Hoofdstuk XIMevrouw Dashwood en hare dochters hadden zich weinig voorgesteld, toen zij pas in Devonshire waren komen wonen, dat de verplichtingen van den gezelligen omgang al spoedig zooveel van hun tijd zouden in beslag nemen, of dat zij zoo herhaaldelijk uitnoodigingen en zoo geregeld bezoeken zouden ontvangen, dat hun zeer weinig vrije tijd overbleef voor ernstiger bezigheid. Toch was dit het geval. Toen Marianne hersteld was, werden de plannen voor feestelijkheden in zijn eigen huis en daarbuiten, die Sir John reeds lang had beraamd, werkelijk ten uitvoer gebracht. De danspartijen op het Park namen een aanvang, en boottochtjes werden gemaakt, zoo dikwijls een buiige Octobermaand dat toeliet. Bij alle bijeenkomsten van dien aard was Willoughby van de partij, en de luchtige en gemakkelijke toon, die natuurlijk heerschte bij dergelijke gelegenheden, was juist erop berekend, om de toenemende vertrouwelijkheid van zijn omgang met de Dashwoods te bevorderen, om hem gelegenheid te schenken, Marianne in al haar lieftalligheid gade te slaan; om steeds duidelijker zijn levendige bewondering te doen blijken; en om door haar houding hem de stelligste verzekering te doen ontvangen van haar genegenheid. Elinor kon zich niet verwonderen over hun wederkeerige neiging. Zij wenschte alleen, dat deze minder openlijk werd aan den dag gelegd, en een paar malen waagde zij het werkelijk, Marianne de gewenschtheid van eenige zelfbeheersching onder het oog te brengen. Maar Marianne verfoeide al wat naar verbergen zweemde, waar openbaren niets waarlijk oneervols insloot, enopzettelijk gevoelens te bedwingen, die op zich zelf niet afkeurenswaardig waren, scheen haar niet alleen een onnoodige poging, maar een schandelijke onderwerping van de rede aan banale en onjuiste opvattingen.Willoughby dacht er eveneens over, en hun gedrag legde, ten allen tijde, van hunne meeningen het trouwste getuigenis af.In zijn tegenwoordigheid had zij voor niemand oog dan hèm. Al wat hij deed, was goed. Al wat hij zei, was geestig. Als de avondjes op het Park werden besloten met een spelletje kaart, dan bedierf hij zijn eigen kansen en die van alle anderen, om haar de troeven in handen te spelen. Wanneer de avond met dansen werd doorgebracht, dansten zij de helft van den tijd met elkaar; en als ze gedurende een paar dansen volstrekt moesten scheiden, stonden ze samen te praten, en zeiden tegen anderen geen woord. Ze werden natuurlijk geducht uitgelachen om hun gedrag; maar het scheen wel of spotternij hen niet beschamen, en ternauwernood ergeren kon.Mevrouw Dashwood nam zoo hartelijk en levendig deel in al hun gevoelens, dat zij onmogelijk geneigd kon zijn, paal en perk te stellen aan dit overdreven vertoon. Voor haar was dat slechts het natuurlijk gevolg van een sterke genegenheid in een jongen en vurigen geest.Het was een gelukkige tijd voor Marianne. Zij hing met haar geheele hart aan Willoughby, en het sterke verlangen naar Norland, dat zij uit Sussex had medegebracht werd, meer dan zij ooit mogelijk had geacht, verzacht door de bekoring die zijn gezelschap verleende aan haar tegenwoordige omgeving.Elinor was niet zoo blij gestemd. Haar hart was niet zoo rustig, haar genoegen in hun vermaken niet zoo onvermengd. Zij had geen vriend en metgezel aangetroffen, die haar kon vergoeden wat zij achterliet, en haar kon leeren, minder dan ooit metweemoed aan Norland terug te denken. Noch Lady Middleton, noch Mevrouw Jennings konden met haar de gesprekken voeren, die zij miste; hoewel de laatste onuitputtelijk spraakzaam was, en van den beginne af een voorliefde voor Elinor had doen blijken, die haar het leeuwendeel van de mededeelingen dier dame bezorgde. Zij had haar eigen levensgeschiedenis reeds drie of vier malen aan Elinor verteld, en als Elinor’s geheugen bestand was geweest tegen de zware eischen, die dit leerzaam verhaal eraan stelde, dan had zij reeds aan het begin hunner kennismaking op de hoogte kunnen zijn van de geringste bijzonderheden omtrent de laatste ziekte van den Heer Jennings en wat hij gezegd had tegen zijn vrouw een paar minuten voor hij stierf. Lady Middleton was alleen in zooverre aangenamer gezelschap dan haar moeder dat zij beter zwijgen kon. Doch Elinor had haar niet lang behoeven gade te slaan, om te bespeuren, dat haar terughouding eenvoudig een zekere uiterlijke trage onbewogenheid was, die met verstand niets had te maken. Tegenover haar man en haar moeder was zij precies dezelfde als tegenover hen, en intimiteit kon men dus van haar verwachten noch verlangen. Zij had nooit iets te vertellen, dat zij niet den vorigen dag ook reeds had gezegd. Haar onbeduidendheid bleef zich altijd gelijk; want zelfs haar stemming was onveranderlijk dezelfde; en hoewel zij er niets tegen had, dat haar man buitenpartijen gaf, zoolang alles in de puntjes was, en haar beide oudste kinderen haar mochten gezelschap houden, zij scheen er nooit meer pleizier in te hebben, dan zij thuis evengoed zou hebben gevonden;—en zoo weinig droeg hare tegenwoordigheid bij tot het genoegen der anderen, door eenige deelname in hun gesprek, dat zij somtijds alleen herinnerd werden aan hare tegenwoordigheid door haar bezorgdheid over haar lastige jongens.Onder al haar nieuwe kennissen vond Elinorslechts in Kolonel Brandon iemand, die ook maar eenigszins kon aanspraak maken op eerbied voor zijn gaven en op vriendschappelijke belangstelling, of wiens gezelschap haar aangenaam was. Willoughby kwam niet in aanmerking. Zij bewonderde hem en was hem welgezind, ja zusterlijk genegen; maar hij was verliefd; hij wijdde zich uitsluitend aan Marianne, en een veel minder aantrekkelijke persoonlijkheid zou aangenamer in den omgang hebben kunnen zijn. Kolonel Brandon had, jammer genoeg voor hem, geen dergelijke aanmoediging ontvangen om aan Marianne al zijn gedachten te wijden, en in zijn gesprekken met Elinor vond hij den grootsten troost over de volkomen onverschilligheid van haar zuster.Elinor’s medelijden met hem groeide nog aan, toen zij reden kreeg te vermoeden, dat hij de smart van teleurgestelde liefde reeds eerder had leeren kennen. Dit vermoeden werd gewekt door enkele woorden, die hij zich liet ontvallen op een avond te Barton Park, toen zij met beider goedvinden waren gaan zitten, terwijl de anderen aan het dansen waren. Zijn blik bleef een poos gevestigd op Marianne, en na eenigen tijd te hebben gezwegen, zeide hij met een flauwen glimlach: “Ik meen te hebben begrepen, dat uw zuster aan een genegenheid, die niet de eerste is, hare goedkeuring niet kan schenken.”“Neen,” antwoordde Elinor; “zij heeft merkwaardig romantische denkbeelden.”“Of liever gezegd, zij beschouwt zulk een genegenheid als ondenkbaar, geloof ik.”“Ik geloof ook, dat zij er zoo over denkt. Doch hoe ze dat kan doen, zonder als ’t ware een blaam te werpen op het karakter van haar vader, die zelf twee vrouwen heeft gehad, dat begrijp ik niet. Maar over een paar jaren zullen haar meeningen wel gevestigd zijn op den redelijken grondslag van gezond verstand en onbevooroordeelde waarneming;en dan zullen zij gemakkelijker zijn te bepalen en te rechtvaardigen, dan het thans iemand, behalve haarzelve, mogelijk is te doen.”“Zoo zal het waarschijnlijk wel gaan,” was zijn antwoord; “en toch is er iets zoo beminnelijks in de vooroordeelen van een jeugdigen geest, dat het ons leed doet, ze te zien vervangen door ruimere opvattingen.”“Dàt ben ik niet met u eens,” zeide Elinor. “Aan zulke gevoelens als die van Marianne zijn nadeelen verbonden, die al de bekoring van geestdrift en gemis van wereldwijsheid niet kan vergoeden. Haar opvattingen leiden alle in de noodlottige richting, die geen rekening verkiest te houden met maatschappelijk fatsoen; en in een vermeerdering van haar wereld- en menschenkennis zie ik voor haar het grootste heil.”Na een korte stilte hervatte hij het gesprek, door te vragen: “Maakt uw zuster in het geheel geen onderscheid in haar bezwaren tegen een tweede liefde, of is dat vergrijp in ieder even misdadig te achten? Moeten zij, die in hun eerste keuze zijn teleurgesteld, ’t zij door de ontrouw van het voorwerp ervan, ’t zij door den ongelukkigen samenloop der omstandigheden, nu ook verder hun leven lang onverschillig blijven?”“Zóó precies ben ik werkelijk niet op de hoogte van haar beginselen op dit punt. Ik weet alleen, dat ik haar nog nimmer heb hooren toegeven, dat eenige tweede genegenheid vergefelijk zou kunnen zijn.”“Dàt kan,” zei hij, “niet altijd zoo blijven; doch een omkeer, een algeheele verandering van inzicht... neen, neen, die is niet wenschelijk,—want wanneer de romantische kiesche denkbeelden van een jeugdigen geest door de werkelijkheid worden teruggedrongen, hoe dikwijls maken zij dan plaats voor opvattingen, die maar al te gangbaar zijn, en maar al te gevaarlijk. Ik spreek uit ervaring. Ik heb eenseen dame gekend die wat aard en aanleg betrof, zeer veel op uwe zuster geleek, die dacht en oordeelde als zij, doch die door een gedwongen verandering... door een opeenvolging van noodlottige omstandigheden...” Hier zweeg hij plotseling; scheen te denken dat hij te veel had gezegd, en wekte door de uitdrukking van zijn gelaat in Elinor vermoedens, die zij anders allicht niet zou hebben gekoesterd. De dame van wie hij sprak zou waarschijnlijk haar achterdocht niet hebben gaande gemaakt, zoo hij Elinor niet had overtuigd, dat haar aangelegenheden niet over zijne lippen behoorden te komen. Thans echter was er geen sterke inspanning der verbeeldingskracht noodig om zijn aandoening in verband te brengen met de teedere herinnering aan een vroegere genegenheid. Elinor raadde niet méér. Doch Marianne, in hare plaats, zou zich daarmede niet vergenoegd hebben. De geheele geschiedenis zou weldra door haar levendige verbeelding in elkaar zijn gezet, en uitgewerkt tot een allerdroevigst verhaal van jammerlijk ongelukkige liefde.Hoofdstuk XIIToen Elinor en Marianne den volgenden morgen samen wandelden, vertelde de laatste aan hare zuster een nieuwtje, dat deze, ondanks al wat zij reeds had ervaren omtrent Marianne’s onvoorzichtigheid en onnadenkendheid, verbaasde, door een zóó treffend bewijs te leveren van die beide eigenschappen. Marianne vertelde haar verrukt, dat Willoughby haar een paard had ten geschenke gegeven, een van de door hem zelf gefokte paarden op zijn landgoed in Somersetshire, dat juist geschikt was, om door eene dame te worden bereden. Zonder te bedenken, dat het niet in haar moeders bedoeling lag paarden te houden,—dat zij, indien zij al op dat besluit wilde terugkomen, terwille van dit geschenk, een ander paard moest koopen voor een knecht, dien knecht moest huren om het te berijden, en ten slotte nog een stal moest laten bouwen om beide onder dak te brengen,—had zij zonder eenige aarzeling het aanbod aangenomen, en vertelde haar zuster ervan met de grootste opgetogenheid. “Hij is voornemens zijn bediende dadelijk ervoor naar Somersetshire te zenden”, voegde zij erbij, “en als het komt, gaan we iederen dag rijden. Jij mag het ook gebruiken. Stel je toch eens voor, Elinor, hoe zalig het zijn zal, in galop over onze heuvels te snellen.”Wel zéér ongeneigd was zij, te ontwaken uit dien geluksdroom, zich te laten overtuigen van al de pijnlijke, maar noodzakelijke bijkomstigheden, aan de zaak verbonden, en een tijdlang weigerde zij koppig, ze in te zien. Een bediende meer zou zooveel niet kosten; mama zou daar stellig niet op tegen hebben, voor hem was trouwens elk paardgoed genoeg; hij kon er altijd wel een krijgen van Het Park; en wat den stal betrof, een klein schuurtje zou immers voldoende zijn. Eindelijk waagde Elinor de vraag te opperen, of het wel gepast zou zijn, zulk een geschenk aan te nemen van iemand, dien zij nog zoo weinig, of althans zoo kort, kende.—Dat ging te ver. “Je vergist je, Elinor,” zei ze met nadruk, “als je meent dat ik Willoughby maar oppervlakkig ken. Ik heb nog niet lang met hem omgegaan, maar kennen doe ik hem beter dan iemand anders ter wereld, behalve jou en mama. Tijd noch gelegenheid zijn noodig om vertrouwelijkheid te doen ontstaan;—dat doet alleen natuurlijke neiging. Sommige menschen zouden elkaar in zeven jaar niet leeren kennen, en voor anderen zijn zeven dagen meer dan genoeg. Ik zou ’t meer ongepast van mijzelf vinden, als ik van mijn broer een paard aannam, dan van Willoughby. Van John weet ik zoogoed als niets af, hoewel we jaren onder een dak gewoond hebben; maar mijn oordeel over Willoughby staat reeds lang vast.”Elinor vond het maar ’t verstandigst, dat punt niet meer aan te roeren. Zij kende haar zusters aard. Tegenstand in zulk een teere aangelegenheid zou haar des te koppiger doen volharden in haar eigen meening. Doch door een beroep op haar genegenheid voor hare moeder, door haar voor te stellen, hoe die toegevende moeder zichzelve in ongelegenheid zou moeten brengen, als zij (zooals te verwachten viel) zou toestemmen in die uitbreiding van hun personeel, werd Marianne tenslotte gekalmeerd; en zij beloofde, haar moeder niet tot zoo onverstandige toegevendheid te zullen verleiden door te spreken over het voorstel, en den eersten keer dat zij Willoughby weer zou ontmoeten, hem te zeggen, dat zij verplicht was, het af te wijzen.Zij hield haar woord, en toen Willoughby hen nog dien zelfden dag kwam bezoeken, hoorde Elinor hoe zij op zachten toon hem hare teleurstellingte kennen gaf, omdat zij zich verplicht zag, zijn geschenk te weigeren. De redenen voor haar veranderd inzicht werden hem tevens medegedeeld, en zij maakten een nader aandringen van zijne zijde onmogelijk. Het was echter duidelijk blijkbaar, dat het hem zeer speet; en nadat hij dit met nadruk had betuigd, liet hij er op denzelfden gedempten toon op volgen: “Maar Marianne, het paard blijft toch je eigendom, al kun je het nu niet gebruiken. Ik bewaar het slechts zoolang tot je het komt opeischen. Als je Barton verlaat, om in een eigen thuis je eigen huishouding te beginnen, dan zal Queen Mab je ontvangen.”Elinor hoorde hem dit alles zeggen; en uit al zijn woorden, uit zijn uitdrukking terwijl hij ze sprak, en uit het feit dat hij haar zuster bij haar voornaam noemde, bleek haar oogenblikkelijk de onmiskenbaar innige vertrouwelijkheid, de rechtstreeksche bedoeling, die niet den minsten twijfel lieten aan hun onderlinge verstandhouding. Van dat oogenblik af stond het voor haar vast, dat zij in stilte verloofd waren, en die overtuiging wekte in haar geene andere reden tot verwondering, dan deze, dat zulk een openhartig paar de ontdekking van het geheim, door haar, of wie ook van hun vrienden, aan het toeval overliet. Den volgenden dag vertelde Margaret haar iets, dat de zaak in een nog helderder daglicht plaatste. Willoughby had den vorigen avond bij hen doorgebracht, en toen Margaret een poos met hem en Marianne alleen in de huiskamer was gebleven, had zij gelegenheid gehad tot waarnemingen, die zij met een allergewichtigst gezicht aan haar oudste zuster kwam berichten, zoodra zij samen alleen waren.“O Elinor!” riep zij; “ik heb je een groot geheim te vertellen, over Marianne. Ik geloof stellig, dat ze nu heel gauw gaat trouwen met Mijnheer Willoughby.”“Dat heb je nu al bijna iederen dag gezegd,antwoordde Elinor, “sedert ze elkaar voor ’t eerst op High-Church Down ontmoetten; en toen ze elkaar nog geen week kenden, was je al zeker, dat Marianne zijn portret in haar medaillon droeg, tot het uitkwam dat het een miniatuur-portretje van onzen oudoom was.”“O, maar dit is heel iets anders. Nu gaan ze stellig gauw trouwen, want hij heeft een lok van haar haar.”“Pas maar op, Margaret. Misschien is dàt nu weer een haarlok vanzijnoudoom.”“Neen werkelijk, Elinor; ’t is van Marianne. Ik weet het stellig; want ik zag hem het afknippen. Gisterenavond na de thee, toen jij en mama uit de kamer waren gegaan, zaten ze druk samen te praten en te fluisteren, en hij scheen haar telkens iets te vragen; en ten laatste nam hij haar schaar, en knipte een lange krul van haar haar af, want ze had het loshangen; en toen kuste hij het, en vouwde ’t in een stuk wit papier en legde dat in zijn notitieboek.”Deze bijzonderheden, uit zoo betrouwbare bron, kon Elinor niet weigeren te gelooven, en zij was daartoe te minder geneigd, wijl het voorgevallene volkomen in overeenstemming scheen met wat zijzelve gehoord en gezien had.Margaret gaf van haar schranderheid niet altijd blijk op de wijze, die haar zuster het best kon behagen. Toen Mevrouw Jennings haar op een avond te Barton Park dringend vroeg om toch eens te vertellen, welke jonge man bij Elinor het hoogst stond aangeschreven, iets, waarnaar zij reeds lang fel nieuwsgierig was, keek Margaret haar zuster eens aan en zei: “Ik mag het zeker niet vertellen; of wèl, Elinor?”Daarom moest natuurlijk iedereen lachen, en Elinor lachte zoogoed mogelijk mee. Maar het kostte haar moeite. Zij wist maar al te goed, dat Margaret iemand op het oog had, wiens naam zijniet kon verdragen van nu af aan geregeld te moeten hooren, als Mevrouw Jennings met haar grappen begon.Marianne had oprecht medelijden met haar; maar zij maakte de zaak eer erger dan beter, door met een hooge kleur en op driftigen toon tegen Margaret te zeggen: “Vergeet niet dat je dingen, waarvan je niet zeker bent, niet moogt oververtellen.”“’tZijngeen dingen, waarvan ik niet zeker ben,” zei Margaret; “je hebt het mij zelf verteld.”De vroolijkheid van ’t gezelschap werd hierdoor nog verhoogd, en Margaret werd dringend verzocht, nog iets meer los te laten.“Och toe, Margaret, vertel het ons nu maar,” zei Mevrouw Jennings. “Hoe heet die mijnheer?”“Ik mag ’t niet zeggen, mevrouw. Maar ik weet het wèl; en waar hij is, dat weet ik ook.”“Ja, dat kunnen we wel raden, in zijn eigen huis, te Norland, natuurlijk. Ik wed dat het de dominé is.”“Neen, dàt is hij niet. Hij is in ’t geheel niets.”“Margaret,” zei Marianne, erg boos nu, “je weet best, dat je dit alles maar uit den duim zuigt, en dat er niet eens zoo iemand bestaat.”“O, dan is hij zeker voor kort overleden, Marianne; want dat er zoo iemand bestaan hééft, dat weet ik wel zeker, en zijn naam begint met een F.”Innig dankbaar was Elinor, dat Lady Middleton op dat oogenblik de opmerking maakte, “dat het geducht hard regende,”hoewelzij die opzettelijke onderbreking van het gesprek minder toeschreef aan eenig medegevoel voor háár, dan aan den afkeer der gastvrouw van zulke grove scherts, waarin haar moeder en haar man nu eenmaal behagen hadden. Het door haar ingeleide onderwerp werd aanstonds opgevat door Kolonel Brandon, die bij alle voorkomende gelegenheden anderer gevoelens placht te ontzien; en beiden hadden elkaar over den regenveel te vertellen. Willoughby opende de piano en vroeg Marianne, iets voor te spelen, en bij die onderscheiden pogingen van verschillenden der aanwezigen, om van het onderwerp af te stappen, kwam het gelukkig tot rust. Maar Elinor bekwam niet zoo snel van den schrik, dien het haar had veroorzaakt.Er werd dien avond een plan beraamd om den volgenden dag een fraai buitengoed te gaan bezichtigen, dat omstreeks twaalf mijlen van Barton verwijderd lag, en toebehoorde aan een schoonbroeder van Kolonel Brandon, zonder wiens geleide het niet te zien was, daar de eigenaar, die buitenslands vertoefde, op dat punt strikte orders had gegeven. Het park en de omgeving werden als bijzonder mooi geroemd, en Sir John, die luide hun lof verkondigde, kon er in elk geval goed over oordeelen, want hij had, in de laatste tien jaar, minstens tweemaal elken zomer tochtjes erheen georganiseerd. Bij het park behoorde een uitgestrekt meer, waarop des middags zou worden gezeild; proviand werd medegenomen, er werden alleén open rijtuigen gebruikt, en het beloofde een recht genoegelijke buitenpartij te zullen worden.Enkelen onder het gezelschap vonden het een ietwat gewaagd plan, om dezen tijd van het jaar, terwijl het de laatste veertien dagen elken dag had geregend, en Mevrouw Dashwood, die reeds verkouden was, liet zich door Elinor overreden om thuis te blijven.Hoofdstuk XIIIHet voorgenomen tochtje naar Whitwell liep heel anders af, dan Elinor had verwacht. Zij had erop gerekend bang op het water, doornat en doodmoe te te zullen zijn; maar het kwam nog ongelukkiger uit; want zij gingen in het geheel niet.Om tien uur waren allen vergaderd op het Park, waar zij zouden ontbijten. Het weer liet zich vrij goed aanzien, schoon het den geheelen nacht had geregend; want de wolken dreven uiteen, en meermalen vertoonde zich even de zon. Allen waren vroolijk en opgewekt, blij in ’t vooruitzicht van een prettigen dag, en vast voornemens hun pleizier niet te laten bederven door een weinig ongemak of tegenspoed. Aan het ontbijt werden de brieven binnengebracht. Een ervan was voor Kolonel Brandon;—hij nam den brief aan, keek naar het adres, verschoot van kleur, en ging meteen de kamer uit.“Wat scheelt Brandon?” vroeg Sir John.Niemand kon het hem zeggen.“Ik hoop dat hij geen slechte tijding heeft gekregen,” zei Lady Middleton. “Het moet wel iets bijzonders zijn, dat Kolonel Brandon zoo plotseling van mijn ontbijttafel doet opstaan.”Na een minuut of vijf kwam hij terug.“Toch geen slecht nieuws, Kolonel?” vroeg Mevrouw Jennings, toen hij binnentrad.“O neen, mevrouw; in ’t geheel niet.”“Kwam de brief uit Avignon? Ik hoop toch, dat uwe zuster niet erger is geworden?”“Neen, mevrouw. De brief kwam uit Londen, ’t was over zaken; anders niet.”“Maar hoe kon het handschrift u zoo van streek brengen, als het niets dan een brief over zaken was? Neen, neen, Kolonel, zoo komt u er niet af; vertel ons nu maar de waarheid.”“Maar moeder,” zei Lady Middleton; “bedenk toch wat u zegt.”“Misschien hebt u bericht gekregen, dat uw nichtje Fanny getrouwd is?” zei Mevrouw Jennings, zonder acht te slaan op haar dochters vermaning.“Neen, dat was het ook niet.”“Nu, dàn weet ik, van wie de brief was. En ik hoop dat zij het goed maakt.”“Wie bedoelt u, mevrouw?” zei hij, met ietwat verhoogde kleur.“O, u weet best wie ik bedoel.”“Het spijt mij wel zéér, mevrouw,” hernam hij, zich tot Lady Middleton wendend, “dat ik juist vandaag dien brief moest ontvangen; want hij handelt over zaken, die mijn onmiddellijk vertrek naar Londen noodzakelijk maken.”“Naar Londen!” riep Mevrouw Jennings. ”“Wat kunt u om dezen tijd van het jaar in de stad hebben te doen?“Ik zelf verlies veel erdoor,” ging hij voort, “daar ik van zulk aangenaam gezelschap moet afscheid nemen, doch het spijt mij te meer, omdat ik vrees, u zonder mijne tegenwoordigheid geen toegang tot Whitwell te kunnen verschaffen.”Dat was een slag voor hen allen!“Maar als u een briefje aan de huishoudster schreef, Mijnheer Brandon,” zei Marianne haastig; “zou dat niet voldoende zijn?”Hij schudde het hoofd.“We gaan toch,” zei Sir John. “Het mag niet afspringen, nu we er bijna zijn nog wel. Er zit niet anders op, Brandon, dan dat je morgen naar de stad gaat.”“Ik wenschte wel dat het zoo gemakkelijk geschiktkon worden. Maar ik kan mijn reis waarlijk geen dag uitstellen.”“Als u ons maar wilde vertellen, wat die zaak eigenlijkis,” zei Mevrouw Jennings; “dan konden wij er over oordeelen, of het kon uitgesteld worden of niet.”“Het zou geen zes uren verschil maken,” zei Willoughby, “als u de reis uitstelde tot we terug waren.”“Ik mag geenuurverliezen.”Elinor hoorde, hoe Willoughby zachtjes tegen Marianne zei: “Er zijn van die menschen die een hekel hebben aan buitenpartijen. Brandon behoort er ook toe. Hij was zeker bang om kou te vatten, en bedacht er deze uitvlucht op, om eraf te komen. Ik durf er vijftig guinea’s op verwedden, dat hij dien brief zelf geschreven heeft.”“Natuurlijk,” antwoordde Marianne.“Men kan je niet overhalen om van meening te veranderen, Brandon; dat weet ik van ouds,” zei Sir John; “als je eenmaal een voornemen hebt opgevat. Maar ik blijf nog hopen, dat je je zult bedenken. Vergeet niet, dat de beide dames Carey ervoor van Newton zijn gekomen, dat de drie dames Dashwood ervoor van huis zijn komen wandelen, en dat Mijnheer Willoughby twee uur vroeger dan gewoonlijk is opgestaan, alles om dat uitstapje naar Whitwell.”Kolonel Brandon betuigde opnieuw zijn spijt, dat hij het gezelschap moest teleurstellen, maar verklaarde tevens, dat dit onvermijdelijk was.“Nu, wanneer kom je dan terug?”“Ik hoop dat we u hier weer te Barton zullen mogen verwelkomen,” voegde Lady Middleton erbij, “zoodra u weer uit Londen kunt vertrekken; we moeten het uitstapje naar Whitwell dan maar uitstellen tot uw terugkomst.”“Dat is heel vriendelijk van u. Maar het is zóó onzeker, wanneer het mij mogelijk zal zijn terugte keeren, dat ik daaromtrent geen afspraak durf maken.”“O, maar terugkomen moet en zàl hij,” riep Sir John. “Als hij aan ’t eind van de week niet weer hier is, ga ik hem halen.”“Ja, doe dat,” zei Mevrouw Jennings; “dan kom je misschien erachter, wat die zaak toch zijn mag.”“Neen, ik begeer mijn neus niet in andermans-zaken te steken; ’t zal wel iets zijn, waarvoor hij zich schaamt.”Een bediende kwam zeggen, dat de paarden van den Kolonel gereed waren.“Je gaat toch niet te paard naar de stad?” vroeg Sir John.“Neen,—niet verder dan tot Honiton. En dan met de postkoets.”“Nu, als je besloten bent te gaan, goede reis dan. Maar ik zou mij liever nog eens bedenken.”“Ik verzeker je, dat het mij niet mogelijk is.”Hij nam afscheid van het geheele gezelschap.“Is er geen kans, dat ik u en uw zusters dezen winter in de stad zal ontmoeten, Juffrouw Dashwood?”“Ik vrees van niet.”“Dan moet ik afscheid van u nemen voor langer dan mij lief is.”Voor Marianne boog hij alleen, zonder iets te zeggen.“Kom, Kolonel,” zei Mevrouw Jennings, “laat ons nu nog eer u heengaat, hooren wat er achter zit.”Hij zei haar beleefd goedendag en ging, vergezeld door Sir John de kamer uit.De klachten en verzuchtingen, die de hoffelijkheid tot nu toe had weerhouden, barstten van alle zijden los, en zij waren het steeds weer op nieuw met elkaar eens, dat het afschuwelijk ergerlijk was, zoo te worden teleurgesteld.“Nu met dat al, ik kan ’t je wel vertellen, wat dat voor zaken zijn”, zei Mevrouw Jennings zegevierend.“Weet u het, mevrouw?” zeiden bijna allen tegelijk.“Ja, ’t is natuurlijk iets met Juffrouw Williams.”“En wie is Juffrouw Williams?” vroeg Marianne.“Wat? Weet je niet wie Juffrouw Williams is? Je hebt toch stellig al van haar gehoord? Zij is een bloedverwante van den Kolonel, lieve kind, heel na verwant. We zullen maar niet zeggen, hoe na, om den jongen dames geen aanstoot te geven.” Iets zachter zei ze tegen Elinor: “Ze is zijn natuurlijke dochter.”“Is het waar?”“O ja; en ze lijkt sprekend op hem. Ik wed dat de Kolonel haar al zijn geld nalaat.”Toen Sir John terugkwam, stemde hij van harte in met aller uitingen van spijt over het gebeurde; maar besloot met te zeggen, dat zij nu eenmaal allen bijeen waren, en iets moesten doen om de vroolijkheid erin te houden; en na eenig overleg werd men het eens, al mocht de ware vroolijkheid dan ook alleen in Whitwell te vinden zijn geweest, een rijtoer in de omstreken hun althans een behoorlijke mate van voldoening zou verschaffen. De rijtuigen kwamen voor; dat van Willoughby was het eerste, en Marianne had er nog nooit zoo gelukkig uitgezien, als toen zij instapte. Hij reed snel het park door; ze waren spoedig uit het gezicht, en niemand kreeg hen meer te zien tot ze weer kwamen opdagen, niet eer alle anderen reeds weer waren teruggekeerd. Ze waren beiden verrukt over hun rit; maar zeiden alleen dat zij zich aan de boschpaden hadden gehouden, terwijl de anderen de heuvels waren opgegaan.Er was afgesproken, dat ’s avonds zou worden gedanst, en dat ieder zoo vroolijk zou zijn als de dag lang was. Aan het diner kwamen nog eenige Carey’s, en zij hadden het genoegen met zijn twintigen aan tafel te zitten, ’t geen Sir John veel voldoening schonk. Willoughby nam als gewoonlijk plaatstusschen de beide oudste dames Dashwood. Mevrouw Jennings zat aan Elinor’s rechterhand, en zij hadden nog niet lang aan tafel gezeten toen zij, zich achter haar en Willoughby naar Marianne overbuigend, zeide, luid genoeg dat beiden het konden hooren: “Al ben je nòg zoo loos, ik heb je gesnapt. Ik weet, waar je van morgen geweest bent.” Marianne kreeg een kleur en zei haastig: “Waar dan?” “Wist u niet,” zei Willoughby, “dat we een toertje hadden gedaan samen?”“Ja, ja, mijnheer Durf-al, dat wist ik heel goed, en ik had het erop gezet, uit te vinden, wáárheen dat toertje geweest was. Ik hoop dat je huis naar je zin was, Marianne. ’t Is verbazend groot, en als ik je daar kom bezoeken, dan denk ik wel, dat je ’t nieuw zult hebben gemeubileerd; want dat had het al noodig toen ik het zag, zes jaar geleden.”Marianne keek voor zich, verward en verlegen.Mevrouw Jennings lachte hartelijk, en Elinor hoorde nu, dat zij, vast besloten erachter te komen waar zij geweest waren, Willoughby’s knecht had laten uitvragen door haar eigen kamenier, en langs dien weg was gewaar geworden, dat zij naar Allenham waren geweest, daar geruimen tijd hadden gewandeld in den tuin, en het geheele huis bezichtigd.Elinor kon bijna niet gelooven, dat dit waar kon zijn, want het leek al zeer onwaarschijnlijk, dat Willoughby zou voorstellen, of Marianne erin toestemmen, het huis binnen te gaan, terwijl Mevrouw Smith er vertoefde, die Marianne volkomen vreemd was.Zoodra zij de eetkamer verlieten, vroeg Elinor haar zuster wat ervan aan was, en vernam tot haar groote verbazing, dat al wat Mevrouw Jennings had verteld de zuivere waarheid was geweest. Marianne was zelfs heel boos, dat zij eraan getwijfeld had.“Waarom toch zou je denken, Elinor, dat wenietdaarheen waren gegaan, ofniethet huis hadden bekeken? Heb je dan niet dikwijls zelf gewenscht, dat te kunnen doen?”“Ja Marianne, maar niet wanneer Mevrouw Smith thuis was, en zonder ander gezelschap dan Mijnheer Willoughby.”“Mijnheer Willoughby is nu eenmaal de eenige persoon, die het recht heeft, om dat huis te laten zien, en daar er in zijn rijtuig maar plaats was voor twee konden wij onmogelijk anderen meenemen. ’t Was de prettigste dag, dien ik in mijn leven heb doorgebracht.”“Ik vrees,” zei Elinor, “dat genoegen en gepastheid niet altijd onvermijdelijk samengaan.”“Integendeel, juist dat genoegen bewijst zijn eigen onschuld; als er werkelijk iets ongepasts was in wat ik deed, dan zou ik dat voortdurend gevoeld hebben; want we weten het altijd als we iets verkeerds doen, en met dàt besef kon ik geen pleizier hebben gehad.”“Maar, Marianne, begin je ook nu nog niet te twijfelen, of je gedrag wel was zooals het behoorde, nu het je reeds zulke uiterst onbescheiden opmerkingen heeft op den hals gehaald?”“Als Mevrouw Jennings’ onbescheiden opmerkingen tot bewijs moeten dienen van onbehoorlijk gedrag, dan doen wij allen ons heele leven lang niet anders dan overtredingen begaan in dat opzicht. Ik geef evenmin om haar afkeuring, als ik zou hechten aan haar lof. Ik zie niet in, dat ik iets verkeerds heb gedaan, door in den tuin van Mevrouw Smith te wandelen, of haar huis te bezien. Beiden zullen eenmaal toebehooren aan Mijnheer Willoughby, en...”“Al zouden ze eenmaal aan jezelf toebehooren, Marianne, dan hadt je nog geen recht, te doen wat je deedt.”Zij bloosde bij die toespeling, doch het was duidelijk te zien, dat deze haar wel behaagde; en naeen minuut of tien ernstig te hebben nagedacht, kwam ze bij haar zuster terug, en zei vriendelijk en vroolijk: “Misschienwashet wel een beetje ondoordacht van mij, Elinor, om mee naar Allenham te gaan; maar Mijnheer Willoughby was er zoo bijzonder op gesteld, mij het buitengoed te vertoonen; en het huis is bijzonder mooi. Boven is er een allerliefste zitkamer, juist de goede grootte, voor dagelijksch gebruik, en met nieuwe meubels zou die verrukkelijk kunnen worden. Het is een hoek-vertrek, met ramen aan twee zijden. Aan den eenen kant heeft men het uitzicht over het grasveld achter het huis, op een prachtig bosch, tegen een helling gelegen, en aan den anderen op de kerk en het dorp, met die mooie, streng omlijnde heuvels er achter, die we zoo dikwijls hebben bewonderd. Ik zag het niet eens op zijn best; want de meubels waren allertreurigst,—maar als het nieuw werd ingericht... Willoughby zegt, dat het met een uitgaaf van eenpaar honderdpond een van de mooiste zomerverblijven in Engeland zou kunnen worden.”Als Elinor naar haar had kunnen luisteren, zonder door de anderen gestoord te worden, dan zou ze alle kamers van het huis met evenveel genoegen hebben beschreven.HoofdstukXIVDe onverwachte afloop van Kolonel Brandon’s bezoek te Barton Park, en zijn volharding in het verbergen van de oorzaak ervan hielden Mevrouw Jennings twee of drie dagen bezig, en vervulden haar met nieuwsgierige verbazing; zij verbaasde zich trouwens druk, zooals ieder wel moet doen, die levendig belangstelt in al het doen en laten van zijn kennissen. Zij bleef zich maar voortdurend afvragen, wat toch wel de reden had kunnen zijn; geloofde stellig dat hij slechte tijding had gekregen, en peinsde over allerlei rampen, die hem hadden kunnen treffen, met het vaste besluit, dat hij niet allen ontsnappen zou.“’t Is bepaald iets héél treurigs,” zei ze. “Ik zag ’t aan zijn gezicht. Die arme man! Ik vrees dat het met zijn geldzaken niet in orde is. Dat landgoed te Delaford heette niet meer dan tweeduizend in het jaar op te brengen, en zijn broer liet het in een treurigen toestand achter. Hij zal bepaald hebben moeten overkomen voor geldzaken; want wat kan ’t anders zijn? Ik ben benieuwd of ’t waar is. Ik zou er alles voor over hebben om erachter te komen. Misschien is het tòch iets met Juffrouw Williams,—ja, dat zal het bepaald geweest zijn, want hij keek zoo verlegen, toen ik haar naam noemde. Misschien ligt ze ziek in Londen; dat is héél waarschijnlijk, want ik meen gehoord te hebben, dat ze zwak van gestel is. Ik durf er alles om verwedden, dat het Juffrouw Williams betrof. ’t Is niet te verwachten eigenlijk, dat hijnuin geldverlegenheid zou zijn; want hij is heel voorzichtig, en dat goed van hem zal nu wel vrij zijn van schulden.Wàt het toch zijn kan! Misschien is zijn zuster te Avignon erger geworden en heeft hem gevraagd om over te komen. Men zou het haast denken, door die haast die hij maakte om weg te komen. Nu, ik hoop van harte, dat hij al dat verdriet gauw te boven komt en een goede vrouw krijgt op den koop toe.”Zoo bleef Mevrouw Jennings praten en benieuwd zijn; haar vermoedens wisselden met elke nieuwe gissing, en alle schenen beurtelings even waarschijnlijk. Hoewel het welzijn van Kolonel Brandon Elinor werkelijk ter harte ging, kon zij zich niet zóó uitermate verbazen over zijn plotseling vertrek, als Mevrouw Jennings van haar verlangde; want behalve dat die omstandigheid haar niet gewichtig genoeg scheen, om zulk een onuitputtelijke verwondering en zulk een verscheidenheid van gissingen te rechtvaardigen, haar eigen bevreemding werd door iets anders gewekt. Die bevreemding gold het onverklaarbaar stilzwijgen van haar zuster en Willoughby omtrent een onderwerp, welks belangrijkheid in aller oogen hun niet kon ontgaan. Naarmate dit zwijgen duurde, scheen het van dag tot dag vreemder en minder in overeenstemming met beider gezindheid. Waarom zij niet openlijk zouden erkennen, tegenover haar moeder en haarzelve, wat hun houding tegenover elkander voortdurend bewees, kon Elinor zich niet voorstellen. Dat zij niet onmiddellijk konden trouwen, begreep zij zeer goed; want hoewel Willoughby onafhankelijk was, bestond er toch geen reden om hem zeer vermogend te achten. Sir John schatte de opbrengst van zijn bezitting op zes of zevenhonderd pond in het jaar; maar hij leefde op een voet, waarvoor dat inkomen nauwelijks toereikend kon zijn, en had zich dikwijls zelf beklaagd over zijn armoede. Doch voor de vreemde geheimzinnigheid, die zij in acht namen betreffende hun verloving, een geheimzinnig doen, dat feitelijk niets verborg,kon zij geen reden vinden; en het was zoo volkomen in tegenspraak met hun algemeene opvatting en handelwijze, dat zij soms begon te twijfelen of zij wel werkelijk verloofd waren; en die twijfel was voldoende om haar te weerhouden van een rechtstreeksche vraag, tot Marianne gericht. Niets kon duidelijker blijk geven van oprechte genegenheid voor hen allen dan Willoughby’s gedrag. Tegenover Marianne was het vol van die uitsluitende teederheid, die het hart van een minnaar vermag te schenken, en de overige leden van het gezin werden door hem behandeld met de hartelijke voorkomendheid van een zoon en een broeder. Hun huisje scheen hij te beschouwen en lief te hebben als een eigen thuis; hij bracht bij hen veel meer van zijn tijd door dan te Allenham; en als geen gezellige bijeenkomst hen allen vergaderde te Barton Park, dan richtte hij zijn geregelden morgenrit bijna zonder uitzondering dáárheen, waar hij het overige gedeelte van den dag sleet aan Marianne’s zijde, met zijn geliefkoosden jachthond aan hare voeten.Op een zekeren avond, ongeveer een week nadat Kolonel Brandon naar Londen was vertrokken, scheen zijn hart meer dan ooit open te staan voor alle gevoelens, die hem innig deden hechten aan de omringende omgeving, en toen Mevrouw Dashwood toevallig melding maakte van haar voornemen om het huisje in het voorjaar te laten opknappen, verzette hij zich met nadruk tegen elke verandering van een verblijf, dat zijn genegenheid hem eens voor al volmaakt had doen schijnen.“Wat!” riep hij uit, “verbeteringen aanbrengen in dit aardige huisje? Neen—daartoe geefiknooit mijn toestemming. Geen steen moet aan zijn muren, geen duim aan zijn afmetingen worden toegevoegd, als u mijn gevoelens wenscht te ontzien.”“Wees maar niet bang,” zei Elinor; “er gebeurt niets van; want mama zal nooit geld genoeg hebben om het te durven ondernemen.”“Daar ben ik blij om,” riep hij uit. “’t Was beter dat uw moeder altoos arm bleef, als zij haar rijkdom niet beter dan zóó wist te gebruiken.”“Dank voor dien wensch, Willoughby,” zei Mevrouw Dashwood. “Maar je moogt gerust gelooven, dat ik nooit eenig gevoel van gehechtheid aan deze plek, gekoesterd door wien ook, dien ik liefheb, zou willen kwetsen, terwille van alle verbeteringen ter wereld. Vertrouw maar stellig, dat ik, al hield ik ook nog zulk een groote som over bij ’t opmaken van mijn budget in het voorjaar, die liever ongebruikt zou laten liggen, dan erover te beschikken op een wijze, die je zoo zou grieven. Maar ben je werkelijk zóó aan dit huis gehecht, dat je er geen gebreken in kunt zien?”“Ja waarlijk,” zei hij. “In mijn oogen is het volmaakt. Méér dan dat; ik beschouw het als het eenig verblijf, waarin voor mij geluk denkbaar is, en als ik rijk was, dan liet ik dadelijk Combe afbreken, en opnieuw bouwen als de getrouwe kopie van dit landhuisje.”“Met een smalle donkere trap en een rookenden keukenschoorsteen,” zei Elinor.“Ja zeker,” riep hij, even opgewonden als te voren, “met al wat er bij behoort; in geen enkel opzicht, ’t zij gunstig ofongunstig, moest ook maar de geringste afwijking zijn te bespeuren. Dan, en dàn alleen, onder zulk een dak, zou ik misschien te Combe even gelukkig zijn, als ik te Barton geweest ben.”“Ik durf wel hopen,” antwoordde Elinor, “dat je, ook ondanks het bezwaar van ruimere kamers en een breedere trap, later je eigen huis even onverbeterlijk zult gaan vinden, als thans het onze.”“Zeer zeker zijn er omstandigheden,” zeide Willoughby, “waaronder het mij zeer dierbaar zou kunnen worden, doch dit huis zal altoos één recht op mijne genegenheid kunnen doen gelden, waarin geen ander verblijf ooit deelen kan.”Mevrouw Dashwood wierp een verheugden blik naar Marianne, wier mooie oogen Willoughby aanzagen met een uitdrukking, die duidelijk te kennen gaf, hoe goed zij hem begreep.“Hoe menigmaal wenschte ik,” ging hij voort, “toen ik, nu een jaar geleden, te Allenham logeerde, dat Barton Cottage toch bewoond mocht worden! Ik kwam er nooit voorbij, zonder de ligging te bewonderen, en spijt te gevoelen, dat niemand daarvan genoot. Hoe weinig dacht ik toen, dat het eerste, wat Mevrouw Smith mij zou mededeelen, toen ik weer in deze streek terugkwam, het nieuws zou zijn, dat Barton Cottage was verhuurd! en ik voelde dadelijk een zekere voldoening en belangstelling bij dat bericht, die ik slechts kan toeschrijven aan een soort voorgevoel van het geluk, dat mij ten deel zou vallen door die gebeurtenis. Zou dat niet de reden geweest zijn, Marianne?” liet hij er, zachter tot haar sprekend, op volgen. Daarop ging hij luider voort: “Endithuis zoudt u willen bederven, Mevrouw? U zoudt het zijn eenvoud willen ontnemen door een denkbeeldige verfraaiing? en deze dierbare huiskamer, waarin onze kennismaking begon, en waarin wij zoovele gelukkige uren tezamen hebben doorgebracht, zoudt u willen vernederen tot den staat van een gewonen toegang, zoodat iedere binnentredende zich haasten zou, het vertrek te verlaten, dat tot nu toe meer ware gezelligheid en behagen in zich omsloten hield, dan enige zaal van indrukwekkende afmetingen ons ooit zou kunnen aanbieden?”Mevrouw Dashwood verzekerde hem opnieuw dat geenerlei verandering van dien aard zou worden ondernomen.“Dat is lief van u,” antwoordde hij met warmte. “Uwe belofte stelt mij gerust. Strek uwe goedheid nog een weinig verder uit, en u zult mij gelukkig maken. Beloof mij, dat niet alleen uw huis zal blijven zooals het is; maar dat ik u en de uwen even onveranderdzal blijven vinden als uwe woning, en dat u mij steeds zult beschouwen met die vriendelijke gezindheid, die u en uwe geheele omgeving mij zoo dierbaar worden deed.”Die belofte werd gaarne gegeven, en Willoughby’s stemming gedurende den geheelen avond legde getuigenis af van zijn genegenheid en zijn geluk. “Zullen we je morgenmiddag aan tafel zien?” vroeg Mevrouw Dashwood bij het afscheid. “Ik reken niet op een morgenbezoek; want wij moeten naar Barton Park wandelen, om een visite te maken bij Lady Middleton.”Hij beloofde om vier uur bij hen te zullen zijn.Hoofdstuk XVHet bezoek van Mevrouw Dashwood bij Lady Middleton had den volgenden dag plaats, en twee van hare dochters vergezelden haar; doch Marianne wilde liever niet medegaan, en verontschuldigde zich op grond van een onbeduidend voorwendsel. Haar moeder, die hier uit opmaakte, dat Willoughby den avond te voren beloofd had, haar te zullen opzoeken gedurende hunne afwezigheid, had er niets op tegen, dat zij tehuis bleef.Bij hun terugkomst van Barton Park zagen zij Willoughby’s rijtuig en zijn bediende vóór het huis staan wachten, en Mevrouw Dashwood begreep, dat haar vermoeden bewaarheid was. Tot dusver ging alles, zooals zij verwacht had; maar toen zij het huis binnentrad, aanschouwde zij, wat geen vooruitziende schranderheid haar had kunnen doen voorzien. Juist toen zij de voordeur ingingen, zagenzij Marianne haastig uit de huiskamer komen, blijkbaar bitter bedroefd, met haar zakdoek voor de oogen, en zonder op hen te letten, de trap oploopen. Verwonderd en verschrikt gingen zij aanstonds de kamer binnen, die zij pas verlaten had, en vonden er niemand dan Willoughby, die tegen den schoorsteenmantel geleund stond, met den rug naar hen toegekeerd. Hij wendde zich om, toen zij binnenkwamen, en zijn gelaat vertoonde ten duidelijkste de sporen eener even heftige aandoening, als die, welke Marianne had overmeesterd.“Scheelt haar iets?” riep Mevrouw Dashwood reeds op den drempel; “is zij niet wel?”“Ik hoop het niet,” antwoordde hij, met een poging om vroolijk te kijken, en na een oogenblik liet hij er met een gedwongen glimlach op volgen: “Het zou zoo vreemd niet zijn, wanneer ikzelf mij onwel gevoelde; want ik ga op het oogenblik gebukt onder een grievende teleurstelling!”“Teleurstelling!”“Ja; want het is mij niet mogelijk, mij te houden aan onze afspraak. Mevrouw Smith heeft van morgen het overwicht van haar rijkdom doen gelden tegenover een armen afhankelijken bloedverwant door mij voor zaken naar Londen te zenden. Ik heb zooeven mijn opdrachten in ontvangst genomen, en Allenham vaarwel gezegd; en bij wijze van vertroosting ben ik nu komen afscheid nemen van u.”“Naar Londen!—en ga je vandaag nog?”“’t Is bijna reeds mijn tijd.”“Dat treft wel ongelukkig. Maar je moet doen, wat Mevrouw Smith verlangt;—en haar opdracht zal je toch, hoop ik, niet lang van ons verwijderd houden.”Hij kreeg een kleur, terwijl hij antwoordde: “U bent wel vriendelijk, maar het is niet mijn bedoeling, zoo spoedig terug te keeren naar Devonshire. Mijn bezoeken bij Mevrouw Smith worden nooit herhaald binnen het jaar.”“En is Mevrouw Smith dan je eenige vriendin? Is Allenham het eenige huis hier in de buurt, waar je welkom zoudt zijn? Foei, Willoughby. Acht je je verplicht een uitnoodiging van mijne zijde af te wachten?”Hij bloosde nog dieper, en zei alleen met neergeslagen oogen: “U bent waarlijk te goed.”Mevrouw Dashwood zag Elinor verbaasd aan. Elinor was niet minder verwonderd. Een korte poos bewaarden allen het stilzwijgen. Mevrouw Dashwood was de eerste, die sprak.“Ik kan alleen herhalen, mijn waarde Willoughby,” zeide zij, “dat ge altijd welkom zult zijn in Barton Cottage; want ik wil niet aandringen op uw spoedige terugkomst hier; daar ge zelf alleen kunt beoordeelen, in hoeverre die Mevrouw Smith aangenaam zou zijn; en op dat punt ben ik evenmin geneigd uw oordeel te wantrouwen, als ik gezind ben twijfel te koesteren omtrent uw eigen wenschen.”“Voorloopig,” antwoordde Willoughby verward, “zijn mijn verplichtingen van dien aard... dat... ik durf niet hopen...”Hij zweeg. Mevrouw Dashwood kon van verbazing geen woorden vinden, en weer volgde er stilte. Willoughby verbrak het zwijgen door met een flauwen glimlach te zeggen: “’t Is dwaasheid, nog langer zoo te blijven dralen. Ik wil mijzelf niet verder kwellen, door een samenzijn met vrienden, in wier gezelschap ik thans onmogelijk behagen scheppen kan.”Hij nam haastig van hen allen afscheid en verliet het vertrek. Zij zagen hem in zijn rijtuig stappen en een oogenblik later verdween het uit hun gezicht. Mevrouw Dashwood was te bewogen om haar gevoel in woorden te uiten, en ging de kamer uit, om in eenzaamheid zich over te geven aan de gevoelens van droefheid en zorg, veroorzaakt door dit plotseling vertrek.Elinor was niet minder ongerust dan haarmoeder. Het daareven gebeurde vervulde haar met angst en wantrouwen. Willoughby’s houding bij het afscheid, zijn verwarring en zijn voorgewende vroolijkheid maar vooral zijn blijkbare ongeneigdheid om haar moeders uitnoodiging aan te nemen, een terughouding, zóó vreemd in een minnaar,—in iemand als hij, dat alles wekte in de hoogste mate haar bezorgdheid. Het eene oogenblik vreesde zij, dat van zijn kant nooit eenig ernstig plan had bestaan; en dan weer dacht zij, dat tusschen hem en haar zuster misschien iets onaangenaams was voorgevallen; Marianne’s droefheid, toen zij uit de kamer kwam, had zéér goed het gevolg van een heftigen twist kunnen zijn; en toch wanneer zij bedacht, hoe Marianne hem liefhad, scheen twist tusschen hen haar bijna iets onmogelijks.Doch onder welke omstandigheden dan ook hunne scheiding mocht hebben plaats gehad; aan de diepe droefheid van haar zuster viel niet te twijfelen, en zij dacht met innig medelijden aan de heftige smart, waarin Marianne zeer waarschijnlijk thans niet slechts verlichting zocht en vond, doch die zij het haar plicht zou achten aan te wakkeren en te verlevendigen.Na een half uurtje kwam haar moeder terug, en hoewel haar oogen beschreid waren, keek zij toch niet bedrukt.“Nu is onze beste Willoughby al een paar mijlen ver van Barton, Elinor,” zei ze, terwijl zij haar werk opnam en ging zitten; “en met welk een bezwaard gemoed is hij op reis gegaan!”“’t Is alles even vreemd. Zoo plotseling vertrokken! Het schijnt wel het werk van één oogenblik. Wat was hij gisteravond nog gelukkig in ons bijzijn, en zoo hartelijk, zoo vroolijk!—En nu, na slechts tien minuten voorbereiding, is hij weg—niet voornemens terug te keeren? Er moet meer zijn voorgevallen dan hij ons heeft willen bekennen. Hij sprak niet als anders; hij was zichzelf niet.Umoet dat verschil even goed hebben opgemerkt als ik. Wat kan het zijn? Een twist tusschen hen beiden? Waarom zou hij anders zoo ongeneigd zijn gebleken om uwe uitnoodiging aan te nemen?”“’t Was niet, omdat hij het niet wenschte, Elinor! Dàt zag ik duidelijk genoeg. Het stond niet in zijn macht. Ik heb over alles goed nagedacht, dat verzeker ik je, en ik begrijp nu volkomen alles, wat mij eerst even vreemd scheen als jou.”“Werkelijk, mama?”“Ja.Ikvoor mij ben tot een heel bevredigende slotsom gekomen;—maar jij, Elinor, die bij voorkeur twijfelt, als je daar kans toe ziet...jouzal die niet voldoen, dat weet ik wel; al zal jemijnvertrouwen erin niet kunnen wegpraten. Ik ben vast overtuigd, dat Mevrouw Smith zijn genegenheid voor Marianne vermoedt; dat zij die afkeurt—misschien omdat zij andere plannen met hem heeft en daarom erop gesteld is, hem uit den weg te krijgen; die zaak, die hij voor haar moet regelen en waarvoor ze hem wegzendt, is natuurlijk maar een voorwendsel, dat zij bedacht heeft. Zoo stel ik mij het gebeurde voor. Daarbij komt dit: hijweet, dat zij die verbintenis niet goedkeurt; hij durft haar dus op het oogenblik niet bekennen, dat hij met Marianne is verloofd, en in zijn afhankelijke positie, voelt hij zich verplicht, op haar plannen in te gaan, en Devonshire voor eenigen tijd te verlaten. Ik weet het wel, je zult zeggen: dat alles kàn, en kan óóknietgebeurd zijn; maar ik luister naar géén tegenwerping eer je mij een andere manier aan de hand doet, om de zaak zóó gunstig uit te leggen. En wat heb je daar nu op te zeggen?”“Niets, mama; want u hebt mijn antwoord reeds vooraf verwacht en uitgesproken.”“Dus je zoudt gezegd hebben: het kan evengoednietals wèl zoo zijn geweest. O Elinor, wat zijn je gevoelens toch onbegrijpelijk! Je zoudt liever kwaad gelooven dan goed. Je zoudt lieverzoekennaar verdriet voor Marianne, en schuld van dien armen Willoughby, dan naar verontschuldiging voor zijn gedrag. Jeverkiesthem nu eenmaal schuldig te achten omdat hij bij het afscheid van ons niet zoo hartelijk scheen als gewoonlijk. En is er dan geen verschooning te vinden in een zekere verstrooidheid en neerslachtigheid, veroorzaakt door de pas ondervonden teleurstelling? Zal geen enkele mogelijkheid overwogen mogen worden, enkel en alleen omdat zij geen zekerheid is? Zijn wij niets verplicht aan den man, dien wij om zoo goede reden liefhebben, en die ons niet de geringste aanleiding gaf tot verdenking? Mag dan de mogelijkheid niet worden aangenomen van beweegredenen, volkomen gegrond op zich zelf, doch die voorloopig onvermijdelijk verborgen moeten blijven? En, wat is het, per slot van rekening, waarvan je hem verdenkt?”“Dat kan ik u eigenlijk zelf niet zeggen. Maar het vermoeden van iets onaangenaams is ’t onvermijdelijk gevolg van een verandering, zooals wij die daareven in hem hebben waargenomen. Er is echter veel waars in wat u zegt omtrent de overwegingen te zijnen gunste, die wij moeten laten gelden, en ik wensch werkelijk eerlijk te zijn in mijn oordeel over iedereen. Willoughby kàn ongetwijfeld zeer voldoende redenen hebben voor zijn gedrag, en ik hoop, dat dit het geval is. Maar het zou toch meer iets voor hem zijn geweest, die openlijk te erkennen. Geheimzinnigheid mag raadzaam zijn; maar ik kan niet nalaten mij te verwonderen, dat juist hij die betracht.”“Je moogt hem geen verwijt maken van ontrouw aan zichzelf, waar die afwijking noodzakelijk is. Maar je geeft dus werkelijk toe, dat ik gelijk had, in wat ik tot zijn verdediging aanvoerde?—daar ben ik blij om—dan gaat hij vrij uit.”Niet geheel en al. Het kan raadzaam zijn, hun verloving—(àls ze verloofd zijn,)—geheim tehouden voor Mevrouw Smith,—en als dat het geval is, dan is het natuurlijk zéér noodig, dat Willoughby thans slechts zelden in Devonshire gezien wordt. Maar dit is nog geen reden om die verloving te verbergen voor òns.”“Verbergen voor òns? maar lieve kind, beschuldig je Willoughby en Marianne van achterhoudendheid op dat punt? Dàt is wel vreemd, terwijl je blikken hun dag aan dag een verwijt maakten van hun gebrek aan voorzichtigheid.”“Van hun genegenheid heb ik geen bewijs meer noodig,” zei Elinor, “maar van hun verloofd zijn wèl.”“Ik ben omtrent beide punten volkomen gerust.”“En toch is er door geen van hen beiden één woord tegenover u gerept van dat onderwerp.”“Ik had geen woorden noodig; hun daden spraken voor mij duidelijk genoeg. Bewees niet zijn houding jegens Marianne en ons allen, in de laatste weken, dat hij haar liefhad en als zijn aanstaande vrouw beschouwde, en dat hij ons de genegenheid toedroeg die men koestert voor zijn naaste verwanten? Hebben wij elkaar niet volkomen begrepen? Vroeg hij niet dagelijks mijne toestemming, door zijn blik, zijn houding, zijn oplettende en eerbiedige voorkomendheid? Mijn beste Elinor, is het mogelijk dat je hun verloving in twijfel trekt? Hoe kon die gedachte bij je opkomen? Hoe kan je veronderstellen, dat Willoughby, overtuigd als hij moet zijn van je zuster’s liefde, haar zou verlaten, voor maanden achtereen misschien, zonder haar zijn gevoel te openbaren;—dat ze zouden scheiden zonder elkaar wederzijdsch vertrouwen te hebben geschonken?”“Ik geef toe,” antwoordde Elinor, “dat alle omstandigheden, op één na, spreken ten gunste van hun verloving; maar die ééne is het volslagen stilzwijgen, door beiden daaromtrent bewaard, en voor mij weegt die eene tegen bijna alle andere op.”“Wat is dat vreemd. Je moet wel slecht over Willoughby denken, wanneer je, na al wat tusschen hen is voorgevallen, nog kunt twijfelen aan den aard van hun onderlinge verhouding. Dus hij sou al dien tijd tegenover je zuster een rol hebben gespeeld? Denk je dat hij in zijn hart onverschillig haar is?”“Neen, dat kàn ik niet denken. Hij moet haar liefhebben, en dat doet hij; daaraan twijfel ik niet”.“Een vreemd soort van teederheid is dat dan toch, die hem toestaat haar te verlaten, zoo onverschillig, zoo onbezorgd omtrent de toekomst, als je denkt, dat hij doet.”“U moet niet vergeten, mama, dat ik de zaak nooit als zeker beschouwde. Ik beken, dat ik wel eens twijfel heb gekoesterd. Die twijfel is echter reeds verminderd en zal misschien spoedig geheel verdwijnen. Als het blijkt, dat zij in briefwisseling zijn, dan ben ik niet bang meer.”“Je bent wèl toegevend, moet ik zeggen! Als je hen voor het altaar zaagt staan, dan zou je nog denken, dat zemisschienwel gingen trouwen. ’t Is een leelijke trek in je.—Maar zulke bewijzen hebikniet noodig. In mijn oogen is er niets gebeurd, dat twijfel rechtvaardigde; tot verbergen werd geen poging gedaan; alles ging volkomen open en zonder terughouding in zijn werk. Aan je zuster’s wenschen kan je niet twijfelen. ’t Is dus Willoughby, dien je verdenkt. En waarom? Is hij niet gevoelig en een man van eer? Gaf hij ons door onstandvastigheid reden tot zorg en vrees? Zou hij bedriegelijk kunnen zijn?”“Ik geloof van niet; ik geloof van niet,” riep Elinor. “Ik houd van Willoughby; ik houd oprecht van hem; en twijfel aan de zuiverheid van zijn karakter doet mijzelve niet minder pijn dan u. Tegen mijn wil is die twijfel gerezen, en ik wil dat gevoel niet aanmoedigen. Ik beken, dat ik schrikte van morgen, door die verandering in zijn houding; hijsprak niet zooals van hem te verwachten viel, en bleef onhartelijk tegenover uw vriendelijkheid. Maar dat alles laat zich verklaren door de omstandigheden, die u als waar veronderstelt. Hij had pas afscheid genomen van Marianne, had haar zien gaan, wanhopig bedroefd; en als hij zich verplicht achtte, uit vrees Mevrouw Smith te ergeren, de verleiding te weerstaan om hier spoedig terug te keeren, terwijl hij toch wist, door het weigeren van uwe uitnoodiging, door te zeggen dat hij voor langen tijd afscheid nam, tegenover ons gezin den schijn op zich te laden van illoyaal en zonderling gedrag, dan had hij waarlijk wel reden verlegen en verward te zijn. Onder die omstandigheden zou een eenvoudige en openhartige uiteenzetting van zijn moeilijkheden hem meer tot eer hebben gestrekt, en mijns inziens meer hebben gestrookt met zijn aard en aanleg; maar ik zal niemand zijn gedrag verwijten, wegens zoo enghartige redenen als een verschil in zienswijze met mijzelve, of eene afwijking van watikals goed en redelijk beschouw.”“Nu spreek je, zooals het behoort. Willoughby verdient waarlijk niet beschouwd te worden met achterdocht. Al kennenwijhem nog niet lang; hij is hier geen vreemdeling; en wie heeft ooit iets te zijnen nadeele gezegd? Hadden zijn omstandigheden hem veroorloofd, zelfstandig op te treden en onmiddellijk te huwen, dan had het vreemd kunnen schijnen, dat hij ons verliet, zonder mij alles thans reeds te bekennen; doch dit is niet het geval. Het is een verloving, die in sommige opzichten geen voorspoedig begin heeft gehad, want de tijd van hun huwelijk is onzeker en veraf; zoodat dan ook stilzwijgen omtrent de zaak, thans, voor zoover het mogelijk is, zeer raadzaam is geworden.”Hier werden zij gestoord door Margaret, die binnenkwam; en Elinor had thans gelegenheid, na te denken over haar moeder’s opvattingen; te erkennen dat vele van haar vermoedens gegrond schenen,en te hopen, dat alle zouden bewaarheid worden. Zij zagen Marianne niet eer het tijd was om te eten, en zij zonder een woord te zeggen de kamer binnenkwam en aan tafel ging zitten. Haar oogen waren rood en gezwollen, en het scheen alsof zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Zij vermeed hun aller blikken, kon noch eten, noch spreken, en toen haar moeder na eenigen tijd zwijgend en met innig medelijden haar hand drukte, bezweek haar geringe kracht geheel—zij barstte in tranen uit en verliet het vertrek.Deze diepe verslagenheid van geest bleef den geheelen avond voortduren. Zij had geen macht over zichzelve, wijl die macht door haar niet werd begeerd. Bij de geringste opmerking over iets, dat met Willoughby in verband stond werd zij overweldigd door hare droefheid, en ofschoon haar moeder en zusters hun uiterste best deden om haar te ontzien, het was onmogelijk, tenzij ze een volstrekt stilzwijgen wilden bewaren, elk onderwerp te vermijden, dat voor haar gevoel op hem betrekking had.
Hoofdstuk XIMevrouw Dashwood en hare dochters hadden zich weinig voorgesteld, toen zij pas in Devonshire waren komen wonen, dat de verplichtingen van den gezelligen omgang al spoedig zooveel van hun tijd zouden in beslag nemen, of dat zij zoo herhaaldelijk uitnoodigingen en zoo geregeld bezoeken zouden ontvangen, dat hun zeer weinig vrije tijd overbleef voor ernstiger bezigheid. Toch was dit het geval. Toen Marianne hersteld was, werden de plannen voor feestelijkheden in zijn eigen huis en daarbuiten, die Sir John reeds lang had beraamd, werkelijk ten uitvoer gebracht. De danspartijen op het Park namen een aanvang, en boottochtjes werden gemaakt, zoo dikwijls een buiige Octobermaand dat toeliet. Bij alle bijeenkomsten van dien aard was Willoughby van de partij, en de luchtige en gemakkelijke toon, die natuurlijk heerschte bij dergelijke gelegenheden, was juist erop berekend, om de toenemende vertrouwelijkheid van zijn omgang met de Dashwoods te bevorderen, om hem gelegenheid te schenken, Marianne in al haar lieftalligheid gade te slaan; om steeds duidelijker zijn levendige bewondering te doen blijken; en om door haar houding hem de stelligste verzekering te doen ontvangen van haar genegenheid. Elinor kon zich niet verwonderen over hun wederkeerige neiging. Zij wenschte alleen, dat deze minder openlijk werd aan den dag gelegd, en een paar malen waagde zij het werkelijk, Marianne de gewenschtheid van eenige zelfbeheersching onder het oog te brengen. Maar Marianne verfoeide al wat naar verbergen zweemde, waar openbaren niets waarlijk oneervols insloot, enopzettelijk gevoelens te bedwingen, die op zich zelf niet afkeurenswaardig waren, scheen haar niet alleen een onnoodige poging, maar een schandelijke onderwerping van de rede aan banale en onjuiste opvattingen.Willoughby dacht er eveneens over, en hun gedrag legde, ten allen tijde, van hunne meeningen het trouwste getuigenis af.In zijn tegenwoordigheid had zij voor niemand oog dan hèm. Al wat hij deed, was goed. Al wat hij zei, was geestig. Als de avondjes op het Park werden besloten met een spelletje kaart, dan bedierf hij zijn eigen kansen en die van alle anderen, om haar de troeven in handen te spelen. Wanneer de avond met dansen werd doorgebracht, dansten zij de helft van den tijd met elkaar; en als ze gedurende een paar dansen volstrekt moesten scheiden, stonden ze samen te praten, en zeiden tegen anderen geen woord. Ze werden natuurlijk geducht uitgelachen om hun gedrag; maar het scheen wel of spotternij hen niet beschamen, en ternauwernood ergeren kon.Mevrouw Dashwood nam zoo hartelijk en levendig deel in al hun gevoelens, dat zij onmogelijk geneigd kon zijn, paal en perk te stellen aan dit overdreven vertoon. Voor haar was dat slechts het natuurlijk gevolg van een sterke genegenheid in een jongen en vurigen geest.Het was een gelukkige tijd voor Marianne. Zij hing met haar geheele hart aan Willoughby, en het sterke verlangen naar Norland, dat zij uit Sussex had medegebracht werd, meer dan zij ooit mogelijk had geacht, verzacht door de bekoring die zijn gezelschap verleende aan haar tegenwoordige omgeving.Elinor was niet zoo blij gestemd. Haar hart was niet zoo rustig, haar genoegen in hun vermaken niet zoo onvermengd. Zij had geen vriend en metgezel aangetroffen, die haar kon vergoeden wat zij achterliet, en haar kon leeren, minder dan ooit metweemoed aan Norland terug te denken. Noch Lady Middleton, noch Mevrouw Jennings konden met haar de gesprekken voeren, die zij miste; hoewel de laatste onuitputtelijk spraakzaam was, en van den beginne af een voorliefde voor Elinor had doen blijken, die haar het leeuwendeel van de mededeelingen dier dame bezorgde. Zij had haar eigen levensgeschiedenis reeds drie of vier malen aan Elinor verteld, en als Elinor’s geheugen bestand was geweest tegen de zware eischen, die dit leerzaam verhaal eraan stelde, dan had zij reeds aan het begin hunner kennismaking op de hoogte kunnen zijn van de geringste bijzonderheden omtrent de laatste ziekte van den Heer Jennings en wat hij gezegd had tegen zijn vrouw een paar minuten voor hij stierf. Lady Middleton was alleen in zooverre aangenamer gezelschap dan haar moeder dat zij beter zwijgen kon. Doch Elinor had haar niet lang behoeven gade te slaan, om te bespeuren, dat haar terughouding eenvoudig een zekere uiterlijke trage onbewogenheid was, die met verstand niets had te maken. Tegenover haar man en haar moeder was zij precies dezelfde als tegenover hen, en intimiteit kon men dus van haar verwachten noch verlangen. Zij had nooit iets te vertellen, dat zij niet den vorigen dag ook reeds had gezegd. Haar onbeduidendheid bleef zich altijd gelijk; want zelfs haar stemming was onveranderlijk dezelfde; en hoewel zij er niets tegen had, dat haar man buitenpartijen gaf, zoolang alles in de puntjes was, en haar beide oudste kinderen haar mochten gezelschap houden, zij scheen er nooit meer pleizier in te hebben, dan zij thuis evengoed zou hebben gevonden;—en zoo weinig droeg hare tegenwoordigheid bij tot het genoegen der anderen, door eenige deelname in hun gesprek, dat zij somtijds alleen herinnerd werden aan hare tegenwoordigheid door haar bezorgdheid over haar lastige jongens.Onder al haar nieuwe kennissen vond Elinorslechts in Kolonel Brandon iemand, die ook maar eenigszins kon aanspraak maken op eerbied voor zijn gaven en op vriendschappelijke belangstelling, of wiens gezelschap haar aangenaam was. Willoughby kwam niet in aanmerking. Zij bewonderde hem en was hem welgezind, ja zusterlijk genegen; maar hij was verliefd; hij wijdde zich uitsluitend aan Marianne, en een veel minder aantrekkelijke persoonlijkheid zou aangenamer in den omgang hebben kunnen zijn. Kolonel Brandon had, jammer genoeg voor hem, geen dergelijke aanmoediging ontvangen om aan Marianne al zijn gedachten te wijden, en in zijn gesprekken met Elinor vond hij den grootsten troost over de volkomen onverschilligheid van haar zuster.Elinor’s medelijden met hem groeide nog aan, toen zij reden kreeg te vermoeden, dat hij de smart van teleurgestelde liefde reeds eerder had leeren kennen. Dit vermoeden werd gewekt door enkele woorden, die hij zich liet ontvallen op een avond te Barton Park, toen zij met beider goedvinden waren gaan zitten, terwijl de anderen aan het dansen waren. Zijn blik bleef een poos gevestigd op Marianne, en na eenigen tijd te hebben gezwegen, zeide hij met een flauwen glimlach: “Ik meen te hebben begrepen, dat uw zuster aan een genegenheid, die niet de eerste is, hare goedkeuring niet kan schenken.”“Neen,” antwoordde Elinor; “zij heeft merkwaardig romantische denkbeelden.”“Of liever gezegd, zij beschouwt zulk een genegenheid als ondenkbaar, geloof ik.”“Ik geloof ook, dat zij er zoo over denkt. Doch hoe ze dat kan doen, zonder als ’t ware een blaam te werpen op het karakter van haar vader, die zelf twee vrouwen heeft gehad, dat begrijp ik niet. Maar over een paar jaren zullen haar meeningen wel gevestigd zijn op den redelijken grondslag van gezond verstand en onbevooroordeelde waarneming;en dan zullen zij gemakkelijker zijn te bepalen en te rechtvaardigen, dan het thans iemand, behalve haarzelve, mogelijk is te doen.”“Zoo zal het waarschijnlijk wel gaan,” was zijn antwoord; “en toch is er iets zoo beminnelijks in de vooroordeelen van een jeugdigen geest, dat het ons leed doet, ze te zien vervangen door ruimere opvattingen.”“Dàt ben ik niet met u eens,” zeide Elinor. “Aan zulke gevoelens als die van Marianne zijn nadeelen verbonden, die al de bekoring van geestdrift en gemis van wereldwijsheid niet kan vergoeden. Haar opvattingen leiden alle in de noodlottige richting, die geen rekening verkiest te houden met maatschappelijk fatsoen; en in een vermeerdering van haar wereld- en menschenkennis zie ik voor haar het grootste heil.”Na een korte stilte hervatte hij het gesprek, door te vragen: “Maakt uw zuster in het geheel geen onderscheid in haar bezwaren tegen een tweede liefde, of is dat vergrijp in ieder even misdadig te achten? Moeten zij, die in hun eerste keuze zijn teleurgesteld, ’t zij door de ontrouw van het voorwerp ervan, ’t zij door den ongelukkigen samenloop der omstandigheden, nu ook verder hun leven lang onverschillig blijven?”“Zóó precies ben ik werkelijk niet op de hoogte van haar beginselen op dit punt. Ik weet alleen, dat ik haar nog nimmer heb hooren toegeven, dat eenige tweede genegenheid vergefelijk zou kunnen zijn.”“Dàt kan,” zei hij, “niet altijd zoo blijven; doch een omkeer, een algeheele verandering van inzicht... neen, neen, die is niet wenschelijk,—want wanneer de romantische kiesche denkbeelden van een jeugdigen geest door de werkelijkheid worden teruggedrongen, hoe dikwijls maken zij dan plaats voor opvattingen, die maar al te gangbaar zijn, en maar al te gevaarlijk. Ik spreek uit ervaring. Ik heb eenseen dame gekend die wat aard en aanleg betrof, zeer veel op uwe zuster geleek, die dacht en oordeelde als zij, doch die door een gedwongen verandering... door een opeenvolging van noodlottige omstandigheden...” Hier zweeg hij plotseling; scheen te denken dat hij te veel had gezegd, en wekte door de uitdrukking van zijn gelaat in Elinor vermoedens, die zij anders allicht niet zou hebben gekoesterd. De dame van wie hij sprak zou waarschijnlijk haar achterdocht niet hebben gaande gemaakt, zoo hij Elinor niet had overtuigd, dat haar aangelegenheden niet over zijne lippen behoorden te komen. Thans echter was er geen sterke inspanning der verbeeldingskracht noodig om zijn aandoening in verband te brengen met de teedere herinnering aan een vroegere genegenheid. Elinor raadde niet méér. Doch Marianne, in hare plaats, zou zich daarmede niet vergenoegd hebben. De geheele geschiedenis zou weldra door haar levendige verbeelding in elkaar zijn gezet, en uitgewerkt tot een allerdroevigst verhaal van jammerlijk ongelukkige liefde.
Mevrouw Dashwood en hare dochters hadden zich weinig voorgesteld, toen zij pas in Devonshire waren komen wonen, dat de verplichtingen van den gezelligen omgang al spoedig zooveel van hun tijd zouden in beslag nemen, of dat zij zoo herhaaldelijk uitnoodigingen en zoo geregeld bezoeken zouden ontvangen, dat hun zeer weinig vrije tijd overbleef voor ernstiger bezigheid. Toch was dit het geval. Toen Marianne hersteld was, werden de plannen voor feestelijkheden in zijn eigen huis en daarbuiten, die Sir John reeds lang had beraamd, werkelijk ten uitvoer gebracht. De danspartijen op het Park namen een aanvang, en boottochtjes werden gemaakt, zoo dikwijls een buiige Octobermaand dat toeliet. Bij alle bijeenkomsten van dien aard was Willoughby van de partij, en de luchtige en gemakkelijke toon, die natuurlijk heerschte bij dergelijke gelegenheden, was juist erop berekend, om de toenemende vertrouwelijkheid van zijn omgang met de Dashwoods te bevorderen, om hem gelegenheid te schenken, Marianne in al haar lieftalligheid gade te slaan; om steeds duidelijker zijn levendige bewondering te doen blijken; en om door haar houding hem de stelligste verzekering te doen ontvangen van haar genegenheid. Elinor kon zich niet verwonderen over hun wederkeerige neiging. Zij wenschte alleen, dat deze minder openlijk werd aan den dag gelegd, en een paar malen waagde zij het werkelijk, Marianne de gewenschtheid van eenige zelfbeheersching onder het oog te brengen. Maar Marianne verfoeide al wat naar verbergen zweemde, waar openbaren niets waarlijk oneervols insloot, enopzettelijk gevoelens te bedwingen, die op zich zelf niet afkeurenswaardig waren, scheen haar niet alleen een onnoodige poging, maar een schandelijke onderwerping van de rede aan banale en onjuiste opvattingen.
Willoughby dacht er eveneens over, en hun gedrag legde, ten allen tijde, van hunne meeningen het trouwste getuigenis af.
In zijn tegenwoordigheid had zij voor niemand oog dan hèm. Al wat hij deed, was goed. Al wat hij zei, was geestig. Als de avondjes op het Park werden besloten met een spelletje kaart, dan bedierf hij zijn eigen kansen en die van alle anderen, om haar de troeven in handen te spelen. Wanneer de avond met dansen werd doorgebracht, dansten zij de helft van den tijd met elkaar; en als ze gedurende een paar dansen volstrekt moesten scheiden, stonden ze samen te praten, en zeiden tegen anderen geen woord. Ze werden natuurlijk geducht uitgelachen om hun gedrag; maar het scheen wel of spotternij hen niet beschamen, en ternauwernood ergeren kon.
Mevrouw Dashwood nam zoo hartelijk en levendig deel in al hun gevoelens, dat zij onmogelijk geneigd kon zijn, paal en perk te stellen aan dit overdreven vertoon. Voor haar was dat slechts het natuurlijk gevolg van een sterke genegenheid in een jongen en vurigen geest.
Het was een gelukkige tijd voor Marianne. Zij hing met haar geheele hart aan Willoughby, en het sterke verlangen naar Norland, dat zij uit Sussex had medegebracht werd, meer dan zij ooit mogelijk had geacht, verzacht door de bekoring die zijn gezelschap verleende aan haar tegenwoordige omgeving.
Elinor was niet zoo blij gestemd. Haar hart was niet zoo rustig, haar genoegen in hun vermaken niet zoo onvermengd. Zij had geen vriend en metgezel aangetroffen, die haar kon vergoeden wat zij achterliet, en haar kon leeren, minder dan ooit metweemoed aan Norland terug te denken. Noch Lady Middleton, noch Mevrouw Jennings konden met haar de gesprekken voeren, die zij miste; hoewel de laatste onuitputtelijk spraakzaam was, en van den beginne af een voorliefde voor Elinor had doen blijken, die haar het leeuwendeel van de mededeelingen dier dame bezorgde. Zij had haar eigen levensgeschiedenis reeds drie of vier malen aan Elinor verteld, en als Elinor’s geheugen bestand was geweest tegen de zware eischen, die dit leerzaam verhaal eraan stelde, dan had zij reeds aan het begin hunner kennismaking op de hoogte kunnen zijn van de geringste bijzonderheden omtrent de laatste ziekte van den Heer Jennings en wat hij gezegd had tegen zijn vrouw een paar minuten voor hij stierf. Lady Middleton was alleen in zooverre aangenamer gezelschap dan haar moeder dat zij beter zwijgen kon. Doch Elinor had haar niet lang behoeven gade te slaan, om te bespeuren, dat haar terughouding eenvoudig een zekere uiterlijke trage onbewogenheid was, die met verstand niets had te maken. Tegenover haar man en haar moeder was zij precies dezelfde als tegenover hen, en intimiteit kon men dus van haar verwachten noch verlangen. Zij had nooit iets te vertellen, dat zij niet den vorigen dag ook reeds had gezegd. Haar onbeduidendheid bleef zich altijd gelijk; want zelfs haar stemming was onveranderlijk dezelfde; en hoewel zij er niets tegen had, dat haar man buitenpartijen gaf, zoolang alles in de puntjes was, en haar beide oudste kinderen haar mochten gezelschap houden, zij scheen er nooit meer pleizier in te hebben, dan zij thuis evengoed zou hebben gevonden;—en zoo weinig droeg hare tegenwoordigheid bij tot het genoegen der anderen, door eenige deelname in hun gesprek, dat zij somtijds alleen herinnerd werden aan hare tegenwoordigheid door haar bezorgdheid over haar lastige jongens.
Onder al haar nieuwe kennissen vond Elinorslechts in Kolonel Brandon iemand, die ook maar eenigszins kon aanspraak maken op eerbied voor zijn gaven en op vriendschappelijke belangstelling, of wiens gezelschap haar aangenaam was. Willoughby kwam niet in aanmerking. Zij bewonderde hem en was hem welgezind, ja zusterlijk genegen; maar hij was verliefd; hij wijdde zich uitsluitend aan Marianne, en een veel minder aantrekkelijke persoonlijkheid zou aangenamer in den omgang hebben kunnen zijn. Kolonel Brandon had, jammer genoeg voor hem, geen dergelijke aanmoediging ontvangen om aan Marianne al zijn gedachten te wijden, en in zijn gesprekken met Elinor vond hij den grootsten troost over de volkomen onverschilligheid van haar zuster.
Elinor’s medelijden met hem groeide nog aan, toen zij reden kreeg te vermoeden, dat hij de smart van teleurgestelde liefde reeds eerder had leeren kennen. Dit vermoeden werd gewekt door enkele woorden, die hij zich liet ontvallen op een avond te Barton Park, toen zij met beider goedvinden waren gaan zitten, terwijl de anderen aan het dansen waren. Zijn blik bleef een poos gevestigd op Marianne, en na eenigen tijd te hebben gezwegen, zeide hij met een flauwen glimlach: “Ik meen te hebben begrepen, dat uw zuster aan een genegenheid, die niet de eerste is, hare goedkeuring niet kan schenken.”
“Neen,” antwoordde Elinor; “zij heeft merkwaardig romantische denkbeelden.”
“Of liever gezegd, zij beschouwt zulk een genegenheid als ondenkbaar, geloof ik.”
“Ik geloof ook, dat zij er zoo over denkt. Doch hoe ze dat kan doen, zonder als ’t ware een blaam te werpen op het karakter van haar vader, die zelf twee vrouwen heeft gehad, dat begrijp ik niet. Maar over een paar jaren zullen haar meeningen wel gevestigd zijn op den redelijken grondslag van gezond verstand en onbevooroordeelde waarneming;en dan zullen zij gemakkelijker zijn te bepalen en te rechtvaardigen, dan het thans iemand, behalve haarzelve, mogelijk is te doen.”
“Zoo zal het waarschijnlijk wel gaan,” was zijn antwoord; “en toch is er iets zoo beminnelijks in de vooroordeelen van een jeugdigen geest, dat het ons leed doet, ze te zien vervangen door ruimere opvattingen.”
“Dàt ben ik niet met u eens,” zeide Elinor. “Aan zulke gevoelens als die van Marianne zijn nadeelen verbonden, die al de bekoring van geestdrift en gemis van wereldwijsheid niet kan vergoeden. Haar opvattingen leiden alle in de noodlottige richting, die geen rekening verkiest te houden met maatschappelijk fatsoen; en in een vermeerdering van haar wereld- en menschenkennis zie ik voor haar het grootste heil.”
Na een korte stilte hervatte hij het gesprek, door te vragen: “Maakt uw zuster in het geheel geen onderscheid in haar bezwaren tegen een tweede liefde, of is dat vergrijp in ieder even misdadig te achten? Moeten zij, die in hun eerste keuze zijn teleurgesteld, ’t zij door de ontrouw van het voorwerp ervan, ’t zij door den ongelukkigen samenloop der omstandigheden, nu ook verder hun leven lang onverschillig blijven?”
“Zóó precies ben ik werkelijk niet op de hoogte van haar beginselen op dit punt. Ik weet alleen, dat ik haar nog nimmer heb hooren toegeven, dat eenige tweede genegenheid vergefelijk zou kunnen zijn.”
“Dàt kan,” zei hij, “niet altijd zoo blijven; doch een omkeer, een algeheele verandering van inzicht... neen, neen, die is niet wenschelijk,—want wanneer de romantische kiesche denkbeelden van een jeugdigen geest door de werkelijkheid worden teruggedrongen, hoe dikwijls maken zij dan plaats voor opvattingen, die maar al te gangbaar zijn, en maar al te gevaarlijk. Ik spreek uit ervaring. Ik heb eenseen dame gekend die wat aard en aanleg betrof, zeer veel op uwe zuster geleek, die dacht en oordeelde als zij, doch die door een gedwongen verandering... door een opeenvolging van noodlottige omstandigheden...” Hier zweeg hij plotseling; scheen te denken dat hij te veel had gezegd, en wekte door de uitdrukking van zijn gelaat in Elinor vermoedens, die zij anders allicht niet zou hebben gekoesterd. De dame van wie hij sprak zou waarschijnlijk haar achterdocht niet hebben gaande gemaakt, zoo hij Elinor niet had overtuigd, dat haar aangelegenheden niet over zijne lippen behoorden te komen. Thans echter was er geen sterke inspanning der verbeeldingskracht noodig om zijn aandoening in verband te brengen met de teedere herinnering aan een vroegere genegenheid. Elinor raadde niet méér. Doch Marianne, in hare plaats, zou zich daarmede niet vergenoegd hebben. De geheele geschiedenis zou weldra door haar levendige verbeelding in elkaar zijn gezet, en uitgewerkt tot een allerdroevigst verhaal van jammerlijk ongelukkige liefde.
Hoofdstuk XIIToen Elinor en Marianne den volgenden morgen samen wandelden, vertelde de laatste aan hare zuster een nieuwtje, dat deze, ondanks al wat zij reeds had ervaren omtrent Marianne’s onvoorzichtigheid en onnadenkendheid, verbaasde, door een zóó treffend bewijs te leveren van die beide eigenschappen. Marianne vertelde haar verrukt, dat Willoughby haar een paard had ten geschenke gegeven, een van de door hem zelf gefokte paarden op zijn landgoed in Somersetshire, dat juist geschikt was, om door eene dame te worden bereden. Zonder te bedenken, dat het niet in haar moeders bedoeling lag paarden te houden,—dat zij, indien zij al op dat besluit wilde terugkomen, terwille van dit geschenk, een ander paard moest koopen voor een knecht, dien knecht moest huren om het te berijden, en ten slotte nog een stal moest laten bouwen om beide onder dak te brengen,—had zij zonder eenige aarzeling het aanbod aangenomen, en vertelde haar zuster ervan met de grootste opgetogenheid. “Hij is voornemens zijn bediende dadelijk ervoor naar Somersetshire te zenden”, voegde zij erbij, “en als het komt, gaan we iederen dag rijden. Jij mag het ook gebruiken. Stel je toch eens voor, Elinor, hoe zalig het zijn zal, in galop over onze heuvels te snellen.”Wel zéér ongeneigd was zij, te ontwaken uit dien geluksdroom, zich te laten overtuigen van al de pijnlijke, maar noodzakelijke bijkomstigheden, aan de zaak verbonden, en een tijdlang weigerde zij koppig, ze in te zien. Een bediende meer zou zooveel niet kosten; mama zou daar stellig niet op tegen hebben, voor hem was trouwens elk paardgoed genoeg; hij kon er altijd wel een krijgen van Het Park; en wat den stal betrof, een klein schuurtje zou immers voldoende zijn. Eindelijk waagde Elinor de vraag te opperen, of het wel gepast zou zijn, zulk een geschenk aan te nemen van iemand, dien zij nog zoo weinig, of althans zoo kort, kende.—Dat ging te ver. “Je vergist je, Elinor,” zei ze met nadruk, “als je meent dat ik Willoughby maar oppervlakkig ken. Ik heb nog niet lang met hem omgegaan, maar kennen doe ik hem beter dan iemand anders ter wereld, behalve jou en mama. Tijd noch gelegenheid zijn noodig om vertrouwelijkheid te doen ontstaan;—dat doet alleen natuurlijke neiging. Sommige menschen zouden elkaar in zeven jaar niet leeren kennen, en voor anderen zijn zeven dagen meer dan genoeg. Ik zou ’t meer ongepast van mijzelf vinden, als ik van mijn broer een paard aannam, dan van Willoughby. Van John weet ik zoogoed als niets af, hoewel we jaren onder een dak gewoond hebben; maar mijn oordeel over Willoughby staat reeds lang vast.”Elinor vond het maar ’t verstandigst, dat punt niet meer aan te roeren. Zij kende haar zusters aard. Tegenstand in zulk een teere aangelegenheid zou haar des te koppiger doen volharden in haar eigen meening. Doch door een beroep op haar genegenheid voor hare moeder, door haar voor te stellen, hoe die toegevende moeder zichzelve in ongelegenheid zou moeten brengen, als zij (zooals te verwachten viel) zou toestemmen in die uitbreiding van hun personeel, werd Marianne tenslotte gekalmeerd; en zij beloofde, haar moeder niet tot zoo onverstandige toegevendheid te zullen verleiden door te spreken over het voorstel, en den eersten keer dat zij Willoughby weer zou ontmoeten, hem te zeggen, dat zij verplicht was, het af te wijzen.Zij hield haar woord, en toen Willoughby hen nog dien zelfden dag kwam bezoeken, hoorde Elinor hoe zij op zachten toon hem hare teleurstellingte kennen gaf, omdat zij zich verplicht zag, zijn geschenk te weigeren. De redenen voor haar veranderd inzicht werden hem tevens medegedeeld, en zij maakten een nader aandringen van zijne zijde onmogelijk. Het was echter duidelijk blijkbaar, dat het hem zeer speet; en nadat hij dit met nadruk had betuigd, liet hij er op denzelfden gedempten toon op volgen: “Maar Marianne, het paard blijft toch je eigendom, al kun je het nu niet gebruiken. Ik bewaar het slechts zoolang tot je het komt opeischen. Als je Barton verlaat, om in een eigen thuis je eigen huishouding te beginnen, dan zal Queen Mab je ontvangen.”Elinor hoorde hem dit alles zeggen; en uit al zijn woorden, uit zijn uitdrukking terwijl hij ze sprak, en uit het feit dat hij haar zuster bij haar voornaam noemde, bleek haar oogenblikkelijk de onmiskenbaar innige vertrouwelijkheid, de rechtstreeksche bedoeling, die niet den minsten twijfel lieten aan hun onderlinge verstandhouding. Van dat oogenblik af stond het voor haar vast, dat zij in stilte verloofd waren, en die overtuiging wekte in haar geene andere reden tot verwondering, dan deze, dat zulk een openhartig paar de ontdekking van het geheim, door haar, of wie ook van hun vrienden, aan het toeval overliet. Den volgenden dag vertelde Margaret haar iets, dat de zaak in een nog helderder daglicht plaatste. Willoughby had den vorigen avond bij hen doorgebracht, en toen Margaret een poos met hem en Marianne alleen in de huiskamer was gebleven, had zij gelegenheid gehad tot waarnemingen, die zij met een allergewichtigst gezicht aan haar oudste zuster kwam berichten, zoodra zij samen alleen waren.“O Elinor!” riep zij; “ik heb je een groot geheim te vertellen, over Marianne. Ik geloof stellig, dat ze nu heel gauw gaat trouwen met Mijnheer Willoughby.”“Dat heb je nu al bijna iederen dag gezegd,antwoordde Elinor, “sedert ze elkaar voor ’t eerst op High-Church Down ontmoetten; en toen ze elkaar nog geen week kenden, was je al zeker, dat Marianne zijn portret in haar medaillon droeg, tot het uitkwam dat het een miniatuur-portretje van onzen oudoom was.”“O, maar dit is heel iets anders. Nu gaan ze stellig gauw trouwen, want hij heeft een lok van haar haar.”“Pas maar op, Margaret. Misschien is dàt nu weer een haarlok vanzijnoudoom.”“Neen werkelijk, Elinor; ’t is van Marianne. Ik weet het stellig; want ik zag hem het afknippen. Gisterenavond na de thee, toen jij en mama uit de kamer waren gegaan, zaten ze druk samen te praten en te fluisteren, en hij scheen haar telkens iets te vragen; en ten laatste nam hij haar schaar, en knipte een lange krul van haar haar af, want ze had het loshangen; en toen kuste hij het, en vouwde ’t in een stuk wit papier en legde dat in zijn notitieboek.”Deze bijzonderheden, uit zoo betrouwbare bron, kon Elinor niet weigeren te gelooven, en zij was daartoe te minder geneigd, wijl het voorgevallene volkomen in overeenstemming scheen met wat zijzelve gehoord en gezien had.Margaret gaf van haar schranderheid niet altijd blijk op de wijze, die haar zuster het best kon behagen. Toen Mevrouw Jennings haar op een avond te Barton Park dringend vroeg om toch eens te vertellen, welke jonge man bij Elinor het hoogst stond aangeschreven, iets, waarnaar zij reeds lang fel nieuwsgierig was, keek Margaret haar zuster eens aan en zei: “Ik mag het zeker niet vertellen; of wèl, Elinor?”Daarom moest natuurlijk iedereen lachen, en Elinor lachte zoogoed mogelijk mee. Maar het kostte haar moeite. Zij wist maar al te goed, dat Margaret iemand op het oog had, wiens naam zijniet kon verdragen van nu af aan geregeld te moeten hooren, als Mevrouw Jennings met haar grappen begon.Marianne had oprecht medelijden met haar; maar zij maakte de zaak eer erger dan beter, door met een hooge kleur en op driftigen toon tegen Margaret te zeggen: “Vergeet niet dat je dingen, waarvan je niet zeker bent, niet moogt oververtellen.”“’tZijngeen dingen, waarvan ik niet zeker ben,” zei Margaret; “je hebt het mij zelf verteld.”De vroolijkheid van ’t gezelschap werd hierdoor nog verhoogd, en Margaret werd dringend verzocht, nog iets meer los te laten.“Och toe, Margaret, vertel het ons nu maar,” zei Mevrouw Jennings. “Hoe heet die mijnheer?”“Ik mag ’t niet zeggen, mevrouw. Maar ik weet het wèl; en waar hij is, dat weet ik ook.”“Ja, dat kunnen we wel raden, in zijn eigen huis, te Norland, natuurlijk. Ik wed dat het de dominé is.”“Neen, dàt is hij niet. Hij is in ’t geheel niets.”“Margaret,” zei Marianne, erg boos nu, “je weet best, dat je dit alles maar uit den duim zuigt, en dat er niet eens zoo iemand bestaat.”“O, dan is hij zeker voor kort overleden, Marianne; want dat er zoo iemand bestaan hééft, dat weet ik wel zeker, en zijn naam begint met een F.”Innig dankbaar was Elinor, dat Lady Middleton op dat oogenblik de opmerking maakte, “dat het geducht hard regende,”hoewelzij die opzettelijke onderbreking van het gesprek minder toeschreef aan eenig medegevoel voor háár, dan aan den afkeer der gastvrouw van zulke grove scherts, waarin haar moeder en haar man nu eenmaal behagen hadden. Het door haar ingeleide onderwerp werd aanstonds opgevat door Kolonel Brandon, die bij alle voorkomende gelegenheden anderer gevoelens placht te ontzien; en beiden hadden elkaar over den regenveel te vertellen. Willoughby opende de piano en vroeg Marianne, iets voor te spelen, en bij die onderscheiden pogingen van verschillenden der aanwezigen, om van het onderwerp af te stappen, kwam het gelukkig tot rust. Maar Elinor bekwam niet zoo snel van den schrik, dien het haar had veroorzaakt.Er werd dien avond een plan beraamd om den volgenden dag een fraai buitengoed te gaan bezichtigen, dat omstreeks twaalf mijlen van Barton verwijderd lag, en toebehoorde aan een schoonbroeder van Kolonel Brandon, zonder wiens geleide het niet te zien was, daar de eigenaar, die buitenslands vertoefde, op dat punt strikte orders had gegeven. Het park en de omgeving werden als bijzonder mooi geroemd, en Sir John, die luide hun lof verkondigde, kon er in elk geval goed over oordeelen, want hij had, in de laatste tien jaar, minstens tweemaal elken zomer tochtjes erheen georganiseerd. Bij het park behoorde een uitgestrekt meer, waarop des middags zou worden gezeild; proviand werd medegenomen, er werden alleén open rijtuigen gebruikt, en het beloofde een recht genoegelijke buitenpartij te zullen worden.Enkelen onder het gezelschap vonden het een ietwat gewaagd plan, om dezen tijd van het jaar, terwijl het de laatste veertien dagen elken dag had geregend, en Mevrouw Dashwood, die reeds verkouden was, liet zich door Elinor overreden om thuis te blijven.
Toen Elinor en Marianne den volgenden morgen samen wandelden, vertelde de laatste aan hare zuster een nieuwtje, dat deze, ondanks al wat zij reeds had ervaren omtrent Marianne’s onvoorzichtigheid en onnadenkendheid, verbaasde, door een zóó treffend bewijs te leveren van die beide eigenschappen. Marianne vertelde haar verrukt, dat Willoughby haar een paard had ten geschenke gegeven, een van de door hem zelf gefokte paarden op zijn landgoed in Somersetshire, dat juist geschikt was, om door eene dame te worden bereden. Zonder te bedenken, dat het niet in haar moeders bedoeling lag paarden te houden,—dat zij, indien zij al op dat besluit wilde terugkomen, terwille van dit geschenk, een ander paard moest koopen voor een knecht, dien knecht moest huren om het te berijden, en ten slotte nog een stal moest laten bouwen om beide onder dak te brengen,—had zij zonder eenige aarzeling het aanbod aangenomen, en vertelde haar zuster ervan met de grootste opgetogenheid. “Hij is voornemens zijn bediende dadelijk ervoor naar Somersetshire te zenden”, voegde zij erbij, “en als het komt, gaan we iederen dag rijden. Jij mag het ook gebruiken. Stel je toch eens voor, Elinor, hoe zalig het zijn zal, in galop over onze heuvels te snellen.”
Wel zéér ongeneigd was zij, te ontwaken uit dien geluksdroom, zich te laten overtuigen van al de pijnlijke, maar noodzakelijke bijkomstigheden, aan de zaak verbonden, en een tijdlang weigerde zij koppig, ze in te zien. Een bediende meer zou zooveel niet kosten; mama zou daar stellig niet op tegen hebben, voor hem was trouwens elk paardgoed genoeg; hij kon er altijd wel een krijgen van Het Park; en wat den stal betrof, een klein schuurtje zou immers voldoende zijn. Eindelijk waagde Elinor de vraag te opperen, of het wel gepast zou zijn, zulk een geschenk aan te nemen van iemand, dien zij nog zoo weinig, of althans zoo kort, kende.—Dat ging te ver. “Je vergist je, Elinor,” zei ze met nadruk, “als je meent dat ik Willoughby maar oppervlakkig ken. Ik heb nog niet lang met hem omgegaan, maar kennen doe ik hem beter dan iemand anders ter wereld, behalve jou en mama. Tijd noch gelegenheid zijn noodig om vertrouwelijkheid te doen ontstaan;—dat doet alleen natuurlijke neiging. Sommige menschen zouden elkaar in zeven jaar niet leeren kennen, en voor anderen zijn zeven dagen meer dan genoeg. Ik zou ’t meer ongepast van mijzelf vinden, als ik van mijn broer een paard aannam, dan van Willoughby. Van John weet ik zoogoed als niets af, hoewel we jaren onder een dak gewoond hebben; maar mijn oordeel over Willoughby staat reeds lang vast.”
Elinor vond het maar ’t verstandigst, dat punt niet meer aan te roeren. Zij kende haar zusters aard. Tegenstand in zulk een teere aangelegenheid zou haar des te koppiger doen volharden in haar eigen meening. Doch door een beroep op haar genegenheid voor hare moeder, door haar voor te stellen, hoe die toegevende moeder zichzelve in ongelegenheid zou moeten brengen, als zij (zooals te verwachten viel) zou toestemmen in die uitbreiding van hun personeel, werd Marianne tenslotte gekalmeerd; en zij beloofde, haar moeder niet tot zoo onverstandige toegevendheid te zullen verleiden door te spreken over het voorstel, en den eersten keer dat zij Willoughby weer zou ontmoeten, hem te zeggen, dat zij verplicht was, het af te wijzen.
Zij hield haar woord, en toen Willoughby hen nog dien zelfden dag kwam bezoeken, hoorde Elinor hoe zij op zachten toon hem hare teleurstellingte kennen gaf, omdat zij zich verplicht zag, zijn geschenk te weigeren. De redenen voor haar veranderd inzicht werden hem tevens medegedeeld, en zij maakten een nader aandringen van zijne zijde onmogelijk. Het was echter duidelijk blijkbaar, dat het hem zeer speet; en nadat hij dit met nadruk had betuigd, liet hij er op denzelfden gedempten toon op volgen: “Maar Marianne, het paard blijft toch je eigendom, al kun je het nu niet gebruiken. Ik bewaar het slechts zoolang tot je het komt opeischen. Als je Barton verlaat, om in een eigen thuis je eigen huishouding te beginnen, dan zal Queen Mab je ontvangen.”
Elinor hoorde hem dit alles zeggen; en uit al zijn woorden, uit zijn uitdrukking terwijl hij ze sprak, en uit het feit dat hij haar zuster bij haar voornaam noemde, bleek haar oogenblikkelijk de onmiskenbaar innige vertrouwelijkheid, de rechtstreeksche bedoeling, die niet den minsten twijfel lieten aan hun onderlinge verstandhouding. Van dat oogenblik af stond het voor haar vast, dat zij in stilte verloofd waren, en die overtuiging wekte in haar geene andere reden tot verwondering, dan deze, dat zulk een openhartig paar de ontdekking van het geheim, door haar, of wie ook van hun vrienden, aan het toeval overliet. Den volgenden dag vertelde Margaret haar iets, dat de zaak in een nog helderder daglicht plaatste. Willoughby had den vorigen avond bij hen doorgebracht, en toen Margaret een poos met hem en Marianne alleen in de huiskamer was gebleven, had zij gelegenheid gehad tot waarnemingen, die zij met een allergewichtigst gezicht aan haar oudste zuster kwam berichten, zoodra zij samen alleen waren.
“O Elinor!” riep zij; “ik heb je een groot geheim te vertellen, over Marianne. Ik geloof stellig, dat ze nu heel gauw gaat trouwen met Mijnheer Willoughby.”
“Dat heb je nu al bijna iederen dag gezegd,antwoordde Elinor, “sedert ze elkaar voor ’t eerst op High-Church Down ontmoetten; en toen ze elkaar nog geen week kenden, was je al zeker, dat Marianne zijn portret in haar medaillon droeg, tot het uitkwam dat het een miniatuur-portretje van onzen oudoom was.”
“O, maar dit is heel iets anders. Nu gaan ze stellig gauw trouwen, want hij heeft een lok van haar haar.”
“Pas maar op, Margaret. Misschien is dàt nu weer een haarlok vanzijnoudoom.”
“Neen werkelijk, Elinor; ’t is van Marianne. Ik weet het stellig; want ik zag hem het afknippen. Gisterenavond na de thee, toen jij en mama uit de kamer waren gegaan, zaten ze druk samen te praten en te fluisteren, en hij scheen haar telkens iets te vragen; en ten laatste nam hij haar schaar, en knipte een lange krul van haar haar af, want ze had het loshangen; en toen kuste hij het, en vouwde ’t in een stuk wit papier en legde dat in zijn notitieboek.”
Deze bijzonderheden, uit zoo betrouwbare bron, kon Elinor niet weigeren te gelooven, en zij was daartoe te minder geneigd, wijl het voorgevallene volkomen in overeenstemming scheen met wat zijzelve gehoord en gezien had.
Margaret gaf van haar schranderheid niet altijd blijk op de wijze, die haar zuster het best kon behagen. Toen Mevrouw Jennings haar op een avond te Barton Park dringend vroeg om toch eens te vertellen, welke jonge man bij Elinor het hoogst stond aangeschreven, iets, waarnaar zij reeds lang fel nieuwsgierig was, keek Margaret haar zuster eens aan en zei: “Ik mag het zeker niet vertellen; of wèl, Elinor?”
Daarom moest natuurlijk iedereen lachen, en Elinor lachte zoogoed mogelijk mee. Maar het kostte haar moeite. Zij wist maar al te goed, dat Margaret iemand op het oog had, wiens naam zijniet kon verdragen van nu af aan geregeld te moeten hooren, als Mevrouw Jennings met haar grappen begon.
Marianne had oprecht medelijden met haar; maar zij maakte de zaak eer erger dan beter, door met een hooge kleur en op driftigen toon tegen Margaret te zeggen: “Vergeet niet dat je dingen, waarvan je niet zeker bent, niet moogt oververtellen.”
“’tZijngeen dingen, waarvan ik niet zeker ben,” zei Margaret; “je hebt het mij zelf verteld.”
De vroolijkheid van ’t gezelschap werd hierdoor nog verhoogd, en Margaret werd dringend verzocht, nog iets meer los te laten.
“Och toe, Margaret, vertel het ons nu maar,” zei Mevrouw Jennings. “Hoe heet die mijnheer?”
“Ik mag ’t niet zeggen, mevrouw. Maar ik weet het wèl; en waar hij is, dat weet ik ook.”
“Ja, dat kunnen we wel raden, in zijn eigen huis, te Norland, natuurlijk. Ik wed dat het de dominé is.”
“Neen, dàt is hij niet. Hij is in ’t geheel niets.”
“Margaret,” zei Marianne, erg boos nu, “je weet best, dat je dit alles maar uit den duim zuigt, en dat er niet eens zoo iemand bestaat.”
“O, dan is hij zeker voor kort overleden, Marianne; want dat er zoo iemand bestaan hééft, dat weet ik wel zeker, en zijn naam begint met een F.”
Innig dankbaar was Elinor, dat Lady Middleton op dat oogenblik de opmerking maakte, “dat het geducht hard regende,”hoewelzij die opzettelijke onderbreking van het gesprek minder toeschreef aan eenig medegevoel voor háár, dan aan den afkeer der gastvrouw van zulke grove scherts, waarin haar moeder en haar man nu eenmaal behagen hadden. Het door haar ingeleide onderwerp werd aanstonds opgevat door Kolonel Brandon, die bij alle voorkomende gelegenheden anderer gevoelens placht te ontzien; en beiden hadden elkaar over den regenveel te vertellen. Willoughby opende de piano en vroeg Marianne, iets voor te spelen, en bij die onderscheiden pogingen van verschillenden der aanwezigen, om van het onderwerp af te stappen, kwam het gelukkig tot rust. Maar Elinor bekwam niet zoo snel van den schrik, dien het haar had veroorzaakt.
Er werd dien avond een plan beraamd om den volgenden dag een fraai buitengoed te gaan bezichtigen, dat omstreeks twaalf mijlen van Barton verwijderd lag, en toebehoorde aan een schoonbroeder van Kolonel Brandon, zonder wiens geleide het niet te zien was, daar de eigenaar, die buitenslands vertoefde, op dat punt strikte orders had gegeven. Het park en de omgeving werden als bijzonder mooi geroemd, en Sir John, die luide hun lof verkondigde, kon er in elk geval goed over oordeelen, want hij had, in de laatste tien jaar, minstens tweemaal elken zomer tochtjes erheen georganiseerd. Bij het park behoorde een uitgestrekt meer, waarop des middags zou worden gezeild; proviand werd medegenomen, er werden alleén open rijtuigen gebruikt, en het beloofde een recht genoegelijke buitenpartij te zullen worden.
Enkelen onder het gezelschap vonden het een ietwat gewaagd plan, om dezen tijd van het jaar, terwijl het de laatste veertien dagen elken dag had geregend, en Mevrouw Dashwood, die reeds verkouden was, liet zich door Elinor overreden om thuis te blijven.
Hoofdstuk XIIIHet voorgenomen tochtje naar Whitwell liep heel anders af, dan Elinor had verwacht. Zij had erop gerekend bang op het water, doornat en doodmoe te te zullen zijn; maar het kwam nog ongelukkiger uit; want zij gingen in het geheel niet.Om tien uur waren allen vergaderd op het Park, waar zij zouden ontbijten. Het weer liet zich vrij goed aanzien, schoon het den geheelen nacht had geregend; want de wolken dreven uiteen, en meermalen vertoonde zich even de zon. Allen waren vroolijk en opgewekt, blij in ’t vooruitzicht van een prettigen dag, en vast voornemens hun pleizier niet te laten bederven door een weinig ongemak of tegenspoed. Aan het ontbijt werden de brieven binnengebracht. Een ervan was voor Kolonel Brandon;—hij nam den brief aan, keek naar het adres, verschoot van kleur, en ging meteen de kamer uit.“Wat scheelt Brandon?” vroeg Sir John.Niemand kon het hem zeggen.“Ik hoop dat hij geen slechte tijding heeft gekregen,” zei Lady Middleton. “Het moet wel iets bijzonders zijn, dat Kolonel Brandon zoo plotseling van mijn ontbijttafel doet opstaan.”Na een minuut of vijf kwam hij terug.“Toch geen slecht nieuws, Kolonel?” vroeg Mevrouw Jennings, toen hij binnentrad.“O neen, mevrouw; in ’t geheel niet.”“Kwam de brief uit Avignon? Ik hoop toch, dat uwe zuster niet erger is geworden?”“Neen, mevrouw. De brief kwam uit Londen, ’t was over zaken; anders niet.”“Maar hoe kon het handschrift u zoo van streek brengen, als het niets dan een brief over zaken was? Neen, neen, Kolonel, zoo komt u er niet af; vertel ons nu maar de waarheid.”“Maar moeder,” zei Lady Middleton; “bedenk toch wat u zegt.”“Misschien hebt u bericht gekregen, dat uw nichtje Fanny getrouwd is?” zei Mevrouw Jennings, zonder acht te slaan op haar dochters vermaning.“Neen, dat was het ook niet.”“Nu, dàn weet ik, van wie de brief was. En ik hoop dat zij het goed maakt.”“Wie bedoelt u, mevrouw?” zei hij, met ietwat verhoogde kleur.“O, u weet best wie ik bedoel.”“Het spijt mij wel zéér, mevrouw,” hernam hij, zich tot Lady Middleton wendend, “dat ik juist vandaag dien brief moest ontvangen; want hij handelt over zaken, die mijn onmiddellijk vertrek naar Londen noodzakelijk maken.”“Naar Londen!” riep Mevrouw Jennings. ”“Wat kunt u om dezen tijd van het jaar in de stad hebben te doen?“Ik zelf verlies veel erdoor,” ging hij voort, “daar ik van zulk aangenaam gezelschap moet afscheid nemen, doch het spijt mij te meer, omdat ik vrees, u zonder mijne tegenwoordigheid geen toegang tot Whitwell te kunnen verschaffen.”Dat was een slag voor hen allen!“Maar als u een briefje aan de huishoudster schreef, Mijnheer Brandon,” zei Marianne haastig; “zou dat niet voldoende zijn?”Hij schudde het hoofd.“We gaan toch,” zei Sir John. “Het mag niet afspringen, nu we er bijna zijn nog wel. Er zit niet anders op, Brandon, dan dat je morgen naar de stad gaat.”“Ik wenschte wel dat het zoo gemakkelijk geschiktkon worden. Maar ik kan mijn reis waarlijk geen dag uitstellen.”“Als u ons maar wilde vertellen, wat die zaak eigenlijkis,” zei Mevrouw Jennings; “dan konden wij er over oordeelen, of het kon uitgesteld worden of niet.”“Het zou geen zes uren verschil maken,” zei Willoughby, “als u de reis uitstelde tot we terug waren.”“Ik mag geenuurverliezen.”Elinor hoorde, hoe Willoughby zachtjes tegen Marianne zei: “Er zijn van die menschen die een hekel hebben aan buitenpartijen. Brandon behoort er ook toe. Hij was zeker bang om kou te vatten, en bedacht er deze uitvlucht op, om eraf te komen. Ik durf er vijftig guinea’s op verwedden, dat hij dien brief zelf geschreven heeft.”“Natuurlijk,” antwoordde Marianne.“Men kan je niet overhalen om van meening te veranderen, Brandon; dat weet ik van ouds,” zei Sir John; “als je eenmaal een voornemen hebt opgevat. Maar ik blijf nog hopen, dat je je zult bedenken. Vergeet niet, dat de beide dames Carey ervoor van Newton zijn gekomen, dat de drie dames Dashwood ervoor van huis zijn komen wandelen, en dat Mijnheer Willoughby twee uur vroeger dan gewoonlijk is opgestaan, alles om dat uitstapje naar Whitwell.”Kolonel Brandon betuigde opnieuw zijn spijt, dat hij het gezelschap moest teleurstellen, maar verklaarde tevens, dat dit onvermijdelijk was.“Nu, wanneer kom je dan terug?”“Ik hoop dat we u hier weer te Barton zullen mogen verwelkomen,” voegde Lady Middleton erbij, “zoodra u weer uit Londen kunt vertrekken; we moeten het uitstapje naar Whitwell dan maar uitstellen tot uw terugkomst.”“Dat is heel vriendelijk van u. Maar het is zóó onzeker, wanneer het mij mogelijk zal zijn terugte keeren, dat ik daaromtrent geen afspraak durf maken.”“O, maar terugkomen moet en zàl hij,” riep Sir John. “Als hij aan ’t eind van de week niet weer hier is, ga ik hem halen.”“Ja, doe dat,” zei Mevrouw Jennings; “dan kom je misschien erachter, wat die zaak toch zijn mag.”“Neen, ik begeer mijn neus niet in andermans-zaken te steken; ’t zal wel iets zijn, waarvoor hij zich schaamt.”Een bediende kwam zeggen, dat de paarden van den Kolonel gereed waren.“Je gaat toch niet te paard naar de stad?” vroeg Sir John.“Neen,—niet verder dan tot Honiton. En dan met de postkoets.”“Nu, als je besloten bent te gaan, goede reis dan. Maar ik zou mij liever nog eens bedenken.”“Ik verzeker je, dat het mij niet mogelijk is.”Hij nam afscheid van het geheele gezelschap.“Is er geen kans, dat ik u en uw zusters dezen winter in de stad zal ontmoeten, Juffrouw Dashwood?”“Ik vrees van niet.”“Dan moet ik afscheid van u nemen voor langer dan mij lief is.”Voor Marianne boog hij alleen, zonder iets te zeggen.“Kom, Kolonel,” zei Mevrouw Jennings, “laat ons nu nog eer u heengaat, hooren wat er achter zit.”Hij zei haar beleefd goedendag en ging, vergezeld door Sir John de kamer uit.De klachten en verzuchtingen, die de hoffelijkheid tot nu toe had weerhouden, barstten van alle zijden los, en zij waren het steeds weer op nieuw met elkaar eens, dat het afschuwelijk ergerlijk was, zoo te worden teleurgesteld.“Nu met dat al, ik kan ’t je wel vertellen, wat dat voor zaken zijn”, zei Mevrouw Jennings zegevierend.“Weet u het, mevrouw?” zeiden bijna allen tegelijk.“Ja, ’t is natuurlijk iets met Juffrouw Williams.”“En wie is Juffrouw Williams?” vroeg Marianne.“Wat? Weet je niet wie Juffrouw Williams is? Je hebt toch stellig al van haar gehoord? Zij is een bloedverwante van den Kolonel, lieve kind, heel na verwant. We zullen maar niet zeggen, hoe na, om den jongen dames geen aanstoot te geven.” Iets zachter zei ze tegen Elinor: “Ze is zijn natuurlijke dochter.”“Is het waar?”“O ja; en ze lijkt sprekend op hem. Ik wed dat de Kolonel haar al zijn geld nalaat.”Toen Sir John terugkwam, stemde hij van harte in met aller uitingen van spijt over het gebeurde; maar besloot met te zeggen, dat zij nu eenmaal allen bijeen waren, en iets moesten doen om de vroolijkheid erin te houden; en na eenig overleg werd men het eens, al mocht de ware vroolijkheid dan ook alleen in Whitwell te vinden zijn geweest, een rijtoer in de omstreken hun althans een behoorlijke mate van voldoening zou verschaffen. De rijtuigen kwamen voor; dat van Willoughby was het eerste, en Marianne had er nog nooit zoo gelukkig uitgezien, als toen zij instapte. Hij reed snel het park door; ze waren spoedig uit het gezicht, en niemand kreeg hen meer te zien tot ze weer kwamen opdagen, niet eer alle anderen reeds weer waren teruggekeerd. Ze waren beiden verrukt over hun rit; maar zeiden alleen dat zij zich aan de boschpaden hadden gehouden, terwijl de anderen de heuvels waren opgegaan.Er was afgesproken, dat ’s avonds zou worden gedanst, en dat ieder zoo vroolijk zou zijn als de dag lang was. Aan het diner kwamen nog eenige Carey’s, en zij hadden het genoegen met zijn twintigen aan tafel te zitten, ’t geen Sir John veel voldoening schonk. Willoughby nam als gewoonlijk plaatstusschen de beide oudste dames Dashwood. Mevrouw Jennings zat aan Elinor’s rechterhand, en zij hadden nog niet lang aan tafel gezeten toen zij, zich achter haar en Willoughby naar Marianne overbuigend, zeide, luid genoeg dat beiden het konden hooren: “Al ben je nòg zoo loos, ik heb je gesnapt. Ik weet, waar je van morgen geweest bent.” Marianne kreeg een kleur en zei haastig: “Waar dan?” “Wist u niet,” zei Willoughby, “dat we een toertje hadden gedaan samen?”“Ja, ja, mijnheer Durf-al, dat wist ik heel goed, en ik had het erop gezet, uit te vinden, wáárheen dat toertje geweest was. Ik hoop dat je huis naar je zin was, Marianne. ’t Is verbazend groot, en als ik je daar kom bezoeken, dan denk ik wel, dat je ’t nieuw zult hebben gemeubileerd; want dat had het al noodig toen ik het zag, zes jaar geleden.”Marianne keek voor zich, verward en verlegen.Mevrouw Jennings lachte hartelijk, en Elinor hoorde nu, dat zij, vast besloten erachter te komen waar zij geweest waren, Willoughby’s knecht had laten uitvragen door haar eigen kamenier, en langs dien weg was gewaar geworden, dat zij naar Allenham waren geweest, daar geruimen tijd hadden gewandeld in den tuin, en het geheele huis bezichtigd.Elinor kon bijna niet gelooven, dat dit waar kon zijn, want het leek al zeer onwaarschijnlijk, dat Willoughby zou voorstellen, of Marianne erin toestemmen, het huis binnen te gaan, terwijl Mevrouw Smith er vertoefde, die Marianne volkomen vreemd was.Zoodra zij de eetkamer verlieten, vroeg Elinor haar zuster wat ervan aan was, en vernam tot haar groote verbazing, dat al wat Mevrouw Jennings had verteld de zuivere waarheid was geweest. Marianne was zelfs heel boos, dat zij eraan getwijfeld had.“Waarom toch zou je denken, Elinor, dat wenietdaarheen waren gegaan, ofniethet huis hadden bekeken? Heb je dan niet dikwijls zelf gewenscht, dat te kunnen doen?”“Ja Marianne, maar niet wanneer Mevrouw Smith thuis was, en zonder ander gezelschap dan Mijnheer Willoughby.”“Mijnheer Willoughby is nu eenmaal de eenige persoon, die het recht heeft, om dat huis te laten zien, en daar er in zijn rijtuig maar plaats was voor twee konden wij onmogelijk anderen meenemen. ’t Was de prettigste dag, dien ik in mijn leven heb doorgebracht.”“Ik vrees,” zei Elinor, “dat genoegen en gepastheid niet altijd onvermijdelijk samengaan.”“Integendeel, juist dat genoegen bewijst zijn eigen onschuld; als er werkelijk iets ongepasts was in wat ik deed, dan zou ik dat voortdurend gevoeld hebben; want we weten het altijd als we iets verkeerds doen, en met dàt besef kon ik geen pleizier hebben gehad.”“Maar, Marianne, begin je ook nu nog niet te twijfelen, of je gedrag wel was zooals het behoorde, nu het je reeds zulke uiterst onbescheiden opmerkingen heeft op den hals gehaald?”“Als Mevrouw Jennings’ onbescheiden opmerkingen tot bewijs moeten dienen van onbehoorlijk gedrag, dan doen wij allen ons heele leven lang niet anders dan overtredingen begaan in dat opzicht. Ik geef evenmin om haar afkeuring, als ik zou hechten aan haar lof. Ik zie niet in, dat ik iets verkeerds heb gedaan, door in den tuin van Mevrouw Smith te wandelen, of haar huis te bezien. Beiden zullen eenmaal toebehooren aan Mijnheer Willoughby, en...”“Al zouden ze eenmaal aan jezelf toebehooren, Marianne, dan hadt je nog geen recht, te doen wat je deedt.”Zij bloosde bij die toespeling, doch het was duidelijk te zien, dat deze haar wel behaagde; en naeen minuut of tien ernstig te hebben nagedacht, kwam ze bij haar zuster terug, en zei vriendelijk en vroolijk: “Misschienwashet wel een beetje ondoordacht van mij, Elinor, om mee naar Allenham te gaan; maar Mijnheer Willoughby was er zoo bijzonder op gesteld, mij het buitengoed te vertoonen; en het huis is bijzonder mooi. Boven is er een allerliefste zitkamer, juist de goede grootte, voor dagelijksch gebruik, en met nieuwe meubels zou die verrukkelijk kunnen worden. Het is een hoek-vertrek, met ramen aan twee zijden. Aan den eenen kant heeft men het uitzicht over het grasveld achter het huis, op een prachtig bosch, tegen een helling gelegen, en aan den anderen op de kerk en het dorp, met die mooie, streng omlijnde heuvels er achter, die we zoo dikwijls hebben bewonderd. Ik zag het niet eens op zijn best; want de meubels waren allertreurigst,—maar als het nieuw werd ingericht... Willoughby zegt, dat het met een uitgaaf van eenpaar honderdpond een van de mooiste zomerverblijven in Engeland zou kunnen worden.”Als Elinor naar haar had kunnen luisteren, zonder door de anderen gestoord te worden, dan zou ze alle kamers van het huis met evenveel genoegen hebben beschreven.
Het voorgenomen tochtje naar Whitwell liep heel anders af, dan Elinor had verwacht. Zij had erop gerekend bang op het water, doornat en doodmoe te te zullen zijn; maar het kwam nog ongelukkiger uit; want zij gingen in het geheel niet.
Om tien uur waren allen vergaderd op het Park, waar zij zouden ontbijten. Het weer liet zich vrij goed aanzien, schoon het den geheelen nacht had geregend; want de wolken dreven uiteen, en meermalen vertoonde zich even de zon. Allen waren vroolijk en opgewekt, blij in ’t vooruitzicht van een prettigen dag, en vast voornemens hun pleizier niet te laten bederven door een weinig ongemak of tegenspoed. Aan het ontbijt werden de brieven binnengebracht. Een ervan was voor Kolonel Brandon;—hij nam den brief aan, keek naar het adres, verschoot van kleur, en ging meteen de kamer uit.
“Wat scheelt Brandon?” vroeg Sir John.
Niemand kon het hem zeggen.
“Ik hoop dat hij geen slechte tijding heeft gekregen,” zei Lady Middleton. “Het moet wel iets bijzonders zijn, dat Kolonel Brandon zoo plotseling van mijn ontbijttafel doet opstaan.”
Na een minuut of vijf kwam hij terug.
“Toch geen slecht nieuws, Kolonel?” vroeg Mevrouw Jennings, toen hij binnentrad.
“O neen, mevrouw; in ’t geheel niet.”
“Kwam de brief uit Avignon? Ik hoop toch, dat uwe zuster niet erger is geworden?”
“Neen, mevrouw. De brief kwam uit Londen, ’t was over zaken; anders niet.”
“Maar hoe kon het handschrift u zoo van streek brengen, als het niets dan een brief over zaken was? Neen, neen, Kolonel, zoo komt u er niet af; vertel ons nu maar de waarheid.”
“Maar moeder,” zei Lady Middleton; “bedenk toch wat u zegt.”
“Misschien hebt u bericht gekregen, dat uw nichtje Fanny getrouwd is?” zei Mevrouw Jennings, zonder acht te slaan op haar dochters vermaning.
“Neen, dat was het ook niet.”
“Nu, dàn weet ik, van wie de brief was. En ik hoop dat zij het goed maakt.”
“Wie bedoelt u, mevrouw?” zei hij, met ietwat verhoogde kleur.
“O, u weet best wie ik bedoel.”
“Het spijt mij wel zéér, mevrouw,” hernam hij, zich tot Lady Middleton wendend, “dat ik juist vandaag dien brief moest ontvangen; want hij handelt over zaken, die mijn onmiddellijk vertrek naar Londen noodzakelijk maken.”
“Naar Londen!” riep Mevrouw Jennings. ”“Wat kunt u om dezen tijd van het jaar in de stad hebben te doen?
“Ik zelf verlies veel erdoor,” ging hij voort, “daar ik van zulk aangenaam gezelschap moet afscheid nemen, doch het spijt mij te meer, omdat ik vrees, u zonder mijne tegenwoordigheid geen toegang tot Whitwell te kunnen verschaffen.”
Dat was een slag voor hen allen!
“Maar als u een briefje aan de huishoudster schreef, Mijnheer Brandon,” zei Marianne haastig; “zou dat niet voldoende zijn?”
Hij schudde het hoofd.
“We gaan toch,” zei Sir John. “Het mag niet afspringen, nu we er bijna zijn nog wel. Er zit niet anders op, Brandon, dan dat je morgen naar de stad gaat.”
“Ik wenschte wel dat het zoo gemakkelijk geschiktkon worden. Maar ik kan mijn reis waarlijk geen dag uitstellen.”
“Als u ons maar wilde vertellen, wat die zaak eigenlijkis,” zei Mevrouw Jennings; “dan konden wij er over oordeelen, of het kon uitgesteld worden of niet.”
“Het zou geen zes uren verschil maken,” zei Willoughby, “als u de reis uitstelde tot we terug waren.”
“Ik mag geenuurverliezen.”
Elinor hoorde, hoe Willoughby zachtjes tegen Marianne zei: “Er zijn van die menschen die een hekel hebben aan buitenpartijen. Brandon behoort er ook toe. Hij was zeker bang om kou te vatten, en bedacht er deze uitvlucht op, om eraf te komen. Ik durf er vijftig guinea’s op verwedden, dat hij dien brief zelf geschreven heeft.”
“Natuurlijk,” antwoordde Marianne.
“Men kan je niet overhalen om van meening te veranderen, Brandon; dat weet ik van ouds,” zei Sir John; “als je eenmaal een voornemen hebt opgevat. Maar ik blijf nog hopen, dat je je zult bedenken. Vergeet niet, dat de beide dames Carey ervoor van Newton zijn gekomen, dat de drie dames Dashwood ervoor van huis zijn komen wandelen, en dat Mijnheer Willoughby twee uur vroeger dan gewoonlijk is opgestaan, alles om dat uitstapje naar Whitwell.”
Kolonel Brandon betuigde opnieuw zijn spijt, dat hij het gezelschap moest teleurstellen, maar verklaarde tevens, dat dit onvermijdelijk was.
“Nu, wanneer kom je dan terug?”
“Ik hoop dat we u hier weer te Barton zullen mogen verwelkomen,” voegde Lady Middleton erbij, “zoodra u weer uit Londen kunt vertrekken; we moeten het uitstapje naar Whitwell dan maar uitstellen tot uw terugkomst.”
“Dat is heel vriendelijk van u. Maar het is zóó onzeker, wanneer het mij mogelijk zal zijn terugte keeren, dat ik daaromtrent geen afspraak durf maken.”
“O, maar terugkomen moet en zàl hij,” riep Sir John. “Als hij aan ’t eind van de week niet weer hier is, ga ik hem halen.”
“Ja, doe dat,” zei Mevrouw Jennings; “dan kom je misschien erachter, wat die zaak toch zijn mag.”
“Neen, ik begeer mijn neus niet in andermans-zaken te steken; ’t zal wel iets zijn, waarvoor hij zich schaamt.”
Een bediende kwam zeggen, dat de paarden van den Kolonel gereed waren.
“Je gaat toch niet te paard naar de stad?” vroeg Sir John.
“Neen,—niet verder dan tot Honiton. En dan met de postkoets.”
“Nu, als je besloten bent te gaan, goede reis dan. Maar ik zou mij liever nog eens bedenken.”
“Ik verzeker je, dat het mij niet mogelijk is.”
Hij nam afscheid van het geheele gezelschap.
“Is er geen kans, dat ik u en uw zusters dezen winter in de stad zal ontmoeten, Juffrouw Dashwood?”
“Ik vrees van niet.”
“Dan moet ik afscheid van u nemen voor langer dan mij lief is.”
Voor Marianne boog hij alleen, zonder iets te zeggen.
“Kom, Kolonel,” zei Mevrouw Jennings, “laat ons nu nog eer u heengaat, hooren wat er achter zit.”
Hij zei haar beleefd goedendag en ging, vergezeld door Sir John de kamer uit.
De klachten en verzuchtingen, die de hoffelijkheid tot nu toe had weerhouden, barstten van alle zijden los, en zij waren het steeds weer op nieuw met elkaar eens, dat het afschuwelijk ergerlijk was, zoo te worden teleurgesteld.
“Nu met dat al, ik kan ’t je wel vertellen, wat dat voor zaken zijn”, zei Mevrouw Jennings zegevierend.
“Weet u het, mevrouw?” zeiden bijna allen tegelijk.
“Ja, ’t is natuurlijk iets met Juffrouw Williams.”
“En wie is Juffrouw Williams?” vroeg Marianne.
“Wat? Weet je niet wie Juffrouw Williams is? Je hebt toch stellig al van haar gehoord? Zij is een bloedverwante van den Kolonel, lieve kind, heel na verwant. We zullen maar niet zeggen, hoe na, om den jongen dames geen aanstoot te geven.” Iets zachter zei ze tegen Elinor: “Ze is zijn natuurlijke dochter.”
“Is het waar?”
“O ja; en ze lijkt sprekend op hem. Ik wed dat de Kolonel haar al zijn geld nalaat.”
Toen Sir John terugkwam, stemde hij van harte in met aller uitingen van spijt over het gebeurde; maar besloot met te zeggen, dat zij nu eenmaal allen bijeen waren, en iets moesten doen om de vroolijkheid erin te houden; en na eenig overleg werd men het eens, al mocht de ware vroolijkheid dan ook alleen in Whitwell te vinden zijn geweest, een rijtoer in de omstreken hun althans een behoorlijke mate van voldoening zou verschaffen. De rijtuigen kwamen voor; dat van Willoughby was het eerste, en Marianne had er nog nooit zoo gelukkig uitgezien, als toen zij instapte. Hij reed snel het park door; ze waren spoedig uit het gezicht, en niemand kreeg hen meer te zien tot ze weer kwamen opdagen, niet eer alle anderen reeds weer waren teruggekeerd. Ze waren beiden verrukt over hun rit; maar zeiden alleen dat zij zich aan de boschpaden hadden gehouden, terwijl de anderen de heuvels waren opgegaan.
Er was afgesproken, dat ’s avonds zou worden gedanst, en dat ieder zoo vroolijk zou zijn als de dag lang was. Aan het diner kwamen nog eenige Carey’s, en zij hadden het genoegen met zijn twintigen aan tafel te zitten, ’t geen Sir John veel voldoening schonk. Willoughby nam als gewoonlijk plaatstusschen de beide oudste dames Dashwood. Mevrouw Jennings zat aan Elinor’s rechterhand, en zij hadden nog niet lang aan tafel gezeten toen zij, zich achter haar en Willoughby naar Marianne overbuigend, zeide, luid genoeg dat beiden het konden hooren: “Al ben je nòg zoo loos, ik heb je gesnapt. Ik weet, waar je van morgen geweest bent.” Marianne kreeg een kleur en zei haastig: “Waar dan?” “Wist u niet,” zei Willoughby, “dat we een toertje hadden gedaan samen?”
“Ja, ja, mijnheer Durf-al, dat wist ik heel goed, en ik had het erop gezet, uit te vinden, wáárheen dat toertje geweest was. Ik hoop dat je huis naar je zin was, Marianne. ’t Is verbazend groot, en als ik je daar kom bezoeken, dan denk ik wel, dat je ’t nieuw zult hebben gemeubileerd; want dat had het al noodig toen ik het zag, zes jaar geleden.”
Marianne keek voor zich, verward en verlegen.
Mevrouw Jennings lachte hartelijk, en Elinor hoorde nu, dat zij, vast besloten erachter te komen waar zij geweest waren, Willoughby’s knecht had laten uitvragen door haar eigen kamenier, en langs dien weg was gewaar geworden, dat zij naar Allenham waren geweest, daar geruimen tijd hadden gewandeld in den tuin, en het geheele huis bezichtigd.
Elinor kon bijna niet gelooven, dat dit waar kon zijn, want het leek al zeer onwaarschijnlijk, dat Willoughby zou voorstellen, of Marianne erin toestemmen, het huis binnen te gaan, terwijl Mevrouw Smith er vertoefde, die Marianne volkomen vreemd was.
Zoodra zij de eetkamer verlieten, vroeg Elinor haar zuster wat ervan aan was, en vernam tot haar groote verbazing, dat al wat Mevrouw Jennings had verteld de zuivere waarheid was geweest. Marianne was zelfs heel boos, dat zij eraan getwijfeld had.
“Waarom toch zou je denken, Elinor, dat wenietdaarheen waren gegaan, ofniethet huis hadden bekeken? Heb je dan niet dikwijls zelf gewenscht, dat te kunnen doen?”
“Ja Marianne, maar niet wanneer Mevrouw Smith thuis was, en zonder ander gezelschap dan Mijnheer Willoughby.”
“Mijnheer Willoughby is nu eenmaal de eenige persoon, die het recht heeft, om dat huis te laten zien, en daar er in zijn rijtuig maar plaats was voor twee konden wij onmogelijk anderen meenemen. ’t Was de prettigste dag, dien ik in mijn leven heb doorgebracht.”
“Ik vrees,” zei Elinor, “dat genoegen en gepastheid niet altijd onvermijdelijk samengaan.”
“Integendeel, juist dat genoegen bewijst zijn eigen onschuld; als er werkelijk iets ongepasts was in wat ik deed, dan zou ik dat voortdurend gevoeld hebben; want we weten het altijd als we iets verkeerds doen, en met dàt besef kon ik geen pleizier hebben gehad.”
“Maar, Marianne, begin je ook nu nog niet te twijfelen, of je gedrag wel was zooals het behoorde, nu het je reeds zulke uiterst onbescheiden opmerkingen heeft op den hals gehaald?”
“Als Mevrouw Jennings’ onbescheiden opmerkingen tot bewijs moeten dienen van onbehoorlijk gedrag, dan doen wij allen ons heele leven lang niet anders dan overtredingen begaan in dat opzicht. Ik geef evenmin om haar afkeuring, als ik zou hechten aan haar lof. Ik zie niet in, dat ik iets verkeerds heb gedaan, door in den tuin van Mevrouw Smith te wandelen, of haar huis te bezien. Beiden zullen eenmaal toebehooren aan Mijnheer Willoughby, en...”
“Al zouden ze eenmaal aan jezelf toebehooren, Marianne, dan hadt je nog geen recht, te doen wat je deedt.”
Zij bloosde bij die toespeling, doch het was duidelijk te zien, dat deze haar wel behaagde; en naeen minuut of tien ernstig te hebben nagedacht, kwam ze bij haar zuster terug, en zei vriendelijk en vroolijk: “Misschienwashet wel een beetje ondoordacht van mij, Elinor, om mee naar Allenham te gaan; maar Mijnheer Willoughby was er zoo bijzonder op gesteld, mij het buitengoed te vertoonen; en het huis is bijzonder mooi. Boven is er een allerliefste zitkamer, juist de goede grootte, voor dagelijksch gebruik, en met nieuwe meubels zou die verrukkelijk kunnen worden. Het is een hoek-vertrek, met ramen aan twee zijden. Aan den eenen kant heeft men het uitzicht over het grasveld achter het huis, op een prachtig bosch, tegen een helling gelegen, en aan den anderen op de kerk en het dorp, met die mooie, streng omlijnde heuvels er achter, die we zoo dikwijls hebben bewonderd. Ik zag het niet eens op zijn best; want de meubels waren allertreurigst,—maar als het nieuw werd ingericht... Willoughby zegt, dat het met een uitgaaf van eenpaar honderdpond een van de mooiste zomerverblijven in Engeland zou kunnen worden.”
Als Elinor naar haar had kunnen luisteren, zonder door de anderen gestoord te worden, dan zou ze alle kamers van het huis met evenveel genoegen hebben beschreven.
HoofdstukXIVDe onverwachte afloop van Kolonel Brandon’s bezoek te Barton Park, en zijn volharding in het verbergen van de oorzaak ervan hielden Mevrouw Jennings twee of drie dagen bezig, en vervulden haar met nieuwsgierige verbazing; zij verbaasde zich trouwens druk, zooals ieder wel moet doen, die levendig belangstelt in al het doen en laten van zijn kennissen. Zij bleef zich maar voortdurend afvragen, wat toch wel de reden had kunnen zijn; geloofde stellig dat hij slechte tijding had gekregen, en peinsde over allerlei rampen, die hem hadden kunnen treffen, met het vaste besluit, dat hij niet allen ontsnappen zou.“’t Is bepaald iets héél treurigs,” zei ze. “Ik zag ’t aan zijn gezicht. Die arme man! Ik vrees dat het met zijn geldzaken niet in orde is. Dat landgoed te Delaford heette niet meer dan tweeduizend in het jaar op te brengen, en zijn broer liet het in een treurigen toestand achter. Hij zal bepaald hebben moeten overkomen voor geldzaken; want wat kan ’t anders zijn? Ik ben benieuwd of ’t waar is. Ik zou er alles voor over hebben om erachter te komen. Misschien is het tòch iets met Juffrouw Williams,—ja, dat zal het bepaald geweest zijn, want hij keek zoo verlegen, toen ik haar naam noemde. Misschien ligt ze ziek in Londen; dat is héél waarschijnlijk, want ik meen gehoord te hebben, dat ze zwak van gestel is. Ik durf er alles om verwedden, dat het Juffrouw Williams betrof. ’t Is niet te verwachten eigenlijk, dat hijnuin geldverlegenheid zou zijn; want hij is heel voorzichtig, en dat goed van hem zal nu wel vrij zijn van schulden.Wàt het toch zijn kan! Misschien is zijn zuster te Avignon erger geworden en heeft hem gevraagd om over te komen. Men zou het haast denken, door die haast die hij maakte om weg te komen. Nu, ik hoop van harte, dat hij al dat verdriet gauw te boven komt en een goede vrouw krijgt op den koop toe.”Zoo bleef Mevrouw Jennings praten en benieuwd zijn; haar vermoedens wisselden met elke nieuwe gissing, en alle schenen beurtelings even waarschijnlijk. Hoewel het welzijn van Kolonel Brandon Elinor werkelijk ter harte ging, kon zij zich niet zóó uitermate verbazen over zijn plotseling vertrek, als Mevrouw Jennings van haar verlangde; want behalve dat die omstandigheid haar niet gewichtig genoeg scheen, om zulk een onuitputtelijke verwondering en zulk een verscheidenheid van gissingen te rechtvaardigen, haar eigen bevreemding werd door iets anders gewekt. Die bevreemding gold het onverklaarbaar stilzwijgen van haar zuster en Willoughby omtrent een onderwerp, welks belangrijkheid in aller oogen hun niet kon ontgaan. Naarmate dit zwijgen duurde, scheen het van dag tot dag vreemder en minder in overeenstemming met beider gezindheid. Waarom zij niet openlijk zouden erkennen, tegenover haar moeder en haarzelve, wat hun houding tegenover elkander voortdurend bewees, kon Elinor zich niet voorstellen. Dat zij niet onmiddellijk konden trouwen, begreep zij zeer goed; want hoewel Willoughby onafhankelijk was, bestond er toch geen reden om hem zeer vermogend te achten. Sir John schatte de opbrengst van zijn bezitting op zes of zevenhonderd pond in het jaar; maar hij leefde op een voet, waarvoor dat inkomen nauwelijks toereikend kon zijn, en had zich dikwijls zelf beklaagd over zijn armoede. Doch voor de vreemde geheimzinnigheid, die zij in acht namen betreffende hun verloving, een geheimzinnig doen, dat feitelijk niets verborg,kon zij geen reden vinden; en het was zoo volkomen in tegenspraak met hun algemeene opvatting en handelwijze, dat zij soms begon te twijfelen of zij wel werkelijk verloofd waren; en die twijfel was voldoende om haar te weerhouden van een rechtstreeksche vraag, tot Marianne gericht. Niets kon duidelijker blijk geven van oprechte genegenheid voor hen allen dan Willoughby’s gedrag. Tegenover Marianne was het vol van die uitsluitende teederheid, die het hart van een minnaar vermag te schenken, en de overige leden van het gezin werden door hem behandeld met de hartelijke voorkomendheid van een zoon en een broeder. Hun huisje scheen hij te beschouwen en lief te hebben als een eigen thuis; hij bracht bij hen veel meer van zijn tijd door dan te Allenham; en als geen gezellige bijeenkomst hen allen vergaderde te Barton Park, dan richtte hij zijn geregelden morgenrit bijna zonder uitzondering dáárheen, waar hij het overige gedeelte van den dag sleet aan Marianne’s zijde, met zijn geliefkoosden jachthond aan hare voeten.Op een zekeren avond, ongeveer een week nadat Kolonel Brandon naar Londen was vertrokken, scheen zijn hart meer dan ooit open te staan voor alle gevoelens, die hem innig deden hechten aan de omringende omgeving, en toen Mevrouw Dashwood toevallig melding maakte van haar voornemen om het huisje in het voorjaar te laten opknappen, verzette hij zich met nadruk tegen elke verandering van een verblijf, dat zijn genegenheid hem eens voor al volmaakt had doen schijnen.“Wat!” riep hij uit, “verbeteringen aanbrengen in dit aardige huisje? Neen—daartoe geefiknooit mijn toestemming. Geen steen moet aan zijn muren, geen duim aan zijn afmetingen worden toegevoegd, als u mijn gevoelens wenscht te ontzien.”“Wees maar niet bang,” zei Elinor; “er gebeurt niets van; want mama zal nooit geld genoeg hebben om het te durven ondernemen.”“Daar ben ik blij om,” riep hij uit. “’t Was beter dat uw moeder altoos arm bleef, als zij haar rijkdom niet beter dan zóó wist te gebruiken.”“Dank voor dien wensch, Willoughby,” zei Mevrouw Dashwood. “Maar je moogt gerust gelooven, dat ik nooit eenig gevoel van gehechtheid aan deze plek, gekoesterd door wien ook, dien ik liefheb, zou willen kwetsen, terwille van alle verbeteringen ter wereld. Vertrouw maar stellig, dat ik, al hield ik ook nog zulk een groote som over bij ’t opmaken van mijn budget in het voorjaar, die liever ongebruikt zou laten liggen, dan erover te beschikken op een wijze, die je zoo zou grieven. Maar ben je werkelijk zóó aan dit huis gehecht, dat je er geen gebreken in kunt zien?”“Ja waarlijk,” zei hij. “In mijn oogen is het volmaakt. Méér dan dat; ik beschouw het als het eenig verblijf, waarin voor mij geluk denkbaar is, en als ik rijk was, dan liet ik dadelijk Combe afbreken, en opnieuw bouwen als de getrouwe kopie van dit landhuisje.”“Met een smalle donkere trap en een rookenden keukenschoorsteen,” zei Elinor.“Ja zeker,” riep hij, even opgewonden als te voren, “met al wat er bij behoort; in geen enkel opzicht, ’t zij gunstig ofongunstig, moest ook maar de geringste afwijking zijn te bespeuren. Dan, en dàn alleen, onder zulk een dak, zou ik misschien te Combe even gelukkig zijn, als ik te Barton geweest ben.”“Ik durf wel hopen,” antwoordde Elinor, “dat je, ook ondanks het bezwaar van ruimere kamers en een breedere trap, later je eigen huis even onverbeterlijk zult gaan vinden, als thans het onze.”“Zeer zeker zijn er omstandigheden,” zeide Willoughby, “waaronder het mij zeer dierbaar zou kunnen worden, doch dit huis zal altoos één recht op mijne genegenheid kunnen doen gelden, waarin geen ander verblijf ooit deelen kan.”Mevrouw Dashwood wierp een verheugden blik naar Marianne, wier mooie oogen Willoughby aanzagen met een uitdrukking, die duidelijk te kennen gaf, hoe goed zij hem begreep.“Hoe menigmaal wenschte ik,” ging hij voort, “toen ik, nu een jaar geleden, te Allenham logeerde, dat Barton Cottage toch bewoond mocht worden! Ik kwam er nooit voorbij, zonder de ligging te bewonderen, en spijt te gevoelen, dat niemand daarvan genoot. Hoe weinig dacht ik toen, dat het eerste, wat Mevrouw Smith mij zou mededeelen, toen ik weer in deze streek terugkwam, het nieuws zou zijn, dat Barton Cottage was verhuurd! en ik voelde dadelijk een zekere voldoening en belangstelling bij dat bericht, die ik slechts kan toeschrijven aan een soort voorgevoel van het geluk, dat mij ten deel zou vallen door die gebeurtenis. Zou dat niet de reden geweest zijn, Marianne?” liet hij er, zachter tot haar sprekend, op volgen. Daarop ging hij luider voort: “Endithuis zoudt u willen bederven, Mevrouw? U zoudt het zijn eenvoud willen ontnemen door een denkbeeldige verfraaiing? en deze dierbare huiskamer, waarin onze kennismaking begon, en waarin wij zoovele gelukkige uren tezamen hebben doorgebracht, zoudt u willen vernederen tot den staat van een gewonen toegang, zoodat iedere binnentredende zich haasten zou, het vertrek te verlaten, dat tot nu toe meer ware gezelligheid en behagen in zich omsloten hield, dan enige zaal van indrukwekkende afmetingen ons ooit zou kunnen aanbieden?”Mevrouw Dashwood verzekerde hem opnieuw dat geenerlei verandering van dien aard zou worden ondernomen.“Dat is lief van u,” antwoordde hij met warmte. “Uwe belofte stelt mij gerust. Strek uwe goedheid nog een weinig verder uit, en u zult mij gelukkig maken. Beloof mij, dat niet alleen uw huis zal blijven zooals het is; maar dat ik u en de uwen even onveranderdzal blijven vinden als uwe woning, en dat u mij steeds zult beschouwen met die vriendelijke gezindheid, die u en uwe geheele omgeving mij zoo dierbaar worden deed.”Die belofte werd gaarne gegeven, en Willoughby’s stemming gedurende den geheelen avond legde getuigenis af van zijn genegenheid en zijn geluk. “Zullen we je morgenmiddag aan tafel zien?” vroeg Mevrouw Dashwood bij het afscheid. “Ik reken niet op een morgenbezoek; want wij moeten naar Barton Park wandelen, om een visite te maken bij Lady Middleton.”Hij beloofde om vier uur bij hen te zullen zijn.
De onverwachte afloop van Kolonel Brandon’s bezoek te Barton Park, en zijn volharding in het verbergen van de oorzaak ervan hielden Mevrouw Jennings twee of drie dagen bezig, en vervulden haar met nieuwsgierige verbazing; zij verbaasde zich trouwens druk, zooals ieder wel moet doen, die levendig belangstelt in al het doen en laten van zijn kennissen. Zij bleef zich maar voortdurend afvragen, wat toch wel de reden had kunnen zijn; geloofde stellig dat hij slechte tijding had gekregen, en peinsde over allerlei rampen, die hem hadden kunnen treffen, met het vaste besluit, dat hij niet allen ontsnappen zou.
“’t Is bepaald iets héél treurigs,” zei ze. “Ik zag ’t aan zijn gezicht. Die arme man! Ik vrees dat het met zijn geldzaken niet in orde is. Dat landgoed te Delaford heette niet meer dan tweeduizend in het jaar op te brengen, en zijn broer liet het in een treurigen toestand achter. Hij zal bepaald hebben moeten overkomen voor geldzaken; want wat kan ’t anders zijn? Ik ben benieuwd of ’t waar is. Ik zou er alles voor over hebben om erachter te komen. Misschien is het tòch iets met Juffrouw Williams,—ja, dat zal het bepaald geweest zijn, want hij keek zoo verlegen, toen ik haar naam noemde. Misschien ligt ze ziek in Londen; dat is héél waarschijnlijk, want ik meen gehoord te hebben, dat ze zwak van gestel is. Ik durf er alles om verwedden, dat het Juffrouw Williams betrof. ’t Is niet te verwachten eigenlijk, dat hijnuin geldverlegenheid zou zijn; want hij is heel voorzichtig, en dat goed van hem zal nu wel vrij zijn van schulden.Wàt het toch zijn kan! Misschien is zijn zuster te Avignon erger geworden en heeft hem gevraagd om over te komen. Men zou het haast denken, door die haast die hij maakte om weg te komen. Nu, ik hoop van harte, dat hij al dat verdriet gauw te boven komt en een goede vrouw krijgt op den koop toe.”
Zoo bleef Mevrouw Jennings praten en benieuwd zijn; haar vermoedens wisselden met elke nieuwe gissing, en alle schenen beurtelings even waarschijnlijk. Hoewel het welzijn van Kolonel Brandon Elinor werkelijk ter harte ging, kon zij zich niet zóó uitermate verbazen over zijn plotseling vertrek, als Mevrouw Jennings van haar verlangde; want behalve dat die omstandigheid haar niet gewichtig genoeg scheen, om zulk een onuitputtelijke verwondering en zulk een verscheidenheid van gissingen te rechtvaardigen, haar eigen bevreemding werd door iets anders gewekt. Die bevreemding gold het onverklaarbaar stilzwijgen van haar zuster en Willoughby omtrent een onderwerp, welks belangrijkheid in aller oogen hun niet kon ontgaan. Naarmate dit zwijgen duurde, scheen het van dag tot dag vreemder en minder in overeenstemming met beider gezindheid. Waarom zij niet openlijk zouden erkennen, tegenover haar moeder en haarzelve, wat hun houding tegenover elkander voortdurend bewees, kon Elinor zich niet voorstellen. Dat zij niet onmiddellijk konden trouwen, begreep zij zeer goed; want hoewel Willoughby onafhankelijk was, bestond er toch geen reden om hem zeer vermogend te achten. Sir John schatte de opbrengst van zijn bezitting op zes of zevenhonderd pond in het jaar; maar hij leefde op een voet, waarvoor dat inkomen nauwelijks toereikend kon zijn, en had zich dikwijls zelf beklaagd over zijn armoede. Doch voor de vreemde geheimzinnigheid, die zij in acht namen betreffende hun verloving, een geheimzinnig doen, dat feitelijk niets verborg,kon zij geen reden vinden; en het was zoo volkomen in tegenspraak met hun algemeene opvatting en handelwijze, dat zij soms begon te twijfelen of zij wel werkelijk verloofd waren; en die twijfel was voldoende om haar te weerhouden van een rechtstreeksche vraag, tot Marianne gericht. Niets kon duidelijker blijk geven van oprechte genegenheid voor hen allen dan Willoughby’s gedrag. Tegenover Marianne was het vol van die uitsluitende teederheid, die het hart van een minnaar vermag te schenken, en de overige leden van het gezin werden door hem behandeld met de hartelijke voorkomendheid van een zoon en een broeder. Hun huisje scheen hij te beschouwen en lief te hebben als een eigen thuis; hij bracht bij hen veel meer van zijn tijd door dan te Allenham; en als geen gezellige bijeenkomst hen allen vergaderde te Barton Park, dan richtte hij zijn geregelden morgenrit bijna zonder uitzondering dáárheen, waar hij het overige gedeelte van den dag sleet aan Marianne’s zijde, met zijn geliefkoosden jachthond aan hare voeten.
Op een zekeren avond, ongeveer een week nadat Kolonel Brandon naar Londen was vertrokken, scheen zijn hart meer dan ooit open te staan voor alle gevoelens, die hem innig deden hechten aan de omringende omgeving, en toen Mevrouw Dashwood toevallig melding maakte van haar voornemen om het huisje in het voorjaar te laten opknappen, verzette hij zich met nadruk tegen elke verandering van een verblijf, dat zijn genegenheid hem eens voor al volmaakt had doen schijnen.
“Wat!” riep hij uit, “verbeteringen aanbrengen in dit aardige huisje? Neen—daartoe geefiknooit mijn toestemming. Geen steen moet aan zijn muren, geen duim aan zijn afmetingen worden toegevoegd, als u mijn gevoelens wenscht te ontzien.”
“Wees maar niet bang,” zei Elinor; “er gebeurt niets van; want mama zal nooit geld genoeg hebben om het te durven ondernemen.”
“Daar ben ik blij om,” riep hij uit. “’t Was beter dat uw moeder altoos arm bleef, als zij haar rijkdom niet beter dan zóó wist te gebruiken.”
“Dank voor dien wensch, Willoughby,” zei Mevrouw Dashwood. “Maar je moogt gerust gelooven, dat ik nooit eenig gevoel van gehechtheid aan deze plek, gekoesterd door wien ook, dien ik liefheb, zou willen kwetsen, terwille van alle verbeteringen ter wereld. Vertrouw maar stellig, dat ik, al hield ik ook nog zulk een groote som over bij ’t opmaken van mijn budget in het voorjaar, die liever ongebruikt zou laten liggen, dan erover te beschikken op een wijze, die je zoo zou grieven. Maar ben je werkelijk zóó aan dit huis gehecht, dat je er geen gebreken in kunt zien?”
“Ja waarlijk,” zei hij. “In mijn oogen is het volmaakt. Méér dan dat; ik beschouw het als het eenig verblijf, waarin voor mij geluk denkbaar is, en als ik rijk was, dan liet ik dadelijk Combe afbreken, en opnieuw bouwen als de getrouwe kopie van dit landhuisje.”
“Met een smalle donkere trap en een rookenden keukenschoorsteen,” zei Elinor.
“Ja zeker,” riep hij, even opgewonden als te voren, “met al wat er bij behoort; in geen enkel opzicht, ’t zij gunstig ofongunstig, moest ook maar de geringste afwijking zijn te bespeuren. Dan, en dàn alleen, onder zulk een dak, zou ik misschien te Combe even gelukkig zijn, als ik te Barton geweest ben.”
“Ik durf wel hopen,” antwoordde Elinor, “dat je, ook ondanks het bezwaar van ruimere kamers en een breedere trap, later je eigen huis even onverbeterlijk zult gaan vinden, als thans het onze.”
“Zeer zeker zijn er omstandigheden,” zeide Willoughby, “waaronder het mij zeer dierbaar zou kunnen worden, doch dit huis zal altoos één recht op mijne genegenheid kunnen doen gelden, waarin geen ander verblijf ooit deelen kan.”
Mevrouw Dashwood wierp een verheugden blik naar Marianne, wier mooie oogen Willoughby aanzagen met een uitdrukking, die duidelijk te kennen gaf, hoe goed zij hem begreep.
“Hoe menigmaal wenschte ik,” ging hij voort, “toen ik, nu een jaar geleden, te Allenham logeerde, dat Barton Cottage toch bewoond mocht worden! Ik kwam er nooit voorbij, zonder de ligging te bewonderen, en spijt te gevoelen, dat niemand daarvan genoot. Hoe weinig dacht ik toen, dat het eerste, wat Mevrouw Smith mij zou mededeelen, toen ik weer in deze streek terugkwam, het nieuws zou zijn, dat Barton Cottage was verhuurd! en ik voelde dadelijk een zekere voldoening en belangstelling bij dat bericht, die ik slechts kan toeschrijven aan een soort voorgevoel van het geluk, dat mij ten deel zou vallen door die gebeurtenis. Zou dat niet de reden geweest zijn, Marianne?” liet hij er, zachter tot haar sprekend, op volgen. Daarop ging hij luider voort: “Endithuis zoudt u willen bederven, Mevrouw? U zoudt het zijn eenvoud willen ontnemen door een denkbeeldige verfraaiing? en deze dierbare huiskamer, waarin onze kennismaking begon, en waarin wij zoovele gelukkige uren tezamen hebben doorgebracht, zoudt u willen vernederen tot den staat van een gewonen toegang, zoodat iedere binnentredende zich haasten zou, het vertrek te verlaten, dat tot nu toe meer ware gezelligheid en behagen in zich omsloten hield, dan enige zaal van indrukwekkende afmetingen ons ooit zou kunnen aanbieden?”
Mevrouw Dashwood verzekerde hem opnieuw dat geenerlei verandering van dien aard zou worden ondernomen.
“Dat is lief van u,” antwoordde hij met warmte. “Uwe belofte stelt mij gerust. Strek uwe goedheid nog een weinig verder uit, en u zult mij gelukkig maken. Beloof mij, dat niet alleen uw huis zal blijven zooals het is; maar dat ik u en de uwen even onveranderdzal blijven vinden als uwe woning, en dat u mij steeds zult beschouwen met die vriendelijke gezindheid, die u en uwe geheele omgeving mij zoo dierbaar worden deed.”
Die belofte werd gaarne gegeven, en Willoughby’s stemming gedurende den geheelen avond legde getuigenis af van zijn genegenheid en zijn geluk. “Zullen we je morgenmiddag aan tafel zien?” vroeg Mevrouw Dashwood bij het afscheid. “Ik reken niet op een morgenbezoek; want wij moeten naar Barton Park wandelen, om een visite te maken bij Lady Middleton.”
Hij beloofde om vier uur bij hen te zullen zijn.
Hoofdstuk XVHet bezoek van Mevrouw Dashwood bij Lady Middleton had den volgenden dag plaats, en twee van hare dochters vergezelden haar; doch Marianne wilde liever niet medegaan, en verontschuldigde zich op grond van een onbeduidend voorwendsel. Haar moeder, die hier uit opmaakte, dat Willoughby den avond te voren beloofd had, haar te zullen opzoeken gedurende hunne afwezigheid, had er niets op tegen, dat zij tehuis bleef.Bij hun terugkomst van Barton Park zagen zij Willoughby’s rijtuig en zijn bediende vóór het huis staan wachten, en Mevrouw Dashwood begreep, dat haar vermoeden bewaarheid was. Tot dusver ging alles, zooals zij verwacht had; maar toen zij het huis binnentrad, aanschouwde zij, wat geen vooruitziende schranderheid haar had kunnen doen voorzien. Juist toen zij de voordeur ingingen, zagenzij Marianne haastig uit de huiskamer komen, blijkbaar bitter bedroefd, met haar zakdoek voor de oogen, en zonder op hen te letten, de trap oploopen. Verwonderd en verschrikt gingen zij aanstonds de kamer binnen, die zij pas verlaten had, en vonden er niemand dan Willoughby, die tegen den schoorsteenmantel geleund stond, met den rug naar hen toegekeerd. Hij wendde zich om, toen zij binnenkwamen, en zijn gelaat vertoonde ten duidelijkste de sporen eener even heftige aandoening, als die, welke Marianne had overmeesterd.“Scheelt haar iets?” riep Mevrouw Dashwood reeds op den drempel; “is zij niet wel?”“Ik hoop het niet,” antwoordde hij, met een poging om vroolijk te kijken, en na een oogenblik liet hij er met een gedwongen glimlach op volgen: “Het zou zoo vreemd niet zijn, wanneer ikzelf mij onwel gevoelde; want ik ga op het oogenblik gebukt onder een grievende teleurstelling!”“Teleurstelling!”“Ja; want het is mij niet mogelijk, mij te houden aan onze afspraak. Mevrouw Smith heeft van morgen het overwicht van haar rijkdom doen gelden tegenover een armen afhankelijken bloedverwant door mij voor zaken naar Londen te zenden. Ik heb zooeven mijn opdrachten in ontvangst genomen, en Allenham vaarwel gezegd; en bij wijze van vertroosting ben ik nu komen afscheid nemen van u.”“Naar Londen!—en ga je vandaag nog?”“’t Is bijna reeds mijn tijd.”“Dat treft wel ongelukkig. Maar je moet doen, wat Mevrouw Smith verlangt;—en haar opdracht zal je toch, hoop ik, niet lang van ons verwijderd houden.”Hij kreeg een kleur, terwijl hij antwoordde: “U bent wel vriendelijk, maar het is niet mijn bedoeling, zoo spoedig terug te keeren naar Devonshire. Mijn bezoeken bij Mevrouw Smith worden nooit herhaald binnen het jaar.”“En is Mevrouw Smith dan je eenige vriendin? Is Allenham het eenige huis hier in de buurt, waar je welkom zoudt zijn? Foei, Willoughby. Acht je je verplicht een uitnoodiging van mijne zijde af te wachten?”Hij bloosde nog dieper, en zei alleen met neergeslagen oogen: “U bent waarlijk te goed.”Mevrouw Dashwood zag Elinor verbaasd aan. Elinor was niet minder verwonderd. Een korte poos bewaarden allen het stilzwijgen. Mevrouw Dashwood was de eerste, die sprak.“Ik kan alleen herhalen, mijn waarde Willoughby,” zeide zij, “dat ge altijd welkom zult zijn in Barton Cottage; want ik wil niet aandringen op uw spoedige terugkomst hier; daar ge zelf alleen kunt beoordeelen, in hoeverre die Mevrouw Smith aangenaam zou zijn; en op dat punt ben ik evenmin geneigd uw oordeel te wantrouwen, als ik gezind ben twijfel te koesteren omtrent uw eigen wenschen.”“Voorloopig,” antwoordde Willoughby verward, “zijn mijn verplichtingen van dien aard... dat... ik durf niet hopen...”Hij zweeg. Mevrouw Dashwood kon van verbazing geen woorden vinden, en weer volgde er stilte. Willoughby verbrak het zwijgen door met een flauwen glimlach te zeggen: “’t Is dwaasheid, nog langer zoo te blijven dralen. Ik wil mijzelf niet verder kwellen, door een samenzijn met vrienden, in wier gezelschap ik thans onmogelijk behagen scheppen kan.”Hij nam haastig van hen allen afscheid en verliet het vertrek. Zij zagen hem in zijn rijtuig stappen en een oogenblik later verdween het uit hun gezicht. Mevrouw Dashwood was te bewogen om haar gevoel in woorden te uiten, en ging de kamer uit, om in eenzaamheid zich over te geven aan de gevoelens van droefheid en zorg, veroorzaakt door dit plotseling vertrek.Elinor was niet minder ongerust dan haarmoeder. Het daareven gebeurde vervulde haar met angst en wantrouwen. Willoughby’s houding bij het afscheid, zijn verwarring en zijn voorgewende vroolijkheid maar vooral zijn blijkbare ongeneigdheid om haar moeders uitnoodiging aan te nemen, een terughouding, zóó vreemd in een minnaar,—in iemand als hij, dat alles wekte in de hoogste mate haar bezorgdheid. Het eene oogenblik vreesde zij, dat van zijn kant nooit eenig ernstig plan had bestaan; en dan weer dacht zij, dat tusschen hem en haar zuster misschien iets onaangenaams was voorgevallen; Marianne’s droefheid, toen zij uit de kamer kwam, had zéér goed het gevolg van een heftigen twist kunnen zijn; en toch wanneer zij bedacht, hoe Marianne hem liefhad, scheen twist tusschen hen haar bijna iets onmogelijks.Doch onder welke omstandigheden dan ook hunne scheiding mocht hebben plaats gehad; aan de diepe droefheid van haar zuster viel niet te twijfelen, en zij dacht met innig medelijden aan de heftige smart, waarin Marianne zeer waarschijnlijk thans niet slechts verlichting zocht en vond, doch die zij het haar plicht zou achten aan te wakkeren en te verlevendigen.Na een half uurtje kwam haar moeder terug, en hoewel haar oogen beschreid waren, keek zij toch niet bedrukt.“Nu is onze beste Willoughby al een paar mijlen ver van Barton, Elinor,” zei ze, terwijl zij haar werk opnam en ging zitten; “en met welk een bezwaard gemoed is hij op reis gegaan!”“’t Is alles even vreemd. Zoo plotseling vertrokken! Het schijnt wel het werk van één oogenblik. Wat was hij gisteravond nog gelukkig in ons bijzijn, en zoo hartelijk, zoo vroolijk!—En nu, na slechts tien minuten voorbereiding, is hij weg—niet voornemens terug te keeren? Er moet meer zijn voorgevallen dan hij ons heeft willen bekennen. Hij sprak niet als anders; hij was zichzelf niet.Umoet dat verschil even goed hebben opgemerkt als ik. Wat kan het zijn? Een twist tusschen hen beiden? Waarom zou hij anders zoo ongeneigd zijn gebleken om uwe uitnoodiging aan te nemen?”“’t Was niet, omdat hij het niet wenschte, Elinor! Dàt zag ik duidelijk genoeg. Het stond niet in zijn macht. Ik heb over alles goed nagedacht, dat verzeker ik je, en ik begrijp nu volkomen alles, wat mij eerst even vreemd scheen als jou.”“Werkelijk, mama?”“Ja.Ikvoor mij ben tot een heel bevredigende slotsom gekomen;—maar jij, Elinor, die bij voorkeur twijfelt, als je daar kans toe ziet...jouzal die niet voldoen, dat weet ik wel; al zal jemijnvertrouwen erin niet kunnen wegpraten. Ik ben vast overtuigd, dat Mevrouw Smith zijn genegenheid voor Marianne vermoedt; dat zij die afkeurt—misschien omdat zij andere plannen met hem heeft en daarom erop gesteld is, hem uit den weg te krijgen; die zaak, die hij voor haar moet regelen en waarvoor ze hem wegzendt, is natuurlijk maar een voorwendsel, dat zij bedacht heeft. Zoo stel ik mij het gebeurde voor. Daarbij komt dit: hijweet, dat zij die verbintenis niet goedkeurt; hij durft haar dus op het oogenblik niet bekennen, dat hij met Marianne is verloofd, en in zijn afhankelijke positie, voelt hij zich verplicht, op haar plannen in te gaan, en Devonshire voor eenigen tijd te verlaten. Ik weet het wel, je zult zeggen: dat alles kàn, en kan óóknietgebeurd zijn; maar ik luister naar géén tegenwerping eer je mij een andere manier aan de hand doet, om de zaak zóó gunstig uit te leggen. En wat heb je daar nu op te zeggen?”“Niets, mama; want u hebt mijn antwoord reeds vooraf verwacht en uitgesproken.”“Dus je zoudt gezegd hebben: het kan evengoednietals wèl zoo zijn geweest. O Elinor, wat zijn je gevoelens toch onbegrijpelijk! Je zoudt liever kwaad gelooven dan goed. Je zoudt lieverzoekennaar verdriet voor Marianne, en schuld van dien armen Willoughby, dan naar verontschuldiging voor zijn gedrag. Jeverkiesthem nu eenmaal schuldig te achten omdat hij bij het afscheid van ons niet zoo hartelijk scheen als gewoonlijk. En is er dan geen verschooning te vinden in een zekere verstrooidheid en neerslachtigheid, veroorzaakt door de pas ondervonden teleurstelling? Zal geen enkele mogelijkheid overwogen mogen worden, enkel en alleen omdat zij geen zekerheid is? Zijn wij niets verplicht aan den man, dien wij om zoo goede reden liefhebben, en die ons niet de geringste aanleiding gaf tot verdenking? Mag dan de mogelijkheid niet worden aangenomen van beweegredenen, volkomen gegrond op zich zelf, doch die voorloopig onvermijdelijk verborgen moeten blijven? En, wat is het, per slot van rekening, waarvan je hem verdenkt?”“Dat kan ik u eigenlijk zelf niet zeggen. Maar het vermoeden van iets onaangenaams is ’t onvermijdelijk gevolg van een verandering, zooals wij die daareven in hem hebben waargenomen. Er is echter veel waars in wat u zegt omtrent de overwegingen te zijnen gunste, die wij moeten laten gelden, en ik wensch werkelijk eerlijk te zijn in mijn oordeel over iedereen. Willoughby kàn ongetwijfeld zeer voldoende redenen hebben voor zijn gedrag, en ik hoop, dat dit het geval is. Maar het zou toch meer iets voor hem zijn geweest, die openlijk te erkennen. Geheimzinnigheid mag raadzaam zijn; maar ik kan niet nalaten mij te verwonderen, dat juist hij die betracht.”“Je moogt hem geen verwijt maken van ontrouw aan zichzelf, waar die afwijking noodzakelijk is. Maar je geeft dus werkelijk toe, dat ik gelijk had, in wat ik tot zijn verdediging aanvoerde?—daar ben ik blij om—dan gaat hij vrij uit.”Niet geheel en al. Het kan raadzaam zijn, hun verloving—(àls ze verloofd zijn,)—geheim tehouden voor Mevrouw Smith,—en als dat het geval is, dan is het natuurlijk zéér noodig, dat Willoughby thans slechts zelden in Devonshire gezien wordt. Maar dit is nog geen reden om die verloving te verbergen voor òns.”“Verbergen voor òns? maar lieve kind, beschuldig je Willoughby en Marianne van achterhoudendheid op dat punt? Dàt is wel vreemd, terwijl je blikken hun dag aan dag een verwijt maakten van hun gebrek aan voorzichtigheid.”“Van hun genegenheid heb ik geen bewijs meer noodig,” zei Elinor, “maar van hun verloofd zijn wèl.”“Ik ben omtrent beide punten volkomen gerust.”“En toch is er door geen van hen beiden één woord tegenover u gerept van dat onderwerp.”“Ik had geen woorden noodig; hun daden spraken voor mij duidelijk genoeg. Bewees niet zijn houding jegens Marianne en ons allen, in de laatste weken, dat hij haar liefhad en als zijn aanstaande vrouw beschouwde, en dat hij ons de genegenheid toedroeg die men koestert voor zijn naaste verwanten? Hebben wij elkaar niet volkomen begrepen? Vroeg hij niet dagelijks mijne toestemming, door zijn blik, zijn houding, zijn oplettende en eerbiedige voorkomendheid? Mijn beste Elinor, is het mogelijk dat je hun verloving in twijfel trekt? Hoe kon die gedachte bij je opkomen? Hoe kan je veronderstellen, dat Willoughby, overtuigd als hij moet zijn van je zuster’s liefde, haar zou verlaten, voor maanden achtereen misschien, zonder haar zijn gevoel te openbaren;—dat ze zouden scheiden zonder elkaar wederzijdsch vertrouwen te hebben geschonken?”“Ik geef toe,” antwoordde Elinor, “dat alle omstandigheden, op één na, spreken ten gunste van hun verloving; maar die ééne is het volslagen stilzwijgen, door beiden daaromtrent bewaard, en voor mij weegt die eene tegen bijna alle andere op.”“Wat is dat vreemd. Je moet wel slecht over Willoughby denken, wanneer je, na al wat tusschen hen is voorgevallen, nog kunt twijfelen aan den aard van hun onderlinge verhouding. Dus hij sou al dien tijd tegenover je zuster een rol hebben gespeeld? Denk je dat hij in zijn hart onverschillig haar is?”“Neen, dat kàn ik niet denken. Hij moet haar liefhebben, en dat doet hij; daaraan twijfel ik niet”.“Een vreemd soort van teederheid is dat dan toch, die hem toestaat haar te verlaten, zoo onverschillig, zoo onbezorgd omtrent de toekomst, als je denkt, dat hij doet.”“U moet niet vergeten, mama, dat ik de zaak nooit als zeker beschouwde. Ik beken, dat ik wel eens twijfel heb gekoesterd. Die twijfel is echter reeds verminderd en zal misschien spoedig geheel verdwijnen. Als het blijkt, dat zij in briefwisseling zijn, dan ben ik niet bang meer.”“Je bent wèl toegevend, moet ik zeggen! Als je hen voor het altaar zaagt staan, dan zou je nog denken, dat zemisschienwel gingen trouwen. ’t Is een leelijke trek in je.—Maar zulke bewijzen hebikniet noodig. In mijn oogen is er niets gebeurd, dat twijfel rechtvaardigde; tot verbergen werd geen poging gedaan; alles ging volkomen open en zonder terughouding in zijn werk. Aan je zuster’s wenschen kan je niet twijfelen. ’t Is dus Willoughby, dien je verdenkt. En waarom? Is hij niet gevoelig en een man van eer? Gaf hij ons door onstandvastigheid reden tot zorg en vrees? Zou hij bedriegelijk kunnen zijn?”“Ik geloof van niet; ik geloof van niet,” riep Elinor. “Ik houd van Willoughby; ik houd oprecht van hem; en twijfel aan de zuiverheid van zijn karakter doet mijzelve niet minder pijn dan u. Tegen mijn wil is die twijfel gerezen, en ik wil dat gevoel niet aanmoedigen. Ik beken, dat ik schrikte van morgen, door die verandering in zijn houding; hijsprak niet zooals van hem te verwachten viel, en bleef onhartelijk tegenover uw vriendelijkheid. Maar dat alles laat zich verklaren door de omstandigheden, die u als waar veronderstelt. Hij had pas afscheid genomen van Marianne, had haar zien gaan, wanhopig bedroefd; en als hij zich verplicht achtte, uit vrees Mevrouw Smith te ergeren, de verleiding te weerstaan om hier spoedig terug te keeren, terwijl hij toch wist, door het weigeren van uwe uitnoodiging, door te zeggen dat hij voor langen tijd afscheid nam, tegenover ons gezin den schijn op zich te laden van illoyaal en zonderling gedrag, dan had hij waarlijk wel reden verlegen en verward te zijn. Onder die omstandigheden zou een eenvoudige en openhartige uiteenzetting van zijn moeilijkheden hem meer tot eer hebben gestrekt, en mijns inziens meer hebben gestrookt met zijn aard en aanleg; maar ik zal niemand zijn gedrag verwijten, wegens zoo enghartige redenen als een verschil in zienswijze met mijzelve, of eene afwijking van watikals goed en redelijk beschouw.”“Nu spreek je, zooals het behoort. Willoughby verdient waarlijk niet beschouwd te worden met achterdocht. Al kennenwijhem nog niet lang; hij is hier geen vreemdeling; en wie heeft ooit iets te zijnen nadeele gezegd? Hadden zijn omstandigheden hem veroorloofd, zelfstandig op te treden en onmiddellijk te huwen, dan had het vreemd kunnen schijnen, dat hij ons verliet, zonder mij alles thans reeds te bekennen; doch dit is niet het geval. Het is een verloving, die in sommige opzichten geen voorspoedig begin heeft gehad, want de tijd van hun huwelijk is onzeker en veraf; zoodat dan ook stilzwijgen omtrent de zaak, thans, voor zoover het mogelijk is, zeer raadzaam is geworden.”Hier werden zij gestoord door Margaret, die binnenkwam; en Elinor had thans gelegenheid, na te denken over haar moeder’s opvattingen; te erkennen dat vele van haar vermoedens gegrond schenen,en te hopen, dat alle zouden bewaarheid worden. Zij zagen Marianne niet eer het tijd was om te eten, en zij zonder een woord te zeggen de kamer binnenkwam en aan tafel ging zitten. Haar oogen waren rood en gezwollen, en het scheen alsof zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Zij vermeed hun aller blikken, kon noch eten, noch spreken, en toen haar moeder na eenigen tijd zwijgend en met innig medelijden haar hand drukte, bezweek haar geringe kracht geheel—zij barstte in tranen uit en verliet het vertrek.Deze diepe verslagenheid van geest bleef den geheelen avond voortduren. Zij had geen macht over zichzelve, wijl die macht door haar niet werd begeerd. Bij de geringste opmerking over iets, dat met Willoughby in verband stond werd zij overweldigd door hare droefheid, en ofschoon haar moeder en zusters hun uiterste best deden om haar te ontzien, het was onmogelijk, tenzij ze een volstrekt stilzwijgen wilden bewaren, elk onderwerp te vermijden, dat voor haar gevoel op hem betrekking had.
Het bezoek van Mevrouw Dashwood bij Lady Middleton had den volgenden dag plaats, en twee van hare dochters vergezelden haar; doch Marianne wilde liever niet medegaan, en verontschuldigde zich op grond van een onbeduidend voorwendsel. Haar moeder, die hier uit opmaakte, dat Willoughby den avond te voren beloofd had, haar te zullen opzoeken gedurende hunne afwezigheid, had er niets op tegen, dat zij tehuis bleef.
Bij hun terugkomst van Barton Park zagen zij Willoughby’s rijtuig en zijn bediende vóór het huis staan wachten, en Mevrouw Dashwood begreep, dat haar vermoeden bewaarheid was. Tot dusver ging alles, zooals zij verwacht had; maar toen zij het huis binnentrad, aanschouwde zij, wat geen vooruitziende schranderheid haar had kunnen doen voorzien. Juist toen zij de voordeur ingingen, zagenzij Marianne haastig uit de huiskamer komen, blijkbaar bitter bedroefd, met haar zakdoek voor de oogen, en zonder op hen te letten, de trap oploopen. Verwonderd en verschrikt gingen zij aanstonds de kamer binnen, die zij pas verlaten had, en vonden er niemand dan Willoughby, die tegen den schoorsteenmantel geleund stond, met den rug naar hen toegekeerd. Hij wendde zich om, toen zij binnenkwamen, en zijn gelaat vertoonde ten duidelijkste de sporen eener even heftige aandoening, als die, welke Marianne had overmeesterd.
“Scheelt haar iets?” riep Mevrouw Dashwood reeds op den drempel; “is zij niet wel?”
“Ik hoop het niet,” antwoordde hij, met een poging om vroolijk te kijken, en na een oogenblik liet hij er met een gedwongen glimlach op volgen: “Het zou zoo vreemd niet zijn, wanneer ikzelf mij onwel gevoelde; want ik ga op het oogenblik gebukt onder een grievende teleurstelling!”
“Teleurstelling!”
“Ja; want het is mij niet mogelijk, mij te houden aan onze afspraak. Mevrouw Smith heeft van morgen het overwicht van haar rijkdom doen gelden tegenover een armen afhankelijken bloedverwant door mij voor zaken naar Londen te zenden. Ik heb zooeven mijn opdrachten in ontvangst genomen, en Allenham vaarwel gezegd; en bij wijze van vertroosting ben ik nu komen afscheid nemen van u.”
“Naar Londen!—en ga je vandaag nog?”
“’t Is bijna reeds mijn tijd.”
“Dat treft wel ongelukkig. Maar je moet doen, wat Mevrouw Smith verlangt;—en haar opdracht zal je toch, hoop ik, niet lang van ons verwijderd houden.”
Hij kreeg een kleur, terwijl hij antwoordde: “U bent wel vriendelijk, maar het is niet mijn bedoeling, zoo spoedig terug te keeren naar Devonshire. Mijn bezoeken bij Mevrouw Smith worden nooit herhaald binnen het jaar.”
“En is Mevrouw Smith dan je eenige vriendin? Is Allenham het eenige huis hier in de buurt, waar je welkom zoudt zijn? Foei, Willoughby. Acht je je verplicht een uitnoodiging van mijne zijde af te wachten?”
Hij bloosde nog dieper, en zei alleen met neergeslagen oogen: “U bent waarlijk te goed.”
Mevrouw Dashwood zag Elinor verbaasd aan. Elinor was niet minder verwonderd. Een korte poos bewaarden allen het stilzwijgen. Mevrouw Dashwood was de eerste, die sprak.
“Ik kan alleen herhalen, mijn waarde Willoughby,” zeide zij, “dat ge altijd welkom zult zijn in Barton Cottage; want ik wil niet aandringen op uw spoedige terugkomst hier; daar ge zelf alleen kunt beoordeelen, in hoeverre die Mevrouw Smith aangenaam zou zijn; en op dat punt ben ik evenmin geneigd uw oordeel te wantrouwen, als ik gezind ben twijfel te koesteren omtrent uw eigen wenschen.”
“Voorloopig,” antwoordde Willoughby verward, “zijn mijn verplichtingen van dien aard... dat... ik durf niet hopen...”
Hij zweeg. Mevrouw Dashwood kon van verbazing geen woorden vinden, en weer volgde er stilte. Willoughby verbrak het zwijgen door met een flauwen glimlach te zeggen: “’t Is dwaasheid, nog langer zoo te blijven dralen. Ik wil mijzelf niet verder kwellen, door een samenzijn met vrienden, in wier gezelschap ik thans onmogelijk behagen scheppen kan.”
Hij nam haastig van hen allen afscheid en verliet het vertrek. Zij zagen hem in zijn rijtuig stappen en een oogenblik later verdween het uit hun gezicht. Mevrouw Dashwood was te bewogen om haar gevoel in woorden te uiten, en ging de kamer uit, om in eenzaamheid zich over te geven aan de gevoelens van droefheid en zorg, veroorzaakt door dit plotseling vertrek.
Elinor was niet minder ongerust dan haarmoeder. Het daareven gebeurde vervulde haar met angst en wantrouwen. Willoughby’s houding bij het afscheid, zijn verwarring en zijn voorgewende vroolijkheid maar vooral zijn blijkbare ongeneigdheid om haar moeders uitnoodiging aan te nemen, een terughouding, zóó vreemd in een minnaar,—in iemand als hij, dat alles wekte in de hoogste mate haar bezorgdheid. Het eene oogenblik vreesde zij, dat van zijn kant nooit eenig ernstig plan had bestaan; en dan weer dacht zij, dat tusschen hem en haar zuster misschien iets onaangenaams was voorgevallen; Marianne’s droefheid, toen zij uit de kamer kwam, had zéér goed het gevolg van een heftigen twist kunnen zijn; en toch wanneer zij bedacht, hoe Marianne hem liefhad, scheen twist tusschen hen haar bijna iets onmogelijks.
Doch onder welke omstandigheden dan ook hunne scheiding mocht hebben plaats gehad; aan de diepe droefheid van haar zuster viel niet te twijfelen, en zij dacht met innig medelijden aan de heftige smart, waarin Marianne zeer waarschijnlijk thans niet slechts verlichting zocht en vond, doch die zij het haar plicht zou achten aan te wakkeren en te verlevendigen.
Na een half uurtje kwam haar moeder terug, en hoewel haar oogen beschreid waren, keek zij toch niet bedrukt.
“Nu is onze beste Willoughby al een paar mijlen ver van Barton, Elinor,” zei ze, terwijl zij haar werk opnam en ging zitten; “en met welk een bezwaard gemoed is hij op reis gegaan!”
“’t Is alles even vreemd. Zoo plotseling vertrokken! Het schijnt wel het werk van één oogenblik. Wat was hij gisteravond nog gelukkig in ons bijzijn, en zoo hartelijk, zoo vroolijk!—En nu, na slechts tien minuten voorbereiding, is hij weg—niet voornemens terug te keeren? Er moet meer zijn voorgevallen dan hij ons heeft willen bekennen. Hij sprak niet als anders; hij was zichzelf niet.Umoet dat verschil even goed hebben opgemerkt als ik. Wat kan het zijn? Een twist tusschen hen beiden? Waarom zou hij anders zoo ongeneigd zijn gebleken om uwe uitnoodiging aan te nemen?”
“’t Was niet, omdat hij het niet wenschte, Elinor! Dàt zag ik duidelijk genoeg. Het stond niet in zijn macht. Ik heb over alles goed nagedacht, dat verzeker ik je, en ik begrijp nu volkomen alles, wat mij eerst even vreemd scheen als jou.”
“Werkelijk, mama?”
“Ja.Ikvoor mij ben tot een heel bevredigende slotsom gekomen;—maar jij, Elinor, die bij voorkeur twijfelt, als je daar kans toe ziet...jouzal die niet voldoen, dat weet ik wel; al zal jemijnvertrouwen erin niet kunnen wegpraten. Ik ben vast overtuigd, dat Mevrouw Smith zijn genegenheid voor Marianne vermoedt; dat zij die afkeurt—misschien omdat zij andere plannen met hem heeft en daarom erop gesteld is, hem uit den weg te krijgen; die zaak, die hij voor haar moet regelen en waarvoor ze hem wegzendt, is natuurlijk maar een voorwendsel, dat zij bedacht heeft. Zoo stel ik mij het gebeurde voor. Daarbij komt dit: hijweet, dat zij die verbintenis niet goedkeurt; hij durft haar dus op het oogenblik niet bekennen, dat hij met Marianne is verloofd, en in zijn afhankelijke positie, voelt hij zich verplicht, op haar plannen in te gaan, en Devonshire voor eenigen tijd te verlaten. Ik weet het wel, je zult zeggen: dat alles kàn, en kan óóknietgebeurd zijn; maar ik luister naar géén tegenwerping eer je mij een andere manier aan de hand doet, om de zaak zóó gunstig uit te leggen. En wat heb je daar nu op te zeggen?”
“Niets, mama; want u hebt mijn antwoord reeds vooraf verwacht en uitgesproken.”
“Dus je zoudt gezegd hebben: het kan evengoednietals wèl zoo zijn geweest. O Elinor, wat zijn je gevoelens toch onbegrijpelijk! Je zoudt liever kwaad gelooven dan goed. Je zoudt lieverzoekennaar verdriet voor Marianne, en schuld van dien armen Willoughby, dan naar verontschuldiging voor zijn gedrag. Jeverkiesthem nu eenmaal schuldig te achten omdat hij bij het afscheid van ons niet zoo hartelijk scheen als gewoonlijk. En is er dan geen verschooning te vinden in een zekere verstrooidheid en neerslachtigheid, veroorzaakt door de pas ondervonden teleurstelling? Zal geen enkele mogelijkheid overwogen mogen worden, enkel en alleen omdat zij geen zekerheid is? Zijn wij niets verplicht aan den man, dien wij om zoo goede reden liefhebben, en die ons niet de geringste aanleiding gaf tot verdenking? Mag dan de mogelijkheid niet worden aangenomen van beweegredenen, volkomen gegrond op zich zelf, doch die voorloopig onvermijdelijk verborgen moeten blijven? En, wat is het, per slot van rekening, waarvan je hem verdenkt?”
“Dat kan ik u eigenlijk zelf niet zeggen. Maar het vermoeden van iets onaangenaams is ’t onvermijdelijk gevolg van een verandering, zooals wij die daareven in hem hebben waargenomen. Er is echter veel waars in wat u zegt omtrent de overwegingen te zijnen gunste, die wij moeten laten gelden, en ik wensch werkelijk eerlijk te zijn in mijn oordeel over iedereen. Willoughby kàn ongetwijfeld zeer voldoende redenen hebben voor zijn gedrag, en ik hoop, dat dit het geval is. Maar het zou toch meer iets voor hem zijn geweest, die openlijk te erkennen. Geheimzinnigheid mag raadzaam zijn; maar ik kan niet nalaten mij te verwonderen, dat juist hij die betracht.”
“Je moogt hem geen verwijt maken van ontrouw aan zichzelf, waar die afwijking noodzakelijk is. Maar je geeft dus werkelijk toe, dat ik gelijk had, in wat ik tot zijn verdediging aanvoerde?—daar ben ik blij om—dan gaat hij vrij uit.”
Niet geheel en al. Het kan raadzaam zijn, hun verloving—(àls ze verloofd zijn,)—geheim tehouden voor Mevrouw Smith,—en als dat het geval is, dan is het natuurlijk zéér noodig, dat Willoughby thans slechts zelden in Devonshire gezien wordt. Maar dit is nog geen reden om die verloving te verbergen voor òns.”
“Verbergen voor òns? maar lieve kind, beschuldig je Willoughby en Marianne van achterhoudendheid op dat punt? Dàt is wel vreemd, terwijl je blikken hun dag aan dag een verwijt maakten van hun gebrek aan voorzichtigheid.”
“Van hun genegenheid heb ik geen bewijs meer noodig,” zei Elinor, “maar van hun verloofd zijn wèl.”
“Ik ben omtrent beide punten volkomen gerust.”
“En toch is er door geen van hen beiden één woord tegenover u gerept van dat onderwerp.”
“Ik had geen woorden noodig; hun daden spraken voor mij duidelijk genoeg. Bewees niet zijn houding jegens Marianne en ons allen, in de laatste weken, dat hij haar liefhad en als zijn aanstaande vrouw beschouwde, en dat hij ons de genegenheid toedroeg die men koestert voor zijn naaste verwanten? Hebben wij elkaar niet volkomen begrepen? Vroeg hij niet dagelijks mijne toestemming, door zijn blik, zijn houding, zijn oplettende en eerbiedige voorkomendheid? Mijn beste Elinor, is het mogelijk dat je hun verloving in twijfel trekt? Hoe kon die gedachte bij je opkomen? Hoe kan je veronderstellen, dat Willoughby, overtuigd als hij moet zijn van je zuster’s liefde, haar zou verlaten, voor maanden achtereen misschien, zonder haar zijn gevoel te openbaren;—dat ze zouden scheiden zonder elkaar wederzijdsch vertrouwen te hebben geschonken?”
“Ik geef toe,” antwoordde Elinor, “dat alle omstandigheden, op één na, spreken ten gunste van hun verloving; maar die ééne is het volslagen stilzwijgen, door beiden daaromtrent bewaard, en voor mij weegt die eene tegen bijna alle andere op.”
“Wat is dat vreemd. Je moet wel slecht over Willoughby denken, wanneer je, na al wat tusschen hen is voorgevallen, nog kunt twijfelen aan den aard van hun onderlinge verhouding. Dus hij sou al dien tijd tegenover je zuster een rol hebben gespeeld? Denk je dat hij in zijn hart onverschillig haar is?”
“Neen, dat kàn ik niet denken. Hij moet haar liefhebben, en dat doet hij; daaraan twijfel ik niet”.
“Een vreemd soort van teederheid is dat dan toch, die hem toestaat haar te verlaten, zoo onverschillig, zoo onbezorgd omtrent de toekomst, als je denkt, dat hij doet.”
“U moet niet vergeten, mama, dat ik de zaak nooit als zeker beschouwde. Ik beken, dat ik wel eens twijfel heb gekoesterd. Die twijfel is echter reeds verminderd en zal misschien spoedig geheel verdwijnen. Als het blijkt, dat zij in briefwisseling zijn, dan ben ik niet bang meer.”
“Je bent wèl toegevend, moet ik zeggen! Als je hen voor het altaar zaagt staan, dan zou je nog denken, dat zemisschienwel gingen trouwen. ’t Is een leelijke trek in je.—Maar zulke bewijzen hebikniet noodig. In mijn oogen is er niets gebeurd, dat twijfel rechtvaardigde; tot verbergen werd geen poging gedaan; alles ging volkomen open en zonder terughouding in zijn werk. Aan je zuster’s wenschen kan je niet twijfelen. ’t Is dus Willoughby, dien je verdenkt. En waarom? Is hij niet gevoelig en een man van eer? Gaf hij ons door onstandvastigheid reden tot zorg en vrees? Zou hij bedriegelijk kunnen zijn?”
“Ik geloof van niet; ik geloof van niet,” riep Elinor. “Ik houd van Willoughby; ik houd oprecht van hem; en twijfel aan de zuiverheid van zijn karakter doet mijzelve niet minder pijn dan u. Tegen mijn wil is die twijfel gerezen, en ik wil dat gevoel niet aanmoedigen. Ik beken, dat ik schrikte van morgen, door die verandering in zijn houding; hijsprak niet zooals van hem te verwachten viel, en bleef onhartelijk tegenover uw vriendelijkheid. Maar dat alles laat zich verklaren door de omstandigheden, die u als waar veronderstelt. Hij had pas afscheid genomen van Marianne, had haar zien gaan, wanhopig bedroefd; en als hij zich verplicht achtte, uit vrees Mevrouw Smith te ergeren, de verleiding te weerstaan om hier spoedig terug te keeren, terwijl hij toch wist, door het weigeren van uwe uitnoodiging, door te zeggen dat hij voor langen tijd afscheid nam, tegenover ons gezin den schijn op zich te laden van illoyaal en zonderling gedrag, dan had hij waarlijk wel reden verlegen en verward te zijn. Onder die omstandigheden zou een eenvoudige en openhartige uiteenzetting van zijn moeilijkheden hem meer tot eer hebben gestrekt, en mijns inziens meer hebben gestrookt met zijn aard en aanleg; maar ik zal niemand zijn gedrag verwijten, wegens zoo enghartige redenen als een verschil in zienswijze met mijzelve, of eene afwijking van watikals goed en redelijk beschouw.”
“Nu spreek je, zooals het behoort. Willoughby verdient waarlijk niet beschouwd te worden met achterdocht. Al kennenwijhem nog niet lang; hij is hier geen vreemdeling; en wie heeft ooit iets te zijnen nadeele gezegd? Hadden zijn omstandigheden hem veroorloofd, zelfstandig op te treden en onmiddellijk te huwen, dan had het vreemd kunnen schijnen, dat hij ons verliet, zonder mij alles thans reeds te bekennen; doch dit is niet het geval. Het is een verloving, die in sommige opzichten geen voorspoedig begin heeft gehad, want de tijd van hun huwelijk is onzeker en veraf; zoodat dan ook stilzwijgen omtrent de zaak, thans, voor zoover het mogelijk is, zeer raadzaam is geworden.”
Hier werden zij gestoord door Margaret, die binnenkwam; en Elinor had thans gelegenheid, na te denken over haar moeder’s opvattingen; te erkennen dat vele van haar vermoedens gegrond schenen,en te hopen, dat alle zouden bewaarheid worden. Zij zagen Marianne niet eer het tijd was om te eten, en zij zonder een woord te zeggen de kamer binnenkwam en aan tafel ging zitten. Haar oogen waren rood en gezwollen, en het scheen alsof zij slechts met moeite hare tranen weerhield. Zij vermeed hun aller blikken, kon noch eten, noch spreken, en toen haar moeder na eenigen tijd zwijgend en met innig medelijden haar hand drukte, bezweek haar geringe kracht geheel—zij barstte in tranen uit en verliet het vertrek.
Deze diepe verslagenheid van geest bleef den geheelen avond voortduren. Zij had geen macht over zichzelve, wijl die macht door haar niet werd begeerd. Bij de geringste opmerking over iets, dat met Willoughby in verband stond werd zij overweldigd door hare droefheid, en ofschoon haar moeder en zusters hun uiterste best deden om haar te ontzien, het was onmogelijk, tenzij ze een volstrekt stilzwijgen wilden bewaren, elk onderwerp te vermijden, dat voor haar gevoel op hem betrekking had.