Hoofdstuk XXVII

Hoofdstuk XXVII“Als ’t nog lang zulk zacht weer blijft,” zei Mevrouw Jennings den volgenden morgen aan het ontbijt, “dan zal Sir John het niet prettig vinden, de volgende week uit Barton weg te gaan; jagers kunnen er slecht tegen, een dag van hun pleizier te missen. Stakkers! ik heb altijd medelijden met hen, als dat gebeurt;—ze trekken het zich zoo geweldig aan.”“Dat is waar,” riep Marianne op vroolijken toon, terwijl ze naar ’t venster liep, om naar de lucht te zien, “dááraan had ik niet gedacht. Met dit weer zullen veel jachtliefhebbers buiten blijven.”Dat was een gelukkige inval; haar vroegere opgewektheid keerde er geheel door terug. “Voorhenis het weer uitgezocht,” ging ze voort, terwijl ze met een blij gezicht aan de ontbijttafel ging zitten. “Wat zullen ze genieten. Maar,” (opnieuw ietwat angstig) “men kan niet verwachten dat het lang zal duren. Om dezen tijd van het jaar, en na dien aanhoudenden regen, kan het niet lang meerzoo blijven. ’t Zal wel gauw gaan vriezen, en dan zeker nog al hard. Over een paar dagen misschien; dit bijzonder zachte weer kàn toch haast niet langer aanhouden;—wie weet, misschien vriest het van nacht al!”“In elk geval,” zei Elinor, die hoopte, dat Mevrouw Jennings niet zóó duidelijk haar zuster’s gedachtengang kon volgen, als zijzelve, “denk ik, dat Sir John en Lady Middleton in het eind van de volgende week toch wel naar de stad zullen komen.”“Ja lieve kind, dat durf ik ook wel wedden. Mary krijgt toch altijd haar zin.”“En dus,” raadde Elinor in stilte, “wordt er vandaag een brief verzonden naar Combe Magna.”Doch zóó dit al gebeurde, dan werd die brief geschreven en verzonden met een geheimzinnigheid, die al haar oplettendheid om zich van het feit te vergewissen, vermocht te verschalken. Wàt dan nu ook de waarheid mocht zijn, en al was Elinor er verre van, zich in haar hart voldaan te gevoelen, zoolang ze Marianne maar vroolijk zag, was zijzelve niet al te zeer ongerust. En Marianne wàs vroolijk, blij dat het weer zacht bleef, en nog blijder dat er vorst te wachten viel.Zij brachten den morgen door met kaartjes afgeven bij Mevrouw Jennings’ bekenden, om hen te laten weten dat zij weer in de stad was, en Marianne deed niet anders dan letten op de windrichting, kijken naar de wisselende lucht, en zich verbeelden, dat de atmosfeer veranderde. “Vindje ’t niet kouder dan ’t van morgen was, Elinor? Ik voel bepaald een groot verschil. Ik kan zelfs in mijn mof mijn handen haast niet warm houden. Gister was dat toch niet zoo. De wolken drijven ook uiteen, straks komt de zon door, en dan krijgen we een helderen middag.”Elinor vond het half grappig en half droevig; maar Marianne hield vol, en zag elken avond in de helderheid van het vuur, en elken morgen in ’tvoorkomen van de lucht de onmiskenbare symptomen van de naderende vorst.De dames Dashwood hadden evenmin reden tot onvoldaanheid over Mevrouw Jennings’ leefwijze en haar kring van bekenden, als over haar gedrag jegens henzelven, dat onveranderlijk vriendelijk bleef. Haar huishouding was op ruimen en aangenamen voet ingericht, en behalve een paar oude vrienden uit de City, die zij tot Lady Middleton’s ergernis, niet had willen laten varen, ging zij met niemand om, aan wie zij hare jeugdige vriendinnen niet had kunnen voorstellen zonder hare gevoelens te kwetsen. Blijde, dat alles haar in dit opzicht althans nogal meeviel, was Elinor ten volle bereid, zich te schikken in het gemis van werkelijk genoegen dat er voor haar te putten viel uit de avondpartijtjes, die, ’t zij tehuis of bij vreemden, steeds aan het kaartspel waren gewijd, en haar dus weinig afleiding verschaften. Kolonel Brandon, die een doorloopende invitatie had ontvangen, bezocht hen bijna iederen dag; hij kwam om te kijken naar Marianne en te praten met Elinor, die dikwijls meer genoegen vond in een gesprek met hem, dan eenige andere der dagelijksche kleine gebeurtenissen haar kon schenken, maar die tevens met bezorgdheid zag, dat hij nog steeds haar zuster liefhad. Zij vreesde dat die genegenheid sterker werd. Het deed haar verdriet te zien, hoe ernstig hij dikwijls Marianne gadesloeg, en hij scheen bepaald nog meer gedrukt dan te Barton.Omstreeks een week na hun aankomst verkregen zij de zekerheid, dat ook Willoughby in de stad was. Toen zij terugkwamen van hun morgenrit, lag zijn kaartje op de tafel.“God!” riep Marianne, “hij is hier geweest, terwijl wij uit waren!” Elinor, die blijde was thans zeker te zijn van zijn komst in Londen, waagde het te zeggen: “Reken er maar gerust op, dat hij morgen weer hier komt.” Doch Marianne scheen haarternauwernood te hooren, en liep, toen Mevrouw Jennings binnenkwam, haastig met het kostbare kaartje weg.Dit voorval, dat Elinor vroolijker stemde, maakte haar zuster weer even onrustig, ja nog gejaagder, dan zij te voren was geweest. Van dit oogenblik af kwam zij in het geheel niet meer tot rust; het besef, dat zij hem elk uur van den dag kòn ontmoeten, maakte dat zij tot niets meer in staat was. Zij wilde volstrekt tehuis blijven, toen de anderen den volgenden morgen uitgingen.Elinor’s gedachten hielden zich voortdurend bezig met hetgeen wel in Berkeley Street mocht voorvallen gedurende hunne afwezigheid; maar een enkele blik naar haar zuster bij hun terugkomst was voldoende om haar te doen begrijpen, dat Willoughby geen tweede bezoek had afgelegd. Juist werd een briefje binnengebracht, dat de knecht op de tafel legde.“Voor mij!” riep Marianne, haastig toesnellend.“Neen, juffrouw, ’t is voor Mevrouw Jennings.”Doch Marianne, nog niet overtuigd, nam het op.“Ja, ’t is voor Mevrouw Jennings; hoe ergerlijk!”“Verwacht je dan een brief?” zei Elinor, niet bij machte langer te zwijgen.“Ja... ten minste... ik dacht...”Na een korte stilte liet Elinor hierop volgen: “Je stelt geen vertrouwen in mij, Marianne.”“O, maar Elinor, datjijme dat verwijt!—jij, die inniemandvertrouwen stelt!”“Ik?” antwoordde Elinor half verschrikt;—“maar werkelijk, Marianne, ik heb niets te vertellen.”“Ik evenmin,” zei Marianne met grooten nadruk; “we staan volkomen gelijk. We hebben geen van beiden iets te vertellen; jij omdat je niets wilt zeggen en ik omdat ik niets verberg.”Elinor, bedroefd over die beschuldiging van terughouding, die zij niet mocht ontzenuwen, begreep niet, hoe zij, onder deze omstandigheden,Marianne tot meerder openhartigheid zou kunnen bewegen. Mevrouw Jennings kwam weldra binnen en las het briefje, dat haar werd overhandigd, hardop voor. Het was van Lady Middleton, en bevatte behalve het bericht, dat zij den avond te voren in Conduit Street waren aangekomen, een uitnoodiging aan haar moeder en hare nichten om den volgenden avond bij hen door te brengen. Sir John’s drukke bezigheden, en een zware verkoudheid van haarzelve verhinderden hen, eerst een bezoek te brengen in Berkeley Street. De uitnoodiging werd aangenomen, maar toen het tijd was om te gaan, kostte het Elinor, ofschoon het alleen reeds uit beleefdheid tegenover Mevrouw Jennings volstrekt noodig was, dat zij haar beiden vergezelden bij dit bezoek, geen geringe moeite, haar zuster te overreden om mee te gaan; want nog steeds had zij Willoughby niet gezien, en zij bleef dus even onverschillig voor elk vermaak buitenshuis, als ongeneigd, de kans te loopen, dat hij weer zou komen, terwijl zij uit was.Elinor had opnieuw bevonden, toen de avond was verstreken, dat iemands geaardheid, door wisseling van verblijfplaats, geen feitelijke verandering ondergaat; want hoewel hij nog maar pas in de stad was, had Sir John een twintigtal jongelui bij elkaar weten te krijgen, en maakte hen gelukkig door een danspartij. Lady Middleton keurde dit nu eigenlijk niet goed. Buiten kon zulk een impromptu-avondje er heel goed mee door; maar in Londen, waar het er meer op aankwam, en minder gemakkelijk viel, als onberispelijk op het punt van goede vormen te worden beschouwd, vond zij, dat men te veel waagde, door alleen ten pleiziere van een paar meisjes, bekend te laten worden, dat Lady Middleton ten haren huize eene kleine danspartij had gegeven van acht of negen paren, met twee violen, en ververschingen aan het buffet.De Heer en Mevrouw Palmer waren van departij; de eerste, dien zij sedert kun komst in de stad niet hadden gezien, daar hij den schijn van beleefdheid jegens zijne schoonmoeder zorgvuldig vermeed, en zich dus nooit bij haar aan huis vertoonde, gaf geen blijk hen te herkennen, toen zij binnentraden. Hij nam hen vluchtig op, alsof hij niet wist, wie zij waren, en knikte maar even tegen Mevrouw Jennings van de overzij van het vertrek. Marianne liet haar blik in de kamer rondgaan, toen zij binnentrad; het was genoeg;hijwas er niet—en zij ging zitten, even ongeneigd genoegen te geven als te ontvangen. Toen ze ongeveer een uur samen waren geweest, slenterde de Heer Palmer naar de dames Dashwood toe, om zijn verrassing te uiten, dat hij hen hier in de stad aantrof, hoewel Kolonel Brandon bij hem aan huis het eerst hun komst had vernomen, en hij zelfs iets héél grappigs had gezegd, toen hij hoorde dat die komst aanstaande was.“Ik dacht dat u allebei in Devonshire waart,” zei hij.“Och, is ’t waar?” antwoordde Elinor.“Wanneer gaat u terug naar huis?”“Dat weet ik niet.”—En daarmee eindigde hun gesprek. Nog nooit had Marianne zoo weinig lust gehad in dansen als dien avond, en nooit had haar die inspanning zoo vermoeid. Zij klaagde erover, toen zij terugkwamen in Berkeley Street.“O, wel ja,” zei Mevrouw Jennings; “hoe dàt komt weten we allemaal heel best, als zeker iemand er geweest was, dan hadt je niet geweten van vermoeidheid, en om de waarheid te zeggen, ’t was niet aardig van hem, niet te komen om je te ontmoeten, terwijl hij wèl was gevraagd.”“Gevraagd?” riep Marianne.“Dat vertelde mijn dochter mij; Sir John was hem vanmorgen op straat tegengekomen.”Marianne zeide niets, maar men kon het haar aanzien, hoe pijnlijk zij was getroffen. Innig verlangendonder deze omstandigheden iets te doen, dat haar zuster verlichting zou kunnen schenken, besloot Elinor den volgenden morgen aan haar moeder te schrijven, en hoopte, door haar bezorgd te maken over Marianne’s gezondheid, die navraag te kunnen uitlokken, welke reeds zoolang was uitgesteld; en nog dringender scheen haar de noodzakelijkheid van dezen maatregel, toen zij den volgenden morgen na het ontbijt bemerkte, dat Marianne weer aan het schrijven was aan Willoughby; want zij kon niet veronderstellen dat haar brief aan een ander was gericht.Kort voor den middag ging Mevrouw Jennings alleen uit, en Elinor begon aanstonds aan haar brief; terwijl Marianne, te rusteloos om bezigheid te zoeken, van het eene venster naar het andere liep, of in droevig gepeins verzonken bij het vuur zat. Elinor schreef aan hare moeder met den diepsten ernst, vertelde al wat er was gebeurd, uitte haar vermoeden omtrent Willoughby’s trouweloosheid, en drong er op aan, dat zij van Marianne zou vergen, wat plicht en genegenheid eischten, eene verklaring van haar werkelijke verhouding tot hem. Haar brief was juist klaar, toen een kloppen aan de deur bezoek aankondigde, en Kolonel Brandon werd aangediend. Marianne, die hem uit het venster had zien aankomen, en die een afkeer had van alle gezelschap, ging de kamer uit, eer hij binnentrad. Hij keek nog ernstiger dan gewoonlijk, en hoewel hij zijn voldoening te kennen gaf over het feit, dat hij Elinor alleen aantrof, alsof hij haar in het bijzonder iets had mede te deelen, bleef hij een tijdlang zitten, zonder iets te zeggen. Elinor, overtuigd dat hij haar iets wilde vertellen, dat haar zuster betrof, wachtte met ongeduld tot hij zou beginnen. Het was niet de eerste maal, dat zij dezelfde soort van zekerheid hieromtrent gevoelde; want meer dan eens had hij, beginnende met een opmerking als: “Uw zuster ziet er vandaag slechtuit,” of “uw zuster schijnt neerslachtig gestemd,” blijkbaar op het punt gestaan om iets bijzonders omtrent haar te vragen of mee te deelen. Na een stilte, die minutenlang aanhield, verbrak hij het zwijgen, door haar, met bewogen stem, te vragen, wanneer hij haar zou mogen geluk wenschen met de aanwinst van een broeder? Elinor was op die vraag niet voorbereid, en moest, daar zij geen antwoord klaar had, wel hare toevlucht nemen tot de eenvoudige en voor de hand liggende weervraag: wat hij bedoelde? Hij poogde te glimlachen, terwijl hij antwoordde: “Uw zuster’s verloving met den Heer Willoughby is een zaak van algemeene bekendheid.”“Algemeen bekend kan de zaak niet zijn,” zeide Elinor; “daar zelfs haar eigen familie er niets van weet.”Hij keek verwonderd, en zei: “Neemt u het mij niet kwalijk; ik vrees, dat mijn vraag onbescheiden was; maar ik had niet kunnen veronderstellen dat het in uwe bedoeling lag, de zaak geheim te houden, daar zij openlijk in briefwisseling zijn, en iedereen spreekt over hun huwelijk.”“Hoe is dat mogelijk? Door wien kunt u erover hebben hooren spreken?”“Door verschillende personen,—sommigen, die u in ’t geheel niet, anderen, die u zeer goed bekend zijn; Mevrouw Jennings, Mevrouw Palmer, en de Middletons. Nog zou ik het misschien niet hebben geloofd,—want waar wij weinig geneigd zijn ons te laten overtuigen, vinden wij altijd iets dat onzen twijfel steun verleent,—wanneer ik niet toevallig vandaag, toen de knecht mij binnenliet, een brief had gezien, dien hij in de hand hield, geadresseerd aan den Heer Willoughby, in uw zuster’s handschrift. Ik kwam, om u ernaar te vragen; maar ik kreeg reeds zekerheid, eer ik de vraag kon doen. Is alles dus beslist? Is het onmogelijk, om... Maar ik heb geen recht, en ik zou geen kans hebbente slagen.—Vergeef mij, juffrouw Dashwood. Ik geloof, dat ik verkeerd deed, zooveel te zeggen; maar ik weet bijna niet wat te doen, en in uwe voorzichtigheid stel ik het volste vertrouwen. Zeg mij, dat alles onomstootelijk vaststaat, dat geen poging... dat in een woord verzwijgen, indien verzwijgen mogelijk is, het eenige is, dat mij overblijft.”Zijne woorden, die Elinor opvatte als een rechtstreeksche bekentenis van zijn liefde voor hare zuster, ontroerden haar zeer. Zij was niet dadelijk in staat, iets te zeggen, en zelfs toen zij zich had hersteld, overlegde zij nog een oogenblik bij zichzelve, wat het beste zou zijn, hierop te antwoorden. De werkelijke staat van zaken tusschen Willoughby en haar zuster was haar zoo weinig helder, dat zij, bij een poging om dien te verklaren, allicht evenzeer moest vreezen te veel als te weinig te zeggen. Toch, daar zij overtuigd was, dat Marianne’s liefde voor Willoughby geen hoop op vervulling van Kolonel Brandon’s wensch overliet, wáártoe die liefde ook mocht leiden, en zij tevens erop bedacht was, Marianne’s gedrag te vrijwaren voor een ongunstige beoordeeling, vond zij het, na eenig bedenken, het verstandigste en het beste, om meer te zeggen, dan zij feitelijk wist, of geloofde. Zij gaf toe, dat zij, hoewel zelve nooit door hen ingelicht omtrent hunne eigenlijke verhouding tot elkander, geen twijfel koesterde aan hun wederzijdsche genegenheid, en dat het haar niet verwonderde te hooren van hunne briefwisseling.Hij hoorde haar stil en aandachtig aan, en stond, toen zij ophield met spreken, onmiddellijk op, terwijl hij op diepbewogen toon zeide: “Uw zuster wensch ik alle geluk, dat zich laat denken; voor Willoughby hoop ik, dat hij zal trachten haar waardig te zijn.” Daarop nam hij afscheid en vertrok.Dit gesprek liet bij Elinor geen rustiger gevoelens achter, die haar pijnlijke onzekerheid omtrentandere punten hadden kunnen verminderen; integendeel, een droevige indruk bleef haar bij van Kolonel Brandon’s verdriet, terwijl haar vurig verlangen naar eene ontknooping, die dat verdriet slechts kon verergeren, haar zelfs belette, te wenschen, het gelenigd te zien.Hoofdstuk XXVIIIGedurende de drie of vier volgende dagen viel niets voor, dat Elinor spijt had kunnen doen gevoelen, omdat zij zich tot hare moeder gewend had, want Willoughby kwam noch schreef. Aan het eind van dit tijdsverloop hadden zij afgesproken Lady Middleton te vergezellen naar eene partij, waarheen Mevrouw Jennings verhinderd was te gaan, door ongesteldheid van hare jongste dochter; en voor deze partij maakte Marianne, diep terneergeslagen, onverschillig voor haar uiterlijk voorkomen, en in eene stemming waarin het haar volkomen hetzelfde was, of zij ging of thuis bleef, zich gereed, zonder één hoopvollen blik, ééne uiting van blijdschap. Na de thee zat zij bij het vuur in den salon, tot het oogenblik van Lady Middleton’s komst, zonder van haar stoel op te staan of van houding te veranderen, verzonken in haar eigen gedachten en onbewust van haar zusters tegenwoordigheid; en toen hun tenslotte gezegd werd, dat Lady Middleton’s rijtuig voor de deur op hen wachtte, schrikte zij op, alsof zij had vergeten, dat zij zouden worden afgehaald.Zij kwamen op tijd ter bestemder plaatse, stapten uit, zoodra de lange rij van rijtuigen vóór hendaartoe gelegenheid bood, gingen de trap op, hoorden hunne namen, met luider stem aangekondigd, van het eene portaal naar het andere galmen en traden een schitterend verlicht vertrek binnen, vol gasten, en onverdragelijk warm. Toen zij aan den eisch der beleefdheid hadden voldaan door hun buiging te maken voor de dame des huizes, werd hun vergund zich onder het gezelschap te mengen en hun aandeel te dragen van de hitte en de benauwdheid, die noodzakelijk door hunne komst nog moesten worden vermeerderd. Nadat er een tijdlang weinig gezegd en nog minder gedaan was, nam Lady Middleton plaats aan de speeltafel, en daar Marianne geen lust had om rond te loopen, gingen zij en Elinor, die gelukkig stoelen hadden kunnen bemachtigen, niet ver van de tafel zitten.Dit had nog niet lang geduurd, toen Elinor op eenigen afstand van hen Willoughby zag staan, in ernstig gesprek met eene zeer modieus uitziende jonge dame. Hun blikken ontmoetten elkaar, en hij boog, doch zonder haar aan te spreken of een poging te doen, om Marianne te naderen, ofschoon hij haar welmoestzien; en daarop zette hij zijn gesprek met dezelfde dame voort. Elinor wendde zich onwillekeurig tot Marianne om te zien, of zij niets had opgemerkt. Juist op dat oogenblik kreeg zij hem in het oog; haar gezicht straalde van plotselinge verrukking, en zij zou naar hem toegesneld zijn, als haar zuster haar niet had vastgegrepen. “O Elinor!” riep ze; “daar is hij—daar is hij! O, waarom ziet hij niet naar mij? Waarom kan ik niet met hem spreken?”“Ik bid je, ik smeek je, wees bedaard,” zeide Elinor, “en laat niet iedereen merken, wat in je omgaat. Misschien heeft hij je nog niet gezien.”Dit was meer, dan zij zelve kon gelooven; en bedaard blijven op zulk een oogenblik ging niet alleen Marianne’s krachten te boven; maar zij wilde dat niet eens. Iedere trek van haar gelaatverried haar martelend ongeduld. Eindelijk keerde hij zich nogmaals om, en zag hen beiden aan; zij sprong op en stak hem de hand toe, terwijl zij op hartelijken toon zijn naam noemde. Hij kwam nader, en terwijl hij zich meer tot Elinor wendde dan tot Marianne, wier blik hij vermeed, en wier houding hij niet scheen te willen opmerken, vroeg bij vluchtig en gehaast naar Mevrouw Dashwood, en hoe lang zij reeds in de stad waren. Zijn houding deed Elinor al haar tegenwoordigheid van geest verliezen; zij kon geen woord uitbrengen. Doch haar zuster’s gevoel vond onmiddellijk uiting. Een donkere blos kleurde haar gelaat, en zij riep uit op een toon, die de hevigste ontroering verried: “Goede God, Willoughby, wat beteekent dit! Heb je mijn brieven niet ontvangen? Wil je mij geen hand geven?”Toen kon hij het niet meer vermijden; maar hare aanraking scheen hem onaangenaam te zijn, en hij liet onmiddellijk hare hand los. Al dien tijd deed hij zichtbaar moeite om bedaard te blijven. Elinor lette op zijn gezicht, en zag dat zijn uitdrukking kalmer werd. Na een oogenblik van stilte zei hij rustig: “Den vorigen Dinsdag heb ik een bezoek gebracht in Berkeley Street; het speet mij zeer u en Mevrouw Jennings niet thuis te treffen. Mijn kaartje is, hoop ik, niet verloren geraakt?”“Maar heb je mijn brieven dan niet ontvangen?” riep Marianne, doodelijk beangst. “Het moet een vergissing zijn—een afschuwelijke vergissing. Wat beteekent dit toch? Zeg het mij, Willoughby, zeg mij, om ’s hemelswil, wat is er toch gebeurd?”Hij gaf geen antwoord; maar werd bleek en scheen opnieuw gedwongen; doch alsof hij, aangespoord door een blik van de jonge dame met wie hij te voren had gesproken, gevoelde dat onmiddellijk zelfbedwang werd vereischt, vermande hij zich opnieuw, zei snel: “Ja, het bericht van uw komst in de stad, dat u zoo vriendelijk waart, mij tezenden, heb ik het genoegen gehad te ontvangen,” keerde zich daarop met een vluchtige buiging haastig om, en voegde zich weer bij zijne vriendin. Marianne, doodsbleek en niet in staat zich staande te houden, liet zich in haar stoel vallen, en Elinor, elk oogenblik vreezend dat zij een flauwte zou krijgen, trachtte haar voor onbescheiden blikken te beschermen, terwijl zij haar verfrischte met lavendelwater.“Ga naar hem toe, Elinor,” zei zij, zoodra ze spreken kon, “en dwing hem, bij mij te komen. Zeg hem, dat ik hem moet zien,—dat ik hem dadelijk moet spreken. Ik kan het niet uithouden—ik zal geen oogenblik rust hebben, eer dit alles is verklaard,—het moet een of ander afschuwelijk misverstand zijn. O, ga nu toch naar hem toe.”“Hoe is dat nu mogelijk? Neen, liefste Marianne, je moet wachten. Dit is de plaats niet voor uitleggingen. Wacht nu alleen maar tot morgen.”Zij kon haar slechts met moeite weerhouden, hem zelf te gaan opzoeken; en het bleek onmogelijk, haar te bewegen, haar ontroering te bedwingen,—althans in schijn bedaard, te wachten, tot zij hem meer ongehinderd kon spreken, en met meer kans te worden aangehoord; want Marianne ging onophoudelijk voort, met zachte stem uiting te geven aan haar gevoelens van wanhoop, door smartelijke uitroepen. Weldra zag Elinor dat Willoughby de kamer verliet door de deur dichtbij de trap, en terwijl zij Marianne vertelde dat hij weg was, bracht zij haar onder het oog, dat de onmogelijkheid om hem dezen avond nog te spreken, haar te meer reden gaf, thans kalm te zijn. Marianne vroeg dadelijk, of haar zuster Lady Middleton wilde smeeken, hen naar huis te brengen; zij voelde zich te ellendig om een minuut langer te blijven.Toen Lady Middleton hoorde dat Marianne niet wel was, liet haar beleefdheid, hoewel zijverdiept was in haar kaartspel, niet toe, dat zij zich een oogenblik tegen Marianne’s wensch tot heengaan verzette, zij gaf dus haar kaarten aan een vriendin; en zij vertrokken zoodra hun rijtuig voorkwam. Op den terugweg naar Berkeley Street werd bijna geen woord gesproken. Marianne leed in stilte, te beklemd voor tranen zelfs; doch daar Mevrouw Jennings gelukkig nog niet te huis was, konden zij dadelijk naar hun eigen kamer gaan, waar zij door ’t gebruik van hertshoorn eenigszins bijkwam. Zij was spoedig ontkleed en in bed, en daar zij liefst alleen scheen te zijn, ging haar zuster heen en had al den tijd, terwijl zij wachtte op Mevrouw Jennings’ terugkomst, te denken over hetgeen achter hen lag.Dat er een bepaalde verbintenis van een of anderen aard tusschen Willoughby en Marianne had bestaan, kon zij niet betwijfelen; en dat Willoughby deze moede was, scheen eveneens duidelijk; want hoe Marianne ook nog bleef voortgaan voedsel te geven aan haar eigen wenschen,zijkon zulk een gedrag niet toeschrijven aan een vergissing, of eenig misverstand. Niets dan een volkomen omkeer in zijn gevoelens kon het verklaren. Haar verontwaardiging zou nog sterker geweest zijn dan zij reeds was, wanneer zij niet getuige was geweest van zijn verlegenheid, die scheen aan te duiden, dat hij zich bewust was van zijn eigen wangedrag, en haar belette hem voor zoo gewetenloos te houden, dat hij van den beginne met haar zuster’s liefde een roekeloos spel had gedreven, zonder eenig voornemen, dat navraag velen kon. Afwezigheid kon zijn liefde hebben doen verflauwen, en redenen van eigenbelang mochten hem hebben doen besluiten haar te overwinnen; maar dat zulk een liefde eenmaal had bestaan, daaraan twijfelde zij niet. Wat Marianne betrof, aan het verdriet dat deze ongelukkige ontmoeting haar had veroorzaakt, en het nog erger leed, dat haar, als het waarschijnlijkgevolg ervan, te wachten stond, kon zij niet denken zonder de innigste bezorgdheid. Hierbij vergeleken scheen haar eigen toestand haar minder treurig, want zoolang zij Edward slechts evenzeer konachtenals voorheen, zou zij zich in den geest steeds getroost gevoelen, ook al bleven zij in de toekomst gescheiden. Doch hier schenen alle omstandigheden, die een dergelijk lijden konden verergeren, zich te vereenigen, om Marianne’s smart te vermeerderen over hare scheiding van Willoughby voor altoos,—over het onmiddellijk en onherroepelijk afbreken van hun omgang.Hoofdstuk XXIXEer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar zachte meewarigheid zich uitsprak: “Marianne, mag ik een vraag doen?”“Neen, Elinor,” antwoordde zij; “vraag maar niets; je zult spoedig alles weten.”De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit, duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken, en werdonmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg, dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor de laatste maal schreef aan Willoughby.Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen samen te zijn; en Marianne’s rusteloosheid belette haar niet alleen, ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten; zoodat Elinor’s aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie nam van haarzelf.Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang, en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend, onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby kwam, voelde zich op eens zóózenuwachtig worden, dat zij haar hoofd bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw Jennings’ aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby had gekregen, ’t geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol, waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van Elinor’s ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij kalmpjes door: “Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat hij haar niet lang meer laat wachten, want ’t is treurig om te zien, zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?”Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval, en zei met een poging om te glimlachen: “Hebt u zich dat werkelijk in het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen huwelijk.”“O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan niet allemaal, dat ze ’t al lang eens zijn,—dat ze tot over de ooren verliefd op elkaar waren van ’t oogenblik af dat ze elkaar voor ’t eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist ikniet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad, om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat, dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat lijkt er niet naar; want ’t is in de heele stad bekend, al ik weet niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook.”“Werkelijk, Mevrouw,” zei Elinor zeer ernstig; “u vergist u. Het zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u mij nu niet.” Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij, toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand, terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader, doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam Marianne’s hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid, en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen, in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne’s ontzettende smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid van Elinor’s medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning Willoughby’s brief op, waarin zij het volgende las:“Bondstreet Januari.Geachte Mejuffrouw,Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken, dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik u vergeving voor ’t geen ik u verzeker, dat van mijne zijde zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing, of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik, tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven, dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten, in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,Uw gehoorzamen dienaarJohn Willoughby.”Elinor’s verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich gemakkelijk voorstellen.Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw, en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel, van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die, inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende, geen meer dan gewone genegenheid toegaf,—een brief, waarin iedere regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis voor het leven met een gewetenloozen man,—als de gelukkigste aller bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief, over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster, vergat, dat er nog drieongelezen brieven op haar schoot lagen, en vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande, om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer verbaasd was, Mevrouw Jenning’s eigen rijtuig te zien, waarvan zij wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten, en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid, deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag, en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate haar waardeering van Elinor’s goedheid te uiten, door te zeggen:“Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!”“Ik wilde alleen maar,” antwoordde haar zuster, “dat ik iets kòn uitrichten, om je te troosten en goed te doen.”Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne, die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen: “O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!” eer haar stem geheel door tranen werd verstikt.Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten medesleepen door onstuimige smart.“Mijn lieve Marianne, doe toch je best,” riep zij, “wanneer je niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen, om harentwil.”“Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; “ga dan, laat mij maar alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij, vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, ’t is wel gemakkelijk als men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen!Jijbent gelukkig, Elinor,jijkunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!”“Noem jemijgelukkig, Marianne? O, als je eenswist! En denk je, dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?”“Vergeef mij, vergeet mij,” riep Marianne, haar armen om haar zuster’s hals slaande; “ik weethoeje met mij medegevoelt, ik weet welk een liefderijk hart je bezit, maar toch ben je—ja, je mòet gelukkig zijn; Edward heeft je lief;—en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?”“Vele, zéér vele omstandigheden,” zeide Elinor met diepen ernst.“Neen, neen, neen,” riep Marianne heftig; “hij heeft jou lief, en niemand anders. Jekuntgeen verdriet hebben.”“Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie.”“Je zult mij nooit meer anders zien.Mijnesmart kan door niets verzacht worden.”“Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben, als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,—als je verloving maandenlangslepende was gebleven, zooals licht had kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van noodlottig vertrouwen vanjouwkant zou den slag te zwaarder hebben doen treffen.”“Verloving?” riep Marianne; “maar wij waren niet verloofd.”“Niet verloofd?”“Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord tegenover mij niet gebroken.”“Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?’“Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,—maar het wàs zoo niet.”“En toch schreef je aan hem!”“Ja—kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er niet over spreken.”Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de stad, luidde als volgt:“Berkeley Street, Januari.Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval.Dus tot ziens.  M.D.”In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons, schreef zij:“Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat jeons eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche wachten. ’t Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen; want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was, en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren.”M. D.”De inhoud van haar laatste schrijven luidde:“Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden, Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding, met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht, steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen, welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden, waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening hebkunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts misleiding ten doel had;—laat dit dan zoo spoedig mogelijk worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken; maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt, met de lok van mijn haar, die in je bezit is.  M. D.”Dat brieven als deze, zoo vol van genegenheid en vertrouwen, zóó hadden kunnen worden beantwoord, zou Elinor, om Willoughby te sparen, ongaarne hebben geloofd. Maar haar afkeuring van zijn gedrag verblindde haar niet voor het ongepaste in het feit van Marianne’s schrijven zelf; en in stilte betreurde zij de onvoorzichtigheid, die gewaagd had, zich dergelijke ongevraagde uitingen van teederheid te laten ontvallen, geenszins gewaarborgd door het vroeger voorgevallene, en door de uitkomst op de meest verpletterende wijze gelogenstraft; toen Marianne, ziende dat zij de brieven had gelezen, opmerkte, dat er niets in stond, dan wat ieder ander in haar omstandigheden zou geschreven hebben.“Ik voelde mijzelve,” voegde zij erbij, “even plechtig aan hem verbonden, alsof de wet onze verbintenis bezegeld had.”“Dat geloof ik graag,” zei Elinor, “maar hij dacht er ongelukkig zoo niet over.”“Dat deed hij wèl, Elinor—weken achtereen heeft hij dat gevoeld. Ik weet het stellig. Wàt hem nu ook heeft doen veranderen (en dat kan niet anders zijn dan de vuigste verdachtmaking, tegenmij aangewend), eens was ik hem zoo dierbaar als mijn eigen hart slechts kon verlangen. Hoe vurig heeft hij mij gesmeekt om die haarlok, die hij thans zoo onverschillig kan teruggeven! Als je toen zijn blik en houding hadt gezien, zijn stem hadt kunnen hooren! Heb je dien laatsten avond van ons samenzijn vergeten, in Barton? En dien morgen van het afscheid! Toen hij mij zeide, dat het weken zou kunnen duren, eer we elkaar weerzagen—zijn verdriet—zal ik het ooit kunnen vergeten?” Een oogenblik kon zij niet voortgaan met spreken; doch toen hare ontroering was bedaard, voegde zij erbij, op vasteren toon:“Elinor, ik ben wreed behandeld; maar niet door Willoughby.”“Maar lieve Marianne; door wien anders? Wie kan hem tegen je hebben opgezet?”“De geheele wereld, eerder dan zijn eigen hart. Ik zou eerder gelooven dat al mijn bekenden hadden samengespannen, om mij in zijn oogen te vernederen, dan zijn natuur in staat te achten tot een dusdanige wreedheid. Die vrouw, waarover hij schrijft, wie ze dan ook moge zijn,—of... ja, ieder, behalve jij, mijn beste zuster, mama en Edward, kan zoo hardvochtig wreed zijn geweest, mij te belasteren. Is er, behalve jelui drieën, een schepsel ter wereld, dat ik niet eerder van kwaad zou verdenken dan Willoughby, wiens hart ik zóó wel ken?”Elinor wilde niet met haar redetwisten, en antwoordde alleen: “Wie je dan ook zoo verfoeilijk vijandig gezind mochten zijn, beroof hen van hun kwaadaardige zegepraal, mijn lieve zuster, door te toonen, hoe fier de bewustheid van eigen onschuld en goede bedoelingen je het hoofd omhoog doet heffen. ’t Is een gegronde en prijzenswaardige trots, die dergelijke kwaadwilligheid weet te weerstaan.”“Neen, neen,” riep Marianne, “verdriet als het kent geen trots. Ieder mag weten, dat ik ongelukkigben. Laat de geheele wereld den triomf genieten, mij zoo te zien. Elinor, Elinor, zij die weinig lijden, mogen zoo trotsch en onafhankelijk zijn als ze willen—mogen beleedigingen weerstaan, vernederende kwelling vergelden,—ik kan het niet. Ik moet voelen—ik moet lijden—laat dan genieten van eigen zelfbewustzijn, wie het vermag.”“Maar om moeder’s, om mijnentwil...”“Zou ik meer doen, dan voor mijzelve. Toch, gelukkig te schijnen, wanneer ik mij zoo wanhopig voel... O, wie kan dat verlangen?”Weer zwegen beiden. Elinor bleef voortdurend, diep in gedachten, heen en weer wandelen van den haard naar het venster, van het venster naar den haard, zonder te bespeuren dat die haard warmte gaf, of dat zij voorwerpen kon onderscheiden buiten dat venster; en Marianne, op het voeteneind van het ledikant gezeten, met haar hoofd tegen een der stijlen geleund, nam weer Willoughby’s brief op, herlas huiverend iederen zin, en riep uit: “Het is te veel! O Willoughby, Willoughby, kon jeditschrijven? Het is wreed—wreed; niets kan je vrijspreken. Neen, Elinor, niets. Wat hij ook voor kwaad van mij mocht hebben gehoord, had hij niet moeten aarzelen, eer hij daaraan geloof sloeg? Had hij het mij niet moeten vertellen, mij in staat stellen mij zelve vrij te pleiten? “De haarlok” (las zij uit den brief) “die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken”—dat is onvergefelijk. Willoughby, waar was je hart, toen je die woorden schreef? O, de hardvochtigheid van die beleediging!—Elinor, is er eenige rechtvaardiging te vinden van zijn gedrag?”“Neen, Marianne; geen enkele.”“En toch, deze vrouw,—wie weet hoe listig zij geweest is—hoe lang van te voren zij haar plannen had beraamd, en hoe behendig zij ze heeft weten uit te voeren! Wie is zij?—Wie kan ze zijn? Wie beschreef hij ooit onder de dames van zijn kennisals jong en aantrekkelijk? O niemand, niemand—tegen mij sprak hij over mijzelve alleen.”Weer volgde een poos van stilte; Marianne was heftig bewogen;—eindelijk zei ze:“Elinor, ik moet naar huis. Ik moet mama gaan troosten. Kunnen we morgen niet gaan?”“Morgen, Marianne?”“Ja; waarom zou ik hier blijven? Ik kwam alleen om Willoughby;—en wie geeft hier nu om mij? Wie draagt mij een goed hart toe?”“Het zou onmogelijk zijn, morgen al te gaan. We zijn Mevrouw Jennings meer dan beleefdheid verschuldigd, en de eenvoudigste beleefdheidsregelen zouden zulk een overhaast vertrek verbieden.”“Nu, dan een paar dagen nog; maar ik kan hier niet lang meer blijven; ik kan de vragen en opmerkingen van al die menschen niet verdragen. De Middletons en de Palmer’s—hoe zal ik hun medelijden kunnen verduren? Medelijden van een vrouw als Lady Middleton!—O... wat zouhijdaarvan zeggen!”Elinor gaf haar den raad, weer te gaan liggen, en een oogenblik deed zij dat ook; maar zij kon in geen enkele houding rust vinden en in haar pijnigende gejaagdheid naar lichaam en geest bleef zij voortdurend in beweging, tot zij zoo zenuwachtig werd, dat haar zuster haar slechts met moeite in bed kon houden, en een oogenblik bang was, dat zij vreemde hulp zou moeten inroepen. Een paar lavendeltabletten, die Elinor haar eindelijk overreedde, in te nemen, kalmeerden haar een weinig, en daarna bleef zij, tot Mevrouw Jennings terugkwam, stil en zonder zich meer te bewegen, op het bed liggen.

Hoofdstuk XXVII“Als ’t nog lang zulk zacht weer blijft,” zei Mevrouw Jennings den volgenden morgen aan het ontbijt, “dan zal Sir John het niet prettig vinden, de volgende week uit Barton weg te gaan; jagers kunnen er slecht tegen, een dag van hun pleizier te missen. Stakkers! ik heb altijd medelijden met hen, als dat gebeurt;—ze trekken het zich zoo geweldig aan.”“Dat is waar,” riep Marianne op vroolijken toon, terwijl ze naar ’t venster liep, om naar de lucht te zien, “dááraan had ik niet gedacht. Met dit weer zullen veel jachtliefhebbers buiten blijven.”Dat was een gelukkige inval; haar vroegere opgewektheid keerde er geheel door terug. “Voorhenis het weer uitgezocht,” ging ze voort, terwijl ze met een blij gezicht aan de ontbijttafel ging zitten. “Wat zullen ze genieten. Maar,” (opnieuw ietwat angstig) “men kan niet verwachten dat het lang zal duren. Om dezen tijd van het jaar, en na dien aanhoudenden regen, kan het niet lang meerzoo blijven. ’t Zal wel gauw gaan vriezen, en dan zeker nog al hard. Over een paar dagen misschien; dit bijzonder zachte weer kàn toch haast niet langer aanhouden;—wie weet, misschien vriest het van nacht al!”“In elk geval,” zei Elinor, die hoopte, dat Mevrouw Jennings niet zóó duidelijk haar zuster’s gedachtengang kon volgen, als zijzelve, “denk ik, dat Sir John en Lady Middleton in het eind van de volgende week toch wel naar de stad zullen komen.”“Ja lieve kind, dat durf ik ook wel wedden. Mary krijgt toch altijd haar zin.”“En dus,” raadde Elinor in stilte, “wordt er vandaag een brief verzonden naar Combe Magna.”Doch zóó dit al gebeurde, dan werd die brief geschreven en verzonden met een geheimzinnigheid, die al haar oplettendheid om zich van het feit te vergewissen, vermocht te verschalken. Wàt dan nu ook de waarheid mocht zijn, en al was Elinor er verre van, zich in haar hart voldaan te gevoelen, zoolang ze Marianne maar vroolijk zag, was zijzelve niet al te zeer ongerust. En Marianne wàs vroolijk, blij dat het weer zacht bleef, en nog blijder dat er vorst te wachten viel.Zij brachten den morgen door met kaartjes afgeven bij Mevrouw Jennings’ bekenden, om hen te laten weten dat zij weer in de stad was, en Marianne deed niet anders dan letten op de windrichting, kijken naar de wisselende lucht, en zich verbeelden, dat de atmosfeer veranderde. “Vindje ’t niet kouder dan ’t van morgen was, Elinor? Ik voel bepaald een groot verschil. Ik kan zelfs in mijn mof mijn handen haast niet warm houden. Gister was dat toch niet zoo. De wolken drijven ook uiteen, straks komt de zon door, en dan krijgen we een helderen middag.”Elinor vond het half grappig en half droevig; maar Marianne hield vol, en zag elken avond in de helderheid van het vuur, en elken morgen in ’tvoorkomen van de lucht de onmiskenbare symptomen van de naderende vorst.De dames Dashwood hadden evenmin reden tot onvoldaanheid over Mevrouw Jennings’ leefwijze en haar kring van bekenden, als over haar gedrag jegens henzelven, dat onveranderlijk vriendelijk bleef. Haar huishouding was op ruimen en aangenamen voet ingericht, en behalve een paar oude vrienden uit de City, die zij tot Lady Middleton’s ergernis, niet had willen laten varen, ging zij met niemand om, aan wie zij hare jeugdige vriendinnen niet had kunnen voorstellen zonder hare gevoelens te kwetsen. Blijde, dat alles haar in dit opzicht althans nogal meeviel, was Elinor ten volle bereid, zich te schikken in het gemis van werkelijk genoegen dat er voor haar te putten viel uit de avondpartijtjes, die, ’t zij tehuis of bij vreemden, steeds aan het kaartspel waren gewijd, en haar dus weinig afleiding verschaften. Kolonel Brandon, die een doorloopende invitatie had ontvangen, bezocht hen bijna iederen dag; hij kwam om te kijken naar Marianne en te praten met Elinor, die dikwijls meer genoegen vond in een gesprek met hem, dan eenige andere der dagelijksche kleine gebeurtenissen haar kon schenken, maar die tevens met bezorgdheid zag, dat hij nog steeds haar zuster liefhad. Zij vreesde dat die genegenheid sterker werd. Het deed haar verdriet te zien, hoe ernstig hij dikwijls Marianne gadesloeg, en hij scheen bepaald nog meer gedrukt dan te Barton.Omstreeks een week na hun aankomst verkregen zij de zekerheid, dat ook Willoughby in de stad was. Toen zij terugkwamen van hun morgenrit, lag zijn kaartje op de tafel.“God!” riep Marianne, “hij is hier geweest, terwijl wij uit waren!” Elinor, die blijde was thans zeker te zijn van zijn komst in Londen, waagde het te zeggen: “Reken er maar gerust op, dat hij morgen weer hier komt.” Doch Marianne scheen haarternauwernood te hooren, en liep, toen Mevrouw Jennings binnenkwam, haastig met het kostbare kaartje weg.Dit voorval, dat Elinor vroolijker stemde, maakte haar zuster weer even onrustig, ja nog gejaagder, dan zij te voren was geweest. Van dit oogenblik af kwam zij in het geheel niet meer tot rust; het besef, dat zij hem elk uur van den dag kòn ontmoeten, maakte dat zij tot niets meer in staat was. Zij wilde volstrekt tehuis blijven, toen de anderen den volgenden morgen uitgingen.Elinor’s gedachten hielden zich voortdurend bezig met hetgeen wel in Berkeley Street mocht voorvallen gedurende hunne afwezigheid; maar een enkele blik naar haar zuster bij hun terugkomst was voldoende om haar te doen begrijpen, dat Willoughby geen tweede bezoek had afgelegd. Juist werd een briefje binnengebracht, dat de knecht op de tafel legde.“Voor mij!” riep Marianne, haastig toesnellend.“Neen, juffrouw, ’t is voor Mevrouw Jennings.”Doch Marianne, nog niet overtuigd, nam het op.“Ja, ’t is voor Mevrouw Jennings; hoe ergerlijk!”“Verwacht je dan een brief?” zei Elinor, niet bij machte langer te zwijgen.“Ja... ten minste... ik dacht...”Na een korte stilte liet Elinor hierop volgen: “Je stelt geen vertrouwen in mij, Marianne.”“O, maar Elinor, datjijme dat verwijt!—jij, die inniemandvertrouwen stelt!”“Ik?” antwoordde Elinor half verschrikt;—“maar werkelijk, Marianne, ik heb niets te vertellen.”“Ik evenmin,” zei Marianne met grooten nadruk; “we staan volkomen gelijk. We hebben geen van beiden iets te vertellen; jij omdat je niets wilt zeggen en ik omdat ik niets verberg.”Elinor, bedroefd over die beschuldiging van terughouding, die zij niet mocht ontzenuwen, begreep niet, hoe zij, onder deze omstandigheden,Marianne tot meerder openhartigheid zou kunnen bewegen. Mevrouw Jennings kwam weldra binnen en las het briefje, dat haar werd overhandigd, hardop voor. Het was van Lady Middleton, en bevatte behalve het bericht, dat zij den avond te voren in Conduit Street waren aangekomen, een uitnoodiging aan haar moeder en hare nichten om den volgenden avond bij hen door te brengen. Sir John’s drukke bezigheden, en een zware verkoudheid van haarzelve verhinderden hen, eerst een bezoek te brengen in Berkeley Street. De uitnoodiging werd aangenomen, maar toen het tijd was om te gaan, kostte het Elinor, ofschoon het alleen reeds uit beleefdheid tegenover Mevrouw Jennings volstrekt noodig was, dat zij haar beiden vergezelden bij dit bezoek, geen geringe moeite, haar zuster te overreden om mee te gaan; want nog steeds had zij Willoughby niet gezien, en zij bleef dus even onverschillig voor elk vermaak buitenshuis, als ongeneigd, de kans te loopen, dat hij weer zou komen, terwijl zij uit was.Elinor had opnieuw bevonden, toen de avond was verstreken, dat iemands geaardheid, door wisseling van verblijfplaats, geen feitelijke verandering ondergaat; want hoewel hij nog maar pas in de stad was, had Sir John een twintigtal jongelui bij elkaar weten te krijgen, en maakte hen gelukkig door een danspartij. Lady Middleton keurde dit nu eigenlijk niet goed. Buiten kon zulk een impromptu-avondje er heel goed mee door; maar in Londen, waar het er meer op aankwam, en minder gemakkelijk viel, als onberispelijk op het punt van goede vormen te worden beschouwd, vond zij, dat men te veel waagde, door alleen ten pleiziere van een paar meisjes, bekend te laten worden, dat Lady Middleton ten haren huize eene kleine danspartij had gegeven van acht of negen paren, met twee violen, en ververschingen aan het buffet.De Heer en Mevrouw Palmer waren van departij; de eerste, dien zij sedert kun komst in de stad niet hadden gezien, daar hij den schijn van beleefdheid jegens zijne schoonmoeder zorgvuldig vermeed, en zich dus nooit bij haar aan huis vertoonde, gaf geen blijk hen te herkennen, toen zij binnentraden. Hij nam hen vluchtig op, alsof hij niet wist, wie zij waren, en knikte maar even tegen Mevrouw Jennings van de overzij van het vertrek. Marianne liet haar blik in de kamer rondgaan, toen zij binnentrad; het was genoeg;hijwas er niet—en zij ging zitten, even ongeneigd genoegen te geven als te ontvangen. Toen ze ongeveer een uur samen waren geweest, slenterde de Heer Palmer naar de dames Dashwood toe, om zijn verrassing te uiten, dat hij hen hier in de stad aantrof, hoewel Kolonel Brandon bij hem aan huis het eerst hun komst had vernomen, en hij zelfs iets héél grappigs had gezegd, toen hij hoorde dat die komst aanstaande was.“Ik dacht dat u allebei in Devonshire waart,” zei hij.“Och, is ’t waar?” antwoordde Elinor.“Wanneer gaat u terug naar huis?”“Dat weet ik niet.”—En daarmee eindigde hun gesprek. Nog nooit had Marianne zoo weinig lust gehad in dansen als dien avond, en nooit had haar die inspanning zoo vermoeid. Zij klaagde erover, toen zij terugkwamen in Berkeley Street.“O, wel ja,” zei Mevrouw Jennings; “hoe dàt komt weten we allemaal heel best, als zeker iemand er geweest was, dan hadt je niet geweten van vermoeidheid, en om de waarheid te zeggen, ’t was niet aardig van hem, niet te komen om je te ontmoeten, terwijl hij wèl was gevraagd.”“Gevraagd?” riep Marianne.“Dat vertelde mijn dochter mij; Sir John was hem vanmorgen op straat tegengekomen.”Marianne zeide niets, maar men kon het haar aanzien, hoe pijnlijk zij was getroffen. Innig verlangendonder deze omstandigheden iets te doen, dat haar zuster verlichting zou kunnen schenken, besloot Elinor den volgenden morgen aan haar moeder te schrijven, en hoopte, door haar bezorgd te maken over Marianne’s gezondheid, die navraag te kunnen uitlokken, welke reeds zoolang was uitgesteld; en nog dringender scheen haar de noodzakelijkheid van dezen maatregel, toen zij den volgenden morgen na het ontbijt bemerkte, dat Marianne weer aan het schrijven was aan Willoughby; want zij kon niet veronderstellen dat haar brief aan een ander was gericht.Kort voor den middag ging Mevrouw Jennings alleen uit, en Elinor begon aanstonds aan haar brief; terwijl Marianne, te rusteloos om bezigheid te zoeken, van het eene venster naar het andere liep, of in droevig gepeins verzonken bij het vuur zat. Elinor schreef aan hare moeder met den diepsten ernst, vertelde al wat er was gebeurd, uitte haar vermoeden omtrent Willoughby’s trouweloosheid, en drong er op aan, dat zij van Marianne zou vergen, wat plicht en genegenheid eischten, eene verklaring van haar werkelijke verhouding tot hem. Haar brief was juist klaar, toen een kloppen aan de deur bezoek aankondigde, en Kolonel Brandon werd aangediend. Marianne, die hem uit het venster had zien aankomen, en die een afkeer had van alle gezelschap, ging de kamer uit, eer hij binnentrad. Hij keek nog ernstiger dan gewoonlijk, en hoewel hij zijn voldoening te kennen gaf over het feit, dat hij Elinor alleen aantrof, alsof hij haar in het bijzonder iets had mede te deelen, bleef hij een tijdlang zitten, zonder iets te zeggen. Elinor, overtuigd dat hij haar iets wilde vertellen, dat haar zuster betrof, wachtte met ongeduld tot hij zou beginnen. Het was niet de eerste maal, dat zij dezelfde soort van zekerheid hieromtrent gevoelde; want meer dan eens had hij, beginnende met een opmerking als: “Uw zuster ziet er vandaag slechtuit,” of “uw zuster schijnt neerslachtig gestemd,” blijkbaar op het punt gestaan om iets bijzonders omtrent haar te vragen of mee te deelen. Na een stilte, die minutenlang aanhield, verbrak hij het zwijgen, door haar, met bewogen stem, te vragen, wanneer hij haar zou mogen geluk wenschen met de aanwinst van een broeder? Elinor was op die vraag niet voorbereid, en moest, daar zij geen antwoord klaar had, wel hare toevlucht nemen tot de eenvoudige en voor de hand liggende weervraag: wat hij bedoelde? Hij poogde te glimlachen, terwijl hij antwoordde: “Uw zuster’s verloving met den Heer Willoughby is een zaak van algemeene bekendheid.”“Algemeen bekend kan de zaak niet zijn,” zeide Elinor; “daar zelfs haar eigen familie er niets van weet.”Hij keek verwonderd, en zei: “Neemt u het mij niet kwalijk; ik vrees, dat mijn vraag onbescheiden was; maar ik had niet kunnen veronderstellen dat het in uwe bedoeling lag, de zaak geheim te houden, daar zij openlijk in briefwisseling zijn, en iedereen spreekt over hun huwelijk.”“Hoe is dat mogelijk? Door wien kunt u erover hebben hooren spreken?”“Door verschillende personen,—sommigen, die u in ’t geheel niet, anderen, die u zeer goed bekend zijn; Mevrouw Jennings, Mevrouw Palmer, en de Middletons. Nog zou ik het misschien niet hebben geloofd,—want waar wij weinig geneigd zijn ons te laten overtuigen, vinden wij altijd iets dat onzen twijfel steun verleent,—wanneer ik niet toevallig vandaag, toen de knecht mij binnenliet, een brief had gezien, dien hij in de hand hield, geadresseerd aan den Heer Willoughby, in uw zuster’s handschrift. Ik kwam, om u ernaar te vragen; maar ik kreeg reeds zekerheid, eer ik de vraag kon doen. Is alles dus beslist? Is het onmogelijk, om... Maar ik heb geen recht, en ik zou geen kans hebbente slagen.—Vergeef mij, juffrouw Dashwood. Ik geloof, dat ik verkeerd deed, zooveel te zeggen; maar ik weet bijna niet wat te doen, en in uwe voorzichtigheid stel ik het volste vertrouwen. Zeg mij, dat alles onomstootelijk vaststaat, dat geen poging... dat in een woord verzwijgen, indien verzwijgen mogelijk is, het eenige is, dat mij overblijft.”Zijne woorden, die Elinor opvatte als een rechtstreeksche bekentenis van zijn liefde voor hare zuster, ontroerden haar zeer. Zij was niet dadelijk in staat, iets te zeggen, en zelfs toen zij zich had hersteld, overlegde zij nog een oogenblik bij zichzelve, wat het beste zou zijn, hierop te antwoorden. De werkelijke staat van zaken tusschen Willoughby en haar zuster was haar zoo weinig helder, dat zij, bij een poging om dien te verklaren, allicht evenzeer moest vreezen te veel als te weinig te zeggen. Toch, daar zij overtuigd was, dat Marianne’s liefde voor Willoughby geen hoop op vervulling van Kolonel Brandon’s wensch overliet, wáártoe die liefde ook mocht leiden, en zij tevens erop bedacht was, Marianne’s gedrag te vrijwaren voor een ongunstige beoordeeling, vond zij het, na eenig bedenken, het verstandigste en het beste, om meer te zeggen, dan zij feitelijk wist, of geloofde. Zij gaf toe, dat zij, hoewel zelve nooit door hen ingelicht omtrent hunne eigenlijke verhouding tot elkander, geen twijfel koesterde aan hun wederzijdsche genegenheid, en dat het haar niet verwonderde te hooren van hunne briefwisseling.Hij hoorde haar stil en aandachtig aan, en stond, toen zij ophield met spreken, onmiddellijk op, terwijl hij op diepbewogen toon zeide: “Uw zuster wensch ik alle geluk, dat zich laat denken; voor Willoughby hoop ik, dat hij zal trachten haar waardig te zijn.” Daarop nam hij afscheid en vertrok.Dit gesprek liet bij Elinor geen rustiger gevoelens achter, die haar pijnlijke onzekerheid omtrentandere punten hadden kunnen verminderen; integendeel, een droevige indruk bleef haar bij van Kolonel Brandon’s verdriet, terwijl haar vurig verlangen naar eene ontknooping, die dat verdriet slechts kon verergeren, haar zelfs belette, te wenschen, het gelenigd te zien.

“Als ’t nog lang zulk zacht weer blijft,” zei Mevrouw Jennings den volgenden morgen aan het ontbijt, “dan zal Sir John het niet prettig vinden, de volgende week uit Barton weg te gaan; jagers kunnen er slecht tegen, een dag van hun pleizier te missen. Stakkers! ik heb altijd medelijden met hen, als dat gebeurt;—ze trekken het zich zoo geweldig aan.”

“Dat is waar,” riep Marianne op vroolijken toon, terwijl ze naar ’t venster liep, om naar de lucht te zien, “dááraan had ik niet gedacht. Met dit weer zullen veel jachtliefhebbers buiten blijven.”

Dat was een gelukkige inval; haar vroegere opgewektheid keerde er geheel door terug. “Voorhenis het weer uitgezocht,” ging ze voort, terwijl ze met een blij gezicht aan de ontbijttafel ging zitten. “Wat zullen ze genieten. Maar,” (opnieuw ietwat angstig) “men kan niet verwachten dat het lang zal duren. Om dezen tijd van het jaar, en na dien aanhoudenden regen, kan het niet lang meerzoo blijven. ’t Zal wel gauw gaan vriezen, en dan zeker nog al hard. Over een paar dagen misschien; dit bijzonder zachte weer kàn toch haast niet langer aanhouden;—wie weet, misschien vriest het van nacht al!”

“In elk geval,” zei Elinor, die hoopte, dat Mevrouw Jennings niet zóó duidelijk haar zuster’s gedachtengang kon volgen, als zijzelve, “denk ik, dat Sir John en Lady Middleton in het eind van de volgende week toch wel naar de stad zullen komen.”

“Ja lieve kind, dat durf ik ook wel wedden. Mary krijgt toch altijd haar zin.”

“En dus,” raadde Elinor in stilte, “wordt er vandaag een brief verzonden naar Combe Magna.”

Doch zóó dit al gebeurde, dan werd die brief geschreven en verzonden met een geheimzinnigheid, die al haar oplettendheid om zich van het feit te vergewissen, vermocht te verschalken. Wàt dan nu ook de waarheid mocht zijn, en al was Elinor er verre van, zich in haar hart voldaan te gevoelen, zoolang ze Marianne maar vroolijk zag, was zijzelve niet al te zeer ongerust. En Marianne wàs vroolijk, blij dat het weer zacht bleef, en nog blijder dat er vorst te wachten viel.

Zij brachten den morgen door met kaartjes afgeven bij Mevrouw Jennings’ bekenden, om hen te laten weten dat zij weer in de stad was, en Marianne deed niet anders dan letten op de windrichting, kijken naar de wisselende lucht, en zich verbeelden, dat de atmosfeer veranderde. “Vindje ’t niet kouder dan ’t van morgen was, Elinor? Ik voel bepaald een groot verschil. Ik kan zelfs in mijn mof mijn handen haast niet warm houden. Gister was dat toch niet zoo. De wolken drijven ook uiteen, straks komt de zon door, en dan krijgen we een helderen middag.”

Elinor vond het half grappig en half droevig; maar Marianne hield vol, en zag elken avond in de helderheid van het vuur, en elken morgen in ’tvoorkomen van de lucht de onmiskenbare symptomen van de naderende vorst.

De dames Dashwood hadden evenmin reden tot onvoldaanheid over Mevrouw Jennings’ leefwijze en haar kring van bekenden, als over haar gedrag jegens henzelven, dat onveranderlijk vriendelijk bleef. Haar huishouding was op ruimen en aangenamen voet ingericht, en behalve een paar oude vrienden uit de City, die zij tot Lady Middleton’s ergernis, niet had willen laten varen, ging zij met niemand om, aan wie zij hare jeugdige vriendinnen niet had kunnen voorstellen zonder hare gevoelens te kwetsen. Blijde, dat alles haar in dit opzicht althans nogal meeviel, was Elinor ten volle bereid, zich te schikken in het gemis van werkelijk genoegen dat er voor haar te putten viel uit de avondpartijtjes, die, ’t zij tehuis of bij vreemden, steeds aan het kaartspel waren gewijd, en haar dus weinig afleiding verschaften. Kolonel Brandon, die een doorloopende invitatie had ontvangen, bezocht hen bijna iederen dag; hij kwam om te kijken naar Marianne en te praten met Elinor, die dikwijls meer genoegen vond in een gesprek met hem, dan eenige andere der dagelijksche kleine gebeurtenissen haar kon schenken, maar die tevens met bezorgdheid zag, dat hij nog steeds haar zuster liefhad. Zij vreesde dat die genegenheid sterker werd. Het deed haar verdriet te zien, hoe ernstig hij dikwijls Marianne gadesloeg, en hij scheen bepaald nog meer gedrukt dan te Barton.

Omstreeks een week na hun aankomst verkregen zij de zekerheid, dat ook Willoughby in de stad was. Toen zij terugkwamen van hun morgenrit, lag zijn kaartje op de tafel.

“God!” riep Marianne, “hij is hier geweest, terwijl wij uit waren!” Elinor, die blijde was thans zeker te zijn van zijn komst in Londen, waagde het te zeggen: “Reken er maar gerust op, dat hij morgen weer hier komt.” Doch Marianne scheen haarternauwernood te hooren, en liep, toen Mevrouw Jennings binnenkwam, haastig met het kostbare kaartje weg.

Dit voorval, dat Elinor vroolijker stemde, maakte haar zuster weer even onrustig, ja nog gejaagder, dan zij te voren was geweest. Van dit oogenblik af kwam zij in het geheel niet meer tot rust; het besef, dat zij hem elk uur van den dag kòn ontmoeten, maakte dat zij tot niets meer in staat was. Zij wilde volstrekt tehuis blijven, toen de anderen den volgenden morgen uitgingen.

Elinor’s gedachten hielden zich voortdurend bezig met hetgeen wel in Berkeley Street mocht voorvallen gedurende hunne afwezigheid; maar een enkele blik naar haar zuster bij hun terugkomst was voldoende om haar te doen begrijpen, dat Willoughby geen tweede bezoek had afgelegd. Juist werd een briefje binnengebracht, dat de knecht op de tafel legde.

“Voor mij!” riep Marianne, haastig toesnellend.

“Neen, juffrouw, ’t is voor Mevrouw Jennings.”

Doch Marianne, nog niet overtuigd, nam het op.

“Ja, ’t is voor Mevrouw Jennings; hoe ergerlijk!”

“Verwacht je dan een brief?” zei Elinor, niet bij machte langer te zwijgen.

“Ja... ten minste... ik dacht...”

Na een korte stilte liet Elinor hierop volgen: “Je stelt geen vertrouwen in mij, Marianne.”

“O, maar Elinor, datjijme dat verwijt!—jij, die inniemandvertrouwen stelt!”

“Ik?” antwoordde Elinor half verschrikt;—“maar werkelijk, Marianne, ik heb niets te vertellen.”

“Ik evenmin,” zei Marianne met grooten nadruk; “we staan volkomen gelijk. We hebben geen van beiden iets te vertellen; jij omdat je niets wilt zeggen en ik omdat ik niets verberg.”

Elinor, bedroefd over die beschuldiging van terughouding, die zij niet mocht ontzenuwen, begreep niet, hoe zij, onder deze omstandigheden,Marianne tot meerder openhartigheid zou kunnen bewegen. Mevrouw Jennings kwam weldra binnen en las het briefje, dat haar werd overhandigd, hardop voor. Het was van Lady Middleton, en bevatte behalve het bericht, dat zij den avond te voren in Conduit Street waren aangekomen, een uitnoodiging aan haar moeder en hare nichten om den volgenden avond bij hen door te brengen. Sir John’s drukke bezigheden, en een zware verkoudheid van haarzelve verhinderden hen, eerst een bezoek te brengen in Berkeley Street. De uitnoodiging werd aangenomen, maar toen het tijd was om te gaan, kostte het Elinor, ofschoon het alleen reeds uit beleefdheid tegenover Mevrouw Jennings volstrekt noodig was, dat zij haar beiden vergezelden bij dit bezoek, geen geringe moeite, haar zuster te overreden om mee te gaan; want nog steeds had zij Willoughby niet gezien, en zij bleef dus even onverschillig voor elk vermaak buitenshuis, als ongeneigd, de kans te loopen, dat hij weer zou komen, terwijl zij uit was.

Elinor had opnieuw bevonden, toen de avond was verstreken, dat iemands geaardheid, door wisseling van verblijfplaats, geen feitelijke verandering ondergaat; want hoewel hij nog maar pas in de stad was, had Sir John een twintigtal jongelui bij elkaar weten te krijgen, en maakte hen gelukkig door een danspartij. Lady Middleton keurde dit nu eigenlijk niet goed. Buiten kon zulk een impromptu-avondje er heel goed mee door; maar in Londen, waar het er meer op aankwam, en minder gemakkelijk viel, als onberispelijk op het punt van goede vormen te worden beschouwd, vond zij, dat men te veel waagde, door alleen ten pleiziere van een paar meisjes, bekend te laten worden, dat Lady Middleton ten haren huize eene kleine danspartij had gegeven van acht of negen paren, met twee violen, en ververschingen aan het buffet.

De Heer en Mevrouw Palmer waren van departij; de eerste, dien zij sedert kun komst in de stad niet hadden gezien, daar hij den schijn van beleefdheid jegens zijne schoonmoeder zorgvuldig vermeed, en zich dus nooit bij haar aan huis vertoonde, gaf geen blijk hen te herkennen, toen zij binnentraden. Hij nam hen vluchtig op, alsof hij niet wist, wie zij waren, en knikte maar even tegen Mevrouw Jennings van de overzij van het vertrek. Marianne liet haar blik in de kamer rondgaan, toen zij binnentrad; het was genoeg;hijwas er niet—en zij ging zitten, even ongeneigd genoegen te geven als te ontvangen. Toen ze ongeveer een uur samen waren geweest, slenterde de Heer Palmer naar de dames Dashwood toe, om zijn verrassing te uiten, dat hij hen hier in de stad aantrof, hoewel Kolonel Brandon bij hem aan huis het eerst hun komst had vernomen, en hij zelfs iets héél grappigs had gezegd, toen hij hoorde dat die komst aanstaande was.

“Ik dacht dat u allebei in Devonshire waart,” zei hij.

“Och, is ’t waar?” antwoordde Elinor.

“Wanneer gaat u terug naar huis?”

“Dat weet ik niet.”—En daarmee eindigde hun gesprek. Nog nooit had Marianne zoo weinig lust gehad in dansen als dien avond, en nooit had haar die inspanning zoo vermoeid. Zij klaagde erover, toen zij terugkwamen in Berkeley Street.

“O, wel ja,” zei Mevrouw Jennings; “hoe dàt komt weten we allemaal heel best, als zeker iemand er geweest was, dan hadt je niet geweten van vermoeidheid, en om de waarheid te zeggen, ’t was niet aardig van hem, niet te komen om je te ontmoeten, terwijl hij wèl was gevraagd.”

“Gevraagd?” riep Marianne.

“Dat vertelde mijn dochter mij; Sir John was hem vanmorgen op straat tegengekomen.”

Marianne zeide niets, maar men kon het haar aanzien, hoe pijnlijk zij was getroffen. Innig verlangendonder deze omstandigheden iets te doen, dat haar zuster verlichting zou kunnen schenken, besloot Elinor den volgenden morgen aan haar moeder te schrijven, en hoopte, door haar bezorgd te maken over Marianne’s gezondheid, die navraag te kunnen uitlokken, welke reeds zoolang was uitgesteld; en nog dringender scheen haar de noodzakelijkheid van dezen maatregel, toen zij den volgenden morgen na het ontbijt bemerkte, dat Marianne weer aan het schrijven was aan Willoughby; want zij kon niet veronderstellen dat haar brief aan een ander was gericht.

Kort voor den middag ging Mevrouw Jennings alleen uit, en Elinor begon aanstonds aan haar brief; terwijl Marianne, te rusteloos om bezigheid te zoeken, van het eene venster naar het andere liep, of in droevig gepeins verzonken bij het vuur zat. Elinor schreef aan hare moeder met den diepsten ernst, vertelde al wat er was gebeurd, uitte haar vermoeden omtrent Willoughby’s trouweloosheid, en drong er op aan, dat zij van Marianne zou vergen, wat plicht en genegenheid eischten, eene verklaring van haar werkelijke verhouding tot hem. Haar brief was juist klaar, toen een kloppen aan de deur bezoek aankondigde, en Kolonel Brandon werd aangediend. Marianne, die hem uit het venster had zien aankomen, en die een afkeer had van alle gezelschap, ging de kamer uit, eer hij binnentrad. Hij keek nog ernstiger dan gewoonlijk, en hoewel hij zijn voldoening te kennen gaf over het feit, dat hij Elinor alleen aantrof, alsof hij haar in het bijzonder iets had mede te deelen, bleef hij een tijdlang zitten, zonder iets te zeggen. Elinor, overtuigd dat hij haar iets wilde vertellen, dat haar zuster betrof, wachtte met ongeduld tot hij zou beginnen. Het was niet de eerste maal, dat zij dezelfde soort van zekerheid hieromtrent gevoelde; want meer dan eens had hij, beginnende met een opmerking als: “Uw zuster ziet er vandaag slechtuit,” of “uw zuster schijnt neerslachtig gestemd,” blijkbaar op het punt gestaan om iets bijzonders omtrent haar te vragen of mee te deelen. Na een stilte, die minutenlang aanhield, verbrak hij het zwijgen, door haar, met bewogen stem, te vragen, wanneer hij haar zou mogen geluk wenschen met de aanwinst van een broeder? Elinor was op die vraag niet voorbereid, en moest, daar zij geen antwoord klaar had, wel hare toevlucht nemen tot de eenvoudige en voor de hand liggende weervraag: wat hij bedoelde? Hij poogde te glimlachen, terwijl hij antwoordde: “Uw zuster’s verloving met den Heer Willoughby is een zaak van algemeene bekendheid.”

“Algemeen bekend kan de zaak niet zijn,” zeide Elinor; “daar zelfs haar eigen familie er niets van weet.”

Hij keek verwonderd, en zei: “Neemt u het mij niet kwalijk; ik vrees, dat mijn vraag onbescheiden was; maar ik had niet kunnen veronderstellen dat het in uwe bedoeling lag, de zaak geheim te houden, daar zij openlijk in briefwisseling zijn, en iedereen spreekt over hun huwelijk.”

“Hoe is dat mogelijk? Door wien kunt u erover hebben hooren spreken?”

“Door verschillende personen,—sommigen, die u in ’t geheel niet, anderen, die u zeer goed bekend zijn; Mevrouw Jennings, Mevrouw Palmer, en de Middletons. Nog zou ik het misschien niet hebben geloofd,—want waar wij weinig geneigd zijn ons te laten overtuigen, vinden wij altijd iets dat onzen twijfel steun verleent,—wanneer ik niet toevallig vandaag, toen de knecht mij binnenliet, een brief had gezien, dien hij in de hand hield, geadresseerd aan den Heer Willoughby, in uw zuster’s handschrift. Ik kwam, om u ernaar te vragen; maar ik kreeg reeds zekerheid, eer ik de vraag kon doen. Is alles dus beslist? Is het onmogelijk, om... Maar ik heb geen recht, en ik zou geen kans hebbente slagen.—Vergeef mij, juffrouw Dashwood. Ik geloof, dat ik verkeerd deed, zooveel te zeggen; maar ik weet bijna niet wat te doen, en in uwe voorzichtigheid stel ik het volste vertrouwen. Zeg mij, dat alles onomstootelijk vaststaat, dat geen poging... dat in een woord verzwijgen, indien verzwijgen mogelijk is, het eenige is, dat mij overblijft.”

Zijne woorden, die Elinor opvatte als een rechtstreeksche bekentenis van zijn liefde voor hare zuster, ontroerden haar zeer. Zij was niet dadelijk in staat, iets te zeggen, en zelfs toen zij zich had hersteld, overlegde zij nog een oogenblik bij zichzelve, wat het beste zou zijn, hierop te antwoorden. De werkelijke staat van zaken tusschen Willoughby en haar zuster was haar zoo weinig helder, dat zij, bij een poging om dien te verklaren, allicht evenzeer moest vreezen te veel als te weinig te zeggen. Toch, daar zij overtuigd was, dat Marianne’s liefde voor Willoughby geen hoop op vervulling van Kolonel Brandon’s wensch overliet, wáártoe die liefde ook mocht leiden, en zij tevens erop bedacht was, Marianne’s gedrag te vrijwaren voor een ongunstige beoordeeling, vond zij het, na eenig bedenken, het verstandigste en het beste, om meer te zeggen, dan zij feitelijk wist, of geloofde. Zij gaf toe, dat zij, hoewel zelve nooit door hen ingelicht omtrent hunne eigenlijke verhouding tot elkander, geen twijfel koesterde aan hun wederzijdsche genegenheid, en dat het haar niet verwonderde te hooren van hunne briefwisseling.

Hij hoorde haar stil en aandachtig aan, en stond, toen zij ophield met spreken, onmiddellijk op, terwijl hij op diepbewogen toon zeide: “Uw zuster wensch ik alle geluk, dat zich laat denken; voor Willoughby hoop ik, dat hij zal trachten haar waardig te zijn.” Daarop nam hij afscheid en vertrok.

Dit gesprek liet bij Elinor geen rustiger gevoelens achter, die haar pijnlijke onzekerheid omtrentandere punten hadden kunnen verminderen; integendeel, een droevige indruk bleef haar bij van Kolonel Brandon’s verdriet, terwijl haar vurig verlangen naar eene ontknooping, die dat verdriet slechts kon verergeren, haar zelfs belette, te wenschen, het gelenigd te zien.

Hoofdstuk XXVIIIGedurende de drie of vier volgende dagen viel niets voor, dat Elinor spijt had kunnen doen gevoelen, omdat zij zich tot hare moeder gewend had, want Willoughby kwam noch schreef. Aan het eind van dit tijdsverloop hadden zij afgesproken Lady Middleton te vergezellen naar eene partij, waarheen Mevrouw Jennings verhinderd was te gaan, door ongesteldheid van hare jongste dochter; en voor deze partij maakte Marianne, diep terneergeslagen, onverschillig voor haar uiterlijk voorkomen, en in eene stemming waarin het haar volkomen hetzelfde was, of zij ging of thuis bleef, zich gereed, zonder één hoopvollen blik, ééne uiting van blijdschap. Na de thee zat zij bij het vuur in den salon, tot het oogenblik van Lady Middleton’s komst, zonder van haar stoel op te staan of van houding te veranderen, verzonken in haar eigen gedachten en onbewust van haar zusters tegenwoordigheid; en toen hun tenslotte gezegd werd, dat Lady Middleton’s rijtuig voor de deur op hen wachtte, schrikte zij op, alsof zij had vergeten, dat zij zouden worden afgehaald.Zij kwamen op tijd ter bestemder plaatse, stapten uit, zoodra de lange rij van rijtuigen vóór hendaartoe gelegenheid bood, gingen de trap op, hoorden hunne namen, met luider stem aangekondigd, van het eene portaal naar het andere galmen en traden een schitterend verlicht vertrek binnen, vol gasten, en onverdragelijk warm. Toen zij aan den eisch der beleefdheid hadden voldaan door hun buiging te maken voor de dame des huizes, werd hun vergund zich onder het gezelschap te mengen en hun aandeel te dragen van de hitte en de benauwdheid, die noodzakelijk door hunne komst nog moesten worden vermeerderd. Nadat er een tijdlang weinig gezegd en nog minder gedaan was, nam Lady Middleton plaats aan de speeltafel, en daar Marianne geen lust had om rond te loopen, gingen zij en Elinor, die gelukkig stoelen hadden kunnen bemachtigen, niet ver van de tafel zitten.Dit had nog niet lang geduurd, toen Elinor op eenigen afstand van hen Willoughby zag staan, in ernstig gesprek met eene zeer modieus uitziende jonge dame. Hun blikken ontmoetten elkaar, en hij boog, doch zonder haar aan te spreken of een poging te doen, om Marianne te naderen, ofschoon hij haar welmoestzien; en daarop zette hij zijn gesprek met dezelfde dame voort. Elinor wendde zich onwillekeurig tot Marianne om te zien, of zij niets had opgemerkt. Juist op dat oogenblik kreeg zij hem in het oog; haar gezicht straalde van plotselinge verrukking, en zij zou naar hem toegesneld zijn, als haar zuster haar niet had vastgegrepen. “O Elinor!” riep ze; “daar is hij—daar is hij! O, waarom ziet hij niet naar mij? Waarom kan ik niet met hem spreken?”“Ik bid je, ik smeek je, wees bedaard,” zeide Elinor, “en laat niet iedereen merken, wat in je omgaat. Misschien heeft hij je nog niet gezien.”Dit was meer, dan zij zelve kon gelooven; en bedaard blijven op zulk een oogenblik ging niet alleen Marianne’s krachten te boven; maar zij wilde dat niet eens. Iedere trek van haar gelaatverried haar martelend ongeduld. Eindelijk keerde hij zich nogmaals om, en zag hen beiden aan; zij sprong op en stak hem de hand toe, terwijl zij op hartelijken toon zijn naam noemde. Hij kwam nader, en terwijl hij zich meer tot Elinor wendde dan tot Marianne, wier blik hij vermeed, en wier houding hij niet scheen te willen opmerken, vroeg bij vluchtig en gehaast naar Mevrouw Dashwood, en hoe lang zij reeds in de stad waren. Zijn houding deed Elinor al haar tegenwoordigheid van geest verliezen; zij kon geen woord uitbrengen. Doch haar zuster’s gevoel vond onmiddellijk uiting. Een donkere blos kleurde haar gelaat, en zij riep uit op een toon, die de hevigste ontroering verried: “Goede God, Willoughby, wat beteekent dit! Heb je mijn brieven niet ontvangen? Wil je mij geen hand geven?”Toen kon hij het niet meer vermijden; maar hare aanraking scheen hem onaangenaam te zijn, en hij liet onmiddellijk hare hand los. Al dien tijd deed hij zichtbaar moeite om bedaard te blijven. Elinor lette op zijn gezicht, en zag dat zijn uitdrukking kalmer werd. Na een oogenblik van stilte zei hij rustig: “Den vorigen Dinsdag heb ik een bezoek gebracht in Berkeley Street; het speet mij zeer u en Mevrouw Jennings niet thuis te treffen. Mijn kaartje is, hoop ik, niet verloren geraakt?”“Maar heb je mijn brieven dan niet ontvangen?” riep Marianne, doodelijk beangst. “Het moet een vergissing zijn—een afschuwelijke vergissing. Wat beteekent dit toch? Zeg het mij, Willoughby, zeg mij, om ’s hemelswil, wat is er toch gebeurd?”Hij gaf geen antwoord; maar werd bleek en scheen opnieuw gedwongen; doch alsof hij, aangespoord door een blik van de jonge dame met wie hij te voren had gesproken, gevoelde dat onmiddellijk zelfbedwang werd vereischt, vermande hij zich opnieuw, zei snel: “Ja, het bericht van uw komst in de stad, dat u zoo vriendelijk waart, mij tezenden, heb ik het genoegen gehad te ontvangen,” keerde zich daarop met een vluchtige buiging haastig om, en voegde zich weer bij zijne vriendin. Marianne, doodsbleek en niet in staat zich staande te houden, liet zich in haar stoel vallen, en Elinor, elk oogenblik vreezend dat zij een flauwte zou krijgen, trachtte haar voor onbescheiden blikken te beschermen, terwijl zij haar verfrischte met lavendelwater.“Ga naar hem toe, Elinor,” zei zij, zoodra ze spreken kon, “en dwing hem, bij mij te komen. Zeg hem, dat ik hem moet zien,—dat ik hem dadelijk moet spreken. Ik kan het niet uithouden—ik zal geen oogenblik rust hebben, eer dit alles is verklaard,—het moet een of ander afschuwelijk misverstand zijn. O, ga nu toch naar hem toe.”“Hoe is dat nu mogelijk? Neen, liefste Marianne, je moet wachten. Dit is de plaats niet voor uitleggingen. Wacht nu alleen maar tot morgen.”Zij kon haar slechts met moeite weerhouden, hem zelf te gaan opzoeken; en het bleek onmogelijk, haar te bewegen, haar ontroering te bedwingen,—althans in schijn bedaard, te wachten, tot zij hem meer ongehinderd kon spreken, en met meer kans te worden aangehoord; want Marianne ging onophoudelijk voort, met zachte stem uiting te geven aan haar gevoelens van wanhoop, door smartelijke uitroepen. Weldra zag Elinor dat Willoughby de kamer verliet door de deur dichtbij de trap, en terwijl zij Marianne vertelde dat hij weg was, bracht zij haar onder het oog, dat de onmogelijkheid om hem dezen avond nog te spreken, haar te meer reden gaf, thans kalm te zijn. Marianne vroeg dadelijk, of haar zuster Lady Middleton wilde smeeken, hen naar huis te brengen; zij voelde zich te ellendig om een minuut langer te blijven.Toen Lady Middleton hoorde dat Marianne niet wel was, liet haar beleefdheid, hoewel zijverdiept was in haar kaartspel, niet toe, dat zij zich een oogenblik tegen Marianne’s wensch tot heengaan verzette, zij gaf dus haar kaarten aan een vriendin; en zij vertrokken zoodra hun rijtuig voorkwam. Op den terugweg naar Berkeley Street werd bijna geen woord gesproken. Marianne leed in stilte, te beklemd voor tranen zelfs; doch daar Mevrouw Jennings gelukkig nog niet te huis was, konden zij dadelijk naar hun eigen kamer gaan, waar zij door ’t gebruik van hertshoorn eenigszins bijkwam. Zij was spoedig ontkleed en in bed, en daar zij liefst alleen scheen te zijn, ging haar zuster heen en had al den tijd, terwijl zij wachtte op Mevrouw Jennings’ terugkomst, te denken over hetgeen achter hen lag.Dat er een bepaalde verbintenis van een of anderen aard tusschen Willoughby en Marianne had bestaan, kon zij niet betwijfelen; en dat Willoughby deze moede was, scheen eveneens duidelijk; want hoe Marianne ook nog bleef voortgaan voedsel te geven aan haar eigen wenschen,zijkon zulk een gedrag niet toeschrijven aan een vergissing, of eenig misverstand. Niets dan een volkomen omkeer in zijn gevoelens kon het verklaren. Haar verontwaardiging zou nog sterker geweest zijn dan zij reeds was, wanneer zij niet getuige was geweest van zijn verlegenheid, die scheen aan te duiden, dat hij zich bewust was van zijn eigen wangedrag, en haar belette hem voor zoo gewetenloos te houden, dat hij van den beginne met haar zuster’s liefde een roekeloos spel had gedreven, zonder eenig voornemen, dat navraag velen kon. Afwezigheid kon zijn liefde hebben doen verflauwen, en redenen van eigenbelang mochten hem hebben doen besluiten haar te overwinnen; maar dat zulk een liefde eenmaal had bestaan, daaraan twijfelde zij niet. Wat Marianne betrof, aan het verdriet dat deze ongelukkige ontmoeting haar had veroorzaakt, en het nog erger leed, dat haar, als het waarschijnlijkgevolg ervan, te wachten stond, kon zij niet denken zonder de innigste bezorgdheid. Hierbij vergeleken scheen haar eigen toestand haar minder treurig, want zoolang zij Edward slechts evenzeer konachtenals voorheen, zou zij zich in den geest steeds getroost gevoelen, ook al bleven zij in de toekomst gescheiden. Doch hier schenen alle omstandigheden, die een dergelijk lijden konden verergeren, zich te vereenigen, om Marianne’s smart te vermeerderen over hare scheiding van Willoughby voor altoos,—over het onmiddellijk en onherroepelijk afbreken van hun omgang.

Gedurende de drie of vier volgende dagen viel niets voor, dat Elinor spijt had kunnen doen gevoelen, omdat zij zich tot hare moeder gewend had, want Willoughby kwam noch schreef. Aan het eind van dit tijdsverloop hadden zij afgesproken Lady Middleton te vergezellen naar eene partij, waarheen Mevrouw Jennings verhinderd was te gaan, door ongesteldheid van hare jongste dochter; en voor deze partij maakte Marianne, diep terneergeslagen, onverschillig voor haar uiterlijk voorkomen, en in eene stemming waarin het haar volkomen hetzelfde was, of zij ging of thuis bleef, zich gereed, zonder één hoopvollen blik, ééne uiting van blijdschap. Na de thee zat zij bij het vuur in den salon, tot het oogenblik van Lady Middleton’s komst, zonder van haar stoel op te staan of van houding te veranderen, verzonken in haar eigen gedachten en onbewust van haar zusters tegenwoordigheid; en toen hun tenslotte gezegd werd, dat Lady Middleton’s rijtuig voor de deur op hen wachtte, schrikte zij op, alsof zij had vergeten, dat zij zouden worden afgehaald.

Zij kwamen op tijd ter bestemder plaatse, stapten uit, zoodra de lange rij van rijtuigen vóór hendaartoe gelegenheid bood, gingen de trap op, hoorden hunne namen, met luider stem aangekondigd, van het eene portaal naar het andere galmen en traden een schitterend verlicht vertrek binnen, vol gasten, en onverdragelijk warm. Toen zij aan den eisch der beleefdheid hadden voldaan door hun buiging te maken voor de dame des huizes, werd hun vergund zich onder het gezelschap te mengen en hun aandeel te dragen van de hitte en de benauwdheid, die noodzakelijk door hunne komst nog moesten worden vermeerderd. Nadat er een tijdlang weinig gezegd en nog minder gedaan was, nam Lady Middleton plaats aan de speeltafel, en daar Marianne geen lust had om rond te loopen, gingen zij en Elinor, die gelukkig stoelen hadden kunnen bemachtigen, niet ver van de tafel zitten.

Dit had nog niet lang geduurd, toen Elinor op eenigen afstand van hen Willoughby zag staan, in ernstig gesprek met eene zeer modieus uitziende jonge dame. Hun blikken ontmoetten elkaar, en hij boog, doch zonder haar aan te spreken of een poging te doen, om Marianne te naderen, ofschoon hij haar welmoestzien; en daarop zette hij zijn gesprek met dezelfde dame voort. Elinor wendde zich onwillekeurig tot Marianne om te zien, of zij niets had opgemerkt. Juist op dat oogenblik kreeg zij hem in het oog; haar gezicht straalde van plotselinge verrukking, en zij zou naar hem toegesneld zijn, als haar zuster haar niet had vastgegrepen. “O Elinor!” riep ze; “daar is hij—daar is hij! O, waarom ziet hij niet naar mij? Waarom kan ik niet met hem spreken?”

“Ik bid je, ik smeek je, wees bedaard,” zeide Elinor, “en laat niet iedereen merken, wat in je omgaat. Misschien heeft hij je nog niet gezien.”

Dit was meer, dan zij zelve kon gelooven; en bedaard blijven op zulk een oogenblik ging niet alleen Marianne’s krachten te boven; maar zij wilde dat niet eens. Iedere trek van haar gelaatverried haar martelend ongeduld. Eindelijk keerde hij zich nogmaals om, en zag hen beiden aan; zij sprong op en stak hem de hand toe, terwijl zij op hartelijken toon zijn naam noemde. Hij kwam nader, en terwijl hij zich meer tot Elinor wendde dan tot Marianne, wier blik hij vermeed, en wier houding hij niet scheen te willen opmerken, vroeg bij vluchtig en gehaast naar Mevrouw Dashwood, en hoe lang zij reeds in de stad waren. Zijn houding deed Elinor al haar tegenwoordigheid van geest verliezen; zij kon geen woord uitbrengen. Doch haar zuster’s gevoel vond onmiddellijk uiting. Een donkere blos kleurde haar gelaat, en zij riep uit op een toon, die de hevigste ontroering verried: “Goede God, Willoughby, wat beteekent dit! Heb je mijn brieven niet ontvangen? Wil je mij geen hand geven?”

Toen kon hij het niet meer vermijden; maar hare aanraking scheen hem onaangenaam te zijn, en hij liet onmiddellijk hare hand los. Al dien tijd deed hij zichtbaar moeite om bedaard te blijven. Elinor lette op zijn gezicht, en zag dat zijn uitdrukking kalmer werd. Na een oogenblik van stilte zei hij rustig: “Den vorigen Dinsdag heb ik een bezoek gebracht in Berkeley Street; het speet mij zeer u en Mevrouw Jennings niet thuis te treffen. Mijn kaartje is, hoop ik, niet verloren geraakt?”

“Maar heb je mijn brieven dan niet ontvangen?” riep Marianne, doodelijk beangst. “Het moet een vergissing zijn—een afschuwelijke vergissing. Wat beteekent dit toch? Zeg het mij, Willoughby, zeg mij, om ’s hemelswil, wat is er toch gebeurd?”

Hij gaf geen antwoord; maar werd bleek en scheen opnieuw gedwongen; doch alsof hij, aangespoord door een blik van de jonge dame met wie hij te voren had gesproken, gevoelde dat onmiddellijk zelfbedwang werd vereischt, vermande hij zich opnieuw, zei snel: “Ja, het bericht van uw komst in de stad, dat u zoo vriendelijk waart, mij tezenden, heb ik het genoegen gehad te ontvangen,” keerde zich daarop met een vluchtige buiging haastig om, en voegde zich weer bij zijne vriendin. Marianne, doodsbleek en niet in staat zich staande te houden, liet zich in haar stoel vallen, en Elinor, elk oogenblik vreezend dat zij een flauwte zou krijgen, trachtte haar voor onbescheiden blikken te beschermen, terwijl zij haar verfrischte met lavendelwater.

“Ga naar hem toe, Elinor,” zei zij, zoodra ze spreken kon, “en dwing hem, bij mij te komen. Zeg hem, dat ik hem moet zien,—dat ik hem dadelijk moet spreken. Ik kan het niet uithouden—ik zal geen oogenblik rust hebben, eer dit alles is verklaard,—het moet een of ander afschuwelijk misverstand zijn. O, ga nu toch naar hem toe.”

“Hoe is dat nu mogelijk? Neen, liefste Marianne, je moet wachten. Dit is de plaats niet voor uitleggingen. Wacht nu alleen maar tot morgen.”

Zij kon haar slechts met moeite weerhouden, hem zelf te gaan opzoeken; en het bleek onmogelijk, haar te bewegen, haar ontroering te bedwingen,—althans in schijn bedaard, te wachten, tot zij hem meer ongehinderd kon spreken, en met meer kans te worden aangehoord; want Marianne ging onophoudelijk voort, met zachte stem uiting te geven aan haar gevoelens van wanhoop, door smartelijke uitroepen. Weldra zag Elinor dat Willoughby de kamer verliet door de deur dichtbij de trap, en terwijl zij Marianne vertelde dat hij weg was, bracht zij haar onder het oog, dat de onmogelijkheid om hem dezen avond nog te spreken, haar te meer reden gaf, thans kalm te zijn. Marianne vroeg dadelijk, of haar zuster Lady Middleton wilde smeeken, hen naar huis te brengen; zij voelde zich te ellendig om een minuut langer te blijven.

Toen Lady Middleton hoorde dat Marianne niet wel was, liet haar beleefdheid, hoewel zijverdiept was in haar kaartspel, niet toe, dat zij zich een oogenblik tegen Marianne’s wensch tot heengaan verzette, zij gaf dus haar kaarten aan een vriendin; en zij vertrokken zoodra hun rijtuig voorkwam. Op den terugweg naar Berkeley Street werd bijna geen woord gesproken. Marianne leed in stilte, te beklemd voor tranen zelfs; doch daar Mevrouw Jennings gelukkig nog niet te huis was, konden zij dadelijk naar hun eigen kamer gaan, waar zij door ’t gebruik van hertshoorn eenigszins bijkwam. Zij was spoedig ontkleed en in bed, en daar zij liefst alleen scheen te zijn, ging haar zuster heen en had al den tijd, terwijl zij wachtte op Mevrouw Jennings’ terugkomst, te denken over hetgeen achter hen lag.

Dat er een bepaalde verbintenis van een of anderen aard tusschen Willoughby en Marianne had bestaan, kon zij niet betwijfelen; en dat Willoughby deze moede was, scheen eveneens duidelijk; want hoe Marianne ook nog bleef voortgaan voedsel te geven aan haar eigen wenschen,zijkon zulk een gedrag niet toeschrijven aan een vergissing, of eenig misverstand. Niets dan een volkomen omkeer in zijn gevoelens kon het verklaren. Haar verontwaardiging zou nog sterker geweest zijn dan zij reeds was, wanneer zij niet getuige was geweest van zijn verlegenheid, die scheen aan te duiden, dat hij zich bewust was van zijn eigen wangedrag, en haar belette hem voor zoo gewetenloos te houden, dat hij van den beginne met haar zuster’s liefde een roekeloos spel had gedreven, zonder eenig voornemen, dat navraag velen kon. Afwezigheid kon zijn liefde hebben doen verflauwen, en redenen van eigenbelang mochten hem hebben doen besluiten haar te overwinnen; maar dat zulk een liefde eenmaal had bestaan, daaraan twijfelde zij niet. Wat Marianne betrof, aan het verdriet dat deze ongelukkige ontmoeting haar had veroorzaakt, en het nog erger leed, dat haar, als het waarschijnlijkgevolg ervan, te wachten stond, kon zij niet denken zonder de innigste bezorgdheid. Hierbij vergeleken scheen haar eigen toestand haar minder treurig, want zoolang zij Edward slechts evenzeer konachtenals voorheen, zou zij zich in den geest steeds getroost gevoelen, ook al bleven zij in de toekomst gescheiden. Doch hier schenen alle omstandigheden, die een dergelijk lijden konden verergeren, zich te vereenigen, om Marianne’s smart te vermeerderen over hare scheiding van Willoughby voor altoos,—over het onmiddellijk en onherroepelijk afbreken van hun omgang.

Hoofdstuk XXIXEer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar zachte meewarigheid zich uitsprak: “Marianne, mag ik een vraag doen?”“Neen, Elinor,” antwoordde zij; “vraag maar niets; je zult spoedig alles weten.”De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit, duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken, en werdonmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg, dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor de laatste maal schreef aan Willoughby.Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen samen te zijn; en Marianne’s rusteloosheid belette haar niet alleen, ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten; zoodat Elinor’s aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie nam van haarzelf.Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang, en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend, onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby kwam, voelde zich op eens zóózenuwachtig worden, dat zij haar hoofd bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw Jennings’ aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby had gekregen, ’t geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol, waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van Elinor’s ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij kalmpjes door: “Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat hij haar niet lang meer laat wachten, want ’t is treurig om te zien, zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?”Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval, en zei met een poging om te glimlachen: “Hebt u zich dat werkelijk in het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen huwelijk.”“O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan niet allemaal, dat ze ’t al lang eens zijn,—dat ze tot over de ooren verliefd op elkaar waren van ’t oogenblik af dat ze elkaar voor ’t eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist ikniet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad, om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat, dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat lijkt er niet naar; want ’t is in de heele stad bekend, al ik weet niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook.”“Werkelijk, Mevrouw,” zei Elinor zeer ernstig; “u vergist u. Het zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u mij nu niet.” Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij, toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand, terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader, doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam Marianne’s hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid, en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen, in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne’s ontzettende smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid van Elinor’s medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning Willoughby’s brief op, waarin zij het volgende las:“Bondstreet Januari.Geachte Mejuffrouw,Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken, dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik u vergeving voor ’t geen ik u verzeker, dat van mijne zijde zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing, of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik, tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven, dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten, in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,Uw gehoorzamen dienaarJohn Willoughby.”Elinor’s verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich gemakkelijk voorstellen.Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw, en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel, van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die, inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende, geen meer dan gewone genegenheid toegaf,—een brief, waarin iedere regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis voor het leven met een gewetenloozen man,—als de gelukkigste aller bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief, over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster, vergat, dat er nog drieongelezen brieven op haar schoot lagen, en vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande, om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer verbaasd was, Mevrouw Jenning’s eigen rijtuig te zien, waarvan zij wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten, en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid, deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag, en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate haar waardeering van Elinor’s goedheid te uiten, door te zeggen:“Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!”“Ik wilde alleen maar,” antwoordde haar zuster, “dat ik iets kòn uitrichten, om je te troosten en goed te doen.”Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne, die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen: “O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!” eer haar stem geheel door tranen werd verstikt.Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten medesleepen door onstuimige smart.“Mijn lieve Marianne, doe toch je best,” riep zij, “wanneer je niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen, om harentwil.”“Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; “ga dan, laat mij maar alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij, vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, ’t is wel gemakkelijk als men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen!Jijbent gelukkig, Elinor,jijkunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!”“Noem jemijgelukkig, Marianne? O, als je eenswist! En denk je, dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?”“Vergeef mij, vergeet mij,” riep Marianne, haar armen om haar zuster’s hals slaande; “ik weethoeje met mij medegevoelt, ik weet welk een liefderijk hart je bezit, maar toch ben je—ja, je mòet gelukkig zijn; Edward heeft je lief;—en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?”“Vele, zéér vele omstandigheden,” zeide Elinor met diepen ernst.“Neen, neen, neen,” riep Marianne heftig; “hij heeft jou lief, en niemand anders. Jekuntgeen verdriet hebben.”“Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie.”“Je zult mij nooit meer anders zien.Mijnesmart kan door niets verzacht worden.”“Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben, als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,—als je verloving maandenlangslepende was gebleven, zooals licht had kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van noodlottig vertrouwen vanjouwkant zou den slag te zwaarder hebben doen treffen.”“Verloving?” riep Marianne; “maar wij waren niet verloofd.”“Niet verloofd?”“Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord tegenover mij niet gebroken.”“Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?’“Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,—maar het wàs zoo niet.”“En toch schreef je aan hem!”“Ja—kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er niet over spreken.”Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de stad, luidde als volgt:“Berkeley Street, Januari.Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval.Dus tot ziens.  M.D.”In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons, schreef zij:“Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat jeons eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche wachten. ’t Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen; want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was, en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren.”M. D.”De inhoud van haar laatste schrijven luidde:“Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden, Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding, met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht, steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen, welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden, waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening hebkunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts misleiding ten doel had;—laat dit dan zoo spoedig mogelijk worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken; maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt, met de lok van mijn haar, die in je bezit is.  M. D.”Dat brieven als deze, zoo vol van genegenheid en vertrouwen, zóó hadden kunnen worden beantwoord, zou Elinor, om Willoughby te sparen, ongaarne hebben geloofd. Maar haar afkeuring van zijn gedrag verblindde haar niet voor het ongepaste in het feit van Marianne’s schrijven zelf; en in stilte betreurde zij de onvoorzichtigheid, die gewaagd had, zich dergelijke ongevraagde uitingen van teederheid te laten ontvallen, geenszins gewaarborgd door het vroeger voorgevallene, en door de uitkomst op de meest verpletterende wijze gelogenstraft; toen Marianne, ziende dat zij de brieven had gelezen, opmerkte, dat er niets in stond, dan wat ieder ander in haar omstandigheden zou geschreven hebben.“Ik voelde mijzelve,” voegde zij erbij, “even plechtig aan hem verbonden, alsof de wet onze verbintenis bezegeld had.”“Dat geloof ik graag,” zei Elinor, “maar hij dacht er ongelukkig zoo niet over.”“Dat deed hij wèl, Elinor—weken achtereen heeft hij dat gevoeld. Ik weet het stellig. Wàt hem nu ook heeft doen veranderen (en dat kan niet anders zijn dan de vuigste verdachtmaking, tegenmij aangewend), eens was ik hem zoo dierbaar als mijn eigen hart slechts kon verlangen. Hoe vurig heeft hij mij gesmeekt om die haarlok, die hij thans zoo onverschillig kan teruggeven! Als je toen zijn blik en houding hadt gezien, zijn stem hadt kunnen hooren! Heb je dien laatsten avond van ons samenzijn vergeten, in Barton? En dien morgen van het afscheid! Toen hij mij zeide, dat het weken zou kunnen duren, eer we elkaar weerzagen—zijn verdriet—zal ik het ooit kunnen vergeten?” Een oogenblik kon zij niet voortgaan met spreken; doch toen hare ontroering was bedaard, voegde zij erbij, op vasteren toon:“Elinor, ik ben wreed behandeld; maar niet door Willoughby.”“Maar lieve Marianne; door wien anders? Wie kan hem tegen je hebben opgezet?”“De geheele wereld, eerder dan zijn eigen hart. Ik zou eerder gelooven dat al mijn bekenden hadden samengespannen, om mij in zijn oogen te vernederen, dan zijn natuur in staat te achten tot een dusdanige wreedheid. Die vrouw, waarover hij schrijft, wie ze dan ook moge zijn,—of... ja, ieder, behalve jij, mijn beste zuster, mama en Edward, kan zoo hardvochtig wreed zijn geweest, mij te belasteren. Is er, behalve jelui drieën, een schepsel ter wereld, dat ik niet eerder van kwaad zou verdenken dan Willoughby, wiens hart ik zóó wel ken?”Elinor wilde niet met haar redetwisten, en antwoordde alleen: “Wie je dan ook zoo verfoeilijk vijandig gezind mochten zijn, beroof hen van hun kwaadaardige zegepraal, mijn lieve zuster, door te toonen, hoe fier de bewustheid van eigen onschuld en goede bedoelingen je het hoofd omhoog doet heffen. ’t Is een gegronde en prijzenswaardige trots, die dergelijke kwaadwilligheid weet te weerstaan.”“Neen, neen,” riep Marianne, “verdriet als het kent geen trots. Ieder mag weten, dat ik ongelukkigben. Laat de geheele wereld den triomf genieten, mij zoo te zien. Elinor, Elinor, zij die weinig lijden, mogen zoo trotsch en onafhankelijk zijn als ze willen—mogen beleedigingen weerstaan, vernederende kwelling vergelden,—ik kan het niet. Ik moet voelen—ik moet lijden—laat dan genieten van eigen zelfbewustzijn, wie het vermag.”“Maar om moeder’s, om mijnentwil...”“Zou ik meer doen, dan voor mijzelve. Toch, gelukkig te schijnen, wanneer ik mij zoo wanhopig voel... O, wie kan dat verlangen?”Weer zwegen beiden. Elinor bleef voortdurend, diep in gedachten, heen en weer wandelen van den haard naar het venster, van het venster naar den haard, zonder te bespeuren dat die haard warmte gaf, of dat zij voorwerpen kon onderscheiden buiten dat venster; en Marianne, op het voeteneind van het ledikant gezeten, met haar hoofd tegen een der stijlen geleund, nam weer Willoughby’s brief op, herlas huiverend iederen zin, en riep uit: “Het is te veel! O Willoughby, Willoughby, kon jeditschrijven? Het is wreed—wreed; niets kan je vrijspreken. Neen, Elinor, niets. Wat hij ook voor kwaad van mij mocht hebben gehoord, had hij niet moeten aarzelen, eer hij daaraan geloof sloeg? Had hij het mij niet moeten vertellen, mij in staat stellen mij zelve vrij te pleiten? “De haarlok” (las zij uit den brief) “die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken”—dat is onvergefelijk. Willoughby, waar was je hart, toen je die woorden schreef? O, de hardvochtigheid van die beleediging!—Elinor, is er eenige rechtvaardiging te vinden van zijn gedrag?”“Neen, Marianne; geen enkele.”“En toch, deze vrouw,—wie weet hoe listig zij geweest is—hoe lang van te voren zij haar plannen had beraamd, en hoe behendig zij ze heeft weten uit te voeren! Wie is zij?—Wie kan ze zijn? Wie beschreef hij ooit onder de dames van zijn kennisals jong en aantrekkelijk? O niemand, niemand—tegen mij sprak hij over mijzelve alleen.”Weer volgde een poos van stilte; Marianne was heftig bewogen;—eindelijk zei ze:“Elinor, ik moet naar huis. Ik moet mama gaan troosten. Kunnen we morgen niet gaan?”“Morgen, Marianne?”“Ja; waarom zou ik hier blijven? Ik kwam alleen om Willoughby;—en wie geeft hier nu om mij? Wie draagt mij een goed hart toe?”“Het zou onmogelijk zijn, morgen al te gaan. We zijn Mevrouw Jennings meer dan beleefdheid verschuldigd, en de eenvoudigste beleefdheidsregelen zouden zulk een overhaast vertrek verbieden.”“Nu, dan een paar dagen nog; maar ik kan hier niet lang meer blijven; ik kan de vragen en opmerkingen van al die menschen niet verdragen. De Middletons en de Palmer’s—hoe zal ik hun medelijden kunnen verduren? Medelijden van een vrouw als Lady Middleton!—O... wat zouhijdaarvan zeggen!”Elinor gaf haar den raad, weer te gaan liggen, en een oogenblik deed zij dat ook; maar zij kon in geen enkele houding rust vinden en in haar pijnigende gejaagdheid naar lichaam en geest bleef zij voortdurend in beweging, tot zij zoo zenuwachtig werd, dat haar zuster haar slechts met moeite in bed kon houden, en een oogenblik bang was, dat zij vreemde hulp zou moeten inroepen. Een paar lavendeltabletten, die Elinor haar eindelijk overreedde, in te nemen, kalmeerden haar een weinig, en daarna bleef zij, tot Mevrouw Jennings terugkwam, stil en zonder zich meer te bewegen, op het bed liggen.

Eer het kamermeisje den volgenden morgen het vuur in hun haard had aangelegd, of de zon eenige kracht had gewonnen aan het begin van den kouden, somberen Januaridag, lag Marianne, slechts half gekleed, op de knieën bij de vensterbank te schrijven, terwille van het weinigje licht dat naar binnen viel, zoo snel als haar aanhoudend vloeiende tranen het haar vergunden. Elinor, door haar zenuwachtig snikken uit den slaap gewekt, zag haar in die houding, en zei, na het een korte poos zwijgend en angstig te hebben aangezien, op een toon, waarin al haar zachte meewarigheid zich uitsprak: “Marianne, mag ik een vraag doen?”

“Neen, Elinor,” antwoordde zij; “vraag maar niets; je zult spoedig alles weten.”

De soort van wanhopige kalmte, waarmede die woorden werden geuit, duurde niet langer dan het oogenblik waarin ze werden uitgesproken, en werdonmiddellijk gevolgd door een nieuwe uitbarsting van heftige droefheid. Het duurde eenigen tijd eer zij kon voortgaan met haar brief, en de telkens herhaalde vlagen van smart die haar noodzaakten bij tusschenpoozen de pen neer te leggen, bewezen duidelijk genoeg, dat zij besefte, hoe meer dan waarschijnlijk het was, dat zij voor de laatste maal schreef aan Willoughby.

Elinor bewees haar elke kalme en onopvallende vriendelijkheid, die in haar vermogen was; en zij zou gaarne gepoogd hebben haar nog meer te troosten en tot bedaren te brengen, als Marianne haar niet gesmeekt had, met al den aandrang van iemand, wier zenuwen tot het uiterste zijn geprikkeld, in geen geval een woord tegen haar te zeggen. Onder die omstandigheden was het beter voor beiden, niet lang achtereen samen te zijn; en Marianne’s rusteloosheid belette haar niet alleen, ook maar een oogenblik in de kamer te blijven, nadat zij zich gekleed had; doch deed haar, die tegelijk behoefte had aan eenzaamheid en voortdurende verandering van plaats, tot aan het ontbijt door het huis zwerven, terwijl zij elke ontmoeting ontweek.

Aan het ontbijt at zij niets, en deed ook geen poging iets te eten; zoodat Elinor’s aandacht slechts gericht kon zijn op één doel: niet bij haar aandringen, niet haar beklagen, niet op haar letten, doch alleen maar trachten te zorgen, dat Mevrouw Jennings enkel notitie nam van haarzelf.

Daar Mevrouw Jennings graag en goed ontbeet, duurde de maaltijd lang, en zij gingen juist, na afloop ervan, aan de gemeenschappelijke werktafel zitten, toen Marianne een brief werd overhandigd, dien zij haastig aannam, en waarmede zij, plotseling doodsbleek wordend, onmiddellijk de kamer uitliep. Elinor, die hieruit even stellig opmaakte, alsof zij het adres had gezien, dat de brief van Willoughby kwam, voelde zich op eens zóózenuwachtig worden, dat zij haar hoofd bijna niet kon ophouden, en beefde zoo erg, dat zij vreesde, Mevrouw Jennings’ aandacht ditmaal niet te kunnen ontgaan. Het goede mensch zag echter niet anders, dan dat Marianne een brief van Willoughby had gekregen, ’t geen zij uitermate grappig vond, en als zoodanig behandelde, door lachend haar hoop te uiten, dat er goed nieuws in stond. Zij was veel te druk bezig met het meten der draden wol, waarvan zij een haardkleedje knoopte, om iets te bespeuren van Elinor’s ontroering; en zoodra Marianne was heengegaan, praatte zij kalmpjes door: “Ik kan je verzekeren, dat ik nog nooit in mijn leven een meisje zoo tot over de ooren verliefd heb gezien. De mijnen waren niet half zoo erg, en die stelden zich toch óók mal aan; maar die Marianne is letterlijk op haar hoofd gezet. Ik hoop van harte, dat hij haar niet lang meer laat wachten, want ’t is treurig om te zien, zoo ellendig ziet zij eruit. Wanneer gaan ze nu trouwen?”

Hoewel Elinor nooit zóó weinig lust tot spreken had gevoeld als op dat oogenblik, dwong zij zichzelf tot een antwoord op dien uitval, en zei met een poging om te glimlachen: “Hebt u zich dat werkelijk in het hoofd gehaald, mevrouw, dat mijn zuster met den Heer Willoughby verloofd is? Ik dacht dat het maar een grap was; maar zulk een ernstige vraag schijnt méér te beteekenen, en dus moet ik u verzoeken, dat denkbeeld eens voor al te laten varen. Ik verzeker u, dat niets mij zoozeer zou verwonderen, als een kennisgeving van hun voorgenomen huwelijk.”

“O foei, foei, Elinor! Hoe kun je nu toch zóó praten! Weten we dan niet allemaal, dat ze ’t al lang eens zijn,—dat ze tot over de ooren verliefd op elkaar waren van ’t oogenblik af dat ze elkaar voor ’t eerst hadden gezien? Heb ik ze dan niet samen onder mijn oogen gehad in Devonshire, den lieven langen dag, en dagen achtereen? En wist ikniet heel goed, dat je zuster met mij mee wilde naar de stad, om haar uitzet al vast te kiezen? Neen, neen, gekheid; dat gaat zoomaar niet. Je denkt zeker, omdat je zelf zoo weinig loslaat, dat een ander zijn oogen in den zak heeft, maar ik verzeker je, dat lijkt er niet naar; want ’t is in de heele stad bekend, al ik weet niet hoe lang. Ik vertel het aan iedereen, en Charlotte ook.”

“Werkelijk, Mevrouw,” zei Elinor zeer ernstig; “u vergist u. Het zou waarlijk zeer onwelwillend van u zijn, als u dat gerucht hielp verspreiden, en u zult dat nog eenmaal zelve inzien, al gelooft u mij nu niet.” Mevrouw Jennings lachte weer; doch Elinor had geen moed om nog meer te zeggen; en verlangend om in elk geval nu te weten wat Willoughby geschreven had, liep zij haastig naar hun kamer, waar zij, toen ze de deur opende, Marianne op haar bed zag liggen, bijna tot stikkens toe benauwd door hare smart, met een brief in haar hand, terwijl twee of drie andere naast haar lagen. Elinor kwam nader, doch zonder een woord te spreken; zij ging op het bed zitten, nam Marianne’s hand, kuste die een paar malen met de grootste innigheid, en liet zich toen eindelijk gaan in een uitbarsting van tranen, in den beginne bijna niet minder hevig dan Marianne’s ontzettende smart. Hoewel de laatste niet kon spreken, scheen zij de teederheid van Elinor’s medegevoel wel volkomen te beseffen, en nadat zij een poos zoo samen hadden toegegeven aan hunne droefheid, gaf zij Elinor al de brieven in handen, verborg daarop haar gezicht in haar zakdoek en kermde luide als van ondragelijke pijn. Elinor, die wist dat zulk verdriet, droevig als het was om te aanschouwen, zijn natuurlijke uiting moest vinden, bleef bij haar zitten, tot die buitensporige droefheidsvlaag eenigszins had uitgewoed, en nam daarna in spanning Willoughby’s brief op, waarin zij het volgende las:

“Bondstreet Januari.Geachte Mejuffrouw,Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken, dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik u vergeving voor ’t geen ik u verzeker, dat van mijne zijde zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing, of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik, tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven, dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten, in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,Uw gehoorzamen dienaarJohn Willoughby.”

“Bondstreet Januari.

Geachte Mejuffrouw,

Uw geëerd schrijven, waarvoor ik u mijn dank betuig, heb ik zooeven in goede orde ontvangen. Het spijt mij zeer, zoo er in mijn gedrag van gisterenavond iets viel op te merken, dat uwe goedkeuring niet heeft mogen wegdragen, en ofschoon ik volstrekt niet kan gissen, in welk opzicht ik de fout begaan heb, u aanleiding te geven tot ongenoegen, vraag ik u vergeving voor ’t geen ik u verzeker, dat van mijne zijde zonder eenig opzet is geschied. Aan mijne vroegere kennismaking met uwe familie in Devonshire zal ik nooit anders dan met dankbaarheid en genoegen terugdenken, en ik vlei mij, dat deze gevoelens niet zullen worden verstoord door eenige vergissing, of misverstaan van mijne handelwijze, uwerzijds. Ik koester voor uwe geheele familie de meeste hoogachting, doch zoo ik, tot mijn spijt, u aanleiding mocht hebben gegeven, te gelooven, dat ik méér gevoelde, dan ik werkelijk deed, of bedoelde aan den dag te leggen, dan zal ik mijzelf moeten verwijten, in mijne uitingen van die hoogachting niet omzichtiger te zijn geweest. Dat ik ooit méér zou hebben bedoeld, zult u als iets onmogelijks verwerpen, wanneer u verneemt, dat ik mijne genegenheid reeds lang elders had verpand, en slechts weinige weken zullen verloopen, eer die trouwbelofte wordt vervuld. Ongaarne voldoe ik aan uw bevel, de brieven terug te zenden, die ik van u mocht ontvangen, benevens de haarlok, die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken.

Geloof mij intusschen, geachte Mejuffrouw,

Uw gehoorzamen dienaarJohn Willoughby.”

Elinor’s verontwaardiging bij het lezen van dezen brief laat zich gemakkelijk voorstellen.Hoezeer ook overtuigd, eer zij begon te lezen, dat de brief de bekentenis zou behelzen van zijn ontrouw, en hunne scheiding voor altoos zou bevestigen, zij had zich niet kunnen voorstellen, dat die bekentenis in zulke bewoordingen zou zijn vervat! En evenmin kon zij Willoughby in staat hebben geacht zoo totaal af te wijken van elk betoon van kieschheid of eergevoel, van alle betamelijkheid als man van de wereld zelfs, om een brief te kunnen schrijven, zoo onbeschaamd wreedaardig; een brief, die, inplaats van zijn wensch om te worden vrijgelaten te doen vergezeld gaan van eenige betuiging van leedwezen, zelfs geen trouwbreuk erkende, geen meer dan gewone genegenheid toegaf,—een brief, waarin iedere regel een beleediging bevatte, en die den schrijver deed kennen als een toonbeeld van verharde gewetenloosheid. Zij zat er een poos over te denken met verontwaardigde verbazing, en las den brief nogmaals en nogmaals over; doch bij elke nieuwe lezing nam haar afschuw van den man toe; en zoo verbitterd waren haar gevoelens jegens hem, dat zij niet wilde wagen ze uit te spreken, om Marianne niet nog dieper te kwetsen, door de verbreking van dezen band te beschouwen, niet als een verlies van eenig mogelijk heil; doch als een ontsnapping aan die vreeselijkste en onherstelbaarste aller rampen, eene verbintenis voor het leven met een gewetenloozen man,—als de gelukkigste aller bevrijdingen, de grootste zegening, die haar ooit ten deel viel.

Terwijl zij zoo ernstig zat na te denken over den inhoud van den brief, over de verdorvenheid van den geest, die deze woorden had kunnen ingeven, en waarschijnlijk over den zoo oneindig verschillenden geest van een geheel anderen persoon, die met deze zaak in geen ander verband stond, dan dat, hetwelk haar hart hem toekende met alles wat in en om haar voorviel, vergat Elinor het tegenwoordig lijden harer zuster, vergat, dat er nog drieongelezen brieven op haar schoot lagen, en vergat zoo volkomen, hoe lang zij reeds in de kamer was geweest, dat zij, bij het hooren naderen van een rijtuig naar het venster gaande, om te zien wie hen op dat ongewoon vroege uur kwam bezoeken, zeer verbaasd was, Mevrouw Jenning’s eigen rijtuig te zien, waarvan zij wist, dat het niet voor één uur was besteld. Vastbesloten, Marianne niet alleen te laten, hoewel wanhopend aan de mogelijkheid, thans iets te kunnen bijdragen tot hare verlichting, ging zij haastig naar beneden, om zich bij Mevrouw Jennings te verontschuldigen, dat zij niet kon medegaan, omdat haar zuster ongesteld was. Mevrouw Jennings nam het excuus, terwijl zij over de reden ervoor haar goedhartige spijt betuigde, gereedelijk aan, en Elinor keerde, na haar veilig te hebben zien wegrijden, terug naar Marianne, die juist van het bed trachtte op te staan, en die zij gelukkig nog bijtijds kon beletten neer te vallen, zwak en duizelig als zij was, door langdurig gemis van rust en behoorlijke voeding; want zij had dagen achtereen bijna niet gegeten, en in geen nachten een rustigen slaap gekend; en thans, nu zij niet langer werd opgehouden door de koorstachtige spanning der onzekerheid, deden de gevolgen zich gevoelen door hoofdpijn, een verzwakte maag, en algemeene zenuwslapte. Een glas wijn, dat Elinor dadelijk voor haar ging halen, deed haar goed, en eindelijk was zij in staat, eenigermate haar waardeering van Elinor’s goedheid te uiten, door te zeggen:

“Arme Elinor! Wat doe ik je een verdriet!”

“Ik wilde alleen maar,” antwoordde haar zuster, “dat ik iets kòn uitrichten, om je te troosten en goed te doen.”

Dit was, zooals trouwens àlles zou zijn geweest, te veel voor Marianne, die nog slechts uit het diepst van haar gefolterd hart kon uitroepen: “O Elinor, ik ben wèl ongelukkig!” eer haar stem geheel door tranen werd verstikt.

Elinor kon het niet langer zwijgend aanzien, dit weerloos zich laten medesleepen door onstuimige smart.

“Mijn lieve Marianne, doe toch je best,” riep zij, “wanneer je niet jezelve wilt martelen, èn allen, die je liefhebben. Denk aan moeder; denk aan háár verdriet over je lijden, je moet je inspannen, om harentwil.”

“Ik kàn niet, ik kàn niet, riep Marianne; “ga dan, laat mij maar alleen, als ik je verdriet doe; laat mij aan mijn lot over, haat mij, vergeet mij; maar pijnig mij zoo niet! O, ’t is wel gemakkelijk als men zelf geen verdriet heeft, te praten van inspannen!Jijbent gelukkig, Elinor,jijkunt je niet voorstellen, hoe ik lijd!”

“Noem jemijgelukkig, Marianne? O, als je eenswist! En denk je, dat ik gelukkig kan zijn, terwijl ik je zóó bedroefd moet zien?”

“Vergeef mij, vergeet mij,” riep Marianne, haar armen om haar zuster’s hals slaande; “ik weethoeje met mij medegevoelt, ik weet welk een liefderijk hart je bezit, maar toch ben je—ja, je mòet gelukkig zijn; Edward heeft je lief;—en wàt, o wàt kan zulk een geheel vernietigen?”

“Vele, zéér vele omstandigheden,” zeide Elinor met diepen ernst.

“Neen, neen, neen,” riep Marianne heftig; “hij heeft jou lief, en niemand anders. Jekuntgeen verdriet hebben.”

“Ik kan geen blijdschap gevoelen, zoolang ik je zóó zie.”

“Je zult mij nooit meer anders zien.Mijnesmart kan door niets verzacht worden.”

“Dat mag je niet zeggen, Marianne. Heb je dan geen afleiding, geen vrienden? Is er geen vertroosting denkbaar voor je verlies? Hoe zwaar je lijden thans ook is, bedenk, wat je zoudt geleden hebben, als het nog langer had geduurd, eer je zijn waren aard ontdekte,—als je verloving maandenlangslepende was gebleven, zooals licht had kunnen gebeuren, eer hij er een eind aan maakte. Elke nieuwe dag van noodlottig vertrouwen vanjouwkant zou den slag te zwaarder hebben doen treffen.”

“Verloving?” riep Marianne; “maar wij waren niet verloofd.”

“Niet verloofd?”

“Neen, hij is niet zóó slecht als je denkt. Hij heeft zijn woord tegenover mij niet gebroken.”

“Maar hij heeft je toch gezegd, dat hij je liefhad?’

“Ja... neen... nooit met ronde woorden. Iederen dag liet hij het duidelijk blijken; maar tot een bepaalde verklaring kwam het nooit! Soms dàcht ik, dat het daartoe was gekomen,—maar het wàs zoo niet.”

“En toch schreef je aan hem!”

“Ja—kon dat verkeerd zijn, na al wat er gebeurd was? Maar ik kan er niet over spreken.”

Elinor zeide niets meer; maar nam de drie brieven op, waarnaar zij nu veel meer benieuwd was dan te voren, en las ze een voor een dóór. Het eerste briefje, dat haar zuster had verzonden bij hun aankomst in de stad, luidde als volgt:

“Berkeley Street, Januari.Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval.Dus tot ziens.  M.D.”

“Berkeley Street, Januari.

Hoe zal het je verrassen, Willoughby, dit briefje te ontvangen! En ik denk dat je nog iets meer dan verrassing zult gevoelen, wanneer je weet, dat ik in de stad ben. De gelegenheid om hierheen te reizen, al was het met Mevrouw Jennings, was een verleiding, die we niet konden weerstaan. Ik hoop dat mijn schrijven je vroeg genoeg bereikt, om je van avond hier te kunnen zien, maar ik zal er niet op rekenen. Morgen verwacht ik je in elk geval.Dus tot ziens.  M.D.”

In haar tweeden brief, den morgen na de danspartij bij de Middletons, schreef zij:

“Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat jeons eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche wachten. ’t Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen; want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was, en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren.”M. D.”

“Ik kan je niet zeggen, hoe het mij spijt, dat jeons eergisteren niet hebt thuisgetroffen, en hoe het mij verwonderd heeft, geen antwoord te ontvangen op een briefje, dat ik je meer dan een week geleden geschreven heb. Elken dag, van uur tot uur, verwachtte ik iets van je te hooren, en nog eerder je te zien. Kom ons nu toch vooral zoo spoedig mogelijk opzoeken en verklaar mij dan de reden van dat vergeefsche wachten. ’t Zal misschien beter zijn, iets vroeger te komen; want om één uur zijn we meestal uit. Gisteravond waren we op een danspartijtje bij Lady Middleton. Ik hoorde dat jij ook gevraagd waart. Maar kan dat wel waar zijn? Je moet wel zeer zijn veranderd sedert ons afscheid, als dat het geval was, en je toch niet bent gekomen. Maar ik wil die mogelijkheid niet eens veronderstellen, en ik hoop dat je mij spoedig in eigen persoon het tegendeel zult komen verzekeren.”

M. D.”

De inhoud van haar laatste schrijven luidde:

“Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden, Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding, met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht, steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen, welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden, waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening hebkunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts misleiding ten doel had;—laat dit dan zoo spoedig mogelijk worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken; maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt, met de lok van mijn haar, die in je bezit is.  M. D.”

“Wat moet ik uit je houding van gisteravond afleiden, Willoughby? Nogmaals vraag ik je om eene verklaring ervan. Ik was op het punt je te begroeten met een blijdschap, die natuurlijk was, na onze lange scheiding, met de vertrouwelijkheid, waartoe onze intieme omgang te Barton mij het recht scheen te verleenen, en hoe werd ik teruggestooten! Ik heb een ellendigen nacht doorgebracht, steeds pogend een gedrag te verontschuldigen, dat bijna niet anders dan beleedigend mag genoemd worden; maar al ben ik er niet in geslaagd eenige redelijke verontschuldiging te vinden voor je houding, ik blijf toch bereid, te vernemen, welke verdediging je kunt aanvoeren voor je gedrag. Misschien heb je, door misverstand of boos opzet, iets omtrent mij gehoord, waardoor je een minder goede meening omtrent mij hebt opgevat. Zeg mij dan wat dat is, verklaar de reden, waarom je zóó handelde, en wanneer ik je dan voldoening hebkunnen schenken, zal ik zelve zijn voldaan. Bitter zou het mij grieven, kwaad van je te denken; maar wanneer ik daartoe zal moeten worden genoodzaakt; wanneer ik moet vernemen, dat je niet degene waart, voor wien wij je tot nog toe hebben gehouden, dat je schijnbare genegenheid voor ons allen onoprecht was, dat je gedrag jegens mij slechts misleiding ten doel had;—laat dit dan zoo spoedig mogelijk worden uitgesproken. Op het oogenblik verkeer ik in een treurig geslingerden toestand; ik wensch je vrij te spreken; maar zekerheid, hoe dan ook, zal rust zijn, vergeleken bij wat ik thans lijd. Wanneer je gevoelens niet langer zijn als voorheen, verwacht ik dat je mijn brieven terugzendt, met de lok van mijn haar, die in je bezit is.  M. D.”

Dat brieven als deze, zoo vol van genegenheid en vertrouwen, zóó hadden kunnen worden beantwoord, zou Elinor, om Willoughby te sparen, ongaarne hebben geloofd. Maar haar afkeuring van zijn gedrag verblindde haar niet voor het ongepaste in het feit van Marianne’s schrijven zelf; en in stilte betreurde zij de onvoorzichtigheid, die gewaagd had, zich dergelijke ongevraagde uitingen van teederheid te laten ontvallen, geenszins gewaarborgd door het vroeger voorgevallene, en door de uitkomst op de meest verpletterende wijze gelogenstraft; toen Marianne, ziende dat zij de brieven had gelezen, opmerkte, dat er niets in stond, dan wat ieder ander in haar omstandigheden zou geschreven hebben.

“Ik voelde mijzelve,” voegde zij erbij, “even plechtig aan hem verbonden, alsof de wet onze verbintenis bezegeld had.”

“Dat geloof ik graag,” zei Elinor, “maar hij dacht er ongelukkig zoo niet over.”

“Dat deed hij wèl, Elinor—weken achtereen heeft hij dat gevoeld. Ik weet het stellig. Wàt hem nu ook heeft doen veranderen (en dat kan niet anders zijn dan de vuigste verdachtmaking, tegenmij aangewend), eens was ik hem zoo dierbaar als mijn eigen hart slechts kon verlangen. Hoe vurig heeft hij mij gesmeekt om die haarlok, die hij thans zoo onverschillig kan teruggeven! Als je toen zijn blik en houding hadt gezien, zijn stem hadt kunnen hooren! Heb je dien laatsten avond van ons samenzijn vergeten, in Barton? En dien morgen van het afscheid! Toen hij mij zeide, dat het weken zou kunnen duren, eer we elkaar weerzagen—zijn verdriet—zal ik het ooit kunnen vergeten?” Een oogenblik kon zij niet voortgaan met spreken; doch toen hare ontroering was bedaard, voegde zij erbij, op vasteren toon:

“Elinor, ik ben wreed behandeld; maar niet door Willoughby.”

“Maar lieve Marianne; door wien anders? Wie kan hem tegen je hebben opgezet?”

“De geheele wereld, eerder dan zijn eigen hart. Ik zou eerder gelooven dat al mijn bekenden hadden samengespannen, om mij in zijn oogen te vernederen, dan zijn natuur in staat te achten tot een dusdanige wreedheid. Die vrouw, waarover hij schrijft, wie ze dan ook moge zijn,—of... ja, ieder, behalve jij, mijn beste zuster, mama en Edward, kan zoo hardvochtig wreed zijn geweest, mij te belasteren. Is er, behalve jelui drieën, een schepsel ter wereld, dat ik niet eerder van kwaad zou verdenken dan Willoughby, wiens hart ik zóó wel ken?”

Elinor wilde niet met haar redetwisten, en antwoordde alleen: “Wie je dan ook zoo verfoeilijk vijandig gezind mochten zijn, beroof hen van hun kwaadaardige zegepraal, mijn lieve zuster, door te toonen, hoe fier de bewustheid van eigen onschuld en goede bedoelingen je het hoofd omhoog doet heffen. ’t Is een gegronde en prijzenswaardige trots, die dergelijke kwaadwilligheid weet te weerstaan.”

“Neen, neen,” riep Marianne, “verdriet als het kent geen trots. Ieder mag weten, dat ik ongelukkigben. Laat de geheele wereld den triomf genieten, mij zoo te zien. Elinor, Elinor, zij die weinig lijden, mogen zoo trotsch en onafhankelijk zijn als ze willen—mogen beleedigingen weerstaan, vernederende kwelling vergelden,—ik kan het niet. Ik moet voelen—ik moet lijden—laat dan genieten van eigen zelfbewustzijn, wie het vermag.”

“Maar om moeder’s, om mijnentwil...”

“Zou ik meer doen, dan voor mijzelve. Toch, gelukkig te schijnen, wanneer ik mij zoo wanhopig voel... O, wie kan dat verlangen?”

Weer zwegen beiden. Elinor bleef voortdurend, diep in gedachten, heen en weer wandelen van den haard naar het venster, van het venster naar den haard, zonder te bespeuren dat die haard warmte gaf, of dat zij voorwerpen kon onderscheiden buiten dat venster; en Marianne, op het voeteneind van het ledikant gezeten, met haar hoofd tegen een der stijlen geleund, nam weer Willoughby’s brief op, herlas huiverend iederen zin, en riep uit: “Het is te veel! O Willoughby, Willoughby, kon jeditschrijven? Het is wreed—wreed; niets kan je vrijspreken. Neen, Elinor, niets. Wat hij ook voor kwaad van mij mocht hebben gehoord, had hij niet moeten aarzelen, eer hij daaraan geloof sloeg? Had hij het mij niet moeten vertellen, mij in staat stellen mij zelve vrij te pleiten? “De haarlok” (las zij uit den brief) “die gij wel zoo goed hebt willen zijn, mij vrijwillig te schenken”—dat is onvergefelijk. Willoughby, waar was je hart, toen je die woorden schreef? O, de hardvochtigheid van die beleediging!—Elinor, is er eenige rechtvaardiging te vinden van zijn gedrag?”

“Neen, Marianne; geen enkele.”

“En toch, deze vrouw,—wie weet hoe listig zij geweest is—hoe lang van te voren zij haar plannen had beraamd, en hoe behendig zij ze heeft weten uit te voeren! Wie is zij?—Wie kan ze zijn? Wie beschreef hij ooit onder de dames van zijn kennisals jong en aantrekkelijk? O niemand, niemand—tegen mij sprak hij over mijzelve alleen.”

Weer volgde een poos van stilte; Marianne was heftig bewogen;—eindelijk zei ze:

“Elinor, ik moet naar huis. Ik moet mama gaan troosten. Kunnen we morgen niet gaan?”

“Morgen, Marianne?”

“Ja; waarom zou ik hier blijven? Ik kwam alleen om Willoughby;—en wie geeft hier nu om mij? Wie draagt mij een goed hart toe?”

“Het zou onmogelijk zijn, morgen al te gaan. We zijn Mevrouw Jennings meer dan beleefdheid verschuldigd, en de eenvoudigste beleefdheidsregelen zouden zulk een overhaast vertrek verbieden.”

“Nu, dan een paar dagen nog; maar ik kan hier niet lang meer blijven; ik kan de vragen en opmerkingen van al die menschen niet verdragen. De Middletons en de Palmer’s—hoe zal ik hun medelijden kunnen verduren? Medelijden van een vrouw als Lady Middleton!—O... wat zouhijdaarvan zeggen!”

Elinor gaf haar den raad, weer te gaan liggen, en een oogenblik deed zij dat ook; maar zij kon in geen enkele houding rust vinden en in haar pijnigende gejaagdheid naar lichaam en geest bleef zij voortdurend in beweging, tot zij zoo zenuwachtig werd, dat haar zuster haar slechts met moeite in bed kon houden, en een oogenblik bang was, dat zij vreemde hulp zou moeten inroepen. Een paar lavendeltabletten, die Elinor haar eindelijk overreedde, in te nemen, kalmeerden haar een weinig, en daarna bleef zij, tot Mevrouw Jennings terugkwam, stil en zonder zich meer te bewegen, op het bed liggen.


Back to IndexNext