Zesde Kapittel.

Zesde Kapittel.Perrol met de roode hand.“Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten,Eens heb ik van dichte-nachtschaduwHet luchte, vluchtige vlieden beklaagd—En nu!—En nu!”....(Ellen,Fred. van Eeden.)“Als ’t vannacht wéér lukt,” zei de heer Zwaluw, z’n riem toe-gespend op zolder: “dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders, den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in besloten ruimte op klaarlichten dag eenséance.”’t Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid te verhaasten.“Hoe laat mot ’k ’t zolderraam openmake?”—, vroeg Kobus.“Dat laat je anstaan,” zei meneer: “ga rustig na bed en hou ’n oog op Chris. We zullen ons zelf helpen als we terug zijn.”“Dan wensch ’k u goeie reis,” zei Kobus, blij dat-ie niet behoefde te wachten.Het was een zwoele zomeravond, zonder ’n zuchtje.De lucht was bijna transparant.De sterren smachtten—de maan, in ’r laatste kwartier, glimmerde hollandsch-zindelijk, zonder ’n roestplek of wreef.De geheele natuur, dien bekoorlijken avond, dee zoo smetteloos aan als ’n versch geboende dorpsstraat.De boomtoppen, ordlijk,gecoiffeerd, kuifden als kropsla achter ’n schutting—blaadren noch takken hadden ’n ritsling.Uitgezochter weer voor ’n tocht was ondenkbaar.Meneer, smakelijk rookend, vloog voor-op, allergezelligst van humeur. An z’n stuurrad bungelde ’n pakje door mevrouw en Amélie bereid—’n halve kouwe kip, ’n bus sardines, wat gesmeerde broodjes en ’n stuk leverworst.Amélie had ’n flesch wijn an ’r ballast-haak. Als de tocht wat langer duurde, zouen ze ergensrusten en nachtlijk picnicken. Je kreeg ’n geweldigen eetlust van dat peddelen in de ozon-rijkste lucht.Mevrouw had ’n acetyleen-lantaarn meegenomen.Zoo toe-gerust hadden ze den heelen nacht voor zich—tot de morgenschemering ze zou verjagen.Het dorp verdween in de dùisternis.’n Enkle boerenwoning stak ’r dak door ’t groen.Dan werd ’t de heerlijke eenzaamheid van ’t bosch.“Piet, kan je zoo niet verdwalen?”—, vroeg mevrouw: “’k zou liever bóven den weg blijven”....“Nee,” zei hij, ’n kompasje voor z’n brandende sigaar houdend: “we vliegen prachtig zuidwestelijk—in ’n kwartier zijn we bij de ruïne vanKoepelsteyn.Dáár binden we af.”“De ruïne vanKoepelsteyn!”,riep Amélie: “o, pa, da’s ’n heerlijke inval!”“Piet,” aarzelde mevrouw: “’s nachts op ’n verlaten ruïne, daar ben ’k niks op gesteld”....“Mènsch,” redeneerde Pieter: “uitgezochter kùn je ’t niet hebben. Boven op den stompen toren gebruiken we ons souper, rook ’k ’n sigaartje en dan peddelen we kalm terug. D’as je toekomst, ’r Zal nog heel wat profijt van torens getrokken worden”....“Nou Piet,” zei mevrouw nog eens: “ikbleef liever in ’t bewoonde.”“O die ma!”, lachte Amélie: “waar kun je ’s nachts veiliger zitten dan òp ’n toren. En hij is veel dichter bij dan ’k dacht—daar is-ie al!”Werklijk in ’t duister werd de ruïne voor hun geoefende oogen zichtbaar.De zware, gebrokkelde muren donkerden omhoog en de toren, bijna gaaf, plompte z’n massief silhouet in den sterrenhemel.Het was eene schoone ruïne, verborgen in ’t weelderig groen, vroeger ’n roofburcht geweest of ’n klooster.Er achter was ’t kerkhof van ’t dorp.Nooit kwam iemand op ’t plateau van den toren. Eénmaal in ’t jaar, op koninginne-verjaardag, klom ’n doodgraver langs de vermolmde trappen en plantte de vlag.Benee, achter de zware deuren, werd ’t gereedschap van ’t kerkhof bewaard.Niet ten onrechte huiverde derhalve mevrouw, toen ze naast ’r man nederstreek op de glibberige planken en ’n aantal uilen, nijdig-schreeuwend, heenstoven.“Goddelijk—dolletjes,” lachte Amélie: “nou nog wat spoken, pa, en de picnic is volmaakt!”....“Ziezoo,” zuchtte meneer, z’n riem ontgespend:“nou weet ’k wel zéker dat we ’n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand in Holland”....“Piet—op me woord—’k ben bàng,” sprak mevrouw: “je had me net zoo goed in ’n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte hier krioelt!”“Dat zullen we dadelijk zièn,” lachte Pieter, uitgelaten, “overburen hebben we niet, geef me je acetyleen!”“Asjeblief,” zei mevrouw, blij dat ’r licht kwam.“Zoo,” zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend: “geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je maar wenschen kan.”“Mag ’k niet is beneden kijken, pa?”“Je mag wel, maar je kàn niet,” praatte pa vroolijk: “’t luik is benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek ’k ’n kaars op. Anders verrajen we ons nog”....Mevrouw begon ’r ook schik in te krijgen.’t Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid ’s nachts op ’n ruïnepicnicte, dat ze zelf mee hielp dekken.De flesch wijn kwam midden op ’t servetje te staan—daaromheen de halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in ’n hoek.“Om te zoenen zoo uitgezocht,” zeide Pieter. “’k Heb in geen tijd zoo’n trek gehad!”Z’n sigaar weg-werpend, dat ’t vonken regende—wee, wee!—knipte-die z’n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen niet vond, hield Amélie de kaars bij en als ’t kaars vet dan neerklukte op pa’s decoupeerende hand, lachten ze als roovers.Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen A. Z. in ’t zilver gegraveerd, waaruit Amélie’s dorstig mondje melk met gortwater had gedronken.“Nou knappen we eerst de sardines,” zei meneer, de olieachtige brokken uit de doos peuterend: “en dàn de kip. De algekloven beentjes legateeren we aan de schim vanKoepelsteyn.”“’t Is heusch ’n ààrdig zitje,” zei merouw toehappend: “’t ruikt alleen ’n beetje gebrand. D’r kan benee toch niks smeulen?”“Da’s ’n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand,” zei meneer, zwaar happend bij ’t wapperend kaarslicht, dat z’n gelaat bizar bevlamde.“Pa,” ginnegapte Amélie: “als deLeuringsof deSpaarnsu zóó zouen zien, gingen ze ande haal—u ziet ’r uit als ’n struikroover bij de kaars”....“Hahaha,” bulder-lachte meneer, z’n zakmes zwaaiend: “denk maar dat ’kKoepelsteynben, de láátste derKoepelsteynen! Straks vlieg ik na benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen, kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen—geen haan die ’r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt ’t tegen òns af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken....”“Piet hou op met je ènge praat!”, verzocht mevrouw.Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuurmenschen.Toen, door ’t dolle heen, hief de heerZwaluwden wijnkroes omhoog, en voor ’t eerst van z’n levenspeechte-die studentikoos: “Vliegers—éérste vliegers van Holland—op de tinne van deze oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij padvlindersen menschvogels, kluivend en fuivend, als arenden in ’t arendsnest....”Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde niet verder te gaan, want het werd plots zonderling licht op ’t toren-plateau.“Piet!”—, gilde mevrouw.“Pa!”—,kreeschAmélie.Snel omkijkend, stikte-die bijna in z’n slok wijn.De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel op en doofden omdat ’r niets meer te branden was.Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.“Onze vleugels zijn verbrand,” hakkelde-die, de ledige aluminium-latten voorzichtig betastend; “hoe komt dàt?”....Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur, ’t plots vastgeklonken zitten aan den toren vanKoepelsteyn, zonder ’n kans je den verachtenbeganen grondte kunnen bereiken, de dònderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek,versteendetong en gebaren van mevrouw en Amélie.Dat zou ongekend lang geduurd hebben, haddeAmélieniet bakvischachtig-onhandig ’t slèchtste woord voor de situatie gekozen.“Nee—die is éénig,” zei ze perplex.“Eenig!”, barstte mevrouw dàdelijk los, de kippekluif wild wegwerpend—zéér ondoordacht—: “Eenig, da’s je vader z’n stomme schuld! As-die z’n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee, maar daar zitten we nou, hoog en droog—hoog en droog!”....“Ja wèl hoog,” zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend: “We zijn gepiept.”Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarendheid. Men spreekt niet van dood in ’t huis eens gehangenen, men vermijdtjargonals ’n vrouw óver ’r zenuwen heen is.“Gepiept,” herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om ’r gèk-van-’n-man te vernederen: “gepiept—gepiept—hij heeft ’r pleizier in! Had me niet jekrankzinnigemachines opgedrongen—dan kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in ’t huis—dan brand op ’n toren. Tweemaal brand! Tweemaal! Mij goed—mij best—as ik maar niet den naam van ’nbrandstichtsterkrijg!”De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z’n mond. De logica van z’n opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen inCasa Cara—dan verbrande vleugelen opKoepelsteyn—’t dee je benauwend aan ’t gestreng-ontstemde gelaat des burgermeesters denken.“We bòffen niet,” zei-ie, na ’n contemplatieve rust: “’k begrijp op me woord niet dat mijn sigaar....”“Nee, ’t was de mijne,” sprak mevrouw bedaard vernietigend: “as je maar zòrgt datikvan nacht in m’n bèd kom”....“Ja, daar dien ’k voor te zorgen,” praatte meneergedwee in den afgrond náást den toren kijkend.“’t Is éénig,” zei Amélie nog eens zacht.“Hou je onwijze praat voor je,” snauwde mevrouw: “eenig is je pá die ons in ònmenschlijke ongelegenheid brengt. Ik vraag, Piet—hoor je, Piet?—dat je maakt dat ’k op me bèd kom!”“Jawel! Zeker!”—, begon meneer te grommen en de onmogelijkheid willende betoogen van zúlk een extravaganten eisch, flapte-die ’r ’n spreekwoord uit: “Beter tien vogelen in de lucht as één in je hand. Je heb maar te kòmmàndeeren”....Toen, kapot van zooveel tegenspoeden, snikkerde mevrouw er zacht op los.Er was reden toe. ’t Kaarsje naast ’t avondmaal, ’n allerongelukkigst eindje, stuiptrekte, de norsche wallen van den toren grillig bevlammend.De verjaagde nachtuilen, niet snappend welke zonderlinge gebeurtenis op ’t plat geschiedde, fladderden spichtig heen en weer, neerplonzend en weer schrik-schreeuwend vluchtend.Meneer, ongezond-bleek, streek een lucifer af. Met de acetyleen-lamp—wat ’n geluk dat diè mee was genomen!—onderzocht-ie ’t luik dat naar benee voerde. Geen denken an. Aan de binnenzij was ’n bout of ’n grendel. Hoe je wrikte, ’t luik blééf dicht. En als ’t wèl lukte, was je even ver, kon je hoogstens de vermolmde trappenafstrompelen en beneden de hoofddeuren gesloten vinden, Ze zaten geknipt, onherroepelijk geknipt. Zonder hulp van menschen kwamen ze er niet af en de hulp-van-menschen beteekende de lachwekkendste openbaring.“Pa, hoe kom u zoo onvoorzichtig,” zei Amélie, die moeite had ’t niet uit te schateren, zoo héérlijk als ze de historie vond.“Ja! Hoe kom ’k,” praatte pa met akeligen galgenhumor, ’n humor die ’m slecht af ging z’n bleek gezicht was ’r niet mee in accoord-bevinding: “hoe kun je denken dat vlerken zóó brandbaar zijn, hè? Zeg an je ma, kind, dat ze ophoudt met huilen. Dauw in den vroegen nacht is ongezond”....“Laat me met rust!” zei mevrouw verwoed; “ik blijf hier niet slapen, versta je!”“Dat zal toch wel moeten”....“Ik doe ’t niet,” zei mevrouw heftig.“Je kan toch moeilijk verlangen dat ’k na beneden spring als Jan van Schaffelaar,” betoogde meneer rustig: “we moeten hopen op den een of anderen wandelaar”....“D’r wandelt niemand,” huilde mevrouw nerveus: “dat weet je wel. We verhongeren honderd tegen één”....“Eénig”...., haperde Amélie.“’t Is waarachtig ’n beroerde zaak,” rekende Pieter: “ééns in ’t jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel ’n maand”....“Misschien wordt ’r gauw iemand begraven,” hoopte Amélie.“God geve ’t”—, sprak de heer Zwaluw geheel down: “we zijn als vlinders bij de lamp—we hebben onze vlerken geschroeid.... ’t Is leelijk, heel leelijk. Zal ’k de acetyleen uit doen?”“Nee,” bitste mevrouw; “’k dank je voor je donker”....“’t Is me eenige lichtvoorraad,” sprak hij nadenkend; “anders zitten we morgennacht zonder iets” ...“Mòrgennacht?”—schrikte mevrouw.“Mòrgennacht?”, zei ook Amélie, ’n weinig angstig.“Natuurlijk,” zei meneer: “’t Kan best twee, drie dagen duren. We zullen oprantsoenmoeten leven. Wat is ’r nog?”“’n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst—de kouwe kip hou je niet goed”....“Als je nou denkt,” begon mevrouw onbekookt te ruziën: “dat ’k zoo volslagen gek zal zijn, om hier ’n páár dagen te blijven”....“Ikdwing je niet,” zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met handen breken, noch van torens omlaagstappen.“Pa, is ’t u heusch ernst dat ’t zóo lang kan duren?”“Dat weet de hemel,” zei meneer: “weken aneen komt hier geen levende ziel. En àls we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar—da’s ’n troost.”Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde, ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.“We zijn voorgoed ridikuul,” snikte mevrouw.“Da’s ’t minste,” antwoordde hij poenig.“’k Ben dood op.”“Ga liggen!”“Liggen op die smerige planken? Voor geen goud!”“Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?”“Nee,” zei ze driftig: “’k verlang naar me bed!”Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren, keken ze van de sterren naar de diepten terzij.’t Proper mane-sikje belichtte de zerken van ’t kerkhof, de stompen der ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-’n-geluid was te hooren. In ’n woestijn kon ’t niet eenzamer.“Eenig”...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord verslikkend zei ze: “eenige troost is ’r, dat Kobus zal zóéken”....“Dat zal-ie niet,” viel pa ’r in de rede: “hij zal z’n mond houen”....“En als ’t te lang duurt, pa?”....“Dan zal-ie nòg z’n mond houen.”“Dan is ’t weer géén troost,” zei Amélie geduldig ’r kippekluif hernemend, dien ze op ’t servet in den steek had gelaten.“Wat doe je?”—, vroeg Pieter streng.“Kluiven, pa”....“Geen gekluif, nou!”—, beval hij onrustig: “je hèb geen honger! Over ’n paar dagen bid je ’r om—op ’t oogenblik heb je geen behoefte”....“Da’s waar,” zei Amélie tam: “dan zal ’k den kluif dien ma strakkies weggesmeten heeft bij denvoorraadleggen”....“Dank je voor jelekkers!”—, schimpte ma: “wat op die smérige planken bij ’t vuil van vleermuizen gelegen heeft, raak ’k niet an. ’k Wil na me bèd, Piet—versta je, Piet?—’k Kan niet meer op me beenen staan”....“Leg den kluif bij de rest,” gebood meneer, ma’s laatste klacht verwaarloozend: “we smijten daar met kluif! In Leiden, met de Spanjaarden, hebben ze ’t met minder gedaan. Misschien snàk je de volgende week naar ’n levende vleermuis”....“Eenig”—, fluisterde Amélie, die zoo’n romantisch geval met honger en dood op ’n torentje allerheerlijkst vond. Licht dat ’r in den naren,realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek geboren werd.“Eet jij levende vleermuizen, idioot”—schold mevrouw: “daar heb ik goddank geen opvoeding voor gehad”....“Misschien heeft je vader erger dingen in de worst gedraaid,” vroolijkte Pieter, probeerend z’n goed humeur te bewaren.“Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt”—, zei mevrouwhautain.“Nàcht,” antwoordde hij, languit neder liggend: “ik zal ’r van nemen wat ’r van te halen valt.”“Dus ik moet wakker blijven?”—vroeg ze stroef.“’r Is ruimte genoeg,” lachte hij.“Pa,” zei Amélie nederhurkend: “we zitten als in ’n belegerde vesting”....“Precies,” geeuwde hij: “zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar gelegen—belegerd doorPerrol met de rooie hand.—Da’s ’t pràchtigste boek dat ’k ken. As ’k weer thuis ben, zal ’k ’t je moeder laten lezen”....Denkend aanDe Schaapherderbegon-ie te snurken.Mevrouw in ’n hoek, den zakdoek om ’r hoofd voor de griezelige beesten—jammer dat ze geen rok had!—probeerde te slapen, schrikte telkens wakker, als ’nvleermuisneerstreek.Amélie, languit, de oogen geopend, keek naar de sterren, had moeite niet te neuriën. Pa’s gesnurk verstoorde de idylle.“Slaap u, ma-lief?”—vroeg ze ongerust over ma’s lastige houding.“Natuurlijk niet,” snauwde ma.“Ga u dan toch liggen.”“Nee, ’k ben vies van die planken.”“En als ’t nou héúsch langer duurt—dat hou u toch niet vol!”Wrokkend kwam mama naast ’r liggen en opnieuw zachtjes snikkend zei ze ’r hope en vreeze: “As de hemel maar geeft, dat ’r morgen iemand begráven wordt!”“D’r is niemand ziek, ma.”“Dat weet je niet. Laten we ’r ombidden,” nokte mevrouw Zwaluw.Toen werd ’t langzaam algeheel stil op het torenplat.De maansikkel, hooger stevenend, bescheen drie menschelijke vormen, ’n aangebroken flesch wijn, ’n kroes, ’n open bus sardines, wat broodjes, ’n eind leverworst en bekloven kluiven.Het was geenschoonstilleven.De ontruste, beroofde uilen en vleermuizen kringden angstig om ’t gebeuren.Zevende Kapittel.Een tragische dag.“Wee, wee, wee wie het weet!Melodieën van leedOmruischen me als regenvlagen:En roepen: Vergeet! Vergeet!”...(Albert Verwey.)“Ik weet niet waar ik sterven zal.”(Multatuli.)“Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten, om alleen huishoudelijken arbeid te doen”....(Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie,Mr. S. van Houten).Nog nimmer had de uchtendstond zóó vroeg goud in den mond gehad.Om vier uur, klaar-lichte dag, keek de heer Zwaluw, geel-gróen en verwezen, op z’n horloge.’t Ongeluk zette niet dadelijk in—althans mevrouwsliep, ’t hoofd op den ballastzak van ’r verhavende machine.Met ’t pessimisme der on-uitgeslapenheid, keek-ie ’t plateau af, dat er inderdaad onsmakelijk uit zag.De planken, groenig beslagen, in de voegen verweerd, hadden bergen en dalen van wat ’r vróéger, gister noggehuisdhad.Hier en daar was ’n deel vermolmd, maar ’t luik, pas vernieuwd en geteerd, lei zoo solide als de deur van ’n brandkast.Zachjes loopend, keek-ie omlaag.De kleinste diepte was zeker dertig, veertig meter.Je kon je geen gemeener gevangenis fantaseeren.De dood, honger óf ’n verlossende begrafenis—anders was ’r geen uitweg.In elk geval, hij zou ’t mogelijke doen.Snel z’n jas uittrekkend, schoot-ie z’n overhemd over ’t hoofd, bond een der mouwen aan de stang der vliegmachine. ’n Noodvlag die ze zouen begrijpen, als, àls, àls de een of ander, ’n bedelaar of landlooper voorbijkwam.Er woei ’n zuidwesten-windje—de hemel leek druilig.Het hemd flapperde, klepperde, wekte mevrouw en Amélie.“Goeien morgen, pa—plezierig geslapen?”—, vroeg Amélie, goed-gehumeurd als altijd.“Hoe komt dat hèmd daar?”—, vroeg mevrouw knorrig.“’n Noodsein,” lei meneer uit.“Wil je ons nóg belachelijker maken dan we al zijn,” kibbelde ma: “’n hemd zònder knoopies, ’n hemd vol olie van de sardines!”....“Jij komt lekker an ’t ontbijt,” verweet hij, de omstandigheden vergetend.“’t Ontbijt,” schamperde mevrouw:”’k wou dat je me eerst waschwater bezorgde èn ’n tandborstel èn mepasta, ’n Vrouw die met jóú getrouwd is, wordt ’nstraatslijpster”....“Kind,” sprak hij lief: “laten we ’t leed opgewekt dragen. We zìjn nou eenmaalgepiept”....’r Oogen keken ’m vernietigend aan. Geen kopje thee op ’r bèd, geen behoorlijk ontbijt, geen bad—thuis ’n schandaal zonder eind en ’n man die ’r pret in had van pièpen te blijven spreken.“Ma wees u nougezellig,” susteAmélie: “u zal zien ’r wòrdt begraven. Als ’k ’n stoet zie ankomen, gil ’k ’t uit!”Gezellig zijn! Hoe kòn men ’t woord over de lippen krijgen. Smeriger, afstootender uithoek was niet te bedenken. En op diè griezelige, kleverigeguano-belthad zegeslápen!....1) Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel mij niet deontroering, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor die vanverluchtingnoodig heeft, aan de àndere zijde—dat sloeg den doorslag—verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui, zeide hij: “Amice, op ’n vèl meer of minder,kijk ’k niet, omdat ’k bij de aanbiedingsreis toch ’n bepaald kwantum genoemd heb, maar zùlk ’n stortvloed van teekeningen is mij geenvriendschappelijke daad.” In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak: “Falkland, schei in ’s hemelsnaam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost!” Alles tezamen genomen—ook bij de dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z’n connecties ter wille zijn—achtte ik het beter de vorige kapittels zònder schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd zoo zwaar van tragiek als Oedipus’ uitgestoken oogen,moest’k m’n emotie in m’n penstorten. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der wereldliteratuur, sprak een manshemdvan grooter noodlot, zelden heeft mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval, zelden werd het floers voor m’n oogen troebeler, intenser dan bij dèze krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, naderuit te meten.Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht ik er aan te verklaren, dat eerst toen ’t cliché gereed was, mij de pijnlijke fout opviel van hetP. Z. 12.Een zoo gedistingeerd heer, met ’n villa, ’n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf overhemden. ’k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen, door de bewogenheid van ’n gemoed bij hetinlevenin de stemming....S. F.“Pièt,” dolk-stak mevrouw—in paroxysme van ijskoud-gehouden verontwaardiging, staken waarlijk ’rPiet-en als dòlken—“Piet, je maakt dat ’k van jóúw smerigen toren kom—en onmiddellijk—anders besterf ’k ’t—kan je me alslijkna benejen brengen.”“In godesnaam,” zei-ie geduldig.’t Geval bracht vanzelf mee, dat je ’n boel moest slikken en kroppen.Thuis, als ze ongenietbaar was, maakte je korte metten, vluchtte je naar de knutselkamer of naar de soos—de soos—de sóós—sentimenteele droom in de wolken!—de soos met ’r vleeschcroquetjes en zoute krakelingen—de soos met ’r hompjes kaas bij sherry en port—de op dién afstand tot n’ideaalaan-fleurend beeld....Thuis zou-ie ’r allang van door zijn gegaan—thuis aarzelde-die zelden als ’r gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man van z’n vrouw, elke vrouw van ’r man kent, de speciale èn wrange èn positief-waarschuwende, waarvan ’n vreemde geen weet heeft, waarvan nièmand het innerlijk wezen ontleedt—, de speciale èn wrange innig-aan-’t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst huwelijks-spel behooren, omdat je alleen aan zéérgeliefden ’tprofond négligévan je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben af ontbeten, wéter der beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om tweebekendeoogen—, hier, op de ruïne vanKoepelsteyn, stond jeweerloos.Man en vrouw waren beslist nièt geschapenvoor ’nnest, voor ’n besloten nest, voor ’n nest dat enkel nèst was.Misschien in de éérste weken der zoete verteedering diewittebroodheet, de dagen dat jeglimlachtals ’n geliefd hakje je eksteroog betreedt—gezocht beeld, daar teederen in diè uren àlles soigneeren—misschien dàn zou ’n wolken-nest ’n idylle zijn—hier, bij ’n vrouw met dè speciale èn zure trekken, ’n vrouw met nachtuilenzwam an ’r kleeren en ’n bróék aan, hier voelde je ’n leegte in de gloeiende-aaneen-smeding-van-twee-zielen.Vondel kon dàt niet bereeknen—’t lief en leed nà verbrande vleuglen—op ’n torenstomp.“Piét,” hernam mevrouw na eenevonkendestilte: “’t heeft lang genoeg geduurd.”“Dat ben ’k met je eens,” zei hij weder gedwee: “verbéél je nou dat je thùis zit—laten we ontbijten, ’n Leege maag is de dood voor alle energie”....Mevrouw keek somber over de tinnen naar ’t uitgezocht landschap voor-zenuwlijders.Je kon je adem hóóren.“Ma, vin u ’t niet éénig dat we met z’n drieën gevangen zitten?”—, vroeg Amélie om ’r moeder op te vroolijken: “ma wil u ’n stukje worst?”“Géén worst,” gebood papa: “de worst blijft ’t langste goed—eerst de kippekluif”....“Kippekluif—op me nùchtere maag!”—, viel mevrouw uit, zich kittig omkeerend.“Kind, bedwing je humeur,” suste Pieter zéér voorzichtig: “ik heb honger”....In geen twaalf uur had-ie behoorlijk gegeten. Z’n maag rommelde onkiesch.’t Viel niet mee. Zóo als-ie z’n hand naar ’n vlerk uitstrekte zòng de kip. ’n Zwarte zwerm vliegen, diegesmuldhad, stoof omhoog.“Nou dat nog!”—, zuchtte de heer Zwaluw, ’n vies gezicht trekkend. De kip was innig veradellijkt, òn-welriekte.“Da’s jammer,” praatte Amélie: “dan hebben we niet veel meer, pa.”Het was droevig en verontrustend.Van ’n halve flesch wijn, drie aangebroken kadetjes, ’n restant sardine, ’n mep worst en geurende kluifjes, zouen ze ’t met d’r drieën bezwaarlijk dàgen uithouden.“Geef mij één sardine en ’n half broodje,” sprak pa maag-rommelend ernstig: “en bewaar de worst tot ’t diner-tijd is.”Twaalfuur gaf-ie cadeau.“Hier ma—heb u ook één sardine en ’n half broodje—dan houen we voor zes uur één kadetje met z’n drieën en ’n schijf worst over. Eenig! Eenig!”“Als je nog één keer dat hátelijk woord zegt,” driftigde ma, onuitsprekelijk ongelukkig.“Maar ma-lief”....“Hou je mond”....“Maar ma”....“Ga de kamer uit!”—, dreigde ma, zooals ze thuis dee.Dat bezorgde meneer ’n stuip-lach. ’t Was onbetaalbaar.Mevrouw keek sip over de tinnen.“Ma-lief, eet u nou—’t is pas vijf uur—eerst over twaalf uur dineeren we”....“Ik kan niks door me keel krijgen,” zei ma nerveus.“Dat helpt,” zei meneer.“Schuif u dangezelligbij, ma,” vriendelijkte Amélie.Ma antwoordde niet.“Mag ik de sardine-bus uitsoppen, pa?”—, vroeg Amélie, na ’n stilte van kleine-hapjes-gekauw.“Néé,” zei Pieter: “niet alles in-eens opschròkken”....Gemoedelijk stak-ie ’n sigaar op, nam ’n slok wijn uit den kroes met de initialen A. Z.De omstandigheden in aanmerking genomen, zou-ie zich vrij behaaglijk gevoeld hebben, hadde mevrouw niet één opmerking gemaakt, die ’m degemeen-zwarte zij van ’t geval als ’n duizeling dee ondergaan.“Bij half zes,” sprak ze over de tinnen, naar de eenzame verte van boomen en boomen: “bij half zes—nou staat Chris op—zéven uur komt de bakker—de bàkker”....De bàkker.Als ’n bliksemflits zigzagde dat kalm-gewone woordCasa Cara’sbeeld voor Pieter’s oogen.Hij had de huisdeur op ’t nachtslot gedaan—de sleutelprop zat in z’n zak.De bàkker.Door ’t luikje zou Chris ’t hard-gebakken Duitsch, ’t roggetje en de pain-de-luxe-jes aannemen.De bàkker.Dan zou ze de trap opstommelen, aan de kamerdeur kloppen, tot ze já hoorde roepen.Als ze géén ja hoorde, zou ze nog eens kloppen, net zoolang tot hij, die ’r niet was já zei, of zij die ’r niet was, já knorde.De bakker.Groote genade—de bàkker!Dan zou Chris, die wel is niét wàchtte tot ’r geantwoord werd, omdat als ze te drùk porde, hij èn zij uit d’r humeur an ’t ontbijt kwamen, naar de badkamer sjokken en ’t bad vol laten loopen.De bakker.’t Bad.Dan dekte ze, haalde Kobus de kranten en brieven uit de bus, die-ie naast zíjn bord lei.En als ze dan benejen kwamen—terwijl ze d’r nièt waren—dampte de thee genoeglijk, geelde de kaas in de stolp, molligden de gekookte eieren in de dopjes....De bakker. ’t Bad.’t Ontbijt. De thee. De halfzachte eitjes....Even schemerde alles voor Pieter’s rustig-burgerlijke oogen—flauw praatte-die na:....“Ja, om zeven komt de bakker, de bakker”....“En om half acht de melkboer,” zei mevrouw in tonigen cadans, alsof ze ’n vers reciteerde.“O, jee—om acht de kruijenier,” schrikte Amélie.“En om negen de sláger,” hernam mevrouw: “goeie hemel—de slager. ’k Heb ’m gister voor vandaag ’nlamsboutopgegeven”....“Die zal door ’t luikje moeten—de deur is op ’t nachtslot,” sprak meneer somber.“En de klokkenmaker—me nááister,” zei mevrouw zoo tragisch dat ’t op de plankengedaanzou hebben: “me naaister die om acht uur voor de deur staat.... Kan de nááister door ’t luikje?“Nee, diè kan ’r niet door,” haperde hij: “diekan ’rvermoedelijkniet door. Misschien....”1) Men moet wel in staat van òngewone kwade trouw zijn, als men de massief-heid der in plan gebrachte deur miskent.Rechtsbevindt zich de villaCasa Cara, met degaragevoorautomobielen, de benzine-bergplaats, de broeikassen enz. Daar van mij uitsluitend eene massievedeur, met eenluikjeen eennaamplaatjegevergd werd, achtte ik het onnoodig de rechts liggende architectonische schoonheden der villa met haar gerieflijkheden enmodern comfort teontwikkelen. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige gaven. Parole d’honneur! Links, dadelijk naast het trappenhuis, heb ’k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba’s, hulsten, rhododendrons etc, in weligen bloei, te verluchten. Evenwel—en ’k zeg dit in volste openhartigheid, daar ’n liegendkunstenaar’t allerbelabberdst wezen van God’s schepping is—het was mij niet geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur teneelmeijeren, om de eenvoudige reden, dat ’k deze voortreffelijke schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam voleindigde en ’k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu, het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om heerlijke voorjaars-of zomerbloesemsdes winterste belijnen.La nature vue à travers d’un tempérament... Mijn temperament zag kniezige wegen, onzindelijk, bloesemloos.Derhalve dreef ’k op m’n fantasie, ver-wormstoken door kerstboom-souvenirs. Het groenbladdertniet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur, die nederschreef: “Hij kalde in schrik, voor z’n geestesoog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend”.... Datkallen in schrikschijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie althans. Het onwezenlijke.S. F.P. S.Ofschoon ’t zeer hinderlijk is, bij een noot ’nP. S.te voegen, moet ’k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen, rechts van de teekening,zoogenaamdabusievelijk in cliché zijn gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van 1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename pers-beoordeelingen over ànder werk.Mon Dieu, men is mènsch. Schokloos gaat ’n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers dan nooit leeren?Hij kalde in schrik, voor z’n geestes-oog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend.“En de beambte van de gasfabriek,” ijlde mevrouw: “die elken tweeden Zaterdag van de maand komt”....“Die kan ’r ook niet door,” knikte meneer, de sigaar, die uit was gegaan, bestarend.“En we krijgen vanmiddag visite van de Leurings, pa—ze komen zeker”....“Wat ’n schandaal! Wat ’n opschudding,” praatte mevrouw over detinnen—“en daar éét hij bij—daar kan hij bij éten!”Het laatst gram genoegens was heen. De heer Zwaluw zat bezorgd op de groene planken van den toren.De duiten, die hij in ’t zakje te doen had, hield-ie verstandig voor zich.Hij had ’n timmerman besteld om tien uur en ’n loodgieter om half elf, voor geknutsel in z’n studeerkamer.’t Zou ’n opstoot worden van belang.Meneer, mevrouw, de dochter uit ’t huis verdwenen—de deur op slot—en Kobus die orders had z’n mond te houden....“Nou, Pièt,” dolk-stak mevrouw: “wat zeg je daar van?”“Ik zeg niks,” zei hij geslagen: “’t wordt ’n miserabele historie. Misschienbelevenwe de oplossing niet.”“O, o,” snikte mevrouw, haar tranenloop van den nacht hervattend: “zoo troost-ie je—zoo troost-ie je”....Meneer antwoordde niet. Grimmig stond-ie op, sloeg de smullende vliegen van de worst en z’n zakmes openend, begon-ie de vermolmdste planken te bewerken.“Pa wil ik u hèlpen?”—, vroeg Amélie, thans ookdown: “’k heb ’n nagelschaartje”....“Nee,” weigerde pa stug, ’t mes bekijkend dat al dadelijk ’n punt verloor. IJverig peuterend, krabde hij, ’t hoopje vezels te zaam vegend, tot die op gezond hout stiet—en ’t mes bij ’t heft knapte.“Wel vervloekt!”—, zei-ie driftig.“Als we wéer vliegen, nemen we postduiven mee, pa—vin u niet, pa?—dan kan dat ons niet overkomen—hè, pa? dan, dan....”Pa zat inversteendzwijgen.Tegen elf uur scheen de verlossing te naderen, ’n Man stapte aan door de struiken.“Goddank!”—, riep mevrouw, omlaag hé-hé-end.De man keek niet op, strompelde moeilijk.Als bezeten schreeuwde pa, ’t hemd met forsche rukken zwaaiend. De man keek nièt.“Ach, ach,” zuchtte Amélie, “nou begin ’k ’n béétje te begrijpen wat schipbreukelingen voelen, als ze in ’n bootje dobberen en ’ngroote schuit voorbij stoomt! Man! Hé! Meneer! Hé!”De man keek nièt, stapte ’t kerkhof langs in de richting van ’t dorp. Z’n gelaat konden ze herkennen. Ze hadden in elk opzichtpech: ’t was de bijziende, doove bedelaar, die eens in de veertien dagen de villa’s afliep.“Hònderd keer heb ’k ’m centen gegeven—de ezel!”—, klaagde ma.“Hé!”—, brulde meneer nog eens en nog eens. De man verdween.’t Begon stevig te regenen.“Half twaalf,” zeide mevrouw triestig: “op ’n begrafenis hebben we vandaag géén kans meer.”“Nee,” heimweede Amélie. Nooit, nooit werd ’t later dan elf, om vóór koffie binnen te zijn.Verkleumd door den wind en door-regend, hurkten ze bij mekaar, om beurten over de tinnen kijkend. Nou waren de bakker, de melkboer, de slager, de kruienier, de klokkenmaker, de naaister, de man van de gasfabriek, de timmerman, de loodgieter, voor ’t luikje met Chris’ ontdaan gezicht gewéést.“’k Nam net zoo lief met z’n allenmorfinein,” zei Pieter moedeloos nederliggend.Hij was dood-op van ’t loopen, ’t knielen, ’t hurken, voelde zich ziek van de ééne sardine, ’t halve broodje, den slok wijn, de natte kleeren.Mevrouw, angstig-bleek, at wòrst. Ze kon ’t niet langer uithouden. Vel en al slikte ze gretig—tot an ’tstreepjedat Pieter getrokken had.Amélie hield de wacht, bibberend, kijkend naar de boomtoppen, ’t gras, de struiken, de zerken van ’t kerkhof.Zeurig tekkerde de regen, de bladeren benee beritslend, ’t toren-plat smijdig verslijkend.De uren kropen.’t Was ’n dag, zoo oneindig, zoo noest-lang, dat ze vermoeid insliepen, meneer languit ronkend, mevrouw zittend tegen de borstwering, Amélie hangend over de tinnen.Toen ze ontwaakten, was ’t nòg dag, bijna scheemring.Sprakeloos aten ze de laatste millimeters worst, de laatste kruimels brood.De regen stroomde sterker.Uitgeput leien mevrouw en Amélie in de nattige bulten, pogend te slapen.Meneer, die de acetyleen had opgestoken—nog ’n uur kon die brànden—bestaarde de duisternis.Dan, bij ’t licht der lamp, nam-ie z’n notitieboek, begon te schrijven.“Pa—wat doet u?”—, fluister-vroeg Amélie.“’k Stel orde op me zaken,” zei-ie bot; “’kmaak me testament”....“Pa, hoe àkelig!”“Heb jij ook nog ’n wil, kind?”—, vroeg-ie vaderlijk-zacht.“Nee, pa—’k ben willoos”....“Keer je dan om,” zei-ie, ’t schriftuur opbergend.“Wat gaat u doen, pa?” sprak ze angstig om z’n wanhopige gebaren.“Me overhemd antrekken, kind—als ze ons over ’n paar maandenwaarnemen, wil ’k fatsoenlijk in m’n klééren gevonden worden. Keer je om”....Het natte hemd glibberde over z’n tricotschouders en op de fatale vliegmachines hurkend, begon-ie blazend te snurken.

Zesde Kapittel.Perrol met de roode hand.“Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten,Eens heb ik van dichte-nachtschaduwHet luchte, vluchtige vlieden beklaagd—En nu!—En nu!”....(Ellen,Fred. van Eeden.)“Als ’t vannacht wéér lukt,” zei de heer Zwaluw, z’n riem toe-gespend op zolder: “dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders, den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in besloten ruimte op klaarlichten dag eenséance.”’t Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid te verhaasten.“Hoe laat mot ’k ’t zolderraam openmake?”—, vroeg Kobus.“Dat laat je anstaan,” zei meneer: “ga rustig na bed en hou ’n oog op Chris. We zullen ons zelf helpen als we terug zijn.”“Dan wensch ’k u goeie reis,” zei Kobus, blij dat-ie niet behoefde te wachten.Het was een zwoele zomeravond, zonder ’n zuchtje.De lucht was bijna transparant.De sterren smachtten—de maan, in ’r laatste kwartier, glimmerde hollandsch-zindelijk, zonder ’n roestplek of wreef.De geheele natuur, dien bekoorlijken avond, dee zoo smetteloos aan als ’n versch geboende dorpsstraat.De boomtoppen, ordlijk,gecoiffeerd, kuifden als kropsla achter ’n schutting—blaadren noch takken hadden ’n ritsling.Uitgezochter weer voor ’n tocht was ondenkbaar.Meneer, smakelijk rookend, vloog voor-op, allergezelligst van humeur. An z’n stuurrad bungelde ’n pakje door mevrouw en Amélie bereid—’n halve kouwe kip, ’n bus sardines, wat gesmeerde broodjes en ’n stuk leverworst.Amélie had ’n flesch wijn an ’r ballast-haak. Als de tocht wat langer duurde, zouen ze ergensrusten en nachtlijk picnicken. Je kreeg ’n geweldigen eetlust van dat peddelen in de ozon-rijkste lucht.Mevrouw had ’n acetyleen-lantaarn meegenomen.Zoo toe-gerust hadden ze den heelen nacht voor zich—tot de morgenschemering ze zou verjagen.Het dorp verdween in de dùisternis.’n Enkle boerenwoning stak ’r dak door ’t groen.Dan werd ’t de heerlijke eenzaamheid van ’t bosch.“Piet, kan je zoo niet verdwalen?”—, vroeg mevrouw: “’k zou liever bóven den weg blijven”....“Nee,” zei hij, ’n kompasje voor z’n brandende sigaar houdend: “we vliegen prachtig zuidwestelijk—in ’n kwartier zijn we bij de ruïne vanKoepelsteyn.Dáár binden we af.”“De ruïne vanKoepelsteyn!”,riep Amélie: “o, pa, da’s ’n heerlijke inval!”“Piet,” aarzelde mevrouw: “’s nachts op ’n verlaten ruïne, daar ben ’k niks op gesteld”....“Mènsch,” redeneerde Pieter: “uitgezochter kùn je ’t niet hebben. Boven op den stompen toren gebruiken we ons souper, rook ’k ’n sigaartje en dan peddelen we kalm terug. D’as je toekomst, ’r Zal nog heel wat profijt van torens getrokken worden”....“Nou Piet,” zei mevrouw nog eens: “ikbleef liever in ’t bewoonde.”“O die ma!”, lachte Amélie: “waar kun je ’s nachts veiliger zitten dan òp ’n toren. En hij is veel dichter bij dan ’k dacht—daar is-ie al!”Werklijk in ’t duister werd de ruïne voor hun geoefende oogen zichtbaar.De zware, gebrokkelde muren donkerden omhoog en de toren, bijna gaaf, plompte z’n massief silhouet in den sterrenhemel.Het was eene schoone ruïne, verborgen in ’t weelderig groen, vroeger ’n roofburcht geweest of ’n klooster.Er achter was ’t kerkhof van ’t dorp.Nooit kwam iemand op ’t plateau van den toren. Eénmaal in ’t jaar, op koninginne-verjaardag, klom ’n doodgraver langs de vermolmde trappen en plantte de vlag.Benee, achter de zware deuren, werd ’t gereedschap van ’t kerkhof bewaard.Niet ten onrechte huiverde derhalve mevrouw, toen ze naast ’r man nederstreek op de glibberige planken en ’n aantal uilen, nijdig-schreeuwend, heenstoven.“Goddelijk—dolletjes,” lachte Amélie: “nou nog wat spoken, pa, en de picnic is volmaakt!”....“Ziezoo,” zuchtte meneer, z’n riem ontgespend:“nou weet ’k wel zéker dat we ’n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand in Holland”....“Piet—op me woord—’k ben bàng,” sprak mevrouw: “je had me net zoo goed in ’n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte hier krioelt!”“Dat zullen we dadelijk zièn,” lachte Pieter, uitgelaten, “overburen hebben we niet, geef me je acetyleen!”“Asjeblief,” zei mevrouw, blij dat ’r licht kwam.“Zoo,” zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend: “geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je maar wenschen kan.”“Mag ’k niet is beneden kijken, pa?”“Je mag wel, maar je kàn niet,” praatte pa vroolijk: “’t luik is benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek ’k ’n kaars op. Anders verrajen we ons nog”....Mevrouw begon ’r ook schik in te krijgen.’t Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid ’s nachts op ’n ruïnepicnicte, dat ze zelf mee hielp dekken.De flesch wijn kwam midden op ’t servetje te staan—daaromheen de halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in ’n hoek.“Om te zoenen zoo uitgezocht,” zeide Pieter. “’k Heb in geen tijd zoo’n trek gehad!”Z’n sigaar weg-werpend, dat ’t vonken regende—wee, wee!—knipte-die z’n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen niet vond, hield Amélie de kaars bij en als ’t kaars vet dan neerklukte op pa’s decoupeerende hand, lachten ze als roovers.Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen A. Z. in ’t zilver gegraveerd, waaruit Amélie’s dorstig mondje melk met gortwater had gedronken.“Nou knappen we eerst de sardines,” zei meneer, de olieachtige brokken uit de doos peuterend: “en dàn de kip. De algekloven beentjes legateeren we aan de schim vanKoepelsteyn.”“’t Is heusch ’n ààrdig zitje,” zei merouw toehappend: “’t ruikt alleen ’n beetje gebrand. D’r kan benee toch niks smeulen?”“Da’s ’n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand,” zei meneer, zwaar happend bij ’t wapperend kaarslicht, dat z’n gelaat bizar bevlamde.“Pa,” ginnegapte Amélie: “als deLeuringsof deSpaarnsu zóó zouen zien, gingen ze ande haal—u ziet ’r uit als ’n struikroover bij de kaars”....“Hahaha,” bulder-lachte meneer, z’n zakmes zwaaiend: “denk maar dat ’kKoepelsteynben, de láátste derKoepelsteynen! Straks vlieg ik na benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen, kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen—geen haan die ’r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt ’t tegen òns af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken....”“Piet hou op met je ènge praat!”, verzocht mevrouw.Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuurmenschen.Toen, door ’t dolle heen, hief de heerZwaluwden wijnkroes omhoog, en voor ’t eerst van z’n levenspeechte-die studentikoos: “Vliegers—éérste vliegers van Holland—op de tinne van deze oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij padvlindersen menschvogels, kluivend en fuivend, als arenden in ’t arendsnest....”Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde niet verder te gaan, want het werd plots zonderling licht op ’t toren-plateau.“Piet!”—, gilde mevrouw.“Pa!”—,kreeschAmélie.Snel omkijkend, stikte-die bijna in z’n slok wijn.De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel op en doofden omdat ’r niets meer te branden was.Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.“Onze vleugels zijn verbrand,” hakkelde-die, de ledige aluminium-latten voorzichtig betastend; “hoe komt dàt?”....Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur, ’t plots vastgeklonken zitten aan den toren vanKoepelsteyn, zonder ’n kans je den verachtenbeganen grondte kunnen bereiken, de dònderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek,versteendetong en gebaren van mevrouw en Amélie.Dat zou ongekend lang geduurd hebben, haddeAmélieniet bakvischachtig-onhandig ’t slèchtste woord voor de situatie gekozen.“Nee—die is éénig,” zei ze perplex.“Eenig!”, barstte mevrouw dàdelijk los, de kippekluif wild wegwerpend—zéér ondoordacht—: “Eenig, da’s je vader z’n stomme schuld! As-die z’n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee, maar daar zitten we nou, hoog en droog—hoog en droog!”....“Ja wèl hoog,” zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend: “We zijn gepiept.”Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarendheid. Men spreekt niet van dood in ’t huis eens gehangenen, men vermijdtjargonals ’n vrouw óver ’r zenuwen heen is.“Gepiept,” herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om ’r gèk-van-’n-man te vernederen: “gepiept—gepiept—hij heeft ’r pleizier in! Had me niet jekrankzinnigemachines opgedrongen—dan kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in ’t huis—dan brand op ’n toren. Tweemaal brand! Tweemaal! Mij goed—mij best—as ik maar niet den naam van ’nbrandstichtsterkrijg!”De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z’n mond. De logica van z’n opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen inCasa Cara—dan verbrande vleugelen opKoepelsteyn—’t dee je benauwend aan ’t gestreng-ontstemde gelaat des burgermeesters denken.“We bòffen niet,” zei-ie, na ’n contemplatieve rust: “’k begrijp op me woord niet dat mijn sigaar....”“Nee, ’t was de mijne,” sprak mevrouw bedaard vernietigend: “as je maar zòrgt datikvan nacht in m’n bèd kom”....“Ja, daar dien ’k voor te zorgen,” praatte meneergedwee in den afgrond náást den toren kijkend.“’t Is éénig,” zei Amélie nog eens zacht.“Hou je onwijze praat voor je,” snauwde mevrouw: “eenig is je pá die ons in ònmenschlijke ongelegenheid brengt. Ik vraag, Piet—hoor je, Piet?—dat je maakt dat ’k op me bèd kom!”“Jawel! Zeker!”—, begon meneer te grommen en de onmogelijkheid willende betoogen van zúlk een extravaganten eisch, flapte-die ’r ’n spreekwoord uit: “Beter tien vogelen in de lucht as één in je hand. Je heb maar te kòmmàndeeren”....Toen, kapot van zooveel tegenspoeden, snikkerde mevrouw er zacht op los.Er was reden toe. ’t Kaarsje naast ’t avondmaal, ’n allerongelukkigst eindje, stuiptrekte, de norsche wallen van den toren grillig bevlammend.De verjaagde nachtuilen, niet snappend welke zonderlinge gebeurtenis op ’t plat geschiedde, fladderden spichtig heen en weer, neerplonzend en weer schrik-schreeuwend vluchtend.Meneer, ongezond-bleek, streek een lucifer af. Met de acetyleen-lamp—wat ’n geluk dat diè mee was genomen!—onderzocht-ie ’t luik dat naar benee voerde. Geen denken an. Aan de binnenzij was ’n bout of ’n grendel. Hoe je wrikte, ’t luik blééf dicht. En als ’t wèl lukte, was je even ver, kon je hoogstens de vermolmde trappenafstrompelen en beneden de hoofddeuren gesloten vinden, Ze zaten geknipt, onherroepelijk geknipt. Zonder hulp van menschen kwamen ze er niet af en de hulp-van-menschen beteekende de lachwekkendste openbaring.“Pa, hoe kom u zoo onvoorzichtig,” zei Amélie, die moeite had ’t niet uit te schateren, zoo héérlijk als ze de historie vond.“Ja! Hoe kom ’k,” praatte pa met akeligen galgenhumor, ’n humor die ’m slecht af ging z’n bleek gezicht was ’r niet mee in accoord-bevinding: “hoe kun je denken dat vlerken zóó brandbaar zijn, hè? Zeg an je ma, kind, dat ze ophoudt met huilen. Dauw in den vroegen nacht is ongezond”....“Laat me met rust!” zei mevrouw verwoed; “ik blijf hier niet slapen, versta je!”“Dat zal toch wel moeten”....“Ik doe ’t niet,” zei mevrouw heftig.“Je kan toch moeilijk verlangen dat ’k na beneden spring als Jan van Schaffelaar,” betoogde meneer rustig: “we moeten hopen op den een of anderen wandelaar”....“D’r wandelt niemand,” huilde mevrouw nerveus: “dat weet je wel. We verhongeren honderd tegen één”....“Eénig”...., haperde Amélie.“’t Is waarachtig ’n beroerde zaak,” rekende Pieter: “ééns in ’t jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel ’n maand”....“Misschien wordt ’r gauw iemand begraven,” hoopte Amélie.“God geve ’t”—, sprak de heer Zwaluw geheel down: “we zijn als vlinders bij de lamp—we hebben onze vlerken geschroeid.... ’t Is leelijk, heel leelijk. Zal ’k de acetyleen uit doen?”“Nee,” bitste mevrouw; “’k dank je voor je donker”....“’t Is me eenige lichtvoorraad,” sprak hij nadenkend; “anders zitten we morgennacht zonder iets” ...“Mòrgennacht?”—schrikte mevrouw.“Mòrgennacht?”, zei ook Amélie, ’n weinig angstig.“Natuurlijk,” zei meneer: “’t Kan best twee, drie dagen duren. We zullen oprantsoenmoeten leven. Wat is ’r nog?”“’n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst—de kouwe kip hou je niet goed”....“Als je nou denkt,” begon mevrouw onbekookt te ruziën: “dat ’k zoo volslagen gek zal zijn, om hier ’n páár dagen te blijven”....“Ikdwing je niet,” zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met handen breken, noch van torens omlaagstappen.“Pa, is ’t u heusch ernst dat ’t zóo lang kan duren?”“Dat weet de hemel,” zei meneer: “weken aneen komt hier geen levende ziel. En àls we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar—da’s ’n troost.”Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde, ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.“We zijn voorgoed ridikuul,” snikte mevrouw.“Da’s ’t minste,” antwoordde hij poenig.“’k Ben dood op.”“Ga liggen!”“Liggen op die smerige planken? Voor geen goud!”“Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?”“Nee,” zei ze driftig: “’k verlang naar me bed!”Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren, keken ze van de sterren naar de diepten terzij.’t Proper mane-sikje belichtte de zerken van ’t kerkhof, de stompen der ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-’n-geluid was te hooren. In ’n woestijn kon ’t niet eenzamer.“Eenig”...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord verslikkend zei ze: “eenige troost is ’r, dat Kobus zal zóéken”....“Dat zal-ie niet,” viel pa ’r in de rede: “hij zal z’n mond houen”....“En als ’t te lang duurt, pa?”....“Dan zal-ie nòg z’n mond houen.”“Dan is ’t weer géén troost,” zei Amélie geduldig ’r kippekluif hernemend, dien ze op ’t servet in den steek had gelaten.“Wat doe je?”—, vroeg Pieter streng.“Kluiven, pa”....“Geen gekluif, nou!”—, beval hij onrustig: “je hèb geen honger! Over ’n paar dagen bid je ’r om—op ’t oogenblik heb je geen behoefte”....“Da’s waar,” zei Amélie tam: “dan zal ’k den kluif dien ma strakkies weggesmeten heeft bij denvoorraadleggen”....“Dank je voor jelekkers!”—, schimpte ma: “wat op die smérige planken bij ’t vuil van vleermuizen gelegen heeft, raak ’k niet an. ’k Wil na me bèd, Piet—versta je, Piet?—’k Kan niet meer op me beenen staan”....“Leg den kluif bij de rest,” gebood meneer, ma’s laatste klacht verwaarloozend: “we smijten daar met kluif! In Leiden, met de Spanjaarden, hebben ze ’t met minder gedaan. Misschien snàk je de volgende week naar ’n levende vleermuis”....“Eenig”—, fluisterde Amélie, die zoo’n romantisch geval met honger en dood op ’n torentje allerheerlijkst vond. Licht dat ’r in den naren,realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek geboren werd.“Eet jij levende vleermuizen, idioot”—schold mevrouw: “daar heb ik goddank geen opvoeding voor gehad”....“Misschien heeft je vader erger dingen in de worst gedraaid,” vroolijkte Pieter, probeerend z’n goed humeur te bewaren.“Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt”—, zei mevrouwhautain.“Nàcht,” antwoordde hij, languit neder liggend: “ik zal ’r van nemen wat ’r van te halen valt.”“Dus ik moet wakker blijven?”—vroeg ze stroef.“’r Is ruimte genoeg,” lachte hij.“Pa,” zei Amélie nederhurkend: “we zitten als in ’n belegerde vesting”....“Precies,” geeuwde hij: “zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar gelegen—belegerd doorPerrol met de rooie hand.—Da’s ’t pràchtigste boek dat ’k ken. As ’k weer thuis ben, zal ’k ’t je moeder laten lezen”....Denkend aanDe Schaapherderbegon-ie te snurken.Mevrouw in ’n hoek, den zakdoek om ’r hoofd voor de griezelige beesten—jammer dat ze geen rok had!—probeerde te slapen, schrikte telkens wakker, als ’nvleermuisneerstreek.Amélie, languit, de oogen geopend, keek naar de sterren, had moeite niet te neuriën. Pa’s gesnurk verstoorde de idylle.“Slaap u, ma-lief?”—vroeg ze ongerust over ma’s lastige houding.“Natuurlijk niet,” snauwde ma.“Ga u dan toch liggen.”“Nee, ’k ben vies van die planken.”“En als ’t nou héúsch langer duurt—dat hou u toch niet vol!”Wrokkend kwam mama naast ’r liggen en opnieuw zachtjes snikkend zei ze ’r hope en vreeze: “As de hemel maar geeft, dat ’r morgen iemand begráven wordt!”“D’r is niemand ziek, ma.”“Dat weet je niet. Laten we ’r ombidden,” nokte mevrouw Zwaluw.Toen werd ’t langzaam algeheel stil op het torenplat.De maansikkel, hooger stevenend, bescheen drie menschelijke vormen, ’n aangebroken flesch wijn, ’n kroes, ’n open bus sardines, wat broodjes, ’n eind leverworst en bekloven kluiven.Het was geenschoonstilleven.De ontruste, beroofde uilen en vleermuizen kringden angstig om ’t gebeuren.

“Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten,Eens heb ik van dichte-nachtschaduwHet luchte, vluchtige vlieden beklaagd—En nu!—En nu!”....(Ellen,Fred. van Eeden.)

“Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten,

Eens heb ik van dichte-nachtschaduw

Het luchte, vluchtige vlieden beklaagd—

En nu!—En nu!”....

(Ellen,Fred. van Eeden.)

“Als ’t vannacht wéér lukt,” zei de heer Zwaluw, z’n riem toe-gespend op zolder: “dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders, den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in besloten ruimte op klaarlichten dag eenséance.”

’t Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid te verhaasten.

“Hoe laat mot ’k ’t zolderraam openmake?”—, vroeg Kobus.

“Dat laat je anstaan,” zei meneer: “ga rustig na bed en hou ’n oog op Chris. We zullen ons zelf helpen als we terug zijn.”

“Dan wensch ’k u goeie reis,” zei Kobus, blij dat-ie niet behoefde te wachten.

Het was een zwoele zomeravond, zonder ’n zuchtje.

De lucht was bijna transparant.

De sterren smachtten—de maan, in ’r laatste kwartier, glimmerde hollandsch-zindelijk, zonder ’n roestplek of wreef.

De geheele natuur, dien bekoorlijken avond, dee zoo smetteloos aan als ’n versch geboende dorpsstraat.

De boomtoppen, ordlijk,gecoiffeerd, kuifden als kropsla achter ’n schutting—blaadren noch takken hadden ’n ritsling.

Uitgezochter weer voor ’n tocht was ondenkbaar.

Meneer, smakelijk rookend, vloog voor-op, allergezelligst van humeur. An z’n stuurrad bungelde ’n pakje door mevrouw en Amélie bereid—’n halve kouwe kip, ’n bus sardines, wat gesmeerde broodjes en ’n stuk leverworst.

Amélie had ’n flesch wijn an ’r ballast-haak. Als de tocht wat langer duurde, zouen ze ergensrusten en nachtlijk picnicken. Je kreeg ’n geweldigen eetlust van dat peddelen in de ozon-rijkste lucht.

Mevrouw had ’n acetyleen-lantaarn meegenomen.

Zoo toe-gerust hadden ze den heelen nacht voor zich—tot de morgenschemering ze zou verjagen.

Het dorp verdween in de dùisternis.

’n Enkle boerenwoning stak ’r dak door ’t groen.

Dan werd ’t de heerlijke eenzaamheid van ’t bosch.

“Piet, kan je zoo niet verdwalen?”—, vroeg mevrouw: “’k zou liever bóven den weg blijven”....

“Nee,” zei hij, ’n kompasje voor z’n brandende sigaar houdend: “we vliegen prachtig zuidwestelijk—in ’n kwartier zijn we bij de ruïne vanKoepelsteyn.Dáár binden we af.”

“De ruïne vanKoepelsteyn!”,riep Amélie: “o, pa, da’s ’n heerlijke inval!”

“Piet,” aarzelde mevrouw: “’s nachts op ’n verlaten ruïne, daar ben ’k niks op gesteld”....

“Mènsch,” redeneerde Pieter: “uitgezochter kùn je ’t niet hebben. Boven op den stompen toren gebruiken we ons souper, rook ’k ’n sigaartje en dan peddelen we kalm terug. D’as je toekomst, ’r Zal nog heel wat profijt van torens getrokken worden”....

“Nou Piet,” zei mevrouw nog eens: “ikbleef liever in ’t bewoonde.”

“O die ma!”, lachte Amélie: “waar kun je ’s nachts veiliger zitten dan òp ’n toren. En hij is veel dichter bij dan ’k dacht—daar is-ie al!”

Werklijk in ’t duister werd de ruïne voor hun geoefende oogen zichtbaar.

De zware, gebrokkelde muren donkerden omhoog en de toren, bijna gaaf, plompte z’n massief silhouet in den sterrenhemel.

Het was eene schoone ruïne, verborgen in ’t weelderig groen, vroeger ’n roofburcht geweest of ’n klooster.

Er achter was ’t kerkhof van ’t dorp.

Nooit kwam iemand op ’t plateau van den toren. Eénmaal in ’t jaar, op koninginne-verjaardag, klom ’n doodgraver langs de vermolmde trappen en plantte de vlag.

Benee, achter de zware deuren, werd ’t gereedschap van ’t kerkhof bewaard.

Niet ten onrechte huiverde derhalve mevrouw, toen ze naast ’r man nederstreek op de glibberige planken en ’n aantal uilen, nijdig-schreeuwend, heenstoven.

“Goddelijk—dolletjes,” lachte Amélie: “nou nog wat spoken, pa, en de picnic is volmaakt!”....

“Ziezoo,” zuchtte meneer, z’n riem ontgespend:“nou weet ’k wel zéker dat we ’n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand in Holland”....

“Piet—op me woord—’k ben bàng,” sprak mevrouw: “je had me net zoo goed in ’n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte hier krioelt!”

“Dat zullen we dadelijk zièn,” lachte Pieter, uitgelaten, “overburen hebben we niet, geef me je acetyleen!”

“Asjeblief,” zei mevrouw, blij dat ’r licht kwam.

“Zoo,” zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend: “geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je maar wenschen kan.”

“Mag ’k niet is beneden kijken, pa?”

“Je mag wel, maar je kàn niet,” praatte pa vroolijk: “’t luik is benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek ’k ’n kaars op. Anders verrajen we ons nog”....

Mevrouw begon ’r ook schik in te krijgen.

’t Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid ’s nachts op ’n ruïnepicnicte, dat ze zelf mee hielp dekken.

De flesch wijn kwam midden op ’t servetje te staan—daaromheen de halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.

De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in ’n hoek.

“Om te zoenen zoo uitgezocht,” zeide Pieter. “’k Heb in geen tijd zoo’n trek gehad!”

Z’n sigaar weg-werpend, dat ’t vonken regende—wee, wee!—knipte-die z’n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen niet vond, hield Amélie de kaars bij en als ’t kaars vet dan neerklukte op pa’s decoupeerende hand, lachten ze als roovers.

Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen A. Z. in ’t zilver gegraveerd, waaruit Amélie’s dorstig mondje melk met gortwater had gedronken.

“Nou knappen we eerst de sardines,” zei meneer, de olieachtige brokken uit de doos peuterend: “en dàn de kip. De algekloven beentjes legateeren we aan de schim vanKoepelsteyn.”

“’t Is heusch ’n ààrdig zitje,” zei merouw toehappend: “’t ruikt alleen ’n beetje gebrand. D’r kan benee toch niks smeulen?”

“Da’s ’n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand,” zei meneer, zwaar happend bij ’t wapperend kaarslicht, dat z’n gelaat bizar bevlamde.

“Pa,” ginnegapte Amélie: “als deLeuringsof deSpaarnsu zóó zouen zien, gingen ze ande haal—u ziet ’r uit als ’n struikroover bij de kaars”....

“Hahaha,” bulder-lachte meneer, z’n zakmes zwaaiend: “denk maar dat ’kKoepelsteynben, de láátste derKoepelsteynen! Straks vlieg ik na benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen, kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen—geen haan die ’r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt ’t tegen òns af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken....”

“Piet hou op met je ènge praat!”, verzocht mevrouw.

Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuurmenschen.

Toen, door ’t dolle heen, hief de heerZwaluwden wijnkroes omhoog, en voor ’t eerst van z’n levenspeechte-die studentikoos: “Vliegers—éérste vliegers van Holland—op de tinne van deze oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij padvlindersen menschvogels, kluivend en fuivend, als arenden in ’t arendsnest....”

Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde niet verder te gaan, want het werd plots zonderling licht op ’t toren-plateau.

“Piet!”—, gilde mevrouw.

“Pa!”—,kreeschAmélie.

Snel omkijkend, stikte-die bijna in z’n slok wijn.

De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel op en doofden omdat ’r niets meer te branden was.

Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.

“Onze vleugels zijn verbrand,” hakkelde-die, de ledige aluminium-latten voorzichtig betastend; “hoe komt dàt?”....

Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur, ’t plots vastgeklonken zitten aan den toren vanKoepelsteyn, zonder ’n kans je den verachtenbeganen grondte kunnen bereiken, de dònderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek,versteendetong en gebaren van mevrouw en Amélie.

Dat zou ongekend lang geduurd hebben, haddeAmélieniet bakvischachtig-onhandig ’t slèchtste woord voor de situatie gekozen.

“Nee—die is éénig,” zei ze perplex.

“Eenig!”, barstte mevrouw dàdelijk los, de kippekluif wild wegwerpend—zéér ondoordacht—: “Eenig, da’s je vader z’n stomme schuld! As-die z’n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee, maar daar zitten we nou, hoog en droog—hoog en droog!”....

“Ja wèl hoog,” zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend: “We zijn gepiept.”

Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarendheid. Men spreekt niet van dood in ’t huis eens gehangenen, men vermijdtjargonals ’n vrouw óver ’r zenuwen heen is.

“Gepiept,” herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om ’r gèk-van-’n-man te vernederen: “gepiept—gepiept—hij heeft ’r pleizier in! Had me niet jekrankzinnigemachines opgedrongen—dan kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in ’t huis—dan brand op ’n toren. Tweemaal brand! Tweemaal! Mij goed—mij best—as ik maar niet den naam van ’nbrandstichtsterkrijg!”

De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z’n mond. De logica van z’n opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen inCasa Cara—dan verbrande vleugelen opKoepelsteyn—’t dee je benauwend aan ’t gestreng-ontstemde gelaat des burgermeesters denken.

“We bòffen niet,” zei-ie, na ’n contemplatieve rust: “’k begrijp op me woord niet dat mijn sigaar....”

“Nee, ’t was de mijne,” sprak mevrouw bedaard vernietigend: “as je maar zòrgt datikvan nacht in m’n bèd kom”....

“Ja, daar dien ’k voor te zorgen,” praatte meneergedwee in den afgrond náást den toren kijkend.

“’t Is éénig,” zei Amélie nog eens zacht.

“Hou je onwijze praat voor je,” snauwde mevrouw: “eenig is je pá die ons in ònmenschlijke ongelegenheid brengt. Ik vraag, Piet—hoor je, Piet?—dat je maakt dat ’k op me bèd kom!”

“Jawel! Zeker!”—, begon meneer te grommen en de onmogelijkheid willende betoogen van zúlk een extravaganten eisch, flapte-die ’r ’n spreekwoord uit: “Beter tien vogelen in de lucht as één in je hand. Je heb maar te kòmmàndeeren”....

Toen, kapot van zooveel tegenspoeden, snikkerde mevrouw er zacht op los.

Er was reden toe. ’t Kaarsje naast ’t avondmaal, ’n allerongelukkigst eindje, stuiptrekte, de norsche wallen van den toren grillig bevlammend.

De verjaagde nachtuilen, niet snappend welke zonderlinge gebeurtenis op ’t plat geschiedde, fladderden spichtig heen en weer, neerplonzend en weer schrik-schreeuwend vluchtend.

Meneer, ongezond-bleek, streek een lucifer af. Met de acetyleen-lamp—wat ’n geluk dat diè mee was genomen!—onderzocht-ie ’t luik dat naar benee voerde. Geen denken an. Aan de binnenzij was ’n bout of ’n grendel. Hoe je wrikte, ’t luik blééf dicht. En als ’t wèl lukte, was je even ver, kon je hoogstens de vermolmde trappenafstrompelen en beneden de hoofddeuren gesloten vinden, Ze zaten geknipt, onherroepelijk geknipt. Zonder hulp van menschen kwamen ze er niet af en de hulp-van-menschen beteekende de lachwekkendste openbaring.

“Pa, hoe kom u zoo onvoorzichtig,” zei Amélie, die moeite had ’t niet uit te schateren, zoo héérlijk als ze de historie vond.

“Ja! Hoe kom ’k,” praatte pa met akeligen galgenhumor, ’n humor die ’m slecht af ging z’n bleek gezicht was ’r niet mee in accoord-bevinding: “hoe kun je denken dat vlerken zóó brandbaar zijn, hè? Zeg an je ma, kind, dat ze ophoudt met huilen. Dauw in den vroegen nacht is ongezond”....

“Laat me met rust!” zei mevrouw verwoed; “ik blijf hier niet slapen, versta je!”

“Dat zal toch wel moeten”....

“Ik doe ’t niet,” zei mevrouw heftig.

“Je kan toch moeilijk verlangen dat ’k na beneden spring als Jan van Schaffelaar,” betoogde meneer rustig: “we moeten hopen op den een of anderen wandelaar”....

“D’r wandelt niemand,” huilde mevrouw nerveus: “dat weet je wel. We verhongeren honderd tegen één”....

“Eénig”...., haperde Amélie.

“’t Is waarachtig ’n beroerde zaak,” rekende Pieter: “ééns in ’t jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel ’n maand”....

“Misschien wordt ’r gauw iemand begraven,” hoopte Amélie.

“God geve ’t”—, sprak de heer Zwaluw geheel down: “we zijn als vlinders bij de lamp—we hebben onze vlerken geschroeid.... ’t Is leelijk, heel leelijk. Zal ’k de acetyleen uit doen?”

“Nee,” bitste mevrouw; “’k dank je voor je donker”....

“’t Is me eenige lichtvoorraad,” sprak hij nadenkend; “anders zitten we morgennacht zonder iets” ...

“Mòrgennacht?”—schrikte mevrouw.

“Mòrgennacht?”, zei ook Amélie, ’n weinig angstig.

“Natuurlijk,” zei meneer: “’t Kan best twee, drie dagen duren. We zullen oprantsoenmoeten leven. Wat is ’r nog?”

“’n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst—de kouwe kip hou je niet goed”....

“Als je nou denkt,” begon mevrouw onbekookt te ruziën: “dat ’k zoo volslagen gek zal zijn, om hier ’n páár dagen te blijven”....

“Ikdwing je niet,” zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met handen breken, noch van torens omlaagstappen.

“Pa, is ’t u heusch ernst dat ’t zóo lang kan duren?”

“Dat weet de hemel,” zei meneer: “weken aneen komt hier geen levende ziel. En àls we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar—da’s ’n troost.”

Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde, ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.

“We zijn voorgoed ridikuul,” snikte mevrouw.

“Da’s ’t minste,” antwoordde hij poenig.

“’k Ben dood op.”

“Ga liggen!”

“Liggen op die smerige planken? Voor geen goud!”

“Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?”

“Nee,” zei ze driftig: “’k verlang naar me bed!”

Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren, keken ze van de sterren naar de diepten terzij.

’t Proper mane-sikje belichtte de zerken van ’t kerkhof, de stompen der ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-’n-geluid was te hooren. In ’n woestijn kon ’t niet eenzamer.

“Eenig”...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord verslikkend zei ze: “eenige troost is ’r, dat Kobus zal zóéken”....

“Dat zal-ie niet,” viel pa ’r in de rede: “hij zal z’n mond houen”....

“En als ’t te lang duurt, pa?”....

“Dan zal-ie nòg z’n mond houen.”

“Dan is ’t weer géén troost,” zei Amélie geduldig ’r kippekluif hernemend, dien ze op ’t servet in den steek had gelaten.

“Wat doe je?”—, vroeg Pieter streng.

“Kluiven, pa”....

“Geen gekluif, nou!”—, beval hij onrustig: “je hèb geen honger! Over ’n paar dagen bid je ’r om—op ’t oogenblik heb je geen behoefte”....

“Da’s waar,” zei Amélie tam: “dan zal ’k den kluif dien ma strakkies weggesmeten heeft bij denvoorraadleggen”....

“Dank je voor jelekkers!”—, schimpte ma: “wat op die smérige planken bij ’t vuil van vleermuizen gelegen heeft, raak ’k niet an. ’k Wil na me bèd, Piet—versta je, Piet?—’k Kan niet meer op me beenen staan”....

“Leg den kluif bij de rest,” gebood meneer, ma’s laatste klacht verwaarloozend: “we smijten daar met kluif! In Leiden, met de Spanjaarden, hebben ze ’t met minder gedaan. Misschien snàk je de volgende week naar ’n levende vleermuis”....

“Eenig”—, fluisterde Amélie, die zoo’n romantisch geval met honger en dood op ’n torentje allerheerlijkst vond. Licht dat ’r in den naren,realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek geboren werd.

“Eet jij levende vleermuizen, idioot”—schold mevrouw: “daar heb ik goddank geen opvoeding voor gehad”....

“Misschien heeft je vader erger dingen in de worst gedraaid,” vroolijkte Pieter, probeerend z’n goed humeur te bewaren.

“Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt”—, zei mevrouwhautain.

“Nàcht,” antwoordde hij, languit neder liggend: “ik zal ’r van nemen wat ’r van te halen valt.”

“Dus ik moet wakker blijven?”—vroeg ze stroef.

“’r Is ruimte genoeg,” lachte hij.

“Pa,” zei Amélie nederhurkend: “we zitten als in ’n belegerde vesting”....

“Precies,” geeuwde hij: “zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar gelegen—belegerd doorPerrol met de rooie hand.—Da’s ’t pràchtigste boek dat ’k ken. As ’k weer thuis ben, zal ’k ’t je moeder laten lezen”....

Denkend aanDe Schaapherderbegon-ie te snurken.

Mevrouw in ’n hoek, den zakdoek om ’r hoofd voor de griezelige beesten—jammer dat ze geen rok had!—probeerde te slapen, schrikte telkens wakker, als ’nvleermuisneerstreek.

Amélie, languit, de oogen geopend, keek naar de sterren, had moeite niet te neuriën. Pa’s gesnurk verstoorde de idylle.

“Slaap u, ma-lief?”—vroeg ze ongerust over ma’s lastige houding.

“Natuurlijk niet,” snauwde ma.

“Ga u dan toch liggen.”

“Nee, ’k ben vies van die planken.”

“En als ’t nou héúsch langer duurt—dat hou u toch niet vol!”

Wrokkend kwam mama naast ’r liggen en opnieuw zachtjes snikkend zei ze ’r hope en vreeze: “As de hemel maar geeft, dat ’r morgen iemand begráven wordt!”

“D’r is niemand ziek, ma.”

“Dat weet je niet. Laten we ’r ombidden,” nokte mevrouw Zwaluw.

Toen werd ’t langzaam algeheel stil op het torenplat.

De maansikkel, hooger stevenend, bescheen drie menschelijke vormen, ’n aangebroken flesch wijn, ’n kroes, ’n open bus sardines, wat broodjes, ’n eind leverworst en bekloven kluiven.

Het was geenschoonstilleven.

De ontruste, beroofde uilen en vleermuizen kringden angstig om ’t gebeuren.

Zevende Kapittel.Een tragische dag.“Wee, wee, wee wie het weet!Melodieën van leedOmruischen me als regenvlagen:En roepen: Vergeet! Vergeet!”...(Albert Verwey.)“Ik weet niet waar ik sterven zal.”(Multatuli.)“Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten, om alleen huishoudelijken arbeid te doen”....(Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie,Mr. S. van Houten).Nog nimmer had de uchtendstond zóó vroeg goud in den mond gehad.Om vier uur, klaar-lichte dag, keek de heer Zwaluw, geel-gróen en verwezen, op z’n horloge.’t Ongeluk zette niet dadelijk in—althans mevrouwsliep, ’t hoofd op den ballastzak van ’r verhavende machine.Met ’t pessimisme der on-uitgeslapenheid, keek-ie ’t plateau af, dat er inderdaad onsmakelijk uit zag.De planken, groenig beslagen, in de voegen verweerd, hadden bergen en dalen van wat ’r vróéger, gister noggehuisdhad.Hier en daar was ’n deel vermolmd, maar ’t luik, pas vernieuwd en geteerd, lei zoo solide als de deur van ’n brandkast.Zachjes loopend, keek-ie omlaag.De kleinste diepte was zeker dertig, veertig meter.Je kon je geen gemeener gevangenis fantaseeren.De dood, honger óf ’n verlossende begrafenis—anders was ’r geen uitweg.In elk geval, hij zou ’t mogelijke doen.Snel z’n jas uittrekkend, schoot-ie z’n overhemd over ’t hoofd, bond een der mouwen aan de stang der vliegmachine. ’n Noodvlag die ze zouen begrijpen, als, àls, àls de een of ander, ’n bedelaar of landlooper voorbijkwam.Er woei ’n zuidwesten-windje—de hemel leek druilig.Het hemd flapperde, klepperde, wekte mevrouw en Amélie.“Goeien morgen, pa—plezierig geslapen?”—, vroeg Amélie, goed-gehumeurd als altijd.“Hoe komt dat hèmd daar?”—, vroeg mevrouw knorrig.“’n Noodsein,” lei meneer uit.“Wil je ons nóg belachelijker maken dan we al zijn,” kibbelde ma: “’n hemd zònder knoopies, ’n hemd vol olie van de sardines!”....“Jij komt lekker an ’t ontbijt,” verweet hij, de omstandigheden vergetend.“’t Ontbijt,” schamperde mevrouw:”’k wou dat je me eerst waschwater bezorgde èn ’n tandborstel èn mepasta, ’n Vrouw die met jóú getrouwd is, wordt ’nstraatslijpster”....“Kind,” sprak hij lief: “laten we ’t leed opgewekt dragen. We zìjn nou eenmaalgepiept”....’r Oogen keken ’m vernietigend aan. Geen kopje thee op ’r bèd, geen behoorlijk ontbijt, geen bad—thuis ’n schandaal zonder eind en ’n man die ’r pret in had van pièpen te blijven spreken.“Ma wees u nougezellig,” susteAmélie: “u zal zien ’r wòrdt begraven. Als ’k ’n stoet zie ankomen, gil ’k ’t uit!”Gezellig zijn! Hoe kòn men ’t woord over de lippen krijgen. Smeriger, afstootender uithoek was niet te bedenken. En op diè griezelige, kleverigeguano-belthad zegeslápen!....1) Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel mij niet deontroering, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor die vanverluchtingnoodig heeft, aan de àndere zijde—dat sloeg den doorslag—verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui, zeide hij: “Amice, op ’n vèl meer of minder,kijk ’k niet, omdat ’k bij de aanbiedingsreis toch ’n bepaald kwantum genoemd heb, maar zùlk ’n stortvloed van teekeningen is mij geenvriendschappelijke daad.” In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak: “Falkland, schei in ’s hemelsnaam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost!” Alles tezamen genomen—ook bij de dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z’n connecties ter wille zijn—achtte ik het beter de vorige kapittels zònder schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd zoo zwaar van tragiek als Oedipus’ uitgestoken oogen,moest’k m’n emotie in m’n penstorten. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der wereldliteratuur, sprak een manshemdvan grooter noodlot, zelden heeft mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval, zelden werd het floers voor m’n oogen troebeler, intenser dan bij dèze krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, naderuit te meten.Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht ik er aan te verklaren, dat eerst toen ’t cliché gereed was, mij de pijnlijke fout opviel van hetP. Z. 12.Een zoo gedistingeerd heer, met ’n villa, ’n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf overhemden. ’k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen, door de bewogenheid van ’n gemoed bij hetinlevenin de stemming....S. F.“Pièt,” dolk-stak mevrouw—in paroxysme van ijskoud-gehouden verontwaardiging, staken waarlijk ’rPiet-en als dòlken—“Piet, je maakt dat ’k van jóúw smerigen toren kom—en onmiddellijk—anders besterf ’k ’t—kan je me alslijkna benejen brengen.”“In godesnaam,” zei-ie geduldig.’t Geval bracht vanzelf mee, dat je ’n boel moest slikken en kroppen.Thuis, als ze ongenietbaar was, maakte je korte metten, vluchtte je naar de knutselkamer of naar de soos—de soos—de sóós—sentimenteele droom in de wolken!—de soos met ’r vleeschcroquetjes en zoute krakelingen—de soos met ’r hompjes kaas bij sherry en port—de op dién afstand tot n’ideaalaan-fleurend beeld....Thuis zou-ie ’r allang van door zijn gegaan—thuis aarzelde-die zelden als ’r gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man van z’n vrouw, elke vrouw van ’r man kent, de speciale èn wrange èn positief-waarschuwende, waarvan ’n vreemde geen weet heeft, waarvan nièmand het innerlijk wezen ontleedt—, de speciale èn wrange innig-aan-’t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst huwelijks-spel behooren, omdat je alleen aan zéérgeliefden ’tprofond négligévan je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben af ontbeten, wéter der beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om tweebekendeoogen—, hier, op de ruïne vanKoepelsteyn, stond jeweerloos.Man en vrouw waren beslist nièt geschapenvoor ’nnest, voor ’n besloten nest, voor ’n nest dat enkel nèst was.Misschien in de éérste weken der zoete verteedering diewittebroodheet, de dagen dat jeglimlachtals ’n geliefd hakje je eksteroog betreedt—gezocht beeld, daar teederen in diè uren àlles soigneeren—misschien dàn zou ’n wolken-nest ’n idylle zijn—hier, bij ’n vrouw met dè speciale èn zure trekken, ’n vrouw met nachtuilenzwam an ’r kleeren en ’n bróék aan, hier voelde je ’n leegte in de gloeiende-aaneen-smeding-van-twee-zielen.Vondel kon dàt niet bereeknen—’t lief en leed nà verbrande vleuglen—op ’n torenstomp.“Piét,” hernam mevrouw na eenevonkendestilte: “’t heeft lang genoeg geduurd.”“Dat ben ’k met je eens,” zei hij weder gedwee: “verbéél je nou dat je thùis zit—laten we ontbijten, ’n Leege maag is de dood voor alle energie”....Mevrouw keek somber over de tinnen naar ’t uitgezocht landschap voor-zenuwlijders.Je kon je adem hóóren.“Ma, vin u ’t niet éénig dat we met z’n drieën gevangen zitten?”—, vroeg Amélie om ’r moeder op te vroolijken: “ma wil u ’n stukje worst?”“Géén worst,” gebood papa: “de worst blijft ’t langste goed—eerst de kippekluif”....“Kippekluif—op me nùchtere maag!”—, viel mevrouw uit, zich kittig omkeerend.“Kind, bedwing je humeur,” suste Pieter zéér voorzichtig: “ik heb honger”....In geen twaalf uur had-ie behoorlijk gegeten. Z’n maag rommelde onkiesch.’t Viel niet mee. Zóo als-ie z’n hand naar ’n vlerk uitstrekte zòng de kip. ’n Zwarte zwerm vliegen, diegesmuldhad, stoof omhoog.“Nou dat nog!”—, zuchtte de heer Zwaluw, ’n vies gezicht trekkend. De kip was innig veradellijkt, òn-welriekte.“Da’s jammer,” praatte Amélie: “dan hebben we niet veel meer, pa.”Het was droevig en verontrustend.Van ’n halve flesch wijn, drie aangebroken kadetjes, ’n restant sardine, ’n mep worst en geurende kluifjes, zouen ze ’t met d’r drieën bezwaarlijk dàgen uithouden.“Geef mij één sardine en ’n half broodje,” sprak pa maag-rommelend ernstig: “en bewaar de worst tot ’t diner-tijd is.”Twaalfuur gaf-ie cadeau.“Hier ma—heb u ook één sardine en ’n half broodje—dan houen we voor zes uur één kadetje met z’n drieën en ’n schijf worst over. Eenig! Eenig!”“Als je nog één keer dat hátelijk woord zegt,” driftigde ma, onuitsprekelijk ongelukkig.“Maar ma-lief”....“Hou je mond”....“Maar ma”....“Ga de kamer uit!”—, dreigde ma, zooals ze thuis dee.Dat bezorgde meneer ’n stuip-lach. ’t Was onbetaalbaar.Mevrouw keek sip over de tinnen.“Ma-lief, eet u nou—’t is pas vijf uur—eerst over twaalf uur dineeren we”....“Ik kan niks door me keel krijgen,” zei ma nerveus.“Dat helpt,” zei meneer.“Schuif u dangezelligbij, ma,” vriendelijkte Amélie.Ma antwoordde niet.“Mag ik de sardine-bus uitsoppen, pa?”—, vroeg Amélie, na ’n stilte van kleine-hapjes-gekauw.“Néé,” zei Pieter: “niet alles in-eens opschròkken”....Gemoedelijk stak-ie ’n sigaar op, nam ’n slok wijn uit den kroes met de initialen A. Z.De omstandigheden in aanmerking genomen, zou-ie zich vrij behaaglijk gevoeld hebben, hadde mevrouw niet één opmerking gemaakt, die ’m degemeen-zwarte zij van ’t geval als ’n duizeling dee ondergaan.“Bij half zes,” sprak ze over de tinnen, naar de eenzame verte van boomen en boomen: “bij half zes—nou staat Chris op—zéven uur komt de bakker—de bàkker”....De bàkker.Als ’n bliksemflits zigzagde dat kalm-gewone woordCasa Cara’sbeeld voor Pieter’s oogen.Hij had de huisdeur op ’t nachtslot gedaan—de sleutelprop zat in z’n zak.De bàkker.Door ’t luikje zou Chris ’t hard-gebakken Duitsch, ’t roggetje en de pain-de-luxe-jes aannemen.De bàkker.Dan zou ze de trap opstommelen, aan de kamerdeur kloppen, tot ze já hoorde roepen.Als ze géén ja hoorde, zou ze nog eens kloppen, net zoolang tot hij, die ’r niet was já zei, of zij die ’r niet was, já knorde.De bakker.Groote genade—de bàkker!Dan zou Chris, die wel is niét wàchtte tot ’r geantwoord werd, omdat als ze te drùk porde, hij èn zij uit d’r humeur an ’t ontbijt kwamen, naar de badkamer sjokken en ’t bad vol laten loopen.De bakker.’t Bad.Dan dekte ze, haalde Kobus de kranten en brieven uit de bus, die-ie naast zíjn bord lei.En als ze dan benejen kwamen—terwijl ze d’r nièt waren—dampte de thee genoeglijk, geelde de kaas in de stolp, molligden de gekookte eieren in de dopjes....De bakker. ’t Bad.’t Ontbijt. De thee. De halfzachte eitjes....Even schemerde alles voor Pieter’s rustig-burgerlijke oogen—flauw praatte-die na:....“Ja, om zeven komt de bakker, de bakker”....“En om half acht de melkboer,” zei mevrouw in tonigen cadans, alsof ze ’n vers reciteerde.“O, jee—om acht de kruijenier,” schrikte Amélie.“En om negen de sláger,” hernam mevrouw: “goeie hemel—de slager. ’k Heb ’m gister voor vandaag ’nlamsboutopgegeven”....“Die zal door ’t luikje moeten—de deur is op ’t nachtslot,” sprak meneer somber.“En de klokkenmaker—me nááister,” zei mevrouw zoo tragisch dat ’t op de plankengedaanzou hebben: “me naaister die om acht uur voor de deur staat.... Kan de nááister door ’t luikje?“Nee, diè kan ’r niet door,” haperde hij: “diekan ’rvermoedelijkniet door. Misschien....”1) Men moet wel in staat van òngewone kwade trouw zijn, als men de massief-heid der in plan gebrachte deur miskent.Rechtsbevindt zich de villaCasa Cara, met degaragevoorautomobielen, de benzine-bergplaats, de broeikassen enz. Daar van mij uitsluitend eene massievedeur, met eenluikjeen eennaamplaatjegevergd werd, achtte ik het onnoodig de rechts liggende architectonische schoonheden der villa met haar gerieflijkheden enmodern comfort teontwikkelen. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige gaven. Parole d’honneur! Links, dadelijk naast het trappenhuis, heb ’k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba’s, hulsten, rhododendrons etc, in weligen bloei, te verluchten. Evenwel—en ’k zeg dit in volste openhartigheid, daar ’n liegendkunstenaar’t allerbelabberdst wezen van God’s schepping is—het was mij niet geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur teneelmeijeren, om de eenvoudige reden, dat ’k deze voortreffelijke schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam voleindigde en ’k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu, het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om heerlijke voorjaars-of zomerbloesemsdes winterste belijnen.La nature vue à travers d’un tempérament... Mijn temperament zag kniezige wegen, onzindelijk, bloesemloos.Derhalve dreef ’k op m’n fantasie, ver-wormstoken door kerstboom-souvenirs. Het groenbladdertniet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur, die nederschreef: “Hij kalde in schrik, voor z’n geestesoog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend”.... Datkallen in schrikschijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie althans. Het onwezenlijke.S. F.P. S.Ofschoon ’t zeer hinderlijk is, bij een noot ’nP. S.te voegen, moet ’k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen, rechts van de teekening,zoogenaamdabusievelijk in cliché zijn gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van 1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename pers-beoordeelingen over ànder werk.Mon Dieu, men is mènsch. Schokloos gaat ’n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers dan nooit leeren?Hij kalde in schrik, voor z’n geestes-oog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend.“En de beambte van de gasfabriek,” ijlde mevrouw: “die elken tweeden Zaterdag van de maand komt”....“Die kan ’r ook niet door,” knikte meneer, de sigaar, die uit was gegaan, bestarend.“En we krijgen vanmiddag visite van de Leurings, pa—ze komen zeker”....“Wat ’n schandaal! Wat ’n opschudding,” praatte mevrouw over detinnen—“en daar éét hij bij—daar kan hij bij éten!”Het laatst gram genoegens was heen. De heer Zwaluw zat bezorgd op de groene planken van den toren.De duiten, die hij in ’t zakje te doen had, hield-ie verstandig voor zich.Hij had ’n timmerman besteld om tien uur en ’n loodgieter om half elf, voor geknutsel in z’n studeerkamer.’t Zou ’n opstoot worden van belang.Meneer, mevrouw, de dochter uit ’t huis verdwenen—de deur op slot—en Kobus die orders had z’n mond te houden....“Nou, Pièt,” dolk-stak mevrouw: “wat zeg je daar van?”“Ik zeg niks,” zei hij geslagen: “’t wordt ’n miserabele historie. Misschienbelevenwe de oplossing niet.”“O, o,” snikte mevrouw, haar tranenloop van den nacht hervattend: “zoo troost-ie je—zoo troost-ie je”....Meneer antwoordde niet. Grimmig stond-ie op, sloeg de smullende vliegen van de worst en z’n zakmes openend, begon-ie de vermolmdste planken te bewerken.“Pa wil ik u hèlpen?”—, vroeg Amélie, thans ookdown: “’k heb ’n nagelschaartje”....“Nee,” weigerde pa stug, ’t mes bekijkend dat al dadelijk ’n punt verloor. IJverig peuterend, krabde hij, ’t hoopje vezels te zaam vegend, tot die op gezond hout stiet—en ’t mes bij ’t heft knapte.“Wel vervloekt!”—, zei-ie driftig.“Als we wéer vliegen, nemen we postduiven mee, pa—vin u niet, pa?—dan kan dat ons niet overkomen—hè, pa? dan, dan....”Pa zat inversteendzwijgen.Tegen elf uur scheen de verlossing te naderen, ’n Man stapte aan door de struiken.“Goddank!”—, riep mevrouw, omlaag hé-hé-end.De man keek niet op, strompelde moeilijk.Als bezeten schreeuwde pa, ’t hemd met forsche rukken zwaaiend. De man keek nièt.“Ach, ach,” zuchtte Amélie, “nou begin ’k ’n béétje te begrijpen wat schipbreukelingen voelen, als ze in ’n bootje dobberen en ’ngroote schuit voorbij stoomt! Man! Hé! Meneer! Hé!”De man keek nièt, stapte ’t kerkhof langs in de richting van ’t dorp. Z’n gelaat konden ze herkennen. Ze hadden in elk opzichtpech: ’t was de bijziende, doove bedelaar, die eens in de veertien dagen de villa’s afliep.“Hònderd keer heb ’k ’m centen gegeven—de ezel!”—, klaagde ma.“Hé!”—, brulde meneer nog eens en nog eens. De man verdween.’t Begon stevig te regenen.“Half twaalf,” zeide mevrouw triestig: “op ’n begrafenis hebben we vandaag géén kans meer.”“Nee,” heimweede Amélie. Nooit, nooit werd ’t later dan elf, om vóór koffie binnen te zijn.Verkleumd door den wind en door-regend, hurkten ze bij mekaar, om beurten over de tinnen kijkend. Nou waren de bakker, de melkboer, de slager, de kruienier, de klokkenmaker, de naaister, de man van de gasfabriek, de timmerman, de loodgieter, voor ’t luikje met Chris’ ontdaan gezicht gewéést.“’k Nam net zoo lief met z’n allenmorfinein,” zei Pieter moedeloos nederliggend.Hij was dood-op van ’t loopen, ’t knielen, ’t hurken, voelde zich ziek van de ééne sardine, ’t halve broodje, den slok wijn, de natte kleeren.Mevrouw, angstig-bleek, at wòrst. Ze kon ’t niet langer uithouden. Vel en al slikte ze gretig—tot an ’tstreepjedat Pieter getrokken had.Amélie hield de wacht, bibberend, kijkend naar de boomtoppen, ’t gras, de struiken, de zerken van ’t kerkhof.Zeurig tekkerde de regen, de bladeren benee beritslend, ’t toren-plat smijdig verslijkend.De uren kropen.’t Was ’n dag, zoo oneindig, zoo noest-lang, dat ze vermoeid insliepen, meneer languit ronkend, mevrouw zittend tegen de borstwering, Amélie hangend over de tinnen.Toen ze ontwaakten, was ’t nòg dag, bijna scheemring.Sprakeloos aten ze de laatste millimeters worst, de laatste kruimels brood.De regen stroomde sterker.Uitgeput leien mevrouw en Amélie in de nattige bulten, pogend te slapen.Meneer, die de acetyleen had opgestoken—nog ’n uur kon die brànden—bestaarde de duisternis.Dan, bij ’t licht der lamp, nam-ie z’n notitieboek, begon te schrijven.“Pa—wat doet u?”—, fluister-vroeg Amélie.“’k Stel orde op me zaken,” zei-ie bot; “’kmaak me testament”....“Pa, hoe àkelig!”“Heb jij ook nog ’n wil, kind?”—, vroeg-ie vaderlijk-zacht.“Nee, pa—’k ben willoos”....“Keer je dan om,” zei-ie, ’t schriftuur opbergend.“Wat gaat u doen, pa?” sprak ze angstig om z’n wanhopige gebaren.“Me overhemd antrekken, kind—als ze ons over ’n paar maandenwaarnemen, wil ’k fatsoenlijk in m’n klééren gevonden worden. Keer je om”....Het natte hemd glibberde over z’n tricotschouders en op de fatale vliegmachines hurkend, begon-ie blazend te snurken.

“Wee, wee, wee wie het weet!Melodieën van leedOmruischen me als regenvlagen:En roepen: Vergeet! Vergeet!”...(Albert Verwey.)“Ik weet niet waar ik sterven zal.”(Multatuli.)“Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten, om alleen huishoudelijken arbeid te doen”....(Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie,Mr. S. van Houten).

“Wee, wee, wee wie het weet!

Melodieën van leed

Omruischen me als regenvlagen:

En roepen: Vergeet! Vergeet!”...

(Albert Verwey.)

(Multatuli.)

“Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten, om alleen huishoudelijken arbeid te doen”....

(Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie,Mr. S. van Houten).

Nog nimmer had de uchtendstond zóó vroeg goud in den mond gehad.

Om vier uur, klaar-lichte dag, keek de heer Zwaluw, geel-gróen en verwezen, op z’n horloge.

’t Ongeluk zette niet dadelijk in—althans mevrouwsliep, ’t hoofd op den ballastzak van ’r verhavende machine.

Met ’t pessimisme der on-uitgeslapenheid, keek-ie ’t plateau af, dat er inderdaad onsmakelijk uit zag.

De planken, groenig beslagen, in de voegen verweerd, hadden bergen en dalen van wat ’r vróéger, gister noggehuisdhad.

Hier en daar was ’n deel vermolmd, maar ’t luik, pas vernieuwd en geteerd, lei zoo solide als de deur van ’n brandkast.

Zachjes loopend, keek-ie omlaag.

De kleinste diepte was zeker dertig, veertig meter.

Je kon je geen gemeener gevangenis fantaseeren.

De dood, honger óf ’n verlossende begrafenis—anders was ’r geen uitweg.

In elk geval, hij zou ’t mogelijke doen.

Snel z’n jas uittrekkend, schoot-ie z’n overhemd over ’t hoofd, bond een der mouwen aan de stang der vliegmachine. ’n Noodvlag die ze zouen begrijpen, als, àls, àls de een of ander, ’n bedelaar of landlooper voorbijkwam.

Er woei ’n zuidwesten-windje—de hemel leek druilig.

Het hemd flapperde, klepperde, wekte mevrouw en Amélie.

“Goeien morgen, pa—plezierig geslapen?”—, vroeg Amélie, goed-gehumeurd als altijd.

“Hoe komt dat hèmd daar?”—, vroeg mevrouw knorrig.

“’n Noodsein,” lei meneer uit.

“Wil je ons nóg belachelijker maken dan we al zijn,” kibbelde ma: “’n hemd zònder knoopies, ’n hemd vol olie van de sardines!”....

“Jij komt lekker an ’t ontbijt,” verweet hij, de omstandigheden vergetend.

“’t Ontbijt,” schamperde mevrouw:”’k wou dat je me eerst waschwater bezorgde èn ’n tandborstel èn mepasta, ’n Vrouw die met jóú getrouwd is, wordt ’nstraatslijpster”....

“Kind,” sprak hij lief: “laten we ’t leed opgewekt dragen. We zìjn nou eenmaalgepiept”....

’r Oogen keken ’m vernietigend aan. Geen kopje thee op ’r bèd, geen behoorlijk ontbijt, geen bad—thuis ’n schandaal zonder eind en ’n man die ’r pret in had van pièpen te blijven spreken.

“Ma wees u nougezellig,” susteAmélie: “u zal zien ’r wòrdt begraven. Als ’k ’n stoet zie ankomen, gil ’k ’t uit!”

Gezellig zijn! Hoe kòn men ’t woord over de lippen krijgen. Smeriger, afstootender uithoek was niet te bedenken. En op diè griezelige, kleverigeguano-belthad zegeslápen!....

1) Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel mij niet deontroering, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor die vanverluchtingnoodig heeft, aan de àndere zijde—dat sloeg den doorslag—verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui, zeide hij: “Amice, op ’n vèl meer of minder,kijk ’k niet, omdat ’k bij de aanbiedingsreis toch ’n bepaald kwantum genoemd heb, maar zùlk ’n stortvloed van teekeningen is mij geenvriendschappelijke daad.” In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak: “Falkland, schei in ’s hemelsnaam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost!” Alles tezamen genomen—ook bij de dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z’n connecties ter wille zijn—achtte ik het beter de vorige kapittels zònder schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd zoo zwaar van tragiek als Oedipus’ uitgestoken oogen,moest’k m’n emotie in m’n penstorten. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der wereldliteratuur, sprak een manshemdvan grooter noodlot, zelden heeft mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval, zelden werd het floers voor m’n oogen troebeler, intenser dan bij dèze krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, naderuit te meten.Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht ik er aan te verklaren, dat eerst toen ’t cliché gereed was, mij de pijnlijke fout opviel van hetP. Z. 12.Een zoo gedistingeerd heer, met ’n villa, ’n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf overhemden. ’k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen, door de bewogenheid van ’n gemoed bij hetinlevenin de stemming....S. F.

1) Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel mij niet deontroering, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor die vanverluchtingnoodig heeft, aan de àndere zijde—dat sloeg den doorslag—verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui, zeide hij: “Amice, op ’n vèl meer of minder,kijk ’k niet, omdat ’k bij de aanbiedingsreis toch ’n bepaald kwantum genoemd heb, maar zùlk ’n stortvloed van teekeningen is mij geenvriendschappelijke daad.” In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak: “Falkland, schei in ’s hemelsnaam uit met datgeknoei, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost!” Alles tezamen genomen—ook bij de dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z’n connecties ter wille zijn—achtte ik het beter de vorige kapittels zònder schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd zoo zwaar van tragiek als Oedipus’ uitgestoken oogen,moest’k m’n emotie in m’n penstorten. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der wereldliteratuur, sprak een manshemdvan grooter noodlot, zelden heeft mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval, zelden werd het floers voor m’n oogen troebeler, intenser dan bij dèze krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, naderuit te meten.Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht ik er aan te verklaren, dat eerst toen ’t cliché gereed was, mij de pijnlijke fout opviel van hetP. Z. 12.Een zoo gedistingeerd heer, met ’n villa, ’n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf overhemden. ’k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen, door de bewogenheid van ’n gemoed bij hetinlevenin de stemming....

S. F.

“Pièt,” dolk-stak mevrouw—in paroxysme van ijskoud-gehouden verontwaardiging, staken waarlijk ’rPiet-en als dòlken—“Piet, je maakt dat ’k van jóúw smerigen toren kom—en onmiddellijk—anders besterf ’k ’t—kan je me alslijkna benejen brengen.”

“In godesnaam,” zei-ie geduldig.

’t Geval bracht vanzelf mee, dat je ’n boel moest slikken en kroppen.

Thuis, als ze ongenietbaar was, maakte je korte metten, vluchtte je naar de knutselkamer of naar de soos—de soos—de sóós—sentimenteele droom in de wolken!—de soos met ’r vleeschcroquetjes en zoute krakelingen—de soos met ’r hompjes kaas bij sherry en port—de op dién afstand tot n’ideaalaan-fleurend beeld....

Thuis zou-ie ’r allang van door zijn gegaan—thuis aarzelde-die zelden als ’r gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man van z’n vrouw, elke vrouw van ’r man kent, de speciale èn wrange èn positief-waarschuwende, waarvan ’n vreemde geen weet heeft, waarvan nièmand het innerlijk wezen ontleedt—, de speciale èn wrange innig-aan-’t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst huwelijks-spel behooren, omdat je alleen aan zéérgeliefden ’tprofond négligévan je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.

Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben af ontbeten, wéter der beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om tweebekendeoogen—, hier, op de ruïne vanKoepelsteyn, stond jeweerloos.

Man en vrouw waren beslist nièt geschapenvoor ’nnest, voor ’n besloten nest, voor ’n nest dat enkel nèst was.

Misschien in de éérste weken der zoete verteedering diewittebroodheet, de dagen dat jeglimlachtals ’n geliefd hakje je eksteroog betreedt—gezocht beeld, daar teederen in diè uren àlles soigneeren—misschien dàn zou ’n wolken-nest ’n idylle zijn—hier, bij ’n vrouw met dè speciale èn zure trekken, ’n vrouw met nachtuilenzwam an ’r kleeren en ’n bróék aan, hier voelde je ’n leegte in de gloeiende-aaneen-smeding-van-twee-zielen.

Vondel kon dàt niet bereeknen—’t lief en leed nà verbrande vleuglen—op ’n torenstomp.

“Piét,” hernam mevrouw na eenevonkendestilte: “’t heeft lang genoeg geduurd.”

“Dat ben ’k met je eens,” zei hij weder gedwee: “verbéél je nou dat je thùis zit—laten we ontbijten, ’n Leege maag is de dood voor alle energie”....

Mevrouw keek somber over de tinnen naar ’t uitgezocht landschap voor-zenuwlijders.

Je kon je adem hóóren.

“Ma, vin u ’t niet éénig dat we met z’n drieën gevangen zitten?”—, vroeg Amélie om ’r moeder op te vroolijken: “ma wil u ’n stukje worst?”

“Géén worst,” gebood papa: “de worst blijft ’t langste goed—eerst de kippekluif”....

“Kippekluif—op me nùchtere maag!”—, viel mevrouw uit, zich kittig omkeerend.

“Kind, bedwing je humeur,” suste Pieter zéér voorzichtig: “ik heb honger”....

In geen twaalf uur had-ie behoorlijk gegeten. Z’n maag rommelde onkiesch.

’t Viel niet mee. Zóo als-ie z’n hand naar ’n vlerk uitstrekte zòng de kip. ’n Zwarte zwerm vliegen, diegesmuldhad, stoof omhoog.

“Nou dat nog!”—, zuchtte de heer Zwaluw, ’n vies gezicht trekkend. De kip was innig veradellijkt, òn-welriekte.

“Da’s jammer,” praatte Amélie: “dan hebben we niet veel meer, pa.”

Het was droevig en verontrustend.

Van ’n halve flesch wijn, drie aangebroken kadetjes, ’n restant sardine, ’n mep worst en geurende kluifjes, zouen ze ’t met d’r drieën bezwaarlijk dàgen uithouden.

“Geef mij één sardine en ’n half broodje,” sprak pa maag-rommelend ernstig: “en bewaar de worst tot ’t diner-tijd is.”

Twaalfuur gaf-ie cadeau.

“Hier ma—heb u ook één sardine en ’n half broodje—dan houen we voor zes uur één kadetje met z’n drieën en ’n schijf worst over. Eenig! Eenig!”

“Als je nog één keer dat hátelijk woord zegt,” driftigde ma, onuitsprekelijk ongelukkig.

“Maar ma-lief”....

“Hou je mond”....

“Maar ma”....

“Ga de kamer uit!”—, dreigde ma, zooals ze thuis dee.

Dat bezorgde meneer ’n stuip-lach. ’t Was onbetaalbaar.

Mevrouw keek sip over de tinnen.

“Ma-lief, eet u nou—’t is pas vijf uur—eerst over twaalf uur dineeren we”....

“Ik kan niks door me keel krijgen,” zei ma nerveus.

“Dat helpt,” zei meneer.

“Schuif u dangezelligbij, ma,” vriendelijkte Amélie.

Ma antwoordde niet.

“Mag ik de sardine-bus uitsoppen, pa?”—, vroeg Amélie, na ’n stilte van kleine-hapjes-gekauw.

“Néé,” zei Pieter: “niet alles in-eens opschròkken”....

Gemoedelijk stak-ie ’n sigaar op, nam ’n slok wijn uit den kroes met de initialen A. Z.

De omstandigheden in aanmerking genomen, zou-ie zich vrij behaaglijk gevoeld hebben, hadde mevrouw niet één opmerking gemaakt, die ’m degemeen-zwarte zij van ’t geval als ’n duizeling dee ondergaan.

“Bij half zes,” sprak ze over de tinnen, naar de eenzame verte van boomen en boomen: “bij half zes—nou staat Chris op—zéven uur komt de bakker—de bàkker”....

De bàkker.

Als ’n bliksemflits zigzagde dat kalm-gewone woordCasa Cara’sbeeld voor Pieter’s oogen.

Hij had de huisdeur op ’t nachtslot gedaan—de sleutelprop zat in z’n zak.

De bàkker.

Door ’t luikje zou Chris ’t hard-gebakken Duitsch, ’t roggetje en de pain-de-luxe-jes aannemen.

De bàkker.

Dan zou ze de trap opstommelen, aan de kamerdeur kloppen, tot ze já hoorde roepen.

Als ze géén ja hoorde, zou ze nog eens kloppen, net zoolang tot hij, die ’r niet was já zei, of zij die ’r niet was, já knorde.

De bakker.

Groote genade—de bàkker!

Dan zou Chris, die wel is niét wàchtte tot ’r geantwoord werd, omdat als ze te drùk porde, hij èn zij uit d’r humeur an ’t ontbijt kwamen, naar de badkamer sjokken en ’t bad vol laten loopen.

De bakker.

’t Bad.

Dan dekte ze, haalde Kobus de kranten en brieven uit de bus, die-ie naast zíjn bord lei.

En als ze dan benejen kwamen—terwijl ze d’r nièt waren—dampte de thee genoeglijk, geelde de kaas in de stolp, molligden de gekookte eieren in de dopjes....

De bakker. ’t Bad.’t Ontbijt. De thee. De halfzachte eitjes....

Even schemerde alles voor Pieter’s rustig-burgerlijke oogen—flauw praatte-die na:

....“Ja, om zeven komt de bakker, de bakker”....

“En om half acht de melkboer,” zei mevrouw in tonigen cadans, alsof ze ’n vers reciteerde.

“O, jee—om acht de kruijenier,” schrikte Amélie.

“En om negen de sláger,” hernam mevrouw: “goeie hemel—de slager. ’k Heb ’m gister voor vandaag ’nlamsboutopgegeven”....

“Die zal door ’t luikje moeten—de deur is op ’t nachtslot,” sprak meneer somber.

“En de klokkenmaker—me nááister,” zei mevrouw zoo tragisch dat ’t op de plankengedaanzou hebben: “me naaister die om acht uur voor de deur staat.... Kan de nááister door ’t luikje?

“Nee, diè kan ’r niet door,” haperde hij: “diekan ’rvermoedelijkniet door. Misschien....”

1) Men moet wel in staat van òngewone kwade trouw zijn, als men de massief-heid der in plan gebrachte deur miskent.Rechtsbevindt zich de villaCasa Cara, met degaragevoorautomobielen, de benzine-bergplaats, de broeikassen enz. Daar van mij uitsluitend eene massievedeur, met eenluikjeen eennaamplaatjegevergd werd, achtte ik het onnoodig de rechts liggende architectonische schoonheden der villa met haar gerieflijkheden enmodern comfort teontwikkelen. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige gaven. Parole d’honneur! Links, dadelijk naast het trappenhuis, heb ’k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba’s, hulsten, rhododendrons etc, in weligen bloei, te verluchten. Evenwel—en ’k zeg dit in volste openhartigheid, daar ’n liegendkunstenaar’t allerbelabberdst wezen van God’s schepping is—het was mij niet geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur teneelmeijeren, om de eenvoudige reden, dat ’k deze voortreffelijke schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam voleindigde en ’k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu, het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om heerlijke voorjaars-of zomerbloesemsdes winterste belijnen.La nature vue à travers d’un tempérament... Mijn temperament zag kniezige wegen, onzindelijk, bloesemloos.Derhalve dreef ’k op m’n fantasie, ver-wormstoken door kerstboom-souvenirs. Het groenbladdertniet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur, die nederschreef: “Hij kalde in schrik, voor z’n geestesoog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend”.... Datkallen in schrikschijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie althans. Het onwezenlijke.S. F.P. S.Ofschoon ’t zeer hinderlijk is, bij een noot ’nP. S.te voegen, moet ’k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen, rechts van de teekening,zoogenaamdabusievelijk in cliché zijn gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van 1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename pers-beoordeelingen over ànder werk.Mon Dieu, men is mènsch. Schokloos gaat ’n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers dan nooit leeren?

1) Men moet wel in staat van òngewone kwade trouw zijn, als men de massief-heid der in plan gebrachte deur miskent.Rechtsbevindt zich de villaCasa Cara, met degaragevoorautomobielen, de benzine-bergplaats, de broeikassen enz. Daar van mij uitsluitend eene massievedeur, met eenluikjeen eennaamplaatjegevergd werd, achtte ik het onnoodig de rechts liggende architectonische schoonheden der villa met haar gerieflijkheden enmodern comfort teontwikkelen. Ik kàn het. Het ligt in het bereik mijner veelzijdige gaven. Parole d’honneur! Links, dadelijk naast het trappenhuis, heb ’k gepoogd, struikwerk, bloeiende heesters, aucuba’s, hulsten, rhododendrons etc, in weligen bloei, te verluchten. Evenwel—en ’k zeg dit in volste openhartigheid, daar ’n liegendkunstenaar’t allerbelabberdst wezen van God’s schepping is—het was mij niet geoorloofd en vergund deze lieve natuur-dingen naar de Natuur teneelmeijeren, om de eenvoudige reden, dat ’k deze voortreffelijke schets in de maand December 1904 op de Stadhouderskade 64 te Amsterdam voleindigde en ’k voor éénige natuur keien en opgebroken wegen (voor de rioleering) aantrof. Meerderen zullen dit kunnen bevestigen. Welnu, het is alleen den illustratoren-bij-de-gratie-des-Heeren gegeven, om heerlijke voorjaars-of zomerbloesemsdes winterste belijnen.La nature vue à travers d’un tempérament... Mijn temperament zag kniezige wegen, onzindelijk, bloesemloos.Derhalve dreef ’k op m’n fantasie, ver-wormstoken door kerstboom-souvenirs. Het groenbladdertniet voldoende, doch de wulpsche vrijmoedigheid der Lente is er in. Ten overvloede verlokte mij de beeldkeuze van den auteur, die nederschreef: “Hij kalde in schrik, voor z’n geestesoog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend”.... Datkallen in schrikschijnt mij voorbeeldig in het struikwerk bereikt. De sensatie althans. Het onwezenlijke.

S. F.

P. S.Ofschoon ’t zeer hinderlijk is, bij een noot ’nP. S.te voegen, moet ’k alsnog observeeren, dat de zwarte moppen, rechts van de teekening,zoogenaamdabusievelijk in cliché zijn gebracht. Vermoedelijk zijn dezelve mij in de December-dagen van 1904 uit de pen gewiegeld bij de lezing van eenige onaangename pers-beoordeelingen over ànder werk.Mon Dieu, men is mènsch. Schokloos gaat ’n critiek aan niemand voorbij. Zal de Pers dan nooit leeren?

Hij kalde in schrik, voor z’n geestes-oog het luikje (a), ’t naamplaatje, de massieve deur ziend.

“En de beambte van de gasfabriek,” ijlde mevrouw: “die elken tweeden Zaterdag van de maand komt”....

“Die kan ’r ook niet door,” knikte meneer, de sigaar, die uit was gegaan, bestarend.

“En we krijgen vanmiddag visite van de Leurings, pa—ze komen zeker”....

“Wat ’n schandaal! Wat ’n opschudding,” praatte mevrouw over detinnen—“en daar éét hij bij—daar kan hij bij éten!”

Het laatst gram genoegens was heen. De heer Zwaluw zat bezorgd op de groene planken van den toren.

De duiten, die hij in ’t zakje te doen had, hield-ie verstandig voor zich.

Hij had ’n timmerman besteld om tien uur en ’n loodgieter om half elf, voor geknutsel in z’n studeerkamer.

’t Zou ’n opstoot worden van belang.

Meneer, mevrouw, de dochter uit ’t huis verdwenen—de deur op slot—en Kobus die orders had z’n mond te houden....

“Nou, Pièt,” dolk-stak mevrouw: “wat zeg je daar van?”

“Ik zeg niks,” zei hij geslagen: “’t wordt ’n miserabele historie. Misschienbelevenwe de oplossing niet.”

“O, o,” snikte mevrouw, haar tranenloop van den nacht hervattend: “zoo troost-ie je—zoo troost-ie je”....

Meneer antwoordde niet. Grimmig stond-ie op, sloeg de smullende vliegen van de worst en z’n zakmes openend, begon-ie de vermolmdste planken te bewerken.

“Pa wil ik u hèlpen?”—, vroeg Amélie, thans ookdown: “’k heb ’n nagelschaartje”....

“Nee,” weigerde pa stug, ’t mes bekijkend dat al dadelijk ’n punt verloor. IJverig peuterend, krabde hij, ’t hoopje vezels te zaam vegend, tot die op gezond hout stiet—en ’t mes bij ’t heft knapte.

“Wel vervloekt!”—, zei-ie driftig.

“Als we wéer vliegen, nemen we postduiven mee, pa—vin u niet, pa?—dan kan dat ons niet overkomen—hè, pa? dan, dan....”

Pa zat inversteendzwijgen.

Tegen elf uur scheen de verlossing te naderen, ’n Man stapte aan door de struiken.

“Goddank!”—, riep mevrouw, omlaag hé-hé-end.

De man keek niet op, strompelde moeilijk.

Als bezeten schreeuwde pa, ’t hemd met forsche rukken zwaaiend. De man keek nièt.

“Ach, ach,” zuchtte Amélie, “nou begin ’k ’n béétje te begrijpen wat schipbreukelingen voelen, als ze in ’n bootje dobberen en ’ngroote schuit voorbij stoomt! Man! Hé! Meneer! Hé!”

De man keek nièt, stapte ’t kerkhof langs in de richting van ’t dorp. Z’n gelaat konden ze herkennen. Ze hadden in elk opzichtpech: ’t was de bijziende, doove bedelaar, die eens in de veertien dagen de villa’s afliep.

“Hònderd keer heb ’k ’m centen gegeven—de ezel!”—, klaagde ma.

“Hé!”—, brulde meneer nog eens en nog eens. De man verdween.

’t Begon stevig te regenen.

“Half twaalf,” zeide mevrouw triestig: “op ’n begrafenis hebben we vandaag géén kans meer.”

“Nee,” heimweede Amélie. Nooit, nooit werd ’t later dan elf, om vóór koffie binnen te zijn.

Verkleumd door den wind en door-regend, hurkten ze bij mekaar, om beurten over de tinnen kijkend. Nou waren de bakker, de melkboer, de slager, de kruienier, de klokkenmaker, de naaister, de man van de gasfabriek, de timmerman, de loodgieter, voor ’t luikje met Chris’ ontdaan gezicht gewéést.

“’k Nam net zoo lief met z’n allenmorfinein,” zei Pieter moedeloos nederliggend.

Hij was dood-op van ’t loopen, ’t knielen, ’t hurken, voelde zich ziek van de ééne sardine, ’t halve broodje, den slok wijn, de natte kleeren.

Mevrouw, angstig-bleek, at wòrst. Ze kon ’t niet langer uithouden. Vel en al slikte ze gretig—tot an ’tstreepjedat Pieter getrokken had.

Amélie hield de wacht, bibberend, kijkend naar de boomtoppen, ’t gras, de struiken, de zerken van ’t kerkhof.

Zeurig tekkerde de regen, de bladeren benee beritslend, ’t toren-plat smijdig verslijkend.

De uren kropen.

’t Was ’n dag, zoo oneindig, zoo noest-lang, dat ze vermoeid insliepen, meneer languit ronkend, mevrouw zittend tegen de borstwering, Amélie hangend over de tinnen.

Toen ze ontwaakten, was ’t nòg dag, bijna scheemring.

Sprakeloos aten ze de laatste millimeters worst, de laatste kruimels brood.

De regen stroomde sterker.

Uitgeput leien mevrouw en Amélie in de nattige bulten, pogend te slapen.

Meneer, die de acetyleen had opgestoken—nog ’n uur kon die brànden—bestaarde de duisternis.

Dan, bij ’t licht der lamp, nam-ie z’n notitieboek, begon te schrijven.

“Pa—wat doet u?”—, fluister-vroeg Amélie.

“’k Stel orde op me zaken,” zei-ie bot; “’kmaak me testament”....

“Pa, hoe àkelig!”

“Heb jij ook nog ’n wil, kind?”—, vroeg-ie vaderlijk-zacht.

“Nee, pa—’k ben willoos”....

“Keer je dan om,” zei-ie, ’t schriftuur opbergend.

“Wat gaat u doen, pa?” sprak ze angstig om z’n wanhopige gebaren.

“Me overhemd antrekken, kind—als ze ons over ’n paar maandenwaarnemen, wil ’k fatsoenlijk in m’n klééren gevonden worden. Keer je om”....

Het natte hemd glibberde over z’n tricotschouders en op de fatale vliegmachines hurkend, begon-ie blazend te snurken.


Back to IndexNext