Hoofdstuk XXIIIHoe weinig Elinor ook in het algemeen waagde te bouwen op Lucy’s waarheidlievende gezindheid, bij ernstig nadenken was het haar onmogelijk, Lucy in dit geval van bedrog te verdenken, terwijl geenerlei verleiding kon aansprakelijk gesteld worden voor de dwaasheid, een dergelijke leugen te verzinnen. Wat Lucy voor waar had verklaard, kon, neen durfde Elinor niet langer betwijfelen, gesteund als die verklaring werd door zulk een menigte van waarschijnlijkheden en bewijzen, en door niets weersproken dan door haar eigen wensch. De gelegenheid tot kennismaking ten huize van den Heer Pratt vormde een grondslag voor al het overige, zoowel onbetwistbaar als onrustbarend, en Edward’s bezoek in de buurt van Plymouth, zijn droefgeestige stemming, zijn onvoldaanheid over zijne vooruitzichten, zijn onzekere houding tegenover haarzelve, de nauwkeurige bekendheid van de dames Steele met Norland en hun familie-relaties, die haar dikwijls had bevreemd, het portret, de brief, de ring, dit alles tezamen genomen vormde een aaneenschakeling van bezwarende getuigenissen, die ten eenenmale de vrees te niet deed, hem ten onrechte te veroordeelen, en die duidelijk in het licht stelde, als een feit, door geen partijdigheid te verbloemen, dat hij haarzelve slecht behandeld had. Haar afkeer van zulk een gedrag, haar verontwaardiging, dat zij daarvan het slachtoffer was geworden, deden haar een tijdlang enkel voor zichzelve gevoelen; doch spoedig kwamen andere gedachten, andere beschouwingen bij haar op. Had Edward haar met opzet misleid? Had hij voorhaar een genegenheid geveinsd, die hij niet gevoelde? Was zijne verloving met Lucy eene verbintenis van het hart? Neen, wat het ook ooit mocht geweest zijn, dat het dit thans nog was, kon zij niet gelooven. Zijn genegenheid gold haar, en haar alléén. Daarin kon zij zich niet vergissen. Haar moeder, haar zusters, Fanny, allen hadden te Norland begrepen hoe hij haar waardeerde; het was geen begoocheling van haar eigen ijdelheid. Hij had haar lief; dat was zeker. Hoezeer verzachtte die overtuiging haar gemoed! Hoeveel bewoog zij haar niet te vergeven! Het was verkeerd, zeer verkeerd van hem geweest te Norland te blijven, nadat zij voor het eerst gevoelde, hoe haar invloed op hem grooter was dan die behoorde te zijn. In dàt opzicht was hij niet te verdedigen; maar zoo hij haar al kwaad had gedaan, hoeveel meer kwaad deed hij zichzelf! Mocht háár toestand dan al beklagenswaard genoemd worden, de zijne was hopeloos. Zijn onbedachtzaamheid had háár een tijdlang ongelukkig doen zijn; doch hemzelf scheen zij voor altoos de kans op geluk te hebben benomen.Zijzou na verloop van tijd misschien haar rust herwinnen; dochhij, hoe zag hij de toekomst in? Zou hij ooit ook maar dragelijk gelukkig kunnen zijn met Lucy Steele? Zou hij, zijn genegenheid voor haarzelve nog daargelaten, met zijn rechtschapen gemoed, zijn kiesch gevoel en ontwikkelden geest, tevreden kunnen zijn met een vrouw als zij, onwetend, onbetrouwbaar en zelfzuchtig?De jeugdige verliefdheid van een jongen van negentien had hem natuurlijk verblind voor alles, behalve haar schoonheid en haar oppervlakkige goedhartigheid; maar de vier volgende jaren,—jaren die, bij redelijk gebruik, zooveel bijdragen tot de vorming van het begrip, moesten zijn oogen hebben geopend voor de leemten in hare opvoeding; terwijl zij in dat zelfde tijdsverloop door het samenzijn met personen van geringe ontwikkelingen het najagen van luchthartig vermaak, misschien den eenvoud had verloren, die eertijds hare schoonheid meerdere bekoring kon hebben verleend.En indien, gesteld al dat hij haarzelve had willen huwen, de moeilijkheden, hem door zijn moeder in den weg gelegd, reeds groot hadden geschenen, hoeveel grooter zouden zij thans niet zijn, nu het voorwerp zijner keuze ongetwijfeld van minder goede familie en waarschijnlijk minder gefortuneerd was dan zijzelve! Die moeilijkheden zouden allicht, nu zijn hart reeds zoozeer van Lucy was vervreemd, zijn geduld niet zeer zwaar op de proef stellen; doch hoe droevig was niet de toestand van hem, in wien de verwachting van tegenstand en onhartelijkheid van de zijde zijner naaste verwanten niet anders dan een gevoel van verlichting wekken kon!Naarmate deze overwegingen zich in pijnigende opeenvolging aan haar opdrongen, golden hare tranen meer hèm, dan haar eigen smart. Gesteund door de overtuiging, dat zij haar tegenwoordige droefenis niet aan zich zelve had te wijten, en getroost in het geloof, dat Edward niets had gedaan om hare achting te verbeuren, meende zij zelfs nu, onder de eerste felle pijn na den zwaren slag, zichzelve genoeg te kunnen beheerschen, om bij haar moeder en zusters ook niet het geringste vermoeden van de waarheid te laten opkomen. En zóó wel bleek zij in staat aan haar eigen verwachting te beantwoorden, dat niemand, toen zij met de anderen aan tafel ging, twee uren slechts na de verijdeling van al haar vurigste verlangens, uit het voorkomen der beide zusters zou hebben afgeleid dat Elinor in stilte treurde over beletselen, die haar voor altijd moesten gescheiden houden van het voorwerp harer liefde, terwijl Marianne zich inwendig vermeide in de volmaaktheid van den man, wiens geheele hart zij onverdeeld waande te bezitten, en dien zij verwachtte te zien in ieder rijtuig dat hun huis voorbijreed.De noodzakelijkheid, voor haar moeder en Marianne te verbergen, wat haar in vertrouwen was medegedeeld, verzwaarde Elinor’s lijden niet, al werd zij erdoor gedwongen tot voortdurende inspanning. Integendeel, het was haar een verlichting voor hen te kunnen verzwijgen wat hun zooveel verdriet zou doen en tevens zich verschoond te zien van het aanhooren hunner veroordeeling van Edward, die waarschijnlijk zou voortspruiten uit overmaat van partijdige genegenheid voor haarzelve, doch die thans méér zou zijn, dan zij verdragen kon.Zij wist, aan hun raadgevingen of hun gesprekken kon zij geen steun ontleenen; hun medegevoel en hun verdriet zouden haar smart nog vermeerderen; terwijl haar zelfbedwang noch door hun voorbeeld, noch door hun lof zou worden aangemoedigd. Zij was krachtiger alleen, en haar eigen rustig inzicht hield haar zóó wel staande, dat haar vastheid zoo ongeschokt, haar vertoon van opgewektheid zoo onveranderlijk bleef, als mogelijk was na het bitter leed, dat haar zoo grievend en nog maar zoo kort geleden had getroffen.Hoeveel pijn haar ook dat eerste gesprek met Lucy over het onderwerp had veroorzaakt, zij verlangde weldra ernstig, en om meer dan eene reden, het te hervatten. Zij verlangde vele bijzonderheden omtrent hun verloving nogmaals te hooren, zij wenschte duidelijker te begrijpen, wat Lucy inderdaad voor Edward gevoelde, of er eenige oprechtheid was in haar verklaring, dat zij hem innig liefhad, en vóór alles wenschte zij Lucy te overtuigen, door haar bereidwilligheid om weer over de zaak te beginnen, en haar kalmte bij het bespreken ervan, dat hare belangstelling een louter vriendschappelijke was, ’t geen zij vreesde door haar onwillekeurige gemoedsbeweging dien morgen van hun gesprek, althans twijfelachtig te hebben doen schijnen. Dat Lucy geneigd was, jaloersch vanhaar te zijn, scheen zeer waarschijnlijk; het bleek duidelijk dat Edward haar steeds ten zeerste had geprezen, niet alleen uit Lucy’s bewering, maar uit het feit, dat de laatste het waagde, haar, na zoo korte kennismaking, een geheim toe te vertrouwen, blijkbaar en volgens haar eigen getuigenis, van het grootste gewicht. En zelfs de schertsende toespelingen van Sir John konden niet zonder invloed zijn gebleven. Trouwens, terwijl Elinor inwendig zoo stellig verzekerd bleef, dat Edward haar werkelijk liefhad, behoefde zij zich niet in gissingen omtrent waarschijnlijkheden te verdiepen, om het zeer natuurlijk te achten, dat Lucy jaloersch zou zijn, en dat zij dit was, bewees haar vertrouwelijke mededeeling zelf. Welke andere reden kon er bestaan voor de onthulling van het geheim, dan dat Elinor erdoor zou worden verwittigd van Lucy’s recht, de eerste aanspraak op Edward te mogen doen gelden, en begrijpen zou, dat zij hem voor het vervolg diende te vermijden? Het viel haar niet moeilijk, althans zóóveel van de bedoelingen harer mededingster te vatten, en terwijl zij vast besloten was, zich jegens haar te gedragen volgens elk beginsel, dat eer en eerlijkheid haar voorschreef, haar eigen liefde voor Edward te bestrijden en hem zoo weinig mogelijk te ontmoeten, zij kon zich de voldoening niet ontzeggen, althans een poging te doen om Lucy te overtuigen, dat haar hart niet gewond was. En daar zij thans niets pijnlijkers meer omtrent dit onderwerp kon vernemen, dan wat haar reeds was medegedeeld, wantrouwde zij ook haar eigen vermogen niet, om een herhaling van alle bijzonderheden met kalmte aan te hooren.Maar eene gelegenheid hiertoe kon niet onmiddellijk of naar believen worden gevonden, hoewel Lucy even zeer als zijzelve geneigd was, van de eerste de beste gebruik te maken; want het weer was niet dikwijls mooi genoeg voor een gezamenlijke wandeling, waarbij zij zich het gemakkelijkst vande anderen konden afzonderen, en hoewel zij elkander bijna om den anderen avond, meestal op het Park, of anders in hun huisje ontmoetten, was er geen sprake van dat die samenkomsten plaats hadden met het doel eenig geregeld gesprek te voeren. Die gedachte kwam bij Sir John of Lady Middleton zelfs niet op; en daardoor werd den gasten zeer weinig tijd gelaten voor een algemeen gesprek, en voor een tête à tête in het geheel niet. Zij kwamen bijeen om met elkaar te eten, te drinken en luidruchtig vroolijk te zijn, bij kaart- of pandspel, of eenig ander vermaak, dat genoeg leven maakte. Reeds een paar malen hadden dergelijke gezellige bijeenkomsten plaats gehad, zonder Elinor eenige gelegenheid te bieden tot een afzonderlijk gesprek met Lucy, toen Sir John op een morgen naar Barton Cottage kwam, om hen te verzoeken, of zij uit menschlievendheid met hen allen dien dag bij Lady Middleton wilden komen eten, daar hij een vergadering van zijn club te Exeter moest bijwonen, en zij dus anders geheel alleen zou zijn met haar moeder en de beide dames Steele. Elinor, die begreep, dat zij beter kans had, haar doel te bereiken in een gezelschap, zooals dit waarschijnlijk zou zijn, vrijer in hun bewegingen onder elkaar onder de rustige en beschaafde leiding van Lady Middleton, dan wanneer haar echtgenoot hen allen vereenigde tot dat ééne doel, veel leven maken, nam de uitnoodiging dadelijk aan; Margaret was, met haar moeder’s goedvinden, eveneens bereid te komen, en Marianne, ofschoon steeds ongeneigd aan deze bijeenkomsten deel te nemen, liet zich door haar moeder, die niet kon verdragen, dat zij zich onttrok aan elke gelegenheid tot onschuldig vermaak, overhalen om insgelijks te gaan. De jonge dames gingen dus alle drie, en Lady Middleton werd gelukkig bewaard voor de ontzettende verlatenheid, die haar bedreigd had. De vervelendheid van de visite was volkomen zooals Elinor reedshad verwacht; zij leverde niet het minste onvoorziene, in gedachte noch uitdrukking, en niets kon onbelangrijker zijn dan het geheele gesprek dat gevoerd werd in eetkamer en salon; naar de laatste gingen de kinderen mede; en zoolang zij daar bleven was zij te vast overtuigd van de onmogelijkheid om Lucy’s aandacht te vergen, dan dat zij daartoe een poging zou hebben aangewend. De kleinen gingen heen toen het theegoed werd weggebracht; daarop kwamen de speeltafeltjes voor den dag, en Elinor begon zich reeds met verwondering af te vragen, hoe zij ooit de hoop had kunnen koesteren, op het Park tijd te vinden voor eenig gesprek. Allen stonden op, om straks een gemeenschappelijk kaartspelletje te beginnen.“Ik ben blij,” zei Lady Middleton tot Lucy, “dat je van avond niet dat mandje voor ons lieve Annemarietje gaat afmaken; want ik geloof stellig dat het verkeerd voor je oogen zou zijn met dat fijne zilverdraad te werken bij kaarslicht. We zullen wel iets vinden om het lieve kind te troosten morgen over haar teleurstelling; ik hoop dat ze ’t zich niet te erg zal aantrekken.”Die lichte aanwijzing was voldoende; Lucy was onmiddellijk op haar hoede en antwoordde: “Neen, neen, u hebt het mis; ik wachtte alleen maar om te weten, of u mij ook noodig hadt bij uw spelletje, anders was ik al aan het werk geweest. Ik zou voor geen geld van de wereld het lieve engeltje teleurstellen; en als u mij nu liever aan de speeltafel zet, dan maak ik het mandje af na het souper.”“’t Is heel vriendelijk van je, ik hoop dat je niet je oogen ermee zult bederven; wil je dan wel bellen om meer kaarsen? Mijn lieve kleintje zou wèl bitter teleurgesteld zijn, als het mandje morgen niet af was; want ik zei haar wel, dat het stellig niet klaar kwam, maar zij rekent erop, dat dit wèl gebeurt.”Lucy zette dadelijk haar werktafeltje naast zichneer en ging weer zitten, zoo vergenoegd en ijverig, alsof ze toonen wilde, dat ze geen grooter genot kon smaken dan een mandje van zilverdraad te vlechten voor een bedorven kind.Lady Middleton stelde den anderen een spelletje casino voor. Niemand maakte eenige tegenwerping behalve Marianne, die met haar gewone veronachtzaming van beleefde omgangsvormen, uitriep: “U wilt wel zoo goed zijn,mijte verontschuldigen; ik heb een hekel aan kaartspelen, zooals u weet. Ik ga maar eens aan de piano; ik heb er nog niet op gespeeld sedert die ’t laatst gestemd is.” En zonder verdere plichtplegingen keerde zij zich om en stapte op de piano af.Lady Middleton keek, alsof zij den hemel dankte, datzijnooit iets zóó onbeleefds had gezegd.“U weet wel, mevrouw, Marianne kan nooit lang van haar dierbaar instrument afblijven,” zei Elinor, met een poging om Marianne’s vergrijp weer goed te maken, “en dat verwondert mij niet, want uw piano is de mooiste van toon, die ik ooit heb gehoord.”De vijf andere dames zouden nu hun kaarten ter hand nemen.“Misschien,” ging Elinor voort, “zou ik, wanneer ik toevallig mocht uitvallen, juffrouw Lucy wel kunnen helpen; want er is nog zooveel aan het mandje te doen, dat zij, wanneer ze het alleen zou ondernemen, ’t onmogelijk van avond zou kunnen afkrijgen. Ik vind het prettig werk; als zij mij wil toestaan, eraan mee te doen?”“O ja,” riep Lucy; “daarmee zoudt u mij een grooten dienst bewijzen; want ik zie wel, dat er nog méér aan te doen valt, dan ik had gedacht, en ’t zou toch te erg zijn, die lieve Annemarie te moeten teleurstellen.”“Och,datzou verschrikkelijk zijn,” zei de oudste Juffrouw Steele. “Dat lieve schatje, ik ben zoo dol op haar!”“’t Is heel vriendelijk van je,” zei Lady Middleton tegen Elinor, “en omdat je ’t werk bepaald prettig vindt, kan ’t je misschien niet schelen om dit spelletje over te slaan, of wil je liever eerst nog meedoen?”Elinor maakte met genoegen gebruik van het eerste voorstel, en zoodoende, met een weinigje van die handigheid, die Marianne steeds versmaadde in praktijk te brengen, kreeg zij haar eigen zin, terwijl ze meteen Lady Middleton pleizier deed. Lucy maakte bereidwillig plaats voor haar, en de twee bevallige mededingsters zaten dus naast elkaar aan de zelfde tafel, in de grootste eendracht bezig aan de voltooiing van een gemeenschappelijk werk. De piano, waarbij Marianne, verdiept in haar eigen muziek en haar eigen gedachten, reeds vergeten had, dat er iemand in het vertrek was behalve zijzelve, stond gelukkig zoo dicht bij hen, dat Elinor thans, onder de bescherming van haar luide klanken, geloofde, dat zij veilig het belangwekkende onderwerp kon aanroeren, zonder de kans te loopen, dat men hen aan de speeltafel zou kunnen verstaan.Hoofdstuk XXIVOp vasten, ofschoon voorzichtig ingehouden toon, begon Elinor:“Ik zou het vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld, niet verdienen, als ik niet wenschte dat het blijvend mocht zijn, of verder geen belangstelling toonde in de zaak, die het betrof. Daarom wil ik mij niet verontschuldigen, wanneer ik deze opnieuw ter sprake breng.”“Ik dank u zeer,” riep Lucy hartelijk, “dat u het ijs hebt gebroken; dat verlicht mij bepaald; want ik was werkelijk bang, dat ik u op de eene of andere manier had beleedigd door wat ik u dien Maandag heb verteld.”“Beleedigd? Hoe kon u dat denken? geloof mij,” en Elinor sprak deze woorden in volkomen oprechtheid, “niets kon minder in mijn bedoeling hebben gelegen, dan u aanleiding te geven tot dat vermoeden. Welke beweegreden zou u tot dat vertrouwen hebben kunnen drijven, die niet voor mij zoowel eervol als vleiend was?”“En toch kan ik u naar waarheid zeggen,” antwoordde Lucy, met een veelbeteekenenden blik uit haar kleine scherpe oogen, “het kwam mij voor, alsof er in uw houding iets zoo koels en afkeurends was, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik dacht stellig, dat u boos op mij waart, en ik heb het mijzelf voortdurend verweten, dat ik zoo vrijpostig geweest was, u met mijn aangelegenheden lastig te vallen. Maar ik ben heel blij, te merken, dat ik het mij alleen maar heb verbeeld, en dat u mijn gedrag niet afkeurt. Als u wist, hoe het mij troost geeft, mijn hart uit te storten, door tegen u te spreken over ’t geen mij elk oogenblik van mijnleven vervult, dan zou uw medelijden u al het andere doen over ’t hoofd zien; daar ben ik zeker van.”“Ik geloof gaarne, dat het een groote verlichting voor u was, mij van uw omstandigheden op de hoogte te brengen, en u kunt er zeker van zijn, dat u nooit reden zult hebben, dat te berouwen. Uw toestand is zeer zeker beklagenswaardig; van alle zijden doen zich, naar het mij voorkomt, moeilijkheden voor u op, en u zult al uw wederkeerige liefde noodig hebben, om u daaronder staande te houden. De heer Ferrars is, naar ik meen, geheel afhankelijk van zijne moeder.”“Hij bezit zelf maar tweeduizend pond; het zou dwaasheid zijn, dáárop te trouwen, hoewel ik voor mij zonder eenige klacht elk vooruitzicht op meer zou kunnen laten varen. Ik ben altijd gewoon geweest aan een zeer klein inkomen, en zou voor hem mij dapper verzetten tegen de ergste armoede, maar ik heb hem te lief, om hem door mijn zelfzucht misschien te berooven van al wat zijn moeder hem zou kunnen schenken, wanneer hij huwde naar haar wensch. Wij moeten wachten, misschien wel jaren lang. Met bijna elken anderen man ter wereld zou dat een beangstigend vooruitzicht zijn; maar Edward’s genegenheid en trouw kan niets mij ontnemen, dat weet ik.”“Die overtuiging moet voor u alles zijn, en zij vindt ongetwijfeld steun in dat zelfde vertrouwen op de uwe. Wanneer de innigheid van uw wederkeerige liefde was verminderd, zooals bij veel menschen en onder vele omstandigheden natuurlijk zou zijn geweest tijdens een verloving van vier jaren, dàn zoudt u waarlijk te beklagen zijn.”Hier zag Lucy op; doch Elinor droeg zorg, haar gelaat vrij te houden van elke uitdrukking, die in haar woorden een zweem van achterdocht kon doen vermoeden.“Edward’s liefde,” zei Lucy, “is tamelijk wel op de proef gesteld door onze lange, zeer langescheiding sedert het begin onzer verloving, en zij heeft die proef zoo goed doorstaan, dat het onvergefelijk van mij zou zijn, haar nu te wantrouwen. Ik durf gerust zeggen, dat hij mij van den beginne niet één oogenblik reden tot bezorgdheid gaf in dat opzicht.”Elinor wist niet recht of ze zou glimlachen of zuchten bij die verzekering.Lucy ging voort: “Ik ben van nature trouwens nogal jaloersch aangelegd, en door ons verschil in stand, doordat hij zooveel meer in de wereld verkeerde dan ik en door ons voortdurend gescheiden zijn, was ik genoeg tot achterdocht geneigd, om dadelijk achter de waarheid te zijn gekomen, als er ook maar de geringste verandering in zijn houding jegens mij was te bespeuren geweest, wanneer we elkaar ontmoetten, of wanneer hij een neerslachtigheid had getoond, die ik niet kon verklaren, of als hij meer over ééne dame had gesproken dan over anderen, of in eenig opzicht zich minder gelukkig scheen te gevoelen te Longstaple dan hij vroeger placht. Ik wil niet zeggen, dat ik over ’t algemeen zoo bijzonder nauwlettend of scherpziende ben, maar in dit geval weet ik wel, dat ik mij niet zou laten misleiden.”“Dat is nu alles,” dacht Elinor, “goed en wel; maar wij laten ons geen van beiden door die praatjes foppen.”“Maar wat zijn nu,” zei ze na een kort stilzwijgen, “uw plannen? Of hebt u geen ander vooruitzicht dan te wachten tot Mevrouw Ferrars komt te overlijden, ’t geen een treurige en bezwaarlijk te wenschen oplossing zou zijn? Heeft haar zoon besloten, zich liever hierin te schikken, liever de langdurige kwelling te verdragen van de vele jaren van onzekerheid, die u wellicht te wachten staan, dan de kans te loopen, zich een tijdlang haar ongenoegen op den hals te halen door de waarheid te bekennen?”“Als we maar zeker wisten, dat het voor een tijdlang zou zijn! Maar Mevrouw Ferrars is een zeer koppige en trotsche vrouw, en zou waarschijnlijk in haar eerste vlaag van drift, wanneer zij het hoorde, alles aan Robert nalaten. Dat denkbeeld doet mij, om Edward’s wil, huiverig worden voor alle overhaasting.”“Toch ook ter wille van uzelve, anders zou uwe belangeloosheid de grenzen van het waarschijnlijke te buiten gaan.”Lucy keek Elinor aan, en zweeg.“Kent u den heer Robert Ferrars?” vroeg Elinor.“In ’t geheel niet—ik heb hem nooit gezien; maar ik geloof, dat hij in ’t minst niet op zijn broer gelijkt,—hij is dom en verbazend ijdel, een echte fat.”“Een echte fat!” herhaalde haar zuster, die bij een plotselinge pauze in Marianne’s muziek, de laatste woorden had opgevangen. “O, ze zijn natuurlijk aan ’t praten over hun uitverkoren cavaliers.”“Neen, Anne,” riep Lucy, “dat heb je mis; onze uitverkoren cavaliers zijngeenfatten.”“Ik weet ten minste wel, dat Elinor’s vriend dat niet is,” zei Mevrouw Jennings, hartelijk lachend; “want dàt is een van de bescheidenste, beminnelijkste jongelui die ik ooit heb ontmoet. Maar die Lucy is zulk een loos klein ding, dat niemand er achter kan komen van wien zij wel houdt.”“O,” riep de oudste Juffrouw Steele, terwijl ze met een veelbeteekenenden blik naar hen omzag, “ik wed dat Lucy’s vriend precies even bescheiden en beminnelijk is als die van Juffrouw Dashwood.”Elinor kreeg haars ondanks een kleur. Lucy beet zich op de lippen en wierp haar zuster een boozen blik toe. Allen bleven een tijdlang zwijgen. Lucy verbrak de stilte, door iets zachter te zeggen, hoewel Marianne hun op dat oogenblik de prachtige bescherming verleende van een schitterend pianoconcert:“Ik zal u eerlijk vertellen van een plan, dat onlangs bij mij is opgekomen, om de zaak voortgang te doen krijgen; ik ben trouwens wel verplicht u in ’t geheim in te wijden, omdat u zelf erbij betrokken bent. Mij dunkt, u kent Edward genoeg om te weten, dat hij aan den geestelijken stand de voorkeur geeft boven elk ander beroep. Nu is mijn plan, dat hij zoo spoedig mogelijk moet zorgen, als geestelijke te worden aangesteld, en dan zou, op uwe voorspraak, die u stellig wel zoudt willen aanwenden uit vriendschap voor hem en, hoop ik, ook een weinig voor mij, uw broeder allicht zijn te bewegen, hem de predikantsplaats te Norland te verschaffen; ik hoor, dat deze goed wordt bezoldigd, en dat de tegenwoordige predikant het wel niet lang meer maken zal. Dan zouden we genoeg hebben om te trouwen, en het overige konden we dan overlaten aan den tijd en het gunstig toeval.”“Het zou mij altijd aangenaam zijn,” antwoordde Elinor, “een bewijs te leveren van mijn achting en vriendschap voor den Heer Ferrars; maar ziet u niet in, dat mijn voorspraak in dezen geheel overbodig zou zijn? Hij is de broeder van Mevrouw John Dashwood,—datis voor haar echtgenoot aanbeveling genoeg.”“Maar Mevrouw John Dashwood zou het in ’t geheel niet goedkeuren dat Edward predikant werd.”“Dàn vermoed ik, dat mijn voorspraak weinig zou baten.” Hier zwegen beiden geruimen tijd. Eindelijk zei Lucy met een diepen zucht:“Ik geloof dat het ’t verstandigst zou zijn, een einde te maken aan de zaak, door de verloving te verbreken. We zijn zoo van alle zijden omringd door moeilijkheden, dat we ten slotte misschien gelukkiger erdoor zouden worden, al hadden we dan ook een tijdlang verdriet. Maar u wilt mij geen raad geven, Juffrouw Dashwood?”“Neen,” antwoordde Elinor, met een glimlach,die zeer onrustige gevoelens verborg, “in een dergelijke aangelegenheid wil ik dat zeer zeker niet. U weet heel goed, dat mijne meening bij u geen gewicht in de schaal zou leggen, tenzij ze overeenstemde met uw eigen wenschen.”“U doet mij werkelijk onrecht,” zei Lucy met veel vertoon van waardigheid, “ik ken niemand, wier oordeel ik zóó op prijs stel als het uwe; en ik geloof waarlijk, dat ik, wanneer u tegen mij zei: “Ik raad u ten sterkste aan, uw verloving met Edward Ferrars te verbreken; het zal uw beider geluk bevorderen,” ertoe zou kunnen besluiten, dat onmiddellijk te doen.”Elinor bloosde voor de onoprechtheid van Edward’s aanstaande vrouw, en antwoordde: “Dit vleiend oordeel zou mij huiverig doen worden, mijn meening omtrent de zaak te uiten, indien ik die al gevormd had. Het kent veel te veel waarde toe aan mijn invloed; de macht, twee menschen, die zoo teeder aan elkander gehecht zijn, te scheiden, is te groot voor den onbevooroordeelden toeschouwer.”“’t Is juistomdatu een onbevooroordeeld toeschouwster bent,” zei Lucy, ietwat geërgerd, en met bijzonderen nadruk op de laatste woorden, “dat uw oordeel mij met recht zooveel waard is. Als men kon veronderstellen, dat u in eenig opzicht zoudt worden beïnvloed door uw eigen gevoelens, dan zou uw meening al van zeer weinig beteekenis zijn.”Elinor vond het ’t verstandigst om hierop niet te antwoorden, uit vrees dat zij elkander zouden uitlokken tot een weinig gepaste vermeerdering van hun reeds vrij ver gaande openhartigheid, en zij was reeds ten deele besloten het onderwerp nooit meer aan te roeren.Dus volgde wederom na Lucy’s woorden een minutenlange stilte, en weer was Lucy de eerste die ze verbrak.“Komt u dezen winter ook naar Londen,Juffrouw Dashwood?” vroeg zij, met haar gewone kalme zelfverzekerdheid.“Neen, in geen geval.”“Dat spijt mij,” gaf Lucy ten antwoord, terwijl haar oogen schitterden van blijdschap over die mededeeling, “’t zou zoo aardig geweest zijn, u daar te ontmoeten! Maar ik denk, dat u toch wel zult gaan, per slot van rekening. Uw broer en zuster zullen u wel te logeeren vragen.”“Toch zal ik hun uitnoodiging niet kunnen aannemen, wanneer ze dat doen.”“Wat is dat nu jammer! Ik had er vast op gerekend, u daar weer te zien. Anne en ik gaan in ’t laatst van Januari logeeren bij familie van ons, die al jaren er op aandringt dat we hen eens moeten bezoeken. Maar ik ga alleen om Edward te ontmoeten. Hij komt er in Februari; anders zou Londen niets aantrekkelijks voor mij hebben; daar is mijn stemming niet naar.”Elinor werd spoedig aan de speeltafel geroepen, nu het eerste spelletje geëindigd was, en het vertrouwelijk onderhoud der twee dames was dus afgeloopen; iets, waarin beiden zonder aarzeling berustten; want van weerskanten was er niets gezegd, dat hun wederzijdschen afkeer van elkaar verminderen kon, en Elinor ging aan de speeltafel zitten met de droevige overtuiging, dat Edward niet alleen geen liefde gevoelde voor het wezen dat zijn vrouw zou worden, maar dat zelfs de kans op een dragelijk gelukkig huwelijk, die een oprechte genegenheid vanharezijde zou hebben gewaarborgd, hem was ontzegd; want alleen eigenbelang kon een vrouw nopen, een man te houden aan een verbintenis, waarvan zij zoo blijkbaar begreep, dat hij haar moede was.Van nu af werd het onderwerp door Elinor nooit meer aangeroerd, en wanneer Lucy erover begon, die zelden een gelegenheid liet voorbijgaan, om het op het tapijt te brengen, en ijverig zorgdroeg, haar vertrouwelinge vol blijdschap de komst te berichten van elken brief, dien zij van Edward ontving, behandelde Elinor het met kalmte en voorzichtigheid, en stapte ervan af, zoodra de beleefdheid dit toeliet, want zij vond zulke gesprekken voor Lucy een genoegen, dat deze niet verdiende, en voor zichzelve achtte zij ze gevaarlijk.Het bezoek van de dames Steele te Barton Park werd van veel langeren duur dan oorspronkelijk bedoeld was bij de eerste uitnoodiging. Ze wisten zich steeds meer bemind te maken; men kon hen niet meer missen; Sir John wilde van heengaan niet hooren, en ondanks de vele en lang van te voren gemaakte afspraken te Exeter, ondanks de volstrekte noodzakelijkheid van hun terugkeer, om daaraan onverwijld te voldoen, die aan het eind van iedere week tot een dringende verplichting aangroeide, lieten zij zich overhalen om bijna twee maanden op het Park te blijven en een ijverig aandeel te nemen in de gebruikelijke viering van dat feest, waarvan de luister noodzakelijk schijnt te moeten worden verhoogd door een ongewoon groot aantal danspartijen en gastmalen.Hoofdstuk XXVHoewel Mevrouw Jennings gewoon was, een groot deel van het jaar door te brengen ten huize van hare kinderen en vrienden, was zij toch niet zonder een eigen vaste woonplaats. Sedert den dood van haar echtgenoot, die een voorspoedigen handel placht te drijven in een minder sierlijke wijk, had zij des winters geregeld een huis bewoond in een der straten in den omtrek van Portman Square. Aan dat tehuis begon zij, toen de maand Januari naderde, weer eens te denken, en op zekeren dag vroeg zij de beide oudste dames Dashwood zonder eenige voorbereiding en voor hen geheel onverwacht, of zij haar daarheen wilden vergezellen. Elinor, die niet aanstonds bespeurde, hoe Marianne door haar wisselende kleur en gespannen blik verried, dat het plan haar niet onverschillig was, sloeg dadelijk dankbaar, maar beslist de uitnoodiging voor hen beiden af, in de meening, dat zij het op dit punt volkomen eens waren. De reden, welke zij aanvoerde was hun stellig besluit, hun moeder niet om dezen tijd van het jaar te willen alleen laten. Mevrouw Jennings scheen min of meer verwonderd over die weigering, en herhaalde hare vraag onmiddellijk.“O lieve deugd; ik weet zeker, dat je mama je heel goed kan missen; en ikhooptoch, dat je mij ’t pleizier zult doen; want ik ben er nu eenmaal erg op gesteld. Denk maar niet, dat je ’t mij lastig zult maken, want ik maak volstrekt geen omslag voor jelui. Betty zal alleen met de postkoets moeten reizen, en dàt is nu de heele wereld niet. Wij gaan dan met ons drieën in mijn rijtuig; en wanneer jelui in de stad niet overal met mij mee wilt gaan,dan is dat niets, want dan kun je altijd gaan met eene van mijn dochters. Ik wed dat je moeder er niets op tegen heeft; want ik heb het zoo gelukkig getroffen met mijn beide kinderen, zoo goed bezorgd, nietwaar? dat ze mij de aangewezen persoon zal vinden om jelui onder mijn hoede te nemen, en als niet één van jelui beiden ten minste een goed huwelijk doet, eer ik je weer aflever, dan zal het mijn schuld niet zijn. Ik zal een goed woordje voor jelui doen bij de heeren, daar kan je op aan.”“’t Komt mij voor,” zei Sir John, “dat Marianne niets op het plan zou tegen hebben, als haar zuster ook van de partij wilde zijn. ’t Is ook wel wat erg, dat zij niet eens een pleiziertje mag hebben, omdat Elinor het niet wenscht. Ik zou u raden om maar met u beitjes naar de stad te trekken, als u genoeg krijgt van Barton, en er Elinor niets van te vertellen.”“Ja, kijk eens,” riep Mevrouw Jennings, “ik zou verbazend in mijn schik zijn met Marianne’s gezelschap, of Elinor meegaat of niet, maar hoe meer zielen hoe meer vreugd, zeg ik altijd, en ik dacht, dat het gezelliger voor hen was samen te zijn; want als ik hen dan verveel, kunnen ze samen praten, en mij nog eens uitlachen achter mijn rug. Maar een van beiden moet ik hebben, als ik ze allebei niet krijgen kan. Wel lieve deugd, hoe zou ik het uithouden in mijn eentje, terwijl ik tot aan dezen winter toe altijd Charlotte bij mij had. Kom Marianne, laten wij nu maar zeggen dat de zaak beklonken is, en als Elinor zich dan nog bedenkt over een tijdje, des te beter.”“Ik dank u, mevrouw, ik dank u hartelijk,” zei Marianne met nadruk; “ik kan u niet genoeg danken, voor uwe uitnoodiging, en ik zou innig gelukkig zijn, ja, zoo gelukkig als ik met mogelijkheid zijn kàn, wanneer ik die mocht aannemen. Maar moeder, onze lieve beste moeder, ik weet, dat Elinor gelijk heeft in ’t geen zij zeide, en als zij door onze afwezigheidverdriet of zorg moest hebben... Neen, neen, niets zou mij kunnen verleiden om haar alleen te laten. Het mag, en het moet geen strijd kosten.”Mevrouw Jennings herhaalde haar verzekering dat Mevrouw Dashwood hen best kon missen; en Elinor, die thans haar zuster begreep, en zag hoe haar verlangen om Willoughby weer te ontmoeten, haar voor al wat daar buiten lag, bijna onverschillig deed worden, verzette zich niet langer rechtstreeks tegen het plan, en wilde alleen de beslissing overlaten aan hare moeder, van wie zij echter niet verwachtte veel steun te zullen ontvangen bij haar poging tot verhindering van een bezoek, dat zij voor Marianne verkeerd achtte, en dat zij voor zichzelf om bijzondere redenen liever vermeed. Wat Marianne ook mocht verlangen, haar moeder zou altijd bereid zijn, haar wenschen in te willigen; zij mocht niet verwachten, Mevrouw Dashwood te kunnen bewegen tot voorzichtigheid in eene zaak waaromtrent zij nooit bij machte was geweest haar wantrouwen in te boezemen, en de reden voor haar eigen ongeneigdheid naar Londen te gaan, kon zij niet openlijk zeggen. Dat Marianne, veeleischend als zij was, en maar al te goed bekend met Mevrouw Jennings’ eigenaardigheden, die telkens opnieuw haar afkeer wekten, elke onaangenaamheid van dien aard kon over het hoofd zien, geheel uit het oog kon verliezen wat haar prikkelbare gevoeligheid het meest moest kwetsen, door het najagen van dat ééne doel, was een zóó sterksprekend, overtuigend bewijs, hoe uitsluitend dat doel haar vervulde, als Elinor, zelfs na al wat er was voorgevallen, niet had kunnen verwachten.Toen Mevrouw Dashwood van de uitnoodiging hoorde, wilde zij, stellig overtuigd als zij was dat zulk een uitstapje haar dochters veel genoegen zou verschaffen, en ondanks Marianne’s betuigingen van aanhankelijkheid wel bespeurend, hoe haarhart eraan hing, volstrekt niet, dat deze omharentwilzou worden afgeslagen; zij rustte niet eer beiden beloofd hadden te zullen gaan, en begon aanstonds met haar gewone opgewektheid, een menigte voordeelen op te sommen, die uit deze scheiding voor hen allen zouden voortvloeien.“Ik vind het een uitmuntend plan,” riep zij; “het is juist naar mijn zin. ’t Zal voor Margaret en mij even goed zijn als voor jelui. Als de Middletons dan ook weg zijn, kunnen we ons zoo rustig en gezellig bezighouden met onze boeken en muziek! Als je dan terugkomt, zul je Margaret zoo vooruitgegaan vinden! En ik heb een plannetje gemaakt om jelui slaapkamers te veranderen, dat nu ook kan worden uitgevoerd zonder iemand last te veroorzaken. Het is bepaald héél goed, dat je eens naar de stad gaat, ik vind dat iedere jonge dame van jelui positie in de wereld, het Londensche leven en de Londensche vermaken behoort te leeren kennen. Je zult onder de hoede zijn van een moederlijke goedhartige vrouw, op wier vriendelijkheid voor jelui ik kan rekenen. Waarschijnlijk zul je ook je broer ontmoeten, en wat ook zijn gebreken mogen zijn, of die van zijn vrouw, als ik bedenk, wiens zoon hij is, dan kan ik niet goed hebben, dat jelui zoo heel en al van elkaar zoudt vervreemden.”“Hoewel u, als gewoonlijk alleen bedacht op ons genoegen,” zei Elinor, “alle bezwaren tegen het plan, die bij u opkwamen, hebt weggeredeneerd, is er toch nog één beletsel, dat naar ’t mij voorkomt, niet zoo gemakkelijk kan worden terzij geschoven.”Marianne’s gezicht betrok.“Wat gaat mijn lieve voorzichtige Elinor ons nu onder het oog brengen?” zei Mevrouw Dashwood. “Welk geducht bezwaar komt zij opperen? Over de kosten wil ik geen enkel woord hooren.”“Mijn bezwaar is dit: al heb ik op Mevrouw Jennings’ hart niets aan te merken, zij is toch geen vrouw, in wier gezelschap wij genoegen vinden, ofwier bescherming voor ons eenige waarde heeft.”“Dat is wèl waar,” antwoordde haar moeder; “maar op háár gezelschap, zonder dat van anderen, zul je heel weinig zijn aangewezen, en in ’t publiek vertoon je je toch bijna altijd met Lady Middleton.”“Al zou Elinor zich door haar afkeer van Mevrouw Jennings laten bewegen om weg te blijven,” zei Marianne, “dan behoeft dat nog geene reden te zijn, waaromikzou bedanken voor hare uitnoodiging. Voor mij bestaan die bezwaren niet, en ik weet weet zeker, dat het mij heel weinig moeite zal kosten, dergelijke onaangenaamheden te verdragen.”Elinor kon niet nalaten te glimlachen over dit vertoon van onverschilligheid voor de eigenaardigheden van iemand, jegens wie zij Marianne dikwijls slechts met moeite had kunnen overhalen, een dragelijk beleefde houding aan te nemen, en nam zich in stilte voor, zoo haar zuster erbij bleef, te willen gaan, haar in elk geval te vergezellen; daar zij het niet goedkeurde, dat het Marianne zou vrijstaan, geheel naar eigen inzicht te handelen, noch ook, dat Mevrouw Jennings, op het punt van huiselijke gezelligheid, volkomen aan Marianne’s genade zou zijn overgeleverd. Zij verzoende zich te gemakkelijker met deze beslissing, toen zij bedacht, dat Edward Ferrars, volgens Lucy’s mededeeling, niet vóór Februari in de stad zou komen, en dat hun bezoek vóór dien tijd wel zou kunnen zijn afgeloopen, ook zonder dat het opvallend werd bekort.“Jelui moetallebeigaan,” zei Mevrouw Dashwood; “die bezwaren zijn pure onzin. Je zult het alleraardigst vinden, in Londen te zijn; vooral met je beiden; en als Elinor zich ooit wilde verwaardigen, zich genoegen van iets voor te stellen, dan zou ze het nu om verschillende redenen wel mogen verwachten; misschien zou ze zich dan wel verheugen op een nadere kennismaking met de familie van haar schoonzuster.”Elinor had dikwijls verlangd naar eene gelegenheid,waarbij zij zou kunnen trachten, haar moeder’s stellig vertrouwen in de genegenheid tusschen Edward en haarzelve aan het wankelen te brengen, opdat de schok haar minder hevig zou treffen, wanneer de geheele waarheid werd geopenbaard. en bij deze woorden dwong zij zichzelve, hoewel met weinig hoop op eenig gunstig gevolg, tot een begin van uitvoering van dit plan, door zoo kalm mogelijk te zeggen: “Ik houd veel van Edward Ferrars, en ’t zal mij altijd genoegen doen, hem te ontmoeten; maar wat de overige familieleden betreft, ’t is mij volkomen onverschillig, of ik ze ooit zal leeren kennen.”Mevrouw Dashwood glimlachte en gaf geen antwoord. Marianne keek verwonderd op, en Elinor begreep, dat zij even goed had kunnen zwijgen.Er waren thans niet veel besprekingen meer noodig, eer het vaststond, dat de uitnoodiging met genoegen zou worden aangenomen. Mevrouw Jennings ontving dat bericht met uitbundige vreugde, en veel betuigingen van vriendelijkheid en goede zorg; zij was trouwens niet de eenige, die zich erover verblijdde. Sir John was verrukt; want voor een man, die niets zoozeer vreesde als de eenzaamheid, beteekende de vermeerdering van Londen’s aantal inwoners met twee toch altijd iets. Zelfs Lady Middleton gaf zich de moeite, haar ingenomenheid met het plan te betuigen, ’t geen voor haar een heel ding was; en wat de dames Steele betrof, vooral Lucy, zij waren nog nooit in haar leven zoo blij geweest, als bij het hooren van dit bericht.Elinor voegde zich in de schikking, die in strijd was met haar eigen wenschen, met minder tegenzin dan zij verwacht had. Wat haarzelve betrof, het was haar thans onverschillig of zij naar de stad ging of niet; en toen zij zag, hoe hartelijk haar moeder zich verheugde over het plan, hoe haar zuster in blik, stem en houding haar blijdschapverried, hoe zij al haar oude levendigheid en meer dan haar vroegere vroolijkheid erdoor had herwonnen, kon zij over de oorzaak dier verandering niet onvoldaan zijn, en bestreed haar neiging tot bezorgdheid over de gevolgen ervan.—Marianne’s blijdschap was bijna te groot om te kunnen doorgaan voor geluk; zoo gejaagd en onrustig was zij, en zoo verlangend om te vertrekken. Slechts haar ongeneigdheid om haar moeder te verlaten, kon haar eenigszins tot kalmte stemmen, en bij het afscheid ging haar verdriet alle perken te buiten. Haar moeder toonde zich weinig minder bedroefd, en Elinor was de eenige van de drie, die in deze scheiding nog niet juist een vaarwel voor eeuwig scheen te zien.Zij vertrokken in de eerste week van Januari. De Middletons wilden ongeveer een week later gaan. De dames Steele bleven vooreerst nog op het Park, en zouden eerst met de overige familie vertrekken.Hoofdstuk XXVIElinor kon, toen zij eenmaal met Mevrouw Jennings in het rijtuig was gezeten, aan ’t begin van de reis naar Londen, onder hare bescherming, en als haar gast, niet nalaten zich te verbazen over haar eigen toestand; zoo kort hadden zij deze dame nog maar gekend; zoo weinig pasten zij bij haar in leeftijd en geaardheid, en zoovele bezwaren tegen dezen stap had zij nog slechts een paar dagen te voren gemeend te moeten aanvoeren! Doch die bezwaren waren alle overwonnen of op zij gezet door Marianne en hare moeder, met die gelukkige en jeugdige geestdrift, die beiden in gelijke mate bezielde, en Elinorkon, ondanks haar telkens terugkeerenden twijfel aan Willoughby’s standvastigheid, de verwachtingsvolle verrukking, die Marianne’s ziel vervulde, en straalde uit haar blik, niet aanschouwen, zonder te gevoelen, hoe kleurloos daarbij vergeleken haar eigen vooruitzichten schenen, hoe vreugdeloos haar eigen gemoedsstemming was, en hoe gaarne zij zelfs in die zorgwekkende onzekerheid van Marianne’s toestand zou hebben willen deelen, om althans hetzelfde bezielende doel voor oogen te hebben, de zelfde mogelijkheid tot verwezenlijking harer hoop.—Binnen korten, zéér korten tijd echter zou thans blijken, wat Willoughby’s bedoelingen waren; naar alle waarschijnlijkheid was hij reeds in de stad. Marianne’s verlangen om te gaan bewees, hoe vast zij erop rekende, hem daar te ontmoeten. En Elinor was vastbesloten, niet alleen alles gewaar te worden, zoo door eigen waarneming als door mededeelingen van anderen, wat een nieuw licht kon werpen op zijn karakter, maar ook zijn houding tegenover haar zuster zoo nauwlettend gade te slaan, dat zij, eer die beiden elkaar meermalen hadden ontmoet, zich zekerheid zou hebben verschaft omtrent de vraag, wie hij was, en wat hij wilde. Mocht de uitslag van hare waarnemingen ongunstig zijn, dan was zij voornemens, in elk geval haar zuster de oogen te openen; zoo niet, dan zou zij haar kracht op andere wijze moeten inspannen,—zij zou dan moeten pogen, elke zelfzuchtige vergelijking te vermijden, en alle droefheid te verbannen, die haar voldoening over Marianne’s geluk verminderen kon.Drie dagen duurde de reis, en Marianne’s gedrag gedurende dien tijd was een merkwaardig staaltje van ’t geen voor het vervolg, op het punt van inschikkelijkheid en voorkomendheid jegens Mevrouw Jennings van haar te wachten viel. Bijna voortdurend zat zij zwijgend in gedachten verzonken, zonder ooit uit zichzelve een woord te spreken,tenzij de schilderachtige schoonheid van de omgeving haar een uitroep van verrukking ontlokte, die uitsluitend tot haar zuster gericht was. Om haar gedrag goed te maken, aanvaardde Elinor dus onmiddellijk de taak der beleefdheid, die zij zichzelve reeds had opgedragen; gedroeg zich tegenover Mevrouw Jennings met de grootste voorkomendheid, praatte en lachte met haar, en luisterde zoo goed zij kon naar haar verhalen; terwijl Mevrouw Jennings van haar kant beiden allervriendelijkst behandelde, zooveel in haar vermogen was zorgde voor hun gemak en genoegen, en alleen maar betreurde, dat zij hen in de hotels hun eigen maaltijden niet kon laten kiezen, en hun met geen mogelijkheid de bekentenis kon afpersen, of zij de voorkeur gaven aan zalm boven kabeljauw, of aan gekookte kip boven kalfscoteletten. Zij kwamen den derden dag om drie uur in Londen aan, blijde niet langer in een rijtuig te zijn opgesloten na zulk een lange reis, en zich bij voorbaat verheugend op de behagelijkheid van een helder brandend haardvuur.Het huis was mooi, en mooi ingericht, en de jonge dames werden aanstonds naar een zeer gezellige eigen zitkamer gebracht. Het was vroeger Charlotte’s kamer geweest, en boven den schoorsteenmantel hing nog een landschap in gekleurde zijde, door haar geborduurd, als een bewijs dat zij niet zonder resultaat zeven jaren in een deftige Londensche kostschool had doorgebracht. Daar zij eerst twee uren na hun aankomst zouden dineeren, besloot Elinor in dien tusschentijd aan haar moeder te schrijven, en ging zitten om haar brief te beginnen. Een oogenblik later volgde Marianne haar voorbeeld.“Ikschrijf naar huis, Marianne,” zei Elinor, “zou jij niet liever nog een paar dagen wachten met een brief?”“Ik schrijf niet aan moeder,” antwoorddeMarianne haastig, alsof zij wenschte verder navragen te vermijden.Elinor zei niets meer; zij begreep dadelijk, dat Marianne aan niemand anders kon schrijven dan aan Willoughby, en even onmiddellijk leidde zij hieruit af, dat die twee, al verkozen zij nu eenmaal geheimzinnig te doen, in elk geval verloofd moesten zijn. Die overtuiging, ofschoon niet volkomen bevredigend, schonk haar toch genoegen, en zij ging iets opgewekter voort met haar brief. Die van Marianne was in een paar minuten gereed; het kon niet meer dan een kort briefje zijn; zij vouwde, verzegelde en adresseerde het in groote haast. Elinor meende een groote W. te onderscheiden in het adres; maar zoodra het geschreven was, vroeg Marianne reeds aan den bediende die op haar bellen verscheen, den brief voor haar op de post te bezorgen, zoodat alles in een oogwenk was beslist.Marianne bleef nog steeds bijna overdreven vroolijk, maar er was iets gejaagds in haar manier van zijn, dat haar zuster belette zich over haar opgewektheid te verheugen; en die gejaagdheid nam toe, naarmate de avond verstreek. Zij had in ’t geheel geen eetlust, en toen zij naar den salon waren teruggegaan, scheen zij angstig te luisteren naar het geluid van ieder rijtuig.Elinor was uiterst dankbaar, dat Mevrouw Jennings, die veel in haar eigen kamer bezig was, weinig bespeurde van ’t geen er voorviel. Het theeservies werd binnengebracht, en reeds was Marianne meermalen teleurgesteld geworden door een kloppen aan eene naburige deur, toen plotseling een luide klop werd vernomen, die hun huis gold en geen ander; daarin konden zij zich niet vergissen. Elinor dacht stellig, dat Willoughby elk oogenblik kon binnenkomen; Marianne sprong op, en deed een paar stappen naar de deur. Alles bleef stil; langer dan een paar seconden kon zij dat niet verdragen; zij opende de deur, liep een eindnaar de trap, en keerde, na een oogenblik te hebben geluisterd, in de kamer terug, zóó opgewonden, als zij slechts kon zijn door de zekerheid, hem werkelijk te hebben gehoord. In haar verrukking kon zij niet nalaten uit te roepen: “O Elinor, ’t is waar; het is Willoughby!” en zij scheen op het punt zich in zijn armen te willen werpen, toen Kolonel Brandon binnentrad.De schok was te hevig om met kalmte te worden verdragen, en zij ging onmiddellijk de kamer uit. Elinor was ook teleurgesteld, maar haar genegenheid voor Kolonel Brandon deed haar zijn bezoek toch welkom zijn, en het speet haar bijzonder, dat deze man, die zooveel van hare zuster hield, moest bemerken, dat zij bij zijn weêrzien niets dan verdriet en teleurstelling gevoelde. Zij bespeurde aanstonds, dat hij het wel had opgemerkt; dat hij Marianne zelfs oplettend aanzag, toen zij de kamer verliet, met zóóveel verwondering en spijt, dat hij bijna vergat, wat de beleefdheid jegens haarzelve van hem vorderde. “Is uw zuster niet wel?” vroeg hij.Elinor antwoordde half verlegen, half treurig, dat dit het geval was, en sprak van hoofdpijn, gedruktheid, over-vermoeienis, en allerlei meer, waaraan zij haar zuster’s gedrag redelijkerwijze kon toeschrijven.Hij hoorde haar ernstig en aandachtig aan; maar scheen zichzelf thans weer meester, en ging niet op het onderwerp door, doch begon dadelijk over het genoegen, dat het hem deed, hen in Londen te ontmoeten, en deed de gewone vragen naar hunne reis, en de vrienden, die zij hadden achtergelaten.Op dien kalmen en vriendelijken toon, doch zonder veel belangstelling van weerskanten, zetten zij het gesprek voort, beiden ontstemd, en beiden met hun gedachten elders. Elinor zou zeer gaarne hebben gevraagd of Willoughby in de stad was;maar zij vreesde hem verdriet te doen, door te vragen naar zijn medeminnaar, en eindelijk vroeg zij, om maar iets te zeggen, of hij in Londen was gebleven, sedert zij elkaar het laatst hadden gezien. “Ja,” antwoordde hij, ietwat verlegen, “bijna altijd; ik ben nog een paar malen te Delaford geweest een dag of wat, maar ik kon onmogelijk te Barton terugkomen.”Die woorden, en de wijze waarop hij ze zeide, brachten haar onmiddellijk de omstandigheden voor den geest, waaronder hij hen had verlaten; evenals de ongerustheid en de vermoedens, die zijn vertrek bij Mevrouw Jennings had gewekt, en zij vreesde, dat zij door hare vraag veel meer nieuwsgierigheid had laten blijken naar dit onderwerp, dan zij ooit gevoeld had.Spoedig kwam nu ook Mevrouw Jennings binnen. “Wel, Kolonel,” zei ze, met haar gewone luidruchtige vroolijkheid, “ik ben reusachtig blij, dat ik u zie,—’t spijt me, dat ik niet eerder beneden kwam,—neem het mij niet kwalijk; maar ik moest volstrekt alles een beetje nagaan, en orde stellen op mijn zaakjes, want ik ben lang van huis geweest en u weet hoe dat gaat, men heeft dan van alles en nog wat te beredderen, als men terug komt; ik heb Cartwright ook nog bij me gehad, om over zaken te spreken. Ik ben sedert na den eten onafgebroken in touw! Maar vertel mij eens, Kolonel, hoe hebt u dat zoo precies kunnen raden, dat ik vandaag weer in de stad kwam?”“Ik hoorde het tot mijn groot genoegen van Mevrouw Palmer, bij wie ik gedineerd heb.”“Zoo, zoo, en hoe maken de kinderen het wel? Hoe gaat het met Charlotte? Die zal er wel niet magerder op zijn geworden, denk ik.”“Mevrouw Palmer maakte het, naar ’t mij voorkwam, heel goed, en zij droeg mij op, u te vertellen, dat ze u stellig morgen komt bezoeken.”“Natuurlijk; dat dacht ik al. Wel, Kolonel, uziet, ik heb twee jonge dames meegebracht; dat is te zeggen, u ziet er nu maar eene van, maar er is ook nog een andere. Uw vriendin Juffrouw Marianne is hier ook,—daar zult u wel niet op tegen hebben. Ik weet niet wat we nu wel zullen te doen krijgen over haar tusschen u en Mijnheer Willoughby. Ja, ja, ’t is lang niet onaardig, om jong en mooi te zijn. Nu, ik ben ook eenmaal jong geweest; maar mooi was ik nooit—jammer genoeg voor mij. En toch heb ik een besten man gekregen; méér kan zelfs de grootste schoonheid niet. Hij is nu al meer dan acht jaar dood, die goeie man. Maar, Kolonel, waar hebt u nu wel gezeten sinds we afscheid namen? En hoe staat het met uw zaken? Kom, kom, onder vrienden behoeven we geen geheimen te hebben voor elkaar.”Hij beantwoordde al haar vragen met zijn gewone zachtaardigheid; maar voldeed haar op geen enkel punt. Elinor ging nu thee zetten, en Marianne moest wel weer binnenkomen. Kolonel Brandon was na haar komst nadenkender en stiller dan te voren, en Mevrouw Jennings kon hem niet bewegen, lang te blijven. Dien avond kwam er geen ander bezoek, en de dames waren eensgezind in hun verlangen om vroeg naar bed te gaan.Bij het opstaan was Marianne’s stemming verbeterd, en zij keek weer vroolijk. De teleurstelling van den vorigen avond scheen vergeten door de verwachting van wat deze dag brengen zou. Kort na het ontbijt reeds hield Mevrouw Palmer’s rijtuig voor de deur stil, en een paar minuten later kwam zij lachend de kamer binnen, zoo verrukt hen allen weer te zien, dat men moeilijk kon nagaan, wat haar het meest plezier deed, haar moeder of de dames Dashwood weer te ontmoeten. Zoo verbaasd dat ze toch naar de stad gekomen waren, hoewel ze ’t eigenlijk nooit anders verwacht had; en zoo boos, dat ze haar moeder’s uitnoodiging hadden aangenomen, na de hare te hebben geweigerd,hoewel ze ’t hun tòch nooit zou hebben vergeven als zenietgekomen waren!“’t Zal mijn man zooveel pleizier doen, u te zien,” zei ze; “wat denkt u wel, dat hij zei, toen hij hoorde, dat u met mama meekwam? Ik kan ’t mij op ’t oogenblik niet goed meer herinneren; maar ’t was iets héél grappigs!”Nadat een paar uren waren gesleten met wat haar moeder “gezellig babbelen” noemde, anders gezegd met een eindelooze reeks van vragen naar alle mogelijke kennissen van den kant van Mevrouw Jennings, en aanhoudend gelach zonder reden van dien van Mevrouw Palmer, stelde de laatste voor, dat ze allen met haar zouden meegaan naar een paar winkels, waar zij dien morgen boodschappen wilde doen; waartoe Mevrouw Jennings en Elinor, die ook het een en ander wenschten te koopen, gaarne bereid waren, terwijl Marianne, die eerst weigerde, werd overgehaald om ook te gaan.Waarheen ze zich ook begaven, zij bleef blijkbaar aanhoudend op den uitkijk. In Bondstreet vooral, waar zij het meest te doen hadden, dwaalden haar blikken voortdurend rond, en welken winkel het gezelschap ook binnenging, haar geest was nergens bij hetgeen zij feitelijk vóór zich zag, bij al wat de aandacht der anderen boeide en bezighield. Overal rusteloos en onvoldaan als zij was, kon haar zuster haar nooit een oordeel ontlokken over eenige koopwaar, ook al had zij er zelve evenveel belang bij als Elinor. Zij had nergens pleizier in; verlangde alleen maar, weer naar huis te gaan, en kon slechts met moeite haar ergernis bedwingen over het getreuzel van Mevrouw Palmer, die al wat mooi, duur en nieuw was, onmiddellijk in het oog kreeg, in haar opgewondenheid alles wilde koopen, nooit een keus kon doen, en in verrukte weifelmoedigheid haar tijd verbeuzelde.De morgen was al bijna verstreken toen zij thuis kwamen; zoodra de deur openging vloog Mariannehaastig naar boven, en toen Elinor haar gevolgd was, zag zij hoe haar zuster zich van de tafel afwendde, met een droevig gezicht, waarop duidelijk stond te lezen, dat Willoughby er niet geweest was.“Is er geen brief voor mij gekomen, nadat wij uitgingen?” zei ze tot den bediende, die de pakjes binnenbracht. Deze antwoordde ontkennend. “Weet je het zeker!” vroeg zij. “Heeft geen knecht of geen kruier een briefje gebracht?”De knecht antwoordde dat dit niet het geval was.“Hoe allervreemdst,” zei ze zachtjes op teleurgestelden toon, terwijl zij naar het venster ging.“Ja waarlijk, wèl vreemd,” herhaalde Elinor in stilte, terwijl ze haar zuster met bezorgdheid aanzag. “Als zij niet had geweten, dat hij in de stad was, dan zou ze niet aan hem hebben geschreven zooals ze deed; dan had ze geschreven naar Combe Magna, en als hij in de stadis, hoe zonderling dan, dat hij niet komt, en ook niet schrijft! O mijn beste moeder, het kan niet anders dan verkeerd zijn, een dochter die nog zoo jong is, toe te staan, zich te verloven met een man van wien wij zoo weinig weten, en dat op zulk een twijfelachtige geheimzinnige manier!Ikverlang navraag te doen; maar hoe zalmijntusschenkomst worden opgenomen?”Na eenige overweging besloot zij, wanneer deze onaangename toestand nog eenige dagen langer mocht voortduren, haar moeder met den meesten nadruk onder het oog te brengen, hoe noodzakelijk het was ernstig navraag te doen.Mevrouw Palmer bleef bij hen eten, met twee oudere dames, goede bekenden van Mevrouw Jennings, die zij dien morgen had ontmoet. De eerste ging na de thee heen, om verder avondbezoeken af te leggen, en Elinor moest haar plaats innemen met de anderen om de whist-tafel. Marianne kon bij dergelijke gelegenheden nooit van dienst zijn, daar zij het spel niet had willen leeren;maar al kon zij haar tijd dus gebruiken zooals zij wilde, deze avond verschafte haar even weinig genoegen als aan Elinor, want zij sleet dien in angstige verwachting en grievende teleurstelling. Soms trachtte ze een paar minuten te lezen; maar het boek werd spoedig terzijde geworpen, en zij keerde terug tot de meer bevredigende bezigheid van de kamer op en neer te loopen, waarbij ze telkens even bleef stilstaan, als zij bij het venster gekomen was, in de hoop den langverwachten klop te onderscheiden.—
Hoofdstuk XXIIIHoe weinig Elinor ook in het algemeen waagde te bouwen op Lucy’s waarheidlievende gezindheid, bij ernstig nadenken was het haar onmogelijk, Lucy in dit geval van bedrog te verdenken, terwijl geenerlei verleiding kon aansprakelijk gesteld worden voor de dwaasheid, een dergelijke leugen te verzinnen. Wat Lucy voor waar had verklaard, kon, neen durfde Elinor niet langer betwijfelen, gesteund als die verklaring werd door zulk een menigte van waarschijnlijkheden en bewijzen, en door niets weersproken dan door haar eigen wensch. De gelegenheid tot kennismaking ten huize van den Heer Pratt vormde een grondslag voor al het overige, zoowel onbetwistbaar als onrustbarend, en Edward’s bezoek in de buurt van Plymouth, zijn droefgeestige stemming, zijn onvoldaanheid over zijne vooruitzichten, zijn onzekere houding tegenover haarzelve, de nauwkeurige bekendheid van de dames Steele met Norland en hun familie-relaties, die haar dikwijls had bevreemd, het portret, de brief, de ring, dit alles tezamen genomen vormde een aaneenschakeling van bezwarende getuigenissen, die ten eenenmale de vrees te niet deed, hem ten onrechte te veroordeelen, en die duidelijk in het licht stelde, als een feit, door geen partijdigheid te verbloemen, dat hij haarzelve slecht behandeld had. Haar afkeer van zulk een gedrag, haar verontwaardiging, dat zij daarvan het slachtoffer was geworden, deden haar een tijdlang enkel voor zichzelve gevoelen; doch spoedig kwamen andere gedachten, andere beschouwingen bij haar op. Had Edward haar met opzet misleid? Had hij voorhaar een genegenheid geveinsd, die hij niet gevoelde? Was zijne verloving met Lucy eene verbintenis van het hart? Neen, wat het ook ooit mocht geweest zijn, dat het dit thans nog was, kon zij niet gelooven. Zijn genegenheid gold haar, en haar alléén. Daarin kon zij zich niet vergissen. Haar moeder, haar zusters, Fanny, allen hadden te Norland begrepen hoe hij haar waardeerde; het was geen begoocheling van haar eigen ijdelheid. Hij had haar lief; dat was zeker. Hoezeer verzachtte die overtuiging haar gemoed! Hoeveel bewoog zij haar niet te vergeven! Het was verkeerd, zeer verkeerd van hem geweest te Norland te blijven, nadat zij voor het eerst gevoelde, hoe haar invloed op hem grooter was dan die behoorde te zijn. In dàt opzicht was hij niet te verdedigen; maar zoo hij haar al kwaad had gedaan, hoeveel meer kwaad deed hij zichzelf! Mocht háár toestand dan al beklagenswaard genoemd worden, de zijne was hopeloos. Zijn onbedachtzaamheid had háár een tijdlang ongelukkig doen zijn; doch hemzelf scheen zij voor altoos de kans op geluk te hebben benomen.Zijzou na verloop van tijd misschien haar rust herwinnen; dochhij, hoe zag hij de toekomst in? Zou hij ooit ook maar dragelijk gelukkig kunnen zijn met Lucy Steele? Zou hij, zijn genegenheid voor haarzelve nog daargelaten, met zijn rechtschapen gemoed, zijn kiesch gevoel en ontwikkelden geest, tevreden kunnen zijn met een vrouw als zij, onwetend, onbetrouwbaar en zelfzuchtig?De jeugdige verliefdheid van een jongen van negentien had hem natuurlijk verblind voor alles, behalve haar schoonheid en haar oppervlakkige goedhartigheid; maar de vier volgende jaren,—jaren die, bij redelijk gebruik, zooveel bijdragen tot de vorming van het begrip, moesten zijn oogen hebben geopend voor de leemten in hare opvoeding; terwijl zij in dat zelfde tijdsverloop door het samenzijn met personen van geringe ontwikkelingen het najagen van luchthartig vermaak, misschien den eenvoud had verloren, die eertijds hare schoonheid meerdere bekoring kon hebben verleend.En indien, gesteld al dat hij haarzelve had willen huwen, de moeilijkheden, hem door zijn moeder in den weg gelegd, reeds groot hadden geschenen, hoeveel grooter zouden zij thans niet zijn, nu het voorwerp zijner keuze ongetwijfeld van minder goede familie en waarschijnlijk minder gefortuneerd was dan zijzelve! Die moeilijkheden zouden allicht, nu zijn hart reeds zoozeer van Lucy was vervreemd, zijn geduld niet zeer zwaar op de proef stellen; doch hoe droevig was niet de toestand van hem, in wien de verwachting van tegenstand en onhartelijkheid van de zijde zijner naaste verwanten niet anders dan een gevoel van verlichting wekken kon!Naarmate deze overwegingen zich in pijnigende opeenvolging aan haar opdrongen, golden hare tranen meer hèm, dan haar eigen smart. Gesteund door de overtuiging, dat zij haar tegenwoordige droefenis niet aan zich zelve had te wijten, en getroost in het geloof, dat Edward niets had gedaan om hare achting te verbeuren, meende zij zelfs nu, onder de eerste felle pijn na den zwaren slag, zichzelve genoeg te kunnen beheerschen, om bij haar moeder en zusters ook niet het geringste vermoeden van de waarheid te laten opkomen. En zóó wel bleek zij in staat aan haar eigen verwachting te beantwoorden, dat niemand, toen zij met de anderen aan tafel ging, twee uren slechts na de verijdeling van al haar vurigste verlangens, uit het voorkomen der beide zusters zou hebben afgeleid dat Elinor in stilte treurde over beletselen, die haar voor altijd moesten gescheiden houden van het voorwerp harer liefde, terwijl Marianne zich inwendig vermeide in de volmaaktheid van den man, wiens geheele hart zij onverdeeld waande te bezitten, en dien zij verwachtte te zien in ieder rijtuig dat hun huis voorbijreed.De noodzakelijkheid, voor haar moeder en Marianne te verbergen, wat haar in vertrouwen was medegedeeld, verzwaarde Elinor’s lijden niet, al werd zij erdoor gedwongen tot voortdurende inspanning. Integendeel, het was haar een verlichting voor hen te kunnen verzwijgen wat hun zooveel verdriet zou doen en tevens zich verschoond te zien van het aanhooren hunner veroordeeling van Edward, die waarschijnlijk zou voortspruiten uit overmaat van partijdige genegenheid voor haarzelve, doch die thans méér zou zijn, dan zij verdragen kon.Zij wist, aan hun raadgevingen of hun gesprekken kon zij geen steun ontleenen; hun medegevoel en hun verdriet zouden haar smart nog vermeerderen; terwijl haar zelfbedwang noch door hun voorbeeld, noch door hun lof zou worden aangemoedigd. Zij was krachtiger alleen, en haar eigen rustig inzicht hield haar zóó wel staande, dat haar vastheid zoo ongeschokt, haar vertoon van opgewektheid zoo onveranderlijk bleef, als mogelijk was na het bitter leed, dat haar zoo grievend en nog maar zoo kort geleden had getroffen.Hoeveel pijn haar ook dat eerste gesprek met Lucy over het onderwerp had veroorzaakt, zij verlangde weldra ernstig, en om meer dan eene reden, het te hervatten. Zij verlangde vele bijzonderheden omtrent hun verloving nogmaals te hooren, zij wenschte duidelijker te begrijpen, wat Lucy inderdaad voor Edward gevoelde, of er eenige oprechtheid was in haar verklaring, dat zij hem innig liefhad, en vóór alles wenschte zij Lucy te overtuigen, door haar bereidwilligheid om weer over de zaak te beginnen, en haar kalmte bij het bespreken ervan, dat hare belangstelling een louter vriendschappelijke was, ’t geen zij vreesde door haar onwillekeurige gemoedsbeweging dien morgen van hun gesprek, althans twijfelachtig te hebben doen schijnen. Dat Lucy geneigd was, jaloersch vanhaar te zijn, scheen zeer waarschijnlijk; het bleek duidelijk dat Edward haar steeds ten zeerste had geprezen, niet alleen uit Lucy’s bewering, maar uit het feit, dat de laatste het waagde, haar, na zoo korte kennismaking, een geheim toe te vertrouwen, blijkbaar en volgens haar eigen getuigenis, van het grootste gewicht. En zelfs de schertsende toespelingen van Sir John konden niet zonder invloed zijn gebleven. Trouwens, terwijl Elinor inwendig zoo stellig verzekerd bleef, dat Edward haar werkelijk liefhad, behoefde zij zich niet in gissingen omtrent waarschijnlijkheden te verdiepen, om het zeer natuurlijk te achten, dat Lucy jaloersch zou zijn, en dat zij dit was, bewees haar vertrouwelijke mededeeling zelf. Welke andere reden kon er bestaan voor de onthulling van het geheim, dan dat Elinor erdoor zou worden verwittigd van Lucy’s recht, de eerste aanspraak op Edward te mogen doen gelden, en begrijpen zou, dat zij hem voor het vervolg diende te vermijden? Het viel haar niet moeilijk, althans zóóveel van de bedoelingen harer mededingster te vatten, en terwijl zij vast besloten was, zich jegens haar te gedragen volgens elk beginsel, dat eer en eerlijkheid haar voorschreef, haar eigen liefde voor Edward te bestrijden en hem zoo weinig mogelijk te ontmoeten, zij kon zich de voldoening niet ontzeggen, althans een poging te doen om Lucy te overtuigen, dat haar hart niet gewond was. En daar zij thans niets pijnlijkers meer omtrent dit onderwerp kon vernemen, dan wat haar reeds was medegedeeld, wantrouwde zij ook haar eigen vermogen niet, om een herhaling van alle bijzonderheden met kalmte aan te hooren.Maar eene gelegenheid hiertoe kon niet onmiddellijk of naar believen worden gevonden, hoewel Lucy even zeer als zijzelve geneigd was, van de eerste de beste gebruik te maken; want het weer was niet dikwijls mooi genoeg voor een gezamenlijke wandeling, waarbij zij zich het gemakkelijkst vande anderen konden afzonderen, en hoewel zij elkander bijna om den anderen avond, meestal op het Park, of anders in hun huisje ontmoetten, was er geen sprake van dat die samenkomsten plaats hadden met het doel eenig geregeld gesprek te voeren. Die gedachte kwam bij Sir John of Lady Middleton zelfs niet op; en daardoor werd den gasten zeer weinig tijd gelaten voor een algemeen gesprek, en voor een tête à tête in het geheel niet. Zij kwamen bijeen om met elkaar te eten, te drinken en luidruchtig vroolijk te zijn, bij kaart- of pandspel, of eenig ander vermaak, dat genoeg leven maakte. Reeds een paar malen hadden dergelijke gezellige bijeenkomsten plaats gehad, zonder Elinor eenige gelegenheid te bieden tot een afzonderlijk gesprek met Lucy, toen Sir John op een morgen naar Barton Cottage kwam, om hen te verzoeken, of zij uit menschlievendheid met hen allen dien dag bij Lady Middleton wilden komen eten, daar hij een vergadering van zijn club te Exeter moest bijwonen, en zij dus anders geheel alleen zou zijn met haar moeder en de beide dames Steele. Elinor, die begreep, dat zij beter kans had, haar doel te bereiken in een gezelschap, zooals dit waarschijnlijk zou zijn, vrijer in hun bewegingen onder elkaar onder de rustige en beschaafde leiding van Lady Middleton, dan wanneer haar echtgenoot hen allen vereenigde tot dat ééne doel, veel leven maken, nam de uitnoodiging dadelijk aan; Margaret was, met haar moeder’s goedvinden, eveneens bereid te komen, en Marianne, ofschoon steeds ongeneigd aan deze bijeenkomsten deel te nemen, liet zich door haar moeder, die niet kon verdragen, dat zij zich onttrok aan elke gelegenheid tot onschuldig vermaak, overhalen om insgelijks te gaan. De jonge dames gingen dus alle drie, en Lady Middleton werd gelukkig bewaard voor de ontzettende verlatenheid, die haar bedreigd had. De vervelendheid van de visite was volkomen zooals Elinor reedshad verwacht; zij leverde niet het minste onvoorziene, in gedachte noch uitdrukking, en niets kon onbelangrijker zijn dan het geheele gesprek dat gevoerd werd in eetkamer en salon; naar de laatste gingen de kinderen mede; en zoolang zij daar bleven was zij te vast overtuigd van de onmogelijkheid om Lucy’s aandacht te vergen, dan dat zij daartoe een poging zou hebben aangewend. De kleinen gingen heen toen het theegoed werd weggebracht; daarop kwamen de speeltafeltjes voor den dag, en Elinor begon zich reeds met verwondering af te vragen, hoe zij ooit de hoop had kunnen koesteren, op het Park tijd te vinden voor eenig gesprek. Allen stonden op, om straks een gemeenschappelijk kaartspelletje te beginnen.“Ik ben blij,” zei Lady Middleton tot Lucy, “dat je van avond niet dat mandje voor ons lieve Annemarietje gaat afmaken; want ik geloof stellig dat het verkeerd voor je oogen zou zijn met dat fijne zilverdraad te werken bij kaarslicht. We zullen wel iets vinden om het lieve kind te troosten morgen over haar teleurstelling; ik hoop dat ze ’t zich niet te erg zal aantrekken.”Die lichte aanwijzing was voldoende; Lucy was onmiddellijk op haar hoede en antwoordde: “Neen, neen, u hebt het mis; ik wachtte alleen maar om te weten, of u mij ook noodig hadt bij uw spelletje, anders was ik al aan het werk geweest. Ik zou voor geen geld van de wereld het lieve engeltje teleurstellen; en als u mij nu liever aan de speeltafel zet, dan maak ik het mandje af na het souper.”“’t Is heel vriendelijk van je, ik hoop dat je niet je oogen ermee zult bederven; wil je dan wel bellen om meer kaarsen? Mijn lieve kleintje zou wèl bitter teleurgesteld zijn, als het mandje morgen niet af was; want ik zei haar wel, dat het stellig niet klaar kwam, maar zij rekent erop, dat dit wèl gebeurt.”Lucy zette dadelijk haar werktafeltje naast zichneer en ging weer zitten, zoo vergenoegd en ijverig, alsof ze toonen wilde, dat ze geen grooter genot kon smaken dan een mandje van zilverdraad te vlechten voor een bedorven kind.Lady Middleton stelde den anderen een spelletje casino voor. Niemand maakte eenige tegenwerping behalve Marianne, die met haar gewone veronachtzaming van beleefde omgangsvormen, uitriep: “U wilt wel zoo goed zijn,mijte verontschuldigen; ik heb een hekel aan kaartspelen, zooals u weet. Ik ga maar eens aan de piano; ik heb er nog niet op gespeeld sedert die ’t laatst gestemd is.” En zonder verdere plichtplegingen keerde zij zich om en stapte op de piano af.Lady Middleton keek, alsof zij den hemel dankte, datzijnooit iets zóó onbeleefds had gezegd.“U weet wel, mevrouw, Marianne kan nooit lang van haar dierbaar instrument afblijven,” zei Elinor, met een poging om Marianne’s vergrijp weer goed te maken, “en dat verwondert mij niet, want uw piano is de mooiste van toon, die ik ooit heb gehoord.”De vijf andere dames zouden nu hun kaarten ter hand nemen.“Misschien,” ging Elinor voort, “zou ik, wanneer ik toevallig mocht uitvallen, juffrouw Lucy wel kunnen helpen; want er is nog zooveel aan het mandje te doen, dat zij, wanneer ze het alleen zou ondernemen, ’t onmogelijk van avond zou kunnen afkrijgen. Ik vind het prettig werk; als zij mij wil toestaan, eraan mee te doen?”“O ja,” riep Lucy; “daarmee zoudt u mij een grooten dienst bewijzen; want ik zie wel, dat er nog méér aan te doen valt, dan ik had gedacht, en ’t zou toch te erg zijn, die lieve Annemarie te moeten teleurstellen.”“Och,datzou verschrikkelijk zijn,” zei de oudste Juffrouw Steele. “Dat lieve schatje, ik ben zoo dol op haar!”“’t Is heel vriendelijk van je,” zei Lady Middleton tegen Elinor, “en omdat je ’t werk bepaald prettig vindt, kan ’t je misschien niet schelen om dit spelletje over te slaan, of wil je liever eerst nog meedoen?”Elinor maakte met genoegen gebruik van het eerste voorstel, en zoodoende, met een weinigje van die handigheid, die Marianne steeds versmaadde in praktijk te brengen, kreeg zij haar eigen zin, terwijl ze meteen Lady Middleton pleizier deed. Lucy maakte bereidwillig plaats voor haar, en de twee bevallige mededingsters zaten dus naast elkaar aan de zelfde tafel, in de grootste eendracht bezig aan de voltooiing van een gemeenschappelijk werk. De piano, waarbij Marianne, verdiept in haar eigen muziek en haar eigen gedachten, reeds vergeten had, dat er iemand in het vertrek was behalve zijzelve, stond gelukkig zoo dicht bij hen, dat Elinor thans, onder de bescherming van haar luide klanken, geloofde, dat zij veilig het belangwekkende onderwerp kon aanroeren, zonder de kans te loopen, dat men hen aan de speeltafel zou kunnen verstaan.
Hoe weinig Elinor ook in het algemeen waagde te bouwen op Lucy’s waarheidlievende gezindheid, bij ernstig nadenken was het haar onmogelijk, Lucy in dit geval van bedrog te verdenken, terwijl geenerlei verleiding kon aansprakelijk gesteld worden voor de dwaasheid, een dergelijke leugen te verzinnen. Wat Lucy voor waar had verklaard, kon, neen durfde Elinor niet langer betwijfelen, gesteund als die verklaring werd door zulk een menigte van waarschijnlijkheden en bewijzen, en door niets weersproken dan door haar eigen wensch. De gelegenheid tot kennismaking ten huize van den Heer Pratt vormde een grondslag voor al het overige, zoowel onbetwistbaar als onrustbarend, en Edward’s bezoek in de buurt van Plymouth, zijn droefgeestige stemming, zijn onvoldaanheid over zijne vooruitzichten, zijn onzekere houding tegenover haarzelve, de nauwkeurige bekendheid van de dames Steele met Norland en hun familie-relaties, die haar dikwijls had bevreemd, het portret, de brief, de ring, dit alles tezamen genomen vormde een aaneenschakeling van bezwarende getuigenissen, die ten eenenmale de vrees te niet deed, hem ten onrechte te veroordeelen, en die duidelijk in het licht stelde, als een feit, door geen partijdigheid te verbloemen, dat hij haarzelve slecht behandeld had. Haar afkeer van zulk een gedrag, haar verontwaardiging, dat zij daarvan het slachtoffer was geworden, deden haar een tijdlang enkel voor zichzelve gevoelen; doch spoedig kwamen andere gedachten, andere beschouwingen bij haar op. Had Edward haar met opzet misleid? Had hij voorhaar een genegenheid geveinsd, die hij niet gevoelde? Was zijne verloving met Lucy eene verbintenis van het hart? Neen, wat het ook ooit mocht geweest zijn, dat het dit thans nog was, kon zij niet gelooven. Zijn genegenheid gold haar, en haar alléén. Daarin kon zij zich niet vergissen. Haar moeder, haar zusters, Fanny, allen hadden te Norland begrepen hoe hij haar waardeerde; het was geen begoocheling van haar eigen ijdelheid. Hij had haar lief; dat was zeker. Hoezeer verzachtte die overtuiging haar gemoed! Hoeveel bewoog zij haar niet te vergeven! Het was verkeerd, zeer verkeerd van hem geweest te Norland te blijven, nadat zij voor het eerst gevoelde, hoe haar invloed op hem grooter was dan die behoorde te zijn. In dàt opzicht was hij niet te verdedigen; maar zoo hij haar al kwaad had gedaan, hoeveel meer kwaad deed hij zichzelf! Mocht háár toestand dan al beklagenswaard genoemd worden, de zijne was hopeloos. Zijn onbedachtzaamheid had háár een tijdlang ongelukkig doen zijn; doch hemzelf scheen zij voor altoos de kans op geluk te hebben benomen.Zijzou na verloop van tijd misschien haar rust herwinnen; dochhij, hoe zag hij de toekomst in? Zou hij ooit ook maar dragelijk gelukkig kunnen zijn met Lucy Steele? Zou hij, zijn genegenheid voor haarzelve nog daargelaten, met zijn rechtschapen gemoed, zijn kiesch gevoel en ontwikkelden geest, tevreden kunnen zijn met een vrouw als zij, onwetend, onbetrouwbaar en zelfzuchtig?
De jeugdige verliefdheid van een jongen van negentien had hem natuurlijk verblind voor alles, behalve haar schoonheid en haar oppervlakkige goedhartigheid; maar de vier volgende jaren,—jaren die, bij redelijk gebruik, zooveel bijdragen tot de vorming van het begrip, moesten zijn oogen hebben geopend voor de leemten in hare opvoeding; terwijl zij in dat zelfde tijdsverloop door het samenzijn met personen van geringe ontwikkelingen het najagen van luchthartig vermaak, misschien den eenvoud had verloren, die eertijds hare schoonheid meerdere bekoring kon hebben verleend.
En indien, gesteld al dat hij haarzelve had willen huwen, de moeilijkheden, hem door zijn moeder in den weg gelegd, reeds groot hadden geschenen, hoeveel grooter zouden zij thans niet zijn, nu het voorwerp zijner keuze ongetwijfeld van minder goede familie en waarschijnlijk minder gefortuneerd was dan zijzelve! Die moeilijkheden zouden allicht, nu zijn hart reeds zoozeer van Lucy was vervreemd, zijn geduld niet zeer zwaar op de proef stellen; doch hoe droevig was niet de toestand van hem, in wien de verwachting van tegenstand en onhartelijkheid van de zijde zijner naaste verwanten niet anders dan een gevoel van verlichting wekken kon!
Naarmate deze overwegingen zich in pijnigende opeenvolging aan haar opdrongen, golden hare tranen meer hèm, dan haar eigen smart. Gesteund door de overtuiging, dat zij haar tegenwoordige droefenis niet aan zich zelve had te wijten, en getroost in het geloof, dat Edward niets had gedaan om hare achting te verbeuren, meende zij zelfs nu, onder de eerste felle pijn na den zwaren slag, zichzelve genoeg te kunnen beheerschen, om bij haar moeder en zusters ook niet het geringste vermoeden van de waarheid te laten opkomen. En zóó wel bleek zij in staat aan haar eigen verwachting te beantwoorden, dat niemand, toen zij met de anderen aan tafel ging, twee uren slechts na de verijdeling van al haar vurigste verlangens, uit het voorkomen der beide zusters zou hebben afgeleid dat Elinor in stilte treurde over beletselen, die haar voor altijd moesten gescheiden houden van het voorwerp harer liefde, terwijl Marianne zich inwendig vermeide in de volmaaktheid van den man, wiens geheele hart zij onverdeeld waande te bezitten, en dien zij verwachtte te zien in ieder rijtuig dat hun huis voorbijreed.
De noodzakelijkheid, voor haar moeder en Marianne te verbergen, wat haar in vertrouwen was medegedeeld, verzwaarde Elinor’s lijden niet, al werd zij erdoor gedwongen tot voortdurende inspanning. Integendeel, het was haar een verlichting voor hen te kunnen verzwijgen wat hun zooveel verdriet zou doen en tevens zich verschoond te zien van het aanhooren hunner veroordeeling van Edward, die waarschijnlijk zou voortspruiten uit overmaat van partijdige genegenheid voor haarzelve, doch die thans méér zou zijn, dan zij verdragen kon.
Zij wist, aan hun raadgevingen of hun gesprekken kon zij geen steun ontleenen; hun medegevoel en hun verdriet zouden haar smart nog vermeerderen; terwijl haar zelfbedwang noch door hun voorbeeld, noch door hun lof zou worden aangemoedigd. Zij was krachtiger alleen, en haar eigen rustig inzicht hield haar zóó wel staande, dat haar vastheid zoo ongeschokt, haar vertoon van opgewektheid zoo onveranderlijk bleef, als mogelijk was na het bitter leed, dat haar zoo grievend en nog maar zoo kort geleden had getroffen.
Hoeveel pijn haar ook dat eerste gesprek met Lucy over het onderwerp had veroorzaakt, zij verlangde weldra ernstig, en om meer dan eene reden, het te hervatten. Zij verlangde vele bijzonderheden omtrent hun verloving nogmaals te hooren, zij wenschte duidelijker te begrijpen, wat Lucy inderdaad voor Edward gevoelde, of er eenige oprechtheid was in haar verklaring, dat zij hem innig liefhad, en vóór alles wenschte zij Lucy te overtuigen, door haar bereidwilligheid om weer over de zaak te beginnen, en haar kalmte bij het bespreken ervan, dat hare belangstelling een louter vriendschappelijke was, ’t geen zij vreesde door haar onwillekeurige gemoedsbeweging dien morgen van hun gesprek, althans twijfelachtig te hebben doen schijnen. Dat Lucy geneigd was, jaloersch vanhaar te zijn, scheen zeer waarschijnlijk; het bleek duidelijk dat Edward haar steeds ten zeerste had geprezen, niet alleen uit Lucy’s bewering, maar uit het feit, dat de laatste het waagde, haar, na zoo korte kennismaking, een geheim toe te vertrouwen, blijkbaar en volgens haar eigen getuigenis, van het grootste gewicht. En zelfs de schertsende toespelingen van Sir John konden niet zonder invloed zijn gebleven. Trouwens, terwijl Elinor inwendig zoo stellig verzekerd bleef, dat Edward haar werkelijk liefhad, behoefde zij zich niet in gissingen omtrent waarschijnlijkheden te verdiepen, om het zeer natuurlijk te achten, dat Lucy jaloersch zou zijn, en dat zij dit was, bewees haar vertrouwelijke mededeeling zelf. Welke andere reden kon er bestaan voor de onthulling van het geheim, dan dat Elinor erdoor zou worden verwittigd van Lucy’s recht, de eerste aanspraak op Edward te mogen doen gelden, en begrijpen zou, dat zij hem voor het vervolg diende te vermijden? Het viel haar niet moeilijk, althans zóóveel van de bedoelingen harer mededingster te vatten, en terwijl zij vast besloten was, zich jegens haar te gedragen volgens elk beginsel, dat eer en eerlijkheid haar voorschreef, haar eigen liefde voor Edward te bestrijden en hem zoo weinig mogelijk te ontmoeten, zij kon zich de voldoening niet ontzeggen, althans een poging te doen om Lucy te overtuigen, dat haar hart niet gewond was. En daar zij thans niets pijnlijkers meer omtrent dit onderwerp kon vernemen, dan wat haar reeds was medegedeeld, wantrouwde zij ook haar eigen vermogen niet, om een herhaling van alle bijzonderheden met kalmte aan te hooren.
Maar eene gelegenheid hiertoe kon niet onmiddellijk of naar believen worden gevonden, hoewel Lucy even zeer als zijzelve geneigd was, van de eerste de beste gebruik te maken; want het weer was niet dikwijls mooi genoeg voor een gezamenlijke wandeling, waarbij zij zich het gemakkelijkst vande anderen konden afzonderen, en hoewel zij elkander bijna om den anderen avond, meestal op het Park, of anders in hun huisje ontmoetten, was er geen sprake van dat die samenkomsten plaats hadden met het doel eenig geregeld gesprek te voeren. Die gedachte kwam bij Sir John of Lady Middleton zelfs niet op; en daardoor werd den gasten zeer weinig tijd gelaten voor een algemeen gesprek, en voor een tête à tête in het geheel niet. Zij kwamen bijeen om met elkaar te eten, te drinken en luidruchtig vroolijk te zijn, bij kaart- of pandspel, of eenig ander vermaak, dat genoeg leven maakte. Reeds een paar malen hadden dergelijke gezellige bijeenkomsten plaats gehad, zonder Elinor eenige gelegenheid te bieden tot een afzonderlijk gesprek met Lucy, toen Sir John op een morgen naar Barton Cottage kwam, om hen te verzoeken, of zij uit menschlievendheid met hen allen dien dag bij Lady Middleton wilden komen eten, daar hij een vergadering van zijn club te Exeter moest bijwonen, en zij dus anders geheel alleen zou zijn met haar moeder en de beide dames Steele. Elinor, die begreep, dat zij beter kans had, haar doel te bereiken in een gezelschap, zooals dit waarschijnlijk zou zijn, vrijer in hun bewegingen onder elkaar onder de rustige en beschaafde leiding van Lady Middleton, dan wanneer haar echtgenoot hen allen vereenigde tot dat ééne doel, veel leven maken, nam de uitnoodiging dadelijk aan; Margaret was, met haar moeder’s goedvinden, eveneens bereid te komen, en Marianne, ofschoon steeds ongeneigd aan deze bijeenkomsten deel te nemen, liet zich door haar moeder, die niet kon verdragen, dat zij zich onttrok aan elke gelegenheid tot onschuldig vermaak, overhalen om insgelijks te gaan. De jonge dames gingen dus alle drie, en Lady Middleton werd gelukkig bewaard voor de ontzettende verlatenheid, die haar bedreigd had. De vervelendheid van de visite was volkomen zooals Elinor reedshad verwacht; zij leverde niet het minste onvoorziene, in gedachte noch uitdrukking, en niets kon onbelangrijker zijn dan het geheele gesprek dat gevoerd werd in eetkamer en salon; naar de laatste gingen de kinderen mede; en zoolang zij daar bleven was zij te vast overtuigd van de onmogelijkheid om Lucy’s aandacht te vergen, dan dat zij daartoe een poging zou hebben aangewend. De kleinen gingen heen toen het theegoed werd weggebracht; daarop kwamen de speeltafeltjes voor den dag, en Elinor begon zich reeds met verwondering af te vragen, hoe zij ooit de hoop had kunnen koesteren, op het Park tijd te vinden voor eenig gesprek. Allen stonden op, om straks een gemeenschappelijk kaartspelletje te beginnen.
“Ik ben blij,” zei Lady Middleton tot Lucy, “dat je van avond niet dat mandje voor ons lieve Annemarietje gaat afmaken; want ik geloof stellig dat het verkeerd voor je oogen zou zijn met dat fijne zilverdraad te werken bij kaarslicht. We zullen wel iets vinden om het lieve kind te troosten morgen over haar teleurstelling; ik hoop dat ze ’t zich niet te erg zal aantrekken.”
Die lichte aanwijzing was voldoende; Lucy was onmiddellijk op haar hoede en antwoordde: “Neen, neen, u hebt het mis; ik wachtte alleen maar om te weten, of u mij ook noodig hadt bij uw spelletje, anders was ik al aan het werk geweest. Ik zou voor geen geld van de wereld het lieve engeltje teleurstellen; en als u mij nu liever aan de speeltafel zet, dan maak ik het mandje af na het souper.”
“’t Is heel vriendelijk van je, ik hoop dat je niet je oogen ermee zult bederven; wil je dan wel bellen om meer kaarsen? Mijn lieve kleintje zou wèl bitter teleurgesteld zijn, als het mandje morgen niet af was; want ik zei haar wel, dat het stellig niet klaar kwam, maar zij rekent erop, dat dit wèl gebeurt.”
Lucy zette dadelijk haar werktafeltje naast zichneer en ging weer zitten, zoo vergenoegd en ijverig, alsof ze toonen wilde, dat ze geen grooter genot kon smaken dan een mandje van zilverdraad te vlechten voor een bedorven kind.
Lady Middleton stelde den anderen een spelletje casino voor. Niemand maakte eenige tegenwerping behalve Marianne, die met haar gewone veronachtzaming van beleefde omgangsvormen, uitriep: “U wilt wel zoo goed zijn,mijte verontschuldigen; ik heb een hekel aan kaartspelen, zooals u weet. Ik ga maar eens aan de piano; ik heb er nog niet op gespeeld sedert die ’t laatst gestemd is.” En zonder verdere plichtplegingen keerde zij zich om en stapte op de piano af.
Lady Middleton keek, alsof zij den hemel dankte, datzijnooit iets zóó onbeleefds had gezegd.
“U weet wel, mevrouw, Marianne kan nooit lang van haar dierbaar instrument afblijven,” zei Elinor, met een poging om Marianne’s vergrijp weer goed te maken, “en dat verwondert mij niet, want uw piano is de mooiste van toon, die ik ooit heb gehoord.”
De vijf andere dames zouden nu hun kaarten ter hand nemen.
“Misschien,” ging Elinor voort, “zou ik, wanneer ik toevallig mocht uitvallen, juffrouw Lucy wel kunnen helpen; want er is nog zooveel aan het mandje te doen, dat zij, wanneer ze het alleen zou ondernemen, ’t onmogelijk van avond zou kunnen afkrijgen. Ik vind het prettig werk; als zij mij wil toestaan, eraan mee te doen?”
“O ja,” riep Lucy; “daarmee zoudt u mij een grooten dienst bewijzen; want ik zie wel, dat er nog méér aan te doen valt, dan ik had gedacht, en ’t zou toch te erg zijn, die lieve Annemarie te moeten teleurstellen.”
“Och,datzou verschrikkelijk zijn,” zei de oudste Juffrouw Steele. “Dat lieve schatje, ik ben zoo dol op haar!”
“’t Is heel vriendelijk van je,” zei Lady Middleton tegen Elinor, “en omdat je ’t werk bepaald prettig vindt, kan ’t je misschien niet schelen om dit spelletje over te slaan, of wil je liever eerst nog meedoen?”
Elinor maakte met genoegen gebruik van het eerste voorstel, en zoodoende, met een weinigje van die handigheid, die Marianne steeds versmaadde in praktijk te brengen, kreeg zij haar eigen zin, terwijl ze meteen Lady Middleton pleizier deed. Lucy maakte bereidwillig plaats voor haar, en de twee bevallige mededingsters zaten dus naast elkaar aan de zelfde tafel, in de grootste eendracht bezig aan de voltooiing van een gemeenschappelijk werk. De piano, waarbij Marianne, verdiept in haar eigen muziek en haar eigen gedachten, reeds vergeten had, dat er iemand in het vertrek was behalve zijzelve, stond gelukkig zoo dicht bij hen, dat Elinor thans, onder de bescherming van haar luide klanken, geloofde, dat zij veilig het belangwekkende onderwerp kon aanroeren, zonder de kans te loopen, dat men hen aan de speeltafel zou kunnen verstaan.
Hoofdstuk XXIVOp vasten, ofschoon voorzichtig ingehouden toon, begon Elinor:“Ik zou het vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld, niet verdienen, als ik niet wenschte dat het blijvend mocht zijn, of verder geen belangstelling toonde in de zaak, die het betrof. Daarom wil ik mij niet verontschuldigen, wanneer ik deze opnieuw ter sprake breng.”“Ik dank u zeer,” riep Lucy hartelijk, “dat u het ijs hebt gebroken; dat verlicht mij bepaald; want ik was werkelijk bang, dat ik u op de eene of andere manier had beleedigd door wat ik u dien Maandag heb verteld.”“Beleedigd? Hoe kon u dat denken? geloof mij,” en Elinor sprak deze woorden in volkomen oprechtheid, “niets kon minder in mijn bedoeling hebben gelegen, dan u aanleiding te geven tot dat vermoeden. Welke beweegreden zou u tot dat vertrouwen hebben kunnen drijven, die niet voor mij zoowel eervol als vleiend was?”“En toch kan ik u naar waarheid zeggen,” antwoordde Lucy, met een veelbeteekenenden blik uit haar kleine scherpe oogen, “het kwam mij voor, alsof er in uw houding iets zoo koels en afkeurends was, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik dacht stellig, dat u boos op mij waart, en ik heb het mijzelf voortdurend verweten, dat ik zoo vrijpostig geweest was, u met mijn aangelegenheden lastig te vallen. Maar ik ben heel blij, te merken, dat ik het mij alleen maar heb verbeeld, en dat u mijn gedrag niet afkeurt. Als u wist, hoe het mij troost geeft, mijn hart uit te storten, door tegen u te spreken over ’t geen mij elk oogenblik van mijnleven vervult, dan zou uw medelijden u al het andere doen over ’t hoofd zien; daar ben ik zeker van.”“Ik geloof gaarne, dat het een groote verlichting voor u was, mij van uw omstandigheden op de hoogte te brengen, en u kunt er zeker van zijn, dat u nooit reden zult hebben, dat te berouwen. Uw toestand is zeer zeker beklagenswaardig; van alle zijden doen zich, naar het mij voorkomt, moeilijkheden voor u op, en u zult al uw wederkeerige liefde noodig hebben, om u daaronder staande te houden. De heer Ferrars is, naar ik meen, geheel afhankelijk van zijne moeder.”“Hij bezit zelf maar tweeduizend pond; het zou dwaasheid zijn, dáárop te trouwen, hoewel ik voor mij zonder eenige klacht elk vooruitzicht op meer zou kunnen laten varen. Ik ben altijd gewoon geweest aan een zeer klein inkomen, en zou voor hem mij dapper verzetten tegen de ergste armoede, maar ik heb hem te lief, om hem door mijn zelfzucht misschien te berooven van al wat zijn moeder hem zou kunnen schenken, wanneer hij huwde naar haar wensch. Wij moeten wachten, misschien wel jaren lang. Met bijna elken anderen man ter wereld zou dat een beangstigend vooruitzicht zijn; maar Edward’s genegenheid en trouw kan niets mij ontnemen, dat weet ik.”“Die overtuiging moet voor u alles zijn, en zij vindt ongetwijfeld steun in dat zelfde vertrouwen op de uwe. Wanneer de innigheid van uw wederkeerige liefde was verminderd, zooals bij veel menschen en onder vele omstandigheden natuurlijk zou zijn geweest tijdens een verloving van vier jaren, dàn zoudt u waarlijk te beklagen zijn.”Hier zag Lucy op; doch Elinor droeg zorg, haar gelaat vrij te houden van elke uitdrukking, die in haar woorden een zweem van achterdocht kon doen vermoeden.“Edward’s liefde,” zei Lucy, “is tamelijk wel op de proef gesteld door onze lange, zeer langescheiding sedert het begin onzer verloving, en zij heeft die proef zoo goed doorstaan, dat het onvergefelijk van mij zou zijn, haar nu te wantrouwen. Ik durf gerust zeggen, dat hij mij van den beginne niet één oogenblik reden tot bezorgdheid gaf in dat opzicht.”Elinor wist niet recht of ze zou glimlachen of zuchten bij die verzekering.Lucy ging voort: “Ik ben van nature trouwens nogal jaloersch aangelegd, en door ons verschil in stand, doordat hij zooveel meer in de wereld verkeerde dan ik en door ons voortdurend gescheiden zijn, was ik genoeg tot achterdocht geneigd, om dadelijk achter de waarheid te zijn gekomen, als er ook maar de geringste verandering in zijn houding jegens mij was te bespeuren geweest, wanneer we elkaar ontmoetten, of wanneer hij een neerslachtigheid had getoond, die ik niet kon verklaren, of als hij meer over ééne dame had gesproken dan over anderen, of in eenig opzicht zich minder gelukkig scheen te gevoelen te Longstaple dan hij vroeger placht. Ik wil niet zeggen, dat ik over ’t algemeen zoo bijzonder nauwlettend of scherpziende ben, maar in dit geval weet ik wel, dat ik mij niet zou laten misleiden.”“Dat is nu alles,” dacht Elinor, “goed en wel; maar wij laten ons geen van beiden door die praatjes foppen.”“Maar wat zijn nu,” zei ze na een kort stilzwijgen, “uw plannen? Of hebt u geen ander vooruitzicht dan te wachten tot Mevrouw Ferrars komt te overlijden, ’t geen een treurige en bezwaarlijk te wenschen oplossing zou zijn? Heeft haar zoon besloten, zich liever hierin te schikken, liever de langdurige kwelling te verdragen van de vele jaren van onzekerheid, die u wellicht te wachten staan, dan de kans te loopen, zich een tijdlang haar ongenoegen op den hals te halen door de waarheid te bekennen?”“Als we maar zeker wisten, dat het voor een tijdlang zou zijn! Maar Mevrouw Ferrars is een zeer koppige en trotsche vrouw, en zou waarschijnlijk in haar eerste vlaag van drift, wanneer zij het hoorde, alles aan Robert nalaten. Dat denkbeeld doet mij, om Edward’s wil, huiverig worden voor alle overhaasting.”“Toch ook ter wille van uzelve, anders zou uwe belangeloosheid de grenzen van het waarschijnlijke te buiten gaan.”Lucy keek Elinor aan, en zweeg.“Kent u den heer Robert Ferrars?” vroeg Elinor.“In ’t geheel niet—ik heb hem nooit gezien; maar ik geloof, dat hij in ’t minst niet op zijn broer gelijkt,—hij is dom en verbazend ijdel, een echte fat.”“Een echte fat!” herhaalde haar zuster, die bij een plotselinge pauze in Marianne’s muziek, de laatste woorden had opgevangen. “O, ze zijn natuurlijk aan ’t praten over hun uitverkoren cavaliers.”“Neen, Anne,” riep Lucy, “dat heb je mis; onze uitverkoren cavaliers zijngeenfatten.”“Ik weet ten minste wel, dat Elinor’s vriend dat niet is,” zei Mevrouw Jennings, hartelijk lachend; “want dàt is een van de bescheidenste, beminnelijkste jongelui die ik ooit heb ontmoet. Maar die Lucy is zulk een loos klein ding, dat niemand er achter kan komen van wien zij wel houdt.”“O,” riep de oudste Juffrouw Steele, terwijl ze met een veelbeteekenenden blik naar hen omzag, “ik wed dat Lucy’s vriend precies even bescheiden en beminnelijk is als die van Juffrouw Dashwood.”Elinor kreeg haars ondanks een kleur. Lucy beet zich op de lippen en wierp haar zuster een boozen blik toe. Allen bleven een tijdlang zwijgen. Lucy verbrak de stilte, door iets zachter te zeggen, hoewel Marianne hun op dat oogenblik de prachtige bescherming verleende van een schitterend pianoconcert:“Ik zal u eerlijk vertellen van een plan, dat onlangs bij mij is opgekomen, om de zaak voortgang te doen krijgen; ik ben trouwens wel verplicht u in ’t geheim in te wijden, omdat u zelf erbij betrokken bent. Mij dunkt, u kent Edward genoeg om te weten, dat hij aan den geestelijken stand de voorkeur geeft boven elk ander beroep. Nu is mijn plan, dat hij zoo spoedig mogelijk moet zorgen, als geestelijke te worden aangesteld, en dan zou, op uwe voorspraak, die u stellig wel zoudt willen aanwenden uit vriendschap voor hem en, hoop ik, ook een weinig voor mij, uw broeder allicht zijn te bewegen, hem de predikantsplaats te Norland te verschaffen; ik hoor, dat deze goed wordt bezoldigd, en dat de tegenwoordige predikant het wel niet lang meer maken zal. Dan zouden we genoeg hebben om te trouwen, en het overige konden we dan overlaten aan den tijd en het gunstig toeval.”“Het zou mij altijd aangenaam zijn,” antwoordde Elinor, “een bewijs te leveren van mijn achting en vriendschap voor den Heer Ferrars; maar ziet u niet in, dat mijn voorspraak in dezen geheel overbodig zou zijn? Hij is de broeder van Mevrouw John Dashwood,—datis voor haar echtgenoot aanbeveling genoeg.”“Maar Mevrouw John Dashwood zou het in ’t geheel niet goedkeuren dat Edward predikant werd.”“Dàn vermoed ik, dat mijn voorspraak weinig zou baten.” Hier zwegen beiden geruimen tijd. Eindelijk zei Lucy met een diepen zucht:“Ik geloof dat het ’t verstandigst zou zijn, een einde te maken aan de zaak, door de verloving te verbreken. We zijn zoo van alle zijden omringd door moeilijkheden, dat we ten slotte misschien gelukkiger erdoor zouden worden, al hadden we dan ook een tijdlang verdriet. Maar u wilt mij geen raad geven, Juffrouw Dashwood?”“Neen,” antwoordde Elinor, met een glimlach,die zeer onrustige gevoelens verborg, “in een dergelijke aangelegenheid wil ik dat zeer zeker niet. U weet heel goed, dat mijne meening bij u geen gewicht in de schaal zou leggen, tenzij ze overeenstemde met uw eigen wenschen.”“U doet mij werkelijk onrecht,” zei Lucy met veel vertoon van waardigheid, “ik ken niemand, wier oordeel ik zóó op prijs stel als het uwe; en ik geloof waarlijk, dat ik, wanneer u tegen mij zei: “Ik raad u ten sterkste aan, uw verloving met Edward Ferrars te verbreken; het zal uw beider geluk bevorderen,” ertoe zou kunnen besluiten, dat onmiddellijk te doen.”Elinor bloosde voor de onoprechtheid van Edward’s aanstaande vrouw, en antwoordde: “Dit vleiend oordeel zou mij huiverig doen worden, mijn meening omtrent de zaak te uiten, indien ik die al gevormd had. Het kent veel te veel waarde toe aan mijn invloed; de macht, twee menschen, die zoo teeder aan elkander gehecht zijn, te scheiden, is te groot voor den onbevooroordeelden toeschouwer.”“’t Is juistomdatu een onbevooroordeeld toeschouwster bent,” zei Lucy, ietwat geërgerd, en met bijzonderen nadruk op de laatste woorden, “dat uw oordeel mij met recht zooveel waard is. Als men kon veronderstellen, dat u in eenig opzicht zoudt worden beïnvloed door uw eigen gevoelens, dan zou uw meening al van zeer weinig beteekenis zijn.”Elinor vond het ’t verstandigst om hierop niet te antwoorden, uit vrees dat zij elkander zouden uitlokken tot een weinig gepaste vermeerdering van hun reeds vrij ver gaande openhartigheid, en zij was reeds ten deele besloten het onderwerp nooit meer aan te roeren.Dus volgde wederom na Lucy’s woorden een minutenlange stilte, en weer was Lucy de eerste die ze verbrak.“Komt u dezen winter ook naar Londen,Juffrouw Dashwood?” vroeg zij, met haar gewone kalme zelfverzekerdheid.“Neen, in geen geval.”“Dat spijt mij,” gaf Lucy ten antwoord, terwijl haar oogen schitterden van blijdschap over die mededeeling, “’t zou zoo aardig geweest zijn, u daar te ontmoeten! Maar ik denk, dat u toch wel zult gaan, per slot van rekening. Uw broer en zuster zullen u wel te logeeren vragen.”“Toch zal ik hun uitnoodiging niet kunnen aannemen, wanneer ze dat doen.”“Wat is dat nu jammer! Ik had er vast op gerekend, u daar weer te zien. Anne en ik gaan in ’t laatst van Januari logeeren bij familie van ons, die al jaren er op aandringt dat we hen eens moeten bezoeken. Maar ik ga alleen om Edward te ontmoeten. Hij komt er in Februari; anders zou Londen niets aantrekkelijks voor mij hebben; daar is mijn stemming niet naar.”Elinor werd spoedig aan de speeltafel geroepen, nu het eerste spelletje geëindigd was, en het vertrouwelijk onderhoud der twee dames was dus afgeloopen; iets, waarin beiden zonder aarzeling berustten; want van weerskanten was er niets gezegd, dat hun wederzijdschen afkeer van elkaar verminderen kon, en Elinor ging aan de speeltafel zitten met de droevige overtuiging, dat Edward niet alleen geen liefde gevoelde voor het wezen dat zijn vrouw zou worden, maar dat zelfs de kans op een dragelijk gelukkig huwelijk, die een oprechte genegenheid vanharezijde zou hebben gewaarborgd, hem was ontzegd; want alleen eigenbelang kon een vrouw nopen, een man te houden aan een verbintenis, waarvan zij zoo blijkbaar begreep, dat hij haar moede was.Van nu af werd het onderwerp door Elinor nooit meer aangeroerd, en wanneer Lucy erover begon, die zelden een gelegenheid liet voorbijgaan, om het op het tapijt te brengen, en ijverig zorgdroeg, haar vertrouwelinge vol blijdschap de komst te berichten van elken brief, dien zij van Edward ontving, behandelde Elinor het met kalmte en voorzichtigheid, en stapte ervan af, zoodra de beleefdheid dit toeliet, want zij vond zulke gesprekken voor Lucy een genoegen, dat deze niet verdiende, en voor zichzelve achtte zij ze gevaarlijk.Het bezoek van de dames Steele te Barton Park werd van veel langeren duur dan oorspronkelijk bedoeld was bij de eerste uitnoodiging. Ze wisten zich steeds meer bemind te maken; men kon hen niet meer missen; Sir John wilde van heengaan niet hooren, en ondanks de vele en lang van te voren gemaakte afspraken te Exeter, ondanks de volstrekte noodzakelijkheid van hun terugkeer, om daaraan onverwijld te voldoen, die aan het eind van iedere week tot een dringende verplichting aangroeide, lieten zij zich overhalen om bijna twee maanden op het Park te blijven en een ijverig aandeel te nemen in de gebruikelijke viering van dat feest, waarvan de luister noodzakelijk schijnt te moeten worden verhoogd door een ongewoon groot aantal danspartijen en gastmalen.
Op vasten, ofschoon voorzichtig ingehouden toon, begon Elinor:
“Ik zou het vertrouwen, dat u in mij hebt gesteld, niet verdienen, als ik niet wenschte dat het blijvend mocht zijn, of verder geen belangstelling toonde in de zaak, die het betrof. Daarom wil ik mij niet verontschuldigen, wanneer ik deze opnieuw ter sprake breng.”
“Ik dank u zeer,” riep Lucy hartelijk, “dat u het ijs hebt gebroken; dat verlicht mij bepaald; want ik was werkelijk bang, dat ik u op de eene of andere manier had beleedigd door wat ik u dien Maandag heb verteld.”
“Beleedigd? Hoe kon u dat denken? geloof mij,” en Elinor sprak deze woorden in volkomen oprechtheid, “niets kon minder in mijn bedoeling hebben gelegen, dan u aanleiding te geven tot dat vermoeden. Welke beweegreden zou u tot dat vertrouwen hebben kunnen drijven, die niet voor mij zoowel eervol als vleiend was?”
“En toch kan ik u naar waarheid zeggen,” antwoordde Lucy, met een veelbeteekenenden blik uit haar kleine scherpe oogen, “het kwam mij voor, alsof er in uw houding iets zoo koels en afkeurends was, dat ik mij volstrekt niet op mijn gemak gevoelde. Ik dacht stellig, dat u boos op mij waart, en ik heb het mijzelf voortdurend verweten, dat ik zoo vrijpostig geweest was, u met mijn aangelegenheden lastig te vallen. Maar ik ben heel blij, te merken, dat ik het mij alleen maar heb verbeeld, en dat u mijn gedrag niet afkeurt. Als u wist, hoe het mij troost geeft, mijn hart uit te storten, door tegen u te spreken over ’t geen mij elk oogenblik van mijnleven vervult, dan zou uw medelijden u al het andere doen over ’t hoofd zien; daar ben ik zeker van.”
“Ik geloof gaarne, dat het een groote verlichting voor u was, mij van uw omstandigheden op de hoogte te brengen, en u kunt er zeker van zijn, dat u nooit reden zult hebben, dat te berouwen. Uw toestand is zeer zeker beklagenswaardig; van alle zijden doen zich, naar het mij voorkomt, moeilijkheden voor u op, en u zult al uw wederkeerige liefde noodig hebben, om u daaronder staande te houden. De heer Ferrars is, naar ik meen, geheel afhankelijk van zijne moeder.”
“Hij bezit zelf maar tweeduizend pond; het zou dwaasheid zijn, dáárop te trouwen, hoewel ik voor mij zonder eenige klacht elk vooruitzicht op meer zou kunnen laten varen. Ik ben altijd gewoon geweest aan een zeer klein inkomen, en zou voor hem mij dapper verzetten tegen de ergste armoede, maar ik heb hem te lief, om hem door mijn zelfzucht misschien te berooven van al wat zijn moeder hem zou kunnen schenken, wanneer hij huwde naar haar wensch. Wij moeten wachten, misschien wel jaren lang. Met bijna elken anderen man ter wereld zou dat een beangstigend vooruitzicht zijn; maar Edward’s genegenheid en trouw kan niets mij ontnemen, dat weet ik.”
“Die overtuiging moet voor u alles zijn, en zij vindt ongetwijfeld steun in dat zelfde vertrouwen op de uwe. Wanneer de innigheid van uw wederkeerige liefde was verminderd, zooals bij veel menschen en onder vele omstandigheden natuurlijk zou zijn geweest tijdens een verloving van vier jaren, dàn zoudt u waarlijk te beklagen zijn.”
Hier zag Lucy op; doch Elinor droeg zorg, haar gelaat vrij te houden van elke uitdrukking, die in haar woorden een zweem van achterdocht kon doen vermoeden.
“Edward’s liefde,” zei Lucy, “is tamelijk wel op de proef gesteld door onze lange, zeer langescheiding sedert het begin onzer verloving, en zij heeft die proef zoo goed doorstaan, dat het onvergefelijk van mij zou zijn, haar nu te wantrouwen. Ik durf gerust zeggen, dat hij mij van den beginne niet één oogenblik reden tot bezorgdheid gaf in dat opzicht.”
Elinor wist niet recht of ze zou glimlachen of zuchten bij die verzekering.
Lucy ging voort: “Ik ben van nature trouwens nogal jaloersch aangelegd, en door ons verschil in stand, doordat hij zooveel meer in de wereld verkeerde dan ik en door ons voortdurend gescheiden zijn, was ik genoeg tot achterdocht geneigd, om dadelijk achter de waarheid te zijn gekomen, als er ook maar de geringste verandering in zijn houding jegens mij was te bespeuren geweest, wanneer we elkaar ontmoetten, of wanneer hij een neerslachtigheid had getoond, die ik niet kon verklaren, of als hij meer over ééne dame had gesproken dan over anderen, of in eenig opzicht zich minder gelukkig scheen te gevoelen te Longstaple dan hij vroeger placht. Ik wil niet zeggen, dat ik over ’t algemeen zoo bijzonder nauwlettend of scherpziende ben, maar in dit geval weet ik wel, dat ik mij niet zou laten misleiden.”
“Dat is nu alles,” dacht Elinor, “goed en wel; maar wij laten ons geen van beiden door die praatjes foppen.”
“Maar wat zijn nu,” zei ze na een kort stilzwijgen, “uw plannen? Of hebt u geen ander vooruitzicht dan te wachten tot Mevrouw Ferrars komt te overlijden, ’t geen een treurige en bezwaarlijk te wenschen oplossing zou zijn? Heeft haar zoon besloten, zich liever hierin te schikken, liever de langdurige kwelling te verdragen van de vele jaren van onzekerheid, die u wellicht te wachten staan, dan de kans te loopen, zich een tijdlang haar ongenoegen op den hals te halen door de waarheid te bekennen?”
“Als we maar zeker wisten, dat het voor een tijdlang zou zijn! Maar Mevrouw Ferrars is een zeer koppige en trotsche vrouw, en zou waarschijnlijk in haar eerste vlaag van drift, wanneer zij het hoorde, alles aan Robert nalaten. Dat denkbeeld doet mij, om Edward’s wil, huiverig worden voor alle overhaasting.”
“Toch ook ter wille van uzelve, anders zou uwe belangeloosheid de grenzen van het waarschijnlijke te buiten gaan.”
Lucy keek Elinor aan, en zweeg.
“Kent u den heer Robert Ferrars?” vroeg Elinor.
“In ’t geheel niet—ik heb hem nooit gezien; maar ik geloof, dat hij in ’t minst niet op zijn broer gelijkt,—hij is dom en verbazend ijdel, een echte fat.”
“Een echte fat!” herhaalde haar zuster, die bij een plotselinge pauze in Marianne’s muziek, de laatste woorden had opgevangen. “O, ze zijn natuurlijk aan ’t praten over hun uitverkoren cavaliers.”
“Neen, Anne,” riep Lucy, “dat heb je mis; onze uitverkoren cavaliers zijngeenfatten.”
“Ik weet ten minste wel, dat Elinor’s vriend dat niet is,” zei Mevrouw Jennings, hartelijk lachend; “want dàt is een van de bescheidenste, beminnelijkste jongelui die ik ooit heb ontmoet. Maar die Lucy is zulk een loos klein ding, dat niemand er achter kan komen van wien zij wel houdt.”
“O,” riep de oudste Juffrouw Steele, terwijl ze met een veelbeteekenenden blik naar hen omzag, “ik wed dat Lucy’s vriend precies even bescheiden en beminnelijk is als die van Juffrouw Dashwood.”
Elinor kreeg haars ondanks een kleur. Lucy beet zich op de lippen en wierp haar zuster een boozen blik toe. Allen bleven een tijdlang zwijgen. Lucy verbrak de stilte, door iets zachter te zeggen, hoewel Marianne hun op dat oogenblik de prachtige bescherming verleende van een schitterend pianoconcert:
“Ik zal u eerlijk vertellen van een plan, dat onlangs bij mij is opgekomen, om de zaak voortgang te doen krijgen; ik ben trouwens wel verplicht u in ’t geheim in te wijden, omdat u zelf erbij betrokken bent. Mij dunkt, u kent Edward genoeg om te weten, dat hij aan den geestelijken stand de voorkeur geeft boven elk ander beroep. Nu is mijn plan, dat hij zoo spoedig mogelijk moet zorgen, als geestelijke te worden aangesteld, en dan zou, op uwe voorspraak, die u stellig wel zoudt willen aanwenden uit vriendschap voor hem en, hoop ik, ook een weinig voor mij, uw broeder allicht zijn te bewegen, hem de predikantsplaats te Norland te verschaffen; ik hoor, dat deze goed wordt bezoldigd, en dat de tegenwoordige predikant het wel niet lang meer maken zal. Dan zouden we genoeg hebben om te trouwen, en het overige konden we dan overlaten aan den tijd en het gunstig toeval.”
“Het zou mij altijd aangenaam zijn,” antwoordde Elinor, “een bewijs te leveren van mijn achting en vriendschap voor den Heer Ferrars; maar ziet u niet in, dat mijn voorspraak in dezen geheel overbodig zou zijn? Hij is de broeder van Mevrouw John Dashwood,—datis voor haar echtgenoot aanbeveling genoeg.”
“Maar Mevrouw John Dashwood zou het in ’t geheel niet goedkeuren dat Edward predikant werd.”
“Dàn vermoed ik, dat mijn voorspraak weinig zou baten.” Hier zwegen beiden geruimen tijd. Eindelijk zei Lucy met een diepen zucht:
“Ik geloof dat het ’t verstandigst zou zijn, een einde te maken aan de zaak, door de verloving te verbreken. We zijn zoo van alle zijden omringd door moeilijkheden, dat we ten slotte misschien gelukkiger erdoor zouden worden, al hadden we dan ook een tijdlang verdriet. Maar u wilt mij geen raad geven, Juffrouw Dashwood?”
“Neen,” antwoordde Elinor, met een glimlach,die zeer onrustige gevoelens verborg, “in een dergelijke aangelegenheid wil ik dat zeer zeker niet. U weet heel goed, dat mijne meening bij u geen gewicht in de schaal zou leggen, tenzij ze overeenstemde met uw eigen wenschen.”
“U doet mij werkelijk onrecht,” zei Lucy met veel vertoon van waardigheid, “ik ken niemand, wier oordeel ik zóó op prijs stel als het uwe; en ik geloof waarlijk, dat ik, wanneer u tegen mij zei: “Ik raad u ten sterkste aan, uw verloving met Edward Ferrars te verbreken; het zal uw beider geluk bevorderen,” ertoe zou kunnen besluiten, dat onmiddellijk te doen.”
Elinor bloosde voor de onoprechtheid van Edward’s aanstaande vrouw, en antwoordde: “Dit vleiend oordeel zou mij huiverig doen worden, mijn meening omtrent de zaak te uiten, indien ik die al gevormd had. Het kent veel te veel waarde toe aan mijn invloed; de macht, twee menschen, die zoo teeder aan elkander gehecht zijn, te scheiden, is te groot voor den onbevooroordeelden toeschouwer.”
“’t Is juistomdatu een onbevooroordeeld toeschouwster bent,” zei Lucy, ietwat geërgerd, en met bijzonderen nadruk op de laatste woorden, “dat uw oordeel mij met recht zooveel waard is. Als men kon veronderstellen, dat u in eenig opzicht zoudt worden beïnvloed door uw eigen gevoelens, dan zou uw meening al van zeer weinig beteekenis zijn.”
Elinor vond het ’t verstandigst om hierop niet te antwoorden, uit vrees dat zij elkander zouden uitlokken tot een weinig gepaste vermeerdering van hun reeds vrij ver gaande openhartigheid, en zij was reeds ten deele besloten het onderwerp nooit meer aan te roeren.
Dus volgde wederom na Lucy’s woorden een minutenlange stilte, en weer was Lucy de eerste die ze verbrak.
“Komt u dezen winter ook naar Londen,Juffrouw Dashwood?” vroeg zij, met haar gewone kalme zelfverzekerdheid.
“Neen, in geen geval.”
“Dat spijt mij,” gaf Lucy ten antwoord, terwijl haar oogen schitterden van blijdschap over die mededeeling, “’t zou zoo aardig geweest zijn, u daar te ontmoeten! Maar ik denk, dat u toch wel zult gaan, per slot van rekening. Uw broer en zuster zullen u wel te logeeren vragen.”
“Toch zal ik hun uitnoodiging niet kunnen aannemen, wanneer ze dat doen.”
“Wat is dat nu jammer! Ik had er vast op gerekend, u daar weer te zien. Anne en ik gaan in ’t laatst van Januari logeeren bij familie van ons, die al jaren er op aandringt dat we hen eens moeten bezoeken. Maar ik ga alleen om Edward te ontmoeten. Hij komt er in Februari; anders zou Londen niets aantrekkelijks voor mij hebben; daar is mijn stemming niet naar.”
Elinor werd spoedig aan de speeltafel geroepen, nu het eerste spelletje geëindigd was, en het vertrouwelijk onderhoud der twee dames was dus afgeloopen; iets, waarin beiden zonder aarzeling berustten; want van weerskanten was er niets gezegd, dat hun wederzijdschen afkeer van elkaar verminderen kon, en Elinor ging aan de speeltafel zitten met de droevige overtuiging, dat Edward niet alleen geen liefde gevoelde voor het wezen dat zijn vrouw zou worden, maar dat zelfs de kans op een dragelijk gelukkig huwelijk, die een oprechte genegenheid vanharezijde zou hebben gewaarborgd, hem was ontzegd; want alleen eigenbelang kon een vrouw nopen, een man te houden aan een verbintenis, waarvan zij zoo blijkbaar begreep, dat hij haar moede was.
Van nu af werd het onderwerp door Elinor nooit meer aangeroerd, en wanneer Lucy erover begon, die zelden een gelegenheid liet voorbijgaan, om het op het tapijt te brengen, en ijverig zorgdroeg, haar vertrouwelinge vol blijdschap de komst te berichten van elken brief, dien zij van Edward ontving, behandelde Elinor het met kalmte en voorzichtigheid, en stapte ervan af, zoodra de beleefdheid dit toeliet, want zij vond zulke gesprekken voor Lucy een genoegen, dat deze niet verdiende, en voor zichzelve achtte zij ze gevaarlijk.
Het bezoek van de dames Steele te Barton Park werd van veel langeren duur dan oorspronkelijk bedoeld was bij de eerste uitnoodiging. Ze wisten zich steeds meer bemind te maken; men kon hen niet meer missen; Sir John wilde van heengaan niet hooren, en ondanks de vele en lang van te voren gemaakte afspraken te Exeter, ondanks de volstrekte noodzakelijkheid van hun terugkeer, om daaraan onverwijld te voldoen, die aan het eind van iedere week tot een dringende verplichting aangroeide, lieten zij zich overhalen om bijna twee maanden op het Park te blijven en een ijverig aandeel te nemen in de gebruikelijke viering van dat feest, waarvan de luister noodzakelijk schijnt te moeten worden verhoogd door een ongewoon groot aantal danspartijen en gastmalen.
Hoofdstuk XXVHoewel Mevrouw Jennings gewoon was, een groot deel van het jaar door te brengen ten huize van hare kinderen en vrienden, was zij toch niet zonder een eigen vaste woonplaats. Sedert den dood van haar echtgenoot, die een voorspoedigen handel placht te drijven in een minder sierlijke wijk, had zij des winters geregeld een huis bewoond in een der straten in den omtrek van Portman Square. Aan dat tehuis begon zij, toen de maand Januari naderde, weer eens te denken, en op zekeren dag vroeg zij de beide oudste dames Dashwood zonder eenige voorbereiding en voor hen geheel onverwacht, of zij haar daarheen wilden vergezellen. Elinor, die niet aanstonds bespeurde, hoe Marianne door haar wisselende kleur en gespannen blik verried, dat het plan haar niet onverschillig was, sloeg dadelijk dankbaar, maar beslist de uitnoodiging voor hen beiden af, in de meening, dat zij het op dit punt volkomen eens waren. De reden, welke zij aanvoerde was hun stellig besluit, hun moeder niet om dezen tijd van het jaar te willen alleen laten. Mevrouw Jennings scheen min of meer verwonderd over die weigering, en herhaalde hare vraag onmiddellijk.“O lieve deugd; ik weet zeker, dat je mama je heel goed kan missen; en ikhooptoch, dat je mij ’t pleizier zult doen; want ik ben er nu eenmaal erg op gesteld. Denk maar niet, dat je ’t mij lastig zult maken, want ik maak volstrekt geen omslag voor jelui. Betty zal alleen met de postkoets moeten reizen, en dàt is nu de heele wereld niet. Wij gaan dan met ons drieën in mijn rijtuig; en wanneer jelui in de stad niet overal met mij mee wilt gaan,dan is dat niets, want dan kun je altijd gaan met eene van mijn dochters. Ik wed dat je moeder er niets op tegen heeft; want ik heb het zoo gelukkig getroffen met mijn beide kinderen, zoo goed bezorgd, nietwaar? dat ze mij de aangewezen persoon zal vinden om jelui onder mijn hoede te nemen, en als niet één van jelui beiden ten minste een goed huwelijk doet, eer ik je weer aflever, dan zal het mijn schuld niet zijn. Ik zal een goed woordje voor jelui doen bij de heeren, daar kan je op aan.”“’t Komt mij voor,” zei Sir John, “dat Marianne niets op het plan zou tegen hebben, als haar zuster ook van de partij wilde zijn. ’t Is ook wel wat erg, dat zij niet eens een pleiziertje mag hebben, omdat Elinor het niet wenscht. Ik zou u raden om maar met u beitjes naar de stad te trekken, als u genoeg krijgt van Barton, en er Elinor niets van te vertellen.”“Ja, kijk eens,” riep Mevrouw Jennings, “ik zou verbazend in mijn schik zijn met Marianne’s gezelschap, of Elinor meegaat of niet, maar hoe meer zielen hoe meer vreugd, zeg ik altijd, en ik dacht, dat het gezelliger voor hen was samen te zijn; want als ik hen dan verveel, kunnen ze samen praten, en mij nog eens uitlachen achter mijn rug. Maar een van beiden moet ik hebben, als ik ze allebei niet krijgen kan. Wel lieve deugd, hoe zou ik het uithouden in mijn eentje, terwijl ik tot aan dezen winter toe altijd Charlotte bij mij had. Kom Marianne, laten wij nu maar zeggen dat de zaak beklonken is, en als Elinor zich dan nog bedenkt over een tijdje, des te beter.”“Ik dank u, mevrouw, ik dank u hartelijk,” zei Marianne met nadruk; “ik kan u niet genoeg danken, voor uwe uitnoodiging, en ik zou innig gelukkig zijn, ja, zoo gelukkig als ik met mogelijkheid zijn kàn, wanneer ik die mocht aannemen. Maar moeder, onze lieve beste moeder, ik weet, dat Elinor gelijk heeft in ’t geen zij zeide, en als zij door onze afwezigheidverdriet of zorg moest hebben... Neen, neen, niets zou mij kunnen verleiden om haar alleen te laten. Het mag, en het moet geen strijd kosten.”Mevrouw Jennings herhaalde haar verzekering dat Mevrouw Dashwood hen best kon missen; en Elinor, die thans haar zuster begreep, en zag hoe haar verlangen om Willoughby weer te ontmoeten, haar voor al wat daar buiten lag, bijna onverschillig deed worden, verzette zich niet langer rechtstreeks tegen het plan, en wilde alleen de beslissing overlaten aan hare moeder, van wie zij echter niet verwachtte veel steun te zullen ontvangen bij haar poging tot verhindering van een bezoek, dat zij voor Marianne verkeerd achtte, en dat zij voor zichzelf om bijzondere redenen liever vermeed. Wat Marianne ook mocht verlangen, haar moeder zou altijd bereid zijn, haar wenschen in te willigen; zij mocht niet verwachten, Mevrouw Dashwood te kunnen bewegen tot voorzichtigheid in eene zaak waaromtrent zij nooit bij machte was geweest haar wantrouwen in te boezemen, en de reden voor haar eigen ongeneigdheid naar Londen te gaan, kon zij niet openlijk zeggen. Dat Marianne, veeleischend als zij was, en maar al te goed bekend met Mevrouw Jennings’ eigenaardigheden, die telkens opnieuw haar afkeer wekten, elke onaangenaamheid van dien aard kon over het hoofd zien, geheel uit het oog kon verliezen wat haar prikkelbare gevoeligheid het meest moest kwetsen, door het najagen van dat ééne doel, was een zóó sterksprekend, overtuigend bewijs, hoe uitsluitend dat doel haar vervulde, als Elinor, zelfs na al wat er was voorgevallen, niet had kunnen verwachten.Toen Mevrouw Dashwood van de uitnoodiging hoorde, wilde zij, stellig overtuigd als zij was dat zulk een uitstapje haar dochters veel genoegen zou verschaffen, en ondanks Marianne’s betuigingen van aanhankelijkheid wel bespeurend, hoe haarhart eraan hing, volstrekt niet, dat deze omharentwilzou worden afgeslagen; zij rustte niet eer beiden beloofd hadden te zullen gaan, en begon aanstonds met haar gewone opgewektheid, een menigte voordeelen op te sommen, die uit deze scheiding voor hen allen zouden voortvloeien.“Ik vind het een uitmuntend plan,” riep zij; “het is juist naar mijn zin. ’t Zal voor Margaret en mij even goed zijn als voor jelui. Als de Middletons dan ook weg zijn, kunnen we ons zoo rustig en gezellig bezighouden met onze boeken en muziek! Als je dan terugkomt, zul je Margaret zoo vooruitgegaan vinden! En ik heb een plannetje gemaakt om jelui slaapkamers te veranderen, dat nu ook kan worden uitgevoerd zonder iemand last te veroorzaken. Het is bepaald héél goed, dat je eens naar de stad gaat, ik vind dat iedere jonge dame van jelui positie in de wereld, het Londensche leven en de Londensche vermaken behoort te leeren kennen. Je zult onder de hoede zijn van een moederlijke goedhartige vrouw, op wier vriendelijkheid voor jelui ik kan rekenen. Waarschijnlijk zul je ook je broer ontmoeten, en wat ook zijn gebreken mogen zijn, of die van zijn vrouw, als ik bedenk, wiens zoon hij is, dan kan ik niet goed hebben, dat jelui zoo heel en al van elkaar zoudt vervreemden.”“Hoewel u, als gewoonlijk alleen bedacht op ons genoegen,” zei Elinor, “alle bezwaren tegen het plan, die bij u opkwamen, hebt weggeredeneerd, is er toch nog één beletsel, dat naar ’t mij voorkomt, niet zoo gemakkelijk kan worden terzij geschoven.”Marianne’s gezicht betrok.“Wat gaat mijn lieve voorzichtige Elinor ons nu onder het oog brengen?” zei Mevrouw Dashwood. “Welk geducht bezwaar komt zij opperen? Over de kosten wil ik geen enkel woord hooren.”“Mijn bezwaar is dit: al heb ik op Mevrouw Jennings’ hart niets aan te merken, zij is toch geen vrouw, in wier gezelschap wij genoegen vinden, ofwier bescherming voor ons eenige waarde heeft.”“Dat is wèl waar,” antwoordde haar moeder; “maar op háár gezelschap, zonder dat van anderen, zul je heel weinig zijn aangewezen, en in ’t publiek vertoon je je toch bijna altijd met Lady Middleton.”“Al zou Elinor zich door haar afkeer van Mevrouw Jennings laten bewegen om weg te blijven,” zei Marianne, “dan behoeft dat nog geene reden te zijn, waaromikzou bedanken voor hare uitnoodiging. Voor mij bestaan die bezwaren niet, en ik weet weet zeker, dat het mij heel weinig moeite zal kosten, dergelijke onaangenaamheden te verdragen.”Elinor kon niet nalaten te glimlachen over dit vertoon van onverschilligheid voor de eigenaardigheden van iemand, jegens wie zij Marianne dikwijls slechts met moeite had kunnen overhalen, een dragelijk beleefde houding aan te nemen, en nam zich in stilte voor, zoo haar zuster erbij bleef, te willen gaan, haar in elk geval te vergezellen; daar zij het niet goedkeurde, dat het Marianne zou vrijstaan, geheel naar eigen inzicht te handelen, noch ook, dat Mevrouw Jennings, op het punt van huiselijke gezelligheid, volkomen aan Marianne’s genade zou zijn overgeleverd. Zij verzoende zich te gemakkelijker met deze beslissing, toen zij bedacht, dat Edward Ferrars, volgens Lucy’s mededeeling, niet vóór Februari in de stad zou komen, en dat hun bezoek vóór dien tijd wel zou kunnen zijn afgeloopen, ook zonder dat het opvallend werd bekort.“Jelui moetallebeigaan,” zei Mevrouw Dashwood; “die bezwaren zijn pure onzin. Je zult het alleraardigst vinden, in Londen te zijn; vooral met je beiden; en als Elinor zich ooit wilde verwaardigen, zich genoegen van iets voor te stellen, dan zou ze het nu om verschillende redenen wel mogen verwachten; misschien zou ze zich dan wel verheugen op een nadere kennismaking met de familie van haar schoonzuster.”Elinor had dikwijls verlangd naar eene gelegenheid,waarbij zij zou kunnen trachten, haar moeder’s stellig vertrouwen in de genegenheid tusschen Edward en haarzelve aan het wankelen te brengen, opdat de schok haar minder hevig zou treffen, wanneer de geheele waarheid werd geopenbaard. en bij deze woorden dwong zij zichzelve, hoewel met weinig hoop op eenig gunstig gevolg, tot een begin van uitvoering van dit plan, door zoo kalm mogelijk te zeggen: “Ik houd veel van Edward Ferrars, en ’t zal mij altijd genoegen doen, hem te ontmoeten; maar wat de overige familieleden betreft, ’t is mij volkomen onverschillig, of ik ze ooit zal leeren kennen.”Mevrouw Dashwood glimlachte en gaf geen antwoord. Marianne keek verwonderd op, en Elinor begreep, dat zij even goed had kunnen zwijgen.Er waren thans niet veel besprekingen meer noodig, eer het vaststond, dat de uitnoodiging met genoegen zou worden aangenomen. Mevrouw Jennings ontving dat bericht met uitbundige vreugde, en veel betuigingen van vriendelijkheid en goede zorg; zij was trouwens niet de eenige, die zich erover verblijdde. Sir John was verrukt; want voor een man, die niets zoozeer vreesde als de eenzaamheid, beteekende de vermeerdering van Londen’s aantal inwoners met twee toch altijd iets. Zelfs Lady Middleton gaf zich de moeite, haar ingenomenheid met het plan te betuigen, ’t geen voor haar een heel ding was; en wat de dames Steele betrof, vooral Lucy, zij waren nog nooit in haar leven zoo blij geweest, als bij het hooren van dit bericht.Elinor voegde zich in de schikking, die in strijd was met haar eigen wenschen, met minder tegenzin dan zij verwacht had. Wat haarzelve betrof, het was haar thans onverschillig of zij naar de stad ging of niet; en toen zij zag, hoe hartelijk haar moeder zich verheugde over het plan, hoe haar zuster in blik, stem en houding haar blijdschapverried, hoe zij al haar oude levendigheid en meer dan haar vroegere vroolijkheid erdoor had herwonnen, kon zij over de oorzaak dier verandering niet onvoldaan zijn, en bestreed haar neiging tot bezorgdheid over de gevolgen ervan.—Marianne’s blijdschap was bijna te groot om te kunnen doorgaan voor geluk; zoo gejaagd en onrustig was zij, en zoo verlangend om te vertrekken. Slechts haar ongeneigdheid om haar moeder te verlaten, kon haar eenigszins tot kalmte stemmen, en bij het afscheid ging haar verdriet alle perken te buiten. Haar moeder toonde zich weinig minder bedroefd, en Elinor was de eenige van de drie, die in deze scheiding nog niet juist een vaarwel voor eeuwig scheen te zien.Zij vertrokken in de eerste week van Januari. De Middletons wilden ongeveer een week later gaan. De dames Steele bleven vooreerst nog op het Park, en zouden eerst met de overige familie vertrekken.
Hoewel Mevrouw Jennings gewoon was, een groot deel van het jaar door te brengen ten huize van hare kinderen en vrienden, was zij toch niet zonder een eigen vaste woonplaats. Sedert den dood van haar echtgenoot, die een voorspoedigen handel placht te drijven in een minder sierlijke wijk, had zij des winters geregeld een huis bewoond in een der straten in den omtrek van Portman Square. Aan dat tehuis begon zij, toen de maand Januari naderde, weer eens te denken, en op zekeren dag vroeg zij de beide oudste dames Dashwood zonder eenige voorbereiding en voor hen geheel onverwacht, of zij haar daarheen wilden vergezellen. Elinor, die niet aanstonds bespeurde, hoe Marianne door haar wisselende kleur en gespannen blik verried, dat het plan haar niet onverschillig was, sloeg dadelijk dankbaar, maar beslist de uitnoodiging voor hen beiden af, in de meening, dat zij het op dit punt volkomen eens waren. De reden, welke zij aanvoerde was hun stellig besluit, hun moeder niet om dezen tijd van het jaar te willen alleen laten. Mevrouw Jennings scheen min of meer verwonderd over die weigering, en herhaalde hare vraag onmiddellijk.
“O lieve deugd; ik weet zeker, dat je mama je heel goed kan missen; en ikhooptoch, dat je mij ’t pleizier zult doen; want ik ben er nu eenmaal erg op gesteld. Denk maar niet, dat je ’t mij lastig zult maken, want ik maak volstrekt geen omslag voor jelui. Betty zal alleen met de postkoets moeten reizen, en dàt is nu de heele wereld niet. Wij gaan dan met ons drieën in mijn rijtuig; en wanneer jelui in de stad niet overal met mij mee wilt gaan,dan is dat niets, want dan kun je altijd gaan met eene van mijn dochters. Ik wed dat je moeder er niets op tegen heeft; want ik heb het zoo gelukkig getroffen met mijn beide kinderen, zoo goed bezorgd, nietwaar? dat ze mij de aangewezen persoon zal vinden om jelui onder mijn hoede te nemen, en als niet één van jelui beiden ten minste een goed huwelijk doet, eer ik je weer aflever, dan zal het mijn schuld niet zijn. Ik zal een goed woordje voor jelui doen bij de heeren, daar kan je op aan.”
“’t Komt mij voor,” zei Sir John, “dat Marianne niets op het plan zou tegen hebben, als haar zuster ook van de partij wilde zijn. ’t Is ook wel wat erg, dat zij niet eens een pleiziertje mag hebben, omdat Elinor het niet wenscht. Ik zou u raden om maar met u beitjes naar de stad te trekken, als u genoeg krijgt van Barton, en er Elinor niets van te vertellen.”
“Ja, kijk eens,” riep Mevrouw Jennings, “ik zou verbazend in mijn schik zijn met Marianne’s gezelschap, of Elinor meegaat of niet, maar hoe meer zielen hoe meer vreugd, zeg ik altijd, en ik dacht, dat het gezelliger voor hen was samen te zijn; want als ik hen dan verveel, kunnen ze samen praten, en mij nog eens uitlachen achter mijn rug. Maar een van beiden moet ik hebben, als ik ze allebei niet krijgen kan. Wel lieve deugd, hoe zou ik het uithouden in mijn eentje, terwijl ik tot aan dezen winter toe altijd Charlotte bij mij had. Kom Marianne, laten wij nu maar zeggen dat de zaak beklonken is, en als Elinor zich dan nog bedenkt over een tijdje, des te beter.”
“Ik dank u, mevrouw, ik dank u hartelijk,” zei Marianne met nadruk; “ik kan u niet genoeg danken, voor uwe uitnoodiging, en ik zou innig gelukkig zijn, ja, zoo gelukkig als ik met mogelijkheid zijn kàn, wanneer ik die mocht aannemen. Maar moeder, onze lieve beste moeder, ik weet, dat Elinor gelijk heeft in ’t geen zij zeide, en als zij door onze afwezigheidverdriet of zorg moest hebben... Neen, neen, niets zou mij kunnen verleiden om haar alleen te laten. Het mag, en het moet geen strijd kosten.”
Mevrouw Jennings herhaalde haar verzekering dat Mevrouw Dashwood hen best kon missen; en Elinor, die thans haar zuster begreep, en zag hoe haar verlangen om Willoughby weer te ontmoeten, haar voor al wat daar buiten lag, bijna onverschillig deed worden, verzette zich niet langer rechtstreeks tegen het plan, en wilde alleen de beslissing overlaten aan hare moeder, van wie zij echter niet verwachtte veel steun te zullen ontvangen bij haar poging tot verhindering van een bezoek, dat zij voor Marianne verkeerd achtte, en dat zij voor zichzelf om bijzondere redenen liever vermeed. Wat Marianne ook mocht verlangen, haar moeder zou altijd bereid zijn, haar wenschen in te willigen; zij mocht niet verwachten, Mevrouw Dashwood te kunnen bewegen tot voorzichtigheid in eene zaak waaromtrent zij nooit bij machte was geweest haar wantrouwen in te boezemen, en de reden voor haar eigen ongeneigdheid naar Londen te gaan, kon zij niet openlijk zeggen. Dat Marianne, veeleischend als zij was, en maar al te goed bekend met Mevrouw Jennings’ eigenaardigheden, die telkens opnieuw haar afkeer wekten, elke onaangenaamheid van dien aard kon over het hoofd zien, geheel uit het oog kon verliezen wat haar prikkelbare gevoeligheid het meest moest kwetsen, door het najagen van dat ééne doel, was een zóó sterksprekend, overtuigend bewijs, hoe uitsluitend dat doel haar vervulde, als Elinor, zelfs na al wat er was voorgevallen, niet had kunnen verwachten.
Toen Mevrouw Dashwood van de uitnoodiging hoorde, wilde zij, stellig overtuigd als zij was dat zulk een uitstapje haar dochters veel genoegen zou verschaffen, en ondanks Marianne’s betuigingen van aanhankelijkheid wel bespeurend, hoe haarhart eraan hing, volstrekt niet, dat deze omharentwilzou worden afgeslagen; zij rustte niet eer beiden beloofd hadden te zullen gaan, en begon aanstonds met haar gewone opgewektheid, een menigte voordeelen op te sommen, die uit deze scheiding voor hen allen zouden voortvloeien.
“Ik vind het een uitmuntend plan,” riep zij; “het is juist naar mijn zin. ’t Zal voor Margaret en mij even goed zijn als voor jelui. Als de Middletons dan ook weg zijn, kunnen we ons zoo rustig en gezellig bezighouden met onze boeken en muziek! Als je dan terugkomt, zul je Margaret zoo vooruitgegaan vinden! En ik heb een plannetje gemaakt om jelui slaapkamers te veranderen, dat nu ook kan worden uitgevoerd zonder iemand last te veroorzaken. Het is bepaald héél goed, dat je eens naar de stad gaat, ik vind dat iedere jonge dame van jelui positie in de wereld, het Londensche leven en de Londensche vermaken behoort te leeren kennen. Je zult onder de hoede zijn van een moederlijke goedhartige vrouw, op wier vriendelijkheid voor jelui ik kan rekenen. Waarschijnlijk zul je ook je broer ontmoeten, en wat ook zijn gebreken mogen zijn, of die van zijn vrouw, als ik bedenk, wiens zoon hij is, dan kan ik niet goed hebben, dat jelui zoo heel en al van elkaar zoudt vervreemden.”
“Hoewel u, als gewoonlijk alleen bedacht op ons genoegen,” zei Elinor, “alle bezwaren tegen het plan, die bij u opkwamen, hebt weggeredeneerd, is er toch nog één beletsel, dat naar ’t mij voorkomt, niet zoo gemakkelijk kan worden terzij geschoven.”
Marianne’s gezicht betrok.
“Wat gaat mijn lieve voorzichtige Elinor ons nu onder het oog brengen?” zei Mevrouw Dashwood. “Welk geducht bezwaar komt zij opperen? Over de kosten wil ik geen enkel woord hooren.”
“Mijn bezwaar is dit: al heb ik op Mevrouw Jennings’ hart niets aan te merken, zij is toch geen vrouw, in wier gezelschap wij genoegen vinden, ofwier bescherming voor ons eenige waarde heeft.”
“Dat is wèl waar,” antwoordde haar moeder; “maar op háár gezelschap, zonder dat van anderen, zul je heel weinig zijn aangewezen, en in ’t publiek vertoon je je toch bijna altijd met Lady Middleton.”
“Al zou Elinor zich door haar afkeer van Mevrouw Jennings laten bewegen om weg te blijven,” zei Marianne, “dan behoeft dat nog geene reden te zijn, waaromikzou bedanken voor hare uitnoodiging. Voor mij bestaan die bezwaren niet, en ik weet weet zeker, dat het mij heel weinig moeite zal kosten, dergelijke onaangenaamheden te verdragen.”
Elinor kon niet nalaten te glimlachen over dit vertoon van onverschilligheid voor de eigenaardigheden van iemand, jegens wie zij Marianne dikwijls slechts met moeite had kunnen overhalen, een dragelijk beleefde houding aan te nemen, en nam zich in stilte voor, zoo haar zuster erbij bleef, te willen gaan, haar in elk geval te vergezellen; daar zij het niet goedkeurde, dat het Marianne zou vrijstaan, geheel naar eigen inzicht te handelen, noch ook, dat Mevrouw Jennings, op het punt van huiselijke gezelligheid, volkomen aan Marianne’s genade zou zijn overgeleverd. Zij verzoende zich te gemakkelijker met deze beslissing, toen zij bedacht, dat Edward Ferrars, volgens Lucy’s mededeeling, niet vóór Februari in de stad zou komen, en dat hun bezoek vóór dien tijd wel zou kunnen zijn afgeloopen, ook zonder dat het opvallend werd bekort.
“Jelui moetallebeigaan,” zei Mevrouw Dashwood; “die bezwaren zijn pure onzin. Je zult het alleraardigst vinden, in Londen te zijn; vooral met je beiden; en als Elinor zich ooit wilde verwaardigen, zich genoegen van iets voor te stellen, dan zou ze het nu om verschillende redenen wel mogen verwachten; misschien zou ze zich dan wel verheugen op een nadere kennismaking met de familie van haar schoonzuster.”
Elinor had dikwijls verlangd naar eene gelegenheid,waarbij zij zou kunnen trachten, haar moeder’s stellig vertrouwen in de genegenheid tusschen Edward en haarzelve aan het wankelen te brengen, opdat de schok haar minder hevig zou treffen, wanneer de geheele waarheid werd geopenbaard. en bij deze woorden dwong zij zichzelve, hoewel met weinig hoop op eenig gunstig gevolg, tot een begin van uitvoering van dit plan, door zoo kalm mogelijk te zeggen: “Ik houd veel van Edward Ferrars, en ’t zal mij altijd genoegen doen, hem te ontmoeten; maar wat de overige familieleden betreft, ’t is mij volkomen onverschillig, of ik ze ooit zal leeren kennen.”
Mevrouw Dashwood glimlachte en gaf geen antwoord. Marianne keek verwonderd op, en Elinor begreep, dat zij even goed had kunnen zwijgen.
Er waren thans niet veel besprekingen meer noodig, eer het vaststond, dat de uitnoodiging met genoegen zou worden aangenomen. Mevrouw Jennings ontving dat bericht met uitbundige vreugde, en veel betuigingen van vriendelijkheid en goede zorg; zij was trouwens niet de eenige, die zich erover verblijdde. Sir John was verrukt; want voor een man, die niets zoozeer vreesde als de eenzaamheid, beteekende de vermeerdering van Londen’s aantal inwoners met twee toch altijd iets. Zelfs Lady Middleton gaf zich de moeite, haar ingenomenheid met het plan te betuigen, ’t geen voor haar een heel ding was; en wat de dames Steele betrof, vooral Lucy, zij waren nog nooit in haar leven zoo blij geweest, als bij het hooren van dit bericht.
Elinor voegde zich in de schikking, die in strijd was met haar eigen wenschen, met minder tegenzin dan zij verwacht had. Wat haarzelve betrof, het was haar thans onverschillig of zij naar de stad ging of niet; en toen zij zag, hoe hartelijk haar moeder zich verheugde over het plan, hoe haar zuster in blik, stem en houding haar blijdschapverried, hoe zij al haar oude levendigheid en meer dan haar vroegere vroolijkheid erdoor had herwonnen, kon zij over de oorzaak dier verandering niet onvoldaan zijn, en bestreed haar neiging tot bezorgdheid over de gevolgen ervan.—
Marianne’s blijdschap was bijna te groot om te kunnen doorgaan voor geluk; zoo gejaagd en onrustig was zij, en zoo verlangend om te vertrekken. Slechts haar ongeneigdheid om haar moeder te verlaten, kon haar eenigszins tot kalmte stemmen, en bij het afscheid ging haar verdriet alle perken te buiten. Haar moeder toonde zich weinig minder bedroefd, en Elinor was de eenige van de drie, die in deze scheiding nog niet juist een vaarwel voor eeuwig scheen te zien.
Zij vertrokken in de eerste week van Januari. De Middletons wilden ongeveer een week later gaan. De dames Steele bleven vooreerst nog op het Park, en zouden eerst met de overige familie vertrekken.
Hoofdstuk XXVIElinor kon, toen zij eenmaal met Mevrouw Jennings in het rijtuig was gezeten, aan ’t begin van de reis naar Londen, onder hare bescherming, en als haar gast, niet nalaten zich te verbazen over haar eigen toestand; zoo kort hadden zij deze dame nog maar gekend; zoo weinig pasten zij bij haar in leeftijd en geaardheid, en zoovele bezwaren tegen dezen stap had zij nog slechts een paar dagen te voren gemeend te moeten aanvoeren! Doch die bezwaren waren alle overwonnen of op zij gezet door Marianne en hare moeder, met die gelukkige en jeugdige geestdrift, die beiden in gelijke mate bezielde, en Elinorkon, ondanks haar telkens terugkeerenden twijfel aan Willoughby’s standvastigheid, de verwachtingsvolle verrukking, die Marianne’s ziel vervulde, en straalde uit haar blik, niet aanschouwen, zonder te gevoelen, hoe kleurloos daarbij vergeleken haar eigen vooruitzichten schenen, hoe vreugdeloos haar eigen gemoedsstemming was, en hoe gaarne zij zelfs in die zorgwekkende onzekerheid van Marianne’s toestand zou hebben willen deelen, om althans hetzelfde bezielende doel voor oogen te hebben, de zelfde mogelijkheid tot verwezenlijking harer hoop.—Binnen korten, zéér korten tijd echter zou thans blijken, wat Willoughby’s bedoelingen waren; naar alle waarschijnlijkheid was hij reeds in de stad. Marianne’s verlangen om te gaan bewees, hoe vast zij erop rekende, hem daar te ontmoeten. En Elinor was vastbesloten, niet alleen alles gewaar te worden, zoo door eigen waarneming als door mededeelingen van anderen, wat een nieuw licht kon werpen op zijn karakter, maar ook zijn houding tegenover haar zuster zoo nauwlettend gade te slaan, dat zij, eer die beiden elkaar meermalen hadden ontmoet, zich zekerheid zou hebben verschaft omtrent de vraag, wie hij was, en wat hij wilde. Mocht de uitslag van hare waarnemingen ongunstig zijn, dan was zij voornemens, in elk geval haar zuster de oogen te openen; zoo niet, dan zou zij haar kracht op andere wijze moeten inspannen,—zij zou dan moeten pogen, elke zelfzuchtige vergelijking te vermijden, en alle droefheid te verbannen, die haar voldoening over Marianne’s geluk verminderen kon.Drie dagen duurde de reis, en Marianne’s gedrag gedurende dien tijd was een merkwaardig staaltje van ’t geen voor het vervolg, op het punt van inschikkelijkheid en voorkomendheid jegens Mevrouw Jennings van haar te wachten viel. Bijna voortdurend zat zij zwijgend in gedachten verzonken, zonder ooit uit zichzelve een woord te spreken,tenzij de schilderachtige schoonheid van de omgeving haar een uitroep van verrukking ontlokte, die uitsluitend tot haar zuster gericht was. Om haar gedrag goed te maken, aanvaardde Elinor dus onmiddellijk de taak der beleefdheid, die zij zichzelve reeds had opgedragen; gedroeg zich tegenover Mevrouw Jennings met de grootste voorkomendheid, praatte en lachte met haar, en luisterde zoo goed zij kon naar haar verhalen; terwijl Mevrouw Jennings van haar kant beiden allervriendelijkst behandelde, zooveel in haar vermogen was zorgde voor hun gemak en genoegen, en alleen maar betreurde, dat zij hen in de hotels hun eigen maaltijden niet kon laten kiezen, en hun met geen mogelijkheid de bekentenis kon afpersen, of zij de voorkeur gaven aan zalm boven kabeljauw, of aan gekookte kip boven kalfscoteletten. Zij kwamen den derden dag om drie uur in Londen aan, blijde niet langer in een rijtuig te zijn opgesloten na zulk een lange reis, en zich bij voorbaat verheugend op de behagelijkheid van een helder brandend haardvuur.Het huis was mooi, en mooi ingericht, en de jonge dames werden aanstonds naar een zeer gezellige eigen zitkamer gebracht. Het was vroeger Charlotte’s kamer geweest, en boven den schoorsteenmantel hing nog een landschap in gekleurde zijde, door haar geborduurd, als een bewijs dat zij niet zonder resultaat zeven jaren in een deftige Londensche kostschool had doorgebracht. Daar zij eerst twee uren na hun aankomst zouden dineeren, besloot Elinor in dien tusschentijd aan haar moeder te schrijven, en ging zitten om haar brief te beginnen. Een oogenblik later volgde Marianne haar voorbeeld.“Ikschrijf naar huis, Marianne,” zei Elinor, “zou jij niet liever nog een paar dagen wachten met een brief?”“Ik schrijf niet aan moeder,” antwoorddeMarianne haastig, alsof zij wenschte verder navragen te vermijden.Elinor zei niets meer; zij begreep dadelijk, dat Marianne aan niemand anders kon schrijven dan aan Willoughby, en even onmiddellijk leidde zij hieruit af, dat die twee, al verkozen zij nu eenmaal geheimzinnig te doen, in elk geval verloofd moesten zijn. Die overtuiging, ofschoon niet volkomen bevredigend, schonk haar toch genoegen, en zij ging iets opgewekter voort met haar brief. Die van Marianne was in een paar minuten gereed; het kon niet meer dan een kort briefje zijn; zij vouwde, verzegelde en adresseerde het in groote haast. Elinor meende een groote W. te onderscheiden in het adres; maar zoodra het geschreven was, vroeg Marianne reeds aan den bediende die op haar bellen verscheen, den brief voor haar op de post te bezorgen, zoodat alles in een oogwenk was beslist.Marianne bleef nog steeds bijna overdreven vroolijk, maar er was iets gejaagds in haar manier van zijn, dat haar zuster belette zich over haar opgewektheid te verheugen; en die gejaagdheid nam toe, naarmate de avond verstreek. Zij had in ’t geheel geen eetlust, en toen zij naar den salon waren teruggegaan, scheen zij angstig te luisteren naar het geluid van ieder rijtuig.Elinor was uiterst dankbaar, dat Mevrouw Jennings, die veel in haar eigen kamer bezig was, weinig bespeurde van ’t geen er voorviel. Het theeservies werd binnengebracht, en reeds was Marianne meermalen teleurgesteld geworden door een kloppen aan eene naburige deur, toen plotseling een luide klop werd vernomen, die hun huis gold en geen ander; daarin konden zij zich niet vergissen. Elinor dacht stellig, dat Willoughby elk oogenblik kon binnenkomen; Marianne sprong op, en deed een paar stappen naar de deur. Alles bleef stil; langer dan een paar seconden kon zij dat niet verdragen; zij opende de deur, liep een eindnaar de trap, en keerde, na een oogenblik te hebben geluisterd, in de kamer terug, zóó opgewonden, als zij slechts kon zijn door de zekerheid, hem werkelijk te hebben gehoord. In haar verrukking kon zij niet nalaten uit te roepen: “O Elinor, ’t is waar; het is Willoughby!” en zij scheen op het punt zich in zijn armen te willen werpen, toen Kolonel Brandon binnentrad.De schok was te hevig om met kalmte te worden verdragen, en zij ging onmiddellijk de kamer uit. Elinor was ook teleurgesteld, maar haar genegenheid voor Kolonel Brandon deed haar zijn bezoek toch welkom zijn, en het speet haar bijzonder, dat deze man, die zooveel van hare zuster hield, moest bemerken, dat zij bij zijn weêrzien niets dan verdriet en teleurstelling gevoelde. Zij bespeurde aanstonds, dat hij het wel had opgemerkt; dat hij Marianne zelfs oplettend aanzag, toen zij de kamer verliet, met zóóveel verwondering en spijt, dat hij bijna vergat, wat de beleefdheid jegens haarzelve van hem vorderde. “Is uw zuster niet wel?” vroeg hij.Elinor antwoordde half verlegen, half treurig, dat dit het geval was, en sprak van hoofdpijn, gedruktheid, over-vermoeienis, en allerlei meer, waaraan zij haar zuster’s gedrag redelijkerwijze kon toeschrijven.Hij hoorde haar ernstig en aandachtig aan; maar scheen zichzelf thans weer meester, en ging niet op het onderwerp door, doch begon dadelijk over het genoegen, dat het hem deed, hen in Londen te ontmoeten, en deed de gewone vragen naar hunne reis, en de vrienden, die zij hadden achtergelaten.Op dien kalmen en vriendelijken toon, doch zonder veel belangstelling van weerskanten, zetten zij het gesprek voort, beiden ontstemd, en beiden met hun gedachten elders. Elinor zou zeer gaarne hebben gevraagd of Willoughby in de stad was;maar zij vreesde hem verdriet te doen, door te vragen naar zijn medeminnaar, en eindelijk vroeg zij, om maar iets te zeggen, of hij in Londen was gebleven, sedert zij elkaar het laatst hadden gezien. “Ja,” antwoordde hij, ietwat verlegen, “bijna altijd; ik ben nog een paar malen te Delaford geweest een dag of wat, maar ik kon onmogelijk te Barton terugkomen.”Die woorden, en de wijze waarop hij ze zeide, brachten haar onmiddellijk de omstandigheden voor den geest, waaronder hij hen had verlaten; evenals de ongerustheid en de vermoedens, die zijn vertrek bij Mevrouw Jennings had gewekt, en zij vreesde, dat zij door hare vraag veel meer nieuwsgierigheid had laten blijken naar dit onderwerp, dan zij ooit gevoeld had.Spoedig kwam nu ook Mevrouw Jennings binnen. “Wel, Kolonel,” zei ze, met haar gewone luidruchtige vroolijkheid, “ik ben reusachtig blij, dat ik u zie,—’t spijt me, dat ik niet eerder beneden kwam,—neem het mij niet kwalijk; maar ik moest volstrekt alles een beetje nagaan, en orde stellen op mijn zaakjes, want ik ben lang van huis geweest en u weet hoe dat gaat, men heeft dan van alles en nog wat te beredderen, als men terug komt; ik heb Cartwright ook nog bij me gehad, om over zaken te spreken. Ik ben sedert na den eten onafgebroken in touw! Maar vertel mij eens, Kolonel, hoe hebt u dat zoo precies kunnen raden, dat ik vandaag weer in de stad kwam?”“Ik hoorde het tot mijn groot genoegen van Mevrouw Palmer, bij wie ik gedineerd heb.”“Zoo, zoo, en hoe maken de kinderen het wel? Hoe gaat het met Charlotte? Die zal er wel niet magerder op zijn geworden, denk ik.”“Mevrouw Palmer maakte het, naar ’t mij voorkwam, heel goed, en zij droeg mij op, u te vertellen, dat ze u stellig morgen komt bezoeken.”“Natuurlijk; dat dacht ik al. Wel, Kolonel, uziet, ik heb twee jonge dames meegebracht; dat is te zeggen, u ziet er nu maar eene van, maar er is ook nog een andere. Uw vriendin Juffrouw Marianne is hier ook,—daar zult u wel niet op tegen hebben. Ik weet niet wat we nu wel zullen te doen krijgen over haar tusschen u en Mijnheer Willoughby. Ja, ja, ’t is lang niet onaardig, om jong en mooi te zijn. Nu, ik ben ook eenmaal jong geweest; maar mooi was ik nooit—jammer genoeg voor mij. En toch heb ik een besten man gekregen; méér kan zelfs de grootste schoonheid niet. Hij is nu al meer dan acht jaar dood, die goeie man. Maar, Kolonel, waar hebt u nu wel gezeten sinds we afscheid namen? En hoe staat het met uw zaken? Kom, kom, onder vrienden behoeven we geen geheimen te hebben voor elkaar.”Hij beantwoordde al haar vragen met zijn gewone zachtaardigheid; maar voldeed haar op geen enkel punt. Elinor ging nu thee zetten, en Marianne moest wel weer binnenkomen. Kolonel Brandon was na haar komst nadenkender en stiller dan te voren, en Mevrouw Jennings kon hem niet bewegen, lang te blijven. Dien avond kwam er geen ander bezoek, en de dames waren eensgezind in hun verlangen om vroeg naar bed te gaan.Bij het opstaan was Marianne’s stemming verbeterd, en zij keek weer vroolijk. De teleurstelling van den vorigen avond scheen vergeten door de verwachting van wat deze dag brengen zou. Kort na het ontbijt reeds hield Mevrouw Palmer’s rijtuig voor de deur stil, en een paar minuten later kwam zij lachend de kamer binnen, zoo verrukt hen allen weer te zien, dat men moeilijk kon nagaan, wat haar het meest plezier deed, haar moeder of de dames Dashwood weer te ontmoeten. Zoo verbaasd dat ze toch naar de stad gekomen waren, hoewel ze ’t eigenlijk nooit anders verwacht had; en zoo boos, dat ze haar moeder’s uitnoodiging hadden aangenomen, na de hare te hebben geweigerd,hoewel ze ’t hun tòch nooit zou hebben vergeven als zenietgekomen waren!“’t Zal mijn man zooveel pleizier doen, u te zien,” zei ze; “wat denkt u wel, dat hij zei, toen hij hoorde, dat u met mama meekwam? Ik kan ’t mij op ’t oogenblik niet goed meer herinneren; maar ’t was iets héél grappigs!”Nadat een paar uren waren gesleten met wat haar moeder “gezellig babbelen” noemde, anders gezegd met een eindelooze reeks van vragen naar alle mogelijke kennissen van den kant van Mevrouw Jennings, en aanhoudend gelach zonder reden van dien van Mevrouw Palmer, stelde de laatste voor, dat ze allen met haar zouden meegaan naar een paar winkels, waar zij dien morgen boodschappen wilde doen; waartoe Mevrouw Jennings en Elinor, die ook het een en ander wenschten te koopen, gaarne bereid waren, terwijl Marianne, die eerst weigerde, werd overgehaald om ook te gaan.Waarheen ze zich ook begaven, zij bleef blijkbaar aanhoudend op den uitkijk. In Bondstreet vooral, waar zij het meest te doen hadden, dwaalden haar blikken voortdurend rond, en welken winkel het gezelschap ook binnenging, haar geest was nergens bij hetgeen zij feitelijk vóór zich zag, bij al wat de aandacht der anderen boeide en bezighield. Overal rusteloos en onvoldaan als zij was, kon haar zuster haar nooit een oordeel ontlokken over eenige koopwaar, ook al had zij er zelve evenveel belang bij als Elinor. Zij had nergens pleizier in; verlangde alleen maar, weer naar huis te gaan, en kon slechts met moeite haar ergernis bedwingen over het getreuzel van Mevrouw Palmer, die al wat mooi, duur en nieuw was, onmiddellijk in het oog kreeg, in haar opgewondenheid alles wilde koopen, nooit een keus kon doen, en in verrukte weifelmoedigheid haar tijd verbeuzelde.De morgen was al bijna verstreken toen zij thuis kwamen; zoodra de deur openging vloog Mariannehaastig naar boven, en toen Elinor haar gevolgd was, zag zij hoe haar zuster zich van de tafel afwendde, met een droevig gezicht, waarop duidelijk stond te lezen, dat Willoughby er niet geweest was.“Is er geen brief voor mij gekomen, nadat wij uitgingen?” zei ze tot den bediende, die de pakjes binnenbracht. Deze antwoordde ontkennend. “Weet je het zeker!” vroeg zij. “Heeft geen knecht of geen kruier een briefje gebracht?”De knecht antwoordde dat dit niet het geval was.“Hoe allervreemdst,” zei ze zachtjes op teleurgestelden toon, terwijl zij naar het venster ging.“Ja waarlijk, wèl vreemd,” herhaalde Elinor in stilte, terwijl ze haar zuster met bezorgdheid aanzag. “Als zij niet had geweten, dat hij in de stad was, dan zou ze niet aan hem hebben geschreven zooals ze deed; dan had ze geschreven naar Combe Magna, en als hij in de stadis, hoe zonderling dan, dat hij niet komt, en ook niet schrijft! O mijn beste moeder, het kan niet anders dan verkeerd zijn, een dochter die nog zoo jong is, toe te staan, zich te verloven met een man van wien wij zoo weinig weten, en dat op zulk een twijfelachtige geheimzinnige manier!Ikverlang navraag te doen; maar hoe zalmijntusschenkomst worden opgenomen?”Na eenige overweging besloot zij, wanneer deze onaangename toestand nog eenige dagen langer mocht voortduren, haar moeder met den meesten nadruk onder het oog te brengen, hoe noodzakelijk het was ernstig navraag te doen.Mevrouw Palmer bleef bij hen eten, met twee oudere dames, goede bekenden van Mevrouw Jennings, die zij dien morgen had ontmoet. De eerste ging na de thee heen, om verder avondbezoeken af te leggen, en Elinor moest haar plaats innemen met de anderen om de whist-tafel. Marianne kon bij dergelijke gelegenheden nooit van dienst zijn, daar zij het spel niet had willen leeren;maar al kon zij haar tijd dus gebruiken zooals zij wilde, deze avond verschafte haar even weinig genoegen als aan Elinor, want zij sleet dien in angstige verwachting en grievende teleurstelling. Soms trachtte ze een paar minuten te lezen; maar het boek werd spoedig terzijde geworpen, en zij keerde terug tot de meer bevredigende bezigheid van de kamer op en neer te loopen, waarbij ze telkens even bleef stilstaan, als zij bij het venster gekomen was, in de hoop den langverwachten klop te onderscheiden.—
Elinor kon, toen zij eenmaal met Mevrouw Jennings in het rijtuig was gezeten, aan ’t begin van de reis naar Londen, onder hare bescherming, en als haar gast, niet nalaten zich te verbazen over haar eigen toestand; zoo kort hadden zij deze dame nog maar gekend; zoo weinig pasten zij bij haar in leeftijd en geaardheid, en zoovele bezwaren tegen dezen stap had zij nog slechts een paar dagen te voren gemeend te moeten aanvoeren! Doch die bezwaren waren alle overwonnen of op zij gezet door Marianne en hare moeder, met die gelukkige en jeugdige geestdrift, die beiden in gelijke mate bezielde, en Elinorkon, ondanks haar telkens terugkeerenden twijfel aan Willoughby’s standvastigheid, de verwachtingsvolle verrukking, die Marianne’s ziel vervulde, en straalde uit haar blik, niet aanschouwen, zonder te gevoelen, hoe kleurloos daarbij vergeleken haar eigen vooruitzichten schenen, hoe vreugdeloos haar eigen gemoedsstemming was, en hoe gaarne zij zelfs in die zorgwekkende onzekerheid van Marianne’s toestand zou hebben willen deelen, om althans hetzelfde bezielende doel voor oogen te hebben, de zelfde mogelijkheid tot verwezenlijking harer hoop.—Binnen korten, zéér korten tijd echter zou thans blijken, wat Willoughby’s bedoelingen waren; naar alle waarschijnlijkheid was hij reeds in de stad. Marianne’s verlangen om te gaan bewees, hoe vast zij erop rekende, hem daar te ontmoeten. En Elinor was vastbesloten, niet alleen alles gewaar te worden, zoo door eigen waarneming als door mededeelingen van anderen, wat een nieuw licht kon werpen op zijn karakter, maar ook zijn houding tegenover haar zuster zoo nauwlettend gade te slaan, dat zij, eer die beiden elkaar meermalen hadden ontmoet, zich zekerheid zou hebben verschaft omtrent de vraag, wie hij was, en wat hij wilde. Mocht de uitslag van hare waarnemingen ongunstig zijn, dan was zij voornemens, in elk geval haar zuster de oogen te openen; zoo niet, dan zou zij haar kracht op andere wijze moeten inspannen,—zij zou dan moeten pogen, elke zelfzuchtige vergelijking te vermijden, en alle droefheid te verbannen, die haar voldoening over Marianne’s geluk verminderen kon.
Drie dagen duurde de reis, en Marianne’s gedrag gedurende dien tijd was een merkwaardig staaltje van ’t geen voor het vervolg, op het punt van inschikkelijkheid en voorkomendheid jegens Mevrouw Jennings van haar te wachten viel. Bijna voortdurend zat zij zwijgend in gedachten verzonken, zonder ooit uit zichzelve een woord te spreken,tenzij de schilderachtige schoonheid van de omgeving haar een uitroep van verrukking ontlokte, die uitsluitend tot haar zuster gericht was. Om haar gedrag goed te maken, aanvaardde Elinor dus onmiddellijk de taak der beleefdheid, die zij zichzelve reeds had opgedragen; gedroeg zich tegenover Mevrouw Jennings met de grootste voorkomendheid, praatte en lachte met haar, en luisterde zoo goed zij kon naar haar verhalen; terwijl Mevrouw Jennings van haar kant beiden allervriendelijkst behandelde, zooveel in haar vermogen was zorgde voor hun gemak en genoegen, en alleen maar betreurde, dat zij hen in de hotels hun eigen maaltijden niet kon laten kiezen, en hun met geen mogelijkheid de bekentenis kon afpersen, of zij de voorkeur gaven aan zalm boven kabeljauw, of aan gekookte kip boven kalfscoteletten. Zij kwamen den derden dag om drie uur in Londen aan, blijde niet langer in een rijtuig te zijn opgesloten na zulk een lange reis, en zich bij voorbaat verheugend op de behagelijkheid van een helder brandend haardvuur.
Het huis was mooi, en mooi ingericht, en de jonge dames werden aanstonds naar een zeer gezellige eigen zitkamer gebracht. Het was vroeger Charlotte’s kamer geweest, en boven den schoorsteenmantel hing nog een landschap in gekleurde zijde, door haar geborduurd, als een bewijs dat zij niet zonder resultaat zeven jaren in een deftige Londensche kostschool had doorgebracht. Daar zij eerst twee uren na hun aankomst zouden dineeren, besloot Elinor in dien tusschentijd aan haar moeder te schrijven, en ging zitten om haar brief te beginnen. Een oogenblik later volgde Marianne haar voorbeeld.
“Ikschrijf naar huis, Marianne,” zei Elinor, “zou jij niet liever nog een paar dagen wachten met een brief?”
“Ik schrijf niet aan moeder,” antwoorddeMarianne haastig, alsof zij wenschte verder navragen te vermijden.
Elinor zei niets meer; zij begreep dadelijk, dat Marianne aan niemand anders kon schrijven dan aan Willoughby, en even onmiddellijk leidde zij hieruit af, dat die twee, al verkozen zij nu eenmaal geheimzinnig te doen, in elk geval verloofd moesten zijn. Die overtuiging, ofschoon niet volkomen bevredigend, schonk haar toch genoegen, en zij ging iets opgewekter voort met haar brief. Die van Marianne was in een paar minuten gereed; het kon niet meer dan een kort briefje zijn; zij vouwde, verzegelde en adresseerde het in groote haast. Elinor meende een groote W. te onderscheiden in het adres; maar zoodra het geschreven was, vroeg Marianne reeds aan den bediende die op haar bellen verscheen, den brief voor haar op de post te bezorgen, zoodat alles in een oogwenk was beslist.
Marianne bleef nog steeds bijna overdreven vroolijk, maar er was iets gejaagds in haar manier van zijn, dat haar zuster belette zich over haar opgewektheid te verheugen; en die gejaagdheid nam toe, naarmate de avond verstreek. Zij had in ’t geheel geen eetlust, en toen zij naar den salon waren teruggegaan, scheen zij angstig te luisteren naar het geluid van ieder rijtuig.
Elinor was uiterst dankbaar, dat Mevrouw Jennings, die veel in haar eigen kamer bezig was, weinig bespeurde van ’t geen er voorviel. Het theeservies werd binnengebracht, en reeds was Marianne meermalen teleurgesteld geworden door een kloppen aan eene naburige deur, toen plotseling een luide klop werd vernomen, die hun huis gold en geen ander; daarin konden zij zich niet vergissen. Elinor dacht stellig, dat Willoughby elk oogenblik kon binnenkomen; Marianne sprong op, en deed een paar stappen naar de deur. Alles bleef stil; langer dan een paar seconden kon zij dat niet verdragen; zij opende de deur, liep een eindnaar de trap, en keerde, na een oogenblik te hebben geluisterd, in de kamer terug, zóó opgewonden, als zij slechts kon zijn door de zekerheid, hem werkelijk te hebben gehoord. In haar verrukking kon zij niet nalaten uit te roepen: “O Elinor, ’t is waar; het is Willoughby!” en zij scheen op het punt zich in zijn armen te willen werpen, toen Kolonel Brandon binnentrad.
De schok was te hevig om met kalmte te worden verdragen, en zij ging onmiddellijk de kamer uit. Elinor was ook teleurgesteld, maar haar genegenheid voor Kolonel Brandon deed haar zijn bezoek toch welkom zijn, en het speet haar bijzonder, dat deze man, die zooveel van hare zuster hield, moest bemerken, dat zij bij zijn weêrzien niets dan verdriet en teleurstelling gevoelde. Zij bespeurde aanstonds, dat hij het wel had opgemerkt; dat hij Marianne zelfs oplettend aanzag, toen zij de kamer verliet, met zóóveel verwondering en spijt, dat hij bijna vergat, wat de beleefdheid jegens haarzelve van hem vorderde. “Is uw zuster niet wel?” vroeg hij.
Elinor antwoordde half verlegen, half treurig, dat dit het geval was, en sprak van hoofdpijn, gedruktheid, over-vermoeienis, en allerlei meer, waaraan zij haar zuster’s gedrag redelijkerwijze kon toeschrijven.
Hij hoorde haar ernstig en aandachtig aan; maar scheen zichzelf thans weer meester, en ging niet op het onderwerp door, doch begon dadelijk over het genoegen, dat het hem deed, hen in Londen te ontmoeten, en deed de gewone vragen naar hunne reis, en de vrienden, die zij hadden achtergelaten.
Op dien kalmen en vriendelijken toon, doch zonder veel belangstelling van weerskanten, zetten zij het gesprek voort, beiden ontstemd, en beiden met hun gedachten elders. Elinor zou zeer gaarne hebben gevraagd of Willoughby in de stad was;maar zij vreesde hem verdriet te doen, door te vragen naar zijn medeminnaar, en eindelijk vroeg zij, om maar iets te zeggen, of hij in Londen was gebleven, sedert zij elkaar het laatst hadden gezien. “Ja,” antwoordde hij, ietwat verlegen, “bijna altijd; ik ben nog een paar malen te Delaford geweest een dag of wat, maar ik kon onmogelijk te Barton terugkomen.”
Die woorden, en de wijze waarop hij ze zeide, brachten haar onmiddellijk de omstandigheden voor den geest, waaronder hij hen had verlaten; evenals de ongerustheid en de vermoedens, die zijn vertrek bij Mevrouw Jennings had gewekt, en zij vreesde, dat zij door hare vraag veel meer nieuwsgierigheid had laten blijken naar dit onderwerp, dan zij ooit gevoeld had.
Spoedig kwam nu ook Mevrouw Jennings binnen. “Wel, Kolonel,” zei ze, met haar gewone luidruchtige vroolijkheid, “ik ben reusachtig blij, dat ik u zie,—’t spijt me, dat ik niet eerder beneden kwam,—neem het mij niet kwalijk; maar ik moest volstrekt alles een beetje nagaan, en orde stellen op mijn zaakjes, want ik ben lang van huis geweest en u weet hoe dat gaat, men heeft dan van alles en nog wat te beredderen, als men terug komt; ik heb Cartwright ook nog bij me gehad, om over zaken te spreken. Ik ben sedert na den eten onafgebroken in touw! Maar vertel mij eens, Kolonel, hoe hebt u dat zoo precies kunnen raden, dat ik vandaag weer in de stad kwam?”
“Ik hoorde het tot mijn groot genoegen van Mevrouw Palmer, bij wie ik gedineerd heb.”
“Zoo, zoo, en hoe maken de kinderen het wel? Hoe gaat het met Charlotte? Die zal er wel niet magerder op zijn geworden, denk ik.”
“Mevrouw Palmer maakte het, naar ’t mij voorkwam, heel goed, en zij droeg mij op, u te vertellen, dat ze u stellig morgen komt bezoeken.”
“Natuurlijk; dat dacht ik al. Wel, Kolonel, uziet, ik heb twee jonge dames meegebracht; dat is te zeggen, u ziet er nu maar eene van, maar er is ook nog een andere. Uw vriendin Juffrouw Marianne is hier ook,—daar zult u wel niet op tegen hebben. Ik weet niet wat we nu wel zullen te doen krijgen over haar tusschen u en Mijnheer Willoughby. Ja, ja, ’t is lang niet onaardig, om jong en mooi te zijn. Nu, ik ben ook eenmaal jong geweest; maar mooi was ik nooit—jammer genoeg voor mij. En toch heb ik een besten man gekregen; méér kan zelfs de grootste schoonheid niet. Hij is nu al meer dan acht jaar dood, die goeie man. Maar, Kolonel, waar hebt u nu wel gezeten sinds we afscheid namen? En hoe staat het met uw zaken? Kom, kom, onder vrienden behoeven we geen geheimen te hebben voor elkaar.”
Hij beantwoordde al haar vragen met zijn gewone zachtaardigheid; maar voldeed haar op geen enkel punt. Elinor ging nu thee zetten, en Marianne moest wel weer binnenkomen. Kolonel Brandon was na haar komst nadenkender en stiller dan te voren, en Mevrouw Jennings kon hem niet bewegen, lang te blijven. Dien avond kwam er geen ander bezoek, en de dames waren eensgezind in hun verlangen om vroeg naar bed te gaan.
Bij het opstaan was Marianne’s stemming verbeterd, en zij keek weer vroolijk. De teleurstelling van den vorigen avond scheen vergeten door de verwachting van wat deze dag brengen zou. Kort na het ontbijt reeds hield Mevrouw Palmer’s rijtuig voor de deur stil, en een paar minuten later kwam zij lachend de kamer binnen, zoo verrukt hen allen weer te zien, dat men moeilijk kon nagaan, wat haar het meest plezier deed, haar moeder of de dames Dashwood weer te ontmoeten. Zoo verbaasd dat ze toch naar de stad gekomen waren, hoewel ze ’t eigenlijk nooit anders verwacht had; en zoo boos, dat ze haar moeder’s uitnoodiging hadden aangenomen, na de hare te hebben geweigerd,hoewel ze ’t hun tòch nooit zou hebben vergeven als zenietgekomen waren!
“’t Zal mijn man zooveel pleizier doen, u te zien,” zei ze; “wat denkt u wel, dat hij zei, toen hij hoorde, dat u met mama meekwam? Ik kan ’t mij op ’t oogenblik niet goed meer herinneren; maar ’t was iets héél grappigs!”
Nadat een paar uren waren gesleten met wat haar moeder “gezellig babbelen” noemde, anders gezegd met een eindelooze reeks van vragen naar alle mogelijke kennissen van den kant van Mevrouw Jennings, en aanhoudend gelach zonder reden van dien van Mevrouw Palmer, stelde de laatste voor, dat ze allen met haar zouden meegaan naar een paar winkels, waar zij dien morgen boodschappen wilde doen; waartoe Mevrouw Jennings en Elinor, die ook het een en ander wenschten te koopen, gaarne bereid waren, terwijl Marianne, die eerst weigerde, werd overgehaald om ook te gaan.
Waarheen ze zich ook begaven, zij bleef blijkbaar aanhoudend op den uitkijk. In Bondstreet vooral, waar zij het meest te doen hadden, dwaalden haar blikken voortdurend rond, en welken winkel het gezelschap ook binnenging, haar geest was nergens bij hetgeen zij feitelijk vóór zich zag, bij al wat de aandacht der anderen boeide en bezighield. Overal rusteloos en onvoldaan als zij was, kon haar zuster haar nooit een oordeel ontlokken over eenige koopwaar, ook al had zij er zelve evenveel belang bij als Elinor. Zij had nergens pleizier in; verlangde alleen maar, weer naar huis te gaan, en kon slechts met moeite haar ergernis bedwingen over het getreuzel van Mevrouw Palmer, die al wat mooi, duur en nieuw was, onmiddellijk in het oog kreeg, in haar opgewondenheid alles wilde koopen, nooit een keus kon doen, en in verrukte weifelmoedigheid haar tijd verbeuzelde.
De morgen was al bijna verstreken toen zij thuis kwamen; zoodra de deur openging vloog Mariannehaastig naar boven, en toen Elinor haar gevolgd was, zag zij hoe haar zuster zich van de tafel afwendde, met een droevig gezicht, waarop duidelijk stond te lezen, dat Willoughby er niet geweest was.
“Is er geen brief voor mij gekomen, nadat wij uitgingen?” zei ze tot den bediende, die de pakjes binnenbracht. Deze antwoordde ontkennend. “Weet je het zeker!” vroeg zij. “Heeft geen knecht of geen kruier een briefje gebracht?”
De knecht antwoordde dat dit niet het geval was.
“Hoe allervreemdst,” zei ze zachtjes op teleurgestelden toon, terwijl zij naar het venster ging.
“Ja waarlijk, wèl vreemd,” herhaalde Elinor in stilte, terwijl ze haar zuster met bezorgdheid aanzag. “Als zij niet had geweten, dat hij in de stad was, dan zou ze niet aan hem hebben geschreven zooals ze deed; dan had ze geschreven naar Combe Magna, en als hij in de stadis, hoe zonderling dan, dat hij niet komt, en ook niet schrijft! O mijn beste moeder, het kan niet anders dan verkeerd zijn, een dochter die nog zoo jong is, toe te staan, zich te verloven met een man van wien wij zoo weinig weten, en dat op zulk een twijfelachtige geheimzinnige manier!Ikverlang navraag te doen; maar hoe zalmijntusschenkomst worden opgenomen?”
Na eenige overweging besloot zij, wanneer deze onaangename toestand nog eenige dagen langer mocht voortduren, haar moeder met den meesten nadruk onder het oog te brengen, hoe noodzakelijk het was ernstig navraag te doen.
Mevrouw Palmer bleef bij hen eten, met twee oudere dames, goede bekenden van Mevrouw Jennings, die zij dien morgen had ontmoet. De eerste ging na de thee heen, om verder avondbezoeken af te leggen, en Elinor moest haar plaats innemen met de anderen om de whist-tafel. Marianne kon bij dergelijke gelegenheden nooit van dienst zijn, daar zij het spel niet had willen leeren;maar al kon zij haar tijd dus gebruiken zooals zij wilde, deze avond verschafte haar even weinig genoegen als aan Elinor, want zij sleet dien in angstige verwachting en grievende teleurstelling. Soms trachtte ze een paar minuten te lezen; maar het boek werd spoedig terzijde geworpen, en zij keerde terug tot de meer bevredigende bezigheid van de kamer op en neer te loopen, waarbij ze telkens even bleef stilstaan, als zij bij het venster gekomen was, in de hoop den langverwachten klop te onderscheiden.—