Hoofdstuk XLVIMarianne’s ziekte had haar natuurlijk sterk aangegrepen, doch niet lang genoeg geduurd om haar herstel te vertragen, en met medewerking van haar jeugd, haar van nature sterk gestel en haar moeder’s bijzijn, was zij weldra zoo veel beter, dat zij vier dagen na haar moeder’s aankomst, kon worden overgebracht naar Mevrouw Palmer’s kleedkamer. Hier verzocht zij uit eigen beweging, dat Kolonel Brandon haar zou komen bezoeken, daar zij ongeduldig verlangde, hem te danken, omdat hij hare moeder had gehaald.Zijne ontroering, toen hij de kamer binnentrad, haar zoo veranderd zag, en de vermagerde hand drukte, die zij hem dadelijk toestak, deed Elinor vermoeden, dat die aandoening haar oorsprong vond in méér dan zijne liefde voor Marianne, of het besef, dat anderen hiervan wisten, en spoedig bespeurde zij in zijn droefgeestigen blik en wisselende gelaatskleur, terwijl hij hare zuster aanzag, dat waarschijnlijk de levendige herinnering aan vele treurige tooneelen uit het verleden bij hem was wakker geroepen, door die gelijkenis tusschen Marianne en Eliza, waarvan hij reeds melding had gemaakt, en die thans nog werd verhoogd door de bleeke tint, de ingezonken oogen, de liggende houding der nog zwakke herstellende, zoowel als haar innige erkentelijkheid voor haar in ’t bijzonder bewezen goedheid.Mevrouw Dashwood, niet minder oplettend dan hare dochter waarnemend hetgeen hier voorviel, doch onder den invloed van geheel andere gedachten, en zich dus ook een geheel ander beeld vormend uit die waarneming, zag niets in des Kolonelshouding, dan ’t geen zij het gevolg achtte van zeer eenvoudige en vanzelfsprekende gewaarwordingen, terwijl zij zich verbeeldde, te bespeuren dat in Marianne’s handelingen en woorden reeds iets meer doorschemerde dan dankbaarheid.Toen nog een paar dagen waren verstreken, en Marianne met iederen dag zichtbaar sterker werd, begon Mevrouw Dashwood, zoowel op aandringen harer dochters, als gedreven door haar eigen wensch, ervan te spreken, naar Barton terug te keeren. Vanharemaatregelen hingen die harer beide vrienden af; Mevrouw Jennings kon Cleveland niet verlaten, zoolang de Dashwoods er logeerden, en op aller verlangen werd Kolonel Brandon spoedig overgehaald, zijn verblijf aldaar als even vast, zooal niet als even onmisbaar te beschouwen. Geholpen door Mevrouw Jennings, wist hij Mevrouw Dashwood te bewegen, gebruik te maken van het aanbod van zijn rijtuig op de terugreis, dat haar zieke dochter meer gemak zou kunnen bieden, en daarvoor beloofde hij, toegevend aan het eenparig verzoek van Mevrouw Dashwood en Mevrouw Jennings, wier bereidwillige goedhartigheid haar noopte, hartelijk en gastvrij te zijn voor anderen zoowel als voor zichzelve, dat hij met genoegen haar over een paar weken te Barton Cottage zou komen opzoeken.De dag van hun afscheid en vertrek brak aan; en na een lang en hartelijk vaarwel aan Mevrouw Jennings, waarin zij uiting gaf aan al de innige dankbaarheid, den eerbied en de vriendschappelijke gevoelens, die zij te meer zich bewust was verschuldigd te zijn, door het stille besef van vroegere tekortkoming,—terwijl zij Kolonel Brandon goeden dag zeide als een vertrouwden vriend,—werd Marianne door hem zorgvuldig in het rijtuig geholpen, waarin hij volstrekt wilde, dat zij minstens de helft der ruimte in beslag nam. Daarna volgden Mevrouw Dashwood en Elinor, en de anderen bleven achter, om te spreken over dereizigers, en zich mistroostig te voelen in hun verlatenheid; totdat Mevrouw Jennings geroepen werd voor een ritje, waarbij zij zich met het gepraat van haar kamenier kon troosten over ’t verlies harer jonge vriendinnen; terwijl Kolonel Brandon dadelijk daarna in eenzaamheid zijns weegs ging naar Delaford. De Dashwoods bleven twee dagen onderweg, en Marianne verdroeg de reis zonder al te groote vermoeienis. Al wat de meest dienstvaardige genegenheid, de ijverigste zorg konden doen om haar gemak te verschaffen, was de taak van haar beide oplettende gezellinnen, en beiden zagen zich beloond door haar lichamelijk welbevinden en de kalmte van haar geest. Voor Elinor was het vooral bevredigend, die laatste bijzonderheid op te merken. Zij, die haar weken achtereen aanhoudend had zien lijden, gepijnigd door een zielsverdriet, dat zij den moed niet had te openbaren, noch de kracht om te verbergen, zag thans, met een blijdschap, die geen ander in zoo hooge mate kon gevoelen, een blijkbare gemoedsrust, die, daar zij de uitkomst was, naar zij geloofde, van ernstig nadenken, haar zuster ten slotte tot tevredenheid en ware vroolijkheid zou leiden.Wel werd Marianne, toen zij Barton naderden, en het landschap terugzagen, waarin aan elk veld, aan iederen boom eenige bijzondere en pijnlijke herinnering verbonden was, stil en nadenkend; zij wendde haar gelaat af en zat ernstig uit het venster te staren. Hier echter vond Elinor reden tot verwondering, noch afkeuring, en toen zij, Marianne uit het rijtuig helpend, zag, dat deze geschreid had, zag zij slechts eene ontroering, te natuurlijk, om iets minder teeders dan medelijden te wekken, en welke eer lof verdiende, wijl zij zich zoo onopvallend vermocht te uiten. In haar geheele verdere houding bespeurde zij de richting van een geest, die gewekt is tot redelijke inspanning; want zoodra zij de huiskamer binnentraden, zag Marianne om zichheen, met een vastberaden blik, alsof zij besloten had, zich dadelijk te gewennen aan het gezicht van ieder voorwerp, waarmede de herinnering aan Willoughby was verbonden. Zij sprak weinig; maar al wat zij zeide, had de bedoeling, vroolijk te zijn; en hoewel haar somtijds een zucht ontsnapte, gleed deze niet over haar lippen, zonder dat zij dien door een glimlach had vergoed. Na den eten wilde zij haar piano eens probeeren. Zij ging erheen: doch de muziek, waarop het eerst haar oog viel, was eene opera, die Willoughby haar had gezonden, en die enkele hunner geliefkoosde duetten bevatte; terwijl op het schutblad haar naam door zijne hand geschreven stond. Dat ging niet.—Zij schudde haar hoofd, legde de muziek terzijde, liet even de vingers over de toetsen glijden, zeide, dat haar vingers te zwak geworden waren, en sloot het instrument; terwijl zij echter haar stellig voornemen te kennen gaf, in ’t vervolg hard te zullen studeeren.Den volgenden morgen was nog geen vermindering te bespeuren van al deze gunstige verschijnselen. Integendeel, naar lichaam en geest verkwikt door de rust, verried zij in blik en stem meer echte opgewektheid, zag met blijdschap Margaret’s terugkomst tegemoet, en sprak van hun genoeglijk kringetje dat dan weer als van ouds samen zou zijn, van hun verschillende bezigheden en hun vroolijk gezelschap, als het eenig geluk, dat wenschenswaard mocht genoemd worden,“Als het weer gestadig wordt, en ik weer even sterk ben als vroeger,” zei ze, “dan gaan we samen elken dag lange wandelingen doen. We zullen naar de boerderij gaan aan den rand van de heide, en zien hoe de kinderen het maken; we zullen een wandeling doen naar Sir John’s nieuwe aanplantingen te Barton Cross en Abbeyland; en dikwijls zullen we een tochtje doen naar de bouwvallen van de abdij, en trachten de grondvesten na te speuren, zoover als men zegt, dat ze eenmaal zich uitstrekten.Ik denk dat we ’t heerlijk zullen hebben. Ik weet, dat de zomer genoeglijk zal voorbijgaan. Ik wil nooit later dan om zes uur opstaan, en tusschen ’t ontbijt en het eten zal ik elk oogenblik besteden aan muziek en lectuur. Ik heb mijn plannen al gemaakt, en ben vast voornemens nu eens ernstig aan de studie te gaan. Onze eigen bibliotheek ken ik te goed om er anders dan voor louter genoegen gebruik van te maken. Maar op het Park zijn veel boeken, die de moeite wel waard zijn, en andere, nieuwere werken weet ik, die ik van Kolonel Brandon kan leenen. Als ik maar zes uur per dag aan lezen besteed, dan kan ik in een jaar veel leeren, waarvan de kennis mij nu nog ontbreekt.”Elinor had eerbied voor een voornemen, dat uit zulke edele bedoelingen voortsproot; hoewel zij glimlachte, nu zij dezelfde vurige verbeelding, die haar vervoerd had tot het uiterste in haar matte traagheid en zelfzuchtig beklag, thans aan het werk zag bij het overdrijven van een plan, dat toch verstandige bezigheid en deugdzame zelfbeheersching beoogde. Haar glimlach maakte echter plaats voor een zucht, toen zij zich herinnerde, dat hare belofte aan Willoughby nog niet was vervuld; en zij vreesde, dat hare mededeeling Marianne weer met onrust zou vervullen, en althans voorloopig dit goede vooruitzicht van bedrijvige kalmte zou bederven. Daar zij dus geneigd was tot het verschuiven van dat ongewenschte oogenblik, besloot zij, te wachten tot haar zuster’s gezondheid zich volkomen zou hebben hersteld, eer zij het deed aanbreken. Doch dit besluit werd slechts genomen, om te worden verijdeld.Marianne was reeds twee of drie dagen thuis geweest eer het weer mooi genoeg was, om toe te laten, dat eene herstellende zieke als zij zich buiten waagde. Eindelijk echter kwam een zachte, uitlokkende morgen; uitlokkend genoeg, om den wensch der dochter, zoowel als het vertrouwen dermoeder te rechtvaardigen, en Marianne, steunend op Elinor’s arm, kreeg vergunning te wandelen zoolang zij zich niet vermoeid gevoelde, in de laan voor hun huis.De zusters begaven zich op weg, zoo langzaam als Marianne’s zwakte, sedert haar ziekte nog niet op deze wijze op de proef gesteld, vereischte,—en zij waren slechts zoover voorbij het huis gekomen dat zij het volle gezicht konden hebben op den heuvel, den gewichtigen heuvel, achter hun huisje gelegen, toen Marianne, die stilstond om in die richting te zien, bedaard zeide:“Dáár,—kijk, dáár op die plek,”—(zij wees ernaar met haar vinger,) “was het, dat ik viel; en daar heb ik voor ’t eerst Willoughby gezien.”Hare stem werd zachter bij het noemen van dien naam; doch iets levendiger voegde zij erbij:“Ik ben blijde, nu ik bemerk, dat ik de plek met zoo weinig hartzeer kan terugzien!—Zullen wij ooit over dat onderwerp spreken, Elinor?” liet zij er aarzelend op volgen. “Of zou het verkeerd zijn? Ikkaner nu over spreken, hoop ik, zooals ik behoor te doen.”Elinor moedigde haar vol teederheid aan, zich uit te spreken.“Betreuren,” zei Marianne, “neen, wat hèm betreft, doe ik dat niet. Ik wil nu niet spreken van wat ik vroeger voor hem placht te gevoelen, maar van wat ik thans voel. Zooals het nu is—als ik maar één ding zeker wist—als ik mocht denken, dat hij nietaltooseen rol speelde, mij nietaltoosbedroog;—en vooral, als ik de zekerheid had, dat hij nooit zóó verdorven was geweest, als ik mij soms heb voorgesteld, sedert ik wist van dat arme meisje...”Zij zweeg. Elinor ving met blijdschap haar woorden op, en bewaarde ze in haar hart, terwijl zij antwoordde:“Als je dat zeker wist, dan zou je dat rust geven, geloof je.”“Ja. Mijn gemoedsvrede is er in dubbelen zin bij betrokken;—want het is niet alleen afschuwelijk, iemand, die voor ons geweest is wathijwas voormij, te verdenken van zulke plannen; maar wat moet ik mijzelve wel toeschijnen? Wàt anders, in mijn omstandigheden, dan een onvoorzichtigheid, waarover ik mij diep heb te schamen, kon mij blootstellen aan...”“Hoe zou jij zijn gedrag wel verklaren?” vroeg haar zuster.“Ik zou hem beschouwen als... o, hoe gaarne zou ik dat doen... alleen lichtzinnig,—heel, heel erg lichtzinnig.”Elinor zweeg. Inwendig overlegde zij, wat het beste zou zijn; nu aanstonds met haar verhaal te beginnen, of het uit te stellen, tot Marianne sterker was;—en een paar minuten wandelden zij zwijgend verder.“Ik wensch hem niet te veel goeds,” zei Marianne eindelijk met een zucht, “als ik hem toewensch, dat zijn stille overdenkingen niet droeviger mogen zijn dan de mijne. Hij zal er genoeg verdriet door hebben.”“Vergelijk je je eigen gedrag met het zijne?”“Neen. Ik vergelijk het, met ’t geen het had behooren te zijn; ik vergelijk het met dat van jou.”“Onze omstandigheden geleken niet veel op elkaar.”“Ze geleken meer op elkaar dan ons gedrag. Mijn liefste Elinor, verdedig niet uit vriendelijkheid, wat ik weet dat je helder oordeel moet afkeuren. Mijn ziekte heeft mij aan het denkengebracht—heeft mij den tijd en de kalmte geschonken, die noodig zijn voor ernstigen inkeer tot zichzelf. Lang eer ik weer sterk genoeg was om te spreken, was ik tot nadenken uitmuntend in staat. Ik beschouwde het verleden; ik zag mijn eigen gedrag, sedert onze eerste kennismaking met hem in den vorigen herfst, als eene aaneenschakeling van handelingen,onvoorzichtig tegenover mijzelve, en jegens anderen liefdeloos. Ik zag, dat mijn eigen gevoelens mijn lijden hadden voorbereid, en dat mijn gebrek aan draagkracht mij bijna had ten grave gebracht. Ik wist zeer goed, dat ik mij mijne ziekte zelve had op den hals gehaald, door mijne gezondheid te verwaarloozen op een wijze, waarvan ik zelfs toen reeds het verkeerde inzag. Als ik gestorven was, zou het door zelfmoord zijn geweest. Van het gevaar was ik mij niet bewust, eer het reeds was geweken; maar ik verbaas mij over mijn herstel, met gevoelens, zooals deze overdenkingen in mij wekken;—ik verbaas mij, dat niet de vurigheid van mijn wensch om te blijven leven, tijd te hebben om berouw te toonen tegenover God, en u allen, mij heeft gedood. Was ik gestorven, hoe diep verslagen zou ik je dan hebben achtergelaten, mijn trouwe verpleegster, vriendin en zuster! die al de verdrietige zelfzuchtigheid van mijn laatste levensdagen hadt gekend, voor wie het verzet in mijn hart niet was verborgen gebleven!—Hoe zou ik geleefd hebben in je herinnering!—En moeder! Hoe hadt je haar kunnen troosten!—Ik kan niet uitdrukken, hoe ik mijzelf verfoeide. Wáárheen ik zag in het verleden, overal drong zich een verwaarloosde plicht aan mij op, of een onbestreden neiging. Ieder scheen door mij te kort gedaan. De onuitputtelijke goedheid van Mevrouw Jennings had ik vergolden met ondankbare minachting. Tegenover de Middletons, de Palmers, de Steeles, tegen al onze oppervlakkige bekenden zelfs, was ik lomp en onrechtvaardig geweest; ik had hun verdiensten niet willen inzien, en werd geprikkeld juist door hun voorkomendheid. Aan John, aan Fanny,—ja zelfs aan hen, al verdienen ze weinig,—had ik niet gegeven wat hun toekwam. Maar jou vooral, meer nog dan moeder, had ik onrecht aangedaan. Ik, en ik alleen, wist, wat omging in je hart en, hoe je hebt geleden;—en toch, waartoebewoog dit mij?—tot geen medelijden, dat voor of mijzelve eenige waarde had. Je voorbeeld had ik voor oogen, doch waartoe was het mij nut? Schonk ik meer aandacht aan jou en ’t geen je aangenaam kon zijn? Trachtte ik je verdraagzaamheid na te volgen, of je te ontheffen van zelfbedwang, door mijn aandeel te dragen in de verplichtingen, je opgelegd door algemeene welwillendheid of bijzondere reden tot dankbetoon, die je tot nog toe steeds alleen hadt moeten vervullen? Neen;—evengoed toen ik wist, dat je ongelukkig waart, als toen ik je nog tevreden waande, weigerde ik elke inspanning, die plicht of vriendschap van mij eischte; zag bijna niet in, dat er andere smart kòn bestaan dan de mijne; treurde enkel om dàt hart, dat mij verlaten en bitter gegriefd had, en liet toe, dat jij, voor wie ik onbegrensde genegenheid heette te koesteren, om mijnentwille ongelukkig waart.”Hier eindigde de heftige vloed van verwijten, tegen haarzelve gericht, en Elinor, innig verlangend haar gerust te stellen, ofschoon te eerlijk om haar te vleien, schonk haar gaarne den lof en de instemming, die haar openhartigheid en haar berouw ten volle verdienden. Marianne drukte haar hand en antwoordde:“Je bent wel goed. De toekomst alleen kan bewijzen dat ik waarheid spreek. Mijn plan is gevormd; en als ik bij machte ben, mij daaraan te houden, dan zullen mijn gevoelens worden beheerscht en mijn grillig humeur verbeterd. Zij zullen niet langer anderen tot last zijn, en mijzelve tot een kwelling. Ik wil van nu af aan slechts leven voor mijn familiekring. Jij, moeder en Margaret moeten voortaan voor mij de geheele wereld zijn; al mijn liefde zal tusschen jelui worden verdeeld. Nooit zal ik weer de geringste neiging gevoelen om jelui en mijn eigen thuis te verlaten, en als ik mij in het gezelschap van anderen begeef, dan zal dat alleen zijn, om te toonen, dat mijn geest nederiger, mijnhart beter is geworden, en dat ik met zachtheid en geduld beleefdheidvormen kan in acht nemen en de kleinere plichten des levens vervullen. Wat Willoughby betreft, het zou vruchteloos zijn, te zeggen, dat ik hem spoedig, dat ik hem ooit zal vergeten. De herinnering aan hem kan door geen verandering van omstandigheden of van zienswijze worden uitgewischt. Doch zij zal worden geregeld, worden in toom gehouden, door godsdienst, door rede, door voortdurende bezigheid.”Zij zweeg een oogenblik, en voegde erbij, met zachtere stem: “Als ik slechts kon weten, wat inzijnhart is omgegaan, dan zou alles gemakkelijk worden.”Elinor, die thans reeds eenigen tijd had overwogen, of het al dan niet geraden ware, spoedig te wagen aan haar verhaal te beginnen, zonder nader tot eenige beslissing te geraken, hoorde dit; en daar zij begreep, dat snel beraad alles moest doen, waar nadenken niet baatte, kwam zij al spoedig met de feiten voor den dag.Zij deed haar verhaal, naar zij hoopte, met omzichtigheid, bereidde de gretige luisterende voorzichtig voor; vertelde eenvoudig en eerlijk de hoofdzaken, waarop Willoughby zijne verdediging had gegrond; liet zijn berouw recht weervaren, en verzachtte alleen de betuigingen zijner voortdurende genegenheid.Marianne sprak geen woord; zij beefde; hare oogen bleven op den grond gevestigd, en uit hare lippen week het weinigje kleur, dat hare ziekte erin had overgelaten. Duizend vragen rezen op in haar binnenste, doch zij durfde geene enkele ervan uiten. Ademloos begeerig ving zij ieder woord op; zonder dat zij het wist, drukte hare hand vaster die harer zuster, en tranen stroomden over hare wangen.Elinor, vreezend dat zij vermoeid was, liet haar terugkeeren, en tot zij de deur van hun huisjebereikten, sprak zij, wel begrijpend, hoe groot Marianne’s nieuwsgierigheid moest zijn, ofschoon geen vraag deze onder woorden mocht brengen, van niets anders dan Willoughby en hun beider onderhoud, terwijl zij zorg droeg, de geringste bijzonderheden van woord en blik te vermelden, waar zij veilig in bijzonderheden treden kòn. Zoodra zij het huis waren binnengegaan, liet Marianne met een dankbaren kus, terwijl zij onder tranen slechts de woorden kon uitbrengen: “Zeg het aan mama,” hare zuster alleen, en ging langzaam de trap op. Elinor wilde niet pogen, eene eenzaamheid te storen, zoo natuurlijk gewenscht als de thans gezochte afzondering, en terwijl zij in haar geest reeds angstig de mogelijke gevolgen overwoog, en besloot, het onderwerp te hervatten, indien Marianne in gebreke bleef dit te doen, trad zij de huiskamer binnen, om Marianne’s daareven gegeven opdracht te vervullen.Hoofdstuk XLVIIMevrouw Dashwood hoorde niet zonder ontroering de verdediging aan van haar voormaligen gunsteling. Het verheugde haar, hem gedeeltelijk van de hem ten laste gelegde schuld gezuiverd te zien, zij beklaagde hem, en wenschte, dat hij gelukkig mocht worden. Doch de gevoelens van voorheen konden niet worden teruggeroepen. Niets kon hem aan Marianne hergeven met onverbroken trouw,—met onbezoedeld karakter. Niets kon het besef vernietigen van ’t geen de laatste had geleden door zijn toedoen; noch de schuld uitwisschen van zijn gedrag jegens Eliza. Niets kon hem dus haar vroegere achting doen herwinnen, nochafbreuk doen aan hare voorkeur voor Kolonel Brandon.—Had Mevrouw Dashwood, evenals hare dochter, Willoughby’s verhaal van hemzelf gehoord, was zij getuige geweest van zijne droefheid, en had zij den invloed ondergaan van zijn gelaat en zijne wijze van zich te uiten, dan zou waarschijnlijk haar medelijden grooter zijn geweest. Doch Elinor vermocht, noch wenschte, door haar nauwkeurige uiteenzetting, in anderen die gevoelens te wekken, welke in den aanvang bij haarzelve waren wakker geroepen. Door nadenken was haar oordeel beradener geworden, haar eigen beschouwing van Willoughby’s verdienste gematigder; zij wenschte dus enkel de eenvoudige waarheid te verklaren, en slechts die feiten te openbaren, welke in overeenstemming waren met zijn karakter, zonder eenige opsiering door teedere gevoelens, welke de verbeelding op een dwaalspoor brachten.Toen zij des avonds bij elkaar zaten, begon Marianne uit eigen beweging weer over hem te spreken; doch dat dit niet zonder moeite geschiedde, bewees het rustelooze, weinig kalme van de houding, waarin zij eenigen tijd van te voren had zitten nadenken, zoowel als de blos, die hare wangen kleurde, toen zij begon te spreken, en de onvaste klank harer stem.“Ik wilde u beiden gaarne verzekeren,” zeide zij, “dat ik alles inzie,—zooals gij dat het liefst zoudt wenschen.”Mevrouw Dashwood had haar dadelijk met eenige teedere woorden willen geruststellen; doch Elinor, die werkelijk verlangde, haar zuster’s onbevooroordeelde meening te vernemen, legde haar met een dringenden wenk het zwijgen op. Marianne ging langzaam voort:“Het is mij een groote verlichting,—wat Elinor mij van morgen vertelde,—ik heb nu precies gehoord, wat ik wenschte te weten.”Een korte poos had zij hare stem niet in de macht;doch zich herstellend, voegde zij met meer kalmte erbij: “Ik ben nu geheel voldaan. Ik verlang geene verandering. Ik zou nooit gelukkig met hem hebben kunnen zijn, nadat ik dit alles had vernomen, zooals vroeger of later had moeten gebeuren. Ik zou geen vertrouwen, geen achting hebben kunnen gevoelen. Niets zou dit voor mijn gevoel hebben kunnen uitwisschen.”“Dat weet ik,—dat weet ik, riep hare moeder. “Gelukkig met een losbandigen man? Met iemand, die zóó zich had vergrepen jegens onzen liefsten vriend, die de beste van alle mannen is? Neen, het hart van mijne Marianne kon door zulk een man niet gelukkig gemaakt worden! Haar geweten, haar nauwgezet geweten zou alles hebben gevoeld, wat haar echtgenoot had behooren te voelen.”—Marianne zuchtte, en herhaalde: “Ik wensch geene verandering.”“Je beschouwt de zaak,” zeide Elinor, “juist zooals een zuiver gemoed en een klaar begrip haar moeten beschouwen, en ik denk dat je, evenzeer als ik, niet slechts in deze, maar in menige andere omstandigheid, reden vindt tot de overtuiging, dat je huwelijk je veel onvermijdelijk verdriet en teleurstelling zou hebben berokkend; waarbij je slechts weinig steun zoudt hebben gevonden in eene genegenheid, die van zijne zijde veel minder betrouwbaar was. Als je getrouwd waart, zou je altijd arm zijn gebleven. Zijne neiging tot verkwisting heeft hij zelf toegegeven, en zijn geheele gedrag bewijst, hoe zelfverloochening een woord is, dat ternauwernood door hem wordt begrepen. Zijne eischen, gevoegd bijjouwonervarenheid, en dat met een klein, zeer klein inkomen, zouden oorzaak zijn geworden van een verdriet, dat niet minder kwellend zou zijn geweest, wijl je het van te voren hadt kunnen beseffen, noch voorzien. Je eigen eergevoel en eerlijkheid zouden je, dat weet ik, als de toestand je helder werd, gedreven hebbentot het betrachten van de grootst mogelijke zuinigheid, en misschien zou dat je vergund zijn geworden, zoolang je spaarzaamheid alleen je eigen genoegens besnoeide; maar verder... en hoe weinig hadt je met den besten wil alléén kunnen doen, om den ondergang te verhoeden, die reeds vóór je huwelijk was begonnen?... verder, zoo je hadt gepoogd, met hoeveel recht ook, paal en perk te stellen aan zijn uitspattingen, was het dan niet te vreezen, dat je, wel verre van de overhand te behouden op een inborst, zelfzuchtig genoeg om dien toestand te kunnen verdragen, je eigen invloed op zijn gemoed zoudt hebben verloren, en hem de verbintenis zoudt hebben doen betreuren, die hem in zulke moeilijkheden had gewikkeld?”Marianne’s lippen beefden, en zij herhaalde het woord “zelfzuchtig?”, op een toon, alsof zij wilde zeggen: “Dus je denkt werkelijk, dat hij zelfzuchtig is?”“Zijn geheele gedrag,” antwoordde Elinor, “van ’t begin tot het einde, is alleen op zelfzucht gegrond. Het was zelfzucht, die hem het eerst deed spelen met je gevoelens; die later, toen zijne eigene erbij waren betrokken, hem de bekentenis ervan deed verschuiven, en die hem ten slotte Barton verlaten deed. Zijn eigen genoegen en zijn eigen gemak bepaalden zijn gedragslijn bij iedere gelegenheid.”“Dat is wel waar.Mijngeluk had hij nooit op het oog.”“En thans,” ging Elinor voort, “betreurt hij, wat hij gedaan heeft. Waarom betreurt hij dat? Omdat hij bemerkt, dat zijne handelwijze niet aan haar doel heeft beantwoord. Zij heeft hem niet gelukkig gemaakt. Hij verkeert niet meer in geldelijke verlegenheid,—van die zijde kan hem nu geen kwaad meer deren, hij bedenkt nu alleen, dat hij eene vrouw heeft getrouwd, die minder aangenaam in den omgang is dan jij. Maar volgt daaruit nu, dat hij, als hij met jou gehuwd was, gelukkig zou zijngeweest? Er zouden andere bezwaren zijn gerezen. Dan zou hij hebben geleden onder het geldgebrek, dat hij, nu het geweken is, als niets beschouwt. Hij zou een vrouw hebben gehad, over wier geaardheid hij zich niet kon beklagen; maar hij zou altijd behoeftig zijn gebleven,—altijd arm; en hij zou waarschijnlijk spoedig hebben geleerd, de tallooze voorrechten, verbonden aan het bezit van een door geen schuld bezwaard goed en een ruim inkomen, van veel meer gewicht te achten, zelfs voor zijn huiselijk geluk, dan iets zoo onbeteekenends als de geaardheid zijner echtgenoote.”“Daaraan twijfel ik niet,” zeide Marianne, “en ik heb niets te betreuren; niets dan mijn eigen dwaasheid.”“Zeg liever: “de onvoorzichtigheid van mijne moeder,” mijn kind,” zeide Mevrouw Dashwood; “op háár komt de schuld neer.”Marianne wilde haar niet laten voortgaan, en Elinor, tevreden, nu beiden hun eigen dwaling hadden ingezien, wilde liever eene beschouwing van het verleden vermijden, die hare zuster droefgeestig zou kunnen stemmen; zij ging dus dadelijk voort, zich bepalend tot het eerste onderwerp:“Eene slotsom kan, dunkt mij, worden getrokken uit al het gebeurde,—dat al Willoughby’s moeilijkheden hun oorsprong vonden in zijn eerste vergrijp jegens de deugd; in zijn gedrag tegenover Eliza Williams. Die misdaad is de oorzaak geweest van al wat volgde, en van zijne tegenwoordige onvoldaanheid.”Marianne beaamde die opmerking ten volle, en hare moeder knoopte er eene beschouwing aan vast, van het onrecht, Kolonel Brandon aangedaan, en diens verdiensten, voorgedragen met al de warmte, waartoe vriendschap en hare bijzondere bedoelingen haar slechts konden vervoeren. Haar dochter gaf echter niet den indruk, alsof zij er veel van had gehoord.Elinor zag, zooals zij reeds verwacht had, dat Marianne in de eerstvolgende twee of drie dagen, niet als te voren in kracht bleef toenemen; doch daar haar besluit even vast stond, en zij haar best bleef doen, zich vroolijk en tevreden te toonen, mocht hare zuster gerust vertrouwen op de goede uitwerking van den tijd ter herstel van hare gezondheid.Margaret kwam terug, en het gezin was nu weer vereend; opnieuw waren zij rustig samen in hun huisje, en indien al niet zoo druk bezig met hun gewone studies, als toen zij pas te Barton kwamen, althans voornemens, ze in het vervolg met ijver voort te zetten.Elinor begon sterk te verlangen naar eenig bericht over Edward. Sedert haar vertrek uit Londen had zij niets van hem vernomen; niets nieuws omtrent zijne plannen, en zelfs omtrent zijne tegenwoordige verblijfplaats verkeerde zij in onzekerheid.Ten gevolge van Marianne’s ziekte waren tusschen haar en haar broeder eenige brieven gewisseld, en in John’s eersten brief kwam deze zin voor: “Van onzen ongelukkigen Edward weten we niets, en we kunnen geen navraag doen naar zulk een verboden onderwerp; maar we vermoeden, dat hij nog te Oxford is,”—’t geen het eenige bericht omtrent Edward was, dat de briefwisseling haar verschafte; daar zijn naam in de volgende brieven zelfs niet werd genoemd. Lang echter zou zij niet veroordeeld blijven, in onwetendheid te verkeeren omtrent zijn doen en laten.Hun huisknecht was op zekeren morgen naar Exeter geweest, en toen hij, bij het tafeldienen, de vragen van zijne meesteres omtrent den uitslag van zijne opdracht had beantwoord, voegde hij uit eigen beweging erbij:“U weet zeker al, Mevrouw, dat Mijnheer Ferrars getrouwd is?”Marianne schrikte hevig, zag Elinor verbleeken, viel zenuwachtig snikkend achterover in haar stoel. Mevrouw Dashwood, wier blik, terwijl zij de vraag van den knecht beantwoordde, instinctmatig dezelfde richting volgde, ontstelde, toen zij aan Elinor’s gelaat zag, hoe diep deze was getroffen, en een oogenblik later wist zij, evenzeer verontrust door Marianne’s toestand, waarlijk niet, wie van hare kinderen het meest hare hulp behoefde.De knecht, die alleen zag, dat Juffrouw Marianne onwel werd, was zoo verstandig een van de dienstmeisjes te roepen, die haar, door Mevrouw Dashwood geholpen, naar de andere kamer bracht. Marianne herstelde zich reeds, en hare moeder kon haar overlaten aan de zorg van Margaret en de kamenier, om terug te keeren naar Elinor, die, hoewel nog zeer onder den indruk, in zooverre haar zenuwen en hare stem weer meester was, dat zij aan Thomas kon vragen, van wie hij die tijding had vernomen. Mevrouw Dashwood onthief haar dadelijk van die taak, en Elinor werd dus, zonder eenige inspanning van hare zijde, voldoende op de hoogte gebracht.“Wie heeft je verteld, Thomas, dat Mijnheer Ferrars was getrouwd?”—“Ik zag Mijnheer Ferrars zelf, Mevrouw, van morgen te Exeter, met zijn vrouw, juffrouw Steele, zooals ze dan vroeger heette. Ze zaten in een koets, die stil stond voor de New London Inn, toen ik daar een brief kwam bezorgen van Sally op het Park, Voor haar broer die er postillon is. Ik keek toevallig op, toen ik langs de koets kwam, en ik zag dadelijk, dat het de jongste juffrouw Steele was; dus nam ik mijn hoed af, en zij kende mij nog, en riep mij; en ze vroeg naar u, Mevrouw, en de jonge dames, vooral Juffrouw Marianne, en of ik de groeten wilde doen van haar en Mijnheer Ferrars; hun beider hartelijke groeten, en dat het hun zoo speet, dat ze geen tijd hadden, u te komen opzoeken, maar zehadden zoo’n haast om verder te komen, want ze gingen nog verder op reis voor een tijdje,—maar in elk geval, als ze terugkwamen, dan zouden ze u stellig een bezoek brengen.”“En ze zei, dat ze getrouwd was, Thomas?”“Ja, Mevrouw; ze lachte, en zei dat ze van naam was veranderd, sedert ze ’t laatst hier in de buurt was. Ze was altoos heel aardig en spraakzaam, en had voor ieder een vriendelijk woord. Dus was ik maar zoo vrij, haar geluk te wenschen.”“Zat Mijnheer Ferrars met haar in het rijtuig?”“Ja, Mevrouw. Ik kon hem nog juist zien, hij leunde achterover; maar hij keek niet op;—mijnheer was nooit iemand, die veel pleizier in praten had.”Elinor begreep maar al te goed, dat hij zich op den achtergrond had gehouden, en Mevrouw Dashwood nam vermoedelijk dezelfde verklaring aan voor zijne houding.“Zat er anders niemand in het rijtuig?”“Neen, Mevrouw, zij met hen beiden; anders niet.”“Weet je ook, waar ze vandaan kwamen?”“Ze kwamen zóó uit Londen, zei Juffrouw Lucy,—Mevrouw Ferrars, bedoel ik.”“En gingen ze verder naar ’t Westen?”“Ja, Mevrouw; maar niet voor lang. Ze zouden gauw terugkomen, en dan kwamen ze u stellig opzoeken.”Mevrouw Dashwood zag hare dochter aan; maar Elinor begreep wel, dat ze hen niet behoefde te verwachten. Die boodschap was weer juist iets voor Lucy; zij wist wel zeker, dat Edward zich bij hen niet zou vertoonen. Zachtjes zei ze tegen hare moeder, dat ze waarschijnlijk naar den Heer Pratt gingen, in de buurt van Plymouth.Thomas had blijkbaar niets meer te vertellen. Elinor keek, alsof ze nog meer wenschte te hooren.“Zag je hen wegrijden, eer je heenging?”“Neen, Mevrouw, de paarden werden juist buitengebracht; maar ik kon niet langer wachten; ik was bang, dat het te laat werd.”“Zag Mevrouw Ferrars er goed uit?”“Ja, Mevrouw; ze zei dat ze ’t best maakte; ze was altoos een knappe jonge dame, vond ik;—en ze leek erg in haar schik.”Mevrouw Dashwood wist geen nieuwe vragen meer te bedenken, en Thomas kon spoedig heengaan, met het tafellaken, dat nu even overbodig was geworden als hijzelf. Marianne had reeds laten zeggen, dat zij niets meer wilde gebruiken; Mevrouw Dashwood en Elinor waren ook hun eetlust kwijt, en Margaret mocht nog van geluk spreken, dat zij, ondanks al de onrust, die hare zusters in den laatsten tijd hadden uitgestaan, ondanks zooveel reden tot nalatigheid op het punt van geregelde maaltijden, nog nooit te voren haar middagmaal had moeten missen.Toen het dessert en de wijn waren binnengebracht en Mevrouw Dashwood en Elinor alleen waren, bleven zij langen tijd zwijgen, verzonken in gelijksoortige gepeinzen. Mevrouw Dashwood waagde geene opmerking, en beproefde evenmin troost te bieden. Zij begreep nu, dat zij zich had vergist, toen zij vertrouwde op de wijze waarop Elinor zich voordeed, en zag thans zeer goed in, dat alles in der tijd met opzet was verzacht, om hare droefheid niet te vermeerderen, terwijl zij reeds zooveel had te lijden om Marianne. Zij begreep, dat hare dochter, door zoo zorgvuldig haar gevoel te sparen, haar ertoe had gebracht, de genegenheid, die zij eens zoo wel had begrepen, van veel minder beteekenis te achten dan zij vroeger placht te gelooven, of dan deze thans bleek te zijn. Zij vreesde, dat zij, in dien waan verkeerend, onrechtvaardig, onachtzaam, ja bijna onvriendelijk was geweest jegens hare Elinor; dat Marianne’s leed, omdat het meer openlijk werd erkend, zich meer onmiddellijk aan haar opdrong, te veel beslag had gelegd op hareteederheid, en haar ertoe had gebracht, te vergeten, hoe zij in Elinor eene dochter bezat, die misschien evenveel had te dragen, en dat wel met geringer besef van eigen schuld, en met meerder geestkracht.Hoofdstuk XLVIIIElinor bespeurde thans hoe groot het verschil is tusschen het verwachten van eene onaangename gebeurtenis, hoe stellig wij ons ook van hare komst overtuigd weten te houden, en volkomen zekerheid. Zij bespeurde nu, dat zij, haars ondanks, altoos nog, zoolang Edward ongetrouwd bleef, eenige hoop had blijven koesteren, dat er iets mocht gebeuren, ’t geen zijn huwelijk met Lucy verhinderen zou; dat òf een door hemzelf genomen besluit, òf de tusschenkomst van vrienden, òf eenige meer verkieselijke gelegenheid om de toekomst der jonge dame te verzekeren, had mogen bijdragen tot de bevordering van hun aller geluk. Maar nu was hij getrouwd, en zij laakte haar hart wegens die geheime vleitaal, welke de smart dezer tijding zoo zeer had verscherpt.Dat hij zoo spoedig getrouwd was, eer hij, naar zij meende, de wijding had kunnen ontvangen, en bijgevolg eer hij beroepen had kunnen worden, verwonderde haar eerst een weinig. Maar zij zag weldra in, hoe waarschijnlijk het was, dat Lucy, in haar baatzuchtige bezorgdheid, in haar haast om hem te winnen, alles over het hoofd zou zien behalve het gevaar, verbonden aan uitstel. Zij waren getrouwd; in de stad getrouwd, en thans haastig op weg naar Lucy’s oom. Wat zou Edward hebben gevoeld, toen hij nog geen vier mijlen van Bartonwas verwijderd; toen hij haar moeder’s knecht zag; toen hij Lucy’s boodschap aanhoorde!Zij zouden zeker spoedig, dacht zij, nu gaan wonen te Delaford,—Delaford, die plaats, waarin zoovele redenen haar noopten, belang te stellen, die zij wenschte te kennen, en toch verlangde te vermijden. Zij zag ze vóór zich in hun pastorie; zag Lucy als de ijverige bekwame huishoudster, die den wensch naar uiterlijk weeldevertoon wist te paren met de uiterste spaarzaamheid, zich schamend, zoo iemand maar de helft van hare zuinigheidsmaatregelen had kunnen vermoeden;—onophoudelijk bedacht op haar eigen belang, pogend in de gunst te geraken bij Kolonel Brandon, bij Mevrouw Jennings, en bij alle vermogende vrienden. Hoe zij Edward zag, wist zij zelve niet, en evenmin, hoe zij hem wenschte te zien; gelukkig of ongelukkig,—niets kon haar behagen;—van iedere voorstelling, die ze zich van hem maakte, wendde zij het hoofd af.Elinor bleef nog hopen, dat een van hunne kennissen in Londen hun zou schrijven, om het nieuws te berichten en verdere bijzonderheden te vermelden; maar de eene dag na de andere ging voorbij, zonder brief of tijding. Hoewel zij niet precies wist, aan wien de schuld te geven, ergerde zij zich over alle afwezige vrienden. Ze waren allen vergeetachtig, of lui.“Wanneer schrijft u aan Kolonel Brandon, moeder?” was de vraag, die voortsproot uit haar ongeduldig verlangen, dat er toch iets gebeuren mocht.“Ik schreef hem de vorige week, lieve, en ik verwacht nog eerder hem te zien, dan van hem te hooren. Ik drong er zeer op aan, dat hij zou komen, en ’t zou mij niet verwonderen, als we hem vandaag of morgen zagen binnenstappen.”Dat was toch iets gewonnen; iets om tegemoet te zien. Kolonel Brandon moest het een of ander hebben te vertellen.Pas had zij dit voor zichzelve vastgesteld, toen de verschijning van een ruiter haar de oogen naar het venster deed richten. Hij hield stil bij hun hek. Het was een heer; het zou Kolonel Brandon zijn. Nu zou ze meer hooren, en gespannen verwachting deed haar beven. Maar—het was niet Kolonel Brandon, zijn figuur niet; zijn lengte niet. Als zooiets nu mogelijk was, dan zou zij zeggen, dat het Edward moest zijn. Zij keek opnieuw. Hij was juist afgestegen;—zij kon zich niet vergissen; het was Edward. Ze verwijderde zich van het venster en ging zitten. “Hij komt van den Heer Pratt hierheen, om ons te bezoeken. Ikwilkalm zijn; ikwilmij beheerschen.”Op dat oogenblik bespeurde zij, dat de anderen ook hunne vergissing hadden bemerkt. Zij zag haar moeder en Marianne verbleeken, naar haar zien, en elkander iets toefluisteren. Ze zou alles hebben gegeven, om te kunnen spreken, om hen te doen begrijpen, hoe zij hoopte, dat hun houding geen koelheid, geen onverschilligheid zou aan den dag leggen; maar zij kon geen woord uitbrengen, en moest alles overlaten aan hun eigen gevoel van tact. Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij wachtten zwijgend, tot de bezoeker verschijnen zou. Zijn voetstappen klonken op het grintpad; daarna in de gang, en een oogenblik later stond hij voor hen.Zijn gelaat drukte bij het binnenkomen geen al te groote blijdschap uit; zelfs niet voor Elinor. Hij zag bleek van zenuwachtigheid, en keek alsof hij bevreesd was voor de te verwachten ontvangst, en zich bewust, dat deze niet vriendelijk kon zijn. Mevrouw Dashwood echter, zich voegend, naar zij geloofde, naar den wensch van hare dochter, door wie zij zich, in hare verteederde gezindheid, in alles wilde laten leiden, begroette hem met een ietwat gedwongen minzaamheid, gaf hem de hand en wenschte hem geluk. Hij kleurde en stotterdeiets onverstaanbaars. Elinor’s lippen bewogen gelijktijdig met die harer moeder, en toen het ogenblik van handelen was verstreken, wenschte zij, dat zij hem ook de hand gegeven had. Maar nu was het te laat, en met een uitdrukking, die zij haar best deed onbevangen te doen zijn, ging zij weer zitten, en praatte over het weer.Marianne had zich zoo ver mogelijk teruggetrokken, om hare droefheid te verbergen, en Margaret, die wel iets, maar niet alles van de zaak begreep, vond het raadzaam, een waardige houding aan te nemen; zij ging dus zoo ver mogelijk van hen af zitten, en bewaarde een strak stilzwijgen.Toen Elinor klaar was met haar blijdschapsbetuigingen over het mooie droge weer, volgde er eene onheilspellende stilte. Deze werd verbroken door Mevrouw Dashwood, die zich verplicht achtte, te hopen, dat Mevrouw Ferrars het goed maakte. Hij gaf haastig een bevestigend antwoord.Nieuwe stilte.Al haar krachten verzamelend, hoewel bang voor ’t geluid van haar eigen stem, zei Elinor: “Is Mevrouw Ferrars te Longstaple?”“Longstaple?” antwoordde hij verwonderd. “Neen, mijn moeder is in de stad.”“Ik bedoelde eigenlijk,” zei Elinor, een handwerk van de tafel opnemend, “MevrouwEdwardFerrars.” Zij durfde niet opzien; maar hare moeder en Marianne zagen hem beiden aan. Hij kleurde, scheen verlegen, keek twijfelachtig, en zei na eenige aarzeling: “Misschien bedoel je... mijn broer... je bedoelt zeker Mevrouw... Mevrouw Robert Ferrars.”“Mevrouw Robert Ferrars?”—herhaalden Marianne en hare moeder op een toon van de uiterste verbazing, en hoewel Elinor niet kon spreken, zagen hare oogen hem aan met de zelfde ongeduldige verwondering. Hij stond van zijn stoel op en liep naar het venster, blijkbaar omdat hij nietwist, wat te beginnen; hij nam een schaartje in étui op, dat er lag, en terwijl hij zoowel het schaartje als het étui bedierf, door het laatste onder het spreken in stukjes te knippen, zeide hij, op gejaagde toon:“U weet zeker niet,—u hebt misschien niet gehoord, dat mijn broer onlangs isgetrouwdmet... met de jongste... met juffrouw Lucy Steele.”Zijne woorden werden met onuitsprekelijke verbazing herhaald door allen, behalve Elinor, die met het hoofd over haar werk zat gebogen, zóó zenuwachtig, dat zij bijna niet wist, waar zij was.“Ja,” zei hij, “ze zijn de vorige week getrouwd, en logeeren nu te Dawlish.”Elinor kon niet langer blijven zitten. Zij liep bijna op een draf de kamer uit, en zoodra de deur was gesloten, barstte zij uit in een stroom van blijde tranen, die zij dacht, dat vooreerst niet zouden kunnen ophouden te vloeien. Edward, die tot nu toe naar alles had gekeken behalve naar haar, zag haar wegvluchten, en zag ook,—of hoorde zelfs,—hare ontroering; want dadelijk daarna verzonk hij in een gepeins, dat geene opmerking, geen vraag, geen vriendelijke toespraak van Mevrouw Dashwood scheen te kunnen verstoren, en eindelijk ging hij, zonder een woord te zeggen, de kamer uit en wandelde den weg op, naar het dorp, de anderen uiterst verbaasd en nieuwsgierig achterlatend over zulk een wonderlijke en snelle verandering in zijne omstandigheden,—zonder eenig ander middel om die verbaasde nieuwsgierigheid te bevredigen, dan hun eigen gissingen.Hoofdstuk XLIXHoe onverklaarbaar echter ook de omstandigheden, waaronder zijn bevrijding had plaatsgegrepen, der geheele familie mochten voorkomen, het stond vast, dat Edward vrij was, en tot welk doel die vrijheid zou worden aangewend, konden allen gemakkelijk voorzien; want na de zegeningen te hebben ervaren van ééne onvoorzichtige verloving, aangegaan zonder zijn moeder’s toestemming, zooals hij reeds meer dan vier jaren had gedaan, kon er, na de verbreking van deze, niet anders van hem worden verwacht, dan dat hij onmiddellijk eene andere verbintenis zou sluiten.Het doel van zijn bezoek te Barton was eenvoudig genoeg. Hij wilde niets anders, dan Elinor ten huwelijk vragen, en in aanmerking genomen dat hij op dit punt niet geheel onervaren was, kon het vreemd schijnen, dat hij zich thans zoo weinig op zijn gemak gevoelde, en zooveel behoefte had aan bemoediging en frissche lucht.Hoe spoedig hij echter, al wandelende, tot een genoegzaam vast besluit was gekomen, hoe dra de gelegenheid zich voordeed om het ten uitvoer te brengen, op welke wijze hij zich uitdrukte, en hoe hij werd ontvangen, behoeft niet in bijzonderheden te worden vermeld. Wij kunnen volstaan met te zeggen, dat hij, toen zij samen om vier uur aan tafel gingen, omstreeks drie uren na zijne aankomst, zijn verloofde had gewonnen, haar moeder’s toestemming had verworven, en zich, niet slechts met de verrukte overdrijving van den minnaar, maar in waarheid en werkelijkheid een der gelukkigste menschen ter wereld voelde. Waarlijk, hij mocht zich buitengewoon bevoorrecht achten.Zijn hart mocht zwellen, zijn geest zich verheffen met meer dan den natuurlijken trots van beantwoorde liefde. Hij zag zich bevrijd, en zonder het minste zelfverwijt, van banden, die hem lang een bron van kwelling waren geweest, van eene vrouw, die hij reeds lang niet meer liefhad, en plotseling verzekerd van het bezit eener andere, waaraan hij bijna niet anders dan met wanhoop had kunnen denken, zoodra hij was begonnen het te beschouwen als het doel van zijn verlangen. Niet van uit twijfel en onzekerheid, doch van uit de diepste ellende ging hij over tot het geluk;—en die verandering uitte zich onomwonden, in zulk een echte, natuurlijk opwellende, dankbare vroolijkheid, als zijn vrienden nog nimmer bij hem hadden waargenomen.Zijn hart stond nu open voor Elinor; al zijne zwakheden en dwalingen werden gebiecht, en zijne eerste, jongensachtige verliefdheid op Lucy werd beschouwd met al de philosofische waardigheid van den vier en twintigjarige.“Het was van mijn kant een dwaze, lichtzinnige neiging,” zeide hij, “’t gevolg van gebrek aan wereldkennis en gemis van bezigheid. Had mijn moeder mij werkzaam laten zijn in eenig beroep, toen ik op mijn achttiende jaar aan de zorg van den Heer Pratt werd onttrokken, dan denk ik, neen, dan weet ik stellig, dat het nooit zou zijn gebeurd; want hoewel ik Longstaple verliet met wat ik toen als eene onoverwinnelijke neiging beschouwde voor zijne nicht, ik zou toch, wanneer ik toen eenige bezigheid had gehad, eenig doel, dat mijn tijd in beslag nam en mij enkele maanden van haar verwijderd hield, zeer spoedig die gewaande genegenheid zijn te boven gekomen; vooral door mij meer onder vreemden te bewegen, zooals ik in dat geval had moeten doen. Maar inplaats van iets te doen te krijgen,—in plaats dat eenig beroep voor mij werd gekozen, of eene eigen keuze mij werd vergund, kwam ik terug bij mijn familie om totaal leeg teloopen, en het eerste jaar na mijn thuiskomst had ik zelfs niet die zoogenaamde bezigheid, die het verblijf aan de universiteit mij zou hebben verschaft; want ik werd niet ingeschreven te Oxford, eer ik negentien jaar was geworden. Ik had dus niets ter wereld te doen, dan mij te verbeelden, dat ik verliefd was, en daar moeder mijn verblijf tehuis niet in elk opzicht aangenaam maakte,—daar ik geen vriend of kameraad vond in mijn broeder, en ongeneigd was, nieuwe kennissen te zoeken, was het niet onnatuurlijk, dat ik veel naar Longstaple ging, waar ik mij altijd thuis gevoelde, en zeker was, hartelijk te worden verwelkomd; zoodoende bracht ik het grootste deel van mijn tijd daar door, tusschen mijn achttiende en negentiende jaar. Lucy scheen toen zoo beminnelijk en voorkomend als iemand maar zijn kon. Mooi was zij ook;—ten minstetoenvond ik dat; en ik had zoo weinig omgegaan met andere vrouwen, dat ik geen vergelijkingen kon maken, en geen gebreken zien. Alles in aanmerking genomen, hoop ik dus, dat onze verloving, hoe onverstandig die ook was, en sedert in elk opzicht is gebleken, toentertijd toch geen onnatuurlijke of onverschoonbaar dwaze daad is geweest.”De verandering, die enkele uren hadden bewerkstelligd in den geest en de gemoedsstemming der Dashwoods was zoo groot, dat zij allen, en niet zonder voldoening, een slapeloozen nacht tegemoet zagen. Mevrouw Dashwood, te gelukkig om kalm te zijn, wist niet hoe Edward genoeg te waardeeren, noch Elinor te prijzen;—hoe dankbaar genoeg te zijn voor zijn bevrijding zonder zijn fijngevoeligheid te kwetsen;—noch hoe zij hun tegelijkertijd gelegenheid zou schenken tot ongedwongen onderling gesprek, en tevens, zooals zij dat wenschte, zou kunnen genieten van beider aanblik en gezelschap.Marianne kon hare vreugde slechts uiten door tranen. Vergelijkingen drongen zich aan haarop; weemoedige herinneringen kwamen oprijzen; en hare blijdschap, hoewel oprecht als haar zusterlijke liefde, was er eene, die haar noch opgewekt, noch spraakzaam vermocht te doen zijn.Doch Elinor, hoeharegevoelens te beschrijven? Van af het oogenblik, waarop zij vernam, dat Lucy met een ander was gehuwd, dat Edward vrij was, tot aan dat, waarin hij de hoop in vervulling deed gaan, zoo plotseling daarop gevolgd, was zij beurtelings alles geweest, behalve kalm. Doch toen dat tweede oogenblik voorbij was,—toen zij elken twijfel, alle bezorgdheid voelde wijken,—toen zij haar toestand vergeleek bij wat die nog zoo kort geleden was geweest,—toen zij hem, met behoud van zijne eer, zag ontslagen van zijn vroegere verbintenis,—zag, hoe hij aanstonds gebruikmaakte van die bevrijding, door zich tot haar zelve te wenden, en de bekentenis af te leggen van eene liefde, zoo teeder en trouw als zij die altoos geloofd had te zijn,—toen was zij bezwaard, ja overstelpt door haar eigen geluksgevoel, en hoezeer ook des menschen geest gelukkigerwijze geneigd is, zich gemakkelijk te gewennen aan elke verandering ten goede, toch moesten meerdere uren verloopen eer haar gemoed zijne kalmte herkreeg, haar hart eenigermate tot rust kwam.Edward moest nu minstens een week te Barton blijven; want van welke andere verplichtingen hij zich ook had te kwijten, het was onmogelijk, dat een korter tijdsverloop dan eene week zou worden gewijd aan het genot van Elinor’s gezelschap; of voldoende had kunnen zijn om de helft te zeggen van ’t geen er te zeggen viel over verleden, heden en toekomst; want hoewel in een paar uren van volijverig en onverpoosd gesprek meer onderwerpen kunnen worden behandeld, dan feitelijk aan twee redelijke wezens gemeenschappelijk belang kunnen inboezemen, bij gelieven is het toch anders gesteld. Tusschen hen is geen onderwerp afgehandeld,wordt geene mededeeling zelfs als gedaan beschouwd, wanneer zij niet minstens twintigmaal herhaald is.Lucy’s huwelijk, een bron van eindelooze en verklaarbare verbazing voor hen allen, vormde natuurlijk een der eerste onderwerpen van gesprek tusschen de gelieven, en Elinor’s bijzondere bekendheid met de beide partijen deed het in hare oogen in elk opzicht een der zonderlingste en onverklaarbaarste gebeurtenissen schijnen, die haar ooit waren ter oore gekomen. Hoe zij met elkaar in aanraking waren gekomen, en welke aantrekkingskracht Robert had verleid tot een huwelijk met een meisje, van wier schoonheid zij hem zelve zonder eenige bewondering had hooren spreken, een meisje nog wel, dat reeds verloofd was met zijn broeder, en om wier wil die broeder door zijn familie was verstooten,—het ging haar begrip te boven. Haar eigen hart vond in het gebeurde reden tot groote blijdschap; haar verbeelding trof het als iets belachelijks; doch voor haar verstand, haar oordeel bleef het een onopgelost raadsel.Edward kon slechts pogen het te verklaren door de onderstelling, dat na eene eerste toevallige ontmoeting de ijdelheid van den een zoozeer gestreeld was door de vleierij der andere, dat hieruit van lieverlede al het overige was gevolgd. Elinor herinnerde zich, wat Robert haar in Harley Street had verteld aangaande zijne meening omtrent hetgeen zijne bemiddeling in zijn broeder’s aangelegenheid zou hebben uitgewerkt, zoo hij bijtijds ware tusschenbeide gekomen. Zij vertelde dit aan Edward.“Dàt was wel juist iets voor Robert,” merkte hij dadelijk op. “En dàt,” voegde hij erbij, “heeft hij misschien in het hoofd gehad, toen zij elkaar voor ’t eerst ontmoetten. Terwijl Lucy mogelijk in ’t begin alleen erop bedacht was, zijn voorspraak te mijnen gunste te winnen. Later kunnen toen wel andere plannen bij hen zijn opgekomen.”Hoelang die verstandhouding tusschen hen had bestaan, kon hij echter evenmin uitmaken als zijzelve; want te Oxford, waar hij bij voorkeur was gebleven sedert zijn vertrek uit Londen, had hij geen ander bericht omtrent haar kunnen ontvangen dan door haarzelve, en tot het allerlaatst waren hare brieven noch in aantal, noch in hartelijkheid verminderd. Geen de minste achterdocht was dus bij hem gerezen, om hem voor te bereiden op hetgeen gebeuren ging, en toen het hem ten slotte geheel onverwacht werd geopenbaard door een brief van Lucy zelve, was hij een tijdlang half verbijsterd geweest, dacht hij, door verbazing, ontzetting en vreugde over zulk een ongedachte verlossing. Hij liet Elinor den brief lezen.—“Geachte Heer.Daar ik zeer wel weet, dat ik reeds lang niet meer uwe liefde bezit, acht ik mij gerechtigd, de mijne aan een ander te schenken, en twijfel ik niet, of ik zal zoo gelukkig met hem worden als ik eens had gedacht te zullen zijn met u; maar ik acht het beneden mij, de hand aan te nemen van hem, wiens hart aan eene andere behoort. Ik wensch u oprecht geluk met uwe keuze, en zal het mijne schuld niet zijn, als wij niet steeds goede vrienden blijven, zooals nu ook behoorlijk is, daar wij naaste verwanten worden. Ik mag gerust zeggen, dat ik u geen kwaad hart toedraag, en ik weet wel, dat gij te edelmoedig zijt om ons te willen benadeelen. Uw broeder heeft mijn geheele hart gewonnen, en daar wij zonder elkander niet konden leven, zijn wij zooeven in den echt verbonden, en thans op weg naar Dawlish voor een paar weken, waarnaar uw broeder zeer verlangt; maar meende ik u eerst deze paar regels te moeten schrijven, en blijf steeds gaarne, u van harte alle goeds wenschend,uwe vriendin en zusterLucy Ferrars.Ik heb al uwe brieven verbrand, en zal uw portret bij de eerstvolgende gelegenheid terugzenden. Verscheur als ’t u blieft mijn gekrabbel; den ring met mijn haar moogt ge gerust behouden.”Elinor las den brief, en gaf dien zonder iets te zeggen terug.“Ik zal maar niet vragen wat je denkt van den stijl,” zei Edward. “Ik had voor geen geld van de wereld gewild vroeger, dat een brief van haar onder je oogen was gekomen. ’t Is al erg genoeg als eene zuster zoo schrijft; maar je eigen vrouw! Hoe dikwijls kreeg ik een kleur van schaamte bij ’t lezen van haar brieven; en ik geloof wel, te mogen zeggen, dat sedert het eerste half jaar van die dwaze... geschiedenis, dit de eerste brief is geweest, dien ik van haar ontving, waarvan de inhoud de stijlfouten eenigszins vergoedde.”“Hoe het dan ook zoover is gekomen,” zeide Elinor na een poos van stilte, “getrouwdzijnze nu. En je moeder heeft zich hare verdiende straf op den hals gehaald. De onafhankelijkheid, die zij Robert verzekerde, uit verbittering jegens jou, heeft hem in staat gesteld, zijn eigen keuze te volgen, en door hem die duizend pond in het jaar te schenken, heeft zij feitelijk bewerkt, dat de eene zoon het plan volvoerde, wegens welks beraming zij den anderen had onterfd. Het zal haar wel niet minder grieven, denk ik, dat Robert met Lucy is getrouwd, dan dat jij haar tot vrouw hadt gekregen.”“Het grieft haar dieper; want van Robert hield zij altoos het meest. Het grieft haar dieper; maar om diezelfde reden zal ze hem veel eerder vergiffenis schenken.”Hoe de zaken op het oogenblik tusschen hen stonden, wist Edward niet; want hij had nog met geen zijner familieleden gepoogd in verbinding te treden. Nog geen vierentwintig uren na de komst van Lucy’s brief had hij Oxford verlaten; en met slechts één doel voor oogen, de naaste weg naarBarton, had hij nog geen tijd gehad, eenig voornemen op te vatten, dat niet met dien weg in het nauwste verband stond. Hij kon niets doen, eer hij wist, hoe Elinor over zijn lot zou beslissen, en uit de snelheid, waarmede hij die beslissing zocht, mocht men opmaken,—ondanks de jaloezie, waarmede hij eenmaal aan Kolonel Brandon had gedacht,—ondanks zijn bescheiden meening omtrent zijn eigen verdiensten, en de beleefdheid, die hem van zijn twijfel deed spreken, dat hij over ’t geheel op geen al te wreedaardige ontvangst had gerekend. Hij behoorde echter te beweren, dat hij dit wèl had gedaan, en hij zeide dit dan ook, zooals het betaamde. Wat hij een jaar later omtrent dit onderwerp zou hebben te vertellen, laat ik over aan de verbeelding van echtelieden.Dat Lucy stellig bedoeld had, hem te bedriegen, en hem, met eene uiting van boosaardigen triomf in hare opdracht aan Thomas, zijn afscheid te geven, was Elinor volkomen duidelijk; en Edward zelf, die haar karakter thans goed doorzag, gaf onbewimpeld te kennen, dat hij haar, in hare roekelooze boosaardigheid, tot het allerlaagste in staat achtte. Hoewel hem de oogen reeds lang waren opengegaan, zelfs eer hij Elinor leerde kennen, voor hare onwetendheid en het gemis van ruimheid in sommige harer opvattingen, had hij dit alles aan haar gebrekkige opvoeding geweten, en totdat hij haar laatsten brief ontving, had hij altoos gedacht, dat zij een welmeenend, goedhartig meisje was, en dat zij voor hem eene oprechte genegenheid koesterde. Niets dan deze overtuiging kon hem hebben belet, een einde te maken aan eene verloving, die lang eer de ontdekking ervan hem blootstelde aan zijn moeder’s toorn, een aanhoudende oorzaak van onrust en verdriet voor hem was geweest.“Ik achtte het mijn plicht,” zeide hij, “afgezien van mijn eigen gevoelens, haar de keus te laten, of zij de verloving wilde verbreken, of niet, toen ikdoor mijne moeder werd verstooten, en het scheen, alsof ik in de wereld stond zonder een enkelen vriend, die mij had kunnen bijstaan. Hoe kon ik, in zulke omstandigheden, waarin niets verlokkends gelegen scheen voor de hebzucht of de ijdelheid van eenig menschelijk wezen, veronderstellen, toen zij zoo ernstig en hartelijk er op aandrong, mijn lot te deelen, hoe het ook mocht zijn, dat iets anders dan de meest onbaatzuchtige genegenheid haar daartoe noopte? En zelfs nu kan ik niet begrijpen, door welke beweegreden zij werd gedreven, of welk gewaand voordeel zij erin zag, gebonden te zijn aan een man, voor wien zij geen spoor van liefde gevoelde, en die slechts tweeduizend pond zijn eigendom kon noemen. Zij kon niet vooruit weten, dat Kolonel Brandon mij eene predikantsplaats zou bezorgen.”“Neen; maar zij geloofde allicht, dat er iets gebeuren kon in je voordeel; dat je eigen familie ten slotte zou toegeven. En in elk geval verloor zij er niets bij, als zij de verloving liet voortduren; want zij heeft bewezen, dat deze haar noch in hare neigingen, noch in hare daden belemmerde. De relatie was zeer zeker waardevol, en verschafte haar waarschijnlijk eenig aanzien onder hare vrienden, en als zich niets voordeeligers opdeed, was het beter voor haar, met jou te trouwen dan ongehuwd te blijven.”Het sprak van zelf, dat Edward aanstonds inzag, hoe niets natuurlijker kon zijn geweest dan Lucy’s gedrag, en niets meer verklaarbaar, dan de beweegreden, die haar ertoe had gedreven.Elinor berispte hem, streng, als dames steeds eene onvoorzichtigheid berispen, die voor haarzelve vleiend is, omdat hij zooveel tijd bij hen te Norland had doorgebracht, toen hij zich toch bewust moest zijn geweest van zijn eigen ontrouw.“Je gedrag was werkelijk zeer verkeerd,” zeide zij; “omdat, mijn eigen overtuiging nu nog daargelaten,onze verwanten er allen aanleiding in vonden, zich te verbeelden en te verwachten, wat in de omstandigheden, waarin jetoenverkeerde, nooit gebeuren kon.”Het eenige wat hij hiertegen kon inbrengen was, dat hij zijn eigen hart niet had gekend, en te veel gewicht had gehecht aan de bindende kracht van zijne verloving.“Ik was onnoozel genoeg, om te gelooven, dat er, daar ik mijne trouw aan eene andere had verpand, geen gevaar was te duchten van ons beider samenzijn; en dat het besef, dat ik verloofd was, mijn hart even veilig en ongerept zou doen blijven, als mijne eer. Ik voelde, dat ik je bewonderde; maar ik zeide tot mijzelf, dat het enkel vriendschap was, en totdat ik vergelijkingen begon te maken tusschen jou en Lucy, wist ik niet, hoever het reeds met mij was gekomen. Daarna geloof ik wel, dat ik verkeerd deed door zoo dikwijls in Sussex te vertoeven, en de argumenten, waarmede ik mijzelf poogde te overtuigen dat hierin geen kwaad stak, kwamen op niet veel beters neer dan dit: “Ik ben de eenige, die gevaar loopt; ik doe niemand kwaad dan mijzelf.”Elinor glimlachte, en schudde haar hoofd.Edward hoorde met genoegen, dat Kolonel Brandon te Barton werd verwacht; daar hij werkelijk niet alleen wenschte, hem beter te leeren kennen; maar ook, om gelegenheid te vinden, hem te overtuigen, dat hij niet afkeerig was van de predikantsplaats te Delaford. “Terwijl thans,” zeide hij, “na de weinig beminnelijke wijze, waarop ik mijn dank bij die gelegenheid heb uitgesproken, de Kolonel wel zou kunnen denken, dat ik hem die aanbieding nooit heb kunnen vergeven.” Nu was hij er zelf verbaasd over, dat hij Delaford nog niet had bezocht. Maar hij had zoo weinig belang gesteld in de zaak, dat hij al zijne kennis omtrent het huis, den tuin en den bouwgrond, de grootte der gemeente, den toestand van het land, en deopbrengst der tienden, te danken had aan Elinor zelve, die er door Kolonel Brandon zooveel van had vernomen, en daarbij zoo aandachtig had geluisterd, dat zij thans volkomen op de hoogte was.Eene vraag bleef hierna slechts onbeslist tusschen hen; eene moeilijkheid viel nog slechts te overwinnen. Zij waren tezamengebracht door wederzijdsche genegenheid, met de hartelijkste goedkeuring hunner waarachtige vrienden; hunne innig vertrouwde bekendheid met elkander scheen hun geluk te waarborgen, en zij verlangden nu alleen het noodige om van te leven.Edward bezat tweeduizend pond, en Elinor duizend, hetgeen met de predikantsplaats te Delaford, alles was, wat zij hun eigendom konden noemen; want het was niet mogelijk, dat Mevrouw Dashwood hun iets zou afstaan, en zij waren geen van beiden verliefd genoeg, om te denken dat driehonderdvijftig pond in het jaar hun een behagelijk bestaan zou verschaffen.Edward liet nog niet alle hoop varen op eene gunstige verandering in zijne moeder te zijnen opzichte, en hierop rekende hij, wat de rest van hun inkomen betrof. Elinor echter vertrouwde hierop niet; want daar Edward nog steeds met Juffrouw Morton zou kunnen trouwen, en Mevrouw Ferrars, op haar vleiende manier, het slechts voor een geringer kwaad had verklaard, als hij háár, inplaats van Lucy Steele had gekozen, vreesde zij, dat Robert’s vergrijp tot niets anders zou dienen, dan om Fanny te verrijken. Omstreeks vier dagen na Edward’s komst verscheen Kolonel Brandon, om Mevrouw Dashwood’s voldoening te volmaken, en haar het trotsche gevoel te schenken, voor de eerste maal sedert zij te Barton woonde, van meer gasten te hebben, dan zij in haar huis bergen kon. Edward mocht zijn recht als eerstgekomene doen gelden, en dus wandelde Kolonel Brandon iederen avond naar zijn oud kwartier op Het Park, vanwaarhij gewoonlijk ’s morgens terugkeerde, vroeg genoeg om het tête-à-tête der gelieven te storen, voor het ontbijt.Een verblijf van drie weken te Delaford, waar hij, althans in de avonduren, weinig anders te doen had, dan de ongunstige verhouding na te rekenen tusschen zes en dertig en zeventien, deed hem naar Barton komen in eene stemming, die, ondanks Marianne’s merkbaar verbeterden gezondheidstoestand, haar hartelijke verwelkoming, en de bemoedigende verzekeringen van hare moeder, nog steeds niet vroolijk kon worden genoemd. Onder zulke vrienden echter, en bij zooveel voorkomendheid leefde hij werkelijk op. Nog had hij niets vernomen van Lucy’s huwelijk; hij wist niets van ’t geen er gebeurd was, en dus gaven de eerste uren van zijn bezoek ruim stof tot aanhooren en zich verbazen. Alles werd hem door Mevrouw Dashwood verklaard, en hij verheugde zich te meer over ’t geen hij voor den Heer Ferrars had gedaan, nu het ten slotte bleek, dat hij Elinor’s belang daardoor had bevorderd.Het zou onnoodig zijn, te zeggen, dat met de nadere kennismaking de wederzijdsche waardeering der beide heeren gelijken tred hield; want het had moeilijk anders kunnen zijn. Hunne overeenstemming in zuivere beginselen en helder oordeel, in geaardheid en denkwijze, zou waarschijnlijk voldoende zijn geweest om hen vriendschap te doen sluiten, zonder dat eenige andere aantrekking daartoe medewerkte; maar dat zij hun liefde hadden geschonken aan twee zusters, en twee zusters die veel van elkaar hielden, deed onvermijdelijk en onmiddellijk de wederzijdsche genegenheid ontstaan, die anders misschien zou hebben gewacht op de uitwerking van den tijd, en rijper nadenken.De brieven uit de stad, die eenige dagen tevoren iedere zenuw in Elinor’s lichaam zouden hebben doen trillen van verrukking, kwamen nu aan; omte worden gelezen met meer vroolijkheid dan ontroering. Mevrouw Jennings schreef, om het wonderlijke bericht te vertellen, haar eerlijke verontwaardiging te uiten jegens het meisje dat zoo grillig haar minnaar verwierp, en al haar medelijden uit te storten over dien armen Mijnheer Edward, die naar zij stellig geloofde, gedweept had met dat ondeugende ding, en nu, naar zij hoorde, diep wanhopig te Oxford zat. “Ik moet zeggen,” ging ze voort, “het was buitengewoon slim overlegd; want nog geen twee dagen te voren had Lucy mij opgezocht, en zat een paar uren bij mij te praten. Geen mensch, die er iets van vermoedde; zelfs Anne niet, die arme ziel, die den volgenden dag schreiende bij mij kwam, doodsbang voor Mevrouw Ferrars en omdat ze niet wist, hoe naar Plymouth te komen; want het blijkt, dat Lucy eer ze wegging om te trouwen, al Anne’s geld had geleend; zeker om er vertooning mee te maken, en die arme Anne had geen zeven shillings in haar beurs;—ik gaf haar met pleizier vijf guineas, om naar Exeter te reizen, waar ze een week of drie vier bij Mevrouw Burgess dacht te logeeren, natuurlijk in de hoop, zooals ik haar al zei, den dokter daar weer te ontmoeten. En ik moet zeggen, die onaardigheid van Lucy, om haar niet mee in het rijtuig te nemen, vind ik het ergst van alles. Arme Mijnheer Edward! Ik kan hem niet uit mijn hoofd zetten; maar jelui moet hem naar Barton halen; en dan moet Marianne beproeven hem te troosten.”De Heer Dashwood schreef in ernstiger trant. Mevrouw Ferrars was de ongelukkigste van alle vrouwen—de arme Fanny had door hare gevoeligheid onbeschrijfelijke kwellingen verduurd—en hij beschouwde het als eene reden tot dankbare verwondering, dat beiden na zulk een slag nog in leven waren gebleven. Robert’s vergrijp was onvergefelijk; maar Lucy had zich oneindig erger misdragen. Beider naam mocht ten aanhoore vanMevrouw Ferrars niet meer worden genoemd, en zelfs al zou zij er later toe kunnen komen, haar zoon te vergeven, zijne vrouw zou nooit als hare dochter worden erkend; noch vergunning verkrijgen, zich in hare tegenwoordigheid te vertoonen. De geheimzinnigheid, die zij bij alles hadden in acht genomen, werd zeer terecht aangemerkt als eene omstandigheid, die hunne misdaad ontzaglijk verzwaarde; want wanneer de anderen eenig vermoeden hadden opgevat van ’t geen er gaande was, dan waren er maatregelen genomen om het huwelijk te beletten, en hij vroeg Elinor in gemoede, of zij het niet met hem betreurde, dat Lucy’s verloving met Edward niet liever was doorgegaan, dan dat zij op deze wijze nog meer onheil had gesticht in hun familie. Hij ging voort:“Mevrouw Ferrars heeft nog nooit Edward’s naam genoemd, ’t geen ons niet verwondert; maar tot onze verbazing heeft zij geen woord van hem vernomen bij deze gelegenheid. Misschien is zijn zwijgen toe te schrijven aan de vrees, haar te beleedigen, en ik zal hem dus een wenk geven, in een brief naar Oxford, dat zijn zuster en ik beiden denken, dat een schrijven van hem, waarin hij op betamelijke wijze blijk geeft van eene onderworpen gezindheid (geadresseerd aan Fanny bijvoorbeeld, en door haar vertoond aan hare moeder) mogelijk in goede aarde zou vallen; want wij weten allen, welk een teeder hart Mevrouw Ferrars bezit, en dat zij niets zoozeer wenscht, als met hare kinderen in goede verstandhouding te leven.”Deze zinsnede was van gewicht, zoo voor Edward’s vooruitzichten als zijn gedrag. Hij werd erdoor bewogen een poging te doen tot verzoening, al was het dan niet precies op de wijze, door hun broeder en zuster aangegeven.“Een schrijven waarin ik op betamelijke wijze blijk geef van een onderwerpen gezindheid!” herhaalde hij; “zouden ze vinden, datikmoeder vergiffenismoet vragen voor Robert’s ondankbaarheid jegens háár, en oneerlijkheid tegenovermij?—Ik bèn niet gezind mij te onderwerpen; het gebeurde heeft mij noch nederig gestemd, noch berouwvol. Alleen maar zeer gelukkig; en dat vindt zij van geen belang. Ik zie de betamelijkheid van onderwerping niet in, in mijn geval.”“Je moogt toch stellig om vergeving vragen,” zeide Elinor, “omdat je haar verdriet hebt gedaan; en ik zou denken, dat je nù wel zoo ver mocht gaan, eenige spijt te toonen, dat je ooit de verloving hebt aangegaan, die je moeder’s toorn heeft opgewekt.”Hij gaf toe, dat hij dit wel zou kunnen doen.“En als ze je heeft vergeven, dan zou een weinigje nederigheid je wel passen, wanneer je haar vertelt van een tweede verloving, in hare oogen haast even onvoorzichtig als de eerste.”Daartegen had hij niets in te brengen; maar het denkbeeld van een onderworpen brief stond hem nog steeds niet aan; en om het hem gemakkelijker te maken, daar hij veel eerder bereid scheen, mondeling zoete broodjes te bakken, dan op papier, werd er besloten dat hij, inplaats van aan Fanny te schrijven, naar Londen zou gaan, en persoonlijk haar tusschenkomst te zijnen behoeve zou verzoeken.“En als ze werkelijk hun best doen,” zei Marianne in haar nieuwe rol van onpartijdige toeschouwster, “om een verzoening tot stand te brengen, dan vind ik van nu af zelfs in John en Fanny nog wel iets goeds.”Toen Kolonel Brandon’s bezoek na een dag of vier was afgeloopen, vertrokken de beide heeren samen uit Barton. Zij zouden eerst naar Delaford gaan, opdat Edward zijn toekomstig tehuis zou kunnen in oogenschouw nemen, en met zijn beschermer en vriend zou kunnen overleggen, welke verbeteringen nog vielen aan te brengen; en na een paar dagen, te Delaford doorgebracht, zou hij verder doorreizen naar de stad.
Hoofdstuk XLVIMarianne’s ziekte had haar natuurlijk sterk aangegrepen, doch niet lang genoeg geduurd om haar herstel te vertragen, en met medewerking van haar jeugd, haar van nature sterk gestel en haar moeder’s bijzijn, was zij weldra zoo veel beter, dat zij vier dagen na haar moeder’s aankomst, kon worden overgebracht naar Mevrouw Palmer’s kleedkamer. Hier verzocht zij uit eigen beweging, dat Kolonel Brandon haar zou komen bezoeken, daar zij ongeduldig verlangde, hem te danken, omdat hij hare moeder had gehaald.Zijne ontroering, toen hij de kamer binnentrad, haar zoo veranderd zag, en de vermagerde hand drukte, die zij hem dadelijk toestak, deed Elinor vermoeden, dat die aandoening haar oorsprong vond in méér dan zijne liefde voor Marianne, of het besef, dat anderen hiervan wisten, en spoedig bespeurde zij in zijn droefgeestigen blik en wisselende gelaatskleur, terwijl hij hare zuster aanzag, dat waarschijnlijk de levendige herinnering aan vele treurige tooneelen uit het verleden bij hem was wakker geroepen, door die gelijkenis tusschen Marianne en Eliza, waarvan hij reeds melding had gemaakt, en die thans nog werd verhoogd door de bleeke tint, de ingezonken oogen, de liggende houding der nog zwakke herstellende, zoowel als haar innige erkentelijkheid voor haar in ’t bijzonder bewezen goedheid.Mevrouw Dashwood, niet minder oplettend dan hare dochter waarnemend hetgeen hier voorviel, doch onder den invloed van geheel andere gedachten, en zich dus ook een geheel ander beeld vormend uit die waarneming, zag niets in des Kolonelshouding, dan ’t geen zij het gevolg achtte van zeer eenvoudige en vanzelfsprekende gewaarwordingen, terwijl zij zich verbeeldde, te bespeuren dat in Marianne’s handelingen en woorden reeds iets meer doorschemerde dan dankbaarheid.Toen nog een paar dagen waren verstreken, en Marianne met iederen dag zichtbaar sterker werd, begon Mevrouw Dashwood, zoowel op aandringen harer dochters, als gedreven door haar eigen wensch, ervan te spreken, naar Barton terug te keeren. Vanharemaatregelen hingen die harer beide vrienden af; Mevrouw Jennings kon Cleveland niet verlaten, zoolang de Dashwoods er logeerden, en op aller verlangen werd Kolonel Brandon spoedig overgehaald, zijn verblijf aldaar als even vast, zooal niet als even onmisbaar te beschouwen. Geholpen door Mevrouw Jennings, wist hij Mevrouw Dashwood te bewegen, gebruik te maken van het aanbod van zijn rijtuig op de terugreis, dat haar zieke dochter meer gemak zou kunnen bieden, en daarvoor beloofde hij, toegevend aan het eenparig verzoek van Mevrouw Dashwood en Mevrouw Jennings, wier bereidwillige goedhartigheid haar noopte, hartelijk en gastvrij te zijn voor anderen zoowel als voor zichzelve, dat hij met genoegen haar over een paar weken te Barton Cottage zou komen opzoeken.De dag van hun afscheid en vertrek brak aan; en na een lang en hartelijk vaarwel aan Mevrouw Jennings, waarin zij uiting gaf aan al de innige dankbaarheid, den eerbied en de vriendschappelijke gevoelens, die zij te meer zich bewust was verschuldigd te zijn, door het stille besef van vroegere tekortkoming,—terwijl zij Kolonel Brandon goeden dag zeide als een vertrouwden vriend,—werd Marianne door hem zorgvuldig in het rijtuig geholpen, waarin hij volstrekt wilde, dat zij minstens de helft der ruimte in beslag nam. Daarna volgden Mevrouw Dashwood en Elinor, en de anderen bleven achter, om te spreken over dereizigers, en zich mistroostig te voelen in hun verlatenheid; totdat Mevrouw Jennings geroepen werd voor een ritje, waarbij zij zich met het gepraat van haar kamenier kon troosten over ’t verlies harer jonge vriendinnen; terwijl Kolonel Brandon dadelijk daarna in eenzaamheid zijns weegs ging naar Delaford. De Dashwoods bleven twee dagen onderweg, en Marianne verdroeg de reis zonder al te groote vermoeienis. Al wat de meest dienstvaardige genegenheid, de ijverigste zorg konden doen om haar gemak te verschaffen, was de taak van haar beide oplettende gezellinnen, en beiden zagen zich beloond door haar lichamelijk welbevinden en de kalmte van haar geest. Voor Elinor was het vooral bevredigend, die laatste bijzonderheid op te merken. Zij, die haar weken achtereen aanhoudend had zien lijden, gepijnigd door een zielsverdriet, dat zij den moed niet had te openbaren, noch de kracht om te verbergen, zag thans, met een blijdschap, die geen ander in zoo hooge mate kon gevoelen, een blijkbare gemoedsrust, die, daar zij de uitkomst was, naar zij geloofde, van ernstig nadenken, haar zuster ten slotte tot tevredenheid en ware vroolijkheid zou leiden.Wel werd Marianne, toen zij Barton naderden, en het landschap terugzagen, waarin aan elk veld, aan iederen boom eenige bijzondere en pijnlijke herinnering verbonden was, stil en nadenkend; zij wendde haar gelaat af en zat ernstig uit het venster te staren. Hier echter vond Elinor reden tot verwondering, noch afkeuring, en toen zij, Marianne uit het rijtuig helpend, zag, dat deze geschreid had, zag zij slechts eene ontroering, te natuurlijk, om iets minder teeders dan medelijden te wekken, en welke eer lof verdiende, wijl zij zich zoo onopvallend vermocht te uiten. In haar geheele verdere houding bespeurde zij de richting van een geest, die gewekt is tot redelijke inspanning; want zoodra zij de huiskamer binnentraden, zag Marianne om zichheen, met een vastberaden blik, alsof zij besloten had, zich dadelijk te gewennen aan het gezicht van ieder voorwerp, waarmede de herinnering aan Willoughby was verbonden. Zij sprak weinig; maar al wat zij zeide, had de bedoeling, vroolijk te zijn; en hoewel haar somtijds een zucht ontsnapte, gleed deze niet over haar lippen, zonder dat zij dien door een glimlach had vergoed. Na den eten wilde zij haar piano eens probeeren. Zij ging erheen: doch de muziek, waarop het eerst haar oog viel, was eene opera, die Willoughby haar had gezonden, en die enkele hunner geliefkoosde duetten bevatte; terwijl op het schutblad haar naam door zijne hand geschreven stond. Dat ging niet.—Zij schudde haar hoofd, legde de muziek terzijde, liet even de vingers over de toetsen glijden, zeide, dat haar vingers te zwak geworden waren, en sloot het instrument; terwijl zij echter haar stellig voornemen te kennen gaf, in ’t vervolg hard te zullen studeeren.Den volgenden morgen was nog geen vermindering te bespeuren van al deze gunstige verschijnselen. Integendeel, naar lichaam en geest verkwikt door de rust, verried zij in blik en stem meer echte opgewektheid, zag met blijdschap Margaret’s terugkomst tegemoet, en sprak van hun genoeglijk kringetje dat dan weer als van ouds samen zou zijn, van hun verschillende bezigheden en hun vroolijk gezelschap, als het eenig geluk, dat wenschenswaard mocht genoemd worden,“Als het weer gestadig wordt, en ik weer even sterk ben als vroeger,” zei ze, “dan gaan we samen elken dag lange wandelingen doen. We zullen naar de boerderij gaan aan den rand van de heide, en zien hoe de kinderen het maken; we zullen een wandeling doen naar Sir John’s nieuwe aanplantingen te Barton Cross en Abbeyland; en dikwijls zullen we een tochtje doen naar de bouwvallen van de abdij, en trachten de grondvesten na te speuren, zoover als men zegt, dat ze eenmaal zich uitstrekten.Ik denk dat we ’t heerlijk zullen hebben. Ik weet, dat de zomer genoeglijk zal voorbijgaan. Ik wil nooit later dan om zes uur opstaan, en tusschen ’t ontbijt en het eten zal ik elk oogenblik besteden aan muziek en lectuur. Ik heb mijn plannen al gemaakt, en ben vast voornemens nu eens ernstig aan de studie te gaan. Onze eigen bibliotheek ken ik te goed om er anders dan voor louter genoegen gebruik van te maken. Maar op het Park zijn veel boeken, die de moeite wel waard zijn, en andere, nieuwere werken weet ik, die ik van Kolonel Brandon kan leenen. Als ik maar zes uur per dag aan lezen besteed, dan kan ik in een jaar veel leeren, waarvan de kennis mij nu nog ontbreekt.”Elinor had eerbied voor een voornemen, dat uit zulke edele bedoelingen voortsproot; hoewel zij glimlachte, nu zij dezelfde vurige verbeelding, die haar vervoerd had tot het uiterste in haar matte traagheid en zelfzuchtig beklag, thans aan het werk zag bij het overdrijven van een plan, dat toch verstandige bezigheid en deugdzame zelfbeheersching beoogde. Haar glimlach maakte echter plaats voor een zucht, toen zij zich herinnerde, dat hare belofte aan Willoughby nog niet was vervuld; en zij vreesde, dat hare mededeeling Marianne weer met onrust zou vervullen, en althans voorloopig dit goede vooruitzicht van bedrijvige kalmte zou bederven. Daar zij dus geneigd was tot het verschuiven van dat ongewenschte oogenblik, besloot zij, te wachten tot haar zuster’s gezondheid zich volkomen zou hebben hersteld, eer zij het deed aanbreken. Doch dit besluit werd slechts genomen, om te worden verijdeld.Marianne was reeds twee of drie dagen thuis geweest eer het weer mooi genoeg was, om toe te laten, dat eene herstellende zieke als zij zich buiten waagde. Eindelijk echter kwam een zachte, uitlokkende morgen; uitlokkend genoeg, om den wensch der dochter, zoowel als het vertrouwen dermoeder te rechtvaardigen, en Marianne, steunend op Elinor’s arm, kreeg vergunning te wandelen zoolang zij zich niet vermoeid gevoelde, in de laan voor hun huis.De zusters begaven zich op weg, zoo langzaam als Marianne’s zwakte, sedert haar ziekte nog niet op deze wijze op de proef gesteld, vereischte,—en zij waren slechts zoover voorbij het huis gekomen dat zij het volle gezicht konden hebben op den heuvel, den gewichtigen heuvel, achter hun huisje gelegen, toen Marianne, die stilstond om in die richting te zien, bedaard zeide:“Dáár,—kijk, dáár op die plek,”—(zij wees ernaar met haar vinger,) “was het, dat ik viel; en daar heb ik voor ’t eerst Willoughby gezien.”Hare stem werd zachter bij het noemen van dien naam; doch iets levendiger voegde zij erbij:“Ik ben blijde, nu ik bemerk, dat ik de plek met zoo weinig hartzeer kan terugzien!—Zullen wij ooit over dat onderwerp spreken, Elinor?” liet zij er aarzelend op volgen. “Of zou het verkeerd zijn? Ikkaner nu over spreken, hoop ik, zooals ik behoor te doen.”Elinor moedigde haar vol teederheid aan, zich uit te spreken.“Betreuren,” zei Marianne, “neen, wat hèm betreft, doe ik dat niet. Ik wil nu niet spreken van wat ik vroeger voor hem placht te gevoelen, maar van wat ik thans voel. Zooals het nu is—als ik maar één ding zeker wist—als ik mocht denken, dat hij nietaltooseen rol speelde, mij nietaltoosbedroog;—en vooral, als ik de zekerheid had, dat hij nooit zóó verdorven was geweest, als ik mij soms heb voorgesteld, sedert ik wist van dat arme meisje...”Zij zweeg. Elinor ving met blijdschap haar woorden op, en bewaarde ze in haar hart, terwijl zij antwoordde:“Als je dat zeker wist, dan zou je dat rust geven, geloof je.”“Ja. Mijn gemoedsvrede is er in dubbelen zin bij betrokken;—want het is niet alleen afschuwelijk, iemand, die voor ons geweest is wathijwas voormij, te verdenken van zulke plannen; maar wat moet ik mijzelve wel toeschijnen? Wàt anders, in mijn omstandigheden, dan een onvoorzichtigheid, waarover ik mij diep heb te schamen, kon mij blootstellen aan...”“Hoe zou jij zijn gedrag wel verklaren?” vroeg haar zuster.“Ik zou hem beschouwen als... o, hoe gaarne zou ik dat doen... alleen lichtzinnig,—heel, heel erg lichtzinnig.”Elinor zweeg. Inwendig overlegde zij, wat het beste zou zijn; nu aanstonds met haar verhaal te beginnen, of het uit te stellen, tot Marianne sterker was;—en een paar minuten wandelden zij zwijgend verder.“Ik wensch hem niet te veel goeds,” zei Marianne eindelijk met een zucht, “als ik hem toewensch, dat zijn stille overdenkingen niet droeviger mogen zijn dan de mijne. Hij zal er genoeg verdriet door hebben.”“Vergelijk je je eigen gedrag met het zijne?”“Neen. Ik vergelijk het, met ’t geen het had behooren te zijn; ik vergelijk het met dat van jou.”“Onze omstandigheden geleken niet veel op elkaar.”“Ze geleken meer op elkaar dan ons gedrag. Mijn liefste Elinor, verdedig niet uit vriendelijkheid, wat ik weet dat je helder oordeel moet afkeuren. Mijn ziekte heeft mij aan het denkengebracht—heeft mij den tijd en de kalmte geschonken, die noodig zijn voor ernstigen inkeer tot zichzelf. Lang eer ik weer sterk genoeg was om te spreken, was ik tot nadenken uitmuntend in staat. Ik beschouwde het verleden; ik zag mijn eigen gedrag, sedert onze eerste kennismaking met hem in den vorigen herfst, als eene aaneenschakeling van handelingen,onvoorzichtig tegenover mijzelve, en jegens anderen liefdeloos. Ik zag, dat mijn eigen gevoelens mijn lijden hadden voorbereid, en dat mijn gebrek aan draagkracht mij bijna had ten grave gebracht. Ik wist zeer goed, dat ik mij mijne ziekte zelve had op den hals gehaald, door mijne gezondheid te verwaarloozen op een wijze, waarvan ik zelfs toen reeds het verkeerde inzag. Als ik gestorven was, zou het door zelfmoord zijn geweest. Van het gevaar was ik mij niet bewust, eer het reeds was geweken; maar ik verbaas mij over mijn herstel, met gevoelens, zooals deze overdenkingen in mij wekken;—ik verbaas mij, dat niet de vurigheid van mijn wensch om te blijven leven, tijd te hebben om berouw te toonen tegenover God, en u allen, mij heeft gedood. Was ik gestorven, hoe diep verslagen zou ik je dan hebben achtergelaten, mijn trouwe verpleegster, vriendin en zuster! die al de verdrietige zelfzuchtigheid van mijn laatste levensdagen hadt gekend, voor wie het verzet in mijn hart niet was verborgen gebleven!—Hoe zou ik geleefd hebben in je herinnering!—En moeder! Hoe hadt je haar kunnen troosten!—Ik kan niet uitdrukken, hoe ik mijzelf verfoeide. Wáárheen ik zag in het verleden, overal drong zich een verwaarloosde plicht aan mij op, of een onbestreden neiging. Ieder scheen door mij te kort gedaan. De onuitputtelijke goedheid van Mevrouw Jennings had ik vergolden met ondankbare minachting. Tegenover de Middletons, de Palmers, de Steeles, tegen al onze oppervlakkige bekenden zelfs, was ik lomp en onrechtvaardig geweest; ik had hun verdiensten niet willen inzien, en werd geprikkeld juist door hun voorkomendheid. Aan John, aan Fanny,—ja zelfs aan hen, al verdienen ze weinig,—had ik niet gegeven wat hun toekwam. Maar jou vooral, meer nog dan moeder, had ik onrecht aangedaan. Ik, en ik alleen, wist, wat omging in je hart en, hoe je hebt geleden;—en toch, waartoebewoog dit mij?—tot geen medelijden, dat voor of mijzelve eenige waarde had. Je voorbeeld had ik voor oogen, doch waartoe was het mij nut? Schonk ik meer aandacht aan jou en ’t geen je aangenaam kon zijn? Trachtte ik je verdraagzaamheid na te volgen, of je te ontheffen van zelfbedwang, door mijn aandeel te dragen in de verplichtingen, je opgelegd door algemeene welwillendheid of bijzondere reden tot dankbetoon, die je tot nog toe steeds alleen hadt moeten vervullen? Neen;—evengoed toen ik wist, dat je ongelukkig waart, als toen ik je nog tevreden waande, weigerde ik elke inspanning, die plicht of vriendschap van mij eischte; zag bijna niet in, dat er andere smart kòn bestaan dan de mijne; treurde enkel om dàt hart, dat mij verlaten en bitter gegriefd had, en liet toe, dat jij, voor wie ik onbegrensde genegenheid heette te koesteren, om mijnentwille ongelukkig waart.”Hier eindigde de heftige vloed van verwijten, tegen haarzelve gericht, en Elinor, innig verlangend haar gerust te stellen, ofschoon te eerlijk om haar te vleien, schonk haar gaarne den lof en de instemming, die haar openhartigheid en haar berouw ten volle verdienden. Marianne drukte haar hand en antwoordde:“Je bent wel goed. De toekomst alleen kan bewijzen dat ik waarheid spreek. Mijn plan is gevormd; en als ik bij machte ben, mij daaraan te houden, dan zullen mijn gevoelens worden beheerscht en mijn grillig humeur verbeterd. Zij zullen niet langer anderen tot last zijn, en mijzelve tot een kwelling. Ik wil van nu af aan slechts leven voor mijn familiekring. Jij, moeder en Margaret moeten voortaan voor mij de geheele wereld zijn; al mijn liefde zal tusschen jelui worden verdeeld. Nooit zal ik weer de geringste neiging gevoelen om jelui en mijn eigen thuis te verlaten, en als ik mij in het gezelschap van anderen begeef, dan zal dat alleen zijn, om te toonen, dat mijn geest nederiger, mijnhart beter is geworden, en dat ik met zachtheid en geduld beleefdheidvormen kan in acht nemen en de kleinere plichten des levens vervullen. Wat Willoughby betreft, het zou vruchteloos zijn, te zeggen, dat ik hem spoedig, dat ik hem ooit zal vergeten. De herinnering aan hem kan door geen verandering van omstandigheden of van zienswijze worden uitgewischt. Doch zij zal worden geregeld, worden in toom gehouden, door godsdienst, door rede, door voortdurende bezigheid.”Zij zweeg een oogenblik, en voegde erbij, met zachtere stem: “Als ik slechts kon weten, wat inzijnhart is omgegaan, dan zou alles gemakkelijk worden.”Elinor, die thans reeds eenigen tijd had overwogen, of het al dan niet geraden ware, spoedig te wagen aan haar verhaal te beginnen, zonder nader tot eenige beslissing te geraken, hoorde dit; en daar zij begreep, dat snel beraad alles moest doen, waar nadenken niet baatte, kwam zij al spoedig met de feiten voor den dag.Zij deed haar verhaal, naar zij hoopte, met omzichtigheid, bereidde de gretige luisterende voorzichtig voor; vertelde eenvoudig en eerlijk de hoofdzaken, waarop Willoughby zijne verdediging had gegrond; liet zijn berouw recht weervaren, en verzachtte alleen de betuigingen zijner voortdurende genegenheid.Marianne sprak geen woord; zij beefde; hare oogen bleven op den grond gevestigd, en uit hare lippen week het weinigje kleur, dat hare ziekte erin had overgelaten. Duizend vragen rezen op in haar binnenste, doch zij durfde geene enkele ervan uiten. Ademloos begeerig ving zij ieder woord op; zonder dat zij het wist, drukte hare hand vaster die harer zuster, en tranen stroomden over hare wangen.Elinor, vreezend dat zij vermoeid was, liet haar terugkeeren, en tot zij de deur van hun huisjebereikten, sprak zij, wel begrijpend, hoe groot Marianne’s nieuwsgierigheid moest zijn, ofschoon geen vraag deze onder woorden mocht brengen, van niets anders dan Willoughby en hun beider onderhoud, terwijl zij zorg droeg, de geringste bijzonderheden van woord en blik te vermelden, waar zij veilig in bijzonderheden treden kòn. Zoodra zij het huis waren binnengegaan, liet Marianne met een dankbaren kus, terwijl zij onder tranen slechts de woorden kon uitbrengen: “Zeg het aan mama,” hare zuster alleen, en ging langzaam de trap op. Elinor wilde niet pogen, eene eenzaamheid te storen, zoo natuurlijk gewenscht als de thans gezochte afzondering, en terwijl zij in haar geest reeds angstig de mogelijke gevolgen overwoog, en besloot, het onderwerp te hervatten, indien Marianne in gebreke bleef dit te doen, trad zij de huiskamer binnen, om Marianne’s daareven gegeven opdracht te vervullen.
Marianne’s ziekte had haar natuurlijk sterk aangegrepen, doch niet lang genoeg geduurd om haar herstel te vertragen, en met medewerking van haar jeugd, haar van nature sterk gestel en haar moeder’s bijzijn, was zij weldra zoo veel beter, dat zij vier dagen na haar moeder’s aankomst, kon worden overgebracht naar Mevrouw Palmer’s kleedkamer. Hier verzocht zij uit eigen beweging, dat Kolonel Brandon haar zou komen bezoeken, daar zij ongeduldig verlangde, hem te danken, omdat hij hare moeder had gehaald.
Zijne ontroering, toen hij de kamer binnentrad, haar zoo veranderd zag, en de vermagerde hand drukte, die zij hem dadelijk toestak, deed Elinor vermoeden, dat die aandoening haar oorsprong vond in méér dan zijne liefde voor Marianne, of het besef, dat anderen hiervan wisten, en spoedig bespeurde zij in zijn droefgeestigen blik en wisselende gelaatskleur, terwijl hij hare zuster aanzag, dat waarschijnlijk de levendige herinnering aan vele treurige tooneelen uit het verleden bij hem was wakker geroepen, door die gelijkenis tusschen Marianne en Eliza, waarvan hij reeds melding had gemaakt, en die thans nog werd verhoogd door de bleeke tint, de ingezonken oogen, de liggende houding der nog zwakke herstellende, zoowel als haar innige erkentelijkheid voor haar in ’t bijzonder bewezen goedheid.
Mevrouw Dashwood, niet minder oplettend dan hare dochter waarnemend hetgeen hier voorviel, doch onder den invloed van geheel andere gedachten, en zich dus ook een geheel ander beeld vormend uit die waarneming, zag niets in des Kolonelshouding, dan ’t geen zij het gevolg achtte van zeer eenvoudige en vanzelfsprekende gewaarwordingen, terwijl zij zich verbeeldde, te bespeuren dat in Marianne’s handelingen en woorden reeds iets meer doorschemerde dan dankbaarheid.
Toen nog een paar dagen waren verstreken, en Marianne met iederen dag zichtbaar sterker werd, begon Mevrouw Dashwood, zoowel op aandringen harer dochters, als gedreven door haar eigen wensch, ervan te spreken, naar Barton terug te keeren. Vanharemaatregelen hingen die harer beide vrienden af; Mevrouw Jennings kon Cleveland niet verlaten, zoolang de Dashwoods er logeerden, en op aller verlangen werd Kolonel Brandon spoedig overgehaald, zijn verblijf aldaar als even vast, zooal niet als even onmisbaar te beschouwen. Geholpen door Mevrouw Jennings, wist hij Mevrouw Dashwood te bewegen, gebruik te maken van het aanbod van zijn rijtuig op de terugreis, dat haar zieke dochter meer gemak zou kunnen bieden, en daarvoor beloofde hij, toegevend aan het eenparig verzoek van Mevrouw Dashwood en Mevrouw Jennings, wier bereidwillige goedhartigheid haar noopte, hartelijk en gastvrij te zijn voor anderen zoowel als voor zichzelve, dat hij met genoegen haar over een paar weken te Barton Cottage zou komen opzoeken.
De dag van hun afscheid en vertrek brak aan; en na een lang en hartelijk vaarwel aan Mevrouw Jennings, waarin zij uiting gaf aan al de innige dankbaarheid, den eerbied en de vriendschappelijke gevoelens, die zij te meer zich bewust was verschuldigd te zijn, door het stille besef van vroegere tekortkoming,—terwijl zij Kolonel Brandon goeden dag zeide als een vertrouwden vriend,—werd Marianne door hem zorgvuldig in het rijtuig geholpen, waarin hij volstrekt wilde, dat zij minstens de helft der ruimte in beslag nam. Daarna volgden Mevrouw Dashwood en Elinor, en de anderen bleven achter, om te spreken over dereizigers, en zich mistroostig te voelen in hun verlatenheid; totdat Mevrouw Jennings geroepen werd voor een ritje, waarbij zij zich met het gepraat van haar kamenier kon troosten over ’t verlies harer jonge vriendinnen; terwijl Kolonel Brandon dadelijk daarna in eenzaamheid zijns weegs ging naar Delaford. De Dashwoods bleven twee dagen onderweg, en Marianne verdroeg de reis zonder al te groote vermoeienis. Al wat de meest dienstvaardige genegenheid, de ijverigste zorg konden doen om haar gemak te verschaffen, was de taak van haar beide oplettende gezellinnen, en beiden zagen zich beloond door haar lichamelijk welbevinden en de kalmte van haar geest. Voor Elinor was het vooral bevredigend, die laatste bijzonderheid op te merken. Zij, die haar weken achtereen aanhoudend had zien lijden, gepijnigd door een zielsverdriet, dat zij den moed niet had te openbaren, noch de kracht om te verbergen, zag thans, met een blijdschap, die geen ander in zoo hooge mate kon gevoelen, een blijkbare gemoedsrust, die, daar zij de uitkomst was, naar zij geloofde, van ernstig nadenken, haar zuster ten slotte tot tevredenheid en ware vroolijkheid zou leiden.
Wel werd Marianne, toen zij Barton naderden, en het landschap terugzagen, waarin aan elk veld, aan iederen boom eenige bijzondere en pijnlijke herinnering verbonden was, stil en nadenkend; zij wendde haar gelaat af en zat ernstig uit het venster te staren. Hier echter vond Elinor reden tot verwondering, noch afkeuring, en toen zij, Marianne uit het rijtuig helpend, zag, dat deze geschreid had, zag zij slechts eene ontroering, te natuurlijk, om iets minder teeders dan medelijden te wekken, en welke eer lof verdiende, wijl zij zich zoo onopvallend vermocht te uiten. In haar geheele verdere houding bespeurde zij de richting van een geest, die gewekt is tot redelijke inspanning; want zoodra zij de huiskamer binnentraden, zag Marianne om zichheen, met een vastberaden blik, alsof zij besloten had, zich dadelijk te gewennen aan het gezicht van ieder voorwerp, waarmede de herinnering aan Willoughby was verbonden. Zij sprak weinig; maar al wat zij zeide, had de bedoeling, vroolijk te zijn; en hoewel haar somtijds een zucht ontsnapte, gleed deze niet over haar lippen, zonder dat zij dien door een glimlach had vergoed. Na den eten wilde zij haar piano eens probeeren. Zij ging erheen: doch de muziek, waarop het eerst haar oog viel, was eene opera, die Willoughby haar had gezonden, en die enkele hunner geliefkoosde duetten bevatte; terwijl op het schutblad haar naam door zijne hand geschreven stond. Dat ging niet.—Zij schudde haar hoofd, legde de muziek terzijde, liet even de vingers over de toetsen glijden, zeide, dat haar vingers te zwak geworden waren, en sloot het instrument; terwijl zij echter haar stellig voornemen te kennen gaf, in ’t vervolg hard te zullen studeeren.
Den volgenden morgen was nog geen vermindering te bespeuren van al deze gunstige verschijnselen. Integendeel, naar lichaam en geest verkwikt door de rust, verried zij in blik en stem meer echte opgewektheid, zag met blijdschap Margaret’s terugkomst tegemoet, en sprak van hun genoeglijk kringetje dat dan weer als van ouds samen zou zijn, van hun verschillende bezigheden en hun vroolijk gezelschap, als het eenig geluk, dat wenschenswaard mocht genoemd worden,
“Als het weer gestadig wordt, en ik weer even sterk ben als vroeger,” zei ze, “dan gaan we samen elken dag lange wandelingen doen. We zullen naar de boerderij gaan aan den rand van de heide, en zien hoe de kinderen het maken; we zullen een wandeling doen naar Sir John’s nieuwe aanplantingen te Barton Cross en Abbeyland; en dikwijls zullen we een tochtje doen naar de bouwvallen van de abdij, en trachten de grondvesten na te speuren, zoover als men zegt, dat ze eenmaal zich uitstrekten.Ik denk dat we ’t heerlijk zullen hebben. Ik weet, dat de zomer genoeglijk zal voorbijgaan. Ik wil nooit later dan om zes uur opstaan, en tusschen ’t ontbijt en het eten zal ik elk oogenblik besteden aan muziek en lectuur. Ik heb mijn plannen al gemaakt, en ben vast voornemens nu eens ernstig aan de studie te gaan. Onze eigen bibliotheek ken ik te goed om er anders dan voor louter genoegen gebruik van te maken. Maar op het Park zijn veel boeken, die de moeite wel waard zijn, en andere, nieuwere werken weet ik, die ik van Kolonel Brandon kan leenen. Als ik maar zes uur per dag aan lezen besteed, dan kan ik in een jaar veel leeren, waarvan de kennis mij nu nog ontbreekt.”
Elinor had eerbied voor een voornemen, dat uit zulke edele bedoelingen voortsproot; hoewel zij glimlachte, nu zij dezelfde vurige verbeelding, die haar vervoerd had tot het uiterste in haar matte traagheid en zelfzuchtig beklag, thans aan het werk zag bij het overdrijven van een plan, dat toch verstandige bezigheid en deugdzame zelfbeheersching beoogde. Haar glimlach maakte echter plaats voor een zucht, toen zij zich herinnerde, dat hare belofte aan Willoughby nog niet was vervuld; en zij vreesde, dat hare mededeeling Marianne weer met onrust zou vervullen, en althans voorloopig dit goede vooruitzicht van bedrijvige kalmte zou bederven. Daar zij dus geneigd was tot het verschuiven van dat ongewenschte oogenblik, besloot zij, te wachten tot haar zuster’s gezondheid zich volkomen zou hebben hersteld, eer zij het deed aanbreken. Doch dit besluit werd slechts genomen, om te worden verijdeld.
Marianne was reeds twee of drie dagen thuis geweest eer het weer mooi genoeg was, om toe te laten, dat eene herstellende zieke als zij zich buiten waagde. Eindelijk echter kwam een zachte, uitlokkende morgen; uitlokkend genoeg, om den wensch der dochter, zoowel als het vertrouwen dermoeder te rechtvaardigen, en Marianne, steunend op Elinor’s arm, kreeg vergunning te wandelen zoolang zij zich niet vermoeid gevoelde, in de laan voor hun huis.
De zusters begaven zich op weg, zoo langzaam als Marianne’s zwakte, sedert haar ziekte nog niet op deze wijze op de proef gesteld, vereischte,—en zij waren slechts zoover voorbij het huis gekomen dat zij het volle gezicht konden hebben op den heuvel, den gewichtigen heuvel, achter hun huisje gelegen, toen Marianne, die stilstond om in die richting te zien, bedaard zeide:
“Dáár,—kijk, dáár op die plek,”—(zij wees ernaar met haar vinger,) “was het, dat ik viel; en daar heb ik voor ’t eerst Willoughby gezien.”
Hare stem werd zachter bij het noemen van dien naam; doch iets levendiger voegde zij erbij:
“Ik ben blijde, nu ik bemerk, dat ik de plek met zoo weinig hartzeer kan terugzien!—Zullen wij ooit over dat onderwerp spreken, Elinor?” liet zij er aarzelend op volgen. “Of zou het verkeerd zijn? Ikkaner nu over spreken, hoop ik, zooals ik behoor te doen.”
Elinor moedigde haar vol teederheid aan, zich uit te spreken.
“Betreuren,” zei Marianne, “neen, wat hèm betreft, doe ik dat niet. Ik wil nu niet spreken van wat ik vroeger voor hem placht te gevoelen, maar van wat ik thans voel. Zooals het nu is—als ik maar één ding zeker wist—als ik mocht denken, dat hij nietaltooseen rol speelde, mij nietaltoosbedroog;—en vooral, als ik de zekerheid had, dat hij nooit zóó verdorven was geweest, als ik mij soms heb voorgesteld, sedert ik wist van dat arme meisje...”
Zij zweeg. Elinor ving met blijdschap haar woorden op, en bewaarde ze in haar hart, terwijl zij antwoordde:
“Als je dat zeker wist, dan zou je dat rust geven, geloof je.”
“Ja. Mijn gemoedsvrede is er in dubbelen zin bij betrokken;—want het is niet alleen afschuwelijk, iemand, die voor ons geweest is wathijwas voormij, te verdenken van zulke plannen; maar wat moet ik mijzelve wel toeschijnen? Wàt anders, in mijn omstandigheden, dan een onvoorzichtigheid, waarover ik mij diep heb te schamen, kon mij blootstellen aan...”
“Hoe zou jij zijn gedrag wel verklaren?” vroeg haar zuster.
“Ik zou hem beschouwen als... o, hoe gaarne zou ik dat doen... alleen lichtzinnig,—heel, heel erg lichtzinnig.”
Elinor zweeg. Inwendig overlegde zij, wat het beste zou zijn; nu aanstonds met haar verhaal te beginnen, of het uit te stellen, tot Marianne sterker was;—en een paar minuten wandelden zij zwijgend verder.
“Ik wensch hem niet te veel goeds,” zei Marianne eindelijk met een zucht, “als ik hem toewensch, dat zijn stille overdenkingen niet droeviger mogen zijn dan de mijne. Hij zal er genoeg verdriet door hebben.”
“Vergelijk je je eigen gedrag met het zijne?”
“Neen. Ik vergelijk het, met ’t geen het had behooren te zijn; ik vergelijk het met dat van jou.”
“Onze omstandigheden geleken niet veel op elkaar.”
“Ze geleken meer op elkaar dan ons gedrag. Mijn liefste Elinor, verdedig niet uit vriendelijkheid, wat ik weet dat je helder oordeel moet afkeuren. Mijn ziekte heeft mij aan het denkengebracht—heeft mij den tijd en de kalmte geschonken, die noodig zijn voor ernstigen inkeer tot zichzelf. Lang eer ik weer sterk genoeg was om te spreken, was ik tot nadenken uitmuntend in staat. Ik beschouwde het verleden; ik zag mijn eigen gedrag, sedert onze eerste kennismaking met hem in den vorigen herfst, als eene aaneenschakeling van handelingen,onvoorzichtig tegenover mijzelve, en jegens anderen liefdeloos. Ik zag, dat mijn eigen gevoelens mijn lijden hadden voorbereid, en dat mijn gebrek aan draagkracht mij bijna had ten grave gebracht. Ik wist zeer goed, dat ik mij mijne ziekte zelve had op den hals gehaald, door mijne gezondheid te verwaarloozen op een wijze, waarvan ik zelfs toen reeds het verkeerde inzag. Als ik gestorven was, zou het door zelfmoord zijn geweest. Van het gevaar was ik mij niet bewust, eer het reeds was geweken; maar ik verbaas mij over mijn herstel, met gevoelens, zooals deze overdenkingen in mij wekken;—ik verbaas mij, dat niet de vurigheid van mijn wensch om te blijven leven, tijd te hebben om berouw te toonen tegenover God, en u allen, mij heeft gedood. Was ik gestorven, hoe diep verslagen zou ik je dan hebben achtergelaten, mijn trouwe verpleegster, vriendin en zuster! die al de verdrietige zelfzuchtigheid van mijn laatste levensdagen hadt gekend, voor wie het verzet in mijn hart niet was verborgen gebleven!—Hoe zou ik geleefd hebben in je herinnering!—En moeder! Hoe hadt je haar kunnen troosten!—Ik kan niet uitdrukken, hoe ik mijzelf verfoeide. Wáárheen ik zag in het verleden, overal drong zich een verwaarloosde plicht aan mij op, of een onbestreden neiging. Ieder scheen door mij te kort gedaan. De onuitputtelijke goedheid van Mevrouw Jennings had ik vergolden met ondankbare minachting. Tegenover de Middletons, de Palmers, de Steeles, tegen al onze oppervlakkige bekenden zelfs, was ik lomp en onrechtvaardig geweest; ik had hun verdiensten niet willen inzien, en werd geprikkeld juist door hun voorkomendheid. Aan John, aan Fanny,—ja zelfs aan hen, al verdienen ze weinig,—had ik niet gegeven wat hun toekwam. Maar jou vooral, meer nog dan moeder, had ik onrecht aangedaan. Ik, en ik alleen, wist, wat omging in je hart en, hoe je hebt geleden;—en toch, waartoebewoog dit mij?—tot geen medelijden, dat voor of mijzelve eenige waarde had. Je voorbeeld had ik voor oogen, doch waartoe was het mij nut? Schonk ik meer aandacht aan jou en ’t geen je aangenaam kon zijn? Trachtte ik je verdraagzaamheid na te volgen, of je te ontheffen van zelfbedwang, door mijn aandeel te dragen in de verplichtingen, je opgelegd door algemeene welwillendheid of bijzondere reden tot dankbetoon, die je tot nog toe steeds alleen hadt moeten vervullen? Neen;—evengoed toen ik wist, dat je ongelukkig waart, als toen ik je nog tevreden waande, weigerde ik elke inspanning, die plicht of vriendschap van mij eischte; zag bijna niet in, dat er andere smart kòn bestaan dan de mijne; treurde enkel om dàt hart, dat mij verlaten en bitter gegriefd had, en liet toe, dat jij, voor wie ik onbegrensde genegenheid heette te koesteren, om mijnentwille ongelukkig waart.”
Hier eindigde de heftige vloed van verwijten, tegen haarzelve gericht, en Elinor, innig verlangend haar gerust te stellen, ofschoon te eerlijk om haar te vleien, schonk haar gaarne den lof en de instemming, die haar openhartigheid en haar berouw ten volle verdienden. Marianne drukte haar hand en antwoordde:
“Je bent wel goed. De toekomst alleen kan bewijzen dat ik waarheid spreek. Mijn plan is gevormd; en als ik bij machte ben, mij daaraan te houden, dan zullen mijn gevoelens worden beheerscht en mijn grillig humeur verbeterd. Zij zullen niet langer anderen tot last zijn, en mijzelve tot een kwelling. Ik wil van nu af aan slechts leven voor mijn familiekring. Jij, moeder en Margaret moeten voortaan voor mij de geheele wereld zijn; al mijn liefde zal tusschen jelui worden verdeeld. Nooit zal ik weer de geringste neiging gevoelen om jelui en mijn eigen thuis te verlaten, en als ik mij in het gezelschap van anderen begeef, dan zal dat alleen zijn, om te toonen, dat mijn geest nederiger, mijnhart beter is geworden, en dat ik met zachtheid en geduld beleefdheidvormen kan in acht nemen en de kleinere plichten des levens vervullen. Wat Willoughby betreft, het zou vruchteloos zijn, te zeggen, dat ik hem spoedig, dat ik hem ooit zal vergeten. De herinnering aan hem kan door geen verandering van omstandigheden of van zienswijze worden uitgewischt. Doch zij zal worden geregeld, worden in toom gehouden, door godsdienst, door rede, door voortdurende bezigheid.”
Zij zweeg een oogenblik, en voegde erbij, met zachtere stem: “Als ik slechts kon weten, wat inzijnhart is omgegaan, dan zou alles gemakkelijk worden.”
Elinor, die thans reeds eenigen tijd had overwogen, of het al dan niet geraden ware, spoedig te wagen aan haar verhaal te beginnen, zonder nader tot eenige beslissing te geraken, hoorde dit; en daar zij begreep, dat snel beraad alles moest doen, waar nadenken niet baatte, kwam zij al spoedig met de feiten voor den dag.
Zij deed haar verhaal, naar zij hoopte, met omzichtigheid, bereidde de gretige luisterende voorzichtig voor; vertelde eenvoudig en eerlijk de hoofdzaken, waarop Willoughby zijne verdediging had gegrond; liet zijn berouw recht weervaren, en verzachtte alleen de betuigingen zijner voortdurende genegenheid.
Marianne sprak geen woord; zij beefde; hare oogen bleven op den grond gevestigd, en uit hare lippen week het weinigje kleur, dat hare ziekte erin had overgelaten. Duizend vragen rezen op in haar binnenste, doch zij durfde geene enkele ervan uiten. Ademloos begeerig ving zij ieder woord op; zonder dat zij het wist, drukte hare hand vaster die harer zuster, en tranen stroomden over hare wangen.
Elinor, vreezend dat zij vermoeid was, liet haar terugkeeren, en tot zij de deur van hun huisjebereikten, sprak zij, wel begrijpend, hoe groot Marianne’s nieuwsgierigheid moest zijn, ofschoon geen vraag deze onder woorden mocht brengen, van niets anders dan Willoughby en hun beider onderhoud, terwijl zij zorg droeg, de geringste bijzonderheden van woord en blik te vermelden, waar zij veilig in bijzonderheden treden kòn. Zoodra zij het huis waren binnengegaan, liet Marianne met een dankbaren kus, terwijl zij onder tranen slechts de woorden kon uitbrengen: “Zeg het aan mama,” hare zuster alleen, en ging langzaam de trap op. Elinor wilde niet pogen, eene eenzaamheid te storen, zoo natuurlijk gewenscht als de thans gezochte afzondering, en terwijl zij in haar geest reeds angstig de mogelijke gevolgen overwoog, en besloot, het onderwerp te hervatten, indien Marianne in gebreke bleef dit te doen, trad zij de huiskamer binnen, om Marianne’s daareven gegeven opdracht te vervullen.
Hoofdstuk XLVIIMevrouw Dashwood hoorde niet zonder ontroering de verdediging aan van haar voormaligen gunsteling. Het verheugde haar, hem gedeeltelijk van de hem ten laste gelegde schuld gezuiverd te zien, zij beklaagde hem, en wenschte, dat hij gelukkig mocht worden. Doch de gevoelens van voorheen konden niet worden teruggeroepen. Niets kon hem aan Marianne hergeven met onverbroken trouw,—met onbezoedeld karakter. Niets kon het besef vernietigen van ’t geen de laatste had geleden door zijn toedoen; noch de schuld uitwisschen van zijn gedrag jegens Eliza. Niets kon hem dus haar vroegere achting doen herwinnen, nochafbreuk doen aan hare voorkeur voor Kolonel Brandon.—Had Mevrouw Dashwood, evenals hare dochter, Willoughby’s verhaal van hemzelf gehoord, was zij getuige geweest van zijne droefheid, en had zij den invloed ondergaan van zijn gelaat en zijne wijze van zich te uiten, dan zou waarschijnlijk haar medelijden grooter zijn geweest. Doch Elinor vermocht, noch wenschte, door haar nauwkeurige uiteenzetting, in anderen die gevoelens te wekken, welke in den aanvang bij haarzelve waren wakker geroepen. Door nadenken was haar oordeel beradener geworden, haar eigen beschouwing van Willoughby’s verdienste gematigder; zij wenschte dus enkel de eenvoudige waarheid te verklaren, en slechts die feiten te openbaren, welke in overeenstemming waren met zijn karakter, zonder eenige opsiering door teedere gevoelens, welke de verbeelding op een dwaalspoor brachten.Toen zij des avonds bij elkaar zaten, begon Marianne uit eigen beweging weer over hem te spreken; doch dat dit niet zonder moeite geschiedde, bewees het rustelooze, weinig kalme van de houding, waarin zij eenigen tijd van te voren had zitten nadenken, zoowel als de blos, die hare wangen kleurde, toen zij begon te spreken, en de onvaste klank harer stem.“Ik wilde u beiden gaarne verzekeren,” zeide zij, “dat ik alles inzie,—zooals gij dat het liefst zoudt wenschen.”Mevrouw Dashwood had haar dadelijk met eenige teedere woorden willen geruststellen; doch Elinor, die werkelijk verlangde, haar zuster’s onbevooroordeelde meening te vernemen, legde haar met een dringenden wenk het zwijgen op. Marianne ging langzaam voort:“Het is mij een groote verlichting,—wat Elinor mij van morgen vertelde,—ik heb nu precies gehoord, wat ik wenschte te weten.”Een korte poos had zij hare stem niet in de macht;doch zich herstellend, voegde zij met meer kalmte erbij: “Ik ben nu geheel voldaan. Ik verlang geene verandering. Ik zou nooit gelukkig met hem hebben kunnen zijn, nadat ik dit alles had vernomen, zooals vroeger of later had moeten gebeuren. Ik zou geen vertrouwen, geen achting hebben kunnen gevoelen. Niets zou dit voor mijn gevoel hebben kunnen uitwisschen.”“Dat weet ik,—dat weet ik, riep hare moeder. “Gelukkig met een losbandigen man? Met iemand, die zóó zich had vergrepen jegens onzen liefsten vriend, die de beste van alle mannen is? Neen, het hart van mijne Marianne kon door zulk een man niet gelukkig gemaakt worden! Haar geweten, haar nauwgezet geweten zou alles hebben gevoeld, wat haar echtgenoot had behooren te voelen.”—Marianne zuchtte, en herhaalde: “Ik wensch geene verandering.”“Je beschouwt de zaak,” zeide Elinor, “juist zooals een zuiver gemoed en een klaar begrip haar moeten beschouwen, en ik denk dat je, evenzeer als ik, niet slechts in deze, maar in menige andere omstandigheid, reden vindt tot de overtuiging, dat je huwelijk je veel onvermijdelijk verdriet en teleurstelling zou hebben berokkend; waarbij je slechts weinig steun zoudt hebben gevonden in eene genegenheid, die van zijne zijde veel minder betrouwbaar was. Als je getrouwd waart, zou je altijd arm zijn gebleven. Zijne neiging tot verkwisting heeft hij zelf toegegeven, en zijn geheele gedrag bewijst, hoe zelfverloochening een woord is, dat ternauwernood door hem wordt begrepen. Zijne eischen, gevoegd bijjouwonervarenheid, en dat met een klein, zeer klein inkomen, zouden oorzaak zijn geworden van een verdriet, dat niet minder kwellend zou zijn geweest, wijl je het van te voren hadt kunnen beseffen, noch voorzien. Je eigen eergevoel en eerlijkheid zouden je, dat weet ik, als de toestand je helder werd, gedreven hebbentot het betrachten van de grootst mogelijke zuinigheid, en misschien zou dat je vergund zijn geworden, zoolang je spaarzaamheid alleen je eigen genoegens besnoeide; maar verder... en hoe weinig hadt je met den besten wil alléén kunnen doen, om den ondergang te verhoeden, die reeds vóór je huwelijk was begonnen?... verder, zoo je hadt gepoogd, met hoeveel recht ook, paal en perk te stellen aan zijn uitspattingen, was het dan niet te vreezen, dat je, wel verre van de overhand te behouden op een inborst, zelfzuchtig genoeg om dien toestand te kunnen verdragen, je eigen invloed op zijn gemoed zoudt hebben verloren, en hem de verbintenis zoudt hebben doen betreuren, die hem in zulke moeilijkheden had gewikkeld?”Marianne’s lippen beefden, en zij herhaalde het woord “zelfzuchtig?”, op een toon, alsof zij wilde zeggen: “Dus je denkt werkelijk, dat hij zelfzuchtig is?”“Zijn geheele gedrag,” antwoordde Elinor, “van ’t begin tot het einde, is alleen op zelfzucht gegrond. Het was zelfzucht, die hem het eerst deed spelen met je gevoelens; die later, toen zijne eigene erbij waren betrokken, hem de bekentenis ervan deed verschuiven, en die hem ten slotte Barton verlaten deed. Zijn eigen genoegen en zijn eigen gemak bepaalden zijn gedragslijn bij iedere gelegenheid.”“Dat is wel waar.Mijngeluk had hij nooit op het oog.”“En thans,” ging Elinor voort, “betreurt hij, wat hij gedaan heeft. Waarom betreurt hij dat? Omdat hij bemerkt, dat zijne handelwijze niet aan haar doel heeft beantwoord. Zij heeft hem niet gelukkig gemaakt. Hij verkeert niet meer in geldelijke verlegenheid,—van die zijde kan hem nu geen kwaad meer deren, hij bedenkt nu alleen, dat hij eene vrouw heeft getrouwd, die minder aangenaam in den omgang is dan jij. Maar volgt daaruit nu, dat hij, als hij met jou gehuwd was, gelukkig zou zijngeweest? Er zouden andere bezwaren zijn gerezen. Dan zou hij hebben geleden onder het geldgebrek, dat hij, nu het geweken is, als niets beschouwt. Hij zou een vrouw hebben gehad, over wier geaardheid hij zich niet kon beklagen; maar hij zou altijd behoeftig zijn gebleven,—altijd arm; en hij zou waarschijnlijk spoedig hebben geleerd, de tallooze voorrechten, verbonden aan het bezit van een door geen schuld bezwaard goed en een ruim inkomen, van veel meer gewicht te achten, zelfs voor zijn huiselijk geluk, dan iets zoo onbeteekenends als de geaardheid zijner echtgenoote.”“Daaraan twijfel ik niet,” zeide Marianne, “en ik heb niets te betreuren; niets dan mijn eigen dwaasheid.”“Zeg liever: “de onvoorzichtigheid van mijne moeder,” mijn kind,” zeide Mevrouw Dashwood; “op háár komt de schuld neer.”Marianne wilde haar niet laten voortgaan, en Elinor, tevreden, nu beiden hun eigen dwaling hadden ingezien, wilde liever eene beschouwing van het verleden vermijden, die hare zuster droefgeestig zou kunnen stemmen; zij ging dus dadelijk voort, zich bepalend tot het eerste onderwerp:“Eene slotsom kan, dunkt mij, worden getrokken uit al het gebeurde,—dat al Willoughby’s moeilijkheden hun oorsprong vonden in zijn eerste vergrijp jegens de deugd; in zijn gedrag tegenover Eliza Williams. Die misdaad is de oorzaak geweest van al wat volgde, en van zijne tegenwoordige onvoldaanheid.”Marianne beaamde die opmerking ten volle, en hare moeder knoopte er eene beschouwing aan vast, van het onrecht, Kolonel Brandon aangedaan, en diens verdiensten, voorgedragen met al de warmte, waartoe vriendschap en hare bijzondere bedoelingen haar slechts konden vervoeren. Haar dochter gaf echter niet den indruk, alsof zij er veel van had gehoord.Elinor zag, zooals zij reeds verwacht had, dat Marianne in de eerstvolgende twee of drie dagen, niet als te voren in kracht bleef toenemen; doch daar haar besluit even vast stond, en zij haar best bleef doen, zich vroolijk en tevreden te toonen, mocht hare zuster gerust vertrouwen op de goede uitwerking van den tijd ter herstel van hare gezondheid.Margaret kwam terug, en het gezin was nu weer vereend; opnieuw waren zij rustig samen in hun huisje, en indien al niet zoo druk bezig met hun gewone studies, als toen zij pas te Barton kwamen, althans voornemens, ze in het vervolg met ijver voort te zetten.Elinor begon sterk te verlangen naar eenig bericht over Edward. Sedert haar vertrek uit Londen had zij niets van hem vernomen; niets nieuws omtrent zijne plannen, en zelfs omtrent zijne tegenwoordige verblijfplaats verkeerde zij in onzekerheid.Ten gevolge van Marianne’s ziekte waren tusschen haar en haar broeder eenige brieven gewisseld, en in John’s eersten brief kwam deze zin voor: “Van onzen ongelukkigen Edward weten we niets, en we kunnen geen navraag doen naar zulk een verboden onderwerp; maar we vermoeden, dat hij nog te Oxford is,”—’t geen het eenige bericht omtrent Edward was, dat de briefwisseling haar verschafte; daar zijn naam in de volgende brieven zelfs niet werd genoemd. Lang echter zou zij niet veroordeeld blijven, in onwetendheid te verkeeren omtrent zijn doen en laten.Hun huisknecht was op zekeren morgen naar Exeter geweest, en toen hij, bij het tafeldienen, de vragen van zijne meesteres omtrent den uitslag van zijne opdracht had beantwoord, voegde hij uit eigen beweging erbij:“U weet zeker al, Mevrouw, dat Mijnheer Ferrars getrouwd is?”Marianne schrikte hevig, zag Elinor verbleeken, viel zenuwachtig snikkend achterover in haar stoel. Mevrouw Dashwood, wier blik, terwijl zij de vraag van den knecht beantwoordde, instinctmatig dezelfde richting volgde, ontstelde, toen zij aan Elinor’s gelaat zag, hoe diep deze was getroffen, en een oogenblik later wist zij, evenzeer verontrust door Marianne’s toestand, waarlijk niet, wie van hare kinderen het meest hare hulp behoefde.De knecht, die alleen zag, dat Juffrouw Marianne onwel werd, was zoo verstandig een van de dienstmeisjes te roepen, die haar, door Mevrouw Dashwood geholpen, naar de andere kamer bracht. Marianne herstelde zich reeds, en hare moeder kon haar overlaten aan de zorg van Margaret en de kamenier, om terug te keeren naar Elinor, die, hoewel nog zeer onder den indruk, in zooverre haar zenuwen en hare stem weer meester was, dat zij aan Thomas kon vragen, van wie hij die tijding had vernomen. Mevrouw Dashwood onthief haar dadelijk van die taak, en Elinor werd dus, zonder eenige inspanning van hare zijde, voldoende op de hoogte gebracht.“Wie heeft je verteld, Thomas, dat Mijnheer Ferrars was getrouwd?”—“Ik zag Mijnheer Ferrars zelf, Mevrouw, van morgen te Exeter, met zijn vrouw, juffrouw Steele, zooals ze dan vroeger heette. Ze zaten in een koets, die stil stond voor de New London Inn, toen ik daar een brief kwam bezorgen van Sally op het Park, Voor haar broer die er postillon is. Ik keek toevallig op, toen ik langs de koets kwam, en ik zag dadelijk, dat het de jongste juffrouw Steele was; dus nam ik mijn hoed af, en zij kende mij nog, en riep mij; en ze vroeg naar u, Mevrouw, en de jonge dames, vooral Juffrouw Marianne, en of ik de groeten wilde doen van haar en Mijnheer Ferrars; hun beider hartelijke groeten, en dat het hun zoo speet, dat ze geen tijd hadden, u te komen opzoeken, maar zehadden zoo’n haast om verder te komen, want ze gingen nog verder op reis voor een tijdje,—maar in elk geval, als ze terugkwamen, dan zouden ze u stellig een bezoek brengen.”“En ze zei, dat ze getrouwd was, Thomas?”“Ja, Mevrouw; ze lachte, en zei dat ze van naam was veranderd, sedert ze ’t laatst hier in de buurt was. Ze was altoos heel aardig en spraakzaam, en had voor ieder een vriendelijk woord. Dus was ik maar zoo vrij, haar geluk te wenschen.”“Zat Mijnheer Ferrars met haar in het rijtuig?”“Ja, Mevrouw. Ik kon hem nog juist zien, hij leunde achterover; maar hij keek niet op;—mijnheer was nooit iemand, die veel pleizier in praten had.”Elinor begreep maar al te goed, dat hij zich op den achtergrond had gehouden, en Mevrouw Dashwood nam vermoedelijk dezelfde verklaring aan voor zijne houding.“Zat er anders niemand in het rijtuig?”“Neen, Mevrouw, zij met hen beiden; anders niet.”“Weet je ook, waar ze vandaan kwamen?”“Ze kwamen zóó uit Londen, zei Juffrouw Lucy,—Mevrouw Ferrars, bedoel ik.”“En gingen ze verder naar ’t Westen?”“Ja, Mevrouw; maar niet voor lang. Ze zouden gauw terugkomen, en dan kwamen ze u stellig opzoeken.”Mevrouw Dashwood zag hare dochter aan; maar Elinor begreep wel, dat ze hen niet behoefde te verwachten. Die boodschap was weer juist iets voor Lucy; zij wist wel zeker, dat Edward zich bij hen niet zou vertoonen. Zachtjes zei ze tegen hare moeder, dat ze waarschijnlijk naar den Heer Pratt gingen, in de buurt van Plymouth.Thomas had blijkbaar niets meer te vertellen. Elinor keek, alsof ze nog meer wenschte te hooren.“Zag je hen wegrijden, eer je heenging?”“Neen, Mevrouw, de paarden werden juist buitengebracht; maar ik kon niet langer wachten; ik was bang, dat het te laat werd.”“Zag Mevrouw Ferrars er goed uit?”“Ja, Mevrouw; ze zei dat ze ’t best maakte; ze was altoos een knappe jonge dame, vond ik;—en ze leek erg in haar schik.”Mevrouw Dashwood wist geen nieuwe vragen meer te bedenken, en Thomas kon spoedig heengaan, met het tafellaken, dat nu even overbodig was geworden als hijzelf. Marianne had reeds laten zeggen, dat zij niets meer wilde gebruiken; Mevrouw Dashwood en Elinor waren ook hun eetlust kwijt, en Margaret mocht nog van geluk spreken, dat zij, ondanks al de onrust, die hare zusters in den laatsten tijd hadden uitgestaan, ondanks zooveel reden tot nalatigheid op het punt van geregelde maaltijden, nog nooit te voren haar middagmaal had moeten missen.Toen het dessert en de wijn waren binnengebracht en Mevrouw Dashwood en Elinor alleen waren, bleven zij langen tijd zwijgen, verzonken in gelijksoortige gepeinzen. Mevrouw Dashwood waagde geene opmerking, en beproefde evenmin troost te bieden. Zij begreep nu, dat zij zich had vergist, toen zij vertrouwde op de wijze waarop Elinor zich voordeed, en zag thans zeer goed in, dat alles in der tijd met opzet was verzacht, om hare droefheid niet te vermeerderen, terwijl zij reeds zooveel had te lijden om Marianne. Zij begreep, dat hare dochter, door zoo zorgvuldig haar gevoel te sparen, haar ertoe had gebracht, de genegenheid, die zij eens zoo wel had begrepen, van veel minder beteekenis te achten dan zij vroeger placht te gelooven, of dan deze thans bleek te zijn. Zij vreesde, dat zij, in dien waan verkeerend, onrechtvaardig, onachtzaam, ja bijna onvriendelijk was geweest jegens hare Elinor; dat Marianne’s leed, omdat het meer openlijk werd erkend, zich meer onmiddellijk aan haar opdrong, te veel beslag had gelegd op hareteederheid, en haar ertoe had gebracht, te vergeten, hoe zij in Elinor eene dochter bezat, die misschien evenveel had te dragen, en dat wel met geringer besef van eigen schuld, en met meerder geestkracht.
Mevrouw Dashwood hoorde niet zonder ontroering de verdediging aan van haar voormaligen gunsteling. Het verheugde haar, hem gedeeltelijk van de hem ten laste gelegde schuld gezuiverd te zien, zij beklaagde hem, en wenschte, dat hij gelukkig mocht worden. Doch de gevoelens van voorheen konden niet worden teruggeroepen. Niets kon hem aan Marianne hergeven met onverbroken trouw,—met onbezoedeld karakter. Niets kon het besef vernietigen van ’t geen de laatste had geleden door zijn toedoen; noch de schuld uitwisschen van zijn gedrag jegens Eliza. Niets kon hem dus haar vroegere achting doen herwinnen, nochafbreuk doen aan hare voorkeur voor Kolonel Brandon.—Had Mevrouw Dashwood, evenals hare dochter, Willoughby’s verhaal van hemzelf gehoord, was zij getuige geweest van zijne droefheid, en had zij den invloed ondergaan van zijn gelaat en zijne wijze van zich te uiten, dan zou waarschijnlijk haar medelijden grooter zijn geweest. Doch Elinor vermocht, noch wenschte, door haar nauwkeurige uiteenzetting, in anderen die gevoelens te wekken, welke in den aanvang bij haarzelve waren wakker geroepen. Door nadenken was haar oordeel beradener geworden, haar eigen beschouwing van Willoughby’s verdienste gematigder; zij wenschte dus enkel de eenvoudige waarheid te verklaren, en slechts die feiten te openbaren, welke in overeenstemming waren met zijn karakter, zonder eenige opsiering door teedere gevoelens, welke de verbeelding op een dwaalspoor brachten.
Toen zij des avonds bij elkaar zaten, begon Marianne uit eigen beweging weer over hem te spreken; doch dat dit niet zonder moeite geschiedde, bewees het rustelooze, weinig kalme van de houding, waarin zij eenigen tijd van te voren had zitten nadenken, zoowel als de blos, die hare wangen kleurde, toen zij begon te spreken, en de onvaste klank harer stem.
“Ik wilde u beiden gaarne verzekeren,” zeide zij, “dat ik alles inzie,—zooals gij dat het liefst zoudt wenschen.”
Mevrouw Dashwood had haar dadelijk met eenige teedere woorden willen geruststellen; doch Elinor, die werkelijk verlangde, haar zuster’s onbevooroordeelde meening te vernemen, legde haar met een dringenden wenk het zwijgen op. Marianne ging langzaam voort:
“Het is mij een groote verlichting,—wat Elinor mij van morgen vertelde,—ik heb nu precies gehoord, wat ik wenschte te weten.”
Een korte poos had zij hare stem niet in de macht;doch zich herstellend, voegde zij met meer kalmte erbij: “Ik ben nu geheel voldaan. Ik verlang geene verandering. Ik zou nooit gelukkig met hem hebben kunnen zijn, nadat ik dit alles had vernomen, zooals vroeger of later had moeten gebeuren. Ik zou geen vertrouwen, geen achting hebben kunnen gevoelen. Niets zou dit voor mijn gevoel hebben kunnen uitwisschen.”
“Dat weet ik,—dat weet ik, riep hare moeder. “Gelukkig met een losbandigen man? Met iemand, die zóó zich had vergrepen jegens onzen liefsten vriend, die de beste van alle mannen is? Neen, het hart van mijne Marianne kon door zulk een man niet gelukkig gemaakt worden! Haar geweten, haar nauwgezet geweten zou alles hebben gevoeld, wat haar echtgenoot had behooren te voelen.”—
Marianne zuchtte, en herhaalde: “Ik wensch geene verandering.”
“Je beschouwt de zaak,” zeide Elinor, “juist zooals een zuiver gemoed en een klaar begrip haar moeten beschouwen, en ik denk dat je, evenzeer als ik, niet slechts in deze, maar in menige andere omstandigheid, reden vindt tot de overtuiging, dat je huwelijk je veel onvermijdelijk verdriet en teleurstelling zou hebben berokkend; waarbij je slechts weinig steun zoudt hebben gevonden in eene genegenheid, die van zijne zijde veel minder betrouwbaar was. Als je getrouwd waart, zou je altijd arm zijn gebleven. Zijne neiging tot verkwisting heeft hij zelf toegegeven, en zijn geheele gedrag bewijst, hoe zelfverloochening een woord is, dat ternauwernood door hem wordt begrepen. Zijne eischen, gevoegd bijjouwonervarenheid, en dat met een klein, zeer klein inkomen, zouden oorzaak zijn geworden van een verdriet, dat niet minder kwellend zou zijn geweest, wijl je het van te voren hadt kunnen beseffen, noch voorzien. Je eigen eergevoel en eerlijkheid zouden je, dat weet ik, als de toestand je helder werd, gedreven hebbentot het betrachten van de grootst mogelijke zuinigheid, en misschien zou dat je vergund zijn geworden, zoolang je spaarzaamheid alleen je eigen genoegens besnoeide; maar verder... en hoe weinig hadt je met den besten wil alléén kunnen doen, om den ondergang te verhoeden, die reeds vóór je huwelijk was begonnen?... verder, zoo je hadt gepoogd, met hoeveel recht ook, paal en perk te stellen aan zijn uitspattingen, was het dan niet te vreezen, dat je, wel verre van de overhand te behouden op een inborst, zelfzuchtig genoeg om dien toestand te kunnen verdragen, je eigen invloed op zijn gemoed zoudt hebben verloren, en hem de verbintenis zoudt hebben doen betreuren, die hem in zulke moeilijkheden had gewikkeld?”
Marianne’s lippen beefden, en zij herhaalde het woord “zelfzuchtig?”, op een toon, alsof zij wilde zeggen: “Dus je denkt werkelijk, dat hij zelfzuchtig is?”
“Zijn geheele gedrag,” antwoordde Elinor, “van ’t begin tot het einde, is alleen op zelfzucht gegrond. Het was zelfzucht, die hem het eerst deed spelen met je gevoelens; die later, toen zijne eigene erbij waren betrokken, hem de bekentenis ervan deed verschuiven, en die hem ten slotte Barton verlaten deed. Zijn eigen genoegen en zijn eigen gemak bepaalden zijn gedragslijn bij iedere gelegenheid.”
“Dat is wel waar.Mijngeluk had hij nooit op het oog.”
“En thans,” ging Elinor voort, “betreurt hij, wat hij gedaan heeft. Waarom betreurt hij dat? Omdat hij bemerkt, dat zijne handelwijze niet aan haar doel heeft beantwoord. Zij heeft hem niet gelukkig gemaakt. Hij verkeert niet meer in geldelijke verlegenheid,—van die zijde kan hem nu geen kwaad meer deren, hij bedenkt nu alleen, dat hij eene vrouw heeft getrouwd, die minder aangenaam in den omgang is dan jij. Maar volgt daaruit nu, dat hij, als hij met jou gehuwd was, gelukkig zou zijngeweest? Er zouden andere bezwaren zijn gerezen. Dan zou hij hebben geleden onder het geldgebrek, dat hij, nu het geweken is, als niets beschouwt. Hij zou een vrouw hebben gehad, over wier geaardheid hij zich niet kon beklagen; maar hij zou altijd behoeftig zijn gebleven,—altijd arm; en hij zou waarschijnlijk spoedig hebben geleerd, de tallooze voorrechten, verbonden aan het bezit van een door geen schuld bezwaard goed en een ruim inkomen, van veel meer gewicht te achten, zelfs voor zijn huiselijk geluk, dan iets zoo onbeteekenends als de geaardheid zijner echtgenoote.”
“Daaraan twijfel ik niet,” zeide Marianne, “en ik heb niets te betreuren; niets dan mijn eigen dwaasheid.”
“Zeg liever: “de onvoorzichtigheid van mijne moeder,” mijn kind,” zeide Mevrouw Dashwood; “op háár komt de schuld neer.”
Marianne wilde haar niet laten voortgaan, en Elinor, tevreden, nu beiden hun eigen dwaling hadden ingezien, wilde liever eene beschouwing van het verleden vermijden, die hare zuster droefgeestig zou kunnen stemmen; zij ging dus dadelijk voort, zich bepalend tot het eerste onderwerp:
“Eene slotsom kan, dunkt mij, worden getrokken uit al het gebeurde,—dat al Willoughby’s moeilijkheden hun oorsprong vonden in zijn eerste vergrijp jegens de deugd; in zijn gedrag tegenover Eliza Williams. Die misdaad is de oorzaak geweest van al wat volgde, en van zijne tegenwoordige onvoldaanheid.”
Marianne beaamde die opmerking ten volle, en hare moeder knoopte er eene beschouwing aan vast, van het onrecht, Kolonel Brandon aangedaan, en diens verdiensten, voorgedragen met al de warmte, waartoe vriendschap en hare bijzondere bedoelingen haar slechts konden vervoeren. Haar dochter gaf echter niet den indruk, alsof zij er veel van had gehoord.
Elinor zag, zooals zij reeds verwacht had, dat Marianne in de eerstvolgende twee of drie dagen, niet als te voren in kracht bleef toenemen; doch daar haar besluit even vast stond, en zij haar best bleef doen, zich vroolijk en tevreden te toonen, mocht hare zuster gerust vertrouwen op de goede uitwerking van den tijd ter herstel van hare gezondheid.
Margaret kwam terug, en het gezin was nu weer vereend; opnieuw waren zij rustig samen in hun huisje, en indien al niet zoo druk bezig met hun gewone studies, als toen zij pas te Barton kwamen, althans voornemens, ze in het vervolg met ijver voort te zetten.
Elinor begon sterk te verlangen naar eenig bericht over Edward. Sedert haar vertrek uit Londen had zij niets van hem vernomen; niets nieuws omtrent zijne plannen, en zelfs omtrent zijne tegenwoordige verblijfplaats verkeerde zij in onzekerheid.
Ten gevolge van Marianne’s ziekte waren tusschen haar en haar broeder eenige brieven gewisseld, en in John’s eersten brief kwam deze zin voor: “Van onzen ongelukkigen Edward weten we niets, en we kunnen geen navraag doen naar zulk een verboden onderwerp; maar we vermoeden, dat hij nog te Oxford is,”—’t geen het eenige bericht omtrent Edward was, dat de briefwisseling haar verschafte; daar zijn naam in de volgende brieven zelfs niet werd genoemd. Lang echter zou zij niet veroordeeld blijven, in onwetendheid te verkeeren omtrent zijn doen en laten.
Hun huisknecht was op zekeren morgen naar Exeter geweest, en toen hij, bij het tafeldienen, de vragen van zijne meesteres omtrent den uitslag van zijne opdracht had beantwoord, voegde hij uit eigen beweging erbij:
“U weet zeker al, Mevrouw, dat Mijnheer Ferrars getrouwd is?”
Marianne schrikte hevig, zag Elinor verbleeken, viel zenuwachtig snikkend achterover in haar stoel. Mevrouw Dashwood, wier blik, terwijl zij de vraag van den knecht beantwoordde, instinctmatig dezelfde richting volgde, ontstelde, toen zij aan Elinor’s gelaat zag, hoe diep deze was getroffen, en een oogenblik later wist zij, evenzeer verontrust door Marianne’s toestand, waarlijk niet, wie van hare kinderen het meest hare hulp behoefde.
De knecht, die alleen zag, dat Juffrouw Marianne onwel werd, was zoo verstandig een van de dienstmeisjes te roepen, die haar, door Mevrouw Dashwood geholpen, naar de andere kamer bracht. Marianne herstelde zich reeds, en hare moeder kon haar overlaten aan de zorg van Margaret en de kamenier, om terug te keeren naar Elinor, die, hoewel nog zeer onder den indruk, in zooverre haar zenuwen en hare stem weer meester was, dat zij aan Thomas kon vragen, van wie hij die tijding had vernomen. Mevrouw Dashwood onthief haar dadelijk van die taak, en Elinor werd dus, zonder eenige inspanning van hare zijde, voldoende op de hoogte gebracht.
“Wie heeft je verteld, Thomas, dat Mijnheer Ferrars was getrouwd?”—
“Ik zag Mijnheer Ferrars zelf, Mevrouw, van morgen te Exeter, met zijn vrouw, juffrouw Steele, zooals ze dan vroeger heette. Ze zaten in een koets, die stil stond voor de New London Inn, toen ik daar een brief kwam bezorgen van Sally op het Park, Voor haar broer die er postillon is. Ik keek toevallig op, toen ik langs de koets kwam, en ik zag dadelijk, dat het de jongste juffrouw Steele was; dus nam ik mijn hoed af, en zij kende mij nog, en riep mij; en ze vroeg naar u, Mevrouw, en de jonge dames, vooral Juffrouw Marianne, en of ik de groeten wilde doen van haar en Mijnheer Ferrars; hun beider hartelijke groeten, en dat het hun zoo speet, dat ze geen tijd hadden, u te komen opzoeken, maar zehadden zoo’n haast om verder te komen, want ze gingen nog verder op reis voor een tijdje,—maar in elk geval, als ze terugkwamen, dan zouden ze u stellig een bezoek brengen.”
“En ze zei, dat ze getrouwd was, Thomas?”
“Ja, Mevrouw; ze lachte, en zei dat ze van naam was veranderd, sedert ze ’t laatst hier in de buurt was. Ze was altoos heel aardig en spraakzaam, en had voor ieder een vriendelijk woord. Dus was ik maar zoo vrij, haar geluk te wenschen.”
“Zat Mijnheer Ferrars met haar in het rijtuig?”
“Ja, Mevrouw. Ik kon hem nog juist zien, hij leunde achterover; maar hij keek niet op;—mijnheer was nooit iemand, die veel pleizier in praten had.”
Elinor begreep maar al te goed, dat hij zich op den achtergrond had gehouden, en Mevrouw Dashwood nam vermoedelijk dezelfde verklaring aan voor zijne houding.
“Zat er anders niemand in het rijtuig?”
“Neen, Mevrouw, zij met hen beiden; anders niet.”
“Weet je ook, waar ze vandaan kwamen?”
“Ze kwamen zóó uit Londen, zei Juffrouw Lucy,—Mevrouw Ferrars, bedoel ik.”
“En gingen ze verder naar ’t Westen?”
“Ja, Mevrouw; maar niet voor lang. Ze zouden gauw terugkomen, en dan kwamen ze u stellig opzoeken.”
Mevrouw Dashwood zag hare dochter aan; maar Elinor begreep wel, dat ze hen niet behoefde te verwachten. Die boodschap was weer juist iets voor Lucy; zij wist wel zeker, dat Edward zich bij hen niet zou vertoonen. Zachtjes zei ze tegen hare moeder, dat ze waarschijnlijk naar den Heer Pratt gingen, in de buurt van Plymouth.
Thomas had blijkbaar niets meer te vertellen. Elinor keek, alsof ze nog meer wenschte te hooren.
“Zag je hen wegrijden, eer je heenging?”
“Neen, Mevrouw, de paarden werden juist buitengebracht; maar ik kon niet langer wachten; ik was bang, dat het te laat werd.”
“Zag Mevrouw Ferrars er goed uit?”
“Ja, Mevrouw; ze zei dat ze ’t best maakte; ze was altoos een knappe jonge dame, vond ik;—en ze leek erg in haar schik.”
Mevrouw Dashwood wist geen nieuwe vragen meer te bedenken, en Thomas kon spoedig heengaan, met het tafellaken, dat nu even overbodig was geworden als hijzelf. Marianne had reeds laten zeggen, dat zij niets meer wilde gebruiken; Mevrouw Dashwood en Elinor waren ook hun eetlust kwijt, en Margaret mocht nog van geluk spreken, dat zij, ondanks al de onrust, die hare zusters in den laatsten tijd hadden uitgestaan, ondanks zooveel reden tot nalatigheid op het punt van geregelde maaltijden, nog nooit te voren haar middagmaal had moeten missen.
Toen het dessert en de wijn waren binnengebracht en Mevrouw Dashwood en Elinor alleen waren, bleven zij langen tijd zwijgen, verzonken in gelijksoortige gepeinzen. Mevrouw Dashwood waagde geene opmerking, en beproefde evenmin troost te bieden. Zij begreep nu, dat zij zich had vergist, toen zij vertrouwde op de wijze waarop Elinor zich voordeed, en zag thans zeer goed in, dat alles in der tijd met opzet was verzacht, om hare droefheid niet te vermeerderen, terwijl zij reeds zooveel had te lijden om Marianne. Zij begreep, dat hare dochter, door zoo zorgvuldig haar gevoel te sparen, haar ertoe had gebracht, de genegenheid, die zij eens zoo wel had begrepen, van veel minder beteekenis te achten dan zij vroeger placht te gelooven, of dan deze thans bleek te zijn. Zij vreesde, dat zij, in dien waan verkeerend, onrechtvaardig, onachtzaam, ja bijna onvriendelijk was geweest jegens hare Elinor; dat Marianne’s leed, omdat het meer openlijk werd erkend, zich meer onmiddellijk aan haar opdrong, te veel beslag had gelegd op hareteederheid, en haar ertoe had gebracht, te vergeten, hoe zij in Elinor eene dochter bezat, die misschien evenveel had te dragen, en dat wel met geringer besef van eigen schuld, en met meerder geestkracht.
Hoofdstuk XLVIIIElinor bespeurde thans hoe groot het verschil is tusschen het verwachten van eene onaangename gebeurtenis, hoe stellig wij ons ook van hare komst overtuigd weten te houden, en volkomen zekerheid. Zij bespeurde nu, dat zij, haars ondanks, altoos nog, zoolang Edward ongetrouwd bleef, eenige hoop had blijven koesteren, dat er iets mocht gebeuren, ’t geen zijn huwelijk met Lucy verhinderen zou; dat òf een door hemzelf genomen besluit, òf de tusschenkomst van vrienden, òf eenige meer verkieselijke gelegenheid om de toekomst der jonge dame te verzekeren, had mogen bijdragen tot de bevordering van hun aller geluk. Maar nu was hij getrouwd, en zij laakte haar hart wegens die geheime vleitaal, welke de smart dezer tijding zoo zeer had verscherpt.Dat hij zoo spoedig getrouwd was, eer hij, naar zij meende, de wijding had kunnen ontvangen, en bijgevolg eer hij beroepen had kunnen worden, verwonderde haar eerst een weinig. Maar zij zag weldra in, hoe waarschijnlijk het was, dat Lucy, in haar baatzuchtige bezorgdheid, in haar haast om hem te winnen, alles over het hoofd zou zien behalve het gevaar, verbonden aan uitstel. Zij waren getrouwd; in de stad getrouwd, en thans haastig op weg naar Lucy’s oom. Wat zou Edward hebben gevoeld, toen hij nog geen vier mijlen van Bartonwas verwijderd; toen hij haar moeder’s knecht zag; toen hij Lucy’s boodschap aanhoorde!Zij zouden zeker spoedig, dacht zij, nu gaan wonen te Delaford,—Delaford, die plaats, waarin zoovele redenen haar noopten, belang te stellen, die zij wenschte te kennen, en toch verlangde te vermijden. Zij zag ze vóór zich in hun pastorie; zag Lucy als de ijverige bekwame huishoudster, die den wensch naar uiterlijk weeldevertoon wist te paren met de uiterste spaarzaamheid, zich schamend, zoo iemand maar de helft van hare zuinigheidsmaatregelen had kunnen vermoeden;—onophoudelijk bedacht op haar eigen belang, pogend in de gunst te geraken bij Kolonel Brandon, bij Mevrouw Jennings, en bij alle vermogende vrienden. Hoe zij Edward zag, wist zij zelve niet, en evenmin, hoe zij hem wenschte te zien; gelukkig of ongelukkig,—niets kon haar behagen;—van iedere voorstelling, die ze zich van hem maakte, wendde zij het hoofd af.Elinor bleef nog hopen, dat een van hunne kennissen in Londen hun zou schrijven, om het nieuws te berichten en verdere bijzonderheden te vermelden; maar de eene dag na de andere ging voorbij, zonder brief of tijding. Hoewel zij niet precies wist, aan wien de schuld te geven, ergerde zij zich over alle afwezige vrienden. Ze waren allen vergeetachtig, of lui.“Wanneer schrijft u aan Kolonel Brandon, moeder?” was de vraag, die voortsproot uit haar ongeduldig verlangen, dat er toch iets gebeuren mocht.“Ik schreef hem de vorige week, lieve, en ik verwacht nog eerder hem te zien, dan van hem te hooren. Ik drong er zeer op aan, dat hij zou komen, en ’t zou mij niet verwonderen, als we hem vandaag of morgen zagen binnenstappen.”Dat was toch iets gewonnen; iets om tegemoet te zien. Kolonel Brandon moest het een of ander hebben te vertellen.Pas had zij dit voor zichzelve vastgesteld, toen de verschijning van een ruiter haar de oogen naar het venster deed richten. Hij hield stil bij hun hek. Het was een heer; het zou Kolonel Brandon zijn. Nu zou ze meer hooren, en gespannen verwachting deed haar beven. Maar—het was niet Kolonel Brandon, zijn figuur niet; zijn lengte niet. Als zooiets nu mogelijk was, dan zou zij zeggen, dat het Edward moest zijn. Zij keek opnieuw. Hij was juist afgestegen;—zij kon zich niet vergissen; het was Edward. Ze verwijderde zich van het venster en ging zitten. “Hij komt van den Heer Pratt hierheen, om ons te bezoeken. Ikwilkalm zijn; ikwilmij beheerschen.”Op dat oogenblik bespeurde zij, dat de anderen ook hunne vergissing hadden bemerkt. Zij zag haar moeder en Marianne verbleeken, naar haar zien, en elkander iets toefluisteren. Ze zou alles hebben gegeven, om te kunnen spreken, om hen te doen begrijpen, hoe zij hoopte, dat hun houding geen koelheid, geen onverschilligheid zou aan den dag leggen; maar zij kon geen woord uitbrengen, en moest alles overlaten aan hun eigen gevoel van tact. Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij wachtten zwijgend, tot de bezoeker verschijnen zou. Zijn voetstappen klonken op het grintpad; daarna in de gang, en een oogenblik later stond hij voor hen.Zijn gelaat drukte bij het binnenkomen geen al te groote blijdschap uit; zelfs niet voor Elinor. Hij zag bleek van zenuwachtigheid, en keek alsof hij bevreesd was voor de te verwachten ontvangst, en zich bewust, dat deze niet vriendelijk kon zijn. Mevrouw Dashwood echter, zich voegend, naar zij geloofde, naar den wensch van hare dochter, door wie zij zich, in hare verteederde gezindheid, in alles wilde laten leiden, begroette hem met een ietwat gedwongen minzaamheid, gaf hem de hand en wenschte hem geluk. Hij kleurde en stotterdeiets onverstaanbaars. Elinor’s lippen bewogen gelijktijdig met die harer moeder, en toen het ogenblik van handelen was verstreken, wenschte zij, dat zij hem ook de hand gegeven had. Maar nu was het te laat, en met een uitdrukking, die zij haar best deed onbevangen te doen zijn, ging zij weer zitten, en praatte over het weer.Marianne had zich zoo ver mogelijk teruggetrokken, om hare droefheid te verbergen, en Margaret, die wel iets, maar niet alles van de zaak begreep, vond het raadzaam, een waardige houding aan te nemen; zij ging dus zoo ver mogelijk van hen af zitten, en bewaarde een strak stilzwijgen.Toen Elinor klaar was met haar blijdschapsbetuigingen over het mooie droge weer, volgde er eene onheilspellende stilte. Deze werd verbroken door Mevrouw Dashwood, die zich verplicht achtte, te hopen, dat Mevrouw Ferrars het goed maakte. Hij gaf haastig een bevestigend antwoord.Nieuwe stilte.Al haar krachten verzamelend, hoewel bang voor ’t geluid van haar eigen stem, zei Elinor: “Is Mevrouw Ferrars te Longstaple?”“Longstaple?” antwoordde hij verwonderd. “Neen, mijn moeder is in de stad.”“Ik bedoelde eigenlijk,” zei Elinor, een handwerk van de tafel opnemend, “MevrouwEdwardFerrars.” Zij durfde niet opzien; maar hare moeder en Marianne zagen hem beiden aan. Hij kleurde, scheen verlegen, keek twijfelachtig, en zei na eenige aarzeling: “Misschien bedoel je... mijn broer... je bedoelt zeker Mevrouw... Mevrouw Robert Ferrars.”“Mevrouw Robert Ferrars?”—herhaalden Marianne en hare moeder op een toon van de uiterste verbazing, en hoewel Elinor niet kon spreken, zagen hare oogen hem aan met de zelfde ongeduldige verwondering. Hij stond van zijn stoel op en liep naar het venster, blijkbaar omdat hij nietwist, wat te beginnen; hij nam een schaartje in étui op, dat er lag, en terwijl hij zoowel het schaartje als het étui bedierf, door het laatste onder het spreken in stukjes te knippen, zeide hij, op gejaagde toon:“U weet zeker niet,—u hebt misschien niet gehoord, dat mijn broer onlangs isgetrouwdmet... met de jongste... met juffrouw Lucy Steele.”Zijne woorden werden met onuitsprekelijke verbazing herhaald door allen, behalve Elinor, die met het hoofd over haar werk zat gebogen, zóó zenuwachtig, dat zij bijna niet wist, waar zij was.“Ja,” zei hij, “ze zijn de vorige week getrouwd, en logeeren nu te Dawlish.”Elinor kon niet langer blijven zitten. Zij liep bijna op een draf de kamer uit, en zoodra de deur was gesloten, barstte zij uit in een stroom van blijde tranen, die zij dacht, dat vooreerst niet zouden kunnen ophouden te vloeien. Edward, die tot nu toe naar alles had gekeken behalve naar haar, zag haar wegvluchten, en zag ook,—of hoorde zelfs,—hare ontroering; want dadelijk daarna verzonk hij in een gepeins, dat geene opmerking, geen vraag, geen vriendelijke toespraak van Mevrouw Dashwood scheen te kunnen verstoren, en eindelijk ging hij, zonder een woord te zeggen, de kamer uit en wandelde den weg op, naar het dorp, de anderen uiterst verbaasd en nieuwsgierig achterlatend over zulk een wonderlijke en snelle verandering in zijne omstandigheden,—zonder eenig ander middel om die verbaasde nieuwsgierigheid te bevredigen, dan hun eigen gissingen.
Elinor bespeurde thans hoe groot het verschil is tusschen het verwachten van eene onaangename gebeurtenis, hoe stellig wij ons ook van hare komst overtuigd weten te houden, en volkomen zekerheid. Zij bespeurde nu, dat zij, haars ondanks, altoos nog, zoolang Edward ongetrouwd bleef, eenige hoop had blijven koesteren, dat er iets mocht gebeuren, ’t geen zijn huwelijk met Lucy verhinderen zou; dat òf een door hemzelf genomen besluit, òf de tusschenkomst van vrienden, òf eenige meer verkieselijke gelegenheid om de toekomst der jonge dame te verzekeren, had mogen bijdragen tot de bevordering van hun aller geluk. Maar nu was hij getrouwd, en zij laakte haar hart wegens die geheime vleitaal, welke de smart dezer tijding zoo zeer had verscherpt.
Dat hij zoo spoedig getrouwd was, eer hij, naar zij meende, de wijding had kunnen ontvangen, en bijgevolg eer hij beroepen had kunnen worden, verwonderde haar eerst een weinig. Maar zij zag weldra in, hoe waarschijnlijk het was, dat Lucy, in haar baatzuchtige bezorgdheid, in haar haast om hem te winnen, alles over het hoofd zou zien behalve het gevaar, verbonden aan uitstel. Zij waren getrouwd; in de stad getrouwd, en thans haastig op weg naar Lucy’s oom. Wat zou Edward hebben gevoeld, toen hij nog geen vier mijlen van Bartonwas verwijderd; toen hij haar moeder’s knecht zag; toen hij Lucy’s boodschap aanhoorde!
Zij zouden zeker spoedig, dacht zij, nu gaan wonen te Delaford,—Delaford, die plaats, waarin zoovele redenen haar noopten, belang te stellen, die zij wenschte te kennen, en toch verlangde te vermijden. Zij zag ze vóór zich in hun pastorie; zag Lucy als de ijverige bekwame huishoudster, die den wensch naar uiterlijk weeldevertoon wist te paren met de uiterste spaarzaamheid, zich schamend, zoo iemand maar de helft van hare zuinigheidsmaatregelen had kunnen vermoeden;—onophoudelijk bedacht op haar eigen belang, pogend in de gunst te geraken bij Kolonel Brandon, bij Mevrouw Jennings, en bij alle vermogende vrienden. Hoe zij Edward zag, wist zij zelve niet, en evenmin, hoe zij hem wenschte te zien; gelukkig of ongelukkig,—niets kon haar behagen;—van iedere voorstelling, die ze zich van hem maakte, wendde zij het hoofd af.
Elinor bleef nog hopen, dat een van hunne kennissen in Londen hun zou schrijven, om het nieuws te berichten en verdere bijzonderheden te vermelden; maar de eene dag na de andere ging voorbij, zonder brief of tijding. Hoewel zij niet precies wist, aan wien de schuld te geven, ergerde zij zich over alle afwezige vrienden. Ze waren allen vergeetachtig, of lui.
“Wanneer schrijft u aan Kolonel Brandon, moeder?” was de vraag, die voortsproot uit haar ongeduldig verlangen, dat er toch iets gebeuren mocht.
“Ik schreef hem de vorige week, lieve, en ik verwacht nog eerder hem te zien, dan van hem te hooren. Ik drong er zeer op aan, dat hij zou komen, en ’t zou mij niet verwonderen, als we hem vandaag of morgen zagen binnenstappen.”
Dat was toch iets gewonnen; iets om tegemoet te zien. Kolonel Brandon moest het een of ander hebben te vertellen.
Pas had zij dit voor zichzelve vastgesteld, toen de verschijning van een ruiter haar de oogen naar het venster deed richten. Hij hield stil bij hun hek. Het was een heer; het zou Kolonel Brandon zijn. Nu zou ze meer hooren, en gespannen verwachting deed haar beven. Maar—het was niet Kolonel Brandon, zijn figuur niet; zijn lengte niet. Als zooiets nu mogelijk was, dan zou zij zeggen, dat het Edward moest zijn. Zij keek opnieuw. Hij was juist afgestegen;—zij kon zich niet vergissen; het was Edward. Ze verwijderde zich van het venster en ging zitten. “Hij komt van den Heer Pratt hierheen, om ons te bezoeken. Ikwilkalm zijn; ikwilmij beheerschen.”
Op dat oogenblik bespeurde zij, dat de anderen ook hunne vergissing hadden bemerkt. Zij zag haar moeder en Marianne verbleeken, naar haar zien, en elkander iets toefluisteren. Ze zou alles hebben gegeven, om te kunnen spreken, om hen te doen begrijpen, hoe zij hoopte, dat hun houding geen koelheid, geen onverschilligheid zou aan den dag leggen; maar zij kon geen woord uitbrengen, en moest alles overlaten aan hun eigen gevoel van tact. Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij wachtten zwijgend, tot de bezoeker verschijnen zou. Zijn voetstappen klonken op het grintpad; daarna in de gang, en een oogenblik later stond hij voor hen.
Zijn gelaat drukte bij het binnenkomen geen al te groote blijdschap uit; zelfs niet voor Elinor. Hij zag bleek van zenuwachtigheid, en keek alsof hij bevreesd was voor de te verwachten ontvangst, en zich bewust, dat deze niet vriendelijk kon zijn. Mevrouw Dashwood echter, zich voegend, naar zij geloofde, naar den wensch van hare dochter, door wie zij zich, in hare verteederde gezindheid, in alles wilde laten leiden, begroette hem met een ietwat gedwongen minzaamheid, gaf hem de hand en wenschte hem geluk. Hij kleurde en stotterdeiets onverstaanbaars. Elinor’s lippen bewogen gelijktijdig met die harer moeder, en toen het ogenblik van handelen was verstreken, wenschte zij, dat zij hem ook de hand gegeven had. Maar nu was het te laat, en met een uitdrukking, die zij haar best deed onbevangen te doen zijn, ging zij weer zitten, en praatte over het weer.
Marianne had zich zoo ver mogelijk teruggetrokken, om hare droefheid te verbergen, en Margaret, die wel iets, maar niet alles van de zaak begreep, vond het raadzaam, een waardige houding aan te nemen; zij ging dus zoo ver mogelijk van hen af zitten, en bewaarde een strak stilzwijgen.
Toen Elinor klaar was met haar blijdschapsbetuigingen over het mooie droge weer, volgde er eene onheilspellende stilte. Deze werd verbroken door Mevrouw Dashwood, die zich verplicht achtte, te hopen, dat Mevrouw Ferrars het goed maakte. Hij gaf haastig een bevestigend antwoord.
Nieuwe stilte.
Al haar krachten verzamelend, hoewel bang voor ’t geluid van haar eigen stem, zei Elinor: “Is Mevrouw Ferrars te Longstaple?”
“Longstaple?” antwoordde hij verwonderd. “Neen, mijn moeder is in de stad.”
“Ik bedoelde eigenlijk,” zei Elinor, een handwerk van de tafel opnemend, “MevrouwEdwardFerrars.” Zij durfde niet opzien; maar hare moeder en Marianne zagen hem beiden aan. Hij kleurde, scheen verlegen, keek twijfelachtig, en zei na eenige aarzeling: “Misschien bedoel je... mijn broer... je bedoelt zeker Mevrouw... Mevrouw Robert Ferrars.”
“Mevrouw Robert Ferrars?”—herhaalden Marianne en hare moeder op een toon van de uiterste verbazing, en hoewel Elinor niet kon spreken, zagen hare oogen hem aan met de zelfde ongeduldige verwondering. Hij stond van zijn stoel op en liep naar het venster, blijkbaar omdat hij nietwist, wat te beginnen; hij nam een schaartje in étui op, dat er lag, en terwijl hij zoowel het schaartje als het étui bedierf, door het laatste onder het spreken in stukjes te knippen, zeide hij, op gejaagde toon:
“U weet zeker niet,—u hebt misschien niet gehoord, dat mijn broer onlangs isgetrouwdmet... met de jongste... met juffrouw Lucy Steele.”
Zijne woorden werden met onuitsprekelijke verbazing herhaald door allen, behalve Elinor, die met het hoofd over haar werk zat gebogen, zóó zenuwachtig, dat zij bijna niet wist, waar zij was.
“Ja,” zei hij, “ze zijn de vorige week getrouwd, en logeeren nu te Dawlish.”
Elinor kon niet langer blijven zitten. Zij liep bijna op een draf de kamer uit, en zoodra de deur was gesloten, barstte zij uit in een stroom van blijde tranen, die zij dacht, dat vooreerst niet zouden kunnen ophouden te vloeien. Edward, die tot nu toe naar alles had gekeken behalve naar haar, zag haar wegvluchten, en zag ook,—of hoorde zelfs,—hare ontroering; want dadelijk daarna verzonk hij in een gepeins, dat geene opmerking, geen vraag, geen vriendelijke toespraak van Mevrouw Dashwood scheen te kunnen verstoren, en eindelijk ging hij, zonder een woord te zeggen, de kamer uit en wandelde den weg op, naar het dorp, de anderen uiterst verbaasd en nieuwsgierig achterlatend over zulk een wonderlijke en snelle verandering in zijne omstandigheden,—zonder eenig ander middel om die verbaasde nieuwsgierigheid te bevredigen, dan hun eigen gissingen.
Hoofdstuk XLIXHoe onverklaarbaar echter ook de omstandigheden, waaronder zijn bevrijding had plaatsgegrepen, der geheele familie mochten voorkomen, het stond vast, dat Edward vrij was, en tot welk doel die vrijheid zou worden aangewend, konden allen gemakkelijk voorzien; want na de zegeningen te hebben ervaren van ééne onvoorzichtige verloving, aangegaan zonder zijn moeder’s toestemming, zooals hij reeds meer dan vier jaren had gedaan, kon er, na de verbreking van deze, niet anders van hem worden verwacht, dan dat hij onmiddellijk eene andere verbintenis zou sluiten.Het doel van zijn bezoek te Barton was eenvoudig genoeg. Hij wilde niets anders, dan Elinor ten huwelijk vragen, en in aanmerking genomen dat hij op dit punt niet geheel onervaren was, kon het vreemd schijnen, dat hij zich thans zoo weinig op zijn gemak gevoelde, en zooveel behoefte had aan bemoediging en frissche lucht.Hoe spoedig hij echter, al wandelende, tot een genoegzaam vast besluit was gekomen, hoe dra de gelegenheid zich voordeed om het ten uitvoer te brengen, op welke wijze hij zich uitdrukte, en hoe hij werd ontvangen, behoeft niet in bijzonderheden te worden vermeld. Wij kunnen volstaan met te zeggen, dat hij, toen zij samen om vier uur aan tafel gingen, omstreeks drie uren na zijne aankomst, zijn verloofde had gewonnen, haar moeder’s toestemming had verworven, en zich, niet slechts met de verrukte overdrijving van den minnaar, maar in waarheid en werkelijkheid een der gelukkigste menschen ter wereld voelde. Waarlijk, hij mocht zich buitengewoon bevoorrecht achten.Zijn hart mocht zwellen, zijn geest zich verheffen met meer dan den natuurlijken trots van beantwoorde liefde. Hij zag zich bevrijd, en zonder het minste zelfverwijt, van banden, die hem lang een bron van kwelling waren geweest, van eene vrouw, die hij reeds lang niet meer liefhad, en plotseling verzekerd van het bezit eener andere, waaraan hij bijna niet anders dan met wanhoop had kunnen denken, zoodra hij was begonnen het te beschouwen als het doel van zijn verlangen. Niet van uit twijfel en onzekerheid, doch van uit de diepste ellende ging hij over tot het geluk;—en die verandering uitte zich onomwonden, in zulk een echte, natuurlijk opwellende, dankbare vroolijkheid, als zijn vrienden nog nimmer bij hem hadden waargenomen.Zijn hart stond nu open voor Elinor; al zijne zwakheden en dwalingen werden gebiecht, en zijne eerste, jongensachtige verliefdheid op Lucy werd beschouwd met al de philosofische waardigheid van den vier en twintigjarige.“Het was van mijn kant een dwaze, lichtzinnige neiging,” zeide hij, “’t gevolg van gebrek aan wereldkennis en gemis van bezigheid. Had mijn moeder mij werkzaam laten zijn in eenig beroep, toen ik op mijn achttiende jaar aan de zorg van den Heer Pratt werd onttrokken, dan denk ik, neen, dan weet ik stellig, dat het nooit zou zijn gebeurd; want hoewel ik Longstaple verliet met wat ik toen als eene onoverwinnelijke neiging beschouwde voor zijne nicht, ik zou toch, wanneer ik toen eenige bezigheid had gehad, eenig doel, dat mijn tijd in beslag nam en mij enkele maanden van haar verwijderd hield, zeer spoedig die gewaande genegenheid zijn te boven gekomen; vooral door mij meer onder vreemden te bewegen, zooals ik in dat geval had moeten doen. Maar inplaats van iets te doen te krijgen,—in plaats dat eenig beroep voor mij werd gekozen, of eene eigen keuze mij werd vergund, kwam ik terug bij mijn familie om totaal leeg teloopen, en het eerste jaar na mijn thuiskomst had ik zelfs niet die zoogenaamde bezigheid, die het verblijf aan de universiteit mij zou hebben verschaft; want ik werd niet ingeschreven te Oxford, eer ik negentien jaar was geworden. Ik had dus niets ter wereld te doen, dan mij te verbeelden, dat ik verliefd was, en daar moeder mijn verblijf tehuis niet in elk opzicht aangenaam maakte,—daar ik geen vriend of kameraad vond in mijn broeder, en ongeneigd was, nieuwe kennissen te zoeken, was het niet onnatuurlijk, dat ik veel naar Longstaple ging, waar ik mij altijd thuis gevoelde, en zeker was, hartelijk te worden verwelkomd; zoodoende bracht ik het grootste deel van mijn tijd daar door, tusschen mijn achttiende en negentiende jaar. Lucy scheen toen zoo beminnelijk en voorkomend als iemand maar zijn kon. Mooi was zij ook;—ten minstetoenvond ik dat; en ik had zoo weinig omgegaan met andere vrouwen, dat ik geen vergelijkingen kon maken, en geen gebreken zien. Alles in aanmerking genomen, hoop ik dus, dat onze verloving, hoe onverstandig die ook was, en sedert in elk opzicht is gebleken, toentertijd toch geen onnatuurlijke of onverschoonbaar dwaze daad is geweest.”De verandering, die enkele uren hadden bewerkstelligd in den geest en de gemoedsstemming der Dashwoods was zoo groot, dat zij allen, en niet zonder voldoening, een slapeloozen nacht tegemoet zagen. Mevrouw Dashwood, te gelukkig om kalm te zijn, wist niet hoe Edward genoeg te waardeeren, noch Elinor te prijzen;—hoe dankbaar genoeg te zijn voor zijn bevrijding zonder zijn fijngevoeligheid te kwetsen;—noch hoe zij hun tegelijkertijd gelegenheid zou schenken tot ongedwongen onderling gesprek, en tevens, zooals zij dat wenschte, zou kunnen genieten van beider aanblik en gezelschap.Marianne kon hare vreugde slechts uiten door tranen. Vergelijkingen drongen zich aan haarop; weemoedige herinneringen kwamen oprijzen; en hare blijdschap, hoewel oprecht als haar zusterlijke liefde, was er eene, die haar noch opgewekt, noch spraakzaam vermocht te doen zijn.Doch Elinor, hoeharegevoelens te beschrijven? Van af het oogenblik, waarop zij vernam, dat Lucy met een ander was gehuwd, dat Edward vrij was, tot aan dat, waarin hij de hoop in vervulling deed gaan, zoo plotseling daarop gevolgd, was zij beurtelings alles geweest, behalve kalm. Doch toen dat tweede oogenblik voorbij was,—toen zij elken twijfel, alle bezorgdheid voelde wijken,—toen zij haar toestand vergeleek bij wat die nog zoo kort geleden was geweest,—toen zij hem, met behoud van zijne eer, zag ontslagen van zijn vroegere verbintenis,—zag, hoe hij aanstonds gebruikmaakte van die bevrijding, door zich tot haar zelve te wenden, en de bekentenis af te leggen van eene liefde, zoo teeder en trouw als zij die altoos geloofd had te zijn,—toen was zij bezwaard, ja overstelpt door haar eigen geluksgevoel, en hoezeer ook des menschen geest gelukkigerwijze geneigd is, zich gemakkelijk te gewennen aan elke verandering ten goede, toch moesten meerdere uren verloopen eer haar gemoed zijne kalmte herkreeg, haar hart eenigermate tot rust kwam.Edward moest nu minstens een week te Barton blijven; want van welke andere verplichtingen hij zich ook had te kwijten, het was onmogelijk, dat een korter tijdsverloop dan eene week zou worden gewijd aan het genot van Elinor’s gezelschap; of voldoende had kunnen zijn om de helft te zeggen van ’t geen er te zeggen viel over verleden, heden en toekomst; want hoewel in een paar uren van volijverig en onverpoosd gesprek meer onderwerpen kunnen worden behandeld, dan feitelijk aan twee redelijke wezens gemeenschappelijk belang kunnen inboezemen, bij gelieven is het toch anders gesteld. Tusschen hen is geen onderwerp afgehandeld,wordt geene mededeeling zelfs als gedaan beschouwd, wanneer zij niet minstens twintigmaal herhaald is.Lucy’s huwelijk, een bron van eindelooze en verklaarbare verbazing voor hen allen, vormde natuurlijk een der eerste onderwerpen van gesprek tusschen de gelieven, en Elinor’s bijzondere bekendheid met de beide partijen deed het in hare oogen in elk opzicht een der zonderlingste en onverklaarbaarste gebeurtenissen schijnen, die haar ooit waren ter oore gekomen. Hoe zij met elkaar in aanraking waren gekomen, en welke aantrekkingskracht Robert had verleid tot een huwelijk met een meisje, van wier schoonheid zij hem zelve zonder eenige bewondering had hooren spreken, een meisje nog wel, dat reeds verloofd was met zijn broeder, en om wier wil die broeder door zijn familie was verstooten,—het ging haar begrip te boven. Haar eigen hart vond in het gebeurde reden tot groote blijdschap; haar verbeelding trof het als iets belachelijks; doch voor haar verstand, haar oordeel bleef het een onopgelost raadsel.Edward kon slechts pogen het te verklaren door de onderstelling, dat na eene eerste toevallige ontmoeting de ijdelheid van den een zoozeer gestreeld was door de vleierij der andere, dat hieruit van lieverlede al het overige was gevolgd. Elinor herinnerde zich, wat Robert haar in Harley Street had verteld aangaande zijne meening omtrent hetgeen zijne bemiddeling in zijn broeder’s aangelegenheid zou hebben uitgewerkt, zoo hij bijtijds ware tusschenbeide gekomen. Zij vertelde dit aan Edward.“Dàt was wel juist iets voor Robert,” merkte hij dadelijk op. “En dàt,” voegde hij erbij, “heeft hij misschien in het hoofd gehad, toen zij elkaar voor ’t eerst ontmoetten. Terwijl Lucy mogelijk in ’t begin alleen erop bedacht was, zijn voorspraak te mijnen gunste te winnen. Later kunnen toen wel andere plannen bij hen zijn opgekomen.”Hoelang die verstandhouding tusschen hen had bestaan, kon hij echter evenmin uitmaken als zijzelve; want te Oxford, waar hij bij voorkeur was gebleven sedert zijn vertrek uit Londen, had hij geen ander bericht omtrent haar kunnen ontvangen dan door haarzelve, en tot het allerlaatst waren hare brieven noch in aantal, noch in hartelijkheid verminderd. Geen de minste achterdocht was dus bij hem gerezen, om hem voor te bereiden op hetgeen gebeuren ging, en toen het hem ten slotte geheel onverwacht werd geopenbaard door een brief van Lucy zelve, was hij een tijdlang half verbijsterd geweest, dacht hij, door verbazing, ontzetting en vreugde over zulk een ongedachte verlossing. Hij liet Elinor den brief lezen.—“Geachte Heer.Daar ik zeer wel weet, dat ik reeds lang niet meer uwe liefde bezit, acht ik mij gerechtigd, de mijne aan een ander te schenken, en twijfel ik niet, of ik zal zoo gelukkig met hem worden als ik eens had gedacht te zullen zijn met u; maar ik acht het beneden mij, de hand aan te nemen van hem, wiens hart aan eene andere behoort. Ik wensch u oprecht geluk met uwe keuze, en zal het mijne schuld niet zijn, als wij niet steeds goede vrienden blijven, zooals nu ook behoorlijk is, daar wij naaste verwanten worden. Ik mag gerust zeggen, dat ik u geen kwaad hart toedraag, en ik weet wel, dat gij te edelmoedig zijt om ons te willen benadeelen. Uw broeder heeft mijn geheele hart gewonnen, en daar wij zonder elkander niet konden leven, zijn wij zooeven in den echt verbonden, en thans op weg naar Dawlish voor een paar weken, waarnaar uw broeder zeer verlangt; maar meende ik u eerst deze paar regels te moeten schrijven, en blijf steeds gaarne, u van harte alle goeds wenschend,uwe vriendin en zusterLucy Ferrars.Ik heb al uwe brieven verbrand, en zal uw portret bij de eerstvolgende gelegenheid terugzenden. Verscheur als ’t u blieft mijn gekrabbel; den ring met mijn haar moogt ge gerust behouden.”Elinor las den brief, en gaf dien zonder iets te zeggen terug.“Ik zal maar niet vragen wat je denkt van den stijl,” zei Edward. “Ik had voor geen geld van de wereld gewild vroeger, dat een brief van haar onder je oogen was gekomen. ’t Is al erg genoeg als eene zuster zoo schrijft; maar je eigen vrouw! Hoe dikwijls kreeg ik een kleur van schaamte bij ’t lezen van haar brieven; en ik geloof wel, te mogen zeggen, dat sedert het eerste half jaar van die dwaze... geschiedenis, dit de eerste brief is geweest, dien ik van haar ontving, waarvan de inhoud de stijlfouten eenigszins vergoedde.”“Hoe het dan ook zoover is gekomen,” zeide Elinor na een poos van stilte, “getrouwdzijnze nu. En je moeder heeft zich hare verdiende straf op den hals gehaald. De onafhankelijkheid, die zij Robert verzekerde, uit verbittering jegens jou, heeft hem in staat gesteld, zijn eigen keuze te volgen, en door hem die duizend pond in het jaar te schenken, heeft zij feitelijk bewerkt, dat de eene zoon het plan volvoerde, wegens welks beraming zij den anderen had onterfd. Het zal haar wel niet minder grieven, denk ik, dat Robert met Lucy is getrouwd, dan dat jij haar tot vrouw hadt gekregen.”“Het grieft haar dieper; want van Robert hield zij altoos het meest. Het grieft haar dieper; maar om diezelfde reden zal ze hem veel eerder vergiffenis schenken.”Hoe de zaken op het oogenblik tusschen hen stonden, wist Edward niet; want hij had nog met geen zijner familieleden gepoogd in verbinding te treden. Nog geen vierentwintig uren na de komst van Lucy’s brief had hij Oxford verlaten; en met slechts één doel voor oogen, de naaste weg naarBarton, had hij nog geen tijd gehad, eenig voornemen op te vatten, dat niet met dien weg in het nauwste verband stond. Hij kon niets doen, eer hij wist, hoe Elinor over zijn lot zou beslissen, en uit de snelheid, waarmede hij die beslissing zocht, mocht men opmaken,—ondanks de jaloezie, waarmede hij eenmaal aan Kolonel Brandon had gedacht,—ondanks zijn bescheiden meening omtrent zijn eigen verdiensten, en de beleefdheid, die hem van zijn twijfel deed spreken, dat hij over ’t geheel op geen al te wreedaardige ontvangst had gerekend. Hij behoorde echter te beweren, dat hij dit wèl had gedaan, en hij zeide dit dan ook, zooals het betaamde. Wat hij een jaar later omtrent dit onderwerp zou hebben te vertellen, laat ik over aan de verbeelding van echtelieden.Dat Lucy stellig bedoeld had, hem te bedriegen, en hem, met eene uiting van boosaardigen triomf in hare opdracht aan Thomas, zijn afscheid te geven, was Elinor volkomen duidelijk; en Edward zelf, die haar karakter thans goed doorzag, gaf onbewimpeld te kennen, dat hij haar, in hare roekelooze boosaardigheid, tot het allerlaagste in staat achtte. Hoewel hem de oogen reeds lang waren opengegaan, zelfs eer hij Elinor leerde kennen, voor hare onwetendheid en het gemis van ruimheid in sommige harer opvattingen, had hij dit alles aan haar gebrekkige opvoeding geweten, en totdat hij haar laatsten brief ontving, had hij altoos gedacht, dat zij een welmeenend, goedhartig meisje was, en dat zij voor hem eene oprechte genegenheid koesterde. Niets dan deze overtuiging kon hem hebben belet, een einde te maken aan eene verloving, die lang eer de ontdekking ervan hem blootstelde aan zijn moeder’s toorn, een aanhoudende oorzaak van onrust en verdriet voor hem was geweest.“Ik achtte het mijn plicht,” zeide hij, “afgezien van mijn eigen gevoelens, haar de keus te laten, of zij de verloving wilde verbreken, of niet, toen ikdoor mijne moeder werd verstooten, en het scheen, alsof ik in de wereld stond zonder een enkelen vriend, die mij had kunnen bijstaan. Hoe kon ik, in zulke omstandigheden, waarin niets verlokkends gelegen scheen voor de hebzucht of de ijdelheid van eenig menschelijk wezen, veronderstellen, toen zij zoo ernstig en hartelijk er op aandrong, mijn lot te deelen, hoe het ook mocht zijn, dat iets anders dan de meest onbaatzuchtige genegenheid haar daartoe noopte? En zelfs nu kan ik niet begrijpen, door welke beweegreden zij werd gedreven, of welk gewaand voordeel zij erin zag, gebonden te zijn aan een man, voor wien zij geen spoor van liefde gevoelde, en die slechts tweeduizend pond zijn eigendom kon noemen. Zij kon niet vooruit weten, dat Kolonel Brandon mij eene predikantsplaats zou bezorgen.”“Neen; maar zij geloofde allicht, dat er iets gebeuren kon in je voordeel; dat je eigen familie ten slotte zou toegeven. En in elk geval verloor zij er niets bij, als zij de verloving liet voortduren; want zij heeft bewezen, dat deze haar noch in hare neigingen, noch in hare daden belemmerde. De relatie was zeer zeker waardevol, en verschafte haar waarschijnlijk eenig aanzien onder hare vrienden, en als zich niets voordeeligers opdeed, was het beter voor haar, met jou te trouwen dan ongehuwd te blijven.”Het sprak van zelf, dat Edward aanstonds inzag, hoe niets natuurlijker kon zijn geweest dan Lucy’s gedrag, en niets meer verklaarbaar, dan de beweegreden, die haar ertoe had gedreven.Elinor berispte hem, streng, als dames steeds eene onvoorzichtigheid berispen, die voor haarzelve vleiend is, omdat hij zooveel tijd bij hen te Norland had doorgebracht, toen hij zich toch bewust moest zijn geweest van zijn eigen ontrouw.“Je gedrag was werkelijk zeer verkeerd,” zeide zij; “omdat, mijn eigen overtuiging nu nog daargelaten,onze verwanten er allen aanleiding in vonden, zich te verbeelden en te verwachten, wat in de omstandigheden, waarin jetoenverkeerde, nooit gebeuren kon.”Het eenige wat hij hiertegen kon inbrengen was, dat hij zijn eigen hart niet had gekend, en te veel gewicht had gehecht aan de bindende kracht van zijne verloving.“Ik was onnoozel genoeg, om te gelooven, dat er, daar ik mijne trouw aan eene andere had verpand, geen gevaar was te duchten van ons beider samenzijn; en dat het besef, dat ik verloofd was, mijn hart even veilig en ongerept zou doen blijven, als mijne eer. Ik voelde, dat ik je bewonderde; maar ik zeide tot mijzelf, dat het enkel vriendschap was, en totdat ik vergelijkingen begon te maken tusschen jou en Lucy, wist ik niet, hoever het reeds met mij was gekomen. Daarna geloof ik wel, dat ik verkeerd deed door zoo dikwijls in Sussex te vertoeven, en de argumenten, waarmede ik mijzelf poogde te overtuigen dat hierin geen kwaad stak, kwamen op niet veel beters neer dan dit: “Ik ben de eenige, die gevaar loopt; ik doe niemand kwaad dan mijzelf.”Elinor glimlachte, en schudde haar hoofd.Edward hoorde met genoegen, dat Kolonel Brandon te Barton werd verwacht; daar hij werkelijk niet alleen wenschte, hem beter te leeren kennen; maar ook, om gelegenheid te vinden, hem te overtuigen, dat hij niet afkeerig was van de predikantsplaats te Delaford. “Terwijl thans,” zeide hij, “na de weinig beminnelijke wijze, waarop ik mijn dank bij die gelegenheid heb uitgesproken, de Kolonel wel zou kunnen denken, dat ik hem die aanbieding nooit heb kunnen vergeven.” Nu was hij er zelf verbaasd over, dat hij Delaford nog niet had bezocht. Maar hij had zoo weinig belang gesteld in de zaak, dat hij al zijne kennis omtrent het huis, den tuin en den bouwgrond, de grootte der gemeente, den toestand van het land, en deopbrengst der tienden, te danken had aan Elinor zelve, die er door Kolonel Brandon zooveel van had vernomen, en daarbij zoo aandachtig had geluisterd, dat zij thans volkomen op de hoogte was.Eene vraag bleef hierna slechts onbeslist tusschen hen; eene moeilijkheid viel nog slechts te overwinnen. Zij waren tezamengebracht door wederzijdsche genegenheid, met de hartelijkste goedkeuring hunner waarachtige vrienden; hunne innig vertrouwde bekendheid met elkander scheen hun geluk te waarborgen, en zij verlangden nu alleen het noodige om van te leven.Edward bezat tweeduizend pond, en Elinor duizend, hetgeen met de predikantsplaats te Delaford, alles was, wat zij hun eigendom konden noemen; want het was niet mogelijk, dat Mevrouw Dashwood hun iets zou afstaan, en zij waren geen van beiden verliefd genoeg, om te denken dat driehonderdvijftig pond in het jaar hun een behagelijk bestaan zou verschaffen.Edward liet nog niet alle hoop varen op eene gunstige verandering in zijne moeder te zijnen opzichte, en hierop rekende hij, wat de rest van hun inkomen betrof. Elinor echter vertrouwde hierop niet; want daar Edward nog steeds met Juffrouw Morton zou kunnen trouwen, en Mevrouw Ferrars, op haar vleiende manier, het slechts voor een geringer kwaad had verklaard, als hij háár, inplaats van Lucy Steele had gekozen, vreesde zij, dat Robert’s vergrijp tot niets anders zou dienen, dan om Fanny te verrijken. Omstreeks vier dagen na Edward’s komst verscheen Kolonel Brandon, om Mevrouw Dashwood’s voldoening te volmaken, en haar het trotsche gevoel te schenken, voor de eerste maal sedert zij te Barton woonde, van meer gasten te hebben, dan zij in haar huis bergen kon. Edward mocht zijn recht als eerstgekomene doen gelden, en dus wandelde Kolonel Brandon iederen avond naar zijn oud kwartier op Het Park, vanwaarhij gewoonlijk ’s morgens terugkeerde, vroeg genoeg om het tête-à-tête der gelieven te storen, voor het ontbijt.Een verblijf van drie weken te Delaford, waar hij, althans in de avonduren, weinig anders te doen had, dan de ongunstige verhouding na te rekenen tusschen zes en dertig en zeventien, deed hem naar Barton komen in eene stemming, die, ondanks Marianne’s merkbaar verbeterden gezondheidstoestand, haar hartelijke verwelkoming, en de bemoedigende verzekeringen van hare moeder, nog steeds niet vroolijk kon worden genoemd. Onder zulke vrienden echter, en bij zooveel voorkomendheid leefde hij werkelijk op. Nog had hij niets vernomen van Lucy’s huwelijk; hij wist niets van ’t geen er gebeurd was, en dus gaven de eerste uren van zijn bezoek ruim stof tot aanhooren en zich verbazen. Alles werd hem door Mevrouw Dashwood verklaard, en hij verheugde zich te meer over ’t geen hij voor den Heer Ferrars had gedaan, nu het ten slotte bleek, dat hij Elinor’s belang daardoor had bevorderd.Het zou onnoodig zijn, te zeggen, dat met de nadere kennismaking de wederzijdsche waardeering der beide heeren gelijken tred hield; want het had moeilijk anders kunnen zijn. Hunne overeenstemming in zuivere beginselen en helder oordeel, in geaardheid en denkwijze, zou waarschijnlijk voldoende zijn geweest om hen vriendschap te doen sluiten, zonder dat eenige andere aantrekking daartoe medewerkte; maar dat zij hun liefde hadden geschonken aan twee zusters, en twee zusters die veel van elkaar hielden, deed onvermijdelijk en onmiddellijk de wederzijdsche genegenheid ontstaan, die anders misschien zou hebben gewacht op de uitwerking van den tijd, en rijper nadenken.De brieven uit de stad, die eenige dagen tevoren iedere zenuw in Elinor’s lichaam zouden hebben doen trillen van verrukking, kwamen nu aan; omte worden gelezen met meer vroolijkheid dan ontroering. Mevrouw Jennings schreef, om het wonderlijke bericht te vertellen, haar eerlijke verontwaardiging te uiten jegens het meisje dat zoo grillig haar minnaar verwierp, en al haar medelijden uit te storten over dien armen Mijnheer Edward, die naar zij stellig geloofde, gedweept had met dat ondeugende ding, en nu, naar zij hoorde, diep wanhopig te Oxford zat. “Ik moet zeggen,” ging ze voort, “het was buitengewoon slim overlegd; want nog geen twee dagen te voren had Lucy mij opgezocht, en zat een paar uren bij mij te praten. Geen mensch, die er iets van vermoedde; zelfs Anne niet, die arme ziel, die den volgenden dag schreiende bij mij kwam, doodsbang voor Mevrouw Ferrars en omdat ze niet wist, hoe naar Plymouth te komen; want het blijkt, dat Lucy eer ze wegging om te trouwen, al Anne’s geld had geleend; zeker om er vertooning mee te maken, en die arme Anne had geen zeven shillings in haar beurs;—ik gaf haar met pleizier vijf guineas, om naar Exeter te reizen, waar ze een week of drie vier bij Mevrouw Burgess dacht te logeeren, natuurlijk in de hoop, zooals ik haar al zei, den dokter daar weer te ontmoeten. En ik moet zeggen, die onaardigheid van Lucy, om haar niet mee in het rijtuig te nemen, vind ik het ergst van alles. Arme Mijnheer Edward! Ik kan hem niet uit mijn hoofd zetten; maar jelui moet hem naar Barton halen; en dan moet Marianne beproeven hem te troosten.”De Heer Dashwood schreef in ernstiger trant. Mevrouw Ferrars was de ongelukkigste van alle vrouwen—de arme Fanny had door hare gevoeligheid onbeschrijfelijke kwellingen verduurd—en hij beschouwde het als eene reden tot dankbare verwondering, dat beiden na zulk een slag nog in leven waren gebleven. Robert’s vergrijp was onvergefelijk; maar Lucy had zich oneindig erger misdragen. Beider naam mocht ten aanhoore vanMevrouw Ferrars niet meer worden genoemd, en zelfs al zou zij er later toe kunnen komen, haar zoon te vergeven, zijne vrouw zou nooit als hare dochter worden erkend; noch vergunning verkrijgen, zich in hare tegenwoordigheid te vertoonen. De geheimzinnigheid, die zij bij alles hadden in acht genomen, werd zeer terecht aangemerkt als eene omstandigheid, die hunne misdaad ontzaglijk verzwaarde; want wanneer de anderen eenig vermoeden hadden opgevat van ’t geen er gaande was, dan waren er maatregelen genomen om het huwelijk te beletten, en hij vroeg Elinor in gemoede, of zij het niet met hem betreurde, dat Lucy’s verloving met Edward niet liever was doorgegaan, dan dat zij op deze wijze nog meer onheil had gesticht in hun familie. Hij ging voort:“Mevrouw Ferrars heeft nog nooit Edward’s naam genoemd, ’t geen ons niet verwondert; maar tot onze verbazing heeft zij geen woord van hem vernomen bij deze gelegenheid. Misschien is zijn zwijgen toe te schrijven aan de vrees, haar te beleedigen, en ik zal hem dus een wenk geven, in een brief naar Oxford, dat zijn zuster en ik beiden denken, dat een schrijven van hem, waarin hij op betamelijke wijze blijk geeft van eene onderworpen gezindheid (geadresseerd aan Fanny bijvoorbeeld, en door haar vertoond aan hare moeder) mogelijk in goede aarde zou vallen; want wij weten allen, welk een teeder hart Mevrouw Ferrars bezit, en dat zij niets zoozeer wenscht, als met hare kinderen in goede verstandhouding te leven.”Deze zinsnede was van gewicht, zoo voor Edward’s vooruitzichten als zijn gedrag. Hij werd erdoor bewogen een poging te doen tot verzoening, al was het dan niet precies op de wijze, door hun broeder en zuster aangegeven.“Een schrijven waarin ik op betamelijke wijze blijk geef van een onderwerpen gezindheid!” herhaalde hij; “zouden ze vinden, datikmoeder vergiffenismoet vragen voor Robert’s ondankbaarheid jegens háár, en oneerlijkheid tegenovermij?—Ik bèn niet gezind mij te onderwerpen; het gebeurde heeft mij noch nederig gestemd, noch berouwvol. Alleen maar zeer gelukkig; en dat vindt zij van geen belang. Ik zie de betamelijkheid van onderwerping niet in, in mijn geval.”“Je moogt toch stellig om vergeving vragen,” zeide Elinor, “omdat je haar verdriet hebt gedaan; en ik zou denken, dat je nù wel zoo ver mocht gaan, eenige spijt te toonen, dat je ooit de verloving hebt aangegaan, die je moeder’s toorn heeft opgewekt.”Hij gaf toe, dat hij dit wel zou kunnen doen.“En als ze je heeft vergeven, dan zou een weinigje nederigheid je wel passen, wanneer je haar vertelt van een tweede verloving, in hare oogen haast even onvoorzichtig als de eerste.”Daartegen had hij niets in te brengen; maar het denkbeeld van een onderworpen brief stond hem nog steeds niet aan; en om het hem gemakkelijker te maken, daar hij veel eerder bereid scheen, mondeling zoete broodjes te bakken, dan op papier, werd er besloten dat hij, inplaats van aan Fanny te schrijven, naar Londen zou gaan, en persoonlijk haar tusschenkomst te zijnen behoeve zou verzoeken.“En als ze werkelijk hun best doen,” zei Marianne in haar nieuwe rol van onpartijdige toeschouwster, “om een verzoening tot stand te brengen, dan vind ik van nu af zelfs in John en Fanny nog wel iets goeds.”Toen Kolonel Brandon’s bezoek na een dag of vier was afgeloopen, vertrokken de beide heeren samen uit Barton. Zij zouden eerst naar Delaford gaan, opdat Edward zijn toekomstig tehuis zou kunnen in oogenschouw nemen, en met zijn beschermer en vriend zou kunnen overleggen, welke verbeteringen nog vielen aan te brengen; en na een paar dagen, te Delaford doorgebracht, zou hij verder doorreizen naar de stad.
Hoe onverklaarbaar echter ook de omstandigheden, waaronder zijn bevrijding had plaatsgegrepen, der geheele familie mochten voorkomen, het stond vast, dat Edward vrij was, en tot welk doel die vrijheid zou worden aangewend, konden allen gemakkelijk voorzien; want na de zegeningen te hebben ervaren van ééne onvoorzichtige verloving, aangegaan zonder zijn moeder’s toestemming, zooals hij reeds meer dan vier jaren had gedaan, kon er, na de verbreking van deze, niet anders van hem worden verwacht, dan dat hij onmiddellijk eene andere verbintenis zou sluiten.
Het doel van zijn bezoek te Barton was eenvoudig genoeg. Hij wilde niets anders, dan Elinor ten huwelijk vragen, en in aanmerking genomen dat hij op dit punt niet geheel onervaren was, kon het vreemd schijnen, dat hij zich thans zoo weinig op zijn gemak gevoelde, en zooveel behoefte had aan bemoediging en frissche lucht.
Hoe spoedig hij echter, al wandelende, tot een genoegzaam vast besluit was gekomen, hoe dra de gelegenheid zich voordeed om het ten uitvoer te brengen, op welke wijze hij zich uitdrukte, en hoe hij werd ontvangen, behoeft niet in bijzonderheden te worden vermeld. Wij kunnen volstaan met te zeggen, dat hij, toen zij samen om vier uur aan tafel gingen, omstreeks drie uren na zijne aankomst, zijn verloofde had gewonnen, haar moeder’s toestemming had verworven, en zich, niet slechts met de verrukte overdrijving van den minnaar, maar in waarheid en werkelijkheid een der gelukkigste menschen ter wereld voelde. Waarlijk, hij mocht zich buitengewoon bevoorrecht achten.Zijn hart mocht zwellen, zijn geest zich verheffen met meer dan den natuurlijken trots van beantwoorde liefde. Hij zag zich bevrijd, en zonder het minste zelfverwijt, van banden, die hem lang een bron van kwelling waren geweest, van eene vrouw, die hij reeds lang niet meer liefhad, en plotseling verzekerd van het bezit eener andere, waaraan hij bijna niet anders dan met wanhoop had kunnen denken, zoodra hij was begonnen het te beschouwen als het doel van zijn verlangen. Niet van uit twijfel en onzekerheid, doch van uit de diepste ellende ging hij over tot het geluk;—en die verandering uitte zich onomwonden, in zulk een echte, natuurlijk opwellende, dankbare vroolijkheid, als zijn vrienden nog nimmer bij hem hadden waargenomen.
Zijn hart stond nu open voor Elinor; al zijne zwakheden en dwalingen werden gebiecht, en zijne eerste, jongensachtige verliefdheid op Lucy werd beschouwd met al de philosofische waardigheid van den vier en twintigjarige.
“Het was van mijn kant een dwaze, lichtzinnige neiging,” zeide hij, “’t gevolg van gebrek aan wereldkennis en gemis van bezigheid. Had mijn moeder mij werkzaam laten zijn in eenig beroep, toen ik op mijn achttiende jaar aan de zorg van den Heer Pratt werd onttrokken, dan denk ik, neen, dan weet ik stellig, dat het nooit zou zijn gebeurd; want hoewel ik Longstaple verliet met wat ik toen als eene onoverwinnelijke neiging beschouwde voor zijne nicht, ik zou toch, wanneer ik toen eenige bezigheid had gehad, eenig doel, dat mijn tijd in beslag nam en mij enkele maanden van haar verwijderd hield, zeer spoedig die gewaande genegenheid zijn te boven gekomen; vooral door mij meer onder vreemden te bewegen, zooals ik in dat geval had moeten doen. Maar inplaats van iets te doen te krijgen,—in plaats dat eenig beroep voor mij werd gekozen, of eene eigen keuze mij werd vergund, kwam ik terug bij mijn familie om totaal leeg teloopen, en het eerste jaar na mijn thuiskomst had ik zelfs niet die zoogenaamde bezigheid, die het verblijf aan de universiteit mij zou hebben verschaft; want ik werd niet ingeschreven te Oxford, eer ik negentien jaar was geworden. Ik had dus niets ter wereld te doen, dan mij te verbeelden, dat ik verliefd was, en daar moeder mijn verblijf tehuis niet in elk opzicht aangenaam maakte,—daar ik geen vriend of kameraad vond in mijn broeder, en ongeneigd was, nieuwe kennissen te zoeken, was het niet onnatuurlijk, dat ik veel naar Longstaple ging, waar ik mij altijd thuis gevoelde, en zeker was, hartelijk te worden verwelkomd; zoodoende bracht ik het grootste deel van mijn tijd daar door, tusschen mijn achttiende en negentiende jaar. Lucy scheen toen zoo beminnelijk en voorkomend als iemand maar zijn kon. Mooi was zij ook;—ten minstetoenvond ik dat; en ik had zoo weinig omgegaan met andere vrouwen, dat ik geen vergelijkingen kon maken, en geen gebreken zien. Alles in aanmerking genomen, hoop ik dus, dat onze verloving, hoe onverstandig die ook was, en sedert in elk opzicht is gebleken, toentertijd toch geen onnatuurlijke of onverschoonbaar dwaze daad is geweest.”
De verandering, die enkele uren hadden bewerkstelligd in den geest en de gemoedsstemming der Dashwoods was zoo groot, dat zij allen, en niet zonder voldoening, een slapeloozen nacht tegemoet zagen. Mevrouw Dashwood, te gelukkig om kalm te zijn, wist niet hoe Edward genoeg te waardeeren, noch Elinor te prijzen;—hoe dankbaar genoeg te zijn voor zijn bevrijding zonder zijn fijngevoeligheid te kwetsen;—noch hoe zij hun tegelijkertijd gelegenheid zou schenken tot ongedwongen onderling gesprek, en tevens, zooals zij dat wenschte, zou kunnen genieten van beider aanblik en gezelschap.
Marianne kon hare vreugde slechts uiten door tranen. Vergelijkingen drongen zich aan haarop; weemoedige herinneringen kwamen oprijzen; en hare blijdschap, hoewel oprecht als haar zusterlijke liefde, was er eene, die haar noch opgewekt, noch spraakzaam vermocht te doen zijn.
Doch Elinor, hoeharegevoelens te beschrijven? Van af het oogenblik, waarop zij vernam, dat Lucy met een ander was gehuwd, dat Edward vrij was, tot aan dat, waarin hij de hoop in vervulling deed gaan, zoo plotseling daarop gevolgd, was zij beurtelings alles geweest, behalve kalm. Doch toen dat tweede oogenblik voorbij was,—toen zij elken twijfel, alle bezorgdheid voelde wijken,—toen zij haar toestand vergeleek bij wat die nog zoo kort geleden was geweest,—toen zij hem, met behoud van zijne eer, zag ontslagen van zijn vroegere verbintenis,—zag, hoe hij aanstonds gebruikmaakte van die bevrijding, door zich tot haar zelve te wenden, en de bekentenis af te leggen van eene liefde, zoo teeder en trouw als zij die altoos geloofd had te zijn,—toen was zij bezwaard, ja overstelpt door haar eigen geluksgevoel, en hoezeer ook des menschen geest gelukkigerwijze geneigd is, zich gemakkelijk te gewennen aan elke verandering ten goede, toch moesten meerdere uren verloopen eer haar gemoed zijne kalmte herkreeg, haar hart eenigermate tot rust kwam.
Edward moest nu minstens een week te Barton blijven; want van welke andere verplichtingen hij zich ook had te kwijten, het was onmogelijk, dat een korter tijdsverloop dan eene week zou worden gewijd aan het genot van Elinor’s gezelschap; of voldoende had kunnen zijn om de helft te zeggen van ’t geen er te zeggen viel over verleden, heden en toekomst; want hoewel in een paar uren van volijverig en onverpoosd gesprek meer onderwerpen kunnen worden behandeld, dan feitelijk aan twee redelijke wezens gemeenschappelijk belang kunnen inboezemen, bij gelieven is het toch anders gesteld. Tusschen hen is geen onderwerp afgehandeld,wordt geene mededeeling zelfs als gedaan beschouwd, wanneer zij niet minstens twintigmaal herhaald is.
Lucy’s huwelijk, een bron van eindelooze en verklaarbare verbazing voor hen allen, vormde natuurlijk een der eerste onderwerpen van gesprek tusschen de gelieven, en Elinor’s bijzondere bekendheid met de beide partijen deed het in hare oogen in elk opzicht een der zonderlingste en onverklaarbaarste gebeurtenissen schijnen, die haar ooit waren ter oore gekomen. Hoe zij met elkaar in aanraking waren gekomen, en welke aantrekkingskracht Robert had verleid tot een huwelijk met een meisje, van wier schoonheid zij hem zelve zonder eenige bewondering had hooren spreken, een meisje nog wel, dat reeds verloofd was met zijn broeder, en om wier wil die broeder door zijn familie was verstooten,—het ging haar begrip te boven. Haar eigen hart vond in het gebeurde reden tot groote blijdschap; haar verbeelding trof het als iets belachelijks; doch voor haar verstand, haar oordeel bleef het een onopgelost raadsel.
Edward kon slechts pogen het te verklaren door de onderstelling, dat na eene eerste toevallige ontmoeting de ijdelheid van den een zoozeer gestreeld was door de vleierij der andere, dat hieruit van lieverlede al het overige was gevolgd. Elinor herinnerde zich, wat Robert haar in Harley Street had verteld aangaande zijne meening omtrent hetgeen zijne bemiddeling in zijn broeder’s aangelegenheid zou hebben uitgewerkt, zoo hij bijtijds ware tusschenbeide gekomen. Zij vertelde dit aan Edward.
“Dàt was wel juist iets voor Robert,” merkte hij dadelijk op. “En dàt,” voegde hij erbij, “heeft hij misschien in het hoofd gehad, toen zij elkaar voor ’t eerst ontmoetten. Terwijl Lucy mogelijk in ’t begin alleen erop bedacht was, zijn voorspraak te mijnen gunste te winnen. Later kunnen toen wel andere plannen bij hen zijn opgekomen.”Hoelang die verstandhouding tusschen hen had bestaan, kon hij echter evenmin uitmaken als zijzelve; want te Oxford, waar hij bij voorkeur was gebleven sedert zijn vertrek uit Londen, had hij geen ander bericht omtrent haar kunnen ontvangen dan door haarzelve, en tot het allerlaatst waren hare brieven noch in aantal, noch in hartelijkheid verminderd. Geen de minste achterdocht was dus bij hem gerezen, om hem voor te bereiden op hetgeen gebeuren ging, en toen het hem ten slotte geheel onverwacht werd geopenbaard door een brief van Lucy zelve, was hij een tijdlang half verbijsterd geweest, dacht hij, door verbazing, ontzetting en vreugde over zulk een ongedachte verlossing. Hij liet Elinor den brief lezen.—
“Geachte Heer.Daar ik zeer wel weet, dat ik reeds lang niet meer uwe liefde bezit, acht ik mij gerechtigd, de mijne aan een ander te schenken, en twijfel ik niet, of ik zal zoo gelukkig met hem worden als ik eens had gedacht te zullen zijn met u; maar ik acht het beneden mij, de hand aan te nemen van hem, wiens hart aan eene andere behoort. Ik wensch u oprecht geluk met uwe keuze, en zal het mijne schuld niet zijn, als wij niet steeds goede vrienden blijven, zooals nu ook behoorlijk is, daar wij naaste verwanten worden. Ik mag gerust zeggen, dat ik u geen kwaad hart toedraag, en ik weet wel, dat gij te edelmoedig zijt om ons te willen benadeelen. Uw broeder heeft mijn geheele hart gewonnen, en daar wij zonder elkander niet konden leven, zijn wij zooeven in den echt verbonden, en thans op weg naar Dawlish voor een paar weken, waarnaar uw broeder zeer verlangt; maar meende ik u eerst deze paar regels te moeten schrijven, en blijf steeds gaarne, u van harte alle goeds wenschend,uwe vriendin en zusterLucy Ferrars.
“Geachte Heer.
Daar ik zeer wel weet, dat ik reeds lang niet meer uwe liefde bezit, acht ik mij gerechtigd, de mijne aan een ander te schenken, en twijfel ik niet, of ik zal zoo gelukkig met hem worden als ik eens had gedacht te zullen zijn met u; maar ik acht het beneden mij, de hand aan te nemen van hem, wiens hart aan eene andere behoort. Ik wensch u oprecht geluk met uwe keuze, en zal het mijne schuld niet zijn, als wij niet steeds goede vrienden blijven, zooals nu ook behoorlijk is, daar wij naaste verwanten worden. Ik mag gerust zeggen, dat ik u geen kwaad hart toedraag, en ik weet wel, dat gij te edelmoedig zijt om ons te willen benadeelen. Uw broeder heeft mijn geheele hart gewonnen, en daar wij zonder elkander niet konden leven, zijn wij zooeven in den echt verbonden, en thans op weg naar Dawlish voor een paar weken, waarnaar uw broeder zeer verlangt; maar meende ik u eerst deze paar regels te moeten schrijven, en blijf steeds gaarne, u van harte alle goeds wenschend,
uwe vriendin en zusterLucy Ferrars.
Ik heb al uwe brieven verbrand, en zal uw portret bij de eerstvolgende gelegenheid terugzenden. Verscheur als ’t u blieft mijn gekrabbel; den ring met mijn haar moogt ge gerust behouden.”
Elinor las den brief, en gaf dien zonder iets te zeggen terug.
“Ik zal maar niet vragen wat je denkt van den stijl,” zei Edward. “Ik had voor geen geld van de wereld gewild vroeger, dat een brief van haar onder je oogen was gekomen. ’t Is al erg genoeg als eene zuster zoo schrijft; maar je eigen vrouw! Hoe dikwijls kreeg ik een kleur van schaamte bij ’t lezen van haar brieven; en ik geloof wel, te mogen zeggen, dat sedert het eerste half jaar van die dwaze... geschiedenis, dit de eerste brief is geweest, dien ik van haar ontving, waarvan de inhoud de stijlfouten eenigszins vergoedde.”
“Hoe het dan ook zoover is gekomen,” zeide Elinor na een poos van stilte, “getrouwdzijnze nu. En je moeder heeft zich hare verdiende straf op den hals gehaald. De onafhankelijkheid, die zij Robert verzekerde, uit verbittering jegens jou, heeft hem in staat gesteld, zijn eigen keuze te volgen, en door hem die duizend pond in het jaar te schenken, heeft zij feitelijk bewerkt, dat de eene zoon het plan volvoerde, wegens welks beraming zij den anderen had onterfd. Het zal haar wel niet minder grieven, denk ik, dat Robert met Lucy is getrouwd, dan dat jij haar tot vrouw hadt gekregen.”
“Het grieft haar dieper; want van Robert hield zij altoos het meest. Het grieft haar dieper; maar om diezelfde reden zal ze hem veel eerder vergiffenis schenken.”
Hoe de zaken op het oogenblik tusschen hen stonden, wist Edward niet; want hij had nog met geen zijner familieleden gepoogd in verbinding te treden. Nog geen vierentwintig uren na de komst van Lucy’s brief had hij Oxford verlaten; en met slechts één doel voor oogen, de naaste weg naarBarton, had hij nog geen tijd gehad, eenig voornemen op te vatten, dat niet met dien weg in het nauwste verband stond. Hij kon niets doen, eer hij wist, hoe Elinor over zijn lot zou beslissen, en uit de snelheid, waarmede hij die beslissing zocht, mocht men opmaken,—ondanks de jaloezie, waarmede hij eenmaal aan Kolonel Brandon had gedacht,—ondanks zijn bescheiden meening omtrent zijn eigen verdiensten, en de beleefdheid, die hem van zijn twijfel deed spreken, dat hij over ’t geheel op geen al te wreedaardige ontvangst had gerekend. Hij behoorde echter te beweren, dat hij dit wèl had gedaan, en hij zeide dit dan ook, zooals het betaamde. Wat hij een jaar later omtrent dit onderwerp zou hebben te vertellen, laat ik over aan de verbeelding van echtelieden.
Dat Lucy stellig bedoeld had, hem te bedriegen, en hem, met eene uiting van boosaardigen triomf in hare opdracht aan Thomas, zijn afscheid te geven, was Elinor volkomen duidelijk; en Edward zelf, die haar karakter thans goed doorzag, gaf onbewimpeld te kennen, dat hij haar, in hare roekelooze boosaardigheid, tot het allerlaagste in staat achtte. Hoewel hem de oogen reeds lang waren opengegaan, zelfs eer hij Elinor leerde kennen, voor hare onwetendheid en het gemis van ruimheid in sommige harer opvattingen, had hij dit alles aan haar gebrekkige opvoeding geweten, en totdat hij haar laatsten brief ontving, had hij altoos gedacht, dat zij een welmeenend, goedhartig meisje was, en dat zij voor hem eene oprechte genegenheid koesterde. Niets dan deze overtuiging kon hem hebben belet, een einde te maken aan eene verloving, die lang eer de ontdekking ervan hem blootstelde aan zijn moeder’s toorn, een aanhoudende oorzaak van onrust en verdriet voor hem was geweest.
“Ik achtte het mijn plicht,” zeide hij, “afgezien van mijn eigen gevoelens, haar de keus te laten, of zij de verloving wilde verbreken, of niet, toen ikdoor mijne moeder werd verstooten, en het scheen, alsof ik in de wereld stond zonder een enkelen vriend, die mij had kunnen bijstaan. Hoe kon ik, in zulke omstandigheden, waarin niets verlokkends gelegen scheen voor de hebzucht of de ijdelheid van eenig menschelijk wezen, veronderstellen, toen zij zoo ernstig en hartelijk er op aandrong, mijn lot te deelen, hoe het ook mocht zijn, dat iets anders dan de meest onbaatzuchtige genegenheid haar daartoe noopte? En zelfs nu kan ik niet begrijpen, door welke beweegreden zij werd gedreven, of welk gewaand voordeel zij erin zag, gebonden te zijn aan een man, voor wien zij geen spoor van liefde gevoelde, en die slechts tweeduizend pond zijn eigendom kon noemen. Zij kon niet vooruit weten, dat Kolonel Brandon mij eene predikantsplaats zou bezorgen.”
“Neen; maar zij geloofde allicht, dat er iets gebeuren kon in je voordeel; dat je eigen familie ten slotte zou toegeven. En in elk geval verloor zij er niets bij, als zij de verloving liet voortduren; want zij heeft bewezen, dat deze haar noch in hare neigingen, noch in hare daden belemmerde. De relatie was zeer zeker waardevol, en verschafte haar waarschijnlijk eenig aanzien onder hare vrienden, en als zich niets voordeeligers opdeed, was het beter voor haar, met jou te trouwen dan ongehuwd te blijven.”
Het sprak van zelf, dat Edward aanstonds inzag, hoe niets natuurlijker kon zijn geweest dan Lucy’s gedrag, en niets meer verklaarbaar, dan de beweegreden, die haar ertoe had gedreven.
Elinor berispte hem, streng, als dames steeds eene onvoorzichtigheid berispen, die voor haarzelve vleiend is, omdat hij zooveel tijd bij hen te Norland had doorgebracht, toen hij zich toch bewust moest zijn geweest van zijn eigen ontrouw.
“Je gedrag was werkelijk zeer verkeerd,” zeide zij; “omdat, mijn eigen overtuiging nu nog daargelaten,onze verwanten er allen aanleiding in vonden, zich te verbeelden en te verwachten, wat in de omstandigheden, waarin jetoenverkeerde, nooit gebeuren kon.”
Het eenige wat hij hiertegen kon inbrengen was, dat hij zijn eigen hart niet had gekend, en te veel gewicht had gehecht aan de bindende kracht van zijne verloving.
“Ik was onnoozel genoeg, om te gelooven, dat er, daar ik mijne trouw aan eene andere had verpand, geen gevaar was te duchten van ons beider samenzijn; en dat het besef, dat ik verloofd was, mijn hart even veilig en ongerept zou doen blijven, als mijne eer. Ik voelde, dat ik je bewonderde; maar ik zeide tot mijzelf, dat het enkel vriendschap was, en totdat ik vergelijkingen begon te maken tusschen jou en Lucy, wist ik niet, hoever het reeds met mij was gekomen. Daarna geloof ik wel, dat ik verkeerd deed door zoo dikwijls in Sussex te vertoeven, en de argumenten, waarmede ik mijzelf poogde te overtuigen dat hierin geen kwaad stak, kwamen op niet veel beters neer dan dit: “Ik ben de eenige, die gevaar loopt; ik doe niemand kwaad dan mijzelf.”
Elinor glimlachte, en schudde haar hoofd.
Edward hoorde met genoegen, dat Kolonel Brandon te Barton werd verwacht; daar hij werkelijk niet alleen wenschte, hem beter te leeren kennen; maar ook, om gelegenheid te vinden, hem te overtuigen, dat hij niet afkeerig was van de predikantsplaats te Delaford. “Terwijl thans,” zeide hij, “na de weinig beminnelijke wijze, waarop ik mijn dank bij die gelegenheid heb uitgesproken, de Kolonel wel zou kunnen denken, dat ik hem die aanbieding nooit heb kunnen vergeven.” Nu was hij er zelf verbaasd over, dat hij Delaford nog niet had bezocht. Maar hij had zoo weinig belang gesteld in de zaak, dat hij al zijne kennis omtrent het huis, den tuin en den bouwgrond, de grootte der gemeente, den toestand van het land, en deopbrengst der tienden, te danken had aan Elinor zelve, die er door Kolonel Brandon zooveel van had vernomen, en daarbij zoo aandachtig had geluisterd, dat zij thans volkomen op de hoogte was.
Eene vraag bleef hierna slechts onbeslist tusschen hen; eene moeilijkheid viel nog slechts te overwinnen. Zij waren tezamengebracht door wederzijdsche genegenheid, met de hartelijkste goedkeuring hunner waarachtige vrienden; hunne innig vertrouwde bekendheid met elkander scheen hun geluk te waarborgen, en zij verlangden nu alleen het noodige om van te leven.
Edward bezat tweeduizend pond, en Elinor duizend, hetgeen met de predikantsplaats te Delaford, alles was, wat zij hun eigendom konden noemen; want het was niet mogelijk, dat Mevrouw Dashwood hun iets zou afstaan, en zij waren geen van beiden verliefd genoeg, om te denken dat driehonderdvijftig pond in het jaar hun een behagelijk bestaan zou verschaffen.
Edward liet nog niet alle hoop varen op eene gunstige verandering in zijne moeder te zijnen opzichte, en hierop rekende hij, wat de rest van hun inkomen betrof. Elinor echter vertrouwde hierop niet; want daar Edward nog steeds met Juffrouw Morton zou kunnen trouwen, en Mevrouw Ferrars, op haar vleiende manier, het slechts voor een geringer kwaad had verklaard, als hij háár, inplaats van Lucy Steele had gekozen, vreesde zij, dat Robert’s vergrijp tot niets anders zou dienen, dan om Fanny te verrijken. Omstreeks vier dagen na Edward’s komst verscheen Kolonel Brandon, om Mevrouw Dashwood’s voldoening te volmaken, en haar het trotsche gevoel te schenken, voor de eerste maal sedert zij te Barton woonde, van meer gasten te hebben, dan zij in haar huis bergen kon. Edward mocht zijn recht als eerstgekomene doen gelden, en dus wandelde Kolonel Brandon iederen avond naar zijn oud kwartier op Het Park, vanwaarhij gewoonlijk ’s morgens terugkeerde, vroeg genoeg om het tête-à-tête der gelieven te storen, voor het ontbijt.
Een verblijf van drie weken te Delaford, waar hij, althans in de avonduren, weinig anders te doen had, dan de ongunstige verhouding na te rekenen tusschen zes en dertig en zeventien, deed hem naar Barton komen in eene stemming, die, ondanks Marianne’s merkbaar verbeterden gezondheidstoestand, haar hartelijke verwelkoming, en de bemoedigende verzekeringen van hare moeder, nog steeds niet vroolijk kon worden genoemd. Onder zulke vrienden echter, en bij zooveel voorkomendheid leefde hij werkelijk op. Nog had hij niets vernomen van Lucy’s huwelijk; hij wist niets van ’t geen er gebeurd was, en dus gaven de eerste uren van zijn bezoek ruim stof tot aanhooren en zich verbazen. Alles werd hem door Mevrouw Dashwood verklaard, en hij verheugde zich te meer over ’t geen hij voor den Heer Ferrars had gedaan, nu het ten slotte bleek, dat hij Elinor’s belang daardoor had bevorderd.
Het zou onnoodig zijn, te zeggen, dat met de nadere kennismaking de wederzijdsche waardeering der beide heeren gelijken tred hield; want het had moeilijk anders kunnen zijn. Hunne overeenstemming in zuivere beginselen en helder oordeel, in geaardheid en denkwijze, zou waarschijnlijk voldoende zijn geweest om hen vriendschap te doen sluiten, zonder dat eenige andere aantrekking daartoe medewerkte; maar dat zij hun liefde hadden geschonken aan twee zusters, en twee zusters die veel van elkaar hielden, deed onvermijdelijk en onmiddellijk de wederzijdsche genegenheid ontstaan, die anders misschien zou hebben gewacht op de uitwerking van den tijd, en rijper nadenken.
De brieven uit de stad, die eenige dagen tevoren iedere zenuw in Elinor’s lichaam zouden hebben doen trillen van verrukking, kwamen nu aan; omte worden gelezen met meer vroolijkheid dan ontroering. Mevrouw Jennings schreef, om het wonderlijke bericht te vertellen, haar eerlijke verontwaardiging te uiten jegens het meisje dat zoo grillig haar minnaar verwierp, en al haar medelijden uit te storten over dien armen Mijnheer Edward, die naar zij stellig geloofde, gedweept had met dat ondeugende ding, en nu, naar zij hoorde, diep wanhopig te Oxford zat. “Ik moet zeggen,” ging ze voort, “het was buitengewoon slim overlegd; want nog geen twee dagen te voren had Lucy mij opgezocht, en zat een paar uren bij mij te praten. Geen mensch, die er iets van vermoedde; zelfs Anne niet, die arme ziel, die den volgenden dag schreiende bij mij kwam, doodsbang voor Mevrouw Ferrars en omdat ze niet wist, hoe naar Plymouth te komen; want het blijkt, dat Lucy eer ze wegging om te trouwen, al Anne’s geld had geleend; zeker om er vertooning mee te maken, en die arme Anne had geen zeven shillings in haar beurs;—ik gaf haar met pleizier vijf guineas, om naar Exeter te reizen, waar ze een week of drie vier bij Mevrouw Burgess dacht te logeeren, natuurlijk in de hoop, zooals ik haar al zei, den dokter daar weer te ontmoeten. En ik moet zeggen, die onaardigheid van Lucy, om haar niet mee in het rijtuig te nemen, vind ik het ergst van alles. Arme Mijnheer Edward! Ik kan hem niet uit mijn hoofd zetten; maar jelui moet hem naar Barton halen; en dan moet Marianne beproeven hem te troosten.”
De Heer Dashwood schreef in ernstiger trant. Mevrouw Ferrars was de ongelukkigste van alle vrouwen—de arme Fanny had door hare gevoeligheid onbeschrijfelijke kwellingen verduurd—en hij beschouwde het als eene reden tot dankbare verwondering, dat beiden na zulk een slag nog in leven waren gebleven. Robert’s vergrijp was onvergefelijk; maar Lucy had zich oneindig erger misdragen. Beider naam mocht ten aanhoore vanMevrouw Ferrars niet meer worden genoemd, en zelfs al zou zij er later toe kunnen komen, haar zoon te vergeven, zijne vrouw zou nooit als hare dochter worden erkend; noch vergunning verkrijgen, zich in hare tegenwoordigheid te vertoonen. De geheimzinnigheid, die zij bij alles hadden in acht genomen, werd zeer terecht aangemerkt als eene omstandigheid, die hunne misdaad ontzaglijk verzwaarde; want wanneer de anderen eenig vermoeden hadden opgevat van ’t geen er gaande was, dan waren er maatregelen genomen om het huwelijk te beletten, en hij vroeg Elinor in gemoede, of zij het niet met hem betreurde, dat Lucy’s verloving met Edward niet liever was doorgegaan, dan dat zij op deze wijze nog meer onheil had gesticht in hun familie. Hij ging voort:
“Mevrouw Ferrars heeft nog nooit Edward’s naam genoemd, ’t geen ons niet verwondert; maar tot onze verbazing heeft zij geen woord van hem vernomen bij deze gelegenheid. Misschien is zijn zwijgen toe te schrijven aan de vrees, haar te beleedigen, en ik zal hem dus een wenk geven, in een brief naar Oxford, dat zijn zuster en ik beiden denken, dat een schrijven van hem, waarin hij op betamelijke wijze blijk geeft van eene onderworpen gezindheid (geadresseerd aan Fanny bijvoorbeeld, en door haar vertoond aan hare moeder) mogelijk in goede aarde zou vallen; want wij weten allen, welk een teeder hart Mevrouw Ferrars bezit, en dat zij niets zoozeer wenscht, als met hare kinderen in goede verstandhouding te leven.”
Deze zinsnede was van gewicht, zoo voor Edward’s vooruitzichten als zijn gedrag. Hij werd erdoor bewogen een poging te doen tot verzoening, al was het dan niet precies op de wijze, door hun broeder en zuster aangegeven.
“Een schrijven waarin ik op betamelijke wijze blijk geef van een onderwerpen gezindheid!” herhaalde hij; “zouden ze vinden, datikmoeder vergiffenismoet vragen voor Robert’s ondankbaarheid jegens háár, en oneerlijkheid tegenovermij?—Ik bèn niet gezind mij te onderwerpen; het gebeurde heeft mij noch nederig gestemd, noch berouwvol. Alleen maar zeer gelukkig; en dat vindt zij van geen belang. Ik zie de betamelijkheid van onderwerping niet in, in mijn geval.”
“Je moogt toch stellig om vergeving vragen,” zeide Elinor, “omdat je haar verdriet hebt gedaan; en ik zou denken, dat je nù wel zoo ver mocht gaan, eenige spijt te toonen, dat je ooit de verloving hebt aangegaan, die je moeder’s toorn heeft opgewekt.”
Hij gaf toe, dat hij dit wel zou kunnen doen.
“En als ze je heeft vergeven, dan zou een weinigje nederigheid je wel passen, wanneer je haar vertelt van een tweede verloving, in hare oogen haast even onvoorzichtig als de eerste.”
Daartegen had hij niets in te brengen; maar het denkbeeld van een onderworpen brief stond hem nog steeds niet aan; en om het hem gemakkelijker te maken, daar hij veel eerder bereid scheen, mondeling zoete broodjes te bakken, dan op papier, werd er besloten dat hij, inplaats van aan Fanny te schrijven, naar Londen zou gaan, en persoonlijk haar tusschenkomst te zijnen behoeve zou verzoeken.
“En als ze werkelijk hun best doen,” zei Marianne in haar nieuwe rol van onpartijdige toeschouwster, “om een verzoening tot stand te brengen, dan vind ik van nu af zelfs in John en Fanny nog wel iets goeds.”
Toen Kolonel Brandon’s bezoek na een dag of vier was afgeloopen, vertrokken de beide heeren samen uit Barton. Zij zouden eerst naar Delaford gaan, opdat Edward zijn toekomstig tehuis zou kunnen in oogenschouw nemen, en met zijn beschermer en vriend zou kunnen overleggen, welke verbeteringen nog vielen aan te brengen; en na een paar dagen, te Delaford doorgebracht, zou hij verder doorreizen naar de stad.