Hoofdstuk XVI

Hoofdstuk XVIMarianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden, als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den geheelen nacht wakker, enbijnaden geheelen nacht schreide zij. Ze stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten; deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen tegenspoed.Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijlswerd haar stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige uitbarstingen van verdriet.Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand, wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.“Je weet wel, Elinor,” zei ze, “hoe dikwijls Sir John onze brieven van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in handen kreeg.”Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen, en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand, zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.“Waarom vraagt u Marianne niet zelf,” zei zij, “of ze al of niet met Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. ’t Zou het natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voorhaar. Zij placht één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral.”“Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. ’t Zou in elk geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van ’t geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door; ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn, die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind, omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had.”Elinor vond, met het oog op haar zuster’s jeugd, deze opvatting overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood’s romantisch overdreven fijn gevoel.Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby’s naam door een der leden van het gezin in Marianne’s tegenwoordigheid werd genoemd; Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig pijnlijk oogenblik;—doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood, toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:“We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby ging heen, eer we ’t hadden geëindigd. We zullen het wegleggen, en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer dàt gebeurt.”“Maanden?” riep Marianne, zeer verwonderd. “O neen,—weken zelfs niet!”Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis omtrent zijn plannen verried.Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend; want Marianne’sgeestliet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg, waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik later riepMarianne vol verrukking: “Hij is het; o zeker!—ik weet dat hij het is!” en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor haastig zeide: “Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding.”“O jawel, jawel,” riep Marianne, “hij is het; ’t is zijn figuur, zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen.”Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was, dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster’s gedrag niet wilde laten in ’t oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan, hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby, hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven, dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster’s blijdschap.Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde methenterug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst dan Elinor zelve. In Marianne’s oogen scheen de begroeting tusschen Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijlstegenover elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward’s zijde ontbrak aan die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk, zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in Devonshire geweest.“Veertien dagen!” herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde, dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.“Ben je nog voor kort in Sussex geweest?” vroeg Elinor.“Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland.”“En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?” riep Marianne.“Ons dierbaar Norland,” zei Elinor, “zal er wel uitzien, zooals gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt door een dichte laag dorre bladeren.”“O,” riep Marianne, “met welke gevoelens van zielsverrukking zag ik ze vroeger niet vallen! Watwas het zalig, als de wind ze op mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan het gezicht onttrokken.”“Niet iedereen,” zei Elinor, “is zóó verrukt van dorre bladeren als jij.”“Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls begrepen.Somsechter wèl.”Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als ’t ware daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: “Zie, Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit, en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich verheft, ligt ons huisje.”“’t Is een mooie streek,” gaf hij ten antwoord; “maar die laag gelegen gedeelten zullen ’s winters wel erg modderig zijn.”“Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor oogen hebt?”“Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn oogen zie.”“Vreemd toch!” zei Marianne tot zichzelf, onder ’t voortwandelen.“Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton’s prettige menschen?”“Neen, volstrekt niet,” zei Marianne; “we hadden ’t niet ongelukkiger kunnen treffen.”“Maar, Marianne,” riep haar zuster; “hoe kanjedat zeggen? Hoe kan je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward, en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je danvergeten, Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?”“Neen,” zei Marianne iets zachter, “en hoeveel onaangename oogenblikken evenmin.”Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan, en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden, dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.Hoofdstuk XVIIMevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag; want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw Dashwood’s innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ooktot háár uit te strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht, was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan zijn moeder’s gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.“Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het oog, Edward?” vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten; “moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?”“Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare leven evenmin talent als neiging bezit.”“Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden, zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk kunnen blijken.”“Ik zal ’t maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid niet kan afdwingen.”“Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even gematigd.”“Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar, precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik geen geluk vinden.”“Geen wonder!” riep Marianne. “Wat heeftrijkdom of grootheid met geluk te maken!”“Grootheid maar weinig,” zei Elinor; “rijkdom heel veel.”“O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt van ons eigen ik.”“Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens,” zei Elinor glimlachend. “Ik wed datjouwbescheiden grenzen enmijnrijkdom heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe, zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je ‘bescheiden grenzen?’”“Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar;meerdan ook niet.”Elinor lachte. “Tweeduizend pond in het jaar! Voor mij iseenal rijkdom. Dat had ik wel gedacht.”“Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen,” zei Marianne. “Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet houden, als men met minder dan dat moet rondkomen.”Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.“Jachtpaarden!” herhaalde Edward.—“Maar waarom moet je jachtpaarden erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet.”Marianne kreeg een kleur, en zei “De meeste menschen wèl.”“Ik wou,” zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend, “dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf.”“O, als dàt kon gebeuren!” riep Marianne, terwijl haar oogen schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap over dat denkbeeldig geluk.“Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen,” zei Elinor, “ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken.”“Wat zou ik blij zijn,” riep Margaret uit. “Ik ben benieuwd wat ik er wel mee zou doen.”Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig was.“Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden,” zei Mevrouw Dashwood, “als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder mijn hulp.”“U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit huis,” merkte Elinor op; “dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den weg geruimd.”“Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen,” zei Edward, “door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken laten zenden;—en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!—Thomson, Cowper, Scott,—ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude, kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet, Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet had vergeten.”“Ik wil graag aan ’t verleden herinnerd worden, Edward,—herinneringen, ’t zij ze treurig ofvroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan, mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van mijn verzameling boeken en muziek.”“En ’t kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers, of hunne erfgenamen.”“Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen.”“Misschien zou je ’t uitloven als belooning voor den persoon, die het best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen, dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?”“Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel tamelijk gevestigd. ’t Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed.”“Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk,” zei Elinor, “ze is nog steeds dezelfde.”“Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger.”“Dat magjijme niet verwijten, Edward,” zei Marianne. “Je bent zelf ook zoo heel vroolijk niet”.“Waarom denk je dat?” antwoordde hij, met een zucht. “Maar vroolijkheid lag nooit in mijn aard.”“In Marianne’s aard evenmin, dunkt mij,” zei Elinor.“Zij is niet wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig en vol vuur bij al wat ze doet;—ze spreekt soms veel, en altoos met overtuiging;—maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit.”“Ik geloof dat je gelijk hebt,” antwoordde hij, “en toch heb ik haar altoos als een druk, levendig meisje beschouwd.”“Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt,” zei Elinor, “op een volkomen verkeerdbegrijpen van iemands karakter in een of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt.”“Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor,” zei Marianne, “zich geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest.”“Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over ’t algemeen met meer voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden door hun oordeel?”“Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze op ’t punt van de burgerlijke beleefdheid,” zei Edward tot Elinor. “Heb je niets gewonnen?”“Integendeel,” antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend aanzag.“In theorie,” zei Edward, “sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk, terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was om bij voorkeur in onbeschaafdgezelschap te verkeeren, zoo weinig voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer ze mij vreemd zijn.”“Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren,” zei Elinor.“Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen,” antwoordde Edward. “Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken, dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen zijn.”“Maar terughoudend zou je altijd blijven,” zei Marianne, “en dat is nog erger.”Edward zette groote oogen op—“Terughoudend? Ben ik terughoudend, Marianne?”“Ja, heel erg.”“Ik begrijp je niet,” antwoordde hij, met een hoogen blos.—“Terughoudend!—hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?”Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om het gesprek een schertsende wending te geven: “Je kent mijn zuster toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?”Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.Hoofdstuk XVIIIElinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken, die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan, en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was, waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel staan.“Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien,” zei hij, “nu je toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug.”Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht schonk, en reeds begon zij te vertellenvan haar eigen bewondering voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar ’t geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel door te zeggen: “Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,—de bergen zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn te vinden—en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen, dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn, begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed.”“Ik vrees, dat het maar al te waar is,” zei Marianne; “maar waaromvindje ’t noodig, je daarop te beroemen?”“Ik zou haast denken,” zei Elinor, “dat Edward in de ééne affectatie vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij, stelt hij zichzelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier.”“’t Is wèl waar,” zei Marianne, “dat bewondering van natuurschoon tot een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene, die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd, dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon vinden om ze in uit te drukken, dan door ’t gebruik van versleten phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit.”“Ik ben overtuigd,” zei Edward, “dat jij werkelijk de verrukkinggevoeltover een mooi vergezicht, die jebeweertte voelen. Maar van den anderen kant moet je zustermijnu weer niet méér laten voelen dan ikbeweer. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houdnietvan kromme, verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels, of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede, tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige bandieten van de wereld konden doen.”Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.—Elinor lachte maar eens.Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen, dat haar een ring opviel,met een haarvlechtje in het midden, die hij aan den vinger droeg.“Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward”, riep zij. “Is dat Fanny’s haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde ’t je te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had.”Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,—maar toen ze zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: “Ja, het is mijn zuster’s haar. De kleur verandert altijd een beetje, als het in goud gevat is.”Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit: dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien, en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies de kleur van haar eigen was.Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest, zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis die in haar zuster had gewekt.Reeds voor den middag kregen zij bezoek vanSir John en Mevrouw Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars met eenFbegon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen, waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever hun doorzicht, gegrond op Margaret’s inlichtingen, wel reikte.Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij hen voor beiden tegelijk.“Jeluimoetvan avond bij ons theedrinken,” zei hij, “want we zijn heelemaal onder ons;—en morgen mag je niet weigeren bij ons te dineeren, want het is een groote partij”. Mevrouw Jennings vond dit ook volstrekt noodzakelijk. “En wie weet, of het dan niet tot een dansje komt,” zei ze. “Dat zal jou aanstaan, Marianne.”“Dansen?” riep Marianne. “Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?”“Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht, dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?”“Ik wou om een lief ding,” riep Sir John, “dat Willoughby weer kon meedoen.”Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. “Wie is die Willoughby?” vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.Zij antwoordde vluchtig. Marianne’s gezicht gafveel meer te kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was, ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: “Ik ben aan ’t raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?”“Wat bedoel je?”“Zal ik ’t maar zeggen?”“Ja zeker.”“Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat.”Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik zwijgens: “O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult.”“Daar twijfel ik niet aan,” antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd, erop te zinspelen.Hoofdstuk XIXEdward bleef een week te Barton; Mevrouw Dashwood drong er zeer op aan, dat hij langer zou blijven; doch hij scheen, alsof zelfkwelling zijn eenig doel was, vast besloten om juist te vertrekken, nu hij het meest van het bijzijn zijner vriendinnen genoot. In de laatste twee of drie dagen was zijn stemming, ofschoon nog zeer afwisselend, toch aanmerkelijk verbeterd; hij begon zich meer en meer te hechten aan het huis en de omgeving, sprak nooit van vertrekken zonder een diepen zucht,—gaf te kennen dat hij over zijn tijd vrijelijk kon beschikken,—wist zelfs nog niet recht, waarheen hij zou gaan, als hij hen verliet; maar toch, vertrekkenmoesthij. Nog nooit had hem een week zoo kort geschenen;—hij kon niet gelooven dat het alweer voorbij was. Dat zei hij herhaaldelijk, en nog meer liet hij zich ontvallen, dat wees op een omkeer in zijn gevoelens, en met zijn daden in tegenspraak was. Hij vond het in Norland niets prettig; aan de stad had hij een hekel; maar òf naar Norland, òf naar Londen moest hij gaan. Hij waardeerde hun hartelijkheid meer dan iets ter wereld, en hij kende geen grooter genoegen dan met hen samen te zijn. Toch moest hij hen na een week reeds verlaten, tegen zijn eigen en hun aller wensch, en terwijl hij aan geen tijd gebonden was.Elinor weet al wat zonderling scheen in zijn handelwijze aan zijn moeder, en het was een geluk voor haar, dat hij een moeder had, van wier karakter zij zoo weinig afwist, dat het als doorgaande verontschuldiging kon gelden voor al wat er vreemds was in het gedrag van haar zoon. Maar hoezeer zijzich ook teleurgesteld en gegriefd gevoelde, ja somtijds geërgerd door zijn onzekere houding tegenover haar, zij bleef toch over het geheel ten volle bereid om al zijn handelingen te beschouwen met die eerlijke toegevendheid en onpartijdige ruimheid van oordeel, die haar, met vrij wat meer moeite, door haar moeder indertijd waren afgedwongen ten behoeve van Willoughby. Zijn gebrek aan opgewektheid, aan openhartigheid, en aan vastheid in zijn optreden, werden maar steeds weer toegeschreven aan zijn behoefte aan onafhankelijkheid en zijn nauwkeuriger bekendheid met Mevrouw Ferrars’ beschikkingen en plannen. De korte duur van zijn bezoek, zijn volharden bij zijn voornemen nu reeds te vertrekken, ook dit alles sproot voort uit dat zelfde geweld aandoen van zijn neiging, de zelfde onvermijdelijke noodzakelijkheid om zijn moeder voorloopig te ontzien. De oude, diep gewortelde tweespalt tusschen plicht en neiging, het verzet van het kind, in opstand tegen ouderlijk gezag, was van alles de oorzaak. Wel gaarne zou zij hebben geweten, wanneer deze moeilijkheden zouden zijn uit den weg geruimd, deze tegenstand overwonnen,—wanneer Mevrouw Ferrars tot andere gedachten zou komen, en haar zoon de vrijheid zou laten, zijn geluk te vinden. Doch zij werd wel gedwongen, die ijdele wenschen te laten varen, en troost te zoeken in haar hernieuwd vertrouwen op Edward’s genegenheid, in de herinnering aan elk getuigenis daarvan, door woord of blik, die hem te Barton ontsnapten, en vooral in dat vleiend bewijs van zijn trouw, dat hij voortdurend aan zijn vinger droeg.“Mij dunkt, Edward,” zei Mevrouw Dashwood, toen zij den laatsten morgen aan het ontbijt zaten, “dat je gelukkiger zoudt zijn, als je een beroep hadt, dat je tijd in beslag nam, en richting gaf aan je plannen en handelingen. Voor je vrienden zou daaraan allicht eenig bezwaar zijn verbonden; jezoudt niet in staat zijn, zooveel tijd aan hen te wijden als thans. Maar,” voegde zij er met een glimlach bij, “in één opzicht zou het toch een direct voordeel voor je zijn; je zoudt dan weten, wáárheen te gaan, wanneer je hen verliet.”“Ik verzeker u,” antwoordde hij, “dat ik de waarheid van ’t geen u zegt, reeds lang heb ingezien. Het was, en is, en zal waarschijnlijk altijd voor mij een groot ongeluk zijn, dat ik geen noodzakelijke bezigheid heb, die mij in beslag neemt, geen beroep, dat mijn krachten vergt en mij in staat stelt, mij ook maar eenigszins onafhankelijk te voelen. Maar het ongeluk wilde, dat mijn eigen kieskeurigheid en die mijner vrienden mij gemaakt hebben tot wat ik ben, een werkeloos, hulpeloos wezen. Wij konden het nooit eens worden over de keuze van een beroep. Ik gaf altoos de voorkeur aan den geestelijken stand, en dat doe ik nog. Maar dat vond mijn familie niet wereldsch genoeg. Zij wilden dat ik militair zou worden. Dat was nu weer veel te wereldsch voor mij. In de rechten studeeren, nu, dat was althans deftig genoeg naar hun zin; veel jongelui, die kamers hadden in den Temple, maakten een goed figuur in de eerste kringen, en reden rond in karretjes, die ’t bekijken waard waren. Maar ik voelde niets voor de rechten, zelfs niet voor die weinig diepgaande studie van de wet, die mijn familie op het oog had en goedkeurde. De marine was uit het oogpunt van “stand” wel aan te bevelen; maar toen de vraag mij werd voorgelegd, was ik al te oud om daar nog mee te beginnen,—en ten slotte, nu het eenmaal niet noodig was, dat ik een beroep koos, nu ik even goed vertooning kon maken en geld uitgeven zònder een rooden rok als mèt dat aanhangsel, werd ten slotte verklaard, dat leegloopen voor mij de voordeeligste en meest eervolle bezigheid zou zijn, en een jongmensch van achttien jaar is in den regel niet zoo ernstig gesteld op werk, dat hij zich zal verzetten tegen het dringendverzoek zijner vrienden om niets uit te voeren. Ik werd dus ingeschreven te Oxford, en heb sedert geluierd naar den eisch.”“En naar ik vermoed, zal ’t gevolg hiervan zijn,” zeide Mevrouw Dashwood, “nu gebleken is, dat ledigheid je eigen geluk niet heeft bevorderd, dat je zoons zullen worden opgeleid voor alle mogelijke vakken, bezigheden, ambten en beroepen, die iemand ter wereld beoefenen of waarnemen kan.”“Zij zullen worden opgevoed op een wijze,” zeide hij op ernstigen toon, “die hen zoo weinig mogelijk doet gelijken op mijzelf, in gevoelens, in daden, in omstandigheden, in alles.”“Kom, kom, dat is nu maar een ontboezeming, die rechtstreeks voortkomt uit je zwartgallige stemming, Edward. Je bent zwaarmoedig, en denkt dat ieder, die anders is dan jezelf, gelukkig moet zijn. Vergeet niet, dat het verdriet over een afscheid van goede vrienden door iedereen nu en dan wordt gevoeld, afgezien van opvoeding of plaats in de maatschappij. Je moogt je eigen geluk niet miskennen. Wat je noodig hebt is geduld—of noem het liever bij een aantrekkelijker naam; spreek van hoop. Je moeder zal je mettertijd die onafhankelijkheid verzekeren, waarnaar je zoozeer verlangt; dat is haar plicht, en zij zàl, zij moet binnenkort, ook ter wille van háár geluk, verhinderen, dat je geheele jeugd wordt gesleten in onvruchtbare ontevredenheid. Wat brengen misschien niet een paar maanden te weeg!”“Ik zou wel eens willen weten,” antwoordde Edward, “welk goeds zelfs een groot aantal maanden voor mij zou kunnen uitwerken.”Al deelde zijn neerslachtige stemming zich niet mede aan Mevrouw Dashwood, zijn zwaarmoedigheid maakte het afscheid, dat spoedig hierna volgde, voor hen allen des te pijnlijker, en liet in Elinor een gevoel van onrust achter, dat zij eerst na verloop van tijd en niet zonder moeite vermocht meesterte worden. Doch daar zij zich vast had voorgenomen het te onderdrukken, en te zorgen dat zij niet méér dan een der overige leden van het gezin zou schijnen te lijden onder zijn afwezigheid, koos zij niet het middel, door Marianne bij een dergelijke gelegenheid zoo zorgvuldig aangewend ter bevordering en bestendiging van hare smart, door bij voorkeur stilte, eenzaamheid en lediggang te zoeken. Even verschillend als beider doel waren hun middelen, en evenzeer geschikt tot het bevorderen van ieders bijzonder oogmerk.Elinor ging, zoodra hij was heengegaan, aan haar teekentafel zitten, bleef den geheelen dag druk bezig; zocht noch vermeed zijn naam te noemen, scheen bijna niet minder belang te stellen dan anders in hun aller aangelegenheden, en zoo zij al door dit gedrag haar eigen verdriet niet kon verzachten, het werd er althans niet onnoodig door verzwaard, en zij bespaarde haar moeder en zusters veel zorg omtrent haar gemoedsgesteldheid. Een dergelijk gedrag, zoo lijnrecht in tegenstelling met het hare, scheen Marianne volstrekt niet verdienstelijk, zoomin als haar eigen houding haar verkeerd had toegeschenen. De vraag omtrent zelfbeheersching loste zij bijzonder gemakkelijk op;—waren onze neigingen sterk, dan was zelfzucht onmogelijk; waren zij gematigd, dan stak er geen verdienste in. Dat haar zuster’s neigingen gematigdwaren, waagde zij niet te ontkennen, al gaf zij het niet zonder schaamte toe; en de kracht harer eigene bewees zij wel zéér duidelijk, door die zuster, ondanks deze pijnlijk grievende overtuiging, nog steeds te blijven achten en liefhebben.Al zonderde zij zich dus niet af van de anderen; al zocht zij niet om hen te vermijden, hardnekkig de eenzaamheid buitenshuis, en lag zij niet den geheelen nacht wakker om te kunnen nadenken, Elinor ondervond, dat iedere dag haar voldoende gelegenheid schonk om te denken aan Edward enaan Edward’s gedrag, met alle mogelijke gevoelens, die haar verschillende stemmingen op verschillende tijden in haar konden verwekken;—met teederheid, medelijden, instemming, afkeuring en twijfel. Er waren oogenblikken in overvloed, waarin, zoo al niet door de afwezigheid van haar moeder en zuster, dan toch wegens den aard hunner bezigheden, gesprekken waren uitgesloten, en zij evengoed alleen had kunnen zijn. Het stond haar geest onvermijdelijk vrij om te denken; haar gedachten konden niet elders met geweld worden vastgehouden, en verleden en toekomst in verband met een zoo gewichtige aangelegenheid, moesten zich wel aan haar opdringen, haar aandacht in beslag nemen, en zich geheel en al meester maken van haar herinnering, haar gepeinzen en haar verbeelding.Uit zulk een droomerij werd zij, toen zij, op een morgen kort na Edward’s vertrek, aan haar teekentafel zat opgeschrikt door de komst van bezoek. Zij was toevallig geheel alleen. Het dichtvallen van het hekje aan den ingang van het grasveld voor hun huis deed haar uit het venster kijken, en zij zag verscheiden personen, die recht op hun deur kwamen aanwandelen. Daaronder bevonden zich Sir John en Lady Middleton met Mevrouw Jennings; maar zij zag bovendien nog twee anderen, een haar geheel onbekende heer en dame. Zij zat dicht bij het venster, en zoodra Sir John haar in het oog kreeg, liet hij de plichtpleging van aan de deur kloppen aan het gezelschap over, stapte over het gras, en noodzaakte haar, het venster te openen om met hem te spreken, ofschoon de afstand tusschen de deur en het venster zoo gering was, dat men moeilijk op de eene plek een woord kon zeggen, dat op de andere niet werd verstaan.“Kijk eens,” zei hij, “we hebben je vreemde gasten meegebracht. Wat zeg je wel van hen?”“Pas op! ze zullen u hooren.”“O, dat is niets, ’t Zijn de Palmers maar. Charlotteziet er alleraardigst uit, hoor. Je kunt haar zien, als je dezen kant uitkijkt.”Daar Elinor zeker wist, dat zij Charlotte over een paar minuten zou zien, zonder zoo onbescheiden te zijn, waagde zij het, zich te verontschuldigen.“Waar is Marianne? Weggeloopen omdat ze ons zag aan komen? De piano staat open, zie ik.”“Ik geloof, dat zij is gaan wandelen.”Hier voegde Mevrouw Jennings zich bij hen, die geen geduld had te wachten tot de deur openging, en volstrekt moest vertellen watzijop het hart had. Zij kwam met veel drukte naar het raam stappen.“Hoe maak je ’t, kind? en hoe gaat het met Mevrouw Dashwood? En waar zijn je zusters? Wel, wel, heel alleen! je zult blij zijn, dat er iemand komt om je gezelschap te houden. Ik heb mijn anderen schoonzoon en mijn dochter meegebracht om kennis met je te maken. Verbeeld je, dat ze zoo onverwacht zijn gekomen! Ik dacht al dat ik een rijtuig hoorde, toen we gisteravond aan de thee zaten; maar ik had geen flauw idee dat zij ’t konden zijn. Ik dacht maar niet anders of Kolonel Brandon was teruggekomen, en ik zei nog tegen Sir John: “Mij dunkt, ik hoor een rijtuig, dat is bepaald Kolonel Brandon, die terug is...”Elinor moest zich midden in haar verhaal omkeeren om het overige gezelschap te ontvangen; Lady Middleton stelde de beide vreemden voor; Mevrouw Dashwood en Margaret kwamen meteen beneden, en allen gingen zitten om elkaar eens op te nemen, terwijl Mevrouw Jennings met haar verhaal voortging, onder de wandeling door de gang naar de zitkamer, ditmaal tegen Sir John.Mevrouw Palmer was een paar jaar jonger dan Lady Middleton, en in elk opzicht geheel verschillend van haar zuster. Zij was klein en vrij gezet, en had een allerliefst gezichtje, dat de meest opgeruimde uitdrukking vertoonde, die men zich kon voorstellen. Haar manieren waren bij lange na niet zoobevallig; maar zij was oneindig meer innemend. Zij kwam glimlachend binnen—glimlachte zoo lang het bezoek duurde, behalve wanneer ze luid lachte, en glimlachte nog, toen ze vertrok. Haar echtgenoot was een ernstig uitziende jonge man van vijf- of zes en twintig jaar, die een meer gedistingeerden en ook een meer verstandigen indruk maakte dan zijn vrouw, maar minder geneigd scheen te behagen, of behagen te laten blijken. Hij kwam de kamer in met iets zeer zelfbewust in zijn houding, boog even voor de dames zonder een woord te spreken, en nadat hij haar en het vertrek met een vluchtigen blik had opgenomen, nam hij een courant van de tafel, en bleef daarin lezen, zoolang het bezoek duurde. Mevrouw Palmer daarentegen, die door de natuur was begiftigd met een aanleg om in alle omstandigheden beleefd en verheugd te zijn, zat nog niet op haar stoel of zij barstte los in uitroepen van bewondering over de kamer en al wat zich erin bevond.“O, wat een verrukkelijke kamer is dit! Ik heb nooit zoo iets beeldigs gezien! Hoe vindt u toch wel, mama, dat verschil bij de vorige maal, dat ik hier was! Ik heb het altijd zoo’n aardig huisje gevonden, mevrouw (tot mevrouw Dashwood), maar u hebt het zoo beeldig gemaakt! Kijk toch eens, hoe verrukkelijk! Wat zou ik zelf graag zoo’n huis hebben. Jij ook niet, man?”De heer Palmer gaf geen antwoord, en sloeg zijn oogen zelfs niet op van de courant.“Mijnheer Palmer hoort mij niet,” zei ze lachend. “Dat doet hij wel meer, soms. Zoo grappig!”Die opvatting was voor Mevrouw Dashwood iets nieuws; zij was nooit gewend geweest in iemands onachtzaamheid iets geestigs te vinden en zij kon niet nalaten hen beiden ietwat verwonderd aan te zien.Mevrouw Jennings praatte intusschen door, zoo hard ze maar kon,enging voort met haar verslagvan hun verrassing den vorigen avond, bij ’t zien van haar kinderen, zonder ophouden, tot het verhaal was uitverteld. Mevrouw Palmer lachte hartelijk bij de herinnering aan aller verbazing, en allen verhaalden, tot twee of driemaal toe, dat het een alleraardigste verrassing was geweest. “Je begrijpt, hoe blij we allen waren hen te zien,” voegde Mevrouw Jennings erbij, terwijl ze zich naar Elinor vooroverboog, en zachter sprak, alsof niemand het mocht hooren, hoewel de anderen aan de overzij van het vertrek waren gezeten; “maar met dat al had ik toch wel gewild, dat ze niet zoo’n haast hadden gemaakt, en niet zulk een lange reis hadden gedaan want ze gingen over Londen, voor zaken die ze daar hadden af te doen; omdat het voor háár” (veelbeteekenend knikkend en naar haar dochter wijzend) “eigenlijk verkeerd is in haar positie, weet je. Ik wou hebben dat ze van morgen zou thuis blijven en rusten; maar ze wou volstrekt mee; ze verlangde zoo, jelui allen te zien!”Mevrouw Palmer lachte, en zei dat het haar geen kwaad zou doen.“Ze verwacht in Februari haar bevalling,” ging Mevrouw Jennings voort.Lady Middleton kon dat gepraat niet langer aanhooren, en gaf zich dus de moeite aan den Heer Palmer te vragen of hij veel nieuws vond in de courant.“Neen, in ’t geheel niets,” zei hij, en las verder.“Daar komt Marianne aan,” riep Sir John. “Palmer, nu zal je een reusachtig mooi meisje zien.”Hij ging dadelijk in de gang, deed zelf de voordeur open en bracht haar in de kamer. Mevrouw Jennings vroeg haar, zoodra ze haar zag, of ze niet naar Allenham was geweest; en Mevrouw Palmer lachte hartelijk om die vraag, om te laten blijken, dat zij het wel begreep. De Heer Palmer keek op toen zij binnen kwam, staarde haar een paar minuten aan, en wijdde zich daarop weer aanzijn courant. Mevrouw Palmer kreeg nu de teekeningen in het oog, die aan den wand hingen. Zij stond op, om ze nader te bezien. “Och, hoe mooi! Prachtig vind ik ze! Kijkt u toch eens, mama, is dat niet snoezig? Beeldig zijn ze, ik zou er uren naar kunnen kijken.” Daarop ging ze weer zitten en vergat meteen, dat er zooiets als schilderijen de kamer waren.Toen Lady Middleton opstond om heen te gaan, deed de Heer Palmer eveneens, legde de courant neer, rekte zich eens uit en keek allen beurtelings aan.“Heb je een dutje gedaan, schat?” zei zijn vrouw lachend.Hij gaf haar geen antwoord, en zei alleen, na het vertrek nog eens te hebben opgenomen, dat het erg laag van verdieping en dat de zoldering scheef liep. Daarop maakte hij zijn buiging en trok met de anderen af.Sir John had hen allen dringend verzocht, den volgenden dag op het Park te komen doorbrengen. Mevrouw Dashwood, die niet verkoos drukker gebruik te maken van hun gastvrijheid dan zij deden van de hare, bedankte zeer bepaald, wat haarzelve betrof; haar dochters konden doen zooals zij goedvonden. Maar zij waren niet nieuwsgierig te zien hoe de Heer en Mevrouw Palmer hun middagmaal gebruikten, en eenig genoegen was in ander opzicht niet van hen te wachten. Zij poogden zich dus eveneens te verontschuldigen; het weer was ongestadig en voorspelde niet veel goeds. Maar Sir John liet zich niet afschepen,—ze zouden met het rijtuig worden afgehaald, en ze moesten komen. Lady Middleton, die bij hun moeder niet verder aandrong, deed dit wèl bij hen. Mevrouw Jennings en Mevrouw Palmer stemden in met haar dringend verzoek, allen schenen evenzeer erop gesteld, nieten famillete dineeren, en de jonge dames moesten wel toegeven.“Waarom vragen ze ons eigenlijk?” zei Marianne, zoodra ze weg waren, “’t Heet dat de huurprijs van dit huisje laag is; maar ’t komt ons toch al heel onvoordeelig uit, wanneer we op Barton Park moeten eten bij alle gelegenheden, dat er iemand logeert, bij hen of bij ons.”“’t Is nog evengoed hun bedoeling, beleefd en vriendelijk voor ons te zijn met hun herhaalde uitnoodigingen,” zei Elinor, “als het dat was een paar weken geleden. Als hun avondpartijtjes nu vervelend en saai zijn, dan ligt die verandering niet aan hèn. Dat verschil moeten we ergens anders zoeken.”

Hoofdstuk XVIMarianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden, als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den geheelen nacht wakker, enbijnaden geheelen nacht schreide zij. Ze stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten; deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen tegenspoed.Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijlswerd haar stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige uitbarstingen van verdriet.Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand, wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.“Je weet wel, Elinor,” zei ze, “hoe dikwijls Sir John onze brieven van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in handen kreeg.”Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen, en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand, zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.“Waarom vraagt u Marianne niet zelf,” zei zij, “of ze al of niet met Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. ’t Zou het natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voorhaar. Zij placht één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral.”“Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. ’t Zou in elk geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van ’t geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door; ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn, die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind, omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had.”Elinor vond, met het oog op haar zuster’s jeugd, deze opvatting overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood’s romantisch overdreven fijn gevoel.Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby’s naam door een der leden van het gezin in Marianne’s tegenwoordigheid werd genoemd; Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig pijnlijk oogenblik;—doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood, toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:“We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby ging heen, eer we ’t hadden geëindigd. We zullen het wegleggen, en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer dàt gebeurt.”“Maanden?” riep Marianne, zeer verwonderd. “O neen,—weken zelfs niet!”Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis omtrent zijn plannen verried.Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend; want Marianne’sgeestliet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg, waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik later riepMarianne vol verrukking: “Hij is het; o zeker!—ik weet dat hij het is!” en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor haastig zeide: “Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding.”“O jawel, jawel,” riep Marianne, “hij is het; ’t is zijn figuur, zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen.”Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was, dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster’s gedrag niet wilde laten in ’t oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan, hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby, hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven, dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster’s blijdschap.Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde methenterug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst dan Elinor zelve. In Marianne’s oogen scheen de begroeting tusschen Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijlstegenover elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward’s zijde ontbrak aan die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk, zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in Devonshire geweest.“Veertien dagen!” herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde, dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.“Ben je nog voor kort in Sussex geweest?” vroeg Elinor.“Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland.”“En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?” riep Marianne.“Ons dierbaar Norland,” zei Elinor, “zal er wel uitzien, zooals gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt door een dichte laag dorre bladeren.”“O,” riep Marianne, “met welke gevoelens van zielsverrukking zag ik ze vroeger niet vallen! Watwas het zalig, als de wind ze op mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan het gezicht onttrokken.”“Niet iedereen,” zei Elinor, “is zóó verrukt van dorre bladeren als jij.”“Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls begrepen.Somsechter wèl.”Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als ’t ware daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: “Zie, Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit, en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich verheft, ligt ons huisje.”“’t Is een mooie streek,” gaf hij ten antwoord; “maar die laag gelegen gedeelten zullen ’s winters wel erg modderig zijn.”“Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor oogen hebt?”“Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn oogen zie.”“Vreemd toch!” zei Marianne tot zichzelf, onder ’t voortwandelen.“Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton’s prettige menschen?”“Neen, volstrekt niet,” zei Marianne; “we hadden ’t niet ongelukkiger kunnen treffen.”“Maar, Marianne,” riep haar zuster; “hoe kanjedat zeggen? Hoe kan je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward, en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je danvergeten, Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?”“Neen,” zei Marianne iets zachter, “en hoeveel onaangename oogenblikken evenmin.”Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan, en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden, dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.

Marianne zou het onvergefelijk van zichzelve hebben gevonden, als ze had kunnen slapen, den eersten nacht na het afscheid van Willoughby. Ze zou den anderen den volgenden morgen niet zonder schaamte in het gezicht hebben durven zien, als ze niet bij het opstaan grooter behoefte had gehad aan rust, dan toen ze ging liggen. Maar de gevoelens, die haar in zelfbedwang schande deden zien, bewaarden haar voor het gevaar, zich die schande op den hals te halen. Zij lag den geheelen nacht wakker, enbijnaden geheelen nacht schreide zij. Ze stond met hoofdpijn op, kon niet spreken en weigerde iets te eten; deed dus haar moeder en zusters onophoudelijk verdriet en verzette zich tegen elke poging van hunne zijde om haar te troosten. Haar gevoeligheid was waarlijk niet machteloos!

Na het ontbijt ging zij alleen wandelen, en zwierf bijna den geheelen morgen rond in de omstreken van Allenham, zwelgend in herinneringen aan verloren geluk, en zich onder tranen beklagend over den tegenwoordigen tegenspoed.

Ook den avond sleet zij in algeheele overgave aan haar gevoel. Zij speelde al de geliefkoosde liederen over, die zij Willoughby placht voor te spelen, iedere melodie, waarin hun stemmen zoo dikwijls hadden samengeklonken, en zat voor de piano te staren naar de muziek, die hij voor haar had gecopieerd, tot haar hart zoo overstelpt was van verdriet, dat zij niet treuriger kòn worden; en iederen dag schonk zij op die wijze nieuw voedsel aan hare smart. Uren aaneen zat zij voor de piano beurtelings te zingen en te schreien, en dikwijlswerd haar stem geheel door tranen verstikt. Ook in haar boeken, zoowel als in muziek, zocht zij met voorliefde de rampzaligheid die de tegenstelling tusschen voorheen en thans haar onvermijdelijk moest doen gevoelen. Zij las niets anders, dan wat zij samen te lezen plachten.

Zóó heftige smart kon niet van eindeloozen duur zijn, na eenige dagen verflauwde zij tot kalmer neerslachtigheid; doch de reeds genoemde bezigheden, die zij dagelijks hervatte; haar eenzame wandelingen en stille overpeinzingen leidden ook thans bijwijlen tot hevige uitbarstingen van verdriet.

Van Willoughby kwam geen brief, en Marianne scheen dien ook niet te verwachten. Haar moeder was verwonderd, en Elinor maakte zich opnieuw ongerust. Maar Mevrouw Dashwood had altijd verklaringen bij de hand, wanneer ze die behoefde, die althans haarzelve tevreden stelden.

“Je weet wel, Elinor,” zei ze, “hoe dikwijls Sir John onze brieven van de post haalt en ze voor ons bezorgt. We zijn het nu eens, dat de zaak liever niet ruchtbaar moet worden, en we moeten erkennen dat dit onmogelijk zou zijn, als Sir John hunne brieven over en weer in handen kreeg.”

Elinor kon dit niet tegenspreken, en zij trachtte die beweegreden voldoende te achten ter verklaring van hun stilzwijgen.

Er was echter één middel om achter den waren staat van zaken te komen, en alle geheimzinnigheid te verbannen, zóó recht op het doel afgaand, zoo eenvoudig, en naar hare meening zoo verkieselijk, dat zij niet kon nalaten, haar moeder dit aan de hand te doen.

“Waarom vraagt u Marianne niet zelf,” zei zij, “of ze al of niet met Willoughby verloofd is? Van u, haar moeder, die zoo vriendelijk en toegevend voor haar is, kan die vraag haar niet grieven. ’t Zou het natuurlijk uitvloeisel zijn van uw genegenheid voorhaar. Zij placht één en al openhartigheid te zijn, tegenover u vooral.”

“Die vraag zou ik haar nooit willen doen; in geen geval. Neem eens voor een oogenblik aan, dat zij niet verloofd waren, hoeveel verdriet zou ik haar dan doen door dat uitvragen. ’t Zou in elk geval heel weinig edelmoedig zijn. Ik zou nooit meer haar vertrouwen verdienen, wanneer ik haar wilde dwingen tot een bekentenis van ’t geen voorloopig niemand nog mag weten. Ik ken Marianne door en door; ik weet hoeveel zij van mij houdt, en dat ik niet de laatste zal zijn, die de toedracht der zaak vernemen zal, wanneer de omstandigheden die kennisgeving raadzaam doen achten. Ik zou nooit willen pogen iemands vertrouwen af te dwingen; het allerminst dat van mijn eigen kind, omdat haar plichtgevoel haar mogelijk zou weerhouden, dat vertrouwen te weigeren, waar zij het liever niet geschonken had.”

Elinor vond, met het oog op haar zuster’s jeugd, deze opvatting overdreven; en drong nog nader bij haar moeder aan; doch te vergeefs; gezond verstand, natuurlijke bezorgdheid, vanzelfsprekende voorzichtigheid, alles moest achterstaan bij Mevrouw Dashwood’s romantisch overdreven fijn gevoel.

Meerdere dagen verliepen, eer Willoughby’s naam door een der leden van het gezin in Marianne’s tegenwoordigheid werd genoemd; Sir John en Mevrouw Jennings achtten zich tot die kieschheid niet verplicht, en hun geestigheden vermeerderden de pijn van menig pijnlijk oogenblik;—doch op zekeren avond zeide Mevrouw Dashwood, toen zij toevallig een deeltje van Shakespeare opnam:

“We hebben Hamlet nog niet uitgelezen, Marianne, onze beste Willoughby ging heen, eer we ’t hadden geëindigd. We zullen het wegleggen, en als hij terugkomt... Maar het zal misschien maanden duren, eer dàt gebeurt.”

“Maanden?” riep Marianne, zeer verwonderd. “O neen,—weken zelfs niet!”

Mevrouw Dashwood had reeds berouw van haar gezegde, doch het deed Elinor genoegen, daar het Marianne een antwoord had ontlokt, dat haar volkomen vertrouwen in Willoughby uitdrukte, en haar voorkennis omtrent zijn plannen verried.

Op zekeren morgen, een week ongeveer na zijn vertrek, haalden hare zusters Marianne over, hen te vergezellen op hun dagelijksche wandeling, inplaats van alleen rond te zwerven. Tot nu toe had zij op die eenzame tochten angstvallig alle gezelschap vermeden. Als haar zusters plan hadden de heuvels te beklimmen, dan sloop zij naar het bosch; spraken zij van het dal, dan klom Marianne langs de steilste paden, en zij was nooit ergens te vinden, wanneer de anderen gereed waren om uit te gaan. Ten laatste echter werd er beslag op haar gelegd door Elinor, die deze voortdurende afzondering zeer verkeerd achtte. Zij wandelden langs den weg: door het dal, meestal zwijgend; want Marianne’sgeestliet zich niet dwingen, en Elinor, tevreden nu zij in een opzicht haar zin had gekregen, wilde thans niet méér beproeven. Voorbij den ingang van het dal, waar het landschap, ofschoon nog schilderachtig en afwisselend, minder bergachtig werd en ruimer uitzicht verleende, konden zij een groot deel overzien van den weg, waarlangs zij voor de eerste maal naar Barton waren gekomen; en toen zij deze plek hadden bereikt, bleven zij staan, om rond te zien en het uitzicht te genieten over de vlakte, die zij van uit hun huisje in de verte konden onderscheiden, thans vanuit een punt, tot waar hunne wandelingen zich toevallig nog niet eerder hadden uitgestrekt. Onder de voorwerpen, die het landschap stoffeerden, bespeurden zij spoedig een, dat zich bewoog; het was een man te paard, die naderbij kwam. Na een paar minuten zagen zij, dat het een heer was, en een oogenblik later riepMarianne vol verrukking: “Hij is het; o zeker!—ik weet dat hij het is!” en zij wilde hem reeds tegemoetsnellen, toen Elinor haastig zeide: “Werkelijk Marianne, je vergist je. Het is Willoughby niet. Deze man is zoo groot niet als hij, en heeft een andere houding.”

“O jawel, jawel,” riep Marianne, “hij is het; ’t is zijn figuur, zijn jas, zijn paard. Ik wist wel, dat hij gauw zou komen.”

Ze liep onder het spreken haastig verder; en Elinor versnelde eveneens haar schreden, om Marianne bij te houden, daar zij bijna zeker was, dat het Willoughby niet kon zijn, en zij haar zuster’s gedrag niet wilde laten in ’t oog vallen. Weldra waren zij geen dertig meter meer van den vreemden heer verwijderd. Marianne keek nogmaals op; haar hart ontzonk haar; zij keerde zich om en liep haastig terug; doch tegelijk met de stemmen harer zusters, die haar toeriepen stil te staan, hoorde zij een derde, bijna even welbekend als die van Willoughby, hetzelfde verzoek tot haar richten, en toen zij zich verbaasd op nieuw omwendde, herkende en begroette zij Edward Ferrars. Hij was de eenige persoon ter wereld, wien zij op dat oogenblik kon vergeven, dat hij niet Willoughby was; de eenige die haar een glimlach had kunnen ontlokken. Zij drong haar tranen terug om hem toe te lachen, en vergat een oogenblik haar eigen teleurstelling voor haar zuster’s blijdschap.

Hij stapte af, liet zijn paard aan zijn rijknecht over, en wandelde methenterug naar Barton, waar hij hun een bezoek wilde komen brengen. Hij werd door allen verwelkomd met de grootste hartelijkheid; vooral door Marianne, die nog levendiger voldoening liet blijken over zijn komst dan Elinor zelve. In Marianne’s oogen scheen de begroeting tusschen Edward en haar zuster slechts de voortzetting van die onverklaarbaar koele houding, die zij hen te Norland reeds zoo dikwijlstegenover elkaar had zien in acht nemen. Vooral van Edward’s zijde ontbrak aan die begroeting al wat een minnaar bij zulk een gelegenheid door blikken of woorden had moeten aan den dag leggen. Hij was verlegen, scheen niet eens blijde, hen te zien, keek noch verheugd, noch vroolijk, zei bijna niet anders dan wat hem gevraagd werd, en liet tegenover Elinor geen spoor van bijzondere genegenheid blijken. Marianne keek en luisterde met toenemende verbazing. Ze begon bijna een hekel aan Edward te krijgen, en ten slotte eindigde die opwelling, zooals elk gevoel bij haar moest eindigen, met een terugkeer in gedachten tot Willoughby, wiens gedrag dan ook wel een opvallende tegenstelling vormde met dat van zijn uitverkoren aanstaanden schoonbroeder.

Na het korte stilzwijgen, dat volgde op de eerste verbaasde begroetingen en vragen over en weer, vroeg Marianne aan Edward of hij rechtstreeks uit Londen kwam. Neen, hij was reeds veertien dagen in Devonshire geweest.

“Veertien dagen!” herhaalde zij, verwonderd, dat hij zoolang had kunnen vertoeven in hetzelfde graafschap als Elinor, zonder haar te komen opzoeken. Hij keek verlegen en bedrukt, terwijl hij antwoordde, dat hij bij kennissen had gelogeerd in de buurt van Plymouth.

“Ben je nog voor kort in Sussex geweest?” vroeg Elinor.

“Een maand geleden ongeveer was ik nog te Norland.”

“En hoe ziet ons dierbaar Norland er wel uit?” riep Marianne.

“Ons dierbaar Norland,” zei Elinor, “zal er wel uitzien, zooals gewoonlijk om dezen tijd van het jaar; de bosschen en de wegen bedekt door een dichte laag dorre bladeren.”

“O,” riep Marianne, “met welke gevoelens van zielsverrukking zag ik ze vroeger niet vallen! Watwas het zalig, als de wind ze op mijn wandelingen in dichte vlagen om mij heen deed dwarrelen! Welke gevoelens wekten zij niet, in vereeniging met het jaargetij, met de geheele atmosfeer! Nu is er niemand, die acht op hen slaat. Ze worden beschouwd als een last, haastig weggeveegd, en zooveel mogelijk aan het gezicht onttrokken.”

“Niet iedereen,” zei Elinor, “is zóó verrukt van dorre bladeren als jij.”

“Neen, mijn gevoelens worden niet dikwijls gedeeld, niet dikwijls begrepen.Somsechter wèl.”

Zij verzonk een korte poos in gepeins; doch zei, zich als ’t ware daaruit losrukkend, terwijl zij Edward op het landschap wees: “Zie, Edward; dit is nu de vallei van Barton. Kijk nu dien kant eens uit, en blijf dan bedaard, als je kunt. Zie je die heuvels? Heb je ooit zoo iets prachtigs gezien? Links ligt Barton Park, tusschen die bosschen en dat struikgewas. Je kunt den zijgevel van het huis onderscheiden. En daar, aan den voet van dien laatsten heuvel, die zoo statig zich verheft, ligt ons huisje.”

“’t Is een mooie streek,” gaf hij ten antwoord; “maar die laag gelegen gedeelten zullen ’s winters wel erg modderig zijn.”

“Hoe kan je nu denken aan modder, terwijl je zulke dingen voor oogen hebt?”

“Omdat ik, onder meer, één buitengewoon modderig laantje voor mijn oogen zie.”

“Vreemd toch!” zei Marianne tot zichzelf, onder ’t voortwandelen.

“Heb je aardige buren hier? Zijn de Middleton’s prettige menschen?”

“Neen, volstrekt niet,” zei Marianne; “we hadden ’t niet ongelukkiger kunnen treffen.”

“Maar, Marianne,” riep haar zuster; “hoe kanjedat zeggen? Hoe kan je zoo onrechtvaardig zijn? Het is een heel aardige familie, Edward, en ze zijn voor ons allervriendelijkst geweest. Heb je danvergeten, Marianne, hoeveel prettige dagen we aan hen te danken hadden?”

“Neen,” zei Marianne iets zachter, “en hoeveel onaangename oogenblikken evenmin.”

Elinor hield zich alsof zij het niet hoorde, en zich thans tot hun gast wendend, poogde zij iets als een geregeld gesprek met hem gaande te houden door te vertellen van hun nieuwe huis, de inrichting ervan, en zoo meer, waardoor ze hem althans enkele vragen en opmerkingen ontlokte. Zijn koelheid en terughouding kwetsten haar diep; zij was geërgerd en bijna boos; doch met het vaste voornemen haar gedrag jegens hem liever in overeenstemming te brengen met het verleden, dan met zijn houding van nu, vermeed zij elk vertoon van ergernis of ongenoegen en behandelde hem, zooals zij oordeelde, dat hij, wegens hun familiebetrekking, behoorde behandeld te worden.

Hoofdstuk XVIIMevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag; want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw Dashwood’s innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ooktot háár uit te strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht, was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan zijn moeder’s gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.“Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het oog, Edward?” vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten; “moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?”“Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare leven evenmin talent als neiging bezit.”“Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden, zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk kunnen blijken.”“Ik zal ’t maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid niet kan afdwingen.”“Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even gematigd.”“Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar, precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik geen geluk vinden.”“Geen wonder!” riep Marianne. “Wat heeftrijkdom of grootheid met geluk te maken!”“Grootheid maar weinig,” zei Elinor; “rijkdom heel veel.”“O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt van ons eigen ik.”“Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens,” zei Elinor glimlachend. “Ik wed datjouwbescheiden grenzen enmijnrijkdom heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe, zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je ‘bescheiden grenzen?’”“Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar;meerdan ook niet.”Elinor lachte. “Tweeduizend pond in het jaar! Voor mij iseenal rijkdom. Dat had ik wel gedacht.”“Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen,” zei Marianne. “Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet houden, als men met minder dan dat moet rondkomen.”Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.“Jachtpaarden!” herhaalde Edward.—“Maar waarom moet je jachtpaarden erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet.”Marianne kreeg een kleur, en zei “De meeste menschen wèl.”“Ik wou,” zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend, “dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf.”“O, als dàt kon gebeuren!” riep Marianne, terwijl haar oogen schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap over dat denkbeeldig geluk.“Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen,” zei Elinor, “ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken.”“Wat zou ik blij zijn,” riep Margaret uit. “Ik ben benieuwd wat ik er wel mee zou doen.”Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig was.“Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden,” zei Mevrouw Dashwood, “als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder mijn hulp.”“U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit huis,” merkte Elinor op; “dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den weg geruimd.”“Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen,” zei Edward, “door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken laten zenden;—en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!—Thomson, Cowper, Scott,—ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude, kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet, Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet had vergeten.”“Ik wil graag aan ’t verleden herinnerd worden, Edward,—herinneringen, ’t zij ze treurig ofvroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan, mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van mijn verzameling boeken en muziek.”“En ’t kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers, of hunne erfgenamen.”“Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen.”“Misschien zou je ’t uitloven als belooning voor den persoon, die het best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen, dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?”“Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel tamelijk gevestigd. ’t Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed.”“Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk,” zei Elinor, “ze is nog steeds dezelfde.”“Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger.”“Dat magjijme niet verwijten, Edward,” zei Marianne. “Je bent zelf ook zoo heel vroolijk niet”.“Waarom denk je dat?” antwoordde hij, met een zucht. “Maar vroolijkheid lag nooit in mijn aard.”“In Marianne’s aard evenmin, dunkt mij,” zei Elinor.“Zij is niet wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig en vol vuur bij al wat ze doet;—ze spreekt soms veel, en altoos met overtuiging;—maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit.”“Ik geloof dat je gelijk hebt,” antwoordde hij, “en toch heb ik haar altoos als een druk, levendig meisje beschouwd.”“Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt,” zei Elinor, “op een volkomen verkeerdbegrijpen van iemands karakter in een of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt.”“Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor,” zei Marianne, “zich geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest.”“Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over ’t algemeen met meer voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden door hun oordeel?”“Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze op ’t punt van de burgerlijke beleefdheid,” zei Edward tot Elinor. “Heb je niets gewonnen?”“Integendeel,” antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend aanzag.“In theorie,” zei Edward, “sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk, terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was om bij voorkeur in onbeschaafdgezelschap te verkeeren, zoo weinig voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer ze mij vreemd zijn.”“Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren,” zei Elinor.“Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen,” antwoordde Edward. “Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken, dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen zijn.”“Maar terughoudend zou je altijd blijven,” zei Marianne, “en dat is nog erger.”Edward zette groote oogen op—“Terughoudend? Ben ik terughoudend, Marianne?”“Ja, heel erg.”“Ik begrijp je niet,” antwoordde hij, met een hoogen blos.—“Terughoudend!—hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?”Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om het gesprek een schertsende wending te geven: “Je kent mijn zuster toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?”Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.

Mevrouw Dashwood was slechts een oogenblik verrast, toen zij hem zag; want in haar oogen was zijn komst te Barton de natuurlijkste zaak van de wereld. Haar blijde en hartelijke welkomstbetuigingen duurden langer dan haar verwondering. Hij werd door haar allervriendelijkst ontvangen; zijn verlegenheid, koelheid, en terughouding bleken niet bestand tegen zulk een begroeting. Zij waren reeds aan het wankelen gebracht, eer hij het huis binnentrad, en namen de wijk voor Mevrouw Dashwood’s innemende manieren. Werkelijk kon iemand moeilijk verliefd zijn op eene harer dochters, zonder die liefde ooktot háár uit te strekken; en Elinor zag hem tot haar blijdschap spoedig weer de oude worden. Zijn genegenheid voor hen allen scheen weer op te leven, en men kon voelen dat hij belangstelde in hun welvaren. Opgewekt was hij echter niet; hij vond het huis mooi; bewonderde het uitzicht, was voorkomend en vriendelijk; maar de ware vroolijkheid ontbrak. Zij merkten het allen op, en Mevrouw Dashwood, die het toeschreef aan zijn moeder’s gemis van vrijgevigheid, ging aan tafel zitten met een gevoel van ergernis over alle zelfzuchtige ouders.

“Welke vooruitzichten heeft Mevrouw Ferrars tegenwoordig voor je op het oog, Edward?” vroeg zij, toen zij na het eten rondom het vuur zaten; “moet je nog steeds een groot redenaar worden, tegen je zin?”

“Neen. Ik hoop dat moeder nu wel overtuigd is, dat ik voor het openbare leven evenmin talent als neiging bezit.”

“Maar hoe moet je roem dan worden gevestigd? Want beroemd moet je worden, als je de familie zult tevredenstellen; en zonder neiging tot uiterlijk vertoon, zonder behoefte aan omgang met vreemden, zonder beroep, en zonder zelfvertrouwen, zou je dat wel moeilijk kunnen blijken.”

“Ik zal ’t maar niet beproeven. Ik koester geen wensch om mij te onderscheiden, en ik heb alle reden te hopen, dat ik dat nooit zal doen. Den hemel zij dank, dat men mij genialiteit en welsprekendheid niet kan afdwingen.”

“Ik weet het wel, je hebt geen eerzucht. Je wenschen zijn alle even gematigd.”

“Even gematigd als die van andere menschen ook, zou ik denken. Ik wensch, juist als ieder ander, volkomen gelukkig te zijn; maar, precies als die anderen, op mijn eigen manier. In beroemdheid zal ik geen geluk vinden.”

“Geen wonder!” riep Marianne. “Wat heeftrijkdom of grootheid met geluk te maken!”

“Grootheid maar weinig,” zei Elinor; “rijkdom heel veel.”

“O Elinor, schaam je! Geld geeft alleen dáár geluk, waar het in niets anders te vinden is. Buiten zekere bescheiden grenzen, kan het geen werkelijke voldoening schenken, voor zoover het de aanspraken geldt van ons eigen ik.”

“Misschien blijken we het ten slotte toch nog eens,” zei Elinor glimlachend. “Ik wed datjouwbescheiden grenzen enmijnrijkdom heel veel op elkaar gelijken, en daarzonder, dat geven we elkaar toe, zouden we, zooals de wereld nu eenmaal is, alles ontberen, wat ons uiterlijk gemak en behagen kan verschaffen. Jij vat de zaak alleen wat breeder op dan ik. Kom er maar mee voor den dag; wat zijn je ‘bescheiden grenzen?’”

“Een achttienhonderd of tweeduizend pond in het jaar;meerdan ook niet.”

Elinor lachte. “Tweeduizend pond in het jaar! Voor mij iseenal rijkdom. Dat had ik wel gedacht.”

“Maar tweeduizend pond is werkelijk een heel bescheiden inkomen,” zei Marianne. “Met minder kan een gezin toch wel haast niet toe. Ik vind niet dat ik buitensporige eischen stel. Een voldoende aantal bedienden; een rijtuig, twee misschien, en jachtpaarden kan men niet houden, als men met minder dan dat moet rondkomen.”

Weer glimlachte Elinor, toen zij haar zuster zoo nauwkeurig hun toekomstige uitgaven te Combe Magna hoorde beschrijven.

“Jachtpaarden!” herhaalde Edward.—“Maar waarom moet je jachtpaarden erop nahouden? Iedereen jaagt toch niet.”

Marianne kreeg een kleur, en zei “De meeste menschen wèl.”

“Ik wou,” zei Margaret, een nieuw onderwerp op het tapijt brengend, “dat iemand ons één voor één een groot fortuin present gaf.”

“O, als dàt kon gebeuren!” riep Marianne, terwijl haar oogen schitterden van opgewondenheid, en haar wangen gloeiden van blijdschap over dat denkbeeldig geluk.

“Met dien wensch kunnen we ons zeker allen vereenigen,” zei Elinor, “ondanks de geringe bevrediging, die rijkdom vermag te schenken.”

“Wat zou ik blij zijn,” riep Margaret uit. “Ik ben benieuwd wat ik er wel mee zou doen.”

Marianne keek, alsof dàt punt voor haar aan geen twijfel onderhevig was.

“Ik zou niet weten, hoe ik een groot fortuin moest besteden,” zei Mevrouw Dashwood, “als mijn kinderen alle drie reeds rijk waren zonder mijn hulp.”

“U moest dan maar beginnen met de voorgenomen verbeteringen van dit huis,” merkte Elinor op; “dan zou die moeilijkheid gauw zijn uit den weg geruimd.”

“Wat zouden er dàn uitgebreide bestellingen worden gedaan in Londen,” zei Edward, “door alle leden van het gezin! Wat een blijde dag voor boek- en muziekhandelaars en voor kunstkoopers! Elinor zou hun de vrije hand laten, en zich al de fraaiste nieuwste etsen en plaatwerken laten zenden;—en Marianne, ik ken haar royale opvattingen, er zou geen muziek genoeg in Londen zijn om haar te voldoen. En boeken!—Thomson, Cowper, Scott,—ze zou ze allen weer op nieuw aanschaffen, ze zou alle exemplaren opkoopen, wed ik, om te verhinderen, dat ze in onwaardige handen geraakten, en ze zou alle boeken willen hebben, waarin oude, kronkelig vergroeide boomen worden bewonderd. Is het zoo niet, Marianne? Wees niet boos als ik een beetje ondeugend ben. Maar ik wou je eens laten zien, dat ik onze oude twistgesprekken nog niet had vergeten.”

“Ik wil graag aan ’t verleden herinnerd worden, Edward,—herinneringen, ’t zij ze treurig ofvroolijk zijn, roep ik gaarne op, en je kunt mij nooit grieven door te spreken over vroegere tijden. Je hebt juist geraden, hoe ik mijn geld besteden zou; een gedeelte ervan, mijn gereed geld tenminste, zou stellig dienen tot aanvulling van mijn verzameling boeken en muziek.”

“En ’t kapitaal zou worden belegd in lijfrenten voor de schrijvers, of hunne erfgenamen.”

“Neen, Edward, daar zou ik iets anders mee hebben te doen.”

“Misschien zou je ’t uitloven als belooning voor den persoon, die het best in een geschrift je geliefkoosden stelregel wist te verdedigen, dat niemand meer dan eenmaal in zijn leven verliefd kan zijn, want op dat punt is je meening zeker nog onveranderd?”

“Natuurlijk. Als men eenmaal zoo oud is als ik, dan is ons oordeel tamelijk gevestigd. ’t Is niet waarschijnlijk, dat ik nu nog iets zou zien of hooren, dat mij van meening veranderen deed.”

“Je ziet wel, Marianne staat nog even vast op haar stuk,” zei Elinor, “ze is nog steeds dezelfde.”

“Ze is alleen wat ernstiger geworden dan vroeger.”

“Dat magjijme niet verwijten, Edward,” zei Marianne. “Je bent zelf ook zoo heel vroolijk niet”.

“Waarom denk je dat?” antwoordde hij, met een zucht. “Maar vroolijkheid lag nooit in mijn aard.”

“In Marianne’s aard evenmin, dunkt mij,” zei Elinor.“Zij is niet wat ik een levendig, opgewekt meisje zou noemen; ze is heel ernstig en vol vuur bij al wat ze doet;—ze spreekt soms veel, en altoos met overtuiging;—maar eigenlijk vroolijk is ze bijna nooit.”

“Ik geloof dat je gelijk hebt,” antwoordde hij, “en toch heb ik haar altoos als een druk, levendig meisje beschouwd.”

“Op dergelijke vergissingen heb ik mijzelve dikwijls betrapt,” zei Elinor, “op een volkomen verkeerdbegrijpen van iemands karakter in een of ander opzicht; door mij te verbeelden dat de menschen vroolijker of ernstiger, of verstandiger of dommer waren, dan ze feitelijk zijn, en ik kan zelf niet zeggen waarom, of waaruit die vergissing voortsproot. Soms laat men zich beïnvloeden door wat ze zeggen omtrent zichzelf, en heel dikwijls door wat anderen van hen vertellen, zonder zich den tijd te gunnen tot wikken en wegen eer men oordeelt.”

“Maar ik dacht dat het juist goed was, Elinor,” zei Marianne, “zich geheel en al te laten leiden door het oordeel van anderen. Ik dacht dat wij alleen meeningen mochten vormen, om ze te onderwerpen aan die van onze buren. Dat is altijd je leer geweest.”

“Neen, nooit, Marianne. Mijn bedoeling is nooit geweest dat het begrip zich onderwerpen zou. Al wat ik ooit heb willen gewijzigd zien, was het gedrag. Je moet mij niet verkeerd begrijpen. Ik beken, dat ik dikwijls heb gewenscht, je onze kennissen over ’t algemeen met meer voorkomendheid te zien behandelen, maar heb ik je ooit aangeraden hun gevoelens over te nemen, of je in gewichtige dingen te laten leiden door hun oordeel?”

“Het is je dus niet gelukt, je zuster over te halen tot je zienswijze op ’t punt van de burgerlijke beleefdheid,” zei Edward tot Elinor. “Heb je niets gewonnen?”

“Integendeel,” antwoordde Elinor, terwijl ze Marianne veelbeteekenend aanzag.

“In theorie,” zei Edward, “sta ik geheel aan jouw kant, maar ik vrees dat ik in de praktijk op je zuster gelijk. Ik wensch nooit aanstoot te geven; maar ik ben zoo belachelijk verlegen, dat ik dikwijls lomp lijk, terwijl ik alleen word belemmerd door mijn aangeboren onhandigheid. Ik heb mij wel eens verbeeld dat ik zeker door de natuur voorbestemd was om bij voorkeur in onbeschaafdgezelschap te verkeeren, zoo weinig voel ik mij op mijn gemak onder lieden uit hoogeren stand, wanneer ze mij vreemd zijn.”

“Marianne kan voor haar nalatigheid in dat opzicht niet bepaald verlegenheid als verontschuldiging aanvoeren,” zei Elinor.

“Zij kent haar eigen waarde te goed, om valsche schaamte te gevoelen,” antwoordde Edward. “Verlegenheid is alleen het gevolg van een zeker minderheidsbesef in een of ander opzicht. Als ik mijzelf kon wijsmaken, dat ik mij gemakkelijk en luchtig bewoog, dan zou ik niet verlegen zijn.”

“Maar terughoudend zou je altijd blijven,” zei Marianne, “en dat is nog erger.”

Edward zette groote oogen op—“Terughoudend? Ben ik terughoudend, Marianne?”

“Ja, heel erg.”

“Ik begrijp je niet,” antwoordde hij, met een hoogen blos.—“Terughoudend!—hoe dan? in welk opzicht? Wat had ik je dan moeten vertellen? Wat vermoedde je dan?”

Elinor keek vreemd op, toen zij hem zoo ontroerd zag; maar zei, om het gesprek een schertsende wending te geven: “Je kent mijn zuster toch genoeg om te begrijpen wat ze bedoelt? Je weet immers wel dat zij ieder terughoudend noemt, die niet even snel spreekt, en al wat zij mooi vindt niet even verrukt bewondert als zij zelf?”

Edward gaf geen antwoord. Hij werd weer juist zoo ernstig en nadenkend als in het begin, en bleef langen tijd stil en afgetrokken.

Hoofdstuk XVIIIElinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken, die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan, en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was, waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel staan.“Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien,” zei hij, “nu je toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug.”Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht schonk, en reeds begon zij te vertellenvan haar eigen bewondering voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar ’t geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel door te zeggen: “Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,—de bergen zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn te vinden—en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen, dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn, begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed.”“Ik vrees, dat het maar al te waar is,” zei Marianne; “maar waaromvindje ’t noodig, je daarop te beroemen?”“Ik zou haast denken,” zei Elinor, “dat Edward in de ééne affectatie vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij, stelt hij zichzelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier.”“’t Is wèl waar,” zei Marianne, “dat bewondering van natuurschoon tot een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene, die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd, dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon vinden om ze in uit te drukken, dan door ’t gebruik van versleten phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit.”“Ik ben overtuigd,” zei Edward, “dat jij werkelijk de verrukkinggevoeltover een mooi vergezicht, die jebeweertte voelen. Maar van den anderen kant moet je zustermijnu weer niet méér laten voelen dan ikbeweer. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houdnietvan kromme, verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels, of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede, tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige bandieten van de wereld konden doen.”Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.—Elinor lachte maar eens.Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen, dat haar een ring opviel,met een haarvlechtje in het midden, die hij aan den vinger droeg.“Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward”, riep zij. “Is dat Fanny’s haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde ’t je te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had.”Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,—maar toen ze zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: “Ja, het is mijn zuster’s haar. De kleur verandert altijd een beetje, als het in goud gevat is.”Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit: dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien, en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies de kleur van haar eigen was.Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest, zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis die in haar zuster had gewekt.Reeds voor den middag kregen zij bezoek vanSir John en Mevrouw Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars met eenFbegon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen, waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever hun doorzicht, gegrond op Margaret’s inlichtingen, wel reikte.Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij hen voor beiden tegelijk.“Jeluimoetvan avond bij ons theedrinken,” zei hij, “want we zijn heelemaal onder ons;—en morgen mag je niet weigeren bij ons te dineeren, want het is een groote partij”. Mevrouw Jennings vond dit ook volstrekt noodzakelijk. “En wie weet, of het dan niet tot een dansje komt,” zei ze. “Dat zal jou aanstaan, Marianne.”“Dansen?” riep Marianne. “Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?”“Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht, dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?”“Ik wou om een lief ding,” riep Sir John, “dat Willoughby weer kon meedoen.”Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. “Wie is die Willoughby?” vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.Zij antwoordde vluchtig. Marianne’s gezicht gafveel meer te kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was, ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: “Ik ben aan ’t raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?”“Wat bedoel je?”“Zal ik ’t maar zeggen?”“Ja zeker.”“Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat.”Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik zwijgens: “O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult.”“Daar twijfel ik niet aan,” antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd, erop te zinspelen.

Elinor maakte zich over de neerslachtigheid van haar vriend ernstig ongerust. Zijn bezoek verschafte haar slechts een zeer beperkt genoegen, nu hij zelf er blijkbaar slechts ten halve van genieten kon. Het was duidelijk merkbaar dat hij zich ongelukkig voelde; zij wenschte wel, dat hij haar even duidelijk de genegenheid liet blijken, die zij eenmaal vast vertrouwde hem te hebben ingeboezemd; doch tot nog toe scheen het zeer onzeker, dat die voorkeur was blijven bestaan, en zijn teruggetrokken houding tegenover haar sprak het ééne oogenblik tegen, wat een bezielde blik in het vorige verried.

Hij kwam den volgenden morgen bij haar en Marianne in de eetkamer, eer de anderen beneden waren; en Marianne, die altijd gaarne bereid was, waar zij kon, hun geluk te bevorderen, liet hen spoedig alleen. Doch eer zij halverwege de trap was opgegaan, hoorde zij dat de kamerdeur werd geopend, en zag tot haar verbazing Edward zelf op den drempel staan.

“Ik ga naar het dorp om naar mijn paarden te zien,” zei hij, “nu je toch nog niet gaat ontbijten; ik kom dadelijk terug.”

Toen Edward zich weer bij hen voegde, sprak hij opnieuw zijn bewondering over de omgeving uit; hij had op zijn wandeling naar het dorp vele punten in de vallei op hun mooist gezien; en van uit het dorp zelf, dat veel hooger gelegen was dan hun huisje, had men een ruim uitzicht over de geheele streek, dat hem buitengemeen had getroffen. Dit was een onderwerp, waaraan Marianne gaarne haar aandacht schonk, en reeds begon zij te vertellenvan haar eigen bewondering voor het landschap, en hem meer in bijzonderheden te vragen naar ’t geen hem het meest was opgevallen, toen Edward haar in de rede viel door te zeggen: “Vraag nu niet te veel dóór, Marianne; je weet, ik heb van schilderachtigheid geen verstand, en ik zal je stellig ergeren door mijn onkunde en gebrek aan smaak, als we tot bijzonderheden afdalen. Ik noem bergen steil, die jij grootsch zoudt noemen, ik vind vormen vreemd en wanstaltig, die mij moesten verrukken door hun grillige woestheid, en ik zeg, dat ik voorwerpen op een afstand niet kan onderscheiden, terwijl ze volgens jou slechts vaag zouden schemeren door de wazige zachtheid van een nevelige atmosfeer. Je moet maar tevreden zijn met de soort van bewondering, die ik eerlijk aan den dag kan leggen. Ik vind dit een mooie streek,—de bergen zijn steil; in de bosschen groeit zwaar geboomte, en het dal ziet er gezellig en welvarend uit, met sappige weilanden, waartusschen goed onderhouden boerderijen verspreid liggen. Het is juist, wat ik versta onder een mooie streek, omdat hier schoonheid en nut vereenigd zijn te vinden—en ik geloof graag, dat het ook wel schilderachtig zal zijn, omdat jij het bewondert; ik kan mij gemakkelijk voorstellen, dat er heel wat rotsen en uitstekende punten in te vinden zijn, begroeid met grauw mos en verwilderd struikgewas, maar die maken op mij geen indruk. Schilderachtigheid is aan mij niet besteed.”

“Ik vrees, dat het maar al te waar is,” zei Marianne; “maar waaromvindje ’t noodig, je daarop te beroemen?”

“Ik zou haast denken,” zei Elinor, “dat Edward in de ééne affectatie vervalt, om de andere te vermijden. Omdat hij meent, dat veel menschen méér bewondering beweren te gevoelen voor de schoonheden der natuur dan ze werkelijk doen, en een afkeer heeft van die aanstellerij, stelt hij zichzelf aan, alsof hij onverschilliger was en minder bevoegd tot oordeelen in dezen, dan feitelijk het geval is. Hij is kieskeurig, en verkiest zich aan te stellen op zijn eigen manier.”

“’t Is wèl waar,” zei Marianne, “dat bewondering van natuurschoon tot een goedkoope napraterij is geworden. Iedereen beweert nu even fijn te voelen en poogt even sierlijk dat gevoel uit te drukken als degene, die het eerst de schoonheid van het schilderachtige onder woorden bracht. Ik verfoei iedere soort van jargon, en het is wel gebeurd, dat ik mijn gevoelens maar vóór mij hield, omdat ik geen woorden kon vinden om ze in uit te drukken, dan door ’t gebruik van versleten phrasen, die zin en beteekenis hadden verloren door hun banaliteit.”

“Ik ben overtuigd,” zei Edward, “dat jij werkelijk de verrukkinggevoeltover een mooi vergezicht, die jebeweertte voelen. Maar van den anderen kant moet je zustermijnu weer niet méér laten voelen dan ikbeweer. Ik houd óók van mooie vergezichten, maar niet op grond van hun schilderachtigheid. Ik houdnietvan kromme, verdraaide, half vergane boomen; ik vind ze veel mooier als ze recht en hoog zijn en door en door gezond. Ik houd óók niet van havelooze, vervallen hutjes. En ik heb géén pleizier in brandnetels, of distels, of heide en brem. Ik zie vrij wat liever een genoegelijk boerderijtje dan een uitkijk-toren, en een groepje netgekleede, tevreden dorpsbewoners behaagt mij meer dan de schilderachtige bandieten van de wereld konden doen.”

Marianne keek Edward verbaasd, en haar zuster medelijdend aan.—Elinor lachte maar eens.

Ze gingen niet verder door op dat onderwerp, en Marianne bleef nadenkend zwijgen, tot een nieuw voorwerp plotseling haar aandacht trok. Zij zat naast Edward, en toen hij zijn theekopje van Mevrouw Dashwood aannam, bewoog hij zijn hand zoo vlak voor haar oogen, dat haar een ring opviel,met een haarvlechtje in het midden, die hij aan den vinger droeg.

“Vroeger heb ik je nooit een ring zien dragen, Edward”, riep zij. “Is dat Fanny’s haar? Ik herinner mij, dat zij beloofde ’t je te geven. Maar ik dacht, dat zij een donkerder tint van haar had.”

Marianne zei, zonder na te denken, wat in haar opkwam,—maar toen ze zag, hoe pijnlijk Edward was getroffen, gevoelde zij een ergernis over haar onbedachtzaamheid, die de zijne nog ver overtrof. Hij kleurde tot over de ooren, en zei, met een vluchtigen blik naar Elinor: “Ja, het is mijn zuster’s haar. De kleur verandert altijd een beetje, als het in goud gevat is.”

Elinor ving zijn blik op, en keek ook niet onbevangen. Evengoed als Marianne, geloofde zij onmiddellijk, dat het haar eigen haar moest zijn; het eenige verschil tusschen beider gevolgtrekkingen was dit: dat Marianne het beschouwde als een vrijwillig geschenk van haar zuster; terwijl Elinor overtuigd was, dat hij het had bemachtigd door diefstal of langs een anderen weg, zonder hare voorkennis. Zij was echter niet gezind, dit als een beleediging te beschouwen, en hield zich alsof het voorgevallene haar aandacht was ontgaan, door dadelijk over iets anders te spreken; terwijl ze zich in stilte voornam van nu af elke gelegenheid aan te grijpen om het haar van nabij te bezien, en zich de onomstootelijke zekerheid te verschaffen, dat het precies de kleur van haar eigen was.

Edward bleef nog geruimen tijd niet op zijn gemak, en verviel later weer in een van zijn langdurige vlagen van afgetrokkenheid. Hij was den geheelen morgen bijzonder ernstig gestemd. Marianne verweet zichzelve heftig wat ze had gezegd; maar ze zou eerder bereid zijn geweest, zich haar misslag te vergeven, als ze geweten had, hoe weinig ergernis die in haar zuster had gewekt.

Reeds voor den middag kregen zij bezoek vanSir John en Mevrouw Jennings, die hadden gehoord dat er een heer op Barton Cottage logeerde, en den gast eens kwamen opnemen. Met de hulp van zijn schoonmoeder kwam Sir John er al spoedig achter, dat de naam Ferrars met eenFbegon, en die ontdekking was voldoende, om een toekomstige mijn van geestigheden ten koste van de verliefde Elinor te doen leggen, waarvan de losbarsting alleen door hun kortstondige bekendheid met Edward vooralsnog kon worden verhinderd. Nu echter reeds werd haar door enkele uiterst veelzeggende blikken te kennen gegeven tot hoever hun doorzicht, gegrond op Margaret’s inlichtingen, wel reikte.

Sir John kwam nooit bij de Dashwoods, zonder hen òf ten eten te vragen voor den volgenden dag, òf op de thee, nog den zelfden avond. Bij deze gelegenheid en tot meerder genoegen van den gast, tot wiens vermaak hij zich verplicht voelde het zijne bij te dragen, inviteerde hij hen voor beiden tegelijk.

“Jeluimoetvan avond bij ons theedrinken,” zei hij, “want we zijn heelemaal onder ons;—en morgen mag je niet weigeren bij ons te dineeren, want het is een groote partij”. Mevrouw Jennings vond dit ook volstrekt noodzakelijk. “En wie weet, of het dan niet tot een dansje komt,” zei ze. “Dat zal jou aanstaan, Marianne.”

“Dansen?” riep Marianne. “Hoe kan dat nu! Wie danst er dan?”

“Wie? Nu, jelui zelf, en de Careys, en Whitakers dan toch? O, je dacht, dat niemand meer dansen kon, nu zeker iemand is heengegaan?”

“Ik wou om een lief ding,” riep Sir John, “dat Willoughby weer kon meedoen.”

Toen hij Marianne hierop zag blozen, kreeg Edward achterdocht. “Wie is die Willoughby?” vroeg hij zachtjes aan Elinor, die naast hem zat.

Zij antwoordde vluchtig. Marianne’s gezicht gafveel meer te kennen. Edward zag genoeg, om niet alleen de bedoeling der anderen te vatten, maar ook uitdrukkingen van Marianne, waarover hij zich verwonderd had, verklaard te zien, en toen het bezoek vertrokken was, ging hij aanstonds naar haar toe en zei fluisterend: “Ik ben aan ’t raden geweest. Zal ik je eens vertellen, wat ik denk?”

“Wat bedoel je?”

“Zal ik ’t maar zeggen?”

“Ja zeker.”

“Ik denk... dat Mijnheer Willoughby wel eens op de jacht gaat.”

Marianne was verrast en verlegen; maar zij kon toch niet nalaten te glimlachen om zijn stille guitigheid, en zei, na een oogenblik zwijgens: “O Edward! Hoe kon je... Maar er zal, hoop ik, eens een tijd komen... Ik weet zeker, dat je van hem houden zult.”

“Daar twijfel ik niet aan,” antwoordde hij, wel eenigszins verwonderd over haar ernst, en de warmte waarmee ze sprak; want als hij niet had gedacht, dat het maar een grap was, waarmee haar kennissen haar plaagden, naar aanleiding van een vluchtige gecharmeerdheid tusschen haar en dien Mijnheer Willoughby, dan zou hij niet hebben gewaagd, erop te zinspelen.

Hoofdstuk XIXEdward bleef een week te Barton; Mevrouw Dashwood drong er zeer op aan, dat hij langer zou blijven; doch hij scheen, alsof zelfkwelling zijn eenig doel was, vast besloten om juist te vertrekken, nu hij het meest van het bijzijn zijner vriendinnen genoot. In de laatste twee of drie dagen was zijn stemming, ofschoon nog zeer afwisselend, toch aanmerkelijk verbeterd; hij begon zich meer en meer te hechten aan het huis en de omgeving, sprak nooit van vertrekken zonder een diepen zucht,—gaf te kennen dat hij over zijn tijd vrijelijk kon beschikken,—wist zelfs nog niet recht, waarheen hij zou gaan, als hij hen verliet; maar toch, vertrekkenmoesthij. Nog nooit had hem een week zoo kort geschenen;—hij kon niet gelooven dat het alweer voorbij was. Dat zei hij herhaaldelijk, en nog meer liet hij zich ontvallen, dat wees op een omkeer in zijn gevoelens, en met zijn daden in tegenspraak was. Hij vond het in Norland niets prettig; aan de stad had hij een hekel; maar òf naar Norland, òf naar Londen moest hij gaan. Hij waardeerde hun hartelijkheid meer dan iets ter wereld, en hij kende geen grooter genoegen dan met hen samen te zijn. Toch moest hij hen na een week reeds verlaten, tegen zijn eigen en hun aller wensch, en terwijl hij aan geen tijd gebonden was.Elinor weet al wat zonderling scheen in zijn handelwijze aan zijn moeder, en het was een geluk voor haar, dat hij een moeder had, van wier karakter zij zoo weinig afwist, dat het als doorgaande verontschuldiging kon gelden voor al wat er vreemds was in het gedrag van haar zoon. Maar hoezeer zijzich ook teleurgesteld en gegriefd gevoelde, ja somtijds geërgerd door zijn onzekere houding tegenover haar, zij bleef toch over het geheel ten volle bereid om al zijn handelingen te beschouwen met die eerlijke toegevendheid en onpartijdige ruimheid van oordeel, die haar, met vrij wat meer moeite, door haar moeder indertijd waren afgedwongen ten behoeve van Willoughby. Zijn gebrek aan opgewektheid, aan openhartigheid, en aan vastheid in zijn optreden, werden maar steeds weer toegeschreven aan zijn behoefte aan onafhankelijkheid en zijn nauwkeuriger bekendheid met Mevrouw Ferrars’ beschikkingen en plannen. De korte duur van zijn bezoek, zijn volharden bij zijn voornemen nu reeds te vertrekken, ook dit alles sproot voort uit dat zelfde geweld aandoen van zijn neiging, de zelfde onvermijdelijke noodzakelijkheid om zijn moeder voorloopig te ontzien. De oude, diep gewortelde tweespalt tusschen plicht en neiging, het verzet van het kind, in opstand tegen ouderlijk gezag, was van alles de oorzaak. Wel gaarne zou zij hebben geweten, wanneer deze moeilijkheden zouden zijn uit den weg geruimd, deze tegenstand overwonnen,—wanneer Mevrouw Ferrars tot andere gedachten zou komen, en haar zoon de vrijheid zou laten, zijn geluk te vinden. Doch zij werd wel gedwongen, die ijdele wenschen te laten varen, en troost te zoeken in haar hernieuwd vertrouwen op Edward’s genegenheid, in de herinnering aan elk getuigenis daarvan, door woord of blik, die hem te Barton ontsnapten, en vooral in dat vleiend bewijs van zijn trouw, dat hij voortdurend aan zijn vinger droeg.“Mij dunkt, Edward,” zei Mevrouw Dashwood, toen zij den laatsten morgen aan het ontbijt zaten, “dat je gelukkiger zoudt zijn, als je een beroep hadt, dat je tijd in beslag nam, en richting gaf aan je plannen en handelingen. Voor je vrienden zou daaraan allicht eenig bezwaar zijn verbonden; jezoudt niet in staat zijn, zooveel tijd aan hen te wijden als thans. Maar,” voegde zij er met een glimlach bij, “in één opzicht zou het toch een direct voordeel voor je zijn; je zoudt dan weten, wáárheen te gaan, wanneer je hen verliet.”“Ik verzeker u,” antwoordde hij, “dat ik de waarheid van ’t geen u zegt, reeds lang heb ingezien. Het was, en is, en zal waarschijnlijk altijd voor mij een groot ongeluk zijn, dat ik geen noodzakelijke bezigheid heb, die mij in beslag neemt, geen beroep, dat mijn krachten vergt en mij in staat stelt, mij ook maar eenigszins onafhankelijk te voelen. Maar het ongeluk wilde, dat mijn eigen kieskeurigheid en die mijner vrienden mij gemaakt hebben tot wat ik ben, een werkeloos, hulpeloos wezen. Wij konden het nooit eens worden over de keuze van een beroep. Ik gaf altoos de voorkeur aan den geestelijken stand, en dat doe ik nog. Maar dat vond mijn familie niet wereldsch genoeg. Zij wilden dat ik militair zou worden. Dat was nu weer veel te wereldsch voor mij. In de rechten studeeren, nu, dat was althans deftig genoeg naar hun zin; veel jongelui, die kamers hadden in den Temple, maakten een goed figuur in de eerste kringen, en reden rond in karretjes, die ’t bekijken waard waren. Maar ik voelde niets voor de rechten, zelfs niet voor die weinig diepgaande studie van de wet, die mijn familie op het oog had en goedkeurde. De marine was uit het oogpunt van “stand” wel aan te bevelen; maar toen de vraag mij werd voorgelegd, was ik al te oud om daar nog mee te beginnen,—en ten slotte, nu het eenmaal niet noodig was, dat ik een beroep koos, nu ik even goed vertooning kon maken en geld uitgeven zònder een rooden rok als mèt dat aanhangsel, werd ten slotte verklaard, dat leegloopen voor mij de voordeeligste en meest eervolle bezigheid zou zijn, en een jongmensch van achttien jaar is in den regel niet zoo ernstig gesteld op werk, dat hij zich zal verzetten tegen het dringendverzoek zijner vrienden om niets uit te voeren. Ik werd dus ingeschreven te Oxford, en heb sedert geluierd naar den eisch.”“En naar ik vermoed, zal ’t gevolg hiervan zijn,” zeide Mevrouw Dashwood, “nu gebleken is, dat ledigheid je eigen geluk niet heeft bevorderd, dat je zoons zullen worden opgeleid voor alle mogelijke vakken, bezigheden, ambten en beroepen, die iemand ter wereld beoefenen of waarnemen kan.”“Zij zullen worden opgevoed op een wijze,” zeide hij op ernstigen toon, “die hen zoo weinig mogelijk doet gelijken op mijzelf, in gevoelens, in daden, in omstandigheden, in alles.”“Kom, kom, dat is nu maar een ontboezeming, die rechtstreeks voortkomt uit je zwartgallige stemming, Edward. Je bent zwaarmoedig, en denkt dat ieder, die anders is dan jezelf, gelukkig moet zijn. Vergeet niet, dat het verdriet over een afscheid van goede vrienden door iedereen nu en dan wordt gevoeld, afgezien van opvoeding of plaats in de maatschappij. Je moogt je eigen geluk niet miskennen. Wat je noodig hebt is geduld—of noem het liever bij een aantrekkelijker naam; spreek van hoop. Je moeder zal je mettertijd die onafhankelijkheid verzekeren, waarnaar je zoozeer verlangt; dat is haar plicht, en zij zàl, zij moet binnenkort, ook ter wille van háár geluk, verhinderen, dat je geheele jeugd wordt gesleten in onvruchtbare ontevredenheid. Wat brengen misschien niet een paar maanden te weeg!”“Ik zou wel eens willen weten,” antwoordde Edward, “welk goeds zelfs een groot aantal maanden voor mij zou kunnen uitwerken.”Al deelde zijn neerslachtige stemming zich niet mede aan Mevrouw Dashwood, zijn zwaarmoedigheid maakte het afscheid, dat spoedig hierna volgde, voor hen allen des te pijnlijker, en liet in Elinor een gevoel van onrust achter, dat zij eerst na verloop van tijd en niet zonder moeite vermocht meesterte worden. Doch daar zij zich vast had voorgenomen het te onderdrukken, en te zorgen dat zij niet méér dan een der overige leden van het gezin zou schijnen te lijden onder zijn afwezigheid, koos zij niet het middel, door Marianne bij een dergelijke gelegenheid zoo zorgvuldig aangewend ter bevordering en bestendiging van hare smart, door bij voorkeur stilte, eenzaamheid en lediggang te zoeken. Even verschillend als beider doel waren hun middelen, en evenzeer geschikt tot het bevorderen van ieders bijzonder oogmerk.Elinor ging, zoodra hij was heengegaan, aan haar teekentafel zitten, bleef den geheelen dag druk bezig; zocht noch vermeed zijn naam te noemen, scheen bijna niet minder belang te stellen dan anders in hun aller aangelegenheden, en zoo zij al door dit gedrag haar eigen verdriet niet kon verzachten, het werd er althans niet onnoodig door verzwaard, en zij bespaarde haar moeder en zusters veel zorg omtrent haar gemoedsgesteldheid. Een dergelijk gedrag, zoo lijnrecht in tegenstelling met het hare, scheen Marianne volstrekt niet verdienstelijk, zoomin als haar eigen houding haar verkeerd had toegeschenen. De vraag omtrent zelfbeheersching loste zij bijzonder gemakkelijk op;—waren onze neigingen sterk, dan was zelfzucht onmogelijk; waren zij gematigd, dan stak er geen verdienste in. Dat haar zuster’s neigingen gematigdwaren, waagde zij niet te ontkennen, al gaf zij het niet zonder schaamte toe; en de kracht harer eigene bewees zij wel zéér duidelijk, door die zuster, ondanks deze pijnlijk grievende overtuiging, nog steeds te blijven achten en liefhebben.Al zonderde zij zich dus niet af van de anderen; al zocht zij niet om hen te vermijden, hardnekkig de eenzaamheid buitenshuis, en lag zij niet den geheelen nacht wakker om te kunnen nadenken, Elinor ondervond, dat iedere dag haar voldoende gelegenheid schonk om te denken aan Edward enaan Edward’s gedrag, met alle mogelijke gevoelens, die haar verschillende stemmingen op verschillende tijden in haar konden verwekken;—met teederheid, medelijden, instemming, afkeuring en twijfel. Er waren oogenblikken in overvloed, waarin, zoo al niet door de afwezigheid van haar moeder en zuster, dan toch wegens den aard hunner bezigheden, gesprekken waren uitgesloten, en zij evengoed alleen had kunnen zijn. Het stond haar geest onvermijdelijk vrij om te denken; haar gedachten konden niet elders met geweld worden vastgehouden, en verleden en toekomst in verband met een zoo gewichtige aangelegenheid, moesten zich wel aan haar opdringen, haar aandacht in beslag nemen, en zich geheel en al meester maken van haar herinnering, haar gepeinzen en haar verbeelding.Uit zulk een droomerij werd zij, toen zij, op een morgen kort na Edward’s vertrek, aan haar teekentafel zat opgeschrikt door de komst van bezoek. Zij was toevallig geheel alleen. Het dichtvallen van het hekje aan den ingang van het grasveld voor hun huis deed haar uit het venster kijken, en zij zag verscheiden personen, die recht op hun deur kwamen aanwandelen. Daaronder bevonden zich Sir John en Lady Middleton met Mevrouw Jennings; maar zij zag bovendien nog twee anderen, een haar geheel onbekende heer en dame. Zij zat dicht bij het venster, en zoodra Sir John haar in het oog kreeg, liet hij de plichtpleging van aan de deur kloppen aan het gezelschap over, stapte over het gras, en noodzaakte haar, het venster te openen om met hem te spreken, ofschoon de afstand tusschen de deur en het venster zoo gering was, dat men moeilijk op de eene plek een woord kon zeggen, dat op de andere niet werd verstaan.“Kijk eens,” zei hij, “we hebben je vreemde gasten meegebracht. Wat zeg je wel van hen?”“Pas op! ze zullen u hooren.”“O, dat is niets, ’t Zijn de Palmers maar. Charlotteziet er alleraardigst uit, hoor. Je kunt haar zien, als je dezen kant uitkijkt.”Daar Elinor zeker wist, dat zij Charlotte over een paar minuten zou zien, zonder zoo onbescheiden te zijn, waagde zij het, zich te verontschuldigen.“Waar is Marianne? Weggeloopen omdat ze ons zag aan komen? De piano staat open, zie ik.”“Ik geloof, dat zij is gaan wandelen.”Hier voegde Mevrouw Jennings zich bij hen, die geen geduld had te wachten tot de deur openging, en volstrekt moest vertellen watzijop het hart had. Zij kwam met veel drukte naar het raam stappen.“Hoe maak je ’t, kind? en hoe gaat het met Mevrouw Dashwood? En waar zijn je zusters? Wel, wel, heel alleen! je zult blij zijn, dat er iemand komt om je gezelschap te houden. Ik heb mijn anderen schoonzoon en mijn dochter meegebracht om kennis met je te maken. Verbeeld je, dat ze zoo onverwacht zijn gekomen! Ik dacht al dat ik een rijtuig hoorde, toen we gisteravond aan de thee zaten; maar ik had geen flauw idee dat zij ’t konden zijn. Ik dacht maar niet anders of Kolonel Brandon was teruggekomen, en ik zei nog tegen Sir John: “Mij dunkt, ik hoor een rijtuig, dat is bepaald Kolonel Brandon, die terug is...”Elinor moest zich midden in haar verhaal omkeeren om het overige gezelschap te ontvangen; Lady Middleton stelde de beide vreemden voor; Mevrouw Dashwood en Margaret kwamen meteen beneden, en allen gingen zitten om elkaar eens op te nemen, terwijl Mevrouw Jennings met haar verhaal voortging, onder de wandeling door de gang naar de zitkamer, ditmaal tegen Sir John.Mevrouw Palmer was een paar jaar jonger dan Lady Middleton, en in elk opzicht geheel verschillend van haar zuster. Zij was klein en vrij gezet, en had een allerliefst gezichtje, dat de meest opgeruimde uitdrukking vertoonde, die men zich kon voorstellen. Haar manieren waren bij lange na niet zoobevallig; maar zij was oneindig meer innemend. Zij kwam glimlachend binnen—glimlachte zoo lang het bezoek duurde, behalve wanneer ze luid lachte, en glimlachte nog, toen ze vertrok. Haar echtgenoot was een ernstig uitziende jonge man van vijf- of zes en twintig jaar, die een meer gedistingeerden en ook een meer verstandigen indruk maakte dan zijn vrouw, maar minder geneigd scheen te behagen, of behagen te laten blijken. Hij kwam de kamer in met iets zeer zelfbewust in zijn houding, boog even voor de dames zonder een woord te spreken, en nadat hij haar en het vertrek met een vluchtigen blik had opgenomen, nam hij een courant van de tafel, en bleef daarin lezen, zoolang het bezoek duurde. Mevrouw Palmer daarentegen, die door de natuur was begiftigd met een aanleg om in alle omstandigheden beleefd en verheugd te zijn, zat nog niet op haar stoel of zij barstte los in uitroepen van bewondering over de kamer en al wat zich erin bevond.“O, wat een verrukkelijke kamer is dit! Ik heb nooit zoo iets beeldigs gezien! Hoe vindt u toch wel, mama, dat verschil bij de vorige maal, dat ik hier was! Ik heb het altijd zoo’n aardig huisje gevonden, mevrouw (tot mevrouw Dashwood), maar u hebt het zoo beeldig gemaakt! Kijk toch eens, hoe verrukkelijk! Wat zou ik zelf graag zoo’n huis hebben. Jij ook niet, man?”De heer Palmer gaf geen antwoord, en sloeg zijn oogen zelfs niet op van de courant.“Mijnheer Palmer hoort mij niet,” zei ze lachend. “Dat doet hij wel meer, soms. Zoo grappig!”Die opvatting was voor Mevrouw Dashwood iets nieuws; zij was nooit gewend geweest in iemands onachtzaamheid iets geestigs te vinden en zij kon niet nalaten hen beiden ietwat verwonderd aan te zien.Mevrouw Jennings praatte intusschen door, zoo hard ze maar kon,enging voort met haar verslagvan hun verrassing den vorigen avond, bij ’t zien van haar kinderen, zonder ophouden, tot het verhaal was uitverteld. Mevrouw Palmer lachte hartelijk bij de herinnering aan aller verbazing, en allen verhaalden, tot twee of driemaal toe, dat het een alleraardigste verrassing was geweest. “Je begrijpt, hoe blij we allen waren hen te zien,” voegde Mevrouw Jennings erbij, terwijl ze zich naar Elinor vooroverboog, en zachter sprak, alsof niemand het mocht hooren, hoewel de anderen aan de overzij van het vertrek waren gezeten; “maar met dat al had ik toch wel gewild, dat ze niet zoo’n haast hadden gemaakt, en niet zulk een lange reis hadden gedaan want ze gingen over Londen, voor zaken die ze daar hadden af te doen; omdat het voor háár” (veelbeteekenend knikkend en naar haar dochter wijzend) “eigenlijk verkeerd is in haar positie, weet je. Ik wou hebben dat ze van morgen zou thuis blijven en rusten; maar ze wou volstrekt mee; ze verlangde zoo, jelui allen te zien!”Mevrouw Palmer lachte, en zei dat het haar geen kwaad zou doen.“Ze verwacht in Februari haar bevalling,” ging Mevrouw Jennings voort.Lady Middleton kon dat gepraat niet langer aanhooren, en gaf zich dus de moeite aan den Heer Palmer te vragen of hij veel nieuws vond in de courant.“Neen, in ’t geheel niets,” zei hij, en las verder.“Daar komt Marianne aan,” riep Sir John. “Palmer, nu zal je een reusachtig mooi meisje zien.”Hij ging dadelijk in de gang, deed zelf de voordeur open en bracht haar in de kamer. Mevrouw Jennings vroeg haar, zoodra ze haar zag, of ze niet naar Allenham was geweest; en Mevrouw Palmer lachte hartelijk om die vraag, om te laten blijken, dat zij het wel begreep. De Heer Palmer keek op toen zij binnen kwam, staarde haar een paar minuten aan, en wijdde zich daarop weer aanzijn courant. Mevrouw Palmer kreeg nu de teekeningen in het oog, die aan den wand hingen. Zij stond op, om ze nader te bezien. “Och, hoe mooi! Prachtig vind ik ze! Kijkt u toch eens, mama, is dat niet snoezig? Beeldig zijn ze, ik zou er uren naar kunnen kijken.” Daarop ging ze weer zitten en vergat meteen, dat er zooiets als schilderijen de kamer waren.Toen Lady Middleton opstond om heen te gaan, deed de Heer Palmer eveneens, legde de courant neer, rekte zich eens uit en keek allen beurtelings aan.“Heb je een dutje gedaan, schat?” zei zijn vrouw lachend.Hij gaf haar geen antwoord, en zei alleen, na het vertrek nog eens te hebben opgenomen, dat het erg laag van verdieping en dat de zoldering scheef liep. Daarop maakte hij zijn buiging en trok met de anderen af.Sir John had hen allen dringend verzocht, den volgenden dag op het Park te komen doorbrengen. Mevrouw Dashwood, die niet verkoos drukker gebruik te maken van hun gastvrijheid dan zij deden van de hare, bedankte zeer bepaald, wat haarzelve betrof; haar dochters konden doen zooals zij goedvonden. Maar zij waren niet nieuwsgierig te zien hoe de Heer en Mevrouw Palmer hun middagmaal gebruikten, en eenig genoegen was in ander opzicht niet van hen te wachten. Zij poogden zich dus eveneens te verontschuldigen; het weer was ongestadig en voorspelde niet veel goeds. Maar Sir John liet zich niet afschepen,—ze zouden met het rijtuig worden afgehaald, en ze moesten komen. Lady Middleton, die bij hun moeder niet verder aandrong, deed dit wèl bij hen. Mevrouw Jennings en Mevrouw Palmer stemden in met haar dringend verzoek, allen schenen evenzeer erop gesteld, nieten famillete dineeren, en de jonge dames moesten wel toegeven.“Waarom vragen ze ons eigenlijk?” zei Marianne, zoodra ze weg waren, “’t Heet dat de huurprijs van dit huisje laag is; maar ’t komt ons toch al heel onvoordeelig uit, wanneer we op Barton Park moeten eten bij alle gelegenheden, dat er iemand logeert, bij hen of bij ons.”“’t Is nog evengoed hun bedoeling, beleefd en vriendelijk voor ons te zijn met hun herhaalde uitnoodigingen,” zei Elinor, “als het dat was een paar weken geleden. Als hun avondpartijtjes nu vervelend en saai zijn, dan ligt die verandering niet aan hèn. Dat verschil moeten we ergens anders zoeken.”

Edward bleef een week te Barton; Mevrouw Dashwood drong er zeer op aan, dat hij langer zou blijven; doch hij scheen, alsof zelfkwelling zijn eenig doel was, vast besloten om juist te vertrekken, nu hij het meest van het bijzijn zijner vriendinnen genoot. In de laatste twee of drie dagen was zijn stemming, ofschoon nog zeer afwisselend, toch aanmerkelijk verbeterd; hij begon zich meer en meer te hechten aan het huis en de omgeving, sprak nooit van vertrekken zonder een diepen zucht,—gaf te kennen dat hij over zijn tijd vrijelijk kon beschikken,—wist zelfs nog niet recht, waarheen hij zou gaan, als hij hen verliet; maar toch, vertrekkenmoesthij. Nog nooit had hem een week zoo kort geschenen;—hij kon niet gelooven dat het alweer voorbij was. Dat zei hij herhaaldelijk, en nog meer liet hij zich ontvallen, dat wees op een omkeer in zijn gevoelens, en met zijn daden in tegenspraak was. Hij vond het in Norland niets prettig; aan de stad had hij een hekel; maar òf naar Norland, òf naar Londen moest hij gaan. Hij waardeerde hun hartelijkheid meer dan iets ter wereld, en hij kende geen grooter genoegen dan met hen samen te zijn. Toch moest hij hen na een week reeds verlaten, tegen zijn eigen en hun aller wensch, en terwijl hij aan geen tijd gebonden was.

Elinor weet al wat zonderling scheen in zijn handelwijze aan zijn moeder, en het was een geluk voor haar, dat hij een moeder had, van wier karakter zij zoo weinig afwist, dat het als doorgaande verontschuldiging kon gelden voor al wat er vreemds was in het gedrag van haar zoon. Maar hoezeer zijzich ook teleurgesteld en gegriefd gevoelde, ja somtijds geërgerd door zijn onzekere houding tegenover haar, zij bleef toch over het geheel ten volle bereid om al zijn handelingen te beschouwen met die eerlijke toegevendheid en onpartijdige ruimheid van oordeel, die haar, met vrij wat meer moeite, door haar moeder indertijd waren afgedwongen ten behoeve van Willoughby. Zijn gebrek aan opgewektheid, aan openhartigheid, en aan vastheid in zijn optreden, werden maar steeds weer toegeschreven aan zijn behoefte aan onafhankelijkheid en zijn nauwkeuriger bekendheid met Mevrouw Ferrars’ beschikkingen en plannen. De korte duur van zijn bezoek, zijn volharden bij zijn voornemen nu reeds te vertrekken, ook dit alles sproot voort uit dat zelfde geweld aandoen van zijn neiging, de zelfde onvermijdelijke noodzakelijkheid om zijn moeder voorloopig te ontzien. De oude, diep gewortelde tweespalt tusschen plicht en neiging, het verzet van het kind, in opstand tegen ouderlijk gezag, was van alles de oorzaak. Wel gaarne zou zij hebben geweten, wanneer deze moeilijkheden zouden zijn uit den weg geruimd, deze tegenstand overwonnen,—wanneer Mevrouw Ferrars tot andere gedachten zou komen, en haar zoon de vrijheid zou laten, zijn geluk te vinden. Doch zij werd wel gedwongen, die ijdele wenschen te laten varen, en troost te zoeken in haar hernieuwd vertrouwen op Edward’s genegenheid, in de herinnering aan elk getuigenis daarvan, door woord of blik, die hem te Barton ontsnapten, en vooral in dat vleiend bewijs van zijn trouw, dat hij voortdurend aan zijn vinger droeg.

“Mij dunkt, Edward,” zei Mevrouw Dashwood, toen zij den laatsten morgen aan het ontbijt zaten, “dat je gelukkiger zoudt zijn, als je een beroep hadt, dat je tijd in beslag nam, en richting gaf aan je plannen en handelingen. Voor je vrienden zou daaraan allicht eenig bezwaar zijn verbonden; jezoudt niet in staat zijn, zooveel tijd aan hen te wijden als thans. Maar,” voegde zij er met een glimlach bij, “in één opzicht zou het toch een direct voordeel voor je zijn; je zoudt dan weten, wáárheen te gaan, wanneer je hen verliet.”

“Ik verzeker u,” antwoordde hij, “dat ik de waarheid van ’t geen u zegt, reeds lang heb ingezien. Het was, en is, en zal waarschijnlijk altijd voor mij een groot ongeluk zijn, dat ik geen noodzakelijke bezigheid heb, die mij in beslag neemt, geen beroep, dat mijn krachten vergt en mij in staat stelt, mij ook maar eenigszins onafhankelijk te voelen. Maar het ongeluk wilde, dat mijn eigen kieskeurigheid en die mijner vrienden mij gemaakt hebben tot wat ik ben, een werkeloos, hulpeloos wezen. Wij konden het nooit eens worden over de keuze van een beroep. Ik gaf altoos de voorkeur aan den geestelijken stand, en dat doe ik nog. Maar dat vond mijn familie niet wereldsch genoeg. Zij wilden dat ik militair zou worden. Dat was nu weer veel te wereldsch voor mij. In de rechten studeeren, nu, dat was althans deftig genoeg naar hun zin; veel jongelui, die kamers hadden in den Temple, maakten een goed figuur in de eerste kringen, en reden rond in karretjes, die ’t bekijken waard waren. Maar ik voelde niets voor de rechten, zelfs niet voor die weinig diepgaande studie van de wet, die mijn familie op het oog had en goedkeurde. De marine was uit het oogpunt van “stand” wel aan te bevelen; maar toen de vraag mij werd voorgelegd, was ik al te oud om daar nog mee te beginnen,—en ten slotte, nu het eenmaal niet noodig was, dat ik een beroep koos, nu ik even goed vertooning kon maken en geld uitgeven zònder een rooden rok als mèt dat aanhangsel, werd ten slotte verklaard, dat leegloopen voor mij de voordeeligste en meest eervolle bezigheid zou zijn, en een jongmensch van achttien jaar is in den regel niet zoo ernstig gesteld op werk, dat hij zich zal verzetten tegen het dringendverzoek zijner vrienden om niets uit te voeren. Ik werd dus ingeschreven te Oxford, en heb sedert geluierd naar den eisch.”

“En naar ik vermoed, zal ’t gevolg hiervan zijn,” zeide Mevrouw Dashwood, “nu gebleken is, dat ledigheid je eigen geluk niet heeft bevorderd, dat je zoons zullen worden opgeleid voor alle mogelijke vakken, bezigheden, ambten en beroepen, die iemand ter wereld beoefenen of waarnemen kan.”

“Zij zullen worden opgevoed op een wijze,” zeide hij op ernstigen toon, “die hen zoo weinig mogelijk doet gelijken op mijzelf, in gevoelens, in daden, in omstandigheden, in alles.”

“Kom, kom, dat is nu maar een ontboezeming, die rechtstreeks voortkomt uit je zwartgallige stemming, Edward. Je bent zwaarmoedig, en denkt dat ieder, die anders is dan jezelf, gelukkig moet zijn. Vergeet niet, dat het verdriet over een afscheid van goede vrienden door iedereen nu en dan wordt gevoeld, afgezien van opvoeding of plaats in de maatschappij. Je moogt je eigen geluk niet miskennen. Wat je noodig hebt is geduld—of noem het liever bij een aantrekkelijker naam; spreek van hoop. Je moeder zal je mettertijd die onafhankelijkheid verzekeren, waarnaar je zoozeer verlangt; dat is haar plicht, en zij zàl, zij moet binnenkort, ook ter wille van háár geluk, verhinderen, dat je geheele jeugd wordt gesleten in onvruchtbare ontevredenheid. Wat brengen misschien niet een paar maanden te weeg!”

“Ik zou wel eens willen weten,” antwoordde Edward, “welk goeds zelfs een groot aantal maanden voor mij zou kunnen uitwerken.”

Al deelde zijn neerslachtige stemming zich niet mede aan Mevrouw Dashwood, zijn zwaarmoedigheid maakte het afscheid, dat spoedig hierna volgde, voor hen allen des te pijnlijker, en liet in Elinor een gevoel van onrust achter, dat zij eerst na verloop van tijd en niet zonder moeite vermocht meesterte worden. Doch daar zij zich vast had voorgenomen het te onderdrukken, en te zorgen dat zij niet méér dan een der overige leden van het gezin zou schijnen te lijden onder zijn afwezigheid, koos zij niet het middel, door Marianne bij een dergelijke gelegenheid zoo zorgvuldig aangewend ter bevordering en bestendiging van hare smart, door bij voorkeur stilte, eenzaamheid en lediggang te zoeken. Even verschillend als beider doel waren hun middelen, en evenzeer geschikt tot het bevorderen van ieders bijzonder oogmerk.

Elinor ging, zoodra hij was heengegaan, aan haar teekentafel zitten, bleef den geheelen dag druk bezig; zocht noch vermeed zijn naam te noemen, scheen bijna niet minder belang te stellen dan anders in hun aller aangelegenheden, en zoo zij al door dit gedrag haar eigen verdriet niet kon verzachten, het werd er althans niet onnoodig door verzwaard, en zij bespaarde haar moeder en zusters veel zorg omtrent haar gemoedsgesteldheid. Een dergelijk gedrag, zoo lijnrecht in tegenstelling met het hare, scheen Marianne volstrekt niet verdienstelijk, zoomin als haar eigen houding haar verkeerd had toegeschenen. De vraag omtrent zelfbeheersching loste zij bijzonder gemakkelijk op;—waren onze neigingen sterk, dan was zelfzucht onmogelijk; waren zij gematigd, dan stak er geen verdienste in. Dat haar zuster’s neigingen gematigdwaren, waagde zij niet te ontkennen, al gaf zij het niet zonder schaamte toe; en de kracht harer eigene bewees zij wel zéér duidelijk, door die zuster, ondanks deze pijnlijk grievende overtuiging, nog steeds te blijven achten en liefhebben.

Al zonderde zij zich dus niet af van de anderen; al zocht zij niet om hen te vermijden, hardnekkig de eenzaamheid buitenshuis, en lag zij niet den geheelen nacht wakker om te kunnen nadenken, Elinor ondervond, dat iedere dag haar voldoende gelegenheid schonk om te denken aan Edward enaan Edward’s gedrag, met alle mogelijke gevoelens, die haar verschillende stemmingen op verschillende tijden in haar konden verwekken;—met teederheid, medelijden, instemming, afkeuring en twijfel. Er waren oogenblikken in overvloed, waarin, zoo al niet door de afwezigheid van haar moeder en zuster, dan toch wegens den aard hunner bezigheden, gesprekken waren uitgesloten, en zij evengoed alleen had kunnen zijn. Het stond haar geest onvermijdelijk vrij om te denken; haar gedachten konden niet elders met geweld worden vastgehouden, en verleden en toekomst in verband met een zoo gewichtige aangelegenheid, moesten zich wel aan haar opdringen, haar aandacht in beslag nemen, en zich geheel en al meester maken van haar herinnering, haar gepeinzen en haar verbeelding.

Uit zulk een droomerij werd zij, toen zij, op een morgen kort na Edward’s vertrek, aan haar teekentafel zat opgeschrikt door de komst van bezoek. Zij was toevallig geheel alleen. Het dichtvallen van het hekje aan den ingang van het grasveld voor hun huis deed haar uit het venster kijken, en zij zag verscheiden personen, die recht op hun deur kwamen aanwandelen. Daaronder bevonden zich Sir John en Lady Middleton met Mevrouw Jennings; maar zij zag bovendien nog twee anderen, een haar geheel onbekende heer en dame. Zij zat dicht bij het venster, en zoodra Sir John haar in het oog kreeg, liet hij de plichtpleging van aan de deur kloppen aan het gezelschap over, stapte over het gras, en noodzaakte haar, het venster te openen om met hem te spreken, ofschoon de afstand tusschen de deur en het venster zoo gering was, dat men moeilijk op de eene plek een woord kon zeggen, dat op de andere niet werd verstaan.

“Kijk eens,” zei hij, “we hebben je vreemde gasten meegebracht. Wat zeg je wel van hen?”

“Pas op! ze zullen u hooren.”

“O, dat is niets, ’t Zijn de Palmers maar. Charlotteziet er alleraardigst uit, hoor. Je kunt haar zien, als je dezen kant uitkijkt.”

Daar Elinor zeker wist, dat zij Charlotte over een paar minuten zou zien, zonder zoo onbescheiden te zijn, waagde zij het, zich te verontschuldigen.

“Waar is Marianne? Weggeloopen omdat ze ons zag aan komen? De piano staat open, zie ik.”

“Ik geloof, dat zij is gaan wandelen.”

Hier voegde Mevrouw Jennings zich bij hen, die geen geduld had te wachten tot de deur openging, en volstrekt moest vertellen watzijop het hart had. Zij kwam met veel drukte naar het raam stappen.

“Hoe maak je ’t, kind? en hoe gaat het met Mevrouw Dashwood? En waar zijn je zusters? Wel, wel, heel alleen! je zult blij zijn, dat er iemand komt om je gezelschap te houden. Ik heb mijn anderen schoonzoon en mijn dochter meegebracht om kennis met je te maken. Verbeeld je, dat ze zoo onverwacht zijn gekomen! Ik dacht al dat ik een rijtuig hoorde, toen we gisteravond aan de thee zaten; maar ik had geen flauw idee dat zij ’t konden zijn. Ik dacht maar niet anders of Kolonel Brandon was teruggekomen, en ik zei nog tegen Sir John: “Mij dunkt, ik hoor een rijtuig, dat is bepaald Kolonel Brandon, die terug is...”

Elinor moest zich midden in haar verhaal omkeeren om het overige gezelschap te ontvangen; Lady Middleton stelde de beide vreemden voor; Mevrouw Dashwood en Margaret kwamen meteen beneden, en allen gingen zitten om elkaar eens op te nemen, terwijl Mevrouw Jennings met haar verhaal voortging, onder de wandeling door de gang naar de zitkamer, ditmaal tegen Sir John.

Mevrouw Palmer was een paar jaar jonger dan Lady Middleton, en in elk opzicht geheel verschillend van haar zuster. Zij was klein en vrij gezet, en had een allerliefst gezichtje, dat de meest opgeruimde uitdrukking vertoonde, die men zich kon voorstellen. Haar manieren waren bij lange na niet zoobevallig; maar zij was oneindig meer innemend. Zij kwam glimlachend binnen—glimlachte zoo lang het bezoek duurde, behalve wanneer ze luid lachte, en glimlachte nog, toen ze vertrok. Haar echtgenoot was een ernstig uitziende jonge man van vijf- of zes en twintig jaar, die een meer gedistingeerden en ook een meer verstandigen indruk maakte dan zijn vrouw, maar minder geneigd scheen te behagen, of behagen te laten blijken. Hij kwam de kamer in met iets zeer zelfbewust in zijn houding, boog even voor de dames zonder een woord te spreken, en nadat hij haar en het vertrek met een vluchtigen blik had opgenomen, nam hij een courant van de tafel, en bleef daarin lezen, zoolang het bezoek duurde. Mevrouw Palmer daarentegen, die door de natuur was begiftigd met een aanleg om in alle omstandigheden beleefd en verheugd te zijn, zat nog niet op haar stoel of zij barstte los in uitroepen van bewondering over de kamer en al wat zich erin bevond.

“O, wat een verrukkelijke kamer is dit! Ik heb nooit zoo iets beeldigs gezien! Hoe vindt u toch wel, mama, dat verschil bij de vorige maal, dat ik hier was! Ik heb het altijd zoo’n aardig huisje gevonden, mevrouw (tot mevrouw Dashwood), maar u hebt het zoo beeldig gemaakt! Kijk toch eens, hoe verrukkelijk! Wat zou ik zelf graag zoo’n huis hebben. Jij ook niet, man?”

De heer Palmer gaf geen antwoord, en sloeg zijn oogen zelfs niet op van de courant.

“Mijnheer Palmer hoort mij niet,” zei ze lachend. “Dat doet hij wel meer, soms. Zoo grappig!”

Die opvatting was voor Mevrouw Dashwood iets nieuws; zij was nooit gewend geweest in iemands onachtzaamheid iets geestigs te vinden en zij kon niet nalaten hen beiden ietwat verwonderd aan te zien.

Mevrouw Jennings praatte intusschen door, zoo hard ze maar kon,enging voort met haar verslagvan hun verrassing den vorigen avond, bij ’t zien van haar kinderen, zonder ophouden, tot het verhaal was uitverteld. Mevrouw Palmer lachte hartelijk bij de herinnering aan aller verbazing, en allen verhaalden, tot twee of driemaal toe, dat het een alleraardigste verrassing was geweest. “Je begrijpt, hoe blij we allen waren hen te zien,” voegde Mevrouw Jennings erbij, terwijl ze zich naar Elinor vooroverboog, en zachter sprak, alsof niemand het mocht hooren, hoewel de anderen aan de overzij van het vertrek waren gezeten; “maar met dat al had ik toch wel gewild, dat ze niet zoo’n haast hadden gemaakt, en niet zulk een lange reis hadden gedaan want ze gingen over Londen, voor zaken die ze daar hadden af te doen; omdat het voor háár” (veelbeteekenend knikkend en naar haar dochter wijzend) “eigenlijk verkeerd is in haar positie, weet je. Ik wou hebben dat ze van morgen zou thuis blijven en rusten; maar ze wou volstrekt mee; ze verlangde zoo, jelui allen te zien!”

Mevrouw Palmer lachte, en zei dat het haar geen kwaad zou doen.

“Ze verwacht in Februari haar bevalling,” ging Mevrouw Jennings voort.

Lady Middleton kon dat gepraat niet langer aanhooren, en gaf zich dus de moeite aan den Heer Palmer te vragen of hij veel nieuws vond in de courant.

“Neen, in ’t geheel niets,” zei hij, en las verder.

“Daar komt Marianne aan,” riep Sir John. “Palmer, nu zal je een reusachtig mooi meisje zien.”

Hij ging dadelijk in de gang, deed zelf de voordeur open en bracht haar in de kamer. Mevrouw Jennings vroeg haar, zoodra ze haar zag, of ze niet naar Allenham was geweest; en Mevrouw Palmer lachte hartelijk om die vraag, om te laten blijken, dat zij het wel begreep. De Heer Palmer keek op toen zij binnen kwam, staarde haar een paar minuten aan, en wijdde zich daarop weer aanzijn courant. Mevrouw Palmer kreeg nu de teekeningen in het oog, die aan den wand hingen. Zij stond op, om ze nader te bezien. “Och, hoe mooi! Prachtig vind ik ze! Kijkt u toch eens, mama, is dat niet snoezig? Beeldig zijn ze, ik zou er uren naar kunnen kijken.” Daarop ging ze weer zitten en vergat meteen, dat er zooiets als schilderijen de kamer waren.

Toen Lady Middleton opstond om heen te gaan, deed de Heer Palmer eveneens, legde de courant neer, rekte zich eens uit en keek allen beurtelings aan.

“Heb je een dutje gedaan, schat?” zei zijn vrouw lachend.

Hij gaf haar geen antwoord, en zei alleen, na het vertrek nog eens te hebben opgenomen, dat het erg laag van verdieping en dat de zoldering scheef liep. Daarop maakte hij zijn buiging en trok met de anderen af.

Sir John had hen allen dringend verzocht, den volgenden dag op het Park te komen doorbrengen. Mevrouw Dashwood, die niet verkoos drukker gebruik te maken van hun gastvrijheid dan zij deden van de hare, bedankte zeer bepaald, wat haarzelve betrof; haar dochters konden doen zooals zij goedvonden. Maar zij waren niet nieuwsgierig te zien hoe de Heer en Mevrouw Palmer hun middagmaal gebruikten, en eenig genoegen was in ander opzicht niet van hen te wachten. Zij poogden zich dus eveneens te verontschuldigen; het weer was ongestadig en voorspelde niet veel goeds. Maar Sir John liet zich niet afschepen,—ze zouden met het rijtuig worden afgehaald, en ze moesten komen. Lady Middleton, die bij hun moeder niet verder aandrong, deed dit wèl bij hen. Mevrouw Jennings en Mevrouw Palmer stemden in met haar dringend verzoek, allen schenen evenzeer erop gesteld, nieten famillete dineeren, en de jonge dames moesten wel toegeven.

“Waarom vragen ze ons eigenlijk?” zei Marianne, zoodra ze weg waren, “’t Heet dat de huurprijs van dit huisje laag is; maar ’t komt ons toch al heel onvoordeelig uit, wanneer we op Barton Park moeten eten bij alle gelegenheden, dat er iemand logeert, bij hen of bij ons.”

“’t Is nog evengoed hun bedoeling, beleefd en vriendelijk voor ons te zijn met hun herhaalde uitnoodigingen,” zei Elinor, “als het dat was een paar weken geleden. Als hun avondpartijtjes nu vervelend en saai zijn, dan ligt die verandering niet aan hèn. Dat verschil moeten we ergens anders zoeken.”


Back to IndexNext