Hoofdstuk XX

Hoofdstuk XXToen de dames Dashwood den volgenden dag den salon te Barton Park binnen traden door de ééne deur, kwam Mevrouw Palmer haastig binnenloopen door de andere, even vergenoegd en vroolijk als den dag te voren. Zij schudde hun allen hartelijk de hand, en was verrukt over het weerzien.“Ik ben zoo blij, dat u gekomen bent!” zei ze, terwijl ze plaats nam tusschen Elinor en Marianne; “want ’t is zulk slecht weer, ik was bang dat u niet kwam; en dat zou ellendig zijn geweest; want morgen gaan we weg. Dat moet wel, omdat we de volgende week de Westons te logeeren krijgen, weet u? De heele reis kwam zoo ineens op; ik wist van niets, tot het rijtuig voorkwam, en toen eerst vroeg mijnheer Palmer mij of ik meeging naar Barton. Hij is altijd zoo grappig! Hij vertelt mij nooit iets! Het spijt mij zoo, dat we niet langerkunnen blijven; maar we zullen elkaar gauw weer ontmoeten, hoop ik, in de stad.”Zij waren verplicht haar het ongegronde dier verwachting te doen inzien.“Gaat u niet naar de stad?” riep Mevrouw Palmer lachend, “dat zou mij erg tegenvallen. Ik zou juist een geschikt huis voor u kunnen huren vlak naast het onze, in Hanover Square. Och, umoetkomen. Ik zal met het grootste pleizier met u uitgaan, tot aan mijn bevalling, als Mevrouw Dashwood liever niet onder de menschen komt.”Zij bedankten haar voor haar welwillendheid; maar waren verplicht al haar smeekingen te weerstaan.“Och toe, lieve schat”, riep Mevrouw Palmer haar man toe die op dat oogenblik de kamer inkwam, “help mij toch de dames Dashwood overhalen om dezen winter naar de stad te gaan.”Haar lieve schat gaf geen antwoord, en begon, na vluchtig voor de dames te hebben gebogen, te klagen over het weer. “Afgrijselijk is het hier!” zei hij. “Zulk weer maakt dat men aan alles en iedereen een hekel krijgt. Binnen is ’t al even vervelend als buiten met dien regen. Men komt ertoe, zijn kennissen te verfoeien. Wat bezielt Sir John, er geen biljart op na te houden? Er zijn maar weinig menschen, die weten wat behagelijkheid is. Sir John en het weer zijn allebei even onhebbelijk.”Langzaam aan kwamen nu ook de anderen binnen.“Ik ben bang, dat Marianne vandaag niet zooals gewoonlijk een wandeling naar Allenham heeft kunnen doen,” zei Sir John.Marianne keek zeer ernstig en gaf geen antwoord.“O, houdt u zich voor ons maar zoo dom niet,” zei Mevrouw Palmer; “want wij weten er alles van; en ik bewonder uw goeden smaak, want ik vind hem ook een bijzonder knappen man. Wij wonen niet zoo ver van hem af,—niet meer dan een mijl of tien, geloof ik.”“Zeg maar liever dertig!” zei haar man.“O, nu, dat maakt niet veel verschil. Ik ben nooit in het huis geweest; maar ik heb gehoord, dat het mooi is, en aardig gelegen.”“’t Ellendigste nest, dat ik ooit heb gezien,” zei de Heer Palmer.Marianne bewaarde een strak stilzwijgen, hoewel men aan haar gezicht kon zien, hoe zeer zij belangstelde in ’t geen gezegd werd.“Is het zoo leelijk?” ging Mevrouw Palmer voort;—“dan is het zeker een ander buitengoed, dat zoo mooi was, denk ik.”Toen zij in de eetkamer aan tafel zaten, merkte Sir John tot zijn spijt op, dat ze maar met hun achten waren. “Lieve,” zei hij tot zijn vrouw, “wat is dat nu vervelend, dat we maar met zoo weinig zijn. Waarom vroeg je de Gilberts niet, of ze vandaag konden komen?”“Ik heb je immers gezegd, man, toen je mij erover sprak, dat het niet ging. Ze hebben ’t laatst bij ons gedineerd.”“Wij zouden ons aan zulke plichtplegingen weinig storen,” zei Mevrouw Jennings tegen Sir John.“Dat zou dan heel ongemanierd van u zijn,” merkte de Heer Palmer op.“Je spreekt iedereen tegen, manlief,” zei zijn vrouw, lachend als gewoonlijk. “Weet je wel dat je erg onbeleefd bent?”“Ik wist niet, dat ik iemand tegensprak, toen ik je moeder ongemanierd noemde.”“O, mij mag je gerust uitschelden,” zei de goedgeluimde oude dame. “Je hebt Charlotte nu eenmaal van mij overgenomen, en je kunt haar niet teruggeven. Dus in dat opzicht ben ik je de baas.”Charlotte lachte hartelijk om het denkbeeld, dat haar man haar niet kon kwijtraken, en zei triomfantelijk, dat het haar niets kon schelen, al was hij nog zoo onaardig, ze moesten nu eenmaal samenhet leven door. Het was werkelijk onmogelijk, zich iemand voor te stellen, meer onverzettelijk in haar goed humeur en onwankelbare vroolijkheid, dan Mevrouw Palmer. De met opzet ten toon gespreide onverschilligheid, lompheid en ontevredenheid van haar man hinderden haar volstrekt niet, en als hij haar berispte of onaangenaamheden zei, vond zij dat uiterst vermakelijk.Mijnheer Palmer is toch zóó grappig!” fluisterde zij Elinor in, “Hij is altijd uit zijn humeur.”Elinor was, bij nadere beschouwing, ongeneigd, te gelooven, dat hij zoo echt en van nature kwaadaardig en lomp was, als hij zich voordeed. Misschien had zijn humeur een beetje geleden door het besef, dat hij, zooals velen van zijn sekse, gedreven door een onverklaarbare voorliefde voor schoonheid, de echtgenoot was geworden van een buitengewoon domme vrouw;—maar zij wist wel, die soort van vergissing werd te algemeen begaan, dan dat een verstandig man dit als een blijvende grief zou kunnen beschouwen. Het was meer een wensch om zich te onderscheiden, geloofde zij, die ten grondslag lag aan de minachtende wijze waarop hij iedereen behandelde, en alles afkeurde wat hem onder de oogen kwam. Het was het verlangen zijn meerderheid boven anderen te doen gelden. De beweegreden was te algemeen om verwondering te wekken; maar de gebezigde middelen, al beantwoordden zij dan ook aan het doel, door zijn meerderheid te bewijzen op het punt van onhebbelijk gedrag, konden bezwaarlijk in iemand, behalve zijn vrouw, genegenheid voor hem wekken. “Lieve Juffrouw Dashwood,” begon Mevrouw Palmer iets later, “ik heb aan u en uw zuster een groote gunst te vragen. Zoudt u met Kerstmis een poosje te Cleveland willen komen logeeren? Toe, doet u dat,—en komt u dan als de Westons bij ons zijn. U kunt u niet voorstellen, hoe heerlijk ik dat zou vinden. ’t Zou bepaald verrukkelijk zijn!—Zou jij ook nietdolgraag willen, man, dat de dames Dashwood bij ons te Cleveland kwamen?”“Natuurlijk,” antwoordde hij spottend,—“ik kwam naar Devonshire met geen ander doel.”“Ziet u wel,” zei zijn vrouw; “Mijnheer Palmer rekent er op, dat u komt; nu kunt u niet weigeren.”Doch beiden bedankten haastig en met nadruk voor hare uitnoodiging.“O, maar umoeten uzultkomen. Ik weet stellig, dat u ’t heel gezellig zult vinden. De Westons zijn er ook, en ’t zal verrukkelijk zijn. U weet niet, wat een aardig buitentje Cleveland is, en ’t is er nu zoo vroolijk. Want Mijnheer Palmer reist overal in de buurt rond, om stemmen te winnen tegen de verkiezingen, en dan komen er zooveel menschen dineeren, die ik in ’t geheel niet ken; dat is alleraardigst. Maar het is voor hem wel héél vermoeiend, die arme jongen, want hij moet zich dan wel aangenaam maken bij iedereen.”Elinor kon haar gezicht bijna niet in bedwang houden, toen zij toegaf, dat die verplichting hem wel zwaar moest vallen.“Gezellig zal dat zijn,” zei Charlotte, “als hij lid van het Parlement is,—dunkt u niet? Wat zal ik dàn lachen! Zoo aller grappigst, dat al zijn brieven geadresseerd zullen zijn aan een M.P. Maar hij zegt dat hij niet van plan is ooit aan mij te schrijven. Dat verkiest hij niet. Is ’t niet, man?”De Heer Palmer nam geen notitie van haar vraag.“Hij kan schrijven niet uitstaan, weet u,” ging zij voort, “dat vindt hij een horreur, zegt hij.”“Neen,” zei de Heer Palmer, “dien onzin heb je uitmijnmond niet gehoord. Maak mij alsjeblieft niet aansprakelijk voor de manier waarop jij met de taal omspringt.”“Hoort u toch eens; nu ziet u, hoe grappig hij is. Zoo is hij nu altijd. Soms zegt hij een halven dag geen woord tegen mij, en dan komt hij op eens metiets grappigs voor den dag—het doet er niet toe wáárover.”Toen zij naar den salon teruggingen, verbaasde zij Elinor ten zeerste, door haar te vragen, of zij den Heer Palmer niet een bijzonder aardigen man vond.“Zeker,” zei Elinor; “hij maakt een aangenamen indruk.”“O, daar ben ik blij om. Ik dacht het wel: hij is zoo aardig, en hij is toch zoo ingenomen met u en uw zusters; u kunt u niet voorstellen, hoe teleurgesteld hij zal zijn, als u niet te Cleveland komt. Ik kan maar niet begrijpen, waarom u toch bezwaar maakt.”Elinor moest nogmaals haar verzoek afwijzen, en maakte een einde aan dat dringend gevraag, door over iets anders te beginnen. Zij achtte het waarschijnlijk, dat Mevrouw Palmer, die in de buurt woonde van Willoughby, haar allicht meer bijzonderheden kon meedeelen omtrent de wijze, waarop hij in de algemeene opinie stond aangeschreven, dan zij had kunnen vernemen door de Middletons, die hem slechts oppervlakkig kenden, en zij zou gaarne, van wie ook, eenige bevestiging hebben gehoord van zijn verdienstelijke eigenschappen, die de mogelijkheid van vrees voor Marianne had kunnen uitsluiten. Zij begon met de vraag, of de Heer Willoughby bij hen wel eens te Cleveland kwam op bezoek, en of zij goede bekenden van hem waren.“O ja zeker; ik ken hem héél goed,” antwoordde Mevrouw Palmer. “Niet dat ik hem ooit heb gesproken; maar in de stad zag ik hem overal. Hoe ’t zoo kwam weet ik niet; maar ik logeerde toevallig nooit te Barton, als hij te Allenham was. Mama heeft hem hier vroeger eens ontmoet maar toen logeerde ik bij mijn oom te Weymouth. Ik geloof wel, dat we elkaar veel zouden hebben gezien in Somersetshire, als ’t niet zoo ongelukkighad getroffen, dat we nooit op denzelfden tijd buiten waren. Hij komt weinig te Combe, geloof ik; maar al kwam hij er nog zoo dikwijls, dan denk ik toch niet, dat Mijnheer Palmer hem zou gaan opzoeken; want hij heeft andere meeningen in de politiek, weet u, en ’t is ook zoo geducht ver weg. Ik weet best, waarom u naar hem vraagt; uw zuster gaat met hem trouwen. Daar ben ik verbazend blij om; want dan wordt ze mijn buurvrouw.”“Werkelijk,” zei Elinor, “u weet veel meer van de zaak af dan ik, wanneer u reden hebt, dat huwelijk te verwachten.”“O, doet u nu niet, alsof ’t niet waar is, want u weet wel, dat iedereen er den mond vol van heeft. Nu pas in de stad heb ik het nog weer gehoord.”“Maar, Mevrouw Palmer!”“Wezenlijk, op mijn woord van eer. Maandagmorgen in Bond Street, juist voor we weggingen kwam ik Kolonel Brandon tegen, en hij vertelde ’t me dadelijk.”“U doet me verbaasd staan. Kolonel Brandon zou ’t u verteld hebben? U vergist u bepaald. Iets van dien aard mee te deelen aan iemand, die er geen belang in kon stellen, zelfs al was het waar, dat is niet, wat ik van Kolonel Brandon zou verwachten.”“’t Was toch werkelijk, zooals ik u zeg, en ik zal u vertellen hoe ’t zoo kwam. Toen we hem tegenkwamen, keerde hij om, en liep met ons mee, en we begonnen te praten over mijn broer en zuster en zoo meer, en ik zei tegen hem: “Ik hoor, Kolonel, dat Barton Cottage nieuwe bewoners heeft gekregen, en mama schrijft mij, dat de meisjes heel mooi zijn, en een van hen gaat trouwen met den Heer Willoughby, van Combe Magna. Is dat waar? U kunt het natuurlijk weten; want u komt pas uit Devonshire.”“En wat zei de Kolonel toen?”“O—hij zei niet veel; maar hij keek, alsof hijwel wist, dat het waar was; dus van dat oogenblik af was ik er zeker van. Ik vind het verrukkelijk, dol! Wanneer gaan ze trouwen?”“Kolonel Brandon maakte het goed, hoop ik?”“O ja, best; en hij was één en al lof over u; hij deed maar niets dan allerlei moois van u vertellen.”“Zijn goede meening is mij veel waard. Hij is een man zooals er weinigen zijn, dunkt mij, en alleraangenaamst in den omgang.”“Dat vind ik ook.—’t Is zoo’n allerliefste man;—Zoo jammer eigenlijk, dat hij zoo ernstig en zoo vervelend is. Mama zegt, dathijook verliefd was op uw zuster. Ik verzeker u, dat is een groot compliment, want hij wordt haast nooit verliefd op iemand.”“Kent men in uw omgeving te Somersetshire den Heer Willoughby over ’t algemeen goed?” vroeg Elinor.“O ja, héél goed;—dat is te zeggen, ik geloof niet dat veel menschen hem kennen, omdat Combe Magna zoo ver uit de buurt is; maar iedereen vindt hem een aangenaam mensch. Niemand is zoo algemeen bemind als Mijnheer Willoughby, wáár hij ook komt, dat moet u maar eens aan uw zuster vertellen. Ze mag van geluk spreken, hoor, dat ze hem krijgt; maar hij van zijn kant nog wel meer; want zij is zoo mooi en zoo lief, dat voor haar niets te goed is. Maar eigenlijk vind ik u haast niet minder mooi dan haar; want ik vind u allebei snoezig; en dat vindt Mijnheer Palmer ook, al konden we hem er gisteravond niet toe krijgen, het toe te geven.”Mevrouw Palmer’s inlichtingen omtrent Willoughby waren niet bepaald waardevol; maar elk getuigenis te zijnen gunste, hoe gering ook, deed Elinor genoegen.“Ik ben zoo blij, dat we elkaar nu eindelijk hebben leeren kennen,” ging Charlotte voort. “En nu hoop ik dat we altijd goede vrienden zullen blijven. U weet niet, hoe ik verlangde, u te zien. ’t Is zooheerlijk, dat u nu in dat huisje woont! ’t Kon niet heerlijker! En dat uw zuster nu zoo’n goed huwelijk doet. Ik hoop dat u dikwijls te Combe Magna komt logeeren. Ieder zegt, dat het een beeldig buitengoed is.”“U hebt Kolonel Brandon al lang gekend, niet waar?”“O ja, heel lang al; sedert mijn zuster trouwde. Hij was een van Sir John’s beste vrienden. Ik geloof,”voegde zij er iets zachter bij, “dat hij blij zou geweest zijn, als hij mij had kunnen krijgen. Sir John en mijn zuster hadden ’t graag gezien. Maar mama vond hem voor mij geen geschikte partij; anders zou Sir John het aan den Kolonel hebben gezegd, en dan zouden we dadelijk getrouwd zijn.”“Wist Kolonel Brandon dan niet te voren van dat voorstel van Sir John aan uw moeder? Had hij nooit te kennen gegeven, dat hij genegenheid voor u gevoelde?”“O neen; maar als mama er niets tegen had gehad, dan geloof ik stellig, dat hij dolgraag had gewild. Hij had mij toen nog maar een paar maal gezien; want ik was nog niet van de kostschool thuisgekomen. Maar ik ben veel gelukkiger, zooals ’t nu is. Mijnheer Palmer is juist de soort van man, die bij mij past.”Hoofdstuk XXIDen volgenden dag keerden de Palmers naar Cleveland terug, en aan de beide families te Barton werd het weer overgelaten, elkander te vermaken. Dat duurde echter niet lang; Elinor had nauwelijks de laatste bezoekers uit haar hoofd gezet,—was nauwelijks bekomen van haar verwondering over Charlotte’s vermogen om tevreden te zijn zonder oorzaak, over het komediespel van den Heer Palmer, dat zijn betere eigenschappen verborg, en over het vreemde gebrek aan natuurlijke overeenstemming, dat dikwijls bestond tusschen man en vrouw, of Sir John’s en Mevrouw Jennings’ nooit verflauwende ijver in het bevorderen van den gezelligen omgang verschafte haar reeds weder nieuwe kennissen, ter uiterlijke en innerlijke waarneming. Op een uitstapje naar Exeter hadden zij op een zekeren morgen twee jonge dames ontmoet, die tot Mevrouw Jennings’ voldoening verre familie van haar bleken te zijn, en dit was voor Sir John voldoende om hen dadelijk op Barton Park te logeeren te vragen, zoodra haar bezigheden te Exeter haar dat zouden veroorloven. De bezigheden te Exeter werden zonder bedenken verschoven voor zulk een uitnoodiging, en Lady Middleton was bij Sir John’s terugkomst niet weinig verschrikt door het bericht, dat zij binnenkort een bezoek kon verwachten van twee meisjes, die zij nooit in haar leven had gezien, en van wie zij volstrekt niet wist of zij welgemanierd,—of zelfs maar dragelijk fatsoenlijk waren; want aan de beweringen van haar man en haar moeder te dien opzichte hechtte zij niet de minste waarde. Dat zij familie van haar waren, maakte het nog deste erger; en Mevrouw Jennings’ pogingen om haar te troosten berustten dan ook op zeer onvoldoende gronden, wanneer zij haar dochter voorhield, dat het er niets toe deed of die meisjes wat meer of minder deftig waren, daar nichtjes onder elkaar het daarmee zoo nauw niet behoorden te nemen. Daar hun komst nu echter niet meer viel te verhinderen, schikte Lady Middleton zich in het geval met al de wijsgeerigheid van een welopgevoede vrouw, en vergenoegde zich ermee, haar echtgenoot ongeveer vijfofzesmaal per dag naar aanleiding van het gebeurde eenige zacht verwijtende opmerkingen toe te voegen.De jonge dames verschenen, en zagen er volstrekt niet burgerlijk of ouderwetsch uit. Ze waren keurig gekleed, hadden zeer beleefde manieren, waren verrukt van het huis, dweepten met de inrichting, en toevallig waren ze zóó dol op kinderen, dat ze reeds Lady Middleton’s sympathie hadden verworven, eer ze nog een uur op het Park waren geweest. Zij verklaarde dat ze hen werkelijk heel aardige meisjes vond, ’t geen voor haar gelijkstond met geestdriftige bewondering. Sir John’s vertrouwen in zijn eigen oordeel werd door dien levendigen lof ten zeerste versterkt, en hij toog onmiddellijk naar Barton Cottage, om aan de dames Dashwood te vertellen, dat de Steele’s waren gekomen, en hun te verzekeren dat het allerliefste meisjes waren. Uit die aanbeveling viel echter niet veel op te maken; Elinor wist nu al dat “allerliefste meisjes” waren te vinden in elk plaatsje in Engeland, en dat die uitdrukking elke denkbare verscheidenheid van gestalte, gelaat, gemoedsaard en begrip omvatte. Sir John wilde de geheele familie op staanden voet mee laten terugwandelen naar het Park, om zijn gasten te zien. Goedaardige, menschlievende man! Het viel hem zwaar, zelfs een nicht in den derden graad voor zich alleen te houden.“Toe kom nu mee,” zei hij, “om mij pleizierte doen;—jemoetkomen,—ik laat je niet los.—Je zult eens zien, hoe aardig je ze zult vinden. Lucy is een reusachtig knap meisje, en zoo vroolijk en lief! De kinderen zijn niet van haar af te slaan, alsof ze een oude bekende was. En allebei verlangen ze verbazend jelui te zien, want ze hebben in Exeter gehoord, dat jelui de mooiste meisjes van de wereld waart; en ik heb hun gezegd dat dat de zuivere waarheid is, en nog een heeleboel meer. Je zult verrukt van hen zijn, dat weet ik zeker. Ze hadden de heele koets vol speelgoed voor de kinderen. Hoe kan je nu zoo onaardig zijn, om niet te komen! ’t Zijn toch ook nichtjes van jelui, in zekeren zin. Jelui bent nichtjes vanmij, enzijvan mijn vrouw; dus je bent familie van elkaar.”Maar Sir John kreeg zijn zin niet. Hij kreeg niet anders dan de belofte, dat ze over een paar dagen een bezoek zouden komen brengen op het Park, en trok af, verbaasd over hunonverschilligheid, om naar huis te wandelen, en opnieuw tegen de dames Steele uit te weiden over hunne bekoorlijkheden, zooals hij tegenover hen den lof der dames Steele had uitgebazuind.Toen het beloofde bezoek op het Park en dus ook hun voorstelling aan de jonge dames plaats had, vonden zij aan het uiterlijk van de oudste, die bijna dertig was, en een leelijk, en daarbij niet eens verstandig gezicht had, niets te bewonderen; maar zij moesten toegeven dat de andere, die niet meer dan twee- of drie en twintig kon zijn, werkelijk mooi mocht genoemd worden; ze had welbesneden trekken, een levendigen vluggen oogopslag, en iets modieus in haar voorkomen, dat wel geen natuurlijke losheid of bevalligheid kon vergoeden, maar haar toch een zekere distinctie verleende. Hun manieren waren bijzonder beleefd en voorkomend, en Elinor moest al spoedig erkennen, dat het hun niet ontbrak aan een zeker soort van verstand, toen zij zag met welk een aanhoudendeen welberekende beminnelijkheid zij zich wisten aangenaam te maken bij Lady Middleton. Over haar kinderen waren zij in één voortdurende verrukking, verkondigden luide den lof van hun schoonheid, gaven zich moeite om hun gunst te winnen, en willigden hun grilligste wenschen in; terwijl ze al den tijd, dien de voldoening aan dezen dringenden eisch der beleefdheid hun overliet, besteedden aan het bewonderen van alles wat Lady Middleton deed, wanneer zij toevallig eens met iets bezig was, of aan het naknippen van het patroon eener sierlijke nieuwe japon, die zij haar den dag te voren hadden zien dragen, en waarin hare verschijning hun onuitputtelijke uitingen van bewonderende verrukking had ontlokt. Gelukkig voor hen, die door middel van dergelijke zwakheden plegen te vleien, is iedere liefhebbende moeder, hoezeer ook, waar het den lof van haar kinderen geldt, het onverzadelijkste aller schepselen, tevens op dat punt het meest lichtgeloovige; haar eischen zijn buitensporig, doch uiterst gemakkelijk te voldoen, en de alle perken te buiten gaande minzaamheid en geduld, door de dames Steele jegens haar kroost aan den dag gelegd, wekten in Lady Middleton niet de minste verwondering of achterdocht. Met moederlijke ingenomenheid beschouwde zij al de brutale vrijpostigheden en ondeugende streken, die haar nichten zich goedschiks lieten welgevallen. Zij keek toe, terwijl de strikken uit hun ceintuur werden getrokken, hun haar in wanorde werd gebracht, hun werktaschjes werden geplunderd en hun mesjes en scharen geroofd, en zij twijfelde niet, of het gesmaakte genoegen daarbij was wederkeerig. Zij vond het alleen maar verwonderlijk, dat Elinor en Marianne er zoo bedaard bij konden blijven zitten, zonder hun verlangen te uiten om te deelen in de pret.“John is vandaag door ’t dolle heen!” zei ze, toen hij Juffrouw Steele haar zakdoek afnam endien uit het raam gooide.—“Hij zit vol guitenstreken!”En toen kort daarop haar tweede zoontje zijn nicht allerpijnlijkst in den vinger kneep, merkte zij met innige voldoening op, dat William zoo speelsch was.“En hier hebben we mijn lieve kleine Annemarie”, voegde zij erbij, het kleine meisje van drie jaar liefkoozend, dat zich een paar minuten achtereen had stilgehouden: “Die is altijd zoo zacht en stil,—het rustigste kindje dat men zich kan voorstellen!”Doch daar het ongeluk wilde, dat bij deze uitingen van teederheid een speld in mama’s kapsel het kind even in den hals schramde, barstte het voorbeeldig stille schepseltje los in zulke oorverdoovende kreten, dat geen spreekwoordelijk luidruchtig creatuur het haar verbeteren kon. Haar moeder’s ontzetting, hoe hevig ook, werd nog overtroffen door den schrik en de bezorgdheid der dames Steele en alle drie namen in dien uitersten nood hun toevlucht tot elk middel dat de liefde slechts kon uitdenken om de folteringen der kleine lijderes te verzachten. Zij werd op haar moeders schoot gezet en overladen met kussen, terwijl de eene juffrouw Steele bij haar neerknielde om de wond te betten met lavendelwater, en de andere haar mond vol suikerboonen stopte. Nu zij haar tranen zoo rijkelijk beloond zag, was het kind wel zoo wijs om niet op te houden met schreeuwen. Ze bleef uit alle macht huilen en snikken, schopte haar beide broertjes, toen ze haar te na kwamen, en hun aller vereende pogingen om haar tot bedaren te brengen bleven vruchteloos, tot Lady Middleton zich gelukkig herinnerde, dat bij een dergelijk ongeval in de vorige week een lepel abrikozengelei gunstig had gewerkt ter verzachting van een buil op het voorhoofd; en daar, bij het voorstel om tegen deze ongelukkige schram dezelfde remedie toe te dienen, het doordringend geschreeuw der jongedame door een korte pauze werd onderbroken, bestond de gegronde hoop, dat het geneesmiddel niet zou worden verworpen. Zij werd dus in haar moeders armen weggedragen, op zoek naar de heilzame medicijn, en daar de twee jongens, hoewel hun moeder hen dringend verzocht in de kamer te blijven, volstrekt wilden meegaan, bleven de vier jonge dames achter in een atmosfeer van kalmte, die het vertrek sedert vele uren niet meer had gekend.“Dat arme schepseltje!” zei Juffrouw Steele, zoodra zij waren heengegaan. “Het had wel héél erg kunnen afloopen.”“Maar ik begrijp toch eigenlijk niet hòe,”riep Marianne, “tenzij dan misschien onder geheel andere omstandigheden. Op deze manier plegen de menschen altijd bezorgheid te vermeerderen, terwijl er voor werkelijke zorg geen reden is.”“Wat is Lady Middleton toch een allerliefste vrouw,” zei Lucy Steele.Marianne zweeg; zij kon onmogelijk zeggen wat ze niet meende, al gold het de onbeteekendste kleinigheid, en dus werd altoos aan Elinor de taak overgelaten, onwaarheid te spreken, wanneer de beleefdheid dat vereischte. Ze deed haar best, nu dit van haar gevergd werd, door Lady Middleton te prijzen met meer warmte, dan zij gevoelde, hoewel met vrij wat minder geestdrift dan Juffrouw Lucy.“En Sir John ook,” riep de oudste zuster “wat is dat een aardige man!”Ook hier werd Juffrouw Dashwood’s lof, die eenvoudig was en onopgesmukt, geuit zonder den minstenéclat. Zij merkte alleen op, dat hij bijzonder vroolijk en vriendelijk van aard was.“En wat hebben ze allerliefste kinderen! Ik heb nog nooit zulke mooie kinderen gezien! Ik ben nu al doodelijk van ze; trouwens ik ben altijd gek op kinderen geweest.”“Dat wil ik graag gelooven,” zei Elinor met een glimlach, “te oordeelen naar wat ik van morgen heb bijgewoond.”“Het komt mij zoo voor, zei Lucy, “dat u de kleine Middletons nog al verwend vindt; misschien worden ze dat ook wel, meer dan goed voor hen is, maar het is zoo natuurlijk van Lady Middleton; en wat mij betreft, ik zie graag kinderen waar een beetje leven en vroolijkheid inzit; ik kan ze niet uitstaan, als ze bedaard en stil zijn.”“Ik moet eerlijk bekennen,” antwoordde Elinor, “dat ik te Barton Park mij nooit geneigd voel, aan stille en bedaarde kinderen anders dan met voorliefde te denken.”Op dit gezegde volgde een korte stilte, het eerst verbroken door Juffrouw Steele, die bijzonder spraakzaam scheen, en nu vrij onverwacht begon:“En hoe vindt u Devonshire nu wel, Juffrouw Dashwood? Het zal u wel hebben gespeten, uit Sussex weg te gaan.”Ietwat verbaasd over die vraag, of althans over den gemeenzamen toon, waarop ze geuit werd, antwoordde Elinor bevestigend.“Norland is een héél erg mooi buitengoed, is ’t niet?” liet Juffrouw Steele hierop volgen.“Sir John bewonderde het ten minste zéér,” zei Lucy, die scheen te vinden dat haar zuster’s vrijmoedigheid wel eenige verontschuldiging behoefde.“Ik denk, dat ieder die het goed ooit zag, het welmoetbewonderen,” antwoordde Elinor, “hoewel het niet waarschijnlijk is, dat anderen de schoonheden ervan zóó kunnen waardeeren, als wij doen.”“En hadt u daar veel knappe cavaliers? Hier in deze buurt zullen er wel zooveel niet zijn; ik voor mij vind ze altoos een groote aanwinst overal.”“Maar waarom dacht je eigenlijk,” zei Lucy, zich blijkbaar schamend voor haar zuster, “dat erminder knappe jongelui zouden zijn in Devonshire dan in Sussex?”“Welneen, lieve kind, dat zeg ik ook immers niet. In Exeter zijn tenminste cavaliers genoeg, maar hoe kan ik nu weten of er in Norland ook aardige heeren zijn? Ik was alleen maar bang, dat de dames Dashwood het in Barton saai zouden vinden, als ze daar niet zooveel galante cavaliers hadden als vroeger. Maar misschien geven de jonge dames wel niet om heeren, en kunnen ze het evengoed stellen zonder hen. Ik voor mijn part, ik mag ze graag lijden, als ze ten minste netjes gekleed zijn en zich aardig voordoen. Ik kan ze niet uitstaan als ze slordig en vuil voor den dag komen. Daar heb je nu Meneer Rose in Exeter, een heele heer, als je hem zoo ziet, bepaald fatterig; hij is klerk bij Meneer Simpson, weet u, en toch, als je hem ’s morgens tegenkomt, dan ziet hij er ontoonbaar uit. Uw broer was vóór zijn trouwen zeker ook een echte dandy, Juffrouw Dashwood, omdat hij zoo rijk was?”“Ik zou ’t u werkelijk niet kunnen zeggen,” antwoordde Elinor; “omdat ik niet precies begrijp wat u bedoelt. Maar dàt weet ik wel, wat hij indertijd is geweest vóór zijn trouwen, dat is hij nu nog; want hij is in ’t minst niet veranderd.”“O heden, neen; getrouwde lui zijn nooit galante cavaliers meer; die hebben wel wat anders te doen.”“Hè, Anne,” riep haar zuster; “jij praat ook over niets anders dan heeren; Juffrouw Dashwood zal gaan meenen dat je nergens anders aan denkt.” En om het gesprek een andere wending te geven, begon zij haar bewondering te uiten van het huis en meubels.Dit staaltje van de conversatie der dames Steele was voldoende. De onbeschaafde vrijpostigheid en mallepraat van de oudste lieten van haar geen goeds meer verwachten, en daar Elinor, ondanks de schoonheid en het schrander voorkomen der jongerezuster maar al te goed haar gemis van ware beschaving en eenvoud doorzag, vertrok zij, zonder in het minst te verlangen, hen nader te leeren kennen.Zoo dachten de dames Steele er niet over. Zij waren uit Exeter gekomen met een behoorlijke hoeveelheid bewondering, ten dienste van Sir John Middleton, zijn gezin en zijn geheele familie, en uit dien ruimen voorraad deelden zij kwistig mede aan zijn schoone nichten, die zij voor de mooiste, bevalligste, talentvolste en liefste meisjes verklaarden, die ze ooit hadden gezien, en die zij hartgrondig verlangden, nader te leeren kennen. Die nadere kennismaking was, zooals Elinor spoedig ontdekte, hun onvermijdelijk lot; want daar Sir John geheel en al op de hand der dames Steele was, bleek hunne partij te sterk voor verzet van de andere zijde, en zij moesten zich dus schikken in de soort van intimiteit, die bestaat in het bijna iederen dag een paar uur samen in de zelfde kamer zitten. Meer kon Sir John niet doen; maar hij zag ook niet in, dat meer dan dat kon verlangd worden; naar zijne meening beteekende samenzijn vertrouwelijkheid, en zoolang zijn geregelde plannetjes om hen met elkaar in aanraking te brengen, maar slaagden, twijfelde hij geen oogenblik of zij waren gezworen vriendinnen.Om hem recht te laten weervaren, hij deed wat in zijn vermogen was, om hen tot openhartigheid aan te sporen, door de dames Steele op de hoogte te brengen van al wat hij maar wist of kon vermoeden omtrent de meest kiesche aangelegenheden, waarin zijne nichtjes waren betrokken, en Elinor had hen nog geen tweemaal ontmoet, of de oudste van het tweetal wenschte haar reeds geluk met het feit, dat haar zuster ’t zoo getroffen had, door sinds haar komst te Barton een knappen galant te veroveren.“’t Is toch maar een mooi ding, een meisje zoo vroeg al getrouwd te hebben,” zei ze, “en ik hoordat hij een echte dandy is, en een verschrikkelijk knap gezicht heeft. Ik hoop dat u het ook zoo goed zult treffen; maar misschien hebt u al een vriend achter de hand.”Elinor kon moeilijk verwachten, dat Sir John schroomvalliger zou zijn in de uiting van zijn vermoedens omtrent haar genegenheid voor Edward, dan hij zich getoond had, waar het Marianne betrof; van de beide geestigheden genoot de eerste, als nieuwer, en nog speling voor gissingenoverlatend, zelfs zijn voorkeur; en sedert Edward’s bezoek hadden zij nooit samen aan tafel gezeten, zonder dat hij een dronk wijdde aan haar liefsten hartewensch, vergezeld van zooveel beteekenende blikken, en zooveel knikjes en knipoogjes, dat hij de algemeene aandacht op haar vestigde. Ook de letter F. werd daarbij steeds druk besproken, en was de bron gebleken van zulk een onuitputtelijken voorraad grappen, dat Elinor geëindigd was met er voor goed de geestigste letter van het alphabet in te zien.Zooals zij reeds vermoedde, werden de dames Steele bij voorkeur op de bewuste aardigheden vergast, en zij wekten in de oudste een nieuwsgierig verlangen om den naam te vernemen van den heer, op wien hier gezinspeeld werd, een verlangen, dat, brutaal aan den dag gelegd, volkomen strookte met haar algemeene indringende onbescheidenheid in het uitvorschen van hun familieaangelegenheden. Maar Sir John had niet lang pleizier in het prikkelen der door hemzelf gewekte nieuwsgierigheid; want hij vond minstens evenveel behagen in het noemen van den bewusten naam, als Juffrouw Steele in het vernemen ervan. “Zijn naam is Ferrars,” zei hij, duidelijk verstaanbaar fluisterend; “maar vertel het vooral niet verder, want het is een groot geheim.”“Ferrars!” herhaalde Juffrouw Steele; “is mijnheer Ferrars de gelukkige? Wel, wel, de broer van uw schoonzuster, Juffrouw Dashwood? nu, datis een aardig jongmensch; ik ken hem heel goed.”“Hoe kan je nu zooiets zeggen, Anne?” riep Lucy, die geregeld haar zuster’s opmerkingen te verbeteren placht. “Al hebben we hem nu een paar maal bij onzen oom aan huis ontmoet, daarom behoef je nog niet te zeggen, dat we hem heel goed kennen.”Elinor hoorde alles oplettend en zeer verwonderd aan. Wie was die oom? waar woonde hij? hoe hadden zij elkander leeren kennen? Zij wenschte van harte dat het gesprek over dit onderwerp mocht worden voortgezet, al verkoos zij niet, zich erin te mengen; maar er werd niet verder over gesproken, en voor het eerst in haar leven vond zij Mevrouw Jennings niet nieuwsgierig genoeg naar onbeduidende nieuwtjes, noch voldoende bereidvaardig tot het mededeelen ervan. De manier waarop Juffrouw Steele van Edward had gesproken vermeerderde haar nieuwsgierigheid; zij meende er iets onwelwillends in te bespeuren, dat het vermoeden wekte, als zou de spreekster iets ten nadeele van hem weten, of zich verbeelden te weten. Doch haar nieuwsgierigheid bleef onvoldaan; want Juffrouw Steele liet den naam Ferrars verder onopgemerkt voorbijgaan, ook toen Sir John er nogmaals op zinspeelde en dien zelfs openlijk uitsprak.Hoofdstuk XXIIMarianne, die nooit veel verdraagzaamheid toonde tegenover iets, dat maar op lompheid, grofheid, gebrek aan geestesgaven, of zelfs op eenige afwijking van haar eigen smaak geleek, was juist nu, in háár gemoedstoestand, bijzonder ongeneigd om in de dames Steele behagen te scheppen, of hun tegemoetkomende houding door de hare aan te moedigen; en aan haar onveranderlijke koelheid jegens hen, die elke poging tot vertrouwelijkheid van hunne zijde terugwees, schreef Elinor hoofdzakelijk de voorkeur voor haarzelve toe, die al spoedig ten duidelijkste bleek uit beider gedrag; het meest nog uit dat van Lucy, die geen gelegenheid liet voorbijgaan om een gesprek met haar aan te knoopen, of pogingen te doen tot toenadering door vrijmoedige en openhartige mededeeling van hare gevoelens.Lucy was van nature schrander; haar opmerkingen waren dikwijls juist en vermakelijk, en als gezelschap voor een half uurtje vond Elinor haar soms niet onaangenaam; doch haar vermogens waren niet ontwikkeld door opvoeding; zij was onwetend, had niets gelezen, en haar gemis van alle geestelijke vorming, haar onkunde in de meest alledaagsche zaken konden niet voor Elinor verborgen blijven, ondanks Lucy’s onvermoeide pogingen om zich van haar beste zijde te laten kennen. Elinor zag, en beklaagde in haar de verwaarloozing van gaven, die onder zorgvuldige leiding achting hadden kunnen verwerven; doch zij zag tevens, met vrij wat minder hartelijk medegevoel, het volslagen gebrek aan kieschheid, aan rechtschapenheid, aan fiere zuiverheid van inborst, dat sprakuit al haar beleefdheden, haar opdringende dienstvaardigheid, haar vleierij te Barton Park, en zij kon geen duurzame voldoening vinden in het samenzijn met iemand, die onoprechtheid paarde aan onkunde, wier gebrek aan ontwikkeling elk onderhoud op een voet van gelijkheid onmogelijk maakte, en wier gedrag jegens anderen ieder vertoon van belangstelling of eerbied tegenover haarzelve volkomen waardeloos deed schijnen.“U zult het misschien een vreemde vraag vinden,” zei Lucy, toen zij op zekeren dag samen van het Park naar Barton Cottage wandelden,—“maar kent u persoonlijk uw schoonzuster’s mama, Mevrouw Ferrars?”Elinorvonddie vraag zeer vreemd, en de uitdrukking van haar gelaat gaf dit duidelijk te kennen, terwijl zij antwoordde, dat zij Mevrouw Ferrars nooit had ontmoet.“Och kom,” zei Lucy; “dat verwondert mij; ik dacht, dat u haar te Norland wel eens zoudt hebben gesproken. Dan kunt u mij zeker ook niet zeggen, wat voor een soort van vrouw zij eigenlijk is?”“Neen,” antwoordde Elinor, voorzichtig in het uiten van haar werkelijke meening omtrent Edward’s moeder, en niet verlangend te bevredigen wat haar onbescheiden nieuwsgierigheid scheen: “ik weet niets van haar af.”“Ik begrijp wel, dat u het heel raar van mij vindt, zoo naar haar te vragen,” zei Lucy, terwijl zij Elinor onder het spreken oplettend aanzag; “maar er zouden redenen kunnen zijn... ik wilde dat ik durfde wagen... In elk geval, hoop ik toch, dat u, mij niet ten onrechte van grove onbescheidenheid zult beschuldigen.”Elinor gaf een beleefd antwoord, en zij wandelden een paar minuten zwijgend verder. Dat zwijgen werd verbroken door Lucy, die het onderwerp hervatte door ietwat aarzelend te zeggen:“Ik kan niet hebben, dat u mij van ongepastenieuwsgierigheid verdenkt; ik zou liever ik weet niet wat doen, dan zóó beschouwd te worden door iemand, wier goede meening mij zooveel waard is als de uwe! En ik weet stellig, dat ik in ’t minst niet bang zou zijn omute vertrouwen; ik zou juist heel blij zijn, als u mij kondt raden, hoe te handelen, in mijn moeilijke omstandigheden; maar het isnuniet noodig, om u lastig te vallen. Het spijt mij, dat u Mevrouw Ferrars niet kent.”“Mij spijt het ook, dat dit het geval is,” zei Elinor zeer verbaasd, “temeer als het vooruvan eenig belang kon zijn, mijn meening over haar te vernemen. Maar om u de waarheid te zeggen, ik had nooit begrepen, dat u, hoe dan ook, in aanraking waart geweest met de familie, en daarom moet ik bekennen dat ik wel eenigszins verwonderd ben over uw ernstige navraag omtrent haar karakter.”“Dat wil ik graag gelooven, enmijverwondert dat volstrekt niet. Maar als ik u alles mocht vertellen, dan zoudt u het niet meer zoo vreemd vinden. Op het oogenblik is Mevrouw Ferrars voor mij een totaal onbekende; maar er kàn een tijd komen—hoe spoedig dat zal zijn, hangt van haarzelve af—dat wij in zeer nauwe betrekking tot elkaar komen te staan.”Zij sloeg terwijl ze sprak de oogen neer, met beminnelijke verlegenheid, doch niet zonder één zijdelingschen blik naar haar gezellin, om de uitwerking van het gezegde bij deze waar te nemen.“Maar wat bedoelt u toch?” riep Elinor. “Kent u Mijnheer Robert Ferrars dan? Is het mogelijk dat u met hèm...?” En zij verheugde zich allesbehalve bij het denkbeeld zulk een schoonzuster te krijgen.“Neen,” zei Lucy, “niet met mijnheerRobertFerrars,—hèm heb ik nooit in mijn leven gezien, maar,”—en zij zag Elinor strak aan,—“met zijn ouderen broeder.”Wat gevoelde Elinor op dat oogenblik? Een verbazing, die even pijnlijk zou zijn geweest, als zij sterk was, zo zij niet onmiddellijk ware vergezeld gegaan van een volslagen ongeloof in die verzekering. Zij wendde zich tot Lucy, zwijgend en verwonderd, niet bij machte de reden of het doel van die verklaring te gissen; en hoewel zij eerst bloosde en daarna bleek werd, schonk haar ongeloovigheid haar kracht, en zij was niet bang, dat haar zenuwen haar parten zouden spelen, of dat zij flauw zou vallen.“Geen wonder dat u verbaasd staat,” ging Lucy voort; “want natuurlijk hadt u er niet het flauwste vermoeden van; hij zal er wel geen woord over hebben losgelaten tegen u of uw familie; want het moest altijd een diep geheim blijven en ik weet wel, dat ik het tot nu toe ook trouw heb bewaard. Niemand van mijn familie weet het, behalve Anne, en ik zou het u nooit hebben verteld, als ik niet zóó zeker was geweest, dat ik mij op uw stilzwijgen kon verlaten; ik vond alleen, dat mijn vele vragen naar Mevrouw Ferrars zulk een vreemden indruk op u moesten maken, en het was noodig dat ik u mijn gedrag verklaarde. Ik geloof niet, dat Mijnheer Ferrars boos zal kunnen zijn, als hij hoort, dat ik u in vertrouwen heb genomen; want ik weet, dat hij uw geheele familie bijzonder hoog stelt, en u en de beide andere dames Dashwood beschouwt als zijn eigen zusters.”—Hierna zweeg zij, en ook Elinor bleef een oogenblik stil. Haar verbazing over hetgeen zij hoorde was eerst te groot om zich in woorden te uiten; maar ten slotte zeide zij, zich dwingend tot spreken, en voorzichtig spreken, met een kalmte, die tamelijk wel haar verrassing en angst verborg: “Mag ik vragen of uwe verloving reeds lang geleden heeft plaats gehad?”“We zijn al vier jaar geëngageerd.”“Vier jaar?”“Ja.”Hoe ontdaan zij zich ook voelde, Elinor kon het nòg niet gelooven.“Ik wist niet eens,” zei ze, “dat u hem kende, eer ik het onlangs gewaar werd.”“En toch kennen we elkaar al sedert jaren. Hij is een tijdlang bij mijn oom in huis geweest, weet u.”“Uw oom?”“Ja, Mijnheer Pratt. Hebt u hem nooit hooren spreken van Mijnheer Pratt?”“O ja, nu herinner ik het mij,” zei Elinor, met een inspanning van haar geheugen, die haar zwaarder viel, naarmate haar ontroering toenam.“Hij is vier jaar onder de leiding geweest van mijn oom, die te Longstaple woont, dicht bij Plymouth. Dáár is onze kennismaking begonnen; want mijn zuster en ik logeerden dikwijls bij mijn oom, en daar zijn we geëngageerd geraakt; een jaar nadat hij van school was gegaan; maar hij kwam daarna nog geregeld bij ons. Ik was er niets op gesteld de verloving aan te gaan, buiten weten van zijn moeder en zonder haar goedkeuring; dat kunt u wel denken; maar ik was te jong en ik hield te veel van hem, om zoo voorzichtig te zijn als ik eigenlijk moest. Al kent u hem niet zóó goed als ik, Juffrouw Dashwood, u hebt lang genoeg met hem omgegaan om te begrijpen, dat hij juist de man is, om de oprechte genegenheid eener vrouw te winnen.”“Zeker,” antwoordde Elinor, zonder te weten wat zij zeide; doch na een oogenblik nadenken liet zij erop volgen, stelliger dan ooit overtuigd van Edward’s waarheidsliefde en zijn genegenheid, tegenover de valschheid van dit meisje: “Geëngageerd met mijnheer Edward Ferrars,—ik moet bekennen, wat u mij daar vertelt verrast zij zóózeer, dat... werkelijk, neemt u ’t me niet kwalijk, maar er is stellig een vergissing in ’t spel, een naams- of persoonsverwisseling. Wij kunnen niet denzelfden heer Ferrars bedoelen.”“We bedoelen geen ander dan hem,” riep Lucy glimlachend. “Mijnheer Edward Ferrars, de oudste zoon van den Heer Ferrars van Park Street; en de broer van uw schoonzuster, Mevrouw John Dashwood, is de persoon, dien ik op het oog heb; u zult wel willen toegeven, datikmij wel niet zal kunnen vergissen in den naam van den man, van wien mijn geheele geluk afhankelijk is.”“’t Is wel vreemd,” zei Elinor, met een gevoel van pijnlijke verwarring, “dat ik hem nooit zelfs uw naam heb hooren noemen.”“Neen; als men de omstandigheden in aanmerking neemt, was dat volstrekt zoo vreemd niet. Vóór alles moesten we zorgen de zaak geheim te houden. U wist van mij of mijn familie niets af; daarom was er nooit eenigeaanleidingom mijn naam te noemen, en daar hij altijd erg bang was, dat zijn zuster er iets van zou vermoeden, wasdatop zich zelf al reden genoeg om dat niet te doen.” Weer zweeg zij.—Elinor’s zekerheid begon haar te begeven maar haar zelfbeheersching begaf haar niet.“U bent dus vier jaar al verloofd geweest,” zei ze met vaste stem.“Ja, en de hemel weet, hoeveel langer we nog zullen moeten wachten. Arme Edward; hij wordt er moedeloos onder.” Terwijl ze een klein miniatuurportret uit haar zak haalde, voegde zij erbij: “Als u zoo goed wilt zijn, dit portret eens te bekijken, dan zult u zien dat van een vergissing geen sprake kan zijn. Hij ziet er werkelijk knapper uit dan hier, vind ik; maar u kunt duidelijk genoeg zien, wien het moet voorstellen. Ik heb het al drie jaar in mijn bezit.”Terwijl ze sprak, gaf ze Elinor het portretje in handen, en toen deze het had bekeken, kon zij, hoezeer ook haar vrees voor een overhaaste gevolgtrekking en haar wensch om bedrog te ontdekken haar noopten tot het laatste toe in haar geest eenplaats voor twijfel in te ruimen, niet langer betwijfelen, dat zij Edward’s gezicht voor zich zag. Zij gaf het oogenblikkelijk terug,terwijl zij de gelijkenis erkende.“Ik heb hem nooit mijn portret ervoor in ruil kunnen geven,” ging Lucy voort, “en dat spijt mij geducht; want hij was er altijd zoo op gesteld het te hebben. Maar ik ben van plan het te laten maken, zoodra de gelegenheid zich voordoet.”“Daar hebt u gelijk in,” antwoordde Elinor bedaard. Zij liepen een poosje zwijgend verder. Lucy was de eerste die sprak.“Ik twijfel er hoegenaamd niet aan,” zei ze, “of u zult dit geheim trouw bewaren; omdat u wel zult begrijpen van hoeveel belang het voor ons is, dat het zijn moeder niet ter oore komt; want zij zou het stellig wel niet goedkeuren. Ik heb geen geld te wachten, en ik geloof dat zij verschrikkelijk trotsch is.”“Het is zeker waar, dat ik uw vertrouwen niet gezocht heb,” zeide Elinor; “maar u verwacht niet te veel van mij,wanneer u meent u op mij te kunnen verlaten. Uw geheim is bij mij veilig; maar vergeef mij, zoo ik eenige verwondering waag te uiten over de onnoodigheid van deze mededeeling. U moet toch althans gevoeld hebben, dat mijne bekendheid ermede niet kon bijdragen tot de veiligheid van dat geheim.”Zij zag Lucy ernstig aan, terwijl zij dit zeide, in de hoop nog iets te ontdekken in de uitdrukking van haar gelaat,—misschien de onwaarheid van het meeste dat zij tot nu toe gezegd had; maar op Lucy’s gezicht vertoonde zich geen verandering.“Ik was al bang,”zei ze, “dat u het nogal vrijpostig van mij zou vinden, dat ik u dit alles vertelde. ’t Is waar, ik ken u nog niet lang, persoonlijk ten minste, maar uit beschrijvingen heb ik u en uw familie al héél lang gekend, en zoodra ik u zag, kreeg ik bijna ’t gevoel alsof wij oude vrienden waren. Enbovendien, in dit geval vond ik werkelijk, dat ik verplicht was, u eenige uitlegging te geven, nadat ik u zoo had uitgevraagd over Edward’s moeder, en het is zoo ellendig, dat ik niemand heb, wie ik om raad kan vragen. Anne is de eenige, die er van afweet, en die weet niet wat ze zeggen of zwijgen moet; ze doet mij meer kwaad dan goed trouwens, want ik ben altijd bang dat ze alles verraden zal. Ze kàn haar tong niet in bedwang houden; dat hebt u wel gemerkt, en verleden was ik doodsbang, toen ze Sir John Edward’s naam noemde, dat ze alles in eens zou uitflappen. U kunt u niet voorstellen wat ik er al niet door moet uitstaan, op allerlei manieren. Soms begrijp ik niet dat ik nog leef, na al wat ik in de laatste vier jaar om Edward’s wil heb moeten lijden. Altijd hangen en verlangen, en die onzekerheid, en dat we elkaar zoo zelden zien,—niet meer dan een paar maal in ’t jaar kunnen we elkaar ontmoeten. ’t Verwondert mij soms werkelijk, dat mijn hart niet gebroken is.” Zij haalde haar zakdoek voor den dag; maar Elinor voelde zich niet juist bewogen tot medelijden, “Soms,” ging Lucy voort, nadat ze haar oogen had afgedroogd, “soms denk ik wel eens, of ’t niet beter zou zijn voor ons allebei, als we de verloving maar verbraken.” Terwijl ze dit zeide, zag ze Elinor recht in de oogen. “Maar dàn weer heb ik geen moed, ertoe te besluiten. Ik kan de gedachte niet verdragen, hem zoo ongelukkig te maken als ik weet dat hij zijn zou, wanneer ik daarover begon. En ook voor mijzelf—terwijl ik hem zoo liefheb—ik geloof niet dat ik er den moed toe zou hebben. Wat zoudt u mij raden te doen in dit geval, Juffrouw Dashwood? Wat zoudt u zelf doen?”“Neemt u mij niet kwalijk,” zei Elinor, verschrikt door die vraag, “maar ik kan u in deze omstandigheden geen raad geven. Dat moet overgelaten blijven aan uw eigen inzicht.”“’t Spreekt van zelf,” ging Lucy voort, na eenpaar minuten waarin beiden hadden gezwegen, “dat zijn moeder op den langen duur toch voor hem zal moeten zorgen op de eene of andere manier; maar die arme Edward ziet alles zoo somber in! Vondt u hem niet vreeselijk neerslachtig toen hij te Barton was? Hij voelde zich zoo ellendig toen hij uit Longstaple wegging, om naar u toe te gaan, ik was bang dat u meenen zou, dat hij bepaald ziek was.”“Kwam hij dan van uw oom, toen hij ons een bezoek bracht?”“Ja, hij had veertien dagen bij ons gelogeerd. Dacht u dan, dat hij rechtstreeks uit Londen kwam?”“Neen” antwoordde Elinor, pijnlijk gevoelig voor elke nieuwe bijzonderheid, die sprak ten gunste van Lucy’s waarheidsliefde. “Ik herinner mij nu, hoe hij ons vertelde, dat hij veertien dagen bij kennissen te Plymouth had doorgebracht.” Zij herinnerde zich tevens, hoe vreemd zij het toen gevonden had, dat hij zich niets meer omtrent die kennissen had laten ontvallen, dat hij zelfs omtrent hun naam een volstrekt stilzwijgen had bewaard.“Vondt u hem niet treurig terneergeslagen?” herhaalde Lucy.“O ja, zeker; vooral toen hij pas bij ons was.”“Ik drong erop aan, dat hij zich ertegen zou verzetten, uit vrees dat u zoudt vermoeden hoe de zaak stond; maar het maakte hem zoo melancholiek, dat hij niet meer dan veertien dagen bij ons kon blijven, en dat hij mijn verdriet ook moest aanzien. Arme jongen!—ik vrees dat het nog altijd hetzelfde met hem is; want hij schrijft zoo gedrukt. Even voor ik uit Exeter vertrok, kreeg ik nog een brief van hem;” hierbij haalde zij een brief uit haar zak en liet Elinor vluchtig het adres zien. “U kent natuurlijk zijn handschrift; ’t is een mooie hand; maar dit is niet zoo goed geschreven als gewoonlijk. Hij was stellig moe, want hij had juist een groot vel aan mij zoo dicht mogelijk volgeschreven.”Elinor zag, dat het zijn handwas, en zij kon niet langer twijfelen. Het portret, zoo had zij zichzelve nog vergund te gelooven, kon door toeval in Lucy’s bezit zijn geraakt; het behoefde haar niet door Edward te zijn geschonken; maar een briefwisseling tusschen hen kon alleen plaats hebben, wanneer zij feitelijk verloofd waren, kon door niets anders worden gewettigd;—bijna begaf haar een oogenblik alle kracht; haar hart ontzonk haar, en zij kon ternauwernood staande blijven; doch het was dringend noodig dat zij zich vermande, en zóó vastberaden verzette zij zich tegen den beklemmenden druk van haar gevoelens, dat zij spoedig, en voorloopig volkomen, zichzelve meester bleef.“Dat we elkaar kunnen schrijven,” zei Lucy, den brief weer in haar zak stekend, “is onze eenige troost, wanneer we zoo lang gescheiden moeten zijn. Ja,ikvind dan nog bovendien troost in zijn portret; maar die arme Edward bezit dàt zelfs niet. Als hij mijn portret maar had, zegt hij, dan zou hij zich beter kunnen schikken. Toen hij laatst te Longstaple was, heb ik hem een lok van mijn haar gegeven, in een ring gevat, en dat troostte hem wel een weinig, zei hij; maar het stond toch niet gelijk met een portret. Misschien hebt u wel op dien ring gelet, toen hij bij u was?”“Ja, die is mij opgevallen,” zei Elinor;en de bedaarde klank van haar stem verborg een gemoedsbeweging, een radelooze smart, heviger dan zij ooit te voren gevoeld had. Zij was verpletterd; ontdaan; zij begreepnietsmeer. Gelukkig voor haar waren zij nu aan hun huis gekomen, en het gesprek kon niet verder worden voortgezet. Nadat de dames Steele nog een poosje bij hen gebleven waren, keerden zij naar het Park terug, en nu eerst stond het Elinor vrij, na te denken en zich diep bedroefd te gevoelen.

Hoofdstuk XXToen de dames Dashwood den volgenden dag den salon te Barton Park binnen traden door de ééne deur, kwam Mevrouw Palmer haastig binnenloopen door de andere, even vergenoegd en vroolijk als den dag te voren. Zij schudde hun allen hartelijk de hand, en was verrukt over het weerzien.“Ik ben zoo blij, dat u gekomen bent!” zei ze, terwijl ze plaats nam tusschen Elinor en Marianne; “want ’t is zulk slecht weer, ik was bang dat u niet kwam; en dat zou ellendig zijn geweest; want morgen gaan we weg. Dat moet wel, omdat we de volgende week de Westons te logeeren krijgen, weet u? De heele reis kwam zoo ineens op; ik wist van niets, tot het rijtuig voorkwam, en toen eerst vroeg mijnheer Palmer mij of ik meeging naar Barton. Hij is altijd zoo grappig! Hij vertelt mij nooit iets! Het spijt mij zoo, dat we niet langerkunnen blijven; maar we zullen elkaar gauw weer ontmoeten, hoop ik, in de stad.”Zij waren verplicht haar het ongegronde dier verwachting te doen inzien.“Gaat u niet naar de stad?” riep Mevrouw Palmer lachend, “dat zou mij erg tegenvallen. Ik zou juist een geschikt huis voor u kunnen huren vlak naast het onze, in Hanover Square. Och, umoetkomen. Ik zal met het grootste pleizier met u uitgaan, tot aan mijn bevalling, als Mevrouw Dashwood liever niet onder de menschen komt.”Zij bedankten haar voor haar welwillendheid; maar waren verplicht al haar smeekingen te weerstaan.“Och toe, lieve schat”, riep Mevrouw Palmer haar man toe die op dat oogenblik de kamer inkwam, “help mij toch de dames Dashwood overhalen om dezen winter naar de stad te gaan.”Haar lieve schat gaf geen antwoord, en begon, na vluchtig voor de dames te hebben gebogen, te klagen over het weer. “Afgrijselijk is het hier!” zei hij. “Zulk weer maakt dat men aan alles en iedereen een hekel krijgt. Binnen is ’t al even vervelend als buiten met dien regen. Men komt ertoe, zijn kennissen te verfoeien. Wat bezielt Sir John, er geen biljart op na te houden? Er zijn maar weinig menschen, die weten wat behagelijkheid is. Sir John en het weer zijn allebei even onhebbelijk.”Langzaam aan kwamen nu ook de anderen binnen.“Ik ben bang, dat Marianne vandaag niet zooals gewoonlijk een wandeling naar Allenham heeft kunnen doen,” zei Sir John.Marianne keek zeer ernstig en gaf geen antwoord.“O, houdt u zich voor ons maar zoo dom niet,” zei Mevrouw Palmer; “want wij weten er alles van; en ik bewonder uw goeden smaak, want ik vind hem ook een bijzonder knappen man. Wij wonen niet zoo ver van hem af,—niet meer dan een mijl of tien, geloof ik.”“Zeg maar liever dertig!” zei haar man.“O, nu, dat maakt niet veel verschil. Ik ben nooit in het huis geweest; maar ik heb gehoord, dat het mooi is, en aardig gelegen.”“’t Ellendigste nest, dat ik ooit heb gezien,” zei de Heer Palmer.Marianne bewaarde een strak stilzwijgen, hoewel men aan haar gezicht kon zien, hoe zeer zij belangstelde in ’t geen gezegd werd.“Is het zoo leelijk?” ging Mevrouw Palmer voort;—“dan is het zeker een ander buitengoed, dat zoo mooi was, denk ik.”Toen zij in de eetkamer aan tafel zaten, merkte Sir John tot zijn spijt op, dat ze maar met hun achten waren. “Lieve,” zei hij tot zijn vrouw, “wat is dat nu vervelend, dat we maar met zoo weinig zijn. Waarom vroeg je de Gilberts niet, of ze vandaag konden komen?”“Ik heb je immers gezegd, man, toen je mij erover sprak, dat het niet ging. Ze hebben ’t laatst bij ons gedineerd.”“Wij zouden ons aan zulke plichtplegingen weinig storen,” zei Mevrouw Jennings tegen Sir John.“Dat zou dan heel ongemanierd van u zijn,” merkte de Heer Palmer op.“Je spreekt iedereen tegen, manlief,” zei zijn vrouw, lachend als gewoonlijk. “Weet je wel dat je erg onbeleefd bent?”“Ik wist niet, dat ik iemand tegensprak, toen ik je moeder ongemanierd noemde.”“O, mij mag je gerust uitschelden,” zei de goedgeluimde oude dame. “Je hebt Charlotte nu eenmaal van mij overgenomen, en je kunt haar niet teruggeven. Dus in dat opzicht ben ik je de baas.”Charlotte lachte hartelijk om het denkbeeld, dat haar man haar niet kon kwijtraken, en zei triomfantelijk, dat het haar niets kon schelen, al was hij nog zoo onaardig, ze moesten nu eenmaal samenhet leven door. Het was werkelijk onmogelijk, zich iemand voor te stellen, meer onverzettelijk in haar goed humeur en onwankelbare vroolijkheid, dan Mevrouw Palmer. De met opzet ten toon gespreide onverschilligheid, lompheid en ontevredenheid van haar man hinderden haar volstrekt niet, en als hij haar berispte of onaangenaamheden zei, vond zij dat uiterst vermakelijk.Mijnheer Palmer is toch zóó grappig!” fluisterde zij Elinor in, “Hij is altijd uit zijn humeur.”Elinor was, bij nadere beschouwing, ongeneigd, te gelooven, dat hij zoo echt en van nature kwaadaardig en lomp was, als hij zich voordeed. Misschien had zijn humeur een beetje geleden door het besef, dat hij, zooals velen van zijn sekse, gedreven door een onverklaarbare voorliefde voor schoonheid, de echtgenoot was geworden van een buitengewoon domme vrouw;—maar zij wist wel, die soort van vergissing werd te algemeen begaan, dan dat een verstandig man dit als een blijvende grief zou kunnen beschouwen. Het was meer een wensch om zich te onderscheiden, geloofde zij, die ten grondslag lag aan de minachtende wijze waarop hij iedereen behandelde, en alles afkeurde wat hem onder de oogen kwam. Het was het verlangen zijn meerderheid boven anderen te doen gelden. De beweegreden was te algemeen om verwondering te wekken; maar de gebezigde middelen, al beantwoordden zij dan ook aan het doel, door zijn meerderheid te bewijzen op het punt van onhebbelijk gedrag, konden bezwaarlijk in iemand, behalve zijn vrouw, genegenheid voor hem wekken. “Lieve Juffrouw Dashwood,” begon Mevrouw Palmer iets later, “ik heb aan u en uw zuster een groote gunst te vragen. Zoudt u met Kerstmis een poosje te Cleveland willen komen logeeren? Toe, doet u dat,—en komt u dan als de Westons bij ons zijn. U kunt u niet voorstellen, hoe heerlijk ik dat zou vinden. ’t Zou bepaald verrukkelijk zijn!—Zou jij ook nietdolgraag willen, man, dat de dames Dashwood bij ons te Cleveland kwamen?”“Natuurlijk,” antwoordde hij spottend,—“ik kwam naar Devonshire met geen ander doel.”“Ziet u wel,” zei zijn vrouw; “Mijnheer Palmer rekent er op, dat u komt; nu kunt u niet weigeren.”Doch beiden bedankten haastig en met nadruk voor hare uitnoodiging.“O, maar umoeten uzultkomen. Ik weet stellig, dat u ’t heel gezellig zult vinden. De Westons zijn er ook, en ’t zal verrukkelijk zijn. U weet niet, wat een aardig buitentje Cleveland is, en ’t is er nu zoo vroolijk. Want Mijnheer Palmer reist overal in de buurt rond, om stemmen te winnen tegen de verkiezingen, en dan komen er zooveel menschen dineeren, die ik in ’t geheel niet ken; dat is alleraardigst. Maar het is voor hem wel héél vermoeiend, die arme jongen, want hij moet zich dan wel aangenaam maken bij iedereen.”Elinor kon haar gezicht bijna niet in bedwang houden, toen zij toegaf, dat die verplichting hem wel zwaar moest vallen.“Gezellig zal dat zijn,” zei Charlotte, “als hij lid van het Parlement is,—dunkt u niet? Wat zal ik dàn lachen! Zoo aller grappigst, dat al zijn brieven geadresseerd zullen zijn aan een M.P. Maar hij zegt dat hij niet van plan is ooit aan mij te schrijven. Dat verkiest hij niet. Is ’t niet, man?”De Heer Palmer nam geen notitie van haar vraag.“Hij kan schrijven niet uitstaan, weet u,” ging zij voort, “dat vindt hij een horreur, zegt hij.”“Neen,” zei de Heer Palmer, “dien onzin heb je uitmijnmond niet gehoord. Maak mij alsjeblieft niet aansprakelijk voor de manier waarop jij met de taal omspringt.”“Hoort u toch eens; nu ziet u, hoe grappig hij is. Zoo is hij nu altijd. Soms zegt hij een halven dag geen woord tegen mij, en dan komt hij op eens metiets grappigs voor den dag—het doet er niet toe wáárover.”Toen zij naar den salon teruggingen, verbaasde zij Elinor ten zeerste, door haar te vragen, of zij den Heer Palmer niet een bijzonder aardigen man vond.“Zeker,” zei Elinor; “hij maakt een aangenamen indruk.”“O, daar ben ik blij om. Ik dacht het wel: hij is zoo aardig, en hij is toch zoo ingenomen met u en uw zusters; u kunt u niet voorstellen, hoe teleurgesteld hij zal zijn, als u niet te Cleveland komt. Ik kan maar niet begrijpen, waarom u toch bezwaar maakt.”Elinor moest nogmaals haar verzoek afwijzen, en maakte een einde aan dat dringend gevraag, door over iets anders te beginnen. Zij achtte het waarschijnlijk, dat Mevrouw Palmer, die in de buurt woonde van Willoughby, haar allicht meer bijzonderheden kon meedeelen omtrent de wijze, waarop hij in de algemeene opinie stond aangeschreven, dan zij had kunnen vernemen door de Middletons, die hem slechts oppervlakkig kenden, en zij zou gaarne, van wie ook, eenige bevestiging hebben gehoord van zijn verdienstelijke eigenschappen, die de mogelijkheid van vrees voor Marianne had kunnen uitsluiten. Zij begon met de vraag, of de Heer Willoughby bij hen wel eens te Cleveland kwam op bezoek, en of zij goede bekenden van hem waren.“O ja zeker; ik ken hem héél goed,” antwoordde Mevrouw Palmer. “Niet dat ik hem ooit heb gesproken; maar in de stad zag ik hem overal. Hoe ’t zoo kwam weet ik niet; maar ik logeerde toevallig nooit te Barton, als hij te Allenham was. Mama heeft hem hier vroeger eens ontmoet maar toen logeerde ik bij mijn oom te Weymouth. Ik geloof wel, dat we elkaar veel zouden hebben gezien in Somersetshire, als ’t niet zoo ongelukkighad getroffen, dat we nooit op denzelfden tijd buiten waren. Hij komt weinig te Combe, geloof ik; maar al kwam hij er nog zoo dikwijls, dan denk ik toch niet, dat Mijnheer Palmer hem zou gaan opzoeken; want hij heeft andere meeningen in de politiek, weet u, en ’t is ook zoo geducht ver weg. Ik weet best, waarom u naar hem vraagt; uw zuster gaat met hem trouwen. Daar ben ik verbazend blij om; want dan wordt ze mijn buurvrouw.”“Werkelijk,” zei Elinor, “u weet veel meer van de zaak af dan ik, wanneer u reden hebt, dat huwelijk te verwachten.”“O, doet u nu niet, alsof ’t niet waar is, want u weet wel, dat iedereen er den mond vol van heeft. Nu pas in de stad heb ik het nog weer gehoord.”“Maar, Mevrouw Palmer!”“Wezenlijk, op mijn woord van eer. Maandagmorgen in Bond Street, juist voor we weggingen kwam ik Kolonel Brandon tegen, en hij vertelde ’t me dadelijk.”“U doet me verbaasd staan. Kolonel Brandon zou ’t u verteld hebben? U vergist u bepaald. Iets van dien aard mee te deelen aan iemand, die er geen belang in kon stellen, zelfs al was het waar, dat is niet, wat ik van Kolonel Brandon zou verwachten.”“’t Was toch werkelijk, zooals ik u zeg, en ik zal u vertellen hoe ’t zoo kwam. Toen we hem tegenkwamen, keerde hij om, en liep met ons mee, en we begonnen te praten over mijn broer en zuster en zoo meer, en ik zei tegen hem: “Ik hoor, Kolonel, dat Barton Cottage nieuwe bewoners heeft gekregen, en mama schrijft mij, dat de meisjes heel mooi zijn, en een van hen gaat trouwen met den Heer Willoughby, van Combe Magna. Is dat waar? U kunt het natuurlijk weten; want u komt pas uit Devonshire.”“En wat zei de Kolonel toen?”“O—hij zei niet veel; maar hij keek, alsof hijwel wist, dat het waar was; dus van dat oogenblik af was ik er zeker van. Ik vind het verrukkelijk, dol! Wanneer gaan ze trouwen?”“Kolonel Brandon maakte het goed, hoop ik?”“O ja, best; en hij was één en al lof over u; hij deed maar niets dan allerlei moois van u vertellen.”“Zijn goede meening is mij veel waard. Hij is een man zooals er weinigen zijn, dunkt mij, en alleraangenaamst in den omgang.”“Dat vind ik ook.—’t Is zoo’n allerliefste man;—Zoo jammer eigenlijk, dat hij zoo ernstig en zoo vervelend is. Mama zegt, dathijook verliefd was op uw zuster. Ik verzeker u, dat is een groot compliment, want hij wordt haast nooit verliefd op iemand.”“Kent men in uw omgeving te Somersetshire den Heer Willoughby over ’t algemeen goed?” vroeg Elinor.“O ja, héél goed;—dat is te zeggen, ik geloof niet dat veel menschen hem kennen, omdat Combe Magna zoo ver uit de buurt is; maar iedereen vindt hem een aangenaam mensch. Niemand is zoo algemeen bemind als Mijnheer Willoughby, wáár hij ook komt, dat moet u maar eens aan uw zuster vertellen. Ze mag van geluk spreken, hoor, dat ze hem krijgt; maar hij van zijn kant nog wel meer; want zij is zoo mooi en zoo lief, dat voor haar niets te goed is. Maar eigenlijk vind ik u haast niet minder mooi dan haar; want ik vind u allebei snoezig; en dat vindt Mijnheer Palmer ook, al konden we hem er gisteravond niet toe krijgen, het toe te geven.”Mevrouw Palmer’s inlichtingen omtrent Willoughby waren niet bepaald waardevol; maar elk getuigenis te zijnen gunste, hoe gering ook, deed Elinor genoegen.“Ik ben zoo blij, dat we elkaar nu eindelijk hebben leeren kennen,” ging Charlotte voort. “En nu hoop ik dat we altijd goede vrienden zullen blijven. U weet niet, hoe ik verlangde, u te zien. ’t Is zooheerlijk, dat u nu in dat huisje woont! ’t Kon niet heerlijker! En dat uw zuster nu zoo’n goed huwelijk doet. Ik hoop dat u dikwijls te Combe Magna komt logeeren. Ieder zegt, dat het een beeldig buitengoed is.”“U hebt Kolonel Brandon al lang gekend, niet waar?”“O ja, heel lang al; sedert mijn zuster trouwde. Hij was een van Sir John’s beste vrienden. Ik geloof,”voegde zij er iets zachter bij, “dat hij blij zou geweest zijn, als hij mij had kunnen krijgen. Sir John en mijn zuster hadden ’t graag gezien. Maar mama vond hem voor mij geen geschikte partij; anders zou Sir John het aan den Kolonel hebben gezegd, en dan zouden we dadelijk getrouwd zijn.”“Wist Kolonel Brandon dan niet te voren van dat voorstel van Sir John aan uw moeder? Had hij nooit te kennen gegeven, dat hij genegenheid voor u gevoelde?”“O neen; maar als mama er niets tegen had gehad, dan geloof ik stellig, dat hij dolgraag had gewild. Hij had mij toen nog maar een paar maal gezien; want ik was nog niet van de kostschool thuisgekomen. Maar ik ben veel gelukkiger, zooals ’t nu is. Mijnheer Palmer is juist de soort van man, die bij mij past.”

Toen de dames Dashwood den volgenden dag den salon te Barton Park binnen traden door de ééne deur, kwam Mevrouw Palmer haastig binnenloopen door de andere, even vergenoegd en vroolijk als den dag te voren. Zij schudde hun allen hartelijk de hand, en was verrukt over het weerzien.

“Ik ben zoo blij, dat u gekomen bent!” zei ze, terwijl ze plaats nam tusschen Elinor en Marianne; “want ’t is zulk slecht weer, ik was bang dat u niet kwam; en dat zou ellendig zijn geweest; want morgen gaan we weg. Dat moet wel, omdat we de volgende week de Westons te logeeren krijgen, weet u? De heele reis kwam zoo ineens op; ik wist van niets, tot het rijtuig voorkwam, en toen eerst vroeg mijnheer Palmer mij of ik meeging naar Barton. Hij is altijd zoo grappig! Hij vertelt mij nooit iets! Het spijt mij zoo, dat we niet langerkunnen blijven; maar we zullen elkaar gauw weer ontmoeten, hoop ik, in de stad.”

Zij waren verplicht haar het ongegronde dier verwachting te doen inzien.

“Gaat u niet naar de stad?” riep Mevrouw Palmer lachend, “dat zou mij erg tegenvallen. Ik zou juist een geschikt huis voor u kunnen huren vlak naast het onze, in Hanover Square. Och, umoetkomen. Ik zal met het grootste pleizier met u uitgaan, tot aan mijn bevalling, als Mevrouw Dashwood liever niet onder de menschen komt.”

Zij bedankten haar voor haar welwillendheid; maar waren verplicht al haar smeekingen te weerstaan.

“Och toe, lieve schat”, riep Mevrouw Palmer haar man toe die op dat oogenblik de kamer inkwam, “help mij toch de dames Dashwood overhalen om dezen winter naar de stad te gaan.”

Haar lieve schat gaf geen antwoord, en begon, na vluchtig voor de dames te hebben gebogen, te klagen over het weer. “Afgrijselijk is het hier!” zei hij. “Zulk weer maakt dat men aan alles en iedereen een hekel krijgt. Binnen is ’t al even vervelend als buiten met dien regen. Men komt ertoe, zijn kennissen te verfoeien. Wat bezielt Sir John, er geen biljart op na te houden? Er zijn maar weinig menschen, die weten wat behagelijkheid is. Sir John en het weer zijn allebei even onhebbelijk.”

Langzaam aan kwamen nu ook de anderen binnen.

“Ik ben bang, dat Marianne vandaag niet zooals gewoonlijk een wandeling naar Allenham heeft kunnen doen,” zei Sir John.

Marianne keek zeer ernstig en gaf geen antwoord.

“O, houdt u zich voor ons maar zoo dom niet,” zei Mevrouw Palmer; “want wij weten er alles van; en ik bewonder uw goeden smaak, want ik vind hem ook een bijzonder knappen man. Wij wonen niet zoo ver van hem af,—niet meer dan een mijl of tien, geloof ik.”

“Zeg maar liever dertig!” zei haar man.

“O, nu, dat maakt niet veel verschil. Ik ben nooit in het huis geweest; maar ik heb gehoord, dat het mooi is, en aardig gelegen.”

“’t Ellendigste nest, dat ik ooit heb gezien,” zei de Heer Palmer.

Marianne bewaarde een strak stilzwijgen, hoewel men aan haar gezicht kon zien, hoe zeer zij belangstelde in ’t geen gezegd werd.

“Is het zoo leelijk?” ging Mevrouw Palmer voort;—“dan is het zeker een ander buitengoed, dat zoo mooi was, denk ik.”

Toen zij in de eetkamer aan tafel zaten, merkte Sir John tot zijn spijt op, dat ze maar met hun achten waren. “Lieve,” zei hij tot zijn vrouw, “wat is dat nu vervelend, dat we maar met zoo weinig zijn. Waarom vroeg je de Gilberts niet, of ze vandaag konden komen?”

“Ik heb je immers gezegd, man, toen je mij erover sprak, dat het niet ging. Ze hebben ’t laatst bij ons gedineerd.”

“Wij zouden ons aan zulke plichtplegingen weinig storen,” zei Mevrouw Jennings tegen Sir John.

“Dat zou dan heel ongemanierd van u zijn,” merkte de Heer Palmer op.

“Je spreekt iedereen tegen, manlief,” zei zijn vrouw, lachend als gewoonlijk. “Weet je wel dat je erg onbeleefd bent?”

“Ik wist niet, dat ik iemand tegensprak, toen ik je moeder ongemanierd noemde.”

“O, mij mag je gerust uitschelden,” zei de goedgeluimde oude dame. “Je hebt Charlotte nu eenmaal van mij overgenomen, en je kunt haar niet teruggeven. Dus in dat opzicht ben ik je de baas.”

Charlotte lachte hartelijk om het denkbeeld, dat haar man haar niet kon kwijtraken, en zei triomfantelijk, dat het haar niets kon schelen, al was hij nog zoo onaardig, ze moesten nu eenmaal samenhet leven door. Het was werkelijk onmogelijk, zich iemand voor te stellen, meer onverzettelijk in haar goed humeur en onwankelbare vroolijkheid, dan Mevrouw Palmer. De met opzet ten toon gespreide onverschilligheid, lompheid en ontevredenheid van haar man hinderden haar volstrekt niet, en als hij haar berispte of onaangenaamheden zei, vond zij dat uiterst vermakelijk.

Mijnheer Palmer is toch zóó grappig!” fluisterde zij Elinor in, “Hij is altijd uit zijn humeur.”

Elinor was, bij nadere beschouwing, ongeneigd, te gelooven, dat hij zoo echt en van nature kwaadaardig en lomp was, als hij zich voordeed. Misschien had zijn humeur een beetje geleden door het besef, dat hij, zooals velen van zijn sekse, gedreven door een onverklaarbare voorliefde voor schoonheid, de echtgenoot was geworden van een buitengewoon domme vrouw;—maar zij wist wel, die soort van vergissing werd te algemeen begaan, dan dat een verstandig man dit als een blijvende grief zou kunnen beschouwen. Het was meer een wensch om zich te onderscheiden, geloofde zij, die ten grondslag lag aan de minachtende wijze waarop hij iedereen behandelde, en alles afkeurde wat hem onder de oogen kwam. Het was het verlangen zijn meerderheid boven anderen te doen gelden. De beweegreden was te algemeen om verwondering te wekken; maar de gebezigde middelen, al beantwoordden zij dan ook aan het doel, door zijn meerderheid te bewijzen op het punt van onhebbelijk gedrag, konden bezwaarlijk in iemand, behalve zijn vrouw, genegenheid voor hem wekken. “Lieve Juffrouw Dashwood,” begon Mevrouw Palmer iets later, “ik heb aan u en uw zuster een groote gunst te vragen. Zoudt u met Kerstmis een poosje te Cleveland willen komen logeeren? Toe, doet u dat,—en komt u dan als de Westons bij ons zijn. U kunt u niet voorstellen, hoe heerlijk ik dat zou vinden. ’t Zou bepaald verrukkelijk zijn!—Zou jij ook nietdolgraag willen, man, dat de dames Dashwood bij ons te Cleveland kwamen?”

“Natuurlijk,” antwoordde hij spottend,—“ik kwam naar Devonshire met geen ander doel.”

“Ziet u wel,” zei zijn vrouw; “Mijnheer Palmer rekent er op, dat u komt; nu kunt u niet weigeren.”

Doch beiden bedankten haastig en met nadruk voor hare uitnoodiging.

“O, maar umoeten uzultkomen. Ik weet stellig, dat u ’t heel gezellig zult vinden. De Westons zijn er ook, en ’t zal verrukkelijk zijn. U weet niet, wat een aardig buitentje Cleveland is, en ’t is er nu zoo vroolijk. Want Mijnheer Palmer reist overal in de buurt rond, om stemmen te winnen tegen de verkiezingen, en dan komen er zooveel menschen dineeren, die ik in ’t geheel niet ken; dat is alleraardigst. Maar het is voor hem wel héél vermoeiend, die arme jongen, want hij moet zich dan wel aangenaam maken bij iedereen.”

Elinor kon haar gezicht bijna niet in bedwang houden, toen zij toegaf, dat die verplichting hem wel zwaar moest vallen.

“Gezellig zal dat zijn,” zei Charlotte, “als hij lid van het Parlement is,—dunkt u niet? Wat zal ik dàn lachen! Zoo aller grappigst, dat al zijn brieven geadresseerd zullen zijn aan een M.P. Maar hij zegt dat hij niet van plan is ooit aan mij te schrijven. Dat verkiest hij niet. Is ’t niet, man?”

De Heer Palmer nam geen notitie van haar vraag.

“Hij kan schrijven niet uitstaan, weet u,” ging zij voort, “dat vindt hij een horreur, zegt hij.”

“Neen,” zei de Heer Palmer, “dien onzin heb je uitmijnmond niet gehoord. Maak mij alsjeblieft niet aansprakelijk voor de manier waarop jij met de taal omspringt.”

“Hoort u toch eens; nu ziet u, hoe grappig hij is. Zoo is hij nu altijd. Soms zegt hij een halven dag geen woord tegen mij, en dan komt hij op eens metiets grappigs voor den dag—het doet er niet toe wáárover.”

Toen zij naar den salon teruggingen, verbaasde zij Elinor ten zeerste, door haar te vragen, of zij den Heer Palmer niet een bijzonder aardigen man vond.

“Zeker,” zei Elinor; “hij maakt een aangenamen indruk.”

“O, daar ben ik blij om. Ik dacht het wel: hij is zoo aardig, en hij is toch zoo ingenomen met u en uw zusters; u kunt u niet voorstellen, hoe teleurgesteld hij zal zijn, als u niet te Cleveland komt. Ik kan maar niet begrijpen, waarom u toch bezwaar maakt.”

Elinor moest nogmaals haar verzoek afwijzen, en maakte een einde aan dat dringend gevraag, door over iets anders te beginnen. Zij achtte het waarschijnlijk, dat Mevrouw Palmer, die in de buurt woonde van Willoughby, haar allicht meer bijzonderheden kon meedeelen omtrent de wijze, waarop hij in de algemeene opinie stond aangeschreven, dan zij had kunnen vernemen door de Middletons, die hem slechts oppervlakkig kenden, en zij zou gaarne, van wie ook, eenige bevestiging hebben gehoord van zijn verdienstelijke eigenschappen, die de mogelijkheid van vrees voor Marianne had kunnen uitsluiten. Zij begon met de vraag, of de Heer Willoughby bij hen wel eens te Cleveland kwam op bezoek, en of zij goede bekenden van hem waren.

“O ja zeker; ik ken hem héél goed,” antwoordde Mevrouw Palmer. “Niet dat ik hem ooit heb gesproken; maar in de stad zag ik hem overal. Hoe ’t zoo kwam weet ik niet; maar ik logeerde toevallig nooit te Barton, als hij te Allenham was. Mama heeft hem hier vroeger eens ontmoet maar toen logeerde ik bij mijn oom te Weymouth. Ik geloof wel, dat we elkaar veel zouden hebben gezien in Somersetshire, als ’t niet zoo ongelukkighad getroffen, dat we nooit op denzelfden tijd buiten waren. Hij komt weinig te Combe, geloof ik; maar al kwam hij er nog zoo dikwijls, dan denk ik toch niet, dat Mijnheer Palmer hem zou gaan opzoeken; want hij heeft andere meeningen in de politiek, weet u, en ’t is ook zoo geducht ver weg. Ik weet best, waarom u naar hem vraagt; uw zuster gaat met hem trouwen. Daar ben ik verbazend blij om; want dan wordt ze mijn buurvrouw.”

“Werkelijk,” zei Elinor, “u weet veel meer van de zaak af dan ik, wanneer u reden hebt, dat huwelijk te verwachten.”

“O, doet u nu niet, alsof ’t niet waar is, want u weet wel, dat iedereen er den mond vol van heeft. Nu pas in de stad heb ik het nog weer gehoord.”

“Maar, Mevrouw Palmer!”

“Wezenlijk, op mijn woord van eer. Maandagmorgen in Bond Street, juist voor we weggingen kwam ik Kolonel Brandon tegen, en hij vertelde ’t me dadelijk.”

“U doet me verbaasd staan. Kolonel Brandon zou ’t u verteld hebben? U vergist u bepaald. Iets van dien aard mee te deelen aan iemand, die er geen belang in kon stellen, zelfs al was het waar, dat is niet, wat ik van Kolonel Brandon zou verwachten.”

“’t Was toch werkelijk, zooals ik u zeg, en ik zal u vertellen hoe ’t zoo kwam. Toen we hem tegenkwamen, keerde hij om, en liep met ons mee, en we begonnen te praten over mijn broer en zuster en zoo meer, en ik zei tegen hem: “Ik hoor, Kolonel, dat Barton Cottage nieuwe bewoners heeft gekregen, en mama schrijft mij, dat de meisjes heel mooi zijn, en een van hen gaat trouwen met den Heer Willoughby, van Combe Magna. Is dat waar? U kunt het natuurlijk weten; want u komt pas uit Devonshire.”

“En wat zei de Kolonel toen?”

“O—hij zei niet veel; maar hij keek, alsof hijwel wist, dat het waar was; dus van dat oogenblik af was ik er zeker van. Ik vind het verrukkelijk, dol! Wanneer gaan ze trouwen?”

“Kolonel Brandon maakte het goed, hoop ik?”

“O ja, best; en hij was één en al lof over u; hij deed maar niets dan allerlei moois van u vertellen.”

“Zijn goede meening is mij veel waard. Hij is een man zooals er weinigen zijn, dunkt mij, en alleraangenaamst in den omgang.”

“Dat vind ik ook.—’t Is zoo’n allerliefste man;—Zoo jammer eigenlijk, dat hij zoo ernstig en zoo vervelend is. Mama zegt, dathijook verliefd was op uw zuster. Ik verzeker u, dat is een groot compliment, want hij wordt haast nooit verliefd op iemand.”

“Kent men in uw omgeving te Somersetshire den Heer Willoughby over ’t algemeen goed?” vroeg Elinor.

“O ja, héél goed;—dat is te zeggen, ik geloof niet dat veel menschen hem kennen, omdat Combe Magna zoo ver uit de buurt is; maar iedereen vindt hem een aangenaam mensch. Niemand is zoo algemeen bemind als Mijnheer Willoughby, wáár hij ook komt, dat moet u maar eens aan uw zuster vertellen. Ze mag van geluk spreken, hoor, dat ze hem krijgt; maar hij van zijn kant nog wel meer; want zij is zoo mooi en zoo lief, dat voor haar niets te goed is. Maar eigenlijk vind ik u haast niet minder mooi dan haar; want ik vind u allebei snoezig; en dat vindt Mijnheer Palmer ook, al konden we hem er gisteravond niet toe krijgen, het toe te geven.”

Mevrouw Palmer’s inlichtingen omtrent Willoughby waren niet bepaald waardevol; maar elk getuigenis te zijnen gunste, hoe gering ook, deed Elinor genoegen.

“Ik ben zoo blij, dat we elkaar nu eindelijk hebben leeren kennen,” ging Charlotte voort. “En nu hoop ik dat we altijd goede vrienden zullen blijven. U weet niet, hoe ik verlangde, u te zien. ’t Is zooheerlijk, dat u nu in dat huisje woont! ’t Kon niet heerlijker! En dat uw zuster nu zoo’n goed huwelijk doet. Ik hoop dat u dikwijls te Combe Magna komt logeeren. Ieder zegt, dat het een beeldig buitengoed is.”

“U hebt Kolonel Brandon al lang gekend, niet waar?”

“O ja, heel lang al; sedert mijn zuster trouwde. Hij was een van Sir John’s beste vrienden. Ik geloof,”voegde zij er iets zachter bij, “dat hij blij zou geweest zijn, als hij mij had kunnen krijgen. Sir John en mijn zuster hadden ’t graag gezien. Maar mama vond hem voor mij geen geschikte partij; anders zou Sir John het aan den Kolonel hebben gezegd, en dan zouden we dadelijk getrouwd zijn.”

“Wist Kolonel Brandon dan niet te voren van dat voorstel van Sir John aan uw moeder? Had hij nooit te kennen gegeven, dat hij genegenheid voor u gevoelde?”

“O neen; maar als mama er niets tegen had gehad, dan geloof ik stellig, dat hij dolgraag had gewild. Hij had mij toen nog maar een paar maal gezien; want ik was nog niet van de kostschool thuisgekomen. Maar ik ben veel gelukkiger, zooals ’t nu is. Mijnheer Palmer is juist de soort van man, die bij mij past.”

Hoofdstuk XXIDen volgenden dag keerden de Palmers naar Cleveland terug, en aan de beide families te Barton werd het weer overgelaten, elkander te vermaken. Dat duurde echter niet lang; Elinor had nauwelijks de laatste bezoekers uit haar hoofd gezet,—was nauwelijks bekomen van haar verwondering over Charlotte’s vermogen om tevreden te zijn zonder oorzaak, over het komediespel van den Heer Palmer, dat zijn betere eigenschappen verborg, en over het vreemde gebrek aan natuurlijke overeenstemming, dat dikwijls bestond tusschen man en vrouw, of Sir John’s en Mevrouw Jennings’ nooit verflauwende ijver in het bevorderen van den gezelligen omgang verschafte haar reeds weder nieuwe kennissen, ter uiterlijke en innerlijke waarneming. Op een uitstapje naar Exeter hadden zij op een zekeren morgen twee jonge dames ontmoet, die tot Mevrouw Jennings’ voldoening verre familie van haar bleken te zijn, en dit was voor Sir John voldoende om hen dadelijk op Barton Park te logeeren te vragen, zoodra haar bezigheden te Exeter haar dat zouden veroorloven. De bezigheden te Exeter werden zonder bedenken verschoven voor zulk een uitnoodiging, en Lady Middleton was bij Sir John’s terugkomst niet weinig verschrikt door het bericht, dat zij binnenkort een bezoek kon verwachten van twee meisjes, die zij nooit in haar leven had gezien, en van wie zij volstrekt niet wist of zij welgemanierd,—of zelfs maar dragelijk fatsoenlijk waren; want aan de beweringen van haar man en haar moeder te dien opzichte hechtte zij niet de minste waarde. Dat zij familie van haar waren, maakte het nog deste erger; en Mevrouw Jennings’ pogingen om haar te troosten berustten dan ook op zeer onvoldoende gronden, wanneer zij haar dochter voorhield, dat het er niets toe deed of die meisjes wat meer of minder deftig waren, daar nichtjes onder elkaar het daarmee zoo nauw niet behoorden te nemen. Daar hun komst nu echter niet meer viel te verhinderen, schikte Lady Middleton zich in het geval met al de wijsgeerigheid van een welopgevoede vrouw, en vergenoegde zich ermee, haar echtgenoot ongeveer vijfofzesmaal per dag naar aanleiding van het gebeurde eenige zacht verwijtende opmerkingen toe te voegen.De jonge dames verschenen, en zagen er volstrekt niet burgerlijk of ouderwetsch uit. Ze waren keurig gekleed, hadden zeer beleefde manieren, waren verrukt van het huis, dweepten met de inrichting, en toevallig waren ze zóó dol op kinderen, dat ze reeds Lady Middleton’s sympathie hadden verworven, eer ze nog een uur op het Park waren geweest. Zij verklaarde dat ze hen werkelijk heel aardige meisjes vond, ’t geen voor haar gelijkstond met geestdriftige bewondering. Sir John’s vertrouwen in zijn eigen oordeel werd door dien levendigen lof ten zeerste versterkt, en hij toog onmiddellijk naar Barton Cottage, om aan de dames Dashwood te vertellen, dat de Steele’s waren gekomen, en hun te verzekeren dat het allerliefste meisjes waren. Uit die aanbeveling viel echter niet veel op te maken; Elinor wist nu al dat “allerliefste meisjes” waren te vinden in elk plaatsje in Engeland, en dat die uitdrukking elke denkbare verscheidenheid van gestalte, gelaat, gemoedsaard en begrip omvatte. Sir John wilde de geheele familie op staanden voet mee laten terugwandelen naar het Park, om zijn gasten te zien. Goedaardige, menschlievende man! Het viel hem zwaar, zelfs een nicht in den derden graad voor zich alleen te houden.“Toe kom nu mee,” zei hij, “om mij pleizierte doen;—jemoetkomen,—ik laat je niet los.—Je zult eens zien, hoe aardig je ze zult vinden. Lucy is een reusachtig knap meisje, en zoo vroolijk en lief! De kinderen zijn niet van haar af te slaan, alsof ze een oude bekende was. En allebei verlangen ze verbazend jelui te zien, want ze hebben in Exeter gehoord, dat jelui de mooiste meisjes van de wereld waart; en ik heb hun gezegd dat dat de zuivere waarheid is, en nog een heeleboel meer. Je zult verrukt van hen zijn, dat weet ik zeker. Ze hadden de heele koets vol speelgoed voor de kinderen. Hoe kan je nu zoo onaardig zijn, om niet te komen! ’t Zijn toch ook nichtjes van jelui, in zekeren zin. Jelui bent nichtjes vanmij, enzijvan mijn vrouw; dus je bent familie van elkaar.”Maar Sir John kreeg zijn zin niet. Hij kreeg niet anders dan de belofte, dat ze over een paar dagen een bezoek zouden komen brengen op het Park, en trok af, verbaasd over hunonverschilligheid, om naar huis te wandelen, en opnieuw tegen de dames Steele uit te weiden over hunne bekoorlijkheden, zooals hij tegenover hen den lof der dames Steele had uitgebazuind.Toen het beloofde bezoek op het Park en dus ook hun voorstelling aan de jonge dames plaats had, vonden zij aan het uiterlijk van de oudste, die bijna dertig was, en een leelijk, en daarbij niet eens verstandig gezicht had, niets te bewonderen; maar zij moesten toegeven dat de andere, die niet meer dan twee- of drie en twintig kon zijn, werkelijk mooi mocht genoemd worden; ze had welbesneden trekken, een levendigen vluggen oogopslag, en iets modieus in haar voorkomen, dat wel geen natuurlijke losheid of bevalligheid kon vergoeden, maar haar toch een zekere distinctie verleende. Hun manieren waren bijzonder beleefd en voorkomend, en Elinor moest al spoedig erkennen, dat het hun niet ontbrak aan een zeker soort van verstand, toen zij zag met welk een aanhoudendeen welberekende beminnelijkheid zij zich wisten aangenaam te maken bij Lady Middleton. Over haar kinderen waren zij in één voortdurende verrukking, verkondigden luide den lof van hun schoonheid, gaven zich moeite om hun gunst te winnen, en willigden hun grilligste wenschen in; terwijl ze al den tijd, dien de voldoening aan dezen dringenden eisch der beleefdheid hun overliet, besteedden aan het bewonderen van alles wat Lady Middleton deed, wanneer zij toevallig eens met iets bezig was, of aan het naknippen van het patroon eener sierlijke nieuwe japon, die zij haar den dag te voren hadden zien dragen, en waarin hare verschijning hun onuitputtelijke uitingen van bewonderende verrukking had ontlokt. Gelukkig voor hen, die door middel van dergelijke zwakheden plegen te vleien, is iedere liefhebbende moeder, hoezeer ook, waar het den lof van haar kinderen geldt, het onverzadelijkste aller schepselen, tevens op dat punt het meest lichtgeloovige; haar eischen zijn buitensporig, doch uiterst gemakkelijk te voldoen, en de alle perken te buiten gaande minzaamheid en geduld, door de dames Steele jegens haar kroost aan den dag gelegd, wekten in Lady Middleton niet de minste verwondering of achterdocht. Met moederlijke ingenomenheid beschouwde zij al de brutale vrijpostigheden en ondeugende streken, die haar nichten zich goedschiks lieten welgevallen. Zij keek toe, terwijl de strikken uit hun ceintuur werden getrokken, hun haar in wanorde werd gebracht, hun werktaschjes werden geplunderd en hun mesjes en scharen geroofd, en zij twijfelde niet, of het gesmaakte genoegen daarbij was wederkeerig. Zij vond het alleen maar verwonderlijk, dat Elinor en Marianne er zoo bedaard bij konden blijven zitten, zonder hun verlangen te uiten om te deelen in de pret.“John is vandaag door ’t dolle heen!” zei ze, toen hij Juffrouw Steele haar zakdoek afnam endien uit het raam gooide.—“Hij zit vol guitenstreken!”En toen kort daarop haar tweede zoontje zijn nicht allerpijnlijkst in den vinger kneep, merkte zij met innige voldoening op, dat William zoo speelsch was.“En hier hebben we mijn lieve kleine Annemarie”, voegde zij erbij, het kleine meisje van drie jaar liefkoozend, dat zich een paar minuten achtereen had stilgehouden: “Die is altijd zoo zacht en stil,—het rustigste kindje dat men zich kan voorstellen!”Doch daar het ongeluk wilde, dat bij deze uitingen van teederheid een speld in mama’s kapsel het kind even in den hals schramde, barstte het voorbeeldig stille schepseltje los in zulke oorverdoovende kreten, dat geen spreekwoordelijk luidruchtig creatuur het haar verbeteren kon. Haar moeder’s ontzetting, hoe hevig ook, werd nog overtroffen door den schrik en de bezorgdheid der dames Steele en alle drie namen in dien uitersten nood hun toevlucht tot elk middel dat de liefde slechts kon uitdenken om de folteringen der kleine lijderes te verzachten. Zij werd op haar moeders schoot gezet en overladen met kussen, terwijl de eene juffrouw Steele bij haar neerknielde om de wond te betten met lavendelwater, en de andere haar mond vol suikerboonen stopte. Nu zij haar tranen zoo rijkelijk beloond zag, was het kind wel zoo wijs om niet op te houden met schreeuwen. Ze bleef uit alle macht huilen en snikken, schopte haar beide broertjes, toen ze haar te na kwamen, en hun aller vereende pogingen om haar tot bedaren te brengen bleven vruchteloos, tot Lady Middleton zich gelukkig herinnerde, dat bij een dergelijk ongeval in de vorige week een lepel abrikozengelei gunstig had gewerkt ter verzachting van een buil op het voorhoofd; en daar, bij het voorstel om tegen deze ongelukkige schram dezelfde remedie toe te dienen, het doordringend geschreeuw der jongedame door een korte pauze werd onderbroken, bestond de gegronde hoop, dat het geneesmiddel niet zou worden verworpen. Zij werd dus in haar moeders armen weggedragen, op zoek naar de heilzame medicijn, en daar de twee jongens, hoewel hun moeder hen dringend verzocht in de kamer te blijven, volstrekt wilden meegaan, bleven de vier jonge dames achter in een atmosfeer van kalmte, die het vertrek sedert vele uren niet meer had gekend.“Dat arme schepseltje!” zei Juffrouw Steele, zoodra zij waren heengegaan. “Het had wel héél erg kunnen afloopen.”“Maar ik begrijp toch eigenlijk niet hòe,”riep Marianne, “tenzij dan misschien onder geheel andere omstandigheden. Op deze manier plegen de menschen altijd bezorgheid te vermeerderen, terwijl er voor werkelijke zorg geen reden is.”“Wat is Lady Middleton toch een allerliefste vrouw,” zei Lucy Steele.Marianne zweeg; zij kon onmogelijk zeggen wat ze niet meende, al gold het de onbeteekendste kleinigheid, en dus werd altoos aan Elinor de taak overgelaten, onwaarheid te spreken, wanneer de beleefdheid dat vereischte. Ze deed haar best, nu dit van haar gevergd werd, door Lady Middleton te prijzen met meer warmte, dan zij gevoelde, hoewel met vrij wat minder geestdrift dan Juffrouw Lucy.“En Sir John ook,” riep de oudste zuster “wat is dat een aardige man!”Ook hier werd Juffrouw Dashwood’s lof, die eenvoudig was en onopgesmukt, geuit zonder den minstenéclat. Zij merkte alleen op, dat hij bijzonder vroolijk en vriendelijk van aard was.“En wat hebben ze allerliefste kinderen! Ik heb nog nooit zulke mooie kinderen gezien! Ik ben nu al doodelijk van ze; trouwens ik ben altijd gek op kinderen geweest.”“Dat wil ik graag gelooven,” zei Elinor met een glimlach, “te oordeelen naar wat ik van morgen heb bijgewoond.”“Het komt mij zoo voor, zei Lucy, “dat u de kleine Middletons nog al verwend vindt; misschien worden ze dat ook wel, meer dan goed voor hen is, maar het is zoo natuurlijk van Lady Middleton; en wat mij betreft, ik zie graag kinderen waar een beetje leven en vroolijkheid inzit; ik kan ze niet uitstaan, als ze bedaard en stil zijn.”“Ik moet eerlijk bekennen,” antwoordde Elinor, “dat ik te Barton Park mij nooit geneigd voel, aan stille en bedaarde kinderen anders dan met voorliefde te denken.”Op dit gezegde volgde een korte stilte, het eerst verbroken door Juffrouw Steele, die bijzonder spraakzaam scheen, en nu vrij onverwacht begon:“En hoe vindt u Devonshire nu wel, Juffrouw Dashwood? Het zal u wel hebben gespeten, uit Sussex weg te gaan.”Ietwat verbaasd over die vraag, of althans over den gemeenzamen toon, waarop ze geuit werd, antwoordde Elinor bevestigend.“Norland is een héél erg mooi buitengoed, is ’t niet?” liet Juffrouw Steele hierop volgen.“Sir John bewonderde het ten minste zéér,” zei Lucy, die scheen te vinden dat haar zuster’s vrijmoedigheid wel eenige verontschuldiging behoefde.“Ik denk, dat ieder die het goed ooit zag, het welmoetbewonderen,” antwoordde Elinor, “hoewel het niet waarschijnlijk is, dat anderen de schoonheden ervan zóó kunnen waardeeren, als wij doen.”“En hadt u daar veel knappe cavaliers? Hier in deze buurt zullen er wel zooveel niet zijn; ik voor mij vind ze altoos een groote aanwinst overal.”“Maar waarom dacht je eigenlijk,” zei Lucy, zich blijkbaar schamend voor haar zuster, “dat erminder knappe jongelui zouden zijn in Devonshire dan in Sussex?”“Welneen, lieve kind, dat zeg ik ook immers niet. In Exeter zijn tenminste cavaliers genoeg, maar hoe kan ik nu weten of er in Norland ook aardige heeren zijn? Ik was alleen maar bang, dat de dames Dashwood het in Barton saai zouden vinden, als ze daar niet zooveel galante cavaliers hadden als vroeger. Maar misschien geven de jonge dames wel niet om heeren, en kunnen ze het evengoed stellen zonder hen. Ik voor mijn part, ik mag ze graag lijden, als ze ten minste netjes gekleed zijn en zich aardig voordoen. Ik kan ze niet uitstaan als ze slordig en vuil voor den dag komen. Daar heb je nu Meneer Rose in Exeter, een heele heer, als je hem zoo ziet, bepaald fatterig; hij is klerk bij Meneer Simpson, weet u, en toch, als je hem ’s morgens tegenkomt, dan ziet hij er ontoonbaar uit. Uw broer was vóór zijn trouwen zeker ook een echte dandy, Juffrouw Dashwood, omdat hij zoo rijk was?”“Ik zou ’t u werkelijk niet kunnen zeggen,” antwoordde Elinor; “omdat ik niet precies begrijp wat u bedoelt. Maar dàt weet ik wel, wat hij indertijd is geweest vóór zijn trouwen, dat is hij nu nog; want hij is in ’t minst niet veranderd.”“O heden, neen; getrouwde lui zijn nooit galante cavaliers meer; die hebben wel wat anders te doen.”“Hè, Anne,” riep haar zuster; “jij praat ook over niets anders dan heeren; Juffrouw Dashwood zal gaan meenen dat je nergens anders aan denkt.” En om het gesprek een andere wending te geven, begon zij haar bewondering te uiten van het huis en meubels.Dit staaltje van de conversatie der dames Steele was voldoende. De onbeschaafde vrijpostigheid en mallepraat van de oudste lieten van haar geen goeds meer verwachten, en daar Elinor, ondanks de schoonheid en het schrander voorkomen der jongerezuster maar al te goed haar gemis van ware beschaving en eenvoud doorzag, vertrok zij, zonder in het minst te verlangen, hen nader te leeren kennen.Zoo dachten de dames Steele er niet over. Zij waren uit Exeter gekomen met een behoorlijke hoeveelheid bewondering, ten dienste van Sir John Middleton, zijn gezin en zijn geheele familie, en uit dien ruimen voorraad deelden zij kwistig mede aan zijn schoone nichten, die zij voor de mooiste, bevalligste, talentvolste en liefste meisjes verklaarden, die ze ooit hadden gezien, en die zij hartgrondig verlangden, nader te leeren kennen. Die nadere kennismaking was, zooals Elinor spoedig ontdekte, hun onvermijdelijk lot; want daar Sir John geheel en al op de hand der dames Steele was, bleek hunne partij te sterk voor verzet van de andere zijde, en zij moesten zich dus schikken in de soort van intimiteit, die bestaat in het bijna iederen dag een paar uur samen in de zelfde kamer zitten. Meer kon Sir John niet doen; maar hij zag ook niet in, dat meer dan dat kon verlangd worden; naar zijne meening beteekende samenzijn vertrouwelijkheid, en zoolang zijn geregelde plannetjes om hen met elkaar in aanraking te brengen, maar slaagden, twijfelde hij geen oogenblik of zij waren gezworen vriendinnen.Om hem recht te laten weervaren, hij deed wat in zijn vermogen was, om hen tot openhartigheid aan te sporen, door de dames Steele op de hoogte te brengen van al wat hij maar wist of kon vermoeden omtrent de meest kiesche aangelegenheden, waarin zijne nichtjes waren betrokken, en Elinor had hen nog geen tweemaal ontmoet, of de oudste van het tweetal wenschte haar reeds geluk met het feit, dat haar zuster ’t zoo getroffen had, door sinds haar komst te Barton een knappen galant te veroveren.“’t Is toch maar een mooi ding, een meisje zoo vroeg al getrouwd te hebben,” zei ze, “en ik hoordat hij een echte dandy is, en een verschrikkelijk knap gezicht heeft. Ik hoop dat u het ook zoo goed zult treffen; maar misschien hebt u al een vriend achter de hand.”Elinor kon moeilijk verwachten, dat Sir John schroomvalliger zou zijn in de uiting van zijn vermoedens omtrent haar genegenheid voor Edward, dan hij zich getoond had, waar het Marianne betrof; van de beide geestigheden genoot de eerste, als nieuwer, en nog speling voor gissingenoverlatend, zelfs zijn voorkeur; en sedert Edward’s bezoek hadden zij nooit samen aan tafel gezeten, zonder dat hij een dronk wijdde aan haar liefsten hartewensch, vergezeld van zooveel beteekenende blikken, en zooveel knikjes en knipoogjes, dat hij de algemeene aandacht op haar vestigde. Ook de letter F. werd daarbij steeds druk besproken, en was de bron gebleken van zulk een onuitputtelijken voorraad grappen, dat Elinor geëindigd was met er voor goed de geestigste letter van het alphabet in te zien.Zooals zij reeds vermoedde, werden de dames Steele bij voorkeur op de bewuste aardigheden vergast, en zij wekten in de oudste een nieuwsgierig verlangen om den naam te vernemen van den heer, op wien hier gezinspeeld werd, een verlangen, dat, brutaal aan den dag gelegd, volkomen strookte met haar algemeene indringende onbescheidenheid in het uitvorschen van hun familieaangelegenheden. Maar Sir John had niet lang pleizier in het prikkelen der door hemzelf gewekte nieuwsgierigheid; want hij vond minstens evenveel behagen in het noemen van den bewusten naam, als Juffrouw Steele in het vernemen ervan. “Zijn naam is Ferrars,” zei hij, duidelijk verstaanbaar fluisterend; “maar vertel het vooral niet verder, want het is een groot geheim.”“Ferrars!” herhaalde Juffrouw Steele; “is mijnheer Ferrars de gelukkige? Wel, wel, de broer van uw schoonzuster, Juffrouw Dashwood? nu, datis een aardig jongmensch; ik ken hem heel goed.”“Hoe kan je nu zooiets zeggen, Anne?” riep Lucy, die geregeld haar zuster’s opmerkingen te verbeteren placht. “Al hebben we hem nu een paar maal bij onzen oom aan huis ontmoet, daarom behoef je nog niet te zeggen, dat we hem heel goed kennen.”Elinor hoorde alles oplettend en zeer verwonderd aan. Wie was die oom? waar woonde hij? hoe hadden zij elkander leeren kennen? Zij wenschte van harte dat het gesprek over dit onderwerp mocht worden voortgezet, al verkoos zij niet, zich erin te mengen; maar er werd niet verder over gesproken, en voor het eerst in haar leven vond zij Mevrouw Jennings niet nieuwsgierig genoeg naar onbeduidende nieuwtjes, noch voldoende bereidvaardig tot het mededeelen ervan. De manier waarop Juffrouw Steele van Edward had gesproken vermeerderde haar nieuwsgierigheid; zij meende er iets onwelwillends in te bespeuren, dat het vermoeden wekte, als zou de spreekster iets ten nadeele van hem weten, of zich verbeelden te weten. Doch haar nieuwsgierigheid bleef onvoldaan; want Juffrouw Steele liet den naam Ferrars verder onopgemerkt voorbijgaan, ook toen Sir John er nogmaals op zinspeelde en dien zelfs openlijk uitsprak.

Den volgenden dag keerden de Palmers naar Cleveland terug, en aan de beide families te Barton werd het weer overgelaten, elkander te vermaken. Dat duurde echter niet lang; Elinor had nauwelijks de laatste bezoekers uit haar hoofd gezet,—was nauwelijks bekomen van haar verwondering over Charlotte’s vermogen om tevreden te zijn zonder oorzaak, over het komediespel van den Heer Palmer, dat zijn betere eigenschappen verborg, en over het vreemde gebrek aan natuurlijke overeenstemming, dat dikwijls bestond tusschen man en vrouw, of Sir John’s en Mevrouw Jennings’ nooit verflauwende ijver in het bevorderen van den gezelligen omgang verschafte haar reeds weder nieuwe kennissen, ter uiterlijke en innerlijke waarneming. Op een uitstapje naar Exeter hadden zij op een zekeren morgen twee jonge dames ontmoet, die tot Mevrouw Jennings’ voldoening verre familie van haar bleken te zijn, en dit was voor Sir John voldoende om hen dadelijk op Barton Park te logeeren te vragen, zoodra haar bezigheden te Exeter haar dat zouden veroorloven. De bezigheden te Exeter werden zonder bedenken verschoven voor zulk een uitnoodiging, en Lady Middleton was bij Sir John’s terugkomst niet weinig verschrikt door het bericht, dat zij binnenkort een bezoek kon verwachten van twee meisjes, die zij nooit in haar leven had gezien, en van wie zij volstrekt niet wist of zij welgemanierd,—of zelfs maar dragelijk fatsoenlijk waren; want aan de beweringen van haar man en haar moeder te dien opzichte hechtte zij niet de minste waarde. Dat zij familie van haar waren, maakte het nog deste erger; en Mevrouw Jennings’ pogingen om haar te troosten berustten dan ook op zeer onvoldoende gronden, wanneer zij haar dochter voorhield, dat het er niets toe deed of die meisjes wat meer of minder deftig waren, daar nichtjes onder elkaar het daarmee zoo nauw niet behoorden te nemen. Daar hun komst nu echter niet meer viel te verhinderen, schikte Lady Middleton zich in het geval met al de wijsgeerigheid van een welopgevoede vrouw, en vergenoegde zich ermee, haar echtgenoot ongeveer vijfofzesmaal per dag naar aanleiding van het gebeurde eenige zacht verwijtende opmerkingen toe te voegen.

De jonge dames verschenen, en zagen er volstrekt niet burgerlijk of ouderwetsch uit. Ze waren keurig gekleed, hadden zeer beleefde manieren, waren verrukt van het huis, dweepten met de inrichting, en toevallig waren ze zóó dol op kinderen, dat ze reeds Lady Middleton’s sympathie hadden verworven, eer ze nog een uur op het Park waren geweest. Zij verklaarde dat ze hen werkelijk heel aardige meisjes vond, ’t geen voor haar gelijkstond met geestdriftige bewondering. Sir John’s vertrouwen in zijn eigen oordeel werd door dien levendigen lof ten zeerste versterkt, en hij toog onmiddellijk naar Barton Cottage, om aan de dames Dashwood te vertellen, dat de Steele’s waren gekomen, en hun te verzekeren dat het allerliefste meisjes waren. Uit die aanbeveling viel echter niet veel op te maken; Elinor wist nu al dat “allerliefste meisjes” waren te vinden in elk plaatsje in Engeland, en dat die uitdrukking elke denkbare verscheidenheid van gestalte, gelaat, gemoedsaard en begrip omvatte. Sir John wilde de geheele familie op staanden voet mee laten terugwandelen naar het Park, om zijn gasten te zien. Goedaardige, menschlievende man! Het viel hem zwaar, zelfs een nicht in den derden graad voor zich alleen te houden.

“Toe kom nu mee,” zei hij, “om mij pleizierte doen;—jemoetkomen,—ik laat je niet los.—Je zult eens zien, hoe aardig je ze zult vinden. Lucy is een reusachtig knap meisje, en zoo vroolijk en lief! De kinderen zijn niet van haar af te slaan, alsof ze een oude bekende was. En allebei verlangen ze verbazend jelui te zien, want ze hebben in Exeter gehoord, dat jelui de mooiste meisjes van de wereld waart; en ik heb hun gezegd dat dat de zuivere waarheid is, en nog een heeleboel meer. Je zult verrukt van hen zijn, dat weet ik zeker. Ze hadden de heele koets vol speelgoed voor de kinderen. Hoe kan je nu zoo onaardig zijn, om niet te komen! ’t Zijn toch ook nichtjes van jelui, in zekeren zin. Jelui bent nichtjes vanmij, enzijvan mijn vrouw; dus je bent familie van elkaar.”

Maar Sir John kreeg zijn zin niet. Hij kreeg niet anders dan de belofte, dat ze over een paar dagen een bezoek zouden komen brengen op het Park, en trok af, verbaasd over hunonverschilligheid, om naar huis te wandelen, en opnieuw tegen de dames Steele uit te weiden over hunne bekoorlijkheden, zooals hij tegenover hen den lof der dames Steele had uitgebazuind.

Toen het beloofde bezoek op het Park en dus ook hun voorstelling aan de jonge dames plaats had, vonden zij aan het uiterlijk van de oudste, die bijna dertig was, en een leelijk, en daarbij niet eens verstandig gezicht had, niets te bewonderen; maar zij moesten toegeven dat de andere, die niet meer dan twee- of drie en twintig kon zijn, werkelijk mooi mocht genoemd worden; ze had welbesneden trekken, een levendigen vluggen oogopslag, en iets modieus in haar voorkomen, dat wel geen natuurlijke losheid of bevalligheid kon vergoeden, maar haar toch een zekere distinctie verleende. Hun manieren waren bijzonder beleefd en voorkomend, en Elinor moest al spoedig erkennen, dat het hun niet ontbrak aan een zeker soort van verstand, toen zij zag met welk een aanhoudendeen welberekende beminnelijkheid zij zich wisten aangenaam te maken bij Lady Middleton. Over haar kinderen waren zij in één voortdurende verrukking, verkondigden luide den lof van hun schoonheid, gaven zich moeite om hun gunst te winnen, en willigden hun grilligste wenschen in; terwijl ze al den tijd, dien de voldoening aan dezen dringenden eisch der beleefdheid hun overliet, besteedden aan het bewonderen van alles wat Lady Middleton deed, wanneer zij toevallig eens met iets bezig was, of aan het naknippen van het patroon eener sierlijke nieuwe japon, die zij haar den dag te voren hadden zien dragen, en waarin hare verschijning hun onuitputtelijke uitingen van bewonderende verrukking had ontlokt. Gelukkig voor hen, die door middel van dergelijke zwakheden plegen te vleien, is iedere liefhebbende moeder, hoezeer ook, waar het den lof van haar kinderen geldt, het onverzadelijkste aller schepselen, tevens op dat punt het meest lichtgeloovige; haar eischen zijn buitensporig, doch uiterst gemakkelijk te voldoen, en de alle perken te buiten gaande minzaamheid en geduld, door de dames Steele jegens haar kroost aan den dag gelegd, wekten in Lady Middleton niet de minste verwondering of achterdocht. Met moederlijke ingenomenheid beschouwde zij al de brutale vrijpostigheden en ondeugende streken, die haar nichten zich goedschiks lieten welgevallen. Zij keek toe, terwijl de strikken uit hun ceintuur werden getrokken, hun haar in wanorde werd gebracht, hun werktaschjes werden geplunderd en hun mesjes en scharen geroofd, en zij twijfelde niet, of het gesmaakte genoegen daarbij was wederkeerig. Zij vond het alleen maar verwonderlijk, dat Elinor en Marianne er zoo bedaard bij konden blijven zitten, zonder hun verlangen te uiten om te deelen in de pret.

“John is vandaag door ’t dolle heen!” zei ze, toen hij Juffrouw Steele haar zakdoek afnam endien uit het raam gooide.—“Hij zit vol guitenstreken!”

En toen kort daarop haar tweede zoontje zijn nicht allerpijnlijkst in den vinger kneep, merkte zij met innige voldoening op, dat William zoo speelsch was.

“En hier hebben we mijn lieve kleine Annemarie”, voegde zij erbij, het kleine meisje van drie jaar liefkoozend, dat zich een paar minuten achtereen had stilgehouden: “Die is altijd zoo zacht en stil,—het rustigste kindje dat men zich kan voorstellen!”

Doch daar het ongeluk wilde, dat bij deze uitingen van teederheid een speld in mama’s kapsel het kind even in den hals schramde, barstte het voorbeeldig stille schepseltje los in zulke oorverdoovende kreten, dat geen spreekwoordelijk luidruchtig creatuur het haar verbeteren kon. Haar moeder’s ontzetting, hoe hevig ook, werd nog overtroffen door den schrik en de bezorgdheid der dames Steele en alle drie namen in dien uitersten nood hun toevlucht tot elk middel dat de liefde slechts kon uitdenken om de folteringen der kleine lijderes te verzachten. Zij werd op haar moeders schoot gezet en overladen met kussen, terwijl de eene juffrouw Steele bij haar neerknielde om de wond te betten met lavendelwater, en de andere haar mond vol suikerboonen stopte. Nu zij haar tranen zoo rijkelijk beloond zag, was het kind wel zoo wijs om niet op te houden met schreeuwen. Ze bleef uit alle macht huilen en snikken, schopte haar beide broertjes, toen ze haar te na kwamen, en hun aller vereende pogingen om haar tot bedaren te brengen bleven vruchteloos, tot Lady Middleton zich gelukkig herinnerde, dat bij een dergelijk ongeval in de vorige week een lepel abrikozengelei gunstig had gewerkt ter verzachting van een buil op het voorhoofd; en daar, bij het voorstel om tegen deze ongelukkige schram dezelfde remedie toe te dienen, het doordringend geschreeuw der jongedame door een korte pauze werd onderbroken, bestond de gegronde hoop, dat het geneesmiddel niet zou worden verworpen. Zij werd dus in haar moeders armen weggedragen, op zoek naar de heilzame medicijn, en daar de twee jongens, hoewel hun moeder hen dringend verzocht in de kamer te blijven, volstrekt wilden meegaan, bleven de vier jonge dames achter in een atmosfeer van kalmte, die het vertrek sedert vele uren niet meer had gekend.

“Dat arme schepseltje!” zei Juffrouw Steele, zoodra zij waren heengegaan. “Het had wel héél erg kunnen afloopen.”

“Maar ik begrijp toch eigenlijk niet hòe,”riep Marianne, “tenzij dan misschien onder geheel andere omstandigheden. Op deze manier plegen de menschen altijd bezorgheid te vermeerderen, terwijl er voor werkelijke zorg geen reden is.”

“Wat is Lady Middleton toch een allerliefste vrouw,” zei Lucy Steele.

Marianne zweeg; zij kon onmogelijk zeggen wat ze niet meende, al gold het de onbeteekendste kleinigheid, en dus werd altoos aan Elinor de taak overgelaten, onwaarheid te spreken, wanneer de beleefdheid dat vereischte. Ze deed haar best, nu dit van haar gevergd werd, door Lady Middleton te prijzen met meer warmte, dan zij gevoelde, hoewel met vrij wat minder geestdrift dan Juffrouw Lucy.

“En Sir John ook,” riep de oudste zuster “wat is dat een aardige man!”

Ook hier werd Juffrouw Dashwood’s lof, die eenvoudig was en onopgesmukt, geuit zonder den minstenéclat. Zij merkte alleen op, dat hij bijzonder vroolijk en vriendelijk van aard was.

“En wat hebben ze allerliefste kinderen! Ik heb nog nooit zulke mooie kinderen gezien! Ik ben nu al doodelijk van ze; trouwens ik ben altijd gek op kinderen geweest.”

“Dat wil ik graag gelooven,” zei Elinor met een glimlach, “te oordeelen naar wat ik van morgen heb bijgewoond.”

“Het komt mij zoo voor, zei Lucy, “dat u de kleine Middletons nog al verwend vindt; misschien worden ze dat ook wel, meer dan goed voor hen is, maar het is zoo natuurlijk van Lady Middleton; en wat mij betreft, ik zie graag kinderen waar een beetje leven en vroolijkheid inzit; ik kan ze niet uitstaan, als ze bedaard en stil zijn.”

“Ik moet eerlijk bekennen,” antwoordde Elinor, “dat ik te Barton Park mij nooit geneigd voel, aan stille en bedaarde kinderen anders dan met voorliefde te denken.”

Op dit gezegde volgde een korte stilte, het eerst verbroken door Juffrouw Steele, die bijzonder spraakzaam scheen, en nu vrij onverwacht begon:

“En hoe vindt u Devonshire nu wel, Juffrouw Dashwood? Het zal u wel hebben gespeten, uit Sussex weg te gaan.”

Ietwat verbaasd over die vraag, of althans over den gemeenzamen toon, waarop ze geuit werd, antwoordde Elinor bevestigend.

“Norland is een héél erg mooi buitengoed, is ’t niet?” liet Juffrouw Steele hierop volgen.

“Sir John bewonderde het ten minste zéér,” zei Lucy, die scheen te vinden dat haar zuster’s vrijmoedigheid wel eenige verontschuldiging behoefde.

“Ik denk, dat ieder die het goed ooit zag, het welmoetbewonderen,” antwoordde Elinor, “hoewel het niet waarschijnlijk is, dat anderen de schoonheden ervan zóó kunnen waardeeren, als wij doen.”

“En hadt u daar veel knappe cavaliers? Hier in deze buurt zullen er wel zooveel niet zijn; ik voor mij vind ze altoos een groote aanwinst overal.”

“Maar waarom dacht je eigenlijk,” zei Lucy, zich blijkbaar schamend voor haar zuster, “dat erminder knappe jongelui zouden zijn in Devonshire dan in Sussex?”

“Welneen, lieve kind, dat zeg ik ook immers niet. In Exeter zijn tenminste cavaliers genoeg, maar hoe kan ik nu weten of er in Norland ook aardige heeren zijn? Ik was alleen maar bang, dat de dames Dashwood het in Barton saai zouden vinden, als ze daar niet zooveel galante cavaliers hadden als vroeger. Maar misschien geven de jonge dames wel niet om heeren, en kunnen ze het evengoed stellen zonder hen. Ik voor mijn part, ik mag ze graag lijden, als ze ten minste netjes gekleed zijn en zich aardig voordoen. Ik kan ze niet uitstaan als ze slordig en vuil voor den dag komen. Daar heb je nu Meneer Rose in Exeter, een heele heer, als je hem zoo ziet, bepaald fatterig; hij is klerk bij Meneer Simpson, weet u, en toch, als je hem ’s morgens tegenkomt, dan ziet hij er ontoonbaar uit. Uw broer was vóór zijn trouwen zeker ook een echte dandy, Juffrouw Dashwood, omdat hij zoo rijk was?”

“Ik zou ’t u werkelijk niet kunnen zeggen,” antwoordde Elinor; “omdat ik niet precies begrijp wat u bedoelt. Maar dàt weet ik wel, wat hij indertijd is geweest vóór zijn trouwen, dat is hij nu nog; want hij is in ’t minst niet veranderd.”

“O heden, neen; getrouwde lui zijn nooit galante cavaliers meer; die hebben wel wat anders te doen.”

“Hè, Anne,” riep haar zuster; “jij praat ook over niets anders dan heeren; Juffrouw Dashwood zal gaan meenen dat je nergens anders aan denkt.” En om het gesprek een andere wending te geven, begon zij haar bewondering te uiten van het huis en meubels.

Dit staaltje van de conversatie der dames Steele was voldoende. De onbeschaafde vrijpostigheid en mallepraat van de oudste lieten van haar geen goeds meer verwachten, en daar Elinor, ondanks de schoonheid en het schrander voorkomen der jongerezuster maar al te goed haar gemis van ware beschaving en eenvoud doorzag, vertrok zij, zonder in het minst te verlangen, hen nader te leeren kennen.

Zoo dachten de dames Steele er niet over. Zij waren uit Exeter gekomen met een behoorlijke hoeveelheid bewondering, ten dienste van Sir John Middleton, zijn gezin en zijn geheele familie, en uit dien ruimen voorraad deelden zij kwistig mede aan zijn schoone nichten, die zij voor de mooiste, bevalligste, talentvolste en liefste meisjes verklaarden, die ze ooit hadden gezien, en die zij hartgrondig verlangden, nader te leeren kennen. Die nadere kennismaking was, zooals Elinor spoedig ontdekte, hun onvermijdelijk lot; want daar Sir John geheel en al op de hand der dames Steele was, bleek hunne partij te sterk voor verzet van de andere zijde, en zij moesten zich dus schikken in de soort van intimiteit, die bestaat in het bijna iederen dag een paar uur samen in de zelfde kamer zitten. Meer kon Sir John niet doen; maar hij zag ook niet in, dat meer dan dat kon verlangd worden; naar zijne meening beteekende samenzijn vertrouwelijkheid, en zoolang zijn geregelde plannetjes om hen met elkaar in aanraking te brengen, maar slaagden, twijfelde hij geen oogenblik of zij waren gezworen vriendinnen.

Om hem recht te laten weervaren, hij deed wat in zijn vermogen was, om hen tot openhartigheid aan te sporen, door de dames Steele op de hoogte te brengen van al wat hij maar wist of kon vermoeden omtrent de meest kiesche aangelegenheden, waarin zijne nichtjes waren betrokken, en Elinor had hen nog geen tweemaal ontmoet, of de oudste van het tweetal wenschte haar reeds geluk met het feit, dat haar zuster ’t zoo getroffen had, door sinds haar komst te Barton een knappen galant te veroveren.

“’t Is toch maar een mooi ding, een meisje zoo vroeg al getrouwd te hebben,” zei ze, “en ik hoordat hij een echte dandy is, en een verschrikkelijk knap gezicht heeft. Ik hoop dat u het ook zoo goed zult treffen; maar misschien hebt u al een vriend achter de hand.”

Elinor kon moeilijk verwachten, dat Sir John schroomvalliger zou zijn in de uiting van zijn vermoedens omtrent haar genegenheid voor Edward, dan hij zich getoond had, waar het Marianne betrof; van de beide geestigheden genoot de eerste, als nieuwer, en nog speling voor gissingenoverlatend, zelfs zijn voorkeur; en sedert Edward’s bezoek hadden zij nooit samen aan tafel gezeten, zonder dat hij een dronk wijdde aan haar liefsten hartewensch, vergezeld van zooveel beteekenende blikken, en zooveel knikjes en knipoogjes, dat hij de algemeene aandacht op haar vestigde. Ook de letter F. werd daarbij steeds druk besproken, en was de bron gebleken van zulk een onuitputtelijken voorraad grappen, dat Elinor geëindigd was met er voor goed de geestigste letter van het alphabet in te zien.

Zooals zij reeds vermoedde, werden de dames Steele bij voorkeur op de bewuste aardigheden vergast, en zij wekten in de oudste een nieuwsgierig verlangen om den naam te vernemen van den heer, op wien hier gezinspeeld werd, een verlangen, dat, brutaal aan den dag gelegd, volkomen strookte met haar algemeene indringende onbescheidenheid in het uitvorschen van hun familieaangelegenheden. Maar Sir John had niet lang pleizier in het prikkelen der door hemzelf gewekte nieuwsgierigheid; want hij vond minstens evenveel behagen in het noemen van den bewusten naam, als Juffrouw Steele in het vernemen ervan. “Zijn naam is Ferrars,” zei hij, duidelijk verstaanbaar fluisterend; “maar vertel het vooral niet verder, want het is een groot geheim.”

“Ferrars!” herhaalde Juffrouw Steele; “is mijnheer Ferrars de gelukkige? Wel, wel, de broer van uw schoonzuster, Juffrouw Dashwood? nu, datis een aardig jongmensch; ik ken hem heel goed.”

“Hoe kan je nu zooiets zeggen, Anne?” riep Lucy, die geregeld haar zuster’s opmerkingen te verbeteren placht. “Al hebben we hem nu een paar maal bij onzen oom aan huis ontmoet, daarom behoef je nog niet te zeggen, dat we hem heel goed kennen.”

Elinor hoorde alles oplettend en zeer verwonderd aan. Wie was die oom? waar woonde hij? hoe hadden zij elkander leeren kennen? Zij wenschte van harte dat het gesprek over dit onderwerp mocht worden voortgezet, al verkoos zij niet, zich erin te mengen; maar er werd niet verder over gesproken, en voor het eerst in haar leven vond zij Mevrouw Jennings niet nieuwsgierig genoeg naar onbeduidende nieuwtjes, noch voldoende bereidvaardig tot het mededeelen ervan. De manier waarop Juffrouw Steele van Edward had gesproken vermeerderde haar nieuwsgierigheid; zij meende er iets onwelwillends in te bespeuren, dat het vermoeden wekte, als zou de spreekster iets ten nadeele van hem weten, of zich verbeelden te weten. Doch haar nieuwsgierigheid bleef onvoldaan; want Juffrouw Steele liet den naam Ferrars verder onopgemerkt voorbijgaan, ook toen Sir John er nogmaals op zinspeelde en dien zelfs openlijk uitsprak.

Hoofdstuk XXIIMarianne, die nooit veel verdraagzaamheid toonde tegenover iets, dat maar op lompheid, grofheid, gebrek aan geestesgaven, of zelfs op eenige afwijking van haar eigen smaak geleek, was juist nu, in háár gemoedstoestand, bijzonder ongeneigd om in de dames Steele behagen te scheppen, of hun tegemoetkomende houding door de hare aan te moedigen; en aan haar onveranderlijke koelheid jegens hen, die elke poging tot vertrouwelijkheid van hunne zijde terugwees, schreef Elinor hoofdzakelijk de voorkeur voor haarzelve toe, die al spoedig ten duidelijkste bleek uit beider gedrag; het meest nog uit dat van Lucy, die geen gelegenheid liet voorbijgaan om een gesprek met haar aan te knoopen, of pogingen te doen tot toenadering door vrijmoedige en openhartige mededeeling van hare gevoelens.Lucy was van nature schrander; haar opmerkingen waren dikwijls juist en vermakelijk, en als gezelschap voor een half uurtje vond Elinor haar soms niet onaangenaam; doch haar vermogens waren niet ontwikkeld door opvoeding; zij was onwetend, had niets gelezen, en haar gemis van alle geestelijke vorming, haar onkunde in de meest alledaagsche zaken konden niet voor Elinor verborgen blijven, ondanks Lucy’s onvermoeide pogingen om zich van haar beste zijde te laten kennen. Elinor zag, en beklaagde in haar de verwaarloozing van gaven, die onder zorgvuldige leiding achting hadden kunnen verwerven; doch zij zag tevens, met vrij wat minder hartelijk medegevoel, het volslagen gebrek aan kieschheid, aan rechtschapenheid, aan fiere zuiverheid van inborst, dat sprakuit al haar beleefdheden, haar opdringende dienstvaardigheid, haar vleierij te Barton Park, en zij kon geen duurzame voldoening vinden in het samenzijn met iemand, die onoprechtheid paarde aan onkunde, wier gebrek aan ontwikkeling elk onderhoud op een voet van gelijkheid onmogelijk maakte, en wier gedrag jegens anderen ieder vertoon van belangstelling of eerbied tegenover haarzelve volkomen waardeloos deed schijnen.“U zult het misschien een vreemde vraag vinden,” zei Lucy, toen zij op zekeren dag samen van het Park naar Barton Cottage wandelden,—“maar kent u persoonlijk uw schoonzuster’s mama, Mevrouw Ferrars?”Elinorvonddie vraag zeer vreemd, en de uitdrukking van haar gelaat gaf dit duidelijk te kennen, terwijl zij antwoordde, dat zij Mevrouw Ferrars nooit had ontmoet.“Och kom,” zei Lucy; “dat verwondert mij; ik dacht, dat u haar te Norland wel eens zoudt hebben gesproken. Dan kunt u mij zeker ook niet zeggen, wat voor een soort van vrouw zij eigenlijk is?”“Neen,” antwoordde Elinor, voorzichtig in het uiten van haar werkelijke meening omtrent Edward’s moeder, en niet verlangend te bevredigen wat haar onbescheiden nieuwsgierigheid scheen: “ik weet niets van haar af.”“Ik begrijp wel, dat u het heel raar van mij vindt, zoo naar haar te vragen,” zei Lucy, terwijl zij Elinor onder het spreken oplettend aanzag; “maar er zouden redenen kunnen zijn... ik wilde dat ik durfde wagen... In elk geval, hoop ik toch, dat u, mij niet ten onrechte van grove onbescheidenheid zult beschuldigen.”Elinor gaf een beleefd antwoord, en zij wandelden een paar minuten zwijgend verder. Dat zwijgen werd verbroken door Lucy, die het onderwerp hervatte door ietwat aarzelend te zeggen:“Ik kan niet hebben, dat u mij van ongepastenieuwsgierigheid verdenkt; ik zou liever ik weet niet wat doen, dan zóó beschouwd te worden door iemand, wier goede meening mij zooveel waard is als de uwe! En ik weet stellig, dat ik in ’t minst niet bang zou zijn omute vertrouwen; ik zou juist heel blij zijn, als u mij kondt raden, hoe te handelen, in mijn moeilijke omstandigheden; maar het isnuniet noodig, om u lastig te vallen. Het spijt mij, dat u Mevrouw Ferrars niet kent.”“Mij spijt het ook, dat dit het geval is,” zei Elinor zeer verbaasd, “temeer als het vooruvan eenig belang kon zijn, mijn meening over haar te vernemen. Maar om u de waarheid te zeggen, ik had nooit begrepen, dat u, hoe dan ook, in aanraking waart geweest met de familie, en daarom moet ik bekennen dat ik wel eenigszins verwonderd ben over uw ernstige navraag omtrent haar karakter.”“Dat wil ik graag gelooven, enmijverwondert dat volstrekt niet. Maar als ik u alles mocht vertellen, dan zoudt u het niet meer zoo vreemd vinden. Op het oogenblik is Mevrouw Ferrars voor mij een totaal onbekende; maar er kàn een tijd komen—hoe spoedig dat zal zijn, hangt van haarzelve af—dat wij in zeer nauwe betrekking tot elkaar komen te staan.”Zij sloeg terwijl ze sprak de oogen neer, met beminnelijke verlegenheid, doch niet zonder één zijdelingschen blik naar haar gezellin, om de uitwerking van het gezegde bij deze waar te nemen.“Maar wat bedoelt u toch?” riep Elinor. “Kent u Mijnheer Robert Ferrars dan? Is het mogelijk dat u met hèm...?” En zij verheugde zich allesbehalve bij het denkbeeld zulk een schoonzuster te krijgen.“Neen,” zei Lucy, “niet met mijnheerRobertFerrars,—hèm heb ik nooit in mijn leven gezien, maar,”—en zij zag Elinor strak aan,—“met zijn ouderen broeder.”Wat gevoelde Elinor op dat oogenblik? Een verbazing, die even pijnlijk zou zijn geweest, als zij sterk was, zo zij niet onmiddellijk ware vergezeld gegaan van een volslagen ongeloof in die verzekering. Zij wendde zich tot Lucy, zwijgend en verwonderd, niet bij machte de reden of het doel van die verklaring te gissen; en hoewel zij eerst bloosde en daarna bleek werd, schonk haar ongeloovigheid haar kracht, en zij was niet bang, dat haar zenuwen haar parten zouden spelen, of dat zij flauw zou vallen.“Geen wonder dat u verbaasd staat,” ging Lucy voort; “want natuurlijk hadt u er niet het flauwste vermoeden van; hij zal er wel geen woord over hebben losgelaten tegen u of uw familie; want het moest altijd een diep geheim blijven en ik weet wel, dat ik het tot nu toe ook trouw heb bewaard. Niemand van mijn familie weet het, behalve Anne, en ik zou het u nooit hebben verteld, als ik niet zóó zeker was geweest, dat ik mij op uw stilzwijgen kon verlaten; ik vond alleen, dat mijn vele vragen naar Mevrouw Ferrars zulk een vreemden indruk op u moesten maken, en het was noodig dat ik u mijn gedrag verklaarde. Ik geloof niet, dat Mijnheer Ferrars boos zal kunnen zijn, als hij hoort, dat ik u in vertrouwen heb genomen; want ik weet, dat hij uw geheele familie bijzonder hoog stelt, en u en de beide andere dames Dashwood beschouwt als zijn eigen zusters.”—Hierna zweeg zij, en ook Elinor bleef een oogenblik stil. Haar verbazing over hetgeen zij hoorde was eerst te groot om zich in woorden te uiten; maar ten slotte zeide zij, zich dwingend tot spreken, en voorzichtig spreken, met een kalmte, die tamelijk wel haar verrassing en angst verborg: “Mag ik vragen of uwe verloving reeds lang geleden heeft plaats gehad?”“We zijn al vier jaar geëngageerd.”“Vier jaar?”“Ja.”Hoe ontdaan zij zich ook voelde, Elinor kon het nòg niet gelooven.“Ik wist niet eens,” zei ze, “dat u hem kende, eer ik het onlangs gewaar werd.”“En toch kennen we elkaar al sedert jaren. Hij is een tijdlang bij mijn oom in huis geweest, weet u.”“Uw oom?”“Ja, Mijnheer Pratt. Hebt u hem nooit hooren spreken van Mijnheer Pratt?”“O ja, nu herinner ik het mij,” zei Elinor, met een inspanning van haar geheugen, die haar zwaarder viel, naarmate haar ontroering toenam.“Hij is vier jaar onder de leiding geweest van mijn oom, die te Longstaple woont, dicht bij Plymouth. Dáár is onze kennismaking begonnen; want mijn zuster en ik logeerden dikwijls bij mijn oom, en daar zijn we geëngageerd geraakt; een jaar nadat hij van school was gegaan; maar hij kwam daarna nog geregeld bij ons. Ik was er niets op gesteld de verloving aan te gaan, buiten weten van zijn moeder en zonder haar goedkeuring; dat kunt u wel denken; maar ik was te jong en ik hield te veel van hem, om zoo voorzichtig te zijn als ik eigenlijk moest. Al kent u hem niet zóó goed als ik, Juffrouw Dashwood, u hebt lang genoeg met hem omgegaan om te begrijpen, dat hij juist de man is, om de oprechte genegenheid eener vrouw te winnen.”“Zeker,” antwoordde Elinor, zonder te weten wat zij zeide; doch na een oogenblik nadenken liet zij erop volgen, stelliger dan ooit overtuigd van Edward’s waarheidsliefde en zijn genegenheid, tegenover de valschheid van dit meisje: “Geëngageerd met mijnheer Edward Ferrars,—ik moet bekennen, wat u mij daar vertelt verrast zij zóózeer, dat... werkelijk, neemt u ’t me niet kwalijk, maar er is stellig een vergissing in ’t spel, een naams- of persoonsverwisseling. Wij kunnen niet denzelfden heer Ferrars bedoelen.”“We bedoelen geen ander dan hem,” riep Lucy glimlachend. “Mijnheer Edward Ferrars, de oudste zoon van den Heer Ferrars van Park Street; en de broer van uw schoonzuster, Mevrouw John Dashwood, is de persoon, dien ik op het oog heb; u zult wel willen toegeven, datikmij wel niet zal kunnen vergissen in den naam van den man, van wien mijn geheele geluk afhankelijk is.”“’t Is wel vreemd,” zei Elinor, met een gevoel van pijnlijke verwarring, “dat ik hem nooit zelfs uw naam heb hooren noemen.”“Neen; als men de omstandigheden in aanmerking neemt, was dat volstrekt zoo vreemd niet. Vóór alles moesten we zorgen de zaak geheim te houden. U wist van mij of mijn familie niets af; daarom was er nooit eenigeaanleidingom mijn naam te noemen, en daar hij altijd erg bang was, dat zijn zuster er iets van zou vermoeden, wasdatop zich zelf al reden genoeg om dat niet te doen.” Weer zweeg zij.—Elinor’s zekerheid begon haar te begeven maar haar zelfbeheersching begaf haar niet.“U bent dus vier jaar al verloofd geweest,” zei ze met vaste stem.“Ja, en de hemel weet, hoeveel langer we nog zullen moeten wachten. Arme Edward; hij wordt er moedeloos onder.” Terwijl ze een klein miniatuurportret uit haar zak haalde, voegde zij erbij: “Als u zoo goed wilt zijn, dit portret eens te bekijken, dan zult u zien dat van een vergissing geen sprake kan zijn. Hij ziet er werkelijk knapper uit dan hier, vind ik; maar u kunt duidelijk genoeg zien, wien het moet voorstellen. Ik heb het al drie jaar in mijn bezit.”Terwijl ze sprak, gaf ze Elinor het portretje in handen, en toen deze het had bekeken, kon zij, hoezeer ook haar vrees voor een overhaaste gevolgtrekking en haar wensch om bedrog te ontdekken haar noopten tot het laatste toe in haar geest eenplaats voor twijfel in te ruimen, niet langer betwijfelen, dat zij Edward’s gezicht voor zich zag. Zij gaf het oogenblikkelijk terug,terwijl zij de gelijkenis erkende.“Ik heb hem nooit mijn portret ervoor in ruil kunnen geven,” ging Lucy voort, “en dat spijt mij geducht; want hij was er altijd zoo op gesteld het te hebben. Maar ik ben van plan het te laten maken, zoodra de gelegenheid zich voordoet.”“Daar hebt u gelijk in,” antwoordde Elinor bedaard. Zij liepen een poosje zwijgend verder. Lucy was de eerste die sprak.“Ik twijfel er hoegenaamd niet aan,” zei ze, “of u zult dit geheim trouw bewaren; omdat u wel zult begrijpen van hoeveel belang het voor ons is, dat het zijn moeder niet ter oore komt; want zij zou het stellig wel niet goedkeuren. Ik heb geen geld te wachten, en ik geloof dat zij verschrikkelijk trotsch is.”“Het is zeker waar, dat ik uw vertrouwen niet gezocht heb,” zeide Elinor; “maar u verwacht niet te veel van mij,wanneer u meent u op mij te kunnen verlaten. Uw geheim is bij mij veilig; maar vergeef mij, zoo ik eenige verwondering waag te uiten over de onnoodigheid van deze mededeeling. U moet toch althans gevoeld hebben, dat mijne bekendheid ermede niet kon bijdragen tot de veiligheid van dat geheim.”Zij zag Lucy ernstig aan, terwijl zij dit zeide, in de hoop nog iets te ontdekken in de uitdrukking van haar gelaat,—misschien de onwaarheid van het meeste dat zij tot nu toe gezegd had; maar op Lucy’s gezicht vertoonde zich geen verandering.“Ik was al bang,”zei ze, “dat u het nogal vrijpostig van mij zou vinden, dat ik u dit alles vertelde. ’t Is waar, ik ken u nog niet lang, persoonlijk ten minste, maar uit beschrijvingen heb ik u en uw familie al héél lang gekend, en zoodra ik u zag, kreeg ik bijna ’t gevoel alsof wij oude vrienden waren. Enbovendien, in dit geval vond ik werkelijk, dat ik verplicht was, u eenige uitlegging te geven, nadat ik u zoo had uitgevraagd over Edward’s moeder, en het is zoo ellendig, dat ik niemand heb, wie ik om raad kan vragen. Anne is de eenige, die er van afweet, en die weet niet wat ze zeggen of zwijgen moet; ze doet mij meer kwaad dan goed trouwens, want ik ben altijd bang dat ze alles verraden zal. Ze kàn haar tong niet in bedwang houden; dat hebt u wel gemerkt, en verleden was ik doodsbang, toen ze Sir John Edward’s naam noemde, dat ze alles in eens zou uitflappen. U kunt u niet voorstellen wat ik er al niet door moet uitstaan, op allerlei manieren. Soms begrijp ik niet dat ik nog leef, na al wat ik in de laatste vier jaar om Edward’s wil heb moeten lijden. Altijd hangen en verlangen, en die onzekerheid, en dat we elkaar zoo zelden zien,—niet meer dan een paar maal in ’t jaar kunnen we elkaar ontmoeten. ’t Verwondert mij soms werkelijk, dat mijn hart niet gebroken is.” Zij haalde haar zakdoek voor den dag; maar Elinor voelde zich niet juist bewogen tot medelijden, “Soms,” ging Lucy voort, nadat ze haar oogen had afgedroogd, “soms denk ik wel eens, of ’t niet beter zou zijn voor ons allebei, als we de verloving maar verbraken.” Terwijl ze dit zeide, zag ze Elinor recht in de oogen. “Maar dàn weer heb ik geen moed, ertoe te besluiten. Ik kan de gedachte niet verdragen, hem zoo ongelukkig te maken als ik weet dat hij zijn zou, wanneer ik daarover begon. En ook voor mijzelf—terwijl ik hem zoo liefheb—ik geloof niet dat ik er den moed toe zou hebben. Wat zoudt u mij raden te doen in dit geval, Juffrouw Dashwood? Wat zoudt u zelf doen?”“Neemt u mij niet kwalijk,” zei Elinor, verschrikt door die vraag, “maar ik kan u in deze omstandigheden geen raad geven. Dat moet overgelaten blijven aan uw eigen inzicht.”“’t Spreekt van zelf,” ging Lucy voort, na eenpaar minuten waarin beiden hadden gezwegen, “dat zijn moeder op den langen duur toch voor hem zal moeten zorgen op de eene of andere manier; maar die arme Edward ziet alles zoo somber in! Vondt u hem niet vreeselijk neerslachtig toen hij te Barton was? Hij voelde zich zoo ellendig toen hij uit Longstaple wegging, om naar u toe te gaan, ik was bang dat u meenen zou, dat hij bepaald ziek was.”“Kwam hij dan van uw oom, toen hij ons een bezoek bracht?”“Ja, hij had veertien dagen bij ons gelogeerd. Dacht u dan, dat hij rechtstreeks uit Londen kwam?”“Neen” antwoordde Elinor, pijnlijk gevoelig voor elke nieuwe bijzonderheid, die sprak ten gunste van Lucy’s waarheidsliefde. “Ik herinner mij nu, hoe hij ons vertelde, dat hij veertien dagen bij kennissen te Plymouth had doorgebracht.” Zij herinnerde zich tevens, hoe vreemd zij het toen gevonden had, dat hij zich niets meer omtrent die kennissen had laten ontvallen, dat hij zelfs omtrent hun naam een volstrekt stilzwijgen had bewaard.“Vondt u hem niet treurig terneergeslagen?” herhaalde Lucy.“O ja, zeker; vooral toen hij pas bij ons was.”“Ik drong erop aan, dat hij zich ertegen zou verzetten, uit vrees dat u zoudt vermoeden hoe de zaak stond; maar het maakte hem zoo melancholiek, dat hij niet meer dan veertien dagen bij ons kon blijven, en dat hij mijn verdriet ook moest aanzien. Arme jongen!—ik vrees dat het nog altijd hetzelfde met hem is; want hij schrijft zoo gedrukt. Even voor ik uit Exeter vertrok, kreeg ik nog een brief van hem;” hierbij haalde zij een brief uit haar zak en liet Elinor vluchtig het adres zien. “U kent natuurlijk zijn handschrift; ’t is een mooie hand; maar dit is niet zoo goed geschreven als gewoonlijk. Hij was stellig moe, want hij had juist een groot vel aan mij zoo dicht mogelijk volgeschreven.”Elinor zag, dat het zijn handwas, en zij kon niet langer twijfelen. Het portret, zoo had zij zichzelve nog vergund te gelooven, kon door toeval in Lucy’s bezit zijn geraakt; het behoefde haar niet door Edward te zijn geschonken; maar een briefwisseling tusschen hen kon alleen plaats hebben, wanneer zij feitelijk verloofd waren, kon door niets anders worden gewettigd;—bijna begaf haar een oogenblik alle kracht; haar hart ontzonk haar, en zij kon ternauwernood staande blijven; doch het was dringend noodig dat zij zich vermande, en zóó vastberaden verzette zij zich tegen den beklemmenden druk van haar gevoelens, dat zij spoedig, en voorloopig volkomen, zichzelve meester bleef.“Dat we elkaar kunnen schrijven,” zei Lucy, den brief weer in haar zak stekend, “is onze eenige troost, wanneer we zoo lang gescheiden moeten zijn. Ja,ikvind dan nog bovendien troost in zijn portret; maar die arme Edward bezit dàt zelfs niet. Als hij mijn portret maar had, zegt hij, dan zou hij zich beter kunnen schikken. Toen hij laatst te Longstaple was, heb ik hem een lok van mijn haar gegeven, in een ring gevat, en dat troostte hem wel een weinig, zei hij; maar het stond toch niet gelijk met een portret. Misschien hebt u wel op dien ring gelet, toen hij bij u was?”“Ja, die is mij opgevallen,” zei Elinor;en de bedaarde klank van haar stem verborg een gemoedsbeweging, een radelooze smart, heviger dan zij ooit te voren gevoeld had. Zij was verpletterd; ontdaan; zij begreepnietsmeer. Gelukkig voor haar waren zij nu aan hun huis gekomen, en het gesprek kon niet verder worden voortgezet. Nadat de dames Steele nog een poosje bij hen gebleven waren, keerden zij naar het Park terug, en nu eerst stond het Elinor vrij, na te denken en zich diep bedroefd te gevoelen.

Marianne, die nooit veel verdraagzaamheid toonde tegenover iets, dat maar op lompheid, grofheid, gebrek aan geestesgaven, of zelfs op eenige afwijking van haar eigen smaak geleek, was juist nu, in háár gemoedstoestand, bijzonder ongeneigd om in de dames Steele behagen te scheppen, of hun tegemoetkomende houding door de hare aan te moedigen; en aan haar onveranderlijke koelheid jegens hen, die elke poging tot vertrouwelijkheid van hunne zijde terugwees, schreef Elinor hoofdzakelijk de voorkeur voor haarzelve toe, die al spoedig ten duidelijkste bleek uit beider gedrag; het meest nog uit dat van Lucy, die geen gelegenheid liet voorbijgaan om een gesprek met haar aan te knoopen, of pogingen te doen tot toenadering door vrijmoedige en openhartige mededeeling van hare gevoelens.

Lucy was van nature schrander; haar opmerkingen waren dikwijls juist en vermakelijk, en als gezelschap voor een half uurtje vond Elinor haar soms niet onaangenaam; doch haar vermogens waren niet ontwikkeld door opvoeding; zij was onwetend, had niets gelezen, en haar gemis van alle geestelijke vorming, haar onkunde in de meest alledaagsche zaken konden niet voor Elinor verborgen blijven, ondanks Lucy’s onvermoeide pogingen om zich van haar beste zijde te laten kennen. Elinor zag, en beklaagde in haar de verwaarloozing van gaven, die onder zorgvuldige leiding achting hadden kunnen verwerven; doch zij zag tevens, met vrij wat minder hartelijk medegevoel, het volslagen gebrek aan kieschheid, aan rechtschapenheid, aan fiere zuiverheid van inborst, dat sprakuit al haar beleefdheden, haar opdringende dienstvaardigheid, haar vleierij te Barton Park, en zij kon geen duurzame voldoening vinden in het samenzijn met iemand, die onoprechtheid paarde aan onkunde, wier gebrek aan ontwikkeling elk onderhoud op een voet van gelijkheid onmogelijk maakte, en wier gedrag jegens anderen ieder vertoon van belangstelling of eerbied tegenover haarzelve volkomen waardeloos deed schijnen.

“U zult het misschien een vreemde vraag vinden,” zei Lucy, toen zij op zekeren dag samen van het Park naar Barton Cottage wandelden,—“maar kent u persoonlijk uw schoonzuster’s mama, Mevrouw Ferrars?”

Elinorvonddie vraag zeer vreemd, en de uitdrukking van haar gelaat gaf dit duidelijk te kennen, terwijl zij antwoordde, dat zij Mevrouw Ferrars nooit had ontmoet.

“Och kom,” zei Lucy; “dat verwondert mij; ik dacht, dat u haar te Norland wel eens zoudt hebben gesproken. Dan kunt u mij zeker ook niet zeggen, wat voor een soort van vrouw zij eigenlijk is?”

“Neen,” antwoordde Elinor, voorzichtig in het uiten van haar werkelijke meening omtrent Edward’s moeder, en niet verlangend te bevredigen wat haar onbescheiden nieuwsgierigheid scheen: “ik weet niets van haar af.”

“Ik begrijp wel, dat u het heel raar van mij vindt, zoo naar haar te vragen,” zei Lucy, terwijl zij Elinor onder het spreken oplettend aanzag; “maar er zouden redenen kunnen zijn... ik wilde dat ik durfde wagen... In elk geval, hoop ik toch, dat u, mij niet ten onrechte van grove onbescheidenheid zult beschuldigen.”

Elinor gaf een beleefd antwoord, en zij wandelden een paar minuten zwijgend verder. Dat zwijgen werd verbroken door Lucy, die het onderwerp hervatte door ietwat aarzelend te zeggen:

“Ik kan niet hebben, dat u mij van ongepastenieuwsgierigheid verdenkt; ik zou liever ik weet niet wat doen, dan zóó beschouwd te worden door iemand, wier goede meening mij zooveel waard is als de uwe! En ik weet stellig, dat ik in ’t minst niet bang zou zijn omute vertrouwen; ik zou juist heel blij zijn, als u mij kondt raden, hoe te handelen, in mijn moeilijke omstandigheden; maar het isnuniet noodig, om u lastig te vallen. Het spijt mij, dat u Mevrouw Ferrars niet kent.”

“Mij spijt het ook, dat dit het geval is,” zei Elinor zeer verbaasd, “temeer als het vooruvan eenig belang kon zijn, mijn meening over haar te vernemen. Maar om u de waarheid te zeggen, ik had nooit begrepen, dat u, hoe dan ook, in aanraking waart geweest met de familie, en daarom moet ik bekennen dat ik wel eenigszins verwonderd ben over uw ernstige navraag omtrent haar karakter.”

“Dat wil ik graag gelooven, enmijverwondert dat volstrekt niet. Maar als ik u alles mocht vertellen, dan zoudt u het niet meer zoo vreemd vinden. Op het oogenblik is Mevrouw Ferrars voor mij een totaal onbekende; maar er kàn een tijd komen—hoe spoedig dat zal zijn, hangt van haarzelve af—dat wij in zeer nauwe betrekking tot elkaar komen te staan.”

Zij sloeg terwijl ze sprak de oogen neer, met beminnelijke verlegenheid, doch niet zonder één zijdelingschen blik naar haar gezellin, om de uitwerking van het gezegde bij deze waar te nemen.

“Maar wat bedoelt u toch?” riep Elinor. “Kent u Mijnheer Robert Ferrars dan? Is het mogelijk dat u met hèm...?” En zij verheugde zich allesbehalve bij het denkbeeld zulk een schoonzuster te krijgen.

“Neen,” zei Lucy, “niet met mijnheerRobertFerrars,—hèm heb ik nooit in mijn leven gezien, maar,”—en zij zag Elinor strak aan,—“met zijn ouderen broeder.”

Wat gevoelde Elinor op dat oogenblik? Een verbazing, die even pijnlijk zou zijn geweest, als zij sterk was, zo zij niet onmiddellijk ware vergezeld gegaan van een volslagen ongeloof in die verzekering. Zij wendde zich tot Lucy, zwijgend en verwonderd, niet bij machte de reden of het doel van die verklaring te gissen; en hoewel zij eerst bloosde en daarna bleek werd, schonk haar ongeloovigheid haar kracht, en zij was niet bang, dat haar zenuwen haar parten zouden spelen, of dat zij flauw zou vallen.

“Geen wonder dat u verbaasd staat,” ging Lucy voort; “want natuurlijk hadt u er niet het flauwste vermoeden van; hij zal er wel geen woord over hebben losgelaten tegen u of uw familie; want het moest altijd een diep geheim blijven en ik weet wel, dat ik het tot nu toe ook trouw heb bewaard. Niemand van mijn familie weet het, behalve Anne, en ik zou het u nooit hebben verteld, als ik niet zóó zeker was geweest, dat ik mij op uw stilzwijgen kon verlaten; ik vond alleen, dat mijn vele vragen naar Mevrouw Ferrars zulk een vreemden indruk op u moesten maken, en het was noodig dat ik u mijn gedrag verklaarde. Ik geloof niet, dat Mijnheer Ferrars boos zal kunnen zijn, als hij hoort, dat ik u in vertrouwen heb genomen; want ik weet, dat hij uw geheele familie bijzonder hoog stelt, en u en de beide andere dames Dashwood beschouwt als zijn eigen zusters.”—

Hierna zweeg zij, en ook Elinor bleef een oogenblik stil. Haar verbazing over hetgeen zij hoorde was eerst te groot om zich in woorden te uiten; maar ten slotte zeide zij, zich dwingend tot spreken, en voorzichtig spreken, met een kalmte, die tamelijk wel haar verrassing en angst verborg: “Mag ik vragen of uwe verloving reeds lang geleden heeft plaats gehad?”

“We zijn al vier jaar geëngageerd.”

“Vier jaar?”

“Ja.”

Hoe ontdaan zij zich ook voelde, Elinor kon het nòg niet gelooven.

“Ik wist niet eens,” zei ze, “dat u hem kende, eer ik het onlangs gewaar werd.”

“En toch kennen we elkaar al sedert jaren. Hij is een tijdlang bij mijn oom in huis geweest, weet u.”

“Uw oom?”

“Ja, Mijnheer Pratt. Hebt u hem nooit hooren spreken van Mijnheer Pratt?”

“O ja, nu herinner ik het mij,” zei Elinor, met een inspanning van haar geheugen, die haar zwaarder viel, naarmate haar ontroering toenam.

“Hij is vier jaar onder de leiding geweest van mijn oom, die te Longstaple woont, dicht bij Plymouth. Dáár is onze kennismaking begonnen; want mijn zuster en ik logeerden dikwijls bij mijn oom, en daar zijn we geëngageerd geraakt; een jaar nadat hij van school was gegaan; maar hij kwam daarna nog geregeld bij ons. Ik was er niets op gesteld de verloving aan te gaan, buiten weten van zijn moeder en zonder haar goedkeuring; dat kunt u wel denken; maar ik was te jong en ik hield te veel van hem, om zoo voorzichtig te zijn als ik eigenlijk moest. Al kent u hem niet zóó goed als ik, Juffrouw Dashwood, u hebt lang genoeg met hem omgegaan om te begrijpen, dat hij juist de man is, om de oprechte genegenheid eener vrouw te winnen.”

“Zeker,” antwoordde Elinor, zonder te weten wat zij zeide; doch na een oogenblik nadenken liet zij erop volgen, stelliger dan ooit overtuigd van Edward’s waarheidsliefde en zijn genegenheid, tegenover de valschheid van dit meisje: “Geëngageerd met mijnheer Edward Ferrars,—ik moet bekennen, wat u mij daar vertelt verrast zij zóózeer, dat... werkelijk, neemt u ’t me niet kwalijk, maar er is stellig een vergissing in ’t spel, een naams- of persoonsverwisseling. Wij kunnen niet denzelfden heer Ferrars bedoelen.”

“We bedoelen geen ander dan hem,” riep Lucy glimlachend. “Mijnheer Edward Ferrars, de oudste zoon van den Heer Ferrars van Park Street; en de broer van uw schoonzuster, Mevrouw John Dashwood, is de persoon, dien ik op het oog heb; u zult wel willen toegeven, datikmij wel niet zal kunnen vergissen in den naam van den man, van wien mijn geheele geluk afhankelijk is.”

“’t Is wel vreemd,” zei Elinor, met een gevoel van pijnlijke verwarring, “dat ik hem nooit zelfs uw naam heb hooren noemen.”

“Neen; als men de omstandigheden in aanmerking neemt, was dat volstrekt zoo vreemd niet. Vóór alles moesten we zorgen de zaak geheim te houden. U wist van mij of mijn familie niets af; daarom was er nooit eenigeaanleidingom mijn naam te noemen, en daar hij altijd erg bang was, dat zijn zuster er iets van zou vermoeden, wasdatop zich zelf al reden genoeg om dat niet te doen.” Weer zweeg zij.—Elinor’s zekerheid begon haar te begeven maar haar zelfbeheersching begaf haar niet.

“U bent dus vier jaar al verloofd geweest,” zei ze met vaste stem.

“Ja, en de hemel weet, hoeveel langer we nog zullen moeten wachten. Arme Edward; hij wordt er moedeloos onder.” Terwijl ze een klein miniatuurportret uit haar zak haalde, voegde zij erbij: “Als u zoo goed wilt zijn, dit portret eens te bekijken, dan zult u zien dat van een vergissing geen sprake kan zijn. Hij ziet er werkelijk knapper uit dan hier, vind ik; maar u kunt duidelijk genoeg zien, wien het moet voorstellen. Ik heb het al drie jaar in mijn bezit.”

Terwijl ze sprak, gaf ze Elinor het portretje in handen, en toen deze het had bekeken, kon zij, hoezeer ook haar vrees voor een overhaaste gevolgtrekking en haar wensch om bedrog te ontdekken haar noopten tot het laatste toe in haar geest eenplaats voor twijfel in te ruimen, niet langer betwijfelen, dat zij Edward’s gezicht voor zich zag. Zij gaf het oogenblikkelijk terug,terwijl zij de gelijkenis erkende.

“Ik heb hem nooit mijn portret ervoor in ruil kunnen geven,” ging Lucy voort, “en dat spijt mij geducht; want hij was er altijd zoo op gesteld het te hebben. Maar ik ben van plan het te laten maken, zoodra de gelegenheid zich voordoet.”

“Daar hebt u gelijk in,” antwoordde Elinor bedaard. Zij liepen een poosje zwijgend verder. Lucy was de eerste die sprak.

“Ik twijfel er hoegenaamd niet aan,” zei ze, “of u zult dit geheim trouw bewaren; omdat u wel zult begrijpen van hoeveel belang het voor ons is, dat het zijn moeder niet ter oore komt; want zij zou het stellig wel niet goedkeuren. Ik heb geen geld te wachten, en ik geloof dat zij verschrikkelijk trotsch is.”

“Het is zeker waar, dat ik uw vertrouwen niet gezocht heb,” zeide Elinor; “maar u verwacht niet te veel van mij,wanneer u meent u op mij te kunnen verlaten. Uw geheim is bij mij veilig; maar vergeef mij, zoo ik eenige verwondering waag te uiten over de onnoodigheid van deze mededeeling. U moet toch althans gevoeld hebben, dat mijne bekendheid ermede niet kon bijdragen tot de veiligheid van dat geheim.”

Zij zag Lucy ernstig aan, terwijl zij dit zeide, in de hoop nog iets te ontdekken in de uitdrukking van haar gelaat,—misschien de onwaarheid van het meeste dat zij tot nu toe gezegd had; maar op Lucy’s gezicht vertoonde zich geen verandering.

“Ik was al bang,”zei ze, “dat u het nogal vrijpostig van mij zou vinden, dat ik u dit alles vertelde. ’t Is waar, ik ken u nog niet lang, persoonlijk ten minste, maar uit beschrijvingen heb ik u en uw familie al héél lang gekend, en zoodra ik u zag, kreeg ik bijna ’t gevoel alsof wij oude vrienden waren. Enbovendien, in dit geval vond ik werkelijk, dat ik verplicht was, u eenige uitlegging te geven, nadat ik u zoo had uitgevraagd over Edward’s moeder, en het is zoo ellendig, dat ik niemand heb, wie ik om raad kan vragen. Anne is de eenige, die er van afweet, en die weet niet wat ze zeggen of zwijgen moet; ze doet mij meer kwaad dan goed trouwens, want ik ben altijd bang dat ze alles verraden zal. Ze kàn haar tong niet in bedwang houden; dat hebt u wel gemerkt, en verleden was ik doodsbang, toen ze Sir John Edward’s naam noemde, dat ze alles in eens zou uitflappen. U kunt u niet voorstellen wat ik er al niet door moet uitstaan, op allerlei manieren. Soms begrijp ik niet dat ik nog leef, na al wat ik in de laatste vier jaar om Edward’s wil heb moeten lijden. Altijd hangen en verlangen, en die onzekerheid, en dat we elkaar zoo zelden zien,—niet meer dan een paar maal in ’t jaar kunnen we elkaar ontmoeten. ’t Verwondert mij soms werkelijk, dat mijn hart niet gebroken is.” Zij haalde haar zakdoek voor den dag; maar Elinor voelde zich niet juist bewogen tot medelijden, “Soms,” ging Lucy voort, nadat ze haar oogen had afgedroogd, “soms denk ik wel eens, of ’t niet beter zou zijn voor ons allebei, als we de verloving maar verbraken.” Terwijl ze dit zeide, zag ze Elinor recht in de oogen. “Maar dàn weer heb ik geen moed, ertoe te besluiten. Ik kan de gedachte niet verdragen, hem zoo ongelukkig te maken als ik weet dat hij zijn zou, wanneer ik daarover begon. En ook voor mijzelf—terwijl ik hem zoo liefheb—ik geloof niet dat ik er den moed toe zou hebben. Wat zoudt u mij raden te doen in dit geval, Juffrouw Dashwood? Wat zoudt u zelf doen?”

“Neemt u mij niet kwalijk,” zei Elinor, verschrikt door die vraag, “maar ik kan u in deze omstandigheden geen raad geven. Dat moet overgelaten blijven aan uw eigen inzicht.”

“’t Spreekt van zelf,” ging Lucy voort, na eenpaar minuten waarin beiden hadden gezwegen, “dat zijn moeder op den langen duur toch voor hem zal moeten zorgen op de eene of andere manier; maar die arme Edward ziet alles zoo somber in! Vondt u hem niet vreeselijk neerslachtig toen hij te Barton was? Hij voelde zich zoo ellendig toen hij uit Longstaple wegging, om naar u toe te gaan, ik was bang dat u meenen zou, dat hij bepaald ziek was.”

“Kwam hij dan van uw oom, toen hij ons een bezoek bracht?”

“Ja, hij had veertien dagen bij ons gelogeerd. Dacht u dan, dat hij rechtstreeks uit Londen kwam?”

“Neen” antwoordde Elinor, pijnlijk gevoelig voor elke nieuwe bijzonderheid, die sprak ten gunste van Lucy’s waarheidsliefde. “Ik herinner mij nu, hoe hij ons vertelde, dat hij veertien dagen bij kennissen te Plymouth had doorgebracht.” Zij herinnerde zich tevens, hoe vreemd zij het toen gevonden had, dat hij zich niets meer omtrent die kennissen had laten ontvallen, dat hij zelfs omtrent hun naam een volstrekt stilzwijgen had bewaard.

“Vondt u hem niet treurig terneergeslagen?” herhaalde Lucy.

“O ja, zeker; vooral toen hij pas bij ons was.”

“Ik drong erop aan, dat hij zich ertegen zou verzetten, uit vrees dat u zoudt vermoeden hoe de zaak stond; maar het maakte hem zoo melancholiek, dat hij niet meer dan veertien dagen bij ons kon blijven, en dat hij mijn verdriet ook moest aanzien. Arme jongen!—ik vrees dat het nog altijd hetzelfde met hem is; want hij schrijft zoo gedrukt. Even voor ik uit Exeter vertrok, kreeg ik nog een brief van hem;” hierbij haalde zij een brief uit haar zak en liet Elinor vluchtig het adres zien. “U kent natuurlijk zijn handschrift; ’t is een mooie hand; maar dit is niet zoo goed geschreven als gewoonlijk. Hij was stellig moe, want hij had juist een groot vel aan mij zoo dicht mogelijk volgeschreven.”

Elinor zag, dat het zijn handwas, en zij kon niet langer twijfelen. Het portret, zoo had zij zichzelve nog vergund te gelooven, kon door toeval in Lucy’s bezit zijn geraakt; het behoefde haar niet door Edward te zijn geschonken; maar een briefwisseling tusschen hen kon alleen plaats hebben, wanneer zij feitelijk verloofd waren, kon door niets anders worden gewettigd;—bijna begaf haar een oogenblik alle kracht; haar hart ontzonk haar, en zij kon ternauwernood staande blijven; doch het was dringend noodig dat zij zich vermande, en zóó vastberaden verzette zij zich tegen den beklemmenden druk van haar gevoelens, dat zij spoedig, en voorloopig volkomen, zichzelve meester bleef.

“Dat we elkaar kunnen schrijven,” zei Lucy, den brief weer in haar zak stekend, “is onze eenige troost, wanneer we zoo lang gescheiden moeten zijn. Ja,ikvind dan nog bovendien troost in zijn portret; maar die arme Edward bezit dàt zelfs niet. Als hij mijn portret maar had, zegt hij, dan zou hij zich beter kunnen schikken. Toen hij laatst te Longstaple was, heb ik hem een lok van mijn haar gegeven, in een ring gevat, en dat troostte hem wel een weinig, zei hij; maar het stond toch niet gelijk met een portret. Misschien hebt u wel op dien ring gelet, toen hij bij u was?”

“Ja, die is mij opgevallen,” zei Elinor;en de bedaarde klank van haar stem verborg een gemoedsbeweging, een radelooze smart, heviger dan zij ooit te voren gevoeld had. Zij was verpletterd; ontdaan; zij begreepnietsmeer. Gelukkig voor haar waren zij nu aan hun huis gekomen, en het gesprek kon niet verder worden voortgezet. Nadat de dames Steele nog een poosje bij hen gebleven waren, keerden zij naar het Park terug, en nu eerst stond het Elinor vrij, na te denken en zich diep bedroefd te gevoelen.


Back to IndexNext