Hoofdstuk VZoodra haar antwoord was verzonden, gunde Mevrouw Dashwood zich het genoegen, haar stiefzoon en zijn vrouw mee te deelen, dat zij een huis had gevonden, en hen niet langer zou lastig vallen dan noodig was, totdat alles in gereedheid was gebracht om het te betrekken. Zij vernamen het bericht niet zonder verrassing. Mevrouw John Dashwood zei niets; doch haar echtgenoot gaf beleefd zijn hoop te kennen, dat zij niet ver van Norland wonen zou.Het was haar een groote voldoening te kunnen antwoorden, dat zij naar Devonshire ging. Toen Edward dit hoorde, keerde hij zich haastig naar haar om, en herhaalde, op een toon van verwondering en spijt, die voor haar geen verklaring behoefde: “Naar Devonshire! Gaat u werkelijk dáárheen? Zoo ver van hier? En naar welk gedeelte dan?”Zij beschreef de ligging van het nieuwe huis. Het was een kleine vier mijlen ten Noorden van Exeter.“Het is maar een landhuisje,” ging zij voort; “maar ik hoop er velen van mijn vrienden te zullen ontvangen. Er kunnen gemakkelijk een paar kamers worden aangebouwd; en als mijn kennissen er geen bezwaar in zien, zoo ver te reizen om mij op te zoeken, dan zal ik dat zeer zeker evenmin hebben om hen te herbergen.”Zij besloot met een zeer vriendelijke uitnoodiging aan den Heer en Mevrouw Dashwood om haar te Barton te bezoeken, en tot Edward richtte zij die met nog meer hartelijkheid. Hoewel het onlangs met haar schoondochter gevoerde gesprek haar had doen besluiten niet langer te Norland teblijven dan onvermijdelijk was, het had niet den minsten indruk op haar gemaakt in dàt opzicht, waarom het voornamelijk was begonnen. Het was thans zoomin als vroeger haar bedoeling, Edward en Elinor van elkaar te scheiden; en zij wenschte Mevrouw John Dashwood, door deze opzettelijk tot haar broeder gerichte uitnoodiging, duidelijk te toonen, hoe zij zich in ’t minst niet bekommerde om het afkeurend oordeel der laatste over deze verbintenis.De Heer John Dashwood verzekerde zijne moeder herhaalde malen, hoe bijzonder het hem speet, dat zij een huis had gekozen, zóó ver van Norland, dat hij haar met het vervoer van haar meubels niet van dienst kon zijn. Hij voelde bij deze gelegenheid werkelijk eenige gewetensknaging; want het eenig hulpbetoon, waartoe hij de vervulling van de belofte aan zijn vader had beperkt, werd door deze schikking feitelijk onuitvoerbaar. De verhuisboedel werd met de boot verzonden, en bestond hoofdzakelijk uit huishoudlinnen, zilver, porselein en boeken, benevens een mooie piano van Marianne. Mevrouw John Dashwood zag de kisten met een zucht verdwijnen; zij kon niet nalaten het bitter grievend te vinden, dat Mevrouw Dashwood, wier inkomen zoo gering was, vergeleken bij het hare, toch nog enkele mooie meubels bezat.Mevrouw Dashwood huurde het huis voor een jaar; het was geheel gemeubileerd, en zij kon het dadelijk betrekken. Aan geen van beide zijden deed zich eenig bezwaar op bij de overeenkomst, en zij wachtte slechts tot haar goed te Norland was gepakt en zij haar toekomstig huishouden eenigszins geregeld had, eer zij naar het Westen vertrok. Daar zij bijzonder vlug was in ’t uitvoeren van alles wat haar ter harte ging, nam dit niet veel tijd. De paarden, die haar man haar had nagelaten, waren kort na zijn dood verkocht, en daar zich thans een gelegenheid aanbood, haar rijtuig van de hand te doen, stemdezij, op het ernstig aandringen harer oudste dochter, erin toe, dit ook te verkoopen. Voor het gemak van haar kinderen zou zij het liever hebben gehouden, als zij met haar eigen wenschen te rade ging; maar Elinor’s voorzichtigheid behield de overhand. Hare wijsheid was het ook, die het getal hunner dienstboden beperkte tot drie—twee meisjes en een knecht, die zij gemakkelijk konden vinden onder degenen, die vroeger tot hun dienstpersoneel te Norland hadden behoord.De knecht en een van de dienstmeisjes werden dadelijk naar Devonshire gezonden om het huis in orde te brengen tegen de komst hunner meesteres; want daar Mevrouw Dashwood Lady Middleton in het geheel niet kende, wilde zij liever aanstonds naar haar huisje gaan, dan op Barton Park te logeeren, en zij vertrouwde zoo vast op Sir John’s omschrijving van het huis, dat zij niet eens nieuwsgierig was, het zelf eens van nabij te zien, eer zij er haar intrek ging nemen. Haar verlangen om Norland te verlaten werd voor vermindering gevrijwaard door de blijkbare voldoening van hare schoondochter in ’t vooruitzicht van haar vertrek; eene voldoening, die slechts flauw te verbergen werd gepoogd, door een koeltjes gedaan voorstel om dat vertrek nog een weinig uit te stellen. Thans was de tijd gekomen dat de belofte van haar stiefzoon, aan zijn vader gedaan, op het meest gepaste oogenblik had kunnen vervuld worden. Daar hij verzuimd had het te doen, toen hij het goed in bezit nam, kon hun vertrek uit zijn huis als hetmeestgeschikte tijdstip voor die vervulling worden aangemerkt. Doch Mevrouw Dashwood begon in den laatsten tijd alle verwachtingen van dien aard te laten varen en de overtuiging te koesteren, die zij afleidde uit zijn algemeene opmerkingen in het gesprek, dat zijn hulp zich niet verder uitstrekte dan de zes maanden huisvesting, die hij hun had verleend te Norland. Hij praatte zooveel over detoenemende duurte van het huishouden, en de aanhoudende onvoorziene eischen aan zijn beurs, waaraan iemand van eenig aanzien in de wereld was blootgesteld, dat het haast scheen, alsof hij eerder zelf geld noodig had, dan dat hij eenig plan koesterde om het weg te schenken.Reeds een paar weken na den dag, waarop Sir John Middleton’s eerste brief te Norland werd ontvangen, was alles zoover gereed in hun toekomstig verblijf, dat Mevrouw Dashwood en hare dochters de reis erheen konden ondernemen.Vele tranen werden door hen gestort bij hun laatst vaarwel aan de plek, die zij zoozeer hadden liefgehad. “Lief, lief Norland!” zei Marianne, toen zij alleen rondom het huis zwierf, den laatsten avond: “wanneer zal ik ophouden u te betreuren!—Wanneer zal ik geleerd hebben, mij ergens anders thuis te gevoelen? Ach, gelukkig huis! kondt ge maar weten hoe ik lijd, terwijl ik u aanschouw van deze plek, vanwaar ik u misschien nooit meer zien zal!—En gij, welbekende boomen!—maar gij zult hetzelfde blijven.—Geen blad zal verwelken omdat wij zijn heengegaan, geen twijgje zal ophouden zich te bewegen, ofschoon wij het niet meer kunnen aanzien! Neen; gij blijft dezelfde; onbewust van de blijdschap of de treurigheid die gij wekt, enongevoeligvoor eenige verandering in degenen, die wandelen onder uw schaduwrijk loover! Maar wie blijft hier over om van u te genieten?”—Hoofdstuk VIHet eerste gedeelte van de reis werd afgelegd in een al te treurige stemming, om anders dan vervelend en onaangenaam te zijn. Doch toen zij het eind ervan naderden, won hun belangstelling in het voorkomen van de streek, waar zij thans zouden wonen, het van hunne neerslachtigheid, en het uitzicht op Barton Valley stemde hen bijna vroolijk. Het was een mooie, vruchtbare plek, met veel bosschen en weiland. Na den loop van het dal meer dan een mijl lang gevolgd te hebben, kwamen zij aan hun eigen huis. Een klein omheind grasveld was al wat er bij behoorde aan de voorzijde, en een eenvoudig hekje verleende hun toegang.Als huis beschouwd, was Barton Cottage, hoewel klein, toch geriefelijk en beknopt; maar als landelijk buitenhuisje liet het te wenschen over; daar het regelmatig van bouw en met pannen gedekt was, terwijl noch de luiken groen waren geverfd, noch de muren begroeid met kamperfoelie. Een smalle gang leidde recht door het huis naar den daarachter gelegen tuin. Ter weerszijden van de voordeur was een zitkamer van ruim vijf meter in het vierkant; daarachter lagen de keuken met bijkeukens, en de trap. Verder waren er nog vier slaapvertrekken en twee zolderkamers. Het was nog niet zeer lang geleden gebouwd en goed onderhouden. Vergeleken bij Norland was het wel héél nederig en klein!—doch de tranen, door die herinnering te voorschijn geroepen bij hun binnentreden, waren spoedig gedroogd. De blijdschap van de dienstboden over hunne komst vroolijkte hen een weinig op, en ieder besloot terwille van de anderen zichverheugd te toonen. Het was in ’t begin van September; de mooiste tijd van het jaar, en door de omgeving voor het eerst te zien bij goed weer, ontvingen zij een gunstigen indruk, die belangrijk medewerkte om hun blijvende goede meening er omtrent te bevestigen. Het huis was aangenaam gelegen. Vlak er achter, en op geringen afstand aan beide zijden, rezen hooge heuvels op; sommige vrij en open, met glooiende hellingen, andere bebouwd en bedekt met bosch. Het dorp Barton lag grootendeels op een dier heuvels, en leverde een aardig uitkijkje van uit de vensters van het huis. Aan de voorzijde was het uitzicht ruimer; men overzag van hier de geheele vallei, en zelfs een gedeelte van de streek die eraan grensde. De heuvels, die het huisje omringden, sloten het dal aan die zijde af; onder een anderen naam en in een andere richting vertakte het zich weer, waar twee der hoogste samenkwamen.Over de grootte van het huis en over de meubileering was Mevrouw Dashwood over ’t geheel wel voldaan; want ofschoon haar vorige levenswijze menige toevoeging aan het meubilair onontbeerlijk deed schijnen, juist in dat aanschaffen en verfraaien had zij veel plezier; en voor het oogenblik had zij genoeg gereed geld, om zich alles te kunnen veroorloven wat vereischt werd, om haar vertrekken smaakvol in te richten. “Wat het huis zelf betreft,” zeide zij, “het is te klein voor ons gezin; maar we kunnen ons voorloopig er vrij goed in bewegen, en het is nu te laat in het jaar om verbeteringen aan te brengen. Misschien kunnen we in ’t voorjaar, als ik ruim bij kas ben, zooals ik wel denk dat ’t geval zal zijn, aan bouwen gaan denken. De voorkamers zijn beide te klein voor het aantal gasten, dat ik hier dikwijls hoop bijeen te zien, en ik denk erover om de gang met de eene kamer te laten samenvallen, en misschien ook nog een gedeelte van de andere, zoodat de overblijvenderuimte als vestibule kan dienen; als daar dan een nieuwe salon wordt aangebouwd, wat gemakkelijk kan, met nog een slaap- en zolderkamer erboven, dan wordt het werkelijk een gezellig huisje. Als de trap nu maar mooier was. Maar men kan niet alles verwachten; hoewel ik denk dat het niet moeilijk zou zijn die te verbreeden. Ik zal eens zien hoe florissant het er uitziet met mijn financiën in het voorjaar, en daarvan onze bouwplannen laten afhangen.”Intusschen waren zij, totdat al die veranderingen zouden worden bekostigd uit wat er gespaard kon worden op een inkomen van vijfhonderd pond, door iemand, die nooit in haar leven sparen geleerd had, wel zoo wijs om tevreden te zijn met het huis zooals het was, en ieder van haar was druk bezig haar eigen zaakjes in orde te brengen, en te pogen zich tusschen haar boeken en andere bezittingen een klein eigen thuis te vormen. Marianne’s piano werd uitgepakt en op de geschiktste plaats gezet, en Elinor’s teekeningen werden aan den wand gehangen van hun zitkamer.In deze en dergelijke bezigheden werden zij den volgenden dag spoedig na het ontbijt reeds gestoord door de komst van den huiseigenaar, die hen kwam opzoeken om hen welkom te heeten te Baron en om hun alles aan te bieden, watzijnhuis en tuin opleverden, en waaraan in de hunne voorloopig misschien gebrek was. Sir John Middleton was een knap man van omstreeks veertig jaar. Hij was vroeger wel eens te Stanhill gelogeerd geweest; maar dat was te lang geleden, dan dat zijne nichtjes zich hem nog konden herinneren. Hij had een vroolijk, vriendelijk gezicht, en zijn manieren waren even hartelijk als de toon van zijn brief. Hun komst scheen hem werkelijk veel plezier te doen en hun welzijn ging hem blijkbaar oprecht ter harte. Hij had het druk over zijn welgemeenden wensch naar een prettigen gezelligen omgang onder elkaar, endrong er zoo gul op aan, dat zij elken dag op Barton Park zouden komen dineeren tot hun huis beter op orde was, dat zij hem zijn dringend aanhouden niet kwalijk nemen konden, zelfs waar het de grenzen der beleefdheid bijna overschreed. Zijn vriendelijkheid bleef niet beperkt tot woorden; want nog geen uur nadat hij was heengegaan kwam er een groote mand vol groente en fruit van het Park; nog eer de dag voorbij was, gevolgd door een bezending gevogelte. Hij verkoos volstrekt al hun brieven voor hen af te halen en op de post te bezorgen, en wilde zich het genoegen niet laten ontzeggen, hun elken dag zijn courant te sturen.Lady Middleton had door haar man een beleefde boodschap laten zenden, waarin zij haar voornemen te kennen gaf, Mevrouw Dashwood een bezoek te brengen, zoodra zij zeker was, dat dit haar geen last zou veroorzaken, en daar die boodschap met een even beleefde uitnoodiging werd beantwoord, werd de bewuste dame reeds den volgenden dag aan hen voorgesteld.Zij waren natuurlijk zeer benieuwd iemand te leeren kennen, van wie veel van hun genoegen te Barton zou afhangen; en het bevredigde hun gespannen verwachtingen, te zien, dat zij er zeer elegant uitzag. Lady Middleton was niet ouder dan zes- of zeven en twintig; haar gezicht was knap; haar figuur imposant en forsch, en zij bewoog zich gemakkelijk. Haar manieren bezaten al de bevalligheid, die haar echtgenoot miste. Maar zij zouden toch hebben gewonnen door een weinigje van zijn rondborstigheid en warmte, en haar bezoek duurde lang genoeg om hun aanvankelijke bewondering eenigszins te doen verminderen, toen zij bespeurden dat zij, ofschoon zeer beschaafde vormen bezittend, teruggetrokken en koel was, en niets ten beste had te geven dan de meest banale vragen en opmerkingen.Aan conversatie was overigens geen gebrek;want Sir John was uiterst spraakzaam; en Lady Middleton had de wijze voorzorg genomen, haar oudste kind mede te brengen, een mooi jongetje van omstreeks zes jaar; zoodat er altijd één onderwerp overbleef, waartoe de dames in geval van nood hare toevlucht konden nemen; want zij moesten natuurlijk informeeren naar zijn naam en leeftijd, zijn aardig gezichtje bewonderen, en hem vragen doen, die zijn moeder voor hem beantwoordde, terwijl hij zich aan haar vastklemde en zijn hoofdje liet hangen, tot groote verbazing van zijn mama, die niet kon begrijpen, waarom hij zoo verlegen was in gezelschap, daar hij leven genoeg kon maken tehuis. Bij elk officieel bezoek moest er eigenlijk een kind van de partij zijn, bij wijze van reserve-onderwerp van gesprek. In het onderhavige geval werden tien minuten besteed aan de vraag of de jongen het meest op zijn vader of op zijn moeder geleek, en wààrin de bijzondere gelijkenis op beiden bestond; want natuurlijk verschilden allen van meening, en ieder was over de zienswijze der anderen zeer verbaasd.Weldra zouden de Dashwoods gelegenheid krijgen om ook over de andere kinderen van meening te wisselen; daar Sir John niet wilde heengaan, eer zij hem hadden beloofd den volgenden dag te komen eten op het Park.Hoofdstuk VIIBarton Park was ongeveer een halve mijl van hun huis gelegen. De dames waren er langs gekomen op hun weg door het dal; maar van uit Barton Cottage kon men het goed niet zien liggen, daar een vooruitstekende heuvel het vrije uitzicht erop belette. Het huis was groot en mooi; en de Middletons wisten in hun levenswijze gastvrijheid te paren aan weeldevertoon. De eerste schonk voldoening aan Sir John, het tweede aan zijne echtgenoote. Zij waren bijna nooit zonder logeergasten, en zij zagen meer menschen van allerlei slag, dan eenige andere familie in den omtrek. Voor beider geluk was dit noodzakelijk; want hoezeer zij ook verschilden in hun geaardheid en hun wijze van optreden, zij geleken sterk op elkander in dat volslagen gebrek aan talent en smaak, dat hunne bezigheden, buiten die, welke samenhingen met het gezelschapsleven, binnen een zeer engen kring beperkte. Sir John was liefhebber van sport, Lady Middleton was moeder. Hij jaagde en schoot; zij verwende haar kinderen; en op die genoegens waren zij, wat henzelf betrof, aangewezen. Lady Middleton had dit op haar man vóór, dat zij hare kinderen het geheele jaar door kon bederven, terwijl Sir John’s zelfstandige bedrijvigheid slechts de helft van dien tijd in beslag nam. Een aanhoudend “bezet zijn,” echter, in hun eigen huis en daarbuiten, vulde alle leemten aan van natuur en opvoeding; hield Sir John in een goed humeur, en schonk zijn vrouw gelegenheid uit te blinken door haar beschaafde omgangsvormen. Lady Middleton was zeer trotsch op de onberispelijkheid van haar diners, en op de geheeleinrichting van haar huishouding, en uit die soort van ijdelheid sproot haar grootste genoegen voort in de partijen, die zij plachten te geven. Maar Sir John’s behagen in gezelligen omgang was èchter; hij deed niets liever dan meer jongelui om zich heen verzamelen, dan zijn huis bergen kon, en hoe meer leven ze maakten, hoe beter het hem aanstond. Hij was een zegen voor de heele jeugd in den omtrek; want in den zomer beraamde hij altoos uitstapjes, waarbij in de open lucht veel koude kip en ham werd verorberd, en in den winter was het aantal danspartijen dat hij gaf, voldoende om elke jonge dame te bevredigen, die niet leed aan den onverzadelijken danshonger der vijftienjarigen.De komst van een nieuwe familie in den omtrek was voor hem altijd een groot genoegen, en hij was in ieder opzicht verrukt van de bewoners, die hij voor zijn huisje te Barton gewonnen had. De meisjes Dashwood waren jong, mooi, en eenvoudig. Dat was genoeg om zijn goede meening te verwerven, want eenvoudigheid was al wat een mooi meisje behoefde, om haar geest even bekoorlijk te doen zijn als haar persoon. Zijn welwillende inborst deed hem een genoegen erin vinden juist hun van dienst te zijn, wier omstandigheden, vergeleken bij vroeger, als betrekkelijk minder gunstig mochten beschouwd worden. Hij smaakte dus, door zijnen nichten vriendelijkheid te bewijzen, de oprechte voldoening van een goed hart; en dat hij een gezin, uit enkel vrouwen bestaande, in zijn huisje had geïnstalleerd, bevredigde hem in zijn kwaliteit van jachtliefhebber; want een beoefenaar van die sport moge dan al enkel dien leden zijner eigen sekse achting toedragen, die eveneens jagers zijn, hij zal niet licht verlangen hen aan te moedigen in hun liefhebberij, door hun een vaste woonplaats te verschaffen op zijn eigen grondgebied.Mevrouw Dashwood en hare dochters werden reeds aan de voordeur door Sir John begroet, diehen met ongekunstelde hartelijkheid welkom heette op Barton Park, en terwijl hij hen naar den salon geleidde, den jongen dames opnieuw zijn spijt betuigde, zooals hij den dag te voren ook reeds had gedaan, dat hij geen aardige jongelui had kunnen inviteeren, om kennis met hen te maken. Ze zouden, behalve hemzelf, hier maar één heer aantreffen; een goeden vriend van hem, die bij hen logeerde, maar die noch heel jong, noch heel vroolijk was. Hij hoopte dat zij het met hun klein kringetje zouden voor lief nemen, en kon hun verzekeren, dat het nooit weer zoo zou treffen. Hij had dien morgen verschillende families opgezocht, in de hoop om het aantal gasten met enkele te vermeerderen; maar het was lichte maan; en dan had iedereen invitaties te kust en te keur. Gelukkig was Lady Middleton’s moeder voor een uurtje aangekomen, en daar zij een heel vroolijke en lieve vrouw was, hoopte hij, dat de jonge dames zich niet zoo erg zouden vervelen als zij nu wel moesten verwachten. De jonge dames, zoowel als hare moeder, waren volkomen tevreden met het vooruitzicht twee geheel onbekenden te zullen ontmoeten, en verlangden niet naar meer.Mevrouw Jennings, Lady Middleton’s moeder, was een guitige, vroolijke, dikke, bejaarde dame, die veel praatte, blijkbaar pleizier in haar leven had, en wier beschaving wel iets te wenschen overliet. Zij deed niets dan grappen maken en lachen, en had eer het diner was afgeloopen, al veel geestigheden ten beste gegeven over het onderwerp minnaars en echtgenooten; zij hoopte dat de meisjes haar harten niet in Sussex hadden achtergelaten, en beweerde dat ze hen zag blozen, of ze dat deden of niet. Marianne ergerde zich terwille van haar zuster, en keek naar Elinor, om te zien hoe zij zich hield onder die plagerij, met een bezorgdheid, die Elinor veel meer pijn deed, dan Mevrouw Jennings’ banale aardigheden haar hadden kunnen veroorzaken.Kolonel Brandon, de vriend van Sir John, scheen, naar zijn manier van doen te oordeelen, al even weinig geschikt om diens vriend te zijn, als Lady Middleton paste als zijn vrouw, of Mevrouw Jennings als Lady Middleton’s moeder. Hij was ernstig en stil. Zijn uiterlijk was echter niet afstootend; hoewel hij in de oogen van Marianne en Margaret een echte oude vrijer was, die de vijf en dertig al achter den rug had; maar al was hij dan niet bepaald mooi, hij had een verstandig gezicht, en bijzonder aangename en beschaafde manieren.Er was niemand onder het gezelschap, die de Dashwoods bijzonder aantrok; maar de koele onbeduidendheid van Lady Middleton was zoo buitengewoon afstootend, dat daarbij vergeleken de ernst van Kolonel Brandon en zelfs de luidruchtige vroolijkheid van Sir John en zijn schoonmoeder bijna boeiend mochten genoemd worden. Lady Middleton scheen eerst op dreef te komen, toen aan het dessert haar vier drukke kinderen binnenkwamen, die op haar hingen, haar kleeren bedierven en verder elk gesprek onmogelijk maakten, dat niet henzelf betrof. Toen het later in den avond bleek, dat Marianne aan muziek deed, werd haar verzocht om iets vóór te spelen. De piano werd opengesloten, ieder maakte zich gereed om verrukt te zijn, en Marianne, die heel goed zong, nam op hun verzoek de meeste liederen door, die Lady Middleton bij haar huwelijk in de familie had meegebracht, en die misschien al dien tijd onaangeroerd op de piano hadden gelegen; want de bewuste dame had ter eere van die heugelijke gebeurtenis de muziek laten varen, hoewel zij, naar haar moeder beweerde, prachtig te spelen placht, en er, volgens haar eigen verklaring veel van hield.Marianne’s voordrachten werden zeer toegejuicht. Sir John betuigde even luidruchtig zijn bewondering aan ’t slot van elk lied, als hij gepraat had met de anderen, zoolang het duurde. LadyMiddleton riep hem herhaaldelijk tot de orde; kon maar niet begrijpen, hoe iemands aandacht één oogenblik van muziek kon afdwalen, en vroeg Marianne een geliefdkoosd lied van haar te zingen, dat de laatste juist geëindigd had. Kolonel Brandon was de eenige van het gezelschap, die haar aanhoorde zonder nu juist zoo verrukt te schijnen. Het eenig compliment dat hij haar maakte was zijn aandachtig luisteren; en zij voelde bij die gelegenheid een eerbied voor hem, waarop de anderen waarlijk alle aanspraak hadden verloren, door dat zonder eenige schaamte aan den dag leggen van hun gebrek aan smaak. Zijn genoegen in muziek, hoewel niet in de verte gelijkend op de enthousiaste verrukking, die zij alleen als gelijkwaardig kon beschouwen aan haar eigen gevoel, viel te waardeeren, wanneer men het vergeleek bij de afgrijselijke ongevoeligheid van de anderen, en zij was redelijk genoeg, om toe te geven dat een man van vijf en dertig jaar allicht te oud was geworden om nog vatbaar te zijn voor intense gemoedsbeweging of een verfijnd vermogen tot genieten. Zij was volkomen bereid, den kolonel te beschouwen met al de toegevendheid voor zijn gevorderden leeftijd, die haar menschelijk rechtvaardigheidsgevoel van haar eischte.Hoofdstuk VIIIMevrouw Jennings was een weduwe, met een ruim inkomen. Zij had slechts twee dochters, die ze beiden tot haar voldoening, een goed huwelijk had doen sluiten, en zij had dus thans niet anders meer te doen dan alle andere menschen onder elkaar uit te huwelijken. Tot het bevorderen van dit doel was zij ijverig werkzaam, zooveel in haar vermogen was, en liet geen gelegenheid voorbijgaan om huwelijken te beramen tusschen alle jongelieden die zij kende. Zij was merkwaardig vlug in het ontdekken van genegenheden, en had meermalen ’t genoegen gesmaakt, den blos van gevleide ijdelheid eener jonge dame te voorschijn te roepen, door toespelingen op den indruk, door haar op dezen of genen heer gemaakt; en die soort van scherpzinnigheid stelde haar in staat, al spoedig na haar aankomst te Barton met beslistheid te verklaren, dat Kolonel Brandon heel erg verliefd was op Marianne Dashwood. Zij had er al eenig vermoeden van, den allereersten avond dat ze elkaar ontmoetten, omdat hij zoo aandachtig naar haar zingen had geluisterd; en toen de Middletons het bezoek beantwoordden, door bij Mevrouw Dashwood te komen eten, werd dat vermoeden bewaarheid, want hij was weer één en al oor. Het moest wel. Ze was er stellig zeker van. Ze pasten uitmuntend bij elkaar, wanthijwas rijk, enzijwas mooi. Mevrouw Jennings was al verlangend geweest om Kolonel Brandon gelukkig getrouwd te zien, van ’t oogenblik af, dat zij hem door Sir John had leeren kennen; en zij bezorgde altoos graag aan ieder mooi meisje een goeden man.Voor haar zelf was hieraan een niet gering onmiddellijkvoordeel verbonden. Want het leverde haar stof tot onuitputtelijke grappen op hunne kosten. Op Barton Park lachte zij om den kolonel, en in Barton Cottage om Marianne. Den eersten liet haar scherts, waarschijnlijk, wat hèm betrof, volkomen onverschillig; voor de laatste bleef zij in ’t begin totaal onbegrijpelijk, en toen zij eindelijk de bedoeling had gevat, wist ze niet recht, of ze zou lachen om de dwaasheid van die voorstelling, of boos worden om de onbescheidenheid ervan; want zij beschouwde het als een hartelooze bespotting van des kolonels gevorderden leeftijd en zijn beklagenswaardigen staat van ongetrouwd oud heer.Mevrouw Dashwood, voor wie een man, die vijf jaar jonger was dan zijzelve, moeilijk zóó stokoud kon zijn, als hij toe scheen aan de jeugdige verbeelding harer dochter, trachtte Mevrouw Jennings te zuiveren van de verdenking, dat zij hem om zijn hoogen leeftijd had willen bespotten.“Maar mama, u kunt de dwaasheid van die beschuldiging toch niet ontkennen, al gelooft u, dat ze niet opzettelijk kwaad bedoeld was. Kolonel Brandon is jonger dan Mevrouw Jennings, dat is waar; maar hij is oud genoeg ommijnvader te zijn, en als hij ooit levendig genoeg geweest is om verliefd te wezen, dan moet hij nu toch veel te oud zijn geworden voor eenige gewaarwording van dien aard. ’t Is àl te belachelijk! Wanneer zal iemand toch bewaard blijven voor zulke geestigheden, als zijn ouderdom en de gebreken ervan hem niet eens meer beschermen?”“Gebreken!” zei Elinor; “noem je Kolonel Brandon misschien gebrekkig? Ik kan me wel voorstellen, dat hij in jouw oogen heel wat ouder lijkt dan in die van moeder; maar je kunt je toch moeilijk wijsmaken, dat hij ’t gebruik van zijn ledematen mist?”“Hoorde je hem dan niet klagen over rheumatiek?En is dat niet de meest voorkomende kwaal van den ouderdom?”“Mijn lieve kind,” zei haar moeder lachend, “op die manier moet je wel aanhoudend beangst zijn overmijnverval van krachten, en ’t moet je wel een wonder schijnen, dat ik den hoogen leeftijd van veertig jaren heb mogen bereiken.”“Mama, dat is nu niet eerlijk tegenover mij. Ik weet best, dat Kolonel Brandon nog niet zoo oud is, dat zijn vrienden moeten vreezen hem te verliezen door den eisch der natuur. Hij kan nog wel twintig jaar leven. Maar als men vijf en dertig is, komt men voor trouwen niet meer in aanmerking.”“Misschien,” zei Elinor, “moesten vijf en dertig en zeventien maar liever niet samengaan, als er van trouwen sprake is. Maar als het toevallig zoo eens uitkwam, dat een vrouw op zeven en twintig jarigen leeftijd nog ongetrouwd was gebleven, dan dunkt mij niet, dat het voor een huwelijk tusschenhaaren Kolonel Brandon een beletsel zou zijn, dat hij vijf en dertig is.”“Een vrouw van zeven en twintig jaar,” zei Marianne, na een oogenblik zwijgens, “kan onmogelijk meer hopen liefde te gevoelen of in te boezemen; en als zij geen aangenaam thuis heeft, of weinig geld, dan kan ik mij voorstellen, dat zij de taak van een verpleegster gelaten zou aanvaarden, terwille van haar verzekerde toekomst en gevestigde positie als getrouwde vrouw. Als hij zulk een vrouw trouwde, dan zou daar niets ongepasts in zijn. Een verdrag, aangegaan tot beider voordeel, terwijl de wereld zou zijn tevredengesteld. In mijn oogen zou het in ’t geheel geen huwelijk zijn, maar dat doet er natuurlijk niet toe. Voor mij zou het een handelsovereenkomst schijnen, waarbij beide partijen zichzelf wenschten te bevoordeelen, ten koste der andere.”“Ik weet het wel, ’t is onmogelijk,” antwoordde Elinor, “je te overtuigen, dat een vrouw van zevenen twintig voor een man van vijf en dertig ook maar iets kan voelen, dat genoeg op liefde lijkt, om haar hem tot een wenschelijk levensgezel te doen verkiezen. Maar ik kom er toch tegenop, dat je Kolonel Brandon en zijn vrouw tot voortdurende opsluiting in een ziekenkamer zoudt willen veroordeelen; alleen maar, omdat hij gisteren (op een erg kouden, vochtigen dag) een beetje klaagde over wat rheumatiek in zijn eenen schouder.”“Maar hij had het over flanellen vesten,” zei Marianne; “en voor mij is een flanellen vest onvermijdelijk verbonden aan pijnen, zinkingen, rheumatiek en alle soorten van kwalen, waar mee oude en zwakke menschen behept zijn.”“Had hij maar hevige koorts gehad, dan zou je niet half zoo verachtelijk op hem hebben neergezien. Beken ’t maar, Marianne, is er niet iets buitengewoon interessants voor je in de gloeiende wangen, holle oogen, en gejaagden pols van een koortslijder?”Kort daarna, toen Elinor uit de kamer was gegaan, zei Marianne: “Mama, van ziekte gesproken; ik ben op dat punt ongerust, ik zal ’t u maar eerlijk zeggen. Ik geloof stellig, dat het met Edward Ferrars niet in orde is. We zijn hier nu al haast veertien dagen, en nog komt hij niet. Ongesteldheid alleen kan de oorzaak zijn van dat allervreemdste uitstel. Wat kan hem anders te Norland terughouden?”“Hadt je dan verwacht, dat hij zóó gauw zou komen?” zei Mevrouw Dashwood. “Ik niet. Integendeel, zoo ik al eenige bezorgdheid op dat punt heb gekoesterd, dan was dat, wanneer ik mij herinnerde, hoe hij soms opvallend weinig opgewektheid of genoegen toonde, wanneer ik erover sprak, dat hij ons in Barton zou bezoeken. Geloof je, dat Elinor hem nu al verwacht?”“Ik heb er nooit met haar over gesproken; maar natuurlijk doet ze dat.”“Daarin zou je je wel kunnen vergissen; want toen ik gisteren iets tegen haar zei over ’t plaatsen van een nieuwen haard in de logeerkamer, vond ze, dat daar niet bepaald haast bij was; want het was niet waarschijnlijk, dat die kamer vooreerst gebruikt zou worden.”“Hoe vreemd toch! Wat zou het beduiden? Maar hun geheele houding tegenover elkaar vond ik onverklaarbaar in den laatsten tijd. Wat namen ze koel en bedaard afscheid! Wat hadden ze elkaar weinig te zeggen op den laatsten avond van hun samenzijn! Edward nam van Elinor niet anders afscheid dan van mij; ’t was alsof een hartelijk gezinde broer ons beiden het beste wenschte. Tweemaal heb ik hen den laatsten morgen met opzet alleen gelaten, en beide keeren ging hij, zonder de minste reden, na mij de kamer uit. En Elinor schreide niet, zooals ik, toen ze Norland èn Edward verliet. Zelfs nu verliest zij nooit haar zelfbeheersching. Wanneer is zij ooit terneergeslagen of droefgeestig? Wanneer tracht zij het gezelschap van vreemden te vermijden, of schijnt in hunne tegenwoordigheid rusteloos en onvoldaan?”Hoofdstuk IXDe Dashwoods hadden zich thans te Barton behagelijk ingericht. Met het huis en den tuin, zoowel als de geheele omgeving, waren zij vertrouwd geraakt, en de geregelde dagelijksche bezigheden, die de helft der bekoring van Norland hadden uitgemaakt, werden hervat, met veel meer genoegen, dan zij er ooit meer te Norland in hadden gevonden sedert den dood van hun vader. Sir John Middleton, die hen in de eerste paar weken elken dag kwam opzoeken, en die niet gewend was tehuis veel bedrijvigheid te zien, kon niet nalaten zijn verwondering te uiten over het feit, dat hij hen altijd druk met iets bezig vond.Veel bezoek, behalve dan vanuit Barton Park, ontvingen zij niet; want ondanks Sir Johns dringende aanmaning om toch overal in den omtrek kennis te maken, en zijn herhaalde verzekering, dat zijn rijtuig ten allen tijde ter hunner beschikking stond, overwon Mevrouw Dashwood’s onafhankelijkheidsgevoel haar wensch naar gezelligen omgang voor hare kinderen, en zij bleef bij haar vast besluit om geen families te bezoeken, die te veraf woonden, om ze wandelende te bereiken. Er vielen slechts weinige in die termen; en niet eens alle waren bereikbaar. Op ongeveer anderhalve mijl afstand van hun huisje, in de smalle slingerende vallei van Allenham, die zich, zooals boven werd omschreven, uit het dal van Barton vertakte, hadden de meisjes op een harer eerste wandelingen een oud, en deftig uitziend heerenhuis ontdekt, waaraan hun verbeelding iets aantrekkelijks verleende, omdat het hen aan Norland deeddenken, zoodat zij het wel gaarne nader hadden willen leeren kennen. Doch zij vernamen, bij verdere navraag, dat de eigenares, een bejaarde en zeer achtenswaardige vrouw, helaas te ziekelijk was om in gezelschap te verkeeren, en nooit uitging.Aan mooie wandelingen was in den omtrek waarlijk geen gebrek. De hooge heuvelhellingen, die hen van uit elk venster van hun huisje schenen uit te noodigen, om het verrukkelijk genot te smaken van de zuivere lucht op hunne toppen, vormden een aangename afwisseling, wanneer het in de dalen daarbeneden te modderig was, om van hunne grootere schoonheden te genieten, en naar een dier heuvels richtten Marianne en Margaret op een gedenkwaardigen morgen hare schreden, verlokt door een glimp van zonneschijn in een buiïge lucht, en niet langer bij machte, de strikte opsluiting te verdragen, waartoe de aanhoudende regen van de twee vorige dagen hen had veroordeeld. Het weer was niet uitlokkend genoeg om de beide anderen te bewegen, boek en penseel neer te leggen, ondanks Marianne’s verzekering, dat het een prachtige dag beloofde te worden, en dat elke dreigende wolk van hun heuvels zou optrekken; dus togen de beide meisjes er samen op uit.Vroolijk klommen zij den heuvel op, zich verheugend in elk stukje blauwe lucht, dat hun doorzicht bewees, en toen de opwekkende vlagen van een sterke Zuid-Westerbries hun in het gezicht woeien, beklaagden zij haar moeder en Elinor om de vreesachtigheid, die haar had belet, deze heerlijke gewaarwordingen te deelen. “Is er welietszoo zalig in de wereld als dit?” zei Marianne. “Margaret, een paar uur op zijn minst zal onze wandeling duren.”Daarmee was Margaret het eens, en zij liepen voort tegen den wind in, dien zij lachend van pret nog een twintig minuten weerstand boden, toen plotseling de wolken zich samenpakten boven hunhoofd, en een felle slagregen hun vlak in ’t gezicht joeg. Verdrietig en verrast moesten ze wel, tegen hun zin, omkeeren, want er was geen schuilplaats naderbij dan hun eigen huis. Een troost bleef hun echter over, die in dezen uitersten nood het aangewezen middel tot uitkomst scheen; zij mochten nu, zoo hard ze maar konden, de steile helling van den heuvel afhollen, die rechtstreeks naar hun tuinhekje leidde.Ze namen haar vaart. Marianne bleef eerst vooraan; maar een misstap deed haar struikelen, en Margaret, niet in staat op te houden, om haar zuster te helpen, werd onvrijwillig voortgedreven, en kwam behouden beneden aan den voet.Een heer, die een geweer droeg, kwam met twee spelende jachthonden juist den heuvel op, en was vlak bij Marianne, toen zij viel. Hij legde zijn geweer neer, en schoot toe om haar te helpen. Zij was half opgestaan maar had door den val haar voet verstuikt en kon er bijna niet op staande blijven. De vreemde heer bood aan haar behulpzaam te zijn, en toen hij bemerkte, dat zij uit zedigheid weigerde, wat haar toestand noodzakelijk maakte, nam hij haar zonder woorden te verspillen in zijn armen, en droeg haar den heuvel af. Den tuin doorgaande, waarvan Margaret het hek had opengelaten, bracht hij haar in het huis, waar Margaret juist was aangekomen, en liet haar niet los, eer hij haar op een stoel in de huiskamer had neergezet.Elinor en haar moeder stonden verbaasd op, toen zij binnenkwamen, en terwijl beider blik op hem bleef rusten met blijkbare verbazing, niet zonder geheime bewondering, door zijn voorkomen gewekt, verontschuldigde hij zijn indringen, door de oorzaak ervan te verklaren, op zulk een vrijmoedigen en innemenden toon, dat zijn buitengewoon knap uiterlijk aan stem en uitdrukking nog grootere bekoring ontleende. Zelfs al was hij oud, leelijk en grof geweest, dan nog zou hij Mevrouw Dashwood’sdankbare welwillendheid hebben gewonnen door elk hulpbetoon, aan haar kind verleend, maar de invloed van jeugd, schoonheid en distinctie schonk aan zijn daad een belangwekkendheid, die haar trof tot in het diepst van haar gemoed. Zij betuigde hem meermalen haar innigen dank, en vroeg hem met de innemendheid, die haar eigen was, of hij niet wilde plaats nemen. Dit deed hij liever niet, daar hij vuil en nat was. Daarop vroeg Mevrouw Dashwood, aan wien zij dank was verschuldigd. Zijn naam, antwoordde hij, was Willoughby, en op het oogenblik was hij gelogeerd te Allenham, vanwaar hij hoopte, dat zij hem zou willen toestaan haar morgen een bezoek te brengen, om te vernemen hoe Mejuffrouw Dashwood het maakte. Dat verlof werd hem gaarne geschonken, en daarop vertrok hij, interessanter nog in haar oogen dan te voren, midden in een zware regenbui.Zijn mannelijke schoonheid en de ongemeene losheid waarmede hij zich bewoog, vormden aanstonds het onderwerp van hun aller bewonderende gesprekken, en de vroolijkheid, waartoe zijn galante houding jegens Marianne aanleiding gaf, kreeg een zeer bijzonder tintje door zijn aantrekkelijk uiterlijk. Marianne zelf had hem minder goed opgenomen dan de anderen, want de verwarring, die haar diep had doen blozen, toen hij haar optilde, had het haar bijna onmogelijk gemaakt, hem te durven aanzien, nadat zij het huis waren binnengetreden. Doch zij had genoeg van hem gezien om met de bewondering der anderen in te stemmen, met de warmte, die altoos eigen was aan haar lof.Zijn houding en voorkomen waren juist zooals haar verbeelding haar den held van een harer geliefkoosde romans afschilderde; en in dat zonder bedenken haar in huis dragen lag iets van snelle beradenheid, dat in haar oogen de handeling tot iets zeer bijzonders stempelde. Alle omstandigheden, hem betreffende, waren even interessant.Zijn naam had een goeden klank, hij logeerde in een aardig hun welbekend plaatsje, en zij was het al spoedig met zich zelf eens, dat van alle mannelijke kleedij een jachtcostuum het meest flatteerde. Haar verbeelding werd steeds bezig gehouden; ze was vervuld van blijde gedachten, en de pijn van den verstuikten enkel werd niet geteld.Sir John kwam hen opzoeken, zoodra de volgende opklaring van ’t weer dien morgen hem toeliet uit te gaan, en na het verslag van Marianne’s ongeval werd hem dringend gevraagd of hij ook een heer kende te Allenham, die Willoughby heette.“Willoughby?” riep Sir John: “wel, wel, isdiehier buiten? Dat is goed nieuws; ik rijd er morgen heen en vraag hem voor Donderdag ten eten.”“Ken je hem dan?” vroeg Mevrouw Dashwood.“Kennen? ja zeker! Hij komt hier elk jaar.”“En wat voor een soort man is hij wel?”“De beste jongen van de wereld; dat kan ik je verzekeren. Een uitmuntend jager, en in ’t rijden heeft hij in Engeland zijn gelijke niet.”“En isdatal wat u te zijnen gunste kan aanvoeren?” riep Marianne verontwaardigd. “Maar hoe is hij wel in den intiemen omgang? Waarmee houdt hij zich bezig, heeft hij talenten, een genialen aanleg?”Sir John wist niet recht wat hij dáárop zou zeggen.“Ja,” zei hij, “om de waarheid te zeggen, opdiepunten weet ik niet veel van hem af. Maar ’t is een gezellige vroolijke kerel, en hij heeft den mooisten jachthond dien ik ooit heb gezien. Een zwart teefje. Had hij haar bij zich vandaag?” Maar Marianne kon hem evenmin inlichten omtrent de kleur van ’s heeren Willoughby’s hond, als hij haar de schakeeringen van diens geest vermocht te omschrijven. “Maar wie is hij eigenlijk?” vroeg Elinor. “Waar komt hij vandaan? Heeft hij in Allenham een eigen huis?”Op die punten kon Sir John hun meer betrouwbareinlichtingen verschaffen, en hij vertelde hun, dat de Heer Willoughby hier in de buurt geen eigendom bezat; en dat hij hier alleen vertoefde, als hij de oude dame kwam bezoeken op Allenham Court, die een bloedverwante van hem was, en wier bezittingen hij zou erven; terwijl hij erbij voegde: “Ja, ja, hij is de moeite waard om te veroveren, dat kan ik je verzekeren, Elinor; hij heeft nog een mooie buitenplaats in Somersetshire ook; als ik je was, ik stond hem niet af aan mijn jongere zuster, al rolde ze van nog zooveel heuvels af. Marianne moet niet denken dat alle heeren alleen om háár komen. Brandon zal jaloersch zijn, als ze niet oppast.”“Ik geloof niet,” zei Mevrouw Dashwood, met een oolijk lachje, “dat de Heer Willoughby last zal hebben van pogingen van een vanmijnedochters om hem te veroveren, zooals je dat noemt. Indierichting is hun opvoeding niet geleid geworden. Mannen behoeven vooronsniet bang te zijn, al zijn ze ook nog zoo rijk. Maar ik ben blij, te hooren dat hij van goede familie is, en iemand, met wien men niet ongaarne zou kennismaken.”“Ja, ’t is een beste kerel, voor zoover ik weet,” herhaalde Sir John. “’t Vorig jaar, met Kerstmis, bij gelegenheid van een danspartijtje bij ons op het Park, heeft hij gedanst van acht uur tot ’s morgens vier, aan één stuk door, zonder te gaan zitten.”“Och, werkelijk?” riep Marianne met schitterende oogen, “en danste hij mooi, met vuur en overgave?”“Ja, en om acht uur was hij alweer bij de hand, om mee uit te rijden op de jacht.”“Dáar houd ik nu van; zóo moeten jongelui zijn. Zóo vurig in al wat ze doen, dat ze niet willen weten van matiging, en geen vermoeidheid bespeuren.”“Jawel, jawel, ik zie ’t al aankomen,” zei Sir John. “Ik weet wel, hoe ’t zal gaan. Je hebt nu eengoed oogje op hèm; voor dien armen Brandon is de kans verkeken.”“Dàt is een uitdrukking,” zei Marianne met grooten nadruk, “waaraan ik een verschrikkelijken hekel heb. Ik verfoei al die banale pogingen om grappig te zijn, en “een oogje op iemand hebben,” of “een conquête maken” kan ik ’t allerminst uitstaan. Ze spruiten voort uit een ruwe en bekrompen opvatting, en zoo al er ooit een zweem van puntige raakheid was in die zegswijzen, dan heeft de tijd die nu toch reeds lang te niet gedaan.”Sir John begreep niet veel van die terechtwijzing; maar hij lachte even hartelijk, alsof hij dat wèl deed, en zei: “O, kom; aan conquête’s zal ’t jou niet ontbreken; is het de een niet, dan is het de ander. Die arme Brandon! hij is tot over de ooren verliefd, en datdieeen goede vangst zou zijn, dàt kan ik je verzekeren, vallen en enkeltjes verstuiken, of niet.”Hoofdstuk XMarianne’s levensredder, zooals Margaret, meer sierlijk dan juist, zich uitdrukkend, den Heer Willoughby betitelde, kwam reeds vroeg den volgenden morgen zich persoonlijk van den goeden afloop van het ongeval overtuigen. Mevrouw Dashwood ontving hem met nog iets meer dan beleefdheid, met een vriendelijkheid, waartoe Sir John’s mededeelingen en haar eigen dankbaarheid haar aandreven; en al wat voorviel gedurende zijn bezoek werkte mede om hem een hoogen dunk te doen opvatten van de verstandelijke ontwikkeling, de fijne beschaving, de wederkeerige genegenheid en het huiselijk behagen van het gezin, dat hij door een toeval had keren kennen. Omtrent de uiterlijke bekoorlijkheden der jonge dames behoefde geen tweede ontmoeting hem vollediger zekerheid te verschaffen.Elinor zag er wat teer uit; maar had geregelde trekken, en een bijzonder lief figuurtje. Marianne was mooier. Misschien iets minder welgebouwd dan haar zuster, viel zij door haar lengte meer op dan deze, en haar gezichtje was zóó bekoorlijk, dat men, door haar met de gewone overdrijving van banale loftuigingen “een schoonheid” te noemen, der waarheid minder te kort deed, dan gewoonlijk geschiedt. Haar tint was zeer donker, maar het doorschijnend zuivere van haar fijne huid deed haar schitterenden blos des te meer uitkomen, hare trekken waren welbesneden, haar glimlach was bekoorlijk en innemend, en haar oogen, die zeer donker waren, tintelden van een leven, een geest, een vuur, die men niet kon aanschouwen zonder inverrukking te geraken. Hun uitdrukking bleef aanvankelijk tegenover Willoughby eenigszins ingehouden, tengevolge van de verlegenheid, door de herinnering aan zijn hulp opnieuw gewekt. Doch toen dat voorbijging, toen zij haar rustige zelfbezinning herkreeg,—toen zij zag, dat hun bezoeker aan zijn volmaakte wellevendheid zoowel openhartigheid als levendige vroolijkheid paarde, en vooral toen zij hem hoorde verklaren, dat hij een hartstochtelijk liefhebber was van dansen en muziek, gaf haar blik een onmiskenbaar welgevallen te kennen, dat haar voor den verderen duur van het bezoek zijn onverdeelde aandacht verzekerde.Het was voldoende, een harer geliefkoosde uitspanningen aan te roeren, om haar aan het praten te brengen. Zij kòn niet zwijgen, wanneer die onderwerpen ter sprake kwamen, en verlegenheid of terughouding bestonden daarbij voor haar niet. Zij ontdekten al spoedig, dat de liefhebberij voor dansen en muziek door beiden werd gedeeld, en voortsproot uit een algeheele overstemming van hun oordeel omtrent al wat met die genoegens in verband stond. Hierdoor aangemoedigd tot een nader onderzoek naar zijne opvattingen, begon zij hem te ondervragen op het punt van literatuur; haar geliefkoosde schrijvers werden opgenoemd en besproken met een zoo geestdriftige verrukking, dat een jong mensch van vijf en twintig jaar wel uiterst ongevoelig moest zijn geweest, zoo hij niet onmiddellijk overtuigd ware geworden van de voortreffelijkheid hunner werken, al had hij ze van te voren nooit ingezien. Hun smaken kwamen merkwaardig overeen. Dezelfde boeken, dezelfde bladzijden erin werden door hen om het vurigst bewonderd,—en zoo er al eenig verschil van meening bestond, eenige tegenwerping werd geopperd, dan duurde dit toch slechts zóólang tot de welsprekendheid harer argumenten en de schittering in haar oogen het pleit hadden beslecht. Hijwas het eens met al haar beslissende uitspraken, stemde in met al haar verrukte ontboezemingen, en lang vóór zijn bezoek was geëindigd, waren zij reeds zoo vertrouwelijk in gesprek alsof zij elkander jaren hadden gekend.“Nu Marianne,” zei Elinor, zoodra hij was heengegaan; “mij dunkt dat je dezen éénen morgen goed gebruikt hebt. Op bijna elk belangrijk punt heb je Mijnheer Willoughby’s meening weten in te winnen. Je hebt gehoord, hoe hij denkt over Cowper en Scott; je bent zeker, dat hij hun schoonheden naar behooren weet te waardeeren, en je hebt de stellige overtuiging verkregen, dat hij voor Pope niet méér gevoelt, dan hij met fatsoen niet laten kan. Maar hoe zal die omgang lang kunnen duren, als ieder onderwerp van gesprek met zoo verbijsterende vlugheid wordt afgehandeld? Je zult over al je stokpaardjes gauw zijn uitgepraat. Bij een volgend bezoek zal hij voldoende gelegenheid krijgen om zijn gevoelens te uiten over schilderachtig natuurschoon en tweede huwelijken, en dan blijft er niets meer voor je te vragen over...”“Elinor,” riep Marianne; “is dàt nu eerlijk; is dat nu waar? Heb ik zóó weinig oorspronkelijke denkbeelden?—Maar ik weet wel, wat je bedoelt. Ik was te veel op mijn gemak, te vroolijk, te openhartig. Ik heb gezondigd tegen alle banale welvoegelijkheids-begrippen. Ik was oprecht en open, waar ik terughoudend, saai, vervelend en huichelachtig had moeten zijn. Wanneer ik alleen maar over ’t weer en de wegen had gesproken, wanneer ik eens in de tien minuten mijn mond had opengedaan, dan zou dit verwijt mij zijn bespaard gebleven.“Lieve kind,” zei haar moeder; “je moet het Elinor niet kwalijk nemen;—ze zei het maar voor de grap. Ik zou zelf boos op haar worden, als ze ’t over zich kon verkrijgen, je het genoegen te bederven van je gesprekken met onzen nieuwenvriend.”—Marianne’s ergernis was in een oogwenk geweken.Willoughby van zijn kant bewees, door zijn blijkbaar verlangen om den pas begonnen omgang geregeld voort te zetten, ten duidelijkste hoeveel behagen hij erin schiep. Hij kwam thans iederen dag. In het begin kon de vraag hoe het Marianne ging, als voorwendsel dienen; doch de met den dag toenemende vriendelijkheid, waarmede hij werd ontvangen maakte zulk een voorwendsel overbodig, reeds eer het onmogelijk had kunnen dienst doen, door Marianne’s volkomen herstel. Zij moest een paar dagen thuisblijven; doch nooit was eenig huisarrest haar minder onaangenaam geweest. Willoughby was een jonge man met een helder hoofd, een levendige verbeelding, een opgewekte natuur en iets openhartigs en vriendelijks in zijn optreden. Hij was als voorbestemd om juist Marianne’s hart te winnen; want aan al die gaven paarde hij niet slechts een innemend uiterlijk, doch tevens een natuurlijke vurigheid van geest, die thans door háár voorbeeld werd gewekt en aangespoord, en die hem meer dan eenige andere eigenschap haar genegenheid deed winnen.Met hem samen te zijn werd van lieverlede haar allergrootst genoegen. Zij lazen, zij praatten, zij zongen met elkaar: hij was zeer muzikaal, en hij las voor met al het gevoel en het vuur, waaraan het Edward helaas had ontbroken.In Mevrouw Dashwood’s oogen was hij even volmaakt als in die van Marianne; en Elinor vond niets op hem aan te merken, behalve een neiging, waarin hij sterk op haar zuster geleek en die deze dan ook bijzonder behaagde, van bij alle voorkomende gelegenheden veel te ronduit zijn meening te zeggen, zonder daarbij rekening te houden met personen en omstandigheden. Door dat overijld oordeelen en zijn oordeel uitspreken over anderen, door de wellevendheid in een grooteren kring telaten achterstaan bij het genoegen van zich onverdeeld te wijden aan de uitverkorene zijns harten, en door een zeker luchtig verwaarloozen van maatschappelijke omgangsvormen, gaf hij blijk van een gebrek aan voorzichtigheid, dat Elinor niet kon goedkeuren, ondanks al wat Marianne en hij hadden aan te voeren ten gunste van hunne opvatting.Marianne begon nu te bespeuren dat de vrees om nooit een man te zullen ontmoeten, die haar ideaal van volmaaktheid nabij kwam, een vrees, die haar zoo wanhopig had gemaakt, toen zij nog maar pas zestien jaar was, voorbarig en ongerechtvaardigd was geweest. Willoughby was al wat haar verbeelding haar in die droeve ure had voorgespiegeld, en thans, in zooveel blijdere dagen, even bereid en gereed om haar hart te winnen; zijn gedrag toch bewees, dat zijn verlangens in dat opzicht even ernstig gemeend waren, als zijn vermogen om liefde in te boezemen krachtig was.Ook haar moeder, in wier geest het vooruitzicht van zijn toekomstigen rijkdom geen enkele berekenende gedachte aan een huwelijk had gewekt, begon, eer een week was voorbijgegaan, daarop te hopen en het te verwachten; in stilte wenschte zij zichzelve dan ook reeds geluk met twee zulke schoonzoons als Edward en Willoughby.Kolonel Brandon’s belangstelling in Marianne, die zijn vrienden reeds zoo spoedig hadden opgemerkt, werd thans eerst duidelijk voor Elinor; nu de anderen er niet meer op letten. Hun aandacht en hun geestigheden kozen zich thans zijn gelukkigen mededinger tot doelwit, en de plagerijen, waaraan de Kolonel had blootgestaan, eer hij eenige voorkeur had doen blijken, hielden op, toen zijn gevoelens met meer recht de spotternij hadden kunnen uitlokken, die gevoeligheid maar al te dikwijls pleegt te treffen. Elinor moest, haars ondanks, wel gelooven, dat de gevoelens, welke Mevrouw Jennings hem te haren opzichte hadtoegeschreven, hem thans werkelijk werden ingeboezemd door hare zuster, en dat, al mocht een algemeene overeenstemming tusschen beider karaktertrekken de neiging van Willoughby in de hand werken, een even opvallende tegenstelling in aard en aanleg geen beletsel was voor Kolonel Brandon’s genegenheid. Zij zag hetmetleedwezen; want wat kon een stille man van vijf en dertig hopen, naast en tegenover een vijf en twintigjarige, die een en al vuur en leven was? En daar zij zelfs niet kon wenschen, dat zijn verlangen vervuld zou worden, hoopte zij van harte, dat hij onverschillig mocht zijn. Zij hield van hem;—ondanks zijn ernst en terughouding wekte hij hare belangstelling. Ofschoon zoo ernstig, was hij zacht en vriendelijk in den omgang, en zijn teruggetrokken houding scheen veeleer het gevolg van gedruktheid, dan van een zwaarmoedigen en somberen aard. Sir John had zich wel eens iets laten ontvallen over door hem ondervonden grieven en teleurstellingen, welke haar vermoeden dat hij ongelukkig was, bevestigden, en zij beschouwde hem met eerbied en medelijden. Misschien beklaagde en waardeerde zij hem des te meer omdat hij weinig in tel was bij Willoughby en Marianne, die, bevooroordeeld tegenover iemand, noch jong, noch opgewekt van aard, zich schenen te hebben voorgenomen, zijn verdienste te onderschatten.“Brandon is nu zoo iemand,” zei Willoughby eens, toen zij samen over hem spraken, “die door ieder wordt geprezen, en om wien niemand geeft; die steeds met blijdschap wordt begroet; maar wien iedereen vergeet aan te spreken.”“Dat is nu juist de indruk, dien hij ook maakt op mij,” riep Marianne.“Daar behoef je je niet op te verheffen,” zei Elinor; “want het is van jullie allebei onrechtvaardig. Hij wordt ten zeerste gewaardeerd door de familie op Barton Park, en ik zelf zie hem nooit,zonder bepaald moeite te doen met hem een gesprek te voeren.”“Dat u hem de hand boven ’t hoofd houdt,” antwoordde Willoughby, “spreekt te zijnen gunste; maar die waardeering van de anderen is op zichzelf al een blaam. Wie zou de schande willen verdragen van zich geprezen te zien door dames als Lady Middleton en Mevrouw Jennings, die door ieder ander met de meest volkomen onverschilligheid worden beschouwd?”“Maar misschien weegt de afkeuring van menschen als u en Marianne wel op tegen de waardeering van Lady Middleton en haar moeder. Als haar lof blaam is, dan kan jelui blaam wel als lof worden aangemerkt; want hun gemis van doorzicht is volstrekt niet grooter dan jelui vooroordeel en onbillijkheid.”“Waar het geldt uw beschermeling te verdedigen, wordt u zelfs scherp.”“Mijn beschermeling, zooals u hem noemt, is een verstandig man, en tot verstand voel ik mij altijd aangetrokken. Ja Marianne, zelfs in een man tusschen de dertig en veertig. Hij heeft veel van de wereld gezien; lang in het buitenland vertoefd; hij houdt van lezen en is gewend, na te denken. Ik heb ondervonden, dat hij in staat was, mij omtrent allerlei onderwerpen voor te lichten, en hij heeft altoos mijn vragen beantwoord met de bereidwilligheid van een beschaafd en goedhartig man.”“Nu ja,” riep Marianne op minachtenden toon, “hij heeft je verteld dat in Oost-Indië het klimaat erg warm is, en dat de muskieten er lastig zijn.”“Datzouhij mij allicht verteld hebben, als ik hem ernaar had gevraagd; maar toevallig waren dat punten, waaromtrent ik reeds eerder zekerheid had verkregen.”“Misschien,” zei Willoughby, “strekten zijn waarnemingen zich wel uit tot nabobs, rijk versierde mooren, en palankijnen.”“Ik durf wel zeggen, datzijnwaarnemingen verder reikten dan uw doorzicht. Maar wat hebt u eigenlijk op hem tegen?”“Ik hèb niets op hem tegen. Integendeel, ik beschouw hem als een zeer achtenswaardig man, die door ieder geroemd wordt, en van wien niemand notitie neemt; iemand die meer geld heeft, dan hij kan uitgeven; meer tijd, dan hij behoorlijk weet te gebruiken, en twee nieuwe pakken in het jaar.”“En voeg er dan nog bij,” riep Marianne, “dat hij noch geniaal, noch artistiek, noch geestig is. Dat het zijn geest ontbreekt aan leven, zijn gevoel aan vuur, en zijn stem aan uitdrukking.”“Je beslissend oordeel over zijn onvolmaaktheden is zoo veelomvattend,” antwoordde Elinor, “en zoo zeer gekleurd door je eigen verbeelding, dat de lof, dien ik hem vermag te schenken, daarbij vergeleken koel en onbeteekenend schijnt. Ik kan alleen verklaren, dat hij een verstandig man is, beschaafd, ontwikkeld, vriendelijk in den omgang, en naar het mij voorkomt, iemand met een goed hart.”“Juffrouw Dashwood,” riep Willoughby; “u behandelt mij heel onaardig. U tracht mij door redeneering te ontwapenen, en mij te overtuigen, tegen mijn zin. Maar het helpt u niets. U zult mij even koppig vinden als u listig bent. Voor mijn ongunstige meening omtrent Kolonel Brandon bestaan drie afdoende redenen: hij heeft voorspeld, dat het zou gaan regenen, terwijl ik op mooi weer hoopte; hij heeft aanmerkingen gemaakt op den bouw van mijn rijtuig, en ik kan hem niet overhalen mijn bruine merrie te koopen. Als het u echter eenige voldoening kan schenken, te vernemen, dat ik zijn karakter in elk ander opzicht onberispelijk vind, dan ben ik bereid, dat te erkennen. En als belooning voor die erkentenis, die niet anders dan een weinig pijnlijk voor mij kan zijn, moogt u mij het voorrecht niet ontzeggen, hem nog evenmin te kunnen uitstaan als voorheen.”
Hoofdstuk VZoodra haar antwoord was verzonden, gunde Mevrouw Dashwood zich het genoegen, haar stiefzoon en zijn vrouw mee te deelen, dat zij een huis had gevonden, en hen niet langer zou lastig vallen dan noodig was, totdat alles in gereedheid was gebracht om het te betrekken. Zij vernamen het bericht niet zonder verrassing. Mevrouw John Dashwood zei niets; doch haar echtgenoot gaf beleefd zijn hoop te kennen, dat zij niet ver van Norland wonen zou.Het was haar een groote voldoening te kunnen antwoorden, dat zij naar Devonshire ging. Toen Edward dit hoorde, keerde hij zich haastig naar haar om, en herhaalde, op een toon van verwondering en spijt, die voor haar geen verklaring behoefde: “Naar Devonshire! Gaat u werkelijk dáárheen? Zoo ver van hier? En naar welk gedeelte dan?”Zij beschreef de ligging van het nieuwe huis. Het was een kleine vier mijlen ten Noorden van Exeter.“Het is maar een landhuisje,” ging zij voort; “maar ik hoop er velen van mijn vrienden te zullen ontvangen. Er kunnen gemakkelijk een paar kamers worden aangebouwd; en als mijn kennissen er geen bezwaar in zien, zoo ver te reizen om mij op te zoeken, dan zal ik dat zeer zeker evenmin hebben om hen te herbergen.”Zij besloot met een zeer vriendelijke uitnoodiging aan den Heer en Mevrouw Dashwood om haar te Barton te bezoeken, en tot Edward richtte zij die met nog meer hartelijkheid. Hoewel het onlangs met haar schoondochter gevoerde gesprek haar had doen besluiten niet langer te Norland teblijven dan onvermijdelijk was, het had niet den minsten indruk op haar gemaakt in dàt opzicht, waarom het voornamelijk was begonnen. Het was thans zoomin als vroeger haar bedoeling, Edward en Elinor van elkaar te scheiden; en zij wenschte Mevrouw John Dashwood, door deze opzettelijk tot haar broeder gerichte uitnoodiging, duidelijk te toonen, hoe zij zich in ’t minst niet bekommerde om het afkeurend oordeel der laatste over deze verbintenis.De Heer John Dashwood verzekerde zijne moeder herhaalde malen, hoe bijzonder het hem speet, dat zij een huis had gekozen, zóó ver van Norland, dat hij haar met het vervoer van haar meubels niet van dienst kon zijn. Hij voelde bij deze gelegenheid werkelijk eenige gewetensknaging; want het eenig hulpbetoon, waartoe hij de vervulling van de belofte aan zijn vader had beperkt, werd door deze schikking feitelijk onuitvoerbaar. De verhuisboedel werd met de boot verzonden, en bestond hoofdzakelijk uit huishoudlinnen, zilver, porselein en boeken, benevens een mooie piano van Marianne. Mevrouw John Dashwood zag de kisten met een zucht verdwijnen; zij kon niet nalaten het bitter grievend te vinden, dat Mevrouw Dashwood, wier inkomen zoo gering was, vergeleken bij het hare, toch nog enkele mooie meubels bezat.Mevrouw Dashwood huurde het huis voor een jaar; het was geheel gemeubileerd, en zij kon het dadelijk betrekken. Aan geen van beide zijden deed zich eenig bezwaar op bij de overeenkomst, en zij wachtte slechts tot haar goed te Norland was gepakt en zij haar toekomstig huishouden eenigszins geregeld had, eer zij naar het Westen vertrok. Daar zij bijzonder vlug was in ’t uitvoeren van alles wat haar ter harte ging, nam dit niet veel tijd. De paarden, die haar man haar had nagelaten, waren kort na zijn dood verkocht, en daar zich thans een gelegenheid aanbood, haar rijtuig van de hand te doen, stemdezij, op het ernstig aandringen harer oudste dochter, erin toe, dit ook te verkoopen. Voor het gemak van haar kinderen zou zij het liever hebben gehouden, als zij met haar eigen wenschen te rade ging; maar Elinor’s voorzichtigheid behield de overhand. Hare wijsheid was het ook, die het getal hunner dienstboden beperkte tot drie—twee meisjes en een knecht, die zij gemakkelijk konden vinden onder degenen, die vroeger tot hun dienstpersoneel te Norland hadden behoord.De knecht en een van de dienstmeisjes werden dadelijk naar Devonshire gezonden om het huis in orde te brengen tegen de komst hunner meesteres; want daar Mevrouw Dashwood Lady Middleton in het geheel niet kende, wilde zij liever aanstonds naar haar huisje gaan, dan op Barton Park te logeeren, en zij vertrouwde zoo vast op Sir John’s omschrijving van het huis, dat zij niet eens nieuwsgierig was, het zelf eens van nabij te zien, eer zij er haar intrek ging nemen. Haar verlangen om Norland te verlaten werd voor vermindering gevrijwaard door de blijkbare voldoening van hare schoondochter in ’t vooruitzicht van haar vertrek; eene voldoening, die slechts flauw te verbergen werd gepoogd, door een koeltjes gedaan voorstel om dat vertrek nog een weinig uit te stellen. Thans was de tijd gekomen dat de belofte van haar stiefzoon, aan zijn vader gedaan, op het meest gepaste oogenblik had kunnen vervuld worden. Daar hij verzuimd had het te doen, toen hij het goed in bezit nam, kon hun vertrek uit zijn huis als hetmeestgeschikte tijdstip voor die vervulling worden aangemerkt. Doch Mevrouw Dashwood begon in den laatsten tijd alle verwachtingen van dien aard te laten varen en de overtuiging te koesteren, die zij afleidde uit zijn algemeene opmerkingen in het gesprek, dat zijn hulp zich niet verder uitstrekte dan de zes maanden huisvesting, die hij hun had verleend te Norland. Hij praatte zooveel over detoenemende duurte van het huishouden, en de aanhoudende onvoorziene eischen aan zijn beurs, waaraan iemand van eenig aanzien in de wereld was blootgesteld, dat het haast scheen, alsof hij eerder zelf geld noodig had, dan dat hij eenig plan koesterde om het weg te schenken.Reeds een paar weken na den dag, waarop Sir John Middleton’s eerste brief te Norland werd ontvangen, was alles zoover gereed in hun toekomstig verblijf, dat Mevrouw Dashwood en hare dochters de reis erheen konden ondernemen.Vele tranen werden door hen gestort bij hun laatst vaarwel aan de plek, die zij zoozeer hadden liefgehad. “Lief, lief Norland!” zei Marianne, toen zij alleen rondom het huis zwierf, den laatsten avond: “wanneer zal ik ophouden u te betreuren!—Wanneer zal ik geleerd hebben, mij ergens anders thuis te gevoelen? Ach, gelukkig huis! kondt ge maar weten hoe ik lijd, terwijl ik u aanschouw van deze plek, vanwaar ik u misschien nooit meer zien zal!—En gij, welbekende boomen!—maar gij zult hetzelfde blijven.—Geen blad zal verwelken omdat wij zijn heengegaan, geen twijgje zal ophouden zich te bewegen, ofschoon wij het niet meer kunnen aanzien! Neen; gij blijft dezelfde; onbewust van de blijdschap of de treurigheid die gij wekt, enongevoeligvoor eenige verandering in degenen, die wandelen onder uw schaduwrijk loover! Maar wie blijft hier over om van u te genieten?”—
Zoodra haar antwoord was verzonden, gunde Mevrouw Dashwood zich het genoegen, haar stiefzoon en zijn vrouw mee te deelen, dat zij een huis had gevonden, en hen niet langer zou lastig vallen dan noodig was, totdat alles in gereedheid was gebracht om het te betrekken. Zij vernamen het bericht niet zonder verrassing. Mevrouw John Dashwood zei niets; doch haar echtgenoot gaf beleefd zijn hoop te kennen, dat zij niet ver van Norland wonen zou.
Het was haar een groote voldoening te kunnen antwoorden, dat zij naar Devonshire ging. Toen Edward dit hoorde, keerde hij zich haastig naar haar om, en herhaalde, op een toon van verwondering en spijt, die voor haar geen verklaring behoefde: “Naar Devonshire! Gaat u werkelijk dáárheen? Zoo ver van hier? En naar welk gedeelte dan?”
Zij beschreef de ligging van het nieuwe huis. Het was een kleine vier mijlen ten Noorden van Exeter.
“Het is maar een landhuisje,” ging zij voort; “maar ik hoop er velen van mijn vrienden te zullen ontvangen. Er kunnen gemakkelijk een paar kamers worden aangebouwd; en als mijn kennissen er geen bezwaar in zien, zoo ver te reizen om mij op te zoeken, dan zal ik dat zeer zeker evenmin hebben om hen te herbergen.”
Zij besloot met een zeer vriendelijke uitnoodiging aan den Heer en Mevrouw Dashwood om haar te Barton te bezoeken, en tot Edward richtte zij die met nog meer hartelijkheid. Hoewel het onlangs met haar schoondochter gevoerde gesprek haar had doen besluiten niet langer te Norland teblijven dan onvermijdelijk was, het had niet den minsten indruk op haar gemaakt in dàt opzicht, waarom het voornamelijk was begonnen. Het was thans zoomin als vroeger haar bedoeling, Edward en Elinor van elkaar te scheiden; en zij wenschte Mevrouw John Dashwood, door deze opzettelijk tot haar broeder gerichte uitnoodiging, duidelijk te toonen, hoe zij zich in ’t minst niet bekommerde om het afkeurend oordeel der laatste over deze verbintenis.
De Heer John Dashwood verzekerde zijne moeder herhaalde malen, hoe bijzonder het hem speet, dat zij een huis had gekozen, zóó ver van Norland, dat hij haar met het vervoer van haar meubels niet van dienst kon zijn. Hij voelde bij deze gelegenheid werkelijk eenige gewetensknaging; want het eenig hulpbetoon, waartoe hij de vervulling van de belofte aan zijn vader had beperkt, werd door deze schikking feitelijk onuitvoerbaar. De verhuisboedel werd met de boot verzonden, en bestond hoofdzakelijk uit huishoudlinnen, zilver, porselein en boeken, benevens een mooie piano van Marianne. Mevrouw John Dashwood zag de kisten met een zucht verdwijnen; zij kon niet nalaten het bitter grievend te vinden, dat Mevrouw Dashwood, wier inkomen zoo gering was, vergeleken bij het hare, toch nog enkele mooie meubels bezat.
Mevrouw Dashwood huurde het huis voor een jaar; het was geheel gemeubileerd, en zij kon het dadelijk betrekken. Aan geen van beide zijden deed zich eenig bezwaar op bij de overeenkomst, en zij wachtte slechts tot haar goed te Norland was gepakt en zij haar toekomstig huishouden eenigszins geregeld had, eer zij naar het Westen vertrok. Daar zij bijzonder vlug was in ’t uitvoeren van alles wat haar ter harte ging, nam dit niet veel tijd. De paarden, die haar man haar had nagelaten, waren kort na zijn dood verkocht, en daar zich thans een gelegenheid aanbood, haar rijtuig van de hand te doen, stemdezij, op het ernstig aandringen harer oudste dochter, erin toe, dit ook te verkoopen. Voor het gemak van haar kinderen zou zij het liever hebben gehouden, als zij met haar eigen wenschen te rade ging; maar Elinor’s voorzichtigheid behield de overhand. Hare wijsheid was het ook, die het getal hunner dienstboden beperkte tot drie—twee meisjes en een knecht, die zij gemakkelijk konden vinden onder degenen, die vroeger tot hun dienstpersoneel te Norland hadden behoord.
De knecht en een van de dienstmeisjes werden dadelijk naar Devonshire gezonden om het huis in orde te brengen tegen de komst hunner meesteres; want daar Mevrouw Dashwood Lady Middleton in het geheel niet kende, wilde zij liever aanstonds naar haar huisje gaan, dan op Barton Park te logeeren, en zij vertrouwde zoo vast op Sir John’s omschrijving van het huis, dat zij niet eens nieuwsgierig was, het zelf eens van nabij te zien, eer zij er haar intrek ging nemen. Haar verlangen om Norland te verlaten werd voor vermindering gevrijwaard door de blijkbare voldoening van hare schoondochter in ’t vooruitzicht van haar vertrek; eene voldoening, die slechts flauw te verbergen werd gepoogd, door een koeltjes gedaan voorstel om dat vertrek nog een weinig uit te stellen. Thans was de tijd gekomen dat de belofte van haar stiefzoon, aan zijn vader gedaan, op het meest gepaste oogenblik had kunnen vervuld worden. Daar hij verzuimd had het te doen, toen hij het goed in bezit nam, kon hun vertrek uit zijn huis als hetmeestgeschikte tijdstip voor die vervulling worden aangemerkt. Doch Mevrouw Dashwood begon in den laatsten tijd alle verwachtingen van dien aard te laten varen en de overtuiging te koesteren, die zij afleidde uit zijn algemeene opmerkingen in het gesprek, dat zijn hulp zich niet verder uitstrekte dan de zes maanden huisvesting, die hij hun had verleend te Norland. Hij praatte zooveel over detoenemende duurte van het huishouden, en de aanhoudende onvoorziene eischen aan zijn beurs, waaraan iemand van eenig aanzien in de wereld was blootgesteld, dat het haast scheen, alsof hij eerder zelf geld noodig had, dan dat hij eenig plan koesterde om het weg te schenken.
Reeds een paar weken na den dag, waarop Sir John Middleton’s eerste brief te Norland werd ontvangen, was alles zoover gereed in hun toekomstig verblijf, dat Mevrouw Dashwood en hare dochters de reis erheen konden ondernemen.
Vele tranen werden door hen gestort bij hun laatst vaarwel aan de plek, die zij zoozeer hadden liefgehad. “Lief, lief Norland!” zei Marianne, toen zij alleen rondom het huis zwierf, den laatsten avond: “wanneer zal ik ophouden u te betreuren!—Wanneer zal ik geleerd hebben, mij ergens anders thuis te gevoelen? Ach, gelukkig huis! kondt ge maar weten hoe ik lijd, terwijl ik u aanschouw van deze plek, vanwaar ik u misschien nooit meer zien zal!—En gij, welbekende boomen!—maar gij zult hetzelfde blijven.—Geen blad zal verwelken omdat wij zijn heengegaan, geen twijgje zal ophouden zich te bewegen, ofschoon wij het niet meer kunnen aanzien! Neen; gij blijft dezelfde; onbewust van de blijdschap of de treurigheid die gij wekt, enongevoeligvoor eenige verandering in degenen, die wandelen onder uw schaduwrijk loover! Maar wie blijft hier over om van u te genieten?”—
Hoofdstuk VIHet eerste gedeelte van de reis werd afgelegd in een al te treurige stemming, om anders dan vervelend en onaangenaam te zijn. Doch toen zij het eind ervan naderden, won hun belangstelling in het voorkomen van de streek, waar zij thans zouden wonen, het van hunne neerslachtigheid, en het uitzicht op Barton Valley stemde hen bijna vroolijk. Het was een mooie, vruchtbare plek, met veel bosschen en weiland. Na den loop van het dal meer dan een mijl lang gevolgd te hebben, kwamen zij aan hun eigen huis. Een klein omheind grasveld was al wat er bij behoorde aan de voorzijde, en een eenvoudig hekje verleende hun toegang.Als huis beschouwd, was Barton Cottage, hoewel klein, toch geriefelijk en beknopt; maar als landelijk buitenhuisje liet het te wenschen over; daar het regelmatig van bouw en met pannen gedekt was, terwijl noch de luiken groen waren geverfd, noch de muren begroeid met kamperfoelie. Een smalle gang leidde recht door het huis naar den daarachter gelegen tuin. Ter weerszijden van de voordeur was een zitkamer van ruim vijf meter in het vierkant; daarachter lagen de keuken met bijkeukens, en de trap. Verder waren er nog vier slaapvertrekken en twee zolderkamers. Het was nog niet zeer lang geleden gebouwd en goed onderhouden. Vergeleken bij Norland was het wel héél nederig en klein!—doch de tranen, door die herinnering te voorschijn geroepen bij hun binnentreden, waren spoedig gedroogd. De blijdschap van de dienstboden over hunne komst vroolijkte hen een weinig op, en ieder besloot terwille van de anderen zichverheugd te toonen. Het was in ’t begin van September; de mooiste tijd van het jaar, en door de omgeving voor het eerst te zien bij goed weer, ontvingen zij een gunstigen indruk, die belangrijk medewerkte om hun blijvende goede meening er omtrent te bevestigen. Het huis was aangenaam gelegen. Vlak er achter, en op geringen afstand aan beide zijden, rezen hooge heuvels op; sommige vrij en open, met glooiende hellingen, andere bebouwd en bedekt met bosch. Het dorp Barton lag grootendeels op een dier heuvels, en leverde een aardig uitkijkje van uit de vensters van het huis. Aan de voorzijde was het uitzicht ruimer; men overzag van hier de geheele vallei, en zelfs een gedeelte van de streek die eraan grensde. De heuvels, die het huisje omringden, sloten het dal aan die zijde af; onder een anderen naam en in een andere richting vertakte het zich weer, waar twee der hoogste samenkwamen.Over de grootte van het huis en over de meubileering was Mevrouw Dashwood over ’t geheel wel voldaan; want ofschoon haar vorige levenswijze menige toevoeging aan het meubilair onontbeerlijk deed schijnen, juist in dat aanschaffen en verfraaien had zij veel plezier; en voor het oogenblik had zij genoeg gereed geld, om zich alles te kunnen veroorloven wat vereischt werd, om haar vertrekken smaakvol in te richten. “Wat het huis zelf betreft,” zeide zij, “het is te klein voor ons gezin; maar we kunnen ons voorloopig er vrij goed in bewegen, en het is nu te laat in het jaar om verbeteringen aan te brengen. Misschien kunnen we in ’t voorjaar, als ik ruim bij kas ben, zooals ik wel denk dat ’t geval zal zijn, aan bouwen gaan denken. De voorkamers zijn beide te klein voor het aantal gasten, dat ik hier dikwijls hoop bijeen te zien, en ik denk erover om de gang met de eene kamer te laten samenvallen, en misschien ook nog een gedeelte van de andere, zoodat de overblijvenderuimte als vestibule kan dienen; als daar dan een nieuwe salon wordt aangebouwd, wat gemakkelijk kan, met nog een slaap- en zolderkamer erboven, dan wordt het werkelijk een gezellig huisje. Als de trap nu maar mooier was. Maar men kan niet alles verwachten; hoewel ik denk dat het niet moeilijk zou zijn die te verbreeden. Ik zal eens zien hoe florissant het er uitziet met mijn financiën in het voorjaar, en daarvan onze bouwplannen laten afhangen.”Intusschen waren zij, totdat al die veranderingen zouden worden bekostigd uit wat er gespaard kon worden op een inkomen van vijfhonderd pond, door iemand, die nooit in haar leven sparen geleerd had, wel zoo wijs om tevreden te zijn met het huis zooals het was, en ieder van haar was druk bezig haar eigen zaakjes in orde te brengen, en te pogen zich tusschen haar boeken en andere bezittingen een klein eigen thuis te vormen. Marianne’s piano werd uitgepakt en op de geschiktste plaats gezet, en Elinor’s teekeningen werden aan den wand gehangen van hun zitkamer.In deze en dergelijke bezigheden werden zij den volgenden dag spoedig na het ontbijt reeds gestoord door de komst van den huiseigenaar, die hen kwam opzoeken om hen welkom te heeten te Baron en om hun alles aan te bieden, watzijnhuis en tuin opleverden, en waaraan in de hunne voorloopig misschien gebrek was. Sir John Middleton was een knap man van omstreeks veertig jaar. Hij was vroeger wel eens te Stanhill gelogeerd geweest; maar dat was te lang geleden, dan dat zijne nichtjes zich hem nog konden herinneren. Hij had een vroolijk, vriendelijk gezicht, en zijn manieren waren even hartelijk als de toon van zijn brief. Hun komst scheen hem werkelijk veel plezier te doen en hun welzijn ging hem blijkbaar oprecht ter harte. Hij had het druk over zijn welgemeenden wensch naar een prettigen gezelligen omgang onder elkaar, endrong er zoo gul op aan, dat zij elken dag op Barton Park zouden komen dineeren tot hun huis beter op orde was, dat zij hem zijn dringend aanhouden niet kwalijk nemen konden, zelfs waar het de grenzen der beleefdheid bijna overschreed. Zijn vriendelijkheid bleef niet beperkt tot woorden; want nog geen uur nadat hij was heengegaan kwam er een groote mand vol groente en fruit van het Park; nog eer de dag voorbij was, gevolgd door een bezending gevogelte. Hij verkoos volstrekt al hun brieven voor hen af te halen en op de post te bezorgen, en wilde zich het genoegen niet laten ontzeggen, hun elken dag zijn courant te sturen.Lady Middleton had door haar man een beleefde boodschap laten zenden, waarin zij haar voornemen te kennen gaf, Mevrouw Dashwood een bezoek te brengen, zoodra zij zeker was, dat dit haar geen last zou veroorzaken, en daar die boodschap met een even beleefde uitnoodiging werd beantwoord, werd de bewuste dame reeds den volgenden dag aan hen voorgesteld.Zij waren natuurlijk zeer benieuwd iemand te leeren kennen, van wie veel van hun genoegen te Barton zou afhangen; en het bevredigde hun gespannen verwachtingen, te zien, dat zij er zeer elegant uitzag. Lady Middleton was niet ouder dan zes- of zeven en twintig; haar gezicht was knap; haar figuur imposant en forsch, en zij bewoog zich gemakkelijk. Haar manieren bezaten al de bevalligheid, die haar echtgenoot miste. Maar zij zouden toch hebben gewonnen door een weinigje van zijn rondborstigheid en warmte, en haar bezoek duurde lang genoeg om hun aanvankelijke bewondering eenigszins te doen verminderen, toen zij bespeurden dat zij, ofschoon zeer beschaafde vormen bezittend, teruggetrokken en koel was, en niets ten beste had te geven dan de meest banale vragen en opmerkingen.Aan conversatie was overigens geen gebrek;want Sir John was uiterst spraakzaam; en Lady Middleton had de wijze voorzorg genomen, haar oudste kind mede te brengen, een mooi jongetje van omstreeks zes jaar; zoodat er altijd één onderwerp overbleef, waartoe de dames in geval van nood hare toevlucht konden nemen; want zij moesten natuurlijk informeeren naar zijn naam en leeftijd, zijn aardig gezichtje bewonderen, en hem vragen doen, die zijn moeder voor hem beantwoordde, terwijl hij zich aan haar vastklemde en zijn hoofdje liet hangen, tot groote verbazing van zijn mama, die niet kon begrijpen, waarom hij zoo verlegen was in gezelschap, daar hij leven genoeg kon maken tehuis. Bij elk officieel bezoek moest er eigenlijk een kind van de partij zijn, bij wijze van reserve-onderwerp van gesprek. In het onderhavige geval werden tien minuten besteed aan de vraag of de jongen het meest op zijn vader of op zijn moeder geleek, en wààrin de bijzondere gelijkenis op beiden bestond; want natuurlijk verschilden allen van meening, en ieder was over de zienswijze der anderen zeer verbaasd.Weldra zouden de Dashwoods gelegenheid krijgen om ook over de andere kinderen van meening te wisselen; daar Sir John niet wilde heengaan, eer zij hem hadden beloofd den volgenden dag te komen eten op het Park.
Het eerste gedeelte van de reis werd afgelegd in een al te treurige stemming, om anders dan vervelend en onaangenaam te zijn. Doch toen zij het eind ervan naderden, won hun belangstelling in het voorkomen van de streek, waar zij thans zouden wonen, het van hunne neerslachtigheid, en het uitzicht op Barton Valley stemde hen bijna vroolijk. Het was een mooie, vruchtbare plek, met veel bosschen en weiland. Na den loop van het dal meer dan een mijl lang gevolgd te hebben, kwamen zij aan hun eigen huis. Een klein omheind grasveld was al wat er bij behoorde aan de voorzijde, en een eenvoudig hekje verleende hun toegang.
Als huis beschouwd, was Barton Cottage, hoewel klein, toch geriefelijk en beknopt; maar als landelijk buitenhuisje liet het te wenschen over; daar het regelmatig van bouw en met pannen gedekt was, terwijl noch de luiken groen waren geverfd, noch de muren begroeid met kamperfoelie. Een smalle gang leidde recht door het huis naar den daarachter gelegen tuin. Ter weerszijden van de voordeur was een zitkamer van ruim vijf meter in het vierkant; daarachter lagen de keuken met bijkeukens, en de trap. Verder waren er nog vier slaapvertrekken en twee zolderkamers. Het was nog niet zeer lang geleden gebouwd en goed onderhouden. Vergeleken bij Norland was het wel héél nederig en klein!—doch de tranen, door die herinnering te voorschijn geroepen bij hun binnentreden, waren spoedig gedroogd. De blijdschap van de dienstboden over hunne komst vroolijkte hen een weinig op, en ieder besloot terwille van de anderen zichverheugd te toonen. Het was in ’t begin van September; de mooiste tijd van het jaar, en door de omgeving voor het eerst te zien bij goed weer, ontvingen zij een gunstigen indruk, die belangrijk medewerkte om hun blijvende goede meening er omtrent te bevestigen. Het huis was aangenaam gelegen. Vlak er achter, en op geringen afstand aan beide zijden, rezen hooge heuvels op; sommige vrij en open, met glooiende hellingen, andere bebouwd en bedekt met bosch. Het dorp Barton lag grootendeels op een dier heuvels, en leverde een aardig uitkijkje van uit de vensters van het huis. Aan de voorzijde was het uitzicht ruimer; men overzag van hier de geheele vallei, en zelfs een gedeelte van de streek die eraan grensde. De heuvels, die het huisje omringden, sloten het dal aan die zijde af; onder een anderen naam en in een andere richting vertakte het zich weer, waar twee der hoogste samenkwamen.
Over de grootte van het huis en over de meubileering was Mevrouw Dashwood over ’t geheel wel voldaan; want ofschoon haar vorige levenswijze menige toevoeging aan het meubilair onontbeerlijk deed schijnen, juist in dat aanschaffen en verfraaien had zij veel plezier; en voor het oogenblik had zij genoeg gereed geld, om zich alles te kunnen veroorloven wat vereischt werd, om haar vertrekken smaakvol in te richten. “Wat het huis zelf betreft,” zeide zij, “het is te klein voor ons gezin; maar we kunnen ons voorloopig er vrij goed in bewegen, en het is nu te laat in het jaar om verbeteringen aan te brengen. Misschien kunnen we in ’t voorjaar, als ik ruim bij kas ben, zooals ik wel denk dat ’t geval zal zijn, aan bouwen gaan denken. De voorkamers zijn beide te klein voor het aantal gasten, dat ik hier dikwijls hoop bijeen te zien, en ik denk erover om de gang met de eene kamer te laten samenvallen, en misschien ook nog een gedeelte van de andere, zoodat de overblijvenderuimte als vestibule kan dienen; als daar dan een nieuwe salon wordt aangebouwd, wat gemakkelijk kan, met nog een slaap- en zolderkamer erboven, dan wordt het werkelijk een gezellig huisje. Als de trap nu maar mooier was. Maar men kan niet alles verwachten; hoewel ik denk dat het niet moeilijk zou zijn die te verbreeden. Ik zal eens zien hoe florissant het er uitziet met mijn financiën in het voorjaar, en daarvan onze bouwplannen laten afhangen.”
Intusschen waren zij, totdat al die veranderingen zouden worden bekostigd uit wat er gespaard kon worden op een inkomen van vijfhonderd pond, door iemand, die nooit in haar leven sparen geleerd had, wel zoo wijs om tevreden te zijn met het huis zooals het was, en ieder van haar was druk bezig haar eigen zaakjes in orde te brengen, en te pogen zich tusschen haar boeken en andere bezittingen een klein eigen thuis te vormen. Marianne’s piano werd uitgepakt en op de geschiktste plaats gezet, en Elinor’s teekeningen werden aan den wand gehangen van hun zitkamer.
In deze en dergelijke bezigheden werden zij den volgenden dag spoedig na het ontbijt reeds gestoord door de komst van den huiseigenaar, die hen kwam opzoeken om hen welkom te heeten te Baron en om hun alles aan te bieden, watzijnhuis en tuin opleverden, en waaraan in de hunne voorloopig misschien gebrek was. Sir John Middleton was een knap man van omstreeks veertig jaar. Hij was vroeger wel eens te Stanhill gelogeerd geweest; maar dat was te lang geleden, dan dat zijne nichtjes zich hem nog konden herinneren. Hij had een vroolijk, vriendelijk gezicht, en zijn manieren waren even hartelijk als de toon van zijn brief. Hun komst scheen hem werkelijk veel plezier te doen en hun welzijn ging hem blijkbaar oprecht ter harte. Hij had het druk over zijn welgemeenden wensch naar een prettigen gezelligen omgang onder elkaar, endrong er zoo gul op aan, dat zij elken dag op Barton Park zouden komen dineeren tot hun huis beter op orde was, dat zij hem zijn dringend aanhouden niet kwalijk nemen konden, zelfs waar het de grenzen der beleefdheid bijna overschreed. Zijn vriendelijkheid bleef niet beperkt tot woorden; want nog geen uur nadat hij was heengegaan kwam er een groote mand vol groente en fruit van het Park; nog eer de dag voorbij was, gevolgd door een bezending gevogelte. Hij verkoos volstrekt al hun brieven voor hen af te halen en op de post te bezorgen, en wilde zich het genoegen niet laten ontzeggen, hun elken dag zijn courant te sturen.
Lady Middleton had door haar man een beleefde boodschap laten zenden, waarin zij haar voornemen te kennen gaf, Mevrouw Dashwood een bezoek te brengen, zoodra zij zeker was, dat dit haar geen last zou veroorzaken, en daar die boodschap met een even beleefde uitnoodiging werd beantwoord, werd de bewuste dame reeds den volgenden dag aan hen voorgesteld.
Zij waren natuurlijk zeer benieuwd iemand te leeren kennen, van wie veel van hun genoegen te Barton zou afhangen; en het bevredigde hun gespannen verwachtingen, te zien, dat zij er zeer elegant uitzag. Lady Middleton was niet ouder dan zes- of zeven en twintig; haar gezicht was knap; haar figuur imposant en forsch, en zij bewoog zich gemakkelijk. Haar manieren bezaten al de bevalligheid, die haar echtgenoot miste. Maar zij zouden toch hebben gewonnen door een weinigje van zijn rondborstigheid en warmte, en haar bezoek duurde lang genoeg om hun aanvankelijke bewondering eenigszins te doen verminderen, toen zij bespeurden dat zij, ofschoon zeer beschaafde vormen bezittend, teruggetrokken en koel was, en niets ten beste had te geven dan de meest banale vragen en opmerkingen.
Aan conversatie was overigens geen gebrek;want Sir John was uiterst spraakzaam; en Lady Middleton had de wijze voorzorg genomen, haar oudste kind mede te brengen, een mooi jongetje van omstreeks zes jaar; zoodat er altijd één onderwerp overbleef, waartoe de dames in geval van nood hare toevlucht konden nemen; want zij moesten natuurlijk informeeren naar zijn naam en leeftijd, zijn aardig gezichtje bewonderen, en hem vragen doen, die zijn moeder voor hem beantwoordde, terwijl hij zich aan haar vastklemde en zijn hoofdje liet hangen, tot groote verbazing van zijn mama, die niet kon begrijpen, waarom hij zoo verlegen was in gezelschap, daar hij leven genoeg kon maken tehuis. Bij elk officieel bezoek moest er eigenlijk een kind van de partij zijn, bij wijze van reserve-onderwerp van gesprek. In het onderhavige geval werden tien minuten besteed aan de vraag of de jongen het meest op zijn vader of op zijn moeder geleek, en wààrin de bijzondere gelijkenis op beiden bestond; want natuurlijk verschilden allen van meening, en ieder was over de zienswijze der anderen zeer verbaasd.
Weldra zouden de Dashwoods gelegenheid krijgen om ook over de andere kinderen van meening te wisselen; daar Sir John niet wilde heengaan, eer zij hem hadden beloofd den volgenden dag te komen eten op het Park.
Hoofdstuk VIIBarton Park was ongeveer een halve mijl van hun huis gelegen. De dames waren er langs gekomen op hun weg door het dal; maar van uit Barton Cottage kon men het goed niet zien liggen, daar een vooruitstekende heuvel het vrije uitzicht erop belette. Het huis was groot en mooi; en de Middletons wisten in hun levenswijze gastvrijheid te paren aan weeldevertoon. De eerste schonk voldoening aan Sir John, het tweede aan zijne echtgenoote. Zij waren bijna nooit zonder logeergasten, en zij zagen meer menschen van allerlei slag, dan eenige andere familie in den omtrek. Voor beider geluk was dit noodzakelijk; want hoezeer zij ook verschilden in hun geaardheid en hun wijze van optreden, zij geleken sterk op elkander in dat volslagen gebrek aan talent en smaak, dat hunne bezigheden, buiten die, welke samenhingen met het gezelschapsleven, binnen een zeer engen kring beperkte. Sir John was liefhebber van sport, Lady Middleton was moeder. Hij jaagde en schoot; zij verwende haar kinderen; en op die genoegens waren zij, wat henzelf betrof, aangewezen. Lady Middleton had dit op haar man vóór, dat zij hare kinderen het geheele jaar door kon bederven, terwijl Sir John’s zelfstandige bedrijvigheid slechts de helft van dien tijd in beslag nam. Een aanhoudend “bezet zijn,” echter, in hun eigen huis en daarbuiten, vulde alle leemten aan van natuur en opvoeding; hield Sir John in een goed humeur, en schonk zijn vrouw gelegenheid uit te blinken door haar beschaafde omgangsvormen. Lady Middleton was zeer trotsch op de onberispelijkheid van haar diners, en op de geheeleinrichting van haar huishouding, en uit die soort van ijdelheid sproot haar grootste genoegen voort in de partijen, die zij plachten te geven. Maar Sir John’s behagen in gezelligen omgang was èchter; hij deed niets liever dan meer jongelui om zich heen verzamelen, dan zijn huis bergen kon, en hoe meer leven ze maakten, hoe beter het hem aanstond. Hij was een zegen voor de heele jeugd in den omtrek; want in den zomer beraamde hij altoos uitstapjes, waarbij in de open lucht veel koude kip en ham werd verorberd, en in den winter was het aantal danspartijen dat hij gaf, voldoende om elke jonge dame te bevredigen, die niet leed aan den onverzadelijken danshonger der vijftienjarigen.De komst van een nieuwe familie in den omtrek was voor hem altijd een groot genoegen, en hij was in ieder opzicht verrukt van de bewoners, die hij voor zijn huisje te Barton gewonnen had. De meisjes Dashwood waren jong, mooi, en eenvoudig. Dat was genoeg om zijn goede meening te verwerven, want eenvoudigheid was al wat een mooi meisje behoefde, om haar geest even bekoorlijk te doen zijn als haar persoon. Zijn welwillende inborst deed hem een genoegen erin vinden juist hun van dienst te zijn, wier omstandigheden, vergeleken bij vroeger, als betrekkelijk minder gunstig mochten beschouwd worden. Hij smaakte dus, door zijnen nichten vriendelijkheid te bewijzen, de oprechte voldoening van een goed hart; en dat hij een gezin, uit enkel vrouwen bestaande, in zijn huisje had geïnstalleerd, bevredigde hem in zijn kwaliteit van jachtliefhebber; want een beoefenaar van die sport moge dan al enkel dien leden zijner eigen sekse achting toedragen, die eveneens jagers zijn, hij zal niet licht verlangen hen aan te moedigen in hun liefhebberij, door hun een vaste woonplaats te verschaffen op zijn eigen grondgebied.Mevrouw Dashwood en hare dochters werden reeds aan de voordeur door Sir John begroet, diehen met ongekunstelde hartelijkheid welkom heette op Barton Park, en terwijl hij hen naar den salon geleidde, den jongen dames opnieuw zijn spijt betuigde, zooals hij den dag te voren ook reeds had gedaan, dat hij geen aardige jongelui had kunnen inviteeren, om kennis met hen te maken. Ze zouden, behalve hemzelf, hier maar één heer aantreffen; een goeden vriend van hem, die bij hen logeerde, maar die noch heel jong, noch heel vroolijk was. Hij hoopte dat zij het met hun klein kringetje zouden voor lief nemen, en kon hun verzekeren, dat het nooit weer zoo zou treffen. Hij had dien morgen verschillende families opgezocht, in de hoop om het aantal gasten met enkele te vermeerderen; maar het was lichte maan; en dan had iedereen invitaties te kust en te keur. Gelukkig was Lady Middleton’s moeder voor een uurtje aangekomen, en daar zij een heel vroolijke en lieve vrouw was, hoopte hij, dat de jonge dames zich niet zoo erg zouden vervelen als zij nu wel moesten verwachten. De jonge dames, zoowel als hare moeder, waren volkomen tevreden met het vooruitzicht twee geheel onbekenden te zullen ontmoeten, en verlangden niet naar meer.Mevrouw Jennings, Lady Middleton’s moeder, was een guitige, vroolijke, dikke, bejaarde dame, die veel praatte, blijkbaar pleizier in haar leven had, en wier beschaving wel iets te wenschen overliet. Zij deed niets dan grappen maken en lachen, en had eer het diner was afgeloopen, al veel geestigheden ten beste gegeven over het onderwerp minnaars en echtgenooten; zij hoopte dat de meisjes haar harten niet in Sussex hadden achtergelaten, en beweerde dat ze hen zag blozen, of ze dat deden of niet. Marianne ergerde zich terwille van haar zuster, en keek naar Elinor, om te zien hoe zij zich hield onder die plagerij, met een bezorgdheid, die Elinor veel meer pijn deed, dan Mevrouw Jennings’ banale aardigheden haar hadden kunnen veroorzaken.Kolonel Brandon, de vriend van Sir John, scheen, naar zijn manier van doen te oordeelen, al even weinig geschikt om diens vriend te zijn, als Lady Middleton paste als zijn vrouw, of Mevrouw Jennings als Lady Middleton’s moeder. Hij was ernstig en stil. Zijn uiterlijk was echter niet afstootend; hoewel hij in de oogen van Marianne en Margaret een echte oude vrijer was, die de vijf en dertig al achter den rug had; maar al was hij dan niet bepaald mooi, hij had een verstandig gezicht, en bijzonder aangename en beschaafde manieren.Er was niemand onder het gezelschap, die de Dashwoods bijzonder aantrok; maar de koele onbeduidendheid van Lady Middleton was zoo buitengewoon afstootend, dat daarbij vergeleken de ernst van Kolonel Brandon en zelfs de luidruchtige vroolijkheid van Sir John en zijn schoonmoeder bijna boeiend mochten genoemd worden. Lady Middleton scheen eerst op dreef te komen, toen aan het dessert haar vier drukke kinderen binnenkwamen, die op haar hingen, haar kleeren bedierven en verder elk gesprek onmogelijk maakten, dat niet henzelf betrof. Toen het later in den avond bleek, dat Marianne aan muziek deed, werd haar verzocht om iets vóór te spelen. De piano werd opengesloten, ieder maakte zich gereed om verrukt te zijn, en Marianne, die heel goed zong, nam op hun verzoek de meeste liederen door, die Lady Middleton bij haar huwelijk in de familie had meegebracht, en die misschien al dien tijd onaangeroerd op de piano hadden gelegen; want de bewuste dame had ter eere van die heugelijke gebeurtenis de muziek laten varen, hoewel zij, naar haar moeder beweerde, prachtig te spelen placht, en er, volgens haar eigen verklaring veel van hield.Marianne’s voordrachten werden zeer toegejuicht. Sir John betuigde even luidruchtig zijn bewondering aan ’t slot van elk lied, als hij gepraat had met de anderen, zoolang het duurde. LadyMiddleton riep hem herhaaldelijk tot de orde; kon maar niet begrijpen, hoe iemands aandacht één oogenblik van muziek kon afdwalen, en vroeg Marianne een geliefdkoosd lied van haar te zingen, dat de laatste juist geëindigd had. Kolonel Brandon was de eenige van het gezelschap, die haar aanhoorde zonder nu juist zoo verrukt te schijnen. Het eenig compliment dat hij haar maakte was zijn aandachtig luisteren; en zij voelde bij die gelegenheid een eerbied voor hem, waarop de anderen waarlijk alle aanspraak hadden verloren, door dat zonder eenige schaamte aan den dag leggen van hun gebrek aan smaak. Zijn genoegen in muziek, hoewel niet in de verte gelijkend op de enthousiaste verrukking, die zij alleen als gelijkwaardig kon beschouwen aan haar eigen gevoel, viel te waardeeren, wanneer men het vergeleek bij de afgrijselijke ongevoeligheid van de anderen, en zij was redelijk genoeg, om toe te geven dat een man van vijf en dertig jaar allicht te oud was geworden om nog vatbaar te zijn voor intense gemoedsbeweging of een verfijnd vermogen tot genieten. Zij was volkomen bereid, den kolonel te beschouwen met al de toegevendheid voor zijn gevorderden leeftijd, die haar menschelijk rechtvaardigheidsgevoel van haar eischte.
Barton Park was ongeveer een halve mijl van hun huis gelegen. De dames waren er langs gekomen op hun weg door het dal; maar van uit Barton Cottage kon men het goed niet zien liggen, daar een vooruitstekende heuvel het vrije uitzicht erop belette. Het huis was groot en mooi; en de Middletons wisten in hun levenswijze gastvrijheid te paren aan weeldevertoon. De eerste schonk voldoening aan Sir John, het tweede aan zijne echtgenoote. Zij waren bijna nooit zonder logeergasten, en zij zagen meer menschen van allerlei slag, dan eenige andere familie in den omtrek. Voor beider geluk was dit noodzakelijk; want hoezeer zij ook verschilden in hun geaardheid en hun wijze van optreden, zij geleken sterk op elkander in dat volslagen gebrek aan talent en smaak, dat hunne bezigheden, buiten die, welke samenhingen met het gezelschapsleven, binnen een zeer engen kring beperkte. Sir John was liefhebber van sport, Lady Middleton was moeder. Hij jaagde en schoot; zij verwende haar kinderen; en op die genoegens waren zij, wat henzelf betrof, aangewezen. Lady Middleton had dit op haar man vóór, dat zij hare kinderen het geheele jaar door kon bederven, terwijl Sir John’s zelfstandige bedrijvigheid slechts de helft van dien tijd in beslag nam. Een aanhoudend “bezet zijn,” echter, in hun eigen huis en daarbuiten, vulde alle leemten aan van natuur en opvoeding; hield Sir John in een goed humeur, en schonk zijn vrouw gelegenheid uit te blinken door haar beschaafde omgangsvormen. Lady Middleton was zeer trotsch op de onberispelijkheid van haar diners, en op de geheeleinrichting van haar huishouding, en uit die soort van ijdelheid sproot haar grootste genoegen voort in de partijen, die zij plachten te geven. Maar Sir John’s behagen in gezelligen omgang was èchter; hij deed niets liever dan meer jongelui om zich heen verzamelen, dan zijn huis bergen kon, en hoe meer leven ze maakten, hoe beter het hem aanstond. Hij was een zegen voor de heele jeugd in den omtrek; want in den zomer beraamde hij altoos uitstapjes, waarbij in de open lucht veel koude kip en ham werd verorberd, en in den winter was het aantal danspartijen dat hij gaf, voldoende om elke jonge dame te bevredigen, die niet leed aan den onverzadelijken danshonger der vijftienjarigen.
De komst van een nieuwe familie in den omtrek was voor hem altijd een groot genoegen, en hij was in ieder opzicht verrukt van de bewoners, die hij voor zijn huisje te Barton gewonnen had. De meisjes Dashwood waren jong, mooi, en eenvoudig. Dat was genoeg om zijn goede meening te verwerven, want eenvoudigheid was al wat een mooi meisje behoefde, om haar geest even bekoorlijk te doen zijn als haar persoon. Zijn welwillende inborst deed hem een genoegen erin vinden juist hun van dienst te zijn, wier omstandigheden, vergeleken bij vroeger, als betrekkelijk minder gunstig mochten beschouwd worden. Hij smaakte dus, door zijnen nichten vriendelijkheid te bewijzen, de oprechte voldoening van een goed hart; en dat hij een gezin, uit enkel vrouwen bestaande, in zijn huisje had geïnstalleerd, bevredigde hem in zijn kwaliteit van jachtliefhebber; want een beoefenaar van die sport moge dan al enkel dien leden zijner eigen sekse achting toedragen, die eveneens jagers zijn, hij zal niet licht verlangen hen aan te moedigen in hun liefhebberij, door hun een vaste woonplaats te verschaffen op zijn eigen grondgebied.
Mevrouw Dashwood en hare dochters werden reeds aan de voordeur door Sir John begroet, diehen met ongekunstelde hartelijkheid welkom heette op Barton Park, en terwijl hij hen naar den salon geleidde, den jongen dames opnieuw zijn spijt betuigde, zooals hij den dag te voren ook reeds had gedaan, dat hij geen aardige jongelui had kunnen inviteeren, om kennis met hen te maken. Ze zouden, behalve hemzelf, hier maar één heer aantreffen; een goeden vriend van hem, die bij hen logeerde, maar die noch heel jong, noch heel vroolijk was. Hij hoopte dat zij het met hun klein kringetje zouden voor lief nemen, en kon hun verzekeren, dat het nooit weer zoo zou treffen. Hij had dien morgen verschillende families opgezocht, in de hoop om het aantal gasten met enkele te vermeerderen; maar het was lichte maan; en dan had iedereen invitaties te kust en te keur. Gelukkig was Lady Middleton’s moeder voor een uurtje aangekomen, en daar zij een heel vroolijke en lieve vrouw was, hoopte hij, dat de jonge dames zich niet zoo erg zouden vervelen als zij nu wel moesten verwachten. De jonge dames, zoowel als hare moeder, waren volkomen tevreden met het vooruitzicht twee geheel onbekenden te zullen ontmoeten, en verlangden niet naar meer.
Mevrouw Jennings, Lady Middleton’s moeder, was een guitige, vroolijke, dikke, bejaarde dame, die veel praatte, blijkbaar pleizier in haar leven had, en wier beschaving wel iets te wenschen overliet. Zij deed niets dan grappen maken en lachen, en had eer het diner was afgeloopen, al veel geestigheden ten beste gegeven over het onderwerp minnaars en echtgenooten; zij hoopte dat de meisjes haar harten niet in Sussex hadden achtergelaten, en beweerde dat ze hen zag blozen, of ze dat deden of niet. Marianne ergerde zich terwille van haar zuster, en keek naar Elinor, om te zien hoe zij zich hield onder die plagerij, met een bezorgdheid, die Elinor veel meer pijn deed, dan Mevrouw Jennings’ banale aardigheden haar hadden kunnen veroorzaken.
Kolonel Brandon, de vriend van Sir John, scheen, naar zijn manier van doen te oordeelen, al even weinig geschikt om diens vriend te zijn, als Lady Middleton paste als zijn vrouw, of Mevrouw Jennings als Lady Middleton’s moeder. Hij was ernstig en stil. Zijn uiterlijk was echter niet afstootend; hoewel hij in de oogen van Marianne en Margaret een echte oude vrijer was, die de vijf en dertig al achter den rug had; maar al was hij dan niet bepaald mooi, hij had een verstandig gezicht, en bijzonder aangename en beschaafde manieren.
Er was niemand onder het gezelschap, die de Dashwoods bijzonder aantrok; maar de koele onbeduidendheid van Lady Middleton was zoo buitengewoon afstootend, dat daarbij vergeleken de ernst van Kolonel Brandon en zelfs de luidruchtige vroolijkheid van Sir John en zijn schoonmoeder bijna boeiend mochten genoemd worden. Lady Middleton scheen eerst op dreef te komen, toen aan het dessert haar vier drukke kinderen binnenkwamen, die op haar hingen, haar kleeren bedierven en verder elk gesprek onmogelijk maakten, dat niet henzelf betrof. Toen het later in den avond bleek, dat Marianne aan muziek deed, werd haar verzocht om iets vóór te spelen. De piano werd opengesloten, ieder maakte zich gereed om verrukt te zijn, en Marianne, die heel goed zong, nam op hun verzoek de meeste liederen door, die Lady Middleton bij haar huwelijk in de familie had meegebracht, en die misschien al dien tijd onaangeroerd op de piano hadden gelegen; want de bewuste dame had ter eere van die heugelijke gebeurtenis de muziek laten varen, hoewel zij, naar haar moeder beweerde, prachtig te spelen placht, en er, volgens haar eigen verklaring veel van hield.
Marianne’s voordrachten werden zeer toegejuicht. Sir John betuigde even luidruchtig zijn bewondering aan ’t slot van elk lied, als hij gepraat had met de anderen, zoolang het duurde. LadyMiddleton riep hem herhaaldelijk tot de orde; kon maar niet begrijpen, hoe iemands aandacht één oogenblik van muziek kon afdwalen, en vroeg Marianne een geliefdkoosd lied van haar te zingen, dat de laatste juist geëindigd had. Kolonel Brandon was de eenige van het gezelschap, die haar aanhoorde zonder nu juist zoo verrukt te schijnen. Het eenig compliment dat hij haar maakte was zijn aandachtig luisteren; en zij voelde bij die gelegenheid een eerbied voor hem, waarop de anderen waarlijk alle aanspraak hadden verloren, door dat zonder eenige schaamte aan den dag leggen van hun gebrek aan smaak. Zijn genoegen in muziek, hoewel niet in de verte gelijkend op de enthousiaste verrukking, die zij alleen als gelijkwaardig kon beschouwen aan haar eigen gevoel, viel te waardeeren, wanneer men het vergeleek bij de afgrijselijke ongevoeligheid van de anderen, en zij was redelijk genoeg, om toe te geven dat een man van vijf en dertig jaar allicht te oud was geworden om nog vatbaar te zijn voor intense gemoedsbeweging of een verfijnd vermogen tot genieten. Zij was volkomen bereid, den kolonel te beschouwen met al de toegevendheid voor zijn gevorderden leeftijd, die haar menschelijk rechtvaardigheidsgevoel van haar eischte.
Hoofdstuk VIIIMevrouw Jennings was een weduwe, met een ruim inkomen. Zij had slechts twee dochters, die ze beiden tot haar voldoening, een goed huwelijk had doen sluiten, en zij had dus thans niet anders meer te doen dan alle andere menschen onder elkaar uit te huwelijken. Tot het bevorderen van dit doel was zij ijverig werkzaam, zooveel in haar vermogen was, en liet geen gelegenheid voorbijgaan om huwelijken te beramen tusschen alle jongelieden die zij kende. Zij was merkwaardig vlug in het ontdekken van genegenheden, en had meermalen ’t genoegen gesmaakt, den blos van gevleide ijdelheid eener jonge dame te voorschijn te roepen, door toespelingen op den indruk, door haar op dezen of genen heer gemaakt; en die soort van scherpzinnigheid stelde haar in staat, al spoedig na haar aankomst te Barton met beslistheid te verklaren, dat Kolonel Brandon heel erg verliefd was op Marianne Dashwood. Zij had er al eenig vermoeden van, den allereersten avond dat ze elkaar ontmoetten, omdat hij zoo aandachtig naar haar zingen had geluisterd; en toen de Middletons het bezoek beantwoordden, door bij Mevrouw Dashwood te komen eten, werd dat vermoeden bewaarheid, want hij was weer één en al oor. Het moest wel. Ze was er stellig zeker van. Ze pasten uitmuntend bij elkaar, wanthijwas rijk, enzijwas mooi. Mevrouw Jennings was al verlangend geweest om Kolonel Brandon gelukkig getrouwd te zien, van ’t oogenblik af, dat zij hem door Sir John had leeren kennen; en zij bezorgde altoos graag aan ieder mooi meisje een goeden man.Voor haar zelf was hieraan een niet gering onmiddellijkvoordeel verbonden. Want het leverde haar stof tot onuitputtelijke grappen op hunne kosten. Op Barton Park lachte zij om den kolonel, en in Barton Cottage om Marianne. Den eersten liet haar scherts, waarschijnlijk, wat hèm betrof, volkomen onverschillig; voor de laatste bleef zij in ’t begin totaal onbegrijpelijk, en toen zij eindelijk de bedoeling had gevat, wist ze niet recht, of ze zou lachen om de dwaasheid van die voorstelling, of boos worden om de onbescheidenheid ervan; want zij beschouwde het als een hartelooze bespotting van des kolonels gevorderden leeftijd en zijn beklagenswaardigen staat van ongetrouwd oud heer.Mevrouw Dashwood, voor wie een man, die vijf jaar jonger was dan zijzelve, moeilijk zóó stokoud kon zijn, als hij toe scheen aan de jeugdige verbeelding harer dochter, trachtte Mevrouw Jennings te zuiveren van de verdenking, dat zij hem om zijn hoogen leeftijd had willen bespotten.“Maar mama, u kunt de dwaasheid van die beschuldiging toch niet ontkennen, al gelooft u, dat ze niet opzettelijk kwaad bedoeld was. Kolonel Brandon is jonger dan Mevrouw Jennings, dat is waar; maar hij is oud genoeg ommijnvader te zijn, en als hij ooit levendig genoeg geweest is om verliefd te wezen, dan moet hij nu toch veel te oud zijn geworden voor eenige gewaarwording van dien aard. ’t Is àl te belachelijk! Wanneer zal iemand toch bewaard blijven voor zulke geestigheden, als zijn ouderdom en de gebreken ervan hem niet eens meer beschermen?”“Gebreken!” zei Elinor; “noem je Kolonel Brandon misschien gebrekkig? Ik kan me wel voorstellen, dat hij in jouw oogen heel wat ouder lijkt dan in die van moeder; maar je kunt je toch moeilijk wijsmaken, dat hij ’t gebruik van zijn ledematen mist?”“Hoorde je hem dan niet klagen over rheumatiek?En is dat niet de meest voorkomende kwaal van den ouderdom?”“Mijn lieve kind,” zei haar moeder lachend, “op die manier moet je wel aanhoudend beangst zijn overmijnverval van krachten, en ’t moet je wel een wonder schijnen, dat ik den hoogen leeftijd van veertig jaren heb mogen bereiken.”“Mama, dat is nu niet eerlijk tegenover mij. Ik weet best, dat Kolonel Brandon nog niet zoo oud is, dat zijn vrienden moeten vreezen hem te verliezen door den eisch der natuur. Hij kan nog wel twintig jaar leven. Maar als men vijf en dertig is, komt men voor trouwen niet meer in aanmerking.”“Misschien,” zei Elinor, “moesten vijf en dertig en zeventien maar liever niet samengaan, als er van trouwen sprake is. Maar als het toevallig zoo eens uitkwam, dat een vrouw op zeven en twintig jarigen leeftijd nog ongetrouwd was gebleven, dan dunkt mij niet, dat het voor een huwelijk tusschenhaaren Kolonel Brandon een beletsel zou zijn, dat hij vijf en dertig is.”“Een vrouw van zeven en twintig jaar,” zei Marianne, na een oogenblik zwijgens, “kan onmogelijk meer hopen liefde te gevoelen of in te boezemen; en als zij geen aangenaam thuis heeft, of weinig geld, dan kan ik mij voorstellen, dat zij de taak van een verpleegster gelaten zou aanvaarden, terwille van haar verzekerde toekomst en gevestigde positie als getrouwde vrouw. Als hij zulk een vrouw trouwde, dan zou daar niets ongepasts in zijn. Een verdrag, aangegaan tot beider voordeel, terwijl de wereld zou zijn tevredengesteld. In mijn oogen zou het in ’t geheel geen huwelijk zijn, maar dat doet er natuurlijk niet toe. Voor mij zou het een handelsovereenkomst schijnen, waarbij beide partijen zichzelf wenschten te bevoordeelen, ten koste der andere.”“Ik weet het wel, ’t is onmogelijk,” antwoordde Elinor, “je te overtuigen, dat een vrouw van zevenen twintig voor een man van vijf en dertig ook maar iets kan voelen, dat genoeg op liefde lijkt, om haar hem tot een wenschelijk levensgezel te doen verkiezen. Maar ik kom er toch tegenop, dat je Kolonel Brandon en zijn vrouw tot voortdurende opsluiting in een ziekenkamer zoudt willen veroordeelen; alleen maar, omdat hij gisteren (op een erg kouden, vochtigen dag) een beetje klaagde over wat rheumatiek in zijn eenen schouder.”“Maar hij had het over flanellen vesten,” zei Marianne; “en voor mij is een flanellen vest onvermijdelijk verbonden aan pijnen, zinkingen, rheumatiek en alle soorten van kwalen, waar mee oude en zwakke menschen behept zijn.”“Had hij maar hevige koorts gehad, dan zou je niet half zoo verachtelijk op hem hebben neergezien. Beken ’t maar, Marianne, is er niet iets buitengewoon interessants voor je in de gloeiende wangen, holle oogen, en gejaagden pols van een koortslijder?”Kort daarna, toen Elinor uit de kamer was gegaan, zei Marianne: “Mama, van ziekte gesproken; ik ben op dat punt ongerust, ik zal ’t u maar eerlijk zeggen. Ik geloof stellig, dat het met Edward Ferrars niet in orde is. We zijn hier nu al haast veertien dagen, en nog komt hij niet. Ongesteldheid alleen kan de oorzaak zijn van dat allervreemdste uitstel. Wat kan hem anders te Norland terughouden?”“Hadt je dan verwacht, dat hij zóó gauw zou komen?” zei Mevrouw Dashwood. “Ik niet. Integendeel, zoo ik al eenige bezorgdheid op dat punt heb gekoesterd, dan was dat, wanneer ik mij herinnerde, hoe hij soms opvallend weinig opgewektheid of genoegen toonde, wanneer ik erover sprak, dat hij ons in Barton zou bezoeken. Geloof je, dat Elinor hem nu al verwacht?”“Ik heb er nooit met haar over gesproken; maar natuurlijk doet ze dat.”“Daarin zou je je wel kunnen vergissen; want toen ik gisteren iets tegen haar zei over ’t plaatsen van een nieuwen haard in de logeerkamer, vond ze, dat daar niet bepaald haast bij was; want het was niet waarschijnlijk, dat die kamer vooreerst gebruikt zou worden.”“Hoe vreemd toch! Wat zou het beduiden? Maar hun geheele houding tegenover elkaar vond ik onverklaarbaar in den laatsten tijd. Wat namen ze koel en bedaard afscheid! Wat hadden ze elkaar weinig te zeggen op den laatsten avond van hun samenzijn! Edward nam van Elinor niet anders afscheid dan van mij; ’t was alsof een hartelijk gezinde broer ons beiden het beste wenschte. Tweemaal heb ik hen den laatsten morgen met opzet alleen gelaten, en beide keeren ging hij, zonder de minste reden, na mij de kamer uit. En Elinor schreide niet, zooals ik, toen ze Norland èn Edward verliet. Zelfs nu verliest zij nooit haar zelfbeheersching. Wanneer is zij ooit terneergeslagen of droefgeestig? Wanneer tracht zij het gezelschap van vreemden te vermijden, of schijnt in hunne tegenwoordigheid rusteloos en onvoldaan?”
Mevrouw Jennings was een weduwe, met een ruim inkomen. Zij had slechts twee dochters, die ze beiden tot haar voldoening, een goed huwelijk had doen sluiten, en zij had dus thans niet anders meer te doen dan alle andere menschen onder elkaar uit te huwelijken. Tot het bevorderen van dit doel was zij ijverig werkzaam, zooveel in haar vermogen was, en liet geen gelegenheid voorbijgaan om huwelijken te beramen tusschen alle jongelieden die zij kende. Zij was merkwaardig vlug in het ontdekken van genegenheden, en had meermalen ’t genoegen gesmaakt, den blos van gevleide ijdelheid eener jonge dame te voorschijn te roepen, door toespelingen op den indruk, door haar op dezen of genen heer gemaakt; en die soort van scherpzinnigheid stelde haar in staat, al spoedig na haar aankomst te Barton met beslistheid te verklaren, dat Kolonel Brandon heel erg verliefd was op Marianne Dashwood. Zij had er al eenig vermoeden van, den allereersten avond dat ze elkaar ontmoetten, omdat hij zoo aandachtig naar haar zingen had geluisterd; en toen de Middletons het bezoek beantwoordden, door bij Mevrouw Dashwood te komen eten, werd dat vermoeden bewaarheid, want hij was weer één en al oor. Het moest wel. Ze was er stellig zeker van. Ze pasten uitmuntend bij elkaar, wanthijwas rijk, enzijwas mooi. Mevrouw Jennings was al verlangend geweest om Kolonel Brandon gelukkig getrouwd te zien, van ’t oogenblik af, dat zij hem door Sir John had leeren kennen; en zij bezorgde altoos graag aan ieder mooi meisje een goeden man.
Voor haar zelf was hieraan een niet gering onmiddellijkvoordeel verbonden. Want het leverde haar stof tot onuitputtelijke grappen op hunne kosten. Op Barton Park lachte zij om den kolonel, en in Barton Cottage om Marianne. Den eersten liet haar scherts, waarschijnlijk, wat hèm betrof, volkomen onverschillig; voor de laatste bleef zij in ’t begin totaal onbegrijpelijk, en toen zij eindelijk de bedoeling had gevat, wist ze niet recht, of ze zou lachen om de dwaasheid van die voorstelling, of boos worden om de onbescheidenheid ervan; want zij beschouwde het als een hartelooze bespotting van des kolonels gevorderden leeftijd en zijn beklagenswaardigen staat van ongetrouwd oud heer.
Mevrouw Dashwood, voor wie een man, die vijf jaar jonger was dan zijzelve, moeilijk zóó stokoud kon zijn, als hij toe scheen aan de jeugdige verbeelding harer dochter, trachtte Mevrouw Jennings te zuiveren van de verdenking, dat zij hem om zijn hoogen leeftijd had willen bespotten.
“Maar mama, u kunt de dwaasheid van die beschuldiging toch niet ontkennen, al gelooft u, dat ze niet opzettelijk kwaad bedoeld was. Kolonel Brandon is jonger dan Mevrouw Jennings, dat is waar; maar hij is oud genoeg ommijnvader te zijn, en als hij ooit levendig genoeg geweest is om verliefd te wezen, dan moet hij nu toch veel te oud zijn geworden voor eenige gewaarwording van dien aard. ’t Is àl te belachelijk! Wanneer zal iemand toch bewaard blijven voor zulke geestigheden, als zijn ouderdom en de gebreken ervan hem niet eens meer beschermen?”
“Gebreken!” zei Elinor; “noem je Kolonel Brandon misschien gebrekkig? Ik kan me wel voorstellen, dat hij in jouw oogen heel wat ouder lijkt dan in die van moeder; maar je kunt je toch moeilijk wijsmaken, dat hij ’t gebruik van zijn ledematen mist?”
“Hoorde je hem dan niet klagen over rheumatiek?En is dat niet de meest voorkomende kwaal van den ouderdom?”
“Mijn lieve kind,” zei haar moeder lachend, “op die manier moet je wel aanhoudend beangst zijn overmijnverval van krachten, en ’t moet je wel een wonder schijnen, dat ik den hoogen leeftijd van veertig jaren heb mogen bereiken.”
“Mama, dat is nu niet eerlijk tegenover mij. Ik weet best, dat Kolonel Brandon nog niet zoo oud is, dat zijn vrienden moeten vreezen hem te verliezen door den eisch der natuur. Hij kan nog wel twintig jaar leven. Maar als men vijf en dertig is, komt men voor trouwen niet meer in aanmerking.”
“Misschien,” zei Elinor, “moesten vijf en dertig en zeventien maar liever niet samengaan, als er van trouwen sprake is. Maar als het toevallig zoo eens uitkwam, dat een vrouw op zeven en twintig jarigen leeftijd nog ongetrouwd was gebleven, dan dunkt mij niet, dat het voor een huwelijk tusschenhaaren Kolonel Brandon een beletsel zou zijn, dat hij vijf en dertig is.”
“Een vrouw van zeven en twintig jaar,” zei Marianne, na een oogenblik zwijgens, “kan onmogelijk meer hopen liefde te gevoelen of in te boezemen; en als zij geen aangenaam thuis heeft, of weinig geld, dan kan ik mij voorstellen, dat zij de taak van een verpleegster gelaten zou aanvaarden, terwille van haar verzekerde toekomst en gevestigde positie als getrouwde vrouw. Als hij zulk een vrouw trouwde, dan zou daar niets ongepasts in zijn. Een verdrag, aangegaan tot beider voordeel, terwijl de wereld zou zijn tevredengesteld. In mijn oogen zou het in ’t geheel geen huwelijk zijn, maar dat doet er natuurlijk niet toe. Voor mij zou het een handelsovereenkomst schijnen, waarbij beide partijen zichzelf wenschten te bevoordeelen, ten koste der andere.”
“Ik weet het wel, ’t is onmogelijk,” antwoordde Elinor, “je te overtuigen, dat een vrouw van zevenen twintig voor een man van vijf en dertig ook maar iets kan voelen, dat genoeg op liefde lijkt, om haar hem tot een wenschelijk levensgezel te doen verkiezen. Maar ik kom er toch tegenop, dat je Kolonel Brandon en zijn vrouw tot voortdurende opsluiting in een ziekenkamer zoudt willen veroordeelen; alleen maar, omdat hij gisteren (op een erg kouden, vochtigen dag) een beetje klaagde over wat rheumatiek in zijn eenen schouder.”
“Maar hij had het over flanellen vesten,” zei Marianne; “en voor mij is een flanellen vest onvermijdelijk verbonden aan pijnen, zinkingen, rheumatiek en alle soorten van kwalen, waar mee oude en zwakke menschen behept zijn.”
“Had hij maar hevige koorts gehad, dan zou je niet half zoo verachtelijk op hem hebben neergezien. Beken ’t maar, Marianne, is er niet iets buitengewoon interessants voor je in de gloeiende wangen, holle oogen, en gejaagden pols van een koortslijder?”
Kort daarna, toen Elinor uit de kamer was gegaan, zei Marianne: “Mama, van ziekte gesproken; ik ben op dat punt ongerust, ik zal ’t u maar eerlijk zeggen. Ik geloof stellig, dat het met Edward Ferrars niet in orde is. We zijn hier nu al haast veertien dagen, en nog komt hij niet. Ongesteldheid alleen kan de oorzaak zijn van dat allervreemdste uitstel. Wat kan hem anders te Norland terughouden?”
“Hadt je dan verwacht, dat hij zóó gauw zou komen?” zei Mevrouw Dashwood. “Ik niet. Integendeel, zoo ik al eenige bezorgdheid op dat punt heb gekoesterd, dan was dat, wanneer ik mij herinnerde, hoe hij soms opvallend weinig opgewektheid of genoegen toonde, wanneer ik erover sprak, dat hij ons in Barton zou bezoeken. Geloof je, dat Elinor hem nu al verwacht?”
“Ik heb er nooit met haar over gesproken; maar natuurlijk doet ze dat.”
“Daarin zou je je wel kunnen vergissen; want toen ik gisteren iets tegen haar zei over ’t plaatsen van een nieuwen haard in de logeerkamer, vond ze, dat daar niet bepaald haast bij was; want het was niet waarschijnlijk, dat die kamer vooreerst gebruikt zou worden.”
“Hoe vreemd toch! Wat zou het beduiden? Maar hun geheele houding tegenover elkaar vond ik onverklaarbaar in den laatsten tijd. Wat namen ze koel en bedaard afscheid! Wat hadden ze elkaar weinig te zeggen op den laatsten avond van hun samenzijn! Edward nam van Elinor niet anders afscheid dan van mij; ’t was alsof een hartelijk gezinde broer ons beiden het beste wenschte. Tweemaal heb ik hen den laatsten morgen met opzet alleen gelaten, en beide keeren ging hij, zonder de minste reden, na mij de kamer uit. En Elinor schreide niet, zooals ik, toen ze Norland èn Edward verliet. Zelfs nu verliest zij nooit haar zelfbeheersching. Wanneer is zij ooit terneergeslagen of droefgeestig? Wanneer tracht zij het gezelschap van vreemden te vermijden, of schijnt in hunne tegenwoordigheid rusteloos en onvoldaan?”
Hoofdstuk IXDe Dashwoods hadden zich thans te Barton behagelijk ingericht. Met het huis en den tuin, zoowel als de geheele omgeving, waren zij vertrouwd geraakt, en de geregelde dagelijksche bezigheden, die de helft der bekoring van Norland hadden uitgemaakt, werden hervat, met veel meer genoegen, dan zij er ooit meer te Norland in hadden gevonden sedert den dood van hun vader. Sir John Middleton, die hen in de eerste paar weken elken dag kwam opzoeken, en die niet gewend was tehuis veel bedrijvigheid te zien, kon niet nalaten zijn verwondering te uiten over het feit, dat hij hen altijd druk met iets bezig vond.Veel bezoek, behalve dan vanuit Barton Park, ontvingen zij niet; want ondanks Sir Johns dringende aanmaning om toch overal in den omtrek kennis te maken, en zijn herhaalde verzekering, dat zijn rijtuig ten allen tijde ter hunner beschikking stond, overwon Mevrouw Dashwood’s onafhankelijkheidsgevoel haar wensch naar gezelligen omgang voor hare kinderen, en zij bleef bij haar vast besluit om geen families te bezoeken, die te veraf woonden, om ze wandelende te bereiken. Er vielen slechts weinige in die termen; en niet eens alle waren bereikbaar. Op ongeveer anderhalve mijl afstand van hun huisje, in de smalle slingerende vallei van Allenham, die zich, zooals boven werd omschreven, uit het dal van Barton vertakte, hadden de meisjes op een harer eerste wandelingen een oud, en deftig uitziend heerenhuis ontdekt, waaraan hun verbeelding iets aantrekkelijks verleende, omdat het hen aan Norland deeddenken, zoodat zij het wel gaarne nader hadden willen leeren kennen. Doch zij vernamen, bij verdere navraag, dat de eigenares, een bejaarde en zeer achtenswaardige vrouw, helaas te ziekelijk was om in gezelschap te verkeeren, en nooit uitging.Aan mooie wandelingen was in den omtrek waarlijk geen gebrek. De hooge heuvelhellingen, die hen van uit elk venster van hun huisje schenen uit te noodigen, om het verrukkelijk genot te smaken van de zuivere lucht op hunne toppen, vormden een aangename afwisseling, wanneer het in de dalen daarbeneden te modderig was, om van hunne grootere schoonheden te genieten, en naar een dier heuvels richtten Marianne en Margaret op een gedenkwaardigen morgen hare schreden, verlokt door een glimp van zonneschijn in een buiïge lucht, en niet langer bij machte, de strikte opsluiting te verdragen, waartoe de aanhoudende regen van de twee vorige dagen hen had veroordeeld. Het weer was niet uitlokkend genoeg om de beide anderen te bewegen, boek en penseel neer te leggen, ondanks Marianne’s verzekering, dat het een prachtige dag beloofde te worden, en dat elke dreigende wolk van hun heuvels zou optrekken; dus togen de beide meisjes er samen op uit.Vroolijk klommen zij den heuvel op, zich verheugend in elk stukje blauwe lucht, dat hun doorzicht bewees, en toen de opwekkende vlagen van een sterke Zuid-Westerbries hun in het gezicht woeien, beklaagden zij haar moeder en Elinor om de vreesachtigheid, die haar had belet, deze heerlijke gewaarwordingen te deelen. “Is er welietszoo zalig in de wereld als dit?” zei Marianne. “Margaret, een paar uur op zijn minst zal onze wandeling duren.”Daarmee was Margaret het eens, en zij liepen voort tegen den wind in, dien zij lachend van pret nog een twintig minuten weerstand boden, toen plotseling de wolken zich samenpakten boven hunhoofd, en een felle slagregen hun vlak in ’t gezicht joeg. Verdrietig en verrast moesten ze wel, tegen hun zin, omkeeren, want er was geen schuilplaats naderbij dan hun eigen huis. Een troost bleef hun echter over, die in dezen uitersten nood het aangewezen middel tot uitkomst scheen; zij mochten nu, zoo hard ze maar konden, de steile helling van den heuvel afhollen, die rechtstreeks naar hun tuinhekje leidde.Ze namen haar vaart. Marianne bleef eerst vooraan; maar een misstap deed haar struikelen, en Margaret, niet in staat op te houden, om haar zuster te helpen, werd onvrijwillig voortgedreven, en kwam behouden beneden aan den voet.Een heer, die een geweer droeg, kwam met twee spelende jachthonden juist den heuvel op, en was vlak bij Marianne, toen zij viel. Hij legde zijn geweer neer, en schoot toe om haar te helpen. Zij was half opgestaan maar had door den val haar voet verstuikt en kon er bijna niet op staande blijven. De vreemde heer bood aan haar behulpzaam te zijn, en toen hij bemerkte, dat zij uit zedigheid weigerde, wat haar toestand noodzakelijk maakte, nam hij haar zonder woorden te verspillen in zijn armen, en droeg haar den heuvel af. Den tuin doorgaande, waarvan Margaret het hek had opengelaten, bracht hij haar in het huis, waar Margaret juist was aangekomen, en liet haar niet los, eer hij haar op een stoel in de huiskamer had neergezet.Elinor en haar moeder stonden verbaasd op, toen zij binnenkwamen, en terwijl beider blik op hem bleef rusten met blijkbare verbazing, niet zonder geheime bewondering, door zijn voorkomen gewekt, verontschuldigde hij zijn indringen, door de oorzaak ervan te verklaren, op zulk een vrijmoedigen en innemenden toon, dat zijn buitengewoon knap uiterlijk aan stem en uitdrukking nog grootere bekoring ontleende. Zelfs al was hij oud, leelijk en grof geweest, dan nog zou hij Mevrouw Dashwood’sdankbare welwillendheid hebben gewonnen door elk hulpbetoon, aan haar kind verleend, maar de invloed van jeugd, schoonheid en distinctie schonk aan zijn daad een belangwekkendheid, die haar trof tot in het diepst van haar gemoed. Zij betuigde hem meermalen haar innigen dank, en vroeg hem met de innemendheid, die haar eigen was, of hij niet wilde plaats nemen. Dit deed hij liever niet, daar hij vuil en nat was. Daarop vroeg Mevrouw Dashwood, aan wien zij dank was verschuldigd. Zijn naam, antwoordde hij, was Willoughby, en op het oogenblik was hij gelogeerd te Allenham, vanwaar hij hoopte, dat zij hem zou willen toestaan haar morgen een bezoek te brengen, om te vernemen hoe Mejuffrouw Dashwood het maakte. Dat verlof werd hem gaarne geschonken, en daarop vertrok hij, interessanter nog in haar oogen dan te voren, midden in een zware regenbui.Zijn mannelijke schoonheid en de ongemeene losheid waarmede hij zich bewoog, vormden aanstonds het onderwerp van hun aller bewonderende gesprekken, en de vroolijkheid, waartoe zijn galante houding jegens Marianne aanleiding gaf, kreeg een zeer bijzonder tintje door zijn aantrekkelijk uiterlijk. Marianne zelf had hem minder goed opgenomen dan de anderen, want de verwarring, die haar diep had doen blozen, toen hij haar optilde, had het haar bijna onmogelijk gemaakt, hem te durven aanzien, nadat zij het huis waren binnengetreden. Doch zij had genoeg van hem gezien om met de bewondering der anderen in te stemmen, met de warmte, die altoos eigen was aan haar lof.Zijn houding en voorkomen waren juist zooals haar verbeelding haar den held van een harer geliefkoosde romans afschilderde; en in dat zonder bedenken haar in huis dragen lag iets van snelle beradenheid, dat in haar oogen de handeling tot iets zeer bijzonders stempelde. Alle omstandigheden, hem betreffende, waren even interessant.Zijn naam had een goeden klank, hij logeerde in een aardig hun welbekend plaatsje, en zij was het al spoedig met zich zelf eens, dat van alle mannelijke kleedij een jachtcostuum het meest flatteerde. Haar verbeelding werd steeds bezig gehouden; ze was vervuld van blijde gedachten, en de pijn van den verstuikten enkel werd niet geteld.Sir John kwam hen opzoeken, zoodra de volgende opklaring van ’t weer dien morgen hem toeliet uit te gaan, en na het verslag van Marianne’s ongeval werd hem dringend gevraagd of hij ook een heer kende te Allenham, die Willoughby heette.“Willoughby?” riep Sir John: “wel, wel, isdiehier buiten? Dat is goed nieuws; ik rijd er morgen heen en vraag hem voor Donderdag ten eten.”“Ken je hem dan?” vroeg Mevrouw Dashwood.“Kennen? ja zeker! Hij komt hier elk jaar.”“En wat voor een soort man is hij wel?”“De beste jongen van de wereld; dat kan ik je verzekeren. Een uitmuntend jager, en in ’t rijden heeft hij in Engeland zijn gelijke niet.”“En isdatal wat u te zijnen gunste kan aanvoeren?” riep Marianne verontwaardigd. “Maar hoe is hij wel in den intiemen omgang? Waarmee houdt hij zich bezig, heeft hij talenten, een genialen aanleg?”Sir John wist niet recht wat hij dáárop zou zeggen.“Ja,” zei hij, “om de waarheid te zeggen, opdiepunten weet ik niet veel van hem af. Maar ’t is een gezellige vroolijke kerel, en hij heeft den mooisten jachthond dien ik ooit heb gezien. Een zwart teefje. Had hij haar bij zich vandaag?” Maar Marianne kon hem evenmin inlichten omtrent de kleur van ’s heeren Willoughby’s hond, als hij haar de schakeeringen van diens geest vermocht te omschrijven. “Maar wie is hij eigenlijk?” vroeg Elinor. “Waar komt hij vandaan? Heeft hij in Allenham een eigen huis?”Op die punten kon Sir John hun meer betrouwbareinlichtingen verschaffen, en hij vertelde hun, dat de Heer Willoughby hier in de buurt geen eigendom bezat; en dat hij hier alleen vertoefde, als hij de oude dame kwam bezoeken op Allenham Court, die een bloedverwante van hem was, en wier bezittingen hij zou erven; terwijl hij erbij voegde: “Ja, ja, hij is de moeite waard om te veroveren, dat kan ik je verzekeren, Elinor; hij heeft nog een mooie buitenplaats in Somersetshire ook; als ik je was, ik stond hem niet af aan mijn jongere zuster, al rolde ze van nog zooveel heuvels af. Marianne moet niet denken dat alle heeren alleen om háár komen. Brandon zal jaloersch zijn, als ze niet oppast.”“Ik geloof niet,” zei Mevrouw Dashwood, met een oolijk lachje, “dat de Heer Willoughby last zal hebben van pogingen van een vanmijnedochters om hem te veroveren, zooals je dat noemt. Indierichting is hun opvoeding niet geleid geworden. Mannen behoeven vooronsniet bang te zijn, al zijn ze ook nog zoo rijk. Maar ik ben blij, te hooren dat hij van goede familie is, en iemand, met wien men niet ongaarne zou kennismaken.”“Ja, ’t is een beste kerel, voor zoover ik weet,” herhaalde Sir John. “’t Vorig jaar, met Kerstmis, bij gelegenheid van een danspartijtje bij ons op het Park, heeft hij gedanst van acht uur tot ’s morgens vier, aan één stuk door, zonder te gaan zitten.”“Och, werkelijk?” riep Marianne met schitterende oogen, “en danste hij mooi, met vuur en overgave?”“Ja, en om acht uur was hij alweer bij de hand, om mee uit te rijden op de jacht.”“Dáar houd ik nu van; zóo moeten jongelui zijn. Zóo vurig in al wat ze doen, dat ze niet willen weten van matiging, en geen vermoeidheid bespeuren.”“Jawel, jawel, ik zie ’t al aankomen,” zei Sir John. “Ik weet wel, hoe ’t zal gaan. Je hebt nu eengoed oogje op hèm; voor dien armen Brandon is de kans verkeken.”“Dàt is een uitdrukking,” zei Marianne met grooten nadruk, “waaraan ik een verschrikkelijken hekel heb. Ik verfoei al die banale pogingen om grappig te zijn, en “een oogje op iemand hebben,” of “een conquête maken” kan ik ’t allerminst uitstaan. Ze spruiten voort uit een ruwe en bekrompen opvatting, en zoo al er ooit een zweem van puntige raakheid was in die zegswijzen, dan heeft de tijd die nu toch reeds lang te niet gedaan.”Sir John begreep niet veel van die terechtwijzing; maar hij lachte even hartelijk, alsof hij dat wèl deed, en zei: “O, kom; aan conquête’s zal ’t jou niet ontbreken; is het de een niet, dan is het de ander. Die arme Brandon! hij is tot over de ooren verliefd, en datdieeen goede vangst zou zijn, dàt kan ik je verzekeren, vallen en enkeltjes verstuiken, of niet.”
De Dashwoods hadden zich thans te Barton behagelijk ingericht. Met het huis en den tuin, zoowel als de geheele omgeving, waren zij vertrouwd geraakt, en de geregelde dagelijksche bezigheden, die de helft der bekoring van Norland hadden uitgemaakt, werden hervat, met veel meer genoegen, dan zij er ooit meer te Norland in hadden gevonden sedert den dood van hun vader. Sir John Middleton, die hen in de eerste paar weken elken dag kwam opzoeken, en die niet gewend was tehuis veel bedrijvigheid te zien, kon niet nalaten zijn verwondering te uiten over het feit, dat hij hen altijd druk met iets bezig vond.
Veel bezoek, behalve dan vanuit Barton Park, ontvingen zij niet; want ondanks Sir Johns dringende aanmaning om toch overal in den omtrek kennis te maken, en zijn herhaalde verzekering, dat zijn rijtuig ten allen tijde ter hunner beschikking stond, overwon Mevrouw Dashwood’s onafhankelijkheidsgevoel haar wensch naar gezelligen omgang voor hare kinderen, en zij bleef bij haar vast besluit om geen families te bezoeken, die te veraf woonden, om ze wandelende te bereiken. Er vielen slechts weinige in die termen; en niet eens alle waren bereikbaar. Op ongeveer anderhalve mijl afstand van hun huisje, in de smalle slingerende vallei van Allenham, die zich, zooals boven werd omschreven, uit het dal van Barton vertakte, hadden de meisjes op een harer eerste wandelingen een oud, en deftig uitziend heerenhuis ontdekt, waaraan hun verbeelding iets aantrekkelijks verleende, omdat het hen aan Norland deeddenken, zoodat zij het wel gaarne nader hadden willen leeren kennen. Doch zij vernamen, bij verdere navraag, dat de eigenares, een bejaarde en zeer achtenswaardige vrouw, helaas te ziekelijk was om in gezelschap te verkeeren, en nooit uitging.
Aan mooie wandelingen was in den omtrek waarlijk geen gebrek. De hooge heuvelhellingen, die hen van uit elk venster van hun huisje schenen uit te noodigen, om het verrukkelijk genot te smaken van de zuivere lucht op hunne toppen, vormden een aangename afwisseling, wanneer het in de dalen daarbeneden te modderig was, om van hunne grootere schoonheden te genieten, en naar een dier heuvels richtten Marianne en Margaret op een gedenkwaardigen morgen hare schreden, verlokt door een glimp van zonneschijn in een buiïge lucht, en niet langer bij machte, de strikte opsluiting te verdragen, waartoe de aanhoudende regen van de twee vorige dagen hen had veroordeeld. Het weer was niet uitlokkend genoeg om de beide anderen te bewegen, boek en penseel neer te leggen, ondanks Marianne’s verzekering, dat het een prachtige dag beloofde te worden, en dat elke dreigende wolk van hun heuvels zou optrekken; dus togen de beide meisjes er samen op uit.
Vroolijk klommen zij den heuvel op, zich verheugend in elk stukje blauwe lucht, dat hun doorzicht bewees, en toen de opwekkende vlagen van een sterke Zuid-Westerbries hun in het gezicht woeien, beklaagden zij haar moeder en Elinor om de vreesachtigheid, die haar had belet, deze heerlijke gewaarwordingen te deelen. “Is er welietszoo zalig in de wereld als dit?” zei Marianne. “Margaret, een paar uur op zijn minst zal onze wandeling duren.”
Daarmee was Margaret het eens, en zij liepen voort tegen den wind in, dien zij lachend van pret nog een twintig minuten weerstand boden, toen plotseling de wolken zich samenpakten boven hunhoofd, en een felle slagregen hun vlak in ’t gezicht joeg. Verdrietig en verrast moesten ze wel, tegen hun zin, omkeeren, want er was geen schuilplaats naderbij dan hun eigen huis. Een troost bleef hun echter over, die in dezen uitersten nood het aangewezen middel tot uitkomst scheen; zij mochten nu, zoo hard ze maar konden, de steile helling van den heuvel afhollen, die rechtstreeks naar hun tuinhekje leidde.
Ze namen haar vaart. Marianne bleef eerst vooraan; maar een misstap deed haar struikelen, en Margaret, niet in staat op te houden, om haar zuster te helpen, werd onvrijwillig voortgedreven, en kwam behouden beneden aan den voet.
Een heer, die een geweer droeg, kwam met twee spelende jachthonden juist den heuvel op, en was vlak bij Marianne, toen zij viel. Hij legde zijn geweer neer, en schoot toe om haar te helpen. Zij was half opgestaan maar had door den val haar voet verstuikt en kon er bijna niet op staande blijven. De vreemde heer bood aan haar behulpzaam te zijn, en toen hij bemerkte, dat zij uit zedigheid weigerde, wat haar toestand noodzakelijk maakte, nam hij haar zonder woorden te verspillen in zijn armen, en droeg haar den heuvel af. Den tuin doorgaande, waarvan Margaret het hek had opengelaten, bracht hij haar in het huis, waar Margaret juist was aangekomen, en liet haar niet los, eer hij haar op een stoel in de huiskamer had neergezet.
Elinor en haar moeder stonden verbaasd op, toen zij binnenkwamen, en terwijl beider blik op hem bleef rusten met blijkbare verbazing, niet zonder geheime bewondering, door zijn voorkomen gewekt, verontschuldigde hij zijn indringen, door de oorzaak ervan te verklaren, op zulk een vrijmoedigen en innemenden toon, dat zijn buitengewoon knap uiterlijk aan stem en uitdrukking nog grootere bekoring ontleende. Zelfs al was hij oud, leelijk en grof geweest, dan nog zou hij Mevrouw Dashwood’sdankbare welwillendheid hebben gewonnen door elk hulpbetoon, aan haar kind verleend, maar de invloed van jeugd, schoonheid en distinctie schonk aan zijn daad een belangwekkendheid, die haar trof tot in het diepst van haar gemoed. Zij betuigde hem meermalen haar innigen dank, en vroeg hem met de innemendheid, die haar eigen was, of hij niet wilde plaats nemen. Dit deed hij liever niet, daar hij vuil en nat was. Daarop vroeg Mevrouw Dashwood, aan wien zij dank was verschuldigd. Zijn naam, antwoordde hij, was Willoughby, en op het oogenblik was hij gelogeerd te Allenham, vanwaar hij hoopte, dat zij hem zou willen toestaan haar morgen een bezoek te brengen, om te vernemen hoe Mejuffrouw Dashwood het maakte. Dat verlof werd hem gaarne geschonken, en daarop vertrok hij, interessanter nog in haar oogen dan te voren, midden in een zware regenbui.
Zijn mannelijke schoonheid en de ongemeene losheid waarmede hij zich bewoog, vormden aanstonds het onderwerp van hun aller bewonderende gesprekken, en de vroolijkheid, waartoe zijn galante houding jegens Marianne aanleiding gaf, kreeg een zeer bijzonder tintje door zijn aantrekkelijk uiterlijk. Marianne zelf had hem minder goed opgenomen dan de anderen, want de verwarring, die haar diep had doen blozen, toen hij haar optilde, had het haar bijna onmogelijk gemaakt, hem te durven aanzien, nadat zij het huis waren binnengetreden. Doch zij had genoeg van hem gezien om met de bewondering der anderen in te stemmen, met de warmte, die altoos eigen was aan haar lof.
Zijn houding en voorkomen waren juist zooals haar verbeelding haar den held van een harer geliefkoosde romans afschilderde; en in dat zonder bedenken haar in huis dragen lag iets van snelle beradenheid, dat in haar oogen de handeling tot iets zeer bijzonders stempelde. Alle omstandigheden, hem betreffende, waren even interessant.Zijn naam had een goeden klank, hij logeerde in een aardig hun welbekend plaatsje, en zij was het al spoedig met zich zelf eens, dat van alle mannelijke kleedij een jachtcostuum het meest flatteerde. Haar verbeelding werd steeds bezig gehouden; ze was vervuld van blijde gedachten, en de pijn van den verstuikten enkel werd niet geteld.
Sir John kwam hen opzoeken, zoodra de volgende opklaring van ’t weer dien morgen hem toeliet uit te gaan, en na het verslag van Marianne’s ongeval werd hem dringend gevraagd of hij ook een heer kende te Allenham, die Willoughby heette.
“Willoughby?” riep Sir John: “wel, wel, isdiehier buiten? Dat is goed nieuws; ik rijd er morgen heen en vraag hem voor Donderdag ten eten.”
“Ken je hem dan?” vroeg Mevrouw Dashwood.
“Kennen? ja zeker! Hij komt hier elk jaar.”
“En wat voor een soort man is hij wel?”
“De beste jongen van de wereld; dat kan ik je verzekeren. Een uitmuntend jager, en in ’t rijden heeft hij in Engeland zijn gelijke niet.”
“En isdatal wat u te zijnen gunste kan aanvoeren?” riep Marianne verontwaardigd. “Maar hoe is hij wel in den intiemen omgang? Waarmee houdt hij zich bezig, heeft hij talenten, een genialen aanleg?”
Sir John wist niet recht wat hij dáárop zou zeggen.
“Ja,” zei hij, “om de waarheid te zeggen, opdiepunten weet ik niet veel van hem af. Maar ’t is een gezellige vroolijke kerel, en hij heeft den mooisten jachthond dien ik ooit heb gezien. Een zwart teefje. Had hij haar bij zich vandaag?” Maar Marianne kon hem evenmin inlichten omtrent de kleur van ’s heeren Willoughby’s hond, als hij haar de schakeeringen van diens geest vermocht te omschrijven. “Maar wie is hij eigenlijk?” vroeg Elinor. “Waar komt hij vandaan? Heeft hij in Allenham een eigen huis?”
Op die punten kon Sir John hun meer betrouwbareinlichtingen verschaffen, en hij vertelde hun, dat de Heer Willoughby hier in de buurt geen eigendom bezat; en dat hij hier alleen vertoefde, als hij de oude dame kwam bezoeken op Allenham Court, die een bloedverwante van hem was, en wier bezittingen hij zou erven; terwijl hij erbij voegde: “Ja, ja, hij is de moeite waard om te veroveren, dat kan ik je verzekeren, Elinor; hij heeft nog een mooie buitenplaats in Somersetshire ook; als ik je was, ik stond hem niet af aan mijn jongere zuster, al rolde ze van nog zooveel heuvels af. Marianne moet niet denken dat alle heeren alleen om háár komen. Brandon zal jaloersch zijn, als ze niet oppast.”
“Ik geloof niet,” zei Mevrouw Dashwood, met een oolijk lachje, “dat de Heer Willoughby last zal hebben van pogingen van een vanmijnedochters om hem te veroveren, zooals je dat noemt. Indierichting is hun opvoeding niet geleid geworden. Mannen behoeven vooronsniet bang te zijn, al zijn ze ook nog zoo rijk. Maar ik ben blij, te hooren dat hij van goede familie is, en iemand, met wien men niet ongaarne zou kennismaken.”
“Ja, ’t is een beste kerel, voor zoover ik weet,” herhaalde Sir John. “’t Vorig jaar, met Kerstmis, bij gelegenheid van een danspartijtje bij ons op het Park, heeft hij gedanst van acht uur tot ’s morgens vier, aan één stuk door, zonder te gaan zitten.”
“Och, werkelijk?” riep Marianne met schitterende oogen, “en danste hij mooi, met vuur en overgave?”
“Ja, en om acht uur was hij alweer bij de hand, om mee uit te rijden op de jacht.”
“Dáar houd ik nu van; zóo moeten jongelui zijn. Zóo vurig in al wat ze doen, dat ze niet willen weten van matiging, en geen vermoeidheid bespeuren.”
“Jawel, jawel, ik zie ’t al aankomen,” zei Sir John. “Ik weet wel, hoe ’t zal gaan. Je hebt nu eengoed oogje op hèm; voor dien armen Brandon is de kans verkeken.”
“Dàt is een uitdrukking,” zei Marianne met grooten nadruk, “waaraan ik een verschrikkelijken hekel heb. Ik verfoei al die banale pogingen om grappig te zijn, en “een oogje op iemand hebben,” of “een conquête maken” kan ik ’t allerminst uitstaan. Ze spruiten voort uit een ruwe en bekrompen opvatting, en zoo al er ooit een zweem van puntige raakheid was in die zegswijzen, dan heeft de tijd die nu toch reeds lang te niet gedaan.”
Sir John begreep niet veel van die terechtwijzing; maar hij lachte even hartelijk, alsof hij dat wèl deed, en zei: “O, kom; aan conquête’s zal ’t jou niet ontbreken; is het de een niet, dan is het de ander. Die arme Brandon! hij is tot over de ooren verliefd, en datdieeen goede vangst zou zijn, dàt kan ik je verzekeren, vallen en enkeltjes verstuiken, of niet.”
Hoofdstuk XMarianne’s levensredder, zooals Margaret, meer sierlijk dan juist, zich uitdrukkend, den Heer Willoughby betitelde, kwam reeds vroeg den volgenden morgen zich persoonlijk van den goeden afloop van het ongeval overtuigen. Mevrouw Dashwood ontving hem met nog iets meer dan beleefdheid, met een vriendelijkheid, waartoe Sir John’s mededeelingen en haar eigen dankbaarheid haar aandreven; en al wat voorviel gedurende zijn bezoek werkte mede om hem een hoogen dunk te doen opvatten van de verstandelijke ontwikkeling, de fijne beschaving, de wederkeerige genegenheid en het huiselijk behagen van het gezin, dat hij door een toeval had keren kennen. Omtrent de uiterlijke bekoorlijkheden der jonge dames behoefde geen tweede ontmoeting hem vollediger zekerheid te verschaffen.Elinor zag er wat teer uit; maar had geregelde trekken, en een bijzonder lief figuurtje. Marianne was mooier. Misschien iets minder welgebouwd dan haar zuster, viel zij door haar lengte meer op dan deze, en haar gezichtje was zóó bekoorlijk, dat men, door haar met de gewone overdrijving van banale loftuigingen “een schoonheid” te noemen, der waarheid minder te kort deed, dan gewoonlijk geschiedt. Haar tint was zeer donker, maar het doorschijnend zuivere van haar fijne huid deed haar schitterenden blos des te meer uitkomen, hare trekken waren welbesneden, haar glimlach was bekoorlijk en innemend, en haar oogen, die zeer donker waren, tintelden van een leven, een geest, een vuur, die men niet kon aanschouwen zonder inverrukking te geraken. Hun uitdrukking bleef aanvankelijk tegenover Willoughby eenigszins ingehouden, tengevolge van de verlegenheid, door de herinnering aan zijn hulp opnieuw gewekt. Doch toen dat voorbijging, toen zij haar rustige zelfbezinning herkreeg,—toen zij zag, dat hun bezoeker aan zijn volmaakte wellevendheid zoowel openhartigheid als levendige vroolijkheid paarde, en vooral toen zij hem hoorde verklaren, dat hij een hartstochtelijk liefhebber was van dansen en muziek, gaf haar blik een onmiskenbaar welgevallen te kennen, dat haar voor den verderen duur van het bezoek zijn onverdeelde aandacht verzekerde.Het was voldoende, een harer geliefkoosde uitspanningen aan te roeren, om haar aan het praten te brengen. Zij kòn niet zwijgen, wanneer die onderwerpen ter sprake kwamen, en verlegenheid of terughouding bestonden daarbij voor haar niet. Zij ontdekten al spoedig, dat de liefhebberij voor dansen en muziek door beiden werd gedeeld, en voortsproot uit een algeheele overstemming van hun oordeel omtrent al wat met die genoegens in verband stond. Hierdoor aangemoedigd tot een nader onderzoek naar zijne opvattingen, begon zij hem te ondervragen op het punt van literatuur; haar geliefkoosde schrijvers werden opgenoemd en besproken met een zoo geestdriftige verrukking, dat een jong mensch van vijf en twintig jaar wel uiterst ongevoelig moest zijn geweest, zoo hij niet onmiddellijk overtuigd ware geworden van de voortreffelijkheid hunner werken, al had hij ze van te voren nooit ingezien. Hun smaken kwamen merkwaardig overeen. Dezelfde boeken, dezelfde bladzijden erin werden door hen om het vurigst bewonderd,—en zoo er al eenig verschil van meening bestond, eenige tegenwerping werd geopperd, dan duurde dit toch slechts zóólang tot de welsprekendheid harer argumenten en de schittering in haar oogen het pleit hadden beslecht. Hijwas het eens met al haar beslissende uitspraken, stemde in met al haar verrukte ontboezemingen, en lang vóór zijn bezoek was geëindigd, waren zij reeds zoo vertrouwelijk in gesprek alsof zij elkander jaren hadden gekend.“Nu Marianne,” zei Elinor, zoodra hij was heengegaan; “mij dunkt dat je dezen éénen morgen goed gebruikt hebt. Op bijna elk belangrijk punt heb je Mijnheer Willoughby’s meening weten in te winnen. Je hebt gehoord, hoe hij denkt over Cowper en Scott; je bent zeker, dat hij hun schoonheden naar behooren weet te waardeeren, en je hebt de stellige overtuiging verkregen, dat hij voor Pope niet méér gevoelt, dan hij met fatsoen niet laten kan. Maar hoe zal die omgang lang kunnen duren, als ieder onderwerp van gesprek met zoo verbijsterende vlugheid wordt afgehandeld? Je zult over al je stokpaardjes gauw zijn uitgepraat. Bij een volgend bezoek zal hij voldoende gelegenheid krijgen om zijn gevoelens te uiten over schilderachtig natuurschoon en tweede huwelijken, en dan blijft er niets meer voor je te vragen over...”“Elinor,” riep Marianne; “is dàt nu eerlijk; is dat nu waar? Heb ik zóó weinig oorspronkelijke denkbeelden?—Maar ik weet wel, wat je bedoelt. Ik was te veel op mijn gemak, te vroolijk, te openhartig. Ik heb gezondigd tegen alle banale welvoegelijkheids-begrippen. Ik was oprecht en open, waar ik terughoudend, saai, vervelend en huichelachtig had moeten zijn. Wanneer ik alleen maar over ’t weer en de wegen had gesproken, wanneer ik eens in de tien minuten mijn mond had opengedaan, dan zou dit verwijt mij zijn bespaard gebleven.“Lieve kind,” zei haar moeder; “je moet het Elinor niet kwalijk nemen;—ze zei het maar voor de grap. Ik zou zelf boos op haar worden, als ze ’t over zich kon verkrijgen, je het genoegen te bederven van je gesprekken met onzen nieuwenvriend.”—Marianne’s ergernis was in een oogwenk geweken.Willoughby van zijn kant bewees, door zijn blijkbaar verlangen om den pas begonnen omgang geregeld voort te zetten, ten duidelijkste hoeveel behagen hij erin schiep. Hij kwam thans iederen dag. In het begin kon de vraag hoe het Marianne ging, als voorwendsel dienen; doch de met den dag toenemende vriendelijkheid, waarmede hij werd ontvangen maakte zulk een voorwendsel overbodig, reeds eer het onmogelijk had kunnen dienst doen, door Marianne’s volkomen herstel. Zij moest een paar dagen thuisblijven; doch nooit was eenig huisarrest haar minder onaangenaam geweest. Willoughby was een jonge man met een helder hoofd, een levendige verbeelding, een opgewekte natuur en iets openhartigs en vriendelijks in zijn optreden. Hij was als voorbestemd om juist Marianne’s hart te winnen; want aan al die gaven paarde hij niet slechts een innemend uiterlijk, doch tevens een natuurlijke vurigheid van geest, die thans door háár voorbeeld werd gewekt en aangespoord, en die hem meer dan eenige andere eigenschap haar genegenheid deed winnen.Met hem samen te zijn werd van lieverlede haar allergrootst genoegen. Zij lazen, zij praatten, zij zongen met elkaar: hij was zeer muzikaal, en hij las voor met al het gevoel en het vuur, waaraan het Edward helaas had ontbroken.In Mevrouw Dashwood’s oogen was hij even volmaakt als in die van Marianne; en Elinor vond niets op hem aan te merken, behalve een neiging, waarin hij sterk op haar zuster geleek en die deze dan ook bijzonder behaagde, van bij alle voorkomende gelegenheden veel te ronduit zijn meening te zeggen, zonder daarbij rekening te houden met personen en omstandigheden. Door dat overijld oordeelen en zijn oordeel uitspreken over anderen, door de wellevendheid in een grooteren kring telaten achterstaan bij het genoegen van zich onverdeeld te wijden aan de uitverkorene zijns harten, en door een zeker luchtig verwaarloozen van maatschappelijke omgangsvormen, gaf hij blijk van een gebrek aan voorzichtigheid, dat Elinor niet kon goedkeuren, ondanks al wat Marianne en hij hadden aan te voeren ten gunste van hunne opvatting.Marianne begon nu te bespeuren dat de vrees om nooit een man te zullen ontmoeten, die haar ideaal van volmaaktheid nabij kwam, een vrees, die haar zoo wanhopig had gemaakt, toen zij nog maar pas zestien jaar was, voorbarig en ongerechtvaardigd was geweest. Willoughby was al wat haar verbeelding haar in die droeve ure had voorgespiegeld, en thans, in zooveel blijdere dagen, even bereid en gereed om haar hart te winnen; zijn gedrag toch bewees, dat zijn verlangens in dat opzicht even ernstig gemeend waren, als zijn vermogen om liefde in te boezemen krachtig was.Ook haar moeder, in wier geest het vooruitzicht van zijn toekomstigen rijkdom geen enkele berekenende gedachte aan een huwelijk had gewekt, begon, eer een week was voorbijgegaan, daarop te hopen en het te verwachten; in stilte wenschte zij zichzelve dan ook reeds geluk met twee zulke schoonzoons als Edward en Willoughby.Kolonel Brandon’s belangstelling in Marianne, die zijn vrienden reeds zoo spoedig hadden opgemerkt, werd thans eerst duidelijk voor Elinor; nu de anderen er niet meer op letten. Hun aandacht en hun geestigheden kozen zich thans zijn gelukkigen mededinger tot doelwit, en de plagerijen, waaraan de Kolonel had blootgestaan, eer hij eenige voorkeur had doen blijken, hielden op, toen zijn gevoelens met meer recht de spotternij hadden kunnen uitlokken, die gevoeligheid maar al te dikwijls pleegt te treffen. Elinor moest, haars ondanks, wel gelooven, dat de gevoelens, welke Mevrouw Jennings hem te haren opzichte hadtoegeschreven, hem thans werkelijk werden ingeboezemd door hare zuster, en dat, al mocht een algemeene overeenstemming tusschen beider karaktertrekken de neiging van Willoughby in de hand werken, een even opvallende tegenstelling in aard en aanleg geen beletsel was voor Kolonel Brandon’s genegenheid. Zij zag hetmetleedwezen; want wat kon een stille man van vijf en dertig hopen, naast en tegenover een vijf en twintigjarige, die een en al vuur en leven was? En daar zij zelfs niet kon wenschen, dat zijn verlangen vervuld zou worden, hoopte zij van harte, dat hij onverschillig mocht zijn. Zij hield van hem;—ondanks zijn ernst en terughouding wekte hij hare belangstelling. Ofschoon zoo ernstig, was hij zacht en vriendelijk in den omgang, en zijn teruggetrokken houding scheen veeleer het gevolg van gedruktheid, dan van een zwaarmoedigen en somberen aard. Sir John had zich wel eens iets laten ontvallen over door hem ondervonden grieven en teleurstellingen, welke haar vermoeden dat hij ongelukkig was, bevestigden, en zij beschouwde hem met eerbied en medelijden. Misschien beklaagde en waardeerde zij hem des te meer omdat hij weinig in tel was bij Willoughby en Marianne, die, bevooroordeeld tegenover iemand, noch jong, noch opgewekt van aard, zich schenen te hebben voorgenomen, zijn verdienste te onderschatten.“Brandon is nu zoo iemand,” zei Willoughby eens, toen zij samen over hem spraken, “die door ieder wordt geprezen, en om wien niemand geeft; die steeds met blijdschap wordt begroet; maar wien iedereen vergeet aan te spreken.”“Dat is nu juist de indruk, dien hij ook maakt op mij,” riep Marianne.“Daar behoef je je niet op te verheffen,” zei Elinor; “want het is van jullie allebei onrechtvaardig. Hij wordt ten zeerste gewaardeerd door de familie op Barton Park, en ik zelf zie hem nooit,zonder bepaald moeite te doen met hem een gesprek te voeren.”“Dat u hem de hand boven ’t hoofd houdt,” antwoordde Willoughby, “spreekt te zijnen gunste; maar die waardeering van de anderen is op zichzelf al een blaam. Wie zou de schande willen verdragen van zich geprezen te zien door dames als Lady Middleton en Mevrouw Jennings, die door ieder ander met de meest volkomen onverschilligheid worden beschouwd?”“Maar misschien weegt de afkeuring van menschen als u en Marianne wel op tegen de waardeering van Lady Middleton en haar moeder. Als haar lof blaam is, dan kan jelui blaam wel als lof worden aangemerkt; want hun gemis van doorzicht is volstrekt niet grooter dan jelui vooroordeel en onbillijkheid.”“Waar het geldt uw beschermeling te verdedigen, wordt u zelfs scherp.”“Mijn beschermeling, zooals u hem noemt, is een verstandig man, en tot verstand voel ik mij altijd aangetrokken. Ja Marianne, zelfs in een man tusschen de dertig en veertig. Hij heeft veel van de wereld gezien; lang in het buitenland vertoefd; hij houdt van lezen en is gewend, na te denken. Ik heb ondervonden, dat hij in staat was, mij omtrent allerlei onderwerpen voor te lichten, en hij heeft altoos mijn vragen beantwoord met de bereidwilligheid van een beschaafd en goedhartig man.”“Nu ja,” riep Marianne op minachtenden toon, “hij heeft je verteld dat in Oost-Indië het klimaat erg warm is, en dat de muskieten er lastig zijn.”“Datzouhij mij allicht verteld hebben, als ik hem ernaar had gevraagd; maar toevallig waren dat punten, waaromtrent ik reeds eerder zekerheid had verkregen.”“Misschien,” zei Willoughby, “strekten zijn waarnemingen zich wel uit tot nabobs, rijk versierde mooren, en palankijnen.”“Ik durf wel zeggen, datzijnwaarnemingen verder reikten dan uw doorzicht. Maar wat hebt u eigenlijk op hem tegen?”“Ik hèb niets op hem tegen. Integendeel, ik beschouw hem als een zeer achtenswaardig man, die door ieder geroemd wordt, en van wien niemand notitie neemt; iemand die meer geld heeft, dan hij kan uitgeven; meer tijd, dan hij behoorlijk weet te gebruiken, en twee nieuwe pakken in het jaar.”“En voeg er dan nog bij,” riep Marianne, “dat hij noch geniaal, noch artistiek, noch geestig is. Dat het zijn geest ontbreekt aan leven, zijn gevoel aan vuur, en zijn stem aan uitdrukking.”“Je beslissend oordeel over zijn onvolmaaktheden is zoo veelomvattend,” antwoordde Elinor, “en zoo zeer gekleurd door je eigen verbeelding, dat de lof, dien ik hem vermag te schenken, daarbij vergeleken koel en onbeteekenend schijnt. Ik kan alleen verklaren, dat hij een verstandig man is, beschaafd, ontwikkeld, vriendelijk in den omgang, en naar het mij voorkomt, iemand met een goed hart.”“Juffrouw Dashwood,” riep Willoughby; “u behandelt mij heel onaardig. U tracht mij door redeneering te ontwapenen, en mij te overtuigen, tegen mijn zin. Maar het helpt u niets. U zult mij even koppig vinden als u listig bent. Voor mijn ongunstige meening omtrent Kolonel Brandon bestaan drie afdoende redenen: hij heeft voorspeld, dat het zou gaan regenen, terwijl ik op mooi weer hoopte; hij heeft aanmerkingen gemaakt op den bouw van mijn rijtuig, en ik kan hem niet overhalen mijn bruine merrie te koopen. Als het u echter eenige voldoening kan schenken, te vernemen, dat ik zijn karakter in elk ander opzicht onberispelijk vind, dan ben ik bereid, dat te erkennen. En als belooning voor die erkentenis, die niet anders dan een weinig pijnlijk voor mij kan zijn, moogt u mij het voorrecht niet ontzeggen, hem nog evenmin te kunnen uitstaan als voorheen.”
Marianne’s levensredder, zooals Margaret, meer sierlijk dan juist, zich uitdrukkend, den Heer Willoughby betitelde, kwam reeds vroeg den volgenden morgen zich persoonlijk van den goeden afloop van het ongeval overtuigen. Mevrouw Dashwood ontving hem met nog iets meer dan beleefdheid, met een vriendelijkheid, waartoe Sir John’s mededeelingen en haar eigen dankbaarheid haar aandreven; en al wat voorviel gedurende zijn bezoek werkte mede om hem een hoogen dunk te doen opvatten van de verstandelijke ontwikkeling, de fijne beschaving, de wederkeerige genegenheid en het huiselijk behagen van het gezin, dat hij door een toeval had keren kennen. Omtrent de uiterlijke bekoorlijkheden der jonge dames behoefde geen tweede ontmoeting hem vollediger zekerheid te verschaffen.
Elinor zag er wat teer uit; maar had geregelde trekken, en een bijzonder lief figuurtje. Marianne was mooier. Misschien iets minder welgebouwd dan haar zuster, viel zij door haar lengte meer op dan deze, en haar gezichtje was zóó bekoorlijk, dat men, door haar met de gewone overdrijving van banale loftuigingen “een schoonheid” te noemen, der waarheid minder te kort deed, dan gewoonlijk geschiedt. Haar tint was zeer donker, maar het doorschijnend zuivere van haar fijne huid deed haar schitterenden blos des te meer uitkomen, hare trekken waren welbesneden, haar glimlach was bekoorlijk en innemend, en haar oogen, die zeer donker waren, tintelden van een leven, een geest, een vuur, die men niet kon aanschouwen zonder inverrukking te geraken. Hun uitdrukking bleef aanvankelijk tegenover Willoughby eenigszins ingehouden, tengevolge van de verlegenheid, door de herinnering aan zijn hulp opnieuw gewekt. Doch toen dat voorbijging, toen zij haar rustige zelfbezinning herkreeg,—toen zij zag, dat hun bezoeker aan zijn volmaakte wellevendheid zoowel openhartigheid als levendige vroolijkheid paarde, en vooral toen zij hem hoorde verklaren, dat hij een hartstochtelijk liefhebber was van dansen en muziek, gaf haar blik een onmiskenbaar welgevallen te kennen, dat haar voor den verderen duur van het bezoek zijn onverdeelde aandacht verzekerde.
Het was voldoende, een harer geliefkoosde uitspanningen aan te roeren, om haar aan het praten te brengen. Zij kòn niet zwijgen, wanneer die onderwerpen ter sprake kwamen, en verlegenheid of terughouding bestonden daarbij voor haar niet. Zij ontdekten al spoedig, dat de liefhebberij voor dansen en muziek door beiden werd gedeeld, en voortsproot uit een algeheele overstemming van hun oordeel omtrent al wat met die genoegens in verband stond. Hierdoor aangemoedigd tot een nader onderzoek naar zijne opvattingen, begon zij hem te ondervragen op het punt van literatuur; haar geliefkoosde schrijvers werden opgenoemd en besproken met een zoo geestdriftige verrukking, dat een jong mensch van vijf en twintig jaar wel uiterst ongevoelig moest zijn geweest, zoo hij niet onmiddellijk overtuigd ware geworden van de voortreffelijkheid hunner werken, al had hij ze van te voren nooit ingezien. Hun smaken kwamen merkwaardig overeen. Dezelfde boeken, dezelfde bladzijden erin werden door hen om het vurigst bewonderd,—en zoo er al eenig verschil van meening bestond, eenige tegenwerping werd geopperd, dan duurde dit toch slechts zóólang tot de welsprekendheid harer argumenten en de schittering in haar oogen het pleit hadden beslecht. Hijwas het eens met al haar beslissende uitspraken, stemde in met al haar verrukte ontboezemingen, en lang vóór zijn bezoek was geëindigd, waren zij reeds zoo vertrouwelijk in gesprek alsof zij elkander jaren hadden gekend.
“Nu Marianne,” zei Elinor, zoodra hij was heengegaan; “mij dunkt dat je dezen éénen morgen goed gebruikt hebt. Op bijna elk belangrijk punt heb je Mijnheer Willoughby’s meening weten in te winnen. Je hebt gehoord, hoe hij denkt over Cowper en Scott; je bent zeker, dat hij hun schoonheden naar behooren weet te waardeeren, en je hebt de stellige overtuiging verkregen, dat hij voor Pope niet méér gevoelt, dan hij met fatsoen niet laten kan. Maar hoe zal die omgang lang kunnen duren, als ieder onderwerp van gesprek met zoo verbijsterende vlugheid wordt afgehandeld? Je zult over al je stokpaardjes gauw zijn uitgepraat. Bij een volgend bezoek zal hij voldoende gelegenheid krijgen om zijn gevoelens te uiten over schilderachtig natuurschoon en tweede huwelijken, en dan blijft er niets meer voor je te vragen over...”
“Elinor,” riep Marianne; “is dàt nu eerlijk; is dat nu waar? Heb ik zóó weinig oorspronkelijke denkbeelden?—Maar ik weet wel, wat je bedoelt. Ik was te veel op mijn gemak, te vroolijk, te openhartig. Ik heb gezondigd tegen alle banale welvoegelijkheids-begrippen. Ik was oprecht en open, waar ik terughoudend, saai, vervelend en huichelachtig had moeten zijn. Wanneer ik alleen maar over ’t weer en de wegen had gesproken, wanneer ik eens in de tien minuten mijn mond had opengedaan, dan zou dit verwijt mij zijn bespaard gebleven.
“Lieve kind,” zei haar moeder; “je moet het Elinor niet kwalijk nemen;—ze zei het maar voor de grap. Ik zou zelf boos op haar worden, als ze ’t over zich kon verkrijgen, je het genoegen te bederven van je gesprekken met onzen nieuwenvriend.”—Marianne’s ergernis was in een oogwenk geweken.
Willoughby van zijn kant bewees, door zijn blijkbaar verlangen om den pas begonnen omgang geregeld voort te zetten, ten duidelijkste hoeveel behagen hij erin schiep. Hij kwam thans iederen dag. In het begin kon de vraag hoe het Marianne ging, als voorwendsel dienen; doch de met den dag toenemende vriendelijkheid, waarmede hij werd ontvangen maakte zulk een voorwendsel overbodig, reeds eer het onmogelijk had kunnen dienst doen, door Marianne’s volkomen herstel. Zij moest een paar dagen thuisblijven; doch nooit was eenig huisarrest haar minder onaangenaam geweest. Willoughby was een jonge man met een helder hoofd, een levendige verbeelding, een opgewekte natuur en iets openhartigs en vriendelijks in zijn optreden. Hij was als voorbestemd om juist Marianne’s hart te winnen; want aan al die gaven paarde hij niet slechts een innemend uiterlijk, doch tevens een natuurlijke vurigheid van geest, die thans door háár voorbeeld werd gewekt en aangespoord, en die hem meer dan eenige andere eigenschap haar genegenheid deed winnen.
Met hem samen te zijn werd van lieverlede haar allergrootst genoegen. Zij lazen, zij praatten, zij zongen met elkaar: hij was zeer muzikaal, en hij las voor met al het gevoel en het vuur, waaraan het Edward helaas had ontbroken.
In Mevrouw Dashwood’s oogen was hij even volmaakt als in die van Marianne; en Elinor vond niets op hem aan te merken, behalve een neiging, waarin hij sterk op haar zuster geleek en die deze dan ook bijzonder behaagde, van bij alle voorkomende gelegenheden veel te ronduit zijn meening te zeggen, zonder daarbij rekening te houden met personen en omstandigheden. Door dat overijld oordeelen en zijn oordeel uitspreken over anderen, door de wellevendheid in een grooteren kring telaten achterstaan bij het genoegen van zich onverdeeld te wijden aan de uitverkorene zijns harten, en door een zeker luchtig verwaarloozen van maatschappelijke omgangsvormen, gaf hij blijk van een gebrek aan voorzichtigheid, dat Elinor niet kon goedkeuren, ondanks al wat Marianne en hij hadden aan te voeren ten gunste van hunne opvatting.
Marianne begon nu te bespeuren dat de vrees om nooit een man te zullen ontmoeten, die haar ideaal van volmaaktheid nabij kwam, een vrees, die haar zoo wanhopig had gemaakt, toen zij nog maar pas zestien jaar was, voorbarig en ongerechtvaardigd was geweest. Willoughby was al wat haar verbeelding haar in die droeve ure had voorgespiegeld, en thans, in zooveel blijdere dagen, even bereid en gereed om haar hart te winnen; zijn gedrag toch bewees, dat zijn verlangens in dat opzicht even ernstig gemeend waren, als zijn vermogen om liefde in te boezemen krachtig was.
Ook haar moeder, in wier geest het vooruitzicht van zijn toekomstigen rijkdom geen enkele berekenende gedachte aan een huwelijk had gewekt, begon, eer een week was voorbijgegaan, daarop te hopen en het te verwachten; in stilte wenschte zij zichzelve dan ook reeds geluk met twee zulke schoonzoons als Edward en Willoughby.
Kolonel Brandon’s belangstelling in Marianne, die zijn vrienden reeds zoo spoedig hadden opgemerkt, werd thans eerst duidelijk voor Elinor; nu de anderen er niet meer op letten. Hun aandacht en hun geestigheden kozen zich thans zijn gelukkigen mededinger tot doelwit, en de plagerijen, waaraan de Kolonel had blootgestaan, eer hij eenige voorkeur had doen blijken, hielden op, toen zijn gevoelens met meer recht de spotternij hadden kunnen uitlokken, die gevoeligheid maar al te dikwijls pleegt te treffen. Elinor moest, haars ondanks, wel gelooven, dat de gevoelens, welke Mevrouw Jennings hem te haren opzichte hadtoegeschreven, hem thans werkelijk werden ingeboezemd door hare zuster, en dat, al mocht een algemeene overeenstemming tusschen beider karaktertrekken de neiging van Willoughby in de hand werken, een even opvallende tegenstelling in aard en aanleg geen beletsel was voor Kolonel Brandon’s genegenheid. Zij zag hetmetleedwezen; want wat kon een stille man van vijf en dertig hopen, naast en tegenover een vijf en twintigjarige, die een en al vuur en leven was? En daar zij zelfs niet kon wenschen, dat zijn verlangen vervuld zou worden, hoopte zij van harte, dat hij onverschillig mocht zijn. Zij hield van hem;—ondanks zijn ernst en terughouding wekte hij hare belangstelling. Ofschoon zoo ernstig, was hij zacht en vriendelijk in den omgang, en zijn teruggetrokken houding scheen veeleer het gevolg van gedruktheid, dan van een zwaarmoedigen en somberen aard. Sir John had zich wel eens iets laten ontvallen over door hem ondervonden grieven en teleurstellingen, welke haar vermoeden dat hij ongelukkig was, bevestigden, en zij beschouwde hem met eerbied en medelijden. Misschien beklaagde en waardeerde zij hem des te meer omdat hij weinig in tel was bij Willoughby en Marianne, die, bevooroordeeld tegenover iemand, noch jong, noch opgewekt van aard, zich schenen te hebben voorgenomen, zijn verdienste te onderschatten.
“Brandon is nu zoo iemand,” zei Willoughby eens, toen zij samen over hem spraken, “die door ieder wordt geprezen, en om wien niemand geeft; die steeds met blijdschap wordt begroet; maar wien iedereen vergeet aan te spreken.”
“Dat is nu juist de indruk, dien hij ook maakt op mij,” riep Marianne.
“Daar behoef je je niet op te verheffen,” zei Elinor; “want het is van jullie allebei onrechtvaardig. Hij wordt ten zeerste gewaardeerd door de familie op Barton Park, en ik zelf zie hem nooit,zonder bepaald moeite te doen met hem een gesprek te voeren.”
“Dat u hem de hand boven ’t hoofd houdt,” antwoordde Willoughby, “spreekt te zijnen gunste; maar die waardeering van de anderen is op zichzelf al een blaam. Wie zou de schande willen verdragen van zich geprezen te zien door dames als Lady Middleton en Mevrouw Jennings, die door ieder ander met de meest volkomen onverschilligheid worden beschouwd?”
“Maar misschien weegt de afkeuring van menschen als u en Marianne wel op tegen de waardeering van Lady Middleton en haar moeder. Als haar lof blaam is, dan kan jelui blaam wel als lof worden aangemerkt; want hun gemis van doorzicht is volstrekt niet grooter dan jelui vooroordeel en onbillijkheid.”
“Waar het geldt uw beschermeling te verdedigen, wordt u zelfs scherp.”
“Mijn beschermeling, zooals u hem noemt, is een verstandig man, en tot verstand voel ik mij altijd aangetrokken. Ja Marianne, zelfs in een man tusschen de dertig en veertig. Hij heeft veel van de wereld gezien; lang in het buitenland vertoefd; hij houdt van lezen en is gewend, na te denken. Ik heb ondervonden, dat hij in staat was, mij omtrent allerlei onderwerpen voor te lichten, en hij heeft altoos mijn vragen beantwoord met de bereidwilligheid van een beschaafd en goedhartig man.”
“Nu ja,” riep Marianne op minachtenden toon, “hij heeft je verteld dat in Oost-Indië het klimaat erg warm is, en dat de muskieten er lastig zijn.”
“Datzouhij mij allicht verteld hebben, als ik hem ernaar had gevraagd; maar toevallig waren dat punten, waaromtrent ik reeds eerder zekerheid had verkregen.”
“Misschien,” zei Willoughby, “strekten zijn waarnemingen zich wel uit tot nabobs, rijk versierde mooren, en palankijnen.”
“Ik durf wel zeggen, datzijnwaarnemingen verder reikten dan uw doorzicht. Maar wat hebt u eigenlijk op hem tegen?”
“Ik hèb niets op hem tegen. Integendeel, ik beschouw hem als een zeer achtenswaardig man, die door ieder geroemd wordt, en van wien niemand notitie neemt; iemand die meer geld heeft, dan hij kan uitgeven; meer tijd, dan hij behoorlijk weet te gebruiken, en twee nieuwe pakken in het jaar.”
“En voeg er dan nog bij,” riep Marianne, “dat hij noch geniaal, noch artistiek, noch geestig is. Dat het zijn geest ontbreekt aan leven, zijn gevoel aan vuur, en zijn stem aan uitdrukking.”
“Je beslissend oordeel over zijn onvolmaaktheden is zoo veelomvattend,” antwoordde Elinor, “en zoo zeer gekleurd door je eigen verbeelding, dat de lof, dien ik hem vermag te schenken, daarbij vergeleken koel en onbeteekenend schijnt. Ik kan alleen verklaren, dat hij een verstandig man is, beschaafd, ontwikkeld, vriendelijk in den omgang, en naar het mij voorkomt, iemand met een goed hart.”
“Juffrouw Dashwood,” riep Willoughby; “u behandelt mij heel onaardig. U tracht mij door redeneering te ontwapenen, en mij te overtuigen, tegen mijn zin. Maar het helpt u niets. U zult mij even koppig vinden als u listig bent. Voor mijn ongunstige meening omtrent Kolonel Brandon bestaan drie afdoende redenen: hij heeft voorspeld, dat het zou gaan regenen, terwijl ik op mooi weer hoopte; hij heeft aanmerkingen gemaakt op den bouw van mijn rijtuig, en ik kan hem niet overhalen mijn bruine merrie te koopen. Als het u echter eenige voldoening kan schenken, te vernemen, dat ik zijn karakter in elk ander opzicht onberispelijk vind, dan ben ik bereid, dat te erkennen. En als belooning voor die erkentenis, die niet anders dan een weinig pijnlijk voor mij kan zijn, moogt u mij het voorrecht niet ontzeggen, hem nog evenmin te kunnen uitstaan als voorheen.”