Hoofdstuk XXXIII

Hoofdstuk XXXIIINa eenig tegenstribbelen gaf Marianne gehoor aan haar zuster’s dringend verzoek, en stemde op zekeren morgen erin toe, een half uurtje met haar en Mevrouw Jennings uit te gaan. Zij stelde echter de voorwaarde, dat zij geen bezoeken zou behoeven te maken, en wilde alleen meegaan naar den winkel van Gray in Sackville Street, waar Elinor het een en ander had te bespreken in verband met den ruil van enkele ouderwetsche kostbaarheden van hare moeder. Toen zij voor de deur van den juwelier stilhielden, herinnerde Mevrouw Jennings zich, dat aan het andere einde van de straat eene dame woonde, diezij volstrekt moest bezoeken, en daar zij bij Gray niets te doen had, werd afgesproken dat zij haar visite zou maken, terwijl hare logées hun zaken afdeden, om hen later weer af te halen.Toen de dames Dashwood boven kwamen, bemerkten zij, dat reeds verscheiden personen hen waren vóór geweest, en geen der bedienden hun op het oogenblik kon te woord staan; zij waren dus wel genoodzaakt te wachten. Al wat zij konden doen, was, aan den hoek te gaan zitten van de toonbank, waar zij het eerst kans hadden, aan de beurt te zullen komen; hier stond slechts één heer, en waarschijnlijk hoopte Elinor, dat hij uit beleefdheid een weinig haast zou maken. Maar de nauwlettendheid van zijn scherpen blik, en de keurigheid van zijn smaak schenen het van zijn beleefdheid te winnen. Hij bestelde een tandenstoker-étui, voor eigen gebruik, en eer hij tot een beslissing was gekomen omtrent de grootte, het model en de versiering van het voorwerp,—die tenslotte, nadat hij alle tandenstoker-étuis in den winkel had bekeken en bepraat, bleven overgelaten aan zijn eigen vindingrijke fantasie,—had hij geen gelegenheid, zich tegenover de dames op andere wijze verdienstelijk te maken, dan door hen drie of viermaal zéér onbescheiden op te nemen; eene attentie, die Elinor voorgoed de herinnering deed behouden aan een persoon en een gezicht, uitmuntend door de meest treffende, aangeboren en kernachtige onbeduidendheid; hoewel het jongemensch naar de allerlaatste mode was uitgedost.Marianne bleven de onaangename gevoelens van minachting en ergernis bespaard, gewekt door dat brutale opnemen van hun gezichten, en door het ingebeelde air, waarmee hij de verschillende onvolmaaktheden der verschillende tandenstoker-étuis critiseerde, die hem werden voorgelegd; daar zij van dit alles niets bespeurde; zij kon evengoed zich in haar gedachten verdiepen en onbewust blijven van’t geen rondom haar voorviel, in den juwelierswinkel als in haar eigen slaapkamer thuis. Eindelijk kwam de zaak in orde. Het ivoor, het goud en de parelen kregen elk de hun aangewezen bestemming, en nadat de jonge man den laatsten dag had genoemd, dien hij dacht te kunnen doorleven zonder zijn étui, en op zijn gemak zijn handschoenen had aangetrokken, wierp hij den dames Dashwood nogmaals een blik toe, die eer bewondering scheen te eischen dan uit te drukken, en stapte heen, in al de glorie van echte inbeelding en voorgewende onverschilligheid.Elinor zorgde ervoor, thans onmiddellijk te worden geholpen, en zij was bijna klaar, toen een andere heer naast haar kwam staan. Zij keek hem even aan, en zag tot haar verwondering, dat het haar broeder was.Hun hartelijkheid en de blijdschap over deze ontmoeting waren juist voldoende om hier in den winkel een zeer goeden indruk teweeg te brengen. John Dashwood vond het heel aardig, zijn zusters eens weer te zien; hun beiden deed het werkelijk genoegen, en naar hun moeder vroeg hij met eerbiedige belangstelling.Elinor hoorde, dat hij en Fanny al twee dagen in de stad waren. “Ik zou je graag gisteren zijn komen opzoeken,” zei hij, “maar dat ging nu eenmaal niet, omdat Harry volstrekt den dierentuin moest zien, en verder brachten we den dag door bij Mevrouw Ferrars. Harry vond het prachtig. Van morgen was ik wéér stellig van plan je een bezoek te brengen, als ik een half uurtje vrij had, maar er is altijd zóóveel te doen, als men pas in de stad komt! Ik moet hier een zegel bestellen voor Fanny. Maar morgen denk ik bepaald naar Berkeley Street te gaan, en meteen kennis te maken met je vriendin Mevrouw Jennings. Ik hoor dat zij zeer vermogend is. En aan de Middletons moet je mij ook voorstellen. Daar zij familie zijn van mijn stiefmoeder, zal ’t mijgenoegen doen hen te leeren kennen. Ik hoor, dat ze daarbuiten goede buren voor je zijn.”“O ja, uitmuntend. Hun welwillendheid in ieder opzicht, hun hartelijke vriendschappelijkheid zijn met geen woorden uit te drukken.”“Het doet mij oprecht genoegen dat te hooren; daar ben ik bepaald blij om. Maar zoo behoort het ook; het zijn menschen van fortuin; ze zijn familie van je; en men kon met recht verwachten, dat ze door beleefdheid en voorkomendheid je leven zouden pogen te veraangenamen. En je hebt het dus zeer naar je zin in je huisje, en verder niets te wenschen. Edward had er ons niets dan goeds van te vertellen; hij zei, het was in zijn soort volmaakt en jelui hadt er allen evenveel pleizier in. ’t Was ons een groote voldoening, dat te hooren, zooals je wel begrijpen zult.”Elinor schaamde zich een beetje over haar broeder, en het speet haar niet, dat zij een antwoord kon achterwege laten; daar Mevrouw Jennings’ knecht kwam zeggen, dat het rijtuig wachtte.De Heer Dashwood ging met hen mee naar beneden, werd bij het portier van het rijtuig aan Mevrouw Jennings voorgesteld, en nam afscheid, na nogmaals de hoop te hebben uitgedrukt, dat hij hen den volgenden dag zou kunnen bezoeken.Het bezoek had dan ook werkelijk plaats. Hij bracht een zoogenaamde verontschuldiging over van hun schoonzuster, dat zij niet meekwam; “maar zij werd zoo in beslag genomen door haar moeder, dat ze werkelijk geen tijd had om ergens heen te gaan.” Mevrouw Jennings verzekerde hem echter dadelijk, dat zij het daarmee zoo nauw niet nam; ze waren toch allen familie van elkaar in zekeren zin, en zij zou in elk geval spoedig Mevrouw John Dashwood bezoeken en haar zusters meebrengen. Tegen Elinor en Marianne was hij, ofschoon niet uitbundig, toch zeer vriendelijk; Mevrouw Jennings behandelde hij uiterst beleefd, en toen KolonelBrandon kort na hem verscheen, keek hij hem aan met een nieuwsgierige belangstelling, die zijn bereidwilligheid liet doorschemeren, ook tegen hèm beleefd te zijn, als hij maar eerst wist, dat hij rijk was. Toen hij er een half uurtje had gezeten, vroeg hij of Elinor met hem naar Conduit Street wilde wandelen, om hem aan Sir John en Lady Middleton voor te stellen. Het was bijzonder mooi weer, en zij stemde hier gaarne in toe. Zoodra ze buitenshuis waren, begon hij te vragen.“Wie is Kolonel Brandon? Is hij rijk?”“Ja; hij heeft een mooie bezitting in Dorsetshire.”“Daar ben ik blij om. Hij maakt een zeer gunstigen indruk en ik geloof, Elinor, dat ik je mag gelukwenschen met het vooruitzicht op een goede positie.”“Mij gelukwenschen?—wat bedoel je, John?”“Hij houdt van je. Ik heb scherp opgelet, en ik ben er zeker van. Hoeveel inkomen heeft hij?”“Ik geloof omstreeks tweeduizend pond in het jaar.”“Tweeduizend pond in het jaar,”... en met een soort van stuipachtige poging tot edelmoedige geestdrift voegde hij erbij: “Elinor, uit den grond van mijn hart zou ik wenschen, voor jou, dat hettweemaalzooveel was.”“Dat geloof ik graag,” antwoordde Elinor; “maar ik weet wel zeker, dat KolonelBrandonin de verste verte niet wenscht, metmijte trouwen.”“Je vergist je, Elinor; je vergist je bepaald. Met een klein beetje moeite vanjouwkant zou ’t gelukken. Misschien staat zijn besluit nog niet vast; dat je weinig bezit kan een beletsel voor hem zijn; mogelijk raden zijn vrienden het hem allen af. Maar zoo enkele kleine attenties en aanmoedigingen, die het dames zoo gemakkelijk valt te bewijzen, brengen de zaak in orde, eer hij het weet. En er kan geen reden bestaan, waarom je ’t niet zou beproeven, hem te winnen. ’t Is niet te denken, dat een vroegeregenegenheid vanjouwkant... je weet nu eenmaal, wat dàt betreft, daarvan kan geen sprake zijn; de bezwaren zijn onoverkomelijk—en je bent te verstandig om dat niet in te zien. Kolonel Brandon wordt de man, en ’t zal aan mij niet liggen, als hij niet ingenomen is met jou en je familie. Dàt is nu een huwelijk, dat iedereen zal aanstaan.—Ik zal ’t je maar zeggen,”—hier begonhijgewichtig te fluisteren,—“het zal vooralle partijenbepaald een uitkomst zijn.” Zich bedenkend, voegde hij erbij: “Dat wil zeggen... ik bedoel... al je vrienden verlangen natuurlijk oprecht om je gelukkig getrouwd te zien; Fanny vooral, want zij meent het goed met je, werkelijk. En haar moeder ook; Mevrouw Ferrars is een heel goedhartige vrouw; ik geloof stellig, dat het haar veel pleizier zou doen, ze heeft nog pas zoo iets gezegd.”Elinor verwaardigde zich niet, hierop te antwoorden.“Het zou wèl toevallig zijn,” ging hij voort, “bepaald grappig, als Fanny’s broer enmijnzuster op den zelfden tijd in ’t huwelijk traden. En ’t kan toch licht gebeuren.”“Gaat Edward Ferrars dan trouwen?” zei Elinor bedaard.“Het staat nog niet vast; maar er is wel sprake van. Hij heeft een moeder zooals er geen tweede bestaat. Mevrouw Ferrars zal hem met de grootste vrijgevigheid behandelen en hem een vast inkomen verzekeren van duizend pond jaarlijks, als dit huwelijk doorgaat.Zijis een Morton, de eenige dochter van den overleden Lord Morton, en zij bezit dertigduizend pond,—van beide zijden is de verbintenis zeer gewenscht, en ik twijfel geen oogenblik of die zaak komt wel in orde. Duizend pond in ’t jaar is geen kleinigheid voor een moeder, om voor goed af te staan; maar Mevrouw Ferrars heeft een nobele natuur. Om je nog een voorbeeld te noemen van haar royaliteit; toenwe nu onlangs in de stad kwamen, heeft ze, omdat ze wel wist dat we niet ruim bij kas waren, Fanny een presentje toegestopt van tweehonderd pond. En dat kwam ons uitnemend te pas; want het is duur leven hier in de stad.” Hij wachtte op een betuiging van instemming en medelijden, en zij dwong zichzelf, te zeggen:“Je zult zoowel in de stad als buiten veel uitgaven hebben; maar je inkomen is ook groot.”“Niet zoo groot, durf ik wel zeggen als veel menschen meenen. Ik wil overigens niet klagen, natuurlijk; het is in elk geval zéér voldoende, en zal, hoop ik, mettertijd grooter worden. Het omheinen van Norland Common, waarmee we nu bezig zijn, verslindt ontzaglijk veel geld. En ik heb in dit laatste halfjaar ook nog een aankoop gedaan—East Kingham Farm, je herinnert je die boerderij wel, waar de oude Gibson woonde. Die landerijen kwamen mij in elk opzicht zoo uitmuntend van pas, ze sloten zoo onmiddellijk aan bij mijn eigendom, dat ik het als mijn plicht beschouwde, ze te koopen. Ik had het niet met mijn geweten kunnen overeenbrengen, ze in andere handen te laten vallen. Voor iets goeds moet men ook wat overhebben; en hetheeftmij geld gekost, dat is zeker.”“Meer dan je denkt, dat het bezit werkelijk en op zich zelf waard was?”“Och, dat wil ik niet zeggen. Ik had het den volgenden dag kunnen verkoopen voor méér dan ik had betaald; maar wat de koopsom betrof, daarmee had ik wel heel ongelukkig kunnen treffen; de koersen stonden toen juist zoo laag, dat ik bepaald met groot verlies effecten zou hebben moeten verkoopen, als ik niet toevallig bij mijn bankier over de benoodigde som had kunnen beschikken.”Elinor glimlachte even.“Nog meer groote en onvermijdelijke uitgaven hebben we gehad toen we pas te Norland waren gekomen. Zooals je weet, had vader al het goed vanStanhill, dat meegenomen was naar Norland, aan je moeder nagelaten. Daarover wil ik mij niet beklagen; verre van daar; hij had het volste recht over zijn eigendom te beschikken zooals hij verkoos. Maar wij hebben dientengevolge veel linnengoed, porselein, enz. moeten aanschaffen, ter vervanging van ’t geen werd weggenomen. Je kunt wel begrijpen, dat we, na al die onkosten, nu volstrekt niet rijk kunnen genoemd worden, en dat Mevrouw Ferrars’ vriendelijkheid ons bijzonder welkom is.”“Zeker,” zei Elinor; “en ik hoop dat je met haar bijstand nog eenmaal zoover zult komen, dat je ruim en royaal leven kunt.”“Met een paar jaar zal het er méér naar gaan lijken,” antwoordde hij met onverstoorbaren ernst; “maar er blijft vooreerst nog veel te doen. Er is nog niet eens begonnen met den bouw van Fanny’s oranjerie, en van den bloemtuin is enkel het plan ontworpen.”“Waar komt die oranjerie?”“Op het heuveltje achter het huis. De oude noteboomen zijn alle omgehakt, om ruimte te maken. Van uit het park gezien zal dat mooie gebouw een goed figuur maken, en de bloemtuin komt er vlak vóór, tegen de helling. We hebben al de oude meidoorns opgeruimd, die daar verspreid op den heuvel groeiden.”Elinor hield haar spijt en haar afkeuring voor zich, en was maar blijde, dat Marianne er niet bij was, om zich mèt haar te ergeren.Nu hij genoeg had gezegd, om zijn armoede in een helder licht te stellen, en de verplichting te ontgaan, bij zijn volgend bezoek aan den juwelier voor ieder van zijn zusters een paar oorbelletjes te koopen, begon hij aan vroolijker dingen te denken, en Elinor geluk te wenschen, dat ze een vriendin had als Mevrouw Jennings. “Dat is bepaald iemand, die men op prijs moet stellen. Haar huis, haar manier van leven, alles wijst op een uiterst ruiminkomen, en de kennismaking met haar is niet alleen tot nu toe je van zeer groot nut geweest; maar kan later werkelijk voordeel voor je afwerpen. Dat ze jelui hier heeft te logeeren gevraagd, bewijst wel, hoe goed ze je gezind is; werkelijk, ik zie daarin een zoo sprekend bewijs van haar genegenheid, dat jelui naar alle waarschijnlijkheid bij haar overlijden wel niet zult worden vergeten. Zij zal heel wat nalaten, denk ik...”“Ik zou eerder denken, in ’t geheel niets; zij heeft enkel het vruchtgebruik van het kapitaal, dat haar kinderen zullen erven.”“Maar het spreekt toch van zelf, dat zij niet haar geheele inkomen verteert. Dàt doet toch haast niemand, die zijn verstand gebruikt; en met hetgeen ze spaart, kan zij doen wat ze wil.”“En lijkt het je niet meer dan waarschijnlijk, dat ze dat aan haar dochters zal nalaten dan aan ons?”“Haar dochters zijn beiden rijk getrouwd; ik zie dus niet in, waarom zij juist het eerst aan hèn zou denken.Mijdunkt juist, dat zij, door zooveel notitie van jelui te nemen, en je op deze wijze te behandelen, jelui een soort van recht heeft gegeven om voor de toekomst iets van haar te verwachten, dat een vrouw, die nauwgezet van geweten is, stellig zal moeten erkennen. Haar houding tegenover jelui is wel zoo vriendelijk mogelijk, en zij kan moeilijk zóó ver gaan in dit opzicht, zonder te begrijpen, welke verwachtingen zij wekt.”“Gééne, bij hen, die de zaak het allereerst aangaat. Werkelijk, John, je bezorgdheid voor ons welzijn en onzen voorspoed gaat verder dan noodig is.”“’t Is waar,” zei hij, blijkbaar tot nadenken gebracht, “de mensch heeft weinig, zéér weinig in zijn macht. Maar lieve Elinor, wat scheelt Marianne toch?—Ze ziet er bijzonder slecht uit, heeft haar frissche kleur verloren, en is bepaald mager geworden. Is zij ziek?”“Ze is niet heel wel; ze heeft al een paar weken last van haar zenuwen.”“Dat is jammer. Op haar leeftijd doet ziekte alle frischheid verloren gaan. Háár bloei heeft maar kort geduurd. In September nog was ze een van de mooiste meisjes, die ik kende, met veel aantrekkelijks voor mannen. Juist de soort van schoonheid die hun bevalt. Ik weet nog, hoe Fanny altijd zei, datzijeerder en beter zou trouwen dan jij,—niet dat ze van jou niet véél zou houden,—maar ze dacht dat nu zoo. En toch zal ze zien, dat ze zich vergist heeft. ’t Is de vraag of Mariannenueen man kan krijgen met meer dan vijf- of zeshonderd in ’t jaar op zijn meest, en ’t zou mij niets verwonderen, als jij het niet beter treft. Dorsetshire! Ik ken Dorsetshire zoo goed als niet; maar ik zou het bijzonder gaarne nader leeren kennen, Elinor; en ik durf wel zeggen, dat Fanny en ik daar je eerste en recht verheugde logeergasten zullen zijn.”Elinor trachtte hem met den meesten nadruk te overtuigen, dat er van een huwelijk tusschen haar en Kolonel Brandon niets zou komen; maar hij had te veel pleizier in die verwachting om haar te kunnen opgeven; en hij was vastbesloten, den Kolonel nader te leeren kennen, en zijn uiterste best te doen, dat huwelijk tot stand te brengen. Hij had juist genoeg berouw over het feit, dat hijzelf niets voor zijn zusters had gedaan, om uit alle macht te verlangen, dat anderen des te meer voor hen zouden doen, en een huwelijksaanzoek van Kolonel Brandon, of een legaat van Mevrouw Jennings, waren de eenvoudigste middelen om zijn eigen nalatigheid te vergoeden....Zij troffen Lady Middleton gelukkig thuis, en Sir John kwam binnen, eer hun bezoek was afgeloopen. Er werden van weerskanten veel minzame beleefdheidsbetuigingen gewisseld. Sir John was altoos bereid met iedereen veel op te hebben; en hoewel de Heer Dashwood van paarden niet veelscheen te weten, vond hij hem al spoedig een besten kerel; terwijl Lady Middleton oordeelde, dat hij er gedistingeerd genoeg uitzag, om de kennismaking de moeite waard te achten; en de Heer Dashwood zelf vertrok verrukt van allebei.“Ik zal er Fanny niets dan goeds van kunnen vertellen,” zei hij tegen zijn zuster, onder het terugwandelen, “Lady Middleton is werkelijk een charmante vrouw; iemand, met wie Fanny blij zal zijn, kennis te maken. En Mevrouw Jennings weet zich ook bijzonder goed voor te doen, al is ze niet zoo elegant als haar dochter. Je schoonzuster behoeft er geen bezwaar in te zien, háár ook te bezoeken; wat tot nu toe, om de waarheid te zeggen, wel een beetje ’t geval was, en niet zonder reden; want we wisten alleen, dat Mevrouw Jennings de weduwe was van een man, die zijn geld had verdiend op een nog al obscure manier; en Fanny en Mevrouw Ferrars hielden stijf en strak vol, dat noch zij, noch haar dochters in de termen vielen om met iemand als Fanny te kunnen omgaan. Maar nu kan ik haar omtrent beiden op de meest afdoende wijze geruststellen.”Hoofdstuk XXXIVMevrouw John Dashwood had zooveel vertrouwen in haar man’s oordeel, dat zij den volgenden dag zoowel Mevrouw Jennings als haar dochter een bezoek ging brengen; en zij zag dat vertrouwen beloond door de ontdekking, dat zelfs de eerste, dat mensch, bij wie hare zusters logeerden, haar omgang niet onwaardig scheen, terwijl zij Lady Middleton een van de liefste vrouwen vond, die zij ooit had ontmoet!Lady Middleton was precies even ingenomen met Mevrouw Dashwood. Van weerskanten was hier een soort koele zelfzucht, die beiden zich tot elkaar aangetrokken deed gevoelen, en zij stemden volkomen overeen in de geestelooze vormelijkheid van hun gedrag, en een totaal gemis van begrijpend inzicht. Dezelfde houding echter, die Mevrouw John Dashwood de goede meening van Lady Middleton deed verwerven, beviel Mevrouw Jennings in ’t geheel niet;zijkreeg alleen den indruk van een nuffig vrouwtje met stijve manieren, dat haar schoonzusters zonder een spoor van hartelijkheid begroette en hun niets te vertellen had; want van het kwartiertje, dat zij in Berkeley Street bleef, zat zij stellig zeven minuten zonder een woord te zeggen.Elinor had heel graag willen weten, ofschoon zij er niet naar verkoos te vragen, of Edward al in de stad was; maar niets zou Fanny hebben kunnen bewegen vrijwillig zijn naam in haar bijzijn te noemen, eer zij haar kon vertellen, dat zijn huwelijk met Juffrouw Morton vaststond, of totdat haar man’s verwachtingen omtrent Kolonel Brandon waren vervuld; want zij verdacht hen ervan nogsteeds zooveel van elkander te houden, dat zij bij alle gelegenheden niet ijverig genoeg konden worden gescheiden gehouden, door woord en door daad. De inlichting echter, diezijniet verkoos te verstrekken, gewerd Elinor al spoedig uit een andere bron. Lucy kwam haar medelijden inroepen, omdat zij Edward niet kon ontmoeten, hoewel hij tegelijk met den Heer en Mevrouw Dashwood in de stad gekomen was. Hij durfde uit vrees voor ontdekking niet naar Bartlett’s Buildings gaan, en hoewel zij beiden onuitsprekelijk verlangden elkaar te zien, was schrijven heteenigedat hun voorloopig overbleef.Zeer spoedig verschafte Edward zelf hun de zekerheid dat hij in de stad was, door tweemaal een bezoek te brengen in Berkeley Street. Tweemaal vonden zij zijn kaartje, toen zij van hun morgenritje terugkwamen. Elinor was blijde dat hij er geweest was, en nog blijder, dat zij hem niet had behoeven te zien. De Dashwoods waren zoo uitermate ingenomen met de Middletons, dat zij, die overigens aan geven niet gewend waren, nu toch eens besloten een diner te geven te hunner eere, en zij vroegen hen dus al spoedig te dineeren in Harley Street, waar zij voor drie maanden een zeer geschikt huis hadden gehuurd. Hun zusters en Mevrouw Jennings werden ook gevraagd, en John Dashwood zorgde ervoor dat Kolonel Brandon eveneens van de partij zou zijn. De laatste, die gaarne overal kwam, waar hij de dames Dashwood kon ontmoeten, beantwoordde zijne overstelpende beleefdheid met eenige verwondering, maar met veel meer genoegen. Zij zouden dan nu Mevrouw Ferrars leeren kennen; maar Elinor kon niet gewaar worden of haar beide zoons ook waren gevraagd. De verwachting echter, háár te zullen zien, was voldoende om haar belangstelling te wekken; want al kon zij nu Edward’s moeder ontmoeten zonder het gevoel van angst, dat vroegermet die voorstelling had moeten gepaard gaan; al bleef het haar thans volkomen onverschillig, welken indruk zij op de oude dame zou maken; haar wensch om in Mevrouw Ferrars’ gezelschap te zijn, haar nieuwsgierigheid om te weten hoe zij nu eigenlijk was, bleven even sterk als voorheen.De spanning, waarmede zij de partij tegemoet zag, werd spoedig daarna nog verhoogd op een wijze, niet zoozeer aangenaam als wel prikkelend, door het bericht dat de dames Steele eveneens waren uitgenoodigd.Zoo goed stonden zij bij Lady Middleton aangeschreven; zoozeer hadden zij zich door hun vleierij in haar gunst weten te dringen, dat zij, hoewel Lucynietgedistingeerd, en haar zuster zelfs niet recht vertoonbaar was, evenzeer bereid bleek als Sir John om hen een paar weken in Conduit Street te logeeren te vragen; en het trof toevallig de dames Steele als zéér geschikt, zoodra zij hoorden van de uitnoodiging der Dashwoods, hun bezoek aan te kondigen een paar dagen vóór de bewuste partij.Hun aanspraak op de beleefdheid van Mevrouw John Dashwood, als de nichten van den heer, die jaren geleden met de opvoeding van haar broer belast was, zou hun overigens allicht geen plaatsje aan haar disch hebben kunnen verschaffen; doch als de gasten van Lady Middleton moesten zij haar welkom zijn, en Lucy, die al zoo lang gewenscht had, de familie persoonlijk te leeren kennen, van naderbij hun karakters te beschouwen in verband met haar eigen moeilijkheden, en gelegenheid te vinden tot een poging om hun gunst te winnen, was zelden in haar leven zóó gelukkig geweest, als bij het ontvangen van Mevrouw John Dashwood’s invitatiekaart. Elinor ging het juist andersom. Zij begon dadelijk te bedenken, dat Edward, die bij zijn moeder gelogeerd was, mèt haar zou worden geïnviteerd op een partij, gegevendoor zijn zuster, en hem voor de eerste maal te ontmoeten, na al wat er gebeurd was, in gezelschap van Lucy!—Zij begreep bijna niet, hoe zij dàt zou verdragen!Misschien was die vrees wel niet volkomen redelijk, en in elk geval bleek zij geheel ongegrond. Zij werd echter verdreven, niet zoozeer door haar eigen rustig nadenken, als door de minzaamheid van Lucy, die meende, dat zij Elinor bitter teleurstelde, toen zij haar kwam vertellen, dat Edward Dinsdag in géén geval zou kunnen komen; en zelfs hoopte haar nog dieper te grieven, door het zoo voor te stellen, alsof hij zich gedrongen zag, weg te blijven met het oog op zijn vurige genegenheid, die hij niet zou kunnen verbergen, wanneer zij samen in gezelschap waren.De gewichtige Dinsdag brak aan, waarop beide jonge dames zouden worden voorgesteld aan de geduchte schoonmoederin spe.“Beklaag mij toch, mijn beste Juffrouw Dashwood!” zei Lucy, terwijl ze samen de trap opgingen,—want de Middletons kwamen bijna tegelijk met Mevrouw Jennings, en zij volgden met elkander den bediende naar den salon.—“Niemand dan u kan hier met mij meegevoelen. Ik kan haast niet op mijn beenen staan. Ontzettend!—Over een minuut zal ik háár zien, van wie al mijn geluk afhankelijk is,—háár, die mijn moeder zal worden!”...Elinor had haar oogenblikkelijk verlichting kunnen verschaffen, door de mogelijkheid op te werpen, dat het veeleer de moeder van Juffrouw Morton, dan de hare zou zijn, die zij op het punt waren te aanschouwen; maar inplaats van dat te doen, verzekerde zij haar, volkomen oprecht, dat zij haar inderdaad beklaagde,—tot groote verbazing van Lucy, die, hoewel zelve alles behalve op haar gemak, toch hoopte, door Elinor te worden beschouwd met niet te onderdrukken afgunst. Mevrouw Ferrars was een kleine magere vrouw; met een stijfheid inhaar houding, die aan strakheid, en een ernst in haar uitdrukking, die aan bitsheid grensde. Haar tint was vaal, en hare trekken waren, hoewel niet grof, zonder schoonheid, en van nature onbewogen, doch een gelukkig toeval had gewild, dat de strenge frons van haar voorhoofd haar gelaat vrijwaarde voor de blaam van volkomen onbeduidendheid, door het krachtig te stempelen met het merk van boosaardigheid en trots. Zij was niet zeer spraakzaam; daar zij, anders dan de meeste menschen, haar woorden in verhouding placht te brengen tot het aantal harer denkbeelden, en van de paar korte zinnetjes, die zij zich liet ontvallen, was er geen enkele gericht tot Juffrouw Dashwood, die zij opnam met het vastgewortelde voornemen, haar in elk geval niet aantrekkelijk te vinden.Nukon dit gedrag Elinor geen verdriet doen. Een paar maanden geleden zou het haar diep hebben gegriefd; doch het stond thans niet in Mevrouw Ferrars’ macht, haar ermede te hinderen; en het verschil met haar houding tegenover de dames Steele—een verschil, dat blijkbaar moest dienen om háár te meer te vernederen,—vermaakte haar zelfs een weinig. Zij kon niet nalaten te glimlachen bij het zien van de beminnelijkheid, door moeder en dochter ten toon gespreid tegenover iemand,—want Lucy werd met bijzondere onderscheiding behandeld,—die zij, wanneer ze evengoed op de hoogte waren geweest als zijzelve, liever zouden hebben willen vernielen; terwijl zij, die betrekkelijk machteloos was tegenover hen, erbij zat, en opzettelijk door beiden werd veronachtzaamd. Maar terwijl zij glimlachte over die vriendelijkheid aan het verkeerde adres, kon zij niet nalaten, denkend aan de dwaze kleingeestigheid, waaruit deze voortsproot, en lettend op den pijnlijken ijver, waarmede de dames Steele zich bevlijtigden om in de gunst te blijven, hen alle vier uit den grond van haar hart te verachten.Lucy was in één verrukking over de onderscheiding, die haar te beurt viel; en haar zuster was overal in de wolken, waar ze maar met Dr. Davies werd geplaagd. Het diner was deftig, de bedienden talrijk, en alles verried Mevrouw’s neiging tot vertooning maken, en Mijnheer’s bereidwilligheid om aan die neiging te voldoen. Ondanks de verbetering en vergrooting van Norland en ten spijt van het dreigend gevaar, dat de eigenaar van het goed had geloopen, een paar duizend pond kwijt te raken door te verkoopen met verlies, vertoonde zich nergens een spoor van de behoeftigheid, die hij had gepoogd, als het gevolg hiervan voor te stellen; armoede viel hier geenszins te bespeuren, tenzij in het gehalte van het gesprek, dat dan ook bedenkelijk te wenschen overliet. John Dashwood had nooit veel te vertellen, dat de moeite van het aanhooren waard was, en zijn vrouw nog minder. Hierdoor echter kon hen in ’t bijzonder geen blaam treffen, want in het zelfde geval verkeerden de meesten hunner gasten, die bijna allen den druk ondervonden van de eene of andere der voornaamste beletselen om zich aangenaam te maken,—gemis van verstand, ’t zij natuurlijk of verhelderd door ontwikkeling, gemis van gratie, gemis van vroolijkheid, en gemis van geest.Toen de dames na het diner naar den salon terugkeerden, bleek die armoede duidelijker dan te voren; want de heeren hàdden dan toch eenige afwisseling gebracht in het gesprek,—in zooverre het liep over politiek, land-ontginning en paardrijden,—maar daarmee was het nu uit, en slechts één onderwerp hield de dames bezig, tot de koffie werd gepresenteerd, nl. het verschil in lengte tusschen Harry Dashwood, en Lady Middleton’s tweede zoontje William, die ongeveer even oud waren.Waren beide kinderen in de kamer geweest, dan zou de vraag tè gemakkelijk zijn beslist, door zeeenvoudig te meten; doch daar Harry alleen tegenwoordig was, bleef het van beide zijden bij gissingen, terwijl ieder het recht had op zijn stuk te blijven staan, en zijne meening tot in het oneindige te herhalen.De partijen waren verdeeld in dezer voege:De beide moeders, hoewel ieder voor zich overtuigd, dat haar eigen jongen de grootste was, gaven uit beleefdheid de eer aan den ander.De beide grootmoeders, niet minder partijdig, doch meer oprecht, namen het even ernstig op voor hun eigen nakomelingen.Lucy, die bijna niet wist, wie van de beide mama’s het liefste te behagen, vond beide jongens buitengewoon groot voor hun leeftijd, en kon maar niet begrijpen dat er een zweem verschil tusschen hen bestond, en Juffrouw Steele wist zich nog handiger te redden, door in een adem den een, zoowel als den ander den grootste te noemen.Elinor, die eenmaal de meening had uitgesproken, dat zij William voor grooter hield, waardoor ze Mevrouw Ferrars beleedigde, en Fanny nog erger, vond het niet noodig, verder vol te houden, en toen Marianne naar de hare werd gevraagd, maakte zij hen allen met elkaar boos, door te zeggen, dat zij er geene meening op nahield in dezen, omdat zij nooit veel op de kinderen had gelet. Eer zij Norland verliet, had Elinor voor haar schoonzuster een paar mooie schermpjes geschilderd, die thans waren omlijst en als versiering dienden van den salon te Londen; en toen John Dashwood ze in het oog kreeg, nadat hij met de andere heeren weer binnen was gekomen, overhandigde hij ze beleefd aan Kolonel Brandon, om ze door hem te laten bewonderen.“Die heeft mijn oudste zuster geschilderd,” zei hij, “ik denk dat u, als man van smaak, ze wel mooi zult vinden. Ik weet niet, of u al meer van haar tekeningen hebt gezien; maar over ’t algemeen beschouwt men haar als zeer talentvol.”De Kolonel zeide, dat men hem volstrekt niet als een kenner moest beschouwen; doch bewonderde de schermpjes, zooals hij alles zou bewonderd hebben, wat door Juffrouw Dashwood was geschilderd; en daar de anderen nu natuurlijk nieuwsgierig werden, gingen zij van hand tot hand. Mevrouw Ferrars, die niet wist dat ze Elinor’s werk waren, bood ze zelve ter beschouwing aan, en nadat ze het vleiend getuigenis van Lady Middleton’s goedkeuring hadden mogen verwerven, gaf Fanny ze nogmaals aan haar moeder, met de mededeeling, dat Juffrouw Dashwood ze geschilderd had.“O zoo...” zei Mevrouw Ferrars,—“heel aardig,” en gaf ze aan haar dochter terug, zonder er zelfs naar te kijken.Misschien dacht Fanny even, dat haar moeder nu toch wat àl te onbeleefd werd,—want zij kreeg een kleur en zei: “Allerliefst, vindt u niet, mama?” Doch waarschijnlijk overviel haar nu weer de angst, dat zij zelve al te beleefd en voorkomend was geweest, want zij voegde erbij: “Vindt u niet, dat er iets in is van Juffrouw Morton’s manier van schilderen?Zijschildert prachtig. Wat is dat laatste landschap van haar mooi!”“Ja, bijzonder. Maarzijdoet àlles goed.”Dit kon Marianne niet verdragen. Zij had al een geduchten hekel aan Mevrouw Ferrars, en die onnoodige lof, een ander toegezwaaid, ten koste van Elinor, lokte haar uit, hoewel zij volstrekt niet kon gissen, wat er eigenlijk hoofdzakelijk mee bedoeld werd, om haastig en geërgerd te zeggen: “Een eigenaardige manier om de dingen te bewonderen! Wat kan ons die Juffrouw Morton nu schelen? Háár kennen we niet,wijhebben het nu over Elinor!”Met die woorden nam ze haar schoonzuster de schermpjes af, om ze zelve te bewonderen, zooals ze verdienden bewonderd te worden.Mevrouw Ferrars keek geducht boos, richtte zich nog stijver op, en zei met vernietigende bitsheid: “Juffrouw Morton is Lord Morton’s dochter.”Fanny keek ook verontwaardigd, en haar man was doodelijk verschrikt door zijn zuster’s vrijmoedigheid. Elinor trok zich Marianne’s heftigen uitval veel meer aan, dan ’t geen er aanleiding toe had gegeven; doch Kolonel Brandon’s blik die op Marianne bleef rusten, verried, hoe hij er alleen in had gezien, wat er beminnelijks in was, de warme genegenheid, die niet kon verdragen, een zuster ook maar in het minst verongelijkt te zien.Marianne’s gevoel sleepte haar nog verder mede. De beleedigende koelheid van Mevrouw Ferrars’ houding tegenover haar zuster deed haar voor Elinor moeilijkheden en verdrietelijkheden voorzien, waarvoor haar eigen diepgewond gemoed wel angstig moest terugdeinzen, en in een opwelling van innig meegevoel, ging zij een oogenblik later naar haar zuster en zei zacht en snel, terwijl zij haar arm om Elinor’s hals sloeg, met de wang tegen de hare: “Lieve beste Elinor, trek het je maar niet aan. Laten zejouniet ongelukkig maken.”Meer kon zij niet zeggen; zij was te zeer aangedaan; en haar gelaat tegen Elinor’s schouder verbergend, barstte zij in tranen uit. Aller aandacht was op haar gevestigd, en bijna allen hadden medelijden met haar. Kolonel Brandon stond op en ging naar hen toe, zonder te weten wat hij deed. Mevrouw Jennings reikte dadelijk met een hartelijk begrijpend “Och, dat arme kind!” haar reukfleschje, en Sir John was zoo woedend op de persoon die aanleiding had gegeven tot deze zenuwaandoening dat hij dadelijk naast Lucy Steele kwam zitten en haar fluisterend van de geheele treurige toedracht der zaak op de hoogte bracht.Na een paar minuten had Marianne zich echter voldoende hersteld, om een einde te maken aan de drukte en weer te gaan zitten, hoewel zij dengeheelen verderen avond onder den indruk bleef van hetgeen was voorgevallen.“Die arme Marianne!” zei haar broer zachtjes tegen Kolonel Brandon, zoodra het hem gelukte, diens aandacht te trekken, “ze is lang niet zoo gezond als haar zuster,—erg zenuwachtig,—ze is veel zwakker van gestel dan Elinor; en men moet toegeven, dat het ook wel hard is voor een jong meisje, dat vroeger héél mooi is geweest, haar schoonheid te verliezen. U zoudt het misschien niet gelooven; maar een paar maanden geleden nog wàs Marianne bijzonder mooi—bepaald even knap als Elinor. En nu, zooals u ziet, is daar niets meer van over.”Hoofdstuk XXXVElinor’s verlangen om Mevrouw Ferrars te zien was nu voldaan. Het was haar gebleken dat deze vrouw alle eigenschappen bezat, die een verderen omgang tusschen beide families niet wenschelijk deden schijnen. Zij had genoeg gezien van haar trots, haar kleingeestigheid en haar onverzettelijke vooringenomenheid tegen haarzelve, om al de bezwaren te begrijpen, die een verloving zouden hebben bedorven en een huwelijk verhinderd tusschen Edward en haar, zoo hij overigens al vrij ware geweest; en zij had welhaast genoeg opgemerkt, om dankbaar te zijn op zichzelf, dat één gewichtiger beletsel haar vrijwaarde voor de kwelling der vele andere, welke Mevrouw Ferrars had kunnen uitdenken; voor eenige afhankelijkheid van hare luimen, of eenige bezorgheid omtrent hare goede meening. Ofalthans besloot zij, zoo ze zich al niet ten volle kon verheugen over het feit, dat Edward aan Lucy gebonden was, dat zij zich daarover hadmoetenverheugen, wanneer Lucy beminnelijker was geweest.Zij verbaasde zich erover, dat Lucy zoo in de wolken kon zijn over Mevrouw Ferrars’ beleefdheid; dat zij zich zóó kon laten verblinden door haar eigenbelang en ijdelheid, om de attenties, die haar toch enkel werden bewezen, omdat zijnietElinor was, als een hulde aan haarzelve op te vatten,—en om bemoediging te putten uit een voorkeur, die haar slechts geschonken werd, zoolang haar werkelijke verhouding tot hen allen hun onbekend bleef. Dàt Lucy verrukt was, hadden niet alleen haar blikken verraden op den avond van de partij; maar zij kwam het den volgenden morgen nog eens persoonlijk verklaren; toen Lady Middleton haar, op haar uitdrukkelijk verlangen, in Berkeley Street liet uitstappen, in de hoop, Elinor alleen te vinden, om haar te kunnen vertellen, hoe gelukkig zij zich gevoelde.Het toeval bleek haar gunstig gezind; want kort na dat zij gekomen was, werd Mevrouw Jennings door een boodschap van Mevrouw Palmer weggeroepen.“Mijn beste vriendin,” riep Lucy, zoodra zij alleen waren: “ik moest u eens komen vertellen, hoe blijde ik ben. Kon er wel iets vleiender geweest zijn, dan de manier waarop Mevrouw Ferrars mij gisteren behandelde? Ze was werkelijk allervriendelijkst! U weet, hoe ik er tegen opzag, haar te ontmoeten; maar van ’t oogenblik af, dat ik aan haar werd voorgesteld, gedroeg ze zich jegens mij met een voorkomendheid, die bepaald deed blijken, dat ze bijzonder met mij was ingenomen. Vondt u dat ook niet? U hebt het zelf alles bijgewoond, en viel het u ook niet op?”“Zeker; ze ontving u heel beleefd.”“Beleefd?—Zag u alleen beleefdheid in haar houding? Nu, ik dan vrij wat méér—een vriendelijkheid, die aan niemand anders dan mij werd bewezen! Niets trotsch, niets uit de hoogte; en uw zuster eveneens,—een en al beminnelijkheid en tegemoetkoming!”Elinor wilde over iets anders gaan spreken; maar Lucy liet niet los, eer zij had toegegeven, dat er reden bestond voor haar blijdschap, en Elinor was gedwongen nog iets te zeggen.“Als zij geweten hadden van uw verloving,” zeide zij, “dan zou hun houding tegenover u ongetwijfeld zéér vleiend zijn geweest; maar nu dit niet het geval was...”“Dat dacht ik al, dat u dat zoudt zeggen,” antwoordde Lucy snel; “maar er was niet de minste reden, waarom Mevrouw Ferrars zich met mij ingenomen zou toonen, als ze dat niet wàs,—en dat ze van mij houdt is de hoofdzaak. Neen, u zult me mijn voldoening niet kunnen ontnemen. Ik geloof stellig, dat alles best zal afloopen, en dat er, vergeleken bij ’t geen ik mij had voorgesteld, in ’t geheel geen moeilijkheden zullen zijn. Mevrouw Ferrars is een allerliefste vrouw, en uw zuster ook. Ze zijn allebei even aardig!—’t verwondert mij, dat u ons nooit verteld hebt, wat een lieve vrouw Mevrouw Dashwood was!”Hierop had Elinor niets te antwoorden, en zij deed daar toe ook geen moeite.“Is u niet wel, Juffrouw Dashwood?—u lijkt zoo gedrukt, en u zegt niets,—er scheelt bepaald iets aan.”“O neen, ik voel mij volkomen wèl.”“Daar ben ik blij om; maar u ziet er niet naar uit. Wat zou ’t me spijten, alsuziek werdt—u, die mijn beste en eenige toevlucht bent geweest! Ik weet waarlijk niet, wat ik zou zijn begonnen zonder uw vriendschap!”Elinor trachtte iets beleefds te antwoorden,ofschoon zij vreesde, dat het haar slecht gelukte. Het scheen Lucy echter te bevredigen, want zij ging voort: “Ja, ik weet, dat u oprecht voor mij gevoelt, en na Edward’s liefde, is dat mijn grootste troost. Die arme Edward! Maar nu treft het in een opzicht gelukkig,—we kunnen elkaar nu ontmoeten, en vrij dikwijls zelfs, want Lady Middleton is verrukt van Mevrouw Dashwood; dus zullen we, denk ik, wel veel in Harley Street zijn, en Edward is bijna den heelen dag bij zijn zuster;—bovendien bezoeken Lady Middleton en Mevrouw Ferrars elkaar nu ook, en Mevrouw Ferrars en uw zuster waren beiden zoo vriendelijk, meermalen te zeggen, dat het hun altijd genoegen zou doen, mij te zien. Zulke allerliefste menschen!—als u ooit aan uw zuster vertelt, hoe ik over haar denk, dan kunt u niet te veel goeds zeggen.”Elinor verkoos haar echter geen hoop te geven, dat zij dit aan haar zuster zou overbrengen. Lucy ging voort:“Ik zou ’t stellig onmiddellijk hebben opgemerkt, als Mevrouw Ferrars iets tegen mij had gehad. Wanneer ze bij voorbeeld, alleen maar stijfjes voor mij had gebogen zonder een woord te zeggen, en later in ’t geheel geen notitie van mij had genomen, en mij nooit eens vriendelijk had aangezien,—u weet wel, hoe ik bedoel,—als ik op die manier op een afstand was gehouden, dan zou ik alles hebben opgegeven en heel en al wanhopig zijn geweest. Dàt zou ik niet hebben kunnen verdragen. Wantalszij iets tegen iemand heeft, dàn meent zij het, dat weet ik.”Elinor behoefde deze uiting van beleefde zegepraal niet te beantwoorden; want de deur werd geopend, de knecht diende den Heer Ferrars aan, en Edward stapte meteen de kamer in.Het was een allerpijnlijkst oogenblik; en ieders gelaat gaf dit duidelijk te kennen. Zij sloegen alle drie een dwaas figuur, en Edward scheen evenveellust te hebben het vertrek weer te verlaten, als naar binnen te gaan. Juistdieontmoeting, in haar onaangenaamsten vorm, had thans tusschen hen plaats, die ieder van hen het liefst had willen vermijden; ze waren niet alleen met hun drieën samen maar misten daarbij de afleiding door ander gezelschap. De dames herstelden zich het eerst. Het lag niet op Lucy’s weg, zich op den voorgrond te stellen, en het geheim moest zoogenaamd blijven bewaard. Zij kon haar teedere gezindheid dus slechts door blikken uitdrukken, en na hem met een enkel woord te hebben begroet, zeide zij niets meer.Maar Elinor had méér te doen; en zóó gaarne wilde zij datgoeddoen, om zijnent- en om harentwil, dat zij zichzelve, na een oogenblik van krachtige inspanning wist te dwingen hem te verwelkomen met een blik en een houding, die bijna open, bijna natuurlijk waren; en dit nog meer werden na een tweede heldhaftige poging. Zij wilde zich, zoomin door Lucy’s tegenwoordigheid als door het bewustzijn van eenig haar aangedaan onrecht, laten weerhouden, om hem te zeggen, dat zij blijde was hem te zien, en hoe het haar had gespeten, dat zij uit was, toen hij reeds eerder een bezoek had gebracht in Berkeley Street. Zij wilde hem, uit vrees voor Lucy’s waakzamen blik, niet die beleefdheid onthouden, welke zij hem, als vriend en bijna een lid hunner familie, verschuldigd was, hoewel zij spoedig bespeurde, dat Lucy scherp op haar lette.Haar rustige houding gaf Edward iets meer zekerheid; en hij had thans moed genoeg om te gaan zitten, maar zijn verlegenheid overtrof die der dames op een wijze, die in zijne omstandigheden, zooal niet door zijne sekse, verschoonbaar kon worden geacht; want zijn hart was niet zoo onverschillig als dat van Lucy, en zijn geweten niet zoo volkomen zuiver als dat van Elinor. Lucy scheen zich, met een vertoon van zedige bedaardheid,niet geroepen te gevoelen, het hare te doen om de anderen op hun gemak te zetten, en verkoos geen woord te zeggen; zoodat bijna alles, wat er gezegd wèrd, uitging van Elinor, die uit eigen beweging alle inlichtingen verstrekte omtrent hun moeder’s gezondheid, hun reis naar de stad, enz. waarnaar Edwardnietvroeg, zooals hij behoorde te doen. Nog verder ging zij in haar pogingen; want weldra voelde zij zich zóó heldhaftig gezind, dat zij besloot, onder het voorwendsel, Marianne te gaan halen, de beide anderen alleen te laten; ’t geen ze ook werkelijk deed, en dat wel op de meest loyale wijze; want zij bleef, met grootmoedige dapperheid, een paar minuten heen en weer drentelen op het portaal, eer zij naar haar zuster ging. Toen dat echter gebeurd was, had Edward voor liefdesbetuigingen geen tijd meer; want Marianne vloog in haar blijdschap onmiddellijk naar beneden en den salon binnen. Als al haar gevoelens, was haar vreugde, hem weer te zien, levendig op zichzelf, en levendig uitgedrukt. Zij kwam hem te gemoet met uitgestrekte hand, en in haar stem den klank van zusterlijke genegenheid.“Beste Edward!” riep ze, “wat ben ik blij je te zien! Dit zou bijna alles weer goedmaken!”Edward trachtte haar vriendelijkheid te beantwoorden, zooals zij verdiende; maar in tegenwoordigheid der anderen durfde hij niet half zeggen, wat hij werkelijk gevoelde. Zij gingen weer zitten, en eenige oogenblikken bleven allen zwijgen; terwijl Marianne met zichtbaar teeder welgevallen van Edward naar Elinor keek, en alleen maar betreurde, dat hun blijdschap in elkander’s bijzijn werd bedorven door Lucy’s onwelkome tegenwoordigheid. Edward was de eerste, die sprak; hij merkte op, dat Marianne er minder goed uitzag, en gaf zijn vrees te kennen, dat het verblijf te Londen haar niet goed bekwam.“O, denk maar niet aan mij!” antwoordde zij,met opgewekten nadruk, hoewel haar oogen vol tranen stonden, “maak je overmijngezondheid niet bezorgd. Elinor maakt het goed, zooals je ziet. Dat moet voor ons beiden voldoende zijn.”Deze opmerking droeg er niet toe bij, Edward en Elinor kalmer te stemmen, en nog minder om haar de welwillende gezindheid te verwerven van Lucy, die Marianne allesbehalve vriendelijk aanzag.“Bevalt Londen je goed?” vroeg Edward, om toch maar iets te zeggen, dat een ander onderwerp van gesprek aan de hand kon doen.“Neen, volstrekt niet. Ik had mij er veel genoegen van voorgesteld; maar dat heb ik er niet gevonden. Dit weerzien van jou, Edward, is de eenige blijdschap, die ’t mij heeft gebracht; en jij bent gelukkig nog altijd dezelfde!”Zij zweeg—en ook de anderen bleven zwijgen. “Mij dunkt, Elinor,” ging Marianne voort, “we moesten Edward vragen om voor ons te zorgen als we weer naar Barton teruggaan. Over een paar weken zal dat wel gebeuren, en ik denk dat Edward er wel niet op tegen zal hebben, die opdracht te aanvaarden.”De arme Edward prevelde iets, dat niemand verstond, misschien hij zelf ook niet. Maar Marianne, die zag, dat hij zenuwachtig was, en licht geneigd was, de oorzaak hiervoor te zoeken in ’t geen haar ’t best behaagde, scheen volkomen voldaan en sprak spoedig over iets anders.“O Edward, wat hebben we gisteren een dag gehad, in Harley Street! Zóó vervelend; zoo ontzaglijk vervelend! Maar dááromtrent heb ik je veel te vertellen, dat ik nu niet zeggen kan.”Met zoo bewonderenswaardige omzichtigheid verschoof zij de mededeeling, dat zij hun wederzijdsche bloedverwanten onaangenamer had gevonden dan ooit, en in ’t bijzonder aan zijn moeder een hekel had, tot later, wanneer er gelegenheid zou zijn voor een vertrouwelijk gesprek.“Maar waarom was jij er niet, Edward?—Waarom was je niet gekomen?”“Ik had iets anders te doen.”“Iets anders?—Maar wat kon dat zijn, terwijl je je beste vrienden hadt kunnen ontmoeten?”“U denkt zeker, juffrouw Marianne,” riep Lucy, de gelegenheid aangrijpend om wraak te nemen, “dat jongelui zich nooit bekommeren om hun verplichtingen, als ze niet van plan zijn, die na te komen, in ’t klein, zoowel als in ’t groot.”Elinor was ernstig boos; maar Marianne scheen de hatelijkheid niet te willen opmerken, want zij antwoordde bedaard:“Neen, tòch niet; want in ernst, ik ben overtuigd, dat alleen nauwgezetheid van geweten Edward verhinderde naar Harley Street te gaan. En ik geloof stellig, dat hij van alle menschen het allerkwetsbaarste geweten heeft, het meest nauwgezet elke verplichting nakomt, hoe gering die ook zij, en hoe ook in tegenspraak met zijn belang of genoegen. Hij is meer bevreesd om anderen verdriet te doen, om verwachtingen teleur te stellen, minder in staat tot zelfzuchtige bedoelingen, dan iemand, dien ik ooit heb ontmoet. Hetiszoo, Edward, en ikwilhet zeggen. Wat! zou jij je nooit mogen hooren prijzen? Dan zou je mijn vriend niet kunnen zijn, want zij, wien ik liefde en achting toedraag, moeten zich ook mijn openhartigen lof laten welgevallen.”De soort van lof, in dit geval door haar toegekend, paste echter zoo buitengewoon slecht bij de gevoelens van twee harer toehoorders, en scheen Edward zoo weinig voldoening te verschaffen, dat hij al heel spoedig opstond om heen te gaan.“Ga je nu al?” zei Marianne; “maar beste Edward, dat kan toch niet.”En hem terzijde nemend, fluisterde zij hem toe, dat Lucy stellig niet lang meer kon blijven. Doch zelfs deze aansporing baatte niet; hijmoestweg, en Lucy, die gewacht zou hebben, al had zijn bezoektwee uren geduurd, nam spoedig daarna ook afscheid.“Wat doet ze hier toch zoo dikwijls?” zei Marianne, toen zij was heengegaan. “Kon ze niet begrijpen, dat we haar graag kwijt waren? Zoo vervelend voor Edward!”“Och, waarom?—we zijn allen vrienden van hem; en Lucy heeft hem ’t langst gekend. ’t Is heel natuurlijk, dat hij haar even graag ontmoet als ons.”Marianne zag haar ernstig aan en zei: “Je weet, Elinor, dat ik deze soort van redeneeringen niet kan verdragen. Als je alleen maar hoopt, tegenspraak uit te lokken, zooals ik wel vermoeden moet, dat het geval is, dan behoor je toch te bedenken, dat ik de laatste persoon ben, van wie je die verwachten kunt. Ik wil mij niet verlagen tot die komedie, mij beweringen te laten afpersen, die volkomen overbodig zijn.”Daarop ging zij de kamer uit, en Elinor durfde haar niet volgen om de zaak uit te leggen, want gebonden als zij was door haar belofte van geheimhouding tegenover Lucy, kon zij Marianne niets mededeelen, dat haar overtuigen kon; en al zouden de gevolgen van Marianne’s onwetendheid in dezen ook nog zoo onaangenaam kunnen zijn, zij was verplicht ze te dragen. Al wat zij kon hopen, was, dat Edward niet dikwijls haar en zichzelf zou blootstellen aan de pijnlijke gewaarwordingen, veroorzaakt door Marianne’s misplaatste geestdrift, of tot eene herhaling van de vele smartelijke gevoelens, die zijn laatste bezoek had gewekt—en zij had alle reden, dit te verwachten.

Hoofdstuk XXXIIINa eenig tegenstribbelen gaf Marianne gehoor aan haar zuster’s dringend verzoek, en stemde op zekeren morgen erin toe, een half uurtje met haar en Mevrouw Jennings uit te gaan. Zij stelde echter de voorwaarde, dat zij geen bezoeken zou behoeven te maken, en wilde alleen meegaan naar den winkel van Gray in Sackville Street, waar Elinor het een en ander had te bespreken in verband met den ruil van enkele ouderwetsche kostbaarheden van hare moeder. Toen zij voor de deur van den juwelier stilhielden, herinnerde Mevrouw Jennings zich, dat aan het andere einde van de straat eene dame woonde, diezij volstrekt moest bezoeken, en daar zij bij Gray niets te doen had, werd afgesproken dat zij haar visite zou maken, terwijl hare logées hun zaken afdeden, om hen later weer af te halen.Toen de dames Dashwood boven kwamen, bemerkten zij, dat reeds verscheiden personen hen waren vóór geweest, en geen der bedienden hun op het oogenblik kon te woord staan; zij waren dus wel genoodzaakt te wachten. Al wat zij konden doen, was, aan den hoek te gaan zitten van de toonbank, waar zij het eerst kans hadden, aan de beurt te zullen komen; hier stond slechts één heer, en waarschijnlijk hoopte Elinor, dat hij uit beleefdheid een weinig haast zou maken. Maar de nauwlettendheid van zijn scherpen blik, en de keurigheid van zijn smaak schenen het van zijn beleefdheid te winnen. Hij bestelde een tandenstoker-étui, voor eigen gebruik, en eer hij tot een beslissing was gekomen omtrent de grootte, het model en de versiering van het voorwerp,—die tenslotte, nadat hij alle tandenstoker-étuis in den winkel had bekeken en bepraat, bleven overgelaten aan zijn eigen vindingrijke fantasie,—had hij geen gelegenheid, zich tegenover de dames op andere wijze verdienstelijk te maken, dan door hen drie of viermaal zéér onbescheiden op te nemen; eene attentie, die Elinor voorgoed de herinnering deed behouden aan een persoon en een gezicht, uitmuntend door de meest treffende, aangeboren en kernachtige onbeduidendheid; hoewel het jongemensch naar de allerlaatste mode was uitgedost.Marianne bleven de onaangename gevoelens van minachting en ergernis bespaard, gewekt door dat brutale opnemen van hun gezichten, en door het ingebeelde air, waarmee hij de verschillende onvolmaaktheden der verschillende tandenstoker-étuis critiseerde, die hem werden voorgelegd; daar zij van dit alles niets bespeurde; zij kon evengoed zich in haar gedachten verdiepen en onbewust blijven van’t geen rondom haar voorviel, in den juwelierswinkel als in haar eigen slaapkamer thuis. Eindelijk kwam de zaak in orde. Het ivoor, het goud en de parelen kregen elk de hun aangewezen bestemming, en nadat de jonge man den laatsten dag had genoemd, dien hij dacht te kunnen doorleven zonder zijn étui, en op zijn gemak zijn handschoenen had aangetrokken, wierp hij den dames Dashwood nogmaals een blik toe, die eer bewondering scheen te eischen dan uit te drukken, en stapte heen, in al de glorie van echte inbeelding en voorgewende onverschilligheid.Elinor zorgde ervoor, thans onmiddellijk te worden geholpen, en zij was bijna klaar, toen een andere heer naast haar kwam staan. Zij keek hem even aan, en zag tot haar verwondering, dat het haar broeder was.Hun hartelijkheid en de blijdschap over deze ontmoeting waren juist voldoende om hier in den winkel een zeer goeden indruk teweeg te brengen. John Dashwood vond het heel aardig, zijn zusters eens weer te zien; hun beiden deed het werkelijk genoegen, en naar hun moeder vroeg hij met eerbiedige belangstelling.Elinor hoorde, dat hij en Fanny al twee dagen in de stad waren. “Ik zou je graag gisteren zijn komen opzoeken,” zei hij, “maar dat ging nu eenmaal niet, omdat Harry volstrekt den dierentuin moest zien, en verder brachten we den dag door bij Mevrouw Ferrars. Harry vond het prachtig. Van morgen was ik wéér stellig van plan je een bezoek te brengen, als ik een half uurtje vrij had, maar er is altijd zóóveel te doen, als men pas in de stad komt! Ik moet hier een zegel bestellen voor Fanny. Maar morgen denk ik bepaald naar Berkeley Street te gaan, en meteen kennis te maken met je vriendin Mevrouw Jennings. Ik hoor dat zij zeer vermogend is. En aan de Middletons moet je mij ook voorstellen. Daar zij familie zijn van mijn stiefmoeder, zal ’t mijgenoegen doen hen te leeren kennen. Ik hoor, dat ze daarbuiten goede buren voor je zijn.”“O ja, uitmuntend. Hun welwillendheid in ieder opzicht, hun hartelijke vriendschappelijkheid zijn met geen woorden uit te drukken.”“Het doet mij oprecht genoegen dat te hooren; daar ben ik bepaald blij om. Maar zoo behoort het ook; het zijn menschen van fortuin; ze zijn familie van je; en men kon met recht verwachten, dat ze door beleefdheid en voorkomendheid je leven zouden pogen te veraangenamen. En je hebt het dus zeer naar je zin in je huisje, en verder niets te wenschen. Edward had er ons niets dan goeds van te vertellen; hij zei, het was in zijn soort volmaakt en jelui hadt er allen evenveel pleizier in. ’t Was ons een groote voldoening, dat te hooren, zooals je wel begrijpen zult.”Elinor schaamde zich een beetje over haar broeder, en het speet haar niet, dat zij een antwoord kon achterwege laten; daar Mevrouw Jennings’ knecht kwam zeggen, dat het rijtuig wachtte.De Heer Dashwood ging met hen mee naar beneden, werd bij het portier van het rijtuig aan Mevrouw Jennings voorgesteld, en nam afscheid, na nogmaals de hoop te hebben uitgedrukt, dat hij hen den volgenden dag zou kunnen bezoeken.Het bezoek had dan ook werkelijk plaats. Hij bracht een zoogenaamde verontschuldiging over van hun schoonzuster, dat zij niet meekwam; “maar zij werd zoo in beslag genomen door haar moeder, dat ze werkelijk geen tijd had om ergens heen te gaan.” Mevrouw Jennings verzekerde hem echter dadelijk, dat zij het daarmee zoo nauw niet nam; ze waren toch allen familie van elkaar in zekeren zin, en zij zou in elk geval spoedig Mevrouw John Dashwood bezoeken en haar zusters meebrengen. Tegen Elinor en Marianne was hij, ofschoon niet uitbundig, toch zeer vriendelijk; Mevrouw Jennings behandelde hij uiterst beleefd, en toen KolonelBrandon kort na hem verscheen, keek hij hem aan met een nieuwsgierige belangstelling, die zijn bereidwilligheid liet doorschemeren, ook tegen hèm beleefd te zijn, als hij maar eerst wist, dat hij rijk was. Toen hij er een half uurtje had gezeten, vroeg hij of Elinor met hem naar Conduit Street wilde wandelen, om hem aan Sir John en Lady Middleton voor te stellen. Het was bijzonder mooi weer, en zij stemde hier gaarne in toe. Zoodra ze buitenshuis waren, begon hij te vragen.“Wie is Kolonel Brandon? Is hij rijk?”“Ja; hij heeft een mooie bezitting in Dorsetshire.”“Daar ben ik blij om. Hij maakt een zeer gunstigen indruk en ik geloof, Elinor, dat ik je mag gelukwenschen met het vooruitzicht op een goede positie.”“Mij gelukwenschen?—wat bedoel je, John?”“Hij houdt van je. Ik heb scherp opgelet, en ik ben er zeker van. Hoeveel inkomen heeft hij?”“Ik geloof omstreeks tweeduizend pond in het jaar.”“Tweeduizend pond in het jaar,”... en met een soort van stuipachtige poging tot edelmoedige geestdrift voegde hij erbij: “Elinor, uit den grond van mijn hart zou ik wenschen, voor jou, dat hettweemaalzooveel was.”“Dat geloof ik graag,” antwoordde Elinor; “maar ik weet wel zeker, dat KolonelBrandonin de verste verte niet wenscht, metmijte trouwen.”“Je vergist je, Elinor; je vergist je bepaald. Met een klein beetje moeite vanjouwkant zou ’t gelukken. Misschien staat zijn besluit nog niet vast; dat je weinig bezit kan een beletsel voor hem zijn; mogelijk raden zijn vrienden het hem allen af. Maar zoo enkele kleine attenties en aanmoedigingen, die het dames zoo gemakkelijk valt te bewijzen, brengen de zaak in orde, eer hij het weet. En er kan geen reden bestaan, waarom je ’t niet zou beproeven, hem te winnen. ’t Is niet te denken, dat een vroegeregenegenheid vanjouwkant... je weet nu eenmaal, wat dàt betreft, daarvan kan geen sprake zijn; de bezwaren zijn onoverkomelijk—en je bent te verstandig om dat niet in te zien. Kolonel Brandon wordt de man, en ’t zal aan mij niet liggen, als hij niet ingenomen is met jou en je familie. Dàt is nu een huwelijk, dat iedereen zal aanstaan.—Ik zal ’t je maar zeggen,”—hier begonhijgewichtig te fluisteren,—“het zal vooralle partijenbepaald een uitkomst zijn.” Zich bedenkend, voegde hij erbij: “Dat wil zeggen... ik bedoel... al je vrienden verlangen natuurlijk oprecht om je gelukkig getrouwd te zien; Fanny vooral, want zij meent het goed met je, werkelijk. En haar moeder ook; Mevrouw Ferrars is een heel goedhartige vrouw; ik geloof stellig, dat het haar veel pleizier zou doen, ze heeft nog pas zoo iets gezegd.”Elinor verwaardigde zich niet, hierop te antwoorden.“Het zou wèl toevallig zijn,” ging hij voort, “bepaald grappig, als Fanny’s broer enmijnzuster op den zelfden tijd in ’t huwelijk traden. En ’t kan toch licht gebeuren.”“Gaat Edward Ferrars dan trouwen?” zei Elinor bedaard.“Het staat nog niet vast; maar er is wel sprake van. Hij heeft een moeder zooals er geen tweede bestaat. Mevrouw Ferrars zal hem met de grootste vrijgevigheid behandelen en hem een vast inkomen verzekeren van duizend pond jaarlijks, als dit huwelijk doorgaat.Zijis een Morton, de eenige dochter van den overleden Lord Morton, en zij bezit dertigduizend pond,—van beide zijden is de verbintenis zeer gewenscht, en ik twijfel geen oogenblik of die zaak komt wel in orde. Duizend pond in ’t jaar is geen kleinigheid voor een moeder, om voor goed af te staan; maar Mevrouw Ferrars heeft een nobele natuur. Om je nog een voorbeeld te noemen van haar royaliteit; toenwe nu onlangs in de stad kwamen, heeft ze, omdat ze wel wist dat we niet ruim bij kas waren, Fanny een presentje toegestopt van tweehonderd pond. En dat kwam ons uitnemend te pas; want het is duur leven hier in de stad.” Hij wachtte op een betuiging van instemming en medelijden, en zij dwong zichzelf, te zeggen:“Je zult zoowel in de stad als buiten veel uitgaven hebben; maar je inkomen is ook groot.”“Niet zoo groot, durf ik wel zeggen als veel menschen meenen. Ik wil overigens niet klagen, natuurlijk; het is in elk geval zéér voldoende, en zal, hoop ik, mettertijd grooter worden. Het omheinen van Norland Common, waarmee we nu bezig zijn, verslindt ontzaglijk veel geld. En ik heb in dit laatste halfjaar ook nog een aankoop gedaan—East Kingham Farm, je herinnert je die boerderij wel, waar de oude Gibson woonde. Die landerijen kwamen mij in elk opzicht zoo uitmuntend van pas, ze sloten zoo onmiddellijk aan bij mijn eigendom, dat ik het als mijn plicht beschouwde, ze te koopen. Ik had het niet met mijn geweten kunnen overeenbrengen, ze in andere handen te laten vallen. Voor iets goeds moet men ook wat overhebben; en hetheeftmij geld gekost, dat is zeker.”“Meer dan je denkt, dat het bezit werkelijk en op zich zelf waard was?”“Och, dat wil ik niet zeggen. Ik had het den volgenden dag kunnen verkoopen voor méér dan ik had betaald; maar wat de koopsom betrof, daarmee had ik wel heel ongelukkig kunnen treffen; de koersen stonden toen juist zoo laag, dat ik bepaald met groot verlies effecten zou hebben moeten verkoopen, als ik niet toevallig bij mijn bankier over de benoodigde som had kunnen beschikken.”Elinor glimlachte even.“Nog meer groote en onvermijdelijke uitgaven hebben we gehad toen we pas te Norland waren gekomen. Zooals je weet, had vader al het goed vanStanhill, dat meegenomen was naar Norland, aan je moeder nagelaten. Daarover wil ik mij niet beklagen; verre van daar; hij had het volste recht over zijn eigendom te beschikken zooals hij verkoos. Maar wij hebben dientengevolge veel linnengoed, porselein, enz. moeten aanschaffen, ter vervanging van ’t geen werd weggenomen. Je kunt wel begrijpen, dat we, na al die onkosten, nu volstrekt niet rijk kunnen genoemd worden, en dat Mevrouw Ferrars’ vriendelijkheid ons bijzonder welkom is.”“Zeker,” zei Elinor; “en ik hoop dat je met haar bijstand nog eenmaal zoover zult komen, dat je ruim en royaal leven kunt.”“Met een paar jaar zal het er méér naar gaan lijken,” antwoordde hij met onverstoorbaren ernst; “maar er blijft vooreerst nog veel te doen. Er is nog niet eens begonnen met den bouw van Fanny’s oranjerie, en van den bloemtuin is enkel het plan ontworpen.”“Waar komt die oranjerie?”“Op het heuveltje achter het huis. De oude noteboomen zijn alle omgehakt, om ruimte te maken. Van uit het park gezien zal dat mooie gebouw een goed figuur maken, en de bloemtuin komt er vlak vóór, tegen de helling. We hebben al de oude meidoorns opgeruimd, die daar verspreid op den heuvel groeiden.”Elinor hield haar spijt en haar afkeuring voor zich, en was maar blijde, dat Marianne er niet bij was, om zich mèt haar te ergeren.Nu hij genoeg had gezegd, om zijn armoede in een helder licht te stellen, en de verplichting te ontgaan, bij zijn volgend bezoek aan den juwelier voor ieder van zijn zusters een paar oorbelletjes te koopen, begon hij aan vroolijker dingen te denken, en Elinor geluk te wenschen, dat ze een vriendin had als Mevrouw Jennings. “Dat is bepaald iemand, die men op prijs moet stellen. Haar huis, haar manier van leven, alles wijst op een uiterst ruiminkomen, en de kennismaking met haar is niet alleen tot nu toe je van zeer groot nut geweest; maar kan later werkelijk voordeel voor je afwerpen. Dat ze jelui hier heeft te logeeren gevraagd, bewijst wel, hoe goed ze je gezind is; werkelijk, ik zie daarin een zoo sprekend bewijs van haar genegenheid, dat jelui naar alle waarschijnlijkheid bij haar overlijden wel niet zult worden vergeten. Zij zal heel wat nalaten, denk ik...”“Ik zou eerder denken, in ’t geheel niets; zij heeft enkel het vruchtgebruik van het kapitaal, dat haar kinderen zullen erven.”“Maar het spreekt toch van zelf, dat zij niet haar geheele inkomen verteert. Dàt doet toch haast niemand, die zijn verstand gebruikt; en met hetgeen ze spaart, kan zij doen wat ze wil.”“En lijkt het je niet meer dan waarschijnlijk, dat ze dat aan haar dochters zal nalaten dan aan ons?”“Haar dochters zijn beiden rijk getrouwd; ik zie dus niet in, waarom zij juist het eerst aan hèn zou denken.Mijdunkt juist, dat zij, door zooveel notitie van jelui te nemen, en je op deze wijze te behandelen, jelui een soort van recht heeft gegeven om voor de toekomst iets van haar te verwachten, dat een vrouw, die nauwgezet van geweten is, stellig zal moeten erkennen. Haar houding tegenover jelui is wel zoo vriendelijk mogelijk, en zij kan moeilijk zóó ver gaan in dit opzicht, zonder te begrijpen, welke verwachtingen zij wekt.”“Gééne, bij hen, die de zaak het allereerst aangaat. Werkelijk, John, je bezorgdheid voor ons welzijn en onzen voorspoed gaat verder dan noodig is.”“’t Is waar,” zei hij, blijkbaar tot nadenken gebracht, “de mensch heeft weinig, zéér weinig in zijn macht. Maar lieve Elinor, wat scheelt Marianne toch?—Ze ziet er bijzonder slecht uit, heeft haar frissche kleur verloren, en is bepaald mager geworden. Is zij ziek?”“Ze is niet heel wel; ze heeft al een paar weken last van haar zenuwen.”“Dat is jammer. Op haar leeftijd doet ziekte alle frischheid verloren gaan. Háár bloei heeft maar kort geduurd. In September nog was ze een van de mooiste meisjes, die ik kende, met veel aantrekkelijks voor mannen. Juist de soort van schoonheid die hun bevalt. Ik weet nog, hoe Fanny altijd zei, datzijeerder en beter zou trouwen dan jij,—niet dat ze van jou niet véél zou houden,—maar ze dacht dat nu zoo. En toch zal ze zien, dat ze zich vergist heeft. ’t Is de vraag of Mariannenueen man kan krijgen met meer dan vijf- of zeshonderd in ’t jaar op zijn meest, en ’t zou mij niets verwonderen, als jij het niet beter treft. Dorsetshire! Ik ken Dorsetshire zoo goed als niet; maar ik zou het bijzonder gaarne nader leeren kennen, Elinor; en ik durf wel zeggen, dat Fanny en ik daar je eerste en recht verheugde logeergasten zullen zijn.”Elinor trachtte hem met den meesten nadruk te overtuigen, dat er van een huwelijk tusschen haar en Kolonel Brandon niets zou komen; maar hij had te veel pleizier in die verwachting om haar te kunnen opgeven; en hij was vastbesloten, den Kolonel nader te leeren kennen, en zijn uiterste best te doen, dat huwelijk tot stand te brengen. Hij had juist genoeg berouw over het feit, dat hijzelf niets voor zijn zusters had gedaan, om uit alle macht te verlangen, dat anderen des te meer voor hen zouden doen, en een huwelijksaanzoek van Kolonel Brandon, of een legaat van Mevrouw Jennings, waren de eenvoudigste middelen om zijn eigen nalatigheid te vergoeden....Zij troffen Lady Middleton gelukkig thuis, en Sir John kwam binnen, eer hun bezoek was afgeloopen. Er werden van weerskanten veel minzame beleefdheidsbetuigingen gewisseld. Sir John was altoos bereid met iedereen veel op te hebben; en hoewel de Heer Dashwood van paarden niet veelscheen te weten, vond hij hem al spoedig een besten kerel; terwijl Lady Middleton oordeelde, dat hij er gedistingeerd genoeg uitzag, om de kennismaking de moeite waard te achten; en de Heer Dashwood zelf vertrok verrukt van allebei.“Ik zal er Fanny niets dan goeds van kunnen vertellen,” zei hij tegen zijn zuster, onder het terugwandelen, “Lady Middleton is werkelijk een charmante vrouw; iemand, met wie Fanny blij zal zijn, kennis te maken. En Mevrouw Jennings weet zich ook bijzonder goed voor te doen, al is ze niet zoo elegant als haar dochter. Je schoonzuster behoeft er geen bezwaar in te zien, háár ook te bezoeken; wat tot nu toe, om de waarheid te zeggen, wel een beetje ’t geval was, en niet zonder reden; want we wisten alleen, dat Mevrouw Jennings de weduwe was van een man, die zijn geld had verdiend op een nog al obscure manier; en Fanny en Mevrouw Ferrars hielden stijf en strak vol, dat noch zij, noch haar dochters in de termen vielen om met iemand als Fanny te kunnen omgaan. Maar nu kan ik haar omtrent beiden op de meest afdoende wijze geruststellen.”

Na eenig tegenstribbelen gaf Marianne gehoor aan haar zuster’s dringend verzoek, en stemde op zekeren morgen erin toe, een half uurtje met haar en Mevrouw Jennings uit te gaan. Zij stelde echter de voorwaarde, dat zij geen bezoeken zou behoeven te maken, en wilde alleen meegaan naar den winkel van Gray in Sackville Street, waar Elinor het een en ander had te bespreken in verband met den ruil van enkele ouderwetsche kostbaarheden van hare moeder. Toen zij voor de deur van den juwelier stilhielden, herinnerde Mevrouw Jennings zich, dat aan het andere einde van de straat eene dame woonde, diezij volstrekt moest bezoeken, en daar zij bij Gray niets te doen had, werd afgesproken dat zij haar visite zou maken, terwijl hare logées hun zaken afdeden, om hen later weer af te halen.

Toen de dames Dashwood boven kwamen, bemerkten zij, dat reeds verscheiden personen hen waren vóór geweest, en geen der bedienden hun op het oogenblik kon te woord staan; zij waren dus wel genoodzaakt te wachten. Al wat zij konden doen, was, aan den hoek te gaan zitten van de toonbank, waar zij het eerst kans hadden, aan de beurt te zullen komen; hier stond slechts één heer, en waarschijnlijk hoopte Elinor, dat hij uit beleefdheid een weinig haast zou maken. Maar de nauwlettendheid van zijn scherpen blik, en de keurigheid van zijn smaak schenen het van zijn beleefdheid te winnen. Hij bestelde een tandenstoker-étui, voor eigen gebruik, en eer hij tot een beslissing was gekomen omtrent de grootte, het model en de versiering van het voorwerp,—die tenslotte, nadat hij alle tandenstoker-étuis in den winkel had bekeken en bepraat, bleven overgelaten aan zijn eigen vindingrijke fantasie,—had hij geen gelegenheid, zich tegenover de dames op andere wijze verdienstelijk te maken, dan door hen drie of viermaal zéér onbescheiden op te nemen; eene attentie, die Elinor voorgoed de herinnering deed behouden aan een persoon en een gezicht, uitmuntend door de meest treffende, aangeboren en kernachtige onbeduidendheid; hoewel het jongemensch naar de allerlaatste mode was uitgedost.

Marianne bleven de onaangename gevoelens van minachting en ergernis bespaard, gewekt door dat brutale opnemen van hun gezichten, en door het ingebeelde air, waarmee hij de verschillende onvolmaaktheden der verschillende tandenstoker-étuis critiseerde, die hem werden voorgelegd; daar zij van dit alles niets bespeurde; zij kon evengoed zich in haar gedachten verdiepen en onbewust blijven van’t geen rondom haar voorviel, in den juwelierswinkel als in haar eigen slaapkamer thuis. Eindelijk kwam de zaak in orde. Het ivoor, het goud en de parelen kregen elk de hun aangewezen bestemming, en nadat de jonge man den laatsten dag had genoemd, dien hij dacht te kunnen doorleven zonder zijn étui, en op zijn gemak zijn handschoenen had aangetrokken, wierp hij den dames Dashwood nogmaals een blik toe, die eer bewondering scheen te eischen dan uit te drukken, en stapte heen, in al de glorie van echte inbeelding en voorgewende onverschilligheid.

Elinor zorgde ervoor, thans onmiddellijk te worden geholpen, en zij was bijna klaar, toen een andere heer naast haar kwam staan. Zij keek hem even aan, en zag tot haar verwondering, dat het haar broeder was.

Hun hartelijkheid en de blijdschap over deze ontmoeting waren juist voldoende om hier in den winkel een zeer goeden indruk teweeg te brengen. John Dashwood vond het heel aardig, zijn zusters eens weer te zien; hun beiden deed het werkelijk genoegen, en naar hun moeder vroeg hij met eerbiedige belangstelling.

Elinor hoorde, dat hij en Fanny al twee dagen in de stad waren. “Ik zou je graag gisteren zijn komen opzoeken,” zei hij, “maar dat ging nu eenmaal niet, omdat Harry volstrekt den dierentuin moest zien, en verder brachten we den dag door bij Mevrouw Ferrars. Harry vond het prachtig. Van morgen was ik wéér stellig van plan je een bezoek te brengen, als ik een half uurtje vrij had, maar er is altijd zóóveel te doen, als men pas in de stad komt! Ik moet hier een zegel bestellen voor Fanny. Maar morgen denk ik bepaald naar Berkeley Street te gaan, en meteen kennis te maken met je vriendin Mevrouw Jennings. Ik hoor dat zij zeer vermogend is. En aan de Middletons moet je mij ook voorstellen. Daar zij familie zijn van mijn stiefmoeder, zal ’t mijgenoegen doen hen te leeren kennen. Ik hoor, dat ze daarbuiten goede buren voor je zijn.”

“O ja, uitmuntend. Hun welwillendheid in ieder opzicht, hun hartelijke vriendschappelijkheid zijn met geen woorden uit te drukken.”

“Het doet mij oprecht genoegen dat te hooren; daar ben ik bepaald blij om. Maar zoo behoort het ook; het zijn menschen van fortuin; ze zijn familie van je; en men kon met recht verwachten, dat ze door beleefdheid en voorkomendheid je leven zouden pogen te veraangenamen. En je hebt het dus zeer naar je zin in je huisje, en verder niets te wenschen. Edward had er ons niets dan goeds van te vertellen; hij zei, het was in zijn soort volmaakt en jelui hadt er allen evenveel pleizier in. ’t Was ons een groote voldoening, dat te hooren, zooals je wel begrijpen zult.”

Elinor schaamde zich een beetje over haar broeder, en het speet haar niet, dat zij een antwoord kon achterwege laten; daar Mevrouw Jennings’ knecht kwam zeggen, dat het rijtuig wachtte.

De Heer Dashwood ging met hen mee naar beneden, werd bij het portier van het rijtuig aan Mevrouw Jennings voorgesteld, en nam afscheid, na nogmaals de hoop te hebben uitgedrukt, dat hij hen den volgenden dag zou kunnen bezoeken.

Het bezoek had dan ook werkelijk plaats. Hij bracht een zoogenaamde verontschuldiging over van hun schoonzuster, dat zij niet meekwam; “maar zij werd zoo in beslag genomen door haar moeder, dat ze werkelijk geen tijd had om ergens heen te gaan.” Mevrouw Jennings verzekerde hem echter dadelijk, dat zij het daarmee zoo nauw niet nam; ze waren toch allen familie van elkaar in zekeren zin, en zij zou in elk geval spoedig Mevrouw John Dashwood bezoeken en haar zusters meebrengen. Tegen Elinor en Marianne was hij, ofschoon niet uitbundig, toch zeer vriendelijk; Mevrouw Jennings behandelde hij uiterst beleefd, en toen KolonelBrandon kort na hem verscheen, keek hij hem aan met een nieuwsgierige belangstelling, die zijn bereidwilligheid liet doorschemeren, ook tegen hèm beleefd te zijn, als hij maar eerst wist, dat hij rijk was. Toen hij er een half uurtje had gezeten, vroeg hij of Elinor met hem naar Conduit Street wilde wandelen, om hem aan Sir John en Lady Middleton voor te stellen. Het was bijzonder mooi weer, en zij stemde hier gaarne in toe. Zoodra ze buitenshuis waren, begon hij te vragen.

“Wie is Kolonel Brandon? Is hij rijk?”

“Ja; hij heeft een mooie bezitting in Dorsetshire.”

“Daar ben ik blij om. Hij maakt een zeer gunstigen indruk en ik geloof, Elinor, dat ik je mag gelukwenschen met het vooruitzicht op een goede positie.”

“Mij gelukwenschen?—wat bedoel je, John?”

“Hij houdt van je. Ik heb scherp opgelet, en ik ben er zeker van. Hoeveel inkomen heeft hij?”

“Ik geloof omstreeks tweeduizend pond in het jaar.”

“Tweeduizend pond in het jaar,”... en met een soort van stuipachtige poging tot edelmoedige geestdrift voegde hij erbij: “Elinor, uit den grond van mijn hart zou ik wenschen, voor jou, dat hettweemaalzooveel was.”

“Dat geloof ik graag,” antwoordde Elinor; “maar ik weet wel zeker, dat KolonelBrandonin de verste verte niet wenscht, metmijte trouwen.”

“Je vergist je, Elinor; je vergist je bepaald. Met een klein beetje moeite vanjouwkant zou ’t gelukken. Misschien staat zijn besluit nog niet vast; dat je weinig bezit kan een beletsel voor hem zijn; mogelijk raden zijn vrienden het hem allen af. Maar zoo enkele kleine attenties en aanmoedigingen, die het dames zoo gemakkelijk valt te bewijzen, brengen de zaak in orde, eer hij het weet. En er kan geen reden bestaan, waarom je ’t niet zou beproeven, hem te winnen. ’t Is niet te denken, dat een vroegeregenegenheid vanjouwkant... je weet nu eenmaal, wat dàt betreft, daarvan kan geen sprake zijn; de bezwaren zijn onoverkomelijk—en je bent te verstandig om dat niet in te zien. Kolonel Brandon wordt de man, en ’t zal aan mij niet liggen, als hij niet ingenomen is met jou en je familie. Dàt is nu een huwelijk, dat iedereen zal aanstaan.—Ik zal ’t je maar zeggen,”—hier begonhijgewichtig te fluisteren,—“het zal vooralle partijenbepaald een uitkomst zijn.” Zich bedenkend, voegde hij erbij: “Dat wil zeggen... ik bedoel... al je vrienden verlangen natuurlijk oprecht om je gelukkig getrouwd te zien; Fanny vooral, want zij meent het goed met je, werkelijk. En haar moeder ook; Mevrouw Ferrars is een heel goedhartige vrouw; ik geloof stellig, dat het haar veel pleizier zou doen, ze heeft nog pas zoo iets gezegd.”

Elinor verwaardigde zich niet, hierop te antwoorden.

“Het zou wèl toevallig zijn,” ging hij voort, “bepaald grappig, als Fanny’s broer enmijnzuster op den zelfden tijd in ’t huwelijk traden. En ’t kan toch licht gebeuren.”

“Gaat Edward Ferrars dan trouwen?” zei Elinor bedaard.

“Het staat nog niet vast; maar er is wel sprake van. Hij heeft een moeder zooals er geen tweede bestaat. Mevrouw Ferrars zal hem met de grootste vrijgevigheid behandelen en hem een vast inkomen verzekeren van duizend pond jaarlijks, als dit huwelijk doorgaat.Zijis een Morton, de eenige dochter van den overleden Lord Morton, en zij bezit dertigduizend pond,—van beide zijden is de verbintenis zeer gewenscht, en ik twijfel geen oogenblik of die zaak komt wel in orde. Duizend pond in ’t jaar is geen kleinigheid voor een moeder, om voor goed af te staan; maar Mevrouw Ferrars heeft een nobele natuur. Om je nog een voorbeeld te noemen van haar royaliteit; toenwe nu onlangs in de stad kwamen, heeft ze, omdat ze wel wist dat we niet ruim bij kas waren, Fanny een presentje toegestopt van tweehonderd pond. En dat kwam ons uitnemend te pas; want het is duur leven hier in de stad.” Hij wachtte op een betuiging van instemming en medelijden, en zij dwong zichzelf, te zeggen:

“Je zult zoowel in de stad als buiten veel uitgaven hebben; maar je inkomen is ook groot.”

“Niet zoo groot, durf ik wel zeggen als veel menschen meenen. Ik wil overigens niet klagen, natuurlijk; het is in elk geval zéér voldoende, en zal, hoop ik, mettertijd grooter worden. Het omheinen van Norland Common, waarmee we nu bezig zijn, verslindt ontzaglijk veel geld. En ik heb in dit laatste halfjaar ook nog een aankoop gedaan—East Kingham Farm, je herinnert je die boerderij wel, waar de oude Gibson woonde. Die landerijen kwamen mij in elk opzicht zoo uitmuntend van pas, ze sloten zoo onmiddellijk aan bij mijn eigendom, dat ik het als mijn plicht beschouwde, ze te koopen. Ik had het niet met mijn geweten kunnen overeenbrengen, ze in andere handen te laten vallen. Voor iets goeds moet men ook wat overhebben; en hetheeftmij geld gekost, dat is zeker.”

“Meer dan je denkt, dat het bezit werkelijk en op zich zelf waard was?”

“Och, dat wil ik niet zeggen. Ik had het den volgenden dag kunnen verkoopen voor méér dan ik had betaald; maar wat de koopsom betrof, daarmee had ik wel heel ongelukkig kunnen treffen; de koersen stonden toen juist zoo laag, dat ik bepaald met groot verlies effecten zou hebben moeten verkoopen, als ik niet toevallig bij mijn bankier over de benoodigde som had kunnen beschikken.”

Elinor glimlachte even.

“Nog meer groote en onvermijdelijke uitgaven hebben we gehad toen we pas te Norland waren gekomen. Zooals je weet, had vader al het goed vanStanhill, dat meegenomen was naar Norland, aan je moeder nagelaten. Daarover wil ik mij niet beklagen; verre van daar; hij had het volste recht over zijn eigendom te beschikken zooals hij verkoos. Maar wij hebben dientengevolge veel linnengoed, porselein, enz. moeten aanschaffen, ter vervanging van ’t geen werd weggenomen. Je kunt wel begrijpen, dat we, na al die onkosten, nu volstrekt niet rijk kunnen genoemd worden, en dat Mevrouw Ferrars’ vriendelijkheid ons bijzonder welkom is.”

“Zeker,” zei Elinor; “en ik hoop dat je met haar bijstand nog eenmaal zoover zult komen, dat je ruim en royaal leven kunt.”

“Met een paar jaar zal het er méér naar gaan lijken,” antwoordde hij met onverstoorbaren ernst; “maar er blijft vooreerst nog veel te doen. Er is nog niet eens begonnen met den bouw van Fanny’s oranjerie, en van den bloemtuin is enkel het plan ontworpen.”

“Waar komt die oranjerie?”

“Op het heuveltje achter het huis. De oude noteboomen zijn alle omgehakt, om ruimte te maken. Van uit het park gezien zal dat mooie gebouw een goed figuur maken, en de bloemtuin komt er vlak vóór, tegen de helling. We hebben al de oude meidoorns opgeruimd, die daar verspreid op den heuvel groeiden.”

Elinor hield haar spijt en haar afkeuring voor zich, en was maar blijde, dat Marianne er niet bij was, om zich mèt haar te ergeren.

Nu hij genoeg had gezegd, om zijn armoede in een helder licht te stellen, en de verplichting te ontgaan, bij zijn volgend bezoek aan den juwelier voor ieder van zijn zusters een paar oorbelletjes te koopen, begon hij aan vroolijker dingen te denken, en Elinor geluk te wenschen, dat ze een vriendin had als Mevrouw Jennings. “Dat is bepaald iemand, die men op prijs moet stellen. Haar huis, haar manier van leven, alles wijst op een uiterst ruiminkomen, en de kennismaking met haar is niet alleen tot nu toe je van zeer groot nut geweest; maar kan later werkelijk voordeel voor je afwerpen. Dat ze jelui hier heeft te logeeren gevraagd, bewijst wel, hoe goed ze je gezind is; werkelijk, ik zie daarin een zoo sprekend bewijs van haar genegenheid, dat jelui naar alle waarschijnlijkheid bij haar overlijden wel niet zult worden vergeten. Zij zal heel wat nalaten, denk ik...”

“Ik zou eerder denken, in ’t geheel niets; zij heeft enkel het vruchtgebruik van het kapitaal, dat haar kinderen zullen erven.”

“Maar het spreekt toch van zelf, dat zij niet haar geheele inkomen verteert. Dàt doet toch haast niemand, die zijn verstand gebruikt; en met hetgeen ze spaart, kan zij doen wat ze wil.”

“En lijkt het je niet meer dan waarschijnlijk, dat ze dat aan haar dochters zal nalaten dan aan ons?”

“Haar dochters zijn beiden rijk getrouwd; ik zie dus niet in, waarom zij juist het eerst aan hèn zou denken.Mijdunkt juist, dat zij, door zooveel notitie van jelui te nemen, en je op deze wijze te behandelen, jelui een soort van recht heeft gegeven om voor de toekomst iets van haar te verwachten, dat een vrouw, die nauwgezet van geweten is, stellig zal moeten erkennen. Haar houding tegenover jelui is wel zoo vriendelijk mogelijk, en zij kan moeilijk zóó ver gaan in dit opzicht, zonder te begrijpen, welke verwachtingen zij wekt.”

“Gééne, bij hen, die de zaak het allereerst aangaat. Werkelijk, John, je bezorgdheid voor ons welzijn en onzen voorspoed gaat verder dan noodig is.”

“’t Is waar,” zei hij, blijkbaar tot nadenken gebracht, “de mensch heeft weinig, zéér weinig in zijn macht. Maar lieve Elinor, wat scheelt Marianne toch?—Ze ziet er bijzonder slecht uit, heeft haar frissche kleur verloren, en is bepaald mager geworden. Is zij ziek?”

“Ze is niet heel wel; ze heeft al een paar weken last van haar zenuwen.”

“Dat is jammer. Op haar leeftijd doet ziekte alle frischheid verloren gaan. Háár bloei heeft maar kort geduurd. In September nog was ze een van de mooiste meisjes, die ik kende, met veel aantrekkelijks voor mannen. Juist de soort van schoonheid die hun bevalt. Ik weet nog, hoe Fanny altijd zei, datzijeerder en beter zou trouwen dan jij,—niet dat ze van jou niet véél zou houden,—maar ze dacht dat nu zoo. En toch zal ze zien, dat ze zich vergist heeft. ’t Is de vraag of Mariannenueen man kan krijgen met meer dan vijf- of zeshonderd in ’t jaar op zijn meest, en ’t zou mij niets verwonderen, als jij het niet beter treft. Dorsetshire! Ik ken Dorsetshire zoo goed als niet; maar ik zou het bijzonder gaarne nader leeren kennen, Elinor; en ik durf wel zeggen, dat Fanny en ik daar je eerste en recht verheugde logeergasten zullen zijn.”

Elinor trachtte hem met den meesten nadruk te overtuigen, dat er van een huwelijk tusschen haar en Kolonel Brandon niets zou komen; maar hij had te veel pleizier in die verwachting om haar te kunnen opgeven; en hij was vastbesloten, den Kolonel nader te leeren kennen, en zijn uiterste best te doen, dat huwelijk tot stand te brengen. Hij had juist genoeg berouw over het feit, dat hijzelf niets voor zijn zusters had gedaan, om uit alle macht te verlangen, dat anderen des te meer voor hen zouden doen, en een huwelijksaanzoek van Kolonel Brandon, of een legaat van Mevrouw Jennings, waren de eenvoudigste middelen om zijn eigen nalatigheid te vergoeden....

Zij troffen Lady Middleton gelukkig thuis, en Sir John kwam binnen, eer hun bezoek was afgeloopen. Er werden van weerskanten veel minzame beleefdheidsbetuigingen gewisseld. Sir John was altoos bereid met iedereen veel op te hebben; en hoewel de Heer Dashwood van paarden niet veelscheen te weten, vond hij hem al spoedig een besten kerel; terwijl Lady Middleton oordeelde, dat hij er gedistingeerd genoeg uitzag, om de kennismaking de moeite waard te achten; en de Heer Dashwood zelf vertrok verrukt van allebei.

“Ik zal er Fanny niets dan goeds van kunnen vertellen,” zei hij tegen zijn zuster, onder het terugwandelen, “Lady Middleton is werkelijk een charmante vrouw; iemand, met wie Fanny blij zal zijn, kennis te maken. En Mevrouw Jennings weet zich ook bijzonder goed voor te doen, al is ze niet zoo elegant als haar dochter. Je schoonzuster behoeft er geen bezwaar in te zien, háár ook te bezoeken; wat tot nu toe, om de waarheid te zeggen, wel een beetje ’t geval was, en niet zonder reden; want we wisten alleen, dat Mevrouw Jennings de weduwe was van een man, die zijn geld had verdiend op een nog al obscure manier; en Fanny en Mevrouw Ferrars hielden stijf en strak vol, dat noch zij, noch haar dochters in de termen vielen om met iemand als Fanny te kunnen omgaan. Maar nu kan ik haar omtrent beiden op de meest afdoende wijze geruststellen.”

Hoofdstuk XXXIVMevrouw John Dashwood had zooveel vertrouwen in haar man’s oordeel, dat zij den volgenden dag zoowel Mevrouw Jennings als haar dochter een bezoek ging brengen; en zij zag dat vertrouwen beloond door de ontdekking, dat zelfs de eerste, dat mensch, bij wie hare zusters logeerden, haar omgang niet onwaardig scheen, terwijl zij Lady Middleton een van de liefste vrouwen vond, die zij ooit had ontmoet!Lady Middleton was precies even ingenomen met Mevrouw Dashwood. Van weerskanten was hier een soort koele zelfzucht, die beiden zich tot elkaar aangetrokken deed gevoelen, en zij stemden volkomen overeen in de geestelooze vormelijkheid van hun gedrag, en een totaal gemis van begrijpend inzicht. Dezelfde houding echter, die Mevrouw John Dashwood de goede meening van Lady Middleton deed verwerven, beviel Mevrouw Jennings in ’t geheel niet;zijkreeg alleen den indruk van een nuffig vrouwtje met stijve manieren, dat haar schoonzusters zonder een spoor van hartelijkheid begroette en hun niets te vertellen had; want van het kwartiertje, dat zij in Berkeley Street bleef, zat zij stellig zeven minuten zonder een woord te zeggen.Elinor had heel graag willen weten, ofschoon zij er niet naar verkoos te vragen, of Edward al in de stad was; maar niets zou Fanny hebben kunnen bewegen vrijwillig zijn naam in haar bijzijn te noemen, eer zij haar kon vertellen, dat zijn huwelijk met Juffrouw Morton vaststond, of totdat haar man’s verwachtingen omtrent Kolonel Brandon waren vervuld; want zij verdacht hen ervan nogsteeds zooveel van elkander te houden, dat zij bij alle gelegenheden niet ijverig genoeg konden worden gescheiden gehouden, door woord en door daad. De inlichting echter, diezijniet verkoos te verstrekken, gewerd Elinor al spoedig uit een andere bron. Lucy kwam haar medelijden inroepen, omdat zij Edward niet kon ontmoeten, hoewel hij tegelijk met den Heer en Mevrouw Dashwood in de stad gekomen was. Hij durfde uit vrees voor ontdekking niet naar Bartlett’s Buildings gaan, en hoewel zij beiden onuitsprekelijk verlangden elkaar te zien, was schrijven heteenigedat hun voorloopig overbleef.Zeer spoedig verschafte Edward zelf hun de zekerheid dat hij in de stad was, door tweemaal een bezoek te brengen in Berkeley Street. Tweemaal vonden zij zijn kaartje, toen zij van hun morgenritje terugkwamen. Elinor was blijde dat hij er geweest was, en nog blijder, dat zij hem niet had behoeven te zien. De Dashwoods waren zoo uitermate ingenomen met de Middletons, dat zij, die overigens aan geven niet gewend waren, nu toch eens besloten een diner te geven te hunner eere, en zij vroegen hen dus al spoedig te dineeren in Harley Street, waar zij voor drie maanden een zeer geschikt huis hadden gehuurd. Hun zusters en Mevrouw Jennings werden ook gevraagd, en John Dashwood zorgde ervoor dat Kolonel Brandon eveneens van de partij zou zijn. De laatste, die gaarne overal kwam, waar hij de dames Dashwood kon ontmoeten, beantwoordde zijne overstelpende beleefdheid met eenige verwondering, maar met veel meer genoegen. Zij zouden dan nu Mevrouw Ferrars leeren kennen; maar Elinor kon niet gewaar worden of haar beide zoons ook waren gevraagd. De verwachting echter, háár te zullen zien, was voldoende om haar belangstelling te wekken; want al kon zij nu Edward’s moeder ontmoeten zonder het gevoel van angst, dat vroegermet die voorstelling had moeten gepaard gaan; al bleef het haar thans volkomen onverschillig, welken indruk zij op de oude dame zou maken; haar wensch om in Mevrouw Ferrars’ gezelschap te zijn, haar nieuwsgierigheid om te weten hoe zij nu eigenlijk was, bleven even sterk als voorheen.De spanning, waarmede zij de partij tegemoet zag, werd spoedig daarna nog verhoogd op een wijze, niet zoozeer aangenaam als wel prikkelend, door het bericht dat de dames Steele eveneens waren uitgenoodigd.Zoo goed stonden zij bij Lady Middleton aangeschreven; zoozeer hadden zij zich door hun vleierij in haar gunst weten te dringen, dat zij, hoewel Lucynietgedistingeerd, en haar zuster zelfs niet recht vertoonbaar was, evenzeer bereid bleek als Sir John om hen een paar weken in Conduit Street te logeeren te vragen; en het trof toevallig de dames Steele als zéér geschikt, zoodra zij hoorden van de uitnoodiging der Dashwoods, hun bezoek aan te kondigen een paar dagen vóór de bewuste partij.Hun aanspraak op de beleefdheid van Mevrouw John Dashwood, als de nichten van den heer, die jaren geleden met de opvoeding van haar broer belast was, zou hun overigens allicht geen plaatsje aan haar disch hebben kunnen verschaffen; doch als de gasten van Lady Middleton moesten zij haar welkom zijn, en Lucy, die al zoo lang gewenscht had, de familie persoonlijk te leeren kennen, van naderbij hun karakters te beschouwen in verband met haar eigen moeilijkheden, en gelegenheid te vinden tot een poging om hun gunst te winnen, was zelden in haar leven zóó gelukkig geweest, als bij het ontvangen van Mevrouw John Dashwood’s invitatiekaart. Elinor ging het juist andersom. Zij begon dadelijk te bedenken, dat Edward, die bij zijn moeder gelogeerd was, mèt haar zou worden geïnviteerd op een partij, gegevendoor zijn zuster, en hem voor de eerste maal te ontmoeten, na al wat er gebeurd was, in gezelschap van Lucy!—Zij begreep bijna niet, hoe zij dàt zou verdragen!Misschien was die vrees wel niet volkomen redelijk, en in elk geval bleek zij geheel ongegrond. Zij werd echter verdreven, niet zoozeer door haar eigen rustig nadenken, als door de minzaamheid van Lucy, die meende, dat zij Elinor bitter teleurstelde, toen zij haar kwam vertellen, dat Edward Dinsdag in géén geval zou kunnen komen; en zelfs hoopte haar nog dieper te grieven, door het zoo voor te stellen, alsof hij zich gedrongen zag, weg te blijven met het oog op zijn vurige genegenheid, die hij niet zou kunnen verbergen, wanneer zij samen in gezelschap waren.De gewichtige Dinsdag brak aan, waarop beide jonge dames zouden worden voorgesteld aan de geduchte schoonmoederin spe.“Beklaag mij toch, mijn beste Juffrouw Dashwood!” zei Lucy, terwijl ze samen de trap opgingen,—want de Middletons kwamen bijna tegelijk met Mevrouw Jennings, en zij volgden met elkander den bediende naar den salon.—“Niemand dan u kan hier met mij meegevoelen. Ik kan haast niet op mijn beenen staan. Ontzettend!—Over een minuut zal ik háár zien, van wie al mijn geluk afhankelijk is,—háár, die mijn moeder zal worden!”...Elinor had haar oogenblikkelijk verlichting kunnen verschaffen, door de mogelijkheid op te werpen, dat het veeleer de moeder van Juffrouw Morton, dan de hare zou zijn, die zij op het punt waren te aanschouwen; maar inplaats van dat te doen, verzekerde zij haar, volkomen oprecht, dat zij haar inderdaad beklaagde,—tot groote verbazing van Lucy, die, hoewel zelve alles behalve op haar gemak, toch hoopte, door Elinor te worden beschouwd met niet te onderdrukken afgunst. Mevrouw Ferrars was een kleine magere vrouw; met een stijfheid inhaar houding, die aan strakheid, en een ernst in haar uitdrukking, die aan bitsheid grensde. Haar tint was vaal, en hare trekken waren, hoewel niet grof, zonder schoonheid, en van nature onbewogen, doch een gelukkig toeval had gewild, dat de strenge frons van haar voorhoofd haar gelaat vrijwaarde voor de blaam van volkomen onbeduidendheid, door het krachtig te stempelen met het merk van boosaardigheid en trots. Zij was niet zeer spraakzaam; daar zij, anders dan de meeste menschen, haar woorden in verhouding placht te brengen tot het aantal harer denkbeelden, en van de paar korte zinnetjes, die zij zich liet ontvallen, was er geen enkele gericht tot Juffrouw Dashwood, die zij opnam met het vastgewortelde voornemen, haar in elk geval niet aantrekkelijk te vinden.Nukon dit gedrag Elinor geen verdriet doen. Een paar maanden geleden zou het haar diep hebben gegriefd; doch het stond thans niet in Mevrouw Ferrars’ macht, haar ermede te hinderen; en het verschil met haar houding tegenover de dames Steele—een verschil, dat blijkbaar moest dienen om háár te meer te vernederen,—vermaakte haar zelfs een weinig. Zij kon niet nalaten te glimlachen bij het zien van de beminnelijkheid, door moeder en dochter ten toon gespreid tegenover iemand,—want Lucy werd met bijzondere onderscheiding behandeld,—die zij, wanneer ze evengoed op de hoogte waren geweest als zijzelve, liever zouden hebben willen vernielen; terwijl zij, die betrekkelijk machteloos was tegenover hen, erbij zat, en opzettelijk door beiden werd veronachtzaamd. Maar terwijl zij glimlachte over die vriendelijkheid aan het verkeerde adres, kon zij niet nalaten, denkend aan de dwaze kleingeestigheid, waaruit deze voortsproot, en lettend op den pijnlijken ijver, waarmede de dames Steele zich bevlijtigden om in de gunst te blijven, hen alle vier uit den grond van haar hart te verachten.Lucy was in één verrukking over de onderscheiding, die haar te beurt viel; en haar zuster was overal in de wolken, waar ze maar met Dr. Davies werd geplaagd. Het diner was deftig, de bedienden talrijk, en alles verried Mevrouw’s neiging tot vertooning maken, en Mijnheer’s bereidwilligheid om aan die neiging te voldoen. Ondanks de verbetering en vergrooting van Norland en ten spijt van het dreigend gevaar, dat de eigenaar van het goed had geloopen, een paar duizend pond kwijt te raken door te verkoopen met verlies, vertoonde zich nergens een spoor van de behoeftigheid, die hij had gepoogd, als het gevolg hiervan voor te stellen; armoede viel hier geenszins te bespeuren, tenzij in het gehalte van het gesprek, dat dan ook bedenkelijk te wenschen overliet. John Dashwood had nooit veel te vertellen, dat de moeite van het aanhooren waard was, en zijn vrouw nog minder. Hierdoor echter kon hen in ’t bijzonder geen blaam treffen, want in het zelfde geval verkeerden de meesten hunner gasten, die bijna allen den druk ondervonden van de eene of andere der voornaamste beletselen om zich aangenaam te maken,—gemis van verstand, ’t zij natuurlijk of verhelderd door ontwikkeling, gemis van gratie, gemis van vroolijkheid, en gemis van geest.Toen de dames na het diner naar den salon terugkeerden, bleek die armoede duidelijker dan te voren; want de heeren hàdden dan toch eenige afwisseling gebracht in het gesprek,—in zooverre het liep over politiek, land-ontginning en paardrijden,—maar daarmee was het nu uit, en slechts één onderwerp hield de dames bezig, tot de koffie werd gepresenteerd, nl. het verschil in lengte tusschen Harry Dashwood, en Lady Middleton’s tweede zoontje William, die ongeveer even oud waren.Waren beide kinderen in de kamer geweest, dan zou de vraag tè gemakkelijk zijn beslist, door zeeenvoudig te meten; doch daar Harry alleen tegenwoordig was, bleef het van beide zijden bij gissingen, terwijl ieder het recht had op zijn stuk te blijven staan, en zijne meening tot in het oneindige te herhalen.De partijen waren verdeeld in dezer voege:De beide moeders, hoewel ieder voor zich overtuigd, dat haar eigen jongen de grootste was, gaven uit beleefdheid de eer aan den ander.De beide grootmoeders, niet minder partijdig, doch meer oprecht, namen het even ernstig op voor hun eigen nakomelingen.Lucy, die bijna niet wist, wie van de beide mama’s het liefste te behagen, vond beide jongens buitengewoon groot voor hun leeftijd, en kon maar niet begrijpen dat er een zweem verschil tusschen hen bestond, en Juffrouw Steele wist zich nog handiger te redden, door in een adem den een, zoowel als den ander den grootste te noemen.Elinor, die eenmaal de meening had uitgesproken, dat zij William voor grooter hield, waardoor ze Mevrouw Ferrars beleedigde, en Fanny nog erger, vond het niet noodig, verder vol te houden, en toen Marianne naar de hare werd gevraagd, maakte zij hen allen met elkaar boos, door te zeggen, dat zij er geene meening op nahield in dezen, omdat zij nooit veel op de kinderen had gelet. Eer zij Norland verliet, had Elinor voor haar schoonzuster een paar mooie schermpjes geschilderd, die thans waren omlijst en als versiering dienden van den salon te Londen; en toen John Dashwood ze in het oog kreeg, nadat hij met de andere heeren weer binnen was gekomen, overhandigde hij ze beleefd aan Kolonel Brandon, om ze door hem te laten bewonderen.“Die heeft mijn oudste zuster geschilderd,” zei hij, “ik denk dat u, als man van smaak, ze wel mooi zult vinden. Ik weet niet, of u al meer van haar tekeningen hebt gezien; maar over ’t algemeen beschouwt men haar als zeer talentvol.”De Kolonel zeide, dat men hem volstrekt niet als een kenner moest beschouwen; doch bewonderde de schermpjes, zooals hij alles zou bewonderd hebben, wat door Juffrouw Dashwood was geschilderd; en daar de anderen nu natuurlijk nieuwsgierig werden, gingen zij van hand tot hand. Mevrouw Ferrars, die niet wist dat ze Elinor’s werk waren, bood ze zelve ter beschouwing aan, en nadat ze het vleiend getuigenis van Lady Middleton’s goedkeuring hadden mogen verwerven, gaf Fanny ze nogmaals aan haar moeder, met de mededeeling, dat Juffrouw Dashwood ze geschilderd had.“O zoo...” zei Mevrouw Ferrars,—“heel aardig,” en gaf ze aan haar dochter terug, zonder er zelfs naar te kijken.Misschien dacht Fanny even, dat haar moeder nu toch wat àl te onbeleefd werd,—want zij kreeg een kleur en zei: “Allerliefst, vindt u niet, mama?” Doch waarschijnlijk overviel haar nu weer de angst, dat zij zelve al te beleefd en voorkomend was geweest, want zij voegde erbij: “Vindt u niet, dat er iets in is van Juffrouw Morton’s manier van schilderen?Zijschildert prachtig. Wat is dat laatste landschap van haar mooi!”“Ja, bijzonder. Maarzijdoet àlles goed.”Dit kon Marianne niet verdragen. Zij had al een geduchten hekel aan Mevrouw Ferrars, en die onnoodige lof, een ander toegezwaaid, ten koste van Elinor, lokte haar uit, hoewel zij volstrekt niet kon gissen, wat er eigenlijk hoofdzakelijk mee bedoeld werd, om haastig en geërgerd te zeggen: “Een eigenaardige manier om de dingen te bewonderen! Wat kan ons die Juffrouw Morton nu schelen? Háár kennen we niet,wijhebben het nu over Elinor!”Met die woorden nam ze haar schoonzuster de schermpjes af, om ze zelve te bewonderen, zooals ze verdienden bewonderd te worden.Mevrouw Ferrars keek geducht boos, richtte zich nog stijver op, en zei met vernietigende bitsheid: “Juffrouw Morton is Lord Morton’s dochter.”Fanny keek ook verontwaardigd, en haar man was doodelijk verschrikt door zijn zuster’s vrijmoedigheid. Elinor trok zich Marianne’s heftigen uitval veel meer aan, dan ’t geen er aanleiding toe had gegeven; doch Kolonel Brandon’s blik die op Marianne bleef rusten, verried, hoe hij er alleen in had gezien, wat er beminnelijks in was, de warme genegenheid, die niet kon verdragen, een zuster ook maar in het minst verongelijkt te zien.Marianne’s gevoel sleepte haar nog verder mede. De beleedigende koelheid van Mevrouw Ferrars’ houding tegenover haar zuster deed haar voor Elinor moeilijkheden en verdrietelijkheden voorzien, waarvoor haar eigen diepgewond gemoed wel angstig moest terugdeinzen, en in een opwelling van innig meegevoel, ging zij een oogenblik later naar haar zuster en zei zacht en snel, terwijl zij haar arm om Elinor’s hals sloeg, met de wang tegen de hare: “Lieve beste Elinor, trek het je maar niet aan. Laten zejouniet ongelukkig maken.”Meer kon zij niet zeggen; zij was te zeer aangedaan; en haar gelaat tegen Elinor’s schouder verbergend, barstte zij in tranen uit. Aller aandacht was op haar gevestigd, en bijna allen hadden medelijden met haar. Kolonel Brandon stond op en ging naar hen toe, zonder te weten wat hij deed. Mevrouw Jennings reikte dadelijk met een hartelijk begrijpend “Och, dat arme kind!” haar reukfleschje, en Sir John was zoo woedend op de persoon die aanleiding had gegeven tot deze zenuwaandoening dat hij dadelijk naast Lucy Steele kwam zitten en haar fluisterend van de geheele treurige toedracht der zaak op de hoogte bracht.Na een paar minuten had Marianne zich echter voldoende hersteld, om een einde te maken aan de drukte en weer te gaan zitten, hoewel zij dengeheelen verderen avond onder den indruk bleef van hetgeen was voorgevallen.“Die arme Marianne!” zei haar broer zachtjes tegen Kolonel Brandon, zoodra het hem gelukte, diens aandacht te trekken, “ze is lang niet zoo gezond als haar zuster,—erg zenuwachtig,—ze is veel zwakker van gestel dan Elinor; en men moet toegeven, dat het ook wel hard is voor een jong meisje, dat vroeger héél mooi is geweest, haar schoonheid te verliezen. U zoudt het misschien niet gelooven; maar een paar maanden geleden nog wàs Marianne bijzonder mooi—bepaald even knap als Elinor. En nu, zooals u ziet, is daar niets meer van over.”

Mevrouw John Dashwood had zooveel vertrouwen in haar man’s oordeel, dat zij den volgenden dag zoowel Mevrouw Jennings als haar dochter een bezoek ging brengen; en zij zag dat vertrouwen beloond door de ontdekking, dat zelfs de eerste, dat mensch, bij wie hare zusters logeerden, haar omgang niet onwaardig scheen, terwijl zij Lady Middleton een van de liefste vrouwen vond, die zij ooit had ontmoet!

Lady Middleton was precies even ingenomen met Mevrouw Dashwood. Van weerskanten was hier een soort koele zelfzucht, die beiden zich tot elkaar aangetrokken deed gevoelen, en zij stemden volkomen overeen in de geestelooze vormelijkheid van hun gedrag, en een totaal gemis van begrijpend inzicht. Dezelfde houding echter, die Mevrouw John Dashwood de goede meening van Lady Middleton deed verwerven, beviel Mevrouw Jennings in ’t geheel niet;zijkreeg alleen den indruk van een nuffig vrouwtje met stijve manieren, dat haar schoonzusters zonder een spoor van hartelijkheid begroette en hun niets te vertellen had; want van het kwartiertje, dat zij in Berkeley Street bleef, zat zij stellig zeven minuten zonder een woord te zeggen.

Elinor had heel graag willen weten, ofschoon zij er niet naar verkoos te vragen, of Edward al in de stad was; maar niets zou Fanny hebben kunnen bewegen vrijwillig zijn naam in haar bijzijn te noemen, eer zij haar kon vertellen, dat zijn huwelijk met Juffrouw Morton vaststond, of totdat haar man’s verwachtingen omtrent Kolonel Brandon waren vervuld; want zij verdacht hen ervan nogsteeds zooveel van elkander te houden, dat zij bij alle gelegenheden niet ijverig genoeg konden worden gescheiden gehouden, door woord en door daad. De inlichting echter, diezijniet verkoos te verstrekken, gewerd Elinor al spoedig uit een andere bron. Lucy kwam haar medelijden inroepen, omdat zij Edward niet kon ontmoeten, hoewel hij tegelijk met den Heer en Mevrouw Dashwood in de stad gekomen was. Hij durfde uit vrees voor ontdekking niet naar Bartlett’s Buildings gaan, en hoewel zij beiden onuitsprekelijk verlangden elkaar te zien, was schrijven heteenigedat hun voorloopig overbleef.

Zeer spoedig verschafte Edward zelf hun de zekerheid dat hij in de stad was, door tweemaal een bezoek te brengen in Berkeley Street. Tweemaal vonden zij zijn kaartje, toen zij van hun morgenritje terugkwamen. Elinor was blijde dat hij er geweest was, en nog blijder, dat zij hem niet had behoeven te zien. De Dashwoods waren zoo uitermate ingenomen met de Middletons, dat zij, die overigens aan geven niet gewend waren, nu toch eens besloten een diner te geven te hunner eere, en zij vroegen hen dus al spoedig te dineeren in Harley Street, waar zij voor drie maanden een zeer geschikt huis hadden gehuurd. Hun zusters en Mevrouw Jennings werden ook gevraagd, en John Dashwood zorgde ervoor dat Kolonel Brandon eveneens van de partij zou zijn. De laatste, die gaarne overal kwam, waar hij de dames Dashwood kon ontmoeten, beantwoordde zijne overstelpende beleefdheid met eenige verwondering, maar met veel meer genoegen. Zij zouden dan nu Mevrouw Ferrars leeren kennen; maar Elinor kon niet gewaar worden of haar beide zoons ook waren gevraagd. De verwachting echter, háár te zullen zien, was voldoende om haar belangstelling te wekken; want al kon zij nu Edward’s moeder ontmoeten zonder het gevoel van angst, dat vroegermet die voorstelling had moeten gepaard gaan; al bleef het haar thans volkomen onverschillig, welken indruk zij op de oude dame zou maken; haar wensch om in Mevrouw Ferrars’ gezelschap te zijn, haar nieuwsgierigheid om te weten hoe zij nu eigenlijk was, bleven even sterk als voorheen.

De spanning, waarmede zij de partij tegemoet zag, werd spoedig daarna nog verhoogd op een wijze, niet zoozeer aangenaam als wel prikkelend, door het bericht dat de dames Steele eveneens waren uitgenoodigd.

Zoo goed stonden zij bij Lady Middleton aangeschreven; zoozeer hadden zij zich door hun vleierij in haar gunst weten te dringen, dat zij, hoewel Lucynietgedistingeerd, en haar zuster zelfs niet recht vertoonbaar was, evenzeer bereid bleek als Sir John om hen een paar weken in Conduit Street te logeeren te vragen; en het trof toevallig de dames Steele als zéér geschikt, zoodra zij hoorden van de uitnoodiging der Dashwoods, hun bezoek aan te kondigen een paar dagen vóór de bewuste partij.

Hun aanspraak op de beleefdheid van Mevrouw John Dashwood, als de nichten van den heer, die jaren geleden met de opvoeding van haar broer belast was, zou hun overigens allicht geen plaatsje aan haar disch hebben kunnen verschaffen; doch als de gasten van Lady Middleton moesten zij haar welkom zijn, en Lucy, die al zoo lang gewenscht had, de familie persoonlijk te leeren kennen, van naderbij hun karakters te beschouwen in verband met haar eigen moeilijkheden, en gelegenheid te vinden tot een poging om hun gunst te winnen, was zelden in haar leven zóó gelukkig geweest, als bij het ontvangen van Mevrouw John Dashwood’s invitatiekaart. Elinor ging het juist andersom. Zij begon dadelijk te bedenken, dat Edward, die bij zijn moeder gelogeerd was, mèt haar zou worden geïnviteerd op een partij, gegevendoor zijn zuster, en hem voor de eerste maal te ontmoeten, na al wat er gebeurd was, in gezelschap van Lucy!—Zij begreep bijna niet, hoe zij dàt zou verdragen!

Misschien was die vrees wel niet volkomen redelijk, en in elk geval bleek zij geheel ongegrond. Zij werd echter verdreven, niet zoozeer door haar eigen rustig nadenken, als door de minzaamheid van Lucy, die meende, dat zij Elinor bitter teleurstelde, toen zij haar kwam vertellen, dat Edward Dinsdag in géén geval zou kunnen komen; en zelfs hoopte haar nog dieper te grieven, door het zoo voor te stellen, alsof hij zich gedrongen zag, weg te blijven met het oog op zijn vurige genegenheid, die hij niet zou kunnen verbergen, wanneer zij samen in gezelschap waren.

De gewichtige Dinsdag brak aan, waarop beide jonge dames zouden worden voorgesteld aan de geduchte schoonmoederin spe.

“Beklaag mij toch, mijn beste Juffrouw Dashwood!” zei Lucy, terwijl ze samen de trap opgingen,—want de Middletons kwamen bijna tegelijk met Mevrouw Jennings, en zij volgden met elkander den bediende naar den salon.—“Niemand dan u kan hier met mij meegevoelen. Ik kan haast niet op mijn beenen staan. Ontzettend!—Over een minuut zal ik háár zien, van wie al mijn geluk afhankelijk is,—háár, die mijn moeder zal worden!”...

Elinor had haar oogenblikkelijk verlichting kunnen verschaffen, door de mogelijkheid op te werpen, dat het veeleer de moeder van Juffrouw Morton, dan de hare zou zijn, die zij op het punt waren te aanschouwen; maar inplaats van dat te doen, verzekerde zij haar, volkomen oprecht, dat zij haar inderdaad beklaagde,—tot groote verbazing van Lucy, die, hoewel zelve alles behalve op haar gemak, toch hoopte, door Elinor te worden beschouwd met niet te onderdrukken afgunst. Mevrouw Ferrars was een kleine magere vrouw; met een stijfheid inhaar houding, die aan strakheid, en een ernst in haar uitdrukking, die aan bitsheid grensde. Haar tint was vaal, en hare trekken waren, hoewel niet grof, zonder schoonheid, en van nature onbewogen, doch een gelukkig toeval had gewild, dat de strenge frons van haar voorhoofd haar gelaat vrijwaarde voor de blaam van volkomen onbeduidendheid, door het krachtig te stempelen met het merk van boosaardigheid en trots. Zij was niet zeer spraakzaam; daar zij, anders dan de meeste menschen, haar woorden in verhouding placht te brengen tot het aantal harer denkbeelden, en van de paar korte zinnetjes, die zij zich liet ontvallen, was er geen enkele gericht tot Juffrouw Dashwood, die zij opnam met het vastgewortelde voornemen, haar in elk geval niet aantrekkelijk te vinden.

Nukon dit gedrag Elinor geen verdriet doen. Een paar maanden geleden zou het haar diep hebben gegriefd; doch het stond thans niet in Mevrouw Ferrars’ macht, haar ermede te hinderen; en het verschil met haar houding tegenover de dames Steele—een verschil, dat blijkbaar moest dienen om háár te meer te vernederen,—vermaakte haar zelfs een weinig. Zij kon niet nalaten te glimlachen bij het zien van de beminnelijkheid, door moeder en dochter ten toon gespreid tegenover iemand,—want Lucy werd met bijzondere onderscheiding behandeld,—die zij, wanneer ze evengoed op de hoogte waren geweest als zijzelve, liever zouden hebben willen vernielen; terwijl zij, die betrekkelijk machteloos was tegenover hen, erbij zat, en opzettelijk door beiden werd veronachtzaamd. Maar terwijl zij glimlachte over die vriendelijkheid aan het verkeerde adres, kon zij niet nalaten, denkend aan de dwaze kleingeestigheid, waaruit deze voortsproot, en lettend op den pijnlijken ijver, waarmede de dames Steele zich bevlijtigden om in de gunst te blijven, hen alle vier uit den grond van haar hart te verachten.

Lucy was in één verrukking over de onderscheiding, die haar te beurt viel; en haar zuster was overal in de wolken, waar ze maar met Dr. Davies werd geplaagd. Het diner was deftig, de bedienden talrijk, en alles verried Mevrouw’s neiging tot vertooning maken, en Mijnheer’s bereidwilligheid om aan die neiging te voldoen. Ondanks de verbetering en vergrooting van Norland en ten spijt van het dreigend gevaar, dat de eigenaar van het goed had geloopen, een paar duizend pond kwijt te raken door te verkoopen met verlies, vertoonde zich nergens een spoor van de behoeftigheid, die hij had gepoogd, als het gevolg hiervan voor te stellen; armoede viel hier geenszins te bespeuren, tenzij in het gehalte van het gesprek, dat dan ook bedenkelijk te wenschen overliet. John Dashwood had nooit veel te vertellen, dat de moeite van het aanhooren waard was, en zijn vrouw nog minder. Hierdoor echter kon hen in ’t bijzonder geen blaam treffen, want in het zelfde geval verkeerden de meesten hunner gasten, die bijna allen den druk ondervonden van de eene of andere der voornaamste beletselen om zich aangenaam te maken,—gemis van verstand, ’t zij natuurlijk of verhelderd door ontwikkeling, gemis van gratie, gemis van vroolijkheid, en gemis van geest.

Toen de dames na het diner naar den salon terugkeerden, bleek die armoede duidelijker dan te voren; want de heeren hàdden dan toch eenige afwisseling gebracht in het gesprek,—in zooverre het liep over politiek, land-ontginning en paardrijden,—maar daarmee was het nu uit, en slechts één onderwerp hield de dames bezig, tot de koffie werd gepresenteerd, nl. het verschil in lengte tusschen Harry Dashwood, en Lady Middleton’s tweede zoontje William, die ongeveer even oud waren.

Waren beide kinderen in de kamer geweest, dan zou de vraag tè gemakkelijk zijn beslist, door zeeenvoudig te meten; doch daar Harry alleen tegenwoordig was, bleef het van beide zijden bij gissingen, terwijl ieder het recht had op zijn stuk te blijven staan, en zijne meening tot in het oneindige te herhalen.

De partijen waren verdeeld in dezer voege:

De beide moeders, hoewel ieder voor zich overtuigd, dat haar eigen jongen de grootste was, gaven uit beleefdheid de eer aan den ander.

De beide grootmoeders, niet minder partijdig, doch meer oprecht, namen het even ernstig op voor hun eigen nakomelingen.

Lucy, die bijna niet wist, wie van de beide mama’s het liefste te behagen, vond beide jongens buitengewoon groot voor hun leeftijd, en kon maar niet begrijpen dat er een zweem verschil tusschen hen bestond, en Juffrouw Steele wist zich nog handiger te redden, door in een adem den een, zoowel als den ander den grootste te noemen.

Elinor, die eenmaal de meening had uitgesproken, dat zij William voor grooter hield, waardoor ze Mevrouw Ferrars beleedigde, en Fanny nog erger, vond het niet noodig, verder vol te houden, en toen Marianne naar de hare werd gevraagd, maakte zij hen allen met elkaar boos, door te zeggen, dat zij er geene meening op nahield in dezen, omdat zij nooit veel op de kinderen had gelet. Eer zij Norland verliet, had Elinor voor haar schoonzuster een paar mooie schermpjes geschilderd, die thans waren omlijst en als versiering dienden van den salon te Londen; en toen John Dashwood ze in het oog kreeg, nadat hij met de andere heeren weer binnen was gekomen, overhandigde hij ze beleefd aan Kolonel Brandon, om ze door hem te laten bewonderen.

“Die heeft mijn oudste zuster geschilderd,” zei hij, “ik denk dat u, als man van smaak, ze wel mooi zult vinden. Ik weet niet, of u al meer van haar tekeningen hebt gezien; maar over ’t algemeen beschouwt men haar als zeer talentvol.”

De Kolonel zeide, dat men hem volstrekt niet als een kenner moest beschouwen; doch bewonderde de schermpjes, zooals hij alles zou bewonderd hebben, wat door Juffrouw Dashwood was geschilderd; en daar de anderen nu natuurlijk nieuwsgierig werden, gingen zij van hand tot hand. Mevrouw Ferrars, die niet wist dat ze Elinor’s werk waren, bood ze zelve ter beschouwing aan, en nadat ze het vleiend getuigenis van Lady Middleton’s goedkeuring hadden mogen verwerven, gaf Fanny ze nogmaals aan haar moeder, met de mededeeling, dat Juffrouw Dashwood ze geschilderd had.

“O zoo...” zei Mevrouw Ferrars,—“heel aardig,” en gaf ze aan haar dochter terug, zonder er zelfs naar te kijken.

Misschien dacht Fanny even, dat haar moeder nu toch wat àl te onbeleefd werd,—want zij kreeg een kleur en zei: “Allerliefst, vindt u niet, mama?” Doch waarschijnlijk overviel haar nu weer de angst, dat zij zelve al te beleefd en voorkomend was geweest, want zij voegde erbij: “Vindt u niet, dat er iets in is van Juffrouw Morton’s manier van schilderen?Zijschildert prachtig. Wat is dat laatste landschap van haar mooi!”

“Ja, bijzonder. Maarzijdoet àlles goed.”

Dit kon Marianne niet verdragen. Zij had al een geduchten hekel aan Mevrouw Ferrars, en die onnoodige lof, een ander toegezwaaid, ten koste van Elinor, lokte haar uit, hoewel zij volstrekt niet kon gissen, wat er eigenlijk hoofdzakelijk mee bedoeld werd, om haastig en geërgerd te zeggen: “Een eigenaardige manier om de dingen te bewonderen! Wat kan ons die Juffrouw Morton nu schelen? Háár kennen we niet,wijhebben het nu over Elinor!”

Met die woorden nam ze haar schoonzuster de schermpjes af, om ze zelve te bewonderen, zooals ze verdienden bewonderd te worden.

Mevrouw Ferrars keek geducht boos, richtte zich nog stijver op, en zei met vernietigende bitsheid: “Juffrouw Morton is Lord Morton’s dochter.”

Fanny keek ook verontwaardigd, en haar man was doodelijk verschrikt door zijn zuster’s vrijmoedigheid. Elinor trok zich Marianne’s heftigen uitval veel meer aan, dan ’t geen er aanleiding toe had gegeven; doch Kolonel Brandon’s blik die op Marianne bleef rusten, verried, hoe hij er alleen in had gezien, wat er beminnelijks in was, de warme genegenheid, die niet kon verdragen, een zuster ook maar in het minst verongelijkt te zien.

Marianne’s gevoel sleepte haar nog verder mede. De beleedigende koelheid van Mevrouw Ferrars’ houding tegenover haar zuster deed haar voor Elinor moeilijkheden en verdrietelijkheden voorzien, waarvoor haar eigen diepgewond gemoed wel angstig moest terugdeinzen, en in een opwelling van innig meegevoel, ging zij een oogenblik later naar haar zuster en zei zacht en snel, terwijl zij haar arm om Elinor’s hals sloeg, met de wang tegen de hare: “Lieve beste Elinor, trek het je maar niet aan. Laten zejouniet ongelukkig maken.”

Meer kon zij niet zeggen; zij was te zeer aangedaan; en haar gelaat tegen Elinor’s schouder verbergend, barstte zij in tranen uit. Aller aandacht was op haar gevestigd, en bijna allen hadden medelijden met haar. Kolonel Brandon stond op en ging naar hen toe, zonder te weten wat hij deed. Mevrouw Jennings reikte dadelijk met een hartelijk begrijpend “Och, dat arme kind!” haar reukfleschje, en Sir John was zoo woedend op de persoon die aanleiding had gegeven tot deze zenuwaandoening dat hij dadelijk naast Lucy Steele kwam zitten en haar fluisterend van de geheele treurige toedracht der zaak op de hoogte bracht.

Na een paar minuten had Marianne zich echter voldoende hersteld, om een einde te maken aan de drukte en weer te gaan zitten, hoewel zij dengeheelen verderen avond onder den indruk bleef van hetgeen was voorgevallen.

“Die arme Marianne!” zei haar broer zachtjes tegen Kolonel Brandon, zoodra het hem gelukte, diens aandacht te trekken, “ze is lang niet zoo gezond als haar zuster,—erg zenuwachtig,—ze is veel zwakker van gestel dan Elinor; en men moet toegeven, dat het ook wel hard is voor een jong meisje, dat vroeger héél mooi is geweest, haar schoonheid te verliezen. U zoudt het misschien niet gelooven; maar een paar maanden geleden nog wàs Marianne bijzonder mooi—bepaald even knap als Elinor. En nu, zooals u ziet, is daar niets meer van over.”

Hoofdstuk XXXVElinor’s verlangen om Mevrouw Ferrars te zien was nu voldaan. Het was haar gebleken dat deze vrouw alle eigenschappen bezat, die een verderen omgang tusschen beide families niet wenschelijk deden schijnen. Zij had genoeg gezien van haar trots, haar kleingeestigheid en haar onverzettelijke vooringenomenheid tegen haarzelve, om al de bezwaren te begrijpen, die een verloving zouden hebben bedorven en een huwelijk verhinderd tusschen Edward en haar, zoo hij overigens al vrij ware geweest; en zij had welhaast genoeg opgemerkt, om dankbaar te zijn op zichzelf, dat één gewichtiger beletsel haar vrijwaarde voor de kwelling der vele andere, welke Mevrouw Ferrars had kunnen uitdenken; voor eenige afhankelijkheid van hare luimen, of eenige bezorgheid omtrent hare goede meening. Ofalthans besloot zij, zoo ze zich al niet ten volle kon verheugen over het feit, dat Edward aan Lucy gebonden was, dat zij zich daarover hadmoetenverheugen, wanneer Lucy beminnelijker was geweest.Zij verbaasde zich erover, dat Lucy zoo in de wolken kon zijn over Mevrouw Ferrars’ beleefdheid; dat zij zich zóó kon laten verblinden door haar eigenbelang en ijdelheid, om de attenties, die haar toch enkel werden bewezen, omdat zijnietElinor was, als een hulde aan haarzelve op te vatten,—en om bemoediging te putten uit een voorkeur, die haar slechts geschonken werd, zoolang haar werkelijke verhouding tot hen allen hun onbekend bleef. Dàt Lucy verrukt was, hadden niet alleen haar blikken verraden op den avond van de partij; maar zij kwam het den volgenden morgen nog eens persoonlijk verklaren; toen Lady Middleton haar, op haar uitdrukkelijk verlangen, in Berkeley Street liet uitstappen, in de hoop, Elinor alleen te vinden, om haar te kunnen vertellen, hoe gelukkig zij zich gevoelde.Het toeval bleek haar gunstig gezind; want kort na dat zij gekomen was, werd Mevrouw Jennings door een boodschap van Mevrouw Palmer weggeroepen.“Mijn beste vriendin,” riep Lucy, zoodra zij alleen waren: “ik moest u eens komen vertellen, hoe blijde ik ben. Kon er wel iets vleiender geweest zijn, dan de manier waarop Mevrouw Ferrars mij gisteren behandelde? Ze was werkelijk allervriendelijkst! U weet, hoe ik er tegen opzag, haar te ontmoeten; maar van ’t oogenblik af, dat ik aan haar werd voorgesteld, gedroeg ze zich jegens mij met een voorkomendheid, die bepaald deed blijken, dat ze bijzonder met mij was ingenomen. Vondt u dat ook niet? U hebt het zelf alles bijgewoond, en viel het u ook niet op?”“Zeker; ze ontving u heel beleefd.”“Beleefd?—Zag u alleen beleefdheid in haar houding? Nu, ik dan vrij wat méér—een vriendelijkheid, die aan niemand anders dan mij werd bewezen! Niets trotsch, niets uit de hoogte; en uw zuster eveneens,—een en al beminnelijkheid en tegemoetkoming!”Elinor wilde over iets anders gaan spreken; maar Lucy liet niet los, eer zij had toegegeven, dat er reden bestond voor haar blijdschap, en Elinor was gedwongen nog iets te zeggen.“Als zij geweten hadden van uw verloving,” zeide zij, “dan zou hun houding tegenover u ongetwijfeld zéér vleiend zijn geweest; maar nu dit niet het geval was...”“Dat dacht ik al, dat u dat zoudt zeggen,” antwoordde Lucy snel; “maar er was niet de minste reden, waarom Mevrouw Ferrars zich met mij ingenomen zou toonen, als ze dat niet wàs,—en dat ze van mij houdt is de hoofdzaak. Neen, u zult me mijn voldoening niet kunnen ontnemen. Ik geloof stellig, dat alles best zal afloopen, en dat er, vergeleken bij ’t geen ik mij had voorgesteld, in ’t geheel geen moeilijkheden zullen zijn. Mevrouw Ferrars is een allerliefste vrouw, en uw zuster ook. Ze zijn allebei even aardig!—’t verwondert mij, dat u ons nooit verteld hebt, wat een lieve vrouw Mevrouw Dashwood was!”Hierop had Elinor niets te antwoorden, en zij deed daar toe ook geen moeite.“Is u niet wel, Juffrouw Dashwood?—u lijkt zoo gedrukt, en u zegt niets,—er scheelt bepaald iets aan.”“O neen, ik voel mij volkomen wèl.”“Daar ben ik blij om; maar u ziet er niet naar uit. Wat zou ’t me spijten, alsuziek werdt—u, die mijn beste en eenige toevlucht bent geweest! Ik weet waarlijk niet, wat ik zou zijn begonnen zonder uw vriendschap!”Elinor trachtte iets beleefds te antwoorden,ofschoon zij vreesde, dat het haar slecht gelukte. Het scheen Lucy echter te bevredigen, want zij ging voort: “Ja, ik weet, dat u oprecht voor mij gevoelt, en na Edward’s liefde, is dat mijn grootste troost. Die arme Edward! Maar nu treft het in een opzicht gelukkig,—we kunnen elkaar nu ontmoeten, en vrij dikwijls zelfs, want Lady Middleton is verrukt van Mevrouw Dashwood; dus zullen we, denk ik, wel veel in Harley Street zijn, en Edward is bijna den heelen dag bij zijn zuster;—bovendien bezoeken Lady Middleton en Mevrouw Ferrars elkaar nu ook, en Mevrouw Ferrars en uw zuster waren beiden zoo vriendelijk, meermalen te zeggen, dat het hun altijd genoegen zou doen, mij te zien. Zulke allerliefste menschen!—als u ooit aan uw zuster vertelt, hoe ik over haar denk, dan kunt u niet te veel goeds zeggen.”Elinor verkoos haar echter geen hoop te geven, dat zij dit aan haar zuster zou overbrengen. Lucy ging voort:“Ik zou ’t stellig onmiddellijk hebben opgemerkt, als Mevrouw Ferrars iets tegen mij had gehad. Wanneer ze bij voorbeeld, alleen maar stijfjes voor mij had gebogen zonder een woord te zeggen, en later in ’t geheel geen notitie van mij had genomen, en mij nooit eens vriendelijk had aangezien,—u weet wel, hoe ik bedoel,—als ik op die manier op een afstand was gehouden, dan zou ik alles hebben opgegeven en heel en al wanhopig zijn geweest. Dàt zou ik niet hebben kunnen verdragen. Wantalszij iets tegen iemand heeft, dàn meent zij het, dat weet ik.”Elinor behoefde deze uiting van beleefde zegepraal niet te beantwoorden; want de deur werd geopend, de knecht diende den Heer Ferrars aan, en Edward stapte meteen de kamer in.Het was een allerpijnlijkst oogenblik; en ieders gelaat gaf dit duidelijk te kennen. Zij sloegen alle drie een dwaas figuur, en Edward scheen evenveellust te hebben het vertrek weer te verlaten, als naar binnen te gaan. Juistdieontmoeting, in haar onaangenaamsten vorm, had thans tusschen hen plaats, die ieder van hen het liefst had willen vermijden; ze waren niet alleen met hun drieën samen maar misten daarbij de afleiding door ander gezelschap. De dames herstelden zich het eerst. Het lag niet op Lucy’s weg, zich op den voorgrond te stellen, en het geheim moest zoogenaamd blijven bewaard. Zij kon haar teedere gezindheid dus slechts door blikken uitdrukken, en na hem met een enkel woord te hebben begroet, zeide zij niets meer.Maar Elinor had méér te doen; en zóó gaarne wilde zij datgoeddoen, om zijnent- en om harentwil, dat zij zichzelve, na een oogenblik van krachtige inspanning wist te dwingen hem te verwelkomen met een blik en een houding, die bijna open, bijna natuurlijk waren; en dit nog meer werden na een tweede heldhaftige poging. Zij wilde zich, zoomin door Lucy’s tegenwoordigheid als door het bewustzijn van eenig haar aangedaan onrecht, laten weerhouden, om hem te zeggen, dat zij blijde was hem te zien, en hoe het haar had gespeten, dat zij uit was, toen hij reeds eerder een bezoek had gebracht in Berkeley Street. Zij wilde hem, uit vrees voor Lucy’s waakzamen blik, niet die beleefdheid onthouden, welke zij hem, als vriend en bijna een lid hunner familie, verschuldigd was, hoewel zij spoedig bespeurde, dat Lucy scherp op haar lette.Haar rustige houding gaf Edward iets meer zekerheid; en hij had thans moed genoeg om te gaan zitten, maar zijn verlegenheid overtrof die der dames op een wijze, die in zijne omstandigheden, zooal niet door zijne sekse, verschoonbaar kon worden geacht; want zijn hart was niet zoo onverschillig als dat van Lucy, en zijn geweten niet zoo volkomen zuiver als dat van Elinor. Lucy scheen zich, met een vertoon van zedige bedaardheid,niet geroepen te gevoelen, het hare te doen om de anderen op hun gemak te zetten, en verkoos geen woord te zeggen; zoodat bijna alles, wat er gezegd wèrd, uitging van Elinor, die uit eigen beweging alle inlichtingen verstrekte omtrent hun moeder’s gezondheid, hun reis naar de stad, enz. waarnaar Edwardnietvroeg, zooals hij behoorde te doen. Nog verder ging zij in haar pogingen; want weldra voelde zij zich zóó heldhaftig gezind, dat zij besloot, onder het voorwendsel, Marianne te gaan halen, de beide anderen alleen te laten; ’t geen ze ook werkelijk deed, en dat wel op de meest loyale wijze; want zij bleef, met grootmoedige dapperheid, een paar minuten heen en weer drentelen op het portaal, eer zij naar haar zuster ging. Toen dat echter gebeurd was, had Edward voor liefdesbetuigingen geen tijd meer; want Marianne vloog in haar blijdschap onmiddellijk naar beneden en den salon binnen. Als al haar gevoelens, was haar vreugde, hem weer te zien, levendig op zichzelf, en levendig uitgedrukt. Zij kwam hem te gemoet met uitgestrekte hand, en in haar stem den klank van zusterlijke genegenheid.“Beste Edward!” riep ze, “wat ben ik blij je te zien! Dit zou bijna alles weer goedmaken!”Edward trachtte haar vriendelijkheid te beantwoorden, zooals zij verdiende; maar in tegenwoordigheid der anderen durfde hij niet half zeggen, wat hij werkelijk gevoelde. Zij gingen weer zitten, en eenige oogenblikken bleven allen zwijgen; terwijl Marianne met zichtbaar teeder welgevallen van Edward naar Elinor keek, en alleen maar betreurde, dat hun blijdschap in elkander’s bijzijn werd bedorven door Lucy’s onwelkome tegenwoordigheid. Edward was de eerste, die sprak; hij merkte op, dat Marianne er minder goed uitzag, en gaf zijn vrees te kennen, dat het verblijf te Londen haar niet goed bekwam.“O, denk maar niet aan mij!” antwoordde zij,met opgewekten nadruk, hoewel haar oogen vol tranen stonden, “maak je overmijngezondheid niet bezorgd. Elinor maakt het goed, zooals je ziet. Dat moet voor ons beiden voldoende zijn.”Deze opmerking droeg er niet toe bij, Edward en Elinor kalmer te stemmen, en nog minder om haar de welwillende gezindheid te verwerven van Lucy, die Marianne allesbehalve vriendelijk aanzag.“Bevalt Londen je goed?” vroeg Edward, om toch maar iets te zeggen, dat een ander onderwerp van gesprek aan de hand kon doen.“Neen, volstrekt niet. Ik had mij er veel genoegen van voorgesteld; maar dat heb ik er niet gevonden. Dit weerzien van jou, Edward, is de eenige blijdschap, die ’t mij heeft gebracht; en jij bent gelukkig nog altijd dezelfde!”Zij zweeg—en ook de anderen bleven zwijgen. “Mij dunkt, Elinor,” ging Marianne voort, “we moesten Edward vragen om voor ons te zorgen als we weer naar Barton teruggaan. Over een paar weken zal dat wel gebeuren, en ik denk dat Edward er wel niet op tegen zal hebben, die opdracht te aanvaarden.”De arme Edward prevelde iets, dat niemand verstond, misschien hij zelf ook niet. Maar Marianne, die zag, dat hij zenuwachtig was, en licht geneigd was, de oorzaak hiervoor te zoeken in ’t geen haar ’t best behaagde, scheen volkomen voldaan en sprak spoedig over iets anders.“O Edward, wat hebben we gisteren een dag gehad, in Harley Street! Zóó vervelend; zoo ontzaglijk vervelend! Maar dááromtrent heb ik je veel te vertellen, dat ik nu niet zeggen kan.”Met zoo bewonderenswaardige omzichtigheid verschoof zij de mededeeling, dat zij hun wederzijdsche bloedverwanten onaangenamer had gevonden dan ooit, en in ’t bijzonder aan zijn moeder een hekel had, tot later, wanneer er gelegenheid zou zijn voor een vertrouwelijk gesprek.“Maar waarom was jij er niet, Edward?—Waarom was je niet gekomen?”“Ik had iets anders te doen.”“Iets anders?—Maar wat kon dat zijn, terwijl je je beste vrienden hadt kunnen ontmoeten?”“U denkt zeker, juffrouw Marianne,” riep Lucy, de gelegenheid aangrijpend om wraak te nemen, “dat jongelui zich nooit bekommeren om hun verplichtingen, als ze niet van plan zijn, die na te komen, in ’t klein, zoowel als in ’t groot.”Elinor was ernstig boos; maar Marianne scheen de hatelijkheid niet te willen opmerken, want zij antwoordde bedaard:“Neen, tòch niet; want in ernst, ik ben overtuigd, dat alleen nauwgezetheid van geweten Edward verhinderde naar Harley Street te gaan. En ik geloof stellig, dat hij van alle menschen het allerkwetsbaarste geweten heeft, het meest nauwgezet elke verplichting nakomt, hoe gering die ook zij, en hoe ook in tegenspraak met zijn belang of genoegen. Hij is meer bevreesd om anderen verdriet te doen, om verwachtingen teleur te stellen, minder in staat tot zelfzuchtige bedoelingen, dan iemand, dien ik ooit heb ontmoet. Hetiszoo, Edward, en ikwilhet zeggen. Wat! zou jij je nooit mogen hooren prijzen? Dan zou je mijn vriend niet kunnen zijn, want zij, wien ik liefde en achting toedraag, moeten zich ook mijn openhartigen lof laten welgevallen.”De soort van lof, in dit geval door haar toegekend, paste echter zoo buitengewoon slecht bij de gevoelens van twee harer toehoorders, en scheen Edward zoo weinig voldoening te verschaffen, dat hij al heel spoedig opstond om heen te gaan.“Ga je nu al?” zei Marianne; “maar beste Edward, dat kan toch niet.”En hem terzijde nemend, fluisterde zij hem toe, dat Lucy stellig niet lang meer kon blijven. Doch zelfs deze aansporing baatte niet; hijmoestweg, en Lucy, die gewacht zou hebben, al had zijn bezoektwee uren geduurd, nam spoedig daarna ook afscheid.“Wat doet ze hier toch zoo dikwijls?” zei Marianne, toen zij was heengegaan. “Kon ze niet begrijpen, dat we haar graag kwijt waren? Zoo vervelend voor Edward!”“Och, waarom?—we zijn allen vrienden van hem; en Lucy heeft hem ’t langst gekend. ’t Is heel natuurlijk, dat hij haar even graag ontmoet als ons.”Marianne zag haar ernstig aan en zei: “Je weet, Elinor, dat ik deze soort van redeneeringen niet kan verdragen. Als je alleen maar hoopt, tegenspraak uit te lokken, zooals ik wel vermoeden moet, dat het geval is, dan behoor je toch te bedenken, dat ik de laatste persoon ben, van wie je die verwachten kunt. Ik wil mij niet verlagen tot die komedie, mij beweringen te laten afpersen, die volkomen overbodig zijn.”Daarop ging zij de kamer uit, en Elinor durfde haar niet volgen om de zaak uit te leggen, want gebonden als zij was door haar belofte van geheimhouding tegenover Lucy, kon zij Marianne niets mededeelen, dat haar overtuigen kon; en al zouden de gevolgen van Marianne’s onwetendheid in dezen ook nog zoo onaangenaam kunnen zijn, zij was verplicht ze te dragen. Al wat zij kon hopen, was, dat Edward niet dikwijls haar en zichzelf zou blootstellen aan de pijnlijke gewaarwordingen, veroorzaakt door Marianne’s misplaatste geestdrift, of tot eene herhaling van de vele smartelijke gevoelens, die zijn laatste bezoek had gewekt—en zij had alle reden, dit te verwachten.

Elinor’s verlangen om Mevrouw Ferrars te zien was nu voldaan. Het was haar gebleken dat deze vrouw alle eigenschappen bezat, die een verderen omgang tusschen beide families niet wenschelijk deden schijnen. Zij had genoeg gezien van haar trots, haar kleingeestigheid en haar onverzettelijke vooringenomenheid tegen haarzelve, om al de bezwaren te begrijpen, die een verloving zouden hebben bedorven en een huwelijk verhinderd tusschen Edward en haar, zoo hij overigens al vrij ware geweest; en zij had welhaast genoeg opgemerkt, om dankbaar te zijn op zichzelf, dat één gewichtiger beletsel haar vrijwaarde voor de kwelling der vele andere, welke Mevrouw Ferrars had kunnen uitdenken; voor eenige afhankelijkheid van hare luimen, of eenige bezorgheid omtrent hare goede meening. Ofalthans besloot zij, zoo ze zich al niet ten volle kon verheugen over het feit, dat Edward aan Lucy gebonden was, dat zij zich daarover hadmoetenverheugen, wanneer Lucy beminnelijker was geweest.

Zij verbaasde zich erover, dat Lucy zoo in de wolken kon zijn over Mevrouw Ferrars’ beleefdheid; dat zij zich zóó kon laten verblinden door haar eigenbelang en ijdelheid, om de attenties, die haar toch enkel werden bewezen, omdat zijnietElinor was, als een hulde aan haarzelve op te vatten,—en om bemoediging te putten uit een voorkeur, die haar slechts geschonken werd, zoolang haar werkelijke verhouding tot hen allen hun onbekend bleef. Dàt Lucy verrukt was, hadden niet alleen haar blikken verraden op den avond van de partij; maar zij kwam het den volgenden morgen nog eens persoonlijk verklaren; toen Lady Middleton haar, op haar uitdrukkelijk verlangen, in Berkeley Street liet uitstappen, in de hoop, Elinor alleen te vinden, om haar te kunnen vertellen, hoe gelukkig zij zich gevoelde.

Het toeval bleek haar gunstig gezind; want kort na dat zij gekomen was, werd Mevrouw Jennings door een boodschap van Mevrouw Palmer weggeroepen.

“Mijn beste vriendin,” riep Lucy, zoodra zij alleen waren: “ik moest u eens komen vertellen, hoe blijde ik ben. Kon er wel iets vleiender geweest zijn, dan de manier waarop Mevrouw Ferrars mij gisteren behandelde? Ze was werkelijk allervriendelijkst! U weet, hoe ik er tegen opzag, haar te ontmoeten; maar van ’t oogenblik af, dat ik aan haar werd voorgesteld, gedroeg ze zich jegens mij met een voorkomendheid, die bepaald deed blijken, dat ze bijzonder met mij was ingenomen. Vondt u dat ook niet? U hebt het zelf alles bijgewoond, en viel het u ook niet op?”

“Zeker; ze ontving u heel beleefd.”

“Beleefd?—Zag u alleen beleefdheid in haar houding? Nu, ik dan vrij wat méér—een vriendelijkheid, die aan niemand anders dan mij werd bewezen! Niets trotsch, niets uit de hoogte; en uw zuster eveneens,—een en al beminnelijkheid en tegemoetkoming!”

Elinor wilde over iets anders gaan spreken; maar Lucy liet niet los, eer zij had toegegeven, dat er reden bestond voor haar blijdschap, en Elinor was gedwongen nog iets te zeggen.

“Als zij geweten hadden van uw verloving,” zeide zij, “dan zou hun houding tegenover u ongetwijfeld zéér vleiend zijn geweest; maar nu dit niet het geval was...”

“Dat dacht ik al, dat u dat zoudt zeggen,” antwoordde Lucy snel; “maar er was niet de minste reden, waarom Mevrouw Ferrars zich met mij ingenomen zou toonen, als ze dat niet wàs,—en dat ze van mij houdt is de hoofdzaak. Neen, u zult me mijn voldoening niet kunnen ontnemen. Ik geloof stellig, dat alles best zal afloopen, en dat er, vergeleken bij ’t geen ik mij had voorgesteld, in ’t geheel geen moeilijkheden zullen zijn. Mevrouw Ferrars is een allerliefste vrouw, en uw zuster ook. Ze zijn allebei even aardig!—’t verwondert mij, dat u ons nooit verteld hebt, wat een lieve vrouw Mevrouw Dashwood was!”

Hierop had Elinor niets te antwoorden, en zij deed daar toe ook geen moeite.

“Is u niet wel, Juffrouw Dashwood?—u lijkt zoo gedrukt, en u zegt niets,—er scheelt bepaald iets aan.”

“O neen, ik voel mij volkomen wèl.”

“Daar ben ik blij om; maar u ziet er niet naar uit. Wat zou ’t me spijten, alsuziek werdt—u, die mijn beste en eenige toevlucht bent geweest! Ik weet waarlijk niet, wat ik zou zijn begonnen zonder uw vriendschap!”

Elinor trachtte iets beleefds te antwoorden,ofschoon zij vreesde, dat het haar slecht gelukte. Het scheen Lucy echter te bevredigen, want zij ging voort: “Ja, ik weet, dat u oprecht voor mij gevoelt, en na Edward’s liefde, is dat mijn grootste troost. Die arme Edward! Maar nu treft het in een opzicht gelukkig,—we kunnen elkaar nu ontmoeten, en vrij dikwijls zelfs, want Lady Middleton is verrukt van Mevrouw Dashwood; dus zullen we, denk ik, wel veel in Harley Street zijn, en Edward is bijna den heelen dag bij zijn zuster;—bovendien bezoeken Lady Middleton en Mevrouw Ferrars elkaar nu ook, en Mevrouw Ferrars en uw zuster waren beiden zoo vriendelijk, meermalen te zeggen, dat het hun altijd genoegen zou doen, mij te zien. Zulke allerliefste menschen!—als u ooit aan uw zuster vertelt, hoe ik over haar denk, dan kunt u niet te veel goeds zeggen.”

Elinor verkoos haar echter geen hoop te geven, dat zij dit aan haar zuster zou overbrengen. Lucy ging voort:

“Ik zou ’t stellig onmiddellijk hebben opgemerkt, als Mevrouw Ferrars iets tegen mij had gehad. Wanneer ze bij voorbeeld, alleen maar stijfjes voor mij had gebogen zonder een woord te zeggen, en later in ’t geheel geen notitie van mij had genomen, en mij nooit eens vriendelijk had aangezien,—u weet wel, hoe ik bedoel,—als ik op die manier op een afstand was gehouden, dan zou ik alles hebben opgegeven en heel en al wanhopig zijn geweest. Dàt zou ik niet hebben kunnen verdragen. Wantalszij iets tegen iemand heeft, dàn meent zij het, dat weet ik.”

Elinor behoefde deze uiting van beleefde zegepraal niet te beantwoorden; want de deur werd geopend, de knecht diende den Heer Ferrars aan, en Edward stapte meteen de kamer in.

Het was een allerpijnlijkst oogenblik; en ieders gelaat gaf dit duidelijk te kennen. Zij sloegen alle drie een dwaas figuur, en Edward scheen evenveellust te hebben het vertrek weer te verlaten, als naar binnen te gaan. Juistdieontmoeting, in haar onaangenaamsten vorm, had thans tusschen hen plaats, die ieder van hen het liefst had willen vermijden; ze waren niet alleen met hun drieën samen maar misten daarbij de afleiding door ander gezelschap. De dames herstelden zich het eerst. Het lag niet op Lucy’s weg, zich op den voorgrond te stellen, en het geheim moest zoogenaamd blijven bewaard. Zij kon haar teedere gezindheid dus slechts door blikken uitdrukken, en na hem met een enkel woord te hebben begroet, zeide zij niets meer.

Maar Elinor had méér te doen; en zóó gaarne wilde zij datgoeddoen, om zijnent- en om harentwil, dat zij zichzelve, na een oogenblik van krachtige inspanning wist te dwingen hem te verwelkomen met een blik en een houding, die bijna open, bijna natuurlijk waren; en dit nog meer werden na een tweede heldhaftige poging. Zij wilde zich, zoomin door Lucy’s tegenwoordigheid als door het bewustzijn van eenig haar aangedaan onrecht, laten weerhouden, om hem te zeggen, dat zij blijde was hem te zien, en hoe het haar had gespeten, dat zij uit was, toen hij reeds eerder een bezoek had gebracht in Berkeley Street. Zij wilde hem, uit vrees voor Lucy’s waakzamen blik, niet die beleefdheid onthouden, welke zij hem, als vriend en bijna een lid hunner familie, verschuldigd was, hoewel zij spoedig bespeurde, dat Lucy scherp op haar lette.

Haar rustige houding gaf Edward iets meer zekerheid; en hij had thans moed genoeg om te gaan zitten, maar zijn verlegenheid overtrof die der dames op een wijze, die in zijne omstandigheden, zooal niet door zijne sekse, verschoonbaar kon worden geacht; want zijn hart was niet zoo onverschillig als dat van Lucy, en zijn geweten niet zoo volkomen zuiver als dat van Elinor. Lucy scheen zich, met een vertoon van zedige bedaardheid,niet geroepen te gevoelen, het hare te doen om de anderen op hun gemak te zetten, en verkoos geen woord te zeggen; zoodat bijna alles, wat er gezegd wèrd, uitging van Elinor, die uit eigen beweging alle inlichtingen verstrekte omtrent hun moeder’s gezondheid, hun reis naar de stad, enz. waarnaar Edwardnietvroeg, zooals hij behoorde te doen. Nog verder ging zij in haar pogingen; want weldra voelde zij zich zóó heldhaftig gezind, dat zij besloot, onder het voorwendsel, Marianne te gaan halen, de beide anderen alleen te laten; ’t geen ze ook werkelijk deed, en dat wel op de meest loyale wijze; want zij bleef, met grootmoedige dapperheid, een paar minuten heen en weer drentelen op het portaal, eer zij naar haar zuster ging. Toen dat echter gebeurd was, had Edward voor liefdesbetuigingen geen tijd meer; want Marianne vloog in haar blijdschap onmiddellijk naar beneden en den salon binnen. Als al haar gevoelens, was haar vreugde, hem weer te zien, levendig op zichzelf, en levendig uitgedrukt. Zij kwam hem te gemoet met uitgestrekte hand, en in haar stem den klank van zusterlijke genegenheid.

“Beste Edward!” riep ze, “wat ben ik blij je te zien! Dit zou bijna alles weer goedmaken!”

Edward trachtte haar vriendelijkheid te beantwoorden, zooals zij verdiende; maar in tegenwoordigheid der anderen durfde hij niet half zeggen, wat hij werkelijk gevoelde. Zij gingen weer zitten, en eenige oogenblikken bleven allen zwijgen; terwijl Marianne met zichtbaar teeder welgevallen van Edward naar Elinor keek, en alleen maar betreurde, dat hun blijdschap in elkander’s bijzijn werd bedorven door Lucy’s onwelkome tegenwoordigheid. Edward was de eerste, die sprak; hij merkte op, dat Marianne er minder goed uitzag, en gaf zijn vrees te kennen, dat het verblijf te Londen haar niet goed bekwam.

“O, denk maar niet aan mij!” antwoordde zij,met opgewekten nadruk, hoewel haar oogen vol tranen stonden, “maak je overmijngezondheid niet bezorgd. Elinor maakt het goed, zooals je ziet. Dat moet voor ons beiden voldoende zijn.”

Deze opmerking droeg er niet toe bij, Edward en Elinor kalmer te stemmen, en nog minder om haar de welwillende gezindheid te verwerven van Lucy, die Marianne allesbehalve vriendelijk aanzag.

“Bevalt Londen je goed?” vroeg Edward, om toch maar iets te zeggen, dat een ander onderwerp van gesprek aan de hand kon doen.

“Neen, volstrekt niet. Ik had mij er veel genoegen van voorgesteld; maar dat heb ik er niet gevonden. Dit weerzien van jou, Edward, is de eenige blijdschap, die ’t mij heeft gebracht; en jij bent gelukkig nog altijd dezelfde!”

Zij zweeg—en ook de anderen bleven zwijgen. “Mij dunkt, Elinor,” ging Marianne voort, “we moesten Edward vragen om voor ons te zorgen als we weer naar Barton teruggaan. Over een paar weken zal dat wel gebeuren, en ik denk dat Edward er wel niet op tegen zal hebben, die opdracht te aanvaarden.”

De arme Edward prevelde iets, dat niemand verstond, misschien hij zelf ook niet. Maar Marianne, die zag, dat hij zenuwachtig was, en licht geneigd was, de oorzaak hiervoor te zoeken in ’t geen haar ’t best behaagde, scheen volkomen voldaan en sprak spoedig over iets anders.

“O Edward, wat hebben we gisteren een dag gehad, in Harley Street! Zóó vervelend; zoo ontzaglijk vervelend! Maar dááromtrent heb ik je veel te vertellen, dat ik nu niet zeggen kan.”

Met zoo bewonderenswaardige omzichtigheid verschoof zij de mededeeling, dat zij hun wederzijdsche bloedverwanten onaangenamer had gevonden dan ooit, en in ’t bijzonder aan zijn moeder een hekel had, tot later, wanneer er gelegenheid zou zijn voor een vertrouwelijk gesprek.

“Maar waarom was jij er niet, Edward?—Waarom was je niet gekomen?”

“Ik had iets anders te doen.”

“Iets anders?—Maar wat kon dat zijn, terwijl je je beste vrienden hadt kunnen ontmoeten?”

“U denkt zeker, juffrouw Marianne,” riep Lucy, de gelegenheid aangrijpend om wraak te nemen, “dat jongelui zich nooit bekommeren om hun verplichtingen, als ze niet van plan zijn, die na te komen, in ’t klein, zoowel als in ’t groot.”

Elinor was ernstig boos; maar Marianne scheen de hatelijkheid niet te willen opmerken, want zij antwoordde bedaard:

“Neen, tòch niet; want in ernst, ik ben overtuigd, dat alleen nauwgezetheid van geweten Edward verhinderde naar Harley Street te gaan. En ik geloof stellig, dat hij van alle menschen het allerkwetsbaarste geweten heeft, het meest nauwgezet elke verplichting nakomt, hoe gering die ook zij, en hoe ook in tegenspraak met zijn belang of genoegen. Hij is meer bevreesd om anderen verdriet te doen, om verwachtingen teleur te stellen, minder in staat tot zelfzuchtige bedoelingen, dan iemand, dien ik ooit heb ontmoet. Hetiszoo, Edward, en ikwilhet zeggen. Wat! zou jij je nooit mogen hooren prijzen? Dan zou je mijn vriend niet kunnen zijn, want zij, wien ik liefde en achting toedraag, moeten zich ook mijn openhartigen lof laten welgevallen.”

De soort van lof, in dit geval door haar toegekend, paste echter zoo buitengewoon slecht bij de gevoelens van twee harer toehoorders, en scheen Edward zoo weinig voldoening te verschaffen, dat hij al heel spoedig opstond om heen te gaan.

“Ga je nu al?” zei Marianne; “maar beste Edward, dat kan toch niet.”

En hem terzijde nemend, fluisterde zij hem toe, dat Lucy stellig niet lang meer kon blijven. Doch zelfs deze aansporing baatte niet; hijmoestweg, en Lucy, die gewacht zou hebben, al had zijn bezoektwee uren geduurd, nam spoedig daarna ook afscheid.

“Wat doet ze hier toch zoo dikwijls?” zei Marianne, toen zij was heengegaan. “Kon ze niet begrijpen, dat we haar graag kwijt waren? Zoo vervelend voor Edward!”

“Och, waarom?—we zijn allen vrienden van hem; en Lucy heeft hem ’t langst gekend. ’t Is heel natuurlijk, dat hij haar even graag ontmoet als ons.”

Marianne zag haar ernstig aan en zei: “Je weet, Elinor, dat ik deze soort van redeneeringen niet kan verdragen. Als je alleen maar hoopt, tegenspraak uit te lokken, zooals ik wel vermoeden moet, dat het geval is, dan behoor je toch te bedenken, dat ik de laatste persoon ben, van wie je die verwachten kunt. Ik wil mij niet verlagen tot die komedie, mij beweringen te laten afpersen, die volkomen overbodig zijn.”

Daarop ging zij de kamer uit, en Elinor durfde haar niet volgen om de zaak uit te leggen, want gebonden als zij was door haar belofte van geheimhouding tegenover Lucy, kon zij Marianne niets mededeelen, dat haar overtuigen kon; en al zouden de gevolgen van Marianne’s onwetendheid in dezen ook nog zoo onaangenaam kunnen zijn, zij was verplicht ze te dragen. Al wat zij kon hopen, was, dat Edward niet dikwijls haar en zichzelf zou blootstellen aan de pijnlijke gewaarwordingen, veroorzaakt door Marianne’s misplaatste geestdrift, of tot eene herhaling van de vele smartelijke gevoelens, die zijn laatste bezoek had gewekt—en zij had alle reden, dit te verwachten.


Back to IndexNext