Hoofdstuk XLIVElinor, die met een blik vol ontzetting terugdeinsde toen zij hem zag, gaf gehoor aan eene natuurlijke opwelling, toen zij zich omkeerde, om de kamer te verlaten, en zij legde de hand reeds op den deurknop, toen zij werd teruggehouden, doordat hij haastig nadertrad, en op eer bevelenden dan verzoekenden toon zeide:“Juffrouw Dashwood, blijf!—een half uur,—tien minuten, ik smeek u er om.”“Neen mijnheer,” zeide zij vastberaden; “ik blijf hier niet. U kunt ommijniet gekomen zijn. De bedienden hebben zeker vergeten u te zeggen, dat de Heer Palmer niet thuis is.”“Al hadden ze mij verteld,” riep hij heftig, “dat de Heer Palmer en zijn geheele familie naar den duivel waren, dan zou mij dat niet hebben bewogen,heen te gaan! Ik kom hier om u te spreken, u alleen.”“Mij!”—riep zij, ten hoogste verbaasd,—“welnu, zeg het dan vlug,—en als u kunt, met minder heftigheid.”“Gaat u zitten; dan zal ik aan beide voorwaarden voldoen.”Zij aarzelde; zij wist niet, hoe te handelen. Het ging haar door het hoofd, dat Kolonel Brandon hem hier bij zijn aankomst zou kunnen vinden. Maar zij had beloofd, hem aan te hooren, en zoowel nieuwsgierigheid als die verplichting drongen haar te blijven. Na een oogenblik nadenken echter kwam zij tot het besluit, dat voorzichtigheid haast gebood, die door haar bereidwilligheid het beste werd bevorderd. Zij ging dus zwijgend naar de tafel en nam plaats. Hij ging op den stoel tegenover haar zitten, en een halve minuut bleven beiden zwijgen.“Wees zoo goed te zeggen, wat u te zeggen hebt, mijnheer,” zeide Elinor ongeduldig,—“ik heb geen tijd te verliezen.”Hij zat in diepe gedachten verzonken, en scheen haar niet te hooren.“Uwe zuster,” zei hij een oogenblik later,—“is buiten gevaar. Ik hoorde het van den knecht.—Goddank!—Maar is het waar?—is het werkelijk waar?”—Elinor wilde niet antwoorden. Hij herhaalde de vraag met nog meer aandrang.“Om Godswil, zeg het mij, is het gevaar geweken, of niet?”“Wij hopen het.”Hij stond op, en liep door de kamer.“Had ik dit een half uur geleden geweten... Maar nu ik eenmaal hier bèn,” ging hij met gedwongen levendigheid voort, terwijl hij weer ging zitten, “wat komt het er nu op aan?—Laat ons nog eenmaal,—misschien voor de laatste maal, JuffrouwDashwood,—samen vroolijk zijn. Zeg mij eens eerlijk,”—een donkerder tint kleurde zijn wangen, “waarvoor houdt u mij, voor een schurk, of voor een gek?”Elinor zag hem met steeds meer verbazing aan. Zij begon te denken, dat hij beschonken moest zijn; zij kon het vreemde bezoek en zijn zonderlinge houding op geen andere wijze verklaren; en onder dien indruk stond zij onmiddellijk op, met de woorden:“Mijnheer Willoughby, ik raad u aan, nu naar Combe terug te keeren. Ik heb geen tijd, om langer te blijven. Wàt u mij ook hebt te zeggen, morgen zult u het u beter herinneren, en het beter kunnen verklaren.”“Ik begrijp u,” antwoordde hij met een veelbeteekenenden glimlach, op volkomen kalmen toon. “O ja, ik ben dronken. Dat glas bier bij mijn koud vleesch in Marlborough was voldoende om mij van de wijs te brengen.”“In Marlborough?” riep Elinor, die steeds minder begreep wat hij toch wilde.“Ja, ik ben van morgen om acht uur uit Londen vertrokken, en in de eenige tien minuten, die ik sinds dat vertrek buiten mijn rijtuig doorbracht, heb ik iets gebruikt te Marlborough.”Zijn bedaarde wijze van spreken en de vastheid van zijn blik overtuigden Elinor, dat het geen dronkenschap was, die hem hier bracht, welke onvergefelijke dwaasheid hem dan ook naar Cleveland mocht hebben gedreven. Na een oogenblik nadenken zeide zij: “Mijnheer Willoughby, u behoordet te begrijpen, watikzeer stellig gevoel, dat, na ’t geen er gebeurd is, uwe komst hier op deze wijze, en dit met geweld u aan mij opdringen, wel zéér noodig verontschuldiging eischen. Wat is uwe bedoeling?”“Mijn bedoeling is,” zeide hij met ernstigen nadruk, “als ik kàn, te bewerken, dat u mijietsminder zult verafschuwen dan u thans doet. Mijn bedoeling is, althans eenige verschooning, eenige verklaring aan te bieden van het verleden,—mijn geheele hart voor u open te leggen, en u te overtuigen dat ik, hoewel altoos kortzichtig, niet altoos slecht ben geweest,—om althans iets als vergiffenis te verkrijgen van Ma..., van uwe zuster.”“Is dat de werkelijke reden van uw komst?”“Dat zweer ik u,”—antwoordde hij, met een warmte, die haar aan den Willoughby van vroeger levendig herinnerde, en haar noopte, haars ondanks te gelooven aan zijn oprechtheid.“Wanneer dat alles is, dan kunt u reeds voldaan zijn; want Marianne vergeeft u—hééft u reeds lang vergeven.”“Is dat waar?”—riep hij, met die zelfde ontroering in zijn stem.—“Dan heeft zij mij vergeven, eer het daartoe de tijd was. Maar zij zal mij nogmaals vergeven, en met grondiger reden daartoe. Wilt u mijnuaanhooren?”Elinor boog toestemmend het hoofd.“Ik weet niet,” zeide hij, na een poos van stilte, afwachtend van háár kant, nadenkend van den zijnen—“hoeumijn gedrag tegenover uwe zuster hebt verklaard, of welke duivelsche beweegreden u mij moogt hebben toegeschreven. Misschien zult u hierna niet eens veel beter over mij denken; maar het is de moeite waard, het te beproeven, en u zult alles vernemen. Toen ik voor het eerst uw familie van nabij leerde kennen, had ik geen ander plan, geene andere bedoeling met dien omgang, dan mijn tijd aangenaam door te brengen, zoolang ik in Devonshire moest blijven; aangenamer dan ik ooit te voren had gedaan. Uw zuster’s bekoorlijkheid en haar ongewone gaven moesten mij wel aantrekken, en haar houding jegens mij, bijna van den beginne, was zóó... Verwonderlijk, wanneer ik bedenk, wat die was, en hoezijwas, dat mijn hart zoo gevoelloos heeft kunnen zijn!—Doch ik moet bekennen, inhet begin werd alleen mijn ijdelheid erdoor gevleid. Onverschillig voor haar geluk, alleen denkend aan mijn eigen genoegen, geheel onder den invloed van gevoelens, waardoor ik te zeer gewend was mij te laten beheerschen, trachtte ik, door elk middel dat mij ten dienste stond, beminnelijk te schijnen in haar oogen, zonder het minste voornemen, haar genegenheid te beantwoorden.”Hier wierp Elinor hem een blik toe vol verontwaardigde minachting, en viel hem in de rede door te zeggen:“Het is werkelijk niet de moeite waard, mijnheer Willoughby, dat u nog langer blijft vertellen, of ik naar u luisteren. Wat zou er kunnen volgen, na zulk een begin? Laat mij niet méér hooren over dit pijnlijke onderwerp.”“Ik wil, dat u alles zult aanhooren,” was zijn antwoord. “Mijn fortuin was nooit aanzienlijk, en ik was altoos verkwistend geweest, altoos gewend om te gaan met lieden, die meer inkomen hadden dan ikzelf. Met ieder jaar, sedert ik meerderjarig was geworden, en reeds eerder, geloof ik, waren mijn schulden toegenomen, en hoewel de dood van mijn oude nicht, Mevrouw Smith, mij daarvan zou bevrijden, had ik, daar op die gebeurtenis niet viel te rekenen, en zij nog lang leven kon, reeds eenigen tijd het voornemen opgevat, weer in beteren doen te geraken door een rijke vrouw te trouwen. Aan eene verloving met uwe zuster viel dus niet te denken; en met een lage, zelfzuchtige wreedheid, die geen verontwaardigde, minachtende blik, zelfs van u, juffrouw Dashwood, genoeg kan afkeuren,—ging ik voort, zooals ik was begonnen, pogend haar genegenheid te winnen, zonder eenig voornemen, die te beantwoorden. Een ding echter mag te mijnen gunste worden aangevoerd, zelfs in dien verfoeilijken toestand van zelfzuchtige ijdelheid besefte ik niet den omvang van het misdrijf dat ik wilde begaan, omdat iktoenniet wist wat hetzeggen wil, lief te hebben. Heb ik dat ooit geweten?—Wel mag dat worden betwijfeld; want zou ik, zoo ik waarlijk bemind had, mijn gevoel hebben opgeofferd aan ijdelheid, aan hebzucht—of wat erger was, het hare hebben prijsgegeven?—Toch heb ik dat gedaan. Om eene betrekkelijke armoede te vermijden, die haar liefde en haar bijzijn van alle bitterheid zouden hebben ontdaan, heb ik, door mij rijkdom te verwerven, alles verloren, wat dien rijkdom tot een zegen zou kunnen doen zijn.”“U hebt dus,” zeide Elinor, ietwat verzacht, “een tijdlang geloofd, dat u waarlijk genegenheid voor haar gevoelde.”“Zooveel beminnelijkheid te weerstaan, gevoelloos te blijven voor zooveel teederheid!—is er wel een man ter wereld, die daartoe in staat zou zijn geweest?—Ja, van lieverlede, onmerkbaar bijna, maar zeker, nam mijn gehechtheid aan haar toe, en de gelukkigste uren van mijn leven waren die, welke ik sleet in haar bijzijn, als ik gevoelde, dat mijn bedoelingen eerlijk waren, en mijn genegenheid zuiver. En toch,zelfstoen, terwijl ik stellig voornemens was, haar ten huwelijk te vragen, stelde ik op onvergefelijke wijze van dag tot dag uit, gevolg te geven aan dit plan uit schroom, een verloving aan te gaan in mijne benarde omstandigheden. Ik wil hier niet wijzen op—noch aan u overlaten dat voormijte doen,—de dwaasheid, en erger dan dwaasheid, terug te schrikken voor het verpanden van mijn trouw, waar mijn eer mij reeds had gebonden. De uitkomst heeft bewezen, dat ik een listige gek ben geweest, die met groote omzichtigheid zich de mogelijkheid wilde voorbehouden, voor altijd verachtelijk en ongelukkig te worden. Ten laatste echter stond mijn besluit vast, en ik had mij voorgenomen, zoodra ik haar alleen kon spreken, de oprechtheid te bewijzen der hulde, die ik haar voortdurend had toegebracht, en haar openlijk de liefde te verklaren, die ik zoo duidelijken opzettelijk reeds had aan den dag gelegd. Doch in het tijdsverloop van enkele uren, die nog moesten verstrijken, eer ik gelegenheid kon vinden haar onder vier oogen te spreken,—gebeurde iets... iets ongelukkigs, dat mijn plannen verijdelde, en mij tevens alle rust ontnam. Er werd iets ontdekt...” (hier aarzelde hij, en sloeg de oogen neer). “Mevrouw Smith had op de eene of andere wijze vernomen, ik denk door een verren bloedverwant, wiens belang medebracht, mij van haar gunst te berooven, van eene zaak, eene verbintenis... doch ik behoef mij niet nader te verklaren,” voegde hij erbij, met verhoogde kleur en haar aanziende met een vragenden blik, “uwe bijzondere vertrouwelijkheid met... u zult waarschijnlijk de geheele geschiedenis reeds hebben vernomen.”“Dat heb ik,” antwoordde Elinor, eveneens blozend, en opnieuw haar hart verhardend tegen eenige opwelling van medelijden met hem. “Ik weet dat alles. En hoe u ook maar een zweem van uw schuld in die treurige zaak zult kunnen wegredeneeren, gaat mijn bevatting te boven.”“Bedenk,” riep Willoughby, “van wien u het verhaal hebt gehoord. Kon het onpartijdig zijn? Ik erken, dat ik haar omstandigheden en haar jeugd had moeten ontzien. Ik wil mij niet van schuld vrijpleiten, doch evenmin kan ik u in de meening laten verkeeren, dat ik niets te mijner verdediging heb aan te voeren; dat zij onberispelijk was, omdat haar onrecht werd aangedaan, of dat, wijl ik losbandig was, zij een heilige moest zijn. Als de onstuimigheid van haar hartstocht, de zwakheid van haar geestvermogens... maar verdedigen wil ik mij niet. Haar liefde voor mij had beter verdiend, en dikwijls herinner ik mij, met diep zelfverwijt, de teederheid, die voor zeer korten tijd vermocht een dergelijk gevoel in mij te wekken. Ik wenschte van ganscher harte dat dit nooit was geschied. Maar ik heb anderen dan haar kwaad gedaan; en ééne hebik kwaad gedaan, wier liefde voor mij (mag ik het zeggen?) niet minder innig was dan de hare, en die naar den geest... o, hoe oneindig veel hooger stond dan zij!”“Maar uwe onverschilligheid voor dat ongelukkige meisje,—ik moet het zeggen, hoezeer mij het bespreken van zulk een onderwerp ook tegen de borst stuit—uwe onverschilligheid maakt uwe hartelooze veronachtzaming niet goed. U moogt niet denken, dat eenige zwakheid, eenig natuurlijk gebrek aan begrip van haar kant eene verontschuldiging zou kunnen zijn voor de lichtzinnige wreedheid, door u zoo duidelijk aan den dag gelegd. U moet hebben geweten, dat zij, terwijl u in Devonshire reeds weer nieuwe genoegens vondt, nieuwe plannen maaktet, altoos vroolijk, altoos welgemoed, intusschen bitter gebrek leed.”“Ik verzeker u, ik wist datniet,” antwoordde hij met nadruk; “ik herinnerde mij niet, dat ik verzuimd had, haar mijn adres op te geven; en als zij haar verstand gebruikt had, zou ze ’t licht hebben kunnen uitvinden.”“Maar gaat u voort: wat zeide dan nu Mevrouw Smith?”“Zij kwam dadelijk met hare beschuldiging voor den dag; en dat ik beschaamd was, behoef ik niet te zeggen. Haar strenge zedelijkheid, haar vormelijke begrippen, haar gebrek aan wereldkennis,—alles had ik tegen mij. Het feit zelf kon ik niet ontkennen, en elke poging het te verzachten, was vergeefsch. Zij was toch al reeds geneigd, geloof ik, mijn zedelijk gedrag over ’t geheel te wantrouwen, en daarbij was zij ontevreden, omdat ik, bij dit bezoek, al zeer weinig aandacht, en zeer weinig tijd aan háár had geschonken. Het kwam dan ook tusschen ons tot een volslagen breuk. Op ééne wijze slechts had ik mij kunnen redden. Bij haar nauwgezette opvattingen van zedelijkheid bood de goede vrouw aan, het verleden te vergeven, als ikmet Eliza wilde trouwen. Dat ging niet—en zij ontzei mij van nu af hare gunst en hare gastvrijheid. Op den avond na dit gesprek,—ik zou den volgenden morgen vertrekken,—overwoog ik mijn toekomstig gedrag. De strijd was zwaar,—doch te spoedig gestreden. Mijn liefde voor Marianne, mijn stellige verzekerdheid van haar gehechtheid aan mij,—al die gevoelens waren niet bij machte, op te wegen tegen de vrees voor armoede of de verkeerde denkbeelden te overwinnen omtrent de onmisbaarheid van rijkdom, die ik van nature geneigd was, te koesteren, en die mijn omgang met verkwistende vrienden had versterkt. Ik wist, dat ik op de toestemming mijner tegenwoordige vrouw kon rekenen, wanneer ik haar ten huwelijk vroeg, en ik maakte mijzelf wijs, dat mij, uit voorzichtigheid, niet anders overbleef. Nog een zware taak wachtte mij, eer ik Devonshire kon verlaten; ik had beloofd, dien dag bij u te zullen dineeren; er was dus eenige verontschuldiging noodig voor het verbreken dier belofte. Of ik deze schriftelijk zou afleggen, of persoonlijk zou komen brengen, was een punt, waarover ik het langen tijd niet met mijzelf kon eens worden. Marianne weer te zien, zou ontzettend zijn, en ik twijfelde zelfs, of ik, als ik haar zag, bij mijn besluit kon volharden. Op dat punt echter onderschatte ik mijn krachten, zooals uit het gebeurde is gebleken; want ik ging; ik zag haar; zag hoe zij leed, en verliet haar in haar lijden;—verliet haar, hopende haar nooit weer te zien.”“Waarom bracht u dat bezoek, Mijnheer Willoughby?” zeide Elinor verwijtend; “een brief zou volkomen afdoende zijn geweest. Waarom was het noodig, zelf te gaan?”“Mijn trots gedoogde niet anders. Ik verkoos niet, heen te gaan op een wijze, die u, of de andere kennissen in de omtrek, zou kunnen doen gissen, wat tusschen mij en Mevrouw Smith was voorgevallen, en daarom besloot ik, op weg naar Honiton,bij uw huis stil te houden. Vreeselijk was het voor mij, uwe lieve zuster te zien, en wat de zaak nog moeilijker maakte, ik trof haar alleen. U waart allen uitgegaan, waarheen weet ik niet. Den avond te voren had ik haar verlaten, zoo stellig, zoo vast besloten in mijn hart, te doen wat goed was! Binnen weinige uren zou zij voor altoos aan mij verbonden zijn geweest; en ik weet nog, hoe gelukkig, hoe verheugd ik mij gevoelde, toen ik van uw huisje naar Allenham wandelde, tevreden over mijzelf, jegens ieder welgezind! Doch bij dat laatste vriendschappelijke onderhoud naderde ik haar met een schuldgevoel, dat mij het vermogen tot veinzen bijna benam. Haar smart, haar teleurstelling, haar diepe verslagenheid, toen ik haar zeide, dat ik zoo plotseling uit Devonshire moest vertrekken,—ik vergeet het nooit; en daarbij haar volkomen geloof, haar vertrouwen in mij! O God, wat een hardvochtige schurk was ik toen!”Beiden zwegen een poos. Elinor sprak het eerst.“Zei u toen, dat u spoedig zoudt terugkeeren?”“Ik weet niet, wat ik haar zeide,” antwoordde hij ongeduldig; “minder, in elk geval, dan het verleden haar recht gaf, te verwachten, en waarschijnlijk veel meer dan de toekomst in vervulling bracht. Ik kan er niet aan denken,—ik wil dat niet. Daarna kwam uwe goede moeder, om mij nog verder te pijnigen met haar vriendelijkheid en haar vertrouwen. Dat hééft mij gepijnigd, Goddank. Ik voelde mij ellendig. Juffrouw Dashwood, u kunt u niet voorstellen, hoe het mij goed doet, te denken aan wat ik geleden heb. Zoo bitter verwijt ik mij mijn eigen domme, schurkachtige dwaasheid, dat al het verdriet, dat ik mij er vroeger door heb berokkend, mij nu een bron van trots en blijdschap is. Nu dan, ik ging; ik verliet allen, die ik liefhad, en ging naar hen, wien ik, op zijn best, onverschillig was. Mijn reis naar de stad,—met mijn eigen paarden, en dus zoo langzaam,—geen sterveling om meer te spreken,—mijn eigen gedachten zoo vroolijk,—mijne vooruitzichten zoo uitlokkend!—den terugblik naar Barton zoo bevredigend!—o, het was een onvergetelijke tocht.”Hij zweeg.“En is dat alles?” zeide Elinor, die ofschoon zij medelijden met hem had, verlangde, dat hij zou vertrekken.“Alles? neen!—hebt u vergeten wat er in Londen voorviel? Die schandelijke brief! Heeft zij hem u laten lezen?”—“Ja; ik las alle brieven, die werden gewisseld.”“Toen ik haar eerste briefje ontving (dadelijk, want ik was al dien tijd in de stad) was mijn gevoel zooals men dat gewoonlijk uitdrukt, niet onder woorden te brengen; eenvoudiger gezegd,—misschien te eenvoudig om ontroering te wekken,—ik was pijnlijk, zéér pijnlijk getroffen. Elke regel, ieder woord was—om de afgezaagde vergelijking te bezigen, die de lieve schrijfster, zoo zij hier ware, zou verbieden,—een dolksteek in mijn hart. Het bericht, dat Marianne in de stad was, trof mij, in die zelfde taal uitgedrukt, als een donderslag. Donderslagen en dolksteken!—hoe zou ze mij de les hebben gelezen!—haar smaak, haar oordeel,—ik geloof dat ze mij beter bekend zijn dan mijn eigen meeningen, en zéér zeker zijn ze mij liever.”Elinor’s gemoed, waarin vele wisselingen hadden plaats gegrepen in den loop van dit zonderlinge gesprek, was thans weer verzacht; maar toch achtte zij het haar plicht, dergelijke denkbeelden in hem te bestrijden.“Dit is niet goed, mijnheer Willoughby. Bedenk, dat u getrouwd bent. Vertel mij alleen, wat u in ernst noodig acht, dat ik zal vernemen.”“Toen Marianne’s briefje mij de zekerheid schonk, dat ik haar nog even dierbaar was als vroeger, dat zij ondanks de vele, vele weken, sedertonze scheiding verloopen, nog even trouw was aan haar eigen gevoelens en nog even vertrouwend op de standvastigheid van de mijne, ontwaakte in mij het berouw. Ik zeg: ontwaakte; want de tijd en Londen, bezigheid en ijdel vermaak hadden het, in zekeren zin, doen insluimeren, en ik was langzamerhand een waarlijk verharde booswicht geworden, mij verbeeldend, dat ik haar onverschillig was, en mij inpratend, dat ik ook voor haar niets meer gevoelde; ik beschouwde inwendig onze vroegere genegenheid als een voorbijgaand, vluchtig minnarijtje, haalde de schouders erover op, om mij zelf dat diets te maken, en bracht elk verwijt tot zwijgen, verwon elk gewetensbezwaar, door in stilte nu en dan te zeggen: “Ik zal blij zijn, wanneer ik hoor, dat ze een goed huwelijk heeft gedaan.”—Doch dat briefje leerde mij mijzelf beter kennen. Ik gevoelde, dat ik haar oneindig liever had dan eenige vrouw ter wereld, en dat ik haar schandelijk behandelde. Doch juist toen was tusschen Juffrouw Grey en mij alles beslist. Terugtrekken was onmogelijk. Al wat mij stond te doen, was, u beiden te vermijden. Ik antwoordde Marianne niet, om geene verdere mededeeling van haar uit te lokken; en een tijdlang was ik zelfs niet voornemens, een bezoek te brengen in Berkeley Street; maar daar ik het tenslotte verstandiger vond, de houding aan te nemen van een onverschilligen, gewonen bekende, wachtte ik op zekeren morgen tot ik u allen had zien uitgaan, en gaf daarna mijn kaartje af.”—“Zaagt u ons uitgaan?”“Ja zeker. U zoudt verwonderd zijn, als u wist, hoe dikwijls ik u bespiedde, hoe licht ik u had kunnen ontmoeten. Ik ben menigmaal een winkel binnengegaan, om niet door u te worden gezien, als uw rijtuig voorbijreed. Er ging bijna geen dag voorbij, waarop ik niet uit mijn kamer in Bond Street een van u allen in ’t voorbijgaan zag, en niets dan voortdurende waakzaamheid van mijnezijde, de onveranderlijke wensch om mij niet aan u te vertoonen had ons zoolang gescheiden kunnen houden. Ik vermeed de Middletons zooveel mogelijk, evenals alle anderen, die wellicht gemeenschappelijke bekenden hadden kunnen zijn. Daar ik niet wist, dat zij in de stad waren, ontmoette ikhenbij Sir John, den eersten dag nadat ze waren aangekomen, geloof ik, en den volgenden dag bracht ik dat bezoek bij Mevrouw Jennings. Hij vroeg mij op een partij, een danspartij bij hem aan huis dien avond. Al had hij mijnietverteld, om mij over te halen, dat u en uwe zuster er ook zouden zijn, dan zou ik daarop toch te stellig hebben gerekend, om mijzelf in zijne buurt te wagen. Den volgenden morgen kreeg ik weer een briefje van Marianne,—nog steeds hartelijk, open, eenvoudig, vertrouwend, —al watmijngedrag verfoeilijk kon doen schijnen. Ik kon er niet op antwoorden. Ik beproefde het, maar kon geen woorden vinden. Doch ik dacht aan haar, geloof ik, op elk uur van den dag. Wanneerumij kunt beklagen, JuffrouwDashwood, beklaag dan den toestand, waarin ik mijtoenbevond. Terwijl mijn hoofd en hart vol waren van uwe zuster, moest ik tegenover eene andere vrouw de rol van den gelukkigen minnaar spelen! Die drie of vier weken waren het ergst van alles. En ten laatste, ik behoef het u niet te zeggen,moestik u ontmoeten; en hoe fraai was mijn houding!—Wàt een avond was dat! Marianne aan den eenen kant, even schoon als altoos, mij bij mijn naam noemend op zùlk een toon!—o God, haar hand naar mij uitstekend, mij een verklaring vragend van mijn gedrag, terwijl die betooverende oogen met zoo sprekende bezorgheid op mijn gelaat gevestigd waren!—en Sophia, razend van jaloezie, aan den anderen, met een gezicht als... Laat ik daarvan zwijgen; het is nu voorbij. Zulk een avond! Zoodra ik kon, vluchtte ik heen van u allen, doch niet eer ik Marianne’s lief gezicht doodsbleek had zienworden. Dàt was de laatste, laatste blik dien ik van haar opving,—de laatste dien ik op haar wierp. Ontzettende aanblik! Toch, toen ik mij haar vandaag als stervende voorstelde, was het in zekeren zin een troost voor mij, te denken, dat ik wist, hoe zij zich zou vertoonen aan hen, die haar voor het laatst aanschouwden in deze wereld. Ik zag haar voor mij, aanhoudend vóór mij, op weg hierheen met dien zelfden blik, diezelfde lijkkleur.”Er volgde een korte stilte, waarin beiden nadachten. Willoughby, het eerst uit zijn overpeinzingen opschrikkend, verbrak het zwijgen, door te zeggen:“Laat ik nu gaan. Uwe zuster is dus werkelijk beter, werkelijk buiten gevaar.”“Dat is ons stellig verzekerd.”“En uwe arme moeder!—die zoo dweepte met Marianne!”“Maar die brief, mijnheer Willoughby, uw eigen brief; hebt u daarover niets te zeggen?”“Ja, ja; veel zelfs. U weet, uw zuster schreef mij nog eenmaal, den volgenden morgen. Wat zij zeide, hebt u gezien. Ik ontbeet bij de Ellison’s, en haar brief werd mij daar, met andere, overhandigd. Toevallig viel Sophia’s oog erop, eer ik hem zag, en het formaat, de fraaiheid van het papier, het handschrift, alles wekte onmiddellijk haar achterdocht. Er was haar reeds iets ter oore gekomen van mijne genegenheid voor eene jonge dame in Devonshire, en wat den vorigen avond onder haar oogen was voorgevallen, had haar doen zien, wie die jonge dame was, en haar jaloezie nog verergerd. Met een voorgewende luchtige speelschheid, zoo aantrekkelijk in eene vrouw, die men waarlijk liefheeft, opende zij den brief zelf, en las den inhoud. Zij kreeg voor die onbescheidenheid haar verdiende loon. Wat zij las, deed haar verdriet. Haar verdriet had ik gemakkelijk kunnen verdragen; maar haar drift, haar woede... in elk geval moest ik ze doen bedaren. En wat zegt u nu wel van mijn vrouw’s stijl,—wasde brief niet kiesch, teeder, met vrouwelijk fijn gevoel geschreven?”“Uw vrouw?—De brief was van uw eigen hand.”“Ja; maar mij kwam alleen de verdienste toe, die zinnen, die ik mij schaamde, te onderteekenen, slaafsch te hebben nageschreven. Het origineel was haar eigen vinding; haar eigen beminnelijke gedachten, zoo lieftallig onder woorden gebracht. Maar wat kon ik doen?—wij waren verloofd: alles werd in gereedheid gebracht; de dag was bijna bepaald; —doch neen, ik spreek onzin. Gereedheid!—dag bepalen! In ronde woorden gezegd, ik had haar geld noodig, en in omstandigheden als de mijne zou ik alles hebben gedaan om een breuk te voorkomen. En wat deed het er trouwens toe, in welke bewoordingen mijn antwoord was ingekleed? Het zou het oordeel van Marianne en hare vrienden omtrent mijn karakter niet veranderen. Dat zou toch altijd hetzelfde zijn. Ik moest openlijk erkennen, dat ik een schurk was, en of ik dat nu deed met mooie praatjes of zonder omwegen, maakte weinig verschil. “Zij zullen tòch nooit weer goed over mij denken,” zeide ik tot mijzelf; “hun omgang is mij voor altoos ontzegd; nu reeds houden ze mij voor een gewetenloozen kerel, en na dien brief zullen ze mij bovendien als een lompen vlegel beschouwen.” Zóó redeneerde ik, terwijl ik, met een soort roekelooze onverschilligheid, de woorden van mijn vrouw naschreef, en de laatste herinneringen aan Marianne prijsgaf. Haar drie briefjes,—ik had ze alle drie in mijn portefeuille, helaas! anders zou ik ontkend hebben, dat ze bestonden, en ze voor altoos hebben bewaard; ik werd gedwongen ze af te geven zonder er zelfs een kus op te drukken. En de haarlok, die ik altoos bij mij droeg, in die zelfde portefeuille, door mijn vrouw in haar kwaadaardige drift nauwkeurig doorzocht,—de dierbare haarlok,—alles,—ieder aandenken werd mij met geweld ontnomen.”“Dit is slecht, Mijnheer Willoughby; dit is zeer verkeerd van u,” zeide Elinor, terwijl hare stem, haars ondanks, ontroering en medelijden verried, “zóó moogt u niet spreken, noch van Mevrouw Willoughby, noch van mijne zuster. U hebt uwe eigen keuze gevolgd. Zij werd u niet opgedrongen. Uwe vrouw heeft recht op uwe beleefdheid, op uwe achting dan toch. Zij moet iets voor u gevoelen; anders had zij u niet getrouwd. Door haar onvriendelijk te behandelen, of met minachting over haar te spreken, maakt u tegenover Marianne niets goed; en evenmin kan het, dunkt mij, uw eigen geweten verlichten.”“Spreek mij niet van mijne vrouw,” zei hij met een zwaren zucht. “Zij verdient uw meelijden niet. Zij wist, dat ik haar niet liefhad, toen wij huwden. En zoo zijn wij dan getrouwd, en gingen naar Combe Magna om gelukkig te zijn, en keerden terug naar de stad om ons te vermaken.—En hebt u nu medelijden met mij, Juffrouw Dashwood? Of is al wat ik u zeide te vergeefs gezegd? Ben ik—al is het ook maar een zweem—minder schuldig in uwe oogen dan te voren? Niet altijd waren mijn bedoelingen slecht. Heb ik door deze verklaring mijn schuld althans gedeeltelijk doen verminderen?”“Ja; u hebt die wel degelijk verlicht—een weinig, ten minste. U hebt getoond, dat u, over ’t geheel, minder slecht waart, dan ik mij u voorstelde. U hebt getoond, dat uw hart minder, veel minder verdorven was. Maar toch,—als ik denk aan het verdriet, dat door u is veroorzaakt,—ik weet bijna niet, wat nòg erger had kunnen zijn.”“Wilt u nog eens herhalen voor uwe zuster, als zij hersteld is, wat ik u heb gezegd? Laat ook zij een weinig beter over mij denken, zoowel als u. U zegt, dat zij mij reeds vergeven heeft. Laat mij althans mij mogen verbeelden, dat een beter inzicht in mijn gemoedsgesteldheid en mijn tegenwoordige gevoelens haar eene meer vrijwillige,meer natuurlijke, meer zachtaardige, minder hooghartige vergiffenis zal ontlokken. Spreek haar van mijn ellende en mijn berouw; zeg haar dat mijn hart haar nimmer ontrouw was, en zeg zoo u dat wilt, dat zij op dit oogenblik mij dierbaarder is dan ooit.”“Ik zal haar alles zeggen, wat noodig is, om u, als men het zoo noemen mag, te rechtvaardigen. Maar u hebt mij nog niet verklaard, waarom u juist nu kwaamt, en hoe u hebt vernomen, dat zij ziek was.”“Gisteravond, in den foyer van Drury Lane, stond ik plotseling voor Sir John Middleton, en toen hij zag, dat ik het was, sprak hij mij aan, voor de eerste maal in deze twee maanden. Dat hij mij sedert mijn huwelijk den rug toekeerde, had mij niet in het minst verwonderd, noch geërgerd. Nu echter kon de goedige, eerlijke, domme man, diep verontwaardigd jegens mij, en vol medelijden met uwe zuster, de verzoeking niet weerstaan, mij mede te deelen, wat hij wist dat mij diep hadmoetentreffen, al zal hij wel niet gedacht hebben, dat het dit waarlijk deed. Hij zei dus, zoo kortaf als hem mogelijk was, dat Marianne Dashwood op sterven lag te Cleveland,—dien morgen hadden zij uit een brief van Mevrouw Jennings gehoord van het dreigend gevaar, waarin zij verkeerde,—de Palmers waren uit vrees voor besmetting vertrokken, en zoo voort. Ik was te zeer getroffen, om den schijn aan te nemen van ongevoeligheid, zelfs tegenover den weinig scherpzienden Sir John. Zijn hart werd verzacht bij het zien van mijn lijden; en zijn afkeer van mij was bij het afscheid zoo verminderd, dat hij mij bijna hartelijk de hand schudde, en mij herinnerde aan een vroeger gedane belofte omtrent een jongen jachthond. Wat ik gevoelde, toen ik hoorde dat uwe zuster stervende was, stervend met de gedachte, dat ik de moedwilligste booswicht ter wereld was geweest, mij verachtend en hatend in haar laatste oogenblikken,—wantwelke afschuwelijke bedoelingen kon men mij niet hebben toegeschreven? Ik wist dat één persoon mij zou afschilderen als tot alles in staat. Het was ontzettend! Spoedig stond mijn besluit vast, en om acht uur van morgen stapte ik in mijn rijtuig. Nu weet u alles.”—Elinor gaf geen antwoord. Terwijl zij zweeg, verwijlden hare gedachten bij de onherstelbare schade, die een te vroeg verkregen onafhankelijkheid, en de daarmede gepaard gaande gewoonten van lediggang, verkwisting en losbandigheid, had berokkend aan den geest, het karakter, het geluk van een man, die reeds zoozeer bevoorrecht door zijn persoonlijkheid en zijn vele gaven, een van nature open en eerlijken aard, en een gevoelig, voor liefde vatbaar gemoed bezat. De wereld had hem verkwistend en ijdel doen worden; verkwisting en ijdelheid maakten hem harteloos en zelfzuchtig. De ijdelheid, die ten koste van een ander haar eigen schuldige triomfen najoeg, had geleid tot eene oprechte genegenheid, welke door verkwisting, of althans de daaruit voortvloeiende vrees voor armoede had moeten worden opgeofferd. Elke schuldige neiging had, hem drijvend tot het kwade, hem eveneens gedreven naar zijne straf. De genegenheid, waaraan hij zich schijnbaar had ontrukt, in tegenspraak met zijn eer, zijn gevoel, zijn eigen hoogere belangen, beheerschte thans, nu zij niet langer geoorloofd was, al zijn gedachten; en de verbintenis, ter wille waarvan hij zoo roekeloos haar zuster in het ongeluk had gestort, beloofde voor hemzelf een bron te worden van nimmer te verzachten ellende. Uit deze en dergelijke gepeinzen werd zij na enkele minuten gewekt door Willoughby, die, zich oprichtend uit een niet minder droevige mijmering, aanstalten maakte om te vertrekken, terwijl hij zeide: “Wat geeft het, of ik hier al langer blijf; ik moet gaan.”“Gaat u terug naar de stad?”“Neen; naar Combe Magna. Ik heb daar ’t een en ander te doen; over een paar dagen ga ik weer naar Londen. Adieu.”Hij stak haar de hand toe. Zij kon niet weigeren hem de hare te reiken, die hij hartelijk drukte.“En dus denkt u nu werkelijk beter over mij?” zei hij, terwijl hij haar hand losliet, en tegen den schoorsteen mantel leunde, alsof hij vergat, dat hij had willen gaan. Elinor verzekerde hem, dat dit zoo was; dat zij hem vergaf, beklaagde, het beste wenschte,—gaarne zou zien dat hij gelukkig werd,—en zij voegde er eenige zachtzinnige raadgevingen aan toe omtrent de gedragswijze, die het best dat geluk zou bevorderen. Zijn antwoord was niet zeer bemoedigend.“Wat dat betreft,” zei hij, “ik moet maar zien, hoe ik mij door de wereld sla. Van huiselijk geluk is geen sprake. Zoo ik echter mag gelooven, dat u en de uwen belang stellen in mijn lot en mijne handelingen, dan zou dat een middel kunnen zijn... het zou mij nopen tot voorzichtigheid... het zou althans iets zijn om voor te leven. Marianne is in elk geval voor goed voor mij verloren. Zelfs al gaf mij eenig gelukkig toeval de vrijheid terug...”Elinor legde hem met een blik vol verwijt het zwijgen op.“Nu dan,” zeide hij; “nogmaals adieu. Ik ga heen, en zal van nu af aan slechts één ding met angst verwachten.”“Wat bedoelt u?”“Uw zuster’s huwelijk.”“Dat is niet goed. Zij kan nooit méér voor u verloren zijn, dan zij thans is.”“Maar een ander zal haar winnen. En als die ander de man zou zijn, dien ik het allerminst zou kunnen verdragen... Maar ik wil mij zelf niet berooven van uwe medelijdende welgezindheid, door te toonen, dat ik hèm het minst kan vergeven, dien ik het diepst beleedigd heb.—Vaarwel, het ga u goed!”En met die woorden liep hij haastig de kamer uit.Hoofdstuk XLVNog eenigen tijd nadat hij haar had verlaten, nadat het geluid van zijn rijtuig was weggestorven zelfs, bleef Elinor te zeer onder den indruk van vele gedachten, op zichzelve van zeer uiteenloopenden aard, doch alle leidend tot droefheid als eenige uitkomst, om zelfs aan haar zuster te denken.Willoughby,—de man dien zij nog slechts een half uur geleden had verfoeid als een nietswaardige,—Willoughby wekte, ondanks al zijn gebreken, een zoo innig medelijden met de smart, door die gebreken veroorzaakt, dat de gedachte, hem voor altoos uitgesloten te weten buiten hunnen kring, haar vervulde met een teederheid en een weemoed, veel meer in overeenstemming (zooals zij spoedig voor zichzelve erkende) met zijn verlangen, dan met zijn verdiensten. Zij gevoelde dat zijn invloed op haar denkwijze versterkt was door omstandigheden, die redelijkerwijze geen gewicht in de schaal moesten leggen; door de ongewone aantrekkelijkheid van zijn persoon; door zijn openhartige, bezielde, levendige wijze van zich te uiten, die op zichzelf toch niets verdienstelijks insloot, en door die nog steeds zoo vurige liefde voor Marianne, waaraan hij zelfs niet mocht toegeven zonder schuld op zich te laden.—Zij gevoelde dat dit zoo was, lang, lang eer zijn invloed op haar was verflauwd.Toen zij eindelijk terugkeerde naar de van niets bewuste Marianne, werd haar zuster juist wakker, verkwikt, zooals zij gehoopt had, door dien langen en rustigen slaap.—Elinor’s hart was vol. Hetverleden, het tegenwoordige, de toekomst,—Willoughby’s bezoek, Marianne’s redding, en haar moeder’s verwachte komst,—alles tezamen maakte haar te rusteloos en gejaagd om een spoor van vermoeidheid te gevoelen, en zij was alleen maar bang, dat zij zich tegenover Marianne zou verraden.—Er werd haar echter weinig tijd gelaten voor het koesteren van die vrees; want nog geen half uur na Willoughby’s vertrek deed het geluid van een ander rijtuig haar opnieuw naar beneden snellen. Vol verlangen om hare moeder elk onnoodig oogenblik van folterende onzekerheid te besparen, liep zij haastig naar de vestibule, en was juist bij tijds aan de voordeur, om haar moeder te ontvangen en te steunen, toen zij binnentrad.Mevrouw Dashwood, wier angst, toen zij het huis naderden, haar bijna overtuigd deed zijn, dat Marianne niet meer in leven was, kon geen woord uitbrengen om naar haar te vragen; kon zelfs Elinor niet begroeten, die echter zonder te wachten op groet of vraag, haar onmiddellijk de zaligste verlichting schonk;—en haar moeder, die deze met de haar eigen geestdrift ontving, was in een oogwenk evenzeer overstelpt door haar vreugde, als zij het te voren was geweest door hare vrees. Zij werd, ondersteund door haar dochter en haren vriend, naar den salon gebracht, waar zij onder tranen van blijdschap, nog steeds niet bij machte te spreken, Elinor meermalen omhelsde, zich nu en dan van haar afwendend om Kolonel Brandon de hand te drukken, met een blik, die zoowel haar dank uitdrukte, als hare overtuiging, dat hij ten volle deelde in de blijdschap van het oogenblik. Dat deed hij, doch onder een stilzwijgen, nog dieper dan het hare.Zoodra Mevrouw Dashwood zich hersteld had, was haar eerste verlangen, Marianne te zien; en enkele minuten later was zij bij haar geliefd kind, haar dierbaarder geworden dan ooit na lange scheiding, ongeluk en gevaar. Elinor’s blijdschap bij hetzien van wat beiden bij die ontmoeting gevoelden, werd alleen verminderd door de vrees, dat Marianne nu niet meer zou kunnen slapen; doch Mevrouw Dashwood kon kalm, kon zelfs voorzichtig zijn, waar het behoud van haar kind op het spel stond; en Marianne, tevreden in het besef van haar moeder’s nabijheid, en wel wetende, dat zij te zwak was om te spreken, onderwierp zich gaarne aan den eisch van stilte en rust, waarop al hare verpleegsters aandrongen. Mevrouw Dashwood wilde volstrekt dien nacht bij haar blijven waken, en Elinor begaf zich, op haar moeder’s dringenden wensch, ter rust. Maar die rust, welke één volkomen slapelooze nacht en vele uren van uitputtenden angst toch zoo noodig deden schijnen, bleef uit door den geprikkelden toestand harer zenuwen. Willoughby, “die arme Willoughby,” zooals zij hem nu wel wilde noemen, was voortdurend in hare gedachten; voor niets ter wereld had zij zijn poging om zich te rechtvaardigen willen missen, en nu eens verweet zij zich, om zich daarna weer vrij te pleiten, dat zijhemte voren zoo hard had beoordeeld. Doch haar belofte om het aan hare zuster mede te deelen, bleef steeds pijnlijk. Zij zag er tegenop, die te vervullen; vreesde voor de uitwerking ervan op Marianne, twijfelde, of zij, na die verklaring, ooit met een ander gelukkig zou kunnen zijn; en wenschte een oogenblik, dat Willoughby weduwnaar mocht worden; toen zij echter weer aan Kolonel Brandon dacht, berispte zij zichzelve, gevoelde dat vanzijnlijden enzijnetrouw haar zuster de belooning moest zijn, veeleer dan voor die van zijn medeminnaar, en verlangde in het minst niet meer naar den dood van Mevrouw Willoughby.De schrik over Kolonel Brandon’s komst te Barton was voor Mevrouw Dashwood verzacht door haar eigen reeds lang gekoesterde bezorgdheid; want zij was zoo ongerust over Marianne, dat zij reeds besloten had, dien zelfden dag naar Clevelandte vertrekken, zonder nader bericht af te wachten; en zij had haar reis reeds zoover voorbereid, eer hij kwam, dat zij juist op dat oogenblik de Carey’s verwachtte, die Margaret zouden komen afhalen, daar hare moeder haar niet aan eene mogelijke besmetting wilde blootstellen.Marianne’s beterschap nam met den dag toe, en Mevrouw Dashwood bewees door haar van blijdschap stralenden blik en haar onveranderlijke opgewektheid, dat zij zich, zooals zij herhaaldelijk verklaarde, de gelukkigste vrouw ter wereld achtte. Elinor kon die bewering niet aanhooren, noch de duidelijke bewijzen ervan aanschouwen, zonder zich nu en dan af te vragen, of haar moeder wel ooit aan Edward dacht. Maar Mevrouw Dashwood, vertrouwend op de kalme gematigdheid, waarmede Elinor had geschreven over haar eigen teleurstelling, kon in de overmaat harer vreugde slechts denken aan ’t geen hare blijdschap verhoogen zou.Marianne was haar teruggegeven, na een gevaar, waaraan, zooals zij thans begon in te zien, zij zelve had geholpen haar bloot te stellen, toen zij haar uit gebrek aan inzicht, aanmoedigde in haar noodlottige genegenheid voor Willoughby; en thans vond zij in haar herstel nog eene andere reden tot vreugde, waaraan Elinor niet had gedacht. Deze werd haar medegedeeld, zoodra zij gelegenheid vonden tot een vertrouwelijk onderhoud.“Eindelijk zijn we dan alleen,” zeide hare moeder. “Mijn lieve Elinor; je weet nog niet, hoe gelukkig ik ben. Kolonel Brandon heeft Marianne lief; hij heeft het mij zelf gezegd.”Haar dochter, die zich beurtelings blijde en bedroefd, verrast en niet verrast gevoelde, was een en al zwijgende aandacht.“Als ik niet wist, Elinor, dat je altijd anders bent dan ik, dan zou ik mij verbazen over je kalmte bij dit bericht. Als ik mijn gezin een groot geluk had mogen toewenschen, dan zou ik het allerliefsthebben gezien, dat Kolonel Brandon met een van jelui tweeën trouwde. En ik geloof dat Marianne nog het gelukkigst met hem zal zijn.”Elinor had wel lust te vragen waarom; daar zij begreep dat de reden niet gegrond kon zijn op eenige onpartijdige beschouwing van hun leeftijd, karakter, of gevoelens;—doch haar moeder liet zich bij al wat haar ter harte ging, door haar verbeelding meesleepen, en dus glimlachte zij slechts, en liet de vraag achterwege.“Gisteren onder de reis heeft hij zijn geheele hart voor mij uitgestort. Het kwam onverwacht, geheel zonder opzet. Ik kon, zooals je wel kunt nagaan, over niets spreken dan mijn kind;—hij kon zijn smart niet verbergen; ik zag dat die de mijne evenaarde, en hij, mogelijk denkend, dat louter vriendschap, in onzen nuchteren tijd, die innige sympathie niet kon rechtvaardigen,—of liever in het geheel niet denkend misschien,—toegevend aan den onweerstaanbaren drang van zijn gevoel, openbaarde mij zijne ernstige, teedere, trouwe genegenheid voor Marianne. Hij heeft haar liefgehad, Elinor, van het eerste oogenblik, dat hij haar zag.”Elinor begreep wel, dat zij noch Kolonel Brandon’s woorden, noch zijne ware uitingen te hooren kreeg, doch de natuurlijke verfraaiing ervan door haar moeder’s levendige verbeelding, die alles naar believen inrichtte zooals dat haarzelve het aangenaamst was.“Zijn liefde voor haar, zoo oneindig hooger staande dan iets, dat Willoughby ooit gevoelde, of veinsde te gevoelen, daar zij veel inniger was, veel oprechter, of standvastiger—hoe zullen wij het noemen?—bleef onveranderd, terwijl hij wist van de ongelukkige genegenheid onzer lieve Marianne voor dien slechten man, en geheel onzelfzuchtig, zonder de minste hoop te koesteren, had hij haar met een ander gelukkig kunnen zien! Zulk eenedel karakter! Zoo openhartig; zoo oprecht!—in hèm kan men zich niet vergissen.”“Dat Kolonel Brandon een buitengewoon goed mensch is,” zei Elinor, “wordt door ieder erkend.”“Dat weet ik,” gaf haar moeder ernstig ten antwoord, “anders zouikde laatste zijn, om na zulk een waarschuwing, een dergelijke genegenheid aan te moedigen, of mij daarover te verheugen. Maar dat hij mij kwam afhalen, zooals hij deed, met die gereede, bereidwillige vriendschap, bewijst al genoeg, dat hij een van de beste menschen ter wereld is.”“De roep, die uitgaat van zijn goedheid,” antwoordde Elinor, “berust niet op ééne enkele vriendelijke daad, waartoe, ook zonder eenige algemeen menschelijke beweegreden, zijn liefde voor Marianne hem zou hebben aangedreven. Mevrouw Jennings en de Middletons hebben hem lang en van nabij gekend; zij dragen hem liefde zoowel als achting toe; ook ik, hoewel ik hem eerst voor kort leerde kennen, weet veel van wat hem aangaat; enikwaardeer en acht hem zóó hoog, dat ik, wanneer Marianne met hem gelukkig kan zijn, even geneigd ben als u, deze verbintenis te beschouwen als het grootste geluk, dat ons kon ten deel vallen. Welk antwoord hebt u hem gegeven? Zeide u hem, dat hij hoop mocht koesteren?”“Och, mijn kind, ik kon toen noch hem, noch mijzelve vleien met hoop. Marianne kon op dat oogenblik wel stervende zijn. Maar hij vroeg ook niet om hoop of bemoediging. Het was eene onwillekeurige uiting van vertrouwen, een niet te weerhouden zielsuitstorting tegenover eene vriendin, wier bijzijn hem rust schonk,—geen vraag, gericht tot eene moeder. Toch zei ik wèl na eenigen tijd, want eerst was ik te zeer overweldigd door mijn aandoening, dat wanneer zij, zooals ik hoopte en vertrouwde, in leven bleef, het mijn grootste geluk zou zijn, hen gehuwd te zien, en sedert onze komsthier, sedert onze gelukkige zekerheid, heb ik hem dit nogmaals uitdrukkelijk herhaald, en hem naar mijn beste vermogen moed ingesproken. De tijd, een weinig tijds zelfs, zei ik hem, zal alles bewerken;—Marianne’s hart kan niet voor altoos en te vergeefs geschonken zijn aan een man als Willoughby. Zijn eigen verdienste zal het hem spoedig doen winnen.”“Te oordeelen naar de stemming van den Kolonel, bent u er niet in geslaagd, hem even hoopvolle verwachtingen te doen koesteren.”“Neen. Hij houdt Marianne’s genegenheid voor zoo diepgeworteld, dat zij eerst na zéér langen tijd zal kunnen veranderen, en zelfs al was haar hart volkomen vrij, dan is hij nog te bescheiden, om te gelooven, dat hij, bij zulk een verschil in leeftijd en geaardheid, ooit haar liefde zou kunnen winnen. Maar dáárin vergist hij zich. Dat verschil in leeftijd is juist groot genoeg, om in zijn voordeel te zijn; om zijn karakter en beginselen vastheid te hebben geschonken, en wat zijn geaardheid betreft, hij is juist de soort van man om je zuster gelukkig te maken; daar ben ik zeker van. Zijn voorkomen, zijn manieren, alles heeft hij vóór. Ik ben niet verblind door partijdigheid; zoo knap als Willoughby is hij niet; dat is waar; maar daarentegen heeft hij iets veel aantrekkelijkers. Er was altijd iets in Willoughby’s oogen nu en dan, dat mij niet aanstond; dat herinner je je wel.”Elinor herinnerde zich datniet; maar haar moeder ging voort, zonder haar antwoord af te wachten: “En zijn manieren, het geheele optreden van den Kolonel, vind ik niet alleen aangenamer dan dat van Willoughby; maar ik weet stellig, dat ook Marianne zich op den duur er meer toe aangetrokken zal gevoelen. Zijn zachtaardigheid, zijn echte beminnelijkheid jegens anderen, en zijn mannelijke, natuurlijke eenvoudigheid zijn veel meer in overeenstemming met haar waren aard, dan de dikwijlsgekunstelde levendigheid van Willoughby, die ook wel eens te onpas kwam. Ik voor mij geloof stellig al was Willoughby werkelijk zoo beminnelijk gebleken, als hij getoond heeft het tegendeel te zijn, dan zou Marianne nòg methemniet zoo gelukkig zijn geworden, als ze zijn zal met Kolonel Brandon.”Zij zweeg. Haar dochter was het niet geheel met haar eens; doch dat meeningsverschil werd niet geuit en kon dus geen aanstoot geven.“Te Delaford zal ik haar gemakkelijk kunnen bereiken”, voegde Mevrouw Dashwood erbij, “zelfs als ik te Barton blijf; en heel waarschijnlijk, (want ik hoor dat het een groot dorp is)—ja, natuurlijk,stelligis er wel een of ander klein huisje of landhuisje in de buurt, dat even geschikt voor ons zou zijn als Barton Cottage.”Arme Elinor! alweer een nieuw plan om haar naar Delaford te doen verhuizen! maar zij hield zich goed.“En dan zijn fortuin! op mijn leeftijd denkt iedereen dááraan toch ook, niet waar? en hoewel ik niet weet, en ook niet wensch te weten, hoeveel hij bezit, ik denk toch wel dat het aanzienlijk mag genoemd worden.”Hier werden zij gestoord door de komst van een derde, en Elinor ging heen, om alles in eenzaamheid te overdenken, haar vriend het beste te wenschen, en toch tegelijkertijd eene opwelling van medelijden te gevoelen met Willoughby.
Hoofdstuk XLIVElinor, die met een blik vol ontzetting terugdeinsde toen zij hem zag, gaf gehoor aan eene natuurlijke opwelling, toen zij zich omkeerde, om de kamer te verlaten, en zij legde de hand reeds op den deurknop, toen zij werd teruggehouden, doordat hij haastig nadertrad, en op eer bevelenden dan verzoekenden toon zeide:“Juffrouw Dashwood, blijf!—een half uur,—tien minuten, ik smeek u er om.”“Neen mijnheer,” zeide zij vastberaden; “ik blijf hier niet. U kunt ommijniet gekomen zijn. De bedienden hebben zeker vergeten u te zeggen, dat de Heer Palmer niet thuis is.”“Al hadden ze mij verteld,” riep hij heftig, “dat de Heer Palmer en zijn geheele familie naar den duivel waren, dan zou mij dat niet hebben bewogen,heen te gaan! Ik kom hier om u te spreken, u alleen.”“Mij!”—riep zij, ten hoogste verbaasd,—“welnu, zeg het dan vlug,—en als u kunt, met minder heftigheid.”“Gaat u zitten; dan zal ik aan beide voorwaarden voldoen.”Zij aarzelde; zij wist niet, hoe te handelen. Het ging haar door het hoofd, dat Kolonel Brandon hem hier bij zijn aankomst zou kunnen vinden. Maar zij had beloofd, hem aan te hooren, en zoowel nieuwsgierigheid als die verplichting drongen haar te blijven. Na een oogenblik nadenken echter kwam zij tot het besluit, dat voorzichtigheid haast gebood, die door haar bereidwilligheid het beste werd bevorderd. Zij ging dus zwijgend naar de tafel en nam plaats. Hij ging op den stoel tegenover haar zitten, en een halve minuut bleven beiden zwijgen.“Wees zoo goed te zeggen, wat u te zeggen hebt, mijnheer,” zeide Elinor ongeduldig,—“ik heb geen tijd te verliezen.”Hij zat in diepe gedachten verzonken, en scheen haar niet te hooren.“Uwe zuster,” zei hij een oogenblik later,—“is buiten gevaar. Ik hoorde het van den knecht.—Goddank!—Maar is het waar?—is het werkelijk waar?”—Elinor wilde niet antwoorden. Hij herhaalde de vraag met nog meer aandrang.“Om Godswil, zeg het mij, is het gevaar geweken, of niet?”“Wij hopen het.”Hij stond op, en liep door de kamer.“Had ik dit een half uur geleden geweten... Maar nu ik eenmaal hier bèn,” ging hij met gedwongen levendigheid voort, terwijl hij weer ging zitten, “wat komt het er nu op aan?—Laat ons nog eenmaal,—misschien voor de laatste maal, JuffrouwDashwood,—samen vroolijk zijn. Zeg mij eens eerlijk,”—een donkerder tint kleurde zijn wangen, “waarvoor houdt u mij, voor een schurk, of voor een gek?”Elinor zag hem met steeds meer verbazing aan. Zij begon te denken, dat hij beschonken moest zijn; zij kon het vreemde bezoek en zijn zonderlinge houding op geen andere wijze verklaren; en onder dien indruk stond zij onmiddellijk op, met de woorden:“Mijnheer Willoughby, ik raad u aan, nu naar Combe terug te keeren. Ik heb geen tijd, om langer te blijven. Wàt u mij ook hebt te zeggen, morgen zult u het u beter herinneren, en het beter kunnen verklaren.”“Ik begrijp u,” antwoordde hij met een veelbeteekenenden glimlach, op volkomen kalmen toon. “O ja, ik ben dronken. Dat glas bier bij mijn koud vleesch in Marlborough was voldoende om mij van de wijs te brengen.”“In Marlborough?” riep Elinor, die steeds minder begreep wat hij toch wilde.“Ja, ik ben van morgen om acht uur uit Londen vertrokken, en in de eenige tien minuten, die ik sinds dat vertrek buiten mijn rijtuig doorbracht, heb ik iets gebruikt te Marlborough.”Zijn bedaarde wijze van spreken en de vastheid van zijn blik overtuigden Elinor, dat het geen dronkenschap was, die hem hier bracht, welke onvergefelijke dwaasheid hem dan ook naar Cleveland mocht hebben gedreven. Na een oogenblik nadenken zeide zij: “Mijnheer Willoughby, u behoordet te begrijpen, watikzeer stellig gevoel, dat, na ’t geen er gebeurd is, uwe komst hier op deze wijze, en dit met geweld u aan mij opdringen, wel zéér noodig verontschuldiging eischen. Wat is uwe bedoeling?”“Mijn bedoeling is,” zeide hij met ernstigen nadruk, “als ik kàn, te bewerken, dat u mijietsminder zult verafschuwen dan u thans doet. Mijn bedoeling is, althans eenige verschooning, eenige verklaring aan te bieden van het verleden,—mijn geheele hart voor u open te leggen, en u te overtuigen dat ik, hoewel altoos kortzichtig, niet altoos slecht ben geweest,—om althans iets als vergiffenis te verkrijgen van Ma..., van uwe zuster.”“Is dat de werkelijke reden van uw komst?”“Dat zweer ik u,”—antwoordde hij, met een warmte, die haar aan den Willoughby van vroeger levendig herinnerde, en haar noopte, haars ondanks te gelooven aan zijn oprechtheid.“Wanneer dat alles is, dan kunt u reeds voldaan zijn; want Marianne vergeeft u—hééft u reeds lang vergeven.”“Is dat waar?”—riep hij, met die zelfde ontroering in zijn stem.—“Dan heeft zij mij vergeven, eer het daartoe de tijd was. Maar zij zal mij nogmaals vergeven, en met grondiger reden daartoe. Wilt u mijnuaanhooren?”Elinor boog toestemmend het hoofd.“Ik weet niet,” zeide hij, na een poos van stilte, afwachtend van háár kant, nadenkend van den zijnen—“hoeumijn gedrag tegenover uwe zuster hebt verklaard, of welke duivelsche beweegreden u mij moogt hebben toegeschreven. Misschien zult u hierna niet eens veel beter over mij denken; maar het is de moeite waard, het te beproeven, en u zult alles vernemen. Toen ik voor het eerst uw familie van nabij leerde kennen, had ik geen ander plan, geene andere bedoeling met dien omgang, dan mijn tijd aangenaam door te brengen, zoolang ik in Devonshire moest blijven; aangenamer dan ik ooit te voren had gedaan. Uw zuster’s bekoorlijkheid en haar ongewone gaven moesten mij wel aantrekken, en haar houding jegens mij, bijna van den beginne, was zóó... Verwonderlijk, wanneer ik bedenk, wat die was, en hoezijwas, dat mijn hart zoo gevoelloos heeft kunnen zijn!—Doch ik moet bekennen, inhet begin werd alleen mijn ijdelheid erdoor gevleid. Onverschillig voor haar geluk, alleen denkend aan mijn eigen genoegen, geheel onder den invloed van gevoelens, waardoor ik te zeer gewend was mij te laten beheerschen, trachtte ik, door elk middel dat mij ten dienste stond, beminnelijk te schijnen in haar oogen, zonder het minste voornemen, haar genegenheid te beantwoorden.”Hier wierp Elinor hem een blik toe vol verontwaardigde minachting, en viel hem in de rede door te zeggen:“Het is werkelijk niet de moeite waard, mijnheer Willoughby, dat u nog langer blijft vertellen, of ik naar u luisteren. Wat zou er kunnen volgen, na zulk een begin? Laat mij niet méér hooren over dit pijnlijke onderwerp.”“Ik wil, dat u alles zult aanhooren,” was zijn antwoord. “Mijn fortuin was nooit aanzienlijk, en ik was altoos verkwistend geweest, altoos gewend om te gaan met lieden, die meer inkomen hadden dan ikzelf. Met ieder jaar, sedert ik meerderjarig was geworden, en reeds eerder, geloof ik, waren mijn schulden toegenomen, en hoewel de dood van mijn oude nicht, Mevrouw Smith, mij daarvan zou bevrijden, had ik, daar op die gebeurtenis niet viel te rekenen, en zij nog lang leven kon, reeds eenigen tijd het voornemen opgevat, weer in beteren doen te geraken door een rijke vrouw te trouwen. Aan eene verloving met uwe zuster viel dus niet te denken; en met een lage, zelfzuchtige wreedheid, die geen verontwaardigde, minachtende blik, zelfs van u, juffrouw Dashwood, genoeg kan afkeuren,—ging ik voort, zooals ik was begonnen, pogend haar genegenheid te winnen, zonder eenig voornemen, die te beantwoorden. Een ding echter mag te mijnen gunste worden aangevoerd, zelfs in dien verfoeilijken toestand van zelfzuchtige ijdelheid besefte ik niet den omvang van het misdrijf dat ik wilde begaan, omdat iktoenniet wist wat hetzeggen wil, lief te hebben. Heb ik dat ooit geweten?—Wel mag dat worden betwijfeld; want zou ik, zoo ik waarlijk bemind had, mijn gevoel hebben opgeofferd aan ijdelheid, aan hebzucht—of wat erger was, het hare hebben prijsgegeven?—Toch heb ik dat gedaan. Om eene betrekkelijke armoede te vermijden, die haar liefde en haar bijzijn van alle bitterheid zouden hebben ontdaan, heb ik, door mij rijkdom te verwerven, alles verloren, wat dien rijkdom tot een zegen zou kunnen doen zijn.”“U hebt dus,” zeide Elinor, ietwat verzacht, “een tijdlang geloofd, dat u waarlijk genegenheid voor haar gevoelde.”“Zooveel beminnelijkheid te weerstaan, gevoelloos te blijven voor zooveel teederheid!—is er wel een man ter wereld, die daartoe in staat zou zijn geweest?—Ja, van lieverlede, onmerkbaar bijna, maar zeker, nam mijn gehechtheid aan haar toe, en de gelukkigste uren van mijn leven waren die, welke ik sleet in haar bijzijn, als ik gevoelde, dat mijn bedoelingen eerlijk waren, en mijn genegenheid zuiver. En toch,zelfstoen, terwijl ik stellig voornemens was, haar ten huwelijk te vragen, stelde ik op onvergefelijke wijze van dag tot dag uit, gevolg te geven aan dit plan uit schroom, een verloving aan te gaan in mijne benarde omstandigheden. Ik wil hier niet wijzen op—noch aan u overlaten dat voormijte doen,—de dwaasheid, en erger dan dwaasheid, terug te schrikken voor het verpanden van mijn trouw, waar mijn eer mij reeds had gebonden. De uitkomst heeft bewezen, dat ik een listige gek ben geweest, die met groote omzichtigheid zich de mogelijkheid wilde voorbehouden, voor altijd verachtelijk en ongelukkig te worden. Ten laatste echter stond mijn besluit vast, en ik had mij voorgenomen, zoodra ik haar alleen kon spreken, de oprechtheid te bewijzen der hulde, die ik haar voortdurend had toegebracht, en haar openlijk de liefde te verklaren, die ik zoo duidelijken opzettelijk reeds had aan den dag gelegd. Doch in het tijdsverloop van enkele uren, die nog moesten verstrijken, eer ik gelegenheid kon vinden haar onder vier oogen te spreken,—gebeurde iets... iets ongelukkigs, dat mijn plannen verijdelde, en mij tevens alle rust ontnam. Er werd iets ontdekt...” (hier aarzelde hij, en sloeg de oogen neer). “Mevrouw Smith had op de eene of andere wijze vernomen, ik denk door een verren bloedverwant, wiens belang medebracht, mij van haar gunst te berooven, van eene zaak, eene verbintenis... doch ik behoef mij niet nader te verklaren,” voegde hij erbij, met verhoogde kleur en haar aanziende met een vragenden blik, “uwe bijzondere vertrouwelijkheid met... u zult waarschijnlijk de geheele geschiedenis reeds hebben vernomen.”“Dat heb ik,” antwoordde Elinor, eveneens blozend, en opnieuw haar hart verhardend tegen eenige opwelling van medelijden met hem. “Ik weet dat alles. En hoe u ook maar een zweem van uw schuld in die treurige zaak zult kunnen wegredeneeren, gaat mijn bevatting te boven.”“Bedenk,” riep Willoughby, “van wien u het verhaal hebt gehoord. Kon het onpartijdig zijn? Ik erken, dat ik haar omstandigheden en haar jeugd had moeten ontzien. Ik wil mij niet van schuld vrijpleiten, doch evenmin kan ik u in de meening laten verkeeren, dat ik niets te mijner verdediging heb aan te voeren; dat zij onberispelijk was, omdat haar onrecht werd aangedaan, of dat, wijl ik losbandig was, zij een heilige moest zijn. Als de onstuimigheid van haar hartstocht, de zwakheid van haar geestvermogens... maar verdedigen wil ik mij niet. Haar liefde voor mij had beter verdiend, en dikwijls herinner ik mij, met diep zelfverwijt, de teederheid, die voor zeer korten tijd vermocht een dergelijk gevoel in mij te wekken. Ik wenschte van ganscher harte dat dit nooit was geschied. Maar ik heb anderen dan haar kwaad gedaan; en ééne hebik kwaad gedaan, wier liefde voor mij (mag ik het zeggen?) niet minder innig was dan de hare, en die naar den geest... o, hoe oneindig veel hooger stond dan zij!”“Maar uwe onverschilligheid voor dat ongelukkige meisje,—ik moet het zeggen, hoezeer mij het bespreken van zulk een onderwerp ook tegen de borst stuit—uwe onverschilligheid maakt uwe hartelooze veronachtzaming niet goed. U moogt niet denken, dat eenige zwakheid, eenig natuurlijk gebrek aan begrip van haar kant eene verontschuldiging zou kunnen zijn voor de lichtzinnige wreedheid, door u zoo duidelijk aan den dag gelegd. U moet hebben geweten, dat zij, terwijl u in Devonshire reeds weer nieuwe genoegens vondt, nieuwe plannen maaktet, altoos vroolijk, altoos welgemoed, intusschen bitter gebrek leed.”“Ik verzeker u, ik wist datniet,” antwoordde hij met nadruk; “ik herinnerde mij niet, dat ik verzuimd had, haar mijn adres op te geven; en als zij haar verstand gebruikt had, zou ze ’t licht hebben kunnen uitvinden.”“Maar gaat u voort: wat zeide dan nu Mevrouw Smith?”“Zij kwam dadelijk met hare beschuldiging voor den dag; en dat ik beschaamd was, behoef ik niet te zeggen. Haar strenge zedelijkheid, haar vormelijke begrippen, haar gebrek aan wereldkennis,—alles had ik tegen mij. Het feit zelf kon ik niet ontkennen, en elke poging het te verzachten, was vergeefsch. Zij was toch al reeds geneigd, geloof ik, mijn zedelijk gedrag over ’t geheel te wantrouwen, en daarbij was zij ontevreden, omdat ik, bij dit bezoek, al zeer weinig aandacht, en zeer weinig tijd aan háár had geschonken. Het kwam dan ook tusschen ons tot een volslagen breuk. Op ééne wijze slechts had ik mij kunnen redden. Bij haar nauwgezette opvattingen van zedelijkheid bood de goede vrouw aan, het verleden te vergeven, als ikmet Eliza wilde trouwen. Dat ging niet—en zij ontzei mij van nu af hare gunst en hare gastvrijheid. Op den avond na dit gesprek,—ik zou den volgenden morgen vertrekken,—overwoog ik mijn toekomstig gedrag. De strijd was zwaar,—doch te spoedig gestreden. Mijn liefde voor Marianne, mijn stellige verzekerdheid van haar gehechtheid aan mij,—al die gevoelens waren niet bij machte, op te wegen tegen de vrees voor armoede of de verkeerde denkbeelden te overwinnen omtrent de onmisbaarheid van rijkdom, die ik van nature geneigd was, te koesteren, en die mijn omgang met verkwistende vrienden had versterkt. Ik wist, dat ik op de toestemming mijner tegenwoordige vrouw kon rekenen, wanneer ik haar ten huwelijk vroeg, en ik maakte mijzelf wijs, dat mij, uit voorzichtigheid, niet anders overbleef. Nog een zware taak wachtte mij, eer ik Devonshire kon verlaten; ik had beloofd, dien dag bij u te zullen dineeren; er was dus eenige verontschuldiging noodig voor het verbreken dier belofte. Of ik deze schriftelijk zou afleggen, of persoonlijk zou komen brengen, was een punt, waarover ik het langen tijd niet met mijzelf kon eens worden. Marianne weer te zien, zou ontzettend zijn, en ik twijfelde zelfs, of ik, als ik haar zag, bij mijn besluit kon volharden. Op dat punt echter onderschatte ik mijn krachten, zooals uit het gebeurde is gebleken; want ik ging; ik zag haar; zag hoe zij leed, en verliet haar in haar lijden;—verliet haar, hopende haar nooit weer te zien.”“Waarom bracht u dat bezoek, Mijnheer Willoughby?” zeide Elinor verwijtend; “een brief zou volkomen afdoende zijn geweest. Waarom was het noodig, zelf te gaan?”“Mijn trots gedoogde niet anders. Ik verkoos niet, heen te gaan op een wijze, die u, of de andere kennissen in de omtrek, zou kunnen doen gissen, wat tusschen mij en Mevrouw Smith was voorgevallen, en daarom besloot ik, op weg naar Honiton,bij uw huis stil te houden. Vreeselijk was het voor mij, uwe lieve zuster te zien, en wat de zaak nog moeilijker maakte, ik trof haar alleen. U waart allen uitgegaan, waarheen weet ik niet. Den avond te voren had ik haar verlaten, zoo stellig, zoo vast besloten in mijn hart, te doen wat goed was! Binnen weinige uren zou zij voor altoos aan mij verbonden zijn geweest; en ik weet nog, hoe gelukkig, hoe verheugd ik mij gevoelde, toen ik van uw huisje naar Allenham wandelde, tevreden over mijzelf, jegens ieder welgezind! Doch bij dat laatste vriendschappelijke onderhoud naderde ik haar met een schuldgevoel, dat mij het vermogen tot veinzen bijna benam. Haar smart, haar teleurstelling, haar diepe verslagenheid, toen ik haar zeide, dat ik zoo plotseling uit Devonshire moest vertrekken,—ik vergeet het nooit; en daarbij haar volkomen geloof, haar vertrouwen in mij! O God, wat een hardvochtige schurk was ik toen!”Beiden zwegen een poos. Elinor sprak het eerst.“Zei u toen, dat u spoedig zoudt terugkeeren?”“Ik weet niet, wat ik haar zeide,” antwoordde hij ongeduldig; “minder, in elk geval, dan het verleden haar recht gaf, te verwachten, en waarschijnlijk veel meer dan de toekomst in vervulling bracht. Ik kan er niet aan denken,—ik wil dat niet. Daarna kwam uwe goede moeder, om mij nog verder te pijnigen met haar vriendelijkheid en haar vertrouwen. Dat hééft mij gepijnigd, Goddank. Ik voelde mij ellendig. Juffrouw Dashwood, u kunt u niet voorstellen, hoe het mij goed doet, te denken aan wat ik geleden heb. Zoo bitter verwijt ik mij mijn eigen domme, schurkachtige dwaasheid, dat al het verdriet, dat ik mij er vroeger door heb berokkend, mij nu een bron van trots en blijdschap is. Nu dan, ik ging; ik verliet allen, die ik liefhad, en ging naar hen, wien ik, op zijn best, onverschillig was. Mijn reis naar de stad,—met mijn eigen paarden, en dus zoo langzaam,—geen sterveling om meer te spreken,—mijn eigen gedachten zoo vroolijk,—mijne vooruitzichten zoo uitlokkend!—den terugblik naar Barton zoo bevredigend!—o, het was een onvergetelijke tocht.”Hij zweeg.“En is dat alles?” zeide Elinor, die ofschoon zij medelijden met hem had, verlangde, dat hij zou vertrekken.“Alles? neen!—hebt u vergeten wat er in Londen voorviel? Die schandelijke brief! Heeft zij hem u laten lezen?”—“Ja; ik las alle brieven, die werden gewisseld.”“Toen ik haar eerste briefje ontving (dadelijk, want ik was al dien tijd in de stad) was mijn gevoel zooals men dat gewoonlijk uitdrukt, niet onder woorden te brengen; eenvoudiger gezegd,—misschien te eenvoudig om ontroering te wekken,—ik was pijnlijk, zéér pijnlijk getroffen. Elke regel, ieder woord was—om de afgezaagde vergelijking te bezigen, die de lieve schrijfster, zoo zij hier ware, zou verbieden,—een dolksteek in mijn hart. Het bericht, dat Marianne in de stad was, trof mij, in die zelfde taal uitgedrukt, als een donderslag. Donderslagen en dolksteken!—hoe zou ze mij de les hebben gelezen!—haar smaak, haar oordeel,—ik geloof dat ze mij beter bekend zijn dan mijn eigen meeningen, en zéér zeker zijn ze mij liever.”Elinor’s gemoed, waarin vele wisselingen hadden plaats gegrepen in den loop van dit zonderlinge gesprek, was thans weer verzacht; maar toch achtte zij het haar plicht, dergelijke denkbeelden in hem te bestrijden.“Dit is niet goed, mijnheer Willoughby. Bedenk, dat u getrouwd bent. Vertel mij alleen, wat u in ernst noodig acht, dat ik zal vernemen.”“Toen Marianne’s briefje mij de zekerheid schonk, dat ik haar nog even dierbaar was als vroeger, dat zij ondanks de vele, vele weken, sedertonze scheiding verloopen, nog even trouw was aan haar eigen gevoelens en nog even vertrouwend op de standvastigheid van de mijne, ontwaakte in mij het berouw. Ik zeg: ontwaakte; want de tijd en Londen, bezigheid en ijdel vermaak hadden het, in zekeren zin, doen insluimeren, en ik was langzamerhand een waarlijk verharde booswicht geworden, mij verbeeldend, dat ik haar onverschillig was, en mij inpratend, dat ik ook voor haar niets meer gevoelde; ik beschouwde inwendig onze vroegere genegenheid als een voorbijgaand, vluchtig minnarijtje, haalde de schouders erover op, om mij zelf dat diets te maken, en bracht elk verwijt tot zwijgen, verwon elk gewetensbezwaar, door in stilte nu en dan te zeggen: “Ik zal blij zijn, wanneer ik hoor, dat ze een goed huwelijk heeft gedaan.”—Doch dat briefje leerde mij mijzelf beter kennen. Ik gevoelde, dat ik haar oneindig liever had dan eenige vrouw ter wereld, en dat ik haar schandelijk behandelde. Doch juist toen was tusschen Juffrouw Grey en mij alles beslist. Terugtrekken was onmogelijk. Al wat mij stond te doen, was, u beiden te vermijden. Ik antwoordde Marianne niet, om geene verdere mededeeling van haar uit te lokken; en een tijdlang was ik zelfs niet voornemens, een bezoek te brengen in Berkeley Street; maar daar ik het tenslotte verstandiger vond, de houding aan te nemen van een onverschilligen, gewonen bekende, wachtte ik op zekeren morgen tot ik u allen had zien uitgaan, en gaf daarna mijn kaartje af.”—“Zaagt u ons uitgaan?”“Ja zeker. U zoudt verwonderd zijn, als u wist, hoe dikwijls ik u bespiedde, hoe licht ik u had kunnen ontmoeten. Ik ben menigmaal een winkel binnengegaan, om niet door u te worden gezien, als uw rijtuig voorbijreed. Er ging bijna geen dag voorbij, waarop ik niet uit mijn kamer in Bond Street een van u allen in ’t voorbijgaan zag, en niets dan voortdurende waakzaamheid van mijnezijde, de onveranderlijke wensch om mij niet aan u te vertoonen had ons zoolang gescheiden kunnen houden. Ik vermeed de Middletons zooveel mogelijk, evenals alle anderen, die wellicht gemeenschappelijke bekenden hadden kunnen zijn. Daar ik niet wist, dat zij in de stad waren, ontmoette ikhenbij Sir John, den eersten dag nadat ze waren aangekomen, geloof ik, en den volgenden dag bracht ik dat bezoek bij Mevrouw Jennings. Hij vroeg mij op een partij, een danspartij bij hem aan huis dien avond. Al had hij mijnietverteld, om mij over te halen, dat u en uwe zuster er ook zouden zijn, dan zou ik daarop toch te stellig hebben gerekend, om mijzelf in zijne buurt te wagen. Den volgenden morgen kreeg ik weer een briefje van Marianne,—nog steeds hartelijk, open, eenvoudig, vertrouwend, —al watmijngedrag verfoeilijk kon doen schijnen. Ik kon er niet op antwoorden. Ik beproefde het, maar kon geen woorden vinden. Doch ik dacht aan haar, geloof ik, op elk uur van den dag. Wanneerumij kunt beklagen, JuffrouwDashwood, beklaag dan den toestand, waarin ik mijtoenbevond. Terwijl mijn hoofd en hart vol waren van uwe zuster, moest ik tegenover eene andere vrouw de rol van den gelukkigen minnaar spelen! Die drie of vier weken waren het ergst van alles. En ten laatste, ik behoef het u niet te zeggen,moestik u ontmoeten; en hoe fraai was mijn houding!—Wàt een avond was dat! Marianne aan den eenen kant, even schoon als altoos, mij bij mijn naam noemend op zùlk een toon!—o God, haar hand naar mij uitstekend, mij een verklaring vragend van mijn gedrag, terwijl die betooverende oogen met zoo sprekende bezorgheid op mijn gelaat gevestigd waren!—en Sophia, razend van jaloezie, aan den anderen, met een gezicht als... Laat ik daarvan zwijgen; het is nu voorbij. Zulk een avond! Zoodra ik kon, vluchtte ik heen van u allen, doch niet eer ik Marianne’s lief gezicht doodsbleek had zienworden. Dàt was de laatste, laatste blik dien ik van haar opving,—de laatste dien ik op haar wierp. Ontzettende aanblik! Toch, toen ik mij haar vandaag als stervende voorstelde, was het in zekeren zin een troost voor mij, te denken, dat ik wist, hoe zij zich zou vertoonen aan hen, die haar voor het laatst aanschouwden in deze wereld. Ik zag haar voor mij, aanhoudend vóór mij, op weg hierheen met dien zelfden blik, diezelfde lijkkleur.”Er volgde een korte stilte, waarin beiden nadachten. Willoughby, het eerst uit zijn overpeinzingen opschrikkend, verbrak het zwijgen, door te zeggen:“Laat ik nu gaan. Uwe zuster is dus werkelijk beter, werkelijk buiten gevaar.”“Dat is ons stellig verzekerd.”“En uwe arme moeder!—die zoo dweepte met Marianne!”“Maar die brief, mijnheer Willoughby, uw eigen brief; hebt u daarover niets te zeggen?”“Ja, ja; veel zelfs. U weet, uw zuster schreef mij nog eenmaal, den volgenden morgen. Wat zij zeide, hebt u gezien. Ik ontbeet bij de Ellison’s, en haar brief werd mij daar, met andere, overhandigd. Toevallig viel Sophia’s oog erop, eer ik hem zag, en het formaat, de fraaiheid van het papier, het handschrift, alles wekte onmiddellijk haar achterdocht. Er was haar reeds iets ter oore gekomen van mijne genegenheid voor eene jonge dame in Devonshire, en wat den vorigen avond onder haar oogen was voorgevallen, had haar doen zien, wie die jonge dame was, en haar jaloezie nog verergerd. Met een voorgewende luchtige speelschheid, zoo aantrekkelijk in eene vrouw, die men waarlijk liefheeft, opende zij den brief zelf, en las den inhoud. Zij kreeg voor die onbescheidenheid haar verdiende loon. Wat zij las, deed haar verdriet. Haar verdriet had ik gemakkelijk kunnen verdragen; maar haar drift, haar woede... in elk geval moest ik ze doen bedaren. En wat zegt u nu wel van mijn vrouw’s stijl,—wasde brief niet kiesch, teeder, met vrouwelijk fijn gevoel geschreven?”“Uw vrouw?—De brief was van uw eigen hand.”“Ja; maar mij kwam alleen de verdienste toe, die zinnen, die ik mij schaamde, te onderteekenen, slaafsch te hebben nageschreven. Het origineel was haar eigen vinding; haar eigen beminnelijke gedachten, zoo lieftallig onder woorden gebracht. Maar wat kon ik doen?—wij waren verloofd: alles werd in gereedheid gebracht; de dag was bijna bepaald; —doch neen, ik spreek onzin. Gereedheid!—dag bepalen! In ronde woorden gezegd, ik had haar geld noodig, en in omstandigheden als de mijne zou ik alles hebben gedaan om een breuk te voorkomen. En wat deed het er trouwens toe, in welke bewoordingen mijn antwoord was ingekleed? Het zou het oordeel van Marianne en hare vrienden omtrent mijn karakter niet veranderen. Dat zou toch altijd hetzelfde zijn. Ik moest openlijk erkennen, dat ik een schurk was, en of ik dat nu deed met mooie praatjes of zonder omwegen, maakte weinig verschil. “Zij zullen tòch nooit weer goed over mij denken,” zeide ik tot mijzelf; “hun omgang is mij voor altoos ontzegd; nu reeds houden ze mij voor een gewetenloozen kerel, en na dien brief zullen ze mij bovendien als een lompen vlegel beschouwen.” Zóó redeneerde ik, terwijl ik, met een soort roekelooze onverschilligheid, de woorden van mijn vrouw naschreef, en de laatste herinneringen aan Marianne prijsgaf. Haar drie briefjes,—ik had ze alle drie in mijn portefeuille, helaas! anders zou ik ontkend hebben, dat ze bestonden, en ze voor altoos hebben bewaard; ik werd gedwongen ze af te geven zonder er zelfs een kus op te drukken. En de haarlok, die ik altoos bij mij droeg, in die zelfde portefeuille, door mijn vrouw in haar kwaadaardige drift nauwkeurig doorzocht,—de dierbare haarlok,—alles,—ieder aandenken werd mij met geweld ontnomen.”“Dit is slecht, Mijnheer Willoughby; dit is zeer verkeerd van u,” zeide Elinor, terwijl hare stem, haars ondanks, ontroering en medelijden verried, “zóó moogt u niet spreken, noch van Mevrouw Willoughby, noch van mijne zuster. U hebt uwe eigen keuze gevolgd. Zij werd u niet opgedrongen. Uwe vrouw heeft recht op uwe beleefdheid, op uwe achting dan toch. Zij moet iets voor u gevoelen; anders had zij u niet getrouwd. Door haar onvriendelijk te behandelen, of met minachting over haar te spreken, maakt u tegenover Marianne niets goed; en evenmin kan het, dunkt mij, uw eigen geweten verlichten.”“Spreek mij niet van mijne vrouw,” zei hij met een zwaren zucht. “Zij verdient uw meelijden niet. Zij wist, dat ik haar niet liefhad, toen wij huwden. En zoo zijn wij dan getrouwd, en gingen naar Combe Magna om gelukkig te zijn, en keerden terug naar de stad om ons te vermaken.—En hebt u nu medelijden met mij, Juffrouw Dashwood? Of is al wat ik u zeide te vergeefs gezegd? Ben ik—al is het ook maar een zweem—minder schuldig in uwe oogen dan te voren? Niet altijd waren mijn bedoelingen slecht. Heb ik door deze verklaring mijn schuld althans gedeeltelijk doen verminderen?”“Ja; u hebt die wel degelijk verlicht—een weinig, ten minste. U hebt getoond, dat u, over ’t geheel, minder slecht waart, dan ik mij u voorstelde. U hebt getoond, dat uw hart minder, veel minder verdorven was. Maar toch,—als ik denk aan het verdriet, dat door u is veroorzaakt,—ik weet bijna niet, wat nòg erger had kunnen zijn.”“Wilt u nog eens herhalen voor uwe zuster, als zij hersteld is, wat ik u heb gezegd? Laat ook zij een weinig beter over mij denken, zoowel als u. U zegt, dat zij mij reeds vergeven heeft. Laat mij althans mij mogen verbeelden, dat een beter inzicht in mijn gemoedsgesteldheid en mijn tegenwoordige gevoelens haar eene meer vrijwillige,meer natuurlijke, meer zachtaardige, minder hooghartige vergiffenis zal ontlokken. Spreek haar van mijn ellende en mijn berouw; zeg haar dat mijn hart haar nimmer ontrouw was, en zeg zoo u dat wilt, dat zij op dit oogenblik mij dierbaarder is dan ooit.”“Ik zal haar alles zeggen, wat noodig is, om u, als men het zoo noemen mag, te rechtvaardigen. Maar u hebt mij nog niet verklaard, waarom u juist nu kwaamt, en hoe u hebt vernomen, dat zij ziek was.”“Gisteravond, in den foyer van Drury Lane, stond ik plotseling voor Sir John Middleton, en toen hij zag, dat ik het was, sprak hij mij aan, voor de eerste maal in deze twee maanden. Dat hij mij sedert mijn huwelijk den rug toekeerde, had mij niet in het minst verwonderd, noch geërgerd. Nu echter kon de goedige, eerlijke, domme man, diep verontwaardigd jegens mij, en vol medelijden met uwe zuster, de verzoeking niet weerstaan, mij mede te deelen, wat hij wist dat mij diep hadmoetentreffen, al zal hij wel niet gedacht hebben, dat het dit waarlijk deed. Hij zei dus, zoo kortaf als hem mogelijk was, dat Marianne Dashwood op sterven lag te Cleveland,—dien morgen hadden zij uit een brief van Mevrouw Jennings gehoord van het dreigend gevaar, waarin zij verkeerde,—de Palmers waren uit vrees voor besmetting vertrokken, en zoo voort. Ik was te zeer getroffen, om den schijn aan te nemen van ongevoeligheid, zelfs tegenover den weinig scherpzienden Sir John. Zijn hart werd verzacht bij het zien van mijn lijden; en zijn afkeer van mij was bij het afscheid zoo verminderd, dat hij mij bijna hartelijk de hand schudde, en mij herinnerde aan een vroeger gedane belofte omtrent een jongen jachthond. Wat ik gevoelde, toen ik hoorde dat uwe zuster stervende was, stervend met de gedachte, dat ik de moedwilligste booswicht ter wereld was geweest, mij verachtend en hatend in haar laatste oogenblikken,—wantwelke afschuwelijke bedoelingen kon men mij niet hebben toegeschreven? Ik wist dat één persoon mij zou afschilderen als tot alles in staat. Het was ontzettend! Spoedig stond mijn besluit vast, en om acht uur van morgen stapte ik in mijn rijtuig. Nu weet u alles.”—Elinor gaf geen antwoord. Terwijl zij zweeg, verwijlden hare gedachten bij de onherstelbare schade, die een te vroeg verkregen onafhankelijkheid, en de daarmede gepaard gaande gewoonten van lediggang, verkwisting en losbandigheid, had berokkend aan den geest, het karakter, het geluk van een man, die reeds zoozeer bevoorrecht door zijn persoonlijkheid en zijn vele gaven, een van nature open en eerlijken aard, en een gevoelig, voor liefde vatbaar gemoed bezat. De wereld had hem verkwistend en ijdel doen worden; verkwisting en ijdelheid maakten hem harteloos en zelfzuchtig. De ijdelheid, die ten koste van een ander haar eigen schuldige triomfen najoeg, had geleid tot eene oprechte genegenheid, welke door verkwisting, of althans de daaruit voortvloeiende vrees voor armoede had moeten worden opgeofferd. Elke schuldige neiging had, hem drijvend tot het kwade, hem eveneens gedreven naar zijne straf. De genegenheid, waaraan hij zich schijnbaar had ontrukt, in tegenspraak met zijn eer, zijn gevoel, zijn eigen hoogere belangen, beheerschte thans, nu zij niet langer geoorloofd was, al zijn gedachten; en de verbintenis, ter wille waarvan hij zoo roekeloos haar zuster in het ongeluk had gestort, beloofde voor hemzelf een bron te worden van nimmer te verzachten ellende. Uit deze en dergelijke gepeinzen werd zij na enkele minuten gewekt door Willoughby, die, zich oprichtend uit een niet minder droevige mijmering, aanstalten maakte om te vertrekken, terwijl hij zeide: “Wat geeft het, of ik hier al langer blijf; ik moet gaan.”“Gaat u terug naar de stad?”“Neen; naar Combe Magna. Ik heb daar ’t een en ander te doen; over een paar dagen ga ik weer naar Londen. Adieu.”Hij stak haar de hand toe. Zij kon niet weigeren hem de hare te reiken, die hij hartelijk drukte.“En dus denkt u nu werkelijk beter over mij?” zei hij, terwijl hij haar hand losliet, en tegen den schoorsteen mantel leunde, alsof hij vergat, dat hij had willen gaan. Elinor verzekerde hem, dat dit zoo was; dat zij hem vergaf, beklaagde, het beste wenschte,—gaarne zou zien dat hij gelukkig werd,—en zij voegde er eenige zachtzinnige raadgevingen aan toe omtrent de gedragswijze, die het best dat geluk zou bevorderen. Zijn antwoord was niet zeer bemoedigend.“Wat dat betreft,” zei hij, “ik moet maar zien, hoe ik mij door de wereld sla. Van huiselijk geluk is geen sprake. Zoo ik echter mag gelooven, dat u en de uwen belang stellen in mijn lot en mijne handelingen, dan zou dat een middel kunnen zijn... het zou mij nopen tot voorzichtigheid... het zou althans iets zijn om voor te leven. Marianne is in elk geval voor goed voor mij verloren. Zelfs al gaf mij eenig gelukkig toeval de vrijheid terug...”Elinor legde hem met een blik vol verwijt het zwijgen op.“Nu dan,” zeide hij; “nogmaals adieu. Ik ga heen, en zal van nu af aan slechts één ding met angst verwachten.”“Wat bedoelt u?”“Uw zuster’s huwelijk.”“Dat is niet goed. Zij kan nooit méér voor u verloren zijn, dan zij thans is.”“Maar een ander zal haar winnen. En als die ander de man zou zijn, dien ik het allerminst zou kunnen verdragen... Maar ik wil mij zelf niet berooven van uwe medelijdende welgezindheid, door te toonen, dat ik hèm het minst kan vergeven, dien ik het diepst beleedigd heb.—Vaarwel, het ga u goed!”En met die woorden liep hij haastig de kamer uit.
Elinor, die met een blik vol ontzetting terugdeinsde toen zij hem zag, gaf gehoor aan eene natuurlijke opwelling, toen zij zich omkeerde, om de kamer te verlaten, en zij legde de hand reeds op den deurknop, toen zij werd teruggehouden, doordat hij haastig nadertrad, en op eer bevelenden dan verzoekenden toon zeide:
“Juffrouw Dashwood, blijf!—een half uur,—tien minuten, ik smeek u er om.”
“Neen mijnheer,” zeide zij vastberaden; “ik blijf hier niet. U kunt ommijniet gekomen zijn. De bedienden hebben zeker vergeten u te zeggen, dat de Heer Palmer niet thuis is.”
“Al hadden ze mij verteld,” riep hij heftig, “dat de Heer Palmer en zijn geheele familie naar den duivel waren, dan zou mij dat niet hebben bewogen,heen te gaan! Ik kom hier om u te spreken, u alleen.”
“Mij!”—riep zij, ten hoogste verbaasd,—“welnu, zeg het dan vlug,—en als u kunt, met minder heftigheid.”
“Gaat u zitten; dan zal ik aan beide voorwaarden voldoen.”
Zij aarzelde; zij wist niet, hoe te handelen. Het ging haar door het hoofd, dat Kolonel Brandon hem hier bij zijn aankomst zou kunnen vinden. Maar zij had beloofd, hem aan te hooren, en zoowel nieuwsgierigheid als die verplichting drongen haar te blijven. Na een oogenblik nadenken echter kwam zij tot het besluit, dat voorzichtigheid haast gebood, die door haar bereidwilligheid het beste werd bevorderd. Zij ging dus zwijgend naar de tafel en nam plaats. Hij ging op den stoel tegenover haar zitten, en een halve minuut bleven beiden zwijgen.
“Wees zoo goed te zeggen, wat u te zeggen hebt, mijnheer,” zeide Elinor ongeduldig,—“ik heb geen tijd te verliezen.”
Hij zat in diepe gedachten verzonken, en scheen haar niet te hooren.
“Uwe zuster,” zei hij een oogenblik later,—“is buiten gevaar. Ik hoorde het van den knecht.—Goddank!—Maar is het waar?—is het werkelijk waar?”—
Elinor wilde niet antwoorden. Hij herhaalde de vraag met nog meer aandrang.
“Om Godswil, zeg het mij, is het gevaar geweken, of niet?”
“Wij hopen het.”
Hij stond op, en liep door de kamer.
“Had ik dit een half uur geleden geweten... Maar nu ik eenmaal hier bèn,” ging hij met gedwongen levendigheid voort, terwijl hij weer ging zitten, “wat komt het er nu op aan?—Laat ons nog eenmaal,—misschien voor de laatste maal, JuffrouwDashwood,—samen vroolijk zijn. Zeg mij eens eerlijk,”—een donkerder tint kleurde zijn wangen, “waarvoor houdt u mij, voor een schurk, of voor een gek?”
Elinor zag hem met steeds meer verbazing aan. Zij begon te denken, dat hij beschonken moest zijn; zij kon het vreemde bezoek en zijn zonderlinge houding op geen andere wijze verklaren; en onder dien indruk stond zij onmiddellijk op, met de woorden:
“Mijnheer Willoughby, ik raad u aan, nu naar Combe terug te keeren. Ik heb geen tijd, om langer te blijven. Wàt u mij ook hebt te zeggen, morgen zult u het u beter herinneren, en het beter kunnen verklaren.”
“Ik begrijp u,” antwoordde hij met een veelbeteekenenden glimlach, op volkomen kalmen toon. “O ja, ik ben dronken. Dat glas bier bij mijn koud vleesch in Marlborough was voldoende om mij van de wijs te brengen.”
“In Marlborough?” riep Elinor, die steeds minder begreep wat hij toch wilde.
“Ja, ik ben van morgen om acht uur uit Londen vertrokken, en in de eenige tien minuten, die ik sinds dat vertrek buiten mijn rijtuig doorbracht, heb ik iets gebruikt te Marlborough.”
Zijn bedaarde wijze van spreken en de vastheid van zijn blik overtuigden Elinor, dat het geen dronkenschap was, die hem hier bracht, welke onvergefelijke dwaasheid hem dan ook naar Cleveland mocht hebben gedreven. Na een oogenblik nadenken zeide zij: “Mijnheer Willoughby, u behoordet te begrijpen, watikzeer stellig gevoel, dat, na ’t geen er gebeurd is, uwe komst hier op deze wijze, en dit met geweld u aan mij opdringen, wel zéér noodig verontschuldiging eischen. Wat is uwe bedoeling?”
“Mijn bedoeling is,” zeide hij met ernstigen nadruk, “als ik kàn, te bewerken, dat u mijietsminder zult verafschuwen dan u thans doet. Mijn bedoeling is, althans eenige verschooning, eenige verklaring aan te bieden van het verleden,—mijn geheele hart voor u open te leggen, en u te overtuigen dat ik, hoewel altoos kortzichtig, niet altoos slecht ben geweest,—om althans iets als vergiffenis te verkrijgen van Ma..., van uwe zuster.”
“Is dat de werkelijke reden van uw komst?”
“Dat zweer ik u,”—antwoordde hij, met een warmte, die haar aan den Willoughby van vroeger levendig herinnerde, en haar noopte, haars ondanks te gelooven aan zijn oprechtheid.
“Wanneer dat alles is, dan kunt u reeds voldaan zijn; want Marianne vergeeft u—hééft u reeds lang vergeven.”
“Is dat waar?”—riep hij, met die zelfde ontroering in zijn stem.—“Dan heeft zij mij vergeven, eer het daartoe de tijd was. Maar zij zal mij nogmaals vergeven, en met grondiger reden daartoe. Wilt u mijnuaanhooren?”
Elinor boog toestemmend het hoofd.
“Ik weet niet,” zeide hij, na een poos van stilte, afwachtend van háár kant, nadenkend van den zijnen—“hoeumijn gedrag tegenover uwe zuster hebt verklaard, of welke duivelsche beweegreden u mij moogt hebben toegeschreven. Misschien zult u hierna niet eens veel beter over mij denken; maar het is de moeite waard, het te beproeven, en u zult alles vernemen. Toen ik voor het eerst uw familie van nabij leerde kennen, had ik geen ander plan, geene andere bedoeling met dien omgang, dan mijn tijd aangenaam door te brengen, zoolang ik in Devonshire moest blijven; aangenamer dan ik ooit te voren had gedaan. Uw zuster’s bekoorlijkheid en haar ongewone gaven moesten mij wel aantrekken, en haar houding jegens mij, bijna van den beginne, was zóó... Verwonderlijk, wanneer ik bedenk, wat die was, en hoezijwas, dat mijn hart zoo gevoelloos heeft kunnen zijn!—Doch ik moet bekennen, inhet begin werd alleen mijn ijdelheid erdoor gevleid. Onverschillig voor haar geluk, alleen denkend aan mijn eigen genoegen, geheel onder den invloed van gevoelens, waardoor ik te zeer gewend was mij te laten beheerschen, trachtte ik, door elk middel dat mij ten dienste stond, beminnelijk te schijnen in haar oogen, zonder het minste voornemen, haar genegenheid te beantwoorden.”
Hier wierp Elinor hem een blik toe vol verontwaardigde minachting, en viel hem in de rede door te zeggen:
“Het is werkelijk niet de moeite waard, mijnheer Willoughby, dat u nog langer blijft vertellen, of ik naar u luisteren. Wat zou er kunnen volgen, na zulk een begin? Laat mij niet méér hooren over dit pijnlijke onderwerp.”
“Ik wil, dat u alles zult aanhooren,” was zijn antwoord. “Mijn fortuin was nooit aanzienlijk, en ik was altoos verkwistend geweest, altoos gewend om te gaan met lieden, die meer inkomen hadden dan ikzelf. Met ieder jaar, sedert ik meerderjarig was geworden, en reeds eerder, geloof ik, waren mijn schulden toegenomen, en hoewel de dood van mijn oude nicht, Mevrouw Smith, mij daarvan zou bevrijden, had ik, daar op die gebeurtenis niet viel te rekenen, en zij nog lang leven kon, reeds eenigen tijd het voornemen opgevat, weer in beteren doen te geraken door een rijke vrouw te trouwen. Aan eene verloving met uwe zuster viel dus niet te denken; en met een lage, zelfzuchtige wreedheid, die geen verontwaardigde, minachtende blik, zelfs van u, juffrouw Dashwood, genoeg kan afkeuren,—ging ik voort, zooals ik was begonnen, pogend haar genegenheid te winnen, zonder eenig voornemen, die te beantwoorden. Een ding echter mag te mijnen gunste worden aangevoerd, zelfs in dien verfoeilijken toestand van zelfzuchtige ijdelheid besefte ik niet den omvang van het misdrijf dat ik wilde begaan, omdat iktoenniet wist wat hetzeggen wil, lief te hebben. Heb ik dat ooit geweten?—Wel mag dat worden betwijfeld; want zou ik, zoo ik waarlijk bemind had, mijn gevoel hebben opgeofferd aan ijdelheid, aan hebzucht—of wat erger was, het hare hebben prijsgegeven?—Toch heb ik dat gedaan. Om eene betrekkelijke armoede te vermijden, die haar liefde en haar bijzijn van alle bitterheid zouden hebben ontdaan, heb ik, door mij rijkdom te verwerven, alles verloren, wat dien rijkdom tot een zegen zou kunnen doen zijn.”
“U hebt dus,” zeide Elinor, ietwat verzacht, “een tijdlang geloofd, dat u waarlijk genegenheid voor haar gevoelde.”
“Zooveel beminnelijkheid te weerstaan, gevoelloos te blijven voor zooveel teederheid!—is er wel een man ter wereld, die daartoe in staat zou zijn geweest?—Ja, van lieverlede, onmerkbaar bijna, maar zeker, nam mijn gehechtheid aan haar toe, en de gelukkigste uren van mijn leven waren die, welke ik sleet in haar bijzijn, als ik gevoelde, dat mijn bedoelingen eerlijk waren, en mijn genegenheid zuiver. En toch,zelfstoen, terwijl ik stellig voornemens was, haar ten huwelijk te vragen, stelde ik op onvergefelijke wijze van dag tot dag uit, gevolg te geven aan dit plan uit schroom, een verloving aan te gaan in mijne benarde omstandigheden. Ik wil hier niet wijzen op—noch aan u overlaten dat voormijte doen,—de dwaasheid, en erger dan dwaasheid, terug te schrikken voor het verpanden van mijn trouw, waar mijn eer mij reeds had gebonden. De uitkomst heeft bewezen, dat ik een listige gek ben geweest, die met groote omzichtigheid zich de mogelijkheid wilde voorbehouden, voor altijd verachtelijk en ongelukkig te worden. Ten laatste echter stond mijn besluit vast, en ik had mij voorgenomen, zoodra ik haar alleen kon spreken, de oprechtheid te bewijzen der hulde, die ik haar voortdurend had toegebracht, en haar openlijk de liefde te verklaren, die ik zoo duidelijken opzettelijk reeds had aan den dag gelegd. Doch in het tijdsverloop van enkele uren, die nog moesten verstrijken, eer ik gelegenheid kon vinden haar onder vier oogen te spreken,—gebeurde iets... iets ongelukkigs, dat mijn plannen verijdelde, en mij tevens alle rust ontnam. Er werd iets ontdekt...” (hier aarzelde hij, en sloeg de oogen neer). “Mevrouw Smith had op de eene of andere wijze vernomen, ik denk door een verren bloedverwant, wiens belang medebracht, mij van haar gunst te berooven, van eene zaak, eene verbintenis... doch ik behoef mij niet nader te verklaren,” voegde hij erbij, met verhoogde kleur en haar aanziende met een vragenden blik, “uwe bijzondere vertrouwelijkheid met... u zult waarschijnlijk de geheele geschiedenis reeds hebben vernomen.”
“Dat heb ik,” antwoordde Elinor, eveneens blozend, en opnieuw haar hart verhardend tegen eenige opwelling van medelijden met hem. “Ik weet dat alles. En hoe u ook maar een zweem van uw schuld in die treurige zaak zult kunnen wegredeneeren, gaat mijn bevatting te boven.”
“Bedenk,” riep Willoughby, “van wien u het verhaal hebt gehoord. Kon het onpartijdig zijn? Ik erken, dat ik haar omstandigheden en haar jeugd had moeten ontzien. Ik wil mij niet van schuld vrijpleiten, doch evenmin kan ik u in de meening laten verkeeren, dat ik niets te mijner verdediging heb aan te voeren; dat zij onberispelijk was, omdat haar onrecht werd aangedaan, of dat, wijl ik losbandig was, zij een heilige moest zijn. Als de onstuimigheid van haar hartstocht, de zwakheid van haar geestvermogens... maar verdedigen wil ik mij niet. Haar liefde voor mij had beter verdiend, en dikwijls herinner ik mij, met diep zelfverwijt, de teederheid, die voor zeer korten tijd vermocht een dergelijk gevoel in mij te wekken. Ik wenschte van ganscher harte dat dit nooit was geschied. Maar ik heb anderen dan haar kwaad gedaan; en ééne hebik kwaad gedaan, wier liefde voor mij (mag ik het zeggen?) niet minder innig was dan de hare, en die naar den geest... o, hoe oneindig veel hooger stond dan zij!”
“Maar uwe onverschilligheid voor dat ongelukkige meisje,—ik moet het zeggen, hoezeer mij het bespreken van zulk een onderwerp ook tegen de borst stuit—uwe onverschilligheid maakt uwe hartelooze veronachtzaming niet goed. U moogt niet denken, dat eenige zwakheid, eenig natuurlijk gebrek aan begrip van haar kant eene verontschuldiging zou kunnen zijn voor de lichtzinnige wreedheid, door u zoo duidelijk aan den dag gelegd. U moet hebben geweten, dat zij, terwijl u in Devonshire reeds weer nieuwe genoegens vondt, nieuwe plannen maaktet, altoos vroolijk, altoos welgemoed, intusschen bitter gebrek leed.”
“Ik verzeker u, ik wist datniet,” antwoordde hij met nadruk; “ik herinnerde mij niet, dat ik verzuimd had, haar mijn adres op te geven; en als zij haar verstand gebruikt had, zou ze ’t licht hebben kunnen uitvinden.”
“Maar gaat u voort: wat zeide dan nu Mevrouw Smith?”
“Zij kwam dadelijk met hare beschuldiging voor den dag; en dat ik beschaamd was, behoef ik niet te zeggen. Haar strenge zedelijkheid, haar vormelijke begrippen, haar gebrek aan wereldkennis,—alles had ik tegen mij. Het feit zelf kon ik niet ontkennen, en elke poging het te verzachten, was vergeefsch. Zij was toch al reeds geneigd, geloof ik, mijn zedelijk gedrag over ’t geheel te wantrouwen, en daarbij was zij ontevreden, omdat ik, bij dit bezoek, al zeer weinig aandacht, en zeer weinig tijd aan háár had geschonken. Het kwam dan ook tusschen ons tot een volslagen breuk. Op ééne wijze slechts had ik mij kunnen redden. Bij haar nauwgezette opvattingen van zedelijkheid bood de goede vrouw aan, het verleden te vergeven, als ikmet Eliza wilde trouwen. Dat ging niet—en zij ontzei mij van nu af hare gunst en hare gastvrijheid. Op den avond na dit gesprek,—ik zou den volgenden morgen vertrekken,—overwoog ik mijn toekomstig gedrag. De strijd was zwaar,—doch te spoedig gestreden. Mijn liefde voor Marianne, mijn stellige verzekerdheid van haar gehechtheid aan mij,—al die gevoelens waren niet bij machte, op te wegen tegen de vrees voor armoede of de verkeerde denkbeelden te overwinnen omtrent de onmisbaarheid van rijkdom, die ik van nature geneigd was, te koesteren, en die mijn omgang met verkwistende vrienden had versterkt. Ik wist, dat ik op de toestemming mijner tegenwoordige vrouw kon rekenen, wanneer ik haar ten huwelijk vroeg, en ik maakte mijzelf wijs, dat mij, uit voorzichtigheid, niet anders overbleef. Nog een zware taak wachtte mij, eer ik Devonshire kon verlaten; ik had beloofd, dien dag bij u te zullen dineeren; er was dus eenige verontschuldiging noodig voor het verbreken dier belofte. Of ik deze schriftelijk zou afleggen, of persoonlijk zou komen brengen, was een punt, waarover ik het langen tijd niet met mijzelf kon eens worden. Marianne weer te zien, zou ontzettend zijn, en ik twijfelde zelfs, of ik, als ik haar zag, bij mijn besluit kon volharden. Op dat punt echter onderschatte ik mijn krachten, zooals uit het gebeurde is gebleken; want ik ging; ik zag haar; zag hoe zij leed, en verliet haar in haar lijden;—verliet haar, hopende haar nooit weer te zien.”
“Waarom bracht u dat bezoek, Mijnheer Willoughby?” zeide Elinor verwijtend; “een brief zou volkomen afdoende zijn geweest. Waarom was het noodig, zelf te gaan?”
“Mijn trots gedoogde niet anders. Ik verkoos niet, heen te gaan op een wijze, die u, of de andere kennissen in de omtrek, zou kunnen doen gissen, wat tusschen mij en Mevrouw Smith was voorgevallen, en daarom besloot ik, op weg naar Honiton,bij uw huis stil te houden. Vreeselijk was het voor mij, uwe lieve zuster te zien, en wat de zaak nog moeilijker maakte, ik trof haar alleen. U waart allen uitgegaan, waarheen weet ik niet. Den avond te voren had ik haar verlaten, zoo stellig, zoo vast besloten in mijn hart, te doen wat goed was! Binnen weinige uren zou zij voor altoos aan mij verbonden zijn geweest; en ik weet nog, hoe gelukkig, hoe verheugd ik mij gevoelde, toen ik van uw huisje naar Allenham wandelde, tevreden over mijzelf, jegens ieder welgezind! Doch bij dat laatste vriendschappelijke onderhoud naderde ik haar met een schuldgevoel, dat mij het vermogen tot veinzen bijna benam. Haar smart, haar teleurstelling, haar diepe verslagenheid, toen ik haar zeide, dat ik zoo plotseling uit Devonshire moest vertrekken,—ik vergeet het nooit; en daarbij haar volkomen geloof, haar vertrouwen in mij! O God, wat een hardvochtige schurk was ik toen!”
Beiden zwegen een poos. Elinor sprak het eerst.
“Zei u toen, dat u spoedig zoudt terugkeeren?”
“Ik weet niet, wat ik haar zeide,” antwoordde hij ongeduldig; “minder, in elk geval, dan het verleden haar recht gaf, te verwachten, en waarschijnlijk veel meer dan de toekomst in vervulling bracht. Ik kan er niet aan denken,—ik wil dat niet. Daarna kwam uwe goede moeder, om mij nog verder te pijnigen met haar vriendelijkheid en haar vertrouwen. Dat hééft mij gepijnigd, Goddank. Ik voelde mij ellendig. Juffrouw Dashwood, u kunt u niet voorstellen, hoe het mij goed doet, te denken aan wat ik geleden heb. Zoo bitter verwijt ik mij mijn eigen domme, schurkachtige dwaasheid, dat al het verdriet, dat ik mij er vroeger door heb berokkend, mij nu een bron van trots en blijdschap is. Nu dan, ik ging; ik verliet allen, die ik liefhad, en ging naar hen, wien ik, op zijn best, onverschillig was. Mijn reis naar de stad,—met mijn eigen paarden, en dus zoo langzaam,—geen sterveling om meer te spreken,—mijn eigen gedachten zoo vroolijk,—mijne vooruitzichten zoo uitlokkend!—den terugblik naar Barton zoo bevredigend!—o, het was een onvergetelijke tocht.”
Hij zweeg.
“En is dat alles?” zeide Elinor, die ofschoon zij medelijden met hem had, verlangde, dat hij zou vertrekken.
“Alles? neen!—hebt u vergeten wat er in Londen voorviel? Die schandelijke brief! Heeft zij hem u laten lezen?”—
“Ja; ik las alle brieven, die werden gewisseld.”
“Toen ik haar eerste briefje ontving (dadelijk, want ik was al dien tijd in de stad) was mijn gevoel zooals men dat gewoonlijk uitdrukt, niet onder woorden te brengen; eenvoudiger gezegd,—misschien te eenvoudig om ontroering te wekken,—ik was pijnlijk, zéér pijnlijk getroffen. Elke regel, ieder woord was—om de afgezaagde vergelijking te bezigen, die de lieve schrijfster, zoo zij hier ware, zou verbieden,—een dolksteek in mijn hart. Het bericht, dat Marianne in de stad was, trof mij, in die zelfde taal uitgedrukt, als een donderslag. Donderslagen en dolksteken!—hoe zou ze mij de les hebben gelezen!—haar smaak, haar oordeel,—ik geloof dat ze mij beter bekend zijn dan mijn eigen meeningen, en zéér zeker zijn ze mij liever.”
Elinor’s gemoed, waarin vele wisselingen hadden plaats gegrepen in den loop van dit zonderlinge gesprek, was thans weer verzacht; maar toch achtte zij het haar plicht, dergelijke denkbeelden in hem te bestrijden.
“Dit is niet goed, mijnheer Willoughby. Bedenk, dat u getrouwd bent. Vertel mij alleen, wat u in ernst noodig acht, dat ik zal vernemen.”
“Toen Marianne’s briefje mij de zekerheid schonk, dat ik haar nog even dierbaar was als vroeger, dat zij ondanks de vele, vele weken, sedertonze scheiding verloopen, nog even trouw was aan haar eigen gevoelens en nog even vertrouwend op de standvastigheid van de mijne, ontwaakte in mij het berouw. Ik zeg: ontwaakte; want de tijd en Londen, bezigheid en ijdel vermaak hadden het, in zekeren zin, doen insluimeren, en ik was langzamerhand een waarlijk verharde booswicht geworden, mij verbeeldend, dat ik haar onverschillig was, en mij inpratend, dat ik ook voor haar niets meer gevoelde; ik beschouwde inwendig onze vroegere genegenheid als een voorbijgaand, vluchtig minnarijtje, haalde de schouders erover op, om mij zelf dat diets te maken, en bracht elk verwijt tot zwijgen, verwon elk gewetensbezwaar, door in stilte nu en dan te zeggen: “Ik zal blij zijn, wanneer ik hoor, dat ze een goed huwelijk heeft gedaan.”—Doch dat briefje leerde mij mijzelf beter kennen. Ik gevoelde, dat ik haar oneindig liever had dan eenige vrouw ter wereld, en dat ik haar schandelijk behandelde. Doch juist toen was tusschen Juffrouw Grey en mij alles beslist. Terugtrekken was onmogelijk. Al wat mij stond te doen, was, u beiden te vermijden. Ik antwoordde Marianne niet, om geene verdere mededeeling van haar uit te lokken; en een tijdlang was ik zelfs niet voornemens, een bezoek te brengen in Berkeley Street; maar daar ik het tenslotte verstandiger vond, de houding aan te nemen van een onverschilligen, gewonen bekende, wachtte ik op zekeren morgen tot ik u allen had zien uitgaan, en gaf daarna mijn kaartje af.”—
“Zaagt u ons uitgaan?”
“Ja zeker. U zoudt verwonderd zijn, als u wist, hoe dikwijls ik u bespiedde, hoe licht ik u had kunnen ontmoeten. Ik ben menigmaal een winkel binnengegaan, om niet door u te worden gezien, als uw rijtuig voorbijreed. Er ging bijna geen dag voorbij, waarop ik niet uit mijn kamer in Bond Street een van u allen in ’t voorbijgaan zag, en niets dan voortdurende waakzaamheid van mijnezijde, de onveranderlijke wensch om mij niet aan u te vertoonen had ons zoolang gescheiden kunnen houden. Ik vermeed de Middletons zooveel mogelijk, evenals alle anderen, die wellicht gemeenschappelijke bekenden hadden kunnen zijn. Daar ik niet wist, dat zij in de stad waren, ontmoette ikhenbij Sir John, den eersten dag nadat ze waren aangekomen, geloof ik, en den volgenden dag bracht ik dat bezoek bij Mevrouw Jennings. Hij vroeg mij op een partij, een danspartij bij hem aan huis dien avond. Al had hij mijnietverteld, om mij over te halen, dat u en uwe zuster er ook zouden zijn, dan zou ik daarop toch te stellig hebben gerekend, om mijzelf in zijne buurt te wagen. Den volgenden morgen kreeg ik weer een briefje van Marianne,—nog steeds hartelijk, open, eenvoudig, vertrouwend, —al watmijngedrag verfoeilijk kon doen schijnen. Ik kon er niet op antwoorden. Ik beproefde het, maar kon geen woorden vinden. Doch ik dacht aan haar, geloof ik, op elk uur van den dag. Wanneerumij kunt beklagen, JuffrouwDashwood, beklaag dan den toestand, waarin ik mijtoenbevond. Terwijl mijn hoofd en hart vol waren van uwe zuster, moest ik tegenover eene andere vrouw de rol van den gelukkigen minnaar spelen! Die drie of vier weken waren het ergst van alles. En ten laatste, ik behoef het u niet te zeggen,moestik u ontmoeten; en hoe fraai was mijn houding!—Wàt een avond was dat! Marianne aan den eenen kant, even schoon als altoos, mij bij mijn naam noemend op zùlk een toon!—o God, haar hand naar mij uitstekend, mij een verklaring vragend van mijn gedrag, terwijl die betooverende oogen met zoo sprekende bezorgheid op mijn gelaat gevestigd waren!—en Sophia, razend van jaloezie, aan den anderen, met een gezicht als... Laat ik daarvan zwijgen; het is nu voorbij. Zulk een avond! Zoodra ik kon, vluchtte ik heen van u allen, doch niet eer ik Marianne’s lief gezicht doodsbleek had zienworden. Dàt was de laatste, laatste blik dien ik van haar opving,—de laatste dien ik op haar wierp. Ontzettende aanblik! Toch, toen ik mij haar vandaag als stervende voorstelde, was het in zekeren zin een troost voor mij, te denken, dat ik wist, hoe zij zich zou vertoonen aan hen, die haar voor het laatst aanschouwden in deze wereld. Ik zag haar voor mij, aanhoudend vóór mij, op weg hierheen met dien zelfden blik, diezelfde lijkkleur.”
Er volgde een korte stilte, waarin beiden nadachten. Willoughby, het eerst uit zijn overpeinzingen opschrikkend, verbrak het zwijgen, door te zeggen:
“Laat ik nu gaan. Uwe zuster is dus werkelijk beter, werkelijk buiten gevaar.”
“Dat is ons stellig verzekerd.”
“En uwe arme moeder!—die zoo dweepte met Marianne!”
“Maar die brief, mijnheer Willoughby, uw eigen brief; hebt u daarover niets te zeggen?”
“Ja, ja; veel zelfs. U weet, uw zuster schreef mij nog eenmaal, den volgenden morgen. Wat zij zeide, hebt u gezien. Ik ontbeet bij de Ellison’s, en haar brief werd mij daar, met andere, overhandigd. Toevallig viel Sophia’s oog erop, eer ik hem zag, en het formaat, de fraaiheid van het papier, het handschrift, alles wekte onmiddellijk haar achterdocht. Er was haar reeds iets ter oore gekomen van mijne genegenheid voor eene jonge dame in Devonshire, en wat den vorigen avond onder haar oogen was voorgevallen, had haar doen zien, wie die jonge dame was, en haar jaloezie nog verergerd. Met een voorgewende luchtige speelschheid, zoo aantrekkelijk in eene vrouw, die men waarlijk liefheeft, opende zij den brief zelf, en las den inhoud. Zij kreeg voor die onbescheidenheid haar verdiende loon. Wat zij las, deed haar verdriet. Haar verdriet had ik gemakkelijk kunnen verdragen; maar haar drift, haar woede... in elk geval moest ik ze doen bedaren. En wat zegt u nu wel van mijn vrouw’s stijl,—wasde brief niet kiesch, teeder, met vrouwelijk fijn gevoel geschreven?”
“Uw vrouw?—De brief was van uw eigen hand.”
“Ja; maar mij kwam alleen de verdienste toe, die zinnen, die ik mij schaamde, te onderteekenen, slaafsch te hebben nageschreven. Het origineel was haar eigen vinding; haar eigen beminnelijke gedachten, zoo lieftallig onder woorden gebracht. Maar wat kon ik doen?—wij waren verloofd: alles werd in gereedheid gebracht; de dag was bijna bepaald; —doch neen, ik spreek onzin. Gereedheid!—dag bepalen! In ronde woorden gezegd, ik had haar geld noodig, en in omstandigheden als de mijne zou ik alles hebben gedaan om een breuk te voorkomen. En wat deed het er trouwens toe, in welke bewoordingen mijn antwoord was ingekleed? Het zou het oordeel van Marianne en hare vrienden omtrent mijn karakter niet veranderen. Dat zou toch altijd hetzelfde zijn. Ik moest openlijk erkennen, dat ik een schurk was, en of ik dat nu deed met mooie praatjes of zonder omwegen, maakte weinig verschil. “Zij zullen tòch nooit weer goed over mij denken,” zeide ik tot mijzelf; “hun omgang is mij voor altoos ontzegd; nu reeds houden ze mij voor een gewetenloozen kerel, en na dien brief zullen ze mij bovendien als een lompen vlegel beschouwen.” Zóó redeneerde ik, terwijl ik, met een soort roekelooze onverschilligheid, de woorden van mijn vrouw naschreef, en de laatste herinneringen aan Marianne prijsgaf. Haar drie briefjes,—ik had ze alle drie in mijn portefeuille, helaas! anders zou ik ontkend hebben, dat ze bestonden, en ze voor altoos hebben bewaard; ik werd gedwongen ze af te geven zonder er zelfs een kus op te drukken. En de haarlok, die ik altoos bij mij droeg, in die zelfde portefeuille, door mijn vrouw in haar kwaadaardige drift nauwkeurig doorzocht,—de dierbare haarlok,—alles,—ieder aandenken werd mij met geweld ontnomen.”
“Dit is slecht, Mijnheer Willoughby; dit is zeer verkeerd van u,” zeide Elinor, terwijl hare stem, haars ondanks, ontroering en medelijden verried, “zóó moogt u niet spreken, noch van Mevrouw Willoughby, noch van mijne zuster. U hebt uwe eigen keuze gevolgd. Zij werd u niet opgedrongen. Uwe vrouw heeft recht op uwe beleefdheid, op uwe achting dan toch. Zij moet iets voor u gevoelen; anders had zij u niet getrouwd. Door haar onvriendelijk te behandelen, of met minachting over haar te spreken, maakt u tegenover Marianne niets goed; en evenmin kan het, dunkt mij, uw eigen geweten verlichten.”
“Spreek mij niet van mijne vrouw,” zei hij met een zwaren zucht. “Zij verdient uw meelijden niet. Zij wist, dat ik haar niet liefhad, toen wij huwden. En zoo zijn wij dan getrouwd, en gingen naar Combe Magna om gelukkig te zijn, en keerden terug naar de stad om ons te vermaken.—En hebt u nu medelijden met mij, Juffrouw Dashwood? Of is al wat ik u zeide te vergeefs gezegd? Ben ik—al is het ook maar een zweem—minder schuldig in uwe oogen dan te voren? Niet altijd waren mijn bedoelingen slecht. Heb ik door deze verklaring mijn schuld althans gedeeltelijk doen verminderen?”
“Ja; u hebt die wel degelijk verlicht—een weinig, ten minste. U hebt getoond, dat u, over ’t geheel, minder slecht waart, dan ik mij u voorstelde. U hebt getoond, dat uw hart minder, veel minder verdorven was. Maar toch,—als ik denk aan het verdriet, dat door u is veroorzaakt,—ik weet bijna niet, wat nòg erger had kunnen zijn.”
“Wilt u nog eens herhalen voor uwe zuster, als zij hersteld is, wat ik u heb gezegd? Laat ook zij een weinig beter over mij denken, zoowel als u. U zegt, dat zij mij reeds vergeven heeft. Laat mij althans mij mogen verbeelden, dat een beter inzicht in mijn gemoedsgesteldheid en mijn tegenwoordige gevoelens haar eene meer vrijwillige,meer natuurlijke, meer zachtaardige, minder hooghartige vergiffenis zal ontlokken. Spreek haar van mijn ellende en mijn berouw; zeg haar dat mijn hart haar nimmer ontrouw was, en zeg zoo u dat wilt, dat zij op dit oogenblik mij dierbaarder is dan ooit.”
“Ik zal haar alles zeggen, wat noodig is, om u, als men het zoo noemen mag, te rechtvaardigen. Maar u hebt mij nog niet verklaard, waarom u juist nu kwaamt, en hoe u hebt vernomen, dat zij ziek was.”
“Gisteravond, in den foyer van Drury Lane, stond ik plotseling voor Sir John Middleton, en toen hij zag, dat ik het was, sprak hij mij aan, voor de eerste maal in deze twee maanden. Dat hij mij sedert mijn huwelijk den rug toekeerde, had mij niet in het minst verwonderd, noch geërgerd. Nu echter kon de goedige, eerlijke, domme man, diep verontwaardigd jegens mij, en vol medelijden met uwe zuster, de verzoeking niet weerstaan, mij mede te deelen, wat hij wist dat mij diep hadmoetentreffen, al zal hij wel niet gedacht hebben, dat het dit waarlijk deed. Hij zei dus, zoo kortaf als hem mogelijk was, dat Marianne Dashwood op sterven lag te Cleveland,—dien morgen hadden zij uit een brief van Mevrouw Jennings gehoord van het dreigend gevaar, waarin zij verkeerde,—de Palmers waren uit vrees voor besmetting vertrokken, en zoo voort. Ik was te zeer getroffen, om den schijn aan te nemen van ongevoeligheid, zelfs tegenover den weinig scherpzienden Sir John. Zijn hart werd verzacht bij het zien van mijn lijden; en zijn afkeer van mij was bij het afscheid zoo verminderd, dat hij mij bijna hartelijk de hand schudde, en mij herinnerde aan een vroeger gedane belofte omtrent een jongen jachthond. Wat ik gevoelde, toen ik hoorde dat uwe zuster stervende was, stervend met de gedachte, dat ik de moedwilligste booswicht ter wereld was geweest, mij verachtend en hatend in haar laatste oogenblikken,—wantwelke afschuwelijke bedoelingen kon men mij niet hebben toegeschreven? Ik wist dat één persoon mij zou afschilderen als tot alles in staat. Het was ontzettend! Spoedig stond mijn besluit vast, en om acht uur van morgen stapte ik in mijn rijtuig. Nu weet u alles.”—
Elinor gaf geen antwoord. Terwijl zij zweeg, verwijlden hare gedachten bij de onherstelbare schade, die een te vroeg verkregen onafhankelijkheid, en de daarmede gepaard gaande gewoonten van lediggang, verkwisting en losbandigheid, had berokkend aan den geest, het karakter, het geluk van een man, die reeds zoozeer bevoorrecht door zijn persoonlijkheid en zijn vele gaven, een van nature open en eerlijken aard, en een gevoelig, voor liefde vatbaar gemoed bezat. De wereld had hem verkwistend en ijdel doen worden; verkwisting en ijdelheid maakten hem harteloos en zelfzuchtig. De ijdelheid, die ten koste van een ander haar eigen schuldige triomfen najoeg, had geleid tot eene oprechte genegenheid, welke door verkwisting, of althans de daaruit voortvloeiende vrees voor armoede had moeten worden opgeofferd. Elke schuldige neiging had, hem drijvend tot het kwade, hem eveneens gedreven naar zijne straf. De genegenheid, waaraan hij zich schijnbaar had ontrukt, in tegenspraak met zijn eer, zijn gevoel, zijn eigen hoogere belangen, beheerschte thans, nu zij niet langer geoorloofd was, al zijn gedachten; en de verbintenis, ter wille waarvan hij zoo roekeloos haar zuster in het ongeluk had gestort, beloofde voor hemzelf een bron te worden van nimmer te verzachten ellende. Uit deze en dergelijke gepeinzen werd zij na enkele minuten gewekt door Willoughby, die, zich oprichtend uit een niet minder droevige mijmering, aanstalten maakte om te vertrekken, terwijl hij zeide: “Wat geeft het, of ik hier al langer blijf; ik moet gaan.”
“Gaat u terug naar de stad?”
“Neen; naar Combe Magna. Ik heb daar ’t een en ander te doen; over een paar dagen ga ik weer naar Londen. Adieu.”
Hij stak haar de hand toe. Zij kon niet weigeren hem de hare te reiken, die hij hartelijk drukte.
“En dus denkt u nu werkelijk beter over mij?” zei hij, terwijl hij haar hand losliet, en tegen den schoorsteen mantel leunde, alsof hij vergat, dat hij had willen gaan. Elinor verzekerde hem, dat dit zoo was; dat zij hem vergaf, beklaagde, het beste wenschte,—gaarne zou zien dat hij gelukkig werd,—en zij voegde er eenige zachtzinnige raadgevingen aan toe omtrent de gedragswijze, die het best dat geluk zou bevorderen. Zijn antwoord was niet zeer bemoedigend.
“Wat dat betreft,” zei hij, “ik moet maar zien, hoe ik mij door de wereld sla. Van huiselijk geluk is geen sprake. Zoo ik echter mag gelooven, dat u en de uwen belang stellen in mijn lot en mijne handelingen, dan zou dat een middel kunnen zijn... het zou mij nopen tot voorzichtigheid... het zou althans iets zijn om voor te leven. Marianne is in elk geval voor goed voor mij verloren. Zelfs al gaf mij eenig gelukkig toeval de vrijheid terug...”
Elinor legde hem met een blik vol verwijt het zwijgen op.
“Nu dan,” zeide hij; “nogmaals adieu. Ik ga heen, en zal van nu af aan slechts één ding met angst verwachten.”
“Wat bedoelt u?”
“Uw zuster’s huwelijk.”
“Dat is niet goed. Zij kan nooit méér voor u verloren zijn, dan zij thans is.”
“Maar een ander zal haar winnen. En als die ander de man zou zijn, dien ik het allerminst zou kunnen verdragen... Maar ik wil mij zelf niet berooven van uwe medelijdende welgezindheid, door te toonen, dat ik hèm het minst kan vergeven, dien ik het diepst beleedigd heb.—Vaarwel, het ga u goed!”En met die woorden liep hij haastig de kamer uit.
Hoofdstuk XLVNog eenigen tijd nadat hij haar had verlaten, nadat het geluid van zijn rijtuig was weggestorven zelfs, bleef Elinor te zeer onder den indruk van vele gedachten, op zichzelve van zeer uiteenloopenden aard, doch alle leidend tot droefheid als eenige uitkomst, om zelfs aan haar zuster te denken.Willoughby,—de man dien zij nog slechts een half uur geleden had verfoeid als een nietswaardige,—Willoughby wekte, ondanks al zijn gebreken, een zoo innig medelijden met de smart, door die gebreken veroorzaakt, dat de gedachte, hem voor altoos uitgesloten te weten buiten hunnen kring, haar vervulde met een teederheid en een weemoed, veel meer in overeenstemming (zooals zij spoedig voor zichzelve erkende) met zijn verlangen, dan met zijn verdiensten. Zij gevoelde dat zijn invloed op haar denkwijze versterkt was door omstandigheden, die redelijkerwijze geen gewicht in de schaal moesten leggen; door de ongewone aantrekkelijkheid van zijn persoon; door zijn openhartige, bezielde, levendige wijze van zich te uiten, die op zichzelf toch niets verdienstelijks insloot, en door die nog steeds zoo vurige liefde voor Marianne, waaraan hij zelfs niet mocht toegeven zonder schuld op zich te laden.—Zij gevoelde dat dit zoo was, lang, lang eer zijn invloed op haar was verflauwd.Toen zij eindelijk terugkeerde naar de van niets bewuste Marianne, werd haar zuster juist wakker, verkwikt, zooals zij gehoopt had, door dien langen en rustigen slaap.—Elinor’s hart was vol. Hetverleden, het tegenwoordige, de toekomst,—Willoughby’s bezoek, Marianne’s redding, en haar moeder’s verwachte komst,—alles tezamen maakte haar te rusteloos en gejaagd om een spoor van vermoeidheid te gevoelen, en zij was alleen maar bang, dat zij zich tegenover Marianne zou verraden.—Er werd haar echter weinig tijd gelaten voor het koesteren van die vrees; want nog geen half uur na Willoughby’s vertrek deed het geluid van een ander rijtuig haar opnieuw naar beneden snellen. Vol verlangen om hare moeder elk onnoodig oogenblik van folterende onzekerheid te besparen, liep zij haastig naar de vestibule, en was juist bij tijds aan de voordeur, om haar moeder te ontvangen en te steunen, toen zij binnentrad.Mevrouw Dashwood, wier angst, toen zij het huis naderden, haar bijna overtuigd deed zijn, dat Marianne niet meer in leven was, kon geen woord uitbrengen om naar haar te vragen; kon zelfs Elinor niet begroeten, die echter zonder te wachten op groet of vraag, haar onmiddellijk de zaligste verlichting schonk;—en haar moeder, die deze met de haar eigen geestdrift ontving, was in een oogwenk evenzeer overstelpt door haar vreugde, als zij het te voren was geweest door hare vrees. Zij werd, ondersteund door haar dochter en haren vriend, naar den salon gebracht, waar zij onder tranen van blijdschap, nog steeds niet bij machte te spreken, Elinor meermalen omhelsde, zich nu en dan van haar afwendend om Kolonel Brandon de hand te drukken, met een blik, die zoowel haar dank uitdrukte, als hare overtuiging, dat hij ten volle deelde in de blijdschap van het oogenblik. Dat deed hij, doch onder een stilzwijgen, nog dieper dan het hare.Zoodra Mevrouw Dashwood zich hersteld had, was haar eerste verlangen, Marianne te zien; en enkele minuten later was zij bij haar geliefd kind, haar dierbaarder geworden dan ooit na lange scheiding, ongeluk en gevaar. Elinor’s blijdschap bij hetzien van wat beiden bij die ontmoeting gevoelden, werd alleen verminderd door de vrees, dat Marianne nu niet meer zou kunnen slapen; doch Mevrouw Dashwood kon kalm, kon zelfs voorzichtig zijn, waar het behoud van haar kind op het spel stond; en Marianne, tevreden in het besef van haar moeder’s nabijheid, en wel wetende, dat zij te zwak was om te spreken, onderwierp zich gaarne aan den eisch van stilte en rust, waarop al hare verpleegsters aandrongen. Mevrouw Dashwood wilde volstrekt dien nacht bij haar blijven waken, en Elinor begaf zich, op haar moeder’s dringenden wensch, ter rust. Maar die rust, welke één volkomen slapelooze nacht en vele uren van uitputtenden angst toch zoo noodig deden schijnen, bleef uit door den geprikkelden toestand harer zenuwen. Willoughby, “die arme Willoughby,” zooals zij hem nu wel wilde noemen, was voortdurend in hare gedachten; voor niets ter wereld had zij zijn poging om zich te rechtvaardigen willen missen, en nu eens verweet zij zich, om zich daarna weer vrij te pleiten, dat zijhemte voren zoo hard had beoordeeld. Doch haar belofte om het aan hare zuster mede te deelen, bleef steeds pijnlijk. Zij zag er tegenop, die te vervullen; vreesde voor de uitwerking ervan op Marianne, twijfelde, of zij, na die verklaring, ooit met een ander gelukkig zou kunnen zijn; en wenschte een oogenblik, dat Willoughby weduwnaar mocht worden; toen zij echter weer aan Kolonel Brandon dacht, berispte zij zichzelve, gevoelde dat vanzijnlijden enzijnetrouw haar zuster de belooning moest zijn, veeleer dan voor die van zijn medeminnaar, en verlangde in het minst niet meer naar den dood van Mevrouw Willoughby.De schrik over Kolonel Brandon’s komst te Barton was voor Mevrouw Dashwood verzacht door haar eigen reeds lang gekoesterde bezorgdheid; want zij was zoo ongerust over Marianne, dat zij reeds besloten had, dien zelfden dag naar Clevelandte vertrekken, zonder nader bericht af te wachten; en zij had haar reis reeds zoover voorbereid, eer hij kwam, dat zij juist op dat oogenblik de Carey’s verwachtte, die Margaret zouden komen afhalen, daar hare moeder haar niet aan eene mogelijke besmetting wilde blootstellen.Marianne’s beterschap nam met den dag toe, en Mevrouw Dashwood bewees door haar van blijdschap stralenden blik en haar onveranderlijke opgewektheid, dat zij zich, zooals zij herhaaldelijk verklaarde, de gelukkigste vrouw ter wereld achtte. Elinor kon die bewering niet aanhooren, noch de duidelijke bewijzen ervan aanschouwen, zonder zich nu en dan af te vragen, of haar moeder wel ooit aan Edward dacht. Maar Mevrouw Dashwood, vertrouwend op de kalme gematigdheid, waarmede Elinor had geschreven over haar eigen teleurstelling, kon in de overmaat harer vreugde slechts denken aan ’t geen hare blijdschap verhoogen zou.Marianne was haar teruggegeven, na een gevaar, waaraan, zooals zij thans begon in te zien, zij zelve had geholpen haar bloot te stellen, toen zij haar uit gebrek aan inzicht, aanmoedigde in haar noodlottige genegenheid voor Willoughby; en thans vond zij in haar herstel nog eene andere reden tot vreugde, waaraan Elinor niet had gedacht. Deze werd haar medegedeeld, zoodra zij gelegenheid vonden tot een vertrouwelijk onderhoud.“Eindelijk zijn we dan alleen,” zeide hare moeder. “Mijn lieve Elinor; je weet nog niet, hoe gelukkig ik ben. Kolonel Brandon heeft Marianne lief; hij heeft het mij zelf gezegd.”Haar dochter, die zich beurtelings blijde en bedroefd, verrast en niet verrast gevoelde, was een en al zwijgende aandacht.“Als ik niet wist, Elinor, dat je altijd anders bent dan ik, dan zou ik mij verbazen over je kalmte bij dit bericht. Als ik mijn gezin een groot geluk had mogen toewenschen, dan zou ik het allerliefsthebben gezien, dat Kolonel Brandon met een van jelui tweeën trouwde. En ik geloof dat Marianne nog het gelukkigst met hem zal zijn.”Elinor had wel lust te vragen waarom; daar zij begreep dat de reden niet gegrond kon zijn op eenige onpartijdige beschouwing van hun leeftijd, karakter, of gevoelens;—doch haar moeder liet zich bij al wat haar ter harte ging, door haar verbeelding meesleepen, en dus glimlachte zij slechts, en liet de vraag achterwege.“Gisteren onder de reis heeft hij zijn geheele hart voor mij uitgestort. Het kwam onverwacht, geheel zonder opzet. Ik kon, zooals je wel kunt nagaan, over niets spreken dan mijn kind;—hij kon zijn smart niet verbergen; ik zag dat die de mijne evenaarde, en hij, mogelijk denkend, dat louter vriendschap, in onzen nuchteren tijd, die innige sympathie niet kon rechtvaardigen,—of liever in het geheel niet denkend misschien,—toegevend aan den onweerstaanbaren drang van zijn gevoel, openbaarde mij zijne ernstige, teedere, trouwe genegenheid voor Marianne. Hij heeft haar liefgehad, Elinor, van het eerste oogenblik, dat hij haar zag.”Elinor begreep wel, dat zij noch Kolonel Brandon’s woorden, noch zijne ware uitingen te hooren kreeg, doch de natuurlijke verfraaiing ervan door haar moeder’s levendige verbeelding, die alles naar believen inrichtte zooals dat haarzelve het aangenaamst was.“Zijn liefde voor haar, zoo oneindig hooger staande dan iets, dat Willoughby ooit gevoelde, of veinsde te gevoelen, daar zij veel inniger was, veel oprechter, of standvastiger—hoe zullen wij het noemen?—bleef onveranderd, terwijl hij wist van de ongelukkige genegenheid onzer lieve Marianne voor dien slechten man, en geheel onzelfzuchtig, zonder de minste hoop te koesteren, had hij haar met een ander gelukkig kunnen zien! Zulk eenedel karakter! Zoo openhartig; zoo oprecht!—in hèm kan men zich niet vergissen.”“Dat Kolonel Brandon een buitengewoon goed mensch is,” zei Elinor, “wordt door ieder erkend.”“Dat weet ik,” gaf haar moeder ernstig ten antwoord, “anders zouikde laatste zijn, om na zulk een waarschuwing, een dergelijke genegenheid aan te moedigen, of mij daarover te verheugen. Maar dat hij mij kwam afhalen, zooals hij deed, met die gereede, bereidwillige vriendschap, bewijst al genoeg, dat hij een van de beste menschen ter wereld is.”“De roep, die uitgaat van zijn goedheid,” antwoordde Elinor, “berust niet op ééne enkele vriendelijke daad, waartoe, ook zonder eenige algemeen menschelijke beweegreden, zijn liefde voor Marianne hem zou hebben aangedreven. Mevrouw Jennings en de Middletons hebben hem lang en van nabij gekend; zij dragen hem liefde zoowel als achting toe; ook ik, hoewel ik hem eerst voor kort leerde kennen, weet veel van wat hem aangaat; enikwaardeer en acht hem zóó hoog, dat ik, wanneer Marianne met hem gelukkig kan zijn, even geneigd ben als u, deze verbintenis te beschouwen als het grootste geluk, dat ons kon ten deel vallen. Welk antwoord hebt u hem gegeven? Zeide u hem, dat hij hoop mocht koesteren?”“Och, mijn kind, ik kon toen noch hem, noch mijzelve vleien met hoop. Marianne kon op dat oogenblik wel stervende zijn. Maar hij vroeg ook niet om hoop of bemoediging. Het was eene onwillekeurige uiting van vertrouwen, een niet te weerhouden zielsuitstorting tegenover eene vriendin, wier bijzijn hem rust schonk,—geen vraag, gericht tot eene moeder. Toch zei ik wèl na eenigen tijd, want eerst was ik te zeer overweldigd door mijn aandoening, dat wanneer zij, zooals ik hoopte en vertrouwde, in leven bleef, het mijn grootste geluk zou zijn, hen gehuwd te zien, en sedert onze komsthier, sedert onze gelukkige zekerheid, heb ik hem dit nogmaals uitdrukkelijk herhaald, en hem naar mijn beste vermogen moed ingesproken. De tijd, een weinig tijds zelfs, zei ik hem, zal alles bewerken;—Marianne’s hart kan niet voor altoos en te vergeefs geschonken zijn aan een man als Willoughby. Zijn eigen verdienste zal het hem spoedig doen winnen.”“Te oordeelen naar de stemming van den Kolonel, bent u er niet in geslaagd, hem even hoopvolle verwachtingen te doen koesteren.”“Neen. Hij houdt Marianne’s genegenheid voor zoo diepgeworteld, dat zij eerst na zéér langen tijd zal kunnen veranderen, en zelfs al was haar hart volkomen vrij, dan is hij nog te bescheiden, om te gelooven, dat hij, bij zulk een verschil in leeftijd en geaardheid, ooit haar liefde zou kunnen winnen. Maar dáárin vergist hij zich. Dat verschil in leeftijd is juist groot genoeg, om in zijn voordeel te zijn; om zijn karakter en beginselen vastheid te hebben geschonken, en wat zijn geaardheid betreft, hij is juist de soort van man om je zuster gelukkig te maken; daar ben ik zeker van. Zijn voorkomen, zijn manieren, alles heeft hij vóór. Ik ben niet verblind door partijdigheid; zoo knap als Willoughby is hij niet; dat is waar; maar daarentegen heeft hij iets veel aantrekkelijkers. Er was altijd iets in Willoughby’s oogen nu en dan, dat mij niet aanstond; dat herinner je je wel.”Elinor herinnerde zich datniet; maar haar moeder ging voort, zonder haar antwoord af te wachten: “En zijn manieren, het geheele optreden van den Kolonel, vind ik niet alleen aangenamer dan dat van Willoughby; maar ik weet stellig, dat ook Marianne zich op den duur er meer toe aangetrokken zal gevoelen. Zijn zachtaardigheid, zijn echte beminnelijkheid jegens anderen, en zijn mannelijke, natuurlijke eenvoudigheid zijn veel meer in overeenstemming met haar waren aard, dan de dikwijlsgekunstelde levendigheid van Willoughby, die ook wel eens te onpas kwam. Ik voor mij geloof stellig al was Willoughby werkelijk zoo beminnelijk gebleken, als hij getoond heeft het tegendeel te zijn, dan zou Marianne nòg methemniet zoo gelukkig zijn geworden, als ze zijn zal met Kolonel Brandon.”Zij zweeg. Haar dochter was het niet geheel met haar eens; doch dat meeningsverschil werd niet geuit en kon dus geen aanstoot geven.“Te Delaford zal ik haar gemakkelijk kunnen bereiken”, voegde Mevrouw Dashwood erbij, “zelfs als ik te Barton blijf; en heel waarschijnlijk, (want ik hoor dat het een groot dorp is)—ja, natuurlijk,stelligis er wel een of ander klein huisje of landhuisje in de buurt, dat even geschikt voor ons zou zijn als Barton Cottage.”Arme Elinor! alweer een nieuw plan om haar naar Delaford te doen verhuizen! maar zij hield zich goed.“En dan zijn fortuin! op mijn leeftijd denkt iedereen dááraan toch ook, niet waar? en hoewel ik niet weet, en ook niet wensch te weten, hoeveel hij bezit, ik denk toch wel dat het aanzienlijk mag genoemd worden.”Hier werden zij gestoord door de komst van een derde, en Elinor ging heen, om alles in eenzaamheid te overdenken, haar vriend het beste te wenschen, en toch tegelijkertijd eene opwelling van medelijden te gevoelen met Willoughby.
Nog eenigen tijd nadat hij haar had verlaten, nadat het geluid van zijn rijtuig was weggestorven zelfs, bleef Elinor te zeer onder den indruk van vele gedachten, op zichzelve van zeer uiteenloopenden aard, doch alle leidend tot droefheid als eenige uitkomst, om zelfs aan haar zuster te denken.
Willoughby,—de man dien zij nog slechts een half uur geleden had verfoeid als een nietswaardige,—Willoughby wekte, ondanks al zijn gebreken, een zoo innig medelijden met de smart, door die gebreken veroorzaakt, dat de gedachte, hem voor altoos uitgesloten te weten buiten hunnen kring, haar vervulde met een teederheid en een weemoed, veel meer in overeenstemming (zooals zij spoedig voor zichzelve erkende) met zijn verlangen, dan met zijn verdiensten. Zij gevoelde dat zijn invloed op haar denkwijze versterkt was door omstandigheden, die redelijkerwijze geen gewicht in de schaal moesten leggen; door de ongewone aantrekkelijkheid van zijn persoon; door zijn openhartige, bezielde, levendige wijze van zich te uiten, die op zichzelf toch niets verdienstelijks insloot, en door die nog steeds zoo vurige liefde voor Marianne, waaraan hij zelfs niet mocht toegeven zonder schuld op zich te laden.—Zij gevoelde dat dit zoo was, lang, lang eer zijn invloed op haar was verflauwd.
Toen zij eindelijk terugkeerde naar de van niets bewuste Marianne, werd haar zuster juist wakker, verkwikt, zooals zij gehoopt had, door dien langen en rustigen slaap.—Elinor’s hart was vol. Hetverleden, het tegenwoordige, de toekomst,—Willoughby’s bezoek, Marianne’s redding, en haar moeder’s verwachte komst,—alles tezamen maakte haar te rusteloos en gejaagd om een spoor van vermoeidheid te gevoelen, en zij was alleen maar bang, dat zij zich tegenover Marianne zou verraden.—Er werd haar echter weinig tijd gelaten voor het koesteren van die vrees; want nog geen half uur na Willoughby’s vertrek deed het geluid van een ander rijtuig haar opnieuw naar beneden snellen. Vol verlangen om hare moeder elk onnoodig oogenblik van folterende onzekerheid te besparen, liep zij haastig naar de vestibule, en was juist bij tijds aan de voordeur, om haar moeder te ontvangen en te steunen, toen zij binnentrad.
Mevrouw Dashwood, wier angst, toen zij het huis naderden, haar bijna overtuigd deed zijn, dat Marianne niet meer in leven was, kon geen woord uitbrengen om naar haar te vragen; kon zelfs Elinor niet begroeten, die echter zonder te wachten op groet of vraag, haar onmiddellijk de zaligste verlichting schonk;—en haar moeder, die deze met de haar eigen geestdrift ontving, was in een oogwenk evenzeer overstelpt door haar vreugde, als zij het te voren was geweest door hare vrees. Zij werd, ondersteund door haar dochter en haren vriend, naar den salon gebracht, waar zij onder tranen van blijdschap, nog steeds niet bij machte te spreken, Elinor meermalen omhelsde, zich nu en dan van haar afwendend om Kolonel Brandon de hand te drukken, met een blik, die zoowel haar dank uitdrukte, als hare overtuiging, dat hij ten volle deelde in de blijdschap van het oogenblik. Dat deed hij, doch onder een stilzwijgen, nog dieper dan het hare.
Zoodra Mevrouw Dashwood zich hersteld had, was haar eerste verlangen, Marianne te zien; en enkele minuten later was zij bij haar geliefd kind, haar dierbaarder geworden dan ooit na lange scheiding, ongeluk en gevaar. Elinor’s blijdschap bij hetzien van wat beiden bij die ontmoeting gevoelden, werd alleen verminderd door de vrees, dat Marianne nu niet meer zou kunnen slapen; doch Mevrouw Dashwood kon kalm, kon zelfs voorzichtig zijn, waar het behoud van haar kind op het spel stond; en Marianne, tevreden in het besef van haar moeder’s nabijheid, en wel wetende, dat zij te zwak was om te spreken, onderwierp zich gaarne aan den eisch van stilte en rust, waarop al hare verpleegsters aandrongen. Mevrouw Dashwood wilde volstrekt dien nacht bij haar blijven waken, en Elinor begaf zich, op haar moeder’s dringenden wensch, ter rust. Maar die rust, welke één volkomen slapelooze nacht en vele uren van uitputtenden angst toch zoo noodig deden schijnen, bleef uit door den geprikkelden toestand harer zenuwen. Willoughby, “die arme Willoughby,” zooals zij hem nu wel wilde noemen, was voortdurend in hare gedachten; voor niets ter wereld had zij zijn poging om zich te rechtvaardigen willen missen, en nu eens verweet zij zich, om zich daarna weer vrij te pleiten, dat zijhemte voren zoo hard had beoordeeld. Doch haar belofte om het aan hare zuster mede te deelen, bleef steeds pijnlijk. Zij zag er tegenop, die te vervullen; vreesde voor de uitwerking ervan op Marianne, twijfelde, of zij, na die verklaring, ooit met een ander gelukkig zou kunnen zijn; en wenschte een oogenblik, dat Willoughby weduwnaar mocht worden; toen zij echter weer aan Kolonel Brandon dacht, berispte zij zichzelve, gevoelde dat vanzijnlijden enzijnetrouw haar zuster de belooning moest zijn, veeleer dan voor die van zijn medeminnaar, en verlangde in het minst niet meer naar den dood van Mevrouw Willoughby.
De schrik over Kolonel Brandon’s komst te Barton was voor Mevrouw Dashwood verzacht door haar eigen reeds lang gekoesterde bezorgdheid; want zij was zoo ongerust over Marianne, dat zij reeds besloten had, dien zelfden dag naar Clevelandte vertrekken, zonder nader bericht af te wachten; en zij had haar reis reeds zoover voorbereid, eer hij kwam, dat zij juist op dat oogenblik de Carey’s verwachtte, die Margaret zouden komen afhalen, daar hare moeder haar niet aan eene mogelijke besmetting wilde blootstellen.
Marianne’s beterschap nam met den dag toe, en Mevrouw Dashwood bewees door haar van blijdschap stralenden blik en haar onveranderlijke opgewektheid, dat zij zich, zooals zij herhaaldelijk verklaarde, de gelukkigste vrouw ter wereld achtte. Elinor kon die bewering niet aanhooren, noch de duidelijke bewijzen ervan aanschouwen, zonder zich nu en dan af te vragen, of haar moeder wel ooit aan Edward dacht. Maar Mevrouw Dashwood, vertrouwend op de kalme gematigdheid, waarmede Elinor had geschreven over haar eigen teleurstelling, kon in de overmaat harer vreugde slechts denken aan ’t geen hare blijdschap verhoogen zou.
Marianne was haar teruggegeven, na een gevaar, waaraan, zooals zij thans begon in te zien, zij zelve had geholpen haar bloot te stellen, toen zij haar uit gebrek aan inzicht, aanmoedigde in haar noodlottige genegenheid voor Willoughby; en thans vond zij in haar herstel nog eene andere reden tot vreugde, waaraan Elinor niet had gedacht. Deze werd haar medegedeeld, zoodra zij gelegenheid vonden tot een vertrouwelijk onderhoud.
“Eindelijk zijn we dan alleen,” zeide hare moeder. “Mijn lieve Elinor; je weet nog niet, hoe gelukkig ik ben. Kolonel Brandon heeft Marianne lief; hij heeft het mij zelf gezegd.”
Haar dochter, die zich beurtelings blijde en bedroefd, verrast en niet verrast gevoelde, was een en al zwijgende aandacht.
“Als ik niet wist, Elinor, dat je altijd anders bent dan ik, dan zou ik mij verbazen over je kalmte bij dit bericht. Als ik mijn gezin een groot geluk had mogen toewenschen, dan zou ik het allerliefsthebben gezien, dat Kolonel Brandon met een van jelui tweeën trouwde. En ik geloof dat Marianne nog het gelukkigst met hem zal zijn.”
Elinor had wel lust te vragen waarom; daar zij begreep dat de reden niet gegrond kon zijn op eenige onpartijdige beschouwing van hun leeftijd, karakter, of gevoelens;—doch haar moeder liet zich bij al wat haar ter harte ging, door haar verbeelding meesleepen, en dus glimlachte zij slechts, en liet de vraag achterwege.
“Gisteren onder de reis heeft hij zijn geheele hart voor mij uitgestort. Het kwam onverwacht, geheel zonder opzet. Ik kon, zooals je wel kunt nagaan, over niets spreken dan mijn kind;—hij kon zijn smart niet verbergen; ik zag dat die de mijne evenaarde, en hij, mogelijk denkend, dat louter vriendschap, in onzen nuchteren tijd, die innige sympathie niet kon rechtvaardigen,—of liever in het geheel niet denkend misschien,—toegevend aan den onweerstaanbaren drang van zijn gevoel, openbaarde mij zijne ernstige, teedere, trouwe genegenheid voor Marianne. Hij heeft haar liefgehad, Elinor, van het eerste oogenblik, dat hij haar zag.”
Elinor begreep wel, dat zij noch Kolonel Brandon’s woorden, noch zijne ware uitingen te hooren kreeg, doch de natuurlijke verfraaiing ervan door haar moeder’s levendige verbeelding, die alles naar believen inrichtte zooals dat haarzelve het aangenaamst was.
“Zijn liefde voor haar, zoo oneindig hooger staande dan iets, dat Willoughby ooit gevoelde, of veinsde te gevoelen, daar zij veel inniger was, veel oprechter, of standvastiger—hoe zullen wij het noemen?—bleef onveranderd, terwijl hij wist van de ongelukkige genegenheid onzer lieve Marianne voor dien slechten man, en geheel onzelfzuchtig, zonder de minste hoop te koesteren, had hij haar met een ander gelukkig kunnen zien! Zulk eenedel karakter! Zoo openhartig; zoo oprecht!—in hèm kan men zich niet vergissen.”
“Dat Kolonel Brandon een buitengewoon goed mensch is,” zei Elinor, “wordt door ieder erkend.”
“Dat weet ik,” gaf haar moeder ernstig ten antwoord, “anders zouikde laatste zijn, om na zulk een waarschuwing, een dergelijke genegenheid aan te moedigen, of mij daarover te verheugen. Maar dat hij mij kwam afhalen, zooals hij deed, met die gereede, bereidwillige vriendschap, bewijst al genoeg, dat hij een van de beste menschen ter wereld is.”
“De roep, die uitgaat van zijn goedheid,” antwoordde Elinor, “berust niet op ééne enkele vriendelijke daad, waartoe, ook zonder eenige algemeen menschelijke beweegreden, zijn liefde voor Marianne hem zou hebben aangedreven. Mevrouw Jennings en de Middletons hebben hem lang en van nabij gekend; zij dragen hem liefde zoowel als achting toe; ook ik, hoewel ik hem eerst voor kort leerde kennen, weet veel van wat hem aangaat; enikwaardeer en acht hem zóó hoog, dat ik, wanneer Marianne met hem gelukkig kan zijn, even geneigd ben als u, deze verbintenis te beschouwen als het grootste geluk, dat ons kon ten deel vallen. Welk antwoord hebt u hem gegeven? Zeide u hem, dat hij hoop mocht koesteren?”
“Och, mijn kind, ik kon toen noch hem, noch mijzelve vleien met hoop. Marianne kon op dat oogenblik wel stervende zijn. Maar hij vroeg ook niet om hoop of bemoediging. Het was eene onwillekeurige uiting van vertrouwen, een niet te weerhouden zielsuitstorting tegenover eene vriendin, wier bijzijn hem rust schonk,—geen vraag, gericht tot eene moeder. Toch zei ik wèl na eenigen tijd, want eerst was ik te zeer overweldigd door mijn aandoening, dat wanneer zij, zooals ik hoopte en vertrouwde, in leven bleef, het mijn grootste geluk zou zijn, hen gehuwd te zien, en sedert onze komsthier, sedert onze gelukkige zekerheid, heb ik hem dit nogmaals uitdrukkelijk herhaald, en hem naar mijn beste vermogen moed ingesproken. De tijd, een weinig tijds zelfs, zei ik hem, zal alles bewerken;—Marianne’s hart kan niet voor altoos en te vergeefs geschonken zijn aan een man als Willoughby. Zijn eigen verdienste zal het hem spoedig doen winnen.”
“Te oordeelen naar de stemming van den Kolonel, bent u er niet in geslaagd, hem even hoopvolle verwachtingen te doen koesteren.”
“Neen. Hij houdt Marianne’s genegenheid voor zoo diepgeworteld, dat zij eerst na zéér langen tijd zal kunnen veranderen, en zelfs al was haar hart volkomen vrij, dan is hij nog te bescheiden, om te gelooven, dat hij, bij zulk een verschil in leeftijd en geaardheid, ooit haar liefde zou kunnen winnen. Maar dáárin vergist hij zich. Dat verschil in leeftijd is juist groot genoeg, om in zijn voordeel te zijn; om zijn karakter en beginselen vastheid te hebben geschonken, en wat zijn geaardheid betreft, hij is juist de soort van man om je zuster gelukkig te maken; daar ben ik zeker van. Zijn voorkomen, zijn manieren, alles heeft hij vóór. Ik ben niet verblind door partijdigheid; zoo knap als Willoughby is hij niet; dat is waar; maar daarentegen heeft hij iets veel aantrekkelijkers. Er was altijd iets in Willoughby’s oogen nu en dan, dat mij niet aanstond; dat herinner je je wel.”
Elinor herinnerde zich datniet; maar haar moeder ging voort, zonder haar antwoord af te wachten: “En zijn manieren, het geheele optreden van den Kolonel, vind ik niet alleen aangenamer dan dat van Willoughby; maar ik weet stellig, dat ook Marianne zich op den duur er meer toe aangetrokken zal gevoelen. Zijn zachtaardigheid, zijn echte beminnelijkheid jegens anderen, en zijn mannelijke, natuurlijke eenvoudigheid zijn veel meer in overeenstemming met haar waren aard, dan de dikwijlsgekunstelde levendigheid van Willoughby, die ook wel eens te onpas kwam. Ik voor mij geloof stellig al was Willoughby werkelijk zoo beminnelijk gebleken, als hij getoond heeft het tegendeel te zijn, dan zou Marianne nòg methemniet zoo gelukkig zijn geworden, als ze zijn zal met Kolonel Brandon.”
Zij zweeg. Haar dochter was het niet geheel met haar eens; doch dat meeningsverschil werd niet geuit en kon dus geen aanstoot geven.
“Te Delaford zal ik haar gemakkelijk kunnen bereiken”, voegde Mevrouw Dashwood erbij, “zelfs als ik te Barton blijf; en heel waarschijnlijk, (want ik hoor dat het een groot dorp is)—ja, natuurlijk,stelligis er wel een of ander klein huisje of landhuisje in de buurt, dat even geschikt voor ons zou zijn als Barton Cottage.”
Arme Elinor! alweer een nieuw plan om haar naar Delaford te doen verhuizen! maar zij hield zich goed.
“En dan zijn fortuin! op mijn leeftijd denkt iedereen dááraan toch ook, niet waar? en hoewel ik niet weet, en ook niet wensch te weten, hoeveel hij bezit, ik denk toch wel dat het aanzienlijk mag genoemd worden.”
Hier werden zij gestoord door de komst van een derde, en Elinor ging heen, om alles in eenzaamheid te overdenken, haar vriend het beste te wenschen, en toch tegelijkertijd eene opwelling van medelijden te gevoelen met Willoughby.