Hoofdstuk LNa eene behoorlijke mate van tegenstand van Mevrouw Ferrars’ zijde, juist heftig en langdurig genoeg, om haar te vrijwaren voor het verwijt, dat zij blijkbaar altijd vreesde, zich te zien toevoegen, het verwijt van al te groote beminnelijkheid, werd Edward in hare tegenwoordigheid toegelaten, en wederom als haar zoon erkend. Er hadden in den laatsten tijd veel wisselingen plaats gehad in haar familiekring. Vele jaren lang had zij twee zonen bezeten; doch het misdrijf en de daarop volgende doodverklaring van Edward had haar een paar weken geleden van den eenen beroofd; een dergelijke doodverklaring van Robert had haar een volle veertien dagen kinderloos gelaten, en nu zij Edward weer in ’t leven had teruggeroepen, was zij weer een zoon rijk.Hoewel hem het aanzijn nu weder was vergund, gevoelde hij zich voor ’t vervolg nog niet volkomen zeker van zijn bestaan, eer hij kennis had gegeven van zijne nieuwe verloving; want hij vreesde, dat de openbaring van die omstandigheid eene onverwachte verandering in zijn gestel zou bewerken, en hem even plotseling als te voren aan het leven zou ontrukken. Met angstige voorzichtigheid onthulde hij dus het geheim, en hij werd aangehoord met meer kalmte dan hij verwacht had. In het begin poogde Mevrouw Ferrars hem door redeneering te bewegen, van het huwelijk met Juffrouw Dashwood af te zien, waarbij zij zich van elk argument bediende, dat zij kon uitdenken. Zij hield hem voor, dat hij in Juffrouw Morton eene vrouw zou bezitten van hoogeren rang en met meer fortuin, en zette haar bewering klem bij, door de opmerking, datJuffrouw Morton de dochter was van een edelman, en dertig duizend pond bezat; terwijl Juffrouw Dashwood slechts de dochter was van een gewonen grondbezitter, die niet meer dan drieduizend zijn eigendom had kunnen noemen; doch toen zij bespeurde, dat hij, ofschoon volkomen de waarheid harer beweringen erkennend, volstrekt niet gezind bleek, zich door haar oordeel te laten leiden, achtte zij het, door ervaring wijzer geworden, het verstandigst om toe te geven,—en dus gaf zij, na de zaak zoo onaangenaam lang te hebben verschoven, als zij vond, dat hare waardigheid eischte, en als noodig was om elke gedachte aan eenige welgezindheid van haar kant uit te sluiten, hare toestemming tot het huwelijk van Edward en Elinor.Wat zij zich zou voornemen te doen, in verband met eene bijdrage tot hun inkomen, moest daarna worden overwogen; en thans bleek het duidelijk, dat Edward, hoewel vooralsnog haar eenige zoon, toch volstrekt niet als haar oudste werd beschouwd; want terwijl Robert voor goed in ’t bezit bleef van zijne duizend pond in het jaar, werd er niet het minste bezwaar geopperd tegen Edward’s aanvaarding van eene predikantsplaats, terwille van hoogstens een tweehonderdvijftig pond, en evenmin werd eenige belofte afgelegd, ’t zij voor nu of later, behalve dan de tienduizend pond, die ook Fanny mee ten huwelijk had gekregen.Naar Edward’s en Elinor’s meening was het echter genoeg; meer zelfs dan zij verwachtten; en Mevrouw Ferrars zelve scheen, door hare onhandige verontschuldigingen, de eenige persoon, die verwonderd was, dat zij niet meer gegeven had.Nu zij dus zeker waren van een inkomen, dat ruim voldoende zou zijn voor hunne behoeften, viel er op niets meer te wachten, nadat Edward beroepen was, dan dat het huis gereed zou zijn, waarin Kolonel Brandon, die er veel genoegen in vond, het Elinor naar den zin te maken, allerleiverbeteringen liet aanbrengen; en nadat zij een poos op de voltooiing daarvan hadden gewacht, en als gewoonlijk zich hadden moeten schikken in eindelooze teleurstellingen en uitstel, door de onverklaarbare langzaamheid der werklieden, was het, ook als gewoonlijk, Elinor, die het eerst zoo stellige besluit, om niet te trouwen eer alles gereed was, liet varen; en de huwelijksplechtigheid werd voltrokken in het kerkje te Barton, in ’t begin van den herfst.De eerste maand na hun huwelijk brachten zij door bij hun vriend op het Heerenhuis te Delaford, waar zij het oog konden houden op de verbouwing der pastorie, en steeds bij de hand waren, om alles naar hun zin in te richten; zij konden behangselpapieren kiezen, plannen maken voor een plantsoen, en zelfs in gedachten een oprijlaan aanleggen. De voorspellingen van Mevrouw Jennings, ofschoon ietwat dooreengehaspeld, gingen over ’t geheel toch nog in vervulling, want zij kon Edward en zijn vrouw in hun pastorie opzoeken eer de maand September was verstreken, en zij mocht Elinor en haar man, naar zij oprecht geloofde, als een der gelukkigste echtparen ter wereld beschouwen. Er bleef hun ook werkelijk niets te wenschen over, dan het huwelijk van Kolonel Brandon en Marianne, en nog wat beter weidegrond voor hun koeien.Toen hun huis in orde was, kwamen bijna al hunne familieleden en kennissen hen bezoeken. Mevrouw Ferrars kwam het geluk in oogenschouw nemen tot hetwelk zij zich bijna schaamde, hare goedkeuring te hebben verleend, en zelfs de Dashwoods zetten zich te hunner eer over de onkosten van de reis uit Sussex heen.“Ik wil niet beweren, dat ik teleurgesteld ben, zusjelief,” zei John, toen zij samen op een morgen voor het hek van Delaford House openneer wandelden;—“dàt zou te veel gezegd zijn; want zooals het nu is, mag men je stellig eene der gelukkigstejonge vrouwen ter wereld noemen. Maar ik moet bekennen, ’t zou mij veel genoegen doen, als Kolonel Brandon mijn broeder werd. Deze bezitting hier, zijn landgoed, zijn huis, alles zoo deftig, en keurig onderhouden; en zijn bosschen! Ik heb nergens in Dorsetshire zulk timmerhout gezien als hier in het bosch van Delaford!—En al is nu misschien Marianne niet precies de persoon, die hem zou kunnen bekoren, het komt mij toch raadzaam voor, haar nu veel bij je te logeeren te vragen. Want daar Kolonel Brandon blijkbaar veel thuis is, kan niemand zeggen, wat er zou kunnen gebeuren,—natuurlijk, als twee menschen elkaar dikwijls zien, en weinig vreemden ontmoeten—het zal bovendien altoos in je macht staan haar op het gunstigst te doen uitkomen en zoo... mij dunkt, je mocht haar de gelegenheid wel gunnen... je begrijpt, wat ik bedoel.”—Doch ofschoon Mevrouw Ferrars hen dan al kwam bezoeken, en hen steeds behandelde met een zeker vertoon van quasi-genegenheid, zij behoefden zich niet de beleediging te laten welgevallen van haar werkelijke gunst en voorkeur. Deze waren voorbehouden voor Robert, om zijn dwaasheid, en voor zijne vrouw, om haar listig gedrag, en zij hadden ze zich reeds weten te verwerven, eer vele maanden waren verstreken. De baatzuchtige scherpziendheid van Lucy, die Robert eerst in de val had doen loopen, werkte hoofdzakelijk mede, om hem daaruit te verlossen; want haar eerbiedige onderdanigheid, haar ijver in het bewijzen van attenties en haar eindelooze vleierijen verzoenden, zoodra zij maar de geringste gelegenheid vond, haar kunsten in praktijk te brengen, Mevrouw Ferrars met zijn keuze, en brachten hem opnieuw, evenzeer als vroeger, bij haar in de gunst.Lucy’s geheele gedrag in de zaak, en de goede uitslag waarmede het werd bekroond, mag dus als een zeer bemoedigend voorbeeld worden aangevoerd,om aan te toonen, wat een ernstig en onverdroten najagen van eigen belang, hoezeer ook in zijn voortgang schijnbaar belemmerd, kan uitwerken ter bereiking van alle denkbare voordeel, met geene andere opoffering dan die van tijd en geweten. Toen Robert haar voor het eerst poogde te leeren kennen, en haar een bezoek bracht in Bartlett’s Buildings, geschiedde dit slechts met de bedoeling, hem door zijn broeder toegeschreven. Hij wilde niet anders, dan haar overhalen, van de verloving af te zien, en daar hiertoe niets in den weg stond dan hun beider genegenheid, verwachtte hij natuurlijk dat de zaak in orde zou komen, als hij haar maar een paar maal onder vier oogen gesproken had. Op dat punt echter, en dàt alleen, vergiste hij zich; want hoewel Lucy hem spoedig hoop gaf, dat zijn welsprekendheid haar ten langen leste wel zou overtuigen, er was altijd weer een nieuw bezoek en een nieuw gesprek noodig om die overtuiging te vestigen. Bij het afscheid bleven er altijd nog eenige twijfelingen in haar gemoed, die slechts konden worden opgeheven door een half uurtje vertrouwelijk onderhoud met hemzelf. Op die wijze wist zij zijn geregelde bezoeken te doen voortduren, en geleidelijk volgde daaruit het overige. Inplaats van over Edward, begon hun gesprek langzamerhand te loopen over Robert alleen, een onderwerp waarover hij altijd meer te vertellen had dan over eenig ander, en waarin zij al spoedig eene belangstelling liet blijken, die de zijne evenaarde, zoodat het beiden weldra duidelijk werd, hoe hij geheel en al de plaats van zijn broeder had ingenomen. Hij was trotsch op zijn verovering, trotsch omdat hij Edward had gefopt, en bovenal trotsch, omdat hij in ’t geheim was gehuwd, zonder zijn moeder’s toestemming. Wat hierna gevolgd was, weten wij. Zij brachten een paar zeer gelukkige maanden door te Dawlish; want zij kon nu veel verwanten en oude kennissen uit de hoogte behandelen,en hij teekende meerdere plannen voor allerprachtigste landhuizen, en toen zij van daar terugkeerden naar de stad, verwierven zij Mevrouw Ferrars’ vergiffenis, door het eenvoudige middel, er om te vragen, dat op Lucy’s aanraden werd te baat genomen. Die vergiffenis strekte zich, billijkerwijze, in den beginne slechts uit tot Robert alleen; Lucy, die tegenover zijne moeder geene verplichtingen had, en daarin dus ook niet had kunnen te kort schieten, bleef nog een paar weken langer in ongenade. Doch volharding in onderworpen gedrag, en boodschappen, waarin zij de schuld voor Roberts vergrijp op zich nam, zoowel als dankbetuigingen voor de onvriendelijkheid, waarmede zij werd behandeld, verwierven haar mettertijd toch een zeker betoon van trotsche neerbuigendheid, dat haar overstelpt deed zijn van dankbaarheid voor die hooge gunst, en dat haar spoedig daarna met rassche schreden deed naderen tot het toppunt van genegenheid en invloed. Mevrouw Ferrars begon Lucy even noodig te hebben als Robert en Fanny, en terwijl het Edward nooit van harte werd vergeven, dat hij eenmaal voornemens was geweest, met haar te trouwen, en Elinor, hoewel door fortuin en geboorte haar meerdere, nog altijd als eene indringster werd beschouwd, zagzijzich in elk opzicht behandeld als een begunstigde dochter, en openlijk als zoodanig erkend. Zij vestigden zich in de stad, kregen van Mevrouw Ferrars eene ruime toelage, gingen zeer vriendschappelijk om met de Dashwoods, en afgezien van de uitbarstingen van nijd en afgunst, die voortdurend plaats hadden tusschen Fanny en Lucy, en waarin hunne echtgenooten natuurlijk ook werden betrokken, zoowel als van de veelvuldige huiselijke oneenigheden tusschen Robert en Lucy zelf, kon de natuurlijke harmonie waarin zij allen met elkander leefden, niet worden overtroffen. Wat Edward had gedaan om zijn rechten als oudste zoon te verbeuren, zou voormenigeen zeker een raadsel zijn geweest, en wat Robert had in ’t werk gesteld om dat zelfde recht te winnen, scheen nog veel moeilijker te verklaren. Het was echter eene schikking, die door hare gevolgen, zooal niet door hare oorzaak, werd gerechtvaardigd; want nooit viel er iets te bespeuren in Robert’s levenswijze of in zijne uitingen van eenige neiging, zich te beklagen over de grootte van zijn inkomen, in zooverre zijn broeder te weinig, en hemzelf te veel werd toebedeeld;—en als men Edward mocht beoordeelen naar de nauwgezette wijze, waarop hij in elk opzicht zijne plichten vervulde, naar zijne toenemende gehechtheid aan zijne vrouw en zijn tehuis, en naar de gestadige opgewektheid van zijne stemming, dan mocht men veronderstellen, dat hij niet minder tevreden was met zijn lot, en even weinig verlangde naar eenige verandering.Elinor’s huwelijk verwijderde haar zoo weinig van haar familie, als slechts mogelijk was, zonder het huisje te Barton geheel overbodig te doen worden; want haar moeder en zusters brachten meer dan de helft van hun tijd bij haar door. Mevrouw Dashwood had zoowel haar belang als haar genoegen op het oog, bij die veelvuldige bezoeken te Delaford; want haar wensch om Marianne en Kolonel Brandon met elkaar in aanraking te brengen, was bijna niet minder ernstig gemeend, schoon minder baatzuchtig, dan het verlangen, door John in dit opzicht geuit. Het was thans haar lievelingsplan geworden. Hoezeer zij ook het gezelschap harer dochter waardeerde, zij wenschte niets zoozeer, als het voortdurend genot ervan aan haren hooggeschatten vriend af te staan; en Marianne als meesteres van het Heerenhuis te zien optreden, was evenzeer de wensch van Edward en Elinor. Zij allen gevoelden sterk het lijden van hun vriend en hun eigen verplichtingen, en met algemeene toestemming zou Marianne daarvoor de belooningzijn. Met zulk een bondgenootschap tegenover zich,—bij zoo beproefde ervaring van zijn goedheid,—met de overtuiging van zijne teedere gehechtheid aan haarzelve, die ten laatste, schoon lang nadat zij voor ieder ander duidelijk was gebleken, zich ook aan haar opdrong,—wat kon zij doen?Eene zonderlinge lotsbestemming viel Marianne Dashwood ten deel. Zij was bestemd, de onjuistheid van haar eigen meeningen te ontdekken, en te handelen in tegenspraak met haar meest geliefkoosde stelregels. Zij was bestemd, eene neiging te overwinnen, ontstaan op den rijpen leeftijd van zeventien jaren, en met geene andere gevoelens dan die van hoogachting en warme vriendschap vrijwillig hare hand te schenken aan een ander!—en die andere daarbij een man, die niet minder dan zij had geleden door eene vroegere genegenheid,—dien zij twee jaar geleden als te oud had beschouwd om te trouwen,—en die nog steeds, uit voorzorg voor zijn gezondheid, zijn heil zocht in een flanellen vest!Zoo echter gebeurde het. Inplaats van te bezwijken als slachtoffer van een onweerstaanbaren hartstocht, zooals zij eens zich had gevleid dat haar lot zou zijn, inplaats zelfs van voor altijd bij hare moeder te blijven, en haar eenig genoegen te vinden in afzondering en studie, zooals zij later, tot kalmer en gematigder inzicht gekomen, had besloten,—zag zij zichzelve op haar negentiende jaar het lijdzaam voorwerp eener nieuwe genegenheid, geplaatst voor nieuwe plichten, in een nieuw tehuis, als echtgenoote, als hoofd van een gezin en beschermvrouw eener gemeente.Kolonel Brandon was thans zoo gelukkig als allen, die het meest van hem hielden, geloofden, dat hij verdiende te zijn; in Marianne vond hij troost voor alle geleden verdriet; haar genegenheid haar gezelschap schonken zijn geest de levendigheid,zijn stemming de opgewektheid van voorheen; en dat Marianne haar geluk vond in het bevorderen van het zijne, was de verblijdende overtuiging, die door al haar opmerkzame vrienden werd gedeeld. Ten halve beminnen kon Marianne nooit; en binnenkort behoorde haar geheele hart zoo onverdeeld aan haren echtgenoot, als zij het eens aan Willoughby had geschonken.Willoughby kon haar huwelijk niet vernemen zonder een grievend gevoel van smart, en zijne straf werd spoedig daarna voltooid door de vrijwillige vergiffenis van Mevrouw Smith, die, daar zij als de reden van hare verzachte gezindheid opgaf, dat hij een huwelijk met eene vrouw van karakter had gesloten, hem met recht deed vermoeden, dat hij, door zich tegenover Marianne eervol te gedragen, gelukkig èn rijk had kunnen zijn.Dat zijn berouw over een wangedrag, ’t welk op deze wijze zijn eigen straf medebracht, oprecht was, behoeft niet te worden betwijfeld, en evenmin, dat hij langen tijd aan Kolonel Brandon dacht met afgunst, en aan Marianne met weemoedig verlangen. Maar dat hij voor altoos ontroostbaar was,—dat hij de maatschappij ontvluchtte, dat hij van nu af aan tot diepe zwaarmoedigheid verviel, of stierf aan een gebroken hart, moet men niet met zekerheid verwachten,—want van dat alles deed hij niets. Hij bleef in leven; vond bezigheid; en niet zelden genoegen daarin. Zijn vrouw was niet altoos uit haar humeur, en zijn tehuis niet altoos ongezellig. Bij zijn liefhebberij in het fokken van paarden en honden en andere soorten van sport, viel hem nog eene niet geringe mate van huiselijk geluk ten deel.Voor Marianne echter behield hij,—hoewel hij de onbeleefdheid had begaan, haar verlies te overleven,—altijd die besliste voorkeur, die hem belang deed stellen in al wat haar wedervoer, en haar voor hem tot den geheimen standaard maakte van alle vrouwelijke volkomenheid; en menigeveelbelovende schoonheid werd door hem in latere jaren met geringschatting beschouwd, daar zij de vergelijking niet kon doorstaan met Mevrouw Brandon.Mevrouw Dashwood was verstandig genoeg, om in haar huisje te blijven, zonder eene poging te doen tot verhuizen naar Delaford, en toen Marianne haar werd ontnomen, was Margaret, gelukkig voor Sir John en Mevrouw Jennings, oud genoeg geworden, om gevoegelijk op danspartijen te kunnen worden gevraagd, en om het niet al te ongerijmd te doen schijnen, als zij geplaagd werd met een minnaar.Tusschen Barton en Delaford had dat aanhoudend levendig verkeer plaats, dat sterke familiegehechtheiduiteraardmoest bevorderen, en onder Elinor’s en Marianne’s verdiensten en voorrechten mocht als niet de geringste worden aangemerkt, dat zij, hoewel zusters, en bijna wonend onder ’t bereik van elkanders blik, konden leven, zonder welven in onmin te geraken, of verkoeling te weeg te brengen tusschen hare echtgenooten.
Hoofdstuk LNa eene behoorlijke mate van tegenstand van Mevrouw Ferrars’ zijde, juist heftig en langdurig genoeg, om haar te vrijwaren voor het verwijt, dat zij blijkbaar altijd vreesde, zich te zien toevoegen, het verwijt van al te groote beminnelijkheid, werd Edward in hare tegenwoordigheid toegelaten, en wederom als haar zoon erkend. Er hadden in den laatsten tijd veel wisselingen plaats gehad in haar familiekring. Vele jaren lang had zij twee zonen bezeten; doch het misdrijf en de daarop volgende doodverklaring van Edward had haar een paar weken geleden van den eenen beroofd; een dergelijke doodverklaring van Robert had haar een volle veertien dagen kinderloos gelaten, en nu zij Edward weer in ’t leven had teruggeroepen, was zij weer een zoon rijk.Hoewel hem het aanzijn nu weder was vergund, gevoelde hij zich voor ’t vervolg nog niet volkomen zeker van zijn bestaan, eer hij kennis had gegeven van zijne nieuwe verloving; want hij vreesde, dat de openbaring van die omstandigheid eene onverwachte verandering in zijn gestel zou bewerken, en hem even plotseling als te voren aan het leven zou ontrukken. Met angstige voorzichtigheid onthulde hij dus het geheim, en hij werd aangehoord met meer kalmte dan hij verwacht had. In het begin poogde Mevrouw Ferrars hem door redeneering te bewegen, van het huwelijk met Juffrouw Dashwood af te zien, waarbij zij zich van elk argument bediende, dat zij kon uitdenken. Zij hield hem voor, dat hij in Juffrouw Morton eene vrouw zou bezitten van hoogeren rang en met meer fortuin, en zette haar bewering klem bij, door de opmerking, datJuffrouw Morton de dochter was van een edelman, en dertig duizend pond bezat; terwijl Juffrouw Dashwood slechts de dochter was van een gewonen grondbezitter, die niet meer dan drieduizend zijn eigendom had kunnen noemen; doch toen zij bespeurde, dat hij, ofschoon volkomen de waarheid harer beweringen erkennend, volstrekt niet gezind bleek, zich door haar oordeel te laten leiden, achtte zij het, door ervaring wijzer geworden, het verstandigst om toe te geven,—en dus gaf zij, na de zaak zoo onaangenaam lang te hebben verschoven, als zij vond, dat hare waardigheid eischte, en als noodig was om elke gedachte aan eenige welgezindheid van haar kant uit te sluiten, hare toestemming tot het huwelijk van Edward en Elinor.Wat zij zich zou voornemen te doen, in verband met eene bijdrage tot hun inkomen, moest daarna worden overwogen; en thans bleek het duidelijk, dat Edward, hoewel vooralsnog haar eenige zoon, toch volstrekt niet als haar oudste werd beschouwd; want terwijl Robert voor goed in ’t bezit bleef van zijne duizend pond in het jaar, werd er niet het minste bezwaar geopperd tegen Edward’s aanvaarding van eene predikantsplaats, terwille van hoogstens een tweehonderdvijftig pond, en evenmin werd eenige belofte afgelegd, ’t zij voor nu of later, behalve dan de tienduizend pond, die ook Fanny mee ten huwelijk had gekregen.Naar Edward’s en Elinor’s meening was het echter genoeg; meer zelfs dan zij verwachtten; en Mevrouw Ferrars zelve scheen, door hare onhandige verontschuldigingen, de eenige persoon, die verwonderd was, dat zij niet meer gegeven had.Nu zij dus zeker waren van een inkomen, dat ruim voldoende zou zijn voor hunne behoeften, viel er op niets meer te wachten, nadat Edward beroepen was, dan dat het huis gereed zou zijn, waarin Kolonel Brandon, die er veel genoegen in vond, het Elinor naar den zin te maken, allerleiverbeteringen liet aanbrengen; en nadat zij een poos op de voltooiing daarvan hadden gewacht, en als gewoonlijk zich hadden moeten schikken in eindelooze teleurstellingen en uitstel, door de onverklaarbare langzaamheid der werklieden, was het, ook als gewoonlijk, Elinor, die het eerst zoo stellige besluit, om niet te trouwen eer alles gereed was, liet varen; en de huwelijksplechtigheid werd voltrokken in het kerkje te Barton, in ’t begin van den herfst.De eerste maand na hun huwelijk brachten zij door bij hun vriend op het Heerenhuis te Delaford, waar zij het oog konden houden op de verbouwing der pastorie, en steeds bij de hand waren, om alles naar hun zin in te richten; zij konden behangselpapieren kiezen, plannen maken voor een plantsoen, en zelfs in gedachten een oprijlaan aanleggen. De voorspellingen van Mevrouw Jennings, ofschoon ietwat dooreengehaspeld, gingen over ’t geheel toch nog in vervulling, want zij kon Edward en zijn vrouw in hun pastorie opzoeken eer de maand September was verstreken, en zij mocht Elinor en haar man, naar zij oprecht geloofde, als een der gelukkigste echtparen ter wereld beschouwen. Er bleef hun ook werkelijk niets te wenschen over, dan het huwelijk van Kolonel Brandon en Marianne, en nog wat beter weidegrond voor hun koeien.Toen hun huis in orde was, kwamen bijna al hunne familieleden en kennissen hen bezoeken. Mevrouw Ferrars kwam het geluk in oogenschouw nemen tot hetwelk zij zich bijna schaamde, hare goedkeuring te hebben verleend, en zelfs de Dashwoods zetten zich te hunner eer over de onkosten van de reis uit Sussex heen.“Ik wil niet beweren, dat ik teleurgesteld ben, zusjelief,” zei John, toen zij samen op een morgen voor het hek van Delaford House openneer wandelden;—“dàt zou te veel gezegd zijn; want zooals het nu is, mag men je stellig eene der gelukkigstejonge vrouwen ter wereld noemen. Maar ik moet bekennen, ’t zou mij veel genoegen doen, als Kolonel Brandon mijn broeder werd. Deze bezitting hier, zijn landgoed, zijn huis, alles zoo deftig, en keurig onderhouden; en zijn bosschen! Ik heb nergens in Dorsetshire zulk timmerhout gezien als hier in het bosch van Delaford!—En al is nu misschien Marianne niet precies de persoon, die hem zou kunnen bekoren, het komt mij toch raadzaam voor, haar nu veel bij je te logeeren te vragen. Want daar Kolonel Brandon blijkbaar veel thuis is, kan niemand zeggen, wat er zou kunnen gebeuren,—natuurlijk, als twee menschen elkaar dikwijls zien, en weinig vreemden ontmoeten—het zal bovendien altoos in je macht staan haar op het gunstigst te doen uitkomen en zoo... mij dunkt, je mocht haar de gelegenheid wel gunnen... je begrijpt, wat ik bedoel.”—Doch ofschoon Mevrouw Ferrars hen dan al kwam bezoeken, en hen steeds behandelde met een zeker vertoon van quasi-genegenheid, zij behoefden zich niet de beleediging te laten welgevallen van haar werkelijke gunst en voorkeur. Deze waren voorbehouden voor Robert, om zijn dwaasheid, en voor zijne vrouw, om haar listig gedrag, en zij hadden ze zich reeds weten te verwerven, eer vele maanden waren verstreken. De baatzuchtige scherpziendheid van Lucy, die Robert eerst in de val had doen loopen, werkte hoofdzakelijk mede, om hem daaruit te verlossen; want haar eerbiedige onderdanigheid, haar ijver in het bewijzen van attenties en haar eindelooze vleierijen verzoenden, zoodra zij maar de geringste gelegenheid vond, haar kunsten in praktijk te brengen, Mevrouw Ferrars met zijn keuze, en brachten hem opnieuw, evenzeer als vroeger, bij haar in de gunst.Lucy’s geheele gedrag in de zaak, en de goede uitslag waarmede het werd bekroond, mag dus als een zeer bemoedigend voorbeeld worden aangevoerd,om aan te toonen, wat een ernstig en onverdroten najagen van eigen belang, hoezeer ook in zijn voortgang schijnbaar belemmerd, kan uitwerken ter bereiking van alle denkbare voordeel, met geene andere opoffering dan die van tijd en geweten. Toen Robert haar voor het eerst poogde te leeren kennen, en haar een bezoek bracht in Bartlett’s Buildings, geschiedde dit slechts met de bedoeling, hem door zijn broeder toegeschreven. Hij wilde niet anders, dan haar overhalen, van de verloving af te zien, en daar hiertoe niets in den weg stond dan hun beider genegenheid, verwachtte hij natuurlijk dat de zaak in orde zou komen, als hij haar maar een paar maal onder vier oogen gesproken had. Op dat punt echter, en dàt alleen, vergiste hij zich; want hoewel Lucy hem spoedig hoop gaf, dat zijn welsprekendheid haar ten langen leste wel zou overtuigen, er was altijd weer een nieuw bezoek en een nieuw gesprek noodig om die overtuiging te vestigen. Bij het afscheid bleven er altijd nog eenige twijfelingen in haar gemoed, die slechts konden worden opgeheven door een half uurtje vertrouwelijk onderhoud met hemzelf. Op die wijze wist zij zijn geregelde bezoeken te doen voortduren, en geleidelijk volgde daaruit het overige. Inplaats van over Edward, begon hun gesprek langzamerhand te loopen over Robert alleen, een onderwerp waarover hij altijd meer te vertellen had dan over eenig ander, en waarin zij al spoedig eene belangstelling liet blijken, die de zijne evenaarde, zoodat het beiden weldra duidelijk werd, hoe hij geheel en al de plaats van zijn broeder had ingenomen. Hij was trotsch op zijn verovering, trotsch omdat hij Edward had gefopt, en bovenal trotsch, omdat hij in ’t geheim was gehuwd, zonder zijn moeder’s toestemming. Wat hierna gevolgd was, weten wij. Zij brachten een paar zeer gelukkige maanden door te Dawlish; want zij kon nu veel verwanten en oude kennissen uit de hoogte behandelen,en hij teekende meerdere plannen voor allerprachtigste landhuizen, en toen zij van daar terugkeerden naar de stad, verwierven zij Mevrouw Ferrars’ vergiffenis, door het eenvoudige middel, er om te vragen, dat op Lucy’s aanraden werd te baat genomen. Die vergiffenis strekte zich, billijkerwijze, in den beginne slechts uit tot Robert alleen; Lucy, die tegenover zijne moeder geene verplichtingen had, en daarin dus ook niet had kunnen te kort schieten, bleef nog een paar weken langer in ongenade. Doch volharding in onderworpen gedrag, en boodschappen, waarin zij de schuld voor Roberts vergrijp op zich nam, zoowel als dankbetuigingen voor de onvriendelijkheid, waarmede zij werd behandeld, verwierven haar mettertijd toch een zeker betoon van trotsche neerbuigendheid, dat haar overstelpt deed zijn van dankbaarheid voor die hooge gunst, en dat haar spoedig daarna met rassche schreden deed naderen tot het toppunt van genegenheid en invloed. Mevrouw Ferrars begon Lucy even noodig te hebben als Robert en Fanny, en terwijl het Edward nooit van harte werd vergeven, dat hij eenmaal voornemens was geweest, met haar te trouwen, en Elinor, hoewel door fortuin en geboorte haar meerdere, nog altijd als eene indringster werd beschouwd, zagzijzich in elk opzicht behandeld als een begunstigde dochter, en openlijk als zoodanig erkend. Zij vestigden zich in de stad, kregen van Mevrouw Ferrars eene ruime toelage, gingen zeer vriendschappelijk om met de Dashwoods, en afgezien van de uitbarstingen van nijd en afgunst, die voortdurend plaats hadden tusschen Fanny en Lucy, en waarin hunne echtgenooten natuurlijk ook werden betrokken, zoowel als van de veelvuldige huiselijke oneenigheden tusschen Robert en Lucy zelf, kon de natuurlijke harmonie waarin zij allen met elkander leefden, niet worden overtroffen. Wat Edward had gedaan om zijn rechten als oudste zoon te verbeuren, zou voormenigeen zeker een raadsel zijn geweest, en wat Robert had in ’t werk gesteld om dat zelfde recht te winnen, scheen nog veel moeilijker te verklaren. Het was echter eene schikking, die door hare gevolgen, zooal niet door hare oorzaak, werd gerechtvaardigd; want nooit viel er iets te bespeuren in Robert’s levenswijze of in zijne uitingen van eenige neiging, zich te beklagen over de grootte van zijn inkomen, in zooverre zijn broeder te weinig, en hemzelf te veel werd toebedeeld;—en als men Edward mocht beoordeelen naar de nauwgezette wijze, waarop hij in elk opzicht zijne plichten vervulde, naar zijne toenemende gehechtheid aan zijne vrouw en zijn tehuis, en naar de gestadige opgewektheid van zijne stemming, dan mocht men veronderstellen, dat hij niet minder tevreden was met zijn lot, en even weinig verlangde naar eenige verandering.Elinor’s huwelijk verwijderde haar zoo weinig van haar familie, als slechts mogelijk was, zonder het huisje te Barton geheel overbodig te doen worden; want haar moeder en zusters brachten meer dan de helft van hun tijd bij haar door. Mevrouw Dashwood had zoowel haar belang als haar genoegen op het oog, bij die veelvuldige bezoeken te Delaford; want haar wensch om Marianne en Kolonel Brandon met elkaar in aanraking te brengen, was bijna niet minder ernstig gemeend, schoon minder baatzuchtig, dan het verlangen, door John in dit opzicht geuit. Het was thans haar lievelingsplan geworden. Hoezeer zij ook het gezelschap harer dochter waardeerde, zij wenschte niets zoozeer, als het voortdurend genot ervan aan haren hooggeschatten vriend af te staan; en Marianne als meesteres van het Heerenhuis te zien optreden, was evenzeer de wensch van Edward en Elinor. Zij allen gevoelden sterk het lijden van hun vriend en hun eigen verplichtingen, en met algemeene toestemming zou Marianne daarvoor de belooningzijn. Met zulk een bondgenootschap tegenover zich,—bij zoo beproefde ervaring van zijn goedheid,—met de overtuiging van zijne teedere gehechtheid aan haarzelve, die ten laatste, schoon lang nadat zij voor ieder ander duidelijk was gebleken, zich ook aan haar opdrong,—wat kon zij doen?Eene zonderlinge lotsbestemming viel Marianne Dashwood ten deel. Zij was bestemd, de onjuistheid van haar eigen meeningen te ontdekken, en te handelen in tegenspraak met haar meest geliefkoosde stelregels. Zij was bestemd, eene neiging te overwinnen, ontstaan op den rijpen leeftijd van zeventien jaren, en met geene andere gevoelens dan die van hoogachting en warme vriendschap vrijwillig hare hand te schenken aan een ander!—en die andere daarbij een man, die niet minder dan zij had geleden door eene vroegere genegenheid,—dien zij twee jaar geleden als te oud had beschouwd om te trouwen,—en die nog steeds, uit voorzorg voor zijn gezondheid, zijn heil zocht in een flanellen vest!Zoo echter gebeurde het. Inplaats van te bezwijken als slachtoffer van een onweerstaanbaren hartstocht, zooals zij eens zich had gevleid dat haar lot zou zijn, inplaats zelfs van voor altijd bij hare moeder te blijven, en haar eenig genoegen te vinden in afzondering en studie, zooals zij later, tot kalmer en gematigder inzicht gekomen, had besloten,—zag zij zichzelve op haar negentiende jaar het lijdzaam voorwerp eener nieuwe genegenheid, geplaatst voor nieuwe plichten, in een nieuw tehuis, als echtgenoote, als hoofd van een gezin en beschermvrouw eener gemeente.Kolonel Brandon was thans zoo gelukkig als allen, die het meest van hem hielden, geloofden, dat hij verdiende te zijn; in Marianne vond hij troost voor alle geleden verdriet; haar genegenheid haar gezelschap schonken zijn geest de levendigheid,zijn stemming de opgewektheid van voorheen; en dat Marianne haar geluk vond in het bevorderen van het zijne, was de verblijdende overtuiging, die door al haar opmerkzame vrienden werd gedeeld. Ten halve beminnen kon Marianne nooit; en binnenkort behoorde haar geheele hart zoo onverdeeld aan haren echtgenoot, als zij het eens aan Willoughby had geschonken.Willoughby kon haar huwelijk niet vernemen zonder een grievend gevoel van smart, en zijne straf werd spoedig daarna voltooid door de vrijwillige vergiffenis van Mevrouw Smith, die, daar zij als de reden van hare verzachte gezindheid opgaf, dat hij een huwelijk met eene vrouw van karakter had gesloten, hem met recht deed vermoeden, dat hij, door zich tegenover Marianne eervol te gedragen, gelukkig èn rijk had kunnen zijn.Dat zijn berouw over een wangedrag, ’t welk op deze wijze zijn eigen straf medebracht, oprecht was, behoeft niet te worden betwijfeld, en evenmin, dat hij langen tijd aan Kolonel Brandon dacht met afgunst, en aan Marianne met weemoedig verlangen. Maar dat hij voor altoos ontroostbaar was,—dat hij de maatschappij ontvluchtte, dat hij van nu af aan tot diepe zwaarmoedigheid verviel, of stierf aan een gebroken hart, moet men niet met zekerheid verwachten,—want van dat alles deed hij niets. Hij bleef in leven; vond bezigheid; en niet zelden genoegen daarin. Zijn vrouw was niet altoos uit haar humeur, en zijn tehuis niet altoos ongezellig. Bij zijn liefhebberij in het fokken van paarden en honden en andere soorten van sport, viel hem nog eene niet geringe mate van huiselijk geluk ten deel.Voor Marianne echter behield hij,—hoewel hij de onbeleefdheid had begaan, haar verlies te overleven,—altijd die besliste voorkeur, die hem belang deed stellen in al wat haar wedervoer, en haar voor hem tot den geheimen standaard maakte van alle vrouwelijke volkomenheid; en menigeveelbelovende schoonheid werd door hem in latere jaren met geringschatting beschouwd, daar zij de vergelijking niet kon doorstaan met Mevrouw Brandon.Mevrouw Dashwood was verstandig genoeg, om in haar huisje te blijven, zonder eene poging te doen tot verhuizen naar Delaford, en toen Marianne haar werd ontnomen, was Margaret, gelukkig voor Sir John en Mevrouw Jennings, oud genoeg geworden, om gevoegelijk op danspartijen te kunnen worden gevraagd, en om het niet al te ongerijmd te doen schijnen, als zij geplaagd werd met een minnaar.Tusschen Barton en Delaford had dat aanhoudend levendig verkeer plaats, dat sterke familiegehechtheiduiteraardmoest bevorderen, en onder Elinor’s en Marianne’s verdiensten en voorrechten mocht als niet de geringste worden aangemerkt, dat zij, hoewel zusters, en bijna wonend onder ’t bereik van elkanders blik, konden leven, zonder welven in onmin te geraken, of verkoeling te weeg te brengen tusschen hare echtgenooten.
Na eene behoorlijke mate van tegenstand van Mevrouw Ferrars’ zijde, juist heftig en langdurig genoeg, om haar te vrijwaren voor het verwijt, dat zij blijkbaar altijd vreesde, zich te zien toevoegen, het verwijt van al te groote beminnelijkheid, werd Edward in hare tegenwoordigheid toegelaten, en wederom als haar zoon erkend. Er hadden in den laatsten tijd veel wisselingen plaats gehad in haar familiekring. Vele jaren lang had zij twee zonen bezeten; doch het misdrijf en de daarop volgende doodverklaring van Edward had haar een paar weken geleden van den eenen beroofd; een dergelijke doodverklaring van Robert had haar een volle veertien dagen kinderloos gelaten, en nu zij Edward weer in ’t leven had teruggeroepen, was zij weer een zoon rijk.
Hoewel hem het aanzijn nu weder was vergund, gevoelde hij zich voor ’t vervolg nog niet volkomen zeker van zijn bestaan, eer hij kennis had gegeven van zijne nieuwe verloving; want hij vreesde, dat de openbaring van die omstandigheid eene onverwachte verandering in zijn gestel zou bewerken, en hem even plotseling als te voren aan het leven zou ontrukken. Met angstige voorzichtigheid onthulde hij dus het geheim, en hij werd aangehoord met meer kalmte dan hij verwacht had. In het begin poogde Mevrouw Ferrars hem door redeneering te bewegen, van het huwelijk met Juffrouw Dashwood af te zien, waarbij zij zich van elk argument bediende, dat zij kon uitdenken. Zij hield hem voor, dat hij in Juffrouw Morton eene vrouw zou bezitten van hoogeren rang en met meer fortuin, en zette haar bewering klem bij, door de opmerking, datJuffrouw Morton de dochter was van een edelman, en dertig duizend pond bezat; terwijl Juffrouw Dashwood slechts de dochter was van een gewonen grondbezitter, die niet meer dan drieduizend zijn eigendom had kunnen noemen; doch toen zij bespeurde, dat hij, ofschoon volkomen de waarheid harer beweringen erkennend, volstrekt niet gezind bleek, zich door haar oordeel te laten leiden, achtte zij het, door ervaring wijzer geworden, het verstandigst om toe te geven,—en dus gaf zij, na de zaak zoo onaangenaam lang te hebben verschoven, als zij vond, dat hare waardigheid eischte, en als noodig was om elke gedachte aan eenige welgezindheid van haar kant uit te sluiten, hare toestemming tot het huwelijk van Edward en Elinor.
Wat zij zich zou voornemen te doen, in verband met eene bijdrage tot hun inkomen, moest daarna worden overwogen; en thans bleek het duidelijk, dat Edward, hoewel vooralsnog haar eenige zoon, toch volstrekt niet als haar oudste werd beschouwd; want terwijl Robert voor goed in ’t bezit bleef van zijne duizend pond in het jaar, werd er niet het minste bezwaar geopperd tegen Edward’s aanvaarding van eene predikantsplaats, terwille van hoogstens een tweehonderdvijftig pond, en evenmin werd eenige belofte afgelegd, ’t zij voor nu of later, behalve dan de tienduizend pond, die ook Fanny mee ten huwelijk had gekregen.
Naar Edward’s en Elinor’s meening was het echter genoeg; meer zelfs dan zij verwachtten; en Mevrouw Ferrars zelve scheen, door hare onhandige verontschuldigingen, de eenige persoon, die verwonderd was, dat zij niet meer gegeven had.
Nu zij dus zeker waren van een inkomen, dat ruim voldoende zou zijn voor hunne behoeften, viel er op niets meer te wachten, nadat Edward beroepen was, dan dat het huis gereed zou zijn, waarin Kolonel Brandon, die er veel genoegen in vond, het Elinor naar den zin te maken, allerleiverbeteringen liet aanbrengen; en nadat zij een poos op de voltooiing daarvan hadden gewacht, en als gewoonlijk zich hadden moeten schikken in eindelooze teleurstellingen en uitstel, door de onverklaarbare langzaamheid der werklieden, was het, ook als gewoonlijk, Elinor, die het eerst zoo stellige besluit, om niet te trouwen eer alles gereed was, liet varen; en de huwelijksplechtigheid werd voltrokken in het kerkje te Barton, in ’t begin van den herfst.
De eerste maand na hun huwelijk brachten zij door bij hun vriend op het Heerenhuis te Delaford, waar zij het oog konden houden op de verbouwing der pastorie, en steeds bij de hand waren, om alles naar hun zin in te richten; zij konden behangselpapieren kiezen, plannen maken voor een plantsoen, en zelfs in gedachten een oprijlaan aanleggen. De voorspellingen van Mevrouw Jennings, ofschoon ietwat dooreengehaspeld, gingen over ’t geheel toch nog in vervulling, want zij kon Edward en zijn vrouw in hun pastorie opzoeken eer de maand September was verstreken, en zij mocht Elinor en haar man, naar zij oprecht geloofde, als een der gelukkigste echtparen ter wereld beschouwen. Er bleef hun ook werkelijk niets te wenschen over, dan het huwelijk van Kolonel Brandon en Marianne, en nog wat beter weidegrond voor hun koeien.
Toen hun huis in orde was, kwamen bijna al hunne familieleden en kennissen hen bezoeken. Mevrouw Ferrars kwam het geluk in oogenschouw nemen tot hetwelk zij zich bijna schaamde, hare goedkeuring te hebben verleend, en zelfs de Dashwoods zetten zich te hunner eer over de onkosten van de reis uit Sussex heen.
“Ik wil niet beweren, dat ik teleurgesteld ben, zusjelief,” zei John, toen zij samen op een morgen voor het hek van Delaford House openneer wandelden;—“dàt zou te veel gezegd zijn; want zooals het nu is, mag men je stellig eene der gelukkigstejonge vrouwen ter wereld noemen. Maar ik moet bekennen, ’t zou mij veel genoegen doen, als Kolonel Brandon mijn broeder werd. Deze bezitting hier, zijn landgoed, zijn huis, alles zoo deftig, en keurig onderhouden; en zijn bosschen! Ik heb nergens in Dorsetshire zulk timmerhout gezien als hier in het bosch van Delaford!—En al is nu misschien Marianne niet precies de persoon, die hem zou kunnen bekoren, het komt mij toch raadzaam voor, haar nu veel bij je te logeeren te vragen. Want daar Kolonel Brandon blijkbaar veel thuis is, kan niemand zeggen, wat er zou kunnen gebeuren,—natuurlijk, als twee menschen elkaar dikwijls zien, en weinig vreemden ontmoeten—het zal bovendien altoos in je macht staan haar op het gunstigst te doen uitkomen en zoo... mij dunkt, je mocht haar de gelegenheid wel gunnen... je begrijpt, wat ik bedoel.”—
Doch ofschoon Mevrouw Ferrars hen dan al kwam bezoeken, en hen steeds behandelde met een zeker vertoon van quasi-genegenheid, zij behoefden zich niet de beleediging te laten welgevallen van haar werkelijke gunst en voorkeur. Deze waren voorbehouden voor Robert, om zijn dwaasheid, en voor zijne vrouw, om haar listig gedrag, en zij hadden ze zich reeds weten te verwerven, eer vele maanden waren verstreken. De baatzuchtige scherpziendheid van Lucy, die Robert eerst in de val had doen loopen, werkte hoofdzakelijk mede, om hem daaruit te verlossen; want haar eerbiedige onderdanigheid, haar ijver in het bewijzen van attenties en haar eindelooze vleierijen verzoenden, zoodra zij maar de geringste gelegenheid vond, haar kunsten in praktijk te brengen, Mevrouw Ferrars met zijn keuze, en brachten hem opnieuw, evenzeer als vroeger, bij haar in de gunst.
Lucy’s geheele gedrag in de zaak, en de goede uitslag waarmede het werd bekroond, mag dus als een zeer bemoedigend voorbeeld worden aangevoerd,om aan te toonen, wat een ernstig en onverdroten najagen van eigen belang, hoezeer ook in zijn voortgang schijnbaar belemmerd, kan uitwerken ter bereiking van alle denkbare voordeel, met geene andere opoffering dan die van tijd en geweten. Toen Robert haar voor het eerst poogde te leeren kennen, en haar een bezoek bracht in Bartlett’s Buildings, geschiedde dit slechts met de bedoeling, hem door zijn broeder toegeschreven. Hij wilde niet anders, dan haar overhalen, van de verloving af te zien, en daar hiertoe niets in den weg stond dan hun beider genegenheid, verwachtte hij natuurlijk dat de zaak in orde zou komen, als hij haar maar een paar maal onder vier oogen gesproken had. Op dat punt echter, en dàt alleen, vergiste hij zich; want hoewel Lucy hem spoedig hoop gaf, dat zijn welsprekendheid haar ten langen leste wel zou overtuigen, er was altijd weer een nieuw bezoek en een nieuw gesprek noodig om die overtuiging te vestigen. Bij het afscheid bleven er altijd nog eenige twijfelingen in haar gemoed, die slechts konden worden opgeheven door een half uurtje vertrouwelijk onderhoud met hemzelf. Op die wijze wist zij zijn geregelde bezoeken te doen voortduren, en geleidelijk volgde daaruit het overige. Inplaats van over Edward, begon hun gesprek langzamerhand te loopen over Robert alleen, een onderwerp waarover hij altijd meer te vertellen had dan over eenig ander, en waarin zij al spoedig eene belangstelling liet blijken, die de zijne evenaarde, zoodat het beiden weldra duidelijk werd, hoe hij geheel en al de plaats van zijn broeder had ingenomen. Hij was trotsch op zijn verovering, trotsch omdat hij Edward had gefopt, en bovenal trotsch, omdat hij in ’t geheim was gehuwd, zonder zijn moeder’s toestemming. Wat hierna gevolgd was, weten wij. Zij brachten een paar zeer gelukkige maanden door te Dawlish; want zij kon nu veel verwanten en oude kennissen uit de hoogte behandelen,en hij teekende meerdere plannen voor allerprachtigste landhuizen, en toen zij van daar terugkeerden naar de stad, verwierven zij Mevrouw Ferrars’ vergiffenis, door het eenvoudige middel, er om te vragen, dat op Lucy’s aanraden werd te baat genomen. Die vergiffenis strekte zich, billijkerwijze, in den beginne slechts uit tot Robert alleen; Lucy, die tegenover zijne moeder geene verplichtingen had, en daarin dus ook niet had kunnen te kort schieten, bleef nog een paar weken langer in ongenade. Doch volharding in onderworpen gedrag, en boodschappen, waarin zij de schuld voor Roberts vergrijp op zich nam, zoowel als dankbetuigingen voor de onvriendelijkheid, waarmede zij werd behandeld, verwierven haar mettertijd toch een zeker betoon van trotsche neerbuigendheid, dat haar overstelpt deed zijn van dankbaarheid voor die hooge gunst, en dat haar spoedig daarna met rassche schreden deed naderen tot het toppunt van genegenheid en invloed. Mevrouw Ferrars begon Lucy even noodig te hebben als Robert en Fanny, en terwijl het Edward nooit van harte werd vergeven, dat hij eenmaal voornemens was geweest, met haar te trouwen, en Elinor, hoewel door fortuin en geboorte haar meerdere, nog altijd als eene indringster werd beschouwd, zagzijzich in elk opzicht behandeld als een begunstigde dochter, en openlijk als zoodanig erkend. Zij vestigden zich in de stad, kregen van Mevrouw Ferrars eene ruime toelage, gingen zeer vriendschappelijk om met de Dashwoods, en afgezien van de uitbarstingen van nijd en afgunst, die voortdurend plaats hadden tusschen Fanny en Lucy, en waarin hunne echtgenooten natuurlijk ook werden betrokken, zoowel als van de veelvuldige huiselijke oneenigheden tusschen Robert en Lucy zelf, kon de natuurlijke harmonie waarin zij allen met elkander leefden, niet worden overtroffen. Wat Edward had gedaan om zijn rechten als oudste zoon te verbeuren, zou voormenigeen zeker een raadsel zijn geweest, en wat Robert had in ’t werk gesteld om dat zelfde recht te winnen, scheen nog veel moeilijker te verklaren. Het was echter eene schikking, die door hare gevolgen, zooal niet door hare oorzaak, werd gerechtvaardigd; want nooit viel er iets te bespeuren in Robert’s levenswijze of in zijne uitingen van eenige neiging, zich te beklagen over de grootte van zijn inkomen, in zooverre zijn broeder te weinig, en hemzelf te veel werd toebedeeld;—en als men Edward mocht beoordeelen naar de nauwgezette wijze, waarop hij in elk opzicht zijne plichten vervulde, naar zijne toenemende gehechtheid aan zijne vrouw en zijn tehuis, en naar de gestadige opgewektheid van zijne stemming, dan mocht men veronderstellen, dat hij niet minder tevreden was met zijn lot, en even weinig verlangde naar eenige verandering.
Elinor’s huwelijk verwijderde haar zoo weinig van haar familie, als slechts mogelijk was, zonder het huisje te Barton geheel overbodig te doen worden; want haar moeder en zusters brachten meer dan de helft van hun tijd bij haar door. Mevrouw Dashwood had zoowel haar belang als haar genoegen op het oog, bij die veelvuldige bezoeken te Delaford; want haar wensch om Marianne en Kolonel Brandon met elkaar in aanraking te brengen, was bijna niet minder ernstig gemeend, schoon minder baatzuchtig, dan het verlangen, door John in dit opzicht geuit. Het was thans haar lievelingsplan geworden. Hoezeer zij ook het gezelschap harer dochter waardeerde, zij wenschte niets zoozeer, als het voortdurend genot ervan aan haren hooggeschatten vriend af te staan; en Marianne als meesteres van het Heerenhuis te zien optreden, was evenzeer de wensch van Edward en Elinor. Zij allen gevoelden sterk het lijden van hun vriend en hun eigen verplichtingen, en met algemeene toestemming zou Marianne daarvoor de belooningzijn. Met zulk een bondgenootschap tegenover zich,—bij zoo beproefde ervaring van zijn goedheid,—met de overtuiging van zijne teedere gehechtheid aan haarzelve, die ten laatste, schoon lang nadat zij voor ieder ander duidelijk was gebleken, zich ook aan haar opdrong,—wat kon zij doen?
Eene zonderlinge lotsbestemming viel Marianne Dashwood ten deel. Zij was bestemd, de onjuistheid van haar eigen meeningen te ontdekken, en te handelen in tegenspraak met haar meest geliefkoosde stelregels. Zij was bestemd, eene neiging te overwinnen, ontstaan op den rijpen leeftijd van zeventien jaren, en met geene andere gevoelens dan die van hoogachting en warme vriendschap vrijwillig hare hand te schenken aan een ander!—en die andere daarbij een man, die niet minder dan zij had geleden door eene vroegere genegenheid,—dien zij twee jaar geleden als te oud had beschouwd om te trouwen,—en die nog steeds, uit voorzorg voor zijn gezondheid, zijn heil zocht in een flanellen vest!
Zoo echter gebeurde het. Inplaats van te bezwijken als slachtoffer van een onweerstaanbaren hartstocht, zooals zij eens zich had gevleid dat haar lot zou zijn, inplaats zelfs van voor altijd bij hare moeder te blijven, en haar eenig genoegen te vinden in afzondering en studie, zooals zij later, tot kalmer en gematigder inzicht gekomen, had besloten,—zag zij zichzelve op haar negentiende jaar het lijdzaam voorwerp eener nieuwe genegenheid, geplaatst voor nieuwe plichten, in een nieuw tehuis, als echtgenoote, als hoofd van een gezin en beschermvrouw eener gemeente.
Kolonel Brandon was thans zoo gelukkig als allen, die het meest van hem hielden, geloofden, dat hij verdiende te zijn; in Marianne vond hij troost voor alle geleden verdriet; haar genegenheid haar gezelschap schonken zijn geest de levendigheid,zijn stemming de opgewektheid van voorheen; en dat Marianne haar geluk vond in het bevorderen van het zijne, was de verblijdende overtuiging, die door al haar opmerkzame vrienden werd gedeeld. Ten halve beminnen kon Marianne nooit; en binnenkort behoorde haar geheele hart zoo onverdeeld aan haren echtgenoot, als zij het eens aan Willoughby had geschonken.
Willoughby kon haar huwelijk niet vernemen zonder een grievend gevoel van smart, en zijne straf werd spoedig daarna voltooid door de vrijwillige vergiffenis van Mevrouw Smith, die, daar zij als de reden van hare verzachte gezindheid opgaf, dat hij een huwelijk met eene vrouw van karakter had gesloten, hem met recht deed vermoeden, dat hij, door zich tegenover Marianne eervol te gedragen, gelukkig èn rijk had kunnen zijn.
Dat zijn berouw over een wangedrag, ’t welk op deze wijze zijn eigen straf medebracht, oprecht was, behoeft niet te worden betwijfeld, en evenmin, dat hij langen tijd aan Kolonel Brandon dacht met afgunst, en aan Marianne met weemoedig verlangen. Maar dat hij voor altoos ontroostbaar was,—dat hij de maatschappij ontvluchtte, dat hij van nu af aan tot diepe zwaarmoedigheid verviel, of stierf aan een gebroken hart, moet men niet met zekerheid verwachten,—want van dat alles deed hij niets. Hij bleef in leven; vond bezigheid; en niet zelden genoegen daarin. Zijn vrouw was niet altoos uit haar humeur, en zijn tehuis niet altoos ongezellig. Bij zijn liefhebberij in het fokken van paarden en honden en andere soorten van sport, viel hem nog eene niet geringe mate van huiselijk geluk ten deel.
Voor Marianne echter behield hij,—hoewel hij de onbeleefdheid had begaan, haar verlies te overleven,—altijd die besliste voorkeur, die hem belang deed stellen in al wat haar wedervoer, en haar voor hem tot den geheimen standaard maakte van alle vrouwelijke volkomenheid; en menigeveelbelovende schoonheid werd door hem in latere jaren met geringschatting beschouwd, daar zij de vergelijking niet kon doorstaan met Mevrouw Brandon.
Mevrouw Dashwood was verstandig genoeg, om in haar huisje te blijven, zonder eene poging te doen tot verhuizen naar Delaford, en toen Marianne haar werd ontnomen, was Margaret, gelukkig voor Sir John en Mevrouw Jennings, oud genoeg geworden, om gevoegelijk op danspartijen te kunnen worden gevraagd, en om het niet al te ongerijmd te doen schijnen, als zij geplaagd werd met een minnaar.
Tusschen Barton en Delaford had dat aanhoudend levendig verkeer plaats, dat sterke familiegehechtheiduiteraardmoest bevorderen, en onder Elinor’s en Marianne’s verdiensten en voorrechten mocht als niet de geringste worden aangemerkt, dat zij, hoewel zusters, en bijna wonend onder ’t bereik van elkanders blik, konden leven, zonder welven in onmin te geraken, of verkoeling te weeg te brengen tusschen hare echtgenooten.