Hoofdstuk XXX

Hoofdstuk XXXMevrouw Jennings ging bij haar terugkomst dadelijk naar hun zitkamer, en zonder te wachten tot haar kloppen was beantwoord, opende zij de deur en stapte binnen met een blik vol oprechte meewarigheid.“Hoe staat het ermee, mijn kind?” zeide zij, met innig medelijden in haar stem tegen Marianne, die zonder een poging tot antwoorden haar gezicht afwendde. “Hoe is ’t met haar, Elinor? Arm kind! ze ziet er erg slecht uit. Geen wonder. Ja, ’t is maar al te waar. Hij gaat al heel gauw trouwen—ellendige kerel! Bij mij heeft hij ’t voor goed verbruid. Mevrouw Taylor vertelde ’t mij, een half uur geleden, en zij had het van een intieme vriendin van Juffrouw Grey zelf, anders had ik ’t stellig niet geloofd, en ik had een gevoel of ik door den grond ging. Nu, zei ik, ik kan alleen maar zeggen, als ’t waar is, dat hij een jonge dame die ik ken, allerschandelijkst heeft behandeld, en ik hoop van harte, dat hij met die vrouw géén leven zal hebben. Dat zal ik altijd zeggen, lieve kind, daar kun je op aan. Ik heb er geen begrip van, dat mannen zóó kunnen te werk gaan, en als ik hem ooit weer zie, dan krijgt hij van mij een schrobbeering die hem heugen zal. Maar er blijft een troost, mijn lieve Marianne, hij is niet de eenige jonge man in de wereld, die de moeite waard is, en met je mooie gezichtje zal ’t jou aan bewonderaars nooit ontbreken. Och, dat arme kind, ik zal haar maar niet langer lastig vallen; beter dat ze maar eens flink uitschreit, eens voor al. Van avond komen de Parry’s en de Sanderson’s gelukkig, dat zal haar een beetje afleiden.”Daarop ging zij op de teenen de kamer uit, alsof zij bang was, dat harde geluiden het verdriet van haar logéetje konden verergeren.Marianne besloot, tot haar zuster’s verwondering,wel mee aan tafel te gaan. Elinor ried het haar eerder af. Maar neen, “ze zou naar beneden gaan; ze kon het best verdragen, en dan werd er minder drukte om haar gemaakt.” Elinor, blijde dat zij zich een oogenblik door zulk een beweegreden liet leiden, al geloofde zij niet dat zij tot het einde toe aan tafel zou kunnen blijven, zei maar niets meer, hielp haar kleeding zoo goed zij kon in orde brengen, terwijl Marianne te bed lag, en stond gereed om haar naar de eetkamer te brengen, zoodra zij aan tafel werden geroepen.Toen zij eenmaal beneden was, zag zij er wel heel slecht uit; maar at meer en was kalmer dan haar zuster verwacht had. Als zij een poging had gedaan te spreken, of als zij al Mevrouw Jennings’ goedbedoelde, maar weinig tactvolle attenties had opgemerkt, dan zou die kalmte niet hebben kunnen bewaard blijven; doch geen woord kwam over haar lippen, en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij niets bespeurde van al wat om haar heen voorviel.Elinor, die Mevrouw Jennings’ vriendelijkheid waardeerde, al waren de uitingen er van dikwijls hinderlijk en soms haast belachelijk, bewees haar den dank, en beantwoordde de beleefdheid, die haar zuster zelve niet bewijzen of beantwoorden kon. Hun goede vriendin zag dat Marianne ongelukkig was, en had een gevoel, dat al wat haar minder ongelukkig kon maken, haar nu rechtens toekwam. Zij behandelde haar dus met al de toegevende verteedering, die ouders jegens een geliefd kind aan den dag leggen op een laatsten vacantiedag. Marianne moest op het warmste plaatsje bij den haard zitten; haar eetlust moest worden opgewekt door de fijnste lekkernijen die maar konden worden opgedischt, en alle nieuwtjesvan den dag moesten ter harer afleiding dienen. Als Elinor in haar zuster’s droevig gezicht niet een beletsel voor alle vroolijkheid had gezien, zou zij zich een weinig hebben vermaakt over Mevrouw Jennings’ pogingen om teleurstelling in de liefde te verzachten door een keur van zoetigheden en olijven, en een helder brandend vuur. Zoodra echter door dat herhaalde aandringen het besef van dit alles tot Marianne doordrong, kon zij niet langer blijven. Met een heftigen uitroep van smart, en haar zuster een wenk gevend, haar niet te volgen, stond zij haastig op, en snelde de kamer uit.“Arm schepsel!” riep Mevrouw Jennings, toen zij was heengegaan, “wat doet het mij verdriet haar zoo te zien! Kijk toch eens, nu heeft ze niet eens haar wijn opgedronken! En de geconfijte kersen ook laten liggen! Och Heere, er is niets aan haar besteed. Als ik maar wist, waar ze veel van hield, ik zou er de halve stad voor laten afloopen.Daar kan ik nu met geen mogelijkheid inkomen, dat een man een aardig meisje zóó behandelen kan! Maar als er aan den eenen kant een hoop geld zit, en zoo goed als niets aan den anderen, och lieve deugd, dan geven ze om die dingen niet meer...”“Is die dame,—die Juffrouw—Grey noemde u haar, meen ik,—dan zoo rijk?”“Vijftig duizend pond, kind. Heb je haar wel eens gezien? Een knap meisje, elegant, zeggen ze; maar niet mooi. Haar tante herinner ik mij best, Biddy Henshawe; die is met een schatrijken man getrouwd. Maar de heele familie zit er warmpjes in. Vijftig duizend pond, en naar ik hoor komt het hem uitmuntend te pas; want ze zeggen, dat hij er leelijk vóór staat. Geen wonder, met dat rennen en rossen en die jachtpaarden! Och ja, praten helpt niet veel; maar als een jongmensch, ’t doet er niet toe wie, een aardig meisje ’t hof maakt, en belooft haar te trouwen, dan gaat het niet aan, zijn woord te breken,omdat hij arm wordt, en er een rijkere juffer een oogje op hem heeft. Waarom verkoopt hij niet, als ’t zoover komt, zijn paarden, verhuurt zijn huis, schaft zijn bedienden af, en begint van meet af aan, op een andere manier? Ik wed, dat Marianne graag had willen wachten, tot de zaak er beter voor stond. Maar dat is tegenwoordig geen mode meer; de jongelui van onze dagen geven nooit iets op, waarin ze plezier hebben.“Weet u ook iets meer van die Juffrouw Grey? Moet zij een lief meisje zijn?”“Ik heb nooit kwaad van haar hooren zeggen; eigenlijk heb ik haast nooit over haar hooren spreken, behalve dat Mevrouw Taylor van morgen zei, dat Juffrouw Walker eens had laten doorschemeren, dat ze dacht, dat Mijnheer en Mevrouw Ellison het niet kwaad zouden vinden, als Juffrouw Grey maar trouwde; want zij en Mevrouw Ellison konden niet met elkaar overweg.”“En wie zijn de Ellisons?”“Hij is haar voogd, kindje. Maar ze is nu meerderjarig, en mag zelf kiezen, en ’t is een mooie keuze, die ze heeft gedaan!—Kijk nu eens aan,” (na een oogenblik zwijgens) “daar is nu je arme zuster naar haar kamer gegaan, om in haar eentje te zitten jammeren. Zou er niets te bedenken zijn, waarmee we haar pleizier kunnen doen? Arm kind, ’t lijkt zoo onhartelijk, haar alleen te laten. Nu, straks komen er een paar kennissen; dat leidt toch een beetje af. Wat zullen we spelen? Ze heeft een hekel aan whist; maar is er geen gezelschapsspelletje, waar ze graag aan meedoet?”“Lieve mevrouw, het is werkelijk niet noodig, dat u zich zooveel moeite geeft. Ik denk niet, dat Marianne vanavond weer beneden zal komen. Als ik kan, zal ik haar bepraten om vroeg naar bed te gaan; want zij heeft stellig rust noodig.”“Ja, dat geloof ik ook; dat zal ’t beste voor haar zijn. Laat ze maar zeggen wat ze nog wil gebruiken,en dan naar bed gaan. Och heere, geen wonder, dat ze er de laatste weken zoo slecht en zoo treurig uitzag, want al dien tijd zal haar dit wel boven ’t hoofd hebben gehangen. En nu heeft die brief vandaag er een eind aan gemaakt. Arm kind! Als ik ’t maar geweten had; ik zou er haar voor geen geld van de wereld mee geplaagd hebben. Maar hoe kon ik het raden, zeg nu eens zelf. Ik dacht dat het maar een gewoon minnebriefje was, en jongemeisjes laten zich daar graag een beetje mee plagen. Och, och, wat zal ’t Sir John en mijn dochters spijten, als ze ’t hooren! Als ik niet zoo in de war geweest was, had ik best even op weg naar huis in Conduit Street kunnen aangaan en ’t hun vertellen. Maar ik spreek hen morgen wel.”“Het zal wel niet noodig zijn, denk ik, dat u Mevrouw Palmer en Sir John waarschuwt, nooit den naam van den Heer Willoughby te noemen, of te zinspelen op het gebeurde, in tegenwoordigheid van mijn zuster. Hun eigen goed hart zal hen wel doen inzien, hoe waarlijk wreed het zou zijn, ten aanhoore van Marianne te laten blijken, dat zij er iets van weten, en hoe minder er ooit over wordt gesproken tegen mijzelve, des te liever zal het ook mij zijn, zooals u, lieve mevrouw, licht zult begrijpen.”“O lieve deugd, ja, dat begrijp ik best. Het moet verschrikkelijk voor je zijn het gepraat erover aan te hooren, en wat je zuster betreft, ik zou voor geen geld van de wereld tegen haar een woord erover zeggen. Je hebt het wel gemerkt; van middag aan tafel deed ik het ook niet. En dat zouden Sir John en mijn dochters evenmin; want ze zijn allen heel oplettend en kiesch,—vooral wanneer ik hen nog eens waarschuw, zooals ik stellig zal doen. Ik vind altijd, hoe minderer overzulke dingen wordt gepraat, hoe beter, en des te gauwer is ’t weer voorbij en vergeten. En heb je ooit gezien, dat praten ook maar ’t geringste goed deed?”“In dit geval kan het alleen maar kwaad doen;—meer nog misschien dan in vele dergelijke; want hiermede gingen omstandigheden gepaard, die het voor alle betrokken partijen hoogst ongewenscht doen zijn, dat de zaak zoo in ’t publiek zou worden besproken. In zóóver moet ik den Heer Willoughby recht laten weervaren;—hij heeft geen bepaalde verloving verbroken met mijn zuster.”“Máár, lieve kind! Probeer maar niet, hem te verdedigen. Geen bepaalde verloving! nu vraag ik je, nadat hij haar Allenham House van binnen en van buiten heeft laten zien, en de kamers al had uitgekozen, waarin ze later zouden wonen!”Elinor kon, ter wille van haar zuster, niet verder op het onderwerp doorgaan, en zij hoopte, dat dit niet van haar mocht geëischt worden, om Willoughby te sparen; want door een openbaring van de volle waarheid had Marianne veel te verliezen, terwijl hij er slechts weinig bij winnen kon. Nadat beiden een poosje hadden gezwegen, begon Mevrouw Jennings opnieuw, met al de opgewektheid, die haar van nature eigen was:“Nu, lieve kind, ’t is een waar woord, van die slechte wind, want voor Kolonel Brandon is het zooveel te beter. Hij krijgt haar per slot toch nog; ja ja, dat zul je zien. Let maar eens op, of ze niet getrouwd zijn eer ’t weer zomer is. Och och, wat zal hij blij zijn met dit nieuwtje. Ik hoop, dat hij komt van avond. ’t Zal voor je zuster in elk opzicht een betere partij zijn. Tweeduizend pond in ’t jaar, zonder schulden of eenig bezwaar;—behalve dan dat dochtertje,—ja, dat vergat ik; maar dat kan ergens in de leer worden gedaan tegen een geringe vergoeding,—en wat doet dàt er nu toe? Delaford is een mooi landgoed, dat kan ik je verzekeren; zoo’n ouderwetsche genoegelijke buitenplaats, met allerlei gerief en gezelligheden; heel en al afgesloten door hooge tuinmuren, die begroeid zijn met allerheerlijkste vruchten, en in een hoek een pracht van eenmoerbeienboom! Och, och, wat hebben Charlotte en ik ons genoegen gegeten, dien eenen keer, dat we er waren! Dan is er een duiventil, een paar aardige vischvijvers, een mooie waterpartij, alles wat men maar kan wenschen; en daarbij ligt het heel dicht bij de kerk, en maar een minuut of vijf van den grooten weg; dus je behoeft je nooit te vervelen, want als je gaat zitten in een hoog-gelegen taxis-prieel achter ’t huis, dan kun je al de rijtuigen zien, die voorbijkomen. O, ’t is een heerlijk huis! De slager vlak bij, in het dorp, en de pastorie om zoo te zeggen, naast de deur. Naarmijnzin, duizend maal mooier dan Barton Park, waar ze hun vleesch drie mijlen ver uit de buurt moeten laten halen, en geen buren hebben, dichterbij dan je moeder. Nu, ik zal den Kolonel eens opvroolijken, zoo gauw als ik kan. De een zijn dood is den ander zijn brood; dat is nu niet anders. Als ’t ons nu maar lukt, om haar Willoughby uit het hoofd te zetten!”“Ja, als onsdatgelukt, mevrouw,” zei Elinor, “dan zullen we er wel komen, mèt of zonder Kolonel Brandon.” Meteen stond zij op en ging heen, om Marianne op te zoeken, die zij, zooals ze verwachtte, in hun eigen kamer, zwijgend en bedroefd, bij de smeulende overblijfselen vond zitten van een klein vuurtje, het eenige dat licht gaf in de kamer, tot Elinor binnenkwam.“Laat mij liever alleen,” was al wat deze van Marianne kreeg te hooren.“Ik zal je alleen laten,” zei Elinor, “als je naar bed wilt gaan.”Eerst weigerde zij; door haar ongedurige smart tot onredelijk verzet gedreven. Doch haar zuster’s ernstige, hoewel zachte overreding deed haar weldra gewillig toegeven; Elinor zag haar het pijnlijke hoofd op het kussen leggen, en bleef wachten tot Marianne, naar zij hoopte, op den goeden weg was om een weinig rust te genieten.In den salon, waarheen zij zich daarna hadbegeven, kwam Mevrouw Jennings weldra bij haar, met een vol wijnglas in de hand.“Lieve kind,” zei ze, “ik bedacht daar juist, dat ik een paar flesschen van den besten ouden Malaga-wijn in huis heb, dien je ooit hebt geproefd,—en nu breng ik je een glas voor je zuster. Zooveel als mijn arme man daarvan hield. Als hij weer eens geplaagd werd door een van zijn aanvallen van jicht-koliek, dan zei hij, dat niets ter wereld hem zoo kon opknappen. Toe, breng dat nu eens aan Marianne.”“Lieve mevrouw,” zei Elinor, glimlachend over het verschil van de kwalen, waarvoor de medicijn werd aanbevolen: “Wat is u toch vriendelijk! Maar Marianne is juist naar bed gegaan, en nu, hoop ik, bijna in slaap; en daar ik geloof, dat niets haar zooveel goed kan doen als rust, wil ik, als u ’t goedvindt, den wijn zelf wel opdrinken.”Hoewel het Mevrouw Jennings speet, dat zij er niet vijf minuten eerder mee was gekomen, had zij vrede met deze schikking, en terwijl Elinor haar glas uitdronk, dacht zij, ofschoon de goede uitwerking van het vocht in een geval van jichtkoliek voor haar op het oogenblik van minder belang was, dat zijn genezend vermogen bij teleurgestelde liefde met evenveel recht mocht beproefd worden door haar als door hare zuster.Kolonel Brandon kwam binnen terwijl zij aan de thee zaten, en uit de wijze waarop hij in de kamer rondzag naar Marianne, leidde Elinor aanstonds af, dat hij haar noch verwachtte, noch wenschte daar te zien, en dat hij reeds op de hoogte was van de oorzaak harer afwezigheid.Dezelfde gedachte scheen Mevrouw Jennings niet te zijn ingevallen; want kort na zijn komst liep zij naar de theetafel, waarbij Elinor gezeten was, en fluisterde: “De Kolonel kijkt even ernstig als altoos; zie je wel? Hij weet nog niets; vertel jij het hem maar, lieve.”Een poosje later nam hij een stoel vlak bij haar, en vroeg, met een uitdrukking, die haar de stellige zekerheid schonk, dat hij alles wist, naar hare zuster.“Marianne is niet wel,” zeide zij. “Zij was den geheelen dag reeds ongesteld, en we hebben haar overgehaald, naar bed te gaan.”“Misschien,” antwoordde hij aarzelend, “is het dus waar, wat ik van morgen hoorde,—misschien is er meer waarheid in, dan ik eerst mogelijk had geacht.”“Wat hebt u gehoord?”“Dat iemand, van wien ik reden had, te denken,—of liever, dat een man, die ikwistdat verloofd was,—maar hoe moet ik het u vertellen? Als u het reeds weet, zooals u natuurlijk doet, dan wilt u mij dat wel besparen.”“U bedoelt,” antwoordde Elinor met gedwongen kalmte, “het huwelijk van den Heer Willoughby met Mejuffrouw Grey. Ja, wij weten nu alles. Dit schijnt een dag te zijn geweest van algemeene opheldering; want van morgen pas hebben wij er voor het eerst van gehoord. De Heer Willoughby is moeilijk te doorzien! Waar hebt u het vernomen?”“In een boekwinkel in Pall Mall, waar ik iets had te doen. Twee dames wachtten er op hun rijtuig, en de eene deed aan de andere een verslag van het voorgenomen huwelijk, waarbij zij zich zoo weinig moeite gaf, haar stem te dempen, dat ik alles wel moest verstaan. De naam Willoughby, John Willoughby, herhaaldelijk genoemd, trok het eerst mijn aandacht, en daarop volgde de stellige verzekering, dat zijn huwelijk met Mejuffrouw Grey dan nu eindelijk vaststond,—het behoefde niet langer te worden geheimgehouden—het zou zelfs binnen een paar weken worden voltrokken, en er werden nog vele bijzonderheden aan toegevoegd omtrent de voorbereiding en zoo meer. Een ding herinner ik mij in ’t bijzonder, omdat het mij nogduidelijker deed blijken, wie de bedoelde persoon was;—na de huwelijksvoltrekking zouden zij naar Combe Magna gaan, zijn landgoed in Somersetshire. U kunt u mijn verbazing voorstellen! Maar ’t zou onmogelijk zijn, te beschrijven wat ik gevoelde. De spraakzame dame, hoorde ik bij navraag, want ik bleef in den winkel, tot zij waren vertrokken, was een zekere MevrouwEllison, en dat is de naam, zooals ik later vernam, van Juffrouw Grey’s voogd.”“Dat is waar. Maar hebt u ook gehoord, dat Juffrouw Grey vijftigduizend pond bezit? Zoo ergens, dan kunnen we dáárin de verklaring vinden.”“Dat kan wel zijn; maar Willoughby is in staat... ten minste ik denk...” hij zweeg een oogenblik, en voegde er toen bij met een stem, die van zich zelve niet zeker scheen: “En uw zuster... hoe vatte zij...”“Zij heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Ik kan alleen maar hopen, dat haar hevige smart naar verhouding kort zal duren. Het wàs, en hetiseen zware beproeving. Tot gisteren nog, geloof ik, heeft zij nooit aan zijn genegenheid getwijfeld, en zelfs nù, misschien... maar ik voor mij ben bijna overtuigd, dat hij haar nooit werkelijk heeft liefgehad. Hij is zeer onoprecht geweest! en in sommige opzichten schijnt het, dat hij van nature hardvochtig is.”“Ja waarlijk,” zeide Kolonel Brandon; “dat is hij! Maar uw zuster denkt—ik meen dat u zeide—zij ziet de zaak anders in dan u?”“U kent haar geaardheid, en u kunt wel begrijpen, hoe bereid zij is, hem nog in ’t gelijk te stellen, als zij dat kon.”Hij gaf geen antwoord, en toen kort daarop het theeservies werd weggenomen en de speeltafeltjes werden klaargezet, moesten zij het onderwerp natuurlijk laten varen. Mevrouw Jennings, die met genoegen naar hen had zitten kijken, terwijl zij aan het praten waren, en die verwacht had, de uitwerking van Elinor’s mededeeling, onmiddellijkbij Kolonel Brandon te zullen waarnemen in een onstuimige blijdschap, zooals die gepast zou hebben bij een man in den bloei der jeugd vol hoop, en vol geluk, zag hem tot haar verbazing den geheelen avond diep ernstig blijven, en nog meer nadenkend dan gewoonlijk.Hoofdstuk XXXINa een nacht, waarin zij meer had geslapen, dan zij verwachtte, werd Marianne den volgenden morgen wakker met het zelfde bewustzijn van bitter leed, waarmede zij de oogen had gesloten.Elinor spoorde haar zooveel mogelijk aan tot uiting van ’t geen zij gevoelde; en vóór het ontbijt reeds hadden zij alles weer lang en breed besproken; met dezelfde stellige overtuiging en welgemeende raadgevingen van Elinor’s kant, en dezelfde heftige gevoelens en wisselende meeningen van Marianne’s zijde als te voren. Nu eens beschouwde zij Willoughby als even ongelukkig en even schuldeloos als zichzelve, en dan weer ontviel haar elke troost door de onmogelijkheid hem van schuld vrij te pleiten. Het eene oogenblik was het haar totaal onverschillig of de geheele wereld wist van haar verdriet; in het andere wilde zij zich voor goed uit die wereld terugtrekken; en een minuut later meende zij haar krachtig weerstand te kunnen bieden. In één opzicht bleef zij, als het erop aankwam, zichzelve gelijk, in het vermijden namelijk, als het eenigszins mogelijk was, van Mevrouw Jennings’ gezelschap, en in een volhardend stilzwijgen, zoolang zij verplicht was dat te verdragen. Haar hart weigerde eenvoudig verstokt, te gelooven, dat Mevrouw Jennings zichmet iets als medelijden kon indenken in haar verdriet.“Neen, neen, neen; dat kàn niet,” riep zij uit; “zij kàn niet voelen. Haar vriendelijkheid is niet sympathie; haar goedhartigheid is niet teederheid. Al wat zij begeert is een onderwerp voor praatjes, en ze houdt nu alleen maar van mij, omdat ik haar dat verschaf.”Ook zonder deze uitingen was Elinor reeds genoegzaam overtuigd van de onbillijkheid in haar oordeel over anderen, waartoe haar zuster dikwijls werd verleid door de prikkelbare verfijning van haar eigen geest, en het overdreven gewicht dat zij hechtte aan de kiesche vooroordeelen van een sterk ontwikkeld gevoelsleven en de bekoring van uiterlijke wellevendheid. Zooals het meerendeel der menschen, indien althans het meerendeel zoowel goed als begaafd is, was Marianne, met uitmuntende vermogens en een uitmuntenden gemoedsaard, noch redelijk, noch volkomen eerlijk te noemen. Zij verwachtte dat anderen de zelfde meeningen en gevoelens als zij zelve zouden koesteren, en zij beoordeelde hunne beweegredenen naar de onmiddellijke uitwerking hunner handelingen op haarzelve. Zoo viel er thans, terwijl de zusters na het ontbijt samen op hun kamer waren, weer iets voor, dat Marianne een nog geringeren dunk deed opvatten van Mevrouw Jennings’ goede hart, omdat het, door haar eigen zwakheid, toevallig een bron van nieuw leed voor haarzelve bleek, hoewel Mevrouw Jennings in dezen slechts werd bewogen door een opwelling van de hartelijkste welgezindheid.Met een brief in haar uitgestrekte hand, en vroolijk glimlachend, in de overtuiging dat zij troost kwam brengen, trad zij hun kamer binnen, met de woorden: “Nu, kindje, nu breng ik je toch iets, dat je stellig goed zal doen.”Marianne had reeds genoeg gehoord. In eenoogwenk schilderde haar verbeelding haar een brief van Willoughby, vol teederheid en berouw, al het gebeurde verklarend, bevredigend, overtuigend; onmiddellijk gevolgd door Willoughby zelf, die de kamer haastig kwam binnensnellen, om aan hare voeten door zijn welsprekende blikken te bevestigen wat zijn brief haar verzekerde. Dat werk van één oogenblik werd door het volgende vernietigd. Het handschrift van haar moeder, tot nog toe nimmer onwelkom, lag vóór haar, en in de scherpte dezer teleurstelling, volgend op eene verrukking, die méér was dan hoop, had zij een gevoel, alsof zij tot op dit oogenblik nog niet geleden had.De wreedheid van Mevrouw Jennings zou door geen woorden, waarover zij beschikte in haar meest welsprekende oogenblikken, kunnen zijn uitgedrukt, en thans kon zij haar enkel beschuldigen door de tranen, die haar met hartstochtelijke heftigheid uit de oogen stroomden—een beschuldiging, die echter het voorwerp ervan zóó volkomen ontging, dat zij, na veel betuigingen van medelijden, heenging, nog steeds verwijzend naar den brief, die ongetwijfeld troost zou schenken. Doch de brief bracht weinig troost, toen zij voldoende bedaard was, om dien te kunnen lezen. Iedere bladzijde was vol van Willoughby. Haar moeder, nog steeds in de meening, dat zij verloofd was, en even vast als altijd bouwend op zijn trouw, was door Elinor’s vraag slechts bewogen, Marianne te smeeken om grootere openhartigheid jegens hen beiden, en zij deed dit met zooveel teederheid jegens haar, zoo oprechte genegenheid voor Willoughby, en een zoo stellige verzekerdheid van hun toekomstig geluk in en door elkander, dat Marianne onder het lezen het uitsnikte van duldelooze pijn. Al haar ongeduldig verlangen om weer thuis te zijn keerde thans terug; haar moeder was haar dierbaarder dan ooit,—dierbaarder juist door datoverdreven, schoon misplaatst vertrouwen in Willoughby, en zij drong onstuimig aan op hun vertrek. Elinor, zelf niet in staat te beslissen, of het beter voor Marianne zou zijn, te Londen te blijven of naar Barton te gaan, kon geen anderen raad geven, dan geduld te oefenen tot zij wisten, wat hun moeder wenschte, en ten slotte verkreeg zij haar zuster’s toestemming, te wachten, tot die wensch hun bekend zou zijn.Mevrouw Jennings liet hen vroeger dan gewoonlijk alleen; want zij had geen rust eer de Middletons en de Palmers in haar verdriet zouden kunnen deelen; zij weigerde beslist, toen Elinor aanbood haar te vergezellen, en ging dien morgen alleen uit. Elinor ging met een bezwaard gemoed, wetend dat haar mededeeling verdriet zou veroorzaken, en uit Marianne’s brief wel bespeurend, hoe weinig zij erin geslaagd was, op dit verdriet eenigermate voor te bereiden, aan haar moeder zitten schrijven, wat er gebeurd was, en haar vragen, wat hun verder te doen stond; terwijl Marianne, die na Mevrouw Jennings’ vertrek in den salon was gekomen, bij de tafel ging zitten, waaraan Elinor schreef, ziende naar het voortbewegen van haar pen, haar beklagend om de moeilijkheid van zulk een taak, en nog inniger bedroefd om den indruk, dien het schrijven moest wekken bij hare moeder.Zoo hadden zij ongeveer een kwartier samen gezeten, toen Marianne, wier zenuwen geen onverwacht geluid konden verdragen, opschrikte door een kloppen aan de voordeur.“Wie kan daar zijn?” riep Elinor, “Zoo vroeg al! Ik dacht, dat wenutoch veilig waren.”Marianne ging naar het venster.“’t Is Kolonel Brandon!” zei ze geërgerd. “Voor hèm zijn we nooit veilig.”“Hij zal niet boven komen, nu Mevrouw Jennings uit is.”“Dáár reken ik niet op,” zei Marianne, naarhaar eigen kamer gaande. “Een man die met zijn eigen tijd geen raad weet, ziet er geen bezwaar in, beslag te leggen op dien van een ander.”Het bleek dat haar gissing juist was geweest, hoewel gegrond op een onbillijke en onware voorstelling; want Kolonel Brandon kwàm binnen; en Elinor die overtuigd was, dat bezorgdheid over Marianne hem hierheen voerde, en die bezorgdheid zag in zijn onrustigen en treurigen blik, en hoorde in zijn angstige, doch korte vraag naar haar, kon het haar zuster niet vergeven, dat zij hem zoo gering schatte.“Ik ontmoette Mevrouw Jennings in Bond Street,” zeide hij na de eerste begroeting, “en zij spoorde mij aan, hierheen te gaan. Ik liet mij te eerder daartoe aansporen, omdat ik het waarschijnlijk achtte, dat ik u hier alleen zou vinden, wat ik ten zeerste verlangde. Mijn bedoeling,—mijn wensch—mijn eenige wensch, naar ik hoop en geloof, is deze,—mede te werken om troost te schenken,—neen, ik moet niet zeggen troost,—althans geen onmiddellijke troost,—maar overtuiging, een vaste overtuiging, en zekerheid voor uw zuster’s gemoed. Mijn genegenheid voor haar, voor uzelve, voor uwe moeder,—wilt u mij toestaan deze te bewijzen, door u het een en ander mede te deelen, dat door niets dan een zéér oprechte genegenheid,—niets dan een innigen wensch om mij nuttig te maken... ik geloof, dat ik in mijn recht ben;—doch is er niet eenige reden, te vreezen dat ik ongelijk heb; daar ik vele uren heb moeten doorbrengen met pogingen om mijzelf te rechtvaardigen?...”Hij zweeg.“Ik begrijp u wel,” zeide Elinor, “U hebt mij iets te vertellen omtrent den Heer Willoughby, dat een helderder licht zal werpen op diens karakter. U zult daardoor Marianne den grootsten vriendendienst bewijzen.Mijnedankbaarheid wint u onmiddellijk door elke mededeeling van dien aard;de hare zult u mettertijd daardoor verwerven. Ik vraag u dringend, ik bid u, zeg mij wat het is.”“Dat zal ik, en om kort te zijn, toen ik Barton in October verliet... maar zóó zult u het niet begrijpen. Ik moet verder teruggaan. U zult mij een zeer onhandig spreker vinden, juffrouw Dashwood; ik weet haast niet, waar te beginnen. Ik geloof, dat het noodig zal zijn, in ’t kort een en ander van mijzelf te vertellen, en dàt verslag zàl kort zijn. Dàt onderwerp,” voegde hij erbij met een zwaren zucht “lokt niet uit tot bijzondere uitvoerigheid.”Hij wachtte een oogenblik, om zijn gedachten te verzamelen, en ging toen, nogmaals zuchtend, voort: “Waarschijnlijk herinnert u zich in het geheel niet meer een gesprek (het is moeilijk te veronderstellen, dat het eenigen indruk op u zou maken)—een gesprek tusschen ons op zekeren avond te Barton Park—het was bij gelegenheid van een danspartij,—waarin ik zinspeelde op een dame, die ik vroeger had gekend, en die in menig opzicht op uwe zuster Marianne geleek.”“Welzeker,” antwoordde Elinor, “ik herinner het mij zéér goed.” Het scheen hem genoegen te doen, dit te hooren, en hij ging voort.“Als ik mij niet laat misleiden door de onzekerheid, de partijdigheid eener teedere herinnering, dan bestaat tusschen hen beiden een sterke gelijkenis, zoowel innerlijk als uiterlijk,—dezelfde warmte van hart, dezelfde vurigheid van verbeelding en geest. Deze dame was eene mijner naaste bloedverwanten, reeds jong wees geworden, en onder de voogdijschap van mijn vader geplaatst. Wij waren bijna even oud, en van jongsaf speelgenooten en vrienden. Ik kan mij den tijd niet herinneren, waarin ik Eliza niet liefhad; en toen wij ouder werden, was mijn genegenheid voor haar zoo innig, dat u, die mij beoordeelt naar mijn tegenwoordigen triesten en vreugdeloozen ernst, mijwellicht niet tot zulk een sterk gevoel in staat zoudt kunnen achten. Haar liefde voor mij was, geloof ik, vurig als die van uwe zuster voor den Heer Willoughby, en niet minder ongelukkig, al was het door eene andere oorzaak. Toen zij zeventien jaren was, moest ik haar voor altijd verliezen. Zij trouwde—werd tegen haar zin uitgehuwelijkt aan mijn broeder. Haar fortuin was aanzienlijk en ons familiegoed stak diep in schulden. Dat is alles, vrees ik, wat gezegd kan worden ter vergoelijking van het gedrag van hem, die haar oom en voogd was. Mijn broeder verdiende haar niet; hij had haar zelfs niet lief. Ik had gehoopt, dat haar genegenheid voor mij haar onder alle moeilijkheden zou staande houden, en een tijdlang was dit ook zoo;—doch op den duur kon haar standvastigheid geen weerstand bieden aan de smart die zij moest verduren; want zij werd zeer hard behandeld, en hoewel zij mij had beloofd, dat niets... maar hoe ongeregeld is mijn verhaal! Ik heb u nog niet verteld, hoe het zoover kwam. Slechts enkele uren voor wij te zamen wilden vluchten naar Schotland, werden wij verraden door het bedrog of de domheid van de kamenier mijner nicht. Ik werd verbannen naar het huis van een zeer veraf wonenden bloedverwant en haar werd alle vrijheid, alle omgang, elk vermaak ontzegd, tot mijn vader zijn zin had gekregen. Ik had te veel op haar kracht vertrouwd, en de slag trof mij zwaar;—doch als haar huwelijk gelukkig was geweest, dan had ik mij, zoo jong als ik toen was, er na eenige maanden mede moeten verzoenen; of ik had het althans nu niet behoeven te betreuren. Maar dat was niet het geval. Mijn broeder had haar niet lief; hij jaagde ongeoorloofde genoegens na, en van den beginne af heeft hij haar hard behandeld. Maar al te natuurlijk waren de gevolgen van die behandeling, in hun uitwerking op een geest, zoo jong, zoo levendig, zoo onervaren als die van Mevrouw Brandon. In het begin droeg zij gelaten haar ellende,en het zou gelukkig zijn geweest, zoo zij gestorven ware, eer zij de droefheid verwon, die de herinnering aan mij in haar placht te wekken. Maar is het vreemd, dat zij ten val werd gebracht, met een echtgenoot, die haar uitlokte tot ontrouw, en zonder één vriend, die haar raden of weerhouden kon? (want mijn vader stierf een paar maanden na hun huwelijk, en ik was met mijn regiment in Indië). Was ik in Engeland gebleven, misschien... doch ik meende beider geluk te bevorderen door haar voor lange jaren te verlaten, en met dat doel had ik om overplaatsing verzocht. De schok, dien ik ondervond bij het vernemen van haar huwelijk,” ging hij voort, met een stem, die zijn heftige ontroering verried, “was gering, was niets,—vergeleken bij wat ik voelde, toen ik twee jaren later hoorde, dat zij gescheiden was. Dàt was het, dat mij zoo somber deed worden—zelfs nu is de herinnering aan wat ik geleden heb...” Hij kon niet voortgaan, stond haastig op, diep aangedaan door zijn verhaal, en nog meer door zijn smartelijke ontroering, kon niet spreken. Hij zag, hoe bewogen zij was, vatte hare hand, drukte die en kuste ze met dankbaren eerbied. Na nog een paar minuten, waarin hij zich in stilte vermande, kon hij bedaarder voortgaan.“Drie jaren bijna waren verstreken na die droeve dagen, eer ik naar Engeland terugkeerde. Mijn eerste gedachte, bij mijne aankomst, was natuurlijk, haar te zoeken; maar de pogingen daartoe waren zoo vruchteloos als diep bedroevend. Ik kon niet ontdekken, wat er van haar was geworden, nadat zij door haar eersten verleider was verlaten, en er bestond alle reden, te vreezen, dat zij steeds dieper gezonken en tot een leven van zonde vervallen was. Het jaargeld, haar door de wet toegezegd, was niet evenredig aan haar fortuin, noch voldoende voor haar behoorlijk onderhoud, en ik vernam van mijn broeder, dat eenige maanden geleden het recht om het in ontvangst te nemen aan een ander was afgestaan.Hij vermoedde, en kon dat vermoeden kalm uitspreken, dat haar verkwisting en hieruit voortvloeiende armoede haar hadden genoodzaakt, het op te geven om voorloopig uit den dringendsten nood te geraken. Eindelijk echter, toen ik reeds zes maanden in Engeland was geweest, heb ik haar tòch gevonden. Uit gehechtheid aan een vroegeren bediende, die in het ongeluk was geraakt, zocht ik dezen man op in een schuldgevangenis, waar hij wegens schulden in hechtenis werd gehouden, en hier in dat zelfde huis, en in dergelijke omstandigheden, trof ik haar aan, mijn ongelukkige pleegzuster. Zoo veranderd—zoo vervallen—zoo uitgeteerd door hevig lijden naar lichaam en ziel! Ternauwernood kon ik gelooven, dat dit droeve, door ziekte ondermijnde schepsel eens het beminnelijke, bloeiende, gezonde meisje was geweest, waarmede ik gedweept had, Hoe ik leed, toen ik haar zóó moest aanschouwen—maar ik heb het recht niet uw gevoelens te kwetsen door te pogen dat te beschrijven—ik deed u reeds te veel verdriet. Dat zij, het bleek maar al te duidelijk, in het laatste stadium van de tering was, schonk mij,—ja in deze omstandigheden moest het mij troost schenken. Haar bood het leven niets meer, dan tijd zich beter voor te bereiden op den dood, en deze werd haar geschonken. Ik zorgde dat zij goed werd gehuisvest, en zorgvuldig verpleegd; ik bezocht haar iederen dag, zoolang haar korte leven nog moest duren; ik was bij haar in haar laatste oogenblikken.”Weer zweeg hij, om zijn aandoening meester te worden, en Elinor uitte haar gevoel in een uitroep vol van het teederste medelijden met het lot zijner beklagenswaardige vriendin.“Het zal uwe zuster, hoop ik, niet kunnen kwetsen,” zeide hij, “dat ik mij verbeeldde, een zekere gelijkenis te zien tusschen haar en mijne arme, onteerde bloedverwante. Hun lot, hunne ervaringenkunnen niet dezelfde zijn, en had de van nature beminnelijke geaardheid der laatste steun ontvangen door een krachtiger wil of door een gelukkiger huwelijk, dan zou zij alles hebben kunnen zijn, wat uwe zuster in de toekomst belooft te worden.—Doch waartoe leidt dit alles? Het schijnt alsof ik u voor niets heb bedroefd. Ach,—een onderwerp als dit,—veertien jaren onaangeroerd gebleven—het is gevaarlijk het zelfs maar ter sprake te brengen! Maar ikwilgeregelder verhalen—beknopter zijn. Zij vertrouwde aan mijne zorg haar eenig kindje, een meisje, de vrucht van hare eerste schuldige verbintenis, dat toen omstreeks drie jaren oud was. Zij had het kind lief, en het was altijd bij haar gebleven. Voor mij was deze opdracht waardevol en kostbaar, en gaarne zou ik mij ervan hebben gekweten in den meest volledigen zin, door zelf te waken over hare opvoeding, indien de omstandigheden dit hadden veroorloofd; maar ik had geen gezin, geen tehuis; en dus werd mijn kleine Eliza naar eene school gebracht. Ik ging haar bezoeken, zoo dikwijls ik kon, en na den dood van mijn broeder omstreeks vijf jaar geleden, waardoor ik eigenaar werd van ons familiegoed, kwam zij dikwijls bij mij te Delaford. Het heette, dat zij verre familie van mij was; maar ik weet zeer goed, dat men in ’t algemeen mij verdacht van een veel nadere verwantschap. Nu drie jaar geleden (zij was toen veertien) nam ik haar van school, om haar onder de hoede te plaatsen van eene zeer achtenswaardige dame in Dorsetshire, die zich belast had met de opvoeding van nog vier of vijf andere meisjes van denzelfden leeftijd, en gedurende twee jaren had ik alle reden om tevreden te zijn met deze schikking. Doch in Februari van het vorige jaar, nu bijna een jaar geleden, was zij plotseling verdwenen. Ik had haar toegestaan (onvoorzichtig, zooals later bleek) op haar dringend verlangen, naar Bath te gaan met eene harer vriendinnen, die haar zieken vaderdaar moest verplegen. Ik wist dat hij een goede man was, en had ook een gunstige meening opgevat omtrent zijne dochter, beter dan zij verdiende; want in haar koppige en onverstandige zucht tot geheimhouding, wilde zij ons niets vertellen, en geen enkele inlichting verstrekken, ofschoon zij stellig alles wist. Haar vader zelf, een goedhartige, maar ver van scherpziende man, kon mij werkelijk niets mededeelen; want hij was aan huis gebonden geweest, terwijl de meisjes alleen in de stad zwierven, en kennis maakten met wie ze verkozen; en hij poogde mij te overtuigen, even stellig als hij zelf daarvan doordrongen was, dat zijne dochter niets van de zaak afwist. Om kort te gaan, ik vernam niets dan dat zij weg was, al het overige bleef onzeker, acht volle maanden lang. Wat ik dacht, wat ik vreesde, kunt u zich voorstellen, en hoe ik leed, eveneens.”“O!” riep Elinor, “is het mogelijk! Kon Willoughby...”“Het eerste bericht van haar, dat ik ontving,” ging hij voort, “bereikte mij in een brief van haarzelve in Octoberl.l. Deze werd mij uit Delaford opgezonden, en ik ontving dien juist op den morgen van ons voorgenomen tochtje naar Whitwell. Dat was de reden van mijn plotseling vertrek uit Barton, dat toen iedereen, zooals ik wel begreep, zeer vreemd voorkwam, en dat sommigen mij, geloof ik, kwalijk hebben genomen. Weinig vermoedde de Heer Willoughby, denk ik, toen zijn blikken mij mijne onbeleefdheid verweten, omdat ik het voorgenomen uitstapje bedierf, dat mijne hulp werd ingeroepen door iemand, die hij tot armoede en ellende had doen vervallen; maar wat zou het hebben gebaat,indienhij het wist? Zou hij zich minder vroolijk of gelukkig hebben gevoeld door den glimlach van uw zuster? Neen; want hij had reeds gedaan, wat geen man zoukunnendoen, die voor anderen kan gevoelen. Hij had het jonge, ónschuldige meisje, dat hij had verleid, achtergelatenin een wanhopigen toestand, zonder behoorlijk tehuis, zonder hulp, zonder vrienden, zonder haar zijn adres op te geven! Hij verliet haar met de belofte te zullen terugkeeren; hij kwam niet terug, schreef niet, verleende geen hulp.”“Dat is beneden alles!” riep Elinor uit.“Thans kent u zijn waren aard;—verkwistend, losbandig, en erger dan dat. Denk eens wat ik, dit alles wetend, zooals ik het reeds wekenlang geweten heb, moest gevoelen, toen ik zag, dat uwe zuster hem nog steeds liefhad, en toen ik hoorde, dat zij met hem ging trouwen; wat ik gevoelde om u aller wil. Toen ik de vorige week kwam en u alleen vond, was ik vastbesloten, de waarheid te vernemen, ofschoon nog niet zeker, wàt te doen, wanneer ik die vernomen hàd. Mijn gedrag moet u toen vreemd zijn voorgekomen; doch nu zult u het begrijpen. U allen zoo misleid te weten; uw zuster te zien... maar wat kon ik doen? Ik had geen hoop, dat mijn tusschenkomst iets zou baten, en soms dacht ik, dat uw zuster’s invloed hem nog ten goede zou kunnen bewegen. Doch wie zal zeggen, na deze schandelijke behandeling, wat hij wellicht met haar heeft voorgehad? Wat ook zijn bedoelingen mogen geweest zijn, zij kan nu, en zàl ongetwijfeld later, haar eigen toestand met dankbaarheid beschouwen, wanneer zij dien vergelijkt met het lijden mijner arme Eliza; wanneer zij denkt aan de treurige, hopelooze omstandigheden, waarin dit arme meisje verkeert, en zich haar voorstelt, hem even innig, ook thans nog, liefhebbend als zij zelve en daarbij gekweld door een zelfverwijt dat van levenslangen duur zal zijn. Stellig zal die vergelijking haar ten goede komen. Zij zal gevoelen dat haar eigen leed als niets is. Het vond zijn oorsprong in geen wangedrag, en kan geen blaam op haar werpen. Integendeel, ieder die te voren haar vriend was, wordt het thans des te meer. Medelijden met haar verdriet, en eerbied voor de kracht, waarmede zij het draagt,moeten elke genegenheid versterken. Ik laat echter aan uw eigen oordeel over, wat u haar wilt mededeelen van ’t geen ik u verteld heb. U weet het best wat de uitwerking ervan zal zijn; doch als ik niet oprecht en uit den grond van mijn hart had geloofd, dat het haar ten goede zou kunnen komen, haar droefheid zou kunnen doen verminderen, dan zou ik mijzelf niet hebben veroorloofd, u lastig te vallen met dit relaas van mijn treurige familie-omstandigheden; met een verhaal, dat den schijn zou kunnen wekken, alsof ik mijzelf ten koste van anderen had willen verheffen.”Elinor betuigde hem met ernstigen nadruk dank voor deze woorden, en verzekerde hem, dat zij voor Marianne van zijne mededeeling werkelijk veel goeds verwachtte. “Haar pogingen om hem vrij te spreken,” zeide zij, “deden mij het allermeest verdriet; want zij doen haar meer kwaad dan de stelligste overtuiging van zijn onwaardigheid. Nu geloof ik, dat zij, hoewel ze in het begin erdoor zal lijden, spoedig veel meer getroost zal zijn.—Hebt u”, ging zij na een kort stilzwijgen voort, “den Heer Willoughby nog weer ontmoet sedert uw vertrek uit Barton?”“Ja,” antwoordde hij ernstig, “eenmaal. Eene ontmoeting was onvermijdelijk.”Elinor, verschrikt door zijn toon, zag hem angstig aan, en zeide: “Wat? hebt u met hem...”“Er was geen andere uitweg. Eliza had mij, hoewel zeer ongaarne, den naam van haar minnaar bekend; en toen hij naar de stad terugkeerde, veertien dagen later dan ik, hebben wij geduelleerd; hij om zich te verdedigen, ik om zijn gedrag te straffen. Wij werden geen van beiden gewond, en dus is de zaak niet ruchtbaar geworden.”Elinor zuchtte over de gewaande noodzakelijkheid van zulk een handelwijze; doch zij waagde niet tegenover een man en een militair, hare afkeuring ervan te uiten.“Zoo droevig” zeide Kolonel Brandon, na een poos van zwijgen, “was de gelijkenis tusschen het lot van moeder en dochter! en zóó ben ik tekort geschoten in de mij toevertrouwde taak!”“Is zij nog in de stad?”“Neen, zoodra zij hersteld was na haar bevalling, die aanstaande was toen ik haar vond, heb ik haar met het kind naar buiten gezonden, en daar zal zij blijven.” Toen hij zich spoedig daarna herinnerde, dat hij Elinor misschien belette zich bij haar zuster te voegen, nam hij afscheid, en na nogmaals haar erkentelijke dankbetuiging te hebben ontvangen, verliet hij haar, vervuld van medelijden en achting voor hem.Hoofdstuk XXXIIToen de bijzonderheden van dit gesprek door Elinor aan hare zuster werden medegedeeld, zooals spoedig gebeurde, was hunne uitwerking niet volkomen zooals de eerste zich die had voorgesteld. Niet dat Marianne in eenig opzicht aan de waarheid van het verhaalde scheen te twijfelen; want Zij hoorde alles aan met stille en onderworpen aandacht, uitte geen tegenwerping, noch eenige opmerking zelfs; trachtte Willoughby niet te rechtvaardigen, en scheen door haar tranen te toonen, hoezeer zij gevoelde, dat dit onmogelijk was. Maar hoewel dit gedrag Elinor de zekerheid schonk, dat de overtuiging omtrent zijn schuld thans werkelijk tot haar was doorgedrongen, hoewel zij met voldoening de uitwerking ervan waarnam, door te zien, hoe Marianne niet langer Kolonel Brandon vermeed bij zijn bezoeken, hoezij tot hem sprak, zelfs uit eigen beweging, met een soort van medelijdenden eerbied, en hoewel zij zag dat Marianne’s zenuwgestel minder heftig geprikkeld scheen, zij vond hare treurigheid niet verminderd. Haar geest wàs thans tot rust gekomen; doch het was de rust der diepste verslagenheid. Het verlies, van alle vertrouwen in Willoughby’s zedelijk karakter trof haar nog zwaarder dan het verlies van zijn liefde had kunnen doen; het feit dat hij een jong meisje had verleid en verlaten, de ellende van dat arme kind, en de twijfel, welke plannen hij wellicht omtrent haarzelve had gekoesterd, dit alles had zulk een neerdrukkenden invloed op haar geest, dat zij niet van zich kon verkrijgen, zelfs tegen Elinor te spreken over ’t geen zij gevoelde, en dat stille verzinken in haar verdriet bedroefde haar zuster meer dan de meest openhartige en herhaalde uiting ervan had kunnen doen.De weergave der gevoelens en uitingen van Mevrouw Dashwood, bij het ontvangen en beantwoorden van Elinor’s brief, zou slechts eene herhaling zijn van ’t geen haar dochters reeds gevoeld en gezegd hadden; teleurstelling, bijna niet minder smartelijk dan die van Marianne; verontwaardiging, nog grooter dan die van Elinor. In haar lange en snel op elkaar volgende brieven kwam al wat zij leed en dacht tot uiting; zij waren vol angstige bezorgdheid over Marianne, en smeekten haar, geestkracht te toonen onder dezen zwaren slag. Inderdaad, wèl zwaar moest de ramp zijn, die Marianne had getroffen, waar haar moeder spreken kon van geestkracht. Wel zéér pijnlijk en vernederend moest de oorzaak zijn eener droefgeestigheid, waaraanzijniet kon wenschen, haar te zien toegeven!...In tegenspraak met haar persoonlijken wensch, achtte Mevrouw Dashwood het beter voor Marianne, thans overal elders liever te zijn, dan juist te Barton, waar al wat zij zag, het verleden op de levendigste en pijnlijkste wijze moest terugroepen,door haar aanhoudend Willoughby voor den geest te brengen, zooals zij hem daar steeds had gezien. Zij raadde hare dochters dus aan, het bezoek bij Mevrouw Jennings vooral niet te bekorten, dat, ofschoon geen bepaalde afspraak was gemaakt, toch naar aller meening minstens vijf of zes weken had zullen duren. Afwisseling, zoo in bezigheid als in vooruitzichten en gezelschap, waaraan het haar te Barton zou ontbreken, was hier onvermijdelijk, en zou, naar zij hoopte, Marianne soms toch nog kunnen bewegen tot eenige belangstelling in dingen buiten haarzelve, en zelfs tot deelname in eenig vermaak, hoezeer die beide mogelijkheden thans nog door haar mochten verworpen worden. Voor het gevaar, dat zij Willoughby weer zou kunnen zien, achtte haar moeder haar in de stad althans even veilig als buiten; daar allen, die zich haar vrienden noemden, thans niet meer met hem wilden omgaan. Met voorbedachten rade zouden zij elkander nooit ontmoeten; door onvoorzichtigheid zouden zij geen kans loopen, te worden blootgesteld aan een verrassing; en het toeval kon in het gewoel van Londen hun minder licht parten spelen dan zelfs in het afgelegen Barton, waar het hem plotseling voor haar oogen kon doen staan, wanneer hij het bezoek bracht te Allenham bij gelegenheid van zijn huwelijk, dat Mevrouw Dashwood, door het aanvankelijk als iets waarschijnlijks te beschouwen, thans was begonnen te verwachten als een stellige zekerheid.Zij had nog eene andere reden voor den wensch, dat hare kinderen zouden blijven, waar zij waren; uit een brief van haar stiefzoon had zij vernomen, dat hij en zijn vrouw vóór half Februari in de stad zouden zijn; en zij vond het goed, dat zij nu en dan met hun broeder in aanraking zouden komen.Marianne had beloofd, zich door haar moeder’s oordeel te laten leiden, en zij schikte zich dus ernaar zonder tegenstreven, hoewel het geheelverschillend bleek van wat zij wenschte en verwachtte; hoewel zij het beschouwde als ten eenenmale onjuist, en gegrond op een verkeerde zienswijze, terwijl het door een langer verblijf te Londen van haar te eischen, haar beroofde van de eenig mogelijke verzachting van haar ellende, het innig meegevoel harer moeder, en haar de straf oplegde van een gezelschap en eene omgeving, waarin zij nooit een oogenblik rust zou kunnen genieten. Doch het was voor haar een groote troost, dat wat háár kwaad berokkende, tengoede zou komen aan hare zuster; en Elinor, van haar kant, vermoedende, dat het niet in haar macht zou staan, Edward geheel te vermijden, troostte zich door te bedenken, dat hun langer verblijf, hoewel niet bevorderlijk voor haar eigen geluk, voor Marianne beter zou zijn dan onmiddellijk naar Devonshire terug te keeren.Haar zorg om haar zuster te vrijwaren voor het hooren noemen van Willoughby’s naam, was niet vergeefsch geweest. Zonder het zelve te weten, plukte Marianne de vruchten ervan, want noch Mevrouw Jennings, noch Sir John, noch zelfs Mevrouw Palmer, spraken ooit over hem in haar bijzijn. Elinor wenschte wel dat zij de zelfde omzichtigheid tegenover haar hadden willen in acht nemen; maar dàt was onmogelijk, en zij moest dag aan dag luisteren naar de uitingen van hun aller verontwaardiging.Sir John kon niet begrijpen, hoe zoo iets mogelijk was geweest. “Een man, van wien hij alle reden had gehad niets dan goeds te verwachten! De beste kerel van de wereld! In heel Engeland geloofde hij niet dat zulk een goed ruiter te vinden was! ’t Was onverklaarbaar, die geschiedenis. Hij mocht voor zijn part naar den duivel loopen. Hij zou van zijn leven geen woord meer met hem wisselen, wáár hij hem ook ontmoette! Neen, al was ’t op de grens van zijn eigen jachtgebied en al zouden ze er twee uur naast elkaar moeten staan wachten. Zulkeen schurk van een kerel, zulk een bedriegelijke schavuit! Den laatsten keer dat hij hem sprak, had hij hem nog een van Folly’s jongen aangeboden, en nu kwam het hierop neer!”Mevrouw Palmer was al even boos, op haar manier. Zij wilde hem van nu af aannietmeer kennen, en ze was wàt blij, dat ze nooit kennis met hem had gemaakt. Ze wenschte van harte dat Combe Magna niet zoo dicht bij Cleveland was gelegen; maar ’t was toch zoo erg niet, omdat het veel te veraf was, om er een bezoek te brengen; ze had zoo’n hekel aan hem, dat ze vast van plan was, nooit weer zijn naam te noemen, en ze zou aan ieder, die ze zag vertellen, hoe weinig hij deugde.Verder toonde Mevrouw Palmer haar meegevoel, door alle bijzonderheden uit te visschen, die ze kon te weten komen omtrent het aanstaande huwelijk, en die aan Elinor mee te deelen. Al spoedig wist ze bij welken rijtuigmaker het nieuwe rijtuig was besteld; door welken schilder het portret van den Heer Willoughby werd vervaardigd, en in welken winkel Juffrouw Grey’s trousseau was uitgestald. Lady Middleton’s kalme en beleefde onverschilligheid was voor Elinor een ware verlichting, gedrukt als zij soms was door de luidruchtige vriendelijkheid der anderen. Het was haar een groote troost, te weten dat althans ééne persoon in hun vriendenkring géén belang in hen stelde; eentroost, zeker te zijn, dat die eene haar zou ontmoeten zonder de geringste nieuwsgierigheid te toonen naar bijzonderheden, of eenige bezorgdheid aan den dag te leggen omtrent haar zuster’s gezondheidstoestand.Elke eigenschap wordt somtijds, door de omstandigheden van het oogenblik verheven, tot meer dan haar werkelijke waarde; en soms werd zij zóó geplaagd door die opdringende meewarigheid, dat zij ertoe kwam, goede manieren als meer onontbeerlijk te gaan beschouwen voor haar gemoedsrust,dan goedhartigheid. Lady Middleton gaf haar bevindingen omtrent de zaak omstreeks eenmaal per dag, (of als het onderwerp herhaaldelijk ter sprake kwam, tweemalen) te kennen, door te zeggen: “’t Is bepaald ongehoord!”—en met behulp dezer aanhoudend, doch gemakkelijk werkende veiligheidsklep kon zij niet slechts van den beginne de dames Dashwood ontmoeten zonder de geringste aandoening; doch al spoedig ook hen ontvangen zonder zich van de geheele geschiedenis een woord te herinneren; en na op deze wijze de waardigheid harer eigen sekse te hebben opgehouden, en haar besliste afkeuring te hebben geuit van de fouten der andere, vond zij, dat het haar thans vrijstond, eens te denken aan de samenstelling harer eigen avondpartijen, en besloot dus (hoewel tegen den zin van Sir John) om, zoodra Mevrouw Willoughby getrouwd was, een kaartje bij haar af te geven, daar zij door haar huwelijk zoowel tot de deftige als vermogende kringen behooren zou.Kolonel Brandon’s kiesche en onopvallende deelneming was Elinor nooit onwelkom. Hij had zich ten volle het voorrecht waardig gemaakt, haar zuster’s teleurstelling vertrouwelijk met haar te bespreken, door den vriendschappelijken ijver, waarmede hij had gepoogd, deze te verzachten, en zij spraken thans altijd met elkaar zonder terughouding. Het meest werd hij beloond voor de moeite, die het hem moest hebben gekost, het oude verdriet en de nieuwe vernedering te openbaren, door den medelijdenden blik, dien Marianne somtijds op hem liet rusten, en de zachtheid van haar stem, wanneer zij (wat niet dikwijls gebeurde) verplicht was, of zichzelve ertoe kon brengen, het woord tot hem te richten.Dieteekenen schonken hem de zekerheid, dat zijne bemoeiingen een gunstigen invloed hadden uitgeoefend op hare gezindheid te zijnen opzichte; enzijgaven Elinor hoop, dat dezegunstige gezindheid mettertijd nog zou toenemen; maar Mevrouw Jennings, die van dit alles niets afwist,—die alleen maar zag, dat de Kolonel nog steeds even ernstig bleef, en wel wist, dat zij hem nooit zou kunnen overhalen zelf het aanzoek te doen, en evenmin, om die taak aan háár op te dragen,—begon na een paar dagen te denken, dat het huwelijk toch allicht eerder in ’t najaar dan in den voorzomer zou plaats hebben, en geloofde aan ’t eind van de week, dat er in ’t geheel niets van kwam. De goede verstandhouding tusschen den Kolonel en Elinor scheen veeleer te doen vermoeden, dat ten slotte de begeerlijke moerbeienboom, de waterpartij en het taxis-prieel háár zouden ten deel vallen; en aan den Heer Ferrars had Mevrouw Jennings in den laatsten tijd in ’t geheel niet meer gedacht.In ’t begin van Februari, nog geen veertien dagen na de ontvangst van Willoughby’s brief, werd Elinor de pijnlijke taak opgelegd, haar zuster mede te deelen, dat hij gehuwd was. Zij had gezorgd, bericht te ontvangen, zoodra de plechtigheid was voltrokken, daar zij niet wilde, dat Marianne de tijding het eerst zou vernemen uit de courant, die zij elken morgen met blijkbare spanning inzag. Marianne ontving het bericht met vastberaden kalmte, maakte geene opmerking, en schreide zelfs niet in het begin; doch na eenigen tijd kon zij hare tranen niet meer bedwingen, en zij was verder dien dag in een weinig minder beklagenswaardigen toestand, dan toen zij voor het eerst vernam, dat wat thans gebeurd was, te wachten stond.De Willoughby’s vertrokken dadelijk na hun huwelijk; en Elinor hoopte, nu er geen gevaar meer bestond, dat zij een van beiden zou zien, haar zuster, die na den eersten slag nog steeds was thuis gebleven, over te halen, om langzamerhand weer meer uit te gaan, zooals vroeger. Omstreeks dezen tijd kwamen de dames Steele, die reeds een poosjewaren gelogeerd bij hun neef in Bartlett’s Buildings, Holborn, zich weer vertoonen bij hun deftiger verwanten in Conduit en Berkeley Street; en zij werden door allen bijzonder hartelijk ontvangen. Elinor alleen was niet blijde hen te zien. Hun aanwezigheid was haar altoos onaangenaam, en zij wist bijna niet, hoe zich met de noodige beleefdheid te gedragen, bij Lucy’s overstelpende verrukking, omdat zij haarnogin de stad aantrof.“’t Zou mij héél erg hebben teleurgesteld, als ik u nietnoghier had ontmoet,” zei ze herhaalde malen met sterken nadruk op het woordje “nog”. Maar ik had het altijd wel gedacht. Ik wist haast wel zeker, dat u nog zoo gauw niet uit Londen zoudt heengaan; hoewel u mij te Barton vertelde, weet u nog wel? dat u niet langer zoudt blijven dan een maand. Ik dacht toen al, dat u wel van plan zoudt veranderen, als ’t er op aankwam. Het zou ook zoo jammer zijn geweest, weg te gaan eer uw broer en zuster kwamen. En nù zult ustelligwel geen haast maken. Het doet mij verbazend veel pleizier dat u uw woord niet gehouden hebt.”Elinor begreep haar volkomen, en had al haar zelfbeheersching noodig, om te doen alsof dit niet het geval was.“Wel, meisjes,” zei Mevrouw Jennings, “en hoe hebben jelui de reis gemaakt?”“Niet met den omnibus, hoor,” zei Juffrouw Anne haastig en verheugd; “we hadden een postkoets, en een galanten cavalier op den koop toe. Dr. Davies moest naar de stad, en dus vonden we ’t wel geschikt om met hem partij te maken, en samen met de postkoets te reizen; hij was héél royaal, en betaalde wel tien of twaalf shillings meer dan wij.”“O, o!” riep Mevrouw Jennings, “zoo mag ik het hooren! en ik wed, dat de dokter ongetrouwd is.”“Kijk nu weer,” zei Juffrouw Steele, gemaakt lachend, “iedereen plaagt mij zoo met dien dokter, en ik begrijp niet waarom. Mijn nichtjes zeggen,dat ik bepaald een verovering heb gemaakt; maarikdenk in ’t geheel niet aan hem. “Anne, daar komt je vriend aan,” zei mijn nichtje laatst, toen ze hem de straat zag oversteken naar ons huis. “Vriend! ’t is wat moois!” zei ik; “ik weet niet eens wat je bedoelt. De dokterisgeen vriend van mij.”“Jawel, jawel, dat is alles nu heel aardig; maar praatjes vullen geen gaatjes;—ik zie ’t al; de dokter is de man.”“Neen, werkelijk!” antwoordde haar nicht met gemaakten ernst, “ik hoop toch, dat u het zult tegenspreken, als u er ooit over hoort praten.”Mevrouw Jennings gaf haar aanstonds de geruststellende verzekering, dat zij dit zeer stellignietvan plan was, en Juffrouw Steele’s geluk was nu volmaakt.“U gaat zeker bij uw broer en zuster logeeren, Juffrouw Dashwood, als ze in de stad komen,” zei Lucy, die na een poos haar vijandige toespelingen te hebben gestaakt, zich op nieuw gereedmaakte tot den aanval.“Neen, dat denk ik niet.”“O wel ja, natuurlijk doet u dat.”Elinor wilde haar door verder tegenspreken niet haar zin geven.“’t Is toch maar prettig, dat Mevrouw Dashwood u allebei zóó lang kan missen!”“Zóó lang?” kwam Mevrouw Jennings tusschenbeiden. “En ze zijn pas hier!”Lucy was tot zwijgen gebracht.“’t Spijt mij, dat we uw zuster niet zien, Juffrouw Dashwood”, zei Anne. “Jammer, dat ze niet wel is”; want Marianne was bij hun komst naar haar kamer gegaan.“Dank u; ’t zal mijn zuster ook spijten, dat ze niet ’t genoegen heeft gehad u te zien; maar zij heeft in den laatsten tijd veel last van zenuwhoofdpijn, die haar ongeschikt maakt om bezoek te ontvangen of met iemand te spreken.”“Och, dat treft wèl ongelukkig!—maar zulke oude vriendinnen als Lucy en ik!—onskon ze toch wel ontvangen, dunkt mij, en we zullen geen woord zeggen.”Elinor, steeds uiterst beleefd, ging op dit voorstel niet in. Haar zuster zou misschien te bed liggen, of half ontkleed zijn, en daarom niet kunnen beneden komen.“O, dàt doet er niets toe,” riep Juffrouw Steele; “we kunnen evengoed háár gaan opzoeken.”Elinor begon deze brutaliteit toch wat erg te vinden, zelfs voor háár verdraagzaamheid; maar de moeite er paal en perk aan te stellen werd haar bespaard door Lucy’s scherpe terechtwijzing, die ook in dit geval, zooals meermalen, hoewel niet bevorderlijk voor de lieftalligheid der eene zuster, toch den goeden dienst bewees, de lompheid der andere eenigszins binnen de perken te houden.

Hoofdstuk XXXMevrouw Jennings ging bij haar terugkomst dadelijk naar hun zitkamer, en zonder te wachten tot haar kloppen was beantwoord, opende zij de deur en stapte binnen met een blik vol oprechte meewarigheid.“Hoe staat het ermee, mijn kind?” zeide zij, met innig medelijden in haar stem tegen Marianne, die zonder een poging tot antwoorden haar gezicht afwendde. “Hoe is ’t met haar, Elinor? Arm kind! ze ziet er erg slecht uit. Geen wonder. Ja, ’t is maar al te waar. Hij gaat al heel gauw trouwen—ellendige kerel! Bij mij heeft hij ’t voor goed verbruid. Mevrouw Taylor vertelde ’t mij, een half uur geleden, en zij had het van een intieme vriendin van Juffrouw Grey zelf, anders had ik ’t stellig niet geloofd, en ik had een gevoel of ik door den grond ging. Nu, zei ik, ik kan alleen maar zeggen, als ’t waar is, dat hij een jonge dame die ik ken, allerschandelijkst heeft behandeld, en ik hoop van harte, dat hij met die vrouw géén leven zal hebben. Dat zal ik altijd zeggen, lieve kind, daar kun je op aan. Ik heb er geen begrip van, dat mannen zóó kunnen te werk gaan, en als ik hem ooit weer zie, dan krijgt hij van mij een schrobbeering die hem heugen zal. Maar er blijft een troost, mijn lieve Marianne, hij is niet de eenige jonge man in de wereld, die de moeite waard is, en met je mooie gezichtje zal ’t jou aan bewonderaars nooit ontbreken. Och, dat arme kind, ik zal haar maar niet langer lastig vallen; beter dat ze maar eens flink uitschreit, eens voor al. Van avond komen de Parry’s en de Sanderson’s gelukkig, dat zal haar een beetje afleiden.”Daarop ging zij op de teenen de kamer uit, alsof zij bang was, dat harde geluiden het verdriet van haar logéetje konden verergeren.Marianne besloot, tot haar zuster’s verwondering,wel mee aan tafel te gaan. Elinor ried het haar eerder af. Maar neen, “ze zou naar beneden gaan; ze kon het best verdragen, en dan werd er minder drukte om haar gemaakt.” Elinor, blijde dat zij zich een oogenblik door zulk een beweegreden liet leiden, al geloofde zij niet dat zij tot het einde toe aan tafel zou kunnen blijven, zei maar niets meer, hielp haar kleeding zoo goed zij kon in orde brengen, terwijl Marianne te bed lag, en stond gereed om haar naar de eetkamer te brengen, zoodra zij aan tafel werden geroepen.Toen zij eenmaal beneden was, zag zij er wel heel slecht uit; maar at meer en was kalmer dan haar zuster verwacht had. Als zij een poging had gedaan te spreken, of als zij al Mevrouw Jennings’ goedbedoelde, maar weinig tactvolle attenties had opgemerkt, dan zou die kalmte niet hebben kunnen bewaard blijven; doch geen woord kwam over haar lippen, en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij niets bespeurde van al wat om haar heen voorviel.Elinor, die Mevrouw Jennings’ vriendelijkheid waardeerde, al waren de uitingen er van dikwijls hinderlijk en soms haast belachelijk, bewees haar den dank, en beantwoordde de beleefdheid, die haar zuster zelve niet bewijzen of beantwoorden kon. Hun goede vriendin zag dat Marianne ongelukkig was, en had een gevoel, dat al wat haar minder ongelukkig kon maken, haar nu rechtens toekwam. Zij behandelde haar dus met al de toegevende verteedering, die ouders jegens een geliefd kind aan den dag leggen op een laatsten vacantiedag. Marianne moest op het warmste plaatsje bij den haard zitten; haar eetlust moest worden opgewekt door de fijnste lekkernijen die maar konden worden opgedischt, en alle nieuwtjesvan den dag moesten ter harer afleiding dienen. Als Elinor in haar zuster’s droevig gezicht niet een beletsel voor alle vroolijkheid had gezien, zou zij zich een weinig hebben vermaakt over Mevrouw Jennings’ pogingen om teleurstelling in de liefde te verzachten door een keur van zoetigheden en olijven, en een helder brandend vuur. Zoodra echter door dat herhaalde aandringen het besef van dit alles tot Marianne doordrong, kon zij niet langer blijven. Met een heftigen uitroep van smart, en haar zuster een wenk gevend, haar niet te volgen, stond zij haastig op, en snelde de kamer uit.“Arm schepsel!” riep Mevrouw Jennings, toen zij was heengegaan, “wat doet het mij verdriet haar zoo te zien! Kijk toch eens, nu heeft ze niet eens haar wijn opgedronken! En de geconfijte kersen ook laten liggen! Och Heere, er is niets aan haar besteed. Als ik maar wist, waar ze veel van hield, ik zou er de halve stad voor laten afloopen.Daar kan ik nu met geen mogelijkheid inkomen, dat een man een aardig meisje zóó behandelen kan! Maar als er aan den eenen kant een hoop geld zit, en zoo goed als niets aan den anderen, och lieve deugd, dan geven ze om die dingen niet meer...”“Is die dame,—die Juffrouw—Grey noemde u haar, meen ik,—dan zoo rijk?”“Vijftig duizend pond, kind. Heb je haar wel eens gezien? Een knap meisje, elegant, zeggen ze; maar niet mooi. Haar tante herinner ik mij best, Biddy Henshawe; die is met een schatrijken man getrouwd. Maar de heele familie zit er warmpjes in. Vijftig duizend pond, en naar ik hoor komt het hem uitmuntend te pas; want ze zeggen, dat hij er leelijk vóór staat. Geen wonder, met dat rennen en rossen en die jachtpaarden! Och ja, praten helpt niet veel; maar als een jongmensch, ’t doet er niet toe wie, een aardig meisje ’t hof maakt, en belooft haar te trouwen, dan gaat het niet aan, zijn woord te breken,omdat hij arm wordt, en er een rijkere juffer een oogje op hem heeft. Waarom verkoopt hij niet, als ’t zoover komt, zijn paarden, verhuurt zijn huis, schaft zijn bedienden af, en begint van meet af aan, op een andere manier? Ik wed, dat Marianne graag had willen wachten, tot de zaak er beter voor stond. Maar dat is tegenwoordig geen mode meer; de jongelui van onze dagen geven nooit iets op, waarin ze plezier hebben.“Weet u ook iets meer van die Juffrouw Grey? Moet zij een lief meisje zijn?”“Ik heb nooit kwaad van haar hooren zeggen; eigenlijk heb ik haast nooit over haar hooren spreken, behalve dat Mevrouw Taylor van morgen zei, dat Juffrouw Walker eens had laten doorschemeren, dat ze dacht, dat Mijnheer en Mevrouw Ellison het niet kwaad zouden vinden, als Juffrouw Grey maar trouwde; want zij en Mevrouw Ellison konden niet met elkaar overweg.”“En wie zijn de Ellisons?”“Hij is haar voogd, kindje. Maar ze is nu meerderjarig, en mag zelf kiezen, en ’t is een mooie keuze, die ze heeft gedaan!—Kijk nu eens aan,” (na een oogenblik zwijgens) “daar is nu je arme zuster naar haar kamer gegaan, om in haar eentje te zitten jammeren. Zou er niets te bedenken zijn, waarmee we haar pleizier kunnen doen? Arm kind, ’t lijkt zoo onhartelijk, haar alleen te laten. Nu, straks komen er een paar kennissen; dat leidt toch een beetje af. Wat zullen we spelen? Ze heeft een hekel aan whist; maar is er geen gezelschapsspelletje, waar ze graag aan meedoet?”“Lieve mevrouw, het is werkelijk niet noodig, dat u zich zooveel moeite geeft. Ik denk niet, dat Marianne vanavond weer beneden zal komen. Als ik kan, zal ik haar bepraten om vroeg naar bed te gaan; want zij heeft stellig rust noodig.”“Ja, dat geloof ik ook; dat zal ’t beste voor haar zijn. Laat ze maar zeggen wat ze nog wil gebruiken,en dan naar bed gaan. Och heere, geen wonder, dat ze er de laatste weken zoo slecht en zoo treurig uitzag, want al dien tijd zal haar dit wel boven ’t hoofd hebben gehangen. En nu heeft die brief vandaag er een eind aan gemaakt. Arm kind! Als ik ’t maar geweten had; ik zou er haar voor geen geld van de wereld mee geplaagd hebben. Maar hoe kon ik het raden, zeg nu eens zelf. Ik dacht dat het maar een gewoon minnebriefje was, en jongemeisjes laten zich daar graag een beetje mee plagen. Och, och, wat zal ’t Sir John en mijn dochters spijten, als ze ’t hooren! Als ik niet zoo in de war geweest was, had ik best even op weg naar huis in Conduit Street kunnen aangaan en ’t hun vertellen. Maar ik spreek hen morgen wel.”“Het zal wel niet noodig zijn, denk ik, dat u Mevrouw Palmer en Sir John waarschuwt, nooit den naam van den Heer Willoughby te noemen, of te zinspelen op het gebeurde, in tegenwoordigheid van mijn zuster. Hun eigen goed hart zal hen wel doen inzien, hoe waarlijk wreed het zou zijn, ten aanhoore van Marianne te laten blijken, dat zij er iets van weten, en hoe minder er ooit over wordt gesproken tegen mijzelve, des te liever zal het ook mij zijn, zooals u, lieve mevrouw, licht zult begrijpen.”“O lieve deugd, ja, dat begrijp ik best. Het moet verschrikkelijk voor je zijn het gepraat erover aan te hooren, en wat je zuster betreft, ik zou voor geen geld van de wereld tegen haar een woord erover zeggen. Je hebt het wel gemerkt; van middag aan tafel deed ik het ook niet. En dat zouden Sir John en mijn dochters evenmin; want ze zijn allen heel oplettend en kiesch,—vooral wanneer ik hen nog eens waarschuw, zooals ik stellig zal doen. Ik vind altijd, hoe minderer overzulke dingen wordt gepraat, hoe beter, en des te gauwer is ’t weer voorbij en vergeten. En heb je ooit gezien, dat praten ook maar ’t geringste goed deed?”“In dit geval kan het alleen maar kwaad doen;—meer nog misschien dan in vele dergelijke; want hiermede gingen omstandigheden gepaard, die het voor alle betrokken partijen hoogst ongewenscht doen zijn, dat de zaak zoo in ’t publiek zou worden besproken. In zóóver moet ik den Heer Willoughby recht laten weervaren;—hij heeft geen bepaalde verloving verbroken met mijn zuster.”“Máár, lieve kind! Probeer maar niet, hem te verdedigen. Geen bepaalde verloving! nu vraag ik je, nadat hij haar Allenham House van binnen en van buiten heeft laten zien, en de kamers al had uitgekozen, waarin ze later zouden wonen!”Elinor kon, ter wille van haar zuster, niet verder op het onderwerp doorgaan, en zij hoopte, dat dit niet van haar mocht geëischt worden, om Willoughby te sparen; want door een openbaring van de volle waarheid had Marianne veel te verliezen, terwijl hij er slechts weinig bij winnen kon. Nadat beiden een poosje hadden gezwegen, begon Mevrouw Jennings opnieuw, met al de opgewektheid, die haar van nature eigen was:“Nu, lieve kind, ’t is een waar woord, van die slechte wind, want voor Kolonel Brandon is het zooveel te beter. Hij krijgt haar per slot toch nog; ja ja, dat zul je zien. Let maar eens op, of ze niet getrouwd zijn eer ’t weer zomer is. Och och, wat zal hij blij zijn met dit nieuwtje. Ik hoop, dat hij komt van avond. ’t Zal voor je zuster in elk opzicht een betere partij zijn. Tweeduizend pond in ’t jaar, zonder schulden of eenig bezwaar;—behalve dan dat dochtertje,—ja, dat vergat ik; maar dat kan ergens in de leer worden gedaan tegen een geringe vergoeding,—en wat doet dàt er nu toe? Delaford is een mooi landgoed, dat kan ik je verzekeren; zoo’n ouderwetsche genoegelijke buitenplaats, met allerlei gerief en gezelligheden; heel en al afgesloten door hooge tuinmuren, die begroeid zijn met allerheerlijkste vruchten, en in een hoek een pracht van eenmoerbeienboom! Och, och, wat hebben Charlotte en ik ons genoegen gegeten, dien eenen keer, dat we er waren! Dan is er een duiventil, een paar aardige vischvijvers, een mooie waterpartij, alles wat men maar kan wenschen; en daarbij ligt het heel dicht bij de kerk, en maar een minuut of vijf van den grooten weg; dus je behoeft je nooit te vervelen, want als je gaat zitten in een hoog-gelegen taxis-prieel achter ’t huis, dan kun je al de rijtuigen zien, die voorbijkomen. O, ’t is een heerlijk huis! De slager vlak bij, in het dorp, en de pastorie om zoo te zeggen, naast de deur. Naarmijnzin, duizend maal mooier dan Barton Park, waar ze hun vleesch drie mijlen ver uit de buurt moeten laten halen, en geen buren hebben, dichterbij dan je moeder. Nu, ik zal den Kolonel eens opvroolijken, zoo gauw als ik kan. De een zijn dood is den ander zijn brood; dat is nu niet anders. Als ’t ons nu maar lukt, om haar Willoughby uit het hoofd te zetten!”“Ja, als onsdatgelukt, mevrouw,” zei Elinor, “dan zullen we er wel komen, mèt of zonder Kolonel Brandon.” Meteen stond zij op en ging heen, om Marianne op te zoeken, die zij, zooals ze verwachtte, in hun eigen kamer, zwijgend en bedroefd, bij de smeulende overblijfselen vond zitten van een klein vuurtje, het eenige dat licht gaf in de kamer, tot Elinor binnenkwam.“Laat mij liever alleen,” was al wat deze van Marianne kreeg te hooren.“Ik zal je alleen laten,” zei Elinor, “als je naar bed wilt gaan.”Eerst weigerde zij; door haar ongedurige smart tot onredelijk verzet gedreven. Doch haar zuster’s ernstige, hoewel zachte overreding deed haar weldra gewillig toegeven; Elinor zag haar het pijnlijke hoofd op het kussen leggen, en bleef wachten tot Marianne, naar zij hoopte, op den goeden weg was om een weinig rust te genieten.In den salon, waarheen zij zich daarna hadbegeven, kwam Mevrouw Jennings weldra bij haar, met een vol wijnglas in de hand.“Lieve kind,” zei ze, “ik bedacht daar juist, dat ik een paar flesschen van den besten ouden Malaga-wijn in huis heb, dien je ooit hebt geproefd,—en nu breng ik je een glas voor je zuster. Zooveel als mijn arme man daarvan hield. Als hij weer eens geplaagd werd door een van zijn aanvallen van jicht-koliek, dan zei hij, dat niets ter wereld hem zoo kon opknappen. Toe, breng dat nu eens aan Marianne.”“Lieve mevrouw,” zei Elinor, glimlachend over het verschil van de kwalen, waarvoor de medicijn werd aanbevolen: “Wat is u toch vriendelijk! Maar Marianne is juist naar bed gegaan, en nu, hoop ik, bijna in slaap; en daar ik geloof, dat niets haar zooveel goed kan doen als rust, wil ik, als u ’t goedvindt, den wijn zelf wel opdrinken.”Hoewel het Mevrouw Jennings speet, dat zij er niet vijf minuten eerder mee was gekomen, had zij vrede met deze schikking, en terwijl Elinor haar glas uitdronk, dacht zij, ofschoon de goede uitwerking van het vocht in een geval van jichtkoliek voor haar op het oogenblik van minder belang was, dat zijn genezend vermogen bij teleurgestelde liefde met evenveel recht mocht beproefd worden door haar als door hare zuster.Kolonel Brandon kwam binnen terwijl zij aan de thee zaten, en uit de wijze waarop hij in de kamer rondzag naar Marianne, leidde Elinor aanstonds af, dat hij haar noch verwachtte, noch wenschte daar te zien, en dat hij reeds op de hoogte was van de oorzaak harer afwezigheid.Dezelfde gedachte scheen Mevrouw Jennings niet te zijn ingevallen; want kort na zijn komst liep zij naar de theetafel, waarbij Elinor gezeten was, en fluisterde: “De Kolonel kijkt even ernstig als altoos; zie je wel? Hij weet nog niets; vertel jij het hem maar, lieve.”Een poosje later nam hij een stoel vlak bij haar, en vroeg, met een uitdrukking, die haar de stellige zekerheid schonk, dat hij alles wist, naar hare zuster.“Marianne is niet wel,” zeide zij. “Zij was den geheelen dag reeds ongesteld, en we hebben haar overgehaald, naar bed te gaan.”“Misschien,” antwoordde hij aarzelend, “is het dus waar, wat ik van morgen hoorde,—misschien is er meer waarheid in, dan ik eerst mogelijk had geacht.”“Wat hebt u gehoord?”“Dat iemand, van wien ik reden had, te denken,—of liever, dat een man, die ikwistdat verloofd was,—maar hoe moet ik het u vertellen? Als u het reeds weet, zooals u natuurlijk doet, dan wilt u mij dat wel besparen.”“U bedoelt,” antwoordde Elinor met gedwongen kalmte, “het huwelijk van den Heer Willoughby met Mejuffrouw Grey. Ja, wij weten nu alles. Dit schijnt een dag te zijn geweest van algemeene opheldering; want van morgen pas hebben wij er voor het eerst van gehoord. De Heer Willoughby is moeilijk te doorzien! Waar hebt u het vernomen?”“In een boekwinkel in Pall Mall, waar ik iets had te doen. Twee dames wachtten er op hun rijtuig, en de eene deed aan de andere een verslag van het voorgenomen huwelijk, waarbij zij zich zoo weinig moeite gaf, haar stem te dempen, dat ik alles wel moest verstaan. De naam Willoughby, John Willoughby, herhaaldelijk genoemd, trok het eerst mijn aandacht, en daarop volgde de stellige verzekering, dat zijn huwelijk met Mejuffrouw Grey dan nu eindelijk vaststond,—het behoefde niet langer te worden geheimgehouden—het zou zelfs binnen een paar weken worden voltrokken, en er werden nog vele bijzonderheden aan toegevoegd omtrent de voorbereiding en zoo meer. Een ding herinner ik mij in ’t bijzonder, omdat het mij nogduidelijker deed blijken, wie de bedoelde persoon was;—na de huwelijksvoltrekking zouden zij naar Combe Magna gaan, zijn landgoed in Somersetshire. U kunt u mijn verbazing voorstellen! Maar ’t zou onmogelijk zijn, te beschrijven wat ik gevoelde. De spraakzame dame, hoorde ik bij navraag, want ik bleef in den winkel, tot zij waren vertrokken, was een zekere MevrouwEllison, en dat is de naam, zooals ik later vernam, van Juffrouw Grey’s voogd.”“Dat is waar. Maar hebt u ook gehoord, dat Juffrouw Grey vijftigduizend pond bezit? Zoo ergens, dan kunnen we dáárin de verklaring vinden.”“Dat kan wel zijn; maar Willoughby is in staat... ten minste ik denk...” hij zweeg een oogenblik, en voegde er toen bij met een stem, die van zich zelve niet zeker scheen: “En uw zuster... hoe vatte zij...”“Zij heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Ik kan alleen maar hopen, dat haar hevige smart naar verhouding kort zal duren. Het wàs, en hetiseen zware beproeving. Tot gisteren nog, geloof ik, heeft zij nooit aan zijn genegenheid getwijfeld, en zelfs nù, misschien... maar ik voor mij ben bijna overtuigd, dat hij haar nooit werkelijk heeft liefgehad. Hij is zeer onoprecht geweest! en in sommige opzichten schijnt het, dat hij van nature hardvochtig is.”“Ja waarlijk,” zeide Kolonel Brandon; “dat is hij! Maar uw zuster denkt—ik meen dat u zeide—zij ziet de zaak anders in dan u?”“U kent haar geaardheid, en u kunt wel begrijpen, hoe bereid zij is, hem nog in ’t gelijk te stellen, als zij dat kon.”Hij gaf geen antwoord, en toen kort daarop het theeservies werd weggenomen en de speeltafeltjes werden klaargezet, moesten zij het onderwerp natuurlijk laten varen. Mevrouw Jennings, die met genoegen naar hen had zitten kijken, terwijl zij aan het praten waren, en die verwacht had, de uitwerking van Elinor’s mededeeling, onmiddellijkbij Kolonel Brandon te zullen waarnemen in een onstuimige blijdschap, zooals die gepast zou hebben bij een man in den bloei der jeugd vol hoop, en vol geluk, zag hem tot haar verbazing den geheelen avond diep ernstig blijven, en nog meer nadenkend dan gewoonlijk.

Mevrouw Jennings ging bij haar terugkomst dadelijk naar hun zitkamer, en zonder te wachten tot haar kloppen was beantwoord, opende zij de deur en stapte binnen met een blik vol oprechte meewarigheid.

“Hoe staat het ermee, mijn kind?” zeide zij, met innig medelijden in haar stem tegen Marianne, die zonder een poging tot antwoorden haar gezicht afwendde. “Hoe is ’t met haar, Elinor? Arm kind! ze ziet er erg slecht uit. Geen wonder. Ja, ’t is maar al te waar. Hij gaat al heel gauw trouwen—ellendige kerel! Bij mij heeft hij ’t voor goed verbruid. Mevrouw Taylor vertelde ’t mij, een half uur geleden, en zij had het van een intieme vriendin van Juffrouw Grey zelf, anders had ik ’t stellig niet geloofd, en ik had een gevoel of ik door den grond ging. Nu, zei ik, ik kan alleen maar zeggen, als ’t waar is, dat hij een jonge dame die ik ken, allerschandelijkst heeft behandeld, en ik hoop van harte, dat hij met die vrouw géén leven zal hebben. Dat zal ik altijd zeggen, lieve kind, daar kun je op aan. Ik heb er geen begrip van, dat mannen zóó kunnen te werk gaan, en als ik hem ooit weer zie, dan krijgt hij van mij een schrobbeering die hem heugen zal. Maar er blijft een troost, mijn lieve Marianne, hij is niet de eenige jonge man in de wereld, die de moeite waard is, en met je mooie gezichtje zal ’t jou aan bewonderaars nooit ontbreken. Och, dat arme kind, ik zal haar maar niet langer lastig vallen; beter dat ze maar eens flink uitschreit, eens voor al. Van avond komen de Parry’s en de Sanderson’s gelukkig, dat zal haar een beetje afleiden.”

Daarop ging zij op de teenen de kamer uit, alsof zij bang was, dat harde geluiden het verdriet van haar logéetje konden verergeren.

Marianne besloot, tot haar zuster’s verwondering,wel mee aan tafel te gaan. Elinor ried het haar eerder af. Maar neen, “ze zou naar beneden gaan; ze kon het best verdragen, en dan werd er minder drukte om haar gemaakt.” Elinor, blijde dat zij zich een oogenblik door zulk een beweegreden liet leiden, al geloofde zij niet dat zij tot het einde toe aan tafel zou kunnen blijven, zei maar niets meer, hielp haar kleeding zoo goed zij kon in orde brengen, terwijl Marianne te bed lag, en stond gereed om haar naar de eetkamer te brengen, zoodra zij aan tafel werden geroepen.

Toen zij eenmaal beneden was, zag zij er wel heel slecht uit; maar at meer en was kalmer dan haar zuster verwacht had. Als zij een poging had gedaan te spreken, of als zij al Mevrouw Jennings’ goedbedoelde, maar weinig tactvolle attenties had opgemerkt, dan zou die kalmte niet hebben kunnen bewaard blijven; doch geen woord kwam over haar lippen, en zij was zoo in gedachten verdiept, dat zij niets bespeurde van al wat om haar heen voorviel.

Elinor, die Mevrouw Jennings’ vriendelijkheid waardeerde, al waren de uitingen er van dikwijls hinderlijk en soms haast belachelijk, bewees haar den dank, en beantwoordde de beleefdheid, die haar zuster zelve niet bewijzen of beantwoorden kon. Hun goede vriendin zag dat Marianne ongelukkig was, en had een gevoel, dat al wat haar minder ongelukkig kon maken, haar nu rechtens toekwam. Zij behandelde haar dus met al de toegevende verteedering, die ouders jegens een geliefd kind aan den dag leggen op een laatsten vacantiedag. Marianne moest op het warmste plaatsje bij den haard zitten; haar eetlust moest worden opgewekt door de fijnste lekkernijen die maar konden worden opgedischt, en alle nieuwtjesvan den dag moesten ter harer afleiding dienen. Als Elinor in haar zuster’s droevig gezicht niet een beletsel voor alle vroolijkheid had gezien, zou zij zich een weinig hebben vermaakt over Mevrouw Jennings’ pogingen om teleurstelling in de liefde te verzachten door een keur van zoetigheden en olijven, en een helder brandend vuur. Zoodra echter door dat herhaalde aandringen het besef van dit alles tot Marianne doordrong, kon zij niet langer blijven. Met een heftigen uitroep van smart, en haar zuster een wenk gevend, haar niet te volgen, stond zij haastig op, en snelde de kamer uit.

“Arm schepsel!” riep Mevrouw Jennings, toen zij was heengegaan, “wat doet het mij verdriet haar zoo te zien! Kijk toch eens, nu heeft ze niet eens haar wijn opgedronken! En de geconfijte kersen ook laten liggen! Och Heere, er is niets aan haar besteed. Als ik maar wist, waar ze veel van hield, ik zou er de halve stad voor laten afloopen.

Daar kan ik nu met geen mogelijkheid inkomen, dat een man een aardig meisje zóó behandelen kan! Maar als er aan den eenen kant een hoop geld zit, en zoo goed als niets aan den anderen, och lieve deugd, dan geven ze om die dingen niet meer...”

“Is die dame,—die Juffrouw—Grey noemde u haar, meen ik,—dan zoo rijk?”

“Vijftig duizend pond, kind. Heb je haar wel eens gezien? Een knap meisje, elegant, zeggen ze; maar niet mooi. Haar tante herinner ik mij best, Biddy Henshawe; die is met een schatrijken man getrouwd. Maar de heele familie zit er warmpjes in. Vijftig duizend pond, en naar ik hoor komt het hem uitmuntend te pas; want ze zeggen, dat hij er leelijk vóór staat. Geen wonder, met dat rennen en rossen en die jachtpaarden! Och ja, praten helpt niet veel; maar als een jongmensch, ’t doet er niet toe wie, een aardig meisje ’t hof maakt, en belooft haar te trouwen, dan gaat het niet aan, zijn woord te breken,omdat hij arm wordt, en er een rijkere juffer een oogje op hem heeft. Waarom verkoopt hij niet, als ’t zoover komt, zijn paarden, verhuurt zijn huis, schaft zijn bedienden af, en begint van meet af aan, op een andere manier? Ik wed, dat Marianne graag had willen wachten, tot de zaak er beter voor stond. Maar dat is tegenwoordig geen mode meer; de jongelui van onze dagen geven nooit iets op, waarin ze plezier hebben.

“Weet u ook iets meer van die Juffrouw Grey? Moet zij een lief meisje zijn?”

“Ik heb nooit kwaad van haar hooren zeggen; eigenlijk heb ik haast nooit over haar hooren spreken, behalve dat Mevrouw Taylor van morgen zei, dat Juffrouw Walker eens had laten doorschemeren, dat ze dacht, dat Mijnheer en Mevrouw Ellison het niet kwaad zouden vinden, als Juffrouw Grey maar trouwde; want zij en Mevrouw Ellison konden niet met elkaar overweg.”

“En wie zijn de Ellisons?”

“Hij is haar voogd, kindje. Maar ze is nu meerderjarig, en mag zelf kiezen, en ’t is een mooie keuze, die ze heeft gedaan!—Kijk nu eens aan,” (na een oogenblik zwijgens) “daar is nu je arme zuster naar haar kamer gegaan, om in haar eentje te zitten jammeren. Zou er niets te bedenken zijn, waarmee we haar pleizier kunnen doen? Arm kind, ’t lijkt zoo onhartelijk, haar alleen te laten. Nu, straks komen er een paar kennissen; dat leidt toch een beetje af. Wat zullen we spelen? Ze heeft een hekel aan whist; maar is er geen gezelschapsspelletje, waar ze graag aan meedoet?”

“Lieve mevrouw, het is werkelijk niet noodig, dat u zich zooveel moeite geeft. Ik denk niet, dat Marianne vanavond weer beneden zal komen. Als ik kan, zal ik haar bepraten om vroeg naar bed te gaan; want zij heeft stellig rust noodig.”

“Ja, dat geloof ik ook; dat zal ’t beste voor haar zijn. Laat ze maar zeggen wat ze nog wil gebruiken,en dan naar bed gaan. Och heere, geen wonder, dat ze er de laatste weken zoo slecht en zoo treurig uitzag, want al dien tijd zal haar dit wel boven ’t hoofd hebben gehangen. En nu heeft die brief vandaag er een eind aan gemaakt. Arm kind! Als ik ’t maar geweten had; ik zou er haar voor geen geld van de wereld mee geplaagd hebben. Maar hoe kon ik het raden, zeg nu eens zelf. Ik dacht dat het maar een gewoon minnebriefje was, en jongemeisjes laten zich daar graag een beetje mee plagen. Och, och, wat zal ’t Sir John en mijn dochters spijten, als ze ’t hooren! Als ik niet zoo in de war geweest was, had ik best even op weg naar huis in Conduit Street kunnen aangaan en ’t hun vertellen. Maar ik spreek hen morgen wel.”

“Het zal wel niet noodig zijn, denk ik, dat u Mevrouw Palmer en Sir John waarschuwt, nooit den naam van den Heer Willoughby te noemen, of te zinspelen op het gebeurde, in tegenwoordigheid van mijn zuster. Hun eigen goed hart zal hen wel doen inzien, hoe waarlijk wreed het zou zijn, ten aanhoore van Marianne te laten blijken, dat zij er iets van weten, en hoe minder er ooit over wordt gesproken tegen mijzelve, des te liever zal het ook mij zijn, zooals u, lieve mevrouw, licht zult begrijpen.”

“O lieve deugd, ja, dat begrijp ik best. Het moet verschrikkelijk voor je zijn het gepraat erover aan te hooren, en wat je zuster betreft, ik zou voor geen geld van de wereld tegen haar een woord erover zeggen. Je hebt het wel gemerkt; van middag aan tafel deed ik het ook niet. En dat zouden Sir John en mijn dochters evenmin; want ze zijn allen heel oplettend en kiesch,—vooral wanneer ik hen nog eens waarschuw, zooals ik stellig zal doen. Ik vind altijd, hoe minderer overzulke dingen wordt gepraat, hoe beter, en des te gauwer is ’t weer voorbij en vergeten. En heb je ooit gezien, dat praten ook maar ’t geringste goed deed?”

“In dit geval kan het alleen maar kwaad doen;—meer nog misschien dan in vele dergelijke; want hiermede gingen omstandigheden gepaard, die het voor alle betrokken partijen hoogst ongewenscht doen zijn, dat de zaak zoo in ’t publiek zou worden besproken. In zóóver moet ik den Heer Willoughby recht laten weervaren;—hij heeft geen bepaalde verloving verbroken met mijn zuster.”

“Máár, lieve kind! Probeer maar niet, hem te verdedigen. Geen bepaalde verloving! nu vraag ik je, nadat hij haar Allenham House van binnen en van buiten heeft laten zien, en de kamers al had uitgekozen, waarin ze later zouden wonen!”

Elinor kon, ter wille van haar zuster, niet verder op het onderwerp doorgaan, en zij hoopte, dat dit niet van haar mocht geëischt worden, om Willoughby te sparen; want door een openbaring van de volle waarheid had Marianne veel te verliezen, terwijl hij er slechts weinig bij winnen kon. Nadat beiden een poosje hadden gezwegen, begon Mevrouw Jennings opnieuw, met al de opgewektheid, die haar van nature eigen was:

“Nu, lieve kind, ’t is een waar woord, van die slechte wind, want voor Kolonel Brandon is het zooveel te beter. Hij krijgt haar per slot toch nog; ja ja, dat zul je zien. Let maar eens op, of ze niet getrouwd zijn eer ’t weer zomer is. Och och, wat zal hij blij zijn met dit nieuwtje. Ik hoop, dat hij komt van avond. ’t Zal voor je zuster in elk opzicht een betere partij zijn. Tweeduizend pond in ’t jaar, zonder schulden of eenig bezwaar;—behalve dan dat dochtertje,—ja, dat vergat ik; maar dat kan ergens in de leer worden gedaan tegen een geringe vergoeding,—en wat doet dàt er nu toe? Delaford is een mooi landgoed, dat kan ik je verzekeren; zoo’n ouderwetsche genoegelijke buitenplaats, met allerlei gerief en gezelligheden; heel en al afgesloten door hooge tuinmuren, die begroeid zijn met allerheerlijkste vruchten, en in een hoek een pracht van eenmoerbeienboom! Och, och, wat hebben Charlotte en ik ons genoegen gegeten, dien eenen keer, dat we er waren! Dan is er een duiventil, een paar aardige vischvijvers, een mooie waterpartij, alles wat men maar kan wenschen; en daarbij ligt het heel dicht bij de kerk, en maar een minuut of vijf van den grooten weg; dus je behoeft je nooit te vervelen, want als je gaat zitten in een hoog-gelegen taxis-prieel achter ’t huis, dan kun je al de rijtuigen zien, die voorbijkomen. O, ’t is een heerlijk huis! De slager vlak bij, in het dorp, en de pastorie om zoo te zeggen, naast de deur. Naarmijnzin, duizend maal mooier dan Barton Park, waar ze hun vleesch drie mijlen ver uit de buurt moeten laten halen, en geen buren hebben, dichterbij dan je moeder. Nu, ik zal den Kolonel eens opvroolijken, zoo gauw als ik kan. De een zijn dood is den ander zijn brood; dat is nu niet anders. Als ’t ons nu maar lukt, om haar Willoughby uit het hoofd te zetten!”

“Ja, als onsdatgelukt, mevrouw,” zei Elinor, “dan zullen we er wel komen, mèt of zonder Kolonel Brandon.” Meteen stond zij op en ging heen, om Marianne op te zoeken, die zij, zooals ze verwachtte, in hun eigen kamer, zwijgend en bedroefd, bij de smeulende overblijfselen vond zitten van een klein vuurtje, het eenige dat licht gaf in de kamer, tot Elinor binnenkwam.

“Laat mij liever alleen,” was al wat deze van Marianne kreeg te hooren.

“Ik zal je alleen laten,” zei Elinor, “als je naar bed wilt gaan.”

Eerst weigerde zij; door haar ongedurige smart tot onredelijk verzet gedreven. Doch haar zuster’s ernstige, hoewel zachte overreding deed haar weldra gewillig toegeven; Elinor zag haar het pijnlijke hoofd op het kussen leggen, en bleef wachten tot Marianne, naar zij hoopte, op den goeden weg was om een weinig rust te genieten.

In den salon, waarheen zij zich daarna hadbegeven, kwam Mevrouw Jennings weldra bij haar, met een vol wijnglas in de hand.

“Lieve kind,” zei ze, “ik bedacht daar juist, dat ik een paar flesschen van den besten ouden Malaga-wijn in huis heb, dien je ooit hebt geproefd,—en nu breng ik je een glas voor je zuster. Zooveel als mijn arme man daarvan hield. Als hij weer eens geplaagd werd door een van zijn aanvallen van jicht-koliek, dan zei hij, dat niets ter wereld hem zoo kon opknappen. Toe, breng dat nu eens aan Marianne.”

“Lieve mevrouw,” zei Elinor, glimlachend over het verschil van de kwalen, waarvoor de medicijn werd aanbevolen: “Wat is u toch vriendelijk! Maar Marianne is juist naar bed gegaan, en nu, hoop ik, bijna in slaap; en daar ik geloof, dat niets haar zooveel goed kan doen als rust, wil ik, als u ’t goedvindt, den wijn zelf wel opdrinken.”

Hoewel het Mevrouw Jennings speet, dat zij er niet vijf minuten eerder mee was gekomen, had zij vrede met deze schikking, en terwijl Elinor haar glas uitdronk, dacht zij, ofschoon de goede uitwerking van het vocht in een geval van jichtkoliek voor haar op het oogenblik van minder belang was, dat zijn genezend vermogen bij teleurgestelde liefde met evenveel recht mocht beproefd worden door haar als door hare zuster.

Kolonel Brandon kwam binnen terwijl zij aan de thee zaten, en uit de wijze waarop hij in de kamer rondzag naar Marianne, leidde Elinor aanstonds af, dat hij haar noch verwachtte, noch wenschte daar te zien, en dat hij reeds op de hoogte was van de oorzaak harer afwezigheid.

Dezelfde gedachte scheen Mevrouw Jennings niet te zijn ingevallen; want kort na zijn komst liep zij naar de theetafel, waarbij Elinor gezeten was, en fluisterde: “De Kolonel kijkt even ernstig als altoos; zie je wel? Hij weet nog niets; vertel jij het hem maar, lieve.”

Een poosje later nam hij een stoel vlak bij haar, en vroeg, met een uitdrukking, die haar de stellige zekerheid schonk, dat hij alles wist, naar hare zuster.

“Marianne is niet wel,” zeide zij. “Zij was den geheelen dag reeds ongesteld, en we hebben haar overgehaald, naar bed te gaan.”

“Misschien,” antwoordde hij aarzelend, “is het dus waar, wat ik van morgen hoorde,—misschien is er meer waarheid in, dan ik eerst mogelijk had geacht.”

“Wat hebt u gehoord?”

“Dat iemand, van wien ik reden had, te denken,—of liever, dat een man, die ikwistdat verloofd was,—maar hoe moet ik het u vertellen? Als u het reeds weet, zooals u natuurlijk doet, dan wilt u mij dat wel besparen.”

“U bedoelt,” antwoordde Elinor met gedwongen kalmte, “het huwelijk van den Heer Willoughby met Mejuffrouw Grey. Ja, wij weten nu alles. Dit schijnt een dag te zijn geweest van algemeene opheldering; want van morgen pas hebben wij er voor het eerst van gehoord. De Heer Willoughby is moeilijk te doorzien! Waar hebt u het vernomen?”

“In een boekwinkel in Pall Mall, waar ik iets had te doen. Twee dames wachtten er op hun rijtuig, en de eene deed aan de andere een verslag van het voorgenomen huwelijk, waarbij zij zich zoo weinig moeite gaf, haar stem te dempen, dat ik alles wel moest verstaan. De naam Willoughby, John Willoughby, herhaaldelijk genoemd, trok het eerst mijn aandacht, en daarop volgde de stellige verzekering, dat zijn huwelijk met Mejuffrouw Grey dan nu eindelijk vaststond,—het behoefde niet langer te worden geheimgehouden—het zou zelfs binnen een paar weken worden voltrokken, en er werden nog vele bijzonderheden aan toegevoegd omtrent de voorbereiding en zoo meer. Een ding herinner ik mij in ’t bijzonder, omdat het mij nogduidelijker deed blijken, wie de bedoelde persoon was;—na de huwelijksvoltrekking zouden zij naar Combe Magna gaan, zijn landgoed in Somersetshire. U kunt u mijn verbazing voorstellen! Maar ’t zou onmogelijk zijn, te beschrijven wat ik gevoelde. De spraakzame dame, hoorde ik bij navraag, want ik bleef in den winkel, tot zij waren vertrokken, was een zekere MevrouwEllison, en dat is de naam, zooals ik later vernam, van Juffrouw Grey’s voogd.”

“Dat is waar. Maar hebt u ook gehoord, dat Juffrouw Grey vijftigduizend pond bezit? Zoo ergens, dan kunnen we dáárin de verklaring vinden.”

“Dat kan wel zijn; maar Willoughby is in staat... ten minste ik denk...” hij zweeg een oogenblik, en voegde er toen bij met een stem, die van zich zelve niet zeker scheen: “En uw zuster... hoe vatte zij...”

“Zij heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Ik kan alleen maar hopen, dat haar hevige smart naar verhouding kort zal duren. Het wàs, en hetiseen zware beproeving. Tot gisteren nog, geloof ik, heeft zij nooit aan zijn genegenheid getwijfeld, en zelfs nù, misschien... maar ik voor mij ben bijna overtuigd, dat hij haar nooit werkelijk heeft liefgehad. Hij is zeer onoprecht geweest! en in sommige opzichten schijnt het, dat hij van nature hardvochtig is.”

“Ja waarlijk,” zeide Kolonel Brandon; “dat is hij! Maar uw zuster denkt—ik meen dat u zeide—zij ziet de zaak anders in dan u?”

“U kent haar geaardheid, en u kunt wel begrijpen, hoe bereid zij is, hem nog in ’t gelijk te stellen, als zij dat kon.”

Hij gaf geen antwoord, en toen kort daarop het theeservies werd weggenomen en de speeltafeltjes werden klaargezet, moesten zij het onderwerp natuurlijk laten varen. Mevrouw Jennings, die met genoegen naar hen had zitten kijken, terwijl zij aan het praten waren, en die verwacht had, de uitwerking van Elinor’s mededeeling, onmiddellijkbij Kolonel Brandon te zullen waarnemen in een onstuimige blijdschap, zooals die gepast zou hebben bij een man in den bloei der jeugd vol hoop, en vol geluk, zag hem tot haar verbazing den geheelen avond diep ernstig blijven, en nog meer nadenkend dan gewoonlijk.

Hoofdstuk XXXINa een nacht, waarin zij meer had geslapen, dan zij verwachtte, werd Marianne den volgenden morgen wakker met het zelfde bewustzijn van bitter leed, waarmede zij de oogen had gesloten.Elinor spoorde haar zooveel mogelijk aan tot uiting van ’t geen zij gevoelde; en vóór het ontbijt reeds hadden zij alles weer lang en breed besproken; met dezelfde stellige overtuiging en welgemeende raadgevingen van Elinor’s kant, en dezelfde heftige gevoelens en wisselende meeningen van Marianne’s zijde als te voren. Nu eens beschouwde zij Willoughby als even ongelukkig en even schuldeloos als zichzelve, en dan weer ontviel haar elke troost door de onmogelijkheid hem van schuld vrij te pleiten. Het eene oogenblik was het haar totaal onverschillig of de geheele wereld wist van haar verdriet; in het andere wilde zij zich voor goed uit die wereld terugtrekken; en een minuut later meende zij haar krachtig weerstand te kunnen bieden. In één opzicht bleef zij, als het erop aankwam, zichzelve gelijk, in het vermijden namelijk, als het eenigszins mogelijk was, van Mevrouw Jennings’ gezelschap, en in een volhardend stilzwijgen, zoolang zij verplicht was dat te verdragen. Haar hart weigerde eenvoudig verstokt, te gelooven, dat Mevrouw Jennings zichmet iets als medelijden kon indenken in haar verdriet.“Neen, neen, neen; dat kàn niet,” riep zij uit; “zij kàn niet voelen. Haar vriendelijkheid is niet sympathie; haar goedhartigheid is niet teederheid. Al wat zij begeert is een onderwerp voor praatjes, en ze houdt nu alleen maar van mij, omdat ik haar dat verschaf.”Ook zonder deze uitingen was Elinor reeds genoegzaam overtuigd van de onbillijkheid in haar oordeel over anderen, waartoe haar zuster dikwijls werd verleid door de prikkelbare verfijning van haar eigen geest, en het overdreven gewicht dat zij hechtte aan de kiesche vooroordeelen van een sterk ontwikkeld gevoelsleven en de bekoring van uiterlijke wellevendheid. Zooals het meerendeel der menschen, indien althans het meerendeel zoowel goed als begaafd is, was Marianne, met uitmuntende vermogens en een uitmuntenden gemoedsaard, noch redelijk, noch volkomen eerlijk te noemen. Zij verwachtte dat anderen de zelfde meeningen en gevoelens als zij zelve zouden koesteren, en zij beoordeelde hunne beweegredenen naar de onmiddellijke uitwerking hunner handelingen op haarzelve. Zoo viel er thans, terwijl de zusters na het ontbijt samen op hun kamer waren, weer iets voor, dat Marianne een nog geringeren dunk deed opvatten van Mevrouw Jennings’ goede hart, omdat het, door haar eigen zwakheid, toevallig een bron van nieuw leed voor haarzelve bleek, hoewel Mevrouw Jennings in dezen slechts werd bewogen door een opwelling van de hartelijkste welgezindheid.Met een brief in haar uitgestrekte hand, en vroolijk glimlachend, in de overtuiging dat zij troost kwam brengen, trad zij hun kamer binnen, met de woorden: “Nu, kindje, nu breng ik je toch iets, dat je stellig goed zal doen.”Marianne had reeds genoeg gehoord. In eenoogwenk schilderde haar verbeelding haar een brief van Willoughby, vol teederheid en berouw, al het gebeurde verklarend, bevredigend, overtuigend; onmiddellijk gevolgd door Willoughby zelf, die de kamer haastig kwam binnensnellen, om aan hare voeten door zijn welsprekende blikken te bevestigen wat zijn brief haar verzekerde. Dat werk van één oogenblik werd door het volgende vernietigd. Het handschrift van haar moeder, tot nog toe nimmer onwelkom, lag vóór haar, en in de scherpte dezer teleurstelling, volgend op eene verrukking, die méér was dan hoop, had zij een gevoel, alsof zij tot op dit oogenblik nog niet geleden had.De wreedheid van Mevrouw Jennings zou door geen woorden, waarover zij beschikte in haar meest welsprekende oogenblikken, kunnen zijn uitgedrukt, en thans kon zij haar enkel beschuldigen door de tranen, die haar met hartstochtelijke heftigheid uit de oogen stroomden—een beschuldiging, die echter het voorwerp ervan zóó volkomen ontging, dat zij, na veel betuigingen van medelijden, heenging, nog steeds verwijzend naar den brief, die ongetwijfeld troost zou schenken. Doch de brief bracht weinig troost, toen zij voldoende bedaard was, om dien te kunnen lezen. Iedere bladzijde was vol van Willoughby. Haar moeder, nog steeds in de meening, dat zij verloofd was, en even vast als altijd bouwend op zijn trouw, was door Elinor’s vraag slechts bewogen, Marianne te smeeken om grootere openhartigheid jegens hen beiden, en zij deed dit met zooveel teederheid jegens haar, zoo oprechte genegenheid voor Willoughby, en een zoo stellige verzekerdheid van hun toekomstig geluk in en door elkander, dat Marianne onder het lezen het uitsnikte van duldelooze pijn. Al haar ongeduldig verlangen om weer thuis te zijn keerde thans terug; haar moeder was haar dierbaarder dan ooit,—dierbaarder juist door datoverdreven, schoon misplaatst vertrouwen in Willoughby, en zij drong onstuimig aan op hun vertrek. Elinor, zelf niet in staat te beslissen, of het beter voor Marianne zou zijn, te Londen te blijven of naar Barton te gaan, kon geen anderen raad geven, dan geduld te oefenen tot zij wisten, wat hun moeder wenschte, en ten slotte verkreeg zij haar zuster’s toestemming, te wachten, tot die wensch hun bekend zou zijn.Mevrouw Jennings liet hen vroeger dan gewoonlijk alleen; want zij had geen rust eer de Middletons en de Palmers in haar verdriet zouden kunnen deelen; zij weigerde beslist, toen Elinor aanbood haar te vergezellen, en ging dien morgen alleen uit. Elinor ging met een bezwaard gemoed, wetend dat haar mededeeling verdriet zou veroorzaken, en uit Marianne’s brief wel bespeurend, hoe weinig zij erin geslaagd was, op dit verdriet eenigermate voor te bereiden, aan haar moeder zitten schrijven, wat er gebeurd was, en haar vragen, wat hun verder te doen stond; terwijl Marianne, die na Mevrouw Jennings’ vertrek in den salon was gekomen, bij de tafel ging zitten, waaraan Elinor schreef, ziende naar het voortbewegen van haar pen, haar beklagend om de moeilijkheid van zulk een taak, en nog inniger bedroefd om den indruk, dien het schrijven moest wekken bij hare moeder.Zoo hadden zij ongeveer een kwartier samen gezeten, toen Marianne, wier zenuwen geen onverwacht geluid konden verdragen, opschrikte door een kloppen aan de voordeur.“Wie kan daar zijn?” riep Elinor, “Zoo vroeg al! Ik dacht, dat wenutoch veilig waren.”Marianne ging naar het venster.“’t Is Kolonel Brandon!” zei ze geërgerd. “Voor hèm zijn we nooit veilig.”“Hij zal niet boven komen, nu Mevrouw Jennings uit is.”“Dáár reken ik niet op,” zei Marianne, naarhaar eigen kamer gaande. “Een man die met zijn eigen tijd geen raad weet, ziet er geen bezwaar in, beslag te leggen op dien van een ander.”Het bleek dat haar gissing juist was geweest, hoewel gegrond op een onbillijke en onware voorstelling; want Kolonel Brandon kwàm binnen; en Elinor die overtuigd was, dat bezorgdheid over Marianne hem hierheen voerde, en die bezorgdheid zag in zijn onrustigen en treurigen blik, en hoorde in zijn angstige, doch korte vraag naar haar, kon het haar zuster niet vergeven, dat zij hem zoo gering schatte.“Ik ontmoette Mevrouw Jennings in Bond Street,” zeide hij na de eerste begroeting, “en zij spoorde mij aan, hierheen te gaan. Ik liet mij te eerder daartoe aansporen, omdat ik het waarschijnlijk achtte, dat ik u hier alleen zou vinden, wat ik ten zeerste verlangde. Mijn bedoeling,—mijn wensch—mijn eenige wensch, naar ik hoop en geloof, is deze,—mede te werken om troost te schenken,—neen, ik moet niet zeggen troost,—althans geen onmiddellijke troost,—maar overtuiging, een vaste overtuiging, en zekerheid voor uw zuster’s gemoed. Mijn genegenheid voor haar, voor uzelve, voor uwe moeder,—wilt u mij toestaan deze te bewijzen, door u het een en ander mede te deelen, dat door niets dan een zéér oprechte genegenheid,—niets dan een innigen wensch om mij nuttig te maken... ik geloof, dat ik in mijn recht ben;—doch is er niet eenige reden, te vreezen dat ik ongelijk heb; daar ik vele uren heb moeten doorbrengen met pogingen om mijzelf te rechtvaardigen?...”Hij zweeg.“Ik begrijp u wel,” zeide Elinor, “U hebt mij iets te vertellen omtrent den Heer Willoughby, dat een helderder licht zal werpen op diens karakter. U zult daardoor Marianne den grootsten vriendendienst bewijzen.Mijnedankbaarheid wint u onmiddellijk door elke mededeeling van dien aard;de hare zult u mettertijd daardoor verwerven. Ik vraag u dringend, ik bid u, zeg mij wat het is.”“Dat zal ik, en om kort te zijn, toen ik Barton in October verliet... maar zóó zult u het niet begrijpen. Ik moet verder teruggaan. U zult mij een zeer onhandig spreker vinden, juffrouw Dashwood; ik weet haast niet, waar te beginnen. Ik geloof, dat het noodig zal zijn, in ’t kort een en ander van mijzelf te vertellen, en dàt verslag zàl kort zijn. Dàt onderwerp,” voegde hij erbij met een zwaren zucht “lokt niet uit tot bijzondere uitvoerigheid.”Hij wachtte een oogenblik, om zijn gedachten te verzamelen, en ging toen, nogmaals zuchtend, voort: “Waarschijnlijk herinnert u zich in het geheel niet meer een gesprek (het is moeilijk te veronderstellen, dat het eenigen indruk op u zou maken)—een gesprek tusschen ons op zekeren avond te Barton Park—het was bij gelegenheid van een danspartij,—waarin ik zinspeelde op een dame, die ik vroeger had gekend, en die in menig opzicht op uwe zuster Marianne geleek.”“Welzeker,” antwoordde Elinor, “ik herinner het mij zéér goed.” Het scheen hem genoegen te doen, dit te hooren, en hij ging voort.“Als ik mij niet laat misleiden door de onzekerheid, de partijdigheid eener teedere herinnering, dan bestaat tusschen hen beiden een sterke gelijkenis, zoowel innerlijk als uiterlijk,—dezelfde warmte van hart, dezelfde vurigheid van verbeelding en geest. Deze dame was eene mijner naaste bloedverwanten, reeds jong wees geworden, en onder de voogdijschap van mijn vader geplaatst. Wij waren bijna even oud, en van jongsaf speelgenooten en vrienden. Ik kan mij den tijd niet herinneren, waarin ik Eliza niet liefhad; en toen wij ouder werden, was mijn genegenheid voor haar zoo innig, dat u, die mij beoordeelt naar mijn tegenwoordigen triesten en vreugdeloozen ernst, mijwellicht niet tot zulk een sterk gevoel in staat zoudt kunnen achten. Haar liefde voor mij was, geloof ik, vurig als die van uwe zuster voor den Heer Willoughby, en niet minder ongelukkig, al was het door eene andere oorzaak. Toen zij zeventien jaren was, moest ik haar voor altijd verliezen. Zij trouwde—werd tegen haar zin uitgehuwelijkt aan mijn broeder. Haar fortuin was aanzienlijk en ons familiegoed stak diep in schulden. Dat is alles, vrees ik, wat gezegd kan worden ter vergoelijking van het gedrag van hem, die haar oom en voogd was. Mijn broeder verdiende haar niet; hij had haar zelfs niet lief. Ik had gehoopt, dat haar genegenheid voor mij haar onder alle moeilijkheden zou staande houden, en een tijdlang was dit ook zoo;—doch op den duur kon haar standvastigheid geen weerstand bieden aan de smart die zij moest verduren; want zij werd zeer hard behandeld, en hoewel zij mij had beloofd, dat niets... maar hoe ongeregeld is mijn verhaal! Ik heb u nog niet verteld, hoe het zoover kwam. Slechts enkele uren voor wij te zamen wilden vluchten naar Schotland, werden wij verraden door het bedrog of de domheid van de kamenier mijner nicht. Ik werd verbannen naar het huis van een zeer veraf wonenden bloedverwant en haar werd alle vrijheid, alle omgang, elk vermaak ontzegd, tot mijn vader zijn zin had gekregen. Ik had te veel op haar kracht vertrouwd, en de slag trof mij zwaar;—doch als haar huwelijk gelukkig was geweest, dan had ik mij, zoo jong als ik toen was, er na eenige maanden mede moeten verzoenen; of ik had het althans nu niet behoeven te betreuren. Maar dat was niet het geval. Mijn broeder had haar niet lief; hij jaagde ongeoorloofde genoegens na, en van den beginne af heeft hij haar hard behandeld. Maar al te natuurlijk waren de gevolgen van die behandeling, in hun uitwerking op een geest, zoo jong, zoo levendig, zoo onervaren als die van Mevrouw Brandon. In het begin droeg zij gelaten haar ellende,en het zou gelukkig zijn geweest, zoo zij gestorven ware, eer zij de droefheid verwon, die de herinnering aan mij in haar placht te wekken. Maar is het vreemd, dat zij ten val werd gebracht, met een echtgenoot, die haar uitlokte tot ontrouw, en zonder één vriend, die haar raden of weerhouden kon? (want mijn vader stierf een paar maanden na hun huwelijk, en ik was met mijn regiment in Indië). Was ik in Engeland gebleven, misschien... doch ik meende beider geluk te bevorderen door haar voor lange jaren te verlaten, en met dat doel had ik om overplaatsing verzocht. De schok, dien ik ondervond bij het vernemen van haar huwelijk,” ging hij voort, met een stem, die zijn heftige ontroering verried, “was gering, was niets,—vergeleken bij wat ik voelde, toen ik twee jaren later hoorde, dat zij gescheiden was. Dàt was het, dat mij zoo somber deed worden—zelfs nu is de herinnering aan wat ik geleden heb...” Hij kon niet voortgaan, stond haastig op, diep aangedaan door zijn verhaal, en nog meer door zijn smartelijke ontroering, kon niet spreken. Hij zag, hoe bewogen zij was, vatte hare hand, drukte die en kuste ze met dankbaren eerbied. Na nog een paar minuten, waarin hij zich in stilte vermande, kon hij bedaarder voortgaan.“Drie jaren bijna waren verstreken na die droeve dagen, eer ik naar Engeland terugkeerde. Mijn eerste gedachte, bij mijne aankomst, was natuurlijk, haar te zoeken; maar de pogingen daartoe waren zoo vruchteloos als diep bedroevend. Ik kon niet ontdekken, wat er van haar was geworden, nadat zij door haar eersten verleider was verlaten, en er bestond alle reden, te vreezen, dat zij steeds dieper gezonken en tot een leven van zonde vervallen was. Het jaargeld, haar door de wet toegezegd, was niet evenredig aan haar fortuin, noch voldoende voor haar behoorlijk onderhoud, en ik vernam van mijn broeder, dat eenige maanden geleden het recht om het in ontvangst te nemen aan een ander was afgestaan.Hij vermoedde, en kon dat vermoeden kalm uitspreken, dat haar verkwisting en hieruit voortvloeiende armoede haar hadden genoodzaakt, het op te geven om voorloopig uit den dringendsten nood te geraken. Eindelijk echter, toen ik reeds zes maanden in Engeland was geweest, heb ik haar tòch gevonden. Uit gehechtheid aan een vroegeren bediende, die in het ongeluk was geraakt, zocht ik dezen man op in een schuldgevangenis, waar hij wegens schulden in hechtenis werd gehouden, en hier in dat zelfde huis, en in dergelijke omstandigheden, trof ik haar aan, mijn ongelukkige pleegzuster. Zoo veranderd—zoo vervallen—zoo uitgeteerd door hevig lijden naar lichaam en ziel! Ternauwernood kon ik gelooven, dat dit droeve, door ziekte ondermijnde schepsel eens het beminnelijke, bloeiende, gezonde meisje was geweest, waarmede ik gedweept had, Hoe ik leed, toen ik haar zóó moest aanschouwen—maar ik heb het recht niet uw gevoelens te kwetsen door te pogen dat te beschrijven—ik deed u reeds te veel verdriet. Dat zij, het bleek maar al te duidelijk, in het laatste stadium van de tering was, schonk mij,—ja in deze omstandigheden moest het mij troost schenken. Haar bood het leven niets meer, dan tijd zich beter voor te bereiden op den dood, en deze werd haar geschonken. Ik zorgde dat zij goed werd gehuisvest, en zorgvuldig verpleegd; ik bezocht haar iederen dag, zoolang haar korte leven nog moest duren; ik was bij haar in haar laatste oogenblikken.”Weer zweeg hij, om zijn aandoening meester te worden, en Elinor uitte haar gevoel in een uitroep vol van het teederste medelijden met het lot zijner beklagenswaardige vriendin.“Het zal uwe zuster, hoop ik, niet kunnen kwetsen,” zeide hij, “dat ik mij verbeeldde, een zekere gelijkenis te zien tusschen haar en mijne arme, onteerde bloedverwante. Hun lot, hunne ervaringenkunnen niet dezelfde zijn, en had de van nature beminnelijke geaardheid der laatste steun ontvangen door een krachtiger wil of door een gelukkiger huwelijk, dan zou zij alles hebben kunnen zijn, wat uwe zuster in de toekomst belooft te worden.—Doch waartoe leidt dit alles? Het schijnt alsof ik u voor niets heb bedroefd. Ach,—een onderwerp als dit,—veertien jaren onaangeroerd gebleven—het is gevaarlijk het zelfs maar ter sprake te brengen! Maar ikwilgeregelder verhalen—beknopter zijn. Zij vertrouwde aan mijne zorg haar eenig kindje, een meisje, de vrucht van hare eerste schuldige verbintenis, dat toen omstreeks drie jaren oud was. Zij had het kind lief, en het was altijd bij haar gebleven. Voor mij was deze opdracht waardevol en kostbaar, en gaarne zou ik mij ervan hebben gekweten in den meest volledigen zin, door zelf te waken over hare opvoeding, indien de omstandigheden dit hadden veroorloofd; maar ik had geen gezin, geen tehuis; en dus werd mijn kleine Eliza naar eene school gebracht. Ik ging haar bezoeken, zoo dikwijls ik kon, en na den dood van mijn broeder omstreeks vijf jaar geleden, waardoor ik eigenaar werd van ons familiegoed, kwam zij dikwijls bij mij te Delaford. Het heette, dat zij verre familie van mij was; maar ik weet zeer goed, dat men in ’t algemeen mij verdacht van een veel nadere verwantschap. Nu drie jaar geleden (zij was toen veertien) nam ik haar van school, om haar onder de hoede te plaatsen van eene zeer achtenswaardige dame in Dorsetshire, die zich belast had met de opvoeding van nog vier of vijf andere meisjes van denzelfden leeftijd, en gedurende twee jaren had ik alle reden om tevreden te zijn met deze schikking. Doch in Februari van het vorige jaar, nu bijna een jaar geleden, was zij plotseling verdwenen. Ik had haar toegestaan (onvoorzichtig, zooals later bleek) op haar dringend verlangen, naar Bath te gaan met eene harer vriendinnen, die haar zieken vaderdaar moest verplegen. Ik wist dat hij een goede man was, en had ook een gunstige meening opgevat omtrent zijne dochter, beter dan zij verdiende; want in haar koppige en onverstandige zucht tot geheimhouding, wilde zij ons niets vertellen, en geen enkele inlichting verstrekken, ofschoon zij stellig alles wist. Haar vader zelf, een goedhartige, maar ver van scherpziende man, kon mij werkelijk niets mededeelen; want hij was aan huis gebonden geweest, terwijl de meisjes alleen in de stad zwierven, en kennis maakten met wie ze verkozen; en hij poogde mij te overtuigen, even stellig als hij zelf daarvan doordrongen was, dat zijne dochter niets van de zaak afwist. Om kort te gaan, ik vernam niets dan dat zij weg was, al het overige bleef onzeker, acht volle maanden lang. Wat ik dacht, wat ik vreesde, kunt u zich voorstellen, en hoe ik leed, eveneens.”“O!” riep Elinor, “is het mogelijk! Kon Willoughby...”“Het eerste bericht van haar, dat ik ontving,” ging hij voort, “bereikte mij in een brief van haarzelve in Octoberl.l. Deze werd mij uit Delaford opgezonden, en ik ontving dien juist op den morgen van ons voorgenomen tochtje naar Whitwell. Dat was de reden van mijn plotseling vertrek uit Barton, dat toen iedereen, zooals ik wel begreep, zeer vreemd voorkwam, en dat sommigen mij, geloof ik, kwalijk hebben genomen. Weinig vermoedde de Heer Willoughby, denk ik, toen zijn blikken mij mijne onbeleefdheid verweten, omdat ik het voorgenomen uitstapje bedierf, dat mijne hulp werd ingeroepen door iemand, die hij tot armoede en ellende had doen vervallen; maar wat zou het hebben gebaat,indienhij het wist? Zou hij zich minder vroolijk of gelukkig hebben gevoeld door den glimlach van uw zuster? Neen; want hij had reeds gedaan, wat geen man zoukunnendoen, die voor anderen kan gevoelen. Hij had het jonge, ónschuldige meisje, dat hij had verleid, achtergelatenin een wanhopigen toestand, zonder behoorlijk tehuis, zonder hulp, zonder vrienden, zonder haar zijn adres op te geven! Hij verliet haar met de belofte te zullen terugkeeren; hij kwam niet terug, schreef niet, verleende geen hulp.”“Dat is beneden alles!” riep Elinor uit.“Thans kent u zijn waren aard;—verkwistend, losbandig, en erger dan dat. Denk eens wat ik, dit alles wetend, zooals ik het reeds wekenlang geweten heb, moest gevoelen, toen ik zag, dat uwe zuster hem nog steeds liefhad, en toen ik hoorde, dat zij met hem ging trouwen; wat ik gevoelde om u aller wil. Toen ik de vorige week kwam en u alleen vond, was ik vastbesloten, de waarheid te vernemen, ofschoon nog niet zeker, wàt te doen, wanneer ik die vernomen hàd. Mijn gedrag moet u toen vreemd zijn voorgekomen; doch nu zult u het begrijpen. U allen zoo misleid te weten; uw zuster te zien... maar wat kon ik doen? Ik had geen hoop, dat mijn tusschenkomst iets zou baten, en soms dacht ik, dat uw zuster’s invloed hem nog ten goede zou kunnen bewegen. Doch wie zal zeggen, na deze schandelijke behandeling, wat hij wellicht met haar heeft voorgehad? Wat ook zijn bedoelingen mogen geweest zijn, zij kan nu, en zàl ongetwijfeld later, haar eigen toestand met dankbaarheid beschouwen, wanneer zij dien vergelijkt met het lijden mijner arme Eliza; wanneer zij denkt aan de treurige, hopelooze omstandigheden, waarin dit arme meisje verkeert, en zich haar voorstelt, hem even innig, ook thans nog, liefhebbend als zij zelve en daarbij gekweld door een zelfverwijt dat van levenslangen duur zal zijn. Stellig zal die vergelijking haar ten goede komen. Zij zal gevoelen dat haar eigen leed als niets is. Het vond zijn oorsprong in geen wangedrag, en kan geen blaam op haar werpen. Integendeel, ieder die te voren haar vriend was, wordt het thans des te meer. Medelijden met haar verdriet, en eerbied voor de kracht, waarmede zij het draagt,moeten elke genegenheid versterken. Ik laat echter aan uw eigen oordeel over, wat u haar wilt mededeelen van ’t geen ik u verteld heb. U weet het best wat de uitwerking ervan zal zijn; doch als ik niet oprecht en uit den grond van mijn hart had geloofd, dat het haar ten goede zou kunnen komen, haar droefheid zou kunnen doen verminderen, dan zou ik mijzelf niet hebben veroorloofd, u lastig te vallen met dit relaas van mijn treurige familie-omstandigheden; met een verhaal, dat den schijn zou kunnen wekken, alsof ik mijzelf ten koste van anderen had willen verheffen.”Elinor betuigde hem met ernstigen nadruk dank voor deze woorden, en verzekerde hem, dat zij voor Marianne van zijne mededeeling werkelijk veel goeds verwachtte. “Haar pogingen om hem vrij te spreken,” zeide zij, “deden mij het allermeest verdriet; want zij doen haar meer kwaad dan de stelligste overtuiging van zijn onwaardigheid. Nu geloof ik, dat zij, hoewel ze in het begin erdoor zal lijden, spoedig veel meer getroost zal zijn.—Hebt u”, ging zij na een kort stilzwijgen voort, “den Heer Willoughby nog weer ontmoet sedert uw vertrek uit Barton?”“Ja,” antwoordde hij ernstig, “eenmaal. Eene ontmoeting was onvermijdelijk.”Elinor, verschrikt door zijn toon, zag hem angstig aan, en zeide: “Wat? hebt u met hem...”“Er was geen andere uitweg. Eliza had mij, hoewel zeer ongaarne, den naam van haar minnaar bekend; en toen hij naar de stad terugkeerde, veertien dagen later dan ik, hebben wij geduelleerd; hij om zich te verdedigen, ik om zijn gedrag te straffen. Wij werden geen van beiden gewond, en dus is de zaak niet ruchtbaar geworden.”Elinor zuchtte over de gewaande noodzakelijkheid van zulk een handelwijze; doch zij waagde niet tegenover een man en een militair, hare afkeuring ervan te uiten.“Zoo droevig” zeide Kolonel Brandon, na een poos van zwijgen, “was de gelijkenis tusschen het lot van moeder en dochter! en zóó ben ik tekort geschoten in de mij toevertrouwde taak!”“Is zij nog in de stad?”“Neen, zoodra zij hersteld was na haar bevalling, die aanstaande was toen ik haar vond, heb ik haar met het kind naar buiten gezonden, en daar zal zij blijven.” Toen hij zich spoedig daarna herinnerde, dat hij Elinor misschien belette zich bij haar zuster te voegen, nam hij afscheid, en na nogmaals haar erkentelijke dankbetuiging te hebben ontvangen, verliet hij haar, vervuld van medelijden en achting voor hem.

Na een nacht, waarin zij meer had geslapen, dan zij verwachtte, werd Marianne den volgenden morgen wakker met het zelfde bewustzijn van bitter leed, waarmede zij de oogen had gesloten.

Elinor spoorde haar zooveel mogelijk aan tot uiting van ’t geen zij gevoelde; en vóór het ontbijt reeds hadden zij alles weer lang en breed besproken; met dezelfde stellige overtuiging en welgemeende raadgevingen van Elinor’s kant, en dezelfde heftige gevoelens en wisselende meeningen van Marianne’s zijde als te voren. Nu eens beschouwde zij Willoughby als even ongelukkig en even schuldeloos als zichzelve, en dan weer ontviel haar elke troost door de onmogelijkheid hem van schuld vrij te pleiten. Het eene oogenblik was het haar totaal onverschillig of de geheele wereld wist van haar verdriet; in het andere wilde zij zich voor goed uit die wereld terugtrekken; en een minuut later meende zij haar krachtig weerstand te kunnen bieden. In één opzicht bleef zij, als het erop aankwam, zichzelve gelijk, in het vermijden namelijk, als het eenigszins mogelijk was, van Mevrouw Jennings’ gezelschap, en in een volhardend stilzwijgen, zoolang zij verplicht was dat te verdragen. Haar hart weigerde eenvoudig verstokt, te gelooven, dat Mevrouw Jennings zichmet iets als medelijden kon indenken in haar verdriet.

“Neen, neen, neen; dat kàn niet,” riep zij uit; “zij kàn niet voelen. Haar vriendelijkheid is niet sympathie; haar goedhartigheid is niet teederheid. Al wat zij begeert is een onderwerp voor praatjes, en ze houdt nu alleen maar van mij, omdat ik haar dat verschaf.”

Ook zonder deze uitingen was Elinor reeds genoegzaam overtuigd van de onbillijkheid in haar oordeel over anderen, waartoe haar zuster dikwijls werd verleid door de prikkelbare verfijning van haar eigen geest, en het overdreven gewicht dat zij hechtte aan de kiesche vooroordeelen van een sterk ontwikkeld gevoelsleven en de bekoring van uiterlijke wellevendheid. Zooals het meerendeel der menschen, indien althans het meerendeel zoowel goed als begaafd is, was Marianne, met uitmuntende vermogens en een uitmuntenden gemoedsaard, noch redelijk, noch volkomen eerlijk te noemen. Zij verwachtte dat anderen de zelfde meeningen en gevoelens als zij zelve zouden koesteren, en zij beoordeelde hunne beweegredenen naar de onmiddellijke uitwerking hunner handelingen op haarzelve. Zoo viel er thans, terwijl de zusters na het ontbijt samen op hun kamer waren, weer iets voor, dat Marianne een nog geringeren dunk deed opvatten van Mevrouw Jennings’ goede hart, omdat het, door haar eigen zwakheid, toevallig een bron van nieuw leed voor haarzelve bleek, hoewel Mevrouw Jennings in dezen slechts werd bewogen door een opwelling van de hartelijkste welgezindheid.

Met een brief in haar uitgestrekte hand, en vroolijk glimlachend, in de overtuiging dat zij troost kwam brengen, trad zij hun kamer binnen, met de woorden: “Nu, kindje, nu breng ik je toch iets, dat je stellig goed zal doen.”

Marianne had reeds genoeg gehoord. In eenoogwenk schilderde haar verbeelding haar een brief van Willoughby, vol teederheid en berouw, al het gebeurde verklarend, bevredigend, overtuigend; onmiddellijk gevolgd door Willoughby zelf, die de kamer haastig kwam binnensnellen, om aan hare voeten door zijn welsprekende blikken te bevestigen wat zijn brief haar verzekerde. Dat werk van één oogenblik werd door het volgende vernietigd. Het handschrift van haar moeder, tot nog toe nimmer onwelkom, lag vóór haar, en in de scherpte dezer teleurstelling, volgend op eene verrukking, die méér was dan hoop, had zij een gevoel, alsof zij tot op dit oogenblik nog niet geleden had.

De wreedheid van Mevrouw Jennings zou door geen woorden, waarover zij beschikte in haar meest welsprekende oogenblikken, kunnen zijn uitgedrukt, en thans kon zij haar enkel beschuldigen door de tranen, die haar met hartstochtelijke heftigheid uit de oogen stroomden—een beschuldiging, die echter het voorwerp ervan zóó volkomen ontging, dat zij, na veel betuigingen van medelijden, heenging, nog steeds verwijzend naar den brief, die ongetwijfeld troost zou schenken. Doch de brief bracht weinig troost, toen zij voldoende bedaard was, om dien te kunnen lezen. Iedere bladzijde was vol van Willoughby. Haar moeder, nog steeds in de meening, dat zij verloofd was, en even vast als altijd bouwend op zijn trouw, was door Elinor’s vraag slechts bewogen, Marianne te smeeken om grootere openhartigheid jegens hen beiden, en zij deed dit met zooveel teederheid jegens haar, zoo oprechte genegenheid voor Willoughby, en een zoo stellige verzekerdheid van hun toekomstig geluk in en door elkander, dat Marianne onder het lezen het uitsnikte van duldelooze pijn. Al haar ongeduldig verlangen om weer thuis te zijn keerde thans terug; haar moeder was haar dierbaarder dan ooit,—dierbaarder juist door datoverdreven, schoon misplaatst vertrouwen in Willoughby, en zij drong onstuimig aan op hun vertrek. Elinor, zelf niet in staat te beslissen, of het beter voor Marianne zou zijn, te Londen te blijven of naar Barton te gaan, kon geen anderen raad geven, dan geduld te oefenen tot zij wisten, wat hun moeder wenschte, en ten slotte verkreeg zij haar zuster’s toestemming, te wachten, tot die wensch hun bekend zou zijn.

Mevrouw Jennings liet hen vroeger dan gewoonlijk alleen; want zij had geen rust eer de Middletons en de Palmers in haar verdriet zouden kunnen deelen; zij weigerde beslist, toen Elinor aanbood haar te vergezellen, en ging dien morgen alleen uit. Elinor ging met een bezwaard gemoed, wetend dat haar mededeeling verdriet zou veroorzaken, en uit Marianne’s brief wel bespeurend, hoe weinig zij erin geslaagd was, op dit verdriet eenigermate voor te bereiden, aan haar moeder zitten schrijven, wat er gebeurd was, en haar vragen, wat hun verder te doen stond; terwijl Marianne, die na Mevrouw Jennings’ vertrek in den salon was gekomen, bij de tafel ging zitten, waaraan Elinor schreef, ziende naar het voortbewegen van haar pen, haar beklagend om de moeilijkheid van zulk een taak, en nog inniger bedroefd om den indruk, dien het schrijven moest wekken bij hare moeder.

Zoo hadden zij ongeveer een kwartier samen gezeten, toen Marianne, wier zenuwen geen onverwacht geluid konden verdragen, opschrikte door een kloppen aan de voordeur.

“Wie kan daar zijn?” riep Elinor, “Zoo vroeg al! Ik dacht, dat wenutoch veilig waren.”

Marianne ging naar het venster.

“’t Is Kolonel Brandon!” zei ze geërgerd. “Voor hèm zijn we nooit veilig.”

“Hij zal niet boven komen, nu Mevrouw Jennings uit is.”

“Dáár reken ik niet op,” zei Marianne, naarhaar eigen kamer gaande. “Een man die met zijn eigen tijd geen raad weet, ziet er geen bezwaar in, beslag te leggen op dien van een ander.”

Het bleek dat haar gissing juist was geweest, hoewel gegrond op een onbillijke en onware voorstelling; want Kolonel Brandon kwàm binnen; en Elinor die overtuigd was, dat bezorgdheid over Marianne hem hierheen voerde, en die bezorgdheid zag in zijn onrustigen en treurigen blik, en hoorde in zijn angstige, doch korte vraag naar haar, kon het haar zuster niet vergeven, dat zij hem zoo gering schatte.

“Ik ontmoette Mevrouw Jennings in Bond Street,” zeide hij na de eerste begroeting, “en zij spoorde mij aan, hierheen te gaan. Ik liet mij te eerder daartoe aansporen, omdat ik het waarschijnlijk achtte, dat ik u hier alleen zou vinden, wat ik ten zeerste verlangde. Mijn bedoeling,—mijn wensch—mijn eenige wensch, naar ik hoop en geloof, is deze,—mede te werken om troost te schenken,—neen, ik moet niet zeggen troost,—althans geen onmiddellijke troost,—maar overtuiging, een vaste overtuiging, en zekerheid voor uw zuster’s gemoed. Mijn genegenheid voor haar, voor uzelve, voor uwe moeder,—wilt u mij toestaan deze te bewijzen, door u het een en ander mede te deelen, dat door niets dan een zéér oprechte genegenheid,—niets dan een innigen wensch om mij nuttig te maken... ik geloof, dat ik in mijn recht ben;—doch is er niet eenige reden, te vreezen dat ik ongelijk heb; daar ik vele uren heb moeten doorbrengen met pogingen om mijzelf te rechtvaardigen?...”Hij zweeg.

“Ik begrijp u wel,” zeide Elinor, “U hebt mij iets te vertellen omtrent den Heer Willoughby, dat een helderder licht zal werpen op diens karakter. U zult daardoor Marianne den grootsten vriendendienst bewijzen.Mijnedankbaarheid wint u onmiddellijk door elke mededeeling van dien aard;de hare zult u mettertijd daardoor verwerven. Ik vraag u dringend, ik bid u, zeg mij wat het is.”

“Dat zal ik, en om kort te zijn, toen ik Barton in October verliet... maar zóó zult u het niet begrijpen. Ik moet verder teruggaan. U zult mij een zeer onhandig spreker vinden, juffrouw Dashwood; ik weet haast niet, waar te beginnen. Ik geloof, dat het noodig zal zijn, in ’t kort een en ander van mijzelf te vertellen, en dàt verslag zàl kort zijn. Dàt onderwerp,” voegde hij erbij met een zwaren zucht “lokt niet uit tot bijzondere uitvoerigheid.”

Hij wachtte een oogenblik, om zijn gedachten te verzamelen, en ging toen, nogmaals zuchtend, voort: “Waarschijnlijk herinnert u zich in het geheel niet meer een gesprek (het is moeilijk te veronderstellen, dat het eenigen indruk op u zou maken)—een gesprek tusschen ons op zekeren avond te Barton Park—het was bij gelegenheid van een danspartij,—waarin ik zinspeelde op een dame, die ik vroeger had gekend, en die in menig opzicht op uwe zuster Marianne geleek.”

“Welzeker,” antwoordde Elinor, “ik herinner het mij zéér goed.” Het scheen hem genoegen te doen, dit te hooren, en hij ging voort.

“Als ik mij niet laat misleiden door de onzekerheid, de partijdigheid eener teedere herinnering, dan bestaat tusschen hen beiden een sterke gelijkenis, zoowel innerlijk als uiterlijk,—dezelfde warmte van hart, dezelfde vurigheid van verbeelding en geest. Deze dame was eene mijner naaste bloedverwanten, reeds jong wees geworden, en onder de voogdijschap van mijn vader geplaatst. Wij waren bijna even oud, en van jongsaf speelgenooten en vrienden. Ik kan mij den tijd niet herinneren, waarin ik Eliza niet liefhad; en toen wij ouder werden, was mijn genegenheid voor haar zoo innig, dat u, die mij beoordeelt naar mijn tegenwoordigen triesten en vreugdeloozen ernst, mijwellicht niet tot zulk een sterk gevoel in staat zoudt kunnen achten. Haar liefde voor mij was, geloof ik, vurig als die van uwe zuster voor den Heer Willoughby, en niet minder ongelukkig, al was het door eene andere oorzaak. Toen zij zeventien jaren was, moest ik haar voor altijd verliezen. Zij trouwde—werd tegen haar zin uitgehuwelijkt aan mijn broeder. Haar fortuin was aanzienlijk en ons familiegoed stak diep in schulden. Dat is alles, vrees ik, wat gezegd kan worden ter vergoelijking van het gedrag van hem, die haar oom en voogd was. Mijn broeder verdiende haar niet; hij had haar zelfs niet lief. Ik had gehoopt, dat haar genegenheid voor mij haar onder alle moeilijkheden zou staande houden, en een tijdlang was dit ook zoo;—doch op den duur kon haar standvastigheid geen weerstand bieden aan de smart die zij moest verduren; want zij werd zeer hard behandeld, en hoewel zij mij had beloofd, dat niets... maar hoe ongeregeld is mijn verhaal! Ik heb u nog niet verteld, hoe het zoover kwam. Slechts enkele uren voor wij te zamen wilden vluchten naar Schotland, werden wij verraden door het bedrog of de domheid van de kamenier mijner nicht. Ik werd verbannen naar het huis van een zeer veraf wonenden bloedverwant en haar werd alle vrijheid, alle omgang, elk vermaak ontzegd, tot mijn vader zijn zin had gekregen. Ik had te veel op haar kracht vertrouwd, en de slag trof mij zwaar;—doch als haar huwelijk gelukkig was geweest, dan had ik mij, zoo jong als ik toen was, er na eenige maanden mede moeten verzoenen; of ik had het althans nu niet behoeven te betreuren. Maar dat was niet het geval. Mijn broeder had haar niet lief; hij jaagde ongeoorloofde genoegens na, en van den beginne af heeft hij haar hard behandeld. Maar al te natuurlijk waren de gevolgen van die behandeling, in hun uitwerking op een geest, zoo jong, zoo levendig, zoo onervaren als die van Mevrouw Brandon. In het begin droeg zij gelaten haar ellende,en het zou gelukkig zijn geweest, zoo zij gestorven ware, eer zij de droefheid verwon, die de herinnering aan mij in haar placht te wekken. Maar is het vreemd, dat zij ten val werd gebracht, met een echtgenoot, die haar uitlokte tot ontrouw, en zonder één vriend, die haar raden of weerhouden kon? (want mijn vader stierf een paar maanden na hun huwelijk, en ik was met mijn regiment in Indië). Was ik in Engeland gebleven, misschien... doch ik meende beider geluk te bevorderen door haar voor lange jaren te verlaten, en met dat doel had ik om overplaatsing verzocht. De schok, dien ik ondervond bij het vernemen van haar huwelijk,” ging hij voort, met een stem, die zijn heftige ontroering verried, “was gering, was niets,—vergeleken bij wat ik voelde, toen ik twee jaren later hoorde, dat zij gescheiden was. Dàt was het, dat mij zoo somber deed worden—zelfs nu is de herinnering aan wat ik geleden heb...” Hij kon niet voortgaan, stond haastig op, diep aangedaan door zijn verhaal, en nog meer door zijn smartelijke ontroering, kon niet spreken. Hij zag, hoe bewogen zij was, vatte hare hand, drukte die en kuste ze met dankbaren eerbied. Na nog een paar minuten, waarin hij zich in stilte vermande, kon hij bedaarder voortgaan.

“Drie jaren bijna waren verstreken na die droeve dagen, eer ik naar Engeland terugkeerde. Mijn eerste gedachte, bij mijne aankomst, was natuurlijk, haar te zoeken; maar de pogingen daartoe waren zoo vruchteloos als diep bedroevend. Ik kon niet ontdekken, wat er van haar was geworden, nadat zij door haar eersten verleider was verlaten, en er bestond alle reden, te vreezen, dat zij steeds dieper gezonken en tot een leven van zonde vervallen was. Het jaargeld, haar door de wet toegezegd, was niet evenredig aan haar fortuin, noch voldoende voor haar behoorlijk onderhoud, en ik vernam van mijn broeder, dat eenige maanden geleden het recht om het in ontvangst te nemen aan een ander was afgestaan.Hij vermoedde, en kon dat vermoeden kalm uitspreken, dat haar verkwisting en hieruit voortvloeiende armoede haar hadden genoodzaakt, het op te geven om voorloopig uit den dringendsten nood te geraken. Eindelijk echter, toen ik reeds zes maanden in Engeland was geweest, heb ik haar tòch gevonden. Uit gehechtheid aan een vroegeren bediende, die in het ongeluk was geraakt, zocht ik dezen man op in een schuldgevangenis, waar hij wegens schulden in hechtenis werd gehouden, en hier in dat zelfde huis, en in dergelijke omstandigheden, trof ik haar aan, mijn ongelukkige pleegzuster. Zoo veranderd—zoo vervallen—zoo uitgeteerd door hevig lijden naar lichaam en ziel! Ternauwernood kon ik gelooven, dat dit droeve, door ziekte ondermijnde schepsel eens het beminnelijke, bloeiende, gezonde meisje was geweest, waarmede ik gedweept had, Hoe ik leed, toen ik haar zóó moest aanschouwen—maar ik heb het recht niet uw gevoelens te kwetsen door te pogen dat te beschrijven—ik deed u reeds te veel verdriet. Dat zij, het bleek maar al te duidelijk, in het laatste stadium van de tering was, schonk mij,—ja in deze omstandigheden moest het mij troost schenken. Haar bood het leven niets meer, dan tijd zich beter voor te bereiden op den dood, en deze werd haar geschonken. Ik zorgde dat zij goed werd gehuisvest, en zorgvuldig verpleegd; ik bezocht haar iederen dag, zoolang haar korte leven nog moest duren; ik was bij haar in haar laatste oogenblikken.”

Weer zweeg hij, om zijn aandoening meester te worden, en Elinor uitte haar gevoel in een uitroep vol van het teederste medelijden met het lot zijner beklagenswaardige vriendin.

“Het zal uwe zuster, hoop ik, niet kunnen kwetsen,” zeide hij, “dat ik mij verbeeldde, een zekere gelijkenis te zien tusschen haar en mijne arme, onteerde bloedverwante. Hun lot, hunne ervaringenkunnen niet dezelfde zijn, en had de van nature beminnelijke geaardheid der laatste steun ontvangen door een krachtiger wil of door een gelukkiger huwelijk, dan zou zij alles hebben kunnen zijn, wat uwe zuster in de toekomst belooft te worden.—Doch waartoe leidt dit alles? Het schijnt alsof ik u voor niets heb bedroefd. Ach,—een onderwerp als dit,—veertien jaren onaangeroerd gebleven—het is gevaarlijk het zelfs maar ter sprake te brengen! Maar ikwilgeregelder verhalen—beknopter zijn. Zij vertrouwde aan mijne zorg haar eenig kindje, een meisje, de vrucht van hare eerste schuldige verbintenis, dat toen omstreeks drie jaren oud was. Zij had het kind lief, en het was altijd bij haar gebleven. Voor mij was deze opdracht waardevol en kostbaar, en gaarne zou ik mij ervan hebben gekweten in den meest volledigen zin, door zelf te waken over hare opvoeding, indien de omstandigheden dit hadden veroorloofd; maar ik had geen gezin, geen tehuis; en dus werd mijn kleine Eliza naar eene school gebracht. Ik ging haar bezoeken, zoo dikwijls ik kon, en na den dood van mijn broeder omstreeks vijf jaar geleden, waardoor ik eigenaar werd van ons familiegoed, kwam zij dikwijls bij mij te Delaford. Het heette, dat zij verre familie van mij was; maar ik weet zeer goed, dat men in ’t algemeen mij verdacht van een veel nadere verwantschap. Nu drie jaar geleden (zij was toen veertien) nam ik haar van school, om haar onder de hoede te plaatsen van eene zeer achtenswaardige dame in Dorsetshire, die zich belast had met de opvoeding van nog vier of vijf andere meisjes van denzelfden leeftijd, en gedurende twee jaren had ik alle reden om tevreden te zijn met deze schikking. Doch in Februari van het vorige jaar, nu bijna een jaar geleden, was zij plotseling verdwenen. Ik had haar toegestaan (onvoorzichtig, zooals later bleek) op haar dringend verlangen, naar Bath te gaan met eene harer vriendinnen, die haar zieken vaderdaar moest verplegen. Ik wist dat hij een goede man was, en had ook een gunstige meening opgevat omtrent zijne dochter, beter dan zij verdiende; want in haar koppige en onverstandige zucht tot geheimhouding, wilde zij ons niets vertellen, en geen enkele inlichting verstrekken, ofschoon zij stellig alles wist. Haar vader zelf, een goedhartige, maar ver van scherpziende man, kon mij werkelijk niets mededeelen; want hij was aan huis gebonden geweest, terwijl de meisjes alleen in de stad zwierven, en kennis maakten met wie ze verkozen; en hij poogde mij te overtuigen, even stellig als hij zelf daarvan doordrongen was, dat zijne dochter niets van de zaak afwist. Om kort te gaan, ik vernam niets dan dat zij weg was, al het overige bleef onzeker, acht volle maanden lang. Wat ik dacht, wat ik vreesde, kunt u zich voorstellen, en hoe ik leed, eveneens.”

“O!” riep Elinor, “is het mogelijk! Kon Willoughby...”

“Het eerste bericht van haar, dat ik ontving,” ging hij voort, “bereikte mij in een brief van haarzelve in Octoberl.l. Deze werd mij uit Delaford opgezonden, en ik ontving dien juist op den morgen van ons voorgenomen tochtje naar Whitwell. Dat was de reden van mijn plotseling vertrek uit Barton, dat toen iedereen, zooals ik wel begreep, zeer vreemd voorkwam, en dat sommigen mij, geloof ik, kwalijk hebben genomen. Weinig vermoedde de Heer Willoughby, denk ik, toen zijn blikken mij mijne onbeleefdheid verweten, omdat ik het voorgenomen uitstapje bedierf, dat mijne hulp werd ingeroepen door iemand, die hij tot armoede en ellende had doen vervallen; maar wat zou het hebben gebaat,indienhij het wist? Zou hij zich minder vroolijk of gelukkig hebben gevoeld door den glimlach van uw zuster? Neen; want hij had reeds gedaan, wat geen man zoukunnendoen, die voor anderen kan gevoelen. Hij had het jonge, ónschuldige meisje, dat hij had verleid, achtergelatenin een wanhopigen toestand, zonder behoorlijk tehuis, zonder hulp, zonder vrienden, zonder haar zijn adres op te geven! Hij verliet haar met de belofte te zullen terugkeeren; hij kwam niet terug, schreef niet, verleende geen hulp.”

“Dat is beneden alles!” riep Elinor uit.

“Thans kent u zijn waren aard;—verkwistend, losbandig, en erger dan dat. Denk eens wat ik, dit alles wetend, zooals ik het reeds wekenlang geweten heb, moest gevoelen, toen ik zag, dat uwe zuster hem nog steeds liefhad, en toen ik hoorde, dat zij met hem ging trouwen; wat ik gevoelde om u aller wil. Toen ik de vorige week kwam en u alleen vond, was ik vastbesloten, de waarheid te vernemen, ofschoon nog niet zeker, wàt te doen, wanneer ik die vernomen hàd. Mijn gedrag moet u toen vreemd zijn voorgekomen; doch nu zult u het begrijpen. U allen zoo misleid te weten; uw zuster te zien... maar wat kon ik doen? Ik had geen hoop, dat mijn tusschenkomst iets zou baten, en soms dacht ik, dat uw zuster’s invloed hem nog ten goede zou kunnen bewegen. Doch wie zal zeggen, na deze schandelijke behandeling, wat hij wellicht met haar heeft voorgehad? Wat ook zijn bedoelingen mogen geweest zijn, zij kan nu, en zàl ongetwijfeld later, haar eigen toestand met dankbaarheid beschouwen, wanneer zij dien vergelijkt met het lijden mijner arme Eliza; wanneer zij denkt aan de treurige, hopelooze omstandigheden, waarin dit arme meisje verkeert, en zich haar voorstelt, hem even innig, ook thans nog, liefhebbend als zij zelve en daarbij gekweld door een zelfverwijt dat van levenslangen duur zal zijn. Stellig zal die vergelijking haar ten goede komen. Zij zal gevoelen dat haar eigen leed als niets is. Het vond zijn oorsprong in geen wangedrag, en kan geen blaam op haar werpen. Integendeel, ieder die te voren haar vriend was, wordt het thans des te meer. Medelijden met haar verdriet, en eerbied voor de kracht, waarmede zij het draagt,moeten elke genegenheid versterken. Ik laat echter aan uw eigen oordeel over, wat u haar wilt mededeelen van ’t geen ik u verteld heb. U weet het best wat de uitwerking ervan zal zijn; doch als ik niet oprecht en uit den grond van mijn hart had geloofd, dat het haar ten goede zou kunnen komen, haar droefheid zou kunnen doen verminderen, dan zou ik mijzelf niet hebben veroorloofd, u lastig te vallen met dit relaas van mijn treurige familie-omstandigheden; met een verhaal, dat den schijn zou kunnen wekken, alsof ik mijzelf ten koste van anderen had willen verheffen.”

Elinor betuigde hem met ernstigen nadruk dank voor deze woorden, en verzekerde hem, dat zij voor Marianne van zijne mededeeling werkelijk veel goeds verwachtte. “Haar pogingen om hem vrij te spreken,” zeide zij, “deden mij het allermeest verdriet; want zij doen haar meer kwaad dan de stelligste overtuiging van zijn onwaardigheid. Nu geloof ik, dat zij, hoewel ze in het begin erdoor zal lijden, spoedig veel meer getroost zal zijn.—Hebt u”, ging zij na een kort stilzwijgen voort, “den Heer Willoughby nog weer ontmoet sedert uw vertrek uit Barton?”

“Ja,” antwoordde hij ernstig, “eenmaal. Eene ontmoeting was onvermijdelijk.”

Elinor, verschrikt door zijn toon, zag hem angstig aan, en zeide: “Wat? hebt u met hem...”

“Er was geen andere uitweg. Eliza had mij, hoewel zeer ongaarne, den naam van haar minnaar bekend; en toen hij naar de stad terugkeerde, veertien dagen later dan ik, hebben wij geduelleerd; hij om zich te verdedigen, ik om zijn gedrag te straffen. Wij werden geen van beiden gewond, en dus is de zaak niet ruchtbaar geworden.”

Elinor zuchtte over de gewaande noodzakelijkheid van zulk een handelwijze; doch zij waagde niet tegenover een man en een militair, hare afkeuring ervan te uiten.

“Zoo droevig” zeide Kolonel Brandon, na een poos van zwijgen, “was de gelijkenis tusschen het lot van moeder en dochter! en zóó ben ik tekort geschoten in de mij toevertrouwde taak!”

“Is zij nog in de stad?”

“Neen, zoodra zij hersteld was na haar bevalling, die aanstaande was toen ik haar vond, heb ik haar met het kind naar buiten gezonden, en daar zal zij blijven.” Toen hij zich spoedig daarna herinnerde, dat hij Elinor misschien belette zich bij haar zuster te voegen, nam hij afscheid, en na nogmaals haar erkentelijke dankbetuiging te hebben ontvangen, verliet hij haar, vervuld van medelijden en achting voor hem.

Hoofdstuk XXXIIToen de bijzonderheden van dit gesprek door Elinor aan hare zuster werden medegedeeld, zooals spoedig gebeurde, was hunne uitwerking niet volkomen zooals de eerste zich die had voorgesteld. Niet dat Marianne in eenig opzicht aan de waarheid van het verhaalde scheen te twijfelen; want Zij hoorde alles aan met stille en onderworpen aandacht, uitte geen tegenwerping, noch eenige opmerking zelfs; trachtte Willoughby niet te rechtvaardigen, en scheen door haar tranen te toonen, hoezeer zij gevoelde, dat dit onmogelijk was. Maar hoewel dit gedrag Elinor de zekerheid schonk, dat de overtuiging omtrent zijn schuld thans werkelijk tot haar was doorgedrongen, hoewel zij met voldoening de uitwerking ervan waarnam, door te zien, hoe Marianne niet langer Kolonel Brandon vermeed bij zijn bezoeken, hoezij tot hem sprak, zelfs uit eigen beweging, met een soort van medelijdenden eerbied, en hoewel zij zag dat Marianne’s zenuwgestel minder heftig geprikkeld scheen, zij vond hare treurigheid niet verminderd. Haar geest wàs thans tot rust gekomen; doch het was de rust der diepste verslagenheid. Het verlies, van alle vertrouwen in Willoughby’s zedelijk karakter trof haar nog zwaarder dan het verlies van zijn liefde had kunnen doen; het feit dat hij een jong meisje had verleid en verlaten, de ellende van dat arme kind, en de twijfel, welke plannen hij wellicht omtrent haarzelve had gekoesterd, dit alles had zulk een neerdrukkenden invloed op haar geest, dat zij niet van zich kon verkrijgen, zelfs tegen Elinor te spreken over ’t geen zij gevoelde, en dat stille verzinken in haar verdriet bedroefde haar zuster meer dan de meest openhartige en herhaalde uiting ervan had kunnen doen.De weergave der gevoelens en uitingen van Mevrouw Dashwood, bij het ontvangen en beantwoorden van Elinor’s brief, zou slechts eene herhaling zijn van ’t geen haar dochters reeds gevoeld en gezegd hadden; teleurstelling, bijna niet minder smartelijk dan die van Marianne; verontwaardiging, nog grooter dan die van Elinor. In haar lange en snel op elkaar volgende brieven kwam al wat zij leed en dacht tot uiting; zij waren vol angstige bezorgdheid over Marianne, en smeekten haar, geestkracht te toonen onder dezen zwaren slag. Inderdaad, wèl zwaar moest de ramp zijn, die Marianne had getroffen, waar haar moeder spreken kon van geestkracht. Wel zéér pijnlijk en vernederend moest de oorzaak zijn eener droefgeestigheid, waaraanzijniet kon wenschen, haar te zien toegeven!...In tegenspraak met haar persoonlijken wensch, achtte Mevrouw Dashwood het beter voor Marianne, thans overal elders liever te zijn, dan juist te Barton, waar al wat zij zag, het verleden op de levendigste en pijnlijkste wijze moest terugroepen,door haar aanhoudend Willoughby voor den geest te brengen, zooals zij hem daar steeds had gezien. Zij raadde hare dochters dus aan, het bezoek bij Mevrouw Jennings vooral niet te bekorten, dat, ofschoon geen bepaalde afspraak was gemaakt, toch naar aller meening minstens vijf of zes weken had zullen duren. Afwisseling, zoo in bezigheid als in vooruitzichten en gezelschap, waaraan het haar te Barton zou ontbreken, was hier onvermijdelijk, en zou, naar zij hoopte, Marianne soms toch nog kunnen bewegen tot eenige belangstelling in dingen buiten haarzelve, en zelfs tot deelname in eenig vermaak, hoezeer die beide mogelijkheden thans nog door haar mochten verworpen worden. Voor het gevaar, dat zij Willoughby weer zou kunnen zien, achtte haar moeder haar in de stad althans even veilig als buiten; daar allen, die zich haar vrienden noemden, thans niet meer met hem wilden omgaan. Met voorbedachten rade zouden zij elkander nooit ontmoeten; door onvoorzichtigheid zouden zij geen kans loopen, te worden blootgesteld aan een verrassing; en het toeval kon in het gewoel van Londen hun minder licht parten spelen dan zelfs in het afgelegen Barton, waar het hem plotseling voor haar oogen kon doen staan, wanneer hij het bezoek bracht te Allenham bij gelegenheid van zijn huwelijk, dat Mevrouw Dashwood, door het aanvankelijk als iets waarschijnlijks te beschouwen, thans was begonnen te verwachten als een stellige zekerheid.Zij had nog eene andere reden voor den wensch, dat hare kinderen zouden blijven, waar zij waren; uit een brief van haar stiefzoon had zij vernomen, dat hij en zijn vrouw vóór half Februari in de stad zouden zijn; en zij vond het goed, dat zij nu en dan met hun broeder in aanraking zouden komen.Marianne had beloofd, zich door haar moeder’s oordeel te laten leiden, en zij schikte zich dus ernaar zonder tegenstreven, hoewel het geheelverschillend bleek van wat zij wenschte en verwachtte; hoewel zij het beschouwde als ten eenenmale onjuist, en gegrond op een verkeerde zienswijze, terwijl het door een langer verblijf te Londen van haar te eischen, haar beroofde van de eenig mogelijke verzachting van haar ellende, het innig meegevoel harer moeder, en haar de straf oplegde van een gezelschap en eene omgeving, waarin zij nooit een oogenblik rust zou kunnen genieten. Doch het was voor haar een groote troost, dat wat háár kwaad berokkende, tengoede zou komen aan hare zuster; en Elinor, van haar kant, vermoedende, dat het niet in haar macht zou staan, Edward geheel te vermijden, troostte zich door te bedenken, dat hun langer verblijf, hoewel niet bevorderlijk voor haar eigen geluk, voor Marianne beter zou zijn dan onmiddellijk naar Devonshire terug te keeren.Haar zorg om haar zuster te vrijwaren voor het hooren noemen van Willoughby’s naam, was niet vergeefsch geweest. Zonder het zelve te weten, plukte Marianne de vruchten ervan, want noch Mevrouw Jennings, noch Sir John, noch zelfs Mevrouw Palmer, spraken ooit over hem in haar bijzijn. Elinor wenschte wel dat zij de zelfde omzichtigheid tegenover haar hadden willen in acht nemen; maar dàt was onmogelijk, en zij moest dag aan dag luisteren naar de uitingen van hun aller verontwaardiging.Sir John kon niet begrijpen, hoe zoo iets mogelijk was geweest. “Een man, van wien hij alle reden had gehad niets dan goeds te verwachten! De beste kerel van de wereld! In heel Engeland geloofde hij niet dat zulk een goed ruiter te vinden was! ’t Was onverklaarbaar, die geschiedenis. Hij mocht voor zijn part naar den duivel loopen. Hij zou van zijn leven geen woord meer met hem wisselen, wáár hij hem ook ontmoette! Neen, al was ’t op de grens van zijn eigen jachtgebied en al zouden ze er twee uur naast elkaar moeten staan wachten. Zulkeen schurk van een kerel, zulk een bedriegelijke schavuit! Den laatsten keer dat hij hem sprak, had hij hem nog een van Folly’s jongen aangeboden, en nu kwam het hierop neer!”Mevrouw Palmer was al even boos, op haar manier. Zij wilde hem van nu af aannietmeer kennen, en ze was wàt blij, dat ze nooit kennis met hem had gemaakt. Ze wenschte van harte dat Combe Magna niet zoo dicht bij Cleveland was gelegen; maar ’t was toch zoo erg niet, omdat het veel te veraf was, om er een bezoek te brengen; ze had zoo’n hekel aan hem, dat ze vast van plan was, nooit weer zijn naam te noemen, en ze zou aan ieder, die ze zag vertellen, hoe weinig hij deugde.Verder toonde Mevrouw Palmer haar meegevoel, door alle bijzonderheden uit te visschen, die ze kon te weten komen omtrent het aanstaande huwelijk, en die aan Elinor mee te deelen. Al spoedig wist ze bij welken rijtuigmaker het nieuwe rijtuig was besteld; door welken schilder het portret van den Heer Willoughby werd vervaardigd, en in welken winkel Juffrouw Grey’s trousseau was uitgestald. Lady Middleton’s kalme en beleefde onverschilligheid was voor Elinor een ware verlichting, gedrukt als zij soms was door de luidruchtige vriendelijkheid der anderen. Het was haar een groote troost, te weten dat althans ééne persoon in hun vriendenkring géén belang in hen stelde; eentroost, zeker te zijn, dat die eene haar zou ontmoeten zonder de geringste nieuwsgierigheid te toonen naar bijzonderheden, of eenige bezorgdheid aan den dag te leggen omtrent haar zuster’s gezondheidstoestand.Elke eigenschap wordt somtijds, door de omstandigheden van het oogenblik verheven, tot meer dan haar werkelijke waarde; en soms werd zij zóó geplaagd door die opdringende meewarigheid, dat zij ertoe kwam, goede manieren als meer onontbeerlijk te gaan beschouwen voor haar gemoedsrust,dan goedhartigheid. Lady Middleton gaf haar bevindingen omtrent de zaak omstreeks eenmaal per dag, (of als het onderwerp herhaaldelijk ter sprake kwam, tweemalen) te kennen, door te zeggen: “’t Is bepaald ongehoord!”—en met behulp dezer aanhoudend, doch gemakkelijk werkende veiligheidsklep kon zij niet slechts van den beginne de dames Dashwood ontmoeten zonder de geringste aandoening; doch al spoedig ook hen ontvangen zonder zich van de geheele geschiedenis een woord te herinneren; en na op deze wijze de waardigheid harer eigen sekse te hebben opgehouden, en haar besliste afkeuring te hebben geuit van de fouten der andere, vond zij, dat het haar thans vrijstond, eens te denken aan de samenstelling harer eigen avondpartijen, en besloot dus (hoewel tegen den zin van Sir John) om, zoodra Mevrouw Willoughby getrouwd was, een kaartje bij haar af te geven, daar zij door haar huwelijk zoowel tot de deftige als vermogende kringen behooren zou.Kolonel Brandon’s kiesche en onopvallende deelneming was Elinor nooit onwelkom. Hij had zich ten volle het voorrecht waardig gemaakt, haar zuster’s teleurstelling vertrouwelijk met haar te bespreken, door den vriendschappelijken ijver, waarmede hij had gepoogd, deze te verzachten, en zij spraken thans altijd met elkaar zonder terughouding. Het meest werd hij beloond voor de moeite, die het hem moest hebben gekost, het oude verdriet en de nieuwe vernedering te openbaren, door den medelijdenden blik, dien Marianne somtijds op hem liet rusten, en de zachtheid van haar stem, wanneer zij (wat niet dikwijls gebeurde) verplicht was, of zichzelve ertoe kon brengen, het woord tot hem te richten.Dieteekenen schonken hem de zekerheid, dat zijne bemoeiingen een gunstigen invloed hadden uitgeoefend op hare gezindheid te zijnen opzichte; enzijgaven Elinor hoop, dat dezegunstige gezindheid mettertijd nog zou toenemen; maar Mevrouw Jennings, die van dit alles niets afwist,—die alleen maar zag, dat de Kolonel nog steeds even ernstig bleef, en wel wist, dat zij hem nooit zou kunnen overhalen zelf het aanzoek te doen, en evenmin, om die taak aan háár op te dragen,—begon na een paar dagen te denken, dat het huwelijk toch allicht eerder in ’t najaar dan in den voorzomer zou plaats hebben, en geloofde aan ’t eind van de week, dat er in ’t geheel niets van kwam. De goede verstandhouding tusschen den Kolonel en Elinor scheen veeleer te doen vermoeden, dat ten slotte de begeerlijke moerbeienboom, de waterpartij en het taxis-prieel háár zouden ten deel vallen; en aan den Heer Ferrars had Mevrouw Jennings in den laatsten tijd in ’t geheel niet meer gedacht.In ’t begin van Februari, nog geen veertien dagen na de ontvangst van Willoughby’s brief, werd Elinor de pijnlijke taak opgelegd, haar zuster mede te deelen, dat hij gehuwd was. Zij had gezorgd, bericht te ontvangen, zoodra de plechtigheid was voltrokken, daar zij niet wilde, dat Marianne de tijding het eerst zou vernemen uit de courant, die zij elken morgen met blijkbare spanning inzag. Marianne ontving het bericht met vastberaden kalmte, maakte geene opmerking, en schreide zelfs niet in het begin; doch na eenigen tijd kon zij hare tranen niet meer bedwingen, en zij was verder dien dag in een weinig minder beklagenswaardigen toestand, dan toen zij voor het eerst vernam, dat wat thans gebeurd was, te wachten stond.De Willoughby’s vertrokken dadelijk na hun huwelijk; en Elinor hoopte, nu er geen gevaar meer bestond, dat zij een van beiden zou zien, haar zuster, die na den eersten slag nog steeds was thuis gebleven, over te halen, om langzamerhand weer meer uit te gaan, zooals vroeger. Omstreeks dezen tijd kwamen de dames Steele, die reeds een poosjewaren gelogeerd bij hun neef in Bartlett’s Buildings, Holborn, zich weer vertoonen bij hun deftiger verwanten in Conduit en Berkeley Street; en zij werden door allen bijzonder hartelijk ontvangen. Elinor alleen was niet blijde hen te zien. Hun aanwezigheid was haar altoos onaangenaam, en zij wist bijna niet, hoe zich met de noodige beleefdheid te gedragen, bij Lucy’s overstelpende verrukking, omdat zij haarnogin de stad aantrof.“’t Zou mij héél erg hebben teleurgesteld, als ik u nietnoghier had ontmoet,” zei ze herhaalde malen met sterken nadruk op het woordje “nog”. Maar ik had het altijd wel gedacht. Ik wist haast wel zeker, dat u nog zoo gauw niet uit Londen zoudt heengaan; hoewel u mij te Barton vertelde, weet u nog wel? dat u niet langer zoudt blijven dan een maand. Ik dacht toen al, dat u wel van plan zoudt veranderen, als ’t er op aankwam. Het zou ook zoo jammer zijn geweest, weg te gaan eer uw broer en zuster kwamen. En nù zult ustelligwel geen haast maken. Het doet mij verbazend veel pleizier dat u uw woord niet gehouden hebt.”Elinor begreep haar volkomen, en had al haar zelfbeheersching noodig, om te doen alsof dit niet het geval was.“Wel, meisjes,” zei Mevrouw Jennings, “en hoe hebben jelui de reis gemaakt?”“Niet met den omnibus, hoor,” zei Juffrouw Anne haastig en verheugd; “we hadden een postkoets, en een galanten cavalier op den koop toe. Dr. Davies moest naar de stad, en dus vonden we ’t wel geschikt om met hem partij te maken, en samen met de postkoets te reizen; hij was héél royaal, en betaalde wel tien of twaalf shillings meer dan wij.”“O, o!” riep Mevrouw Jennings, “zoo mag ik het hooren! en ik wed, dat de dokter ongetrouwd is.”“Kijk nu weer,” zei Juffrouw Steele, gemaakt lachend, “iedereen plaagt mij zoo met dien dokter, en ik begrijp niet waarom. Mijn nichtjes zeggen,dat ik bepaald een verovering heb gemaakt; maarikdenk in ’t geheel niet aan hem. “Anne, daar komt je vriend aan,” zei mijn nichtje laatst, toen ze hem de straat zag oversteken naar ons huis. “Vriend! ’t is wat moois!” zei ik; “ik weet niet eens wat je bedoelt. De dokterisgeen vriend van mij.”“Jawel, jawel, dat is alles nu heel aardig; maar praatjes vullen geen gaatjes;—ik zie ’t al; de dokter is de man.”“Neen, werkelijk!” antwoordde haar nicht met gemaakten ernst, “ik hoop toch, dat u het zult tegenspreken, als u er ooit over hoort praten.”Mevrouw Jennings gaf haar aanstonds de geruststellende verzekering, dat zij dit zeer stellignietvan plan was, en Juffrouw Steele’s geluk was nu volmaakt.“U gaat zeker bij uw broer en zuster logeeren, Juffrouw Dashwood, als ze in de stad komen,” zei Lucy, die na een poos haar vijandige toespelingen te hebben gestaakt, zich op nieuw gereedmaakte tot den aanval.“Neen, dat denk ik niet.”“O wel ja, natuurlijk doet u dat.”Elinor wilde haar door verder tegenspreken niet haar zin geven.“’t Is toch maar prettig, dat Mevrouw Dashwood u allebei zóó lang kan missen!”“Zóó lang?” kwam Mevrouw Jennings tusschenbeiden. “En ze zijn pas hier!”Lucy was tot zwijgen gebracht.“’t Spijt mij, dat we uw zuster niet zien, Juffrouw Dashwood”, zei Anne. “Jammer, dat ze niet wel is”; want Marianne was bij hun komst naar haar kamer gegaan.“Dank u; ’t zal mijn zuster ook spijten, dat ze niet ’t genoegen heeft gehad u te zien; maar zij heeft in den laatsten tijd veel last van zenuwhoofdpijn, die haar ongeschikt maakt om bezoek te ontvangen of met iemand te spreken.”“Och, dat treft wèl ongelukkig!—maar zulke oude vriendinnen als Lucy en ik!—onskon ze toch wel ontvangen, dunkt mij, en we zullen geen woord zeggen.”Elinor, steeds uiterst beleefd, ging op dit voorstel niet in. Haar zuster zou misschien te bed liggen, of half ontkleed zijn, en daarom niet kunnen beneden komen.“O, dàt doet er niets toe,” riep Juffrouw Steele; “we kunnen evengoed háár gaan opzoeken.”Elinor begon deze brutaliteit toch wat erg te vinden, zelfs voor háár verdraagzaamheid; maar de moeite er paal en perk aan te stellen werd haar bespaard door Lucy’s scherpe terechtwijzing, die ook in dit geval, zooals meermalen, hoewel niet bevorderlijk voor de lieftalligheid der eene zuster, toch den goeden dienst bewees, de lompheid der andere eenigszins binnen de perken te houden.

Toen de bijzonderheden van dit gesprek door Elinor aan hare zuster werden medegedeeld, zooals spoedig gebeurde, was hunne uitwerking niet volkomen zooals de eerste zich die had voorgesteld. Niet dat Marianne in eenig opzicht aan de waarheid van het verhaalde scheen te twijfelen; want Zij hoorde alles aan met stille en onderworpen aandacht, uitte geen tegenwerping, noch eenige opmerking zelfs; trachtte Willoughby niet te rechtvaardigen, en scheen door haar tranen te toonen, hoezeer zij gevoelde, dat dit onmogelijk was. Maar hoewel dit gedrag Elinor de zekerheid schonk, dat de overtuiging omtrent zijn schuld thans werkelijk tot haar was doorgedrongen, hoewel zij met voldoening de uitwerking ervan waarnam, door te zien, hoe Marianne niet langer Kolonel Brandon vermeed bij zijn bezoeken, hoezij tot hem sprak, zelfs uit eigen beweging, met een soort van medelijdenden eerbied, en hoewel zij zag dat Marianne’s zenuwgestel minder heftig geprikkeld scheen, zij vond hare treurigheid niet verminderd. Haar geest wàs thans tot rust gekomen; doch het was de rust der diepste verslagenheid. Het verlies, van alle vertrouwen in Willoughby’s zedelijk karakter trof haar nog zwaarder dan het verlies van zijn liefde had kunnen doen; het feit dat hij een jong meisje had verleid en verlaten, de ellende van dat arme kind, en de twijfel, welke plannen hij wellicht omtrent haarzelve had gekoesterd, dit alles had zulk een neerdrukkenden invloed op haar geest, dat zij niet van zich kon verkrijgen, zelfs tegen Elinor te spreken over ’t geen zij gevoelde, en dat stille verzinken in haar verdriet bedroefde haar zuster meer dan de meest openhartige en herhaalde uiting ervan had kunnen doen.

De weergave der gevoelens en uitingen van Mevrouw Dashwood, bij het ontvangen en beantwoorden van Elinor’s brief, zou slechts eene herhaling zijn van ’t geen haar dochters reeds gevoeld en gezegd hadden; teleurstelling, bijna niet minder smartelijk dan die van Marianne; verontwaardiging, nog grooter dan die van Elinor. In haar lange en snel op elkaar volgende brieven kwam al wat zij leed en dacht tot uiting; zij waren vol angstige bezorgdheid over Marianne, en smeekten haar, geestkracht te toonen onder dezen zwaren slag. Inderdaad, wèl zwaar moest de ramp zijn, die Marianne had getroffen, waar haar moeder spreken kon van geestkracht. Wel zéér pijnlijk en vernederend moest de oorzaak zijn eener droefgeestigheid, waaraanzijniet kon wenschen, haar te zien toegeven!...

In tegenspraak met haar persoonlijken wensch, achtte Mevrouw Dashwood het beter voor Marianne, thans overal elders liever te zijn, dan juist te Barton, waar al wat zij zag, het verleden op de levendigste en pijnlijkste wijze moest terugroepen,door haar aanhoudend Willoughby voor den geest te brengen, zooals zij hem daar steeds had gezien. Zij raadde hare dochters dus aan, het bezoek bij Mevrouw Jennings vooral niet te bekorten, dat, ofschoon geen bepaalde afspraak was gemaakt, toch naar aller meening minstens vijf of zes weken had zullen duren. Afwisseling, zoo in bezigheid als in vooruitzichten en gezelschap, waaraan het haar te Barton zou ontbreken, was hier onvermijdelijk, en zou, naar zij hoopte, Marianne soms toch nog kunnen bewegen tot eenige belangstelling in dingen buiten haarzelve, en zelfs tot deelname in eenig vermaak, hoezeer die beide mogelijkheden thans nog door haar mochten verworpen worden. Voor het gevaar, dat zij Willoughby weer zou kunnen zien, achtte haar moeder haar in de stad althans even veilig als buiten; daar allen, die zich haar vrienden noemden, thans niet meer met hem wilden omgaan. Met voorbedachten rade zouden zij elkander nooit ontmoeten; door onvoorzichtigheid zouden zij geen kans loopen, te worden blootgesteld aan een verrassing; en het toeval kon in het gewoel van Londen hun minder licht parten spelen dan zelfs in het afgelegen Barton, waar het hem plotseling voor haar oogen kon doen staan, wanneer hij het bezoek bracht te Allenham bij gelegenheid van zijn huwelijk, dat Mevrouw Dashwood, door het aanvankelijk als iets waarschijnlijks te beschouwen, thans was begonnen te verwachten als een stellige zekerheid.

Zij had nog eene andere reden voor den wensch, dat hare kinderen zouden blijven, waar zij waren; uit een brief van haar stiefzoon had zij vernomen, dat hij en zijn vrouw vóór half Februari in de stad zouden zijn; en zij vond het goed, dat zij nu en dan met hun broeder in aanraking zouden komen.

Marianne had beloofd, zich door haar moeder’s oordeel te laten leiden, en zij schikte zich dus ernaar zonder tegenstreven, hoewel het geheelverschillend bleek van wat zij wenschte en verwachtte; hoewel zij het beschouwde als ten eenenmale onjuist, en gegrond op een verkeerde zienswijze, terwijl het door een langer verblijf te Londen van haar te eischen, haar beroofde van de eenig mogelijke verzachting van haar ellende, het innig meegevoel harer moeder, en haar de straf oplegde van een gezelschap en eene omgeving, waarin zij nooit een oogenblik rust zou kunnen genieten. Doch het was voor haar een groote troost, dat wat háár kwaad berokkende, tengoede zou komen aan hare zuster; en Elinor, van haar kant, vermoedende, dat het niet in haar macht zou staan, Edward geheel te vermijden, troostte zich door te bedenken, dat hun langer verblijf, hoewel niet bevorderlijk voor haar eigen geluk, voor Marianne beter zou zijn dan onmiddellijk naar Devonshire terug te keeren.

Haar zorg om haar zuster te vrijwaren voor het hooren noemen van Willoughby’s naam, was niet vergeefsch geweest. Zonder het zelve te weten, plukte Marianne de vruchten ervan, want noch Mevrouw Jennings, noch Sir John, noch zelfs Mevrouw Palmer, spraken ooit over hem in haar bijzijn. Elinor wenschte wel dat zij de zelfde omzichtigheid tegenover haar hadden willen in acht nemen; maar dàt was onmogelijk, en zij moest dag aan dag luisteren naar de uitingen van hun aller verontwaardiging.

Sir John kon niet begrijpen, hoe zoo iets mogelijk was geweest. “Een man, van wien hij alle reden had gehad niets dan goeds te verwachten! De beste kerel van de wereld! In heel Engeland geloofde hij niet dat zulk een goed ruiter te vinden was! ’t Was onverklaarbaar, die geschiedenis. Hij mocht voor zijn part naar den duivel loopen. Hij zou van zijn leven geen woord meer met hem wisselen, wáár hij hem ook ontmoette! Neen, al was ’t op de grens van zijn eigen jachtgebied en al zouden ze er twee uur naast elkaar moeten staan wachten. Zulkeen schurk van een kerel, zulk een bedriegelijke schavuit! Den laatsten keer dat hij hem sprak, had hij hem nog een van Folly’s jongen aangeboden, en nu kwam het hierop neer!”

Mevrouw Palmer was al even boos, op haar manier. Zij wilde hem van nu af aannietmeer kennen, en ze was wàt blij, dat ze nooit kennis met hem had gemaakt. Ze wenschte van harte dat Combe Magna niet zoo dicht bij Cleveland was gelegen; maar ’t was toch zoo erg niet, omdat het veel te veraf was, om er een bezoek te brengen; ze had zoo’n hekel aan hem, dat ze vast van plan was, nooit weer zijn naam te noemen, en ze zou aan ieder, die ze zag vertellen, hoe weinig hij deugde.

Verder toonde Mevrouw Palmer haar meegevoel, door alle bijzonderheden uit te visschen, die ze kon te weten komen omtrent het aanstaande huwelijk, en die aan Elinor mee te deelen. Al spoedig wist ze bij welken rijtuigmaker het nieuwe rijtuig was besteld; door welken schilder het portret van den Heer Willoughby werd vervaardigd, en in welken winkel Juffrouw Grey’s trousseau was uitgestald. Lady Middleton’s kalme en beleefde onverschilligheid was voor Elinor een ware verlichting, gedrukt als zij soms was door de luidruchtige vriendelijkheid der anderen. Het was haar een groote troost, te weten dat althans ééne persoon in hun vriendenkring géén belang in hen stelde; eentroost, zeker te zijn, dat die eene haar zou ontmoeten zonder de geringste nieuwsgierigheid te toonen naar bijzonderheden, of eenige bezorgdheid aan den dag te leggen omtrent haar zuster’s gezondheidstoestand.

Elke eigenschap wordt somtijds, door de omstandigheden van het oogenblik verheven, tot meer dan haar werkelijke waarde; en soms werd zij zóó geplaagd door die opdringende meewarigheid, dat zij ertoe kwam, goede manieren als meer onontbeerlijk te gaan beschouwen voor haar gemoedsrust,dan goedhartigheid. Lady Middleton gaf haar bevindingen omtrent de zaak omstreeks eenmaal per dag, (of als het onderwerp herhaaldelijk ter sprake kwam, tweemalen) te kennen, door te zeggen: “’t Is bepaald ongehoord!”—en met behulp dezer aanhoudend, doch gemakkelijk werkende veiligheidsklep kon zij niet slechts van den beginne de dames Dashwood ontmoeten zonder de geringste aandoening; doch al spoedig ook hen ontvangen zonder zich van de geheele geschiedenis een woord te herinneren; en na op deze wijze de waardigheid harer eigen sekse te hebben opgehouden, en haar besliste afkeuring te hebben geuit van de fouten der andere, vond zij, dat het haar thans vrijstond, eens te denken aan de samenstelling harer eigen avondpartijen, en besloot dus (hoewel tegen den zin van Sir John) om, zoodra Mevrouw Willoughby getrouwd was, een kaartje bij haar af te geven, daar zij door haar huwelijk zoowel tot de deftige als vermogende kringen behooren zou.

Kolonel Brandon’s kiesche en onopvallende deelneming was Elinor nooit onwelkom. Hij had zich ten volle het voorrecht waardig gemaakt, haar zuster’s teleurstelling vertrouwelijk met haar te bespreken, door den vriendschappelijken ijver, waarmede hij had gepoogd, deze te verzachten, en zij spraken thans altijd met elkaar zonder terughouding. Het meest werd hij beloond voor de moeite, die het hem moest hebben gekost, het oude verdriet en de nieuwe vernedering te openbaren, door den medelijdenden blik, dien Marianne somtijds op hem liet rusten, en de zachtheid van haar stem, wanneer zij (wat niet dikwijls gebeurde) verplicht was, of zichzelve ertoe kon brengen, het woord tot hem te richten.Dieteekenen schonken hem de zekerheid, dat zijne bemoeiingen een gunstigen invloed hadden uitgeoefend op hare gezindheid te zijnen opzichte; enzijgaven Elinor hoop, dat dezegunstige gezindheid mettertijd nog zou toenemen; maar Mevrouw Jennings, die van dit alles niets afwist,—die alleen maar zag, dat de Kolonel nog steeds even ernstig bleef, en wel wist, dat zij hem nooit zou kunnen overhalen zelf het aanzoek te doen, en evenmin, om die taak aan háár op te dragen,—begon na een paar dagen te denken, dat het huwelijk toch allicht eerder in ’t najaar dan in den voorzomer zou plaats hebben, en geloofde aan ’t eind van de week, dat er in ’t geheel niets van kwam. De goede verstandhouding tusschen den Kolonel en Elinor scheen veeleer te doen vermoeden, dat ten slotte de begeerlijke moerbeienboom, de waterpartij en het taxis-prieel háár zouden ten deel vallen; en aan den Heer Ferrars had Mevrouw Jennings in den laatsten tijd in ’t geheel niet meer gedacht.

In ’t begin van Februari, nog geen veertien dagen na de ontvangst van Willoughby’s brief, werd Elinor de pijnlijke taak opgelegd, haar zuster mede te deelen, dat hij gehuwd was. Zij had gezorgd, bericht te ontvangen, zoodra de plechtigheid was voltrokken, daar zij niet wilde, dat Marianne de tijding het eerst zou vernemen uit de courant, die zij elken morgen met blijkbare spanning inzag. Marianne ontving het bericht met vastberaden kalmte, maakte geene opmerking, en schreide zelfs niet in het begin; doch na eenigen tijd kon zij hare tranen niet meer bedwingen, en zij was verder dien dag in een weinig minder beklagenswaardigen toestand, dan toen zij voor het eerst vernam, dat wat thans gebeurd was, te wachten stond.

De Willoughby’s vertrokken dadelijk na hun huwelijk; en Elinor hoopte, nu er geen gevaar meer bestond, dat zij een van beiden zou zien, haar zuster, die na den eersten slag nog steeds was thuis gebleven, over te halen, om langzamerhand weer meer uit te gaan, zooals vroeger. Omstreeks dezen tijd kwamen de dames Steele, die reeds een poosjewaren gelogeerd bij hun neef in Bartlett’s Buildings, Holborn, zich weer vertoonen bij hun deftiger verwanten in Conduit en Berkeley Street; en zij werden door allen bijzonder hartelijk ontvangen. Elinor alleen was niet blijde hen te zien. Hun aanwezigheid was haar altoos onaangenaam, en zij wist bijna niet, hoe zich met de noodige beleefdheid te gedragen, bij Lucy’s overstelpende verrukking, omdat zij haarnogin de stad aantrof.

“’t Zou mij héél erg hebben teleurgesteld, als ik u nietnoghier had ontmoet,” zei ze herhaalde malen met sterken nadruk op het woordje “nog”. Maar ik had het altijd wel gedacht. Ik wist haast wel zeker, dat u nog zoo gauw niet uit Londen zoudt heengaan; hoewel u mij te Barton vertelde, weet u nog wel? dat u niet langer zoudt blijven dan een maand. Ik dacht toen al, dat u wel van plan zoudt veranderen, als ’t er op aankwam. Het zou ook zoo jammer zijn geweest, weg te gaan eer uw broer en zuster kwamen. En nù zult ustelligwel geen haast maken. Het doet mij verbazend veel pleizier dat u uw woord niet gehouden hebt.”

Elinor begreep haar volkomen, en had al haar zelfbeheersching noodig, om te doen alsof dit niet het geval was.

“Wel, meisjes,” zei Mevrouw Jennings, “en hoe hebben jelui de reis gemaakt?”

“Niet met den omnibus, hoor,” zei Juffrouw Anne haastig en verheugd; “we hadden een postkoets, en een galanten cavalier op den koop toe. Dr. Davies moest naar de stad, en dus vonden we ’t wel geschikt om met hem partij te maken, en samen met de postkoets te reizen; hij was héél royaal, en betaalde wel tien of twaalf shillings meer dan wij.”

“O, o!” riep Mevrouw Jennings, “zoo mag ik het hooren! en ik wed, dat de dokter ongetrouwd is.”

“Kijk nu weer,” zei Juffrouw Steele, gemaakt lachend, “iedereen plaagt mij zoo met dien dokter, en ik begrijp niet waarom. Mijn nichtjes zeggen,dat ik bepaald een verovering heb gemaakt; maarikdenk in ’t geheel niet aan hem. “Anne, daar komt je vriend aan,” zei mijn nichtje laatst, toen ze hem de straat zag oversteken naar ons huis. “Vriend! ’t is wat moois!” zei ik; “ik weet niet eens wat je bedoelt. De dokterisgeen vriend van mij.”

“Jawel, jawel, dat is alles nu heel aardig; maar praatjes vullen geen gaatjes;—ik zie ’t al; de dokter is de man.”

“Neen, werkelijk!” antwoordde haar nicht met gemaakten ernst, “ik hoop toch, dat u het zult tegenspreken, als u er ooit over hoort praten.”

Mevrouw Jennings gaf haar aanstonds de geruststellende verzekering, dat zij dit zeer stellignietvan plan was, en Juffrouw Steele’s geluk was nu volmaakt.

“U gaat zeker bij uw broer en zuster logeeren, Juffrouw Dashwood, als ze in de stad komen,” zei Lucy, die na een poos haar vijandige toespelingen te hebben gestaakt, zich op nieuw gereedmaakte tot den aanval.

“Neen, dat denk ik niet.”

“O wel ja, natuurlijk doet u dat.”

Elinor wilde haar door verder tegenspreken niet haar zin geven.

“’t Is toch maar prettig, dat Mevrouw Dashwood u allebei zóó lang kan missen!”

“Zóó lang?” kwam Mevrouw Jennings tusschenbeiden. “En ze zijn pas hier!”

Lucy was tot zwijgen gebracht.

“’t Spijt mij, dat we uw zuster niet zien, Juffrouw Dashwood”, zei Anne. “Jammer, dat ze niet wel is”; want Marianne was bij hun komst naar haar kamer gegaan.

“Dank u; ’t zal mijn zuster ook spijten, dat ze niet ’t genoegen heeft gehad u te zien; maar zij heeft in den laatsten tijd veel last van zenuwhoofdpijn, die haar ongeschikt maakt om bezoek te ontvangen of met iemand te spreken.”

“Och, dat treft wèl ongelukkig!—maar zulke oude vriendinnen als Lucy en ik!—onskon ze toch wel ontvangen, dunkt mij, en we zullen geen woord zeggen.”

Elinor, steeds uiterst beleefd, ging op dit voorstel niet in. Haar zuster zou misschien te bed liggen, of half ontkleed zijn, en daarom niet kunnen beneden komen.

“O, dàt doet er niets toe,” riep Juffrouw Steele; “we kunnen evengoed háár gaan opzoeken.”

Elinor begon deze brutaliteit toch wat erg te vinden, zelfs voor háár verdraagzaamheid; maar de moeite er paal en perk aan te stellen werd haar bespaard door Lucy’s scherpe terechtwijzing, die ook in dit geval, zooals meermalen, hoewel niet bevorderlijk voor de lieftalligheid der eene zuster, toch den goeden dienst bewees, de lompheid der andere eenigszins binnen de perken te houden.


Back to IndexNext