Hoofdstuk XLIToen Edward Kolonel Brandon zijn dank had betuigd, ging hij Lucy deelgenoote maken van zijn geluk; en toen hij Bartlett’s Buildings bereikte, was zijn blijdschap reeds zoo toegenomen, dat zij Mevrouw Jennings, die haar den volgenden dag kwam gelukwenschen, kon verzekeren, dat zij hem nog nooit in haar leven zoo verrukt had gezien.Háár blijdschap en verrukking bleken althans duidelijk genoeg, en zij verheugde zich mèt Mevrouw Jennings in de voorstelling, dat zij samen gezellig in de pastorie te Delaford zouden zitten, eer de maand September was verstreken. Zoo weinig schroomvallig betoonde zij zich daarbij in het openlijk de eer geven aan Elinor van ’t geen Edward bleef toeschrijven aan háár invloed, dat zij met dankbare hartelijkheid sprak van hare vriendschap voor hen beiden; gereed was te erkennen, dat zij aan háár alles waren verplicht, en openlijk verklaarde, dat gééne poging tot bevordering van hun geluk, van Juffrouw Dashwood’s kant, haar ooit zou verwonderen, ’t zij nu of later; want zij was vast overtuigd, dat zij in staat was het onmogelijke te doen voor iemand, dien zij oprecht waardeerde. Wat Kolonel Brandon betrof, zij was niet alleen bereid hem te vereeren als een heilige; maar ook zeer bezorgd, dat hij in alle wereldsche aangelegenheden de eer zou ontvangen, die hem toekwam; zij wenschte van harte, dat zijn bezitting hem méér dan ooit zou opbrengen, en nam zich in stilte voor te Delaford, waar zij maar eenigszins daartoe kans zag, zich het gebruik te verzekeren van zijn bedienden, zijn rijtuig, zijn koeien en zijn hoenderpark.Sedert John Dashwood’s bezoek in Berkeley Street was nu reeds een week verloopen, en daar zij na dien tijd, behalve een mondelinge navraag, geen notitie meer hadden genomen van zijn vrouw’s ongesteldheid, begon Elinor het noodig te achten, haar een bezoek te brengen. Dit was een verplichting, waartoe zij zelve niet alleen weinig aandrang gevoelde, maar die bovendien geen steun ontving door den bijval van haar beide huisgenooten. Marianne weigerde niet alleen zeer stellig, zelve te gaan; maar wilde volstrekt haar zuster van dat bezoek terughouden; en hoewel Mevrouw Jennings’ rijtuig ten allen tijde tot Elinor’s dienst stond, had zijzelve zulk een hekel aan Mevrouw John Dashwood, dat noch haar nieuwsgierigheid om te zien, hoe zij zich hield na de onlangs gedane ontdekking, noch haar groote lust om haar eens de waarheid te zeggen en het voor Edward op te nemen, haar konden bewegen, den tegenzin in haar gezelschap te overwinnen. Het gevolg hiervan was, dat Elinor alleen het bezoek ging afleggen, waartoe niemand minder lust gevoelde dan zij, en de kans ging loopen op een tête-à-tête met iemand, die geen der anderen reden had met zóóveel afkeer te beschouwen.Mevrouw Dashwood had belet; maar eer het rijtuig nog kon omkeeren, kwam haar man toevallig de deur uit. Hij gaf zijn blijdschap te kennen, Elinor te zien, vertelde, dat hij juist naar Berkeley Street had willen gaan, en vroeg haar, binnen te komen; het zou Fanny pleizier doen haar weer eens te spreken.Zij gingen de trap op, en naar den salon, waar niemand zich vertoonde.“Fanny is zeker in haar eigen kamer,” zei hij, “ik zal straks naar haar toegaan; want zij heeft er natuurlijk in ’t minst niet op tegen om je te zien;—integendeel.—Nuvooral kan er niets meer... maar in elk geval, jij en Marianne stondt altijd hoog bijhaar aangeschreven. Waarom is Marianne niet meegekomen?”Elinor verontschuldigde haar zoo goed zij kon.“Ik ben er niet rouwig om, dat ik je alleen spreek,” zei hij, “want ik heb je veel te vertellen. Die predikantsplaats van Kolonel Brandon... kan dat waar zijn?—heeft hij die werkelijk aan Edward gegeven? Ik hoorde het gisteren bij toeval, en wilde juist je gaan opzoeken, om er meer van te vernemen.”“’t Is werkelijk waar.—Kolonel Brandon heeft de predikantsplaats te Delaford aan Edward geschonken.”“Dus tòch!—Dat is toch verbazingwekkend!—geen familiebetrekking,—geen andere relatie!... en dat terwijl zulke plaatsen nu juist hooge prijzen opbrengen; hoeveel was deze waard?”“Ongeveer tweehonderd pond.”“Nu goed,—en voor de voorkeur alleen voor die vacature,—gesteld dat de vorige predikant oud en ziekelijk was, en spoedig zijn ambt had moeten neerleggen,—had hij stellig wel een veertienhonderd pond kunnen krijgen. Hoe kwam het, dat hij dat niet al lang had in orde gebracht, vóór deze laatste predikant was overleden?—Nuzou het natuurlijk te laat zijn voor een verkoop;—maar zulk een verstandig man als Kolonel Brandon!—hoe is ’t mogelijk, dat hij zoo weinig vooruitziende is, in zulk een natuurlijke, van zelf sprekende zaak. Nu, het bewijst alweer, dat bijna ieder mensch in zeker opzicht inconsequent is. Maar nu ik het goed bedenk, zal de zaak hoogst waarschijnlijkdezezijn. Edward treedt zoolang als plaatsvervanger op, tot de persoon aan wien de Kolonel de voorkeur door verkoop heeft afgestaan, oud genoeg is, om het ambt waar te nemen.—Ja, ja, zóó zal ’t zijn; daar ben ik zeker van.”Elinor sprak dit echter met den meesten nadruk tegen, en toen zij verteld had, dat zijzelve op verzoek van den Kolonel zijn aanbod aan Edward had overgebracht,en dus op de hoogte was van de wijze, waarop het was gegeven en aanvaard, moest hij wel gelooven op gezag.“’t Is wèl merkwaardig!”—riep hij uit, na haar te hebben aangehoord,—“wat kan toch de beweegreden van den Kolonel zijn geweest?”“Een heel eenvoudige—Edward een dienst te bewijzen.”“Nu, ik moet zeggen, wat voor een man Kolonel Brandon dan ook is, Edward heeft het getroffen! Spreek er overigens maar niet over tegen Fanny; want hoewel ik het haar heb meegedeeld, en zij het nog al goed opnam, ze heeft niet graag, dat erover wordt gepraat.”Elinor had eenige moeite, de opmerking te weerhouden, dat Fanny allicht met gelatenheid zou hebben kunnen verdragen, haar broeder’s inkomen vermeerderd te zien op een wijze, die noch haar, noch haar kind bij mogelijkheid zou kunnen benadeelen.“Mevrouw Ferrars,” voegde hij erbij, op den zachteren toon, die bij het gewicht van dit onderwerp paste, “weet er op het oogenblik nog niets van, en ik geloof dat het raadzaam is, het zoo lang mogelijk voor haar geheim te houden. Als het huwelijk wordt voltrokken, vrees ik, dat zij alles zal moeten hooren.”“Maar waarom zouden zulke voorzorgen moeten worden in acht genomen? ’t Is niet te verwachten, dat Mevrouw Ferrars de geringste voldoening kan vinden in de zekerheid, dat haar zoon genoeg heeft om van te leven;—dàt staat in elk geval vast; maar waarom zou men, na de wijze waarop zij zich heeft gedragen, éénig gevoel bij haar veronderstellen? Ze heeft afgedaan met haar zoon; ze heeft hem voor altoos verstooten, en gezorgd, dat allen, op wie zij eenigen invloed had, dat eveneens deden. Nu ze dàt eenmaal heeft gedaan, kan men zich toch niet voorstellen, dat ze nog vatbaar zou zijn voor eenigenindruk van smart of vreugde, òm of dóór hèm;—zij kàn geen belang stellen in iets, wat hem aangaat. Zij zal toch niet zoo zwak zijn, ouderlijke bezorgdheid te gevoelen voor een kind, terwijl zij den troost zijner genegenheid moedwillig heeft verworpen?”“Zeker, Elinor,” zei John; “je redeneering is zeer juist; maar zij berust op onbekendheid met de menschelijke natuur. Geloof maar gerust, als dat ongelukkige huwelijk van Edward plaats heeft, dan voelt zijn moeder dat even diep, alsof zij hem nooit had verstooten; en daarom moet elke omstandigheid, die deze verschrikkelijke ramp kan verhaasten, zoo lang mogelijk voor haar verborgen worden gehouden. Mevrouw Ferrars kan nooit vergeten, dat Edward haar zoon is.”“Hoe is het mogelijk?—ik zou zeggen, dat ze ’t zichnual bijna niet meer herinnert.”“Je doet haar schromelijk onrecht. Mevrouw Ferrars is een van de meest liefhebbende moeders, die er bestaan.”Elinor zweeg.“We denken ernuover,”zeide de Heer Dashwood na een korte stilte, “omRobertmet Juffrouw Morton te laten trouwen.”Elinor, die niet kon nalaten te glimlachen om de ernstige en beslissende gewichtigheid van haar broeder’s toon, zei bedaard; “Met de keuze der dame wordt dus geen rekening gehouden.”“Keuze?—Hoe bedoel je?”“Ik bedoel, dat het, naar je manier van spreken te oordeelen, voor Juffrouw Morton hetzelfde moet zijn, of ze met Edward of met Robert trouwt.”“Natuurlijk; dat maakt ook geen verschil; want Robert zal nu feitelijk en in elk opzicht als de oudste zoon worden beschouwd; en wat het overige aangaat,zezijn beiden heel aardige jongelui,—ik zie niet in dat de een hooger staat dan de ander.”—Elinor zeide niets meer en ook John bleef een poos zwijgen. Aan ’t slot van zijn overpeinzingennam hij zijn zuster vriendelijk bij de hand en fluisterde bijna plechtig: “Een ding, zusjelief, kan ik je verzekeren, en ik wil het je zeggen, omdat ik weet dat het je genoegen zal doen. Ik heb alle reden te denken—ja, ik weet het uit de beste bron, anders zou ik ’t niet oververtellen, want dàn zou het heel verkeerd zijn er over te spreken—maar ik heb het uit de allereerste hand—niet dat ik het door Mevrouw Ferrarszelve hoordezeggen, maar haar dochter zei het, en van háár heb ik ’t gehoord—dat, om kort te gaan, welke bezwaren er ook mochten hebben bestaan tegen een zekere... een zekere verbintenis,—je begrijpt wat ik bedoel,—diehaar toch oneindig liever zou geweest zijn, en haar niet half zoo zou hebben geërgerd alsdit. Het verheugde mij bijzonder, te hooren, dat Mevrouw Ferrars er zóó over dacht,—’t is voor ons allen aangenaam dit te weten, dat begrijp je. “’t Zou van twee kwaden verreweg het minste zijn geweest,” zei ze, “en ze zou blij zijn, als ze zichnuhad te schikken in niets ergers dan dàt. Trouwens,—daarvan is nu geen sprake, niet waar? daarover wordt geen woord meer gerept, en we denken er niet meer aan; die genegenheid trouwens—dat was nooit—dat is nu voorbij. Maar ik vond, dat ik ’t je toch moest vertellen; omdat ik begreep, dat het je veel pleizier moest doen. Reden tot spijt heb je overigens niet, mijn beste Elinor. Je zult het stellig nog heel goed treffen, evengoed, of beter misschien, als men alles in aanmerking neemt. Heb je Kolonel Brandon voor kort nog gesproken?”Elinor had genoeg gehoord, zooal niet om haar ijdelheid te vleien en haar eigendunk te streelen, dan toch om haar zenuwen te prikkelen en haar gedachten te vervullen; en daarom was zij blijde, dat haar de verplichting werd bespaard, zelf nog meer te zeggen, zoowel als de kans, nog meer van haar broeder te vernemen, doordat Robert Ferrars binnentrad. Na een oogenblik met hem te hebbengepraat, ging John Dashwood zich herinneren, dat Fanny nog steeds niet wist van haar zuster’s bezoek, de kamer uit, om haar te halen; en Elinor bleef achter, om nader kennis te maken met Robert, die door de luchtige zorgeloosheid en de tevreden zelfvoldaanheid van zijn optreden, terwijl hem een zoo onrechtmatig groot aandeel werd geschonken in zijn moeder’s liefde en haar gunstbewijzen ten nadeele van zijn verbannen broeder, een voorkeur, slechts verdiend door zijn eigen losbandig leven, in tegenstelling met Edward’s onkreukbare rechtschapenheid, de ongunstige meening bevestigde, die zij reeds had opgevat omtrent zijn gaven van hoofd en hart. Zij waren nog geen twee minuten alleen gebleven, of hij begon al over Edward te spreken; want hij had ook van de predikantsplaats gehoord, en was zeer benieuwd er meer van te vernemen. Elinor herhaalde de bijzonderheden, die zij aan John had medegedeeld, en hun uitwerking op Robert was, hoewel weer op een andere manier, niet minder treffend, dan bij haar broeder ’t geval was geweest. Hij lachte uitbundig. Het denkbeeld, dat Edward predikant zou worden en wonen in een kleine pastorie, vermaakte hem ongemeen, en toen zijn verbeelding hem daarbij Edward nog afschilderde in een wit koorhemd, de huwelijksaankondiging aflezend van John Smith en Mary Brown, kon hij zich onmogelijk iets grappigers voorstellen.Terwijl Elinor, zwijgend en onverstoorbaar ernstig, wachtte tot dat dwaze gelach zou ophouden, kon zij niet nalaten, in den blik, dien zij op hem liet rusten, al de minachting aan den dag te leggen, die zij gevoelde. Die blik was in zóóverre welbesteed, dat hij háár verlichting schonk, terwijlhijer in ’t minst niet door werd getroffen. Het was geen berisping van hare zijde, die zijn geestigheid in wijsheid deed verkeeren; doch zijn eigen oprecht gevoel.“We beschouwen ’t nu als een grap,” zei hijeindelijk, het gemaakte gelach stakend, waarmee hij zijn eerste uitbarsting van vroolijkheid nog eenigen tijd had verlengd,—“maar, in ernst, het is waarlijk geen gekheid. Die arme Edward; het is uit met hem, voor goed. ’t Spijt me ontzettend voor hem,—want hij is een beste jongen; zoo goed als er geen tweede bestaat misschien. U moet hem niet beoordeelen, Juffrouw Dashwood, naar het weinigje datuvan hem weet. Arme kerel! Zijn manieren zijn nu niet juist wat men een aanbeveling zou kunnen noemen. Maar niet ieder wordt geboren met dezelfde gaven,—denzelfden natuurlijken aanleg in dat opzicht. Die stakker—als men hem in een vreemd gezelschap zag,—’t was om medelijden mee te hebben! Maar op mijn woord van eer, ik houd hem voor een van de beste menschen die ik ken, en ik kan u naar waarheid verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven zoo heb opgekeken, als toen deze geschiedenis aan ’t licht kwam. Ik kon ’t niet gelooven. Mama was de eerste die ’t mij vertelde, en ik zei dadelijk, (want ik wist onmiddellijk wat mij te doen stond): “Mama, ik weet niet, watuvan plan bent; maar watmijbetreft, als Edward met dit meisje trouwt, dan ziet hij mij nooit weerom!” Dat zei ik, zoodra ik ’t hoorde;—ik kon mijn ooren niet gelooven! ’t Was bepaald kwetsend voor mijn gevoel!—Arme Edward, hij heeft zich totaal te gronde gericht,—geen fatsoenlijk mensch zal ooit weer met hem willen omgaan; maar zooals ik dadelijk tegen mijn moeder zei, ’t verwondert me niets; na die opvoeding, die hij heeft gehad, kon men niet anders verwachten. Mijn goeie moeder was half gek van boosheid.”“Hebt u zijn meisje wel eens ontmoet?”“Ja, eenmaal; toen ze hier logeerde. Ik liep toevallig even aan; maar ik zag genoeg, om te weten wie ik voorhad. Een gewoon, stijf burgermeisje, provinciaal, ongracieus, en niet eens wat je mooi noemt. Ik kan me haar nog precies voorstellen.Juist het soort van meisje, door wie Edward zich licht zou laten inpalmen. Ik bood dadelijk aan, toen mijn moeder ’t mij vertelde, om zelf eens met hem te praten, en hem te bewegen, van dat huwelijk af te zien; maartoenwas het al te laat, dat zag ik in; want jammer genoeg was ik er in ’t begin niet bij geweest, en wist van niets af, eer de breuk met mijn moeder een voldongen feit was, waarna het niet op mijn weg lag, tusschenbeide te komen, dat begrijpt u. Maar had ik het een paar uur vroeger vernomen, dan geloof ik stellig, dat er nog wel iets op te vinden was geweest. Ik zou Edward met den meesten nadruk mijn meening hebben te kennen gegeven. “Beste jongen,” zou ik hebben gezegd, “bedenk wat je doet. Je verlaagt je door een dergelijke verbintenis, die door je geheele familie wordt afgekeurd.” Ik kan niet nalaten te denken, dat er nog wel iets aan te doen zou geweest zijn. Maar nu is het te laat. Hij zal moeten hongerlijden; dat staat vast; feitelijk en letterlijk hongerlijden.”Hij had die overtuiging juist met de grootste kalmte uitgesproken, toen de komst van Mevrouw John Dashwood een einde maakte aan hun gesprek. Maar hoewel zij nooit over de zaak sprak met anderen dan haar eigen familieleden, bespeurde Elinor den invloed ervan op haar geest, in den zweem van verlegenheid, die zich op haar gezicht vertoonde bij het binnentreden, en in een poging tot iets als vriendelijkheid jegens haarzelve in hare houding. Zij ging zelfs zoo ver, haar spijt te betuigen, dat Elinor en haar zuster reeds zoo spoedig zouden vertrekken, daar zij had gehoopt, hen nog dikwijls te zien, eene uiting, door haar man, die haar had binnengebracht, en verteerderd naar haar luisterde, blijkbaar beschouwd als een bewijs van allerbeminnelijkste hartelijkheid.Hoofdstuk XLIINog één kort bezoek in Harley Street, waarbij Elinor haar broeder’s gelukwenschen ontving, omdat zij op deze wijze zonder onkosten een gedeelte van de reis naar Barton konden afleggen, en omdat Kolonel Brandon hen over eenige dagen naar Cleveland zou volgen, besloot den omgang van broeder en zusters in de stad; en een vluchtige uitnoodiging van Fanny om te Norland te komen, als zij ooit eens in de buurt waren, wel de minst waarschijnlijke gebeurtenis, die zich denken liet, benevens een iets hartelijker, doch in stilte geuite verzekering van John aan Elinor, dat hij niet in gebreke zou blijven haar te Delaford te bezoeken, was alles wat een toekomstige ontmoeting buiten Londen mocht doen verwachten.Zij vond iets grappigs in de opmerking, dat al haar vrienden haar volstrekt naar Delaford wilden zenden, een plaats waar zij nu wel het allerminst zou wenschen te wonen, of zelfs een bezoek te brengen; want niet alleen werd het door haar broeder en Mevrouw Jennings als haar toekomstig tehuis beschouwd; maar zelfs Lucy drong er bij het afscheid op aan, dat zij haar daar toch eens moest opzoeken.Op een der eerste dagen van April, en tamelijk vroeg op den dag, begaven zich de twee families, uit Hanover Square en uit Berkeley Street, elk afzonderlijk op weg, om elkaar op een afgesproken plaats te ontmoeten. Voor ’t gemak van Charlotte met haar kind zouden zij meer dan twee dagen onderweg blijven, en de Heer Palmer, die met Kolonel Brandon iets vlugger reisde, zou zich spoedig na hun aankomst te Cleveland bij hen voegen.Hoe weinig gelukkige uren Marianne ook in Londenhaddoorgebracht, en hoezeer zij ook reeds geruimen tijd verlangde de stad te verlaten, zij kon, nu het zoover was, het huis niet vaarwelzeggen, waarin zij voor het laatst zich had gevleid met de hoop en het vertrouwen op Willoughby, die thans voor altijd waren vervlogen, zonder diepe smart te gevoelen. En evenmin kon zij heengaan van de plek, waar Willoughby thans achterbleef, vervuld van nieuwe plannen en nieuwe verplichtingen, waarinzijniet mocht deelen, zonder vele tranen te storten.Elinor’s voldoening, nu het oogenblik van vertrekken aanbrak, was minder twijfelachtig. Voor haar was er geen voorwerp, waarbij haar gedachten konden verwijlen in droeve mijmerij; geen sterveling liet zij achter van wien ze ’t een oogenblik zou betreuren, als zij hem nooit weer ontmoette; ze was blijde, eindelijk verlost te worden van Lucy’s drukkende vriendschap; dankbaar, haar zuster te kunnen meenemen, zonder dat deze Willoughby sedert zijn huwelijk had ontmoet; en zij zag met hoopvolle verwachting uit naar ’t geen een paar maanden van kalmte te Barton zouden bewerken, ter verbetering van Marianne’s gemoedsrust en ter bevestiging van de hare. De reis liep zonder ongevallen af. De tweede dag bracht hen in het dierbare, of verboden land, zooals Marianne beurtelings in haar verbeelding het graafschap Somerset placht te noemen; en vóór de derde morgen was verstreken, hadden zij Cleveland bereikt.Cleveland was een groot huis, in modernen stijl gebouwd, en op een hellend grasveld gelegen. Een park bezat het niet; maar de tuinen waren uitgestrekt, en zooals alle dergelijke fraaie buitenplaatsen, had het een open plantsoen en begroeide boschpartijen; een effen kiezelpad, omzoomd door heesters, leidde naar den voorgevel; het grasveld voor het huis was beplant met verspreid geboomte; het huis zelf ging schuil onder sparren, eschdoorns enacacia’s, en achter een dichte haag, waartusschen hooge Lombardische populieren groeiden, lagen de gebouwen voor het dienstpersoneel en de stallen.Marianne trad het huis binnen, diep ontroerd door de gedachte, dat zij slechts tachtig mijlen van Barton, en geen dertig van Combe Magna was verwijderd; en eer zij vijf minuten binnen zijn muren had vertoefd, terwijl de anderen Charlotte hielpen, om haar kindje aan de huishoudster te vertoonen, liep zij weer heen en sloop door de slingerpaden van het plantsoen, dat reeds groen begon te worden, naar een hooggelegen plek, vanwaar zij, uit een Grieksch tempeltje, haar blik kon laten zwerven over een uitgestrekt landschap naar het Zuid-Oosten, met welgevallen het oog laten rusten op de verst verwijderde heuvelrij aan den gezichtseinder, en zich verbeelden, dat zij van hun top Combe Magna zou kunnen zien.In zulke oogenblikken van zalig, van onwaardeerbaar lijden verheugde zij zich onder heete tranen, te Cleveland te zijn, en toen zij langs een anderen weg naar het huis terugkeerde, met het gelukkig gevoel weer landelijke vrijheid te kunnen smaken, van plek tot plek te kunnen zwerven in ongestoorde, genotvolle eenzaamheid, besloot zij, zoolang zij bij de Palmers zou zijn, bijna ieder uur van iederen dag te genieten van zulke eenzame zwerftochten.Zij kwam juist bij tijds terug, om zich bij de anderen te voegen, die het huis verlieten, om de onmiddellijke omgeving eens in oogenschouw te nemen, en de morgen werd verder aangenaam gesleten met een wandeling door den moestuin, waar zij de bloesems bewonderden der langs de muren geleide vruchtboomen, en luisterden naar de klachten van den tuinman over de vorst, met een kijkje in de oranjerie, waar het verlies van haar fraaiste planten, die onvoorzichtig waren blootgesteld, en geleden hadden door de langdurige koude, Charlotte alweer aan het lachen bracht,en met een bezoek aan het hoenderpark, waar zij nieuwe stof tot vroolijkheid vond in de teleurgestelde verwachtingen van het meisje dat er toezicht hield, wegens kippen, die haar nesten in den steek lieten, of door een vos werden gestolen, of wegens de groote sterfte onder een veelbelovend broedsel. De morgen was mooi en droog, en Marianne had bij haar plannen om zich hier buiten bezig te houden niet gerekend op verandering van weer, zoolang zij te Cleveland logeerde. Het verraste haar dus niet weinig, dat een gestadige slagregen haar verhinderde na den eten weer uit te gaan. Zij had zich een wandeling in de schemering voorgesteld naar den Griekschen tempel, en misschien nog verder, en een koude of vochtige avond zou haar daarvan niet hebben teruggehouden; maar een zwaren en aanhoudenden slagregen kon zelfszijniet beschouwen als geschikt of aangenaam wandelweer.Het gezelschap was klein, en de uren gingen rustig voorbij. Mevrouw Palmer had haar kindje, en Mevrouw Jennings haar handwerk; ze praatten over de vrienden die ze hadden achtergelaten; regelden Lady Middleton’s gezelschapsavonden, en waren benieuwd of de Heer Palmer en Kolonel Brandon het dien avond verder zouden brengen dan tot Reading. Elinor nam deel in hun gesprek, hoewel het haar weinig boeide, en Marianne, die in ieder huis als bij instinct den weg naar de bibliotheek wist te vinden, hoezeer die ook overigens door het gezin werd vermeden, zorgde wel, dat zij spoedig een boek in handen had. Mevrouw Palmer deed van haar kant, in haar onveranderlijke en welgezinde opgeruimdheid, al wat zij kon, om hen te doen gevoelen, dat zij hier welkom waren. Haar oprechte hartelijkheid vergoedde ruimschoots de onnadenkendheid en het gebrek aan tact, die haar dikwijls deden te kort schieten in uiterlijke beleefdheid; haar vriendelijkheid, nog te bekoorlijker door haar lief gezichtje, nam voor haar in; haar dwaasheid,hoezeer ook in het oog vallend, was niet afstootend, daar zij niet gepaard ging met inbeelding; en Elinor had haar alles kunnen vergeven, behalve haar gelach.De twee heeren kwamen den volgenden dag bij tijds om deel te nemen aan het zeer verlate middagmaal. Zij vormden een prettige aanwinst voor het gezelschap en brachten een welkome afwisseling in het gesprek, dat na een langen regenachtigen morgen in ietwat kwijnenden toestand verkeerde.Elinor had den Heer Palmer zoo zelden ontmoet, en bij die enkele gelegenheden zijn houding tegenover haar en hare zuster zoo verschillend bevonden, dat zij zich niet recht kon voorstellen, hoe hij eigenlijk zou zijn in zijn eigen huiselijken kring. Hij bleek nu toch tegenover zijn gasten voorkomend genoeg, en slechts nu en dan lomp tegen zijn vrouw en haar moeder; hij kon, zooals zij thans bespeurde, zeer goed aangenaam in gezelschap zijn, en werd daarin slechts verhinderd door een overwegende neiging om zich even ver verheven boven alle andere menschen te achten, als hij zich den meerdere gevoelde van Mevrouw Jennings en Charlotte. Voor het overige vertoonde hij in zijn karakter en gewoonten, voor zoover Elinor kon nagaan, geen enkelen ongewonen trek, zijn sekse en leeftijd in aanmerking genomen. Hij was kieskeurig op zijn maaltijden, niet precies op zijn tijd, hij hield veel van zijn kind, hoewel hij deed als of het hem niet schelen kon, en hij sleet des morgens met biljartspelen den tijd, dien hij aan zijn zaken had behooren te wijden. Zij mocht hem echter over ’t geheel wel lijden; veel beter dan zij had verwacht; en in haar hart speet het haar niet, dat zij niet beter over hem denken kon; dat zij door de waarneming van zijn verfijnde genotzucht, zijn egoïsme en zijn eigenwaan ertoe gebracht werd met welbehagen te verwijlen bij de herinnering aan Edward’s edelmoedigen aard,zijn eenvoudige neigingen en schuchtere fijngevoeligheid.Van Edward, of althans het een en ander, hem betreffende, hoorde zij nu door Kolonel Brandon, die onlangs naar Dorsetshire was geweest, en die aan haar, als de belanglooze vriendin van den Heer Ferrars, en de vriendelijke vertrouwde van hemzelf, veel vertelde van de pastorie te Delaford, waarvan hij de gebreken omschreef, terwijl hij meteen vermeldde, hoe hij daarin verbetering dacht te brengen. Zijn houding tegenover haar, zoowel in dezen als in alle andere opzichten, zijn zichtbare blijdschap haar weer te zien, na een afwezigheid van slechts tien dagen, het blijkbare genoegen dat hij scheen te vinden in hun gesprekken, en het gezag dat hij toekende aan haar oordeel, deden Mevrouw Jennings’ verzekerdheid van zijn liefde voor haar niet onnatuurlijk schijnen, en zouden wellicht voldoende geweest zijn, ook bij haarzelve dat vermoeden te wekken, wanneer zij niet nog steeds Marianne als degene had beschouwd, aan wie hij van den beginne zijne voorkeur had geschonken. Maar inderdaad was die gedachte nooit bij haar opgekomen, tenzij dan door Mevrouw Jennings’ opmerkingen, en zij kon niet nalaten zichzelve voor de meest scherpziende te houden van hen beiden;zijlette op zijn oogen, terwijl Mevrouw Jennings enkel aandacht schonk aan zijn gedrag, en terwijl de angstige bezorgdheid in zijn blik, nu Marianne in haar hoofd en keel het begin van een zware verkoudheid gevoelde, volkomen aan zijn gastvrouw ontging, omdat hij die bezorgdheid niet onder woorden bracht, zag zij er de licht gewekte vrees en de noodelooze beduchtheid in van een minnaar.Twee heerlijke schemeravond-wandelingen, niet slechts op de droge kiezelpaden van het plantsoen, maar in de meest afgelegen gedeelten van den tuin en de omgeving, waar nog iets restte van de ongereptenatuur, waar de boomen het oudst waren en het gras heel lang en heel nat was, hadden,—in vereeniging met de nog grooter onvoorzichtigheid van haar natte kousen en schoenen aan te houden—Marianne zulk een hevige verkoudheid bezorgd, dat zij, ofschoon zij er een paar dagen geen acht op sloeg, of bij navraag ontkende, door toenemende ongesteldheid zich weldra het voorwerp zag van aller medelijden, en zelve moest erkennen, dat zij ziek was. Geneesmiddelen werden van alle zijden aanbevolen, en zooals gewoonlijk, alle verworpen. Hoewel loom en koortsig, met pijn in alle leden, en gekweld door hoest en keelpijn, meende zij dat een goede nachtrust haar volkomen zou genezen, en slechts met moeite kon Elinor van haar gedaan krijgen, dat zij, bij het naar bed gaan, een paar van de eenvoudigste huismiddeltjes wilde aanwenden.Hoofdstuk XLIIIMarianne stond den volgenden morgen op haar gewonen tijd op; antwoordde op elke vraag, dat zij zich beter gevoelde, en trachtte te bewijzen, dat dit het geval was, door ook haar gewone bezigheden ter hand te nemen. Maar de dag, dien zij doorbracht met zitten huiveren bij het vuur, een boek in de hand, waarin zij niet lezen kon, op de sofa liggen, leverde geen treffend bewijs van die beterschap, en toen zij eindelijk, steeds meer ongesteld, vroeg naar bed ging, verbaasde Kolonel Brandon zich over de kalmte van haar zuster, die, hoewel zij Mariannetegen den zin der zieke den geheelen dag had verzorgd en opgepast, en haar gedwongen had, des avonds medicijnen te gebruiken, evenals Marianne zelve vertrouwde op degoede uitwerking van den slaap, dien zij als zeker beschouwde, en niet in ernst ongerust was.Een zeer onrustige en koortsige nacht stelde echter beider verwachtingen te leur; en toen Marianne, die volstrekt had willen opstaan, toegaf, dat zij zich niet in staat gevoelde op te zitten, en uit zich zelve weer naar bed ging, volgde Elinor gaarne Mevrouw Jennings’ raad, den plattelandsheelmeester te laten halen, die in de buurt van de Palmers woonde.Hij kwam en onderzocht de patiënte; en hoewel hij Elinor poogde te bemoedigen door de verzekering dat haar zuster binnen eenige dagen hersteld zou kunnen zijn, liet hij zich toch het woord “besmetting” ontvallen, waardoor Mevrouw Palmer dadelijk zeer bezorgd over haar kindje werd. Mevrouw Jennings, die van den beginne, meer dan Elinor, Marianne’s ongesteldheid als ernstig had beschouwd, keek zeer bedenkelijk, toen zij hoorde wat de Heer Harris had gezegd; zij vond Charlotte’s angst en bezorgdheid zeer gegrond, en drong erop aan, dat zij onmiddellijk met het kind zou vertrekken; terwijl de Heer Palmer, hoewel hij hun vrees overdreven achtte, aan de angstige smeekingen van vrouw geen weerstand kon bieden. Er werd dus besloten, dat zij dadelijk zou gaan, en een uur na het bezoek van den Heer Harris vertrok zij, met haar kleinen jongen en het kindermeisje, naar een bloedverwant van den Heer Palmer, die een paar mijlen aan den anderen kant van Bath woonde; terwijl haar man, op haar dringend verzoek, beloofde haar over eenige dagen te zullen volgen, en zij bijna evenzeer erop gesteld was, haar moeder ook daarheen mee te nemen. Mevrouw Jennings echter verklaarde, met een innige goedhartigheid, die Elinor werkelijk liefde voor haar deed opvatten, dat zij Cleveland niet zou verlaten, zoolang Marianne ziek bleef, en dat zij wilde trachten door haar eigen oplettende zorg de moeder te vervangen, aan wiezij haar had ontnomen; en Elinor vond in haar ten allen tijde eene ijverige en gewillige helpster, gaarne bereid, haar moeite en vermoeienis te deelen, en wier ervaring op het punt van ziekenverpleging haar dikwijls van groot nut was.De arme Marianne, mat en gedrukt door haar ziektetoestand, en zich nu wel zeer ongesteld gevoelend, kon niet langer hopen, dat zij den volgenden dag beter zou zijn; en de gedachte aan ’t geen die dag haar zou gebracht hebben, wanneer deze ongelukkige ziekte niet tusschenbeide was gekomen, verscherpte elke pijn; want morgen zouden zij de thuisreis hebben aanvaard, vergezeld door een knecht van Mevrouw Jennings, zoodat zij in den loop van den daaropvolgenden dag hun moeder zouden zijn komen verrassen. De weinige woorden die zij sprak, uitten enkel haar beklag over dit onvermijdelijk uitstel; hoewel Elinor haar poogde op te beuren en te doen gelooven, zooals zijtoenwerkelijk zelve geloofde, dat dit uitstel slechts kort zou zijn.De volgende dag bracht weinig of geen verandering in den toestand der zieke; beter was zij in elk geval niet; maar men kon haar, behalve dan in zooverre geen beterschap viel te bespeuren, toch ook niet erger noemen. Hun gezelschap werd thans nog kleiner; want de Heer Palmer liet zich, hoewel hij weinig lust had om te gaan, en dat zoowel uit ware menschelijkheid en goedhartigheid, als uit ongeneigdheid, den schijn op zich te laden van door zijn vrouw’s angst te zijn aangestoken, ten slotte door Kolonel Brandon overreden, zijn belofte van haar te zullen volgen gestand te doen, en terwijl hij zich gereedmaakte voor de reis, begon Kolonel Brandon, wien dit heel wat meer inspanningkostte, ervan te praten, ook te willen vertrekken. Hier kwam Mevrouw Jennings’ goedigheid hun allen buitengewoon te pas; want om den Kolonel nu weg te zenden, terwijl zijn lieve vriendin zoobezorgd was over hare zuster, zou hen allebei, dacht zij, van allen troost berooven; dus vertelde zij hem maar dadelijk, dat zij zelve hem hier te Cleveland volstrekt noodig had; dat hij ’s avonds haar partijtje piquet met haar moest spelen, als Elinor boven bleef bij haar zuster, en zoo meer; en zoo dringend verzocht zij hem te blijven, dat hij, die zijn eigen liefsten hartewensch vervulde, wanneer hij toegaf, zich zelfs in schijn niet lang tegen haar verlangen kon verzetten; temeer daar Mevrouw Jennings’ verzoek ijverig werd ondersteund door den Heer Palmer, die verlichting scheen te vinden in het besef, dat hij iemand achterliet, zoo uitnemend geschikt om Juffrouw Dashwood in geval van nood met raad en daad bij te staan.Marianne vernam natuurlijk niets van al deze schikkingen. Zij wist niet, dat zij de bewoners van Cleveland uit hun huis had verjaagd, pas zeven dagen na hunne terugkomst. Het verwonderde haar volstrekt niet, dat Mevrouw Palmer zich nooit vertoonde, en daar het haar evenmin speet, sprak zij in ’t geheel niet van hare gastvrouw. Twee dagen verliepen na het vertrek van den Heer Palmer, en haar toestand bleef nagenoeg dezelfde. De Heer Harris die elken dag kwam, sprak nog steeds vol vertrouwen van een spoedig herstel, en Elinor bleef ook hoopvol gestemd; doch de anderen waren veel minder optimistisch in hunne verwachtingen. Mevrouw Jennings had zich van den beginne in het hoofd gezet, dat Marianne er nooit weer bovenop zou komen, en Kolonel Brandon, die niet veel anders had te doen dan Mevrouw Jennings’ sombere voorspellingen aan te hooren, was niet in de stemming om hun invloed te weerstaan. Hij trachtte door redeneering de vrees te onderdrukken, die het andersluidend oordeel van den heelmeester als dwaasheid scheen te stempelen; doch de vele uren van den dag, die hij in eenzaamheid doorbracht waren maar al te bevorderlijk voor de toelatingvan allerlei treurige gedachten, en hij kon de overtuiging niet van zich afzetten, dat hij Marianne niet zou weerzien.Toen de derde morgen was aangebroken, scheen het echter, alsof beiden de toekomst te donker hadden ingezien; want toen de Heer Harris kwam, vond hij de patiënte aanmerkelijk beter. De pols was veel sterker en alle verschijnselen waren gunstiger dan bij zijn vorig bezoek. Elinor, wier blijde hoop ten volle werd bevestigd, was een en al vroolijkheid; zij verheugde zich, in haar brieven aan haar moeder meer haar eigen oordeel te hebben gevolgd dan dat harer vrienden; want zij had volstrekt geen ophef gemaakt van de lichte ongesteldheid, die hen vooreerst nog te Cleveland deed blijven, en bijna den dag reeds bepaald, waarop Marianne op reis zou kunnen gaan.Doch de dag eindigde niet zoo gunstig als hij was begonnen. Tegen den avond werd Marianne weer erger; zij gevoelde zich meer afgemat, rusteloos en gejaagd dan te voren. Haar zuster, nog altijd hoopvol, was geneigd die verandering toe te schrijven aan de vermoeienis van het opzitten, terwijl haar bed werd opgemaakt; en na haar zorgvuldig de voorgeschreven medicijnen te hebben ingegeven, zag zij haar eindelijk indommelen, en hoopte dat de rust haar goed zou doen. Zij bleef, hoewel niet zoo rustig als Elinor wenschte, geruimen tijd doorslapen; en daar Elinor de uitwerking van dien slaap gaarne zelf wilde waarnemen, besloot zij, bij haar te blijven opzitten, tot zij wakker werd.Mevrouw Jennings, die niets wist van de verandering in den toestand der zieke, ging ongewoon vroeg naar bed; haar kamenier, die mede hielp verplegen, gebruikte haar avondeten in de kamer der huishoudster, en Elinor bleef met Marianne alleen.Steeds onrustiger werd de slaap der zieke, en haar zuster, die den blik niet van haar afwendde,wenschte bijna, nu zij haar voortdurend van houding zag veranderen, en de herhaalde, vage klachten hoorde, die haar lippen ontsnapten, dat zij haar mocht wekken uit een zoo weinig verkwikkende sluimering; toen Marianne, plotseling wakker schrikkend door een toevallig geluid in huis, overeind vloog, en koortsachtig opgewonden uitriep: “Komt Mama nu?”“Nog niet,” antwoordde Elinor, terwijl zij, zonder te laten merken hoe zij geschrikt was, Marianne hielp, weer te gaan liggen; “maar zij zal nu, hoop ik, spoedig komen. Het is een heel eind, van hier naar Barton; dat weet je wel.”“Maar ze moet niet over Londen gaan,” riep Marianne, op denzelfden gejaagden toon. “Als ze naar Londen gaat, dan zal ik haar niet meer zien.”Elinor bespeurde tot haar grooten schrik, dat zij niet volkomen bij kennis was, en voelde haar pols, terwijl zij trachtte haar tot bedaren te brengen. De polsslag was zwakker en sneller dan ooit, en daar Marianne nog steeds verward over mama bleef praten, werd Elinor zóó ongerust, dat zij besloot, dadelijk den Heer Harris te laten halen, en een bode naar Barton te zenden om hare moeder. Kolonel Brandon te raadplegen over de beste wijze, waarop dit zou kunnen gebeuren, was de gedachte onmiddellijk volgend op het genomen besluit, en zoodra zij de kamenier had gebeld, om haar plaats bij hare zuster in te nemen, ging zij haastig naar beneden naar den salon, waar zij wist, dat hij gewoonlijk, op een nog veel later uur dan thans, was te vinden.Voor aarzelen was het de tijd niet. Wat zij vreesde en wat haar bezwaarde werd hem in enkele woorden medegedeeld. Hij had niet genoeg moed, noch vertrouwen, tot een poging zelfs, om haar vrees te verdrijven; zwijgend en treurig hoorde hij haar aan; doch haar moeilijkheden werden onmiddellijk uit den weg geruimd; want met een bereidwilligheid,die deed vermoeden, dat hij reeds bij voorbaat had gerekend op deze gelegenheid om van dienst te zijn, bood hij zich aan als den boodschapper, die Mevrouw Dashwood zou gaan halen. Elinor maakte geene tegenwerping, die niet gemakkelijk werd overwonnen. Zij dankte hem in enkele, innig gevoelde woorden, en terwijl hij zijn knecht haastig heenzond, om den Heer Harris te waarschuwen, en onmiddellijk postpaarden te bestellen, schreef zij een kort briefje aan hare moeder. Hoe dankbaar verheugde zij zich op dat oogenblik in het bezit van een vriend als Kolonel Brandon!—van een leidsman voor hare moeder, wiens oordeel haar zou voorlichten, wiens hulp haar rust zou schenken, en wiens vriendschap haar zou troosten!—Voor zoover de schok van zulk een tijding voor haar kòn worden verzacht, zouden zijn aanwezigheid, zijn gedrag, zijn gereede hulp daartoe bijdragen.Hijintusschen handelde, wàt hij ook mocht gevoelen, met al de beradenheid van een rustigen geest, deed al het noodige met de uiterste snelheid, en berekende nauwkeurig hettijdstip, waarop zij zijne terugkomst mocht verwachten. Geen oogenblik ging verloren door eenig oponthoud. De paarden kwamen nog eerder dan zij hadden verwacht, en Kolonel Brandon stapte haastig in het rijtuig, terwijl hij haar alleen met een diep-ernstigen blik de hand drukte, en enkele woorden sprak, te zacht dan dat zij ze kon verstaan. Het was nu omstreeks twaalf uur, en zij ging terug naar haar zuster’s kamer, om te wachten op de komst van den Heer Harris, en verder dien nacht bij haar te waken. Voor beiden was het een lijdensnacht. Uur na uur verstreek, onder slapelooze pijn en koortsig ijlen van Marianne, onder kwellenden angst van Elinor, eer de Heer Harris kwam. De overmaat der eenmaal gewekte vrees deed haar boeten voor al haar vroegere kalmte, en het meisje, dat met haar waakte, (want zij wilde Mevrouw Jennings nietlaten roepen), pijnigde haar te meer door zinspelingen op ’t geen haar meesteres altijd wel had gedacht.Marianne’s gedachten dwaalden nog steeds, bij tusschenpoozen en onsamenhangend, naar hare moeder; en telkens als zij haar naam noemde, kromp het hart van de arme Elinor ineen, die, zichzelve verwijtend, dat zij zoovele dagen van ziekte zoo licht had geteld, en snakkend naar eenige onmiddellijke verlichting, zich verbeeldde, dat alle hulp wel spoedig te vergeefsch zou zijn; dat alles te lang was uitgesteld, en zich haar bedroefde moeder voorstelde, telaat komend om haar geliefd kind nog in leven, of nog bij haar bewustzijn te vinden.Zij was op het punt, nogmaals om den Heer Harris te zenden, of alshijniet kon komen, anderen raad in te winnen, toen hij eindelijk,—het was reeds over vijf geworden,—verscheen. Zijn oordeel maakte gelukkig zijn late komst eenigszins goed; want hoewel hij erkende, dat er een zeer onverwachte en ongunstige verandering in den toestand der zieke was ingetreden, hij zag nog geen werkelijk gevaar, en sprak over de goede verwachting, die hij had van eene nieuwe behandelingswijze, met zooveel vertrouwen, dat Elinor zich eenigermate gerustgesteld gevoelde. Hij beloofde over een uur of vier te zullen terugkomen en verliet zoowel de zieke als haar bezorgde verpleegster kalmer dan hij beiden had aangetroffen.Met oprechte meewarigheid, en vele verwijten, omdat hare hulp niet was ingeroepen, vernam Mevrouw Jennings des morgens, wat er gebeurd was. Haar vroegere vrees, thans en met meer reden, opnieuw gewekt, deed haar omtrent den afloop geen twijfel koesteren, en hoewel zij poogde, Elinor woorden van troost toe te spreken, haar stellige overtuiging omtrent het gevaar, waarin Marianne verkeerde, liet haar niet toe, den troost der hoop teverleenen. Het deed haar innig verdriet. Het snelle verval, de vroege dood van een zoo jong en schoon meisje als Marianne zouden het medelijden hebben gewekt zelfs van wie haar minder na stond. Doch er was meer, dat haar recht gaf op Mevrouw Jennings’ meegevoel. Drie maanden was zij dagelijks met haar in aanraking geweest, ook thans nog bleef zij aan hare zorg toevertrouwd; zij wist dat Marianne groot onrecht was geschied; dat zij lang en veel had geleden. Het verdriet harer zuster, van wie zij bijzonder veel hield, moest zij ook aanzien; en wat hunne moeder betrof, als mevrouw Jennings bedacht, dat Marianne waarschijnlijk voor haar was, wat Charlotte was voor haarzelve, dan leed zij in waarheid de smart dier andere moeder mede.De Heer Harris bracht zijn tweede bezoek precies op tijd; doch zag zijn hoop op een goeden uitslag teleurgesteld. Zijne medicijnen hadden niet geholpen;—de koorts nam nog niet af, en Marianne bleef,—rustiger, doch niet bij kennis,—in een toestand van doffe bewusteloosheid. Elinor, onmiddellijk onder den indruk van zijn vrees, en erger nog, stelde voor, andere hulp in te roepen. Doch hij achtte dit niet noodig; hij wilde nog een nieuwe behandeling beproeven, op welke uitwerking hij bijna evenveel vertrouwen had als op de vorige, en hij nam afscheid met bemoedigende verzekeringen, die Elinor aanhoorde, zonder dat zij doordrongen tot haar hart. Zij was kalm; behalve wanneer zij aan hare moeder dacht; doch zij had bijna geen hoop meer; en zoo bleef zij tot twaalf uur bij haar zuster’s bed zitten, terwijl haar gedachten van de eene treurige voorstelling, van den eenen lijdenden vriend naar den anderen zwierven, en zij bijna tot wanhoop werd gedreven door het gepraat van Mevrouw Jennings, die onomwonden uitsprak, dat zij de hevigheid en gevaarlijkheid van dezen ziekte-aanval toeschreef aan de vele voorafgeganeweken van ongesteldheid, veroorzaakt door Marianne’s teleurstelling. Elinor gevoelde maar al te zeer, hoe gegrond deze veronderstelling was, en dit stemde haar des te droeviger.Omstreeks twaalf uur echter begon zij,—maar met een schroomvalligheid, eene vrees voor teleurstelling, die haar eenigen tijd deden zwijgen, zelfs tegenover haar vriendin,—zich te verbeelden, te hopen, dat zij een geringe verbetering bespeurde in haar zuster’s polsslag;—zij wachtte, zag toe, voelde nogmaals en nogmaals, en eindelijk waagde zij, met een ontroering, moeilijker te verbergen achter uitwendige kalmte dan al het voorgaand verdriet, hare hoop uit te spreken. Hoewel Mevrouw Jennings eveneens moest erkennen, dat er een tijdelijke verbetering te bespeuren viel, trachtte zij haar vriendin te ontraden, die verbetering als blijvend te beschouwen; en Elinor, langdurig verwijlend bij elke ingeving van wantrouwen, hield zich zelve voor, dat zij niet mòcht hopen. Doch het was te laat. De hoop had zich reeds toegang gebaand, en deelend in al haar angstige bewogenheid, boog Elinor zich over haar zuster, om te wachten op... zij wist zelve bijna niet wàt. Een half uur verstreek, en nog mocht zij zich verblijden over het gunstig teeken. Andere voegden zich daarbij, om het te bevestigen. Haar ademhaling, haar huid, haar lippen, in alles zag Elinor sporen van beterschap, en Marianne zag haar aan met een rustigen, schoon matten blik. Tusschen hoop en vrees, die zich gelijkelijk van haar meester maakten, had zij geen oogenblik rust, tot om vier uur de Heer Harris kwam, die haar door zijn stellige verzekering, en door zijn gelukwensch met een beterschap, welke zijn verwachting overtrof, zoowel vertrouwen als kalmte schonk en bewoog tot tranen van vreugde.Marianne was in elk opzicht oneindig beter, en hij verklaarde haar thans geheel buiten gevaar. Mevrouw Jennings, misschien voldaan, nu haarsombere voorgevoelens althans gedeeltelijk waren bewaarheid door den pas uitgestanen angst, begon te denken, dat hij wel gelijk zou hebben, en gaf met ongeveinsde blijdschap, en al spoedig met onmiskenbare vroolijkheid, te kennen dat ook zij geloofde in een volkomen herstel.Vroolijkheid kon Elinor niet aan den dag leggen. Haar vreugde was van anderen aard en leidde het allerminst tot blijdschaps-uiting. Marianne te zien teruggegeven aan het leven, gezondheid, haar vrienden en hare liefhebbende moeder, was een denkbeeld, dat haar hart vervulde met een gewaarwording van innige bevrediging; dat het deed zwellen van vurige dankbaarheid;—doch dat gevoel vertolkte zich door geen uiterlijk vreugdebetoon, geen woorden, geen glimlach. In Elinor’s binnenste was slechts plaats voor stille, sterke voldoening.Zij bleef dien namiddag bijna voortdurend aan haar zuster’s zijde, elke vrees bedarend, elke vraag van haar verzwakten geest beantwoordend, tot alle hulp bereid, en lettend op elken blik, op iedere ademhaling. De mogelijkheid van instorting kwam haar natuurlijk nu en dan herinneren aan ’t geen het zeggen wilde, angst te gevoelen;—maar toen zij bij herhaald, nauwkeurig onderzoek, bespeurde dat alle teekenen van beterschap aanhielden, toen zij Marianne om zes uur in een rustigen, vasten en oogenschijnlijk verkwikkenden slaap zag vallen, legde zij elken twijfel het zwijgen op. De tijd naderde thans, dat Kolonel Brandon kon worden terugverwacht. Om tien uur, dacht zij, of althans niet veel later, zou voor haar moeder een einde komen aan de vreeselijke onzekerheid, waarin zij thans naar hen op weg was. En de Kolonel ook!—misschien weinig minder te beklagen dan zij!—O, hoe langzaam verstreek de tijd, die hen nog in onwetendheid bleef houden!Om zeven uur ging zij, toen Marianne nog steeds rustig doorsliep, naar den salon, om met MevrouwJennings thee te drinken. Aan het ontbijt had zij door haar angst, en aan het diner door de plotselinge bevrijding ervan, niet veel gegeten,—en dus was haar deze maaltijd, waaraan zij met zulk een tevreden gevoel deelnam, bijzonder welkom. Mevrouw Jennings wilde haar na de thee overhalen om nog wat te rusten eer haar moeder kwam,zijzou dan hare plaats bij Marianne innemen; maar Elinor voelde op dat oogenblik noch vermoeienis, noch behoefte aan slaap, en zij wilde volstrekt niet langer dan noodig was, van haar zuster wegblijven. Nadat Mevrouw Jennings dus met haar was meegegaan naar de ziekenkamer, om zelf te zien, dat alles goed bleef gaan, liet zij haar daar alleen met hare taak en hare gedachten, en ging naar haar eigen kamer, om brieven te schrijven, eer zij zich ter rust begaf.De avond was koud en stormachtig. De wind joeg in vlagen rondom het huis en de regen sloeg tegen de vensters; maar Elinor in wier binnenste alles blijdschap was, deerde het niet. Marianne sliep door elke stormvlaag heen,—en de reizigers—hun wachtte de rijkste belooning voor alle tegenwoordig ongerief.De klok sloeg acht uur. Had het tien geslagen, dan zou Elinor stellig gemeend hebben, dat zij op dat oogenblik een rijtuig hoorde naderkomen, en zo zeker geloofde zij het werkelijk gehoord te hebben, dat zij, al scheen hetbijnaonmogelijk, hun komst nu reeds te verwachten, naar de aangrenzende kleedkamer ging, en een der luiken opende, om zich van de waarheid te vergewissen. Zij zag dadelijk, dat haar ooren haar niet hadden bedrogen, toen zij het licht van twee rijtuiglantaarns bespeurde. Bij hun onzeker schijnsel meende zij te zien, dat het voertuig met vier paarden was bespannen; waaruit zij niet slechts afleidde, in hoe groote ongerustheid haar arme moeder moest hebben verkeerd; doch ’t geen tevens de onverwachte snelheidverklaarde, waarmede de reis volbracht was. Nog nooit in haar leven had Elinor het zoo moeilijk bevonden, kalm te zijn, als op dat oogenblik. Het besef van wat haar moeder moest gevoelen, terwijl het rijtuig voor de deur stilhield,—van haar twijfel—haar vrees—haar wanhoop misschien!—en watzijdaarop te zeggen had!—met dàt besef was het onmogelijk, kalm te zijn. Het eenige wat haar te doen stond, was haast te maken; en zoodra zij Mevrouw Jennings’ kamenier bij haar zuster had geroepen, snelde zij de trap af.Toen zij een afgesloten gang doorliep, hoorde zij aan de voetstappen in de vestibule, dat zij het huis reeds waren binnengegaan. Haastig liep zij naar den salon,—trad binnen,—en stond tegenover Willoughby.
Hoofdstuk XLIToen Edward Kolonel Brandon zijn dank had betuigd, ging hij Lucy deelgenoote maken van zijn geluk; en toen hij Bartlett’s Buildings bereikte, was zijn blijdschap reeds zoo toegenomen, dat zij Mevrouw Jennings, die haar den volgenden dag kwam gelukwenschen, kon verzekeren, dat zij hem nog nooit in haar leven zoo verrukt had gezien.Háár blijdschap en verrukking bleken althans duidelijk genoeg, en zij verheugde zich mèt Mevrouw Jennings in de voorstelling, dat zij samen gezellig in de pastorie te Delaford zouden zitten, eer de maand September was verstreken. Zoo weinig schroomvallig betoonde zij zich daarbij in het openlijk de eer geven aan Elinor van ’t geen Edward bleef toeschrijven aan háár invloed, dat zij met dankbare hartelijkheid sprak van hare vriendschap voor hen beiden; gereed was te erkennen, dat zij aan háár alles waren verplicht, en openlijk verklaarde, dat gééne poging tot bevordering van hun geluk, van Juffrouw Dashwood’s kant, haar ooit zou verwonderen, ’t zij nu of later; want zij was vast overtuigd, dat zij in staat was het onmogelijke te doen voor iemand, dien zij oprecht waardeerde. Wat Kolonel Brandon betrof, zij was niet alleen bereid hem te vereeren als een heilige; maar ook zeer bezorgd, dat hij in alle wereldsche aangelegenheden de eer zou ontvangen, die hem toekwam; zij wenschte van harte, dat zijn bezitting hem méér dan ooit zou opbrengen, en nam zich in stilte voor te Delaford, waar zij maar eenigszins daartoe kans zag, zich het gebruik te verzekeren van zijn bedienden, zijn rijtuig, zijn koeien en zijn hoenderpark.Sedert John Dashwood’s bezoek in Berkeley Street was nu reeds een week verloopen, en daar zij na dien tijd, behalve een mondelinge navraag, geen notitie meer hadden genomen van zijn vrouw’s ongesteldheid, begon Elinor het noodig te achten, haar een bezoek te brengen. Dit was een verplichting, waartoe zij zelve niet alleen weinig aandrang gevoelde, maar die bovendien geen steun ontving door den bijval van haar beide huisgenooten. Marianne weigerde niet alleen zeer stellig, zelve te gaan; maar wilde volstrekt haar zuster van dat bezoek terughouden; en hoewel Mevrouw Jennings’ rijtuig ten allen tijde tot Elinor’s dienst stond, had zijzelve zulk een hekel aan Mevrouw John Dashwood, dat noch haar nieuwsgierigheid om te zien, hoe zij zich hield na de onlangs gedane ontdekking, noch haar groote lust om haar eens de waarheid te zeggen en het voor Edward op te nemen, haar konden bewegen, den tegenzin in haar gezelschap te overwinnen. Het gevolg hiervan was, dat Elinor alleen het bezoek ging afleggen, waartoe niemand minder lust gevoelde dan zij, en de kans ging loopen op een tête-à-tête met iemand, die geen der anderen reden had met zóóveel afkeer te beschouwen.Mevrouw Dashwood had belet; maar eer het rijtuig nog kon omkeeren, kwam haar man toevallig de deur uit. Hij gaf zijn blijdschap te kennen, Elinor te zien, vertelde, dat hij juist naar Berkeley Street had willen gaan, en vroeg haar, binnen te komen; het zou Fanny pleizier doen haar weer eens te spreken.Zij gingen de trap op, en naar den salon, waar niemand zich vertoonde.“Fanny is zeker in haar eigen kamer,” zei hij, “ik zal straks naar haar toegaan; want zij heeft er natuurlijk in ’t minst niet op tegen om je te zien;—integendeel.—Nuvooral kan er niets meer... maar in elk geval, jij en Marianne stondt altijd hoog bijhaar aangeschreven. Waarom is Marianne niet meegekomen?”Elinor verontschuldigde haar zoo goed zij kon.“Ik ben er niet rouwig om, dat ik je alleen spreek,” zei hij, “want ik heb je veel te vertellen. Die predikantsplaats van Kolonel Brandon... kan dat waar zijn?—heeft hij die werkelijk aan Edward gegeven? Ik hoorde het gisteren bij toeval, en wilde juist je gaan opzoeken, om er meer van te vernemen.”“’t Is werkelijk waar.—Kolonel Brandon heeft de predikantsplaats te Delaford aan Edward geschonken.”“Dus tòch!—Dat is toch verbazingwekkend!—geen familiebetrekking,—geen andere relatie!... en dat terwijl zulke plaatsen nu juist hooge prijzen opbrengen; hoeveel was deze waard?”“Ongeveer tweehonderd pond.”“Nu goed,—en voor de voorkeur alleen voor die vacature,—gesteld dat de vorige predikant oud en ziekelijk was, en spoedig zijn ambt had moeten neerleggen,—had hij stellig wel een veertienhonderd pond kunnen krijgen. Hoe kwam het, dat hij dat niet al lang had in orde gebracht, vóór deze laatste predikant was overleden?—Nuzou het natuurlijk te laat zijn voor een verkoop;—maar zulk een verstandig man als Kolonel Brandon!—hoe is ’t mogelijk, dat hij zoo weinig vooruitziende is, in zulk een natuurlijke, van zelf sprekende zaak. Nu, het bewijst alweer, dat bijna ieder mensch in zeker opzicht inconsequent is. Maar nu ik het goed bedenk, zal de zaak hoogst waarschijnlijkdezezijn. Edward treedt zoolang als plaatsvervanger op, tot de persoon aan wien de Kolonel de voorkeur door verkoop heeft afgestaan, oud genoeg is, om het ambt waar te nemen.—Ja, ja, zóó zal ’t zijn; daar ben ik zeker van.”Elinor sprak dit echter met den meesten nadruk tegen, en toen zij verteld had, dat zijzelve op verzoek van den Kolonel zijn aanbod aan Edward had overgebracht,en dus op de hoogte was van de wijze, waarop het was gegeven en aanvaard, moest hij wel gelooven op gezag.“’t Is wèl merkwaardig!”—riep hij uit, na haar te hebben aangehoord,—“wat kan toch de beweegreden van den Kolonel zijn geweest?”“Een heel eenvoudige—Edward een dienst te bewijzen.”“Nu, ik moet zeggen, wat voor een man Kolonel Brandon dan ook is, Edward heeft het getroffen! Spreek er overigens maar niet over tegen Fanny; want hoewel ik het haar heb meegedeeld, en zij het nog al goed opnam, ze heeft niet graag, dat erover wordt gepraat.”Elinor had eenige moeite, de opmerking te weerhouden, dat Fanny allicht met gelatenheid zou hebben kunnen verdragen, haar broeder’s inkomen vermeerderd te zien op een wijze, die noch haar, noch haar kind bij mogelijkheid zou kunnen benadeelen.“Mevrouw Ferrars,” voegde hij erbij, op den zachteren toon, die bij het gewicht van dit onderwerp paste, “weet er op het oogenblik nog niets van, en ik geloof dat het raadzaam is, het zoo lang mogelijk voor haar geheim te houden. Als het huwelijk wordt voltrokken, vrees ik, dat zij alles zal moeten hooren.”“Maar waarom zouden zulke voorzorgen moeten worden in acht genomen? ’t Is niet te verwachten, dat Mevrouw Ferrars de geringste voldoening kan vinden in de zekerheid, dat haar zoon genoeg heeft om van te leven;—dàt staat in elk geval vast; maar waarom zou men, na de wijze waarop zij zich heeft gedragen, éénig gevoel bij haar veronderstellen? Ze heeft afgedaan met haar zoon; ze heeft hem voor altoos verstooten, en gezorgd, dat allen, op wie zij eenigen invloed had, dat eveneens deden. Nu ze dàt eenmaal heeft gedaan, kan men zich toch niet voorstellen, dat ze nog vatbaar zou zijn voor eenigenindruk van smart of vreugde, òm of dóór hèm;—zij kàn geen belang stellen in iets, wat hem aangaat. Zij zal toch niet zoo zwak zijn, ouderlijke bezorgdheid te gevoelen voor een kind, terwijl zij den troost zijner genegenheid moedwillig heeft verworpen?”“Zeker, Elinor,” zei John; “je redeneering is zeer juist; maar zij berust op onbekendheid met de menschelijke natuur. Geloof maar gerust, als dat ongelukkige huwelijk van Edward plaats heeft, dan voelt zijn moeder dat even diep, alsof zij hem nooit had verstooten; en daarom moet elke omstandigheid, die deze verschrikkelijke ramp kan verhaasten, zoo lang mogelijk voor haar verborgen worden gehouden. Mevrouw Ferrars kan nooit vergeten, dat Edward haar zoon is.”“Hoe is het mogelijk?—ik zou zeggen, dat ze ’t zichnual bijna niet meer herinnert.”“Je doet haar schromelijk onrecht. Mevrouw Ferrars is een van de meest liefhebbende moeders, die er bestaan.”Elinor zweeg.“We denken ernuover,”zeide de Heer Dashwood na een korte stilte, “omRobertmet Juffrouw Morton te laten trouwen.”Elinor, die niet kon nalaten te glimlachen om de ernstige en beslissende gewichtigheid van haar broeder’s toon, zei bedaard; “Met de keuze der dame wordt dus geen rekening gehouden.”“Keuze?—Hoe bedoel je?”“Ik bedoel, dat het, naar je manier van spreken te oordeelen, voor Juffrouw Morton hetzelfde moet zijn, of ze met Edward of met Robert trouwt.”“Natuurlijk; dat maakt ook geen verschil; want Robert zal nu feitelijk en in elk opzicht als de oudste zoon worden beschouwd; en wat het overige aangaat,zezijn beiden heel aardige jongelui,—ik zie niet in dat de een hooger staat dan de ander.”—Elinor zeide niets meer en ook John bleef een poos zwijgen. Aan ’t slot van zijn overpeinzingennam hij zijn zuster vriendelijk bij de hand en fluisterde bijna plechtig: “Een ding, zusjelief, kan ik je verzekeren, en ik wil het je zeggen, omdat ik weet dat het je genoegen zal doen. Ik heb alle reden te denken—ja, ik weet het uit de beste bron, anders zou ik ’t niet oververtellen, want dàn zou het heel verkeerd zijn er over te spreken—maar ik heb het uit de allereerste hand—niet dat ik het door Mevrouw Ferrarszelve hoordezeggen, maar haar dochter zei het, en van háár heb ik ’t gehoord—dat, om kort te gaan, welke bezwaren er ook mochten hebben bestaan tegen een zekere... een zekere verbintenis,—je begrijpt wat ik bedoel,—diehaar toch oneindig liever zou geweest zijn, en haar niet half zoo zou hebben geërgerd alsdit. Het verheugde mij bijzonder, te hooren, dat Mevrouw Ferrars er zóó over dacht,—’t is voor ons allen aangenaam dit te weten, dat begrijp je. “’t Zou van twee kwaden verreweg het minste zijn geweest,” zei ze, “en ze zou blij zijn, als ze zichnuhad te schikken in niets ergers dan dàt. Trouwens,—daarvan is nu geen sprake, niet waar? daarover wordt geen woord meer gerept, en we denken er niet meer aan; die genegenheid trouwens—dat was nooit—dat is nu voorbij. Maar ik vond, dat ik ’t je toch moest vertellen; omdat ik begreep, dat het je veel pleizier moest doen. Reden tot spijt heb je overigens niet, mijn beste Elinor. Je zult het stellig nog heel goed treffen, evengoed, of beter misschien, als men alles in aanmerking neemt. Heb je Kolonel Brandon voor kort nog gesproken?”Elinor had genoeg gehoord, zooal niet om haar ijdelheid te vleien en haar eigendunk te streelen, dan toch om haar zenuwen te prikkelen en haar gedachten te vervullen; en daarom was zij blijde, dat haar de verplichting werd bespaard, zelf nog meer te zeggen, zoowel als de kans, nog meer van haar broeder te vernemen, doordat Robert Ferrars binnentrad. Na een oogenblik met hem te hebbengepraat, ging John Dashwood zich herinneren, dat Fanny nog steeds niet wist van haar zuster’s bezoek, de kamer uit, om haar te halen; en Elinor bleef achter, om nader kennis te maken met Robert, die door de luchtige zorgeloosheid en de tevreden zelfvoldaanheid van zijn optreden, terwijl hem een zoo onrechtmatig groot aandeel werd geschonken in zijn moeder’s liefde en haar gunstbewijzen ten nadeele van zijn verbannen broeder, een voorkeur, slechts verdiend door zijn eigen losbandig leven, in tegenstelling met Edward’s onkreukbare rechtschapenheid, de ongunstige meening bevestigde, die zij reeds had opgevat omtrent zijn gaven van hoofd en hart. Zij waren nog geen twee minuten alleen gebleven, of hij begon al over Edward te spreken; want hij had ook van de predikantsplaats gehoord, en was zeer benieuwd er meer van te vernemen. Elinor herhaalde de bijzonderheden, die zij aan John had medegedeeld, en hun uitwerking op Robert was, hoewel weer op een andere manier, niet minder treffend, dan bij haar broeder ’t geval was geweest. Hij lachte uitbundig. Het denkbeeld, dat Edward predikant zou worden en wonen in een kleine pastorie, vermaakte hem ongemeen, en toen zijn verbeelding hem daarbij Edward nog afschilderde in een wit koorhemd, de huwelijksaankondiging aflezend van John Smith en Mary Brown, kon hij zich onmogelijk iets grappigers voorstellen.Terwijl Elinor, zwijgend en onverstoorbaar ernstig, wachtte tot dat dwaze gelach zou ophouden, kon zij niet nalaten, in den blik, dien zij op hem liet rusten, al de minachting aan den dag te leggen, die zij gevoelde. Die blik was in zóóverre welbesteed, dat hij háár verlichting schonk, terwijlhijer in ’t minst niet door werd getroffen. Het was geen berisping van hare zijde, die zijn geestigheid in wijsheid deed verkeeren; doch zijn eigen oprecht gevoel.“We beschouwen ’t nu als een grap,” zei hijeindelijk, het gemaakte gelach stakend, waarmee hij zijn eerste uitbarsting van vroolijkheid nog eenigen tijd had verlengd,—“maar, in ernst, het is waarlijk geen gekheid. Die arme Edward; het is uit met hem, voor goed. ’t Spijt me ontzettend voor hem,—want hij is een beste jongen; zoo goed als er geen tweede bestaat misschien. U moet hem niet beoordeelen, Juffrouw Dashwood, naar het weinigje datuvan hem weet. Arme kerel! Zijn manieren zijn nu niet juist wat men een aanbeveling zou kunnen noemen. Maar niet ieder wordt geboren met dezelfde gaven,—denzelfden natuurlijken aanleg in dat opzicht. Die stakker—als men hem in een vreemd gezelschap zag,—’t was om medelijden mee te hebben! Maar op mijn woord van eer, ik houd hem voor een van de beste menschen die ik ken, en ik kan u naar waarheid verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven zoo heb opgekeken, als toen deze geschiedenis aan ’t licht kwam. Ik kon ’t niet gelooven. Mama was de eerste die ’t mij vertelde, en ik zei dadelijk, (want ik wist onmiddellijk wat mij te doen stond): “Mama, ik weet niet, watuvan plan bent; maar watmijbetreft, als Edward met dit meisje trouwt, dan ziet hij mij nooit weerom!” Dat zei ik, zoodra ik ’t hoorde;—ik kon mijn ooren niet gelooven! ’t Was bepaald kwetsend voor mijn gevoel!—Arme Edward, hij heeft zich totaal te gronde gericht,—geen fatsoenlijk mensch zal ooit weer met hem willen omgaan; maar zooals ik dadelijk tegen mijn moeder zei, ’t verwondert me niets; na die opvoeding, die hij heeft gehad, kon men niet anders verwachten. Mijn goeie moeder was half gek van boosheid.”“Hebt u zijn meisje wel eens ontmoet?”“Ja, eenmaal; toen ze hier logeerde. Ik liep toevallig even aan; maar ik zag genoeg, om te weten wie ik voorhad. Een gewoon, stijf burgermeisje, provinciaal, ongracieus, en niet eens wat je mooi noemt. Ik kan me haar nog precies voorstellen.Juist het soort van meisje, door wie Edward zich licht zou laten inpalmen. Ik bood dadelijk aan, toen mijn moeder ’t mij vertelde, om zelf eens met hem te praten, en hem te bewegen, van dat huwelijk af te zien; maartoenwas het al te laat, dat zag ik in; want jammer genoeg was ik er in ’t begin niet bij geweest, en wist van niets af, eer de breuk met mijn moeder een voldongen feit was, waarna het niet op mijn weg lag, tusschenbeide te komen, dat begrijpt u. Maar had ik het een paar uur vroeger vernomen, dan geloof ik stellig, dat er nog wel iets op te vinden was geweest. Ik zou Edward met den meesten nadruk mijn meening hebben te kennen gegeven. “Beste jongen,” zou ik hebben gezegd, “bedenk wat je doet. Je verlaagt je door een dergelijke verbintenis, die door je geheele familie wordt afgekeurd.” Ik kan niet nalaten te denken, dat er nog wel iets aan te doen zou geweest zijn. Maar nu is het te laat. Hij zal moeten hongerlijden; dat staat vast; feitelijk en letterlijk hongerlijden.”Hij had die overtuiging juist met de grootste kalmte uitgesproken, toen de komst van Mevrouw John Dashwood een einde maakte aan hun gesprek. Maar hoewel zij nooit over de zaak sprak met anderen dan haar eigen familieleden, bespeurde Elinor den invloed ervan op haar geest, in den zweem van verlegenheid, die zich op haar gezicht vertoonde bij het binnentreden, en in een poging tot iets als vriendelijkheid jegens haarzelve in hare houding. Zij ging zelfs zoo ver, haar spijt te betuigen, dat Elinor en haar zuster reeds zoo spoedig zouden vertrekken, daar zij had gehoopt, hen nog dikwijls te zien, eene uiting, door haar man, die haar had binnengebracht, en verteerderd naar haar luisterde, blijkbaar beschouwd als een bewijs van allerbeminnelijkste hartelijkheid.
Toen Edward Kolonel Brandon zijn dank had betuigd, ging hij Lucy deelgenoote maken van zijn geluk; en toen hij Bartlett’s Buildings bereikte, was zijn blijdschap reeds zoo toegenomen, dat zij Mevrouw Jennings, die haar den volgenden dag kwam gelukwenschen, kon verzekeren, dat zij hem nog nooit in haar leven zoo verrukt had gezien.
Háár blijdschap en verrukking bleken althans duidelijk genoeg, en zij verheugde zich mèt Mevrouw Jennings in de voorstelling, dat zij samen gezellig in de pastorie te Delaford zouden zitten, eer de maand September was verstreken. Zoo weinig schroomvallig betoonde zij zich daarbij in het openlijk de eer geven aan Elinor van ’t geen Edward bleef toeschrijven aan háár invloed, dat zij met dankbare hartelijkheid sprak van hare vriendschap voor hen beiden; gereed was te erkennen, dat zij aan háár alles waren verplicht, en openlijk verklaarde, dat gééne poging tot bevordering van hun geluk, van Juffrouw Dashwood’s kant, haar ooit zou verwonderen, ’t zij nu of later; want zij was vast overtuigd, dat zij in staat was het onmogelijke te doen voor iemand, dien zij oprecht waardeerde. Wat Kolonel Brandon betrof, zij was niet alleen bereid hem te vereeren als een heilige; maar ook zeer bezorgd, dat hij in alle wereldsche aangelegenheden de eer zou ontvangen, die hem toekwam; zij wenschte van harte, dat zijn bezitting hem méér dan ooit zou opbrengen, en nam zich in stilte voor te Delaford, waar zij maar eenigszins daartoe kans zag, zich het gebruik te verzekeren van zijn bedienden, zijn rijtuig, zijn koeien en zijn hoenderpark.
Sedert John Dashwood’s bezoek in Berkeley Street was nu reeds een week verloopen, en daar zij na dien tijd, behalve een mondelinge navraag, geen notitie meer hadden genomen van zijn vrouw’s ongesteldheid, begon Elinor het noodig te achten, haar een bezoek te brengen. Dit was een verplichting, waartoe zij zelve niet alleen weinig aandrang gevoelde, maar die bovendien geen steun ontving door den bijval van haar beide huisgenooten. Marianne weigerde niet alleen zeer stellig, zelve te gaan; maar wilde volstrekt haar zuster van dat bezoek terughouden; en hoewel Mevrouw Jennings’ rijtuig ten allen tijde tot Elinor’s dienst stond, had zijzelve zulk een hekel aan Mevrouw John Dashwood, dat noch haar nieuwsgierigheid om te zien, hoe zij zich hield na de onlangs gedane ontdekking, noch haar groote lust om haar eens de waarheid te zeggen en het voor Edward op te nemen, haar konden bewegen, den tegenzin in haar gezelschap te overwinnen. Het gevolg hiervan was, dat Elinor alleen het bezoek ging afleggen, waartoe niemand minder lust gevoelde dan zij, en de kans ging loopen op een tête-à-tête met iemand, die geen der anderen reden had met zóóveel afkeer te beschouwen.
Mevrouw Dashwood had belet; maar eer het rijtuig nog kon omkeeren, kwam haar man toevallig de deur uit. Hij gaf zijn blijdschap te kennen, Elinor te zien, vertelde, dat hij juist naar Berkeley Street had willen gaan, en vroeg haar, binnen te komen; het zou Fanny pleizier doen haar weer eens te spreken.
Zij gingen de trap op, en naar den salon, waar niemand zich vertoonde.
“Fanny is zeker in haar eigen kamer,” zei hij, “ik zal straks naar haar toegaan; want zij heeft er natuurlijk in ’t minst niet op tegen om je te zien;—integendeel.—Nuvooral kan er niets meer... maar in elk geval, jij en Marianne stondt altijd hoog bijhaar aangeschreven. Waarom is Marianne niet meegekomen?”
Elinor verontschuldigde haar zoo goed zij kon.
“Ik ben er niet rouwig om, dat ik je alleen spreek,” zei hij, “want ik heb je veel te vertellen. Die predikantsplaats van Kolonel Brandon... kan dat waar zijn?—heeft hij die werkelijk aan Edward gegeven? Ik hoorde het gisteren bij toeval, en wilde juist je gaan opzoeken, om er meer van te vernemen.”
“’t Is werkelijk waar.—Kolonel Brandon heeft de predikantsplaats te Delaford aan Edward geschonken.”
“Dus tòch!—Dat is toch verbazingwekkend!—geen familiebetrekking,—geen andere relatie!... en dat terwijl zulke plaatsen nu juist hooge prijzen opbrengen; hoeveel was deze waard?”
“Ongeveer tweehonderd pond.”
“Nu goed,—en voor de voorkeur alleen voor die vacature,—gesteld dat de vorige predikant oud en ziekelijk was, en spoedig zijn ambt had moeten neerleggen,—had hij stellig wel een veertienhonderd pond kunnen krijgen. Hoe kwam het, dat hij dat niet al lang had in orde gebracht, vóór deze laatste predikant was overleden?—Nuzou het natuurlijk te laat zijn voor een verkoop;—maar zulk een verstandig man als Kolonel Brandon!—hoe is ’t mogelijk, dat hij zoo weinig vooruitziende is, in zulk een natuurlijke, van zelf sprekende zaak. Nu, het bewijst alweer, dat bijna ieder mensch in zeker opzicht inconsequent is. Maar nu ik het goed bedenk, zal de zaak hoogst waarschijnlijkdezezijn. Edward treedt zoolang als plaatsvervanger op, tot de persoon aan wien de Kolonel de voorkeur door verkoop heeft afgestaan, oud genoeg is, om het ambt waar te nemen.—Ja, ja, zóó zal ’t zijn; daar ben ik zeker van.”
Elinor sprak dit echter met den meesten nadruk tegen, en toen zij verteld had, dat zijzelve op verzoek van den Kolonel zijn aanbod aan Edward had overgebracht,en dus op de hoogte was van de wijze, waarop het was gegeven en aanvaard, moest hij wel gelooven op gezag.
“’t Is wèl merkwaardig!”—riep hij uit, na haar te hebben aangehoord,—“wat kan toch de beweegreden van den Kolonel zijn geweest?”
“Een heel eenvoudige—Edward een dienst te bewijzen.”
“Nu, ik moet zeggen, wat voor een man Kolonel Brandon dan ook is, Edward heeft het getroffen! Spreek er overigens maar niet over tegen Fanny; want hoewel ik het haar heb meegedeeld, en zij het nog al goed opnam, ze heeft niet graag, dat erover wordt gepraat.”
Elinor had eenige moeite, de opmerking te weerhouden, dat Fanny allicht met gelatenheid zou hebben kunnen verdragen, haar broeder’s inkomen vermeerderd te zien op een wijze, die noch haar, noch haar kind bij mogelijkheid zou kunnen benadeelen.
“Mevrouw Ferrars,” voegde hij erbij, op den zachteren toon, die bij het gewicht van dit onderwerp paste, “weet er op het oogenblik nog niets van, en ik geloof dat het raadzaam is, het zoo lang mogelijk voor haar geheim te houden. Als het huwelijk wordt voltrokken, vrees ik, dat zij alles zal moeten hooren.”
“Maar waarom zouden zulke voorzorgen moeten worden in acht genomen? ’t Is niet te verwachten, dat Mevrouw Ferrars de geringste voldoening kan vinden in de zekerheid, dat haar zoon genoeg heeft om van te leven;—dàt staat in elk geval vast; maar waarom zou men, na de wijze waarop zij zich heeft gedragen, éénig gevoel bij haar veronderstellen? Ze heeft afgedaan met haar zoon; ze heeft hem voor altoos verstooten, en gezorgd, dat allen, op wie zij eenigen invloed had, dat eveneens deden. Nu ze dàt eenmaal heeft gedaan, kan men zich toch niet voorstellen, dat ze nog vatbaar zou zijn voor eenigenindruk van smart of vreugde, òm of dóór hèm;—zij kàn geen belang stellen in iets, wat hem aangaat. Zij zal toch niet zoo zwak zijn, ouderlijke bezorgdheid te gevoelen voor een kind, terwijl zij den troost zijner genegenheid moedwillig heeft verworpen?”
“Zeker, Elinor,” zei John; “je redeneering is zeer juist; maar zij berust op onbekendheid met de menschelijke natuur. Geloof maar gerust, als dat ongelukkige huwelijk van Edward plaats heeft, dan voelt zijn moeder dat even diep, alsof zij hem nooit had verstooten; en daarom moet elke omstandigheid, die deze verschrikkelijke ramp kan verhaasten, zoo lang mogelijk voor haar verborgen worden gehouden. Mevrouw Ferrars kan nooit vergeten, dat Edward haar zoon is.”
“Hoe is het mogelijk?—ik zou zeggen, dat ze ’t zichnual bijna niet meer herinnert.”
“Je doet haar schromelijk onrecht. Mevrouw Ferrars is een van de meest liefhebbende moeders, die er bestaan.”
Elinor zweeg.
“We denken ernuover,”zeide de Heer Dashwood na een korte stilte, “omRobertmet Juffrouw Morton te laten trouwen.”
Elinor, die niet kon nalaten te glimlachen om de ernstige en beslissende gewichtigheid van haar broeder’s toon, zei bedaard; “Met de keuze der dame wordt dus geen rekening gehouden.”
“Keuze?—Hoe bedoel je?”
“Ik bedoel, dat het, naar je manier van spreken te oordeelen, voor Juffrouw Morton hetzelfde moet zijn, of ze met Edward of met Robert trouwt.”
“Natuurlijk; dat maakt ook geen verschil; want Robert zal nu feitelijk en in elk opzicht als de oudste zoon worden beschouwd; en wat het overige aangaat,zezijn beiden heel aardige jongelui,—ik zie niet in dat de een hooger staat dan de ander.”—
Elinor zeide niets meer en ook John bleef een poos zwijgen. Aan ’t slot van zijn overpeinzingennam hij zijn zuster vriendelijk bij de hand en fluisterde bijna plechtig: “Een ding, zusjelief, kan ik je verzekeren, en ik wil het je zeggen, omdat ik weet dat het je genoegen zal doen. Ik heb alle reden te denken—ja, ik weet het uit de beste bron, anders zou ik ’t niet oververtellen, want dàn zou het heel verkeerd zijn er over te spreken—maar ik heb het uit de allereerste hand—niet dat ik het door Mevrouw Ferrarszelve hoordezeggen, maar haar dochter zei het, en van háár heb ik ’t gehoord—dat, om kort te gaan, welke bezwaren er ook mochten hebben bestaan tegen een zekere... een zekere verbintenis,—je begrijpt wat ik bedoel,—diehaar toch oneindig liever zou geweest zijn, en haar niet half zoo zou hebben geërgerd alsdit. Het verheugde mij bijzonder, te hooren, dat Mevrouw Ferrars er zóó over dacht,—’t is voor ons allen aangenaam dit te weten, dat begrijp je. “’t Zou van twee kwaden verreweg het minste zijn geweest,” zei ze, “en ze zou blij zijn, als ze zichnuhad te schikken in niets ergers dan dàt. Trouwens,—daarvan is nu geen sprake, niet waar? daarover wordt geen woord meer gerept, en we denken er niet meer aan; die genegenheid trouwens—dat was nooit—dat is nu voorbij. Maar ik vond, dat ik ’t je toch moest vertellen; omdat ik begreep, dat het je veel pleizier moest doen. Reden tot spijt heb je overigens niet, mijn beste Elinor. Je zult het stellig nog heel goed treffen, evengoed, of beter misschien, als men alles in aanmerking neemt. Heb je Kolonel Brandon voor kort nog gesproken?”
Elinor had genoeg gehoord, zooal niet om haar ijdelheid te vleien en haar eigendunk te streelen, dan toch om haar zenuwen te prikkelen en haar gedachten te vervullen; en daarom was zij blijde, dat haar de verplichting werd bespaard, zelf nog meer te zeggen, zoowel als de kans, nog meer van haar broeder te vernemen, doordat Robert Ferrars binnentrad. Na een oogenblik met hem te hebbengepraat, ging John Dashwood zich herinneren, dat Fanny nog steeds niet wist van haar zuster’s bezoek, de kamer uit, om haar te halen; en Elinor bleef achter, om nader kennis te maken met Robert, die door de luchtige zorgeloosheid en de tevreden zelfvoldaanheid van zijn optreden, terwijl hem een zoo onrechtmatig groot aandeel werd geschonken in zijn moeder’s liefde en haar gunstbewijzen ten nadeele van zijn verbannen broeder, een voorkeur, slechts verdiend door zijn eigen losbandig leven, in tegenstelling met Edward’s onkreukbare rechtschapenheid, de ongunstige meening bevestigde, die zij reeds had opgevat omtrent zijn gaven van hoofd en hart. Zij waren nog geen twee minuten alleen gebleven, of hij begon al over Edward te spreken; want hij had ook van de predikantsplaats gehoord, en was zeer benieuwd er meer van te vernemen. Elinor herhaalde de bijzonderheden, die zij aan John had medegedeeld, en hun uitwerking op Robert was, hoewel weer op een andere manier, niet minder treffend, dan bij haar broeder ’t geval was geweest. Hij lachte uitbundig. Het denkbeeld, dat Edward predikant zou worden en wonen in een kleine pastorie, vermaakte hem ongemeen, en toen zijn verbeelding hem daarbij Edward nog afschilderde in een wit koorhemd, de huwelijksaankondiging aflezend van John Smith en Mary Brown, kon hij zich onmogelijk iets grappigers voorstellen.
Terwijl Elinor, zwijgend en onverstoorbaar ernstig, wachtte tot dat dwaze gelach zou ophouden, kon zij niet nalaten, in den blik, dien zij op hem liet rusten, al de minachting aan den dag te leggen, die zij gevoelde. Die blik was in zóóverre welbesteed, dat hij háár verlichting schonk, terwijlhijer in ’t minst niet door werd getroffen. Het was geen berisping van hare zijde, die zijn geestigheid in wijsheid deed verkeeren; doch zijn eigen oprecht gevoel.
“We beschouwen ’t nu als een grap,” zei hijeindelijk, het gemaakte gelach stakend, waarmee hij zijn eerste uitbarsting van vroolijkheid nog eenigen tijd had verlengd,—“maar, in ernst, het is waarlijk geen gekheid. Die arme Edward; het is uit met hem, voor goed. ’t Spijt me ontzettend voor hem,—want hij is een beste jongen; zoo goed als er geen tweede bestaat misschien. U moet hem niet beoordeelen, Juffrouw Dashwood, naar het weinigje datuvan hem weet. Arme kerel! Zijn manieren zijn nu niet juist wat men een aanbeveling zou kunnen noemen. Maar niet ieder wordt geboren met dezelfde gaven,—denzelfden natuurlijken aanleg in dat opzicht. Die stakker—als men hem in een vreemd gezelschap zag,—’t was om medelijden mee te hebben! Maar op mijn woord van eer, ik houd hem voor een van de beste menschen die ik ken, en ik kan u naar waarheid verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven zoo heb opgekeken, als toen deze geschiedenis aan ’t licht kwam. Ik kon ’t niet gelooven. Mama was de eerste die ’t mij vertelde, en ik zei dadelijk, (want ik wist onmiddellijk wat mij te doen stond): “Mama, ik weet niet, watuvan plan bent; maar watmijbetreft, als Edward met dit meisje trouwt, dan ziet hij mij nooit weerom!” Dat zei ik, zoodra ik ’t hoorde;—ik kon mijn ooren niet gelooven! ’t Was bepaald kwetsend voor mijn gevoel!—Arme Edward, hij heeft zich totaal te gronde gericht,—geen fatsoenlijk mensch zal ooit weer met hem willen omgaan; maar zooals ik dadelijk tegen mijn moeder zei, ’t verwondert me niets; na die opvoeding, die hij heeft gehad, kon men niet anders verwachten. Mijn goeie moeder was half gek van boosheid.”
“Hebt u zijn meisje wel eens ontmoet?”
“Ja, eenmaal; toen ze hier logeerde. Ik liep toevallig even aan; maar ik zag genoeg, om te weten wie ik voorhad. Een gewoon, stijf burgermeisje, provinciaal, ongracieus, en niet eens wat je mooi noemt. Ik kan me haar nog precies voorstellen.Juist het soort van meisje, door wie Edward zich licht zou laten inpalmen. Ik bood dadelijk aan, toen mijn moeder ’t mij vertelde, om zelf eens met hem te praten, en hem te bewegen, van dat huwelijk af te zien; maartoenwas het al te laat, dat zag ik in; want jammer genoeg was ik er in ’t begin niet bij geweest, en wist van niets af, eer de breuk met mijn moeder een voldongen feit was, waarna het niet op mijn weg lag, tusschenbeide te komen, dat begrijpt u. Maar had ik het een paar uur vroeger vernomen, dan geloof ik stellig, dat er nog wel iets op te vinden was geweest. Ik zou Edward met den meesten nadruk mijn meening hebben te kennen gegeven. “Beste jongen,” zou ik hebben gezegd, “bedenk wat je doet. Je verlaagt je door een dergelijke verbintenis, die door je geheele familie wordt afgekeurd.” Ik kan niet nalaten te denken, dat er nog wel iets aan te doen zou geweest zijn. Maar nu is het te laat. Hij zal moeten hongerlijden; dat staat vast; feitelijk en letterlijk hongerlijden.”
Hij had die overtuiging juist met de grootste kalmte uitgesproken, toen de komst van Mevrouw John Dashwood een einde maakte aan hun gesprek. Maar hoewel zij nooit over de zaak sprak met anderen dan haar eigen familieleden, bespeurde Elinor den invloed ervan op haar geest, in den zweem van verlegenheid, die zich op haar gezicht vertoonde bij het binnentreden, en in een poging tot iets als vriendelijkheid jegens haarzelve in hare houding. Zij ging zelfs zoo ver, haar spijt te betuigen, dat Elinor en haar zuster reeds zoo spoedig zouden vertrekken, daar zij had gehoopt, hen nog dikwijls te zien, eene uiting, door haar man, die haar had binnengebracht, en verteerderd naar haar luisterde, blijkbaar beschouwd als een bewijs van allerbeminnelijkste hartelijkheid.
Hoofdstuk XLIINog één kort bezoek in Harley Street, waarbij Elinor haar broeder’s gelukwenschen ontving, omdat zij op deze wijze zonder onkosten een gedeelte van de reis naar Barton konden afleggen, en omdat Kolonel Brandon hen over eenige dagen naar Cleveland zou volgen, besloot den omgang van broeder en zusters in de stad; en een vluchtige uitnoodiging van Fanny om te Norland te komen, als zij ooit eens in de buurt waren, wel de minst waarschijnlijke gebeurtenis, die zich denken liet, benevens een iets hartelijker, doch in stilte geuite verzekering van John aan Elinor, dat hij niet in gebreke zou blijven haar te Delaford te bezoeken, was alles wat een toekomstige ontmoeting buiten Londen mocht doen verwachten.Zij vond iets grappigs in de opmerking, dat al haar vrienden haar volstrekt naar Delaford wilden zenden, een plaats waar zij nu wel het allerminst zou wenschen te wonen, of zelfs een bezoek te brengen; want niet alleen werd het door haar broeder en Mevrouw Jennings als haar toekomstig tehuis beschouwd; maar zelfs Lucy drong er bij het afscheid op aan, dat zij haar daar toch eens moest opzoeken.Op een der eerste dagen van April, en tamelijk vroeg op den dag, begaven zich de twee families, uit Hanover Square en uit Berkeley Street, elk afzonderlijk op weg, om elkaar op een afgesproken plaats te ontmoeten. Voor ’t gemak van Charlotte met haar kind zouden zij meer dan twee dagen onderweg blijven, en de Heer Palmer, die met Kolonel Brandon iets vlugger reisde, zou zich spoedig na hun aankomst te Cleveland bij hen voegen.Hoe weinig gelukkige uren Marianne ook in Londenhaddoorgebracht, en hoezeer zij ook reeds geruimen tijd verlangde de stad te verlaten, zij kon, nu het zoover was, het huis niet vaarwelzeggen, waarin zij voor het laatst zich had gevleid met de hoop en het vertrouwen op Willoughby, die thans voor altijd waren vervlogen, zonder diepe smart te gevoelen. En evenmin kon zij heengaan van de plek, waar Willoughby thans achterbleef, vervuld van nieuwe plannen en nieuwe verplichtingen, waarinzijniet mocht deelen, zonder vele tranen te storten.Elinor’s voldoening, nu het oogenblik van vertrekken aanbrak, was minder twijfelachtig. Voor haar was er geen voorwerp, waarbij haar gedachten konden verwijlen in droeve mijmerij; geen sterveling liet zij achter van wien ze ’t een oogenblik zou betreuren, als zij hem nooit weer ontmoette; ze was blijde, eindelijk verlost te worden van Lucy’s drukkende vriendschap; dankbaar, haar zuster te kunnen meenemen, zonder dat deze Willoughby sedert zijn huwelijk had ontmoet; en zij zag met hoopvolle verwachting uit naar ’t geen een paar maanden van kalmte te Barton zouden bewerken, ter verbetering van Marianne’s gemoedsrust en ter bevestiging van de hare. De reis liep zonder ongevallen af. De tweede dag bracht hen in het dierbare, of verboden land, zooals Marianne beurtelings in haar verbeelding het graafschap Somerset placht te noemen; en vóór de derde morgen was verstreken, hadden zij Cleveland bereikt.Cleveland was een groot huis, in modernen stijl gebouwd, en op een hellend grasveld gelegen. Een park bezat het niet; maar de tuinen waren uitgestrekt, en zooals alle dergelijke fraaie buitenplaatsen, had het een open plantsoen en begroeide boschpartijen; een effen kiezelpad, omzoomd door heesters, leidde naar den voorgevel; het grasveld voor het huis was beplant met verspreid geboomte; het huis zelf ging schuil onder sparren, eschdoorns enacacia’s, en achter een dichte haag, waartusschen hooge Lombardische populieren groeiden, lagen de gebouwen voor het dienstpersoneel en de stallen.Marianne trad het huis binnen, diep ontroerd door de gedachte, dat zij slechts tachtig mijlen van Barton, en geen dertig van Combe Magna was verwijderd; en eer zij vijf minuten binnen zijn muren had vertoefd, terwijl de anderen Charlotte hielpen, om haar kindje aan de huishoudster te vertoonen, liep zij weer heen en sloop door de slingerpaden van het plantsoen, dat reeds groen begon te worden, naar een hooggelegen plek, vanwaar zij, uit een Grieksch tempeltje, haar blik kon laten zwerven over een uitgestrekt landschap naar het Zuid-Oosten, met welgevallen het oog laten rusten op de verst verwijderde heuvelrij aan den gezichtseinder, en zich verbeelden, dat zij van hun top Combe Magna zou kunnen zien.In zulke oogenblikken van zalig, van onwaardeerbaar lijden verheugde zij zich onder heete tranen, te Cleveland te zijn, en toen zij langs een anderen weg naar het huis terugkeerde, met het gelukkig gevoel weer landelijke vrijheid te kunnen smaken, van plek tot plek te kunnen zwerven in ongestoorde, genotvolle eenzaamheid, besloot zij, zoolang zij bij de Palmers zou zijn, bijna ieder uur van iederen dag te genieten van zulke eenzame zwerftochten.Zij kwam juist bij tijds terug, om zich bij de anderen te voegen, die het huis verlieten, om de onmiddellijke omgeving eens in oogenschouw te nemen, en de morgen werd verder aangenaam gesleten met een wandeling door den moestuin, waar zij de bloesems bewonderden der langs de muren geleide vruchtboomen, en luisterden naar de klachten van den tuinman over de vorst, met een kijkje in de oranjerie, waar het verlies van haar fraaiste planten, die onvoorzichtig waren blootgesteld, en geleden hadden door de langdurige koude, Charlotte alweer aan het lachen bracht,en met een bezoek aan het hoenderpark, waar zij nieuwe stof tot vroolijkheid vond in de teleurgestelde verwachtingen van het meisje dat er toezicht hield, wegens kippen, die haar nesten in den steek lieten, of door een vos werden gestolen, of wegens de groote sterfte onder een veelbelovend broedsel. De morgen was mooi en droog, en Marianne had bij haar plannen om zich hier buiten bezig te houden niet gerekend op verandering van weer, zoolang zij te Cleveland logeerde. Het verraste haar dus niet weinig, dat een gestadige slagregen haar verhinderde na den eten weer uit te gaan. Zij had zich een wandeling in de schemering voorgesteld naar den Griekschen tempel, en misschien nog verder, en een koude of vochtige avond zou haar daarvan niet hebben teruggehouden; maar een zwaren en aanhoudenden slagregen kon zelfszijniet beschouwen als geschikt of aangenaam wandelweer.Het gezelschap was klein, en de uren gingen rustig voorbij. Mevrouw Palmer had haar kindje, en Mevrouw Jennings haar handwerk; ze praatten over de vrienden die ze hadden achtergelaten; regelden Lady Middleton’s gezelschapsavonden, en waren benieuwd of de Heer Palmer en Kolonel Brandon het dien avond verder zouden brengen dan tot Reading. Elinor nam deel in hun gesprek, hoewel het haar weinig boeide, en Marianne, die in ieder huis als bij instinct den weg naar de bibliotheek wist te vinden, hoezeer die ook overigens door het gezin werd vermeden, zorgde wel, dat zij spoedig een boek in handen had. Mevrouw Palmer deed van haar kant, in haar onveranderlijke en welgezinde opgeruimdheid, al wat zij kon, om hen te doen gevoelen, dat zij hier welkom waren. Haar oprechte hartelijkheid vergoedde ruimschoots de onnadenkendheid en het gebrek aan tact, die haar dikwijls deden te kort schieten in uiterlijke beleefdheid; haar vriendelijkheid, nog te bekoorlijker door haar lief gezichtje, nam voor haar in; haar dwaasheid,hoezeer ook in het oog vallend, was niet afstootend, daar zij niet gepaard ging met inbeelding; en Elinor had haar alles kunnen vergeven, behalve haar gelach.De twee heeren kwamen den volgenden dag bij tijds om deel te nemen aan het zeer verlate middagmaal. Zij vormden een prettige aanwinst voor het gezelschap en brachten een welkome afwisseling in het gesprek, dat na een langen regenachtigen morgen in ietwat kwijnenden toestand verkeerde.Elinor had den Heer Palmer zoo zelden ontmoet, en bij die enkele gelegenheden zijn houding tegenover haar en hare zuster zoo verschillend bevonden, dat zij zich niet recht kon voorstellen, hoe hij eigenlijk zou zijn in zijn eigen huiselijken kring. Hij bleek nu toch tegenover zijn gasten voorkomend genoeg, en slechts nu en dan lomp tegen zijn vrouw en haar moeder; hij kon, zooals zij thans bespeurde, zeer goed aangenaam in gezelschap zijn, en werd daarin slechts verhinderd door een overwegende neiging om zich even ver verheven boven alle andere menschen te achten, als hij zich den meerdere gevoelde van Mevrouw Jennings en Charlotte. Voor het overige vertoonde hij in zijn karakter en gewoonten, voor zoover Elinor kon nagaan, geen enkelen ongewonen trek, zijn sekse en leeftijd in aanmerking genomen. Hij was kieskeurig op zijn maaltijden, niet precies op zijn tijd, hij hield veel van zijn kind, hoewel hij deed als of het hem niet schelen kon, en hij sleet des morgens met biljartspelen den tijd, dien hij aan zijn zaken had behooren te wijden. Zij mocht hem echter over ’t geheel wel lijden; veel beter dan zij had verwacht; en in haar hart speet het haar niet, dat zij niet beter over hem denken kon; dat zij door de waarneming van zijn verfijnde genotzucht, zijn egoïsme en zijn eigenwaan ertoe gebracht werd met welbehagen te verwijlen bij de herinnering aan Edward’s edelmoedigen aard,zijn eenvoudige neigingen en schuchtere fijngevoeligheid.Van Edward, of althans het een en ander, hem betreffende, hoorde zij nu door Kolonel Brandon, die onlangs naar Dorsetshire was geweest, en die aan haar, als de belanglooze vriendin van den Heer Ferrars, en de vriendelijke vertrouwde van hemzelf, veel vertelde van de pastorie te Delaford, waarvan hij de gebreken omschreef, terwijl hij meteen vermeldde, hoe hij daarin verbetering dacht te brengen. Zijn houding tegenover haar, zoowel in dezen als in alle andere opzichten, zijn zichtbare blijdschap haar weer te zien, na een afwezigheid van slechts tien dagen, het blijkbare genoegen dat hij scheen te vinden in hun gesprekken, en het gezag dat hij toekende aan haar oordeel, deden Mevrouw Jennings’ verzekerdheid van zijn liefde voor haar niet onnatuurlijk schijnen, en zouden wellicht voldoende geweest zijn, ook bij haarzelve dat vermoeden te wekken, wanneer zij niet nog steeds Marianne als degene had beschouwd, aan wie hij van den beginne zijne voorkeur had geschonken. Maar inderdaad was die gedachte nooit bij haar opgekomen, tenzij dan door Mevrouw Jennings’ opmerkingen, en zij kon niet nalaten zichzelve voor de meest scherpziende te houden van hen beiden;zijlette op zijn oogen, terwijl Mevrouw Jennings enkel aandacht schonk aan zijn gedrag, en terwijl de angstige bezorgdheid in zijn blik, nu Marianne in haar hoofd en keel het begin van een zware verkoudheid gevoelde, volkomen aan zijn gastvrouw ontging, omdat hij die bezorgdheid niet onder woorden bracht, zag zij er de licht gewekte vrees en de noodelooze beduchtheid in van een minnaar.Twee heerlijke schemeravond-wandelingen, niet slechts op de droge kiezelpaden van het plantsoen, maar in de meest afgelegen gedeelten van den tuin en de omgeving, waar nog iets restte van de ongereptenatuur, waar de boomen het oudst waren en het gras heel lang en heel nat was, hadden,—in vereeniging met de nog grooter onvoorzichtigheid van haar natte kousen en schoenen aan te houden—Marianne zulk een hevige verkoudheid bezorgd, dat zij, ofschoon zij er een paar dagen geen acht op sloeg, of bij navraag ontkende, door toenemende ongesteldheid zich weldra het voorwerp zag van aller medelijden, en zelve moest erkennen, dat zij ziek was. Geneesmiddelen werden van alle zijden aanbevolen, en zooals gewoonlijk, alle verworpen. Hoewel loom en koortsig, met pijn in alle leden, en gekweld door hoest en keelpijn, meende zij dat een goede nachtrust haar volkomen zou genezen, en slechts met moeite kon Elinor van haar gedaan krijgen, dat zij, bij het naar bed gaan, een paar van de eenvoudigste huismiddeltjes wilde aanwenden.
Nog één kort bezoek in Harley Street, waarbij Elinor haar broeder’s gelukwenschen ontving, omdat zij op deze wijze zonder onkosten een gedeelte van de reis naar Barton konden afleggen, en omdat Kolonel Brandon hen over eenige dagen naar Cleveland zou volgen, besloot den omgang van broeder en zusters in de stad; en een vluchtige uitnoodiging van Fanny om te Norland te komen, als zij ooit eens in de buurt waren, wel de minst waarschijnlijke gebeurtenis, die zich denken liet, benevens een iets hartelijker, doch in stilte geuite verzekering van John aan Elinor, dat hij niet in gebreke zou blijven haar te Delaford te bezoeken, was alles wat een toekomstige ontmoeting buiten Londen mocht doen verwachten.
Zij vond iets grappigs in de opmerking, dat al haar vrienden haar volstrekt naar Delaford wilden zenden, een plaats waar zij nu wel het allerminst zou wenschen te wonen, of zelfs een bezoek te brengen; want niet alleen werd het door haar broeder en Mevrouw Jennings als haar toekomstig tehuis beschouwd; maar zelfs Lucy drong er bij het afscheid op aan, dat zij haar daar toch eens moest opzoeken.
Op een der eerste dagen van April, en tamelijk vroeg op den dag, begaven zich de twee families, uit Hanover Square en uit Berkeley Street, elk afzonderlijk op weg, om elkaar op een afgesproken plaats te ontmoeten. Voor ’t gemak van Charlotte met haar kind zouden zij meer dan twee dagen onderweg blijven, en de Heer Palmer, die met Kolonel Brandon iets vlugger reisde, zou zich spoedig na hun aankomst te Cleveland bij hen voegen.
Hoe weinig gelukkige uren Marianne ook in Londenhaddoorgebracht, en hoezeer zij ook reeds geruimen tijd verlangde de stad te verlaten, zij kon, nu het zoover was, het huis niet vaarwelzeggen, waarin zij voor het laatst zich had gevleid met de hoop en het vertrouwen op Willoughby, die thans voor altijd waren vervlogen, zonder diepe smart te gevoelen. En evenmin kon zij heengaan van de plek, waar Willoughby thans achterbleef, vervuld van nieuwe plannen en nieuwe verplichtingen, waarinzijniet mocht deelen, zonder vele tranen te storten.
Elinor’s voldoening, nu het oogenblik van vertrekken aanbrak, was minder twijfelachtig. Voor haar was er geen voorwerp, waarbij haar gedachten konden verwijlen in droeve mijmerij; geen sterveling liet zij achter van wien ze ’t een oogenblik zou betreuren, als zij hem nooit weer ontmoette; ze was blijde, eindelijk verlost te worden van Lucy’s drukkende vriendschap; dankbaar, haar zuster te kunnen meenemen, zonder dat deze Willoughby sedert zijn huwelijk had ontmoet; en zij zag met hoopvolle verwachting uit naar ’t geen een paar maanden van kalmte te Barton zouden bewerken, ter verbetering van Marianne’s gemoedsrust en ter bevestiging van de hare. De reis liep zonder ongevallen af. De tweede dag bracht hen in het dierbare, of verboden land, zooals Marianne beurtelings in haar verbeelding het graafschap Somerset placht te noemen; en vóór de derde morgen was verstreken, hadden zij Cleveland bereikt.
Cleveland was een groot huis, in modernen stijl gebouwd, en op een hellend grasveld gelegen. Een park bezat het niet; maar de tuinen waren uitgestrekt, en zooals alle dergelijke fraaie buitenplaatsen, had het een open plantsoen en begroeide boschpartijen; een effen kiezelpad, omzoomd door heesters, leidde naar den voorgevel; het grasveld voor het huis was beplant met verspreid geboomte; het huis zelf ging schuil onder sparren, eschdoorns enacacia’s, en achter een dichte haag, waartusschen hooge Lombardische populieren groeiden, lagen de gebouwen voor het dienstpersoneel en de stallen.
Marianne trad het huis binnen, diep ontroerd door de gedachte, dat zij slechts tachtig mijlen van Barton, en geen dertig van Combe Magna was verwijderd; en eer zij vijf minuten binnen zijn muren had vertoefd, terwijl de anderen Charlotte hielpen, om haar kindje aan de huishoudster te vertoonen, liep zij weer heen en sloop door de slingerpaden van het plantsoen, dat reeds groen begon te worden, naar een hooggelegen plek, vanwaar zij, uit een Grieksch tempeltje, haar blik kon laten zwerven over een uitgestrekt landschap naar het Zuid-Oosten, met welgevallen het oog laten rusten op de verst verwijderde heuvelrij aan den gezichtseinder, en zich verbeelden, dat zij van hun top Combe Magna zou kunnen zien.
In zulke oogenblikken van zalig, van onwaardeerbaar lijden verheugde zij zich onder heete tranen, te Cleveland te zijn, en toen zij langs een anderen weg naar het huis terugkeerde, met het gelukkig gevoel weer landelijke vrijheid te kunnen smaken, van plek tot plek te kunnen zwerven in ongestoorde, genotvolle eenzaamheid, besloot zij, zoolang zij bij de Palmers zou zijn, bijna ieder uur van iederen dag te genieten van zulke eenzame zwerftochten.
Zij kwam juist bij tijds terug, om zich bij de anderen te voegen, die het huis verlieten, om de onmiddellijke omgeving eens in oogenschouw te nemen, en de morgen werd verder aangenaam gesleten met een wandeling door den moestuin, waar zij de bloesems bewonderden der langs de muren geleide vruchtboomen, en luisterden naar de klachten van den tuinman over de vorst, met een kijkje in de oranjerie, waar het verlies van haar fraaiste planten, die onvoorzichtig waren blootgesteld, en geleden hadden door de langdurige koude, Charlotte alweer aan het lachen bracht,en met een bezoek aan het hoenderpark, waar zij nieuwe stof tot vroolijkheid vond in de teleurgestelde verwachtingen van het meisje dat er toezicht hield, wegens kippen, die haar nesten in den steek lieten, of door een vos werden gestolen, of wegens de groote sterfte onder een veelbelovend broedsel. De morgen was mooi en droog, en Marianne had bij haar plannen om zich hier buiten bezig te houden niet gerekend op verandering van weer, zoolang zij te Cleveland logeerde. Het verraste haar dus niet weinig, dat een gestadige slagregen haar verhinderde na den eten weer uit te gaan. Zij had zich een wandeling in de schemering voorgesteld naar den Griekschen tempel, en misschien nog verder, en een koude of vochtige avond zou haar daarvan niet hebben teruggehouden; maar een zwaren en aanhoudenden slagregen kon zelfszijniet beschouwen als geschikt of aangenaam wandelweer.
Het gezelschap was klein, en de uren gingen rustig voorbij. Mevrouw Palmer had haar kindje, en Mevrouw Jennings haar handwerk; ze praatten over de vrienden die ze hadden achtergelaten; regelden Lady Middleton’s gezelschapsavonden, en waren benieuwd of de Heer Palmer en Kolonel Brandon het dien avond verder zouden brengen dan tot Reading. Elinor nam deel in hun gesprek, hoewel het haar weinig boeide, en Marianne, die in ieder huis als bij instinct den weg naar de bibliotheek wist te vinden, hoezeer die ook overigens door het gezin werd vermeden, zorgde wel, dat zij spoedig een boek in handen had. Mevrouw Palmer deed van haar kant, in haar onveranderlijke en welgezinde opgeruimdheid, al wat zij kon, om hen te doen gevoelen, dat zij hier welkom waren. Haar oprechte hartelijkheid vergoedde ruimschoots de onnadenkendheid en het gebrek aan tact, die haar dikwijls deden te kort schieten in uiterlijke beleefdheid; haar vriendelijkheid, nog te bekoorlijker door haar lief gezichtje, nam voor haar in; haar dwaasheid,hoezeer ook in het oog vallend, was niet afstootend, daar zij niet gepaard ging met inbeelding; en Elinor had haar alles kunnen vergeven, behalve haar gelach.
De twee heeren kwamen den volgenden dag bij tijds om deel te nemen aan het zeer verlate middagmaal. Zij vormden een prettige aanwinst voor het gezelschap en brachten een welkome afwisseling in het gesprek, dat na een langen regenachtigen morgen in ietwat kwijnenden toestand verkeerde.
Elinor had den Heer Palmer zoo zelden ontmoet, en bij die enkele gelegenheden zijn houding tegenover haar en hare zuster zoo verschillend bevonden, dat zij zich niet recht kon voorstellen, hoe hij eigenlijk zou zijn in zijn eigen huiselijken kring. Hij bleek nu toch tegenover zijn gasten voorkomend genoeg, en slechts nu en dan lomp tegen zijn vrouw en haar moeder; hij kon, zooals zij thans bespeurde, zeer goed aangenaam in gezelschap zijn, en werd daarin slechts verhinderd door een overwegende neiging om zich even ver verheven boven alle andere menschen te achten, als hij zich den meerdere gevoelde van Mevrouw Jennings en Charlotte. Voor het overige vertoonde hij in zijn karakter en gewoonten, voor zoover Elinor kon nagaan, geen enkelen ongewonen trek, zijn sekse en leeftijd in aanmerking genomen. Hij was kieskeurig op zijn maaltijden, niet precies op zijn tijd, hij hield veel van zijn kind, hoewel hij deed als of het hem niet schelen kon, en hij sleet des morgens met biljartspelen den tijd, dien hij aan zijn zaken had behooren te wijden. Zij mocht hem echter over ’t geheel wel lijden; veel beter dan zij had verwacht; en in haar hart speet het haar niet, dat zij niet beter over hem denken kon; dat zij door de waarneming van zijn verfijnde genotzucht, zijn egoïsme en zijn eigenwaan ertoe gebracht werd met welbehagen te verwijlen bij de herinnering aan Edward’s edelmoedigen aard,zijn eenvoudige neigingen en schuchtere fijngevoeligheid.
Van Edward, of althans het een en ander, hem betreffende, hoorde zij nu door Kolonel Brandon, die onlangs naar Dorsetshire was geweest, en die aan haar, als de belanglooze vriendin van den Heer Ferrars, en de vriendelijke vertrouwde van hemzelf, veel vertelde van de pastorie te Delaford, waarvan hij de gebreken omschreef, terwijl hij meteen vermeldde, hoe hij daarin verbetering dacht te brengen. Zijn houding tegenover haar, zoowel in dezen als in alle andere opzichten, zijn zichtbare blijdschap haar weer te zien, na een afwezigheid van slechts tien dagen, het blijkbare genoegen dat hij scheen te vinden in hun gesprekken, en het gezag dat hij toekende aan haar oordeel, deden Mevrouw Jennings’ verzekerdheid van zijn liefde voor haar niet onnatuurlijk schijnen, en zouden wellicht voldoende geweest zijn, ook bij haarzelve dat vermoeden te wekken, wanneer zij niet nog steeds Marianne als degene had beschouwd, aan wie hij van den beginne zijne voorkeur had geschonken. Maar inderdaad was die gedachte nooit bij haar opgekomen, tenzij dan door Mevrouw Jennings’ opmerkingen, en zij kon niet nalaten zichzelve voor de meest scherpziende te houden van hen beiden;zijlette op zijn oogen, terwijl Mevrouw Jennings enkel aandacht schonk aan zijn gedrag, en terwijl de angstige bezorgdheid in zijn blik, nu Marianne in haar hoofd en keel het begin van een zware verkoudheid gevoelde, volkomen aan zijn gastvrouw ontging, omdat hij die bezorgdheid niet onder woorden bracht, zag zij er de licht gewekte vrees en de noodelooze beduchtheid in van een minnaar.
Twee heerlijke schemeravond-wandelingen, niet slechts op de droge kiezelpaden van het plantsoen, maar in de meest afgelegen gedeelten van den tuin en de omgeving, waar nog iets restte van de ongereptenatuur, waar de boomen het oudst waren en het gras heel lang en heel nat was, hadden,—in vereeniging met de nog grooter onvoorzichtigheid van haar natte kousen en schoenen aan te houden—Marianne zulk een hevige verkoudheid bezorgd, dat zij, ofschoon zij er een paar dagen geen acht op sloeg, of bij navraag ontkende, door toenemende ongesteldheid zich weldra het voorwerp zag van aller medelijden, en zelve moest erkennen, dat zij ziek was. Geneesmiddelen werden van alle zijden aanbevolen, en zooals gewoonlijk, alle verworpen. Hoewel loom en koortsig, met pijn in alle leden, en gekweld door hoest en keelpijn, meende zij dat een goede nachtrust haar volkomen zou genezen, en slechts met moeite kon Elinor van haar gedaan krijgen, dat zij, bij het naar bed gaan, een paar van de eenvoudigste huismiddeltjes wilde aanwenden.
Hoofdstuk XLIIIMarianne stond den volgenden morgen op haar gewonen tijd op; antwoordde op elke vraag, dat zij zich beter gevoelde, en trachtte te bewijzen, dat dit het geval was, door ook haar gewone bezigheden ter hand te nemen. Maar de dag, dien zij doorbracht met zitten huiveren bij het vuur, een boek in de hand, waarin zij niet lezen kon, op de sofa liggen, leverde geen treffend bewijs van die beterschap, en toen zij eindelijk, steeds meer ongesteld, vroeg naar bed ging, verbaasde Kolonel Brandon zich over de kalmte van haar zuster, die, hoewel zij Mariannetegen den zin der zieke den geheelen dag had verzorgd en opgepast, en haar gedwongen had, des avonds medicijnen te gebruiken, evenals Marianne zelve vertrouwde op degoede uitwerking van den slaap, dien zij als zeker beschouwde, en niet in ernst ongerust was.Een zeer onrustige en koortsige nacht stelde echter beider verwachtingen te leur; en toen Marianne, die volstrekt had willen opstaan, toegaf, dat zij zich niet in staat gevoelde op te zitten, en uit zich zelve weer naar bed ging, volgde Elinor gaarne Mevrouw Jennings’ raad, den plattelandsheelmeester te laten halen, die in de buurt van de Palmers woonde.Hij kwam en onderzocht de patiënte; en hoewel hij Elinor poogde te bemoedigen door de verzekering dat haar zuster binnen eenige dagen hersteld zou kunnen zijn, liet hij zich toch het woord “besmetting” ontvallen, waardoor Mevrouw Palmer dadelijk zeer bezorgd over haar kindje werd. Mevrouw Jennings, die van den beginne, meer dan Elinor, Marianne’s ongesteldheid als ernstig had beschouwd, keek zeer bedenkelijk, toen zij hoorde wat de Heer Harris had gezegd; zij vond Charlotte’s angst en bezorgdheid zeer gegrond, en drong erop aan, dat zij onmiddellijk met het kind zou vertrekken; terwijl de Heer Palmer, hoewel hij hun vrees overdreven achtte, aan de angstige smeekingen van vrouw geen weerstand kon bieden. Er werd dus besloten, dat zij dadelijk zou gaan, en een uur na het bezoek van den Heer Harris vertrok zij, met haar kleinen jongen en het kindermeisje, naar een bloedverwant van den Heer Palmer, die een paar mijlen aan den anderen kant van Bath woonde; terwijl haar man, op haar dringend verzoek, beloofde haar over eenige dagen te zullen volgen, en zij bijna evenzeer erop gesteld was, haar moeder ook daarheen mee te nemen. Mevrouw Jennings echter verklaarde, met een innige goedhartigheid, die Elinor werkelijk liefde voor haar deed opvatten, dat zij Cleveland niet zou verlaten, zoolang Marianne ziek bleef, en dat zij wilde trachten door haar eigen oplettende zorg de moeder te vervangen, aan wiezij haar had ontnomen; en Elinor vond in haar ten allen tijde eene ijverige en gewillige helpster, gaarne bereid, haar moeite en vermoeienis te deelen, en wier ervaring op het punt van ziekenverpleging haar dikwijls van groot nut was.De arme Marianne, mat en gedrukt door haar ziektetoestand, en zich nu wel zeer ongesteld gevoelend, kon niet langer hopen, dat zij den volgenden dag beter zou zijn; en de gedachte aan ’t geen die dag haar zou gebracht hebben, wanneer deze ongelukkige ziekte niet tusschenbeide was gekomen, verscherpte elke pijn; want morgen zouden zij de thuisreis hebben aanvaard, vergezeld door een knecht van Mevrouw Jennings, zoodat zij in den loop van den daaropvolgenden dag hun moeder zouden zijn komen verrassen. De weinige woorden die zij sprak, uitten enkel haar beklag over dit onvermijdelijk uitstel; hoewel Elinor haar poogde op te beuren en te doen gelooven, zooals zijtoenwerkelijk zelve geloofde, dat dit uitstel slechts kort zou zijn.De volgende dag bracht weinig of geen verandering in den toestand der zieke; beter was zij in elk geval niet; maar men kon haar, behalve dan in zooverre geen beterschap viel te bespeuren, toch ook niet erger noemen. Hun gezelschap werd thans nog kleiner; want de Heer Palmer liet zich, hoewel hij weinig lust had om te gaan, en dat zoowel uit ware menschelijkheid en goedhartigheid, als uit ongeneigdheid, den schijn op zich te laden van door zijn vrouw’s angst te zijn aangestoken, ten slotte door Kolonel Brandon overreden, zijn belofte van haar te zullen volgen gestand te doen, en terwijl hij zich gereedmaakte voor de reis, begon Kolonel Brandon, wien dit heel wat meer inspanningkostte, ervan te praten, ook te willen vertrekken. Hier kwam Mevrouw Jennings’ goedigheid hun allen buitengewoon te pas; want om den Kolonel nu weg te zenden, terwijl zijn lieve vriendin zoobezorgd was over hare zuster, zou hen allebei, dacht zij, van allen troost berooven; dus vertelde zij hem maar dadelijk, dat zij zelve hem hier te Cleveland volstrekt noodig had; dat hij ’s avonds haar partijtje piquet met haar moest spelen, als Elinor boven bleef bij haar zuster, en zoo meer; en zoo dringend verzocht zij hem te blijven, dat hij, die zijn eigen liefsten hartewensch vervulde, wanneer hij toegaf, zich zelfs in schijn niet lang tegen haar verlangen kon verzetten; temeer daar Mevrouw Jennings’ verzoek ijverig werd ondersteund door den Heer Palmer, die verlichting scheen te vinden in het besef, dat hij iemand achterliet, zoo uitnemend geschikt om Juffrouw Dashwood in geval van nood met raad en daad bij te staan.Marianne vernam natuurlijk niets van al deze schikkingen. Zij wist niet, dat zij de bewoners van Cleveland uit hun huis had verjaagd, pas zeven dagen na hunne terugkomst. Het verwonderde haar volstrekt niet, dat Mevrouw Palmer zich nooit vertoonde, en daar het haar evenmin speet, sprak zij in ’t geheel niet van hare gastvrouw. Twee dagen verliepen na het vertrek van den Heer Palmer, en haar toestand bleef nagenoeg dezelfde. De Heer Harris die elken dag kwam, sprak nog steeds vol vertrouwen van een spoedig herstel, en Elinor bleef ook hoopvol gestemd; doch de anderen waren veel minder optimistisch in hunne verwachtingen. Mevrouw Jennings had zich van den beginne in het hoofd gezet, dat Marianne er nooit weer bovenop zou komen, en Kolonel Brandon, die niet veel anders had te doen dan Mevrouw Jennings’ sombere voorspellingen aan te hooren, was niet in de stemming om hun invloed te weerstaan. Hij trachtte door redeneering de vrees te onderdrukken, die het andersluidend oordeel van den heelmeester als dwaasheid scheen te stempelen; doch de vele uren van den dag, die hij in eenzaamheid doorbracht waren maar al te bevorderlijk voor de toelatingvan allerlei treurige gedachten, en hij kon de overtuiging niet van zich afzetten, dat hij Marianne niet zou weerzien.Toen de derde morgen was aangebroken, scheen het echter, alsof beiden de toekomst te donker hadden ingezien; want toen de Heer Harris kwam, vond hij de patiënte aanmerkelijk beter. De pols was veel sterker en alle verschijnselen waren gunstiger dan bij zijn vorig bezoek. Elinor, wier blijde hoop ten volle werd bevestigd, was een en al vroolijkheid; zij verheugde zich, in haar brieven aan haar moeder meer haar eigen oordeel te hebben gevolgd dan dat harer vrienden; want zij had volstrekt geen ophef gemaakt van de lichte ongesteldheid, die hen vooreerst nog te Cleveland deed blijven, en bijna den dag reeds bepaald, waarop Marianne op reis zou kunnen gaan.Doch de dag eindigde niet zoo gunstig als hij was begonnen. Tegen den avond werd Marianne weer erger; zij gevoelde zich meer afgemat, rusteloos en gejaagd dan te voren. Haar zuster, nog altijd hoopvol, was geneigd die verandering toe te schrijven aan de vermoeienis van het opzitten, terwijl haar bed werd opgemaakt; en na haar zorgvuldig de voorgeschreven medicijnen te hebben ingegeven, zag zij haar eindelijk indommelen, en hoopte dat de rust haar goed zou doen. Zij bleef, hoewel niet zoo rustig als Elinor wenschte, geruimen tijd doorslapen; en daar Elinor de uitwerking van dien slaap gaarne zelf wilde waarnemen, besloot zij, bij haar te blijven opzitten, tot zij wakker werd.Mevrouw Jennings, die niets wist van de verandering in den toestand der zieke, ging ongewoon vroeg naar bed; haar kamenier, die mede hielp verplegen, gebruikte haar avondeten in de kamer der huishoudster, en Elinor bleef met Marianne alleen.Steeds onrustiger werd de slaap der zieke, en haar zuster, die den blik niet van haar afwendde,wenschte bijna, nu zij haar voortdurend van houding zag veranderen, en de herhaalde, vage klachten hoorde, die haar lippen ontsnapten, dat zij haar mocht wekken uit een zoo weinig verkwikkende sluimering; toen Marianne, plotseling wakker schrikkend door een toevallig geluid in huis, overeind vloog, en koortsachtig opgewonden uitriep: “Komt Mama nu?”“Nog niet,” antwoordde Elinor, terwijl zij, zonder te laten merken hoe zij geschrikt was, Marianne hielp, weer te gaan liggen; “maar zij zal nu, hoop ik, spoedig komen. Het is een heel eind, van hier naar Barton; dat weet je wel.”“Maar ze moet niet over Londen gaan,” riep Marianne, op denzelfden gejaagden toon. “Als ze naar Londen gaat, dan zal ik haar niet meer zien.”Elinor bespeurde tot haar grooten schrik, dat zij niet volkomen bij kennis was, en voelde haar pols, terwijl zij trachtte haar tot bedaren te brengen. De polsslag was zwakker en sneller dan ooit, en daar Marianne nog steeds verward over mama bleef praten, werd Elinor zóó ongerust, dat zij besloot, dadelijk den Heer Harris te laten halen, en een bode naar Barton te zenden om hare moeder. Kolonel Brandon te raadplegen over de beste wijze, waarop dit zou kunnen gebeuren, was de gedachte onmiddellijk volgend op het genomen besluit, en zoodra zij de kamenier had gebeld, om haar plaats bij hare zuster in te nemen, ging zij haastig naar beneden naar den salon, waar zij wist, dat hij gewoonlijk, op een nog veel later uur dan thans, was te vinden.Voor aarzelen was het de tijd niet. Wat zij vreesde en wat haar bezwaarde werd hem in enkele woorden medegedeeld. Hij had niet genoeg moed, noch vertrouwen, tot een poging zelfs, om haar vrees te verdrijven; zwijgend en treurig hoorde hij haar aan; doch haar moeilijkheden werden onmiddellijk uit den weg geruimd; want met een bereidwilligheid,die deed vermoeden, dat hij reeds bij voorbaat had gerekend op deze gelegenheid om van dienst te zijn, bood hij zich aan als den boodschapper, die Mevrouw Dashwood zou gaan halen. Elinor maakte geene tegenwerping, die niet gemakkelijk werd overwonnen. Zij dankte hem in enkele, innig gevoelde woorden, en terwijl hij zijn knecht haastig heenzond, om den Heer Harris te waarschuwen, en onmiddellijk postpaarden te bestellen, schreef zij een kort briefje aan hare moeder. Hoe dankbaar verheugde zij zich op dat oogenblik in het bezit van een vriend als Kolonel Brandon!—van een leidsman voor hare moeder, wiens oordeel haar zou voorlichten, wiens hulp haar rust zou schenken, en wiens vriendschap haar zou troosten!—Voor zoover de schok van zulk een tijding voor haar kòn worden verzacht, zouden zijn aanwezigheid, zijn gedrag, zijn gereede hulp daartoe bijdragen.Hijintusschen handelde, wàt hij ook mocht gevoelen, met al de beradenheid van een rustigen geest, deed al het noodige met de uiterste snelheid, en berekende nauwkeurig hettijdstip, waarop zij zijne terugkomst mocht verwachten. Geen oogenblik ging verloren door eenig oponthoud. De paarden kwamen nog eerder dan zij hadden verwacht, en Kolonel Brandon stapte haastig in het rijtuig, terwijl hij haar alleen met een diep-ernstigen blik de hand drukte, en enkele woorden sprak, te zacht dan dat zij ze kon verstaan. Het was nu omstreeks twaalf uur, en zij ging terug naar haar zuster’s kamer, om te wachten op de komst van den Heer Harris, en verder dien nacht bij haar te waken. Voor beiden was het een lijdensnacht. Uur na uur verstreek, onder slapelooze pijn en koortsig ijlen van Marianne, onder kwellenden angst van Elinor, eer de Heer Harris kwam. De overmaat der eenmaal gewekte vrees deed haar boeten voor al haar vroegere kalmte, en het meisje, dat met haar waakte, (want zij wilde Mevrouw Jennings nietlaten roepen), pijnigde haar te meer door zinspelingen op ’t geen haar meesteres altijd wel had gedacht.Marianne’s gedachten dwaalden nog steeds, bij tusschenpoozen en onsamenhangend, naar hare moeder; en telkens als zij haar naam noemde, kromp het hart van de arme Elinor ineen, die, zichzelve verwijtend, dat zij zoovele dagen van ziekte zoo licht had geteld, en snakkend naar eenige onmiddellijke verlichting, zich verbeeldde, dat alle hulp wel spoedig te vergeefsch zou zijn; dat alles te lang was uitgesteld, en zich haar bedroefde moeder voorstelde, telaat komend om haar geliefd kind nog in leven, of nog bij haar bewustzijn te vinden.Zij was op het punt, nogmaals om den Heer Harris te zenden, of alshijniet kon komen, anderen raad in te winnen, toen hij eindelijk,—het was reeds over vijf geworden,—verscheen. Zijn oordeel maakte gelukkig zijn late komst eenigszins goed; want hoewel hij erkende, dat er een zeer onverwachte en ongunstige verandering in den toestand der zieke was ingetreden, hij zag nog geen werkelijk gevaar, en sprak over de goede verwachting, die hij had van eene nieuwe behandelingswijze, met zooveel vertrouwen, dat Elinor zich eenigermate gerustgesteld gevoelde. Hij beloofde over een uur of vier te zullen terugkomen en verliet zoowel de zieke als haar bezorgde verpleegster kalmer dan hij beiden had aangetroffen.Met oprechte meewarigheid, en vele verwijten, omdat hare hulp niet was ingeroepen, vernam Mevrouw Jennings des morgens, wat er gebeurd was. Haar vroegere vrees, thans en met meer reden, opnieuw gewekt, deed haar omtrent den afloop geen twijfel koesteren, en hoewel zij poogde, Elinor woorden van troost toe te spreken, haar stellige overtuiging omtrent het gevaar, waarin Marianne verkeerde, liet haar niet toe, den troost der hoop teverleenen. Het deed haar innig verdriet. Het snelle verval, de vroege dood van een zoo jong en schoon meisje als Marianne zouden het medelijden hebben gewekt zelfs van wie haar minder na stond. Doch er was meer, dat haar recht gaf op Mevrouw Jennings’ meegevoel. Drie maanden was zij dagelijks met haar in aanraking geweest, ook thans nog bleef zij aan hare zorg toevertrouwd; zij wist dat Marianne groot onrecht was geschied; dat zij lang en veel had geleden. Het verdriet harer zuster, van wie zij bijzonder veel hield, moest zij ook aanzien; en wat hunne moeder betrof, als mevrouw Jennings bedacht, dat Marianne waarschijnlijk voor haar was, wat Charlotte was voor haarzelve, dan leed zij in waarheid de smart dier andere moeder mede.De Heer Harris bracht zijn tweede bezoek precies op tijd; doch zag zijn hoop op een goeden uitslag teleurgesteld. Zijne medicijnen hadden niet geholpen;—de koorts nam nog niet af, en Marianne bleef,—rustiger, doch niet bij kennis,—in een toestand van doffe bewusteloosheid. Elinor, onmiddellijk onder den indruk van zijn vrees, en erger nog, stelde voor, andere hulp in te roepen. Doch hij achtte dit niet noodig; hij wilde nog een nieuwe behandeling beproeven, op welke uitwerking hij bijna evenveel vertrouwen had als op de vorige, en hij nam afscheid met bemoedigende verzekeringen, die Elinor aanhoorde, zonder dat zij doordrongen tot haar hart. Zij was kalm; behalve wanneer zij aan hare moeder dacht; doch zij had bijna geen hoop meer; en zoo bleef zij tot twaalf uur bij haar zuster’s bed zitten, terwijl haar gedachten van de eene treurige voorstelling, van den eenen lijdenden vriend naar den anderen zwierven, en zij bijna tot wanhoop werd gedreven door het gepraat van Mevrouw Jennings, die onomwonden uitsprak, dat zij de hevigheid en gevaarlijkheid van dezen ziekte-aanval toeschreef aan de vele voorafgeganeweken van ongesteldheid, veroorzaakt door Marianne’s teleurstelling. Elinor gevoelde maar al te zeer, hoe gegrond deze veronderstelling was, en dit stemde haar des te droeviger.Omstreeks twaalf uur echter begon zij,—maar met een schroomvalligheid, eene vrees voor teleurstelling, die haar eenigen tijd deden zwijgen, zelfs tegenover haar vriendin,—zich te verbeelden, te hopen, dat zij een geringe verbetering bespeurde in haar zuster’s polsslag;—zij wachtte, zag toe, voelde nogmaals en nogmaals, en eindelijk waagde zij, met een ontroering, moeilijker te verbergen achter uitwendige kalmte dan al het voorgaand verdriet, hare hoop uit te spreken. Hoewel Mevrouw Jennings eveneens moest erkennen, dat er een tijdelijke verbetering te bespeuren viel, trachtte zij haar vriendin te ontraden, die verbetering als blijvend te beschouwen; en Elinor, langdurig verwijlend bij elke ingeving van wantrouwen, hield zich zelve voor, dat zij niet mòcht hopen. Doch het was te laat. De hoop had zich reeds toegang gebaand, en deelend in al haar angstige bewogenheid, boog Elinor zich over haar zuster, om te wachten op... zij wist zelve bijna niet wàt. Een half uur verstreek, en nog mocht zij zich verblijden over het gunstig teeken. Andere voegden zich daarbij, om het te bevestigen. Haar ademhaling, haar huid, haar lippen, in alles zag Elinor sporen van beterschap, en Marianne zag haar aan met een rustigen, schoon matten blik. Tusschen hoop en vrees, die zich gelijkelijk van haar meester maakten, had zij geen oogenblik rust, tot om vier uur de Heer Harris kwam, die haar door zijn stellige verzekering, en door zijn gelukwensch met een beterschap, welke zijn verwachting overtrof, zoowel vertrouwen als kalmte schonk en bewoog tot tranen van vreugde.Marianne was in elk opzicht oneindig beter, en hij verklaarde haar thans geheel buiten gevaar. Mevrouw Jennings, misschien voldaan, nu haarsombere voorgevoelens althans gedeeltelijk waren bewaarheid door den pas uitgestanen angst, begon te denken, dat hij wel gelijk zou hebben, en gaf met ongeveinsde blijdschap, en al spoedig met onmiskenbare vroolijkheid, te kennen dat ook zij geloofde in een volkomen herstel.Vroolijkheid kon Elinor niet aan den dag leggen. Haar vreugde was van anderen aard en leidde het allerminst tot blijdschaps-uiting. Marianne te zien teruggegeven aan het leven, gezondheid, haar vrienden en hare liefhebbende moeder, was een denkbeeld, dat haar hart vervulde met een gewaarwording van innige bevrediging; dat het deed zwellen van vurige dankbaarheid;—doch dat gevoel vertolkte zich door geen uiterlijk vreugdebetoon, geen woorden, geen glimlach. In Elinor’s binnenste was slechts plaats voor stille, sterke voldoening.Zij bleef dien namiddag bijna voortdurend aan haar zuster’s zijde, elke vrees bedarend, elke vraag van haar verzwakten geest beantwoordend, tot alle hulp bereid, en lettend op elken blik, op iedere ademhaling. De mogelijkheid van instorting kwam haar natuurlijk nu en dan herinneren aan ’t geen het zeggen wilde, angst te gevoelen;—maar toen zij bij herhaald, nauwkeurig onderzoek, bespeurde dat alle teekenen van beterschap aanhielden, toen zij Marianne om zes uur in een rustigen, vasten en oogenschijnlijk verkwikkenden slaap zag vallen, legde zij elken twijfel het zwijgen op. De tijd naderde thans, dat Kolonel Brandon kon worden terugverwacht. Om tien uur, dacht zij, of althans niet veel later, zou voor haar moeder een einde komen aan de vreeselijke onzekerheid, waarin zij thans naar hen op weg was. En de Kolonel ook!—misschien weinig minder te beklagen dan zij!—O, hoe langzaam verstreek de tijd, die hen nog in onwetendheid bleef houden!Om zeven uur ging zij, toen Marianne nog steeds rustig doorsliep, naar den salon, om met MevrouwJennings thee te drinken. Aan het ontbijt had zij door haar angst, en aan het diner door de plotselinge bevrijding ervan, niet veel gegeten,—en dus was haar deze maaltijd, waaraan zij met zulk een tevreden gevoel deelnam, bijzonder welkom. Mevrouw Jennings wilde haar na de thee overhalen om nog wat te rusten eer haar moeder kwam,zijzou dan hare plaats bij Marianne innemen; maar Elinor voelde op dat oogenblik noch vermoeienis, noch behoefte aan slaap, en zij wilde volstrekt niet langer dan noodig was, van haar zuster wegblijven. Nadat Mevrouw Jennings dus met haar was meegegaan naar de ziekenkamer, om zelf te zien, dat alles goed bleef gaan, liet zij haar daar alleen met hare taak en hare gedachten, en ging naar haar eigen kamer, om brieven te schrijven, eer zij zich ter rust begaf.De avond was koud en stormachtig. De wind joeg in vlagen rondom het huis en de regen sloeg tegen de vensters; maar Elinor in wier binnenste alles blijdschap was, deerde het niet. Marianne sliep door elke stormvlaag heen,—en de reizigers—hun wachtte de rijkste belooning voor alle tegenwoordig ongerief.De klok sloeg acht uur. Had het tien geslagen, dan zou Elinor stellig gemeend hebben, dat zij op dat oogenblik een rijtuig hoorde naderkomen, en zo zeker geloofde zij het werkelijk gehoord te hebben, dat zij, al scheen hetbijnaonmogelijk, hun komst nu reeds te verwachten, naar de aangrenzende kleedkamer ging, en een der luiken opende, om zich van de waarheid te vergewissen. Zij zag dadelijk, dat haar ooren haar niet hadden bedrogen, toen zij het licht van twee rijtuiglantaarns bespeurde. Bij hun onzeker schijnsel meende zij te zien, dat het voertuig met vier paarden was bespannen; waaruit zij niet slechts afleidde, in hoe groote ongerustheid haar arme moeder moest hebben verkeerd; doch ’t geen tevens de onverwachte snelheidverklaarde, waarmede de reis volbracht was. Nog nooit in haar leven had Elinor het zoo moeilijk bevonden, kalm te zijn, als op dat oogenblik. Het besef van wat haar moeder moest gevoelen, terwijl het rijtuig voor de deur stilhield,—van haar twijfel—haar vrees—haar wanhoop misschien!—en watzijdaarop te zeggen had!—met dàt besef was het onmogelijk, kalm te zijn. Het eenige wat haar te doen stond, was haast te maken; en zoodra zij Mevrouw Jennings’ kamenier bij haar zuster had geroepen, snelde zij de trap af.Toen zij een afgesloten gang doorliep, hoorde zij aan de voetstappen in de vestibule, dat zij het huis reeds waren binnengegaan. Haastig liep zij naar den salon,—trad binnen,—en stond tegenover Willoughby.
Marianne stond den volgenden morgen op haar gewonen tijd op; antwoordde op elke vraag, dat zij zich beter gevoelde, en trachtte te bewijzen, dat dit het geval was, door ook haar gewone bezigheden ter hand te nemen. Maar de dag, dien zij doorbracht met zitten huiveren bij het vuur, een boek in de hand, waarin zij niet lezen kon, op de sofa liggen, leverde geen treffend bewijs van die beterschap, en toen zij eindelijk, steeds meer ongesteld, vroeg naar bed ging, verbaasde Kolonel Brandon zich over de kalmte van haar zuster, die, hoewel zij Mariannetegen den zin der zieke den geheelen dag had verzorgd en opgepast, en haar gedwongen had, des avonds medicijnen te gebruiken, evenals Marianne zelve vertrouwde op degoede uitwerking van den slaap, dien zij als zeker beschouwde, en niet in ernst ongerust was.
Een zeer onrustige en koortsige nacht stelde echter beider verwachtingen te leur; en toen Marianne, die volstrekt had willen opstaan, toegaf, dat zij zich niet in staat gevoelde op te zitten, en uit zich zelve weer naar bed ging, volgde Elinor gaarne Mevrouw Jennings’ raad, den plattelandsheelmeester te laten halen, die in de buurt van de Palmers woonde.
Hij kwam en onderzocht de patiënte; en hoewel hij Elinor poogde te bemoedigen door de verzekering dat haar zuster binnen eenige dagen hersteld zou kunnen zijn, liet hij zich toch het woord “besmetting” ontvallen, waardoor Mevrouw Palmer dadelijk zeer bezorgd over haar kindje werd. Mevrouw Jennings, die van den beginne, meer dan Elinor, Marianne’s ongesteldheid als ernstig had beschouwd, keek zeer bedenkelijk, toen zij hoorde wat de Heer Harris had gezegd; zij vond Charlotte’s angst en bezorgdheid zeer gegrond, en drong erop aan, dat zij onmiddellijk met het kind zou vertrekken; terwijl de Heer Palmer, hoewel hij hun vrees overdreven achtte, aan de angstige smeekingen van vrouw geen weerstand kon bieden. Er werd dus besloten, dat zij dadelijk zou gaan, en een uur na het bezoek van den Heer Harris vertrok zij, met haar kleinen jongen en het kindermeisje, naar een bloedverwant van den Heer Palmer, die een paar mijlen aan den anderen kant van Bath woonde; terwijl haar man, op haar dringend verzoek, beloofde haar over eenige dagen te zullen volgen, en zij bijna evenzeer erop gesteld was, haar moeder ook daarheen mee te nemen. Mevrouw Jennings echter verklaarde, met een innige goedhartigheid, die Elinor werkelijk liefde voor haar deed opvatten, dat zij Cleveland niet zou verlaten, zoolang Marianne ziek bleef, en dat zij wilde trachten door haar eigen oplettende zorg de moeder te vervangen, aan wiezij haar had ontnomen; en Elinor vond in haar ten allen tijde eene ijverige en gewillige helpster, gaarne bereid, haar moeite en vermoeienis te deelen, en wier ervaring op het punt van ziekenverpleging haar dikwijls van groot nut was.
De arme Marianne, mat en gedrukt door haar ziektetoestand, en zich nu wel zeer ongesteld gevoelend, kon niet langer hopen, dat zij den volgenden dag beter zou zijn; en de gedachte aan ’t geen die dag haar zou gebracht hebben, wanneer deze ongelukkige ziekte niet tusschenbeide was gekomen, verscherpte elke pijn; want morgen zouden zij de thuisreis hebben aanvaard, vergezeld door een knecht van Mevrouw Jennings, zoodat zij in den loop van den daaropvolgenden dag hun moeder zouden zijn komen verrassen. De weinige woorden die zij sprak, uitten enkel haar beklag over dit onvermijdelijk uitstel; hoewel Elinor haar poogde op te beuren en te doen gelooven, zooals zijtoenwerkelijk zelve geloofde, dat dit uitstel slechts kort zou zijn.
De volgende dag bracht weinig of geen verandering in den toestand der zieke; beter was zij in elk geval niet; maar men kon haar, behalve dan in zooverre geen beterschap viel te bespeuren, toch ook niet erger noemen. Hun gezelschap werd thans nog kleiner; want de Heer Palmer liet zich, hoewel hij weinig lust had om te gaan, en dat zoowel uit ware menschelijkheid en goedhartigheid, als uit ongeneigdheid, den schijn op zich te laden van door zijn vrouw’s angst te zijn aangestoken, ten slotte door Kolonel Brandon overreden, zijn belofte van haar te zullen volgen gestand te doen, en terwijl hij zich gereedmaakte voor de reis, begon Kolonel Brandon, wien dit heel wat meer inspanningkostte, ervan te praten, ook te willen vertrekken. Hier kwam Mevrouw Jennings’ goedigheid hun allen buitengewoon te pas; want om den Kolonel nu weg te zenden, terwijl zijn lieve vriendin zoobezorgd was over hare zuster, zou hen allebei, dacht zij, van allen troost berooven; dus vertelde zij hem maar dadelijk, dat zij zelve hem hier te Cleveland volstrekt noodig had; dat hij ’s avonds haar partijtje piquet met haar moest spelen, als Elinor boven bleef bij haar zuster, en zoo meer; en zoo dringend verzocht zij hem te blijven, dat hij, die zijn eigen liefsten hartewensch vervulde, wanneer hij toegaf, zich zelfs in schijn niet lang tegen haar verlangen kon verzetten; temeer daar Mevrouw Jennings’ verzoek ijverig werd ondersteund door den Heer Palmer, die verlichting scheen te vinden in het besef, dat hij iemand achterliet, zoo uitnemend geschikt om Juffrouw Dashwood in geval van nood met raad en daad bij te staan.
Marianne vernam natuurlijk niets van al deze schikkingen. Zij wist niet, dat zij de bewoners van Cleveland uit hun huis had verjaagd, pas zeven dagen na hunne terugkomst. Het verwonderde haar volstrekt niet, dat Mevrouw Palmer zich nooit vertoonde, en daar het haar evenmin speet, sprak zij in ’t geheel niet van hare gastvrouw. Twee dagen verliepen na het vertrek van den Heer Palmer, en haar toestand bleef nagenoeg dezelfde. De Heer Harris die elken dag kwam, sprak nog steeds vol vertrouwen van een spoedig herstel, en Elinor bleef ook hoopvol gestemd; doch de anderen waren veel minder optimistisch in hunne verwachtingen. Mevrouw Jennings had zich van den beginne in het hoofd gezet, dat Marianne er nooit weer bovenop zou komen, en Kolonel Brandon, die niet veel anders had te doen dan Mevrouw Jennings’ sombere voorspellingen aan te hooren, was niet in de stemming om hun invloed te weerstaan. Hij trachtte door redeneering de vrees te onderdrukken, die het andersluidend oordeel van den heelmeester als dwaasheid scheen te stempelen; doch de vele uren van den dag, die hij in eenzaamheid doorbracht waren maar al te bevorderlijk voor de toelatingvan allerlei treurige gedachten, en hij kon de overtuiging niet van zich afzetten, dat hij Marianne niet zou weerzien.
Toen de derde morgen was aangebroken, scheen het echter, alsof beiden de toekomst te donker hadden ingezien; want toen de Heer Harris kwam, vond hij de patiënte aanmerkelijk beter. De pols was veel sterker en alle verschijnselen waren gunstiger dan bij zijn vorig bezoek. Elinor, wier blijde hoop ten volle werd bevestigd, was een en al vroolijkheid; zij verheugde zich, in haar brieven aan haar moeder meer haar eigen oordeel te hebben gevolgd dan dat harer vrienden; want zij had volstrekt geen ophef gemaakt van de lichte ongesteldheid, die hen vooreerst nog te Cleveland deed blijven, en bijna den dag reeds bepaald, waarop Marianne op reis zou kunnen gaan.
Doch de dag eindigde niet zoo gunstig als hij was begonnen. Tegen den avond werd Marianne weer erger; zij gevoelde zich meer afgemat, rusteloos en gejaagd dan te voren. Haar zuster, nog altijd hoopvol, was geneigd die verandering toe te schrijven aan de vermoeienis van het opzitten, terwijl haar bed werd opgemaakt; en na haar zorgvuldig de voorgeschreven medicijnen te hebben ingegeven, zag zij haar eindelijk indommelen, en hoopte dat de rust haar goed zou doen. Zij bleef, hoewel niet zoo rustig als Elinor wenschte, geruimen tijd doorslapen; en daar Elinor de uitwerking van dien slaap gaarne zelf wilde waarnemen, besloot zij, bij haar te blijven opzitten, tot zij wakker werd.
Mevrouw Jennings, die niets wist van de verandering in den toestand der zieke, ging ongewoon vroeg naar bed; haar kamenier, die mede hielp verplegen, gebruikte haar avondeten in de kamer der huishoudster, en Elinor bleef met Marianne alleen.
Steeds onrustiger werd de slaap der zieke, en haar zuster, die den blik niet van haar afwendde,wenschte bijna, nu zij haar voortdurend van houding zag veranderen, en de herhaalde, vage klachten hoorde, die haar lippen ontsnapten, dat zij haar mocht wekken uit een zoo weinig verkwikkende sluimering; toen Marianne, plotseling wakker schrikkend door een toevallig geluid in huis, overeind vloog, en koortsachtig opgewonden uitriep: “Komt Mama nu?”
“Nog niet,” antwoordde Elinor, terwijl zij, zonder te laten merken hoe zij geschrikt was, Marianne hielp, weer te gaan liggen; “maar zij zal nu, hoop ik, spoedig komen. Het is een heel eind, van hier naar Barton; dat weet je wel.”
“Maar ze moet niet over Londen gaan,” riep Marianne, op denzelfden gejaagden toon. “Als ze naar Londen gaat, dan zal ik haar niet meer zien.”
Elinor bespeurde tot haar grooten schrik, dat zij niet volkomen bij kennis was, en voelde haar pols, terwijl zij trachtte haar tot bedaren te brengen. De polsslag was zwakker en sneller dan ooit, en daar Marianne nog steeds verward over mama bleef praten, werd Elinor zóó ongerust, dat zij besloot, dadelijk den Heer Harris te laten halen, en een bode naar Barton te zenden om hare moeder. Kolonel Brandon te raadplegen over de beste wijze, waarop dit zou kunnen gebeuren, was de gedachte onmiddellijk volgend op het genomen besluit, en zoodra zij de kamenier had gebeld, om haar plaats bij hare zuster in te nemen, ging zij haastig naar beneden naar den salon, waar zij wist, dat hij gewoonlijk, op een nog veel later uur dan thans, was te vinden.
Voor aarzelen was het de tijd niet. Wat zij vreesde en wat haar bezwaarde werd hem in enkele woorden medegedeeld. Hij had niet genoeg moed, noch vertrouwen, tot een poging zelfs, om haar vrees te verdrijven; zwijgend en treurig hoorde hij haar aan; doch haar moeilijkheden werden onmiddellijk uit den weg geruimd; want met een bereidwilligheid,die deed vermoeden, dat hij reeds bij voorbaat had gerekend op deze gelegenheid om van dienst te zijn, bood hij zich aan als den boodschapper, die Mevrouw Dashwood zou gaan halen. Elinor maakte geene tegenwerping, die niet gemakkelijk werd overwonnen. Zij dankte hem in enkele, innig gevoelde woorden, en terwijl hij zijn knecht haastig heenzond, om den Heer Harris te waarschuwen, en onmiddellijk postpaarden te bestellen, schreef zij een kort briefje aan hare moeder. Hoe dankbaar verheugde zij zich op dat oogenblik in het bezit van een vriend als Kolonel Brandon!—van een leidsman voor hare moeder, wiens oordeel haar zou voorlichten, wiens hulp haar rust zou schenken, en wiens vriendschap haar zou troosten!—Voor zoover de schok van zulk een tijding voor haar kòn worden verzacht, zouden zijn aanwezigheid, zijn gedrag, zijn gereede hulp daartoe bijdragen.
Hijintusschen handelde, wàt hij ook mocht gevoelen, met al de beradenheid van een rustigen geest, deed al het noodige met de uiterste snelheid, en berekende nauwkeurig hettijdstip, waarop zij zijne terugkomst mocht verwachten. Geen oogenblik ging verloren door eenig oponthoud. De paarden kwamen nog eerder dan zij hadden verwacht, en Kolonel Brandon stapte haastig in het rijtuig, terwijl hij haar alleen met een diep-ernstigen blik de hand drukte, en enkele woorden sprak, te zacht dan dat zij ze kon verstaan. Het was nu omstreeks twaalf uur, en zij ging terug naar haar zuster’s kamer, om te wachten op de komst van den Heer Harris, en verder dien nacht bij haar te waken. Voor beiden was het een lijdensnacht. Uur na uur verstreek, onder slapelooze pijn en koortsig ijlen van Marianne, onder kwellenden angst van Elinor, eer de Heer Harris kwam. De overmaat der eenmaal gewekte vrees deed haar boeten voor al haar vroegere kalmte, en het meisje, dat met haar waakte, (want zij wilde Mevrouw Jennings nietlaten roepen), pijnigde haar te meer door zinspelingen op ’t geen haar meesteres altijd wel had gedacht.
Marianne’s gedachten dwaalden nog steeds, bij tusschenpoozen en onsamenhangend, naar hare moeder; en telkens als zij haar naam noemde, kromp het hart van de arme Elinor ineen, die, zichzelve verwijtend, dat zij zoovele dagen van ziekte zoo licht had geteld, en snakkend naar eenige onmiddellijke verlichting, zich verbeeldde, dat alle hulp wel spoedig te vergeefsch zou zijn; dat alles te lang was uitgesteld, en zich haar bedroefde moeder voorstelde, telaat komend om haar geliefd kind nog in leven, of nog bij haar bewustzijn te vinden.
Zij was op het punt, nogmaals om den Heer Harris te zenden, of alshijniet kon komen, anderen raad in te winnen, toen hij eindelijk,—het was reeds over vijf geworden,—verscheen. Zijn oordeel maakte gelukkig zijn late komst eenigszins goed; want hoewel hij erkende, dat er een zeer onverwachte en ongunstige verandering in den toestand der zieke was ingetreden, hij zag nog geen werkelijk gevaar, en sprak over de goede verwachting, die hij had van eene nieuwe behandelingswijze, met zooveel vertrouwen, dat Elinor zich eenigermate gerustgesteld gevoelde. Hij beloofde over een uur of vier te zullen terugkomen en verliet zoowel de zieke als haar bezorgde verpleegster kalmer dan hij beiden had aangetroffen.
Met oprechte meewarigheid, en vele verwijten, omdat hare hulp niet was ingeroepen, vernam Mevrouw Jennings des morgens, wat er gebeurd was. Haar vroegere vrees, thans en met meer reden, opnieuw gewekt, deed haar omtrent den afloop geen twijfel koesteren, en hoewel zij poogde, Elinor woorden van troost toe te spreken, haar stellige overtuiging omtrent het gevaar, waarin Marianne verkeerde, liet haar niet toe, den troost der hoop teverleenen. Het deed haar innig verdriet. Het snelle verval, de vroege dood van een zoo jong en schoon meisje als Marianne zouden het medelijden hebben gewekt zelfs van wie haar minder na stond. Doch er was meer, dat haar recht gaf op Mevrouw Jennings’ meegevoel. Drie maanden was zij dagelijks met haar in aanraking geweest, ook thans nog bleef zij aan hare zorg toevertrouwd; zij wist dat Marianne groot onrecht was geschied; dat zij lang en veel had geleden. Het verdriet harer zuster, van wie zij bijzonder veel hield, moest zij ook aanzien; en wat hunne moeder betrof, als mevrouw Jennings bedacht, dat Marianne waarschijnlijk voor haar was, wat Charlotte was voor haarzelve, dan leed zij in waarheid de smart dier andere moeder mede.
De Heer Harris bracht zijn tweede bezoek precies op tijd; doch zag zijn hoop op een goeden uitslag teleurgesteld. Zijne medicijnen hadden niet geholpen;—de koorts nam nog niet af, en Marianne bleef,—rustiger, doch niet bij kennis,—in een toestand van doffe bewusteloosheid. Elinor, onmiddellijk onder den indruk van zijn vrees, en erger nog, stelde voor, andere hulp in te roepen. Doch hij achtte dit niet noodig; hij wilde nog een nieuwe behandeling beproeven, op welke uitwerking hij bijna evenveel vertrouwen had als op de vorige, en hij nam afscheid met bemoedigende verzekeringen, die Elinor aanhoorde, zonder dat zij doordrongen tot haar hart. Zij was kalm; behalve wanneer zij aan hare moeder dacht; doch zij had bijna geen hoop meer; en zoo bleef zij tot twaalf uur bij haar zuster’s bed zitten, terwijl haar gedachten van de eene treurige voorstelling, van den eenen lijdenden vriend naar den anderen zwierven, en zij bijna tot wanhoop werd gedreven door het gepraat van Mevrouw Jennings, die onomwonden uitsprak, dat zij de hevigheid en gevaarlijkheid van dezen ziekte-aanval toeschreef aan de vele voorafgeganeweken van ongesteldheid, veroorzaakt door Marianne’s teleurstelling. Elinor gevoelde maar al te zeer, hoe gegrond deze veronderstelling was, en dit stemde haar des te droeviger.
Omstreeks twaalf uur echter begon zij,—maar met een schroomvalligheid, eene vrees voor teleurstelling, die haar eenigen tijd deden zwijgen, zelfs tegenover haar vriendin,—zich te verbeelden, te hopen, dat zij een geringe verbetering bespeurde in haar zuster’s polsslag;—zij wachtte, zag toe, voelde nogmaals en nogmaals, en eindelijk waagde zij, met een ontroering, moeilijker te verbergen achter uitwendige kalmte dan al het voorgaand verdriet, hare hoop uit te spreken. Hoewel Mevrouw Jennings eveneens moest erkennen, dat er een tijdelijke verbetering te bespeuren viel, trachtte zij haar vriendin te ontraden, die verbetering als blijvend te beschouwen; en Elinor, langdurig verwijlend bij elke ingeving van wantrouwen, hield zich zelve voor, dat zij niet mòcht hopen. Doch het was te laat. De hoop had zich reeds toegang gebaand, en deelend in al haar angstige bewogenheid, boog Elinor zich over haar zuster, om te wachten op... zij wist zelve bijna niet wàt. Een half uur verstreek, en nog mocht zij zich verblijden over het gunstig teeken. Andere voegden zich daarbij, om het te bevestigen. Haar ademhaling, haar huid, haar lippen, in alles zag Elinor sporen van beterschap, en Marianne zag haar aan met een rustigen, schoon matten blik. Tusschen hoop en vrees, die zich gelijkelijk van haar meester maakten, had zij geen oogenblik rust, tot om vier uur de Heer Harris kwam, die haar door zijn stellige verzekering, en door zijn gelukwensch met een beterschap, welke zijn verwachting overtrof, zoowel vertrouwen als kalmte schonk en bewoog tot tranen van vreugde.
Marianne was in elk opzicht oneindig beter, en hij verklaarde haar thans geheel buiten gevaar. Mevrouw Jennings, misschien voldaan, nu haarsombere voorgevoelens althans gedeeltelijk waren bewaarheid door den pas uitgestanen angst, begon te denken, dat hij wel gelijk zou hebben, en gaf met ongeveinsde blijdschap, en al spoedig met onmiskenbare vroolijkheid, te kennen dat ook zij geloofde in een volkomen herstel.
Vroolijkheid kon Elinor niet aan den dag leggen. Haar vreugde was van anderen aard en leidde het allerminst tot blijdschaps-uiting. Marianne te zien teruggegeven aan het leven, gezondheid, haar vrienden en hare liefhebbende moeder, was een denkbeeld, dat haar hart vervulde met een gewaarwording van innige bevrediging; dat het deed zwellen van vurige dankbaarheid;—doch dat gevoel vertolkte zich door geen uiterlijk vreugdebetoon, geen woorden, geen glimlach. In Elinor’s binnenste was slechts plaats voor stille, sterke voldoening.
Zij bleef dien namiddag bijna voortdurend aan haar zuster’s zijde, elke vrees bedarend, elke vraag van haar verzwakten geest beantwoordend, tot alle hulp bereid, en lettend op elken blik, op iedere ademhaling. De mogelijkheid van instorting kwam haar natuurlijk nu en dan herinneren aan ’t geen het zeggen wilde, angst te gevoelen;—maar toen zij bij herhaald, nauwkeurig onderzoek, bespeurde dat alle teekenen van beterschap aanhielden, toen zij Marianne om zes uur in een rustigen, vasten en oogenschijnlijk verkwikkenden slaap zag vallen, legde zij elken twijfel het zwijgen op. De tijd naderde thans, dat Kolonel Brandon kon worden terugverwacht. Om tien uur, dacht zij, of althans niet veel later, zou voor haar moeder een einde komen aan de vreeselijke onzekerheid, waarin zij thans naar hen op weg was. En de Kolonel ook!—misschien weinig minder te beklagen dan zij!—O, hoe langzaam verstreek de tijd, die hen nog in onwetendheid bleef houden!
Om zeven uur ging zij, toen Marianne nog steeds rustig doorsliep, naar den salon, om met MevrouwJennings thee te drinken. Aan het ontbijt had zij door haar angst, en aan het diner door de plotselinge bevrijding ervan, niet veel gegeten,—en dus was haar deze maaltijd, waaraan zij met zulk een tevreden gevoel deelnam, bijzonder welkom. Mevrouw Jennings wilde haar na de thee overhalen om nog wat te rusten eer haar moeder kwam,zijzou dan hare plaats bij Marianne innemen; maar Elinor voelde op dat oogenblik noch vermoeienis, noch behoefte aan slaap, en zij wilde volstrekt niet langer dan noodig was, van haar zuster wegblijven. Nadat Mevrouw Jennings dus met haar was meegegaan naar de ziekenkamer, om zelf te zien, dat alles goed bleef gaan, liet zij haar daar alleen met hare taak en hare gedachten, en ging naar haar eigen kamer, om brieven te schrijven, eer zij zich ter rust begaf.
De avond was koud en stormachtig. De wind joeg in vlagen rondom het huis en de regen sloeg tegen de vensters; maar Elinor in wier binnenste alles blijdschap was, deerde het niet. Marianne sliep door elke stormvlaag heen,—en de reizigers—hun wachtte de rijkste belooning voor alle tegenwoordig ongerief.
De klok sloeg acht uur. Had het tien geslagen, dan zou Elinor stellig gemeend hebben, dat zij op dat oogenblik een rijtuig hoorde naderkomen, en zo zeker geloofde zij het werkelijk gehoord te hebben, dat zij, al scheen hetbijnaonmogelijk, hun komst nu reeds te verwachten, naar de aangrenzende kleedkamer ging, en een der luiken opende, om zich van de waarheid te vergewissen. Zij zag dadelijk, dat haar ooren haar niet hadden bedrogen, toen zij het licht van twee rijtuiglantaarns bespeurde. Bij hun onzeker schijnsel meende zij te zien, dat het voertuig met vier paarden was bespannen; waaruit zij niet slechts afleidde, in hoe groote ongerustheid haar arme moeder moest hebben verkeerd; doch ’t geen tevens de onverwachte snelheidverklaarde, waarmede de reis volbracht was. Nog nooit in haar leven had Elinor het zoo moeilijk bevonden, kalm te zijn, als op dat oogenblik. Het besef van wat haar moeder moest gevoelen, terwijl het rijtuig voor de deur stilhield,—van haar twijfel—haar vrees—haar wanhoop misschien!—en watzijdaarop te zeggen had!—met dàt besef was het onmogelijk, kalm te zijn. Het eenige wat haar te doen stond, was haast te maken; en zoodra zij Mevrouw Jennings’ kamenier bij haar zuster had geroepen, snelde zij de trap af.
Toen zij een afgesloten gang doorliep, hoorde zij aan de voetstappen in de vestibule, dat zij het huis reeds waren binnengegaan. Haastig liep zij naar den salon,—trad binnen,—en stond tegenover Willoughby.