was voorgekomen aan myn Moeder, Broeder, en Zuster. Dezelve waren alle zeer verwondert, en die zelve blinde Religie-yver die mijn Vader had, bezielde haar ook boezemde haar die zelve gedachten tegens my in. Om kort te gaan zy waren alle zeer tegens my ingenomen,en het eerst dat mijn Vader deed, was my by zig te roepen, om met my daar over te spreeken.Zoo draa ik by hem gekoomen was, vroeg hy my met een verontwaardiging, tot wat voor buitensporigheden ik my begaf: Ik vroeg hem daar tegens wat buitensporigheden hy meende: hy daar op antwoordende zeide; vraagt gy noch daar na? Of dunkt u dit geen buitensporigheden genoeg te weezen, dat men zich van de waare Religie en de algemeene Moeder de Roomsche Kerk afzondert en zich onder de snoodste en argste Ketters begeeft die ’er onder de Zon te vinden zyn? Ik ben ’er van goeder hand achter gekomen, en zoo gy niet van zin verandert; kunt gy staat maaken, dat ik u niet langer voor mijn Zoon erkennen en in mijn huis dulden zal.Ik zogt my zoo veel te verschonen als mogelijk was, met te zeggen, dat een mensch behoorde vry te weezen in het oeffenen van zyn Godsdienst, die hem dagt de beste te weezen; zoo lang hy zich daar door niet schuldig maakte aan ongehoorzaamheid tegens zyn Vorst of de wetten van het Land; maar hy lachte met mijn verontschuldigingen, zeggendedat de Ketters daar altijd mede voor den dag kwamen, te weten met de verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst en dat zoo zy de overhand eens hadden boven de andere, zy mogelijk veel onverdraagzamer als dezelve zouden weezen.Wat konde ik veel doen in zoo een netelige omstandigheid voor my? Het beste dat my dacht was eenig uitstel te verzoeken om ’er my over te bedenken; ’t welk ik hier voornamentlijk om deed, om in de tusschentyd eenige wijze schikkingen te beramen, om my voor de vervolgingen der Jesuiten te bevryden. Mijn Vader bewilligde daar in, en gaf my daar toe den tyd van veertien dagen, dewelke ik besteede om my met den Doctor en de andere geloofsgenoten te beraden, wat ik zoude doen, en hoe hier in te gedragen. Wy denken niet zeide zy dat gy u door de vrees van vervolgt te zullen worden, van de waare Religie zult laten afwenden, en om menschen te behagen, een geloof dat gy zoo billijk keurt zult verlaten, om u tot een ander te begeeven, dat zoo strydig is tegen het gezonde vernuft en reden? Wy raden u dat gy om die vervolging te ontgaan; veel liever dit landverlaat om u in een ander te begeven, daar gy meer vryheid kunt genieten: gaat dan liever na Holland dewijl gy noch jong en sterk zyt, zal het u niet aan middelen ontbreeken, aan uw brood te komen, ’t welk wy u des te meer aanraden, om dat zoo gy hier blijft wy gevaar lopen van een en ’t zelve lot met u te zullen moeten deelen, en in die draaikolk waar in gy thans verwart zyt, mede zullen ingesleept worden: daar zy in tegendeel nu noch maar alleen tegens u een haat opgevat hebbende, dezelve door u vlucht zal worden uit de weg geruimt, en wy gerustelijk hier zullen kunnen blijven. Wanneer gy derhalven onze raad wilt opvolgen, zullen wy u zoo veel ons mogelijk zy helpen, en gy zult u zelven en ons van een niet ongegronde vrees ontslaan.Deeze raad dacht my goed te weeze en op reden te steunen: Ik maakte my derhalven bereid om hier toe over te gaan, en des te meer, om mijn goede geloofsgenoten niet in het zelve gevaar te brengen, waar in ik thans was.Men zogt my vervolgens van alle benodigtheden op de reis te bezorgen, daar wierd beslooten dat ik zelfs myn Ouders geen kennis daar van geven zoude,uit vrees dat zy my daar in mogten beletten, en doe ik klaar was om te vertrekken, nam ik afscheid van al mijn goede vrienden, ’t welk niet zonder tranen geschiede, en vertrok na Holland.Daar gekomen zynde, begaf ik my ten eersten met brieven van aanbeveling, die ik van eenige mijner geloofsgenoten gekreegen had, na die geenen daar zy aan hoorde, en gaf haar mijn omstandigheden te kennen. Zy beloofden my met zoo veel raad en daad behulpzaam te zyn als mogelijk was, gelijk zy ook zoo lang ik my in Holland bevond, te werk stelden. Maar gelijk ’er geen een van die goede vrienden in staat was, om my in Holland iets te bezorgen, waar door ik mijn bestaan op een fatzoenlijke wyze zou kunnen vinden; zoo rade zy my dat ik my na de West-Indien zou begeven en wel na Surinamen, dewijl ’er zich op die tyd een goed vriend van haar t’Amsterdam bevond, die te Suriname een Plantagie had, en een Directeur op dezelve benodigt had. Ik keurde haar raad goed, en verzogt haar dat zy voor my die plaats wilde verzoeken. Zy stelde het ook ten eersten te werk, en verkregen de Directeurs plaatsvoor my; waar na ik kort daar na my aan boord begaf, om na Suriname te stevenen.Mijn reis was kort en goed, en ik kwam gezond en wel op de Plantagie daar ik op hoorde, ik nam myn post getrouwelijk waar, ’t welk my (al zeg ik het zelfs) eenige agting onder fatzoenlyke lieden te weeg bragt; dewijl zy my bejegende en in haare gezelschappen toelieten, als of ik zelfs Heer van een plantagie was.In een der gezelschappen die ik onder andere bywoonde, was een jonge weduwe, die twee plantagien kort by de myne daar ik op was tot eigendom had, haar man was omtrent een jaar dood geweest, en had haar zonder Kinderen overgelaten. Deeze Weduwe stond my zeer wel aan; dewijl zy gantsch niet onbillijk nog onvriendelyk was, ik kreeg genegendheid voor haar, en zogt maar na bekwame middelen en wegen, om het haar bekend te maken. De meeste zwarigheid die ik ’er in vond, was myn armoede in vergelyking van haar rykdom, maar de liefde over alle zwarigheden ligtelijk heen stappende, nam ik voor, maar hoe eer hoe liever mijn hard aan haar te openbaaren.Ik begaf my dan op een nademiddag na haar woonplaats toe, en liet my aanmelden, verzoekende om haar eens te mogen spreeken. Zy liet my achter in een zaaltje (waarin zy zat; om de koelte te scheppen) by haar komen. Na dat wy in den beginnen over een en andere onverschillige zaaken gesproken hadden, vroeg zy my wat ik te zeggen had. Mevrouw zeide ik; Indien het geoorlooft is voor een persoon, die van de goederen des geluks niet al te zeer voorzien is, aan een ander van meerder middelen zyn hart open te leggen, zonder dezelven te vertoornen; zoo wenschte ik wel dit aan u te doen en ...... Zy daarop my in de reden vallende zeide: Myn Heer schoon iemand minder goederen als een ander bezit, zou hy daarom niet bevoegt zyn, zyn belangens voor te dragen? Ik geef u daar volkomen vryheid toe, en wel verre van my daar over te vertoornen, beloof ik u, zoo het in mijn vermogen is u eenige dienst te doen, ik het met vermaak zal werkstellig maken.Mevrouw zeide ik daarop, het staat volkomen in u magt om my gelukkigtemaken: Ik kom om de bezitting van u beminnelijke persoon, en schenk u mynhart; indien gy u verwaardigen wilt het zelve aan te nemen. Zy veranderde op dit mijn zeggen van couleur, en zeide: Mijn Heer indien ik geweten had dat gy dit van my zoud verzogt hebben, zoude ik u zoo veel niet belooft hebben, daar by verbeeld gy u dat dit zoo in mijn magt stond; maar ik moet u zeggen dat gy u daar in bedriegt, vermits mijn waarde overlede man nog zoodanig in mijn hart en geheugenis begraven leid, dat ik daar onmogelijk een ander in zoude kunnen plaatsen. Ik bedank u derhalven voor u genegentheid ’t mywaarts en wensche dat den Hemel u een vrouw mag toeschikken, met meer volmaaktheden als ik bezit; dewijl ik niet kan overgaan om mijn hart een ander te schenken, ’t welk mijn waarde overlede man noch ten vollen bezit.Mevrouw zeide ik daar op, de levendige kunnen immers met de dooden niet meer omgaan! Wat vrugt heeft u overlede man meer van u liefde? Hy is hoop ik heden in een staat, waar in hy Hemelsche zoetigheden geniet, om aan de geen die hy hier om laag gelaten heeft de aardsche te laten; laat hy dan voor een ander de plaats, die hy reeds zonder vrucht zoo lang bezeten heeft,ontruimen en maakt die ook zoo gelukkig als hy geweest is; op dat gy en hy de vruchten van een volmaakte liefde plukken mag. Dit zeggende en met een, een van haar handen nemende, dezelve zagtelijk drukkende, scheen het als of zy een weinig na mijn reden luisterde. Mijn Heer zeide zy, voor het tegenwoordige kan ik ten minsten daar noch niet toe over gaan; wat de tyd in het vervolg zal te weeg brengen, weet ik niet: verwin dan u zelven voor het tegenwoordige en laat ....., Ik viel haar als doen in de reden en zeide;Mevrouw ik begeer niets meer als tyd en vryheid te hebben om u by wijlen eens te mogen komen bezoeken, en ik hoop dat dezelve te weeg zal brengen, dat ik mijn geluk volmaakt zal zien. Zy stont my dit na een zoete weigering toe en ik als doen mijn afscheid van haar nemende, keerde ik weder tot mijnent te rug, met de hoop en het genoegen van t’eeniger tyd mijn wensch eens vervuld te zien.Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op kort daar na met haar trouwde. Ik heb myganschelijk over myn trouwdag niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van ’er nu noch maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb; de andere zyn vroeg gestorven.Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my van al het goed waar na ik t’eeniger tyd had kunnen staan, versteken hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent, dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde, en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet nodig had.Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigstedatmy een weinig tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat ’er eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy ’er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen haar te zeggen, dat ’er meer goede lieden in de waerelt waren als ik, en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van hun meesters te winnen; ’t mogt weinig baten, de neerslachtigheit was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven, dat men dikwils door zagtheid en goetheidmeer op de harten van zyn volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t’ Scheep begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had; maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, ’t geen haar met ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een ieder van het zelve daar zy wezen moesten.Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit Eiland verlieten, gebeurde ’er nog een geval, ’t welk zichop deze wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien, die ’er gansch niet onbillijk uit zag.Zy had hem door haar bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende,begonzy een weinig het oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het eindelijk zoo ver, dat hy in ’t geheel meester van haar hart wierd.Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid; maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen, dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over, en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke trouw was toegekomen.Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt; zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantscheVolkplanting in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik ’er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb, en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt, dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen; want dat hyin het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven ’er in ’t geheel geen geweten van maakte.Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. ’T is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot een voorbeelt gebruikt om ’er zich na te gedraagen. Want wat staat zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf, zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt, de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was, zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te maken. Rampzaligesterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt dikwils van het eene quaad in een ander, ’t welk nog veel erger als het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart, kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.Zy dan een koort genomen hebbende, maakte ’er een strop van en verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom, die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van haar Dood op een zeker blad, ’t welk zoo veel als voor papier diende, geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den inhoud van dit papier luide aldus.Aan alle die van de Volkplanting zyn.“Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, ’t welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft mydoor schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede.”Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent gemaakt.Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering: dat dewijl ’er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende straf te doen erlangen. De Schipper en de andereOfficieren stelden zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam, om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt, het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip weder zou kunnen oeffenen.De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, alsof het buiten haarlieder kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere onderzoekingen zouden bevryd zyn.Daar mede wierd ten eersten aan eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard, tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip, om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de voornaamste desvolks, die den raad uitmaakte, zaten op banken, gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed, en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt, moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy weder op vrye voeten gesteld.De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent hadden, gingen allemet een treurige vertoning agter het lijk. Dus nam dit treurspel een einde; ’t welk van grooter gevolg had kunnen wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om aan boord te gaan.Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar kosten bekomen; ’t geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken, om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen; maar Thomas was ’er nog wel het meest over aangedaan.Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een eenige traante kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze wyze aan.Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet voor schuldig?Gewisselijkal moeste ik myn geheele levensloop u ten dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer: een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt, staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou niets in staat zyn om my van uaf te rukken, en ik zoude liever met u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen; is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte vriendschap zullen konnen genieten.Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had, te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar geloof over een komen!Al zyn ’er geen schatten by u te vinden, of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot ’s mensen verderf als voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders bezitten de waare rykdom, ’t welk is de vergenoeging en de opregtheid van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen, konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte spoedig uit het gezicht.De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene diehy ’er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten, vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven, dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid enpracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen; daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is, vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas, niet dat ik zeggen wil dat ’er in het geheel geen eerlyke lieden in zouden weezen; maar ik heb ’er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien ’er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn ’er evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste getroffen te hebben; want anders zoud gy’er op een andere wyze van oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn, en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft; maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat ’er leeft.Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld leggen, hervatte de Heer N....; ’t welk veroorzaakt dat zy meer eerbied gebruiken vooriemanddie ryk is, als voor den genen die niet bezit; want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste schurk, nog eenig voordeel kan genieten, ’t welk zyn behoeftigheid kan te hulp komen.Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my mynvriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken ’t onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel genootzaakt om het te doen, al heeft hy ’er geen zin in. In Holland en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan de kost komen.Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige kan komen, en daar men om ’er aan te geraken zulke laagheden moet begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy als vyanden tegen malkanderenopstaan: Die geenen die onder een hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel na slavernyzweemen, dat ’er niets anders als de naam aan ontbreekt.De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan, dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat langer hier zult zyn geweest, zult gy ’er wel anders van oordeelen. Gy zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet, zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik geloof dat ’er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegevenhebt, om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper daar ikmy op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar zyn ’er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek staan, antwoorde de Heer N...... Daar is ’er voornamentlijk een, dat een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan, en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel, en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy ’er weinig kennis van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld leveren, dat gy ’er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy Laken dat zoozagt als zyde is; ’t is wel waar dat het een weinig dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden; want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken) geloofde al het geen hyzeide.MynHeer zeide hy; dewyl ik u op u woord geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan; maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t’welk de koopman gedaan hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en ging na huis. T’huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat’er geenbeter Laken en Voering voor dat geld te krygen was.De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag ’t tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet,zeide hy; gy zyt ’er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem ’er altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken, dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander en beter goed of uw geld wederom geeft; t’welk Thomas doende, zyde tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, hetdeugd niet; gy hebt my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders moet gy my myn geld wederom geven.Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt enaf latensnyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik ’er niet toe zal overgaan.Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen; dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt, wie dat goed by u komt kopen! Is het niethet zet zelve wie dit doed als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen, zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegtbetalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden, dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig weder by de HeerN....die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman zoo de waarheid gezeit had.Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel niet of gy zultdaar zeer wel te regt komen; want dat is een man die niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom: hy is in Kerkendienst, en derhalven is ’t niet te denken dat hy u bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. ’T is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf hy zig na het huis van den Winkelier.Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy ’er nog by, ik ben daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen: Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik inhet geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende, zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden, dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen, by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft; want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet genegen om iemand te misleiden.Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen hebbende, zogt ’er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefdegy u zelven niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeidedaaromtegen de Winkelier het geen hy ’er van dagt: die daar op antwoorde. ô Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy ’er zoo weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide; zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou ’er zonde van maken dat ik iemand,overeischen zoude. ’T is wel zeide Thomas, en daar op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende, betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit nemende, begaf zig weder na huis.De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas; blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat ’er in het geheel geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat ’er zeer weinige waren: Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe Hoed opzetten.Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen: maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als gom, ’t welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men ’er met een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden, bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; ’t welkveroorzaaktwas dat ’er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost ’er niet veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat ’er onder luiden die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren; hy daarom niet naliet te gelooven, dat ’er ook veel eerlijke lieden onder waren: dat ’er onder een mant met Appelen die ’er alle op het oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was, waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was; dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn gevoelen, dat ’er in een Land waar de gewin enbaatzugt zoo groot was, zeer weinige waare vroome en eerlijkeliedenkosten gevonden worden.Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar ophielden, gebeurde het dat ’er iemand van zyn kennissen na Suriname zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in handen, en bezorgde het goed, ’t geen zyn vriend mede zoude nemen, met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed te Surinamen verkopen zoude, en hem ’er weder andere goederen of geld voor in de plaats zoude zenden.

Deeze onmagt was het eerste middel om my een weinig tot inkeer te brengen.Hoe zeide ik by my zelven, ik meende altijd gelukkig en vermakelijk te leven, en ik ben kwalijk in diergelijk een levenswijs getreeden, of ik ben ’t reeds moede en heb ’er een walg van af! Waar komt deeze ongevoeligheid van daan en deeze afkeer? Het moeten dan zekerlijk deeze vermakelijkheden niet zyn die ik bygewoont heb, ’t geen een mensch kan gelukkig maken: want anders zoude ik daar meer smaak in moeten krygen. Dus by my zelven mymerende was ’er niemand, die my daar op voldoende oplossing geven, of daar ik dorst te vertrouwen. Ik smoorde dan alles by my zelven en wierd zoo zwaarmoedig, dat ik my genoegzaam van alle gezelschappen afzonderde, ’t welk een groote verwondering by al die geenen die my te vooren gekent hadden, te weeg bragt.

Myn Ouders en Familie waren voornamentlijk zeer nieuwsgierig hier van de oorzaak te weten; dewijl ik te vooren haast nooit te huis was geweest, nu zeer weinig uitging, en genoegzaam altyd op myn Kamer zat te mymeren: maar ik liet daar nooit het een of ander van blijken; gevende alleen voor reden, dat ik my zelve niet als te welbevond, (’t welk ook zo was) en dat ik my derhalven zoo veel stil hield als mogelijk was. Zy waren daar over aangedaan, en de liefde tot haar Kint door myn voorig kwaad gedrag, in haar nog niet uitgeblust zynde, waren zy zeer bezorgt om my in myn voorige gezontheid te herstellen.

Zy gebruikte dan alle middelen die zy dagten daar bekwaam toe te weezen; maar alles mogt niet helpen, wat zy ook te werk stelde. Ik wierd van dag tot dag zwaarmoediger en droefgeestiger, ’t welk zy voorlichaamsonpasselijkheidaanzagen, en van voornamen waren een geneesmeester by my te laten komen; om na de oorzaak van mijn kwaal te vernemen en my daar van te herstellen. Zy verkozen hier toe een man, die door zyn konst zeer beroemt was, en door zyn lange ervarentheid in dezelve, een naam had verkregen, dat hy de allervoorzigtigste en bekwaamde Doctor van gansch Lions was.

Deeze man, by my gekomen zijnde; ondervond myn kwaal van een heele andere natuur, en van een heele andere oorzaak oorspronkelijk te wezen, als myn Ouders zig verbeelden. Na dat hy verzogt had my eens alleen te spreeken,en de omstanders waren weg gegaan, zeide hy tegens my; uwe onpasselijkheid is om zoo te spreeken geen eigentlijke ziekte, het is een verval van kragten en levensgeesten, verzeld met zwaarmoedigheid, die u alle lust beneemt; daarom zoo gy iets op u hart hebt, zoo betrouwt het my toe; op dat nevens de Medicynen die ik u zal laten gebruiken, ik u daar by met een goede raad mag bystaan. Ik wilde in den beginne veinzen met te zeggen, dat my van dien kant niets ontbrak en dat ik by my zelven heel wel te vreeden was; maar hy wist my zoo te overtuigen en door zijn schranderheid zoodanig in myn gemoet te dringen, dat ik wel genoodzaakt was hem mijn hart te openbaren.

Myn Heer zeide ik tegen hem;dewijlik zie en ondervind dat gy een man van oordeelzijt, dat gy genoegzaam als in myn hart heb kunnen zien, wat ’er in om gaat, en daar by myn kwaal zoo wel uitgevonden hebt; zoo wil ik u de oorzaak van het een en het andere niet verzwyge; maar u daar van een openhartige belijdenis doen.

Ik maakte hem als doen bekend wat voor gedagten ik van den Godsdienst gehad hadde, waar door ik tot allerhandebuitensporigheden wasvervallen, ’t welk my in dien staat gebragt had, waar in ik my thans bevond en dat zoo hy in staat was om my uit die akelige omstandigheden te redden, ik het hem al mijn leven dank zoude weten.

Ik dagt wel dat ik het zoude geraden hebben, zeide hy tegens my; om u dan voor eerst een goede raad te geven, is dit, dat gy u zelven zoo veel vermand als mogelijk is en dat gy alle zwaarmoedige gedagten van u zelven zoekt af te weeren; Ik zal ondertusschen door de hulp des hemels u zulke middelen laten gebruiken, dat ik hoop door die zelve hulp gesterkt, u weder tot voorige kragten te herstellen. Weest derhalven goeds moeds en houd een ordentelijke levenswijs en alles zal wel gaan. Hy schreef vervolgens een recept, om voor my klaar te laten maken, en na dat hy belooft had den anderen dag weder te komen, nam hy afscheid van my om zyn andere Patienten te bezoeken.

Doen was het als of ik een weinig in myn gemoed verligt was; deeze man zeide ik by my zelven, schynt een verstandig man te weezen: mogelijk kan hy my niet alleen van myn zwakke natuursgesteldheidgenezen, maar my ook eenige onderrigtinge in het zedelijke geven: als hy wederom komt, zal ik my met hem daar eens een wynig over onderhouden en hem toetzen of hy daar ook bekwaam toe is. Dusdanig my te vreeden gesteld hebbende, gebruikte ik de middelen die hy my geordonneert had, en om kort te gaan, den anderen dag gekomen zijnde, bleef hy ook in geen gebreken my te komen bezoeken.

Het eerste wat hy deed, was my te vragen hoe ik my al bevond en of zyn hulpmiddelen ook eenige uitwerking gehad hadden. Dat gaat heel wel myn Heer zeide ik tegens hem; maar zoo lang als ik nog met een zekere ongewisheid en twyffeling behebt ben, zal myn gemoed die rust en kalmte nooit konnen genieten als zy anders wel zoude. Wat is dat voor een ongewisheid en twyffeling? Zeide hy tegens my, het is die over den Godsdienst, antwoorde ik hem, daar ik u gisteren van gesproken heb; indien gy my daar eenige verligting in kunt geven, zult gy my nog meer dienst doen als of gy my op staande voet van myn zwakheid genas. Ik heb nooit geen gelegentheid gehad ommet een verstandig man daar over te spreken, en dewyl ik u daar voor aanzie, zoo doet my de vriendschap en laaten wy een weinig daar over spreken. Myn vriend zeide hy, voor als nog zyt gy niet in staat, om u met diepzinnige redeneringen te vermoeijen u gesteltheid is te zwak; wanneer dezelve een weinig sterker zal weezen en haar voorige kragten zal beginnen te krygen, zullen wy tyd en gelegentheid genoeg hebben om dit te doen. Laten wy het derhalven nog eenige dagen uitstellen; wanneer ik oordeel dat gy ’er in staat toe zy, zal ik u wel waarschuwen, en stel u voor het tegenwoordige gerust tot dat die tyt zal gekomen zyn.

Ik was hier mede te vreeden, en na dat hy nog eenige dagen over my gegaan had, bevond ik my merkelijk beter, en hy oordeelden nu de tydgekomente wezen, om myn verzoek te beantwoorden.

Dewijl gy u zoo wel bevind zeide hy, schynt die tyd gekomen te wezen, dat wy ons een weinig onderhouden, over dat geen daar gy my laatst van gesproken hebt: indien gy nu genegentheid daar toe hebt, wil ik my wel zoo als my de tyd toelaat, daar over met u inlaten.Ik nam de gelegentheid waar, en sprak hem aan op deze wijze.

Mijn Heer. Het is my lief u voor het tegenswoordige zoo wel genegen te vinden, en my in staat te keuren om met u daar over in gesprek te treeden. Dewijl het nu onnodig is om weder te herhalen ’t geen ik u reeds gezegt heb, en het geen de twyffeling en ongelovigheid van den Godsdienst betreft; zoo is alleen mijn verzoek, dat zoo gy my daar in eenige verligting kunt geven, gy my het grootste vermaak des werelds zult doen.

De Doctor hier op antwoordende zeide; zeer gaarn, maar waar mede zullen wy beginnen, ik denk evenwel dat gy wel een natuurlijke Religie zult hebben?

Ik. In het geheel niet: ik geloof zoo min aan een natuurlijke als geopenbaarde Godsdienst.

De Doctor. Na ik aan u horen kan, Gelooft gy dan niet aan een Opperwezen, ’t welk men God noemt?

Ik. Neen ik mijn Heer, en ik wenste wel dat gy my van de aanwezentheid van dat opperwezen een weinig kost overtuigen.

De Doctor. Ongelukkig mensch diezonder God of Godsdienst in de waereld leeft! Het geeft my geen wonder dat gy u tijd in zoo veel wreede twijffelingen en zwaarmoedige gedagten door moet brengen; want was ’er geen God, wy waren de ongelukkigste van alle schepselen.

Ik. Waarom mijn Heer? de beesten leven wel zonder dezelven, en gaan alleen maar na haar natuurlijke driften te werk; zoude een mensch ook zoo niet kunnen doen, en even gelijk zy gelukkig leven?

De Doctor. Geenzins: want een mensch heeft edeler gaven ontfangen als de dieren, hy is met een reden begaaft, waar door hy ver boven dezelve verheven is.

Ik. Zou dan een dier, ieder in zyn soort genomen, zoo wel met geen verstand begaaft zyn als een mensch?

De Doctor. Zy hebben ieder wel na haar hoedanigheid die bekwaamheden, die zy nodig hebben, om zig zelven en haar geslacht te doen bestaan: maar al het geen zy doen, weten zy niet waarom dat zy het doen. Het is met een mensch zoo niet gelegen; dezelve oordeelt van het voorledene, voorziet het toekomende en wat zig daar voorzigtigin het tegenswoordige van te bedienen.

Ik. Ik moet dit met u toestemmen, dat den mensch van vry verhevener hoedanigheden is, als een dier; maar waar uit zoud gy my de aanwezentheid van een God kunnen betoogen.

De Doctor. Door die zelve reden en bekwaamheid die wy boven dieren bezitten, worden wy geleid om zulk een Opperweezen te erkennen, dezelve doet ons door onze uiterlijke zinnen de grootheid, wonderlijkheid, schoonheid, en order van al het zigtbare beschouwen; wy zien dat het van zig zelven dood is en onbeweegbaar in zyn delen, maar door de beweging al die gestaltens en hoedanigheden verkrygt, waar in wy het zien: dewijl het uit zig zelven onbeweegbaar is, moeten zyn deelen door een eerste bewegende oorzaak aan de gang gemaakt worden; niet gelijk als een gewigt of veer de raderen van een horologie doet omgaan; maar als de maker van dat gewigt, die het zelve met verstand en overleg toegestelt heeft, om het Horologie op een zekere welgestelde maat en order te doen omgaan; want anders zouden wy God als een blinde beweger moeten aanmerken, zonderte weten waarom hy de stoffe bewoog, en de beweging zoude niet regelmatig geschieden; maar alles zoude eer ten ondersten boven keeren, en een verwarde Chaos veroorzaken. Daar men dit nu regt anders in de schoonheid, regelmatigheid en order der samengesteldelichamenvind.

Ik. Ik moet het toestemmen dat men alles verwonderlijk in de natuur en derzelver uitwerkselen vind: maar om niet boven onze kring te gaan; zoo laaten wy alleen den mensch en zyn lotgevallen beschouwen: kan men daar die order wel in vinden die gy voorgeeft? Hy is het voornaamste schepsel op het oppervlak der Aarde, met zulke schoone hoedanigheden boven de dieren begaaft, en nogtans ziet men dit voortreffelijke schepsel ô wonder! altyd met zoo veel tegenspoeden, en ongelijke lotgevallen besprongen! Waarom stelt die eerste beweeger geen beter order om een schepzel te behouden, ’t welk zulke voortreffelijke hoedanigheden heeft? en daar hy zoo veel aan heeft te kosten geleid?

Hier op kwam de Doctor op de openbaring en zeide my genoegzaam even het zelve dat gy tegens de Neger gezegt hebt. Hy zeide my om kort tegaan dat wy menschen door onze redenkaveling en bespiegeling, wel tot een eerste werkende oorzaak kosten komen; maar niet op hoedanig een wijze hy met zyn schepzelen, en voornamentlijk den mensch omgaat: dat hy de goetheid gehad had om ons door overlevering en Schriftuur, het alles nader te openbaren en ons zyn wil te kennen gegeven, op hoedanig een wijze hy wilde gedient zyn. Hy wist my vervolgens zoo door zyn redeneringen, als door bewyzen uit de Schriftuur, zodanig van de waarheid der Christelijke Religie te overtuigen, dat ik daar van ten vollen overtuigd wierd. Maar dewijl ik hem zoo lang hy geredeneert had, nooit van de Kerk nog van derzelver instelling had hooren spreeken; twyffelde ik of hy wel van de Roomsche Religie was: Ik vroeg hem dan het een en andere dezelve aangaande, en of hy ook van diezelve gevoelens was. Waar op hy my antwoorde, dat hy nooit zoo bygeloovig geweest was, om aan derzelver instellinge en ceremonien geloof te slaan of toe te stemmen; maar dat hy van de hervormde Godsdienst was, dewijl hy die het best met de gezonde reden en het geen inden Bybel vervat was, overeen dagt te koomen.

Ik verzogt hem hier op, dat hy my de gronden van die Religie eens wilde openbaren; maar hy zeide my voor als doen geen tyd te hebben om dit te doen, dat als hy in het vervolg weder kwam, hy my dezelve zou bekent maken. Daar op van my afscheid nemende, bedankte ik hem wel duizendmaal voor zyn goede onderrigting, met verzoek van in het vervolg volgens zyn beloften in dezelve te vervolgen.

De Heer N.... wilde in zyn verhaal voortvaren; maar hy wierd daar in door de Heer le Sage belet met tegen hem te zeggen; Myn Heer dewijl gy reeds zoo veel gezegt hebt zonder u te verpozen; zoo dunkt het my nu wel eens tyd te weezen, dat gy een weinig rust: wy zullen onderwijle een glaasje wyn drinken; want u mond zal door het veel spreeken zekerlijk wel zyn droog geworden. Daar op iemand geroepen hebbende om Wyn te bezorgen, dronken zy te samen een glaasje, en na dat de Heer N.... zig weder een weinig in staat gestelt had om zyn verhaal te vervolgen, voer hy aldus voort.

De Doctor quam my weder bezoeken, en na dat hy my het een en ander voorgeschreven had, bragt ik hem zyn belofte te binnen; ’t welk ik hem niet zoo haast gedaan had, of hy quam dezelve na en onderrigte my zodanig in de gronden van zyn Godsdienst, dat ik in korte tyd daar van een volkomen kennis had. En dewijl ik dezelve zoo redelijk vond en zoo tegenstrydig niet als die van de Roomsche Religie, begaf ik my geheel en al aan dezelve over, hem zeggende dat zoo draa Ik weder in staat was, en in vorige welstand hersteld, ik my zelven in de vergadering en in de gemeente van zyn geloof zou begeven. Hy moedigde my hier verder toe aan en prees myn verkiezing, en dewijl het niet lang duurde of ik was volkomen hersteld, bevond ik my wel haast al in de vergaderingen die de Gereformeerde in stilte oeffende; maar ik kon dit zelve zoo geheim niet houden, of de Jesuiten die over al op myn gangen lettede, hadden ’er wel gaauw de lugt af. Nu dagten zy haar tyd gevonden te hebben, om my dat geen te doen betalen, ’t welk ik door myn al te vrye spreeken tegens die van haar order na haar gedagten verschuldigt was.

De Jesuit die myn Leermeester geweest was, vervoegde zig aan het huis van myn Vader, en liet zig aanmelden om hem te spreeken. Na dat myn Vader hem hem in zyn zydvertrek had laten komen, zeide de Jesuit tegens hem: Ik dagt wel dat u Zoon van het eene uiterste tot het andere zoude overgaan! Na eerst de grootste Vrygeest te zyn geweest, is hy nu de grootste Ketter en dweeper geworden. Ik weet van goeder hand, dat hy zig nu onder de zoogenaamde Gereformeerde ophoud, dat hy zig in al haar geheime vergaderingen laat vinden, en zig in de gronden van die Godsdienst, die zy belijden, laat onderwijzen.

Myn Vader die een zeer ieverig Catholijk was, en die liever zou gehad hebben dat zyn Zoon de grootste Vrygeest geweest was, mits dat hy maar nu en dan de Roomsche Godsdienst pligten bygewoont had, als een Ketter te weezen, (zoodanig blind en buitensporig is een al te overbodige Godsdienstiever), was hier zeer over verwondert als hy dit hoorde. Ik heb al niet geweten zeide hy, hoe dat hy zig zoo stil en ingetogen hield sedert dat hy niet wel te pas geweest is, ik was dit niet van hem gewent; maar nu geeft het mygeen wonder, dat nu hy onder die fymelaars gekomen is, hy zoodanig verandert is.

Maar wat raad hier in te doen mijn Heer? U Zoon onder het oog te brengen zeide hy, dat hy zich tegen het gezag van de Kerk en des Konings vergreepen heeft, en dat zoo hy zich niet weder in de schoot van de eerstgenoemde begeeft en dezelve om vergiffenis smeekt, dat zelve gezag zal gebruikt worden om ’er hem toe te noodzaken, of anders de maatregelen die ’er tegen gestelt zyn. Daarom is het u plicht om hem ten scherpsten daar over te onderhouden, en hem tot zyn plicht te doen keren; want zoo gy dit niet doet zult gy aangezien worden, als een man die medepligtig is aan u Zoons buitensporigheden.

Mijn Vader beloofde hem dit te zullen doen, en na dat de Jesuit was weggegaan, verhaalde hy het geen hem was voorgekomen aan myn Moeder, Broeder, en Zuster. Dezelve waren alle zeer verwondert, en die zelve blinde Religie-yver die mijn Vader had, bezielde haar ook boezemde haar die zelve gedachten tegens my in. Om kort te gaan zy waren alle zeer tegens my ingenomen,en het eerst dat mijn Vader deed, was my by zig te roepen, om met my daar over te spreeken.

Zoo draa ik by hem gekoomen was, vroeg hy my met een verontwaardiging, tot wat voor buitensporigheden ik my begaf: Ik vroeg hem daar tegens wat buitensporigheden hy meende: hy daar op antwoordende zeide; vraagt gy noch daar na? Of dunkt u dit geen buitensporigheden genoeg te weezen, dat men zich van de waare Religie en de algemeene Moeder de Roomsche Kerk afzondert en zich onder de snoodste en argste Ketters begeeft die ’er onder de Zon te vinden zyn? Ik ben ’er van goeder hand achter gekomen, en zoo gy niet van zin verandert; kunt gy staat maaken, dat ik u niet langer voor mijn Zoon erkennen en in mijn huis dulden zal.

Ik zogt my zoo veel te verschonen als mogelijk was, met te zeggen, dat een mensch behoorde vry te weezen in het oeffenen van zyn Godsdienst, die hem dagt de beste te weezen; zoo lang hy zich daar door niet schuldig maakte aan ongehoorzaamheid tegens zyn Vorst of de wetten van het Land; maar hy lachte met mijn verontschuldigingen, zeggendedat de Ketters daar altijd mede voor den dag kwamen, te weten met de verdraagzaamheid in het stuk van Godsdienst en dat zoo zy de overhand eens hadden boven de andere, zy mogelijk veel onverdraagzamer als dezelve zouden weezen.

Wat konde ik veel doen in zoo een netelige omstandigheid voor my? Het beste dat my dacht was eenig uitstel te verzoeken om ’er my over te bedenken; ’t welk ik hier voornamentlijk om deed, om in de tusschentyd eenige wijze schikkingen te beramen, om my voor de vervolgingen der Jesuiten te bevryden. Mijn Vader bewilligde daar in, en gaf my daar toe den tyd van veertien dagen, dewelke ik besteede om my met den Doctor en de andere geloofsgenoten te beraden, wat ik zoude doen, en hoe hier in te gedragen. Wy denken niet zeide zy dat gy u door de vrees van vervolgt te zullen worden, van de waare Religie zult laten afwenden, en om menschen te behagen, een geloof dat gy zoo billijk keurt zult verlaten, om u tot een ander te begeeven, dat zoo strydig is tegen het gezonde vernuft en reden? Wy raden u dat gy om die vervolging te ontgaan; veel liever dit landverlaat om u in een ander te begeven, daar gy meer vryheid kunt genieten: gaat dan liever na Holland dewijl gy noch jong en sterk zyt, zal het u niet aan middelen ontbreeken, aan uw brood te komen, ’t welk wy u des te meer aanraden, om dat zoo gy hier blijft wy gevaar lopen van een en ’t zelve lot met u te zullen moeten deelen, en in die draaikolk waar in gy thans verwart zyt, mede zullen ingesleept worden: daar zy in tegendeel nu noch maar alleen tegens u een haat opgevat hebbende, dezelve door u vlucht zal worden uit de weg geruimt, en wy gerustelijk hier zullen kunnen blijven. Wanneer gy derhalven onze raad wilt opvolgen, zullen wy u zoo veel ons mogelijk zy helpen, en gy zult u zelven en ons van een niet ongegronde vrees ontslaan.

Deeze raad dacht my goed te weeze en op reden te steunen: Ik maakte my derhalven bereid om hier toe over te gaan, en des te meer, om mijn goede geloofsgenoten niet in het zelve gevaar te brengen, waar in ik thans was.

Men zogt my vervolgens van alle benodigtheden op de reis te bezorgen, daar wierd beslooten dat ik zelfs myn Ouders geen kennis daar van geven zoude,uit vrees dat zy my daar in mogten beletten, en doe ik klaar was om te vertrekken, nam ik afscheid van al mijn goede vrienden, ’t welk niet zonder tranen geschiede, en vertrok na Holland.

Daar gekomen zynde, begaf ik my ten eersten met brieven van aanbeveling, die ik van eenige mijner geloofsgenoten gekreegen had, na die geenen daar zy aan hoorde, en gaf haar mijn omstandigheden te kennen. Zy beloofden my met zoo veel raad en daad behulpzaam te zyn als mogelijk was, gelijk zy ook zoo lang ik my in Holland bevond, te werk stelden. Maar gelijk ’er geen een van die goede vrienden in staat was, om my in Holland iets te bezorgen, waar door ik mijn bestaan op een fatzoenlijke wyze zou kunnen vinden; zoo rade zy my dat ik my na de West-Indien zou begeven en wel na Surinamen, dewijl ’er zich op die tyd een goed vriend van haar t’Amsterdam bevond, die te Suriname een Plantagie had, en een Directeur op dezelve benodigt had. Ik keurde haar raad goed, en verzogt haar dat zy voor my die plaats wilde verzoeken. Zy stelde het ook ten eersten te werk, en verkregen de Directeurs plaatsvoor my; waar na ik kort daar na my aan boord begaf, om na Suriname te stevenen.

Mijn reis was kort en goed, en ik kwam gezond en wel op de Plantagie daar ik op hoorde, ik nam myn post getrouwelijk waar, ’t welk my (al zeg ik het zelfs) eenige agting onder fatzoenlyke lieden te weeg bragt; dewijl zy my bejegende en in haare gezelschappen toelieten, als of ik zelfs Heer van een plantagie was.

In een der gezelschappen die ik onder andere bywoonde, was een jonge weduwe, die twee plantagien kort by de myne daar ik op was tot eigendom had, haar man was omtrent een jaar dood geweest, en had haar zonder Kinderen overgelaten. Deeze Weduwe stond my zeer wel aan; dewijl zy gantsch niet onbillijk nog onvriendelyk was, ik kreeg genegendheid voor haar, en zogt maar na bekwame middelen en wegen, om het haar bekend te maken. De meeste zwarigheid die ik ’er in vond, was myn armoede in vergelyking van haar rykdom, maar de liefde over alle zwarigheden ligtelijk heen stappende, nam ik voor, maar hoe eer hoe liever mijn hard aan haar te openbaaren.

Ik begaf my dan op een nademiddag na haar woonplaats toe, en liet my aanmelden, verzoekende om haar eens te mogen spreeken. Zy liet my achter in een zaaltje (waarin zy zat; om de koelte te scheppen) by haar komen. Na dat wy in den beginnen over een en andere onverschillige zaaken gesproken hadden, vroeg zy my wat ik te zeggen had. Mevrouw zeide ik; Indien het geoorlooft is voor een persoon, die van de goederen des geluks niet al te zeer voorzien is, aan een ander van meerder middelen zyn hart open te leggen, zonder dezelven te vertoornen; zoo wenschte ik wel dit aan u te doen en ...... Zy daarop my in de reden vallende zeide: Myn Heer schoon iemand minder goederen als een ander bezit, zou hy daarom niet bevoegt zyn, zyn belangens voor te dragen? Ik geef u daar volkomen vryheid toe, en wel verre van my daar over te vertoornen, beloof ik u, zoo het in mijn vermogen is u eenige dienst te doen, ik het met vermaak zal werkstellig maken.

Mevrouw zeide ik daarop, het staat volkomen in u magt om my gelukkigtemaken: Ik kom om de bezitting van u beminnelijke persoon, en schenk u mynhart; indien gy u verwaardigen wilt het zelve aan te nemen. Zy veranderde op dit mijn zeggen van couleur, en zeide: Mijn Heer indien ik geweten had dat gy dit van my zoud verzogt hebben, zoude ik u zoo veel niet belooft hebben, daar by verbeeld gy u dat dit zoo in mijn magt stond; maar ik moet u zeggen dat gy u daar in bedriegt, vermits mijn waarde overlede man nog zoodanig in mijn hart en geheugenis begraven leid, dat ik daar onmogelijk een ander in zoude kunnen plaatsen. Ik bedank u derhalven voor u genegentheid ’t mywaarts en wensche dat den Hemel u een vrouw mag toeschikken, met meer volmaaktheden als ik bezit; dewijl ik niet kan overgaan om mijn hart een ander te schenken, ’t welk mijn waarde overlede man noch ten vollen bezit.

Mevrouw zeide ik daar op, de levendige kunnen immers met de dooden niet meer omgaan! Wat vrugt heeft u overlede man meer van u liefde? Hy is hoop ik heden in een staat, waar in hy Hemelsche zoetigheden geniet, om aan de geen die hy hier om laag gelaten heeft de aardsche te laten; laat hy dan voor een ander de plaats, die hy reeds zonder vrucht zoo lang bezeten heeft,ontruimen en maakt die ook zoo gelukkig als hy geweest is; op dat gy en hy de vruchten van een volmaakte liefde plukken mag. Dit zeggende en met een, een van haar handen nemende, dezelve zagtelijk drukkende, scheen het als of zy een weinig na mijn reden luisterde. Mijn Heer zeide zy, voor het tegenwoordige kan ik ten minsten daar noch niet toe over gaan; wat de tyd in het vervolg zal te weeg brengen, weet ik niet: verwin dan u zelven voor het tegenwoordige en laat ....., Ik viel haar als doen in de reden en zeide;Mevrouw ik begeer niets meer als tyd en vryheid te hebben om u by wijlen eens te mogen komen bezoeken, en ik hoop dat dezelve te weeg zal brengen, dat ik mijn geluk volmaakt zal zien. Zy stont my dit na een zoete weigering toe en ik als doen mijn afscheid van haar nemende, keerde ik weder tot mijnent te rug, met de hoop en het genoegen van t’eeniger tyd mijn wensch eens vervuld te zien.

Ik kwam een dag of drie daar na wederom, en wist door mijn aanhouden het zoo ver te brengen, dat ik eindelijk het jawoort kreeg, en daar op kort daar na met haar trouwde. Ik heb myganschelijk over myn trouwdag niet behoeven te beklagen; vermits wy altyd in eendrachtigheid te samen geleeft hebben, en onze liefde is tot heden toe niet voor malkanderen vermindert: maar eer vermeerdert. Onze huwelijksmin is ook met verscheide Kinderen gezegent geworden, waar van ’er nu noch maar een in het leven is, het welk deze dogter is die ik by my heb; de andere zyn vroeg gestorven.

Onderwijlen dat ik te Suriname woonde, heb ik ook door myn Correspondenten uit Vrankryk de tijding gekregen, dat mijn Ouders my van al het goed waar na ik t’eeniger tyd had kunnen staan, versteken hadden; dat zy daar op kort daar na waren komen te sterven, en mijn Broeder en Suster alleen erfgenaam waren gebleven. Den Doctor en de andere Gereformeerde geloofsgenoten, hadden met de Jesuiten eenig spel gehad; doch zy hadden door geld en geschenken te geeven, dezelve gestilt. Wat my aanging, ik was door den Hemel zoodanig gezegent, dat ik my niet eens over het verlies van mijn erfdeel bekreunde, en ik misgunde het mijn Broeder en Suster niet; vermits ik het niet nodig had.

Het is nu na by de twintig jaren, dat ik te Surinamen gewoont, en daar zeer vergenoegt geleeft heb; het eenigstedatmy een weinig tegengestaan heeft, is de barbaarse en wreede handelwijze, die de slaven dikwils moeten ondergaan als zy meesters aantreffen, die geen menslieventheid bezitten, en ik wil wel bekennen zonder my daar op te beroemen, dat ik altyd meer met goede woorden van haar heb kunnen krijgen, als met slagen; zy hebben altijd veel van my gehouden en zy waren zoo bedroeft dat zy een andere meester zoude krijgen, dat ’er eenige onder waren die als kinderen schreiden, toen zy het hoorde. Ach mijn goede meester, zeide eenige onder haar, wat zyn wy ongelukkig u te verliezen! Waar krygen wy ’er zoo een weer als gy geweest zyt! Ik zogt haar zoo veel te troosten als in mijn vermogen was, met tegen haar te zeggen, dat ’er meer goede lieden in de waerelt waren als ik, en dat ik haar raade, met braaf op te passen de genegentheid van hun meesters te winnen; ’t mogt weinig baten, de neerslachtigheit was uit haare wezens te leezen. Ik wil hier meede te kennen geeven, dat men dikwils door zagtheid en goetheidmeer op de harten van zyn volk kan winnen, en meer dienst daar van hebben, als door strafheid.

Na dat ik dan voorgenomen had, met mijn Vrouw en Dochter na Holland te gaan, en wy order op alles gesteld hadden, hebben wy ons t’ Scheep begeven, en zyn op die wijze alhier aangekomen, gelijk u bekend is.

De Heer N..... had alhier zyn verhaal ten einde gebragt en de Heer le Sage bedankte hem voor zyn genome moeite; hy maakte hier en daar aanmerkingen over, het geen hy van de Heer N.... gehoort had; maar dewijl het reeds laat in de agtermiddag geworden was, deed hy het zeer kort. Zy gingen weder by het gezelschap, ’t geen haar met ongedult zat te wagten, en maakte zig dien avond op een betamelijke wyze met het zelve vrolijk. De tyt tot rusten gekomen zynde, bedankte het gezelschap de Heer le Sage voor zyn vriendelijkheid, en ging een ieder van het zelve daar zy wezen moesten.

Onderwyle begonnen die aan het Schip werkte, om het zelve te herstellen, dapper te vorderen; maar eer dat onze reizigers dit Eiland verlieten, gebeurde ’er nog een geval, ’t welk zichop deze wyze toedroeg. Een van de Schiplieden, die in de Kerk geweest was toen Thomas gedoopt wierd, had aldaar een Jonge Dochter gezien, die ’er gansch niet onbillijk uit zag.Zy had hem door haar bevalligheden zoodanig betovert, dat hy niet nagelaten had, toen de Kerk was uitgegaan dezelve na te zien waar zy te huis hoorde, en een gelegentheid te zoeken, om haar zyn genegentheid bekent te maken. Hy had dezelve ook wel haast gevonden; vermits onze Eilanders gantsch eenvoudige lieden zijnde, en bygevolge niet argwaanende, die van het Schip de vryheid lieten, van in haar huizen te koomen wanneer zy wilde.

Hy vond gelegentheid genoeg om dit meisje zyn liefde te openbaren; maar dezelve weigerde in den beginne hem ten antwoord te staan. Evenwel door zyn vlytig oppassen en door de betuigingen van liefde die hy haar deed, dit Jonge bloed gaande raakende,begonzy een weinig het oor na hem te leenen. Doen hy zoo ver gevordert was, dagt hy het half gewonnen te hebben en verdubbelde derhalven zyn vlyt. Hy bragt het eindelijk zoo ver, dat hy in ’t geheel meester van haar hart wierd.

Maar wat raad in dit geval te doen? Het stond hier niemand op dit Eiland vry om by verkiesing te trouwen. Dit baarde by deze jonge Dochter voor zoo verre zy nog redenkavelde, eenige ongerustheid; maar de liefde het eindelijk op de reden winnende, en hy haar met schoone belofte van getrouwheid paaijende, met tegen haar te zeggen, dat zoo het al niet wiert toegestaan, dat zy te samen trouwde, hy haar dan in stilte mede op het Schip zoude neemen, dewijl hy haar nooit verlaaten zoude; zoo gaf zy zig vervolgens geheel aan hem over, en hy genoot op die wyze van haar, het geen hem eerst na een wettelijke trouw was toegekomen.

Maar gelijk gemeenlijk gaat, dat na de genieting de verzadiging volgt; zoo ging het hier met onze minnaar ook, en hy begon wel haast in zyn liefde te verkoelen. Het welk zy gemerkt hebbende, zogt zy zig te beklagen over zyn onstantvastigheid. Hoe! Zeide zy tegen hem, is dit de beloften agtervolgen, die gy my gedaan hebt, en is dit de vergelding voor een liefde, die ik ten kosten van myn eer aan u verdient heb, en waar door ik my in gevaar gestelt heb, om by de gantscheVolkplanting in veragting te weezen? ô wreede als gy zyt! Die even het genot van een oneerlijke lust gehad hebbende, een onnozele Maagd verlaat, die haar hert ganschelijk aan u geschonken heeft! Maar neen ik kan niet denken dat gy tot zoo een schrikkelijk besluit zult komen; gy doet het eerder om my eens te beproeven en te zien hoe ik my houde zou, en of ik ’er my ook onverschillig in zou betonen. Neen myn Vriend, gy ziet dit anders, en wat wreede twyffelingen thans mijn ziel bestormen: betoon my dan weder als voor heen, die liefde die gy my zoo dier betuigd heb, en stel my door overtuigende blijken van u wederom gerust.

Onze Jonkman, in plaats van zich door zulke doorslaande blijken van liefde te laten overreden, schertste met dezelve en zeide; dat ze zich maar wel te vreeden zoude houden, dat de tyt die alles slijt, dit geval ook wel uit haar geheugenis zoude wisschen, en dat wat haar eer aanbetrof en de schande die zy daar door by de Volkplanting stond te wagten, maar inbeeldingen waaren, dat hy verders zich niet meer met haar op wilde houden, veel minder om haar mede na Holland te neemen; want dat hyin het geheel door geen Vrouwspersoon wilde belemmert zyn; dat diergelijke galantereien in Europa zeer gemeen waren; dat men dezelve daar maar voor beuzelingen aanzag, en dat hy derhalven ’er in ’t geheel geen geweten van maakte.

Dit antwoort klonk de Jonge Dochter als een Donderslag in de ooren. ’T is wel ontaarde zeide zy tegens hem; het geeft my dan geen wonder dat dewijl gy uit zoo een Godloos Land afkomstig zyt, daar men de plicht van eer en trouw te breeken, maar voor een beuzeling en aardigheid aanziet, zoo een wreed en onnatuurlijk stuk durft begaan. Ik zoude nu zelfs, al wilde gy my mede nemen, my met een manspersoon na zulk een land niet willen begeven, die de quade gewoontens van het zelve tot een voorbeelt gebruikt om ’er zich na te gedraagen. Want wat staat zoude ik doch in vervolg van tyd op desselfs trouw kunnen maken? Gaat dan maar alleen na dat schoone Land; terwijl ik hier zal blijven om in myn eenzaamheid myn misslag te betreuren en my aan een droefheit over te geven, daar de Dood wel haast een einde van maken zal.

Deeze wanhopige woorden gesproken hebbende, verliet zy hem, en liet ons Jong manspersoon, alleenig staan; die zich weinig over haar zeggen bekommerde en denkende, dat zy het zoo niet meende als zy wel voorgaf, zich naar elders heen begaf. Maar de Liefde die dog overal zyn rol wil speelen, in wat afgelegen oort des weerelts dat het ook zoude mogen weezen, wilde hier ook betoonen dat zyn magt gantsch niet te veragten is, en dat indien men hem eens het oor geleent heeft en men hem in het hart een plaats vergunt, hy zoo ligt daar niet weder uit te krygen is: dewyl hy gemeenlijk niet alleen verzeld is met die aanlokselelen en bekoorlijkheden, waar mede hy den arme sterveling betovert; maar ook met al die gruwelen en monsters waar de Minnenyt, de spyt; en de wanhoop wel de voornaamste van zyn.

De Liefde dan het hart van onze jonge Dochter verlaten hebbende, had de wanhoop en de spyt in zyn plaats gelaten; deeze vermeesterde het zelve zoodanig, dat zy voor zich nam, dewyl het leven haar maar een last was, zich van het zelve te ontdoen, en een einde van baar droefheid, te maken. Rampzaligesterveling! Wat zyt gy niet te beklagen! Gy vervalt dikwils van het eene quaad in een ander, ’t welk nog veel erger als het eerste is. Zoo ging het onze Jonge Dogter ook: in plaats van zich aan eenig mensch vertrouwt te hebben, en haar droefheid geopenbaart, kropte zy het by haar zelven op en smoorde alles in haar eige boezem.

Zy dan een koort genomen hebbende, maakte ’er een strop van en verhing zig des avonds toen het duister was geworden aan een Boom, die even buiten het vlek aan den ingang van het zelve stont. Doch eer zy hier toe was overgegaan, had zy eerst het geval en de oorzaak van haar Dood op een zeker blad, ’t welk zoo veel als voor papier diende, geschreeven, en het zelve tusschen haar gordel dewelke zy om haar lyf had gestoken; op dat het neffens haar lyk mogt gevonden worden. Den inhoud van dit papier luide aldus.

Aan alle die van de Volkplanting zyn.

“Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, ’t welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft mydoor schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede.”

“Dat gy my hier in zoo een beklagelijke staat bevint, daar van heeft niemant de schuld, als een Matroos van het Schip, ’t welk hier eenigen tyd aan dit Eilant gelegen heeft. Zyn naam is Jan Jansz. dezelve heeft mydoor schoone beloften weten over te haalen en door betuigingen, dat hy my tot aan zijn Dood beminnen zou, dat ik my aan hem geheel over gegeven heb: maar deeze trouwlooze, na dat hy het genot van myn Lichaam gehad, en zyn onkuische min daar mede verzadigt, heeft hy zijn beloften in den wind geslagen, en my in de allerdroevigste staat gelaten, daar een Jonge Dogter als ik ben, ooit in komen kan. Dewijl ik nu myn ongeluk niet heb konnen overleven, en my geschaamt heb om myn zwakheid aan anderen te openbaren, ben ik tot dat uiterste gekomen, waar in gylieden my thans vind. Ik hoop dat den Hemel hier door mag verzoent zijn, dat ik my tegens de gewoontens van ons Land aan iemand overgegeven heb, die my zoo trouwlooslijk verlaten heeft, en die het schenden van eer en trouw als een beuzeling na de gewoonte van zyn Land (zoo als hy my zelfs gezegt heeft) achtede.”

Zy wierd den volgende morgen al heel vroeg met dit geschrift gevonden en het zelve wierd de Heer le Sage als hooft der Volkplanting bekent gemaakt.Deezen goede Heer was zeer over dit geval verlegen; terwyl de meeste der Inwoonders van het Vlek om wraak en straf tegen het breeken der Wetten van gastvryheid riepen. Hy liet daarom de voornaamste der Volkplanting vergaderen, om zig met dezelve te beraden hoe zig in deeze omstandigheid te gedragen. Zy waren alle eenparig van gedagten dat de Matroos straf verdient had; dat zy daarom den Schipper en de voornaamste van het Schip zouden zien te bewegen, dat zy hem aan haar overgaven om hem die straf te laten ondergaan, en zoo zy niet goetwillig wilde, dat men hem dan met gewelt zou zien te krygen.

Dit dan aldus besloten zijnde, lieten zy de Schipper en andere Officieren van het Schip by haar komen, en als doen de Heer le Sage het woord voerende, zeide tegens haar uit naam der gantsche Vergadering: dat dewijl ’er een matroos van haar Schip was die tegens de Wetten der gastvryheid een Maagd van de Volkplanting verleid had, en door schoone beloften van haar eer berooft; hy verzocht dat men de Matroos aan den raad overleverde, om hem na haar goeddunken de verdiende straf te doen erlangen. De Schipper en de andereOfficieren stelden zig wel in het eerst daar tegen; met te zeggen, dat dewyl hy een Hollander en daar by een varentsgezel op een Hollands Schip was, het daarom de regtspleging in Holland daar zy na toe stevende toe quam, om hem zoo hy iets misdreven had te straffen, en dat zy om die reden niet welvoeglijk hem aan haarlieden kosten overgeven: maar de Heer le Sage en de raad bragten daar tegens in, dat dewijl het onder het gebied der Volkplanting geschiet was daar dit misdryf was gepleegt, het niet meer als billijk was, dat het in en door de magt van het zelve gestraft wiert; dat de misdadiger zyn leven niet zou behoeven te verliezen; maar dat zy hem een kastyding evenredig na zyn misdaad zoude doen ondergaan, om daar door de gemoederen der Volkplanting te stillen en een voorbeelt aan andere te geven om dezelve van diergelyke bedryven afteschrikken. Dat zy hem vervolgens weder op vrye voeten zouden stellen; op dat hy zyn verrigting als Matroos op het Schip weder zou kunnen oeffenen.

De Schipper en Officieren van het Schip bewilligden hier eindelijk toe, met dat beding, dat zy hem zelfs, alsof het buiten haarlieder kennis was, zouden doen aanvatten; op dat zy van alle verdere onderzoekingen zouden bevryd zyn.Daar mede wierd ten eersten aan eenige der Volkplanting last gegeven, om hem te vatten; en dewyl hy zig op dien tyt niet op het Schip bevond, kosten zy hem gemakkelijk krygen. Hy wierd als doen in een zekere woning zeer naauw bewaard, tot dat zyn straf ter uitvoer wierd gebragt.

De Raad vergaderde doen weder, men besloot in dezelve dat al de Maagden van de Volkplanting boven de veertien Jaren, by malkanderen zouden vergaderen; dat zy zig in twee reien zoude scharen, gewapent met dunne en zwakke teenen, waar door de misdadiger met de naakte huit tien maal heen en weder zoude geleit worden, en hy op dusdanig een wys van ieder van haar een slag zoude krygen.

De tyt gekomen zynde, Vergaderde de Maagden en stelden zig in twee reien ieder met tien teenen gewapent. Het zelve geschiede in het open Velt; alwaar al het volk zoo van de Volkplanting, als van het Schip, om aanschouwers te wezen, vergadert waren. De Heer le Sage met de voornaamste desvolks, die den raad uitmaakte, zaten op banken, gesteld voor den ingang der in twee ryen geschaarde maagden, en na dat de matroos wel geboeyd voor hem gebragt was, las hy dezelve zyn misdaad, en de straf die hy daar door verdiend had voor. Als hy dit verrigt had, wierd den misdadiger met het boven lyf naakt uitgekleed, en met de handen geboeid, door de gelederen geleyd. De maagden die al een redelijk getal uitmaakte, sloegen dapper toe; zoo dat het bloed zig wel haast met de striemen op zyn rug begonnen te vertoonen; terwijl de gramschap op haar aangezigt op een levendige wyze vertoonde; als wraak nemende over het schendig stuk dat hy aan een van haar staat en kunne bedreven had. Toen de straf dus ter uitvoer was gebragt, moest de matroos voor de Heer le Sage en den Raad verschynen, en dezelve bedanken voor haarlieder regtmatig vonnis: De Heer le Sage gaf hem doen nog een verstandige bestraffing, en daar mede wierd hy weder op vrye voeten gesteld.

De maagd die haar zelven van het leven berooft had, wierd statelijk begraven en de maagden die de straf aan haar belediger geoeffent hadden, gingen allemet een treurige vertoning agter het lijk. Dus nam dit treurspel een einde; ’t welk van grooter gevolg had kunnen wezen, indien de Heer le Sage en den Raad zig daar niet voorzigtig in gedragen hadden, en het volk op die wyze weder te vreden gesteld.

Na dat die van het Schip zig van haar geleden ongemakken herstelt hadden, en het Schip in die order gebragt, dat het weer in staat was zee te kunnen bouwen; maakten zig onze reizigers weder vaardig om aan boord te gaan.

Zy voorzagen zig van alle verversingen en benodigtheden, die zy maar kosten bekomen; ’t geen de Eilanders zeer mild aan haar uitdeelde. De Heer N.... en de voornaamste van het Schip bleven ook niet in gebreken, om aan de Heer le Sage en den Raad geschenken te geven, uit erkentenis voor haar genoten weldaden. Het afscheid was smertelijk, en de Heer le Sage met de Heer N.... zyn Vrouw en Dochter storte weg in tranen; maar Thomas was ’er nog wel het meest over aangedaan.

Men kost de Heer le Sage bezwaarlijk uit zyn armen rukken, zoo vast hield hy hem in dezelve besloten, en de hikken die hy gaf zonder een eenige traante kunnen loozen, gaven genoegzaam zyn benepen hart te kennen. Eindelijk zyn hart zig door een vloed van tranen beginnende te ontlasten, en zyn mond die door zyn overmatige droefheit was gesloten geweest, zig nu wederom beginnende te openen, sprak hy hem op deeze wyze aan.

Myn waarde Heer, wat valt het my smertelijk u te moeten verlaten! Gy zyt naast God en de Heer N.... den genen die ik het meest verschuldigt ben. Gy hebt my daar ik als in den duistere voort wandelde, niet wetende welke weg ik verkiezen zoude; op den eenen en regten weg gebragt, daar ik met veiligheid op gaan kan. Wat ben ik u daar niet voor schuldig?Gewisselijkal moeste ik myn geheele levensloop u ten dienst staan, was ik zulks verpligt. Maar daar myn hart zoo bereid is om u ten dienst te staan, wil myn lot niet dat ik het volvoer: een scheiding die ons mogelijk voor altoos van malkanderen rukt, staat het my niet toe; ô hoe smertelijk valt my dit! Gewisselijk indien ik het niet liet om de Heer N.... en zyn Familie, die ik neffens u voor myn grootste vriend op den aardbodem erken, daar zou niets in staat zyn om my van uaf te rukken, en ik zoude liever met u de uiterste behoeftigheit willen uitstaan als my na elders heen te begeven. Vaart wel dan myn Heer, ik wensch dat den Hemel u verder in uwen ouderdom ondersteunen zal, en ons nog eens weder te samen voegen; is het hier niet in dit tranendal, ten minsten in een ander en beter leven: daar ons geen wisselvalligheden meer zullen ontmoeten, om ons van malkanderen te scheiden; maar daar wy de vrugten van een volmaakte vriendschap zullen konnen genieten.

Daar op moesten zy hem als met geweld na de bood trekken, om na het Schip te brengen, terwijl de Heer N.... nogmaals de Heer le Sage bedankte en vaarwel zeide, met beloften dat wanneer hy in Holland zoude gekomen zyn, een gelegentheid zou zien te krygen, om met het een of ander Schip eenige goederen, die hy wel het meest nodig had, te bezorgen; en dus in vervolg van tyt correspondentie te samen houden.

Wanneer zy te samen in het Schip waren gekomen, kon Thomas nog niet nalaten van tranen te storten. Ach gelukkig Eiland! zeide hy, daar u inwoonders in haar handel en wandel met de bekentenis van haar geloof over een komen!Al zyn ’er geen schatten by u te vinden, of rykdommen te winnen, die dikwils meer tot ’s mensen verderf als voordeel strekken, houde ik u nogtans voor gelukkig. Uwe inwoonders bezitten de waare rykdom, ’t welk is de vergenoeging en de opregtheid van zeden; dit gevoegt by het geen de eenvoudige natuur tot vergelding van haar arbeid op u opgeeft, om haar van het noodzakelijke en zelfs het geen haar tot vermaak en verquikking verstrekken kan, te bezorgen, konnen hier wel by al de schatten van het oosten ophalen? Ach gelukkig Eiland! Vaart wel, hervatte hy nogmaals; ik zal u mogelijk nooit weder zien: maar u geheugenis zal my nogtans altyd in gedagten blyven.

Ondertusschen hadden de Schiplieden de Ankers opgeligt, en de Zeilen opgeheist om Zee te kiezen. Zy namen haar afscheit van de Eilanders nog met eenige Kanonschoten, en daar op zeilde zy voort en raakte spoedig uit het gezicht.

De Heer N.... gaf het de naam van het benevelde Eiland, en rekende de breete en lengte uit, waar op het zelve gelegen was; op dat de gene diehy ’er in het vervolg na toe wilde zenden, het zoude kunnen opdoen.

Zy hadden een heele goede reize en haar de wind dienende, kwamen zy behoude op de reede van Texel ten anker. Als doen de Heer N.... zyn Pakgoederen, die hy in het Schip had, daar uit hebbende laten ligten, vertrok hy met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas na Amsterdam, en begaf zig in een Logement; om aldaar zig eenigen tyd op te houden, tot dat hy een beter gelegentheid zoude gekregen hebben.

Doe zy in Amsterdam gekomen waren, was Thomas zeer verwondert over die groote en pragt der Stad; de Dogter van de Heer N.... vergezeld met zyn Vrouw, Dogter, en Thomas, lieten niet na verscheide dagen na den anderen door de Stad te wandelen en aldaar al het merkwaardige te bezigtigen: doe zy dit nu eenige tyd gedaan hadden, vroeg de Heer N.... aan Thomas wat hem wel dagt wegens haar gelegentheid en of hy ook wel zin in dezelve had. Als ik u naar waarheid myn gevoelen zal zeggen, myn Heer zeide Thomas; zoo moet ik u te kennen geven, dat ik zeer verwondert ben over haar uytgestrektheyd, volkrykheid enpracht: maar dit neemt niet weg, dat het my (indien ik verkiezing had om te woonen waar ik wilde) hier veel te woelig zoude wezen; daar by dunkt my dat de lucht hier ook zeer zwaar en bedompt is, vervuld met zware en stinkende dampen, die uit de gragten komen. Wat dunkt u van de gewoontens en zeden der inwoonderen? vroeg hem de Heer N..... verder; daar is niet veel op te roemen antwoorde hem Thomas, niet dat ik zeggen wil dat ’er in het geheel geen eerlyke lieden in zouden weezen; maar ik heb ’er tot nog toe zoo wynig in gevonden, dat indien ik het niet om uwentwil was, ik wel zoude wenschen op staande voet by de Heer Le Sage op het benevelde Eyland te wezen, of in eenig ander oord des waarelds daar my de menschen, vriendelyk in haar zeden volmaakter zoude voorkomen. Wel zoo Thomas zeide de Heer N...., gy geeft geen al te groote lof van de inwoonders van Amsterdam, indien ’er al eenige onder zyn daar niet veel op te roemen valt; zoo zyn ’er evenwel dat heele brave lieden zyn, en daar men zig in vyligheid mag op vertrouwen: gy moet dan zeer ongelukkig zyn, tot nog toe de ergste getroffen te hebben; want anders zoud gy’er op een andere wyze van oordeelen. Dit kan wel zoo wezen antwoorde Thomas; maar ik heb hier dog in het algemeen gevonden, dat de menschen zeer baatzugtig zyn, en dat zy zig van alle middelen bedienen om zig te verryken, dat zy weinig agting voor een eerlijk man hebben als hy geen geld heeft; maar weder in tegendeel voor iemand die middelen bezit, de grootste eerbied hebben; al is hy het onwaardigste schepsel dat ’er leeft.

Dit spruit uit de behoeftigheid, daar de meeste menschen in gedompeld leggen, hervatte de Heer N....; ’t welk veroorzaakt dat zy meer eerbied gebruiken vooriemanddie ryk is, als voor den genen die niet bezit; want wat kan iemant die middelen nodig heeft door de eerlykheid van een ander gebetert worden, die zoo wel behoeftig is als hy? Daar hy in tegendeel van de overvloed eens ryke, al was hy ook de grootste schurk, nog eenig voordeel kan genieten, ’t welk zyn behoeftigheid kan te hulp komen.

Hier om myn goede Thomas beoordeelen wy ligtelijk iemand, die wy indien wy zyn omstandigheden wisten, zouden vryspreeken. Gelooft my mynvriend, de menschen zyn hier niet anders als in andere gedeeltens der waereld; maar de omstandigheden waar in zy zig bevinden, maken ’t onderscheid. De armoede en de behoeftigheden hebben iets verlijdelijks in zig, dat den mensch dikwils tot daden doet overgaan, die hem anders tegen de borst zouden stryden en hy is daar door zelfs wel genootzaakt om het te doen, al heeft hy ’er geen zin in. In Holland en voornamentlijk hier in Amsterdam is het duur teeren, en dewijl den een van den anderen leven moet, moeten zy zien hoe zy best aan de kost komen.

Gy moet dan evenwel met my toestemmen myn Heer zeide Thomas, dat een Land niet zeer te pryzen is, waar men zoo bezwaarlijk aan het nodige kan komen, en daar men om ’er aan te geraken zulke laagheden moet begaan? Ik voor my, ik wilde liever onder de wilden in de bosschen van Amerika leven, als my daar toe te begeeven.

Wel, wel; onder de wilden te leven zoude ook zoo vermakelijk niet weezen, zeide de Heer N...., zy plagen malkanderen alzo wel als de Europiane..... Dat is waar hervatte Thomas; maar dit is als zy als vyanden tegen malkanderenopstaan: Die geenen die onder een hooft hooren, beminnen en eeren malkanderen als Broeders, en staan malkanderen in haare behoeftigheden by. Gy hebt daar zelfs meenigmalen blyken van gezien onder de wilden te Surinamen, die men bokken gebynaamt heeft: hoe trouw en menschlievend dat zy voor malkanderen zyn en hoe zy malkanderen in benodigtheden de behulpzame hand bieden.

Onder ons Negers in Africa zoude even het zelve in zwang gaan; want wy kunnen ons ook met weinig behelpen, en zyn daarom zoo behoeftig niet als de Europianen: was die Koopmanschap in menschen daar niet ingedrongen; zoo dat de Ouders haar Kinderen dikwils niet ontzien te verkopen, en dus de allernaauwste banden, die de natuur te samen geknoopt had, verbreeken. Het is wel waar dat men in Europa zoo een uiterlijke handel in menschen niet bedryft; maar zoo als ik wel heb gehoord, hebben hier eenige zulke slimme vonden, om de menschen van het geen zy bezitten, te beroven; dat zy wel genootzaakt zyn zig zelven aan haar of andere over te geven, op zekere voorwaardens die zoo wel na slavernyzweemen, dat ’er niets anders als de naam aan ontbreekt.

De Heer N.... het woort opnemende, zeide. Dat gy tegens de Europianen en tegen de Hollanders zoo zyt vooringenomen, komt daar van daan, dat gy haar zeden en gewoontens nog niet gewent zyt; wanneer gy wat langer hier zult zyn geweest, zult gy ’er wel anders van oordeelen. Gy zult dan ondervinden hoe veel braver en eerlijke lieden hier gevonden worden, en het geen gy nu voor laagheden en verkeertheden aanziet, zal u als dan zeer regtmatig en billijk schynen.

Ik hoop die dag eens te beleven, antwoorde Thomas, maar ik wil wel bekennen dat ik tot nog toe, die regtmatigheid niet heb gevonde, en ik geloof dat ’er al heel wat tyt toe zal vereischt worden, om my daar van te overtuigen; maar laten wy het voor deeze reis daar by laten berusten myn Heer; dewijl ik met dat gelt dat gy my gegevenhebt, om Laken en voering tot een kleed voor my te kopen, heen zal gaan by een Winkelier, om te zien of ik het krygen kan. By wien zoude ik wel het beste te regt kunnen komen? hebt gy ook kennis aan een Lakenkoper daar ikmy op zoude kunnen vertrouwen, dat hy my niet bedriegt? Daar zyn ’er hier verscheide in de Stad die voor eerlijke lieden te boek staan, antwoorde de Heer N...... Daar is ’er voornamentlijk een, dat een man is, die my wel bekend is, en die gy gerustelyk op zyn woord mag geloven; zegt hem, ik moet dat en dat hebben en laten hem begaan, en gy zult zien dat hy u wel zal handelen.

Dit diende ook wel zoo te wezen zeide Thomas; want ik heb weinig kennis van die Koopmanschap, en de Heer N..... gegroet hebbende, ging na het huis van die Lakenkoper. Hy daar komende, vond hem in zyn Winkel, en hem gegroet hebbende, zeide dat hy hem op zyn woort eenig Laken moest verkopen van die en die couleur; dewijl hy ’er weinig kennis van had, en dat hy het daarom op hem aan liet komen. Zeer wel myn vriend zeide de Lakenkoper, ik zal u zulke goede waar voor u geld leveren, dat gy ’er ten hoogste over zult voldaan zyn: en daar mede een oud verlegen stuk Laken krygende, dat half van de mot verteert en daar weinig wol op was, zeide; ziet daar myn vriend, daar hebt gy Laken dat zoozagt als zyde is; ’t is wel waar dat het een weinig dun is; maar dat komt door zyn fynte: dit gelt het allernaaste zoo veel. Belief gy nu dat ik u daar van af snyde? Ik zoude het u raden; want gy zult nooit beter Laken voor zyn geld krygen.

De goede Thomas (om dat de Lakenkoper zoo in ernst scheen te spreeken) geloofde al het geen hyzeide.MynHeer zeide hy; dewyl ik u op u woord geloof en u voor een eerlyk man aanzie: zoo wil ik u laten begaan; maar is dit de allernaaste prys? Geen penning minder antwoorde de Koopman. Als het dan zoo is zeide Thomas, sneid zoo veel ellen van het stuk af als ik tot een kleed nodig hebbe; t’welk de koopman gedaan hebbende, ging met de voering ook zoo te werk als hy met het laken had gedaan; gevende hem niet anders als het geen oud en verlegen was.

Als Thomas zyn gekogte goed betaalt had, groete hy de Koopman en ging na huis. T’huis komende liet hy de Heer N.... zien het geen hy gekogt had. Ik geloof dat ik wel te markt ben geweest zeide hy tegen dezelve, die Koopman heeft my verzekert dat’er geenbeter Laken en Voering voor dat geld te krygen was.

De Heer N.... in plaats van het zoo goed te vinden, zag ’t tegendeel. Dat Laken en die Voering deugd niet,zeide hy; gy zyt ’er mede bedrogen: want het is verlegen en half van de mot opgevreeten.

Hoe kan dit weezen myn Heer antwoorde Thomas: gy zegt immers! dat het zoo een eerlyk man is die gy zoo wel kende? Dan ben ik in myn meening bedroogen geweest, hervatte de Heer N.... ik heb hem ’er altyd voor aangezien; maar nu zie ik dat ik daar in gemist heb. Met dit te bekennen dat gy kunt missen in uwe denkbeelden myn Heer; zult gy mogelyk nog eer van zin als ik veranderen over de eerlykheid en bestaanlykheid der Europianen, vervolgde Thomas; daar gy nu reeds weder een staaltje van ziet; want gy zult my niet kunnen wys maken, dat gy niet meer diergelyke staaltjes ondervonden hebt. Gaat haastig weder na de Lakenkoper toe zyde de Heer N.... en zegt dat hy u ander en beter goed of uw geld wederom geeft; t’welk Thomas doende, zyde tegen hem: myn Heer daar is u goed wederom, hetdeugd niet; gy hebt my bedrogen, ik moet ander en beter in de plaats hebben; of anders moet gy my myn geld wederom geven.

Zagt, zagt myn vriend, antwoorde de Koopman; wy geven zoo schielik geen ander goed, of het geld in de plaats: gy hebt het gekogt enaf latensnyden. Ik zou het nu al wilde ik het, niet zonder myn schade wederom kunnen nemen; daarom is het te vergeefs, dat gy de moeyte gedaan hebt van wederom te komen: vermits ik ’er niet toe zal overgaan.

Niet toe overgaan! Myn Heer heeft evenwel belast dat ik het u zeggen zoude dat gy het wederom moest nemen, zeide Thomas. Wie is u Heer? vroeg de Koopman. Hy is de Heer N.... en hy is altyd van meening geweest dat gy een eerlijk man waart; antwoorde Thomas. Wel dat spyt my, zeide de Koopman dat ik dit niet geweten heb; ik zoude u als dan beter gestelt hebben, maar nu kan ik het onmogelijk doen; dewyl het reeds afgesneden is: op een ander tyt zal ik u beter helpen.

Dan hoor ik wel myn Heer, zeide Thomas, dat gy onderscheid maakt, wie dat goed by u komt kopen! Is het niethet zet zelve wie dit doed als de lieden u betalen? dit is geen brave lieden werk. Een Winkelier moet zig van het slegte zoo wel als van het goede weten te ontdoen, zeide de Koopman; want anders zoude hy daar mede blyven zitten, en reken eens wat schade hy als dan zig zoude doen? Dan moest hy het slegte goed voor slegt verkopen antwoorde Thomas, en laaten het slegtbetalen; maar niet voor goed en duur; maar het gaat zoo met ulieden, dat als het met u belang overeenkomt, en gylieden een onkundige voor hebt gylieden daar niet van weet, om dien te bedriegen. Ik zal dan het goed maar weder mede nemen, dewyl het niet anders kan wezen; maar gy zult lang wagten eer ik wederom zal komen om ander te kopen. Hier mede vergramt weg gaande zonder hem goeden dag te zeggen, begaf zig weder by de HeerN....die hoe zeer hy anders gebelgt was dat Thomas zoo bedrogen was; evenwel in zyn hart moest lachen, dat hy de Koopman zoo de waarheid gezeit had.

Gy diend ook wel een hoed en kousen te hebben, zeide de Heer N.... tegen Thomas; gaat by de Winkelier die daar woont; ik twyffel niet of gy zultdaar zeer wel te regt komen; want dat is een man die niet alleen voor zeer eerlijk te boek staat; maar zelfs voor vroom: hy is in Kerkendienst, en derhalven is ’t niet te denken dat hy u bedriegen zal. Koopt daar dan een hoed en kousen van die prys. ’T is wel myn Heer; zeide Thomas ik ga u wil volbrengen: maar ik hoop niet dat gy weder in u meening mag bedrogen worden: en daar (na dat hy geld van de Heer N.... tot zyn Koopmanschap ontvangen had) begaf hy zig na het huis van den Winkelier.

Hy vond dezelve heel zediglijk gekleed voor zyn Toonbank in de Winkel zitten, en hem gezegd hebbende waarom hy kwam, verzogt hy hem dat hy trouwelyk daar in handelen zoude, want voegde hy ’er nog by, ik ben daar by een Lakenkoper geweest, die my zulk slegt Goed verkogt heeft dat het schande is; ik vertrouw van u dat gy my beter zult handelen: Ik agt dat het maar een weerelds mensch geweest is; die niet anders als zyn tydelijke belangens zoekt; maar van u gehoord hebbende, dat gy een goed Christen zyt en daar by in dienst van de Kerk, maak ik inhet geheel geen zwarigheid my op u te vertrouwen.

De Winkelier doen met een styf en betrokken wezen hem aanziende, zeide; Myn vriend om een goed Christen te wezen dat heeft al veel in; want wy hebben hier dagelijks tegen zoo veel vyanden te stryden, dat het al wat te zeggen is dezelve te overwinnen: evenwel moet ik u zeggen dat het zeer gevaarlijk is, wil men niet bedrogen wezen, by iemand goed te kopen, die niet anders als wereldze inzigten heeft; want zoo een man maakt geen zwarigheid om de goede lieden te bedriegen en daarom zoude ik dezelve altoos raden van by deugtzame lieden te gaan; die zyn altyd met een klein winsje te vreden en daarom niet genegen om iemand te misleiden.

Zoo behoord het ook te weezen, zeide Thomas; maar laat my eens eenige Hoeden en Kousen zien. De Winkelier daar op eenige van dezelve gekregen hebbende, zogt ’er een Hoed en een paar Kousen uit, en hem dezelve toonende, zeide: ziet daar myn vriend, een Hoed en Kousen die ik u op myn woord verkoop; al waart gy een Eedelman behoefdegy u zelven niet te schamen om ze te dragen, en ik raad u daar aan.

Thomas daar op de Hoed nemende en dezelve ziende, dagt dat die wat hart en styf was, en daar by weinig voorzien van hair of wol; zeidedaaromtegen de Winkelier het geen hy ’er van dagt: die daar op antwoorde. ô Myn vriend dat is niet met al! Dat hy u zoo voorkomt, is dat gy ’er zoo weinig kennis van hebt; die hardigheid en styfheid is niet anders, als dat de stoffagie zoo vast in malkanderen gewerkt is en dat hy zoo min wollig is, komt door zyn fynte. Thomas geloofde al het geen hy zeide; zettede daarom den Hoed op zyn hooft en bevindende dat dezelve hem paste, vroeg hoe veel geld hy daar voor hebben moest. De Winkelier hem daar op antwoordende zeide; als ik als een werelds mensch of die geen die niet anders als zyn tydelijke belangens behartigt, te werk ging, zoude ik daar twee Ducaten voor moeten hebben; maar dewyl ik met een gering winsje te vreeden ben, zult gy my maar zeven guldens daar voor geven. Is dit het allernaaste? Vroeg hem Thomas, geen duit minder myn vriend, antwoorde de Winkelier ik zou ’er zonde van maken dat ik iemand,overeischen zoude. ’T is wel zeide Thomas, en daar op ook een paar Kousen op de Winkelier zyn woord genomen hebbende, betaalde hy het een en andere. Onderwylen dat Thomas wagten moest tot dat de Hoed opgetoomt was, hadden zy nog eenige zeedige en stigtelijke gesprekken met malkanderen; daar op Thomas van de Winkelier afscheit nemende, begaf zig weder na huis.

De Heer N.... bezag het geen hy gekogt had, en de Hoed en Kousen kwamen hem redelijk wel voor. Wat zegt gy nu zeide hy tegen Thomas; blyft gy nu nog by u gevoelen, als of hier geen eerlijke lieden waren? Myn Heer zeide Thomas, ik heb niet gezeid dat ’er in het geheel geen eerlijke lieden hier zyn; maar wel dat ’er zeer weinige waren: Onder die weinige heb ik nu deeze man gevonden, dat waarlijk een goed Christen en een eerlijk man schynt te weezen. Daar op verhaalde hy hem wat stigtelijke redenvoeringen zy te samen gehad, en hoe hem de Winkelier had te verstaan gegeven, dat men nooit anders als by vroome lieden zyn goed diende te kopen, en de redenen waarom.

De Nademiddag wilde de Heer N.... een wandeling met Thomas door de Stad aan doen, en liet hem die nieuwe Kousen aantrekken en nieuwe Hoed opzetten.

Toen zy een weinig gewandelt hadden, wierden zy van een geweldige regenvlaag overvallen; zoo dat zy eer zy ergens gelegentheid hadden om te schuilen, reeds braaf nat waren geworden. Weder na haar verblyf te rug gekeert zynde, wilde Thomas zyn Hoed met de neusdoek afveegen: maar wat was hy verwondert, het geen hy eerst voor een glanzigheid en fynigheid aangezien had, nu te ondervinden dat het niet anders was als gom, ’t welk die styvigheid en hardigheid in het behandelen te weeg gebragt had, en die door de vogtigheid week zynde geworden, men ’er met een doek af konde vegen. Men kon doen ook bescheidentlijk zien dat het maar een oude Hoed was; die wat was opgemaakt en om die reden met de gom betreken. Na zyn Kousen ziende hoe of die zig al gehouden hadden, bevond hy dat aan een van dezelve die hy aan zyn regter been had, een gat van agter aan de kuit was gekomen zoo groot als een Hoender ey; ’t welkveroorzaaktwas dat ’er behendig zoo een stuk ingelapt is geweest.

Daar hebt gy de eerlijkheid al weder van de Amsterdammers, zeide Thomas; dit bedrog is my nu geschiet van iemand die voor vroom te boek staat; wat zullen dan de anderen wel niet doen! Wat zegt gy nu myn Heer; blyft gy nog by u gevoelen? De Heer N.... kost ’er niet veel op antwoorden; dewyl hy het bedrog zag: hy trok alleenlijk zyn schouderen op en zeide, dat alschoon hy zag, dat ’er onder luiden die de naam van vroom en Christelijk hadden, ook bedriegers waren; hy daarom niet naliet te gelooven, dat ’er ook veel eerlijke lieden onder waren: dat ’er onder een mant met Appelen die ’er alle op het oog wel uitzagen, wel eenige kosten weezen die van binnen rot en aangestoken waren: maar dat daarom niet gezegt kost worden, dat de anderen niet goed waren: dat het met de menschen ook zoo gestelt was, waar van eenige in schyn de vroomheid en deugt nabootste: en daar door de lieden bedrogen; maar dat het zoo met alle niet gestelt was; dewyl men overal waare vroome vondt. Thomas daar en tegen bleef by zyn gevoelen, dat ’er in een Land waar de gewin enbaatzugt zoo groot was, zeer weinige waare vroome en eerlijkeliedenkosten gevonden worden.

Terwijl de Heer N.... zig met zyn Familie en Thomas zig daar ophielden, gebeurde het dat ’er iemand van zyn kennissen na Suriname zou vertrekken. Hy nam deeze gelegentheid waar om te zien of hy ook eenige goederen met een brief aan de Heer le Sage zoude kunnen zenden. Hy sprak daar over met die kennis en met de Schipper van het Schip, die hy een present beloofde, indien hy het voor hem wilde te werk stellen. De Schipper maakte daar eenige zwaarigheid in; maar het aanhouden van de Heer N.... die tegen hem zeide dat het in zyn weg was, die hy te bezeilen had, nam hy het op zig om het ter uitvoer te brengen. De Heer N.... gaf hem het plan der legging van het Eiland in handen, en bezorgde het goed, ’t geen zyn vriend mede zoude nemen, met volmagt dat zoo zy het Eiland niet kosten aandoen, hy het goed te Surinamen verkopen zoude, en hem ’er weder andere goederen of geld voor in de plaats zoude zenden.


Back to IndexNext