Achtste Kapittel.

Achtste Kapittel.Kobus wordt gearresteerd.“De wolken worden zwaarder, en de maanGaat achter hunne breede ruggen schuil,En luider schreeuwt de wind met barsch gehuil.Plots stroomt de regen neer, de helle vaanDes bliksems trilt op hoogen wolkendam....Dàn siddert alles, vreesbevangen, stom.”(Edward B. Koster).“De wind was door het Noorden geloopen en was toen gaan liggen....”(Frans Netscher).Chris hád geklopt, hád ’t bad gevuld, hád gedekt—Kobus hád de bus opgehaald.De huishouding was normaal verloopen. ’t Ontbijt wachtte, de thee pruttelde—’t bleef stil.“Wat slape ze,” zei Chris.“Ikzal nog is gaan wekke,” zei Kobus.Hard beklopte-die de slaapkamer—toen, angstig,opende-die de deur. Weerlichs! Nòg niet thuis! As ze maar geen ongeluk gekrege hadde. Vlug klauterde-die op ’t dak, keek het hemelruim af. Geen vogel. Geen stip.Benee, voor ’t huis, passeerde ’n agent, die vreemd naar boven keek.“Zoek je wat?”,—vroeg-ie.“Nee,” zei Kobus: “de schoorsteen rookt.”“Mot je daarvoor in de goot klimme?”“’t Mot voor meneer,” riep Kobus òm wat te zeggen.De agent, rustig-pruimend, taxeerde den rookloozen schoorsteen.“Val d’r maar niet af,” maande-die.“Welnee, man,” lachte Kobus gedwongen.Op dat moment schreeuwde Chris aan de trap.“Kobùùùs! Kobùùùùs!”“Ja?”—, vroeg-ie in huis terugstappend.“Kobùùùùùs!”“Ja?”“De bedde binne leeg, Kobùùùs! O, Kobùùùs, kom is gauw na beneje! Kobùùùùùs! Kobùùùùs!”....De ouwe meid was ’m na-gesjokt, had voor de twééde maal de ònbeslapen bedden, in keurigste orde, gezien.“Gil zoo niet,” zei Kobus verwoed.“De bedde binne leeg—de bedde binne leeg!”“Zet niet zoo’n smòèl op!”—, raasde hij, de schippertjes, die mee begonnen te keffen, ’n trap gevend: “wat doet ’t ’r toe of ze leeg binne!”Het was geencorrecteuiteenzetting.Het bad wachtte.De theekookte.De eierenversteven.In eene behoorlijke familie pleegt menzichtbaarop te staan.Chris, nog niet te dreef na de vroegere ellende, de vele schrikken, de koortsvisioenen, keek in de leege, gesoigneerde slaapkamer.De zijden sprei lei zonder ’n rimpel—er waren geen kleeren—geen bottines.Alleen op ’n stoel, luguber-verlaten, snel te hoop geworpen,puildende rokken, derokkenvan mevrouw en juffrouw Amélie, de rokken die ze den vorigen avond hadden gedragen, toen ze naar bèd gingen.“O, Kobus”—, hakkelde Chris, náár lang de driè klinkers rekkend: “Ze binne d’r niet! En de rokke, de rokke....”“Zou je ophoue met je gebler!”—, zei hij, grimmig: “doe de deur toe!”“O, o”—, klaagde ze, geelbleek van ontdaanheid: “ik blijf geen menuut langer hier!”“Zie dat je de deur uit komt, kuiken!”—,schimpte hij: “jij maakt larie om niks. Ze binne wèl thuis!”“Wel thuis?”—vroeg ze: “waar dan?”“Dat gaat je niet an!”Toen werd ze bàng voor ’m.“Dan weet jij méér”—, zei ze, achteruit strompelend.“Dat doe ’k ook!”—, snauwde hij: “en as je één van de buren wat durft zegge—as je tong te lang is—dan—danvermóórd’k je!”’n Bandiet had ’t woordvermoordniet bloederiger kunnen lanceeren.’t Schokte hem òver-rauw uit z’n keel, bevreesd as-ie was voor Chris’ geweldige zotte streken.Zij, zich ver-plankend tegen den wit-kalkten muur, stram van stuipenden schrik, werd één laaiend oogenblik bleeker van witheid dan de kalk die nog pas in ’t voorjaar ’n lekkere beurt had gehad.Bij intuïtie zochten ’r lichaam en ’r gelaat den steun der omgeving.’n Beest in angstassimileertzich met ’t coloriet der naaste natuur—’n haas heeft zandkleur—’n rups ’t groen der blaren—’n ouwe, eerbare dienstmaagd, beklauwd door ’t meest duvelsch woord uit mansmond—versteentin gebaar enverpleistertals witkalk.Chris, zelfs niet oog-knipperend, staarde bewustloos van Kobus naar den stoel met mevrouw’s katoentje en Amélie’s zomersche jurk.Ze voelde dat ze voor ’r behoud èn voor ’t behoud van ’rnaaidoosmet de amsterdamsche lootjes, tegenover den verdachten huisknechtkoelbloedigmoest zijn.Anders stróómde ’r bloed.“Ik zal niemand wat zegge,” sprak ze, nog steedsinden muur,inde witkalk: “as jij maar zeker weet datte ze thuis binne.”“Dat wéét ’k ....”“Zeg ze dan”—, praatte ze met versteende tong en wit-doode woorden: “dat ’t bad vol geloope is.”“Dat zàl ’k ze zegge,” beet hij haar nijdig toe.“En datte de eiere koud worde”—, bracht ze ’r ont-zield, tegel-kil uit.“Dat zàl ’k! Dat zal ’k!”—, riep Kobus de zoldertrap opkieperend, gevolgd door Tutu en Zo, die gezellig blaften en lustig de gang bevuilden, omdat ze moeilijk door ’t deurluikje uit gelaten konden worden.Chris bleef een oogenblik zoo loodrecht àls de muur.Toen, gedragen door ’r koelbloedigheid, stapte ze de wijde diepten der trap-treden af, ging delogeer-kamer binnen, sloot de deur, greep ’rnaaidoos, liet zich zonder aarzeling uit het venster vallen.Op handen en voeten kwam ze in de teelaarde van ’taucuba-perk neer, schokte overeind en den horlogemaker voorbij-schietend, die de klokken kwam reguleeren, holde ze op ’n draf naar ’t politiebureau, naast ’t nieuwe Brandspuithuisje.“Wèl?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die net ’n folio-blad zat te linieeren, omdat-ie anders in hobbelende lijnen schreef: “wèl?”“Asjeblief!” zei Chris, ’r naaidoos met de lootjes overreikend: “asjeblief—da’s om te beware!”“Hei je dat gevonde?”, vroeg-ie met wetsrimpels in z’n voorhoofd.“Néé,” hijgde Chris, ’m ineens met ’rverweekendever-steening overdonderend: “nee—ze binne van mijn—de nommers hei ’k in me beurs—Kobus wil me vermoorde—de bedde binne leeg!”’t Natgelikt potlood-stompje, nog maagdlijk van proces-verbaal des dags, ontviel den omhaarden lippen.Het was te veel ineens.“Wat klèts je, meid?”, vroeg-ie streng.“Enkel de rokke hange over de stoel”—, gaf ze als knal-donder toe.De brigadier keek van de naaidoos naar Chris’ bevenden mond.Hij had ’r wel gekker gezien van z’n leven, maar niet zoo gááf.“Meid,” zei-ie pootig: “jij ben niet goed in orde!”“As je me niet gelooft!”—, snikte Chris ’r plots gierend op los—zooveel electriciteit móést nat geven!—: “ga je dan overtuige! De bedde binne leeg—enkel de rokke hange d’r—hìj heit ’r weet van—hij wil me vermoorde as ’k ’r van vertel....”Nòg zou het sensatie-geval in donkere windselen zijn gebleven, daar de brigadier te gestreng en Chris nù te ontdooid was, als de burgemeester niet binnen getreden ware.De welEdelachtbare, uit z’n humeur omdat-ie zonder boter had ontbeten—in de warmte was ze sterk geworden—de boer kwam maar ééns in de week—, de welEdelachtbare onder de impressie van z’n nacht-lectuur—in de late-avond-stilte had-ie juist den detective-romanEen geheimzinnige verdwijningverslonden, vèrslònden: ambtshalve, om zich te goed te doen aan de spitsvondigheden van zulke héerlijkedetectivesals daar ginds—, de welEdelachtbare werd onmiddellijk aandachtig, toen-ie Chris voorde derde maal hoorde snikken van leege bedden enmoord.“Wat is ’r met de dienstbode vanZwaluw?”—, vroeg-ie.“O—bùrgemeester—bùrgemeester!”—nok-griende de ouwe meid, zwaar onder ’r bovenrok gebarend, om ’r zakdoek te grijpen: “O, de hééle femilie is weg en Kobus—de stéker—wil memolle!”De burgemeester keek somber. Na den brand in de logeerkamer was-ie ’n weinig achterdochtig gebleven.Nu spookte ’t weer.“Laat de meid bij mij in de kamer”—, beval-ie: “dit geval wil ikpersoonlijkonderzoeken....”De groen-gevoerde deur van hetkabinetsuisde toe.De brigadier hernam z’n potlood voor de rechte lijnen, tot-ie gescheld werd.Nog geen half uur later keken de menschen uit de ramen.De burgemeester met twee agenten èn ouwe Chris, stapte metambtspassen.Ongetwijfeld had de familie Zwaluw eene dienstboden-quaestie.De burgemeester groette nauwlijks, zòo zat-ie in deschaduwzijner gedachten.Persoonlijk schelde hij aan—aan dè deur, net terwijl Kobusvan ’t dak naar binnen kroop.Twee, driemaal moest hij den knop berukken.“Wie daar?”—, vroeg Kobus door ’t luikje—hij zag den burgemeester, nièt de agenten.“Ik wensch ménéer te spreken,” zei de burgemeester kort van toon.“Meneer is nog niet bij de hand,” antwoordde de huisknecht allerkalmst.“En mevrouw?”“Mevrouw—mevrouw,” hakkelde Kobus zéér vluchtig—hij zou er op los liegen tot in ’t oneindige!—“mevrouw is op de badkamer, burgemeester....”Doorgaans was zulk een antwoord tegenover een bezoeker vanCasa Caravoldoende.Vandaag ketste ’t.“Ik wil mevrouw positief spreken”—, zei de burgemeester gestreng:desnoods òp de badkamer!”“Wacht u dan ’n oogenblikkie,” loog Kobus meesterlijk: “dan zal ’k ’t vrage.”Kalm mepte hij ’t luikje dicht en ging op de trap zittentranspireeren.As-ie praatte raakte-ie z’n baantje kwijt, onherroepelijk kwijt, had meneer gezegd.Wat drommel, dan most de burgemeester maar terug kommen!’s Morgens, ontbijt-tijd, visite en mevrouw willen zien as ze in ’r bad zat!Het luikje opnieuw openend, zei-ie met de welopgevoede stugheid van ’n bediende-die-weet-hóé’t-hoort:“Meneer de burgemeester—’t spijt mevrouw wel, maar ze ken u niet ontvange. Mevrouw is an ’r toilet bezig....”“Zoo vrindje,” snerpte de burgemeester, door de spleten van z’n oogen het beslistmisdadigers-typevan den huisknecht bespiedend: “Zoo! En meneer?”“Meneer sláápt nog,” fantaseerde de knecht: ’t is vannacht wat laat geworde....”“Dank je,” listigde het hoofd der politie, partij trekkend van de wenken desdetective-romans: “dank je zéér. Dan moet ’k de dienstbode Chris spreken....”Kobus werd beschaafd, gepast nijdig.As-ie Chris uit de keuken riep—van de vlucht had-ie op ’t dak nièts bespeurd—dan plapperde dat kuiken de heele familie op straat.En te-deksel, ’t liep de spuigaten uit dat ’n bezoeker—onverschillig of ’t de burgemeester was of ’n ander!—als-die niet ontvangen kòn worden, belet in de keuken vroeg.“Chris,” zei hij deftig, gelijk in ’n deftigen dienst betaamde: “Chris doet boodschappen ....”Chris, op zij van den deurpost, werd lijkwit bij zooveel leugens.“O”—begon ze, nader stappend.“Stil!”—gebood de burgemeester: “’t Is best man—heel best!”Plots deed-ie ’ncoup-d’état, maakte-die zichmeestervan de situatie.’n Waarlijkgeladenrevolver uit z’n binnenjas trekkend, ’n revolver die nog nimmer gebruikt was en nattig voelde van petroleum, omdat-ie het geweldenaars-ding net gister ontroest had—stak-ie den loop door het luikje en met barsche stem van médeklinkers en accenten, bulderde hij:“De deur openen en nièt van je plaats, of ’k schiet!”“Stik—wat hei ’k nou an de hand,” schrikte Kobus.“In naam der wetde deur openen èn nièt van je plaats!”—, herhaalde de burgemeester, wiens pupillen in zenuw-spanning tot geweekte èrwten vergrootten.Kobus bleef roerloos.“In naam der wet!”—, zei het politiehoofd nog eens,met den haan spelend.Hij was op dit moment ’t voorbeeld van eendetective.In Amerika hadden ze ’t ’m niet kunnen verbeteren.“Dan mot je maar door ’t luikie,” sprak Kobus moedeloos op ’n traptree nederzittend.“Zoo,” zei de burgemeester: “val je door de mand? Je verroert geen vin, kerel, of ’k dood je op de plááts. Agenten, klim door ’t raam van de logeerkamer!”Het was ’n gedecideerd bevel, doch niet zoo makkelijk na te komen.De dikste agent kòn niet klauteren—de dunste had ’n elastieke kous om z’n spataeren.Chris, thans het meest bij de hand, ging ’n trapje bij deLeuringsleenen—wat ze wel meer dee.Al dien ontzaglijken tijd hield de burgemeester Kobus inbedwang.Misschien zou ’t nooit meer zóómeesterlijkin Holland geschieden.“Ik heb ’r lak an,” praatte de misdadiger cynisch: “as ze d’r voete maar vege. Lekkere poote zalle dat zijn—met teelaarde en al!”De dikke agent richtte ’t laddertje—de dunne kroop over ’t kozijn—toen hield Chris ’t trapje voor den dikke in evenwicht.“Als je ’n gebáár maakt!”, dreigde de burgemeesterdoor ’t luikje: “ben je een kind des doods.”’t Fijne zweet perrelde op z’n voorhoofd. Als de misdadiger gelegenheid had desporenvan z’n daad in derhaast te verbergen, was ’n boel verloren.Kobus lachte schaapachtig.“’t Is goeie hoor,” grinnekte-die gelaten: “as je maar niet door de ruit van de tochtdeur schiet.”Met werd-ie door de agenten gegrepen.“Boeit ’m,” zei de burgemeester.Z’n revolver bleef dreigen, tot Kobus achter de tochtdeur verdween.Toen bestapte dedetectivezelf ’t laddertje en in de logeerkamer, bewuster, nu de vogel geknipt was, begon-ie dadelijk z’n verhoor.“Waar is meneer Zwaluw?”—, vroeg-ie.“Weet ’k niet.”“En hij lei nog te bed?”“Dan hei-’k me vergist....”“En mevrouw?”“Weet ’k niet.”“En ze was in de bàdkamer.”“Dat dacht ’k....”“Wat dee jij op ’t dàk?”“De schoorsteen rookte.”“Dat liegt-ie,” riep Chris, die op ’t laddertje stond en ’r hoofd over ’t kozijn stak: “de kachel is niet an!”“Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd?”—, sprak de burgemeester, als ’n scherprechter.“Weet ’k niet,” antwoordde Kobus voor de derde maal.“Dat weet jij wèl,” drong de ondervrager aan.“Nou dan weet ’k ’t wel,” zei de knecht onbeschaamd: “’k Heb ze opgevrete—nou hoor je ’t!”Chris plofte van de trapleer in deaucuba’s— de agenten knepen sterker de boeien.“Hou dien kerel vast tot ikhuisonderzoekheb gedaan,” gebood de burgemeester.Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde hij ’t geheele huis, de kasten, de buffetten.Zelfs ónder de bedden zochten z’n loerende oogen.In de badkamer was ’t water nog aangenaam lauw—in de eetkamer sloeg bruine damp uit den drooggestookten theepot.Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nogwarmeeieren.Een raadsel, een gruwelijk raadsel.Er was géén achterdeur.Zwaluwhad destijds.... gelogen.En nu was-ie misschien dupe vàn die leugens geworden.Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam—er warenvoetsporenin den groenen aanslag.Dat was ièts,Op ’t dak waagde-die zich niet.Wie wist wat ’t dàk verborg....Dat zou-ie laten onderzoeken.Besogne voor agent Stips, die vroeger glazenwasscher geweest was.Omlaag gaand, trok ’nvochtigeplek op het portaal z’n aandacht.“Voor ’t laatst,” sprak-ie met hoog-roode kleur: “voor ’t láátst vraag ik je, kerel, wàt ’r met de familie is gebeurd!”“Ze zitte in me zak,” zei Kobus nuchter.“Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?”“Da’s mijn zaak....”“Hoe komt ’r boven op ’t portaal zoo’n vreemde vlek, man?”“’k Heb de honde niet kenne uitlate.—En verder doe ’k geen bek meer ope.”“In naam der wet—arresteer ’k je,” zei de burgemeester: “breng dien man naar den post, agenten!”“Langs ’t làddertje?”—, vroeg die van de spataeren.“Natuurlijk,” zei de chef: “de deur is op de grendels....”Het werd een lugubere stoet.’t Heele dorp liep uit....Negende Kapittel.Angsten en vrede.“Come what come may—time and the hour run through the roughest day....”(Longfellow).“Het had heel wat moeite gekost....”(Eenzamen,Willem Gerard van Nouhuys).Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op den toren.Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere dageraad.Het verre landschap traagde in ’n nevel, die de landen besloop....Pijnlijk-kreunend, z’n tintel-kloppend been dat aan het lichaam gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden leeuws naar het gemelijk-onlekkere van ’t bovenaardsch zitje.Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op de rotsen van St. Helena.Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde hem studieus.“Verdraaid—verdraaid!”—, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.Toen zij, zij de vrouw die met ’mverhongerde, gister van den beambte der gasfabriek sprak, die elken tweedenZaterdagvan de maand kwam,had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische berekening dat elke Zaterdag eenZondagvoor schaduw heeft—en op Zondag werd geenszins, in geenbeschaafdlandbegraven.Nu, de armen gekruist, ’s morgens om drieën, dacht-ie met onvaste, door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeentenin de kerkgeen vermoeden zou hebben van de zwerversop een toren.Hij hield ’t niet uit.De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die ’m toch ééns moest ontvangen.Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geenfatsoenlijkebegrafenis hebben.O, gruwel—misschien zou ’t na wéken de aandacht trekken, dat zooveel raven om de ruïne saamschoolden.Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken, en ineens bukkend raapte hij ’t miniatuur-ommeletje der uitgebrande kaars, proefde er met de voortanden van—gelijk-ie als knaap had gedaan van ’n tablet chocola.Het wàs te eten.Van honger krankzinnige zeelieden haddenmekaarwel geslacht en verslonden.Bij dàt vergeleken wasstéarineeene delicatesse, een versnapering, ’n greep uit ’nbon-bonnière.Gulzig kauwend op ’t eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen niet te wekken—wie wist waarvan zedroomden?—herinnerde-die zich niet van de Hoogere-Burgerschool ’t nooit begrepen spreekwoord: “qui dort dine....”?—, nam-ie de vliegmachines in z’n handen.Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen’n lengte van vier meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op eendoodensprongmaakte vier meter geen verschil.Toch passend en wikkend—pruimend op ’t pitje der kaars—bleef-ie in berekening—tot-ie bijna van verrassinggilde. Z’n knutselende vingers hadden den knop van Amélie’s parachute aangeraakt. Nagenoeg gaaf veerde de parachute uit de stang. ’t Leek niet te gelooven.Eergisteravond was-ie ’n kuiken geweest, ’n logisch-redeneerendkuiken.Want toen-ie na ’t vlammen-onheil en na de bekoeling der aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie’s onderste vliegmachine te aanschouwen, die in ’t felste van ’t brandje geweest was.Dit was een wonder.En ’n domheid.Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, ’n glim, want héélemaal gaaf was de parachute niet.Bij één balein was de zijde ’n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde of kantelde, kwam jeontzield neer.Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie nietvoorbariggegild had, hurkte als een Indiaan bij het vredesvuur.Er waren eenige kansen ter overweging:—verhongeren (wat géén kans kon heeten)—vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende oogen mooglijk dood neerstorten—vrouw en kind niét wekken en de reis naar deLetheop eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.Met zware rimpels in ’t voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen, stak hij z’n laatste sigaar op, deed ’n paar trekken.Anders fleurde ’n sigaar ’m op—in dat bar-vroege ochtenduur miste ze ’r inspireerende werking.Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de voor-voeling van den val—de zuiging—’t houvast-verlorene.Dieper boog z’n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven de rimpels in ’t voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.Dan vàst-besloten, met ’n cynisme, waarvan de herinnering ’m nog in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast, lei z’n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van ’r op ’t plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in ’t knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner of wandeling,’n bouton de rosehad gegeurd.Op ’t punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor ze in ’n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie z’n vulpenhouder en schreef in ’t notitieboekje: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding”—, toen trok-ie het visitekaartje uit z’n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:Visitekaartje van Pieter E. Zwaluw met tekst: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren.”Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze ’m bij de éérste begrafenis vinden en ’t spoor der andere verdwenenen speuren—dan zouden ze alle driehereenigdworden in den familie-grafkelder, waarin ook Zwaluw Senior en zijnmoederlagen.Even werden z’n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening—dan, zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart enhaarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die wat van ’m leek te moeten hebben, zóó als-ie ’m ankeek—en bestaarde voor ’t laatst het landschap, ’t kleur-vattend groen, de boomtoppen, de grafzerken.De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden, alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.“Het iszuur,” peinsde hij zeer kort: “het is in élk opzicht zuur—de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren—de ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar—een màn aarzelt niet!”Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.Zelfs mèt een leege maag heeft ’t leven z’n aangename zijden.Welk eene gaping tusschen eergister en heden.Toen ingezetene met ’n charmant huis en alle geneugten—vandaag ’n desperaat mensch boven ’n afgrond.Wreeder kon ’t niet—acuter leerde ’t nauwlijks de wereldhistorie.’t Geritsel van den uildreefhem in de diepte.Als ze ontwaakten kreeg je ’n hartverscheurend afscheid.Stevig de vingers klemmend om de gekwetsteplek der parachute liet-ie zich gaan, de oogen gesloten.De wind zoog als ’n blaasbalg in z’n neusgaten, builde z’n jas open, bolde z’n broekspijpen.Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.Niet zoo snel als z’n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.Met ’n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z’n enkel verzwikt, lei languit op den beganen grond van ’t kerkhof.“God zij gedankt,” zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: “’r liggen ’r hier in minder goede conditie,” en met ’n opgeruimdheid die ’m de pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te waarschuwen dat-iebehoudengearriveerd was.Ze hoorden ’m niet.“Vrouw! Amélie!”—, schreeuwde hij, de handen als ’n roeper om den mond. ’t Bleef boven stil.Nog ’n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk strompelend, klom-ie over ’t puntdradige hek van ’t kerkhof, dat ’m zóólang van ’t leven en de vrijheid gescheiden had.’n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met ’n voet die hoe langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.’n Boerensjees reed voorbij.“Hallo!”, riep de heer Zwaluw.“Waablief?”—, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer taxeerend, dat in ’n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en met ’n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.“Mag ’k meerijjen—ik zal ’t goed met je maken?”“Om de weerlicht nie,” betoogde de man in de sjees: “jij lijkt wel erges uit-gebroke te zijn....”“Dat bèn ’k ook,” praatte Pieter Zwaluw; “uit ’t kerkhof.”De boer trok de leidsels aan.“Rij in Godesnaam niet door!”, smeekte Pieter, ziek van pijn en duizeligheid: “ik geef je vijf en twintig gulden as je me na ’t dorp brengt!”’t Bankje, uit z’n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.“Stijg dan maar op,” zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar z’n mes tastend voor ’t geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg ’n zálige beweging dorpwaarts.“Heb jij je poot bezeerd?”, vroeg de boer.“Ja,” zei de heer Zwaluw op ’t punt te ònmachtigen.“Hoe komt dat dan zoo?”, hield de boer aan,de leidsels in de eene hand, ’t mes bij de andere.“Ik ben van den toren gesprongen,” lei Pieter uit, lang-gerekt geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als ’n uitgeputte hongerlijder.“Zoo,” antwoordde de boer ongerust—straks had-ie ’n gek, ’n losgebroken gek naast zich zitten: “Zoo ben jij van ’n tóren gesprongen? Wel man—da’s héél knap.”“Ja,” geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: “en ’k heb ’n razenden honger—’k heb”—even nam-ie rust voor n’ nieuwe diep-deinende geeuwing: “’k heb niks as ’n stukkie kaarsvet gegeten....”“Wel—wel,” grinnekte de boer doodelijk-angstig—nog liever ’n struikroover as ’n krankzinnige naast je!—“wel, wel! Nou da’s héél lekker. Dat eten we thuis ook.” Je most ze niet tegenspreken. “Hurt! Hurt!”De opgejaagde zweep striemde ’t paard, dat ’r vandoor vlóóg: “En—en—die kapotte fiets—waar hei je die vandaan? ...”“Nérgens,” sprak de heer Zwaluw in ’n flauwte opzij-zakkend.“Nou—da’s ’n geval!”, gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend, maar ineens boog-ie dicht ’t hoofd naar de borst van den vent, die met lapjes van vijf en twintig sméét en met ’nverbluffing die ’m de haren te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”“Christeneziele!”, zei-ie ’t paard voortzwiepend: “Hurt! Hurt, Kees!”’t Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.’n Leege maag met ’n eindje stearine-kaars en ’n gemeen-verzwikten voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar ’n aangespoeld wrak.De boer, ongezellig-warm, met ’n krijtwit gelaat, joeg de sjees over de slapende keien van ’t dorp.En voor ’t politiebureau hield-ie in met ’n dankbaren ruk. Het paard beefde op de beenen.In de stilte van ’t straatje ploften twee stevige schoenen van den bok—en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.“Ja?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die met ’t neuswarmertje in z’n hand, in de rust van ’t accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.“Christeneziele!”, bulkte de boer: “wat me daar is overkomme! Ik breng je ’n gek—een die met ’n kapotte fiets van ’n toren is gespronge, met enkel ’n kaars in z’n maag en ’n brief op z’n borst!”“Daar begrijp ’k geen snars van,” zei de brigadier; “met gekke mot je niet hièr weze!”“Wel gedorie!”, vloekte de boer: “as je ’m nie overneemt, zet ’k ’m op ’t stoepie!”“Dat zel jij wel late, man. Dan zou ’k jou leelijk bekeure!”“As-die nou toch van z’n zelve leit,” raasde de boer: “mot ’k ’n gek houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen te zette. De wagen is mijn eigendom....”De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten, klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in ’t blauw-bleek gelaat van een dergeheimzinnig-verdwenenen.“Da’s léelijk,” zei-ie: “da’s meneer Zwaluw—en die is dóód. Waar hei-je ’m gevonden?”“Hij is nie dood,” zei de boer ongerust: “Help ’m maar na binnen drage....”In de wachtkamer, op ’n paar stoelen, leien ze ’m neer en daar met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de geheimzinnig-gruwelijke woorden—in verband met de moorden van Kobus-den-huisknecht: “mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”“Dadelijk de burgemeester hale!”, gelastte de brigadier: “zoo iets schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht lévend verbrande....”Op den toren vanKoepelsteyngeschiedde inmiddels eene andere dièp-tragische gebeurtenis.Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap—de jeugd slaapt op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid groeien—welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.Ma sliep nog, ’t hoofd op háár knie.Nee, ze zou zich niet bewegen—ma had ’t zoo noodig.Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.En in angst-reflex gilde ze: “Ma! Mòéder!”“Wat is ’r?”—, vroeg mevrouw dood-van-slaap.“Pa is wèg!...”“Wàt zeg je!”—, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was geen vergissing mogelijk. ’t Plateau wàs te overzien.“O,” zei mevrouw angstig.“O—O!”—, huilde Amélie: “hij is van den toren gesprongen uit wanhoop!”Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen en groen.“Genadige hemel—op zóó’n manierweduwete worden!”—, snikte mevrouw.Amélie had ’t zakboekje opgenomen, las de woorden: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding!”“O ma—má—pa heeft zich voor ons opgeofferd—die goeie, beste, lieve pa—en nutteloos—nutteloos—nou ligt-ie dood in de struiken benee—en wij kunnen hier óók sterven....”Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie’s handen en las denlaatsten wil, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp geschreven had.Door ’t waas voor ’r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters van den doode: “Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefdevrouwen mijninnig-geliefdedochter en wensch met haar samen in den familie-grafkelderhier omlaagte worden bijgezet. Mochten wij alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over zal hebben, mits de naamPieter Zwaluwaan het fonds verblijve en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomstgeopendte laten, om onverantwoordelijkeopsluitingen, als waarvan wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten in hetgemeente-museumbewaard blijven, als aandenken aan hen, die zoo hoog in de wolken eenmarteldoodzijn gestorven.Pieter Everhardus Zwaluw.”“De èngel!”, nokte mevrouw voor ’t éérst van ’r leven na de lang-geleden bruidsdagen in deCharcuterie.Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die telaatde schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt—Amélie schreide heftig.Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat gerucht vernomen—geen toren van Barneveld—geen van Solness—geen Notre Dame.Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig—gekerkerd op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter omlaag is gesprongen—’t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.De handen wringend in de buurschap van den uil diede daadhad gezien, de beenen inzijnbroek—welke deerniswaardige herinnering!—besnikte mevrouw het Verleden.Pieter Everhardus Zwaluw—zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte en materie verlangde—gebaarde thans in hare verbeelding, met een zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanighedenverzwommen.Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijngoedheidenvoortreffelijkheidzet (nadere scheurkalender-vondst).Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op ’t folterbankje der-ik-heb-’t-laatste-woord mishandeld.Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter, de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het vocht van het plateau in sidderende dampen.De vogels op ’t kerkhof floten, schoten naar de nesten—’t vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de vroegmis te luiden.“Ma,” sprak Amélie.Mevrouw bleef in smartlijke versteening.“Ma,” zei Amélie nog eens: “àrme ma.”“Arm kind,” antwoordde de weduwe.“Misschien is ’r ’n wònder gebeurd, ma.”“Nee,” knikte mevrouw.“Laat u ’t hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks.”“Als we wat zagen, zou ’t nòg schriklijker zijn,” snikte mevrouw.“Heeft u erge honger?”, vroeg Amélie na ’n poos om te tróósten.“Niet meer,” zei mevrouw over àlles heen.“Dat zegt u maar,” redeneerde Amélie: “toe, denk an nìks, ma!”Ma antwoordde niet—Amélie begonop ’r nagels te bijten.Van ’r vroegste jeugd had ze ’t gedaan—vandaag dee ze ’t hardnekkig in ’r pogingen om ’r moeder af te leiden.’r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.’n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk ’n leege.De zon scheen ’r warm in ’t gelaat, stoofde ’r hoofd, kokend en opgehitst. De benauwende broeiing maakte ’r ongevoelig.Als ’n beest begon ze den uil te beloeren. ’t Was ’n welgevulde dikkert met vleezige pooten en ’n smaaklijken nek.Zoogedegenereerdgeraakte ze door de werking van ’r maag en ’t verlangen om ’r moeder ’n troostenden hap te geven, dat ze ’r vader vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den uil bespiedde.Ze kreeg ’r ’n kleur bij—’r handen kromden als klauwen—’r rug boog in sprong.Nooit in ’r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie, bestiale gevoel om ’n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil, terwijl ’nbeschaafdmensch naar vegetarisme neigde.Als ze ’m te pakken had gekregen—zij, die drie dagen geleden nog geen kanarie in ’r handen durfde te nemen—had ze ’m z’n nek omgedraaid—én geplukt—èn met ’r nagelschaartje gehalveerd—èn rauw geslokt.’n Door honger gefolterd mensch werd ’nijselijkdier.... Gelukkig kwam het niet tot de euveldaad.Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van ’r dochter, vroeg ze:“Amélie—wat doe je?”“Niks ma.”“Wat kijk je dan?”“Suscht, ma! Suscht! U praat ’m wàkker.’k Had ’m net haast te pakken!”“Jakkus,” zei mevrouw: “hoe kom je op de inval?”En ze zwegen geslagen.De kerkklokken rondom luidden nu alle.Mevrouw vouwde de handen—Amélie keek van den uil naar den eenzamen landweg.De zon, hooger aan den hemel, braadde haar rug.Warmte was ellendiger dan regen—om twaalf uur zou ’t niet uit te houden zijn.In Godsnaam.’n Zonnesteek onder de omstandigheden was ’n weldaad.Uitkomst op Zondag was onmogelijk.Al ’r idealen te begraven op ’n toren, al ’r droomen en jeugdverlangens—welk ’n einde.Toen, wakker geschokt, klaar van denken, botste ze op.In de verte naderde ’n stoet, ’n stevige menschendrom.“Ma!”—, gilde ze.Mevrouw schrikte, keek over de borstwering.“De hemel zij geprezen—’n begrafenis!”—sprak Amélie koortsachtig-gejaagd: “o, o, wat ’n geluk—en net te laat om armen pa ook te redden.”“Stil! Stil!”, zeide mevrouw: “misschien gaan ze ’n anderen kant uit!”Sprakeloos keken ze toe.De stoet kwam nader, ’n geweldig-lange, stevige stoet. De zon bescheen ’t koper van muziek-instrumenten, verguldde letters van vaandels. In ’t midden een paar landouwers met heeren in ’t zwart—daar achter spartel-glinstrende brandweerhelmen en een bonte drom mannen en vrouwen.“Ma—droomen we?”—, zeiAméliebevend.“Ik geloof ’t,” aarzelde mevrouw.De realiteit van den uil, de leege flesch, ’t blikje, ’t smerig plateau stelde haar gerust.“’nWonder,” zei Amélie, zich vasthoudend om niet ineen te zakken.Benee, in den stoet, begonnen ze met zakdoeken te wuiven—flauw hoera-geroep zweefde aan.“Ma—ma—pá zit in ’t rijtuig!”—, gildeAmélie en dol van uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen, dat de uil ’r beduusd van door ging.Benee werd het plechtig. Bij de struiken vanKoepelsteynzette de muziek fanfares in.Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.Dan ’r man herkennend, die ’n mand etenswaren, eieren, ham, boterhammenworst en broodjes op z’n schoot hield, hernam ze haar waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe:“Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de wethouders zullen denken, dat je stapel ben!”“Dat ben ’k ook ma! Eenig! Eenig!”Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dát woord.“Amélie,” zeide mama nog eens gestreng.De trap benee steunde en kraakte.Het luik schoof.Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar.“Mevrouw—dames,” begon hij. Verlegen verdween-ie weer, omdat de dames Zwaluw in zùlk kostuum een weinig landlooperig deden.“Kom, burgemeester—wat doet u nou?”—, gromde de oudste wethouder in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als zeopdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door, doch confuus en onhandig,beglimlachtehij het plateau, om het onvertogene te mijden.“Kom u binnen, kom u binnen,” sprak mevrouw de hoofden in de luikopening toe.Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw vanCasa Cara.Het werd een kort, levendig gedrang.Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie, het bestuur der rederijkskamer, de notaris, de dokter, allen waren present enontroerd, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet omhoog kwakkelde en z’n vrouw en dochter ’n broodje en ’n zoen gaf.Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kènde.“Ophouen! Ophouen!”—riep de inspecteur van politie.Er kwam stilte.De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan zekerder—dit was z’n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer nà z’n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken—den tweeden keer de brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit—zei hij, metverheffing en aangedaanheid: “Dames en heeren—mevrouw Zwaluw—mejuffrouw Zwaluw—mijnheer Zwaluw—als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een eer voor onze gemeente, dat hièr het eerst de vliegmachine in practijk is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij, dames, dat, wanneer we in de historie van ons geliefd vaderland met eerbied den naam noemen van .... van .... van”—transpireerend in de stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.“Van .... De Ruyter” ...., soufleerde de oudste wethouder op goed geluk.“Néé,” beet de burgemeester af—en nog den naam niet te grazen nemend, vervolgde hij ”....van.... van de vrouw die bij Leiden’s ontzet...”“Kenau Hasselaar!—riepen een paar gemeenteraadsleden.“.... Juist mijne heeren—wat ìk zeggen wou—van Kenau Simons Hasselaar—wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken, die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben en manmoedig dit avontuur doorstaan....”Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering, even tetterden fanfares.“Mag ik de aanwezigen uitnoodigen,” vervolgde de burgemeester: “driemaal aan te heffen: Lang leve devliegende familie Zwaluw!”Geestdriftig wèrd het geroepen, geestdriftig brulde de menigte benee, die door de politie op een afstand werd gehouden.Amélie at haar tweede broodje—ook mevrouwkauwde. De mensch deed zich gelden.Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te zijn, naar voren, las een làng gedicht, dat hij in het rijtuig had geschreven. Het eindigde aldus:Wij zullen aan het nakroost overbrengenHoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters1Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,Dit hadden nimmer wij verwacht.Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!Vliegt jaren nog tot in ’t zesd’ geslacht!Vliegt zonder grens en zonder perken!Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!Weer vielen fanfares in—toen na handdrukkenzonder feestlijken wijn—zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen—begon de daling naar denbeganen grond.O, de vreugde bij de eerste stappen, op ’t grintpad, terwijl de politie salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met hoeden en zakdoeken wuifden.Voetstaps, in de landouwers, ging het dorpwaarts. Mevrouw zat naast Pieter—over hen Amélie.In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.Overal groetten de bewoners.Het was een Droom—eene ongedachte héérlijkheid.“Pa—hoe éénig dat u ’r zóó is afgekomen! Hoe heeft u ’t dùrven wagen met ’n kapotte parachute!”, zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.Mevrouw zat zwijgend.Nu ze hem weer had, hèm dien ze ’n uur geleden als ’n lief,ónvleeschelijkwezen gezien—nu ze z’n verzakt boord, ongeschoren kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich zelf ten spot voelde inzijnpantalon, nu kregelde in haar de rijpe verdrietigheid, dat ’t per slot van rekening alleszijnschuld was, eeneschuld niet te zoenen door ’n speech van den burgemeester.“Piet,” zei ze met aanzwellende kribbigheid, “hier heb je je zakboekje met je laatsten wil.”“Dank je, kind.”“Pièt, ’t is goed dat ’r niks van gekomen is.”“Dat is ’t, kind.”“Nee, dàt bedoel ’k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an degemeentena te laten?”“Ik kreeg zoo die inval, kind.”“En me zuster en ’r kinderen?”“Die hebben ’t niet noodig.”“Zoo,” zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groetend: “zóó—je doet die gekheden geen twééden keer!”“Dat weet ’k nog niet,” verweerde hij zich.“Piet!”—, dreigde ze.“Begin je weer kwesties te zóéken?”“Dat was geen testament—dat was pure onzin—en ijdelheid—om je naam in de kranten te krijgen ....”“Daar spring ik voor van ’n toren,” zeide hij geprikkeld.Zoo tòch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren toeknikkend.Katterig hielden ze ’s middags receptie bij port, sherry, advocaat.Kobus liep grunnekend in de gangen en ouwe Chris, bewegend zonder lichaamsweten, smoorde in den oven metgehypnotiseerde gebaren, een malsch stuk lenden, dat de slager bij uitzondering op Zondag leverde.Meneer zat met z’n verzwikten voet in ijscompressen.Mevrouw wrokte over ’n man, die z’n hebben en houen aan z’n familieontstal.1De s eene dichterlijke vrijheid.

Achtste Kapittel.Kobus wordt gearresteerd.“De wolken worden zwaarder, en de maanGaat achter hunne breede ruggen schuil,En luider schreeuwt de wind met barsch gehuil.Plots stroomt de regen neer, de helle vaanDes bliksems trilt op hoogen wolkendam....Dàn siddert alles, vreesbevangen, stom.”(Edward B. Koster).“De wind was door het Noorden geloopen en was toen gaan liggen....”(Frans Netscher).Chris hád geklopt, hád ’t bad gevuld, hád gedekt—Kobus hád de bus opgehaald.De huishouding was normaal verloopen. ’t Ontbijt wachtte, de thee pruttelde—’t bleef stil.“Wat slape ze,” zei Chris.“Ikzal nog is gaan wekke,” zei Kobus.Hard beklopte-die de slaapkamer—toen, angstig,opende-die de deur. Weerlichs! Nòg niet thuis! As ze maar geen ongeluk gekrege hadde. Vlug klauterde-die op ’t dak, keek het hemelruim af. Geen vogel. Geen stip.Benee, voor ’t huis, passeerde ’n agent, die vreemd naar boven keek.“Zoek je wat?”,—vroeg-ie.“Nee,” zei Kobus: “de schoorsteen rookt.”“Mot je daarvoor in de goot klimme?”“’t Mot voor meneer,” riep Kobus òm wat te zeggen.De agent, rustig-pruimend, taxeerde den rookloozen schoorsteen.“Val d’r maar niet af,” maande-die.“Welnee, man,” lachte Kobus gedwongen.Op dat moment schreeuwde Chris aan de trap.“Kobùùùs! Kobùùùùs!”“Ja?”—, vroeg-ie in huis terugstappend.“Kobùùùùùs!”“Ja?”“De bedde binne leeg, Kobùùùs! O, Kobùùùs, kom is gauw na beneje! Kobùùùùùs! Kobùùùùs!”....De ouwe meid was ’m na-gesjokt, had voor de twééde maal de ònbeslapen bedden, in keurigste orde, gezien.“Gil zoo niet,” zei Kobus verwoed.“De bedde binne leeg—de bedde binne leeg!”“Zet niet zoo’n smòèl op!”—, raasde hij, de schippertjes, die mee begonnen te keffen, ’n trap gevend: “wat doet ’t ’r toe of ze leeg binne!”Het was geencorrecteuiteenzetting.Het bad wachtte.De theekookte.De eierenversteven.In eene behoorlijke familie pleegt menzichtbaarop te staan.Chris, nog niet te dreef na de vroegere ellende, de vele schrikken, de koortsvisioenen, keek in de leege, gesoigneerde slaapkamer.De zijden sprei lei zonder ’n rimpel—er waren geen kleeren—geen bottines.Alleen op ’n stoel, luguber-verlaten, snel te hoop geworpen,puildende rokken, derokkenvan mevrouw en juffrouw Amélie, de rokken die ze den vorigen avond hadden gedragen, toen ze naar bèd gingen.“O, Kobus”—, hakkelde Chris, náár lang de driè klinkers rekkend: “Ze binne d’r niet! En de rokke, de rokke....”“Zou je ophoue met je gebler!”—, zei hij, grimmig: “doe de deur toe!”“O, o”—, klaagde ze, geelbleek van ontdaanheid: “ik blijf geen menuut langer hier!”“Zie dat je de deur uit komt, kuiken!”—,schimpte hij: “jij maakt larie om niks. Ze binne wèl thuis!”“Wel thuis?”—vroeg ze: “waar dan?”“Dat gaat je niet an!”Toen werd ze bàng voor ’m.“Dan weet jij méér”—, zei ze, achteruit strompelend.“Dat doe ’k ook!”—, snauwde hij: “en as je één van de buren wat durft zegge—as je tong te lang is—dan—danvermóórd’k je!”’n Bandiet had ’t woordvermoordniet bloederiger kunnen lanceeren.’t Schokte hem òver-rauw uit z’n keel, bevreesd as-ie was voor Chris’ geweldige zotte streken.Zij, zich ver-plankend tegen den wit-kalkten muur, stram van stuipenden schrik, werd één laaiend oogenblik bleeker van witheid dan de kalk die nog pas in ’t voorjaar ’n lekkere beurt had gehad.Bij intuïtie zochten ’r lichaam en ’r gelaat den steun der omgeving.’n Beest in angstassimileertzich met ’t coloriet der naaste natuur—’n haas heeft zandkleur—’n rups ’t groen der blaren—’n ouwe, eerbare dienstmaagd, beklauwd door ’t meest duvelsch woord uit mansmond—versteentin gebaar enverpleistertals witkalk.Chris, zelfs niet oog-knipperend, staarde bewustloos van Kobus naar den stoel met mevrouw’s katoentje en Amélie’s zomersche jurk.Ze voelde dat ze voor ’r behoud èn voor ’t behoud van ’rnaaidoosmet de amsterdamsche lootjes, tegenover den verdachten huisknechtkoelbloedigmoest zijn.Anders stróómde ’r bloed.“Ik zal niemand wat zegge,” sprak ze, nog steedsinden muur,inde witkalk: “as jij maar zeker weet datte ze thuis binne.”“Dat wéét ’k ....”“Zeg ze dan”—, praatte ze met versteende tong en wit-doode woorden: “dat ’t bad vol geloope is.”“Dat zàl ’k ze zegge,” beet hij haar nijdig toe.“En datte de eiere koud worde”—, bracht ze ’r ont-zield, tegel-kil uit.“Dat zàl ’k! Dat zal ’k!”—, riep Kobus de zoldertrap opkieperend, gevolgd door Tutu en Zo, die gezellig blaften en lustig de gang bevuilden, omdat ze moeilijk door ’t deurluikje uit gelaten konden worden.Chris bleef een oogenblik zoo loodrecht àls de muur.Toen, gedragen door ’r koelbloedigheid, stapte ze de wijde diepten der trap-treden af, ging delogeer-kamer binnen, sloot de deur, greep ’rnaaidoos, liet zich zonder aarzeling uit het venster vallen.Op handen en voeten kwam ze in de teelaarde van ’taucuba-perk neer, schokte overeind en den horlogemaker voorbij-schietend, die de klokken kwam reguleeren, holde ze op ’n draf naar ’t politiebureau, naast ’t nieuwe Brandspuithuisje.“Wèl?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die net ’n folio-blad zat te linieeren, omdat-ie anders in hobbelende lijnen schreef: “wèl?”“Asjeblief!” zei Chris, ’r naaidoos met de lootjes overreikend: “asjeblief—da’s om te beware!”“Hei je dat gevonde?”, vroeg-ie met wetsrimpels in z’n voorhoofd.“Néé,” hijgde Chris, ’m ineens met ’rverweekendever-steening overdonderend: “nee—ze binne van mijn—de nommers hei ’k in me beurs—Kobus wil me vermoorde—de bedde binne leeg!”’t Natgelikt potlood-stompje, nog maagdlijk van proces-verbaal des dags, ontviel den omhaarden lippen.Het was te veel ineens.“Wat klèts je, meid?”, vroeg-ie streng.“Enkel de rokke hange over de stoel”—, gaf ze als knal-donder toe.De brigadier keek van de naaidoos naar Chris’ bevenden mond.Hij had ’r wel gekker gezien van z’n leven, maar niet zoo gááf.“Meid,” zei-ie pootig: “jij ben niet goed in orde!”“As je me niet gelooft!”—, snikte Chris ’r plots gierend op los—zooveel electriciteit móést nat geven!—: “ga je dan overtuige! De bedde binne leeg—enkel de rokke hange d’r—hìj heit ’r weet van—hij wil me vermoorde as ’k ’r van vertel....”Nòg zou het sensatie-geval in donkere windselen zijn gebleven, daar de brigadier te gestreng en Chris nù te ontdooid was, als de burgemeester niet binnen getreden ware.De welEdelachtbare, uit z’n humeur omdat-ie zonder boter had ontbeten—in de warmte was ze sterk geworden—de boer kwam maar ééns in de week—, de welEdelachtbare onder de impressie van z’n nacht-lectuur—in de late-avond-stilte had-ie juist den detective-romanEen geheimzinnige verdwijningverslonden, vèrslònden: ambtshalve, om zich te goed te doen aan de spitsvondigheden van zulke héerlijkedetectivesals daar ginds—, de welEdelachtbare werd onmiddellijk aandachtig, toen-ie Chris voorde derde maal hoorde snikken van leege bedden enmoord.“Wat is ’r met de dienstbode vanZwaluw?”—, vroeg-ie.“O—bùrgemeester—bùrgemeester!”—nok-griende de ouwe meid, zwaar onder ’r bovenrok gebarend, om ’r zakdoek te grijpen: “O, de hééle femilie is weg en Kobus—de stéker—wil memolle!”De burgemeester keek somber. Na den brand in de logeerkamer was-ie ’n weinig achterdochtig gebleven.Nu spookte ’t weer.“Laat de meid bij mij in de kamer”—, beval-ie: “dit geval wil ikpersoonlijkonderzoeken....”De groen-gevoerde deur van hetkabinetsuisde toe.De brigadier hernam z’n potlood voor de rechte lijnen, tot-ie gescheld werd.Nog geen half uur later keken de menschen uit de ramen.De burgemeester met twee agenten èn ouwe Chris, stapte metambtspassen.Ongetwijfeld had de familie Zwaluw eene dienstboden-quaestie.De burgemeester groette nauwlijks, zòo zat-ie in deschaduwzijner gedachten.Persoonlijk schelde hij aan—aan dè deur, net terwijl Kobusvan ’t dak naar binnen kroop.Twee, driemaal moest hij den knop berukken.“Wie daar?”—, vroeg Kobus door ’t luikje—hij zag den burgemeester, nièt de agenten.“Ik wensch ménéer te spreken,” zei de burgemeester kort van toon.“Meneer is nog niet bij de hand,” antwoordde de huisknecht allerkalmst.“En mevrouw?”“Mevrouw—mevrouw,” hakkelde Kobus zéér vluchtig—hij zou er op los liegen tot in ’t oneindige!—“mevrouw is op de badkamer, burgemeester....”Doorgaans was zulk een antwoord tegenover een bezoeker vanCasa Caravoldoende.Vandaag ketste ’t.“Ik wil mevrouw positief spreken”—, zei de burgemeester gestreng:desnoods òp de badkamer!”“Wacht u dan ’n oogenblikkie,” loog Kobus meesterlijk: “dan zal ’k ’t vrage.”Kalm mepte hij ’t luikje dicht en ging op de trap zittentranspireeren.As-ie praatte raakte-ie z’n baantje kwijt, onherroepelijk kwijt, had meneer gezegd.Wat drommel, dan most de burgemeester maar terug kommen!’s Morgens, ontbijt-tijd, visite en mevrouw willen zien as ze in ’r bad zat!Het luikje opnieuw openend, zei-ie met de welopgevoede stugheid van ’n bediende-die-weet-hóé’t-hoort:“Meneer de burgemeester—’t spijt mevrouw wel, maar ze ken u niet ontvange. Mevrouw is an ’r toilet bezig....”“Zoo vrindje,” snerpte de burgemeester, door de spleten van z’n oogen het beslistmisdadigers-typevan den huisknecht bespiedend: “Zoo! En meneer?”“Meneer sláápt nog,” fantaseerde de knecht: ’t is vannacht wat laat geworde....”“Dank je,” listigde het hoofd der politie, partij trekkend van de wenken desdetective-romans: “dank je zéér. Dan moet ’k de dienstbode Chris spreken....”Kobus werd beschaafd, gepast nijdig.As-ie Chris uit de keuken riep—van de vlucht had-ie op ’t dak nièts bespeurd—dan plapperde dat kuiken de heele familie op straat.En te-deksel, ’t liep de spuigaten uit dat ’n bezoeker—onverschillig of ’t de burgemeester was of ’n ander!—als-die niet ontvangen kòn worden, belet in de keuken vroeg.“Chris,” zei hij deftig, gelijk in ’n deftigen dienst betaamde: “Chris doet boodschappen ....”Chris, op zij van den deurpost, werd lijkwit bij zooveel leugens.“O”—begon ze, nader stappend.“Stil!”—gebood de burgemeester: “’t Is best man—heel best!”Plots deed-ie ’ncoup-d’état, maakte-die zichmeestervan de situatie.’n Waarlijkgeladenrevolver uit z’n binnenjas trekkend, ’n revolver die nog nimmer gebruikt was en nattig voelde van petroleum, omdat-ie het geweldenaars-ding net gister ontroest had—stak-ie den loop door het luikje en met barsche stem van médeklinkers en accenten, bulderde hij:“De deur openen en nièt van je plaats, of ’k schiet!”“Stik—wat hei ’k nou an de hand,” schrikte Kobus.“In naam der wetde deur openen èn nièt van je plaats!”—, herhaalde de burgemeester, wiens pupillen in zenuw-spanning tot geweekte èrwten vergrootten.Kobus bleef roerloos.“In naam der wet!”—, zei het politiehoofd nog eens,met den haan spelend.Hij was op dit moment ’t voorbeeld van eendetective.In Amerika hadden ze ’t ’m niet kunnen verbeteren.“Dan mot je maar door ’t luikie,” sprak Kobus moedeloos op ’n traptree nederzittend.“Zoo,” zei de burgemeester: “val je door de mand? Je verroert geen vin, kerel, of ’k dood je op de plááts. Agenten, klim door ’t raam van de logeerkamer!”Het was ’n gedecideerd bevel, doch niet zoo makkelijk na te komen.De dikste agent kòn niet klauteren—de dunste had ’n elastieke kous om z’n spataeren.Chris, thans het meest bij de hand, ging ’n trapje bij deLeuringsleenen—wat ze wel meer dee.Al dien ontzaglijken tijd hield de burgemeester Kobus inbedwang.Misschien zou ’t nooit meer zóómeesterlijkin Holland geschieden.“Ik heb ’r lak an,” praatte de misdadiger cynisch: “as ze d’r voete maar vege. Lekkere poote zalle dat zijn—met teelaarde en al!”De dikke agent richtte ’t laddertje—de dunne kroop over ’t kozijn—toen hield Chris ’t trapje voor den dikke in evenwicht.“Als je ’n gebáár maakt!”, dreigde de burgemeesterdoor ’t luikje: “ben je een kind des doods.”’t Fijne zweet perrelde op z’n voorhoofd. Als de misdadiger gelegenheid had desporenvan z’n daad in derhaast te verbergen, was ’n boel verloren.Kobus lachte schaapachtig.“’t Is goeie hoor,” grinnekte-die gelaten: “as je maar niet door de ruit van de tochtdeur schiet.”Met werd-ie door de agenten gegrepen.“Boeit ’m,” zei de burgemeester.Z’n revolver bleef dreigen, tot Kobus achter de tochtdeur verdween.Toen bestapte dedetectivezelf ’t laddertje en in de logeerkamer, bewuster, nu de vogel geknipt was, begon-ie dadelijk z’n verhoor.“Waar is meneer Zwaluw?”—, vroeg-ie.“Weet ’k niet.”“En hij lei nog te bed?”“Dan hei-’k me vergist....”“En mevrouw?”“Weet ’k niet.”“En ze was in de bàdkamer.”“Dat dacht ’k....”“Wat dee jij op ’t dàk?”“De schoorsteen rookte.”“Dat liegt-ie,” riep Chris, die op ’t laddertje stond en ’r hoofd over ’t kozijn stak: “de kachel is niet an!”“Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd?”—, sprak de burgemeester, als ’n scherprechter.“Weet ’k niet,” antwoordde Kobus voor de derde maal.“Dat weet jij wèl,” drong de ondervrager aan.“Nou dan weet ’k ’t wel,” zei de knecht onbeschaamd: “’k Heb ze opgevrete—nou hoor je ’t!”Chris plofte van de trapleer in deaucuba’s— de agenten knepen sterker de boeien.“Hou dien kerel vast tot ikhuisonderzoekheb gedaan,” gebood de burgemeester.Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde hij ’t geheele huis, de kasten, de buffetten.Zelfs ónder de bedden zochten z’n loerende oogen.In de badkamer was ’t water nog aangenaam lauw—in de eetkamer sloeg bruine damp uit den drooggestookten theepot.Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nogwarmeeieren.Een raadsel, een gruwelijk raadsel.Er was géén achterdeur.Zwaluwhad destijds.... gelogen.En nu was-ie misschien dupe vàn die leugens geworden.Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam—er warenvoetsporenin den groenen aanslag.Dat was ièts,Op ’t dak waagde-die zich niet.Wie wist wat ’t dàk verborg....Dat zou-ie laten onderzoeken.Besogne voor agent Stips, die vroeger glazenwasscher geweest was.Omlaag gaand, trok ’nvochtigeplek op het portaal z’n aandacht.“Voor ’t laatst,” sprak-ie met hoog-roode kleur: “voor ’t láátst vraag ik je, kerel, wàt ’r met de familie is gebeurd!”“Ze zitte in me zak,” zei Kobus nuchter.“Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?”“Da’s mijn zaak....”“Hoe komt ’r boven op ’t portaal zoo’n vreemde vlek, man?”“’k Heb de honde niet kenne uitlate.—En verder doe ’k geen bek meer ope.”“In naam der wet—arresteer ’k je,” zei de burgemeester: “breng dien man naar den post, agenten!”“Langs ’t làddertje?”—, vroeg die van de spataeren.“Natuurlijk,” zei de chef: “de deur is op de grendels....”Het werd een lugubere stoet.’t Heele dorp liep uit....

“De wolken worden zwaarder, en de maanGaat achter hunne breede ruggen schuil,En luider schreeuwt de wind met barsch gehuil.Plots stroomt de regen neer, de helle vaanDes bliksems trilt op hoogen wolkendam....Dàn siddert alles, vreesbevangen, stom.”(Edward B. Koster).“De wind was door het Noorden geloopen en was toen gaan liggen....”(Frans Netscher).

“De wolken worden zwaarder, en de maan

Gaat achter hunne breede ruggen schuil,

En luider schreeuwt de wind met barsch gehuil.

Plots stroomt de regen neer, de helle vaan

Des bliksems trilt op hoogen wolkendam....

Dàn siddert alles, vreesbevangen, stom.”

(Edward B. Koster).

(Frans Netscher).

Chris hád geklopt, hád ’t bad gevuld, hád gedekt—Kobus hád de bus opgehaald.

De huishouding was normaal verloopen. ’t Ontbijt wachtte, de thee pruttelde—’t bleef stil.

“Wat slape ze,” zei Chris.

“Ikzal nog is gaan wekke,” zei Kobus.

Hard beklopte-die de slaapkamer—toen, angstig,opende-die de deur. Weerlichs! Nòg niet thuis! As ze maar geen ongeluk gekrege hadde. Vlug klauterde-die op ’t dak, keek het hemelruim af. Geen vogel. Geen stip.

Benee, voor ’t huis, passeerde ’n agent, die vreemd naar boven keek.

“Zoek je wat?”,—vroeg-ie.

“Nee,” zei Kobus: “de schoorsteen rookt.”

“Mot je daarvoor in de goot klimme?”

“’t Mot voor meneer,” riep Kobus òm wat te zeggen.

De agent, rustig-pruimend, taxeerde den rookloozen schoorsteen.

“Val d’r maar niet af,” maande-die.

“Welnee, man,” lachte Kobus gedwongen.

Op dat moment schreeuwde Chris aan de trap.

“Kobùùùs! Kobùùùùs!”

“Ja?”—, vroeg-ie in huis terugstappend.

“Kobùùùùùs!”

“Ja?”

“De bedde binne leeg, Kobùùùs! O, Kobùùùs, kom is gauw na beneje! Kobùùùùùs! Kobùùùùs!”....

De ouwe meid was ’m na-gesjokt, had voor de twééde maal de ònbeslapen bedden, in keurigste orde, gezien.

“Gil zoo niet,” zei Kobus verwoed.

“De bedde binne leeg—de bedde binne leeg!”

“Zet niet zoo’n smòèl op!”—, raasde hij, de schippertjes, die mee begonnen te keffen, ’n trap gevend: “wat doet ’t ’r toe of ze leeg binne!”

Het was geencorrecteuiteenzetting.

Het bad wachtte.

De theekookte.

De eierenversteven.

In eene behoorlijke familie pleegt menzichtbaarop te staan.

Chris, nog niet te dreef na de vroegere ellende, de vele schrikken, de koortsvisioenen, keek in de leege, gesoigneerde slaapkamer.

De zijden sprei lei zonder ’n rimpel—er waren geen kleeren—geen bottines.

Alleen op ’n stoel, luguber-verlaten, snel te hoop geworpen,puildende rokken, derokkenvan mevrouw en juffrouw Amélie, de rokken die ze den vorigen avond hadden gedragen, toen ze naar bèd gingen.

“O, Kobus”—, hakkelde Chris, náár lang de driè klinkers rekkend: “Ze binne d’r niet! En de rokke, de rokke....”

“Zou je ophoue met je gebler!”—, zei hij, grimmig: “doe de deur toe!”

“O, o”—, klaagde ze, geelbleek van ontdaanheid: “ik blijf geen menuut langer hier!”

“Zie dat je de deur uit komt, kuiken!”—,schimpte hij: “jij maakt larie om niks. Ze binne wèl thuis!”

“Wel thuis?”—vroeg ze: “waar dan?”

“Dat gaat je niet an!”

Toen werd ze bàng voor ’m.

“Dan weet jij méér”—, zei ze, achteruit strompelend.

“Dat doe ’k ook!”—, snauwde hij: “en as je één van de buren wat durft zegge—as je tong te lang is—dan—danvermóórd’k je!”

’n Bandiet had ’t woordvermoordniet bloederiger kunnen lanceeren.

’t Schokte hem òver-rauw uit z’n keel, bevreesd as-ie was voor Chris’ geweldige zotte streken.

Zij, zich ver-plankend tegen den wit-kalkten muur, stram van stuipenden schrik, werd één laaiend oogenblik bleeker van witheid dan de kalk die nog pas in ’t voorjaar ’n lekkere beurt had gehad.

Bij intuïtie zochten ’r lichaam en ’r gelaat den steun der omgeving.

’n Beest in angstassimileertzich met ’t coloriet der naaste natuur—’n haas heeft zandkleur—’n rups ’t groen der blaren—’n ouwe, eerbare dienstmaagd, beklauwd door ’t meest duvelsch woord uit mansmond—versteentin gebaar enverpleistertals witkalk.

Chris, zelfs niet oog-knipperend, staarde bewustloos van Kobus naar den stoel met mevrouw’s katoentje en Amélie’s zomersche jurk.

Ze voelde dat ze voor ’r behoud èn voor ’t behoud van ’rnaaidoosmet de amsterdamsche lootjes, tegenover den verdachten huisknechtkoelbloedigmoest zijn.

Anders stróómde ’r bloed.

“Ik zal niemand wat zegge,” sprak ze, nog steedsinden muur,inde witkalk: “as jij maar zeker weet datte ze thuis binne.”

“Dat wéét ’k ....”

“Zeg ze dan”—, praatte ze met versteende tong en wit-doode woorden: “dat ’t bad vol geloope is.”

“Dat zàl ’k ze zegge,” beet hij haar nijdig toe.

“En datte de eiere koud worde”—, bracht ze ’r ont-zield, tegel-kil uit.

“Dat zàl ’k! Dat zal ’k!”—, riep Kobus de zoldertrap opkieperend, gevolgd door Tutu en Zo, die gezellig blaften en lustig de gang bevuilden, omdat ze moeilijk door ’t deurluikje uit gelaten konden worden.

Chris bleef een oogenblik zoo loodrecht àls de muur.

Toen, gedragen door ’r koelbloedigheid, stapte ze de wijde diepten der trap-treden af, ging delogeer-kamer binnen, sloot de deur, greep ’rnaaidoos, liet zich zonder aarzeling uit het venster vallen.

Op handen en voeten kwam ze in de teelaarde van ’taucuba-perk neer, schokte overeind en den horlogemaker voorbij-schietend, die de klokken kwam reguleeren, holde ze op ’n draf naar ’t politiebureau, naast ’t nieuwe Brandspuithuisje.

“Wèl?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die net ’n folio-blad zat te linieeren, omdat-ie anders in hobbelende lijnen schreef: “wèl?”

“Asjeblief!” zei Chris, ’r naaidoos met de lootjes overreikend: “asjeblief—da’s om te beware!”

“Hei je dat gevonde?”, vroeg-ie met wetsrimpels in z’n voorhoofd.

“Néé,” hijgde Chris, ’m ineens met ’rverweekendever-steening overdonderend: “nee—ze binne van mijn—de nommers hei ’k in me beurs—Kobus wil me vermoorde—de bedde binne leeg!”

’t Natgelikt potlood-stompje, nog maagdlijk van proces-verbaal des dags, ontviel den omhaarden lippen.

Het was te veel ineens.

“Wat klèts je, meid?”, vroeg-ie streng.

“Enkel de rokke hange over de stoel”—, gaf ze als knal-donder toe.

De brigadier keek van de naaidoos naar Chris’ bevenden mond.

Hij had ’r wel gekker gezien van z’n leven, maar niet zoo gááf.

“Meid,” zei-ie pootig: “jij ben niet goed in orde!”

“As je me niet gelooft!”—, snikte Chris ’r plots gierend op los—zooveel electriciteit móést nat geven!—: “ga je dan overtuige! De bedde binne leeg—enkel de rokke hange d’r—hìj heit ’r weet van—hij wil me vermoorde as ’k ’r van vertel....”

Nòg zou het sensatie-geval in donkere windselen zijn gebleven, daar de brigadier te gestreng en Chris nù te ontdooid was, als de burgemeester niet binnen getreden ware.

De welEdelachtbare, uit z’n humeur omdat-ie zonder boter had ontbeten—in de warmte was ze sterk geworden—de boer kwam maar ééns in de week—, de welEdelachtbare onder de impressie van z’n nacht-lectuur—in de late-avond-stilte had-ie juist den detective-romanEen geheimzinnige verdwijningverslonden, vèrslònden: ambtshalve, om zich te goed te doen aan de spitsvondigheden van zulke héerlijkedetectivesals daar ginds—, de welEdelachtbare werd onmiddellijk aandachtig, toen-ie Chris voorde derde maal hoorde snikken van leege bedden enmoord.

“Wat is ’r met de dienstbode vanZwaluw?”—, vroeg-ie.

“O—bùrgemeester—bùrgemeester!”—nok-griende de ouwe meid, zwaar onder ’r bovenrok gebarend, om ’r zakdoek te grijpen: “O, de hééle femilie is weg en Kobus—de stéker—wil memolle!”

De burgemeester keek somber. Na den brand in de logeerkamer was-ie ’n weinig achterdochtig gebleven.

Nu spookte ’t weer.

“Laat de meid bij mij in de kamer”—, beval-ie: “dit geval wil ikpersoonlijkonderzoeken....”

De groen-gevoerde deur van hetkabinetsuisde toe.

De brigadier hernam z’n potlood voor de rechte lijnen, tot-ie gescheld werd.

Nog geen half uur later keken de menschen uit de ramen.

De burgemeester met twee agenten èn ouwe Chris, stapte metambtspassen.

Ongetwijfeld had de familie Zwaluw eene dienstboden-quaestie.

De burgemeester groette nauwlijks, zòo zat-ie in deschaduwzijner gedachten.

Persoonlijk schelde hij aan—aan dè deur, net terwijl Kobusvan ’t dak naar binnen kroop.

Twee, driemaal moest hij den knop berukken.

“Wie daar?”—, vroeg Kobus door ’t luikje—hij zag den burgemeester, nièt de agenten.

“Ik wensch ménéer te spreken,” zei de burgemeester kort van toon.

“Meneer is nog niet bij de hand,” antwoordde de huisknecht allerkalmst.

“En mevrouw?”

“Mevrouw—mevrouw,” hakkelde Kobus zéér vluchtig—hij zou er op los liegen tot in ’t oneindige!—“mevrouw is op de badkamer, burgemeester....”

Doorgaans was zulk een antwoord tegenover een bezoeker vanCasa Caravoldoende.

Vandaag ketste ’t.

“Ik wil mevrouw positief spreken”—, zei de burgemeester gestreng:desnoods òp de badkamer!”

“Wacht u dan ’n oogenblikkie,” loog Kobus meesterlijk: “dan zal ’k ’t vrage.”

Kalm mepte hij ’t luikje dicht en ging op de trap zittentranspireeren.

As-ie praatte raakte-ie z’n baantje kwijt, onherroepelijk kwijt, had meneer gezegd.

Wat drommel, dan most de burgemeester maar terug kommen!

’s Morgens, ontbijt-tijd, visite en mevrouw willen zien as ze in ’r bad zat!

Het luikje opnieuw openend, zei-ie met de welopgevoede stugheid van ’n bediende-die-weet-hóé’t-hoort:

“Meneer de burgemeester—’t spijt mevrouw wel, maar ze ken u niet ontvange. Mevrouw is an ’r toilet bezig....”

“Zoo vrindje,” snerpte de burgemeester, door de spleten van z’n oogen het beslistmisdadigers-typevan den huisknecht bespiedend: “Zoo! En meneer?”

“Meneer sláápt nog,” fantaseerde de knecht: ’t is vannacht wat laat geworde....”

“Dank je,” listigde het hoofd der politie, partij trekkend van de wenken desdetective-romans: “dank je zéér. Dan moet ’k de dienstbode Chris spreken....”

Kobus werd beschaafd, gepast nijdig.

As-ie Chris uit de keuken riep—van de vlucht had-ie op ’t dak nièts bespeurd—dan plapperde dat kuiken de heele familie op straat.

En te-deksel, ’t liep de spuigaten uit dat ’n bezoeker—onverschillig of ’t de burgemeester was of ’n ander!—als-die niet ontvangen kòn worden, belet in de keuken vroeg.

“Chris,” zei hij deftig, gelijk in ’n deftigen dienst betaamde: “Chris doet boodschappen ....”

Chris, op zij van den deurpost, werd lijkwit bij zooveel leugens.

“O”—begon ze, nader stappend.

“Stil!”—gebood de burgemeester: “’t Is best man—heel best!”

Plots deed-ie ’ncoup-d’état, maakte-die zichmeestervan de situatie.

’n Waarlijkgeladenrevolver uit z’n binnenjas trekkend, ’n revolver die nog nimmer gebruikt was en nattig voelde van petroleum, omdat-ie het geweldenaars-ding net gister ontroest had—stak-ie den loop door het luikje en met barsche stem van médeklinkers en accenten, bulderde hij:

“De deur openen en nièt van je plaats, of ’k schiet!”

“Stik—wat hei ’k nou an de hand,” schrikte Kobus.

“In naam der wetde deur openen èn nièt van je plaats!”—, herhaalde de burgemeester, wiens pupillen in zenuw-spanning tot geweekte èrwten vergrootten.

Kobus bleef roerloos.

“In naam der wet!”—, zei het politiehoofd nog eens,met den haan spelend.

Hij was op dit moment ’t voorbeeld van eendetective.

In Amerika hadden ze ’t ’m niet kunnen verbeteren.

“Dan mot je maar door ’t luikie,” sprak Kobus moedeloos op ’n traptree nederzittend.

“Zoo,” zei de burgemeester: “val je door de mand? Je verroert geen vin, kerel, of ’k dood je op de plááts. Agenten, klim door ’t raam van de logeerkamer!”

Het was ’n gedecideerd bevel, doch niet zoo makkelijk na te komen.

De dikste agent kòn niet klauteren—de dunste had ’n elastieke kous om z’n spataeren.

Chris, thans het meest bij de hand, ging ’n trapje bij deLeuringsleenen—wat ze wel meer dee.

Al dien ontzaglijken tijd hield de burgemeester Kobus inbedwang.

Misschien zou ’t nooit meer zóómeesterlijkin Holland geschieden.

“Ik heb ’r lak an,” praatte de misdadiger cynisch: “as ze d’r voete maar vege. Lekkere poote zalle dat zijn—met teelaarde en al!”

De dikke agent richtte ’t laddertje—de dunne kroop over ’t kozijn—toen hield Chris ’t trapje voor den dikke in evenwicht.

“Als je ’n gebáár maakt!”, dreigde de burgemeesterdoor ’t luikje: “ben je een kind des doods.”

’t Fijne zweet perrelde op z’n voorhoofd. Als de misdadiger gelegenheid had desporenvan z’n daad in derhaast te verbergen, was ’n boel verloren.

Kobus lachte schaapachtig.

“’t Is goeie hoor,” grinnekte-die gelaten: “as je maar niet door de ruit van de tochtdeur schiet.”

Met werd-ie door de agenten gegrepen.

“Boeit ’m,” zei de burgemeester.

Z’n revolver bleef dreigen, tot Kobus achter de tochtdeur verdween.

Toen bestapte dedetectivezelf ’t laddertje en in de logeerkamer, bewuster, nu de vogel geknipt was, begon-ie dadelijk z’n verhoor.

“Waar is meneer Zwaluw?”—, vroeg-ie.

“Weet ’k niet.”

“En hij lei nog te bed?”

“Dan hei-’k me vergist....”

“En mevrouw?”

“Weet ’k niet.”

“En ze was in de bàdkamer.”

“Dat dacht ’k....”

“Wat dee jij op ’t dàk?”

“De schoorsteen rookte.”

“Dat liegt-ie,” riep Chris, die op ’t laddertje stond en ’r hoofd over ’t kozijn stak: “de kachel is niet an!”

“Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd?”—, sprak de burgemeester, als ’n scherprechter.

“Weet ’k niet,” antwoordde Kobus voor de derde maal.

“Dat weet jij wèl,” drong de ondervrager aan.

“Nou dan weet ’k ’t wel,” zei de knecht onbeschaamd: “’k Heb ze opgevrete—nou hoor je ’t!”

Chris plofte van de trapleer in deaucuba’s— de agenten knepen sterker de boeien.

“Hou dien kerel vast tot ikhuisonderzoekheb gedaan,” gebood de burgemeester.

Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde hij ’t geheele huis, de kasten, de buffetten.

Zelfs ónder de bedden zochten z’n loerende oogen.

In de badkamer was ’t water nog aangenaam lauw—in de eetkamer sloeg bruine damp uit den drooggestookten theepot.

Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nogwarmeeieren.

Een raadsel, een gruwelijk raadsel.

Er was géén achterdeur.Zwaluwhad destijds.... gelogen.

En nu was-ie misschien dupe vàn die leugens geworden.

Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam—er warenvoetsporenin den groenen aanslag.

Dat was ièts,

Op ’t dak waagde-die zich niet.

Wie wist wat ’t dàk verborg....

Dat zou-ie laten onderzoeken.

Besogne voor agent Stips, die vroeger glazenwasscher geweest was.

Omlaag gaand, trok ’nvochtigeplek op het portaal z’n aandacht.

“Voor ’t laatst,” sprak-ie met hoog-roode kleur: “voor ’t láátst vraag ik je, kerel, wàt ’r met de familie is gebeurd!”

“Ze zitte in me zak,” zei Kobus nuchter.

“Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?”

“Da’s mijn zaak....”

“Hoe komt ’r boven op ’t portaal zoo’n vreemde vlek, man?”

“’k Heb de honde niet kenne uitlate.—En verder doe ’k geen bek meer ope.”

“In naam der wet—arresteer ’k je,” zei de burgemeester: “breng dien man naar den post, agenten!”

“Langs ’t làddertje?”—, vroeg die van de spataeren.

“Natuurlijk,” zei de chef: “de deur is op de grendels....”

Het werd een lugubere stoet.

’t Heele dorp liep uit....

Negende Kapittel.Angsten en vrede.“Come what come may—time and the hour run through the roughest day....”(Longfellow).“Het had heel wat moeite gekost....”(Eenzamen,Willem Gerard van Nouhuys).Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op den toren.Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere dageraad.Het verre landschap traagde in ’n nevel, die de landen besloop....Pijnlijk-kreunend, z’n tintel-kloppend been dat aan het lichaam gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden leeuws naar het gemelijk-onlekkere van ’t bovenaardsch zitje.Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op de rotsen van St. Helena.Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde hem studieus.“Verdraaid—verdraaid!”—, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.Toen zij, zij de vrouw die met ’mverhongerde, gister van den beambte der gasfabriek sprak, die elken tweedenZaterdagvan de maand kwam,had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische berekening dat elke Zaterdag eenZondagvoor schaduw heeft—en op Zondag werd geenszins, in geenbeschaafdlandbegraven.Nu, de armen gekruist, ’s morgens om drieën, dacht-ie met onvaste, door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeentenin de kerkgeen vermoeden zou hebben van de zwerversop een toren.Hij hield ’t niet uit.De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die ’m toch ééns moest ontvangen.Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geenfatsoenlijkebegrafenis hebben.O, gruwel—misschien zou ’t na wéken de aandacht trekken, dat zooveel raven om de ruïne saamschoolden.Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken, en ineens bukkend raapte hij ’t miniatuur-ommeletje der uitgebrande kaars, proefde er met de voortanden van—gelijk-ie als knaap had gedaan van ’n tablet chocola.Het wàs te eten.Van honger krankzinnige zeelieden haddenmekaarwel geslacht en verslonden.Bij dàt vergeleken wasstéarineeene delicatesse, een versnapering, ’n greep uit ’nbon-bonnière.Gulzig kauwend op ’t eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen niet te wekken—wie wist waarvan zedroomden?—herinnerde-die zich niet van de Hoogere-Burgerschool ’t nooit begrepen spreekwoord: “qui dort dine....”?—, nam-ie de vliegmachines in z’n handen.Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen’n lengte van vier meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op eendoodensprongmaakte vier meter geen verschil.Toch passend en wikkend—pruimend op ’t pitje der kaars—bleef-ie in berekening—tot-ie bijna van verrassinggilde. Z’n knutselende vingers hadden den knop van Amélie’s parachute aangeraakt. Nagenoeg gaaf veerde de parachute uit de stang. ’t Leek niet te gelooven.Eergisteravond was-ie ’n kuiken geweest, ’n logisch-redeneerendkuiken.Want toen-ie na ’t vlammen-onheil en na de bekoeling der aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie’s onderste vliegmachine te aanschouwen, die in ’t felste van ’t brandje geweest was.Dit was een wonder.En ’n domheid.Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, ’n glim, want héélemaal gaaf was de parachute niet.Bij één balein was de zijde ’n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde of kantelde, kwam jeontzield neer.Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie nietvoorbariggegild had, hurkte als een Indiaan bij het vredesvuur.Er waren eenige kansen ter overweging:—verhongeren (wat géén kans kon heeten)—vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende oogen mooglijk dood neerstorten—vrouw en kind niét wekken en de reis naar deLetheop eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.Met zware rimpels in ’t voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen, stak hij z’n laatste sigaar op, deed ’n paar trekken.Anders fleurde ’n sigaar ’m op—in dat bar-vroege ochtenduur miste ze ’r inspireerende werking.Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de voor-voeling van den val—de zuiging—’t houvast-verlorene.Dieper boog z’n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven de rimpels in ’t voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.Dan vàst-besloten, met ’n cynisme, waarvan de herinnering ’m nog in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast, lei z’n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van ’r op ’t plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in ’t knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner of wandeling,’n bouton de rosehad gegeurd.Op ’t punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor ze in ’n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie z’n vulpenhouder en schreef in ’t notitieboekje: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding”—, toen trok-ie het visitekaartje uit z’n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:Visitekaartje van Pieter E. Zwaluw met tekst: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren.”Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze ’m bij de éérste begrafenis vinden en ’t spoor der andere verdwenenen speuren—dan zouden ze alle driehereenigdworden in den familie-grafkelder, waarin ook Zwaluw Senior en zijnmoederlagen.Even werden z’n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening—dan, zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart enhaarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die wat van ’m leek te moeten hebben, zóó als-ie ’m ankeek—en bestaarde voor ’t laatst het landschap, ’t kleur-vattend groen, de boomtoppen, de grafzerken.De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden, alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.“Het iszuur,” peinsde hij zeer kort: “het is in élk opzicht zuur—de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren—de ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar—een màn aarzelt niet!”Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.Zelfs mèt een leege maag heeft ’t leven z’n aangename zijden.Welk eene gaping tusschen eergister en heden.Toen ingezetene met ’n charmant huis en alle geneugten—vandaag ’n desperaat mensch boven ’n afgrond.Wreeder kon ’t niet—acuter leerde ’t nauwlijks de wereldhistorie.’t Geritsel van den uildreefhem in de diepte.Als ze ontwaakten kreeg je ’n hartverscheurend afscheid.Stevig de vingers klemmend om de gekwetsteplek der parachute liet-ie zich gaan, de oogen gesloten.De wind zoog als ’n blaasbalg in z’n neusgaten, builde z’n jas open, bolde z’n broekspijpen.Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.Niet zoo snel als z’n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.Met ’n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z’n enkel verzwikt, lei languit op den beganen grond van ’t kerkhof.“God zij gedankt,” zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: “’r liggen ’r hier in minder goede conditie,” en met ’n opgeruimdheid die ’m de pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te waarschuwen dat-iebehoudengearriveerd was.Ze hoorden ’m niet.“Vrouw! Amélie!”—, schreeuwde hij, de handen als ’n roeper om den mond. ’t Bleef boven stil.Nog ’n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk strompelend, klom-ie over ’t puntdradige hek van ’t kerkhof, dat ’m zóólang van ’t leven en de vrijheid gescheiden had.’n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met ’n voet die hoe langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.’n Boerensjees reed voorbij.“Hallo!”, riep de heer Zwaluw.“Waablief?”—, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer taxeerend, dat in ’n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en met ’n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.“Mag ’k meerijjen—ik zal ’t goed met je maken?”“Om de weerlicht nie,” betoogde de man in de sjees: “jij lijkt wel erges uit-gebroke te zijn....”“Dat bèn ’k ook,” praatte Pieter Zwaluw; “uit ’t kerkhof.”De boer trok de leidsels aan.“Rij in Godesnaam niet door!”, smeekte Pieter, ziek van pijn en duizeligheid: “ik geef je vijf en twintig gulden as je me na ’t dorp brengt!”’t Bankje, uit z’n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.“Stijg dan maar op,” zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar z’n mes tastend voor ’t geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg ’n zálige beweging dorpwaarts.“Heb jij je poot bezeerd?”, vroeg de boer.“Ja,” zei de heer Zwaluw op ’t punt te ònmachtigen.“Hoe komt dat dan zoo?”, hield de boer aan,de leidsels in de eene hand, ’t mes bij de andere.“Ik ben van den toren gesprongen,” lei Pieter uit, lang-gerekt geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als ’n uitgeputte hongerlijder.“Zoo,” antwoordde de boer ongerust—straks had-ie ’n gek, ’n losgebroken gek naast zich zitten: “Zoo ben jij van ’n tóren gesprongen? Wel man—da’s héél knap.”“Ja,” geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: “en ’k heb ’n razenden honger—’k heb”—even nam-ie rust voor n’ nieuwe diep-deinende geeuwing: “’k heb niks as ’n stukkie kaarsvet gegeten....”“Wel—wel,” grinnekte de boer doodelijk-angstig—nog liever ’n struikroover as ’n krankzinnige naast je!—“wel, wel! Nou da’s héél lekker. Dat eten we thuis ook.” Je most ze niet tegenspreken. “Hurt! Hurt!”De opgejaagde zweep striemde ’t paard, dat ’r vandoor vlóóg: “En—en—die kapotte fiets—waar hei je die vandaan? ...”“Nérgens,” sprak de heer Zwaluw in ’n flauwte opzij-zakkend.“Nou—da’s ’n geval!”, gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend, maar ineens boog-ie dicht ’t hoofd naar de borst van den vent, die met lapjes van vijf en twintig sméét en met ’nverbluffing die ’m de haren te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”“Christeneziele!”, zei-ie ’t paard voortzwiepend: “Hurt! Hurt, Kees!”’t Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.’n Leege maag met ’n eindje stearine-kaars en ’n gemeen-verzwikten voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar ’n aangespoeld wrak.De boer, ongezellig-warm, met ’n krijtwit gelaat, joeg de sjees over de slapende keien van ’t dorp.En voor ’t politiebureau hield-ie in met ’n dankbaren ruk. Het paard beefde op de beenen.In de stilte van ’t straatje ploften twee stevige schoenen van den bok—en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.“Ja?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die met ’t neuswarmertje in z’n hand, in de rust van ’t accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.“Christeneziele!”, bulkte de boer: “wat me daar is overkomme! Ik breng je ’n gek—een die met ’n kapotte fiets van ’n toren is gespronge, met enkel ’n kaars in z’n maag en ’n brief op z’n borst!”“Daar begrijp ’k geen snars van,” zei de brigadier; “met gekke mot je niet hièr weze!”“Wel gedorie!”, vloekte de boer: “as je ’m nie overneemt, zet ’k ’m op ’t stoepie!”“Dat zel jij wel late, man. Dan zou ’k jou leelijk bekeure!”“As-die nou toch van z’n zelve leit,” raasde de boer: “mot ’k ’n gek houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen te zette. De wagen is mijn eigendom....”De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten, klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in ’t blauw-bleek gelaat van een dergeheimzinnig-verdwenenen.“Da’s léelijk,” zei-ie: “da’s meneer Zwaluw—en die is dóód. Waar hei-je ’m gevonden?”“Hij is nie dood,” zei de boer ongerust: “Help ’m maar na binnen drage....”In de wachtkamer, op ’n paar stoelen, leien ze ’m neer en daar met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de geheimzinnig-gruwelijke woorden—in verband met de moorden van Kobus-den-huisknecht: “mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”“Dadelijk de burgemeester hale!”, gelastte de brigadier: “zoo iets schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht lévend verbrande....”Op den toren vanKoepelsteyngeschiedde inmiddels eene andere dièp-tragische gebeurtenis.Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap—de jeugd slaapt op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid groeien—welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.Ma sliep nog, ’t hoofd op háár knie.Nee, ze zou zich niet bewegen—ma had ’t zoo noodig.Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.En in angst-reflex gilde ze: “Ma! Mòéder!”“Wat is ’r?”—, vroeg mevrouw dood-van-slaap.“Pa is wèg!...”“Wàt zeg je!”—, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was geen vergissing mogelijk. ’t Plateau wàs te overzien.“O,” zei mevrouw angstig.“O—O!”—, huilde Amélie: “hij is van den toren gesprongen uit wanhoop!”Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen en groen.“Genadige hemel—op zóó’n manierweduwete worden!”—, snikte mevrouw.Amélie had ’t zakboekje opgenomen, las de woorden: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding!”“O ma—má—pa heeft zich voor ons opgeofferd—die goeie, beste, lieve pa—en nutteloos—nutteloos—nou ligt-ie dood in de struiken benee—en wij kunnen hier óók sterven....”Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie’s handen en las denlaatsten wil, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp geschreven had.Door ’t waas voor ’r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters van den doode: “Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefdevrouwen mijninnig-geliefdedochter en wensch met haar samen in den familie-grafkelderhier omlaagte worden bijgezet. Mochten wij alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over zal hebben, mits de naamPieter Zwaluwaan het fonds verblijve en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomstgeopendte laten, om onverantwoordelijkeopsluitingen, als waarvan wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten in hetgemeente-museumbewaard blijven, als aandenken aan hen, die zoo hoog in de wolken eenmarteldoodzijn gestorven.Pieter Everhardus Zwaluw.”“De èngel!”, nokte mevrouw voor ’t éérst van ’r leven na de lang-geleden bruidsdagen in deCharcuterie.Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die telaatde schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt—Amélie schreide heftig.Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat gerucht vernomen—geen toren van Barneveld—geen van Solness—geen Notre Dame.Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig—gekerkerd op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter omlaag is gesprongen—’t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.De handen wringend in de buurschap van den uil diede daadhad gezien, de beenen inzijnbroek—welke deerniswaardige herinnering!—besnikte mevrouw het Verleden.Pieter Everhardus Zwaluw—zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte en materie verlangde—gebaarde thans in hare verbeelding, met een zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanighedenverzwommen.Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijngoedheidenvoortreffelijkheidzet (nadere scheurkalender-vondst).Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op ’t folterbankje der-ik-heb-’t-laatste-woord mishandeld.Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter, de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het vocht van het plateau in sidderende dampen.De vogels op ’t kerkhof floten, schoten naar de nesten—’t vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de vroegmis te luiden.“Ma,” sprak Amélie.Mevrouw bleef in smartlijke versteening.“Ma,” zei Amélie nog eens: “àrme ma.”“Arm kind,” antwoordde de weduwe.“Misschien is ’r ’n wònder gebeurd, ma.”“Nee,” knikte mevrouw.“Laat u ’t hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks.”“Als we wat zagen, zou ’t nòg schriklijker zijn,” snikte mevrouw.“Heeft u erge honger?”, vroeg Amélie na ’n poos om te tróósten.“Niet meer,” zei mevrouw over àlles heen.“Dat zegt u maar,” redeneerde Amélie: “toe, denk an nìks, ma!”Ma antwoordde niet—Amélie begonop ’r nagels te bijten.Van ’r vroegste jeugd had ze ’t gedaan—vandaag dee ze ’t hardnekkig in ’r pogingen om ’r moeder af te leiden.’r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.’n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk ’n leege.De zon scheen ’r warm in ’t gelaat, stoofde ’r hoofd, kokend en opgehitst. De benauwende broeiing maakte ’r ongevoelig.Als ’n beest begon ze den uil te beloeren. ’t Was ’n welgevulde dikkert met vleezige pooten en ’n smaaklijken nek.Zoogedegenereerdgeraakte ze door de werking van ’r maag en ’t verlangen om ’r moeder ’n troostenden hap te geven, dat ze ’r vader vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den uil bespiedde.Ze kreeg ’r ’n kleur bij—’r handen kromden als klauwen—’r rug boog in sprong.Nooit in ’r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie, bestiale gevoel om ’n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil, terwijl ’nbeschaafdmensch naar vegetarisme neigde.Als ze ’m te pakken had gekregen—zij, die drie dagen geleden nog geen kanarie in ’r handen durfde te nemen—had ze ’m z’n nek omgedraaid—én geplukt—èn met ’r nagelschaartje gehalveerd—èn rauw geslokt.’n Door honger gefolterd mensch werd ’nijselijkdier.... Gelukkig kwam het niet tot de euveldaad.Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van ’r dochter, vroeg ze:“Amélie—wat doe je?”“Niks ma.”“Wat kijk je dan?”“Suscht, ma! Suscht! U praat ’m wàkker.’k Had ’m net haast te pakken!”“Jakkus,” zei mevrouw: “hoe kom je op de inval?”En ze zwegen geslagen.De kerkklokken rondom luidden nu alle.Mevrouw vouwde de handen—Amélie keek van den uil naar den eenzamen landweg.De zon, hooger aan den hemel, braadde haar rug.Warmte was ellendiger dan regen—om twaalf uur zou ’t niet uit te houden zijn.In Godsnaam.’n Zonnesteek onder de omstandigheden was ’n weldaad.Uitkomst op Zondag was onmogelijk.Al ’r idealen te begraven op ’n toren, al ’r droomen en jeugdverlangens—welk ’n einde.Toen, wakker geschokt, klaar van denken, botste ze op.In de verte naderde ’n stoet, ’n stevige menschendrom.“Ma!”—, gilde ze.Mevrouw schrikte, keek over de borstwering.“De hemel zij geprezen—’n begrafenis!”—sprak Amélie koortsachtig-gejaagd: “o, o, wat ’n geluk—en net te laat om armen pa ook te redden.”“Stil! Stil!”, zeide mevrouw: “misschien gaan ze ’n anderen kant uit!”Sprakeloos keken ze toe.De stoet kwam nader, ’n geweldig-lange, stevige stoet. De zon bescheen ’t koper van muziek-instrumenten, verguldde letters van vaandels. In ’t midden een paar landouwers met heeren in ’t zwart—daar achter spartel-glinstrende brandweerhelmen en een bonte drom mannen en vrouwen.“Ma—droomen we?”—, zeiAméliebevend.“Ik geloof ’t,” aarzelde mevrouw.De realiteit van den uil, de leege flesch, ’t blikje, ’t smerig plateau stelde haar gerust.“’nWonder,” zei Amélie, zich vasthoudend om niet ineen te zakken.Benee, in den stoet, begonnen ze met zakdoeken te wuiven—flauw hoera-geroep zweefde aan.“Ma—ma—pá zit in ’t rijtuig!”—, gildeAmélie en dol van uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen, dat de uil ’r beduusd van door ging.Benee werd het plechtig. Bij de struiken vanKoepelsteynzette de muziek fanfares in.Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.Dan ’r man herkennend, die ’n mand etenswaren, eieren, ham, boterhammenworst en broodjes op z’n schoot hield, hernam ze haar waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe:“Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de wethouders zullen denken, dat je stapel ben!”“Dat ben ’k ook ma! Eenig! Eenig!”Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dát woord.“Amélie,” zeide mama nog eens gestreng.De trap benee steunde en kraakte.Het luik schoof.Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar.“Mevrouw—dames,” begon hij. Verlegen verdween-ie weer, omdat de dames Zwaluw in zùlk kostuum een weinig landlooperig deden.“Kom, burgemeester—wat doet u nou?”—, gromde de oudste wethouder in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als zeopdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door, doch confuus en onhandig,beglimlachtehij het plateau, om het onvertogene te mijden.“Kom u binnen, kom u binnen,” sprak mevrouw de hoofden in de luikopening toe.Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw vanCasa Cara.Het werd een kort, levendig gedrang.Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie, het bestuur der rederijkskamer, de notaris, de dokter, allen waren present enontroerd, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet omhoog kwakkelde en z’n vrouw en dochter ’n broodje en ’n zoen gaf.Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kènde.“Ophouen! Ophouen!”—riep de inspecteur van politie.Er kwam stilte.De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan zekerder—dit was z’n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer nà z’n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken—den tweeden keer de brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit—zei hij, metverheffing en aangedaanheid: “Dames en heeren—mevrouw Zwaluw—mejuffrouw Zwaluw—mijnheer Zwaluw—als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een eer voor onze gemeente, dat hièr het eerst de vliegmachine in practijk is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij, dames, dat, wanneer we in de historie van ons geliefd vaderland met eerbied den naam noemen van .... van .... van”—transpireerend in de stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.“Van .... De Ruyter” ...., soufleerde de oudste wethouder op goed geluk.“Néé,” beet de burgemeester af—en nog den naam niet te grazen nemend, vervolgde hij ”....van.... van de vrouw die bij Leiden’s ontzet...”“Kenau Hasselaar!—riepen een paar gemeenteraadsleden.“.... Juist mijne heeren—wat ìk zeggen wou—van Kenau Simons Hasselaar—wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken, die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben en manmoedig dit avontuur doorstaan....”Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering, even tetterden fanfares.“Mag ik de aanwezigen uitnoodigen,” vervolgde de burgemeester: “driemaal aan te heffen: Lang leve devliegende familie Zwaluw!”Geestdriftig wèrd het geroepen, geestdriftig brulde de menigte benee, die door de politie op een afstand werd gehouden.Amélie at haar tweede broodje—ook mevrouwkauwde. De mensch deed zich gelden.Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te zijn, naar voren, las een làng gedicht, dat hij in het rijtuig had geschreven. Het eindigde aldus:Wij zullen aan het nakroost overbrengenHoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters1Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,Dit hadden nimmer wij verwacht.Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!Vliegt jaren nog tot in ’t zesd’ geslacht!Vliegt zonder grens en zonder perken!Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!Weer vielen fanfares in—toen na handdrukkenzonder feestlijken wijn—zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen—begon de daling naar denbeganen grond.O, de vreugde bij de eerste stappen, op ’t grintpad, terwijl de politie salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met hoeden en zakdoeken wuifden.Voetstaps, in de landouwers, ging het dorpwaarts. Mevrouw zat naast Pieter—over hen Amélie.In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.Overal groetten de bewoners.Het was een Droom—eene ongedachte héérlijkheid.“Pa—hoe éénig dat u ’r zóó is afgekomen! Hoe heeft u ’t dùrven wagen met ’n kapotte parachute!”, zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.Mevrouw zat zwijgend.Nu ze hem weer had, hèm dien ze ’n uur geleden als ’n lief,ónvleeschelijkwezen gezien—nu ze z’n verzakt boord, ongeschoren kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich zelf ten spot voelde inzijnpantalon, nu kregelde in haar de rijpe verdrietigheid, dat ’t per slot van rekening alleszijnschuld was, eeneschuld niet te zoenen door ’n speech van den burgemeester.“Piet,” zei ze met aanzwellende kribbigheid, “hier heb je je zakboekje met je laatsten wil.”“Dank je, kind.”“Pièt, ’t is goed dat ’r niks van gekomen is.”“Dat is ’t, kind.”“Nee, dàt bedoel ’k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an degemeentena te laten?”“Ik kreeg zoo die inval, kind.”“En me zuster en ’r kinderen?”“Die hebben ’t niet noodig.”“Zoo,” zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groetend: “zóó—je doet die gekheden geen twééden keer!”“Dat weet ’k nog niet,” verweerde hij zich.“Piet!”—, dreigde ze.“Begin je weer kwesties te zóéken?”“Dat was geen testament—dat was pure onzin—en ijdelheid—om je naam in de kranten te krijgen ....”“Daar spring ik voor van ’n toren,” zeide hij geprikkeld.Zoo tòch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren toeknikkend.Katterig hielden ze ’s middags receptie bij port, sherry, advocaat.Kobus liep grunnekend in de gangen en ouwe Chris, bewegend zonder lichaamsweten, smoorde in den oven metgehypnotiseerde gebaren, een malsch stuk lenden, dat de slager bij uitzondering op Zondag leverde.Meneer zat met z’n verzwikten voet in ijscompressen.Mevrouw wrokte over ’n man, die z’n hebben en houen aan z’n familieontstal.1De s eene dichterlijke vrijheid.

“Come what come may—time and the hour run through the roughest day....”(Longfellow).“Het had heel wat moeite gekost....”(Eenzamen,Willem Gerard van Nouhuys).

“Come what come may—time and the hour run through the roughest day....”

(Longfellow).

(Eenzamen,Willem Gerard van Nouhuys).

Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op den toren.

Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere dageraad.

Het verre landschap traagde in ’n nevel, die de landen besloop....

Pijnlijk-kreunend, z’n tintel-kloppend been dat aan het lichaam gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden leeuws naar het gemelijk-onlekkere van ’t bovenaardsch zitje.

Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op de rotsen van St. Helena.

Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde hem studieus.

“Verdraaid—verdraaid!”—, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.

Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.

Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.

Toen zij, zij de vrouw die met ’mverhongerde, gister van den beambte der gasfabriek sprak, die elken tweedenZaterdagvan de maand kwam,had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische berekening dat elke Zaterdag eenZondagvoor schaduw heeft—en op Zondag werd geenszins, in geenbeschaafdlandbegraven.

Nu, de armen gekruist, ’s morgens om drieën, dacht-ie met onvaste, door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeentenin de kerkgeen vermoeden zou hebben van de zwerversop een toren.

Hij hield ’t niet uit.

De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.

Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die ’m toch ééns moest ontvangen.

Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geenfatsoenlijkebegrafenis hebben.

O, gruwel—misschien zou ’t na wéken de aandacht trekken, dat zooveel raven om de ruïne saamschoolden.

Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken, en ineens bukkend raapte hij ’t miniatuur-ommeletje der uitgebrande kaars, proefde er met de voortanden van—gelijk-ie als knaap had gedaan van ’n tablet chocola.

Het wàs te eten.

Van honger krankzinnige zeelieden haddenmekaarwel geslacht en verslonden.

Bij dàt vergeleken wasstéarineeene delicatesse, een versnapering, ’n greep uit ’nbon-bonnière.

Gulzig kauwend op ’t eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen niet te wekken—wie wist waarvan zedroomden?—herinnerde-die zich niet van de Hoogere-Burgerschool ’t nooit begrepen spreekwoord: “qui dort dine....”?—, nam-ie de vliegmachines in z’n handen.

Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen’n lengte van vier meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op eendoodensprongmaakte vier meter geen verschil.

Toch passend en wikkend—pruimend op ’t pitje der kaars—bleef-ie in berekening—tot-ie bijna van verrassinggilde. Z’n knutselende vingers hadden den knop van Amélie’s parachute aangeraakt. Nagenoeg gaaf veerde de parachute uit de stang. ’t Leek niet te gelooven.

Eergisteravond was-ie ’n kuiken geweest, ’n logisch-redeneerendkuiken.

Want toen-ie na ’t vlammen-onheil en na de bekoeling der aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie’s onderste vliegmachine te aanschouwen, die in ’t felste van ’t brandje geweest was.

Dit was een wonder.

En ’n domheid.

Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, ’n glim, want héélemaal gaaf was de parachute niet.

Bij één balein was de zijde ’n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde of kantelde, kwam jeontzield neer.

Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie nietvoorbariggegild had, hurkte als een Indiaan bij het vredesvuur.

Er waren eenige kansen ter overweging:—verhongeren (wat géén kans kon heeten)—vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende oogen mooglijk dood neerstorten—vrouw en kind niét wekken en de reis naar deLetheop eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.

Met zware rimpels in ’t voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen, stak hij z’n laatste sigaar op, deed ’n paar trekken.

Anders fleurde ’n sigaar ’m op—in dat bar-vroege ochtenduur miste ze ’r inspireerende werking.

Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de voor-voeling van den val—de zuiging—’t houvast-verlorene.

Dieper boog z’n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven de rimpels in ’t voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.

Dan vàst-besloten, met ’n cynisme, waarvan de herinnering ’m nog in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast, lei z’n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van ’r op ’t plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in ’t knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner of wandeling,’n bouton de rosehad gegeurd.

Op ’t punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor ze in ’n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie z’n vulpenhouder en schreef in ’t notitieboekje: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding”—, toen trok-ie het visitekaartje uit z’n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:

Visitekaartje van Pieter E. Zwaluw met tekst: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood!! op den toren.”

Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze ’m bij de éérste begrafenis vinden en ’t spoor der andere verdwenenen speuren—dan zouden ze alle driehereenigdworden in den familie-grafkelder, waarin ook Zwaluw Senior en zijnmoederlagen.

Even werden z’n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening—dan, zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart enhaarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die wat van ’m leek te moeten hebben, zóó als-ie ’m ankeek—en bestaarde voor ’t laatst het landschap, ’t kleur-vattend groen, de boomtoppen, de grafzerken.

De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden, alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.

“Het iszuur,” peinsde hij zeer kort: “het is in élk opzicht zuur—de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren—de ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar—een màn aarzelt niet!”

Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.

Zelfs mèt een leege maag heeft ’t leven z’n aangename zijden.

Welk eene gaping tusschen eergister en heden.

Toen ingezetene met ’n charmant huis en alle geneugten—vandaag ’n desperaat mensch boven ’n afgrond.

Wreeder kon ’t niet—acuter leerde ’t nauwlijks de wereldhistorie.

’t Geritsel van den uildreefhem in de diepte.

Als ze ontwaakten kreeg je ’n hartverscheurend afscheid.

Stevig de vingers klemmend om de gekwetsteplek der parachute liet-ie zich gaan, de oogen gesloten.

De wind zoog als ’n blaasbalg in z’n neusgaten, builde z’n jas open, bolde z’n broekspijpen.

Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.

Niet zoo snel als z’n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.

Met ’n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z’n enkel verzwikt, lei languit op den beganen grond van ’t kerkhof.

“God zij gedankt,” zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: “’r liggen ’r hier in minder goede conditie,” en met ’n opgeruimdheid die ’m de pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te waarschuwen dat-iebehoudengearriveerd was.

Ze hoorden ’m niet.

“Vrouw! Amélie!”—, schreeuwde hij, de handen als ’n roeper om den mond. ’t Bleef boven stil.

Nog ’n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk strompelend, klom-ie over ’t puntdradige hek van ’t kerkhof, dat ’m zóólang van ’t leven en de vrijheid gescheiden had.

’n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met ’n voet die hoe langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.

’n Boerensjees reed voorbij.

“Hallo!”, riep de heer Zwaluw.

“Waablief?”—, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer taxeerend, dat in ’n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en met ’n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.

“Mag ’k meerijjen—ik zal ’t goed met je maken?”

“Om de weerlicht nie,” betoogde de man in de sjees: “jij lijkt wel erges uit-gebroke te zijn....”

“Dat bèn ’k ook,” praatte Pieter Zwaluw; “uit ’t kerkhof.”

De boer trok de leidsels aan.

“Rij in Godesnaam niet door!”, smeekte Pieter, ziek van pijn en duizeligheid: “ik geef je vijf en twintig gulden as je me na ’t dorp brengt!”

’t Bankje, uit z’n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.

“Stijg dan maar op,” zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar z’n mes tastend voor ’t geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.

De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg ’n zálige beweging dorpwaarts.

“Heb jij je poot bezeerd?”, vroeg de boer.

“Ja,” zei de heer Zwaluw op ’t punt te ònmachtigen.

“Hoe komt dat dan zoo?”, hield de boer aan,de leidsels in de eene hand, ’t mes bij de andere.

“Ik ben van den toren gesprongen,” lei Pieter uit, lang-gerekt geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als ’n uitgeputte hongerlijder.

“Zoo,” antwoordde de boer ongerust—straks had-ie ’n gek, ’n losgebroken gek naast zich zitten: “Zoo ben jij van ’n tóren gesprongen? Wel man—da’s héél knap.”

“Ja,” geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: “en ’k heb ’n razenden honger—’k heb”—even nam-ie rust voor n’ nieuwe diep-deinende geeuwing: “’k heb niks as ’n stukkie kaarsvet gegeten....”

“Wel—wel,” grinnekte de boer doodelijk-angstig—nog liever ’n struikroover as ’n krankzinnige naast je!—“wel, wel! Nou da’s héél lekker. Dat eten we thuis ook.” Je most ze niet tegenspreken. “Hurt! Hurt!”

De opgejaagde zweep striemde ’t paard, dat ’r vandoor vlóóg: “En—en—die kapotte fiets—waar hei je die vandaan? ...”

“Nérgens,” sprak de heer Zwaluw in ’n flauwte opzij-zakkend.

“Nou—da’s ’n geval!”, gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend, maar ineens boog-ie dicht ’t hoofd naar de borst van den vent, die met lapjes van vijf en twintig sméét en met ’nverbluffing die ’m de haren te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld: “Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”

“Christeneziele!”, zei-ie ’t paard voortzwiepend: “Hurt! Hurt, Kees!”

’t Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.

’n Leege maag met ’n eindje stearine-kaars en ’n gemeen-verzwikten voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar ’n aangespoeld wrak.

De boer, ongezellig-warm, met ’n krijtwit gelaat, joeg de sjees over de slapende keien van ’t dorp.

En voor ’t politiebureau hield-ie in met ’n dankbaren ruk. Het paard beefde op de beenen.

In de stilte van ’t straatje ploften twee stevige schoenen van den bok—en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.

“Ja?”, vroeg de dienstdoende brigadier, die met ’t neuswarmertje in z’n hand, in de rust van ’t accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.

“Christeneziele!”, bulkte de boer: “wat me daar is overkomme! Ik breng je ’n gek—een die met ’n kapotte fiets van ’n toren is gespronge, met enkel ’n kaars in z’n maag en ’n brief op z’n borst!”

“Daar begrijp ’k geen snars van,” zei de brigadier; “met gekke mot je niet hièr weze!”

“Wel gedorie!”, vloekte de boer: “as je ’m nie overneemt, zet ’k ’m op ’t stoepie!”

“Dat zel jij wel late, man. Dan zou ’k jou leelijk bekeure!”

“As-die nou toch van z’n zelve leit,” raasde de boer: “mot ’k ’n gek houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen te zette. De wagen is mijn eigendom....”

De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten, klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in ’t blauw-bleek gelaat van een dergeheimzinnig-verdwenenen.

“Da’s léelijk,” zei-ie: “da’s meneer Zwaluw—en die is dóód. Waar hei-je ’m gevonden?”

“Hij is nie dood,” zei de boer ongerust: “Help ’m maar na binnen drage....”

In de wachtkamer, op ’n paar stoelen, leien ze ’m neer en daar met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de geheimzinnig-gruwelijke woorden—in verband met de moorden van Kobus-den-huisknecht: “mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z.”

“Dadelijk de burgemeester hale!”, gelastte de brigadier: “zoo iets schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht lévend verbrande....”

Op den toren vanKoepelsteyngeschiedde inmiddels eene andere dièp-tragische gebeurtenis.

Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap—de jeugd slaapt op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid groeien—welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.

Ma sliep nog, ’t hoofd op háár knie.

Nee, ze zou zich niet bewegen—ma had ’t zoo noodig.

Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.

En in angst-reflex gilde ze: “Ma! Mòéder!”

“Wat is ’r?”—, vroeg mevrouw dood-van-slaap.

“Pa is wèg!...”

“Wàt zeg je!”—, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.

Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was geen vergissing mogelijk. ’t Plateau wàs te overzien.

“O,” zei mevrouw angstig.

“O—O!”—, huilde Amélie: “hij is van den toren gesprongen uit wanhoop!”

Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen en groen.

“Genadige hemel—op zóó’n manierweduwete worden!”—, snikte mevrouw.

Amélie had ’t zakboekje opgenomen, las de woorden: “Houd moed—dood of levend bezorg ik u redding!”

“O ma—má—pa heeft zich voor ons opgeofferd—die goeie, beste, lieve pa—en nutteloos—nutteloos—nou ligt-ie dood in de struiken benee—en wij kunnen hier óók sterven....”

Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie’s handen en las denlaatsten wil, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp geschreven had.

Door ’t waas voor ’r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters van den doode: “Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefdevrouwen mijninnig-geliefdedochter en wensch met haar samen in den familie-grafkelderhier omlaagte worden bijgezet. Mochten wij alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over zal hebben, mits de naamPieter Zwaluwaan het fonds verblijve en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomstgeopendte laten, om onverantwoordelijkeopsluitingen, als waarvan wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten in hetgemeente-museumbewaard blijven, als aandenken aan hen, die zoo hoog in de wolken eenmarteldoodzijn gestorven.Pieter Everhardus Zwaluw.”

“De èngel!”, nokte mevrouw voor ’t éérst van ’r leven na de lang-geleden bruidsdagen in deCharcuterie.

Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die telaatde schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt—Amélie schreide heftig.

Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat gerucht vernomen—geen toren van Barneveld—geen van Solness—geen Notre Dame.

Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.

Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig—gekerkerd op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter omlaag is gesprongen—’t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.

De handen wringend in de buurschap van den uil diede daadhad gezien, de beenen inzijnbroek—welke deerniswaardige herinnering!—besnikte mevrouw het Verleden.

Pieter Everhardus Zwaluw—zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte en materie verlangde—gebaarde thans in hare verbeelding, met een zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.

Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanighedenverzwommen.

Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijngoedheidenvoortreffelijkheidzet (nadere scheurkalender-vondst).

Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....

Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op ’t folterbankje der-ik-heb-’t-laatste-woord mishandeld.

Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter, de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.

Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.

Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het vocht van het plateau in sidderende dampen.

De vogels op ’t kerkhof floten, schoten naar de nesten—’t vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.

Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de vroegmis te luiden.

“Ma,” sprak Amélie.

Mevrouw bleef in smartlijke versteening.

“Ma,” zei Amélie nog eens: “àrme ma.”

“Arm kind,” antwoordde de weduwe.

“Misschien is ’r ’n wònder gebeurd, ma.”

“Nee,” knikte mevrouw.

“Laat u ’t hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks.”

“Als we wat zagen, zou ’t nòg schriklijker zijn,” snikte mevrouw.

“Heeft u erge honger?”, vroeg Amélie na ’n poos om te tróósten.

“Niet meer,” zei mevrouw over àlles heen.

“Dat zegt u maar,” redeneerde Amélie: “toe, denk an nìks, ma!”

Ma antwoordde niet—Amélie begonop ’r nagels te bijten.

Van ’r vroegste jeugd had ze ’t gedaan—vandaag dee ze ’t hardnekkig in ’r pogingen om ’r moeder af te leiden.

’r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.

’n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk ’n leege.

De zon scheen ’r warm in ’t gelaat, stoofde ’r hoofd, kokend en opgehitst. De benauwende broeiing maakte ’r ongevoelig.

Als ’n beest begon ze den uil te beloeren. ’t Was ’n welgevulde dikkert met vleezige pooten en ’n smaaklijken nek.

Zoogedegenereerdgeraakte ze door de werking van ’r maag en ’t verlangen om ’r moeder ’n troostenden hap te geven, dat ze ’r vader vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den uil bespiedde.

Ze kreeg ’r ’n kleur bij—’r handen kromden als klauwen—’r rug boog in sprong.

Nooit in ’r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie, bestiale gevoel om ’n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil, terwijl ’nbeschaafdmensch naar vegetarisme neigde.

Als ze ’m te pakken had gekregen—zij, die drie dagen geleden nog geen kanarie in ’r handen durfde te nemen—had ze ’m z’n nek omgedraaid—én geplukt—èn met ’r nagelschaartje gehalveerd—èn rauw geslokt.

’n Door honger gefolterd mensch werd ’nijselijkdier.... Gelukkig kwam het niet tot de euveldaad.

Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van ’r dochter, vroeg ze:

“Amélie—wat doe je?”

“Niks ma.”

“Wat kijk je dan?”

“Suscht, ma! Suscht! U praat ’m wàkker.’k Had ’m net haast te pakken!”

“Jakkus,” zei mevrouw: “hoe kom je op de inval?”

En ze zwegen geslagen.

De kerkklokken rondom luidden nu alle.

Mevrouw vouwde de handen—Amélie keek van den uil naar den eenzamen landweg.

De zon, hooger aan den hemel, braadde haar rug.

Warmte was ellendiger dan regen—om twaalf uur zou ’t niet uit te houden zijn.

In Godsnaam.

’n Zonnesteek onder de omstandigheden was ’n weldaad.

Uitkomst op Zondag was onmogelijk.

Al ’r idealen te begraven op ’n toren, al ’r droomen en jeugdverlangens—welk ’n einde.

Toen, wakker geschokt, klaar van denken, botste ze op.

In de verte naderde ’n stoet, ’n stevige menschendrom.

“Ma!”—, gilde ze.

Mevrouw schrikte, keek over de borstwering.

“De hemel zij geprezen—’n begrafenis!”—sprak Amélie koortsachtig-gejaagd: “o, o, wat ’n geluk—en net te laat om armen pa ook te redden.”

“Stil! Stil!”, zeide mevrouw: “misschien gaan ze ’n anderen kant uit!”

Sprakeloos keken ze toe.

De stoet kwam nader, ’n geweldig-lange, stevige stoet. De zon bescheen ’t koper van muziek-instrumenten, verguldde letters van vaandels. In ’t midden een paar landouwers met heeren in ’t zwart—daar achter spartel-glinstrende brandweerhelmen en een bonte drom mannen en vrouwen.

“Ma—droomen we?”—, zeiAméliebevend.

“Ik geloof ’t,” aarzelde mevrouw.

De realiteit van den uil, de leege flesch, ’t blikje, ’t smerig plateau stelde haar gerust.

“’nWonder,” zei Amélie, zich vasthoudend om niet ineen te zakken.

Benee, in den stoet, begonnen ze met zakdoeken te wuiven—flauw hoera-geroep zweefde aan.

“Ma—ma—pá zit in ’t rijtuig!”—, gildeAmélie en dol van uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen, dat de uil ’r beduusd van door ging.

Benee werd het plechtig. Bij de struiken vanKoepelsteynzette de muziek fanfares in.

Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.

Dan ’r man herkennend, die ’n mand etenswaren, eieren, ham, boterhammenworst en broodjes op z’n schoot hield, hernam ze haar waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe:

“Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de wethouders zullen denken, dat je stapel ben!”

“Dat ben ’k ook ma! Eenig! Eenig!”

Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dát woord.

“Amélie,” zeide mama nog eens gestreng.

De trap benee steunde en kraakte.

Het luik schoof.

Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar.

“Mevrouw—dames,” begon hij. Verlegen verdween-ie weer, omdat de dames Zwaluw in zùlk kostuum een weinig landlooperig deden.

“Kom, burgemeester—wat doet u nou?”—, gromde de oudste wethouder in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als zeopdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.

Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door, doch confuus en onhandig,beglimlachtehij het plateau, om het onvertogene te mijden.

“Kom u binnen, kom u binnen,” sprak mevrouw de hoofden in de luikopening toe.

Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw vanCasa Cara.

Het werd een kort, levendig gedrang.

Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie, het bestuur der rederijkskamer, de notaris, de dokter, allen waren present enontroerd, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet omhoog kwakkelde en z’n vrouw en dochter ’n broodje en ’n zoen gaf.

Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kènde.

“Ophouen! Ophouen!”—riep de inspecteur van politie.

Er kwam stilte.

De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan zekerder—dit was z’n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer nà z’n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken—den tweeden keer de brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit—zei hij, metverheffing en aangedaanheid: “Dames en heeren—mevrouw Zwaluw—mejuffrouw Zwaluw—mijnheer Zwaluw—als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een eer voor onze gemeente, dat hièr het eerst de vliegmachine in practijk is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij, dames, dat, wanneer we in de historie van ons geliefd vaderland met eerbied den naam noemen van .... van .... van”—transpireerend in de stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.

“Van .... De Ruyter” ...., soufleerde de oudste wethouder op goed geluk.

“Néé,” beet de burgemeester af—en nog den naam niet te grazen nemend, vervolgde hij ”....van.... van de vrouw die bij Leiden’s ontzet...”

“Kenau Hasselaar!—riepen een paar gemeenteraadsleden.

“.... Juist mijne heeren—wat ìk zeggen wou—van Kenau Simons Hasselaar—wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken, die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben en manmoedig dit avontuur doorstaan....”

Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering, even tetterden fanfares.

“Mag ik de aanwezigen uitnoodigen,” vervolgde de burgemeester: “driemaal aan te heffen: Lang leve devliegende familie Zwaluw!”

Geestdriftig wèrd het geroepen, geestdriftig brulde de menigte benee, die door de politie op een afstand werd gehouden.

Amélie at haar tweede broodje—ook mevrouwkauwde. De mensch deed zich gelden.

Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te zijn, naar voren, las een làng gedicht, dat hij in het rijtuig had geschreven. Het eindigde aldus:

Wij zullen aan het nakroost overbrengenHoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters1Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,Dit hadden nimmer wij verwacht.Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!Vliegt jaren nog tot in ’t zesd’ geslacht!Vliegt zonder grens en zonder perken!Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!

Wij zullen aan het nakroost overbrengenHoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters1Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,Dit hadden nimmer wij verwacht.Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!Vliegt jaren nog tot in ’t zesd’ geslacht!Vliegt zonder grens en zonder perken!Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!

Wij zullen aan het nakroost overbrengen

Hoe gij gevleugeld naar deez’ toren kwaamt,

Hoe ’t noodlot uwe wieken deed verzengen.

Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?

O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters1

Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,

Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,

Dit hadden nimmer wij verwacht.

Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!

Vliegt jaren nog tot in ’t zesd’ geslacht!

Vliegt zonder grens en zonder perken!

Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!

Weer vielen fanfares in—toen na handdrukkenzonder feestlijken wijn—zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen—begon de daling naar denbeganen grond.

O, de vreugde bij de eerste stappen, op ’t grintpad, terwijl de politie salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met hoeden en zakdoeken wuifden.

Voetstaps, in de landouwers, ging het dorpwaarts. Mevrouw zat naast Pieter—over hen Amélie.

In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.

Overal groetten de bewoners.

Het was een Droom—eene ongedachte héérlijkheid.

“Pa—hoe éénig dat u ’r zóó is afgekomen! Hoe heeft u ’t dùrven wagen met ’n kapotte parachute!”, zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.

Mevrouw zat zwijgend.

Nu ze hem weer had, hèm dien ze ’n uur geleden als ’n lief,ónvleeschelijkwezen gezien—nu ze z’n verzakt boord, ongeschoren kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich zelf ten spot voelde inzijnpantalon, nu kregelde in haar de rijpe verdrietigheid, dat ’t per slot van rekening alleszijnschuld was, eeneschuld niet te zoenen door ’n speech van den burgemeester.

“Piet,” zei ze met aanzwellende kribbigheid, “hier heb je je zakboekje met je laatsten wil.”

“Dank je, kind.”

“Pièt, ’t is goed dat ’r niks van gekomen is.”

“Dat is ’t, kind.”

“Nee, dàt bedoel ’k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an degemeentena te laten?”

“Ik kreeg zoo die inval, kind.”

“En me zuster en ’r kinderen?”

“Die hebben ’t niet noodig.”

“Zoo,” zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groetend: “zóó—je doet die gekheden geen twééden keer!”

“Dat weet ’k nog niet,” verweerde hij zich.

“Piet!”—, dreigde ze.

“Begin je weer kwesties te zóéken?”

“Dat was geen testament—dat was pure onzin—en ijdelheid—om je naam in de kranten te krijgen ....”

“Daar spring ik voor van ’n toren,” zeide hij geprikkeld.

Zoo tòch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren toeknikkend.

Katterig hielden ze ’s middags receptie bij port, sherry, advocaat.

Kobus liep grunnekend in de gangen en ouwe Chris, bewegend zonder lichaamsweten, smoorde in den oven metgehypnotiseerde gebaren, een malsch stuk lenden, dat de slager bij uitzondering op Zondag leverde.

Meneer zat met z’n verzwikten voet in ijscompressen.

Mevrouw wrokte over ’n man, die z’n hebben en houen aan z’n familieontstal.

1De s eene dichterlijke vrijheid.

1De s eene dichterlijke vrijheid.


Back to IndexNext