Vierde Kapittel.

Vierde Kapittel.De villa wordt berucht.“En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de zachte, wijd-deinende ademen van de zee....”(Het Zusje,Henri Borel).“Roth wie Blut, ist der Himmel;Das ist nicht des Tages Gluth.”(Schiller.)Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. ’t Duurde ’n heele poos. ’n Scheut in ’r nek hielp ’t best. Suf, waarlijk wezenloos zat de meid op ’r bed, ’t haarstaartje zwart van vocht.“Chris,” zeide meneer, “’t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben—we hebben gèvlógen.”“Chris, meid,” sprak mevrouw, “we deeën ons eerste toertje....”“Toe nou, Chris—bederf ’t tochtje niet,” zei juffrouw Amélie.Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris, zurig riekend als ’n gemarioneerde haring—’t heele azijnfleschje uit ’t stel was aan ’r verbruikt—wreef angstig de handen, zei enkel maar suffig en hardnekkig:“....’k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd....”“Niet waar!”, viel meneer haar in de rede, “we hebben gevlogen—we zijn de éérste vliegers in Holland....”De meid luisterde nauwlijks naar ’t onwijs gewauwel.“Chris,” drong meneer aan: “je heb gezien wat je nièt mocht zien—als je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende maand vijf-en-twintig gulden van me—verstaan?”“O, lieve God, meneer—’k hei zoo vreeselijk gedroomd—’k hei zulke schrikkelijke dinge gezien.”“Je heb nièt gedroomd, Chrislief,” praatte mevrouw ongeduldig-vriendelijk, “wijwaren in de goot....”“Heusch Chris—ik vloog om ’t huis,” bevestigde Amélie.Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nogalles zóo in harmonie met ’r nachtmerrie vangedrochtenbij ’t raam, dat ze ’r arm oud hoofd, niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en ’r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste ’t ’r niet kwalijk neme—ze was heelemaal onderste boven—ze zou morgen na ’n dokter gaan—ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op ’t dak zatte, dat ’r hart zeer dee....Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den eersten van ’n reeks. Met Kobus ging ’t vlotter. Die begréép toen meneer ’m op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten ’n handje, kroop zelf op ’t dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht, langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij helderen maanschijn.De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang ’n maannacht te bestaren—’t eenig-poëtische van ’t dorp was ’n rederijkerskamer met ’n leesgezelschap vanfatsoenlijkeproducten—de amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Alsniet hier en daar, náast ’t verschrikt hondegejank ’n kat van de daken ware geschichtigd, zou ’t kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.1) Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht hebben? Om de weerga—’t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al illustreerend aan ’tvloeken. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen ’k ’n bijster eind op weg te zijn—let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige en etherische zwevingen, op ’n heel gewoon, zelfs léélijk dak tetoucheeren(en zulks metNeelmeijer, niet met sepia, noch met krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster, dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: ’nKat van de daken ware geschichtigd. Om den stompen schoorsteenuit het dak te doen leven, heb ’k—waarom het niet te bekennen?—bezwaarlijken arbeid gehad. Indiende een of andere Italiaansche rookverdrijver of provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen niet bestaan, dat ze niet trékken—kort gesproken dat ze tebuikigzijn—dan kan ’k uit ondervinding verklaren, dat ’k eenmaal woonde in een huismet zulk een schoorsteen, en dat we bij westen wind den rook in ’t huis en in ’t eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit, maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellenheenschichtigendekatten voor. De auteur kan glad vanschichtigenspreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eeneverklaring. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet treden. In de staarten heb ik hetschichtigengesymboliseerd. S. F.Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen zij voort—te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat alleen debegane grondverlicht was. De tijd dat de wegen van stad naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er nog niet.“Over vijf en twintig jaar,” redeneerde de heer Zwaluw, “vind je overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te krijgen. Dat kàn niet uitblijven....”“Pa,” mijmerde Amélie, “over vijf en twintig jaar is àlles veranderd. Eenig!”“Hoe zoo, kind?”“Omdat ’t móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes—vin u niet? Daken en nog ’ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand ’r ’n sikkepit om maalt hoe z’n huis ’r van bóven uitziet. Allemaal vieze schoorsteentjes en smerige gootjes—vin ú dat móói, pa?”“Nee, zeker niet,” zei meneer met z’n voeten langs ’n reuze-populier ritselend: “en die róókende schoorsteenen—bah, wat krijgen we ’n tractatie uit die pijp—laten we wat op zij vliegen! die rookende schoorsteenen vind ’k èrgerlijk. D’r is ’n verordening op ’t kleedenkloppen, ’r komt ’r natuurlijk een op ’t schoorsteenrooken. ’t Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat verandert.”“En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier, Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal je ’t meeste bezoek door ’t zolderraam krijgen. Dat moet je laten vertimmeren, Piet, met ’n nette balustrade en wat bloemperkjes en schulpen....”“Nee,” weerlegde meneer: “we kunnen nou nog alleen plàtte daken gebruiken en op ’n plat dak, zònder schoorsteen—bah, hier rooken ze scharren!—kun je de keurigste perken onderhouen....”“Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en vergeet-me-nietjes ziet....”Meneer klepperde even langzamer bij ’n zoldervenster.“Piet!”, zei mevrouw streng.“Wat doet pa, ma?”“Niets,” zei mevrouw uit ’r humeur. Dáár zou ze ’m thùis over onderhouen. Binnen loeren bij ’n juffrouw, die ’r avondtoilet maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie leidde de verbolgen gedachten af.“Pa,” zei ze, ’n nieuwe ontdekking doend, “’r is niks meer veilig. We zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat ’n ramen anstaan!....”“Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied,” antwoordde pa, ’t puntje van ’n nieuwe sigaar knippend.Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig te schuimen.“Piet,” zei mevrouw, ’n weinig vermoeid—’r linksche vleugeltrapper moest geolied worden en tegen den wind in werd ’t bezwaarlijk: “ik ga terug.”Meneer die vloog te bepeinzen1—ook in delùcht kon jevieux monsieurmet wormstekigheden zijn—dat ’n vleugje alleen, zònder vrouw en dochter, ’r genoeglijke zijde bij zooveelverlichteintérieurs had, meneer protesteerde:“Noù al? Heb jij zoo’n trek in ’n benauwde kamer als je ’themelruimvoor je heb?”De hoogte der situatie deed ’m dichterlijk praten. Zij, nu toch hijgend en met ’n krampachtige trekking in ’r been die zich naar ’r eksteroog voortplantte, zei plat:“Piet, zánik niet met je hemelruim. ’k Heb genoeg nàchtlucht gehapt—’k wor ’r zàt van.”Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur van-achter-de-toonbank,de laag-bij-den-grondschenatuur boven, plapperde ze ’r uit wat ’r voor ’r mond groeide.“Je moederverstoortons uitstapje weer,” klaagde hij.“Ikverstoorniemendal,” zei mevrouw vinnig, “’k ben moe en zal blij zijn as ’k ’t ding kwijt ben. Me lendene krake....”“Daar hebben we weer ’n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!”—, schamperde meneer.Dàt had-ie niet moeten zeggen—dàt was ’twreedste, ’t uitgezochtste ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt ’r uitflapte, zinspeelde-die op haarverleden, op ’r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen ’r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en ’r moeder-zaliger, reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg.Bei kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de Zwaanssteeg tehoonen. Hij met z’n meerdere geleerdheid had ’r ’n bijzonder handje van.Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed ’n reflex-gebaar parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen, doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid in kalmen sarrens-toon.“Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? ’k Dacht dat ’k zoo’n boel uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts vloekte, Piet! Niewaar, Piet?....”Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze ’r pedaal englimlachte. Jammerdat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar lei-ie ’t altijd tegen af.“Mènsch!...”, begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij ’r te raken.Toen suste Amélie.“Jakkes, pa en ma—hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de menschen....”“Wèlke menschen?”—, snauwde meneer.En ineens schaterde Amélie ’t uit. Dàt was ’n gezelligheid van ’t vliegen zonder weerga—je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld (de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden zeggen—zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was aan de Ruimte.“Wat lach je nou hinderlijk?”—, zei mevrouw.“Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat,” zei meneer nòg eens. En ze zou daar weer ’t ééne-noodige op geantwoord hebben, ware niet ’n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.In ’t dorp klonk een kermend hoorngeschal—’t geschal dat alle bewoners kenden, ’n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo’s sloeg, ’n geschal dat geen uitleg noodig had, ’n geschal dat in z’n akeligheid en lugubere klanking àlles zei.“Brand,” zeide Amélie ’t eerst.“Brand,” herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.“Brand,” sprak meneer, kort.“Lieve hemel,” zei Améliead remin den hémel: “als ’t ’n erge brand is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet ’t heele dorp ons.... Eenig. Eenig”....“Ik laat me vallen,” steunde mevrouw, blij dat ze ’n uitvlucht had bij de vlucht die te lang duurde.“Dóórvliegen!”, maande meneer, “’r is niks te zien, nog geen vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks.”’t Was inderdaad nièt de eerste keer, dat ’t dorp werd wakker getoeterd zonder reden. Bij ’t geringst smeulinkje, bij ’t flauwst rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjesverdachtwaren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste toetering ’n premie van vijftig cent kreeg, ’r ademloos op los. In de laatste vijf jaar was ’r maar éénmaal brand (in den Van Galen’-schen hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden, smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij naar de spuithuisjes, werd ’r absoluut water gegeven, omdat àls de spuiten uitgerukt waren, je ze allicht opverstoppingen en lekken kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde begon de dorpsklok nogeensovermatig te luiden, omdat de dorpstoren twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten alweer naar huis waren.Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm, dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in ’t gezicht der eigen villa.“Lieve help!”—, riep Amélie doodelijk-angstig.“O, goeie genade!”—, zei mevrouw.“Bliksems!”—, vloekte meneer.Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I—pàs aangeschaft, nog nimmer beproefd—zag je de hoofden der Brandweer met witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de villaCasa Cara, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen—die brandden,zònder voos alarm—daverde een vlammende ontzetting naar de donkere wolken.“Piet—’k val flauw,” hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.“Dat zul je laten—daar is de machine niet op berekend!”, schreeuwde meneer.“Ma blijf in godsnaam kordaat—we kùnnen niet in ’t huis, zoolang ze spuit I probeeren!”, riep Amélie gejaagd.“Trappen! Trappen!”, kommandeerde meneer.Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen ze in wijde cirkels om ’t huis—de eerste hollandsche lucht-peddelaars.Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende politieagent z’n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de villaCasa Caravan den heer Pieter E. Zwaluw ware eenspeelbal der vlammen geworden. Het stond den volgenden morgen uitvoerig in het plaatselijk blad, doch dedétails, de ware oorzaak zou niemand te weten komen.Detailsèn oorzaak bleven in Chris’ hart begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch haar, noch Kobusvertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe, dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur greep en door ’n sleutel zoo licht als ’n lucifer werd gesloten. ’s Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door ’n luikje bediend—en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het kunstwerk, dat alle intieme bezoekers vanCasa Caraom beurten hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar bed te jagen. Chris, ondersteboven,—in geen drie dagen had ze bijna gepraat—zocht de logeerkamerhoeken af, keekonder’t bed, keek in de kasten. Toen mijmerde ze—bij de kaars. ’r Gewoonte-dingen, ’t kammen van ’r piekerig geel haar, ’t wriemelen van ’t vlassig vlechtje, ’t wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. ’r Gedachten waren bij ’t visioen, ’t schrikbeeld, ’t klepperen der zes en dertig vleugels, ’t gelach voor ’t dakraam. Den heelen dag, machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld, ’t doodsangst-oogenblik in ’t dakkamertje. ’t Licht der kaars, zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op ’r adem-beweeg, zwol schaduwen langs ’t behang, schaduwen tegen ’t plafond, schaduwen op de witte bedgordijnen. ’t Huis was één pijnigende stilte.Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Kobus—alles sliep. In de benedengang tikte de klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken,onder’t bed, in de kasten,achterde gordijnen—toen ging ze te bed, met kouwe voetklompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.1) .... “Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had....”, zegt de auteur. De uitgever verlangde dit dramatisch moment in beeld—de behendige illustrator, ’t niet geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel dekouwe voetklompjesals deverstardesokken te moeten verwaarloozen. Daar zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal ’k de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààrdie Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A, het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen, de peluw en de kaars acht ’k voortreffelijk geslaagd.... “Uit niets blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode, dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst, het geheele lichaam verbindend en beheerschend....” betoogtWalter Cranein zijnClaims of decorativeart—ik, die woorden tot de mijne makend, heb mijn ganschezielin Chris’ bedgordijnen gelegd, met liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke toets van de pen metNeelmeijer, naast deze bladzijde 66verloren gaan, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van den auteur:.... “Zij snurkte er op los....” Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten. S. F.Voor geen goud had ze in ’tdonkergeslapen.Schijnbaar wakker, telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. ’t Kaarsje knetterde,dee ’t papier opvlammen—’t papier begon te spelen met ’t bedgordijn....Op dat moment geschiedden twee wonderen—Chris schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam—en een pruimende politieagent passeerde. Chris gilde het woordje “brand!” en het driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris, weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.“’t Is al gedaan!”, schreeuwde ze weer uit het raam.Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmerin’t vuur is geweest.De brandhoorns joegen paarse klachten door ’t dorp—dreunende voetstappen bedaverden de keien—de gebeurtenis wàs er.In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de Zwaluw-villa afgezet, klommenrappegasten in Chris’ kamer.Er was een geparfumeerde brandlucht—ersmeulde—er wérd gespoten.De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was ter plaatse.Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer en nou-ie ’r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z’n bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtighedenen raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen metbijlenin de omgeving, alleen bang voor ’n geweldigen uitbrander, ging naar boven, klopte.Geen geluid.Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus’ bed was ònbeslapen.Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek werd de burgemeester, bij ’t angstig vermoeden dat de familie boven door den rook wasgestikt.Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.Bij ’n verbrande koe bij van Galen en ’n dooie kanarie bij Germs—zwak binnenbrandje, drie jaar geleden—was ’t gebleven.Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drienotabelenen vaneenondergeschikte, gaf ’n afschuwelijk vermoeden.Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen.“Dan is de familie uit,” zei de burgervader met eenontprangdeborst.“Nee,” huilde Chris, “de buitendeur is op de grendels....”“Onmogelijk,” sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder, met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten, dat de ketting in de haken rustte.“Vreemd”—, zei de burgemeester, na eene stilte.“Angstig”—, sprak de dokter.Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend, elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in ’n hoek op ’n matras.“Bedwelmd—zònderling,” zei de dokter, den pols van den bediende aanvattend.Kobus werd wakker.“Wat is ’r? Wat mot je?”—, zei-ie slaap-verschrikt.“Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?”—, vroeg de burgemeester gestreng.“Dat weet ’k niet,” zei Kobus onnoozel.“En waar is de familie?” drong de burgemeester aan: “’r is benedenuitslaande brandgeweest!”“De Familie,” hakkelde Kobus, zich in z’nslaapdronkenheid verpratend—de afspraak was dat ze tegen ’t dakraam zouen klòppen—“de familie isgevlogen...”“Gevlogen!—,”schrikte de burgemeester, “waarom gevlogen?”“Dat weet ’k niet,” zei Kobus nog eens.“De vent is dronken,” veronderstelde de dokter.“Maar ze moeten toch èrgens zijn,” redeneerde de burgemeester: “’t is ’n lamme, vèrdàchte historie—bijzonder verdacht.”Terwijl ditdetective-story-geraas de rust vanCasa Carabenéden de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden deZwaluwenin wijde cirkels om ’t overrompeld nest.Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden neerknettrend op de hoofden der Brandweer.Mevrouw, bek-af, hijgend als in ’n tredmolen, had al ’n paar maal op ’t dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel, maakte ’t zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van te worden. ’n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren—de meiden leegden ’r àlles in—haardotten kleèfden aan je bottines—’n tiendubbele schànde!Amélie, die ’t gevaléénig, om te zoenen vond,die wel den heelen nacht had willentrainen, gedragen op de vleuglen van geestdrift en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.Kalmpjes achterblijvend of klepperend in ’n andere richting, neuriede ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... “Auf Flüglen des Gesanges, Herzliebchen trag’ ich dich fort”—of “Ich wollt’ ich wär’ ein Vögelein....”—of “Klein vogelijn op groenen tak....”“Hou op met je gezeur!”—, gromde meneer, “zing als we in hùis terug zijn!”Dan zweeg ze even, tot ’r ’n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze plots tot ’r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te pakken kreeg.Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën: “Zwaluw, hóóg in de lucht—waarheen is uw vlùùùùùcht!”.... Ad-rem-mer kon ’t niet. ’t Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig als ’n veertje, zich niets aantrekkend—hemeltjelief, pa was naar àlle kanten geassureerd!—en zong ’t lied met z’n stijgende bekoring “....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht....”Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als ’n kwajongen.Als ’r in ’t wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze ’r pret in fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid viel ’r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat peerdrupsjes naar de menigte benee meppen—’t heele toetje waagde ze ’r an, maar niemand die ’t bij de sterren zocht.Toen probeerde ze nog even op ’n telephoon-draad te loopen, netjes ’r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den knal van ’n champagnekurk in krullen flapte.“Kind,” zeide ma, thans werklijk uit ’r humeur: “je stelt je an als ’n kwáje meid!”“Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!”, lachte Amélie en weer voort-peddelend, haalde ze als ’n nachtegaal uit: “Zwalùùùùùw hoog in de lùùùùcht...”’t Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig toebonsde.Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet ’t zoldervenster open.“Wat is ’r gebeurd?”—, bulderde meneer, hartstochtelijk binnen-vliegend.Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.Koorts-haastig vertelde Kobus van ’t brandje, van den burgemeester, den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken ’n geheim te bewaren en op zoo’n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te vliègen, dat was wel ’t miserabelste wat je je denken kon.Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette ’t laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.“Die ellendige Chris....,” radde mevrouw ’r toorn-aanloopje nemend. Ze zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou ’t gedaan was.“Die ellendige ouwe suffer,” zeide mevrouw nog eens en wéer hield ze op met ’n kermend angstgilletje. Want nou Kobus ’r vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels ’n leelijken, dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z’n eenen poot in ’t aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge beesten, daar was ze als de dood voor.“Je eerste vàngst in de lucht,” glimlachte meneer tegen den ernst dersituatiein: “zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind....”“Maak geen gekheid,” zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: “’k zeg ’r dadelijk de dienst op.”Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.“Wie daar?”—, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.“Ik! Mevrouw! Doe open!”Chris zat op bij ’r kaars—’n nieuwe—die wild-wapperend week op den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid ’t raam weer had opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.Meneer, Amélie, Kobus, ’t heele huishouden trad binnen.“Wat heb je in ’s hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?”—, driftigde mevrouw: “je kan mòrgen....”Voor de derde maal in ’r discours werd ze gestoord.Chris, achteruitdeinzend naar ’t open raam, ’t raam met z’n geweld van brandalarm-klokkeslagen, snerpte ’n fel-fluitenden gil. Want de familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw met ouwe broeken van meneer an—dat was nou is geen nachtmerrie, maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid.1) Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder volgens den auteur: “z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen begon, nou ’t gedaan was.” ’n Niet-deskundige—en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren—’n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen beseffen hoe de illustrator bij hetscheppendezerintellectueeleteekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over diestruggleszwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat ’k mijn klok en mijn klepelvièrmaalopnieuw in studie gezet heb, voor ’k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. “Ornamentiek”, spreektWalter Crane, dien ’k vroeger reeds citeerde: “is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen eischt”.... Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld zetten van eenvroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm tesymboliseeren. En daar in ’t algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd ’t ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft—alleruitnemendstzorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de programma’s der “Koninklijke Vereeniging”—haast ik mij der lezeres te verzoeken degolvingen van ontzetting(angstig brand-alarm), die uit het lichaam van mijn klok over ’t slapend dorp dreunen en klotsen, nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstscheppingook van terzijdebekijkend, zal men ontwaren—en zulks duidelijker dan bijJan Toorop, die er raak op los baant—dat mijne onthutsings-banen, nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men eenangstigalarm, gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven, wreed, rauw, vraag en roep. S. F.“Wat gil je, krankzinnig mensch!”, vloekte meneer.“Mevrouw loopt in ’n bróek!”, klaag-huilde Chris.In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen ’t sportkostuum vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg verrast door ’t hoofd van ’n politieagent, die over ’t kozijn keek en metgezagan z’n snor draaide.“Is ’t weer gaan smeulen?”—, vroeg-ie vluchtig aantikkend.“Nee! Donder op!”, vlàmde meneer.“Waarom gilt die meid dan zoo?”, redeneerde de agent: “en hoe kom u ’t huis binnen? ’k Ben op order van de burgemeester niet van de deur geweken—dat mot ’k verantwoorden....”“We zijn àchter binnen gekomen,” loog PieterZwaluw, driest ’n achter fantaseerend dat niet aan ’t huis was.“Zoo,” zei de agent,“dan is ’t goed—dan is ’t goed.” Weer tikte-die aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D’r gebeurden schunnige dingen in ’t huis—as ze ’s nachts halftwee door ’n achter dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt liepen. Hij zou ’t rapporteeren.“Hier heb je ’n gulden,” praatte meneer, die ’t oogenloeren gezien had, erg lief van toon.“Dank u,” zei de agent achterdochtigZ’n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.Even was het in gebaar en klank, ’t innerlijkstwezen van ’n drama vlak voor de pauze, als de menschen ’t hèbben moeten.Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van ’n meid, de sukkel die ’n deftige familie op de tong bracht, de stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw ’nluchtje geschepthadden, wat Kobus bezwoer....Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over ’t al slapend dorp. Elke klepelslag gromde ’t schandaal heftiger in de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo ’t raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel ’n uur an ’t touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z’n praatje wel maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! ’n Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad vanCasa Carastuk geloopen—de kwáje meid—de onnadenkende.’s Nachts twee, ruzieden ze nog bij ’t plechtig gebeier buiten. En eerst te bed, ’n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.Meneer bouwde ’n stevig leugenstel, met z’n vrouw, z’n dochter en Kobus als getuigen.1) ...., zijnde A. de Fuik—B., de heer P. E. Zwaluw van ònder—C. D. en E, schoorsteenen, de restvliegend, in doodschrik opgejaagd gedierte. Kon ’k bij vroegere illustraties inspiratie bij dewerkelijkheidzoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van ’n overbuur, hetzij den staart van ’n kat, hetzij hetnachtkastjeuit m’n slaapkamer, hetzij zelfs ’n vergroote huisschel, tot actief voorbeeld stellen—de benauwde droom van mevrouwZwaluw, met ’t gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op defantasievan den teekenaar. Door op den laten nacht zwáár te eten, heb ’k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na ’t koel ochtendbad, heb ’k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen—met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz.naar eigen lust te herkennen. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die beproeve het zèlf met fantasie enNeelmeijer. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat ’r dwars. Ze vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en uilen—’r man voor ’r uit was op de jàcht. Die trok ’n fuik achter zich aan, al maar peddelend en klepprend—de fuik vulde zich met wilde eenden, spreeuwen, lijsters—’t werd ’n zoo raak geschreeuw en gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte en moeite had ’t nachtkastje met ’t oliepitje en meneer’s revolver te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde, beangstigende jacht boven de schoorsteenen....Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te glimlachen. Als ze ’r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de suizing van den wind, zagde boomtoppen en daken in glijding vervloeien. De handen gevouwen onder ’t hoofd, poogde ze ’t hééle lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te reconstrueeren, ’t lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze ’t nog, ’t héérlijk vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, ’t vers dat zin en poëzie begon te krijgen: “...Zwaluw... waarheen is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen en dalen.... Waar ’k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!....”Half drie sliepCasa Caraalgeheel, zelfs Chris, die de emotie van mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging....1De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: “liep te bepeinzen” of “zat te bepeinzen”, dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het geval te onderwerpen.Vijfde Kapittel.Stoornis in de atmosfeer.“Wat is er van den nacht,O Wachter! welk een dagwordt aan de kim verwacht!”(Isaäc da Costa.)De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.Veel besproken in ’t dorp, was de verstandigste tactiek ’t gekakel te latenbezinken. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was geweest, had ’n allerzonderlingste verklaring geslikt, ’n verklaring die positiefverdachtscheen, doch waaraan je nietofficieelkon twijfelen, omdat je ’n zoo duistere zaak vanverdwenenmenschen, die plots metbroekenaan (rapport van ’n betrouwbaarbrigadier) terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven het feit dat de familie niètgestiktwas, op zich zelf eene publieke verheugenis werd.Het weer hielp ’n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. ’n Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor ’t stadhuis werd ’n boom ontworteld, ’t regende dakpannen, drie-kwart van de straatlantaarns woei stuk.Dieontzettingendeeën de menschen thuis blijven en achter damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.’t Brandje bij deZwaluwsraakte op den achtergrond—deZwaluwszelf vertoonden zich niet.’s Avonds in de leuke huiskamer, ná ’t eten, bespraken ze ’t gebeurde en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend, brak takken, dee de behangselwanden golven. ’n Uitgezocht weer voor luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels—en kostelijk te praten.Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en ’n niet malsche verkoudheid—te bezweet had ze op ’t tochtig schooldak gerust—luisterde half—meneer, versch van optimisme, zeiclairvoyantedingen bij ’n globe, die-ie door Kobus uit de stad had laten halen. Wantnou je de verrukkingen van ’t Heelal wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was, nou ’t ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag, nou diende je de aarde een weinigen groste aanschouwen.“Zie je, Amélie,” zei-die in klare gedragenheid, z’n pink op Holland leggend: “as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada, dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig dagen! Abah! Niks meer waard! ’k Neem aan van de Noordpool naar de Zuidpool te peddelen in ’n rèchte lijn, zonder ’n haperingetje—van Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool.”“Dat doe jìj dan maar alléén,” zei mevrouw nuchter, met water-beloopen oogjens:“’k heb van me toer òm ’t huis zat genoeg”....“Dan toer jij ìn huis,” antwoordde Piet; “je hoeft ook niet òveral mee”....“Dat zit,” zeide mevrouw ordinair: “as jij alléén van de Noordpool na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel de zòlderkamers binnen—net as vooreergister—of ’k ’tniet gemòrken heb! ’k Stop me oogen in me zak!”....Meneer ontweek de hatelijkheid.’n Vrouw blééf vrouw. ’t Leven kon zich tot in verfijning moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en ’n vrouw maakte die wereld-schokkingen als ’ngrùttermee.Hoe kòn men an ’t áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde geest (l’esprit ailé) den aardbòl omspande.Nooit had ze ’mbegrepen—nooit grétig meegewild. Bij ’t vertimmeren der pui, na vader’s dood, toen zijn idee deCharcuterie hollandaisetot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren geweest.Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars, Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand van Amsterdam naar Java mat, nu ’t ’m als ’t weten-des-doods zoo rijp werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden—vandaag ging ’r opnieuw de dompende benauwenis van hetniet begrijpenvan haar uit.In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn opgevlogen (figuurlijk)—nu,eenigszinsmeelijdend, zei-ie ingehouden:....“Kind, wees niet zooklein! De heele wereld ligt voor ons open en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste revolutie los gaat barsten”....Starend, als ’n ziener, ’n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van ’t héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie op blz.28).“Gesteld,” sprak-ie, met de lippen smakkelend: “gesteld dat over twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst—over twintig jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen—over twintig jaar krijg je rechtszaken over gegapte vleugels—gesteld dat wij dan nog gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven”....Weer wees z’n wijsvinger ’n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z’ngenialeinvallen....: “Reken is an—hièr, die bleeke broodkruimel, da’s Holland—en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om ’r mannetjes heen te zenden! ’t Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten verzanden. Geef ’t heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we peddelenlinea rectaover Duitschlanden de Zwarte Zee, over Perzië, Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja, daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha!Zoo zeker as tweemaal twee vier krijgen we naàst ’n spoorbrigade—wat ’n fameuze kerel, die Kuyper!—tientallen regimentenVliegende kolonialen. Dan is ’t uit in Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten—wij vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd: reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede—òmgekeerd, as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie gemak ’n draadloos telegram na Batavia en eer ze d’r op verdacht zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten gelederen—door de lucht—door de gòddelijke lucht,....”Z’n zienende oogen staarden in ’t electrisch licht, z’n wangen plooiden zacht van glimlach.“Pa,” zeide Amélie bescheiden: “maar als de Atjehers en de Duitschers tegen dien tijd òòk vliegen—wat dan?”“Dan,” zei Pieter Zwaluw; “dan krijg je in de wolken vèld—nee, vèld kun je dàn niet meer zeggen—dan krijg je wòlkslagen—zooals in de oude tijden màn tegen màn—de zware kanonnen moeten ze benejen laten en met ’n geweer doeje niet veel, als je vliegt. In elk geval wij kunnen de andere volken vóór zijn—dat zal van de regeering, ’t verlicht gouvernement afhangen”....“En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen,” droomde Amélie.“Dàt zou wat voor de Engelschen zijn,” praatte pa driftig en denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen in begeestering voor zich uit: “ja, als we nou wóúen, als we nou anpakten—dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man van Vlissingen naar Queensborough—wie kan ons tegenhouen?—in één nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren, laten we bommen vallen—maling an internationale wetten!—als ze zich in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we alle telegraaf- en telephoondraden door—eenvoudig met ’n stevige schaar—’t werk van de vliegende Sappeurs—niks, niks is tegen ons bestand—geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we ’t zoo vlug doen, wordt ’r geendruppel bloedvergoten”....Buiten adem nam-ie ’n slok van z’n koudgeworden groc, plonste bij de tafel in z’n stoel.Amélie keek droomerig in de electrische lamp.Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts,geeuwde.Toen kwam Chris tafeldekken voor ’t boterhammetje met kaas.En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen ze paisibel te happen, ma slaperig—pa en Amélie met oorlogzuchtige, felle gemoederen.Zoolang de storm aanhield, bleven ze ’s avonds huiselijk fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.

Vierde Kapittel.De villa wordt berucht.“En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de zachte, wijd-deinende ademen van de zee....”(Het Zusje,Henri Borel).“Roth wie Blut, ist der Himmel;Das ist nicht des Tages Gluth.”(Schiller.)Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. ’t Duurde ’n heele poos. ’n Scheut in ’r nek hielp ’t best. Suf, waarlijk wezenloos zat de meid op ’r bed, ’t haarstaartje zwart van vocht.“Chris,” zeide meneer, “’t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben—we hebben gèvlógen.”“Chris, meid,” sprak mevrouw, “we deeën ons eerste toertje....”“Toe nou, Chris—bederf ’t tochtje niet,” zei juffrouw Amélie.Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris, zurig riekend als ’n gemarioneerde haring—’t heele azijnfleschje uit ’t stel was aan ’r verbruikt—wreef angstig de handen, zei enkel maar suffig en hardnekkig:“....’k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd....”“Niet waar!”, viel meneer haar in de rede, “we hebben gevlogen—we zijn de éérste vliegers in Holland....”De meid luisterde nauwlijks naar ’t onwijs gewauwel.“Chris,” drong meneer aan: “je heb gezien wat je nièt mocht zien—als je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende maand vijf-en-twintig gulden van me—verstaan?”“O, lieve God, meneer—’k hei zoo vreeselijk gedroomd—’k hei zulke schrikkelijke dinge gezien.”“Je heb nièt gedroomd, Chrislief,” praatte mevrouw ongeduldig-vriendelijk, “wijwaren in de goot....”“Heusch Chris—ik vloog om ’t huis,” bevestigde Amélie.Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nogalles zóo in harmonie met ’r nachtmerrie vangedrochtenbij ’t raam, dat ze ’r arm oud hoofd, niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en ’r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste ’t ’r niet kwalijk neme—ze was heelemaal onderste boven—ze zou morgen na ’n dokter gaan—ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op ’t dak zatte, dat ’r hart zeer dee....Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den eersten van ’n reeks. Met Kobus ging ’t vlotter. Die begréép toen meneer ’m op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten ’n handje, kroop zelf op ’t dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht, langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij helderen maanschijn.De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang ’n maannacht te bestaren—’t eenig-poëtische van ’t dorp was ’n rederijkerskamer met ’n leesgezelschap vanfatsoenlijkeproducten—de amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Alsniet hier en daar, náast ’t verschrikt hondegejank ’n kat van de daken ware geschichtigd, zou ’t kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.1) Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht hebben? Om de weerga—’t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al illustreerend aan ’tvloeken. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen ’k ’n bijster eind op weg te zijn—let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige en etherische zwevingen, op ’n heel gewoon, zelfs léélijk dak tetoucheeren(en zulks metNeelmeijer, niet met sepia, noch met krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster, dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: ’nKat van de daken ware geschichtigd. Om den stompen schoorsteenuit het dak te doen leven, heb ’k—waarom het niet te bekennen?—bezwaarlijken arbeid gehad. Indiende een of andere Italiaansche rookverdrijver of provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen niet bestaan, dat ze niet trékken—kort gesproken dat ze tebuikigzijn—dan kan ’k uit ondervinding verklaren, dat ’k eenmaal woonde in een huismet zulk een schoorsteen, en dat we bij westen wind den rook in ’t huis en in ’t eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit, maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellenheenschichtigendekatten voor. De auteur kan glad vanschichtigenspreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eeneverklaring. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet treden. In de staarten heb ik hetschichtigengesymboliseerd. S. F.Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen zij voort—te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat alleen debegane grondverlicht was. De tijd dat de wegen van stad naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er nog niet.“Over vijf en twintig jaar,” redeneerde de heer Zwaluw, “vind je overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te krijgen. Dat kàn niet uitblijven....”“Pa,” mijmerde Amélie, “over vijf en twintig jaar is àlles veranderd. Eenig!”“Hoe zoo, kind?”“Omdat ’t móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes—vin u niet? Daken en nog ’ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand ’r ’n sikkepit om maalt hoe z’n huis ’r van bóven uitziet. Allemaal vieze schoorsteentjes en smerige gootjes—vin ú dat móói, pa?”“Nee, zeker niet,” zei meneer met z’n voeten langs ’n reuze-populier ritselend: “en die róókende schoorsteenen—bah, wat krijgen we ’n tractatie uit die pijp—laten we wat op zij vliegen! die rookende schoorsteenen vind ’k èrgerlijk. D’r is ’n verordening op ’t kleedenkloppen, ’r komt ’r natuurlijk een op ’t schoorsteenrooken. ’t Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat verandert.”“En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier, Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal je ’t meeste bezoek door ’t zolderraam krijgen. Dat moet je laten vertimmeren, Piet, met ’n nette balustrade en wat bloemperkjes en schulpen....”“Nee,” weerlegde meneer: “we kunnen nou nog alleen plàtte daken gebruiken en op ’n plat dak, zònder schoorsteen—bah, hier rooken ze scharren!—kun je de keurigste perken onderhouen....”“Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en vergeet-me-nietjes ziet....”Meneer klepperde even langzamer bij ’n zoldervenster.“Piet!”, zei mevrouw streng.“Wat doet pa, ma?”“Niets,” zei mevrouw uit ’r humeur. Dáár zou ze ’m thùis over onderhouen. Binnen loeren bij ’n juffrouw, die ’r avondtoilet maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie leidde de verbolgen gedachten af.“Pa,” zei ze, ’n nieuwe ontdekking doend, “’r is niks meer veilig. We zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat ’n ramen anstaan!....”“Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied,” antwoordde pa, ’t puntje van ’n nieuwe sigaar knippend.Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig te schuimen.“Piet,” zei mevrouw, ’n weinig vermoeid—’r linksche vleugeltrapper moest geolied worden en tegen den wind in werd ’t bezwaarlijk: “ik ga terug.”Meneer die vloog te bepeinzen1—ook in delùcht kon jevieux monsieurmet wormstekigheden zijn—dat ’n vleugje alleen, zònder vrouw en dochter, ’r genoeglijke zijde bij zooveelverlichteintérieurs had, meneer protesteerde:“Noù al? Heb jij zoo’n trek in ’n benauwde kamer als je ’themelruimvoor je heb?”De hoogte der situatie deed ’m dichterlijk praten. Zij, nu toch hijgend en met ’n krampachtige trekking in ’r been die zich naar ’r eksteroog voortplantte, zei plat:“Piet, zánik niet met je hemelruim. ’k Heb genoeg nàchtlucht gehapt—’k wor ’r zàt van.”Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur van-achter-de-toonbank,de laag-bij-den-grondschenatuur boven, plapperde ze ’r uit wat ’r voor ’r mond groeide.“Je moederverstoortons uitstapje weer,” klaagde hij.“Ikverstoorniemendal,” zei mevrouw vinnig, “’k ben moe en zal blij zijn as ’k ’t ding kwijt ben. Me lendene krake....”“Daar hebben we weer ’n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!”—, schamperde meneer.Dàt had-ie niet moeten zeggen—dàt was ’twreedste, ’t uitgezochtste ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt ’r uitflapte, zinspeelde-die op haarverleden, op ’r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen ’r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en ’r moeder-zaliger, reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg.Bei kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de Zwaanssteeg tehoonen. Hij met z’n meerdere geleerdheid had ’r ’n bijzonder handje van.Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed ’n reflex-gebaar parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen, doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid in kalmen sarrens-toon.“Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? ’k Dacht dat ’k zoo’n boel uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts vloekte, Piet! Niewaar, Piet?....”Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze ’r pedaal englimlachte. Jammerdat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar lei-ie ’t altijd tegen af.“Mènsch!...”, begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij ’r te raken.Toen suste Amélie.“Jakkes, pa en ma—hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de menschen....”“Wèlke menschen?”—, snauwde meneer.En ineens schaterde Amélie ’t uit. Dàt was ’n gezelligheid van ’t vliegen zonder weerga—je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld (de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden zeggen—zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was aan de Ruimte.“Wat lach je nou hinderlijk?”—, zei mevrouw.“Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat,” zei meneer nòg eens. En ze zou daar weer ’t ééne-noodige op geantwoord hebben, ware niet ’n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.In ’t dorp klonk een kermend hoorngeschal—’t geschal dat alle bewoners kenden, ’n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo’s sloeg, ’n geschal dat geen uitleg noodig had, ’n geschal dat in z’n akeligheid en lugubere klanking àlles zei.“Brand,” zeide Amélie ’t eerst.“Brand,” herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.“Brand,” sprak meneer, kort.“Lieve hemel,” zei Améliead remin den hémel: “als ’t ’n erge brand is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet ’t heele dorp ons.... Eenig. Eenig”....“Ik laat me vallen,” steunde mevrouw, blij dat ze ’n uitvlucht had bij de vlucht die te lang duurde.“Dóórvliegen!”, maande meneer, “’r is niks te zien, nog geen vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks.”’t Was inderdaad nièt de eerste keer, dat ’t dorp werd wakker getoeterd zonder reden. Bij ’t geringst smeulinkje, bij ’t flauwst rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjesverdachtwaren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste toetering ’n premie van vijftig cent kreeg, ’r ademloos op los. In de laatste vijf jaar was ’r maar éénmaal brand (in den Van Galen’-schen hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden, smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij naar de spuithuisjes, werd ’r absoluut water gegeven, omdat àls de spuiten uitgerukt waren, je ze allicht opverstoppingen en lekken kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde begon de dorpsklok nogeensovermatig te luiden, omdat de dorpstoren twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten alweer naar huis waren.Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm, dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in ’t gezicht der eigen villa.“Lieve help!”—, riep Amélie doodelijk-angstig.“O, goeie genade!”—, zei mevrouw.“Bliksems!”—, vloekte meneer.Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I—pàs aangeschaft, nog nimmer beproefd—zag je de hoofden der Brandweer met witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de villaCasa Cara, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen—die brandden,zònder voos alarm—daverde een vlammende ontzetting naar de donkere wolken.“Piet—’k val flauw,” hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.“Dat zul je laten—daar is de machine niet op berekend!”, schreeuwde meneer.“Ma blijf in godsnaam kordaat—we kùnnen niet in ’t huis, zoolang ze spuit I probeeren!”, riep Amélie gejaagd.“Trappen! Trappen!”, kommandeerde meneer.Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen ze in wijde cirkels om ’t huis—de eerste hollandsche lucht-peddelaars.Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende politieagent z’n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de villaCasa Caravan den heer Pieter E. Zwaluw ware eenspeelbal der vlammen geworden. Het stond den volgenden morgen uitvoerig in het plaatselijk blad, doch dedétails, de ware oorzaak zou niemand te weten komen.Detailsèn oorzaak bleven in Chris’ hart begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch haar, noch Kobusvertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe, dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur greep en door ’n sleutel zoo licht als ’n lucifer werd gesloten. ’s Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door ’n luikje bediend—en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het kunstwerk, dat alle intieme bezoekers vanCasa Caraom beurten hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar bed te jagen. Chris, ondersteboven,—in geen drie dagen had ze bijna gepraat—zocht de logeerkamerhoeken af, keekonder’t bed, keek in de kasten. Toen mijmerde ze—bij de kaars. ’r Gewoonte-dingen, ’t kammen van ’r piekerig geel haar, ’t wriemelen van ’t vlassig vlechtje, ’t wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. ’r Gedachten waren bij ’t visioen, ’t schrikbeeld, ’t klepperen der zes en dertig vleugels, ’t gelach voor ’t dakraam. Den heelen dag, machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld, ’t doodsangst-oogenblik in ’t dakkamertje. ’t Licht der kaars, zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op ’r adem-beweeg, zwol schaduwen langs ’t behang, schaduwen tegen ’t plafond, schaduwen op de witte bedgordijnen. ’t Huis was één pijnigende stilte.Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Kobus—alles sliep. In de benedengang tikte de klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken,onder’t bed, in de kasten,achterde gordijnen—toen ging ze te bed, met kouwe voetklompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.1) .... “Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had....”, zegt de auteur. De uitgever verlangde dit dramatisch moment in beeld—de behendige illustrator, ’t niet geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel dekouwe voetklompjesals deverstardesokken te moeten verwaarloozen. Daar zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal ’k de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààrdie Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A, het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen, de peluw en de kaars acht ’k voortreffelijk geslaagd.... “Uit niets blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode, dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst, het geheele lichaam verbindend en beheerschend....” betoogtWalter Cranein zijnClaims of decorativeart—ik, die woorden tot de mijne makend, heb mijn ganschezielin Chris’ bedgordijnen gelegd, met liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke toets van de pen metNeelmeijer, naast deze bladzijde 66verloren gaan, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van den auteur:.... “Zij snurkte er op los....” Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten. S. F.Voor geen goud had ze in ’tdonkergeslapen.Schijnbaar wakker, telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. ’t Kaarsje knetterde,dee ’t papier opvlammen—’t papier begon te spelen met ’t bedgordijn....Op dat moment geschiedden twee wonderen—Chris schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam—en een pruimende politieagent passeerde. Chris gilde het woordje “brand!” en het driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris, weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.“’t Is al gedaan!”, schreeuwde ze weer uit het raam.Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmerin’t vuur is geweest.De brandhoorns joegen paarse klachten door ’t dorp—dreunende voetstappen bedaverden de keien—de gebeurtenis wàs er.In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de Zwaluw-villa afgezet, klommenrappegasten in Chris’ kamer.Er was een geparfumeerde brandlucht—ersmeulde—er wérd gespoten.De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was ter plaatse.Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer en nou-ie ’r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z’n bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtighedenen raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen metbijlenin de omgeving, alleen bang voor ’n geweldigen uitbrander, ging naar boven, klopte.Geen geluid.Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus’ bed was ònbeslapen.Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek werd de burgemeester, bij ’t angstig vermoeden dat de familie boven door den rook wasgestikt.Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.Bij ’n verbrande koe bij van Galen en ’n dooie kanarie bij Germs—zwak binnenbrandje, drie jaar geleden—was ’t gebleven.Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drienotabelenen vaneenondergeschikte, gaf ’n afschuwelijk vermoeden.Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen.“Dan is de familie uit,” zei de burgervader met eenontprangdeborst.“Nee,” huilde Chris, “de buitendeur is op de grendels....”“Onmogelijk,” sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder, met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten, dat de ketting in de haken rustte.“Vreemd”—, zei de burgemeester, na eene stilte.“Angstig”—, sprak de dokter.Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend, elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in ’n hoek op ’n matras.“Bedwelmd—zònderling,” zei de dokter, den pols van den bediende aanvattend.Kobus werd wakker.“Wat is ’r? Wat mot je?”—, zei-ie slaap-verschrikt.“Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?”—, vroeg de burgemeester gestreng.“Dat weet ’k niet,” zei Kobus onnoozel.“En waar is de familie?” drong de burgemeester aan: “’r is benedenuitslaande brandgeweest!”“De Familie,” hakkelde Kobus, zich in z’nslaapdronkenheid verpratend—de afspraak was dat ze tegen ’t dakraam zouen klòppen—“de familie isgevlogen...”“Gevlogen!—,”schrikte de burgemeester, “waarom gevlogen?”“Dat weet ’k niet,” zei Kobus nog eens.“De vent is dronken,” veronderstelde de dokter.“Maar ze moeten toch èrgens zijn,” redeneerde de burgemeester: “’t is ’n lamme, vèrdàchte historie—bijzonder verdacht.”Terwijl ditdetective-story-geraas de rust vanCasa Carabenéden de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden deZwaluwenin wijde cirkels om ’t overrompeld nest.Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden neerknettrend op de hoofden der Brandweer.Mevrouw, bek-af, hijgend als in ’n tredmolen, had al ’n paar maal op ’t dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel, maakte ’t zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van te worden. ’n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren—de meiden leegden ’r àlles in—haardotten kleèfden aan je bottines—’n tiendubbele schànde!Amélie, die ’t gevaléénig, om te zoenen vond,die wel den heelen nacht had willentrainen, gedragen op de vleuglen van geestdrift en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.Kalmpjes achterblijvend of klepperend in ’n andere richting, neuriede ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... “Auf Flüglen des Gesanges, Herzliebchen trag’ ich dich fort”—of “Ich wollt’ ich wär’ ein Vögelein....”—of “Klein vogelijn op groenen tak....”“Hou op met je gezeur!”—, gromde meneer, “zing als we in hùis terug zijn!”Dan zweeg ze even, tot ’r ’n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze plots tot ’r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te pakken kreeg.Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën: “Zwaluw, hóóg in de lucht—waarheen is uw vlùùùùùcht!”.... Ad-rem-mer kon ’t niet. ’t Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig als ’n veertje, zich niets aantrekkend—hemeltjelief, pa was naar àlle kanten geassureerd!—en zong ’t lied met z’n stijgende bekoring “....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht....”Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als ’n kwajongen.Als ’r in ’t wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze ’r pret in fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid viel ’r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat peerdrupsjes naar de menigte benee meppen—’t heele toetje waagde ze ’r an, maar niemand die ’t bij de sterren zocht.Toen probeerde ze nog even op ’n telephoon-draad te loopen, netjes ’r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den knal van ’n champagnekurk in krullen flapte.“Kind,” zeide ma, thans werklijk uit ’r humeur: “je stelt je an als ’n kwáje meid!”“Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!”, lachte Amélie en weer voort-peddelend, haalde ze als ’n nachtegaal uit: “Zwalùùùùùw hoog in de lùùùùcht...”’t Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig toebonsde.Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet ’t zoldervenster open.“Wat is ’r gebeurd?”—, bulderde meneer, hartstochtelijk binnen-vliegend.Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.Koorts-haastig vertelde Kobus van ’t brandje, van den burgemeester, den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken ’n geheim te bewaren en op zoo’n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te vliègen, dat was wel ’t miserabelste wat je je denken kon.Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette ’t laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.“Die ellendige Chris....,” radde mevrouw ’r toorn-aanloopje nemend. Ze zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou ’t gedaan was.“Die ellendige ouwe suffer,” zeide mevrouw nog eens en wéer hield ze op met ’n kermend angstgilletje. Want nou Kobus ’r vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels ’n leelijken, dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z’n eenen poot in ’t aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge beesten, daar was ze als de dood voor.“Je eerste vàngst in de lucht,” glimlachte meneer tegen den ernst dersituatiein: “zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind....”“Maak geen gekheid,” zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: “’k zeg ’r dadelijk de dienst op.”Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.“Wie daar?”—, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.“Ik! Mevrouw! Doe open!”Chris zat op bij ’r kaars—’n nieuwe—die wild-wapperend week op den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid ’t raam weer had opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.Meneer, Amélie, Kobus, ’t heele huishouden trad binnen.“Wat heb je in ’s hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?”—, driftigde mevrouw: “je kan mòrgen....”Voor de derde maal in ’r discours werd ze gestoord.Chris, achteruitdeinzend naar ’t open raam, ’t raam met z’n geweld van brandalarm-klokkeslagen, snerpte ’n fel-fluitenden gil. Want de familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw met ouwe broeken van meneer an—dat was nou is geen nachtmerrie, maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid.1) Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder volgens den auteur: “z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen begon, nou ’t gedaan was.” ’n Niet-deskundige—en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren—’n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen beseffen hoe de illustrator bij hetscheppendezerintellectueeleteekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over diestruggleszwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat ’k mijn klok en mijn klepelvièrmaalopnieuw in studie gezet heb, voor ’k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. “Ornamentiek”, spreektWalter Crane, dien ’k vroeger reeds citeerde: “is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen eischt”.... Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld zetten van eenvroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm tesymboliseeren. En daar in ’t algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd ’t ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft—alleruitnemendstzorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de programma’s der “Koninklijke Vereeniging”—haast ik mij der lezeres te verzoeken degolvingen van ontzetting(angstig brand-alarm), die uit het lichaam van mijn klok over ’t slapend dorp dreunen en klotsen, nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstscheppingook van terzijdebekijkend, zal men ontwaren—en zulks duidelijker dan bijJan Toorop, die er raak op los baant—dat mijne onthutsings-banen, nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men eenangstigalarm, gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven, wreed, rauw, vraag en roep. S. F.“Wat gil je, krankzinnig mensch!”, vloekte meneer.“Mevrouw loopt in ’n bróek!”, klaag-huilde Chris.In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen ’t sportkostuum vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg verrast door ’t hoofd van ’n politieagent, die over ’t kozijn keek en metgezagan z’n snor draaide.“Is ’t weer gaan smeulen?”—, vroeg-ie vluchtig aantikkend.“Nee! Donder op!”, vlàmde meneer.“Waarom gilt die meid dan zoo?”, redeneerde de agent: “en hoe kom u ’t huis binnen? ’k Ben op order van de burgemeester niet van de deur geweken—dat mot ’k verantwoorden....”“We zijn àchter binnen gekomen,” loog PieterZwaluw, driest ’n achter fantaseerend dat niet aan ’t huis was.“Zoo,” zei de agent,“dan is ’t goed—dan is ’t goed.” Weer tikte-die aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D’r gebeurden schunnige dingen in ’t huis—as ze ’s nachts halftwee door ’n achter dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt liepen. Hij zou ’t rapporteeren.“Hier heb je ’n gulden,” praatte meneer, die ’t oogenloeren gezien had, erg lief van toon.“Dank u,” zei de agent achterdochtigZ’n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.Even was het in gebaar en klank, ’t innerlijkstwezen van ’n drama vlak voor de pauze, als de menschen ’t hèbben moeten.Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van ’n meid, de sukkel die ’n deftige familie op de tong bracht, de stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw ’nluchtje geschepthadden, wat Kobus bezwoer....Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over ’t al slapend dorp. Elke klepelslag gromde ’t schandaal heftiger in de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo ’t raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel ’n uur an ’t touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z’n praatje wel maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! ’n Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad vanCasa Carastuk geloopen—de kwáje meid—de onnadenkende.’s Nachts twee, ruzieden ze nog bij ’t plechtig gebeier buiten. En eerst te bed, ’n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.Meneer bouwde ’n stevig leugenstel, met z’n vrouw, z’n dochter en Kobus als getuigen.1) ...., zijnde A. de Fuik—B., de heer P. E. Zwaluw van ònder—C. D. en E, schoorsteenen, de restvliegend, in doodschrik opgejaagd gedierte. Kon ’k bij vroegere illustraties inspiratie bij dewerkelijkheidzoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van ’n overbuur, hetzij den staart van ’n kat, hetzij hetnachtkastjeuit m’n slaapkamer, hetzij zelfs ’n vergroote huisschel, tot actief voorbeeld stellen—de benauwde droom van mevrouwZwaluw, met ’t gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op defantasievan den teekenaar. Door op den laten nacht zwáár te eten, heb ’k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na ’t koel ochtendbad, heb ’k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen—met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz.naar eigen lust te herkennen. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die beproeve het zèlf met fantasie enNeelmeijer. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat ’r dwars. Ze vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en uilen—’r man voor ’r uit was op de jàcht. Die trok ’n fuik achter zich aan, al maar peddelend en klepprend—de fuik vulde zich met wilde eenden, spreeuwen, lijsters—’t werd ’n zoo raak geschreeuw en gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte en moeite had ’t nachtkastje met ’t oliepitje en meneer’s revolver te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde, beangstigende jacht boven de schoorsteenen....Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te glimlachen. Als ze ’r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de suizing van den wind, zagde boomtoppen en daken in glijding vervloeien. De handen gevouwen onder ’t hoofd, poogde ze ’t hééle lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te reconstrueeren, ’t lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze ’t nog, ’t héérlijk vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, ’t vers dat zin en poëzie begon te krijgen: “...Zwaluw... waarheen is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen en dalen.... Waar ’k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!....”Half drie sliepCasa Caraalgeheel, zelfs Chris, die de emotie van mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging....1De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: “liep te bepeinzen” of “zat te bepeinzen”, dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het geval te onderwerpen.

“En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de zachte, wijd-deinende ademen van de zee....”(Het Zusje,Henri Borel).“Roth wie Blut, ist der Himmel;Das ist nicht des Tages Gluth.”(Schiller.)

“En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de zachte, wijd-deinende ademen van de zee....”

(Het Zusje,Henri Borel).

“Roth wie Blut, ist der Himmel;

Das ist nicht des Tages Gluth.”

(Schiller.)

Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. ’t Duurde ’n heele poos. ’n Scheut in ’r nek hielp ’t best. Suf, waarlijk wezenloos zat de meid op ’r bed, ’t haarstaartje zwart van vocht.

“Chris,” zeide meneer, “’t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben—we hebben gèvlógen.”

“Chris, meid,” sprak mevrouw, “we deeën ons eerste toertje....”

“Toe nou, Chris—bederf ’t tochtje niet,” zei juffrouw Amélie.

Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris, zurig riekend als ’n gemarioneerde haring—’t heele azijnfleschje uit ’t stel was aan ’r verbruikt—wreef angstig de handen, zei enkel maar suffig en hardnekkig:

“....’k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd....”

“Niet waar!”, viel meneer haar in de rede, “we hebben gevlogen—we zijn de éérste vliegers in Holland....”

De meid luisterde nauwlijks naar ’t onwijs gewauwel.

“Chris,” drong meneer aan: “je heb gezien wat je nièt mocht zien—als je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende maand vijf-en-twintig gulden van me—verstaan?”

“O, lieve God, meneer—’k hei zoo vreeselijk gedroomd—’k hei zulke schrikkelijke dinge gezien.”

“Je heb nièt gedroomd, Chrislief,” praatte mevrouw ongeduldig-vriendelijk, “wijwaren in de goot....”

“Heusch Chris—ik vloog om ’t huis,” bevestigde Amélie.

Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nogalles zóo in harmonie met ’r nachtmerrie vangedrochtenbij ’t raam, dat ze ’r arm oud hoofd, niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en ’r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste ’t ’r niet kwalijk neme—ze was heelemaal onderste boven—ze zou morgen na ’n dokter gaan—ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op ’t dak zatte, dat ’r hart zeer dee....

Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den eersten van ’n reeks. Met Kobus ging ’t vlotter. Die begréép toen meneer ’m op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten ’n handje, kroop zelf op ’t dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht, langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij helderen maanschijn.

De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang ’n maannacht te bestaren—’t eenig-poëtische van ’t dorp was ’n rederijkerskamer met ’n leesgezelschap vanfatsoenlijkeproducten—de amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Alsniet hier en daar, náast ’t verschrikt hondegejank ’n kat van de daken ware geschichtigd, zou ’t kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.

1) Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht hebben? Om de weerga—’t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al illustreerend aan ’tvloeken. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen ’k ’n bijster eind op weg te zijn—let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige en etherische zwevingen, op ’n heel gewoon, zelfs léélijk dak tetoucheeren(en zulks metNeelmeijer, niet met sepia, noch met krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster, dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: ’nKat van de daken ware geschichtigd. Om den stompen schoorsteenuit het dak te doen leven, heb ’k—waarom het niet te bekennen?—bezwaarlijken arbeid gehad. Indiende een of andere Italiaansche rookverdrijver of provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen niet bestaan, dat ze niet trékken—kort gesproken dat ze tebuikigzijn—dan kan ’k uit ondervinding verklaren, dat ’k eenmaal woonde in een huismet zulk een schoorsteen, en dat we bij westen wind den rook in ’t huis en in ’t eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit, maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellenheenschichtigendekatten voor. De auteur kan glad vanschichtigenspreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eeneverklaring. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet treden. In de staarten heb ik hetschichtigengesymboliseerd. S. F.

1) Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht hebben? Om de weerga—’t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al illustreerend aan ’tvloeken. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen ’k ’n bijster eind op weg te zijn—let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige en etherische zwevingen, op ’n heel gewoon, zelfs léélijk dak tetoucheeren(en zulks metNeelmeijer, niet met sepia, noch met krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster, dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: ’nKat van de daken ware geschichtigd. Om den stompen schoorsteenuit het dak te doen leven, heb ’k—waarom het niet te bekennen?—bezwaarlijken arbeid gehad. Indiende een of andere Italiaansche rookverdrijver of provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen niet bestaan, dat ze niet trékken—kort gesproken dat ze tebuikigzijn—dan kan ’k uit ondervinding verklaren, dat ’k eenmaal woonde in een huismet zulk een schoorsteen, en dat we bij westen wind den rook in ’t huis en in ’t eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit, maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellenheenschichtigendekatten voor. De auteur kan glad vanschichtigenspreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eeneverklaring. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet treden. In de staarten heb ik hetschichtigengesymboliseerd. S. F.

Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen zij voort—te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat alleen debegane grondverlicht was. De tijd dat de wegen van stad naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er nog niet.

“Over vijf en twintig jaar,” redeneerde de heer Zwaluw, “vind je overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te krijgen. Dat kàn niet uitblijven....”

“Pa,” mijmerde Amélie, “over vijf en twintig jaar is àlles veranderd. Eenig!”

“Hoe zoo, kind?”

“Omdat ’t móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes—vin u niet? Daken en nog ’ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand ’r ’n sikkepit om maalt hoe z’n huis ’r van bóven uitziet. Allemaal vieze schoorsteentjes en smerige gootjes—vin ú dat móói, pa?”

“Nee, zeker niet,” zei meneer met z’n voeten langs ’n reuze-populier ritselend: “en die róókende schoorsteenen—bah, wat krijgen we ’n tractatie uit die pijp—laten we wat op zij vliegen! die rookende schoorsteenen vind ’k èrgerlijk. D’r is ’n verordening op ’t kleedenkloppen, ’r komt ’r natuurlijk een op ’t schoorsteenrooken. ’t Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat verandert.”

“En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier, Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal je ’t meeste bezoek door ’t zolderraam krijgen. Dat moet je laten vertimmeren, Piet, met ’n nette balustrade en wat bloemperkjes en schulpen....”

“Nee,” weerlegde meneer: “we kunnen nou nog alleen plàtte daken gebruiken en op ’n plat dak, zònder schoorsteen—bah, hier rooken ze scharren!—kun je de keurigste perken onderhouen....”

“Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en vergeet-me-nietjes ziet....”

Meneer klepperde even langzamer bij ’n zoldervenster.

“Piet!”, zei mevrouw streng.

“Wat doet pa, ma?”

“Niets,” zei mevrouw uit ’r humeur. Dáár zou ze ’m thùis over onderhouen. Binnen loeren bij ’n juffrouw, die ’r avondtoilet maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie leidde de verbolgen gedachten af.

“Pa,” zei ze, ’n nieuwe ontdekking doend, “’r is niks meer veilig. We zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat ’n ramen anstaan!....”

“Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied,” antwoordde pa, ’t puntje van ’n nieuwe sigaar knippend.

Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig te schuimen.

“Piet,” zei mevrouw, ’n weinig vermoeid—’r linksche vleugeltrapper moest geolied worden en tegen den wind in werd ’t bezwaarlijk: “ik ga terug.”

Meneer die vloog te bepeinzen1—ook in delùcht kon jevieux monsieurmet wormstekigheden zijn—dat ’n vleugje alleen, zònder vrouw en dochter, ’r genoeglijke zijde bij zooveelverlichteintérieurs had, meneer protesteerde:

“Noù al? Heb jij zoo’n trek in ’n benauwde kamer als je ’themelruimvoor je heb?”

De hoogte der situatie deed ’m dichterlijk praten. Zij, nu toch hijgend en met ’n krampachtige trekking in ’r been die zich naar ’r eksteroog voortplantte, zei plat:

“Piet, zánik niet met je hemelruim. ’k Heb genoeg nàchtlucht gehapt—’k wor ’r zàt van.”

Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur van-achter-de-toonbank,de laag-bij-den-grondschenatuur boven, plapperde ze ’r uit wat ’r voor ’r mond groeide.

“Je moederverstoortons uitstapje weer,” klaagde hij.

“Ikverstoorniemendal,” zei mevrouw vinnig, “’k ben moe en zal blij zijn as ’k ’t ding kwijt ben. Me lendene krake....”

“Daar hebben we weer ’n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!”—, schamperde meneer.

Dàt had-ie niet moeten zeggen—dàt was ’twreedste, ’t uitgezochtste ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt ’r uitflapte, zinspeelde-die op haarverleden, op ’r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen ’r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en ’r moeder-zaliger, reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg.Bei kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de Zwaanssteeg tehoonen. Hij met z’n meerdere geleerdheid had ’r ’n bijzonder handje van.

Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed ’n reflex-gebaar parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen, doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid in kalmen sarrens-toon.

“Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? ’k Dacht dat ’k zoo’n boel uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts vloekte, Piet! Niewaar, Piet?....”

Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze ’r pedaal englimlachte. Jammerdat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar lei-ie ’t altijd tegen af.

“Mènsch!...”, begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij ’r te raken.

Toen suste Amélie.

“Jakkes, pa en ma—hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de menschen....”

“Wèlke menschen?”—, snauwde meneer.

En ineens schaterde Amélie ’t uit. Dàt was ’n gezelligheid van ’t vliegen zonder weerga—je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld (de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden zeggen—zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was aan de Ruimte.

“Wat lach je nou hinderlijk?”—, zei mevrouw.

“Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat,” zei meneer nòg eens. En ze zou daar weer ’t ééne-noodige op geantwoord hebben, ware niet ’n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.

In ’t dorp klonk een kermend hoorngeschal—’t geschal dat alle bewoners kenden, ’n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo’s sloeg, ’n geschal dat geen uitleg noodig had, ’n geschal dat in z’n akeligheid en lugubere klanking àlles zei.

“Brand,” zeide Amélie ’t eerst.

“Brand,” herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.

“Brand,” sprak meneer, kort.

“Lieve hemel,” zei Améliead remin den hémel: “als ’t ’n erge brand is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet ’t heele dorp ons.... Eenig. Eenig”....

“Ik laat me vallen,” steunde mevrouw, blij dat ze ’n uitvlucht had bij de vlucht die te lang duurde.

“Dóórvliegen!”, maande meneer, “’r is niks te zien, nog geen vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks.”

’t Was inderdaad nièt de eerste keer, dat ’t dorp werd wakker getoeterd zonder reden. Bij ’t geringst smeulinkje, bij ’t flauwst rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjesverdachtwaren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste toetering ’n premie van vijftig cent kreeg, ’r ademloos op los. In de laatste vijf jaar was ’r maar éénmaal brand (in den Van Galen’-schen hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden, smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij naar de spuithuisjes, werd ’r absoluut water gegeven, omdat àls de spuiten uitgerukt waren, je ze allicht opverstoppingen en lekken kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde begon de dorpsklok nogeensovermatig te luiden, omdat de dorpstoren twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten alweer naar huis waren.

Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm, dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in ’t gezicht der eigen villa.

“Lieve help!”—, riep Amélie doodelijk-angstig.

“O, goeie genade!”—, zei mevrouw.

“Bliksems!”—, vloekte meneer.

Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I—pàs aangeschaft, nog nimmer beproefd—zag je de hoofden der Brandweer met witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de villaCasa Cara, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen—die brandden,zònder voos alarm—daverde een vlammende ontzetting naar de donkere wolken.

“Piet—’k val flauw,” hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.

“Dat zul je laten—daar is de machine niet op berekend!”, schreeuwde meneer.

“Ma blijf in godsnaam kordaat—we kùnnen niet in ’t huis, zoolang ze spuit I probeeren!”, riep Amélie gejaagd.

“Trappen! Trappen!”, kommandeerde meneer.

Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen ze in wijde cirkels om ’t huis—de eerste hollandsche lucht-peddelaars.

Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende politieagent z’n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de villaCasa Caravan den heer Pieter E. Zwaluw ware eenspeelbal der vlammen geworden. Het stond den volgenden morgen uitvoerig in het plaatselijk blad, doch dedétails, de ware oorzaak zou niemand te weten komen.Detailsèn oorzaak bleven in Chris’ hart begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch haar, noch Kobusvertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe, dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur greep en door ’n sleutel zoo licht als ’n lucifer werd gesloten. ’s Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door ’n luikje bediend—en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het kunstwerk, dat alle intieme bezoekers vanCasa Caraom beurten hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar bed te jagen. Chris, ondersteboven,—in geen drie dagen had ze bijna gepraat—zocht de logeerkamerhoeken af, keekonder’t bed, keek in de kasten. Toen mijmerde ze—bij de kaars. ’r Gewoonte-dingen, ’t kammen van ’r piekerig geel haar, ’t wriemelen van ’t vlassig vlechtje, ’t wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. ’r Gedachten waren bij ’t visioen, ’t schrikbeeld, ’t klepperen der zes en dertig vleugels, ’t gelach voor ’t dakraam. Den heelen dag, machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld, ’t doodsangst-oogenblik in ’t dakkamertje. ’t Licht der kaars, zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op ’r adem-beweeg, zwol schaduwen langs ’t behang, schaduwen tegen ’t plafond, schaduwen op de witte bedgordijnen. ’t Huis was één pijnigende stilte.Meneer, mevrouw, juffrouw Amélie, Kobus—alles sliep. In de benedengang tikte de klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken,onder’t bed, in de kasten,achterde gordijnen—toen ging ze te bed, met kouwe voetklompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.

1) .... “Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had....”, zegt de auteur. De uitgever verlangde dit dramatisch moment in beeld—de behendige illustrator, ’t niet geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel dekouwe voetklompjesals deverstardesokken te moeten verwaarloozen. Daar zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal ’k de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààrdie Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A, het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen, de peluw en de kaars acht ’k voortreffelijk geslaagd.... “Uit niets blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode, dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst, het geheele lichaam verbindend en beheerschend....” betoogtWalter Cranein zijnClaims of decorativeart—ik, die woorden tot de mijne makend, heb mijn ganschezielin Chris’ bedgordijnen gelegd, met liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke toets van de pen metNeelmeijer, naast deze bladzijde 66verloren gaan, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van den auteur:.... “Zij snurkte er op los....” Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten. S. F.

1) .... “Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in verstarde sokken—liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer streng verboden had....”, zegt de auteur. De uitgever verlangde dit dramatisch moment in beeld—de behendige illustrator, ’t niet geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel dekouwe voetklompjesals deverstardesokken te moeten verwaarloozen. Daar zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal ’k de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààrdie Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A, het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen, de peluw en de kaars acht ’k voortreffelijk geslaagd.... “Uit niets blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode, dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst, het geheele lichaam verbindend en beheerschend....” betoogtWalter Cranein zijnClaims of decorativeart—ik, die woorden tot de mijne makend, heb mijn ganschezielin Chris’ bedgordijnen gelegd, met liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke toets van de pen metNeelmeijer, naast deze bladzijde 66verloren gaan, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van den auteur:.... “Zij snurkte er op los....” Enfin, deuitgevermoet ’t weten. Ik houd mij koel en ’r buiten. S. F.

Voor geen goud had ze in ’tdonkergeslapen.Schijnbaar wakker, telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. ’t Kaarsje knetterde,dee ’t papier opvlammen—’t papier begon te spelen met ’t bedgordijn....Op dat moment geschiedden twee wonderen—Chris schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam—en een pruimende politieagent passeerde. Chris gilde het woordje “brand!” en het driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris, weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.

“’t Is al gedaan!”, schreeuwde ze weer uit het raam.

Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmerin’t vuur is geweest.

De brandhoorns joegen paarse klachten door ’t dorp—dreunende voetstappen bedaverden de keien—de gebeurtenis wàs er.

In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de Zwaluw-villa afgezet, klommenrappegasten in Chris’ kamer.

Er was een geparfumeerde brandlucht—ersmeulde—er wérd gespoten.

De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was ter plaatse.

Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer en nou-ie ’r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z’n bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtighedenen raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.

Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen metbijlenin de omgeving, alleen bang voor ’n geweldigen uitbrander, ging naar boven, klopte.

Geen geluid.

Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus’ bed was ònbeslapen.

Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek werd de burgemeester, bij ’t angstig vermoeden dat de familie boven door den rook wasgestikt.

Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.

Bij ’n verbrande koe bij van Galen en ’n dooie kanarie bij Germs—zwak binnenbrandje, drie jaar geleden—was ’t gebleven.

Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drienotabelenen vaneenondergeschikte, gaf ’n afschuwelijk vermoeden.

Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen.

“Dan is de familie uit,” zei de burgervader met eenontprangdeborst.

“Nee,” huilde Chris, “de buitendeur is op de grendels....”

“Onmogelijk,” sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder, met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten, dat de ketting in de haken rustte.

“Vreemd”—, zei de burgemeester, na eene stilte.

“Angstig”—, sprak de dokter.

Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend, elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in ’n hoek op ’n matras.

“Bedwelmd—zònderling,” zei de dokter, den pols van den bediende aanvattend.

Kobus werd wakker.

“Wat is ’r? Wat mot je?”—, zei-ie slaap-verschrikt.

“Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?”—, vroeg de burgemeester gestreng.

“Dat weet ’k niet,” zei Kobus onnoozel.

“En waar is de familie?” drong de burgemeester aan: “’r is benedenuitslaande brandgeweest!”

“De Familie,” hakkelde Kobus, zich in z’nslaapdronkenheid verpratend—de afspraak was dat ze tegen ’t dakraam zouen klòppen—“de familie isgevlogen...”

“Gevlogen!—,”schrikte de burgemeester, “waarom gevlogen?”

“Dat weet ’k niet,” zei Kobus nog eens.

“De vent is dronken,” veronderstelde de dokter.

“Maar ze moeten toch èrgens zijn,” redeneerde de burgemeester: “’t is ’n lamme, vèrdàchte historie—bijzonder verdacht.”

Terwijl ditdetective-story-geraas de rust vanCasa Carabenéden de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden deZwaluwenin wijde cirkels om ’t overrompeld nest.

Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden neerknettrend op de hoofden der Brandweer.

Mevrouw, bek-af, hijgend als in ’n tredmolen, had al ’n paar maal op ’t dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel, maakte ’t zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van te worden. ’n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren—de meiden leegden ’r àlles in—haardotten kleèfden aan je bottines—’n tiendubbele schànde!

Amélie, die ’t gevaléénig, om te zoenen vond,die wel den heelen nacht had willentrainen, gedragen op de vleuglen van geestdrift en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.

Kalmpjes achterblijvend of klepperend in ’n andere richting, neuriede ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... “Auf Flüglen des Gesanges, Herzliebchen trag’ ich dich fort”—of “Ich wollt’ ich wär’ ein Vögelein....”—of “Klein vogelijn op groenen tak....”

“Hou op met je gezeur!”—, gromde meneer, “zing als we in hùis terug zijn!”

Dan zweeg ze even, tot ’r ’n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze plots tot ’r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te pakken kreeg.

Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën: “Zwaluw, hóóg in de lucht—waarheen is uw vlùùùùùcht!”.... Ad-rem-mer kon ’t niet. ’t Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig als ’n veertje, zich niets aantrekkend—hemeltjelief, pa was naar àlle kanten geassureerd!—en zong ’t lied met z’n stijgende bekoring “....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht....”

Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als ’n kwajongen.

Als ’r in ’t wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze ’r pret in fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid viel ’r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat peerdrupsjes naar de menigte benee meppen—’t heele toetje waagde ze ’r an, maar niemand die ’t bij de sterren zocht.

Toen probeerde ze nog even op ’n telephoon-draad te loopen, netjes ’r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den knal van ’n champagnekurk in krullen flapte.

“Kind,” zeide ma, thans werklijk uit ’r humeur: “je stelt je an als ’n kwáje meid!”

“Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!”, lachte Amélie en weer voort-peddelend, haalde ze als ’n nachtegaal uit: “Zwalùùùùùw hoog in de lùùùùcht...”

’t Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig toebonsde.

Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet ’t zoldervenster open.

“Wat is ’r gebeurd?”—, bulderde meneer, hartstochtelijk binnen-vliegend.

Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.

Koorts-haastig vertelde Kobus van ’t brandje, van den burgemeester, den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.

En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken ’n geheim te bewaren en op zoo’n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te vliègen, dat was wel ’t miserabelste wat je je denken kon.

Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette ’t laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.

“Die ellendige Chris....,” radde mevrouw ’r toorn-aanloopje nemend. Ze zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou ’t gedaan was.

“Die ellendige ouwe suffer,” zeide mevrouw nog eens en wéer hield ze op met ’n kermend angstgilletje. Want nou Kobus ’r vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels ’n leelijken, dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z’n eenen poot in ’t aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge beesten, daar was ze als de dood voor.

“Je eerste vàngst in de lucht,” glimlachte meneer tegen den ernst dersituatiein: “zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind....”

“Maak geen gekheid,” zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: “’k zeg ’r dadelijk de dienst op.”

Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.

“Wie daar?”—, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.

“Ik! Mevrouw! Doe open!”

Chris zat op bij ’r kaars—’n nieuwe—die wild-wapperend week op den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid ’t raam weer had opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.

Meneer, Amélie, Kobus, ’t heele huishouden trad binnen.

“Wat heb je in ’s hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?”—, driftigde mevrouw: “je kan mòrgen....”

Voor de derde maal in ’r discours werd ze gestoord.

Chris, achteruitdeinzend naar ’t open raam, ’t raam met z’n geweld van brandalarm-klokkeslagen, snerpte ’n fel-fluitenden gil. Want de familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw met ouwe broeken van meneer an—dat was nou is geen nachtmerrie, maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid.

1) Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder volgens den auteur: “z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen begon, nou ’t gedaan was.” ’n Niet-deskundige—en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren—’n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen beseffen hoe de illustrator bij hetscheppendezerintellectueeleteekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over diestruggleszwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat ’k mijn klok en mijn klepelvièrmaalopnieuw in studie gezet heb, voor ’k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. “Ornamentiek”, spreektWalter Crane, dien ’k vroeger reeds citeerde: “is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen eischt”.... Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld zetten van eenvroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm tesymboliseeren. En daar in ’t algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd ’t ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft—alleruitnemendstzorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de programma’s der “Koninklijke Vereeniging”—haast ik mij der lezeres te verzoeken degolvingen van ontzetting(angstig brand-alarm), die uit het lichaam van mijn klok over ’t slapend dorp dreunen en klotsen, nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstscheppingook van terzijdebekijkend, zal men ontwaren—en zulks duidelijker dan bijJan Toorop, die er raak op los baant—dat mijne onthutsings-banen, nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men eenangstigalarm, gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven, wreed, rauw, vraag en roep. S. F.

1) Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder volgens den auteur: “z’n vroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen begon, nou ’t gedaan was.” ’n Niet-deskundige—en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles en nog wat publiceeren—’n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen beseffen hoe de illustrator bij hetscheppendezerintellectueeleteekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon men over diestruggleszwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te verklaren, dat ’k mijn klok en mijn klepelvièrmaalopnieuw in studie gezet heb, voor ’k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. “Ornamentiek”, spreektWalter Crane, dien ’k vroeger reeds citeerde: “is geen wis- of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde noodzakelijke gevolgen eischt”.... Bij het schetsen van mijn klok en het in beeld zetten van eenvroegtijdig, angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen, gewerd mij de gelukkige ingeving dat alarm tesymboliseeren. En daar in ’t algemeen het groote publiek, hoe verlekkerd ’t ook op symbolen is, eene verklaring noodig heeft—alleruitnemendstzorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de programma’s der “Koninklijke Vereeniging”—haast ik mij der lezeres te verzoeken degolvingen van ontzetting(angstig brand-alarm), die uit het lichaam van mijn klok over ’t slapend dorp dreunen en klotsen, nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstscheppingook van terzijdebekijkend, zal men ontwaren—en zulks duidelijker dan bijJan Toorop, die er raak op los baant—dat mijne onthutsings-banen, nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men eenangstigalarm, gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven, wreed, rauw, vraag en roep. S. F.

“Wat gil je, krankzinnig mensch!”, vloekte meneer.

“Mevrouw loopt in ’n bróek!”, klaag-huilde Chris.

In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen ’t sportkostuum vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg verrast door ’t hoofd van ’n politieagent, die over ’t kozijn keek en metgezagan z’n snor draaide.

“Is ’t weer gaan smeulen?”—, vroeg-ie vluchtig aantikkend.

“Nee! Donder op!”, vlàmde meneer.

“Waarom gilt die meid dan zoo?”, redeneerde de agent: “en hoe kom u ’t huis binnen? ’k Ben op order van de burgemeester niet van de deur geweken—dat mot ’k verantwoorden....”

“We zijn àchter binnen gekomen,” loog PieterZwaluw, driest ’n achter fantaseerend dat niet aan ’t huis was.

“Zoo,” zei de agent,“dan is ’t goed—dan is ’t goed.” Weer tikte-die aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D’r gebeurden schunnige dingen in ’t huis—as ze ’s nachts halftwee door ’n achter dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt liepen. Hij zou ’t rapporteeren.

“Hier heb je ’n gulden,” praatte meneer, die ’t oogenloeren gezien had, erg lief van toon.

“Dank u,” zei de agent achterdochtig

Z’n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.

Even was het in gebaar en klank, ’t innerlijkstwezen van ’n drama vlak voor de pauze, als de menschen ’t hèbben moeten.

Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van ’n meid, de sukkel die ’n deftige familie op de tong bracht, de stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw ’nluchtje geschepthadden, wat Kobus bezwoer....

Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over ’t al slapend dorp. Elke klepelslag gromde ’t schandaal heftiger in de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo ’t raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel ’n uur an ’t touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z’n praatje wel maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! ’n Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad vanCasa Carastuk geloopen—de kwáje meid—de onnadenkende.

’s Nachts twee, ruzieden ze nog bij ’t plechtig gebeier buiten. En eerst te bed, ’n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.

Meneer bouwde ’n stevig leugenstel, met z’n vrouw, z’n dochter en Kobus als getuigen.

1) ...., zijnde A. de Fuik—B., de heer P. E. Zwaluw van ònder—C. D. en E, schoorsteenen, de restvliegend, in doodschrik opgejaagd gedierte. Kon ’k bij vroegere illustraties inspiratie bij dewerkelijkheidzoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van ’n overbuur, hetzij den staart van ’n kat, hetzij hetnachtkastjeuit m’n slaapkamer, hetzij zelfs ’n vergroote huisschel, tot actief voorbeeld stellen—de benauwde droom van mevrouwZwaluw, met ’t gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op defantasievan den teekenaar. Door op den laten nacht zwáár te eten, heb ’k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na ’t koel ochtendbad, heb ’k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen—met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz.naar eigen lust te herkennen. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die beproeve het zèlf met fantasie enNeelmeijer. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.

1) ...., zijnde A. de Fuik—B., de heer P. E. Zwaluw van ònder—C. D. en E, schoorsteenen, de restvliegend, in doodschrik opgejaagd gedierte. Kon ’k bij vroegere illustraties inspiratie bij dewerkelijkheidzoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van ’n overbuur, hetzij den staart van ’n kat, hetzij hetnachtkastjeuit m’n slaapkamer, hetzij zelfs ’n vergroote huisschel, tot actief voorbeeld stellen—de benauwde droom van mevrouwZwaluw, met ’t gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een wanhopig beroep op defantasievan den teekenaar. Door op den laten nacht zwáár te eten, heb ’k getracht mijzelven eene nachtmerrie van gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na ’t koel ochtendbad, heb ’k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen—met een waarlijk gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters enz.naar eigen lust te herkennen. En wie zich geroepen voelt over dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die beproeve het zèlf met fantasie enNeelmeijer. Ja, voorwaar! Er is niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een maatstaf. S. F.

Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat ’r dwars. Ze vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en uilen—’r man voor ’r uit was op de jàcht. Die trok ’n fuik achter zich aan, al maar peddelend en klepprend—de fuik vulde zich met wilde eenden, spreeuwen, lijsters—’t werd ’n zoo raak geschreeuw en gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte en moeite had ’t nachtkastje met ’t oliepitje en meneer’s revolver te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde, beangstigende jacht boven de schoorsteenen....

Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te glimlachen. Als ze ’r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de suizing van den wind, zagde boomtoppen en daken in glijding vervloeien. De handen gevouwen onder ’t hoofd, poogde ze ’t hééle lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te reconstrueeren, ’t lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze ’t nog, ’t héérlijk vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, ’t vers dat zin en poëzie begon te krijgen: “...Zwaluw... waarheen is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen en dalen.... Waar ’k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!....”

Half drie sliepCasa Caraalgeheel, zelfs Chris, die de emotie van mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.

De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging....

1De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: “liep te bepeinzen” of “zat te bepeinzen”, dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het geval te onderwerpen.

1De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: “liep te bepeinzen” of “zat te bepeinzen”, dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het geval te onderwerpen.

Vijfde Kapittel.Stoornis in de atmosfeer.“Wat is er van den nacht,O Wachter! welk een dagwordt aan de kim verwacht!”(Isaäc da Costa.)De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.Veel besproken in ’t dorp, was de verstandigste tactiek ’t gekakel te latenbezinken. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was geweest, had ’n allerzonderlingste verklaring geslikt, ’n verklaring die positiefverdachtscheen, doch waaraan je nietofficieelkon twijfelen, omdat je ’n zoo duistere zaak vanverdwenenmenschen, die plots metbroekenaan (rapport van ’n betrouwbaarbrigadier) terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven het feit dat de familie niètgestiktwas, op zich zelf eene publieke verheugenis werd.Het weer hielp ’n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. ’n Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor ’t stadhuis werd ’n boom ontworteld, ’t regende dakpannen, drie-kwart van de straatlantaarns woei stuk.Dieontzettingendeeën de menschen thuis blijven en achter damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.’t Brandje bij deZwaluwsraakte op den achtergrond—deZwaluwszelf vertoonden zich niet.’s Avonds in de leuke huiskamer, ná ’t eten, bespraken ze ’t gebeurde en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend, brak takken, dee de behangselwanden golven. ’n Uitgezocht weer voor luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels—en kostelijk te praten.Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en ’n niet malsche verkoudheid—te bezweet had ze op ’t tochtig schooldak gerust—luisterde half—meneer, versch van optimisme, zeiclairvoyantedingen bij ’n globe, die-ie door Kobus uit de stad had laten halen. Wantnou je de verrukkingen van ’t Heelal wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was, nou ’t ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag, nou diende je de aarde een weinigen groste aanschouwen.“Zie je, Amélie,” zei-die in klare gedragenheid, z’n pink op Holland leggend: “as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada, dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig dagen! Abah! Niks meer waard! ’k Neem aan van de Noordpool naar de Zuidpool te peddelen in ’n rèchte lijn, zonder ’n haperingetje—van Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool.”“Dat doe jìj dan maar alléén,” zei mevrouw nuchter, met water-beloopen oogjens:“’k heb van me toer òm ’t huis zat genoeg”....“Dan toer jij ìn huis,” antwoordde Piet; “je hoeft ook niet òveral mee”....“Dat zit,” zeide mevrouw ordinair: “as jij alléén van de Noordpool na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel de zòlderkamers binnen—net as vooreergister—of ’k ’tniet gemòrken heb! ’k Stop me oogen in me zak!”....Meneer ontweek de hatelijkheid.’n Vrouw blééf vrouw. ’t Leven kon zich tot in verfijning moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en ’n vrouw maakte die wereld-schokkingen als ’ngrùttermee.Hoe kòn men an ’t áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde geest (l’esprit ailé) den aardbòl omspande.Nooit had ze ’mbegrepen—nooit grétig meegewild. Bij ’t vertimmeren der pui, na vader’s dood, toen zijn idee deCharcuterie hollandaisetot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren geweest.Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars, Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand van Amsterdam naar Java mat, nu ’t ’m als ’t weten-des-doods zoo rijp werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden—vandaag ging ’r opnieuw de dompende benauwenis van hetniet begrijpenvan haar uit.In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn opgevlogen (figuurlijk)—nu,eenigszinsmeelijdend, zei-ie ingehouden:....“Kind, wees niet zooklein! De heele wereld ligt voor ons open en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste revolutie los gaat barsten”....Starend, als ’n ziener, ’n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van ’t héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie op blz.28).“Gesteld,” sprak-ie, met de lippen smakkelend: “gesteld dat over twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst—over twintig jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen—over twintig jaar krijg je rechtszaken over gegapte vleugels—gesteld dat wij dan nog gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven”....Weer wees z’n wijsvinger ’n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z’ngenialeinvallen....: “Reken is an—hièr, die bleeke broodkruimel, da’s Holland—en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om ’r mannetjes heen te zenden! ’t Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten verzanden. Geef ’t heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we peddelenlinea rectaover Duitschlanden de Zwarte Zee, over Perzië, Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja, daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha!Zoo zeker as tweemaal twee vier krijgen we naàst ’n spoorbrigade—wat ’n fameuze kerel, die Kuyper!—tientallen regimentenVliegende kolonialen. Dan is ’t uit in Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten—wij vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd: reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede—òmgekeerd, as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie gemak ’n draadloos telegram na Batavia en eer ze d’r op verdacht zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten gelederen—door de lucht—door de gòddelijke lucht,....”Z’n zienende oogen staarden in ’t electrisch licht, z’n wangen plooiden zacht van glimlach.“Pa,” zeide Amélie bescheiden: “maar als de Atjehers en de Duitschers tegen dien tijd òòk vliegen—wat dan?”“Dan,” zei Pieter Zwaluw; “dan krijg je in de wolken vèld—nee, vèld kun je dàn niet meer zeggen—dan krijg je wòlkslagen—zooals in de oude tijden màn tegen màn—de zware kanonnen moeten ze benejen laten en met ’n geweer doeje niet veel, als je vliegt. In elk geval wij kunnen de andere volken vóór zijn—dat zal van de regeering, ’t verlicht gouvernement afhangen”....“En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen,” droomde Amélie.“Dàt zou wat voor de Engelschen zijn,” praatte pa driftig en denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen in begeestering voor zich uit: “ja, als we nou wóúen, als we nou anpakten—dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man van Vlissingen naar Queensborough—wie kan ons tegenhouen?—in één nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren, laten we bommen vallen—maling an internationale wetten!—als ze zich in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we alle telegraaf- en telephoondraden door—eenvoudig met ’n stevige schaar—’t werk van de vliegende Sappeurs—niks, niks is tegen ons bestand—geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we ’t zoo vlug doen, wordt ’r geendruppel bloedvergoten”....Buiten adem nam-ie ’n slok van z’n koudgeworden groc, plonste bij de tafel in z’n stoel.Amélie keek droomerig in de electrische lamp.Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts,geeuwde.Toen kwam Chris tafeldekken voor ’t boterhammetje met kaas.En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen ze paisibel te happen, ma slaperig—pa en Amélie met oorlogzuchtige, felle gemoederen.Zoolang de storm aanhield, bleven ze ’s avonds huiselijk fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.

“Wat is er van den nacht,O Wachter! welk een dagwordt aan de kim verwacht!”(Isaäc da Costa.)

“Wat is er van den nacht,

O Wachter! welk een dag

wordt aan de kim verwacht!”

(Isaäc da Costa.)

De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.

Veel besproken in ’t dorp, was de verstandigste tactiek ’t gekakel te latenbezinken. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was geweest, had ’n allerzonderlingste verklaring geslikt, ’n verklaring die positiefverdachtscheen, doch waaraan je nietofficieelkon twijfelen, omdat je ’n zoo duistere zaak vanverdwenenmenschen, die plots metbroekenaan (rapport van ’n betrouwbaarbrigadier) terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven het feit dat de familie niètgestiktwas, op zich zelf eene publieke verheugenis werd.

Het weer hielp ’n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. ’n Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor ’t stadhuis werd ’n boom ontworteld, ’t regende dakpannen, drie-kwart van de straatlantaarns woei stuk.

Dieontzettingendeeën de menschen thuis blijven en achter damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.

’t Brandje bij deZwaluwsraakte op den achtergrond—deZwaluwszelf vertoonden zich niet.

’s Avonds in de leuke huiskamer, ná ’t eten, bespraken ze ’t gebeurde en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend, brak takken, dee de behangselwanden golven. ’n Uitgezocht weer voor luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels—en kostelijk te praten.

Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en ’n niet malsche verkoudheid—te bezweet had ze op ’t tochtig schooldak gerust—luisterde half—meneer, versch van optimisme, zeiclairvoyantedingen bij ’n globe, die-ie door Kobus uit de stad had laten halen. Wantnou je de verrukkingen van ’t Heelal wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was, nou ’t ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag, nou diende je de aarde een weinigen groste aanschouwen.

“Zie je, Amélie,” zei-die in klare gedragenheid, z’n pink op Holland leggend: “as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada, dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig dagen! Abah! Niks meer waard! ’k Neem aan van de Noordpool naar de Zuidpool te peddelen in ’n rèchte lijn, zonder ’n haperingetje—van Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool.”

“Dat doe jìj dan maar alléén,” zei mevrouw nuchter, met water-beloopen oogjens:“’k heb van me toer òm ’t huis zat genoeg”....

“Dan toer jij ìn huis,” antwoordde Piet; “je hoeft ook niet òveral mee”....

“Dat zit,” zeide mevrouw ordinair: “as jij alléén van de Noordpool na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel de zòlderkamers binnen—net as vooreergister—of ’k ’tniet gemòrken heb! ’k Stop me oogen in me zak!”....

Meneer ontweek de hatelijkheid.

’n Vrouw blééf vrouw. ’t Leven kon zich tot in verfijning moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en ’n vrouw maakte die wereld-schokkingen als ’ngrùttermee.

Hoe kòn men an ’t áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde geest (l’esprit ailé) den aardbòl omspande.

Nooit had ze ’mbegrepen—nooit grétig meegewild. Bij ’t vertimmeren der pui, na vader’s dood, toen zijn idee deCharcuterie hollandaisetot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren geweest.

Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars, Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand van Amsterdam naar Java mat, nu ’t ’m als ’t weten-des-doods zoo rijp werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden—vandaag ging ’r opnieuw de dompende benauwenis van hetniet begrijpenvan haar uit.

In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn opgevlogen (figuurlijk)—nu,eenigszinsmeelijdend, zei-ie ingehouden:

....“Kind, wees niet zooklein! De heele wereld ligt voor ons open en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste revolutie los gaat barsten”....

Starend, als ’n ziener, ’n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van ’t héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie op blz.28).

“Gesteld,” sprak-ie, met de lippen smakkelend: “gesteld dat over twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst—over twintig jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen—over twintig jaar krijg je rechtszaken over gegapte vleugels—gesteld dat wij dan nog gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven”....

Weer wees z’n wijsvinger ’n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z’ngenialeinvallen....: “Reken is an—hièr, die bleeke broodkruimel, da’s Holland—en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om ’r mannetjes heen te zenden! ’t Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten verzanden. Geef ’t heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we peddelenlinea rectaover Duitschlanden de Zwarte Zee, over Perzië, Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja, daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha!Zoo zeker as tweemaal twee vier krijgen we naàst ’n spoorbrigade—wat ’n fameuze kerel, die Kuyper!—tientallen regimentenVliegende kolonialen. Dan is ’t uit in Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten—wij vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd: reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede—òmgekeerd, as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie gemak ’n draadloos telegram na Batavia en eer ze d’r op verdacht zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten gelederen—door de lucht—door de gòddelijke lucht,....”

Z’n zienende oogen staarden in ’t electrisch licht, z’n wangen plooiden zacht van glimlach.

“Pa,” zeide Amélie bescheiden: “maar als de Atjehers en de Duitschers tegen dien tijd òòk vliegen—wat dan?”

“Dan,” zei Pieter Zwaluw; “dan krijg je in de wolken vèld—nee, vèld kun je dàn niet meer zeggen—dan krijg je wòlkslagen—zooals in de oude tijden màn tegen màn—de zware kanonnen moeten ze benejen laten en met ’n geweer doeje niet veel, als je vliegt. In elk geval wij kunnen de andere volken vóór zijn—dat zal van de regeering, ’t verlicht gouvernement afhangen”....

“En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen,” droomde Amélie.

“Dàt zou wat voor de Engelschen zijn,” praatte pa driftig en denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen in begeestering voor zich uit: “ja, als we nou wóúen, als we nou anpakten—dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man van Vlissingen naar Queensborough—wie kan ons tegenhouen?—in één nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren, laten we bommen vallen—maling an internationale wetten!—als ze zich in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we alle telegraaf- en telephoondraden door—eenvoudig met ’n stevige schaar—’t werk van de vliegende Sappeurs—niks, niks is tegen ons bestand—geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we ’t zoo vlug doen, wordt ’r geendruppel bloedvergoten”....

Buiten adem nam-ie ’n slok van z’n koudgeworden groc, plonste bij de tafel in z’n stoel.

Amélie keek droomerig in de electrische lamp.

Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts,geeuwde.

Toen kwam Chris tafeldekken voor ’t boterhammetje met kaas.

En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen ze paisibel te happen, ma slaperig—pa en Amélie met oorlogzuchtige, felle gemoederen.

Zoolang de storm aanhield, bleven ze ’s avonds huiselijk fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.


Back to IndexNext