Hoofdstuk XXXVIEenige dagen na deze ontmoeting verkondigden de nieuwsbladen der wereld de tijding, dat de echtgenoote van den Heer Thomas Palmer voorspoedig was bevallen van een zoon; een zeer belangwekkend en verblijdend bericht, althans voor alle intieme bekenden, die erop waren voorbereid.Deze gebeurtenis, zoo hoogst gewichtig voor Mevrouw Jennings’ levensvreugde, bracht een tijdelijke wijziging in hare tijdverdeeling, en oefende eveneens invloed uit op het doen en laten harer jeugdige vriendinnen; want daar zij liefst zooveel mogelijk bij Charlotte wilde zijn, ging zij daar elken morgen heen, zoodra zij gekleed was, en kwam eerst laat in den avond terug; terwijl de dames Dashwood, op het dringend verzoek van de Middletons, den geheelen dag doorbrachten in Conduit Street. Zij zouden het zelven veel gemakkelijker hebben gevonden, ten minste des morgens tehuis te blijven; maar die wensch kon niet tegen den zin van alle anderen worden doorgedreven. Hun tijd werd dus ter beschikking gesteld van Lady Middleton en de beide dames Steele, die feitelijk hun gezelschap bitter weinig op prijs stelden, maar het des te ijveriger beweerden te zoeken.Zij waren te verstandig om aangenaam gezelschap te zijn voor de eerste, en door de beide anderen werden zij met een afgunstig oog beschouwd, als indringsters op hun terrein, die deelden in de vriendelijkheid, welke zij voor zich alleen in beslag dachten te nemen. Hoewel niets beleefder kon zijn dan Lady Middleton’s houding tegenover Elinor en Marianne, hield zij toch in het geheel niet vanhen. Daar zij noch haar, noch hare kinderen vleiden, kon zij niet gelooven, dat zij goedhartig waren; en omdat ze veel van lezen hielden, verbeeldde zij zich, dat ze satiriek waren; zonder misschien precies te weten wat satiriek zijn beduidde; maar dàt deed er minder toe. Het was een gebruikelijke afkeuring, en ’t kon geen kwaad, dat het eens werd gezegd.Hunne tegenwoordigheid legde beiden haar en Lucy een zekeren dwang op. Zij hinderden de eene in haar laten, en de andere in haar doen. Lady Middleton schaamde zich voor hen, dat ze niets uitvoerde, en Lucy was bang, dat ze haar zouden minachten om de vleierij, die zij anders vol zelfvoldoening placht toe te dienen. Juffrouw Anne werd het minst van streek gebracht door hun bijzijn, en het stond in hun macht, haar geheel ermee te verzoenen. Als een van hen beiden haar maar eens volledig en tot in de kleinste bijzonderheden had ingelicht omtrent die geschiedenis tusschen Marianne en den Heer Willoughby, dan zou ze zich ruim beloond hebben geacht voor ’t gemis van het warmste plaatsje bij den haard na den eten, dat zij na hunne komst had moeten afstaan. Maar deze tegemoetkoming werd haar niet bewezen, en al liet zij zich meermalen tegenover Elinor uitroepen van medelijden met hare zuster ontvallen, of al hield ze ten aanhoore van Marianne herhaaldelijk beschouwingen over de wispelturigheid van galante cavaliers, zij bereikte er niet anders mee, dan dat de eerste onverschillig en de laatste met minachtenden afkeer haar aanzag. En met nog veel geringere moeite hadden ze haar vriendschap kunnen winnen. Als ze haar toch maar eens hadden geplaagd met den dokter! Doch zij waren al even weinig als de anderen gezind haar hierin ter wille te zijn, en als Sir John niet thuis kwam dineeren, moest zij soms een geheelen dag doorbrengen zonder andere grappen te hooren overdat onderwerp, dan die, waarmee ze zich zelve placht te vermaken.Van al die afgunst en ontevredenheid echter bleef Mevrouw Jennings zoo totaal onkundig, dat zij het verrukkelijk voor de meisjes vond om zooveel samen te zijn; en in den regel haar logéetjes elken avond gelukwenschte dat ze alweer een dag aan ’t gezelschap van een saaie oude vrouw waren ontsnapt. Zij kwam wel eens met hen bij Sir John, en sprak ze ook wel in haar eigen huis; maar waar het ook mocht zijn, zij was altijd in haar nopjes, verrukt en gewichtig, Charlotte’s welbevinden toeschrijvend aan háár goede zorgen, en steeds bereid tot een zoo nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van haar gezondheidstoestand, als alleen Juffrouw Steele nieuwsgierig genoeg was te verlangen.Eending hinderde haar toch, en daarover beklaagde zij zich dan ook elken dag. De Heer Palmer hield zich aan de algemeene, doch onvaderlijke uitspraak zijner sekse, dat alle kleine kinderen precies eender zijn; en hoewel zij op verschillende tijden duidelijk de meest treffende gelijkenis kon zien tusschen dit kleine ding en al zijn bloedverwanten van beide zijden, zij kòn zijn vader daarvan maar niet overtuigen; zij kòn hem niet overhalen te gelooven, dat het er niet precies zoo uitzag als elke baby van den zelfden leeftijd; en zelfs tot de eenvoudige verklaring, dat het ’t mooiste kindje van de wereld was, bleek hij niet bereid.Thans moet ik melding maken van een ongeluk, dat omstreeks dezen tijd aan Mevrouw John Dashwood overkwam. Toevallig was, bij gelegenheid van het bezoek harer zusters met Mevrouw Jennings in Harley Street, eene harer vriendinnen haar een visite komen maken,—op zichzelf geen gebeurtenis, waaruit eenig kwaad voor haar zou kunnen voortspruiten. Doch zoolang de verbeelding van andere menschen hen kan meesleepen tot hetmaken van verkeerde gevolgtrekkingen omtrent ons gedrag, die zij daarenboven afleiden uit oppervlakkige gegevens, kan ons geluk niet anders dan tot op zekere hoogte van het toeval afhankelijk zijn. In het onderhavige geval had de laatst-gekomen dame haar verbeelding vergund, zich zoover te begeven buiten de perken van waarheid en waarschijnlijkheid, dat zij, enkel bij het hooren noemen van den naam der dames Dashwood, en begrijpende dat zij de zusters van den Heer Dashwood waren, onmiddellijk hieruit had afgeleid, dat zij logeerden in Harley Street; en als gevolg van dit misverstand verschenen een paar dagen later invitatie-kaarten, zoo voor hen als voor hun broer en zuster, om hen uit te noodigen op een muziek-avond te hunnen huize. Ten gevolge waarvan wederom Mevrouw John Dashwood zich genoodzaakt zag niet alleen tot den buitengewoon lastigen maatregel, de dames Dashwood met haar rijtuig te laten afhalen; maar, wat erger was, zich de onaangename verplichting zag opgelegd, hen althans schijnbaar voorkomend te behandelen,—en wie kon zeggen, of ze er nu niet op zouden gaan rekenen, een tweeden keer met haar uit te gaan. Het stond wel is waar altijd nog in haar macht, hen teleur te stellen. Maar dat zou niet voldoende zijn; want als de menschen vast voornemens zijn zich te gedragen op een wijze, waarvan ze ’t verkeerde zelf inzien, zijn ze tòch beleedigd, als anderen iets beters van hen verwachten. Marianne was er van lieverlede reeds weer zóó aan gewend geraakt, iederen dag uit te gaan, dat het haar onverschillig was geworden, of zij ging of niet, en zij maakte zich rustig en werktuigelijk gereed voor elke avondpartij, hoewel zonder ooit eenig genoegen van een dier uitgangen te verwachten, en dikwijls zelfs tot op het laatste oogenblik niet wetend, bij wie ze eigenlijk gevraagd was. Voor haar kleeding en haar uiterlijk was zij zoo volkomen onverschillig geworden, dat zij er onder het kleeden niet halfzooveel aandacht aan wijdde, als haar ten deel viel van Juffrouw Anne’s zijde in de eerste vijf minuten van hun samenzijn.Haarnauwlettende opmerkzaamheid en nieuwsgierigen blik ontging niets; zij zag alles, vroeg naar alles, had geen rust eer ze wist wat elk onderdeel van Marianne’s toilet gekost had; was van het aantal harer japonnen beter op de hoogte dan Marianne zelf, en hoopte nog eenmaal, eer zij weer afscheid namen, te zullen ontdekken, hoeveel waschgeld zij per week betaalde, en hoeveel haar kleedgeld per jaar bedroeg.Gewoonlijk werd de lompheid van dat brutale uitvragen zoogenaamd weer goedgemaakt door een compliment, dat, hoewel bedoeld als een soort belooning, door Marianne als de verregaandste onbeschaamdheid werd beschouwd; want na een verhoor te hebben ondergaan omtrent den prijs en het patroon van haar japon, de kleur van haar schoenen en de wijze waarop haar haar was opgemaakt, wist zij van te voren, hoe ze nu te hooren zou krijgen, “dat ze er gerust waar piekfijn uitzag, en een hoop harten zou veroveren.”Met een dergelijke aanmoediging werd zij ook bij deze gelegenheid verwezen naar haar broeder’s rijtuig, dat geen vijf minuten aan hun deur had behoeven te wachten; eene nauwgezetheid, weinig gewaardeerd door hun schoonzuster, die reeds eerder naar het huis van haar vriendin was gegaan, en hoopte op eenige vertraging van hunne zijde, ten ongerieve van haarzelve of haren koetsier.Veel vermeldenswaardigs viel er dien avond niet voor. Op dit, zooals op andere muziekpartijtjes, was een zeker aantal gasten bijeenverzameld, dat werkelijk genoot van de uitvoering, en een veel grooter aantal andere, die er niets om gaven; en de medewerkenden zelf waren zooals gewoonlijk, volgens hun eigen oordeel, en dat hunner intieme vrienden de voortreffelijkste amateurs van heel Engeland.Daar Elinor noch muzikaal was, noch voorgaf het te zijn, zag zij er geen bezwaar in, haar oogen eens af te wenden van den vleugel, wanneer zij daar lust in had, en zonder zich te laten intimideeren door de aanwezigheid van harp en violoncel, haar blik naar believen te laten rusten op eenig ander voorwerp in het vertrek.Bij een van die uitstapjes viel haar oog op een groepje jongelui, waaronder zij hetzelfde jongemensch bespeurde, dat bij den juwelier de voordracht over tandenstoker-étuis had gehouden. Weldra zag zij hem naar haar kijken, terwijl hij vertrouwelijk stond te praten met haar broeder; en zij nam zich juist voor aan John te vragen, wie hij was, toen zij samen naar haar toekwamen, en de Heer Dashwood hem aan haar voorstelde als den Heer Robert Ferrars.Hij sprak haar aan met luchtige beleefdheid, en boog, met een grappige hoofdwending, die haar even duidelijk als woorden hadden kunnen doen, liet bespeuren, dat hij wel waarlijk de ingebeelde fat was, dien Lucy haar had beschreven. ’t Zou gelukkig voor haar zijn geweest, als haar genegenheid voor Edward minder had afgehangen van zijn eigen verdiensten, dan van die zijner naaste familieleden. Want dan zou zijn broeders buiging hebben voltooid, wat de booze blikken van zijn moeder en zuster hadden begonnen. Maar terwijl zij zich verbaasde over het verschil tusschen de twee jongelieden, bleek het haar, dat de leeghoofdigheid en ijdelheid van den een haar waarlijk geen geringeren dunk deden opvatten omtrent de bescheidenheid en degelijkheid van den ander. Hoe hetkwam, dat zij zoo verschilden, legde Robert zelf haar uit in het kwartiertje, dat hij met haar praatte; want sprekend over zijn broeder, en betreurend dat zijn verregaandegaucheriehem, naar hij dacht, belette den omgang van zijn standgenooten te zoeken, meende hij, met oprechte welwillendheid,die linkschheid niet zoozeer te moeten toeschrijven aan eenig natuurlijk gebrek, als wel aan de ongelukkige omstandigheid, dat Edward privaat-onderricht had genoten; terwijl hijzelf, hoewel allicht van nature en feitelijk niet zoo bijzonder veel meer begaafd dan zijn broeder, alleen aan het voorrecht eener opvoeding in een openbare school te danken had, dat hij zich in de wereld wist te bewegen zoo goed als de beste. “Bepaald,” voegde hij erbij, “ik geloof dat het alleen daaraan ligt, en dat zeg ik zoo dikwijls tegen mijn moeder, als zij erover aan het tobben is. “Mama,” zeg ik dan, “zet u dat nu uit het hoofd. De zaak isnuniet meer te verhelpen, en ’t is heel en al uw eigen schuld. Waarom liet u zich ook overhalen door mijn oom, Sir Robert, om tegen uw eigen beter weten in Edward privaat-onderwijs te laten geven, juist in de jaren, die er het meest op aankwamen? Hadt u hem naar Westminster laten gaan, zooals mij, inplaats van hem bij den Heer Pratt in den kost te doen, dan zoudt u dit alles hebben voorkomen.” In dat licht heb ik de zaak altijd beschouwd, en mijn moeder ziet nu ook zelve haar vergissing wel in.”Elinor wilde hem niet tegenspreken, want hoe zij ook in ’t algemeen mocht denken over de voordeelen eener opvoeding in een der groote openbare scholen, aan Edward’s verblijf in het gezin van den Heer Pratt kon zij niet met voldoening terugdenken.“U woont in Devonshire, niet waar?” was zijn volgende opmerking, “in een landhuisje, dicht bij Dawlish.”Elinor bracht hem op de hoogte omtrent de plaats waar hun huis gelegen was, en het scheen hem te verbazen, dat iemand in Devonshire kon wonen, en tòch niet in de buurt van Dawlish. Hun soort van verblijfplaats droeg echter zijn welwillende goedkeuring weg.“Ik voor mij,” zei hij, “houd bijzonder van landhuisjes; ze zijn meestal gezellig, en zien er aardiguit. Ik verzeker u, als ik er het geld voor had, dan kocht ik een stukje grond, en liet er zelf een bouwen, in de buurt van Londen, zoodat ik er heen kon rijden wanneer ik verkoos, en er een paar vrienden vragen, om samen ervan te genieten. Ik raad iedereen aan, die bouwen wil, om met een landhuisje te beginnen. Onlangs kwam mijn vriend Lord Courtland bij mij, om mij om raad te vragen, en legde me drie verschillende ontwerpen voor van Bonomi. Ik moest beslissen, welk het beste was. “Mijn waarde Courtland,” zei ik, zonder mij te bedenken, en ik wierp ze alle drie in het vuur, “neem ze geen van alle, maar bouw een landhuisje, en anders niet.” En daar zal het nu wel op uitloopen.—Er zijn menschen, die denken, dat er met een landhuisje weinig valt te beginnen, dat er niet genoeg ruimte is; maar dat is allemaal gekheid. De vorige maand logeerde ik bij goede vrienden, de Elliott’s, in de buurt van Dartford. Lady Elliott wilde een danspartij geven. “Maar hoe kan dat nu?” zei ze; “mijn beste Ferrars, zeg me toch eens, hoe ik dat moet aanleggen. In dit huisje is geen enkele kamer groot genoeg voor tien paren, en waar moeten we soupeeren?”—Ikzag dadelijk, dat het héél goed ging; en ik zei: “Mijn waarde Lady Elliott, tobt u dáár niet over. In de eetkamer kunnen met gemak achttien paren ruimte vinden, speeltafeltjes worden geplaatst in den grooten salon; in de bibliotheek kunt u thee en andere ververschingen laten presenteeren, en in den kleinen salon zet u het souper klaar.” Lady Elliott was verrukt over mijn plan. We hebben de eetkamer gemeten, en ’t bleek dat er precies plaats was voor achttien paren; zoodat alles juist werd geschikt volgens mijn idee. U ziet dus wel, wanneer men maar weet, hoe men moet te werk gaan, dan kan men ’t in een landhuisje even goed en genoegelijk hebben, als in een ruim en deftig heerenhuis.”Elinor gaf hem maar gelijk, want zij vond niet,dat hij verdiende als redelijk mensch op redelijke gronden te worden tegengesproken.Daar John Dashwood evenmin pleizier had in muziek als zijn oudste zuster, kon hij eveneens zijn gedachten naar believen bij iets anders bepalen, en in den loop van den avond viel hem iets in, dat hij bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw meedeelde, in de hoop dat het hare goedkeuring zou wegdragen. De vergissing van Mevrouw Dennison, die zijne zusters als zijn logeergasten had beschouwd, had hem op het denkbeeld gebracht, of het misschien ook gepast zou zijn, hen werkelijk te logeeren te vragen, zoolang Mevrouw Jennings zooveel tijd buitenshuis doorbracht. Veel onkosten zou ’t hun niet veroorzaken; veel last evenmin, en het was dan toch eene attentie, die zijn teergevoelig geweten hem als noodzakelijk deed beschouwen, ter volkomen kwijting van de belofte, tegenover zijn vader afgelegd. Fanny schrikte van het voorstel.“Ik zie niet in, hoe dat zal gaan,” zei ze, “zonder onbeleefd te zijn jegens Lady Middleton; want ze zijn elken dag bij háár; anders zou ik het met pleizier doen. Je weet wel, dat ik altijd bereid ben, hun wáár ik kan, een beleefdheid te bewijzen, zooals ik door dezen uitgang van avond weer heb getoond. Maar ze zijn de gasten van Lady Middleton. Kan ik haar nu wel van hen berooven?”Haar echtgenoot vond, in alle bescheidenheid, hare tegenwerping toch eigenlijk niet afdoende. Zij hadden nu al een week op deze wijze gelogeerd in Conduit Street, en het zou Lady Middleton stellig niet hinderen, wanneer zij hetzelfde aantal dagen doorbrachten bij hun eigen naaste familie.Fanny zweeg een oogenblik, en zei toen, met nog grooteren nadruk: “Beste man, als het maar kon, zou ik niets liever doen. Maar ik had juist bij mij zelf overlegd, dat we de meisjes Steele een paar dagen te logeeren moesten vragen. Dat zijn heel geschikte, aardige meisjes; en ik vind, dat we ’teigenlijk wel verplicht zijn, omdat hun oom zich zooveel moeite heeft gegeven met Edward. Dan kunnen we je zusters ’t volgend jaar vragen; maar de dames Steele komen misschien dan niet weer in de stad. Je zult ze stellig héél aardig vinden; trouwens ik weet, dat je dat nu al doet; evenals mama, en Harry mag ze zoo graag lijden!”De Heer Dashwood was overtuigd. Hij zag dadelijk in, dat het noodig was, de dames Steele te inviteeren; en zijn geweten werd gerustgesteld door het besluit, zijn zusters te vragen in het volgend jaar. In stilte vermoedde hij wel, dat de uitnoodiging een jaar later overbodig zou zijn; want dan kwam Elinor natuurlijk als Kolonel Brandon’s vrouw, en Marianne als de gast van dàt echtpaar.Fanny, blij over die onverwachte uitkomst, en trotsch op de handigheid waarmee ze zich had weten te redden, schreef den volgenden morgen aan Lucy, om haar en hare zuster een paar dagen in Harley Street te logeeren te vragen, zoodra Lady Middleton hen kon missen. Dat was voldoende om Lucy waarlijk en met reden tevreden te doen zijn. Het scheen wel, of Mevrouw Dashwood haar plannen in de hand werkte, alsof zij dezelfde hoop koesterde als zij, en háár geluk wilde bevorderen! Zulk een gelegenheid om met Edward èn zijn familie samen te zijn, was voor haar van het allergrootste belang, en zulk eene uitnoodiging vond zij wel buitengewoon vleiend! Het was een voorrecht, dat zij niet dankbaar genoeg kon erkennen en niet spoedig genoeg zich ten nutte maken; en het bezoek bij Lady Middleton, waarvan de duur te voren niet was bepaald, bleek plotseling over twee dagen aan zijn afgesproken einde te zullen zijn gekomen.Toen het briefje, tien minuten nadat het was ontvangen, aan Elinor werd vertoond, deed het haar voor de eerste maal, eenigszins deelen in Lucy’s verwachtingen; want zulk een ongewoonbewijs van vriendelijkheid, na zóó korte kennismaking, scheen te duiden op een welgezindheid, die haar oorsprong vond in méér dan louter kwaadwilligheid jegens haarzelve, en misschien op den duur en met wat behendigheid kon worden aangewend om Lucy’s verlangens te vervullen. Haar vleierij had Lady Middleton’s trots reeds doen buigen, en haar den weg gebaand naar het moeilijk toegankelijk hart van Mevrouw John Dashwood; uitwerkselen, die nog grootere mogelijkheden deden verwachten.De dames Steele vertrokken naar Harley Street, en al wat Elinor ter oore kwam omtrent hun invloed daar aan huis, droeg ertoe bij haar verwachting te versterken. Sir John, die hen meermalen ging opzoeken, bracht verhalen mee omtrent de gunst waarin zij stonden, die ieder versteld deden staan. Mevrouw Dashwood had nog nooit in haar leven zulke lieve meisjes ontmoet; ze had hun ieder een naaldenboekje gegeven, het werk van een of anderen vreemden vluchteling; zij noemde Lucy bij haar voornaam, en zij wist niet, hoe zij het ooit zonder hen zou stellen.Hoofdstuk XXXVIINa een paar weken was Mevrouw Palmer zóó wel, dat haar moeder het niet meer noodig vond, zich geheel en al aan haar te wijden; zij bezocht haar dan nu ook slechts eens of tweemalen per dag en keerde terug naar haar eigen huis en tot haar oude gewoonten; waarbij zij de dames Dashwood zeer bereid vond, deze te deelen, zooals zij dat reeds vroeger hadden gedaan.Den derden of vierden morgen nadat zij het oude leventje in Berkeley Street hadden hervat, kwam Mevrouw Jennings, bij haar terugkomst van het gewone bezoek aan Mevrouw Palmer, den salon binnen, waar Elinor alleen zat, met zulk een haast, en zulk een vertoon van gewicht, dat Elinor zich reeds op iets heel bijzonders voorbereidde; maar zonder haar tijd te gunnen tot méér dan die eene gedachte, begon haar gastvrouw deze aanstonds te rechtvaardigen door te zeggen: “Mijn lieve Elinor! heb je ’t nieuws al gehoord?”“Neen, mevrouw. Wat is het dan?”“O, zoo vreemd! Ik zal je alles vertellen. Toen ik bij mijn dochter kwam, was Charlotte doodelijk ongerust over ’t kind. Ze dacht dat het erg ziek was;—’t schreide, ’t was lastig, en ’t had uitslag overal. Ik ging gauw kijken, en ik zei: Lieve kind, zei ik; dat is niets; een beetje roos, en dat zei de baker ook. Maar Charlotte had er geen rust bij; dus werd Dr. Donovan gehaald; en hij was gelukkig juist thuis gekomen uit Harley Street, dus liep hij even bij ons aan, en zoodra hij ’t kind zag zei hij ook net als wij, dat het een beetje roos was in het tandvleesch, en toen was Charlotte gerust. En juist toen hij wou heen gaan, kwam ’t mij zoo in de gedachte, ik weetniet hoe ’t zoo was, maar ’t viel mij zoo in, om hem te vragen of hij ook iets nieuws had te vertellen. Nu, toen lachte hij zoo’n beetje, en trok een gek gezicht, en keek dan weer ernstig, en scheen wel iets bijzonders te weten, en eindelijk zei hij zachtjes: “Als de jonge dames die bij u logeeren, misschien ongunstige berichten mochten hooren omtrent hun zuster’s ongesteldheid, dan wil ik nu maar vast tot hun geruststelling zeggen, dat er geen reden bestaat tot bezorgdheid; het zal, denk ik, met Mevrouw Dashwood wel goed afloopen, daar ben ik niet bang voor.”“Wat? is Fanny ziek?”“Precies wat ik zelf zei, kind. “Heden”, zei ik, “is Mevrouw Dashwood ziek?”—Dus toen kreeg ik alles te hooren, en naar ik wèl heb begrepen, komt het hierop neer: Mijnheer Edward Ferrars, dat zelfde jongemensch met wien ik jou wel eens geplaagd heb (ik ben intusschen maar blij, nu ’t zoo uitkomt, dat dààr niets van aan was) die Mijnheer Edward Ferrars dan schijnt al langer dan een jaar verloofd te zijn geweest met mijn nichtje Lucy!—Wat zeg je dáárvan, kind. En geen mensch, die er van wist dan Anne! Zou je zooiets hebben kunnen gelooven?—Dat ze van elkaar houden is zoo’n wonder niet; maar dat het zóóver tusschen hen was gekomen, en niemand er op verdacht was!Datis vreemd!—ik heb ze nooit samen gezien,—anders had ik het natuurlijk gauw in de gaten gehad. Nu, het werd dan diep geheim gehouden, uit vrees voor Mevrouw Ferrars, en noch zij, noch je broer en zuster hadden ’t flauwste vermoeden ervan,—tot dat Anne, die een goed schepsel is, zooals je weet, maar de wijsheid niet in pacht heeft, er van morgen op eens mee voor den dag kwam. “Kom,”denkt ze bij zichzelf, “ze zijn allemaal zóó dol op Lucy, ze hebben er bepaald niets op tegen,” en zóó loopt ze naar je zuster, die in haar eentje aan haar handwerk zit, en weinig wist, wat haar boven’t hoofd hing,—want ze had geen vijf minuten te voren tegen je broer gezegd, dat zij van plan was, het klaar te spelen tusschen Edward en een andere dame, de dochter van een Lord... dat weet ik niet meer, hoe die heette. Dus je kunt denken wat een slag dit was voor haar ijdelheid en haar trots. Ze kreeg het verschrikkelijk op de zenuwen en gilde zoo hard, dat je broer het beneden hoorde; die zat in zijn kamer, van plan een brief te schrijven aan zijn rentmeester. Hij vloog naar boven; en toen werd het daar een scène van belang, want Lucy was er ook op afgekomen, weinig vermoedende, wat er gaande was. Dat arme schepsel! háár beklaag ik. Ze hebben haar ook niet mooi behandeld, moet ik zeggen; want je zuster schold haar uit voor al wat leelijk was; en al heel gauw viel Lucy flauw. Anne viel op de knieën en schreide allerjammerlijkst, en je broer liep de kamer rond en wist niet, wat te beginnen. Mevrouw Dashwood riep maar, dat ze geen minuut langer in haar huis mochten blijven, en toen moest je broer óók wel voor haar op de knieën vallen, om haar te bewegen, hen te laten blijven, tot ze hun goed hadden gepakt. Toen kreeg ze weer een zenuwtoeval, en hij werd zoo bang, dat hij Dr. Donovan liet halen, en Dr. Donovan had hen met elkaar gevonden in zóó’n toestand. Het rijtuig stond al klaar om mijn arme nichten weg te brengen, ze stapten juist in, toen hij wegging; Lucy kon bijna niet loopen, zei hij, en Anne was haast even erg. Ik kan ’t niet uitstaan van je zuster, en ik hoop van harte dat ze toch een paar worden, tegen haar zin. Och, och, wat zal die arme Edward wel zeggen als hij ervan hoort! Dat zijn meisje zoo minachtend wordt behandeld! want ze zeggen dat hij dol op haar is, en geen wonder. ’t Zou mij niet verwonderen, als hij er half razend door wordt, en dat dacht Dr. Donovan ook. We hebben er samen lang en breed over gepraat, en het trof gelukkig, dat hij weer terugging naarHarley Street, om bij de hand te zijn, wanneer ze ’t vertelden aan Mevrouw Ferrars; want die werd gehaald, zoodra mijn nichtjes het huis uit waren; en je zuster wist vooruit, dat zij ’t óók op de zenuwen zou krijgen; nu, dat gun ik haar graag. Ik heb met geen van beiden een ziertje medelijden. Daar heb ik geen begrip van, hoe de menschen zoo’n drukte kunnen maken over geld en voornaamheid. Ik zie volstrekt niet in, waarom Mijnheer Edward en Lucy niet zouden kunnen trouwen; want Mevrouw Ferrars kan haar zoon genoeg meegeven, en al heeft Lucy zoo goed als niets, ze weet beter dan de meesten met weinig rond te komen; en als Mevrouw Ferrars hem maar vijfhonderd pond in ’t jaar wou geven, dan zou zij ermee voor den dag komen, als een ander met achthonderd zou doen. Wat zouden ze ’t niet genoeglijk kunnen hebben samen, in zoo’n soort huisje als dat van jelui,—of een beetje grooter—met twee dienstmeisjes en twee knechts; en ik zou ze dadelijk een kamermeisje kunnen bezorgen, denk ik, want de zuster van mijn Betty zoekt een dienst, en die zou juist voor hen passen.”Hier hield Mevrouw Jennings een oogenblik op, en daar Elinor tijd genoeg had gehad, haar gedachten te verzamelen, was zij in staat, juist dàt antwoord te geven, en precies díe opmerkingen te maken, die in dit geval als voor de hand liggend mochten worden beschouwd. Al blijde, te bespeuren, dat zij niet werd verdacht van eenige buitengewone belangstelling, en dat Mevrouw Jennings (zooals zij reeds dikwijls had gehoopt in den laatsten tijd) al lang niet meer in de meening verkeerde, dat zij iets gevoelde voor Edward; maar vooral blij, omdat Marianne niet in de kamer was, kon zij zeer goed, zonder verlegenheid te toonen, over de zaak spreken, en een, naar zij meende, onpartijdig oordeel uiten over het gedrag van allen, die erbij waren betrokken.Zij kon bijna niet uitmaken, wat zij zelve verwachtte dat deze gebeurtenis ten gevolge zou hebben;—hoewel zij zich ernstig trachtte te verzetten tegen het denkbeeld, dat de zaak bij mogelijkheid op iets anders kon uitloopen dan het huwelijk van Edward en Lucy. Wat Mevrouw Ferrars zou zeggen en doen, scheen wel allesbehalve twijfelachtig; maar zij wasertoch benieuwd naar, en nog veel meer benieuwd, hoe Edward zelf zich zou gedragen. Met hèm had zij medelijden;—met Lucy heel weinig, en dat weinigje riep ze met moeite te voorschijn;—met de anderen in ’t geheel niet.Daar Mevrouw Jennings over niets anders kon praten, zag Elinor spoedig in, dat Marianne op de bespreking van de zaak moest worden voorbereid. Er viel geen tijd te verliezen; zij moest op de hoogte worden gebracht, de volle waarheid vernemen, en leeren, erover te hooren spreken door anderen, zonder te laten merken, dat zij bedroefd was om hare zuster, of verontwaardigd over Edward’s gedrag.Het was een pijnlijke taak voor Elinor. Zij moest haar zuster ontnemen, wat zij werkelijk als Marianne’s grootsten troost beschouwde,—moest haar dingen omtrent Edward vertellen, die zij vreesde, dat hem voor altoos haar goede meening zouden doen verliezen, en zij zou Marianne door de gelijkenis van beider omstandigheden, die haar wel treffend moest schijnen, al haar eigen teleurstelling opnieuw doen gevoelen. Doch hoe onwelkom die taak ook mocht zijn, zij moest vervuld worden, en Elinor haastte zich te doen, wat haar te doen stond.Allerminst wenschte zij, lang stil te staan bij haar eigen gevoelens of het te doen voorkomen, alsof zij zwaar verdriet had, behalve dan in zooverre, als het zelfbedwang, dat zij zich had opgelegd, sedert zij voor het eerst Edward’s verloving vernam,voor Marianne eenigermate eene aansporing kon zijn, dit ook van hare zijde te betrachten. Zij vertelde alles duidelijk en eenvoudig; en ofschoon niet onbewogen, liet zij zich toch geenszins vervoeren tot heftige aandoening of onstuimige smart.Dezebleven overgelaten aan haar die luisterde; want Marianne hoorde haar aan met ontzetting, en schreide bitter. Elinor scheen de troosteres te moeten zijn van anderen, zoowel in haar eigen verdriet, als in het hunne, en bereidwillig bood zij al de geruststelling aan, die zij kon schenken, door de verzekering, dat zij zelve nu volkomen kalm was, en door haar ernstige voorspraak van Edward, dien zij vrijpleitte van alle schuld, behalve onvoorzichtigheid.Doch een tijdlang wilde Marianne noch het een, noch het ander gelooven. Edward scheen wel een andere Willoughby, en als Elinor toegaf, zooals zedeed, dat zij hem innig had liefgehad, kon zij dan minder gevoelen dan Marianne zelve? Wat Lucy Steele betrof, zij beschouwde haar als zoo volkomen onaantrekkelijk, zoo absoluut ongeschikt om de liefde van een verstandig man te winnen, dat zij aan een vroegere genegenheid van Edward voor Lucy eerst niet wilde gelooven, en hem die in geen geval vergeven kon. Zij wilde zelfs niet inzien, dat zooiets natuurlijk had kunnen zijn; en Elinor gaf het maar op, en liet haar bij hare meening, totdat die overtuiging haar zou zijn bijgebracht door het eenige, dat haar overtuigen kòn, eene grootere mate van menschenkennis.Haar eerste mededeeling had zich niet verder uitgestrekt dan tot het feit van de verloving en den duur ervan. Daarop was Marianne’s gevoel tusschenbeide gekomen en had een einde gemaakt aan allen geregelden samenhang. Een tijdlang rustte op Elinor de taak, haar droefheid te doen bedaren, haar ongerustheid te doen verminderen en haar verontwaardiging te bestrijden. De eerstevraag van Marianne’s kant, die tot verdere bijzonderheden leidde, was:“Hoe lang heb je dit al geweten, Elinor? Heeft hij het je geschreven?”“Ik wist het al vier maanden. Toen Lucy pas te Barton was gekomen, in November, vertelde ze mij in vertrouwen, dat ze verloofd was.”Bij deze woorden drukten Marianne’s oogen de verwondering uit, die haar lippen niet konden uitspreken. Na een oogenblik van zwijgende verbazing, riep ze:“Vier maanden?—Heb je dit vier maanden lang geweten?”Elinor antwoordde bevestigend.“Dus... terwijl je deelde in al mijn verdriet, hadt jeditop het hart? En ik maakte je er een verwijt van, dat je gelukkig waart!”“Het zou niet goed voor je zijn geweest, toen te weten, hoe zeer het tegendeel bij mij ’t geval was.”“Vier maanden!” riep Marianne nogmaals. “En zoo kalm, zoo vroolijk! Wat stelde je daartoe in staat?”“Het gevoel, dat ik mijn plicht deed. Mijn belofte aan Lucy verplichtte mij tot geheimhouding. Ik moest dus om harentwil vermijden, ook maar een zweem van de waarheid te doen vermoeden, en bij mijn familie en goede vrienden mocht ik geen bezorgdheid wekken, die ik niet bij machte zou zijn te verdrijven.”Marianne scheen diep getroffen.“Ik heb dikwijls verlangd, jou en moeder alles duidelijk te maken,” voegde Elinor erbij, “en een paar malen beproefde ik dat zelfs;—maar zonder het in mij gestelde vertrouwen te verraden, had ik je nooit kunnen overtuigen.”“Vier maanden!—en toch hadt je hem lief!”“Ja. Maar ik had niet hem alléén lief,—en zoolang het geluk van anderen mij ter harte ging, was ik blijde, hun de wetenschap te kunnen besparenvan wat ik gevoelde. Nu kan ik eraan denken en erover spreken zonder heftige aandoening. Ik zou niet willen dat je om mijnentwille verdriet hadt, want feitelijk heb ik zelf nu géén verdriet meer. Ik heb veel dingen, die mij steun geven. Ik ben mij niet bewust, mij te hebben blootgesteld aan deze teleurstelling door eigen onvoorzichtigheid, en ik heb die zooveel mogelijk gedragen zonder anderen erin te laten deelen. Ik kan in gemoede verklaren dat Edward zich niet heeft misdragen. Ik hoop, dat hij gelukkig zal worden, en ik weet zóó zeker, dat hij altoos zijn plicht zal doen, dat hij het ten slotte worden zàl, al mag hij nu ook nog een weinig bedroefd zijn. Verstand heeft Lucy genoeg, en dat is een grondslag, waarop zich veel goeds laat bouwen. En dan, Marianne, wel beschouwd, ondanks al wat er betooverends moge zijn in de voorstelling van ééne duurzame getrouwe genegenheid, ondanks al dat roemen in een geluk, dat uitsluitend afhankelijk is van één bepaalden persoon, het is ons niet beschoren,—het is niet geoorloofd,—het is niet mogelijk, dat dit waarheid zij. Edward zal trouwen met Lucy; hij zal trouwen met een vrouw, die, wat uiterlijk en verstand betreft, de meerdere is van de helft harer seksegenooten, en tijd en gewoonte zullen hem leeren vergeten, dat hij ooit eene andere als de meerdere van háár heeft beschouwd.”“Als je er zóó over denkt,” zei Marianne, “als het verlies van wat je het hoogst schatte, zóó gemakkelijk kan worden vergoed door iets anders, dan zijn je vastberadenheid en je zelfbedwang misschien een beetje minder verwonderlijk te achten. Althans meer binnen ’t bereik van mijn begrip.”“Ik weet, wat je zeggen wilt. Je gelooft niet, dat ik ooit veel gevoeld kan hebben. Vier maanden, Marianne, ben ik van dit alles vervuld geweest, zonder dat het mij vrijstond, er met één sterveling over te spreken; begrijpende, dat het jou en moederbitter verdriet moest doen, wanneer je het te weten kwaamt, en toch niet in staat, je er ook maar in ’t minst op voor te bereiden. Het werd mij verteld; het werd mij, om zoo te zeggen, opgedrongen door de persoon zelve, wier vroegere verbintenis al mijn verwachtingen neersloeg; en verteld, naar het mij voorkwam, met zegevierenden trots. Háár achterdocht dus moest ik ontwapenen, door onverschillig te schijnen voor wat mij het allerdiepst ter harte ging. En dat gebeurde niet éénmaal; nogmaals en nogmaals moest ik de uitingen aanhooren van haar hoop en haar verrukking. Ik heb beseft, dat ik voor altijd van Edward gescheiden zou zijn, zonder te weten van ééne omstandigheid, welke mij die verbintenis minder wenschelijk had kunnen doen schijnen. Hij heeft zich noch onwaardig betoond, noch onverschillig te mijnen opzichte. Ik heb het hoofd moeten bieden aan de onheusche bejegening van zijn zuster en de beleedigende houding zijner moeder, en de straf moeten ondergaan voor eene genegenheid, waarvan ik de vreugde gemist had. En dat alles is gebeurd in dagen, die, zooals je maar al te goed weet, nog andere droefheid brachten. Wanneer je mij tot éénig gevoel in staat acht, waarlijk, dan mag je veronderstellen, dat ikthansgeleden heb. De kalmte, waarmede ik nu van mijzelf verkregen heb, de zaak te beschouwen, de troostgronden, die ik bereid was te erkennen, zijn de vrucht geweest van aanhoudende en smartelijke inspanning;—zij meldden zich niet vrijwillig aan; zij kwamen aanvankelijk mij geen verlichting brengen,—neen, Marianne. Toen—wanneer mij geen belofte het zwijgen had opgelegd, zou mijtoenmisschien niets, zelfs niet wat ik mijn liefsten vrienden verschuldigd was, hebben kunnen weerhouden openlijk te toonen, dat ik mijdiepongelukkig gevoelde.”Marianne had niets meer in te brengen.“O Elinor,” riep ze, “je maakt, dat ik voor altijdeen hekel zal hebben aan mijzelf! Wat ben ik barbaarsch wreed tegenover je geweest!—tegenover jou, die mijn eenige troost waart, die mij trouw bijstondt in al mijn ellende, die alleen om mij scheent te lijden! Is dat mijn dank? Is dat mijn eenige vergelding? Ik heb je verdienste trachten te verkleinen, omdat zijmijntekortkoming aan het licht brengt.”Op die bekentenis volgden de teederste liefkoozingen. In de gemoedsstemming, waarin ze thans verkeerde, kon Elinor zonder moeite elke belofte van haar vergen, die haar gewenscht voorkwam; en op haar verzoek nam Marianne zich vast voor, niemand over de zaak te spreken met den geringsten schijn van bitterheid;—als zij Lucy ontmoette, geen de minste toename van haar afkeer te doen blijken, en zelfs Edward, mocht het toeval hen doen samenkomen, niet minder hartelijk te begroeten, dan zij vroeger placht te doen. Het waren zware eischen, die hier werden ingewilligd; maar als Marianne besefte, dat zij een ander onrecht had gedaan, kende haar bereidvaardigheid om het weer goed te maken, geen grenzen.Zij vervulde haar belofte van voorzichtig te zullen zijn, op een wijze, die bewondering verdiende. Zij luisterde zonder blozen of verbleeken naar al wat Mevrouw Jennings over het onderwerp te zeggen had, verschilde geen enkele maal met haar van meening, en zei tot driemaal toe: “Ja, mevrouw.” Bij het aanhooren van Lucy’s lof ging zij alleen op een anderen stoel zitten, en toen Mevrouw Jennings het had over Edward’s genegenheid, kostte haar dat enkel een zenuwachtige kramptrekking in haar keel. Deze aan het heldhaftige grenzende houding van hare zuster gaf Elinor een gevoel, alsof zijzelve nu wel tot àlles in staat was.Den volgenden morgen werd die heldhaftigheid nog verder op de proef gesteld door een bezoek van hun broeder, die met een diep ernstig gezichtde treurige geschiedenis kwam vertellen en berichten, hoe het ging met zijn vrouw.“Je hebt zeker al gehoord,” zei hij plechtig, toen hij had plaats genomen, “van de alleronaangenaamste ontdekking, die gisteren bij ons aan huis heeft plaats gehad.”Zij gaven allen door blikken hun toestemming te kennen; voor woorden scheen het oogenblik te onheilvol.“Je schoonzuster,” ging hij voort, “heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Mevrouw Ferrars ook,—we waren allen in een rampzaligen toestand; maar ik durf toch hopen, dat we den storm weerstand zullen bieden, zonder dat een van ons totaal bezwijkt. Die arme Fanny; gisteren had zij het den geheelen dag op de zenuwen. Maar ik wilde jelui niet al te ongerust maken. Donovan zegt, dat er geen reden is, iets ernstigs te vreezen; haar gestel is sterk, en haar geestkracht stelt haar in staat, het ergste te dragen. Met engelengeduld heeft zij alles verduurd! Zij zegt, dat ze van niemand ooit meer iets goeds zal verwachten; en geen wonder, na zoo te zijn bedrogen!—zulk een verregaande ondankbaarheid te hebben ondervonden, als vergelding van zooveel vriendelijkheid, zulk vertrouwen. Uit pure, oprechte goedhartigheid had ze die meisjes te logeeren gevraagd, enkel omdat ze vond, dat hun wel eenige attentie mocht worden bewezen; ze waren aardig, wisten zich goed voor te doen, en zouden prettig gezelschap voor ons zijn; want anders zouden we allebei stellig liever jou en Marianne gevraagd hebben, terwijl je lieve gastvrouw zich wijdde aan haar dochter. En dan op deze wijze te worden beloond! “Ik wou om een lief ding,” zegt Fanny met haar natuurlijke hartelijkheid, “dat we je zusters maar hadden gevraagd, inplaats van hen.”Hier wachtte hij even, om bedankt te worden, en toen dat gebeurd was, praatte hij door.“Wat dit arme Mevrouw Ferrars uitstond, toen ze ’t van Fanny het eerst kreeg te hooren, is met geen woorden te omschrijven. Terwijl zij in haar trouwe genegenheid, zulk een uiterst wenschelijke verbintenis voor hem had weten voor te bereiden, kon men toch niet veronderstellen, dat hij al dien tijd in ’t geheim met iemand anders was verloofd!—dat vermoeden kòn eenvoudig niet bij haar opkomen. Wanneer ze hem al verdacht van eenige bijzondere voorkeur, dan was het toch niethierheen, dat die verdenking zich richtte. “Daar,” zei ze, “dacht ik nu toch, dat geen gevaar was te duchten.” Zij was letterlijk ten einde raad. We overlegden samen, wat nu te doen stond, en ten laatste besloot zij, Edward bij zich te laten komen. Hij kwam dan ook. Wat toen volgde, verhaal ik ongaarne. Al wat Mevrouw Ferrars kon zeggen, om hem te bewegen de verloving te verbreken, terwijl zij toch werd bijgestaan, zooals je kunt begrijpen, door mijn redeneering en Fanny’s smeekbeden, het baatte niets. Plicht, genegenheid, alles verloor hij uit het oog. Ik had nooit gedacht, dat Edward zoo stijfkoppig, zoo ongevoelig kon zijn. Zijn moeder deelde hem mede, wat haar plan was, als hij trouwde met Juffrouw Morton; ze zei dat ze hem hun bezitting in Norfolk zou schenken, die zonder grondbelasting ruim duizend pond in het jaar opbrengt; ze bood zelfs aan, toen het begon te spannen, zijn inkomen op twaalfhonderd te brengen terwijl zij aan den anderen kant, als hij deze ongepaste verbintenis wilde doorzetten, hem wees op de onvermijdelijke armoede, waartoe dit huwelijk hem zou veroordeelen. Zijn eigen tweeduizend pond zouden alles zijn wat hij bezat, verklaarde zij; zij wilde hem nooit weerzien, en zóó weinig zou zij gezind zijn, hem den geringsten steun te verleenen, dat zij, wanneer hij een beroep zou kiezen, om in zijn onderhoud te voorzien, alles zou doen wat in haar macht stond, om te beletten, dat hij vooruit kwam.”Hier sloeg Marianne, wier verontwaardiging thans haar hoogtepunt had bereikt, de handen ineen en riep: “Goede hemel! kan zoo iets mogelijk zijn?”“Je moogt je waarlijk wèl verbazen, Marianne,” antwoordde haar broeder, “over een onverzettelijkheid, die zulke argumenten kon weerstaan. Je uitroep is zeer natuurlijk.”Marianne wilde heftig antwoorden; maar zij herinnerde zich haar belofte en hield zich in.“Alles echter,” ging hij voort,“werd te vergeefs hem voorgehouden. Edward zei heel weinig, maar dat weinige op den meest beslisten toon. Niets zou hem bewegen, zijn verloving te verbreken. Hij hield zich aan zijn gegeven woord, het mocht dan kosten wat het wilde.”“Dan heeft hij gehandeld,” riep Mevrouw Jennings, die zich niet langer kon stilhouden, met rondborstige oprechtheid uit, “als een eerlijk man. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dashwood, maar als hij zich anders had gedragen, dan zou ik hem een schurk hebben genoemd. Ik ben ook eenigszins bij de zaak betrokken, zoo goed als u; want Lucy Steele is mijn nichtje, en ik geloof, dat er geen beter meisje in de wereld is te vinden, géén, die ’t zoo goed waard is, een besten man te krijgen.”John Dashwood was zeer verbaasd; maar hij had een kalme geaardheid, zou niet licht aanstoot nemen, en wenschte niemand te beleedigen, vooral niet iemand met geld. Hij antwoordde dus, zonder eenige ergernis te laten blijken.“Ik zou in geen geval oneerbiedig willen spreken van iemand die familie is van u, mevrouw. Ik wil gaarne gelooven, dat Juffrouw Steele een zeer verdienstelijke jonge dame is, maar in dit geval kan toch van een engagement geen sprake zijn. En dat zij zich in ’t geheim heeft verloofd met een jongen man, die aan de zorg van haar oom was toevertrouwd, den zoon nog wel van een zoo vermogendedame als Mevrouw Ferrars, dat is toch op zich zelf wel een beetje vreemd. Maar het spreekt vanzelf, dat ik geen ongunstig oordeel vel over ’t gedrag van iemand, die door u wordt gewaardeerd, Mevrouw Jennings. We hopen allen dat zij gelukkig zal worden, en Mevrouw Ferrars’ houding is in alle opzichten zóó geweest, als men van elke goede moeder, die zich van haar plicht bewust is, in hare omstandigheden zou verwacht hebben. Zij heeft zich waardig en grootmoedig gedragen. Edward heeft zijn eigen lot gekozen, en ik vrees dat het niet gelukkig zal zijn.”Marianne gaf met een zucht die zelfde vrees te kennen; en Elinor’s hart bloedde bij de gedachte aan Edward’s gevoelens, terwijl hij zijn moeder’s bedreigingen trotseerde voor een vrouw, die hem niet kon beloonen.“En hoe,” zei Mevrouw Jennings, “liep het toen af?”“Helaas, mevrouw, het kwam tot een treurige breuk tusschen beiden; Edward werd door zijn moeder voor goed uit haar huis gezonden. Gisteren is hij vertrokken; waarheen weet ik niet, en ook niet, of hij nog in de stad is; wantwijkunnen natuurlijk geen navraag doen.”“Die arme jongen; en wat moet er nu van hem worden?”“Zegt u dat wèl, mevrouw! ’t Is droevig om aan te denken. Gewend aan ’t vooruitzicht van eenmaal schatrijk te zullen worden! Ik kan mij geen beklagenswaardiger toestand voorstellen. De rente van tweeduizend pond—hoe kàn iemand daarvan leven!—en als daarbij dan nog moet worden bedacht, dat hij door zijn eigen dwaasheid zich de kans liet ontgaan binnen drie maanden een inkomen te bezitten van tweeduizend vijfhonderd pond in het jaar (want Juffrouw Morton bezit dertigduizend),—ik kan mij geen bedroevender omstandigheden denken. We moeten allen met hem meegevoelen;te meer, daar we geheel onmachtig zijn, hem te helpen.”“Arme jongen!” riep Mevrouw Jennings, “ik weet wel, dat hij in mijn huis gerust mag komen slapen en eten, en dat zou ik hem zeker vertellen, als ik hem zag! ’t Is niet zooals ’t hoort, dat hij nu zich zelf moet bedruipen, en logeeren op kamers, of in hôtels.”Elinor bedankte haar in haar hart voor die vriendelijke gevoelens jegens Edward, al kon zij niet nalaten te glimlachen om den vorm, waarin deze werden uitgedrukt.“Als hij maar even goed voor zich zelf had willen zorgen,” zei John Dashwood, “als al zijn vrienden geneigd waren voor hèm te doen, dan zou hij nu zijn natuurlijke positie hebben ingenomen, en aan niets gebrek hebben gehad. Maar zooals het nu is, kan niemand hem helpen. En nog iets hangt hem boven het hoofd, wel haast het ergste van alles—zijn moeder heeft besloten,—en ik vind dat zeer natuurlijk van haar,—nu al dadelijkdiebezitting aan Robert te schenken, die van Edward had kunnen zijn, als hij zich naar haar voorwaarden had willen schikken. Toen ik haar van morgen verliet, was zij bezig, met haar zaakwaarnemer hierover te spreken.”“Nu,” zei Mevrouw Jennings, “dat is nu háár wijze van wraaknemen. Ieder doet dat op zijn eigen manier. De mijne zou het, dunkt mij, niet zijn, den eenen zoon onafhankelijk te maken, omdat de andere mij had geërgerd.”Marianne stond op en ging de kamer uit.“Wat kan meer verbittering wekken in iemands gemoed”, ging John voort, “dan zijn jongeren broeder in ’t bezit te zien van een goed, datzijneigendom had kunnen zijn? Arme Edward, ik beklaag hem van harte.”Na nog een paar minuten te hebben gewijd aan dergelijke ontboezemingen, nam hij afscheid, envertrok met de herhaalde verzekering aan zijn zusters, dat Fanny’s ongesteldheid niet van ernstigen aard was, en dat zij zich dus niet ongerust behoefden te maken. De drie dames bleven achter, volkomen eensgezind in hun gevoelens ditmaal, althans wat het gedrag betrof van Mevrouw Ferrars, de Dashwoods en Edward.Marianne’s verontwaardiging barstte los, zoodra hij de kamer uit was, en daar haar heftigheid het voor Elinor onmogelijk, en voor Mevrouw Jennings onnoodig maakte, terughouding te betrachten, gaven zij eendrachtig en met groote levendigheid uiting aan hun afkeuring van het drietal.
Hoofdstuk XXXVIEenige dagen na deze ontmoeting verkondigden de nieuwsbladen der wereld de tijding, dat de echtgenoote van den Heer Thomas Palmer voorspoedig was bevallen van een zoon; een zeer belangwekkend en verblijdend bericht, althans voor alle intieme bekenden, die erop waren voorbereid.Deze gebeurtenis, zoo hoogst gewichtig voor Mevrouw Jennings’ levensvreugde, bracht een tijdelijke wijziging in hare tijdverdeeling, en oefende eveneens invloed uit op het doen en laten harer jeugdige vriendinnen; want daar zij liefst zooveel mogelijk bij Charlotte wilde zijn, ging zij daar elken morgen heen, zoodra zij gekleed was, en kwam eerst laat in den avond terug; terwijl de dames Dashwood, op het dringend verzoek van de Middletons, den geheelen dag doorbrachten in Conduit Street. Zij zouden het zelven veel gemakkelijker hebben gevonden, ten minste des morgens tehuis te blijven; maar die wensch kon niet tegen den zin van alle anderen worden doorgedreven. Hun tijd werd dus ter beschikking gesteld van Lady Middleton en de beide dames Steele, die feitelijk hun gezelschap bitter weinig op prijs stelden, maar het des te ijveriger beweerden te zoeken.Zij waren te verstandig om aangenaam gezelschap te zijn voor de eerste, en door de beide anderen werden zij met een afgunstig oog beschouwd, als indringsters op hun terrein, die deelden in de vriendelijkheid, welke zij voor zich alleen in beslag dachten te nemen. Hoewel niets beleefder kon zijn dan Lady Middleton’s houding tegenover Elinor en Marianne, hield zij toch in het geheel niet vanhen. Daar zij noch haar, noch hare kinderen vleiden, kon zij niet gelooven, dat zij goedhartig waren; en omdat ze veel van lezen hielden, verbeeldde zij zich, dat ze satiriek waren; zonder misschien precies te weten wat satiriek zijn beduidde; maar dàt deed er minder toe. Het was een gebruikelijke afkeuring, en ’t kon geen kwaad, dat het eens werd gezegd.Hunne tegenwoordigheid legde beiden haar en Lucy een zekeren dwang op. Zij hinderden de eene in haar laten, en de andere in haar doen. Lady Middleton schaamde zich voor hen, dat ze niets uitvoerde, en Lucy was bang, dat ze haar zouden minachten om de vleierij, die zij anders vol zelfvoldoening placht toe te dienen. Juffrouw Anne werd het minst van streek gebracht door hun bijzijn, en het stond in hun macht, haar geheel ermee te verzoenen. Als een van hen beiden haar maar eens volledig en tot in de kleinste bijzonderheden had ingelicht omtrent die geschiedenis tusschen Marianne en den Heer Willoughby, dan zou ze zich ruim beloond hebben geacht voor ’t gemis van het warmste plaatsje bij den haard na den eten, dat zij na hunne komst had moeten afstaan. Maar deze tegemoetkoming werd haar niet bewezen, en al liet zij zich meermalen tegenover Elinor uitroepen van medelijden met hare zuster ontvallen, of al hield ze ten aanhoore van Marianne herhaaldelijk beschouwingen over de wispelturigheid van galante cavaliers, zij bereikte er niet anders mee, dan dat de eerste onverschillig en de laatste met minachtenden afkeer haar aanzag. En met nog veel geringere moeite hadden ze haar vriendschap kunnen winnen. Als ze haar toch maar eens hadden geplaagd met den dokter! Doch zij waren al even weinig als de anderen gezind haar hierin ter wille te zijn, en als Sir John niet thuis kwam dineeren, moest zij soms een geheelen dag doorbrengen zonder andere grappen te hooren overdat onderwerp, dan die, waarmee ze zich zelve placht te vermaken.Van al die afgunst en ontevredenheid echter bleef Mevrouw Jennings zoo totaal onkundig, dat zij het verrukkelijk voor de meisjes vond om zooveel samen te zijn; en in den regel haar logéetjes elken avond gelukwenschte dat ze alweer een dag aan ’t gezelschap van een saaie oude vrouw waren ontsnapt. Zij kwam wel eens met hen bij Sir John, en sprak ze ook wel in haar eigen huis; maar waar het ook mocht zijn, zij was altijd in haar nopjes, verrukt en gewichtig, Charlotte’s welbevinden toeschrijvend aan háár goede zorgen, en steeds bereid tot een zoo nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van haar gezondheidstoestand, als alleen Juffrouw Steele nieuwsgierig genoeg was te verlangen.Eending hinderde haar toch, en daarover beklaagde zij zich dan ook elken dag. De Heer Palmer hield zich aan de algemeene, doch onvaderlijke uitspraak zijner sekse, dat alle kleine kinderen precies eender zijn; en hoewel zij op verschillende tijden duidelijk de meest treffende gelijkenis kon zien tusschen dit kleine ding en al zijn bloedverwanten van beide zijden, zij kòn zijn vader daarvan maar niet overtuigen; zij kòn hem niet overhalen te gelooven, dat het er niet precies zoo uitzag als elke baby van den zelfden leeftijd; en zelfs tot de eenvoudige verklaring, dat het ’t mooiste kindje van de wereld was, bleek hij niet bereid.Thans moet ik melding maken van een ongeluk, dat omstreeks dezen tijd aan Mevrouw John Dashwood overkwam. Toevallig was, bij gelegenheid van het bezoek harer zusters met Mevrouw Jennings in Harley Street, eene harer vriendinnen haar een visite komen maken,—op zichzelf geen gebeurtenis, waaruit eenig kwaad voor haar zou kunnen voortspruiten. Doch zoolang de verbeelding van andere menschen hen kan meesleepen tot hetmaken van verkeerde gevolgtrekkingen omtrent ons gedrag, die zij daarenboven afleiden uit oppervlakkige gegevens, kan ons geluk niet anders dan tot op zekere hoogte van het toeval afhankelijk zijn. In het onderhavige geval had de laatst-gekomen dame haar verbeelding vergund, zich zoover te begeven buiten de perken van waarheid en waarschijnlijkheid, dat zij, enkel bij het hooren noemen van den naam der dames Dashwood, en begrijpende dat zij de zusters van den Heer Dashwood waren, onmiddellijk hieruit had afgeleid, dat zij logeerden in Harley Street; en als gevolg van dit misverstand verschenen een paar dagen later invitatie-kaarten, zoo voor hen als voor hun broer en zuster, om hen uit te noodigen op een muziek-avond te hunnen huize. Ten gevolge waarvan wederom Mevrouw John Dashwood zich genoodzaakt zag niet alleen tot den buitengewoon lastigen maatregel, de dames Dashwood met haar rijtuig te laten afhalen; maar, wat erger was, zich de onaangename verplichting zag opgelegd, hen althans schijnbaar voorkomend te behandelen,—en wie kon zeggen, of ze er nu niet op zouden gaan rekenen, een tweeden keer met haar uit te gaan. Het stond wel is waar altijd nog in haar macht, hen teleur te stellen. Maar dat zou niet voldoende zijn; want als de menschen vast voornemens zijn zich te gedragen op een wijze, waarvan ze ’t verkeerde zelf inzien, zijn ze tòch beleedigd, als anderen iets beters van hen verwachten. Marianne was er van lieverlede reeds weer zóó aan gewend geraakt, iederen dag uit te gaan, dat het haar onverschillig was geworden, of zij ging of niet, en zij maakte zich rustig en werktuigelijk gereed voor elke avondpartij, hoewel zonder ooit eenig genoegen van een dier uitgangen te verwachten, en dikwijls zelfs tot op het laatste oogenblik niet wetend, bij wie ze eigenlijk gevraagd was. Voor haar kleeding en haar uiterlijk was zij zoo volkomen onverschillig geworden, dat zij er onder het kleeden niet halfzooveel aandacht aan wijdde, als haar ten deel viel van Juffrouw Anne’s zijde in de eerste vijf minuten van hun samenzijn.Haarnauwlettende opmerkzaamheid en nieuwsgierigen blik ontging niets; zij zag alles, vroeg naar alles, had geen rust eer ze wist wat elk onderdeel van Marianne’s toilet gekost had; was van het aantal harer japonnen beter op de hoogte dan Marianne zelf, en hoopte nog eenmaal, eer zij weer afscheid namen, te zullen ontdekken, hoeveel waschgeld zij per week betaalde, en hoeveel haar kleedgeld per jaar bedroeg.Gewoonlijk werd de lompheid van dat brutale uitvragen zoogenaamd weer goedgemaakt door een compliment, dat, hoewel bedoeld als een soort belooning, door Marianne als de verregaandste onbeschaamdheid werd beschouwd; want na een verhoor te hebben ondergaan omtrent den prijs en het patroon van haar japon, de kleur van haar schoenen en de wijze waarop haar haar was opgemaakt, wist zij van te voren, hoe ze nu te hooren zou krijgen, “dat ze er gerust waar piekfijn uitzag, en een hoop harten zou veroveren.”Met een dergelijke aanmoediging werd zij ook bij deze gelegenheid verwezen naar haar broeder’s rijtuig, dat geen vijf minuten aan hun deur had behoeven te wachten; eene nauwgezetheid, weinig gewaardeerd door hun schoonzuster, die reeds eerder naar het huis van haar vriendin was gegaan, en hoopte op eenige vertraging van hunne zijde, ten ongerieve van haarzelve of haren koetsier.Veel vermeldenswaardigs viel er dien avond niet voor. Op dit, zooals op andere muziekpartijtjes, was een zeker aantal gasten bijeenverzameld, dat werkelijk genoot van de uitvoering, en een veel grooter aantal andere, die er niets om gaven; en de medewerkenden zelf waren zooals gewoonlijk, volgens hun eigen oordeel, en dat hunner intieme vrienden de voortreffelijkste amateurs van heel Engeland.Daar Elinor noch muzikaal was, noch voorgaf het te zijn, zag zij er geen bezwaar in, haar oogen eens af te wenden van den vleugel, wanneer zij daar lust in had, en zonder zich te laten intimideeren door de aanwezigheid van harp en violoncel, haar blik naar believen te laten rusten op eenig ander voorwerp in het vertrek.Bij een van die uitstapjes viel haar oog op een groepje jongelui, waaronder zij hetzelfde jongemensch bespeurde, dat bij den juwelier de voordracht over tandenstoker-étuis had gehouden. Weldra zag zij hem naar haar kijken, terwijl hij vertrouwelijk stond te praten met haar broeder; en zij nam zich juist voor aan John te vragen, wie hij was, toen zij samen naar haar toekwamen, en de Heer Dashwood hem aan haar voorstelde als den Heer Robert Ferrars.Hij sprak haar aan met luchtige beleefdheid, en boog, met een grappige hoofdwending, die haar even duidelijk als woorden hadden kunnen doen, liet bespeuren, dat hij wel waarlijk de ingebeelde fat was, dien Lucy haar had beschreven. ’t Zou gelukkig voor haar zijn geweest, als haar genegenheid voor Edward minder had afgehangen van zijn eigen verdiensten, dan van die zijner naaste familieleden. Want dan zou zijn broeders buiging hebben voltooid, wat de booze blikken van zijn moeder en zuster hadden begonnen. Maar terwijl zij zich verbaasde over het verschil tusschen de twee jongelieden, bleek het haar, dat de leeghoofdigheid en ijdelheid van den een haar waarlijk geen geringeren dunk deden opvatten omtrent de bescheidenheid en degelijkheid van den ander. Hoe hetkwam, dat zij zoo verschilden, legde Robert zelf haar uit in het kwartiertje, dat hij met haar praatte; want sprekend over zijn broeder, en betreurend dat zijn verregaandegaucheriehem, naar hij dacht, belette den omgang van zijn standgenooten te zoeken, meende hij, met oprechte welwillendheid,die linkschheid niet zoozeer te moeten toeschrijven aan eenig natuurlijk gebrek, als wel aan de ongelukkige omstandigheid, dat Edward privaat-onderricht had genoten; terwijl hijzelf, hoewel allicht van nature en feitelijk niet zoo bijzonder veel meer begaafd dan zijn broeder, alleen aan het voorrecht eener opvoeding in een openbare school te danken had, dat hij zich in de wereld wist te bewegen zoo goed als de beste. “Bepaald,” voegde hij erbij, “ik geloof dat het alleen daaraan ligt, en dat zeg ik zoo dikwijls tegen mijn moeder, als zij erover aan het tobben is. “Mama,” zeg ik dan, “zet u dat nu uit het hoofd. De zaak isnuniet meer te verhelpen, en ’t is heel en al uw eigen schuld. Waarom liet u zich ook overhalen door mijn oom, Sir Robert, om tegen uw eigen beter weten in Edward privaat-onderwijs te laten geven, juist in de jaren, die er het meest op aankwamen? Hadt u hem naar Westminster laten gaan, zooals mij, inplaats van hem bij den Heer Pratt in den kost te doen, dan zoudt u dit alles hebben voorkomen.” In dat licht heb ik de zaak altijd beschouwd, en mijn moeder ziet nu ook zelve haar vergissing wel in.”Elinor wilde hem niet tegenspreken, want hoe zij ook in ’t algemeen mocht denken over de voordeelen eener opvoeding in een der groote openbare scholen, aan Edward’s verblijf in het gezin van den Heer Pratt kon zij niet met voldoening terugdenken.“U woont in Devonshire, niet waar?” was zijn volgende opmerking, “in een landhuisje, dicht bij Dawlish.”Elinor bracht hem op de hoogte omtrent de plaats waar hun huis gelegen was, en het scheen hem te verbazen, dat iemand in Devonshire kon wonen, en tòch niet in de buurt van Dawlish. Hun soort van verblijfplaats droeg echter zijn welwillende goedkeuring weg.“Ik voor mij,” zei hij, “houd bijzonder van landhuisjes; ze zijn meestal gezellig, en zien er aardiguit. Ik verzeker u, als ik er het geld voor had, dan kocht ik een stukje grond, en liet er zelf een bouwen, in de buurt van Londen, zoodat ik er heen kon rijden wanneer ik verkoos, en er een paar vrienden vragen, om samen ervan te genieten. Ik raad iedereen aan, die bouwen wil, om met een landhuisje te beginnen. Onlangs kwam mijn vriend Lord Courtland bij mij, om mij om raad te vragen, en legde me drie verschillende ontwerpen voor van Bonomi. Ik moest beslissen, welk het beste was. “Mijn waarde Courtland,” zei ik, zonder mij te bedenken, en ik wierp ze alle drie in het vuur, “neem ze geen van alle, maar bouw een landhuisje, en anders niet.” En daar zal het nu wel op uitloopen.—Er zijn menschen, die denken, dat er met een landhuisje weinig valt te beginnen, dat er niet genoeg ruimte is; maar dat is allemaal gekheid. De vorige maand logeerde ik bij goede vrienden, de Elliott’s, in de buurt van Dartford. Lady Elliott wilde een danspartij geven. “Maar hoe kan dat nu?” zei ze; “mijn beste Ferrars, zeg me toch eens, hoe ik dat moet aanleggen. In dit huisje is geen enkele kamer groot genoeg voor tien paren, en waar moeten we soupeeren?”—Ikzag dadelijk, dat het héél goed ging; en ik zei: “Mijn waarde Lady Elliott, tobt u dáár niet over. In de eetkamer kunnen met gemak achttien paren ruimte vinden, speeltafeltjes worden geplaatst in den grooten salon; in de bibliotheek kunt u thee en andere ververschingen laten presenteeren, en in den kleinen salon zet u het souper klaar.” Lady Elliott was verrukt over mijn plan. We hebben de eetkamer gemeten, en ’t bleek dat er precies plaats was voor achttien paren; zoodat alles juist werd geschikt volgens mijn idee. U ziet dus wel, wanneer men maar weet, hoe men moet te werk gaan, dan kan men ’t in een landhuisje even goed en genoegelijk hebben, als in een ruim en deftig heerenhuis.”Elinor gaf hem maar gelijk, want zij vond niet,dat hij verdiende als redelijk mensch op redelijke gronden te worden tegengesproken.Daar John Dashwood evenmin pleizier had in muziek als zijn oudste zuster, kon hij eveneens zijn gedachten naar believen bij iets anders bepalen, en in den loop van den avond viel hem iets in, dat hij bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw meedeelde, in de hoop dat het hare goedkeuring zou wegdragen. De vergissing van Mevrouw Dennison, die zijne zusters als zijn logeergasten had beschouwd, had hem op het denkbeeld gebracht, of het misschien ook gepast zou zijn, hen werkelijk te logeeren te vragen, zoolang Mevrouw Jennings zooveel tijd buitenshuis doorbracht. Veel onkosten zou ’t hun niet veroorzaken; veel last evenmin, en het was dan toch eene attentie, die zijn teergevoelig geweten hem als noodzakelijk deed beschouwen, ter volkomen kwijting van de belofte, tegenover zijn vader afgelegd. Fanny schrikte van het voorstel.“Ik zie niet in, hoe dat zal gaan,” zei ze, “zonder onbeleefd te zijn jegens Lady Middleton; want ze zijn elken dag bij háár; anders zou ik het met pleizier doen. Je weet wel, dat ik altijd bereid ben, hun wáár ik kan, een beleefdheid te bewijzen, zooals ik door dezen uitgang van avond weer heb getoond. Maar ze zijn de gasten van Lady Middleton. Kan ik haar nu wel van hen berooven?”Haar echtgenoot vond, in alle bescheidenheid, hare tegenwerping toch eigenlijk niet afdoende. Zij hadden nu al een week op deze wijze gelogeerd in Conduit Street, en het zou Lady Middleton stellig niet hinderen, wanneer zij hetzelfde aantal dagen doorbrachten bij hun eigen naaste familie.Fanny zweeg een oogenblik, en zei toen, met nog grooteren nadruk: “Beste man, als het maar kon, zou ik niets liever doen. Maar ik had juist bij mij zelf overlegd, dat we de meisjes Steele een paar dagen te logeeren moesten vragen. Dat zijn heel geschikte, aardige meisjes; en ik vind, dat we ’teigenlijk wel verplicht zijn, omdat hun oom zich zooveel moeite heeft gegeven met Edward. Dan kunnen we je zusters ’t volgend jaar vragen; maar de dames Steele komen misschien dan niet weer in de stad. Je zult ze stellig héél aardig vinden; trouwens ik weet, dat je dat nu al doet; evenals mama, en Harry mag ze zoo graag lijden!”De Heer Dashwood was overtuigd. Hij zag dadelijk in, dat het noodig was, de dames Steele te inviteeren; en zijn geweten werd gerustgesteld door het besluit, zijn zusters te vragen in het volgend jaar. In stilte vermoedde hij wel, dat de uitnoodiging een jaar later overbodig zou zijn; want dan kwam Elinor natuurlijk als Kolonel Brandon’s vrouw, en Marianne als de gast van dàt echtpaar.Fanny, blij over die onverwachte uitkomst, en trotsch op de handigheid waarmee ze zich had weten te redden, schreef den volgenden morgen aan Lucy, om haar en hare zuster een paar dagen in Harley Street te logeeren te vragen, zoodra Lady Middleton hen kon missen. Dat was voldoende om Lucy waarlijk en met reden tevreden te doen zijn. Het scheen wel, of Mevrouw Dashwood haar plannen in de hand werkte, alsof zij dezelfde hoop koesterde als zij, en háár geluk wilde bevorderen! Zulk een gelegenheid om met Edward èn zijn familie samen te zijn, was voor haar van het allergrootste belang, en zulk eene uitnoodiging vond zij wel buitengewoon vleiend! Het was een voorrecht, dat zij niet dankbaar genoeg kon erkennen en niet spoedig genoeg zich ten nutte maken; en het bezoek bij Lady Middleton, waarvan de duur te voren niet was bepaald, bleek plotseling over twee dagen aan zijn afgesproken einde te zullen zijn gekomen.Toen het briefje, tien minuten nadat het was ontvangen, aan Elinor werd vertoond, deed het haar voor de eerste maal, eenigszins deelen in Lucy’s verwachtingen; want zulk een ongewoonbewijs van vriendelijkheid, na zóó korte kennismaking, scheen te duiden op een welgezindheid, die haar oorsprong vond in méér dan louter kwaadwilligheid jegens haarzelve, en misschien op den duur en met wat behendigheid kon worden aangewend om Lucy’s verlangens te vervullen. Haar vleierij had Lady Middleton’s trots reeds doen buigen, en haar den weg gebaand naar het moeilijk toegankelijk hart van Mevrouw John Dashwood; uitwerkselen, die nog grootere mogelijkheden deden verwachten.De dames Steele vertrokken naar Harley Street, en al wat Elinor ter oore kwam omtrent hun invloed daar aan huis, droeg ertoe bij haar verwachting te versterken. Sir John, die hen meermalen ging opzoeken, bracht verhalen mee omtrent de gunst waarin zij stonden, die ieder versteld deden staan. Mevrouw Dashwood had nog nooit in haar leven zulke lieve meisjes ontmoet; ze had hun ieder een naaldenboekje gegeven, het werk van een of anderen vreemden vluchteling; zij noemde Lucy bij haar voornaam, en zij wist niet, hoe zij het ooit zonder hen zou stellen.
Eenige dagen na deze ontmoeting verkondigden de nieuwsbladen der wereld de tijding, dat de echtgenoote van den Heer Thomas Palmer voorspoedig was bevallen van een zoon; een zeer belangwekkend en verblijdend bericht, althans voor alle intieme bekenden, die erop waren voorbereid.
Deze gebeurtenis, zoo hoogst gewichtig voor Mevrouw Jennings’ levensvreugde, bracht een tijdelijke wijziging in hare tijdverdeeling, en oefende eveneens invloed uit op het doen en laten harer jeugdige vriendinnen; want daar zij liefst zooveel mogelijk bij Charlotte wilde zijn, ging zij daar elken morgen heen, zoodra zij gekleed was, en kwam eerst laat in den avond terug; terwijl de dames Dashwood, op het dringend verzoek van de Middletons, den geheelen dag doorbrachten in Conduit Street. Zij zouden het zelven veel gemakkelijker hebben gevonden, ten minste des morgens tehuis te blijven; maar die wensch kon niet tegen den zin van alle anderen worden doorgedreven. Hun tijd werd dus ter beschikking gesteld van Lady Middleton en de beide dames Steele, die feitelijk hun gezelschap bitter weinig op prijs stelden, maar het des te ijveriger beweerden te zoeken.
Zij waren te verstandig om aangenaam gezelschap te zijn voor de eerste, en door de beide anderen werden zij met een afgunstig oog beschouwd, als indringsters op hun terrein, die deelden in de vriendelijkheid, welke zij voor zich alleen in beslag dachten te nemen. Hoewel niets beleefder kon zijn dan Lady Middleton’s houding tegenover Elinor en Marianne, hield zij toch in het geheel niet vanhen. Daar zij noch haar, noch hare kinderen vleiden, kon zij niet gelooven, dat zij goedhartig waren; en omdat ze veel van lezen hielden, verbeeldde zij zich, dat ze satiriek waren; zonder misschien precies te weten wat satiriek zijn beduidde; maar dàt deed er minder toe. Het was een gebruikelijke afkeuring, en ’t kon geen kwaad, dat het eens werd gezegd.
Hunne tegenwoordigheid legde beiden haar en Lucy een zekeren dwang op. Zij hinderden de eene in haar laten, en de andere in haar doen. Lady Middleton schaamde zich voor hen, dat ze niets uitvoerde, en Lucy was bang, dat ze haar zouden minachten om de vleierij, die zij anders vol zelfvoldoening placht toe te dienen. Juffrouw Anne werd het minst van streek gebracht door hun bijzijn, en het stond in hun macht, haar geheel ermee te verzoenen. Als een van hen beiden haar maar eens volledig en tot in de kleinste bijzonderheden had ingelicht omtrent die geschiedenis tusschen Marianne en den Heer Willoughby, dan zou ze zich ruim beloond hebben geacht voor ’t gemis van het warmste plaatsje bij den haard na den eten, dat zij na hunne komst had moeten afstaan. Maar deze tegemoetkoming werd haar niet bewezen, en al liet zij zich meermalen tegenover Elinor uitroepen van medelijden met hare zuster ontvallen, of al hield ze ten aanhoore van Marianne herhaaldelijk beschouwingen over de wispelturigheid van galante cavaliers, zij bereikte er niet anders mee, dan dat de eerste onverschillig en de laatste met minachtenden afkeer haar aanzag. En met nog veel geringere moeite hadden ze haar vriendschap kunnen winnen. Als ze haar toch maar eens hadden geplaagd met den dokter! Doch zij waren al even weinig als de anderen gezind haar hierin ter wille te zijn, en als Sir John niet thuis kwam dineeren, moest zij soms een geheelen dag doorbrengen zonder andere grappen te hooren overdat onderwerp, dan die, waarmee ze zich zelve placht te vermaken.
Van al die afgunst en ontevredenheid echter bleef Mevrouw Jennings zoo totaal onkundig, dat zij het verrukkelijk voor de meisjes vond om zooveel samen te zijn; en in den regel haar logéetjes elken avond gelukwenschte dat ze alweer een dag aan ’t gezelschap van een saaie oude vrouw waren ontsnapt. Zij kwam wel eens met hen bij Sir John, en sprak ze ook wel in haar eigen huis; maar waar het ook mocht zijn, zij was altijd in haar nopjes, verrukt en gewichtig, Charlotte’s welbevinden toeschrijvend aan háár goede zorgen, en steeds bereid tot een zoo nauwkeurige en uitvoerige beschrijving van haar gezondheidstoestand, als alleen Juffrouw Steele nieuwsgierig genoeg was te verlangen.Eending hinderde haar toch, en daarover beklaagde zij zich dan ook elken dag. De Heer Palmer hield zich aan de algemeene, doch onvaderlijke uitspraak zijner sekse, dat alle kleine kinderen precies eender zijn; en hoewel zij op verschillende tijden duidelijk de meest treffende gelijkenis kon zien tusschen dit kleine ding en al zijn bloedverwanten van beide zijden, zij kòn zijn vader daarvan maar niet overtuigen; zij kòn hem niet overhalen te gelooven, dat het er niet precies zoo uitzag als elke baby van den zelfden leeftijd; en zelfs tot de eenvoudige verklaring, dat het ’t mooiste kindje van de wereld was, bleek hij niet bereid.
Thans moet ik melding maken van een ongeluk, dat omstreeks dezen tijd aan Mevrouw John Dashwood overkwam. Toevallig was, bij gelegenheid van het bezoek harer zusters met Mevrouw Jennings in Harley Street, eene harer vriendinnen haar een visite komen maken,—op zichzelf geen gebeurtenis, waaruit eenig kwaad voor haar zou kunnen voortspruiten. Doch zoolang de verbeelding van andere menschen hen kan meesleepen tot hetmaken van verkeerde gevolgtrekkingen omtrent ons gedrag, die zij daarenboven afleiden uit oppervlakkige gegevens, kan ons geluk niet anders dan tot op zekere hoogte van het toeval afhankelijk zijn. In het onderhavige geval had de laatst-gekomen dame haar verbeelding vergund, zich zoover te begeven buiten de perken van waarheid en waarschijnlijkheid, dat zij, enkel bij het hooren noemen van den naam der dames Dashwood, en begrijpende dat zij de zusters van den Heer Dashwood waren, onmiddellijk hieruit had afgeleid, dat zij logeerden in Harley Street; en als gevolg van dit misverstand verschenen een paar dagen later invitatie-kaarten, zoo voor hen als voor hun broer en zuster, om hen uit te noodigen op een muziek-avond te hunnen huize. Ten gevolge waarvan wederom Mevrouw John Dashwood zich genoodzaakt zag niet alleen tot den buitengewoon lastigen maatregel, de dames Dashwood met haar rijtuig te laten afhalen; maar, wat erger was, zich de onaangename verplichting zag opgelegd, hen althans schijnbaar voorkomend te behandelen,—en wie kon zeggen, of ze er nu niet op zouden gaan rekenen, een tweeden keer met haar uit te gaan. Het stond wel is waar altijd nog in haar macht, hen teleur te stellen. Maar dat zou niet voldoende zijn; want als de menschen vast voornemens zijn zich te gedragen op een wijze, waarvan ze ’t verkeerde zelf inzien, zijn ze tòch beleedigd, als anderen iets beters van hen verwachten. Marianne was er van lieverlede reeds weer zóó aan gewend geraakt, iederen dag uit te gaan, dat het haar onverschillig was geworden, of zij ging of niet, en zij maakte zich rustig en werktuigelijk gereed voor elke avondpartij, hoewel zonder ooit eenig genoegen van een dier uitgangen te verwachten, en dikwijls zelfs tot op het laatste oogenblik niet wetend, bij wie ze eigenlijk gevraagd was. Voor haar kleeding en haar uiterlijk was zij zoo volkomen onverschillig geworden, dat zij er onder het kleeden niet halfzooveel aandacht aan wijdde, als haar ten deel viel van Juffrouw Anne’s zijde in de eerste vijf minuten van hun samenzijn.Haarnauwlettende opmerkzaamheid en nieuwsgierigen blik ontging niets; zij zag alles, vroeg naar alles, had geen rust eer ze wist wat elk onderdeel van Marianne’s toilet gekost had; was van het aantal harer japonnen beter op de hoogte dan Marianne zelf, en hoopte nog eenmaal, eer zij weer afscheid namen, te zullen ontdekken, hoeveel waschgeld zij per week betaalde, en hoeveel haar kleedgeld per jaar bedroeg.
Gewoonlijk werd de lompheid van dat brutale uitvragen zoogenaamd weer goedgemaakt door een compliment, dat, hoewel bedoeld als een soort belooning, door Marianne als de verregaandste onbeschaamdheid werd beschouwd; want na een verhoor te hebben ondergaan omtrent den prijs en het patroon van haar japon, de kleur van haar schoenen en de wijze waarop haar haar was opgemaakt, wist zij van te voren, hoe ze nu te hooren zou krijgen, “dat ze er gerust waar piekfijn uitzag, en een hoop harten zou veroveren.”
Met een dergelijke aanmoediging werd zij ook bij deze gelegenheid verwezen naar haar broeder’s rijtuig, dat geen vijf minuten aan hun deur had behoeven te wachten; eene nauwgezetheid, weinig gewaardeerd door hun schoonzuster, die reeds eerder naar het huis van haar vriendin was gegaan, en hoopte op eenige vertraging van hunne zijde, ten ongerieve van haarzelve of haren koetsier.
Veel vermeldenswaardigs viel er dien avond niet voor. Op dit, zooals op andere muziekpartijtjes, was een zeker aantal gasten bijeenverzameld, dat werkelijk genoot van de uitvoering, en een veel grooter aantal andere, die er niets om gaven; en de medewerkenden zelf waren zooals gewoonlijk, volgens hun eigen oordeel, en dat hunner intieme vrienden de voortreffelijkste amateurs van heel Engeland.
Daar Elinor noch muzikaal was, noch voorgaf het te zijn, zag zij er geen bezwaar in, haar oogen eens af te wenden van den vleugel, wanneer zij daar lust in had, en zonder zich te laten intimideeren door de aanwezigheid van harp en violoncel, haar blik naar believen te laten rusten op eenig ander voorwerp in het vertrek.
Bij een van die uitstapjes viel haar oog op een groepje jongelui, waaronder zij hetzelfde jongemensch bespeurde, dat bij den juwelier de voordracht over tandenstoker-étuis had gehouden. Weldra zag zij hem naar haar kijken, terwijl hij vertrouwelijk stond te praten met haar broeder; en zij nam zich juist voor aan John te vragen, wie hij was, toen zij samen naar haar toekwamen, en de Heer Dashwood hem aan haar voorstelde als den Heer Robert Ferrars.
Hij sprak haar aan met luchtige beleefdheid, en boog, met een grappige hoofdwending, die haar even duidelijk als woorden hadden kunnen doen, liet bespeuren, dat hij wel waarlijk de ingebeelde fat was, dien Lucy haar had beschreven. ’t Zou gelukkig voor haar zijn geweest, als haar genegenheid voor Edward minder had afgehangen van zijn eigen verdiensten, dan van die zijner naaste familieleden. Want dan zou zijn broeders buiging hebben voltooid, wat de booze blikken van zijn moeder en zuster hadden begonnen. Maar terwijl zij zich verbaasde over het verschil tusschen de twee jongelieden, bleek het haar, dat de leeghoofdigheid en ijdelheid van den een haar waarlijk geen geringeren dunk deden opvatten omtrent de bescheidenheid en degelijkheid van den ander. Hoe hetkwam, dat zij zoo verschilden, legde Robert zelf haar uit in het kwartiertje, dat hij met haar praatte; want sprekend over zijn broeder, en betreurend dat zijn verregaandegaucheriehem, naar hij dacht, belette den omgang van zijn standgenooten te zoeken, meende hij, met oprechte welwillendheid,die linkschheid niet zoozeer te moeten toeschrijven aan eenig natuurlijk gebrek, als wel aan de ongelukkige omstandigheid, dat Edward privaat-onderricht had genoten; terwijl hijzelf, hoewel allicht van nature en feitelijk niet zoo bijzonder veel meer begaafd dan zijn broeder, alleen aan het voorrecht eener opvoeding in een openbare school te danken had, dat hij zich in de wereld wist te bewegen zoo goed als de beste. “Bepaald,” voegde hij erbij, “ik geloof dat het alleen daaraan ligt, en dat zeg ik zoo dikwijls tegen mijn moeder, als zij erover aan het tobben is. “Mama,” zeg ik dan, “zet u dat nu uit het hoofd. De zaak isnuniet meer te verhelpen, en ’t is heel en al uw eigen schuld. Waarom liet u zich ook overhalen door mijn oom, Sir Robert, om tegen uw eigen beter weten in Edward privaat-onderwijs te laten geven, juist in de jaren, die er het meest op aankwamen? Hadt u hem naar Westminster laten gaan, zooals mij, inplaats van hem bij den Heer Pratt in den kost te doen, dan zoudt u dit alles hebben voorkomen.” In dat licht heb ik de zaak altijd beschouwd, en mijn moeder ziet nu ook zelve haar vergissing wel in.”
Elinor wilde hem niet tegenspreken, want hoe zij ook in ’t algemeen mocht denken over de voordeelen eener opvoeding in een der groote openbare scholen, aan Edward’s verblijf in het gezin van den Heer Pratt kon zij niet met voldoening terugdenken.
“U woont in Devonshire, niet waar?” was zijn volgende opmerking, “in een landhuisje, dicht bij Dawlish.”
Elinor bracht hem op de hoogte omtrent de plaats waar hun huis gelegen was, en het scheen hem te verbazen, dat iemand in Devonshire kon wonen, en tòch niet in de buurt van Dawlish. Hun soort van verblijfplaats droeg echter zijn welwillende goedkeuring weg.
“Ik voor mij,” zei hij, “houd bijzonder van landhuisjes; ze zijn meestal gezellig, en zien er aardiguit. Ik verzeker u, als ik er het geld voor had, dan kocht ik een stukje grond, en liet er zelf een bouwen, in de buurt van Londen, zoodat ik er heen kon rijden wanneer ik verkoos, en er een paar vrienden vragen, om samen ervan te genieten. Ik raad iedereen aan, die bouwen wil, om met een landhuisje te beginnen. Onlangs kwam mijn vriend Lord Courtland bij mij, om mij om raad te vragen, en legde me drie verschillende ontwerpen voor van Bonomi. Ik moest beslissen, welk het beste was. “Mijn waarde Courtland,” zei ik, zonder mij te bedenken, en ik wierp ze alle drie in het vuur, “neem ze geen van alle, maar bouw een landhuisje, en anders niet.” En daar zal het nu wel op uitloopen.—Er zijn menschen, die denken, dat er met een landhuisje weinig valt te beginnen, dat er niet genoeg ruimte is; maar dat is allemaal gekheid. De vorige maand logeerde ik bij goede vrienden, de Elliott’s, in de buurt van Dartford. Lady Elliott wilde een danspartij geven. “Maar hoe kan dat nu?” zei ze; “mijn beste Ferrars, zeg me toch eens, hoe ik dat moet aanleggen. In dit huisje is geen enkele kamer groot genoeg voor tien paren, en waar moeten we soupeeren?”—Ikzag dadelijk, dat het héél goed ging; en ik zei: “Mijn waarde Lady Elliott, tobt u dáár niet over. In de eetkamer kunnen met gemak achttien paren ruimte vinden, speeltafeltjes worden geplaatst in den grooten salon; in de bibliotheek kunt u thee en andere ververschingen laten presenteeren, en in den kleinen salon zet u het souper klaar.” Lady Elliott was verrukt over mijn plan. We hebben de eetkamer gemeten, en ’t bleek dat er precies plaats was voor achttien paren; zoodat alles juist werd geschikt volgens mijn idee. U ziet dus wel, wanneer men maar weet, hoe men moet te werk gaan, dan kan men ’t in een landhuisje even goed en genoegelijk hebben, als in een ruim en deftig heerenhuis.”
Elinor gaf hem maar gelijk, want zij vond niet,dat hij verdiende als redelijk mensch op redelijke gronden te worden tegengesproken.
Daar John Dashwood evenmin pleizier had in muziek als zijn oudste zuster, kon hij eveneens zijn gedachten naar believen bij iets anders bepalen, en in den loop van den avond viel hem iets in, dat hij bij zijn thuiskomst aan zijn vrouw meedeelde, in de hoop dat het hare goedkeuring zou wegdragen. De vergissing van Mevrouw Dennison, die zijne zusters als zijn logeergasten had beschouwd, had hem op het denkbeeld gebracht, of het misschien ook gepast zou zijn, hen werkelijk te logeeren te vragen, zoolang Mevrouw Jennings zooveel tijd buitenshuis doorbracht. Veel onkosten zou ’t hun niet veroorzaken; veel last evenmin, en het was dan toch eene attentie, die zijn teergevoelig geweten hem als noodzakelijk deed beschouwen, ter volkomen kwijting van de belofte, tegenover zijn vader afgelegd. Fanny schrikte van het voorstel.
“Ik zie niet in, hoe dat zal gaan,” zei ze, “zonder onbeleefd te zijn jegens Lady Middleton; want ze zijn elken dag bij háár; anders zou ik het met pleizier doen. Je weet wel, dat ik altijd bereid ben, hun wáár ik kan, een beleefdheid te bewijzen, zooals ik door dezen uitgang van avond weer heb getoond. Maar ze zijn de gasten van Lady Middleton. Kan ik haar nu wel van hen berooven?”
Haar echtgenoot vond, in alle bescheidenheid, hare tegenwerping toch eigenlijk niet afdoende. Zij hadden nu al een week op deze wijze gelogeerd in Conduit Street, en het zou Lady Middleton stellig niet hinderen, wanneer zij hetzelfde aantal dagen doorbrachten bij hun eigen naaste familie.
Fanny zweeg een oogenblik, en zei toen, met nog grooteren nadruk: “Beste man, als het maar kon, zou ik niets liever doen. Maar ik had juist bij mij zelf overlegd, dat we de meisjes Steele een paar dagen te logeeren moesten vragen. Dat zijn heel geschikte, aardige meisjes; en ik vind, dat we ’teigenlijk wel verplicht zijn, omdat hun oom zich zooveel moeite heeft gegeven met Edward. Dan kunnen we je zusters ’t volgend jaar vragen; maar de dames Steele komen misschien dan niet weer in de stad. Je zult ze stellig héél aardig vinden; trouwens ik weet, dat je dat nu al doet; evenals mama, en Harry mag ze zoo graag lijden!”
De Heer Dashwood was overtuigd. Hij zag dadelijk in, dat het noodig was, de dames Steele te inviteeren; en zijn geweten werd gerustgesteld door het besluit, zijn zusters te vragen in het volgend jaar. In stilte vermoedde hij wel, dat de uitnoodiging een jaar later overbodig zou zijn; want dan kwam Elinor natuurlijk als Kolonel Brandon’s vrouw, en Marianne als de gast van dàt echtpaar.
Fanny, blij over die onverwachte uitkomst, en trotsch op de handigheid waarmee ze zich had weten te redden, schreef den volgenden morgen aan Lucy, om haar en hare zuster een paar dagen in Harley Street te logeeren te vragen, zoodra Lady Middleton hen kon missen. Dat was voldoende om Lucy waarlijk en met reden tevreden te doen zijn. Het scheen wel, of Mevrouw Dashwood haar plannen in de hand werkte, alsof zij dezelfde hoop koesterde als zij, en háár geluk wilde bevorderen! Zulk een gelegenheid om met Edward èn zijn familie samen te zijn, was voor haar van het allergrootste belang, en zulk eene uitnoodiging vond zij wel buitengewoon vleiend! Het was een voorrecht, dat zij niet dankbaar genoeg kon erkennen en niet spoedig genoeg zich ten nutte maken; en het bezoek bij Lady Middleton, waarvan de duur te voren niet was bepaald, bleek plotseling over twee dagen aan zijn afgesproken einde te zullen zijn gekomen.
Toen het briefje, tien minuten nadat het was ontvangen, aan Elinor werd vertoond, deed het haar voor de eerste maal, eenigszins deelen in Lucy’s verwachtingen; want zulk een ongewoonbewijs van vriendelijkheid, na zóó korte kennismaking, scheen te duiden op een welgezindheid, die haar oorsprong vond in méér dan louter kwaadwilligheid jegens haarzelve, en misschien op den duur en met wat behendigheid kon worden aangewend om Lucy’s verlangens te vervullen. Haar vleierij had Lady Middleton’s trots reeds doen buigen, en haar den weg gebaand naar het moeilijk toegankelijk hart van Mevrouw John Dashwood; uitwerkselen, die nog grootere mogelijkheden deden verwachten.
De dames Steele vertrokken naar Harley Street, en al wat Elinor ter oore kwam omtrent hun invloed daar aan huis, droeg ertoe bij haar verwachting te versterken. Sir John, die hen meermalen ging opzoeken, bracht verhalen mee omtrent de gunst waarin zij stonden, die ieder versteld deden staan. Mevrouw Dashwood had nog nooit in haar leven zulke lieve meisjes ontmoet; ze had hun ieder een naaldenboekje gegeven, het werk van een of anderen vreemden vluchteling; zij noemde Lucy bij haar voornaam, en zij wist niet, hoe zij het ooit zonder hen zou stellen.
Hoofdstuk XXXVIINa een paar weken was Mevrouw Palmer zóó wel, dat haar moeder het niet meer noodig vond, zich geheel en al aan haar te wijden; zij bezocht haar dan nu ook slechts eens of tweemalen per dag en keerde terug naar haar eigen huis en tot haar oude gewoonten; waarbij zij de dames Dashwood zeer bereid vond, deze te deelen, zooals zij dat reeds vroeger hadden gedaan.Den derden of vierden morgen nadat zij het oude leventje in Berkeley Street hadden hervat, kwam Mevrouw Jennings, bij haar terugkomst van het gewone bezoek aan Mevrouw Palmer, den salon binnen, waar Elinor alleen zat, met zulk een haast, en zulk een vertoon van gewicht, dat Elinor zich reeds op iets heel bijzonders voorbereidde; maar zonder haar tijd te gunnen tot méér dan die eene gedachte, begon haar gastvrouw deze aanstonds te rechtvaardigen door te zeggen: “Mijn lieve Elinor! heb je ’t nieuws al gehoord?”“Neen, mevrouw. Wat is het dan?”“O, zoo vreemd! Ik zal je alles vertellen. Toen ik bij mijn dochter kwam, was Charlotte doodelijk ongerust over ’t kind. Ze dacht dat het erg ziek was;—’t schreide, ’t was lastig, en ’t had uitslag overal. Ik ging gauw kijken, en ik zei: Lieve kind, zei ik; dat is niets; een beetje roos, en dat zei de baker ook. Maar Charlotte had er geen rust bij; dus werd Dr. Donovan gehaald; en hij was gelukkig juist thuis gekomen uit Harley Street, dus liep hij even bij ons aan, en zoodra hij ’t kind zag zei hij ook net als wij, dat het een beetje roos was in het tandvleesch, en toen was Charlotte gerust. En juist toen hij wou heen gaan, kwam ’t mij zoo in de gedachte, ik weetniet hoe ’t zoo was, maar ’t viel mij zoo in, om hem te vragen of hij ook iets nieuws had te vertellen. Nu, toen lachte hij zoo’n beetje, en trok een gek gezicht, en keek dan weer ernstig, en scheen wel iets bijzonders te weten, en eindelijk zei hij zachtjes: “Als de jonge dames die bij u logeeren, misschien ongunstige berichten mochten hooren omtrent hun zuster’s ongesteldheid, dan wil ik nu maar vast tot hun geruststelling zeggen, dat er geen reden bestaat tot bezorgdheid; het zal, denk ik, met Mevrouw Dashwood wel goed afloopen, daar ben ik niet bang voor.”“Wat? is Fanny ziek?”“Precies wat ik zelf zei, kind. “Heden”, zei ik, “is Mevrouw Dashwood ziek?”—Dus toen kreeg ik alles te hooren, en naar ik wèl heb begrepen, komt het hierop neer: Mijnheer Edward Ferrars, dat zelfde jongemensch met wien ik jou wel eens geplaagd heb (ik ben intusschen maar blij, nu ’t zoo uitkomt, dat dààr niets van aan was) die Mijnheer Edward Ferrars dan schijnt al langer dan een jaar verloofd te zijn geweest met mijn nichtje Lucy!—Wat zeg je dáárvan, kind. En geen mensch, die er van wist dan Anne! Zou je zooiets hebben kunnen gelooven?—Dat ze van elkaar houden is zoo’n wonder niet; maar dat het zóóver tusschen hen was gekomen, en niemand er op verdacht was!Datis vreemd!—ik heb ze nooit samen gezien,—anders had ik het natuurlijk gauw in de gaten gehad. Nu, het werd dan diep geheim gehouden, uit vrees voor Mevrouw Ferrars, en noch zij, noch je broer en zuster hadden ’t flauwste vermoeden ervan,—tot dat Anne, die een goed schepsel is, zooals je weet, maar de wijsheid niet in pacht heeft, er van morgen op eens mee voor den dag kwam. “Kom,”denkt ze bij zichzelf, “ze zijn allemaal zóó dol op Lucy, ze hebben er bepaald niets op tegen,” en zóó loopt ze naar je zuster, die in haar eentje aan haar handwerk zit, en weinig wist, wat haar boven’t hoofd hing,—want ze had geen vijf minuten te voren tegen je broer gezegd, dat zij van plan was, het klaar te spelen tusschen Edward en een andere dame, de dochter van een Lord... dat weet ik niet meer, hoe die heette. Dus je kunt denken wat een slag dit was voor haar ijdelheid en haar trots. Ze kreeg het verschrikkelijk op de zenuwen en gilde zoo hard, dat je broer het beneden hoorde; die zat in zijn kamer, van plan een brief te schrijven aan zijn rentmeester. Hij vloog naar boven; en toen werd het daar een scène van belang, want Lucy was er ook op afgekomen, weinig vermoedende, wat er gaande was. Dat arme schepsel! háár beklaag ik. Ze hebben haar ook niet mooi behandeld, moet ik zeggen; want je zuster schold haar uit voor al wat leelijk was; en al heel gauw viel Lucy flauw. Anne viel op de knieën en schreide allerjammerlijkst, en je broer liep de kamer rond en wist niet, wat te beginnen. Mevrouw Dashwood riep maar, dat ze geen minuut langer in haar huis mochten blijven, en toen moest je broer óók wel voor haar op de knieën vallen, om haar te bewegen, hen te laten blijven, tot ze hun goed hadden gepakt. Toen kreeg ze weer een zenuwtoeval, en hij werd zoo bang, dat hij Dr. Donovan liet halen, en Dr. Donovan had hen met elkaar gevonden in zóó’n toestand. Het rijtuig stond al klaar om mijn arme nichten weg te brengen, ze stapten juist in, toen hij wegging; Lucy kon bijna niet loopen, zei hij, en Anne was haast even erg. Ik kan ’t niet uitstaan van je zuster, en ik hoop van harte dat ze toch een paar worden, tegen haar zin. Och, och, wat zal die arme Edward wel zeggen als hij ervan hoort! Dat zijn meisje zoo minachtend wordt behandeld! want ze zeggen dat hij dol op haar is, en geen wonder. ’t Zou mij niet verwonderen, als hij er half razend door wordt, en dat dacht Dr. Donovan ook. We hebben er samen lang en breed over gepraat, en het trof gelukkig, dat hij weer terugging naarHarley Street, om bij de hand te zijn, wanneer ze ’t vertelden aan Mevrouw Ferrars; want die werd gehaald, zoodra mijn nichtjes het huis uit waren; en je zuster wist vooruit, dat zij ’t óók op de zenuwen zou krijgen; nu, dat gun ik haar graag. Ik heb met geen van beiden een ziertje medelijden. Daar heb ik geen begrip van, hoe de menschen zoo’n drukte kunnen maken over geld en voornaamheid. Ik zie volstrekt niet in, waarom Mijnheer Edward en Lucy niet zouden kunnen trouwen; want Mevrouw Ferrars kan haar zoon genoeg meegeven, en al heeft Lucy zoo goed als niets, ze weet beter dan de meesten met weinig rond te komen; en als Mevrouw Ferrars hem maar vijfhonderd pond in ’t jaar wou geven, dan zou zij ermee voor den dag komen, als een ander met achthonderd zou doen. Wat zouden ze ’t niet genoeglijk kunnen hebben samen, in zoo’n soort huisje als dat van jelui,—of een beetje grooter—met twee dienstmeisjes en twee knechts; en ik zou ze dadelijk een kamermeisje kunnen bezorgen, denk ik, want de zuster van mijn Betty zoekt een dienst, en die zou juist voor hen passen.”Hier hield Mevrouw Jennings een oogenblik op, en daar Elinor tijd genoeg had gehad, haar gedachten te verzamelen, was zij in staat, juist dàt antwoord te geven, en precies díe opmerkingen te maken, die in dit geval als voor de hand liggend mochten worden beschouwd. Al blijde, te bespeuren, dat zij niet werd verdacht van eenige buitengewone belangstelling, en dat Mevrouw Jennings (zooals zij reeds dikwijls had gehoopt in den laatsten tijd) al lang niet meer in de meening verkeerde, dat zij iets gevoelde voor Edward; maar vooral blij, omdat Marianne niet in de kamer was, kon zij zeer goed, zonder verlegenheid te toonen, over de zaak spreken, en een, naar zij meende, onpartijdig oordeel uiten over het gedrag van allen, die erbij waren betrokken.Zij kon bijna niet uitmaken, wat zij zelve verwachtte dat deze gebeurtenis ten gevolge zou hebben;—hoewel zij zich ernstig trachtte te verzetten tegen het denkbeeld, dat de zaak bij mogelijkheid op iets anders kon uitloopen dan het huwelijk van Edward en Lucy. Wat Mevrouw Ferrars zou zeggen en doen, scheen wel allesbehalve twijfelachtig; maar zij wasertoch benieuwd naar, en nog veel meer benieuwd, hoe Edward zelf zich zou gedragen. Met hèm had zij medelijden;—met Lucy heel weinig, en dat weinigje riep ze met moeite te voorschijn;—met de anderen in ’t geheel niet.Daar Mevrouw Jennings over niets anders kon praten, zag Elinor spoedig in, dat Marianne op de bespreking van de zaak moest worden voorbereid. Er viel geen tijd te verliezen; zij moest op de hoogte worden gebracht, de volle waarheid vernemen, en leeren, erover te hooren spreken door anderen, zonder te laten merken, dat zij bedroefd was om hare zuster, of verontwaardigd over Edward’s gedrag.Het was een pijnlijke taak voor Elinor. Zij moest haar zuster ontnemen, wat zij werkelijk als Marianne’s grootsten troost beschouwde,—moest haar dingen omtrent Edward vertellen, die zij vreesde, dat hem voor altoos haar goede meening zouden doen verliezen, en zij zou Marianne door de gelijkenis van beider omstandigheden, die haar wel treffend moest schijnen, al haar eigen teleurstelling opnieuw doen gevoelen. Doch hoe onwelkom die taak ook mocht zijn, zij moest vervuld worden, en Elinor haastte zich te doen, wat haar te doen stond.Allerminst wenschte zij, lang stil te staan bij haar eigen gevoelens of het te doen voorkomen, alsof zij zwaar verdriet had, behalve dan in zooverre, als het zelfbedwang, dat zij zich had opgelegd, sedert zij voor het eerst Edward’s verloving vernam,voor Marianne eenigermate eene aansporing kon zijn, dit ook van hare zijde te betrachten. Zij vertelde alles duidelijk en eenvoudig; en ofschoon niet onbewogen, liet zij zich toch geenszins vervoeren tot heftige aandoening of onstuimige smart.Dezebleven overgelaten aan haar die luisterde; want Marianne hoorde haar aan met ontzetting, en schreide bitter. Elinor scheen de troosteres te moeten zijn van anderen, zoowel in haar eigen verdriet, als in het hunne, en bereidwillig bood zij al de geruststelling aan, die zij kon schenken, door de verzekering, dat zij zelve nu volkomen kalm was, en door haar ernstige voorspraak van Edward, dien zij vrijpleitte van alle schuld, behalve onvoorzichtigheid.Doch een tijdlang wilde Marianne noch het een, noch het ander gelooven. Edward scheen wel een andere Willoughby, en als Elinor toegaf, zooals zedeed, dat zij hem innig had liefgehad, kon zij dan minder gevoelen dan Marianne zelve? Wat Lucy Steele betrof, zij beschouwde haar als zoo volkomen onaantrekkelijk, zoo absoluut ongeschikt om de liefde van een verstandig man te winnen, dat zij aan een vroegere genegenheid van Edward voor Lucy eerst niet wilde gelooven, en hem die in geen geval vergeven kon. Zij wilde zelfs niet inzien, dat zooiets natuurlijk had kunnen zijn; en Elinor gaf het maar op, en liet haar bij hare meening, totdat die overtuiging haar zou zijn bijgebracht door het eenige, dat haar overtuigen kòn, eene grootere mate van menschenkennis.Haar eerste mededeeling had zich niet verder uitgestrekt dan tot het feit van de verloving en den duur ervan. Daarop was Marianne’s gevoel tusschenbeide gekomen en had een einde gemaakt aan allen geregelden samenhang. Een tijdlang rustte op Elinor de taak, haar droefheid te doen bedaren, haar ongerustheid te doen verminderen en haar verontwaardiging te bestrijden. De eerstevraag van Marianne’s kant, die tot verdere bijzonderheden leidde, was:“Hoe lang heb je dit al geweten, Elinor? Heeft hij het je geschreven?”“Ik wist het al vier maanden. Toen Lucy pas te Barton was gekomen, in November, vertelde ze mij in vertrouwen, dat ze verloofd was.”Bij deze woorden drukten Marianne’s oogen de verwondering uit, die haar lippen niet konden uitspreken. Na een oogenblik van zwijgende verbazing, riep ze:“Vier maanden?—Heb je dit vier maanden lang geweten?”Elinor antwoordde bevestigend.“Dus... terwijl je deelde in al mijn verdriet, hadt jeditop het hart? En ik maakte je er een verwijt van, dat je gelukkig waart!”“Het zou niet goed voor je zijn geweest, toen te weten, hoe zeer het tegendeel bij mij ’t geval was.”“Vier maanden!” riep Marianne nogmaals. “En zoo kalm, zoo vroolijk! Wat stelde je daartoe in staat?”“Het gevoel, dat ik mijn plicht deed. Mijn belofte aan Lucy verplichtte mij tot geheimhouding. Ik moest dus om harentwil vermijden, ook maar een zweem van de waarheid te doen vermoeden, en bij mijn familie en goede vrienden mocht ik geen bezorgdheid wekken, die ik niet bij machte zou zijn te verdrijven.”Marianne scheen diep getroffen.“Ik heb dikwijls verlangd, jou en moeder alles duidelijk te maken,” voegde Elinor erbij, “en een paar malen beproefde ik dat zelfs;—maar zonder het in mij gestelde vertrouwen te verraden, had ik je nooit kunnen overtuigen.”“Vier maanden!—en toch hadt je hem lief!”“Ja. Maar ik had niet hem alléén lief,—en zoolang het geluk van anderen mij ter harte ging, was ik blijde, hun de wetenschap te kunnen besparenvan wat ik gevoelde. Nu kan ik eraan denken en erover spreken zonder heftige aandoening. Ik zou niet willen dat je om mijnentwille verdriet hadt, want feitelijk heb ik zelf nu géén verdriet meer. Ik heb veel dingen, die mij steun geven. Ik ben mij niet bewust, mij te hebben blootgesteld aan deze teleurstelling door eigen onvoorzichtigheid, en ik heb die zooveel mogelijk gedragen zonder anderen erin te laten deelen. Ik kan in gemoede verklaren dat Edward zich niet heeft misdragen. Ik hoop, dat hij gelukkig zal worden, en ik weet zóó zeker, dat hij altoos zijn plicht zal doen, dat hij het ten slotte worden zàl, al mag hij nu ook nog een weinig bedroefd zijn. Verstand heeft Lucy genoeg, en dat is een grondslag, waarop zich veel goeds laat bouwen. En dan, Marianne, wel beschouwd, ondanks al wat er betooverends moge zijn in de voorstelling van ééne duurzame getrouwe genegenheid, ondanks al dat roemen in een geluk, dat uitsluitend afhankelijk is van één bepaalden persoon, het is ons niet beschoren,—het is niet geoorloofd,—het is niet mogelijk, dat dit waarheid zij. Edward zal trouwen met Lucy; hij zal trouwen met een vrouw, die, wat uiterlijk en verstand betreft, de meerdere is van de helft harer seksegenooten, en tijd en gewoonte zullen hem leeren vergeten, dat hij ooit eene andere als de meerdere van háár heeft beschouwd.”“Als je er zóó over denkt,” zei Marianne, “als het verlies van wat je het hoogst schatte, zóó gemakkelijk kan worden vergoed door iets anders, dan zijn je vastberadenheid en je zelfbedwang misschien een beetje minder verwonderlijk te achten. Althans meer binnen ’t bereik van mijn begrip.”“Ik weet, wat je zeggen wilt. Je gelooft niet, dat ik ooit veel gevoeld kan hebben. Vier maanden, Marianne, ben ik van dit alles vervuld geweest, zonder dat het mij vrijstond, er met één sterveling over te spreken; begrijpende, dat het jou en moederbitter verdriet moest doen, wanneer je het te weten kwaamt, en toch niet in staat, je er ook maar in ’t minst op voor te bereiden. Het werd mij verteld; het werd mij, om zoo te zeggen, opgedrongen door de persoon zelve, wier vroegere verbintenis al mijn verwachtingen neersloeg; en verteld, naar het mij voorkwam, met zegevierenden trots. Háár achterdocht dus moest ik ontwapenen, door onverschillig te schijnen voor wat mij het allerdiepst ter harte ging. En dat gebeurde niet éénmaal; nogmaals en nogmaals moest ik de uitingen aanhooren van haar hoop en haar verrukking. Ik heb beseft, dat ik voor altijd van Edward gescheiden zou zijn, zonder te weten van ééne omstandigheid, welke mij die verbintenis minder wenschelijk had kunnen doen schijnen. Hij heeft zich noch onwaardig betoond, noch onverschillig te mijnen opzichte. Ik heb het hoofd moeten bieden aan de onheusche bejegening van zijn zuster en de beleedigende houding zijner moeder, en de straf moeten ondergaan voor eene genegenheid, waarvan ik de vreugde gemist had. En dat alles is gebeurd in dagen, die, zooals je maar al te goed weet, nog andere droefheid brachten. Wanneer je mij tot éénig gevoel in staat acht, waarlijk, dan mag je veronderstellen, dat ikthansgeleden heb. De kalmte, waarmede ik nu van mijzelf verkregen heb, de zaak te beschouwen, de troostgronden, die ik bereid was te erkennen, zijn de vrucht geweest van aanhoudende en smartelijke inspanning;—zij meldden zich niet vrijwillig aan; zij kwamen aanvankelijk mij geen verlichting brengen,—neen, Marianne. Toen—wanneer mij geen belofte het zwijgen had opgelegd, zou mijtoenmisschien niets, zelfs niet wat ik mijn liefsten vrienden verschuldigd was, hebben kunnen weerhouden openlijk te toonen, dat ik mijdiepongelukkig gevoelde.”Marianne had niets meer in te brengen.“O Elinor,” riep ze, “je maakt, dat ik voor altijdeen hekel zal hebben aan mijzelf! Wat ben ik barbaarsch wreed tegenover je geweest!—tegenover jou, die mijn eenige troost waart, die mij trouw bijstondt in al mijn ellende, die alleen om mij scheent te lijden! Is dat mijn dank? Is dat mijn eenige vergelding? Ik heb je verdienste trachten te verkleinen, omdat zijmijntekortkoming aan het licht brengt.”Op die bekentenis volgden de teederste liefkoozingen. In de gemoedsstemming, waarin ze thans verkeerde, kon Elinor zonder moeite elke belofte van haar vergen, die haar gewenscht voorkwam; en op haar verzoek nam Marianne zich vast voor, niemand over de zaak te spreken met den geringsten schijn van bitterheid;—als zij Lucy ontmoette, geen de minste toename van haar afkeer te doen blijken, en zelfs Edward, mocht het toeval hen doen samenkomen, niet minder hartelijk te begroeten, dan zij vroeger placht te doen. Het waren zware eischen, die hier werden ingewilligd; maar als Marianne besefte, dat zij een ander onrecht had gedaan, kende haar bereidvaardigheid om het weer goed te maken, geen grenzen.Zij vervulde haar belofte van voorzichtig te zullen zijn, op een wijze, die bewondering verdiende. Zij luisterde zonder blozen of verbleeken naar al wat Mevrouw Jennings over het onderwerp te zeggen had, verschilde geen enkele maal met haar van meening, en zei tot driemaal toe: “Ja, mevrouw.” Bij het aanhooren van Lucy’s lof ging zij alleen op een anderen stoel zitten, en toen Mevrouw Jennings het had over Edward’s genegenheid, kostte haar dat enkel een zenuwachtige kramptrekking in haar keel. Deze aan het heldhaftige grenzende houding van hare zuster gaf Elinor een gevoel, alsof zijzelve nu wel tot àlles in staat was.Den volgenden morgen werd die heldhaftigheid nog verder op de proef gesteld door een bezoek van hun broeder, die met een diep ernstig gezichtde treurige geschiedenis kwam vertellen en berichten, hoe het ging met zijn vrouw.“Je hebt zeker al gehoord,” zei hij plechtig, toen hij had plaats genomen, “van de alleronaangenaamste ontdekking, die gisteren bij ons aan huis heeft plaats gehad.”Zij gaven allen door blikken hun toestemming te kennen; voor woorden scheen het oogenblik te onheilvol.“Je schoonzuster,” ging hij voort, “heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Mevrouw Ferrars ook,—we waren allen in een rampzaligen toestand; maar ik durf toch hopen, dat we den storm weerstand zullen bieden, zonder dat een van ons totaal bezwijkt. Die arme Fanny; gisteren had zij het den geheelen dag op de zenuwen. Maar ik wilde jelui niet al te ongerust maken. Donovan zegt, dat er geen reden is, iets ernstigs te vreezen; haar gestel is sterk, en haar geestkracht stelt haar in staat, het ergste te dragen. Met engelengeduld heeft zij alles verduurd! Zij zegt, dat ze van niemand ooit meer iets goeds zal verwachten; en geen wonder, na zoo te zijn bedrogen!—zulk een verregaande ondankbaarheid te hebben ondervonden, als vergelding van zooveel vriendelijkheid, zulk vertrouwen. Uit pure, oprechte goedhartigheid had ze die meisjes te logeeren gevraagd, enkel omdat ze vond, dat hun wel eenige attentie mocht worden bewezen; ze waren aardig, wisten zich goed voor te doen, en zouden prettig gezelschap voor ons zijn; want anders zouden we allebei stellig liever jou en Marianne gevraagd hebben, terwijl je lieve gastvrouw zich wijdde aan haar dochter. En dan op deze wijze te worden beloond! “Ik wou om een lief ding,” zegt Fanny met haar natuurlijke hartelijkheid, “dat we je zusters maar hadden gevraagd, inplaats van hen.”Hier wachtte hij even, om bedankt te worden, en toen dat gebeurd was, praatte hij door.“Wat dit arme Mevrouw Ferrars uitstond, toen ze ’t van Fanny het eerst kreeg te hooren, is met geen woorden te omschrijven. Terwijl zij in haar trouwe genegenheid, zulk een uiterst wenschelijke verbintenis voor hem had weten voor te bereiden, kon men toch niet veronderstellen, dat hij al dien tijd in ’t geheim met iemand anders was verloofd!—dat vermoeden kòn eenvoudig niet bij haar opkomen. Wanneer ze hem al verdacht van eenige bijzondere voorkeur, dan was het toch niethierheen, dat die verdenking zich richtte. “Daar,” zei ze, “dacht ik nu toch, dat geen gevaar was te duchten.” Zij was letterlijk ten einde raad. We overlegden samen, wat nu te doen stond, en ten laatste besloot zij, Edward bij zich te laten komen. Hij kwam dan ook. Wat toen volgde, verhaal ik ongaarne. Al wat Mevrouw Ferrars kon zeggen, om hem te bewegen de verloving te verbreken, terwijl zij toch werd bijgestaan, zooals je kunt begrijpen, door mijn redeneering en Fanny’s smeekbeden, het baatte niets. Plicht, genegenheid, alles verloor hij uit het oog. Ik had nooit gedacht, dat Edward zoo stijfkoppig, zoo ongevoelig kon zijn. Zijn moeder deelde hem mede, wat haar plan was, als hij trouwde met Juffrouw Morton; ze zei dat ze hem hun bezitting in Norfolk zou schenken, die zonder grondbelasting ruim duizend pond in het jaar opbrengt; ze bood zelfs aan, toen het begon te spannen, zijn inkomen op twaalfhonderd te brengen terwijl zij aan den anderen kant, als hij deze ongepaste verbintenis wilde doorzetten, hem wees op de onvermijdelijke armoede, waartoe dit huwelijk hem zou veroordeelen. Zijn eigen tweeduizend pond zouden alles zijn wat hij bezat, verklaarde zij; zij wilde hem nooit weerzien, en zóó weinig zou zij gezind zijn, hem den geringsten steun te verleenen, dat zij, wanneer hij een beroep zou kiezen, om in zijn onderhoud te voorzien, alles zou doen wat in haar macht stond, om te beletten, dat hij vooruit kwam.”Hier sloeg Marianne, wier verontwaardiging thans haar hoogtepunt had bereikt, de handen ineen en riep: “Goede hemel! kan zoo iets mogelijk zijn?”“Je moogt je waarlijk wèl verbazen, Marianne,” antwoordde haar broeder, “over een onverzettelijkheid, die zulke argumenten kon weerstaan. Je uitroep is zeer natuurlijk.”Marianne wilde heftig antwoorden; maar zij herinnerde zich haar belofte en hield zich in.“Alles echter,” ging hij voort,“werd te vergeefs hem voorgehouden. Edward zei heel weinig, maar dat weinige op den meest beslisten toon. Niets zou hem bewegen, zijn verloving te verbreken. Hij hield zich aan zijn gegeven woord, het mocht dan kosten wat het wilde.”“Dan heeft hij gehandeld,” riep Mevrouw Jennings, die zich niet langer kon stilhouden, met rondborstige oprechtheid uit, “als een eerlijk man. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dashwood, maar als hij zich anders had gedragen, dan zou ik hem een schurk hebben genoemd. Ik ben ook eenigszins bij de zaak betrokken, zoo goed als u; want Lucy Steele is mijn nichtje, en ik geloof, dat er geen beter meisje in de wereld is te vinden, géén, die ’t zoo goed waard is, een besten man te krijgen.”John Dashwood was zeer verbaasd; maar hij had een kalme geaardheid, zou niet licht aanstoot nemen, en wenschte niemand te beleedigen, vooral niet iemand met geld. Hij antwoordde dus, zonder eenige ergernis te laten blijken.“Ik zou in geen geval oneerbiedig willen spreken van iemand die familie is van u, mevrouw. Ik wil gaarne gelooven, dat Juffrouw Steele een zeer verdienstelijke jonge dame is, maar in dit geval kan toch van een engagement geen sprake zijn. En dat zij zich in ’t geheim heeft verloofd met een jongen man, die aan de zorg van haar oom was toevertrouwd, den zoon nog wel van een zoo vermogendedame als Mevrouw Ferrars, dat is toch op zich zelf wel een beetje vreemd. Maar het spreekt vanzelf, dat ik geen ongunstig oordeel vel over ’t gedrag van iemand, die door u wordt gewaardeerd, Mevrouw Jennings. We hopen allen dat zij gelukkig zal worden, en Mevrouw Ferrars’ houding is in alle opzichten zóó geweest, als men van elke goede moeder, die zich van haar plicht bewust is, in hare omstandigheden zou verwacht hebben. Zij heeft zich waardig en grootmoedig gedragen. Edward heeft zijn eigen lot gekozen, en ik vrees dat het niet gelukkig zal zijn.”Marianne gaf met een zucht die zelfde vrees te kennen; en Elinor’s hart bloedde bij de gedachte aan Edward’s gevoelens, terwijl hij zijn moeder’s bedreigingen trotseerde voor een vrouw, die hem niet kon beloonen.“En hoe,” zei Mevrouw Jennings, “liep het toen af?”“Helaas, mevrouw, het kwam tot een treurige breuk tusschen beiden; Edward werd door zijn moeder voor goed uit haar huis gezonden. Gisteren is hij vertrokken; waarheen weet ik niet, en ook niet, of hij nog in de stad is; wantwijkunnen natuurlijk geen navraag doen.”“Die arme jongen; en wat moet er nu van hem worden?”“Zegt u dat wèl, mevrouw! ’t Is droevig om aan te denken. Gewend aan ’t vooruitzicht van eenmaal schatrijk te zullen worden! Ik kan mij geen beklagenswaardiger toestand voorstellen. De rente van tweeduizend pond—hoe kàn iemand daarvan leven!—en als daarbij dan nog moet worden bedacht, dat hij door zijn eigen dwaasheid zich de kans liet ontgaan binnen drie maanden een inkomen te bezitten van tweeduizend vijfhonderd pond in het jaar (want Juffrouw Morton bezit dertigduizend),—ik kan mij geen bedroevender omstandigheden denken. We moeten allen met hem meegevoelen;te meer, daar we geheel onmachtig zijn, hem te helpen.”“Arme jongen!” riep Mevrouw Jennings, “ik weet wel, dat hij in mijn huis gerust mag komen slapen en eten, en dat zou ik hem zeker vertellen, als ik hem zag! ’t Is niet zooals ’t hoort, dat hij nu zich zelf moet bedruipen, en logeeren op kamers, of in hôtels.”Elinor bedankte haar in haar hart voor die vriendelijke gevoelens jegens Edward, al kon zij niet nalaten te glimlachen om den vorm, waarin deze werden uitgedrukt.“Als hij maar even goed voor zich zelf had willen zorgen,” zei John Dashwood, “als al zijn vrienden geneigd waren voor hèm te doen, dan zou hij nu zijn natuurlijke positie hebben ingenomen, en aan niets gebrek hebben gehad. Maar zooals het nu is, kan niemand hem helpen. En nog iets hangt hem boven het hoofd, wel haast het ergste van alles—zijn moeder heeft besloten,—en ik vind dat zeer natuurlijk van haar,—nu al dadelijkdiebezitting aan Robert te schenken, die van Edward had kunnen zijn, als hij zich naar haar voorwaarden had willen schikken. Toen ik haar van morgen verliet, was zij bezig, met haar zaakwaarnemer hierover te spreken.”“Nu,” zei Mevrouw Jennings, “dat is nu háár wijze van wraaknemen. Ieder doet dat op zijn eigen manier. De mijne zou het, dunkt mij, niet zijn, den eenen zoon onafhankelijk te maken, omdat de andere mij had geërgerd.”Marianne stond op en ging de kamer uit.“Wat kan meer verbittering wekken in iemands gemoed”, ging John voort, “dan zijn jongeren broeder in ’t bezit te zien van een goed, datzijneigendom had kunnen zijn? Arme Edward, ik beklaag hem van harte.”Na nog een paar minuten te hebben gewijd aan dergelijke ontboezemingen, nam hij afscheid, envertrok met de herhaalde verzekering aan zijn zusters, dat Fanny’s ongesteldheid niet van ernstigen aard was, en dat zij zich dus niet ongerust behoefden te maken. De drie dames bleven achter, volkomen eensgezind in hun gevoelens ditmaal, althans wat het gedrag betrof van Mevrouw Ferrars, de Dashwoods en Edward.Marianne’s verontwaardiging barstte los, zoodra hij de kamer uit was, en daar haar heftigheid het voor Elinor onmogelijk, en voor Mevrouw Jennings onnoodig maakte, terughouding te betrachten, gaven zij eendrachtig en met groote levendigheid uiting aan hun afkeuring van het drietal.
Na een paar weken was Mevrouw Palmer zóó wel, dat haar moeder het niet meer noodig vond, zich geheel en al aan haar te wijden; zij bezocht haar dan nu ook slechts eens of tweemalen per dag en keerde terug naar haar eigen huis en tot haar oude gewoonten; waarbij zij de dames Dashwood zeer bereid vond, deze te deelen, zooals zij dat reeds vroeger hadden gedaan.
Den derden of vierden morgen nadat zij het oude leventje in Berkeley Street hadden hervat, kwam Mevrouw Jennings, bij haar terugkomst van het gewone bezoek aan Mevrouw Palmer, den salon binnen, waar Elinor alleen zat, met zulk een haast, en zulk een vertoon van gewicht, dat Elinor zich reeds op iets heel bijzonders voorbereidde; maar zonder haar tijd te gunnen tot méér dan die eene gedachte, begon haar gastvrouw deze aanstonds te rechtvaardigen door te zeggen: “Mijn lieve Elinor! heb je ’t nieuws al gehoord?”
“Neen, mevrouw. Wat is het dan?”
“O, zoo vreemd! Ik zal je alles vertellen. Toen ik bij mijn dochter kwam, was Charlotte doodelijk ongerust over ’t kind. Ze dacht dat het erg ziek was;—’t schreide, ’t was lastig, en ’t had uitslag overal. Ik ging gauw kijken, en ik zei: Lieve kind, zei ik; dat is niets; een beetje roos, en dat zei de baker ook. Maar Charlotte had er geen rust bij; dus werd Dr. Donovan gehaald; en hij was gelukkig juist thuis gekomen uit Harley Street, dus liep hij even bij ons aan, en zoodra hij ’t kind zag zei hij ook net als wij, dat het een beetje roos was in het tandvleesch, en toen was Charlotte gerust. En juist toen hij wou heen gaan, kwam ’t mij zoo in de gedachte, ik weetniet hoe ’t zoo was, maar ’t viel mij zoo in, om hem te vragen of hij ook iets nieuws had te vertellen. Nu, toen lachte hij zoo’n beetje, en trok een gek gezicht, en keek dan weer ernstig, en scheen wel iets bijzonders te weten, en eindelijk zei hij zachtjes: “Als de jonge dames die bij u logeeren, misschien ongunstige berichten mochten hooren omtrent hun zuster’s ongesteldheid, dan wil ik nu maar vast tot hun geruststelling zeggen, dat er geen reden bestaat tot bezorgdheid; het zal, denk ik, met Mevrouw Dashwood wel goed afloopen, daar ben ik niet bang voor.”
“Wat? is Fanny ziek?”
“Precies wat ik zelf zei, kind. “Heden”, zei ik, “is Mevrouw Dashwood ziek?”—Dus toen kreeg ik alles te hooren, en naar ik wèl heb begrepen, komt het hierop neer: Mijnheer Edward Ferrars, dat zelfde jongemensch met wien ik jou wel eens geplaagd heb (ik ben intusschen maar blij, nu ’t zoo uitkomt, dat dààr niets van aan was) die Mijnheer Edward Ferrars dan schijnt al langer dan een jaar verloofd te zijn geweest met mijn nichtje Lucy!—Wat zeg je dáárvan, kind. En geen mensch, die er van wist dan Anne! Zou je zooiets hebben kunnen gelooven?—Dat ze van elkaar houden is zoo’n wonder niet; maar dat het zóóver tusschen hen was gekomen, en niemand er op verdacht was!Datis vreemd!—ik heb ze nooit samen gezien,—anders had ik het natuurlijk gauw in de gaten gehad. Nu, het werd dan diep geheim gehouden, uit vrees voor Mevrouw Ferrars, en noch zij, noch je broer en zuster hadden ’t flauwste vermoeden ervan,—tot dat Anne, die een goed schepsel is, zooals je weet, maar de wijsheid niet in pacht heeft, er van morgen op eens mee voor den dag kwam. “Kom,”denkt ze bij zichzelf, “ze zijn allemaal zóó dol op Lucy, ze hebben er bepaald niets op tegen,” en zóó loopt ze naar je zuster, die in haar eentje aan haar handwerk zit, en weinig wist, wat haar boven’t hoofd hing,—want ze had geen vijf minuten te voren tegen je broer gezegd, dat zij van plan was, het klaar te spelen tusschen Edward en een andere dame, de dochter van een Lord... dat weet ik niet meer, hoe die heette. Dus je kunt denken wat een slag dit was voor haar ijdelheid en haar trots. Ze kreeg het verschrikkelijk op de zenuwen en gilde zoo hard, dat je broer het beneden hoorde; die zat in zijn kamer, van plan een brief te schrijven aan zijn rentmeester. Hij vloog naar boven; en toen werd het daar een scène van belang, want Lucy was er ook op afgekomen, weinig vermoedende, wat er gaande was. Dat arme schepsel! háár beklaag ik. Ze hebben haar ook niet mooi behandeld, moet ik zeggen; want je zuster schold haar uit voor al wat leelijk was; en al heel gauw viel Lucy flauw. Anne viel op de knieën en schreide allerjammerlijkst, en je broer liep de kamer rond en wist niet, wat te beginnen. Mevrouw Dashwood riep maar, dat ze geen minuut langer in haar huis mochten blijven, en toen moest je broer óók wel voor haar op de knieën vallen, om haar te bewegen, hen te laten blijven, tot ze hun goed hadden gepakt. Toen kreeg ze weer een zenuwtoeval, en hij werd zoo bang, dat hij Dr. Donovan liet halen, en Dr. Donovan had hen met elkaar gevonden in zóó’n toestand. Het rijtuig stond al klaar om mijn arme nichten weg te brengen, ze stapten juist in, toen hij wegging; Lucy kon bijna niet loopen, zei hij, en Anne was haast even erg. Ik kan ’t niet uitstaan van je zuster, en ik hoop van harte dat ze toch een paar worden, tegen haar zin. Och, och, wat zal die arme Edward wel zeggen als hij ervan hoort! Dat zijn meisje zoo minachtend wordt behandeld! want ze zeggen dat hij dol op haar is, en geen wonder. ’t Zou mij niet verwonderen, als hij er half razend door wordt, en dat dacht Dr. Donovan ook. We hebben er samen lang en breed over gepraat, en het trof gelukkig, dat hij weer terugging naarHarley Street, om bij de hand te zijn, wanneer ze ’t vertelden aan Mevrouw Ferrars; want die werd gehaald, zoodra mijn nichtjes het huis uit waren; en je zuster wist vooruit, dat zij ’t óók op de zenuwen zou krijgen; nu, dat gun ik haar graag. Ik heb met geen van beiden een ziertje medelijden. Daar heb ik geen begrip van, hoe de menschen zoo’n drukte kunnen maken over geld en voornaamheid. Ik zie volstrekt niet in, waarom Mijnheer Edward en Lucy niet zouden kunnen trouwen; want Mevrouw Ferrars kan haar zoon genoeg meegeven, en al heeft Lucy zoo goed als niets, ze weet beter dan de meesten met weinig rond te komen; en als Mevrouw Ferrars hem maar vijfhonderd pond in ’t jaar wou geven, dan zou zij ermee voor den dag komen, als een ander met achthonderd zou doen. Wat zouden ze ’t niet genoeglijk kunnen hebben samen, in zoo’n soort huisje als dat van jelui,—of een beetje grooter—met twee dienstmeisjes en twee knechts; en ik zou ze dadelijk een kamermeisje kunnen bezorgen, denk ik, want de zuster van mijn Betty zoekt een dienst, en die zou juist voor hen passen.”
Hier hield Mevrouw Jennings een oogenblik op, en daar Elinor tijd genoeg had gehad, haar gedachten te verzamelen, was zij in staat, juist dàt antwoord te geven, en precies díe opmerkingen te maken, die in dit geval als voor de hand liggend mochten worden beschouwd. Al blijde, te bespeuren, dat zij niet werd verdacht van eenige buitengewone belangstelling, en dat Mevrouw Jennings (zooals zij reeds dikwijls had gehoopt in den laatsten tijd) al lang niet meer in de meening verkeerde, dat zij iets gevoelde voor Edward; maar vooral blij, omdat Marianne niet in de kamer was, kon zij zeer goed, zonder verlegenheid te toonen, over de zaak spreken, en een, naar zij meende, onpartijdig oordeel uiten over het gedrag van allen, die erbij waren betrokken.
Zij kon bijna niet uitmaken, wat zij zelve verwachtte dat deze gebeurtenis ten gevolge zou hebben;—hoewel zij zich ernstig trachtte te verzetten tegen het denkbeeld, dat de zaak bij mogelijkheid op iets anders kon uitloopen dan het huwelijk van Edward en Lucy. Wat Mevrouw Ferrars zou zeggen en doen, scheen wel allesbehalve twijfelachtig; maar zij wasertoch benieuwd naar, en nog veel meer benieuwd, hoe Edward zelf zich zou gedragen. Met hèm had zij medelijden;—met Lucy heel weinig, en dat weinigje riep ze met moeite te voorschijn;—met de anderen in ’t geheel niet.
Daar Mevrouw Jennings over niets anders kon praten, zag Elinor spoedig in, dat Marianne op de bespreking van de zaak moest worden voorbereid. Er viel geen tijd te verliezen; zij moest op de hoogte worden gebracht, de volle waarheid vernemen, en leeren, erover te hooren spreken door anderen, zonder te laten merken, dat zij bedroefd was om hare zuster, of verontwaardigd over Edward’s gedrag.
Het was een pijnlijke taak voor Elinor. Zij moest haar zuster ontnemen, wat zij werkelijk als Marianne’s grootsten troost beschouwde,—moest haar dingen omtrent Edward vertellen, die zij vreesde, dat hem voor altoos haar goede meening zouden doen verliezen, en zij zou Marianne door de gelijkenis van beider omstandigheden, die haar wel treffend moest schijnen, al haar eigen teleurstelling opnieuw doen gevoelen. Doch hoe onwelkom die taak ook mocht zijn, zij moest vervuld worden, en Elinor haastte zich te doen, wat haar te doen stond.
Allerminst wenschte zij, lang stil te staan bij haar eigen gevoelens of het te doen voorkomen, alsof zij zwaar verdriet had, behalve dan in zooverre, als het zelfbedwang, dat zij zich had opgelegd, sedert zij voor het eerst Edward’s verloving vernam,voor Marianne eenigermate eene aansporing kon zijn, dit ook van hare zijde te betrachten. Zij vertelde alles duidelijk en eenvoudig; en ofschoon niet onbewogen, liet zij zich toch geenszins vervoeren tot heftige aandoening of onstuimige smart.Dezebleven overgelaten aan haar die luisterde; want Marianne hoorde haar aan met ontzetting, en schreide bitter. Elinor scheen de troosteres te moeten zijn van anderen, zoowel in haar eigen verdriet, als in het hunne, en bereidwillig bood zij al de geruststelling aan, die zij kon schenken, door de verzekering, dat zij zelve nu volkomen kalm was, en door haar ernstige voorspraak van Edward, dien zij vrijpleitte van alle schuld, behalve onvoorzichtigheid.
Doch een tijdlang wilde Marianne noch het een, noch het ander gelooven. Edward scheen wel een andere Willoughby, en als Elinor toegaf, zooals zedeed, dat zij hem innig had liefgehad, kon zij dan minder gevoelen dan Marianne zelve? Wat Lucy Steele betrof, zij beschouwde haar als zoo volkomen onaantrekkelijk, zoo absoluut ongeschikt om de liefde van een verstandig man te winnen, dat zij aan een vroegere genegenheid van Edward voor Lucy eerst niet wilde gelooven, en hem die in geen geval vergeven kon. Zij wilde zelfs niet inzien, dat zooiets natuurlijk had kunnen zijn; en Elinor gaf het maar op, en liet haar bij hare meening, totdat die overtuiging haar zou zijn bijgebracht door het eenige, dat haar overtuigen kòn, eene grootere mate van menschenkennis.
Haar eerste mededeeling had zich niet verder uitgestrekt dan tot het feit van de verloving en den duur ervan. Daarop was Marianne’s gevoel tusschenbeide gekomen en had een einde gemaakt aan allen geregelden samenhang. Een tijdlang rustte op Elinor de taak, haar droefheid te doen bedaren, haar ongerustheid te doen verminderen en haar verontwaardiging te bestrijden. De eerstevraag van Marianne’s kant, die tot verdere bijzonderheden leidde, was:
“Hoe lang heb je dit al geweten, Elinor? Heeft hij het je geschreven?”
“Ik wist het al vier maanden. Toen Lucy pas te Barton was gekomen, in November, vertelde ze mij in vertrouwen, dat ze verloofd was.”
Bij deze woorden drukten Marianne’s oogen de verwondering uit, die haar lippen niet konden uitspreken. Na een oogenblik van zwijgende verbazing, riep ze:
“Vier maanden?—Heb je dit vier maanden lang geweten?”
Elinor antwoordde bevestigend.
“Dus... terwijl je deelde in al mijn verdriet, hadt jeditop het hart? En ik maakte je er een verwijt van, dat je gelukkig waart!”
“Het zou niet goed voor je zijn geweest, toen te weten, hoe zeer het tegendeel bij mij ’t geval was.”
“Vier maanden!” riep Marianne nogmaals. “En zoo kalm, zoo vroolijk! Wat stelde je daartoe in staat?”
“Het gevoel, dat ik mijn plicht deed. Mijn belofte aan Lucy verplichtte mij tot geheimhouding. Ik moest dus om harentwil vermijden, ook maar een zweem van de waarheid te doen vermoeden, en bij mijn familie en goede vrienden mocht ik geen bezorgdheid wekken, die ik niet bij machte zou zijn te verdrijven.”
Marianne scheen diep getroffen.
“Ik heb dikwijls verlangd, jou en moeder alles duidelijk te maken,” voegde Elinor erbij, “en een paar malen beproefde ik dat zelfs;—maar zonder het in mij gestelde vertrouwen te verraden, had ik je nooit kunnen overtuigen.”
“Vier maanden!—en toch hadt je hem lief!”
“Ja. Maar ik had niet hem alléén lief,—en zoolang het geluk van anderen mij ter harte ging, was ik blijde, hun de wetenschap te kunnen besparenvan wat ik gevoelde. Nu kan ik eraan denken en erover spreken zonder heftige aandoening. Ik zou niet willen dat je om mijnentwille verdriet hadt, want feitelijk heb ik zelf nu géén verdriet meer. Ik heb veel dingen, die mij steun geven. Ik ben mij niet bewust, mij te hebben blootgesteld aan deze teleurstelling door eigen onvoorzichtigheid, en ik heb die zooveel mogelijk gedragen zonder anderen erin te laten deelen. Ik kan in gemoede verklaren dat Edward zich niet heeft misdragen. Ik hoop, dat hij gelukkig zal worden, en ik weet zóó zeker, dat hij altoos zijn plicht zal doen, dat hij het ten slotte worden zàl, al mag hij nu ook nog een weinig bedroefd zijn. Verstand heeft Lucy genoeg, en dat is een grondslag, waarop zich veel goeds laat bouwen. En dan, Marianne, wel beschouwd, ondanks al wat er betooverends moge zijn in de voorstelling van ééne duurzame getrouwe genegenheid, ondanks al dat roemen in een geluk, dat uitsluitend afhankelijk is van één bepaalden persoon, het is ons niet beschoren,—het is niet geoorloofd,—het is niet mogelijk, dat dit waarheid zij. Edward zal trouwen met Lucy; hij zal trouwen met een vrouw, die, wat uiterlijk en verstand betreft, de meerdere is van de helft harer seksegenooten, en tijd en gewoonte zullen hem leeren vergeten, dat hij ooit eene andere als de meerdere van háár heeft beschouwd.”
“Als je er zóó over denkt,” zei Marianne, “als het verlies van wat je het hoogst schatte, zóó gemakkelijk kan worden vergoed door iets anders, dan zijn je vastberadenheid en je zelfbedwang misschien een beetje minder verwonderlijk te achten. Althans meer binnen ’t bereik van mijn begrip.”
“Ik weet, wat je zeggen wilt. Je gelooft niet, dat ik ooit veel gevoeld kan hebben. Vier maanden, Marianne, ben ik van dit alles vervuld geweest, zonder dat het mij vrijstond, er met één sterveling over te spreken; begrijpende, dat het jou en moederbitter verdriet moest doen, wanneer je het te weten kwaamt, en toch niet in staat, je er ook maar in ’t minst op voor te bereiden. Het werd mij verteld; het werd mij, om zoo te zeggen, opgedrongen door de persoon zelve, wier vroegere verbintenis al mijn verwachtingen neersloeg; en verteld, naar het mij voorkwam, met zegevierenden trots. Háár achterdocht dus moest ik ontwapenen, door onverschillig te schijnen voor wat mij het allerdiepst ter harte ging. En dat gebeurde niet éénmaal; nogmaals en nogmaals moest ik de uitingen aanhooren van haar hoop en haar verrukking. Ik heb beseft, dat ik voor altijd van Edward gescheiden zou zijn, zonder te weten van ééne omstandigheid, welke mij die verbintenis minder wenschelijk had kunnen doen schijnen. Hij heeft zich noch onwaardig betoond, noch onverschillig te mijnen opzichte. Ik heb het hoofd moeten bieden aan de onheusche bejegening van zijn zuster en de beleedigende houding zijner moeder, en de straf moeten ondergaan voor eene genegenheid, waarvan ik de vreugde gemist had. En dat alles is gebeurd in dagen, die, zooals je maar al te goed weet, nog andere droefheid brachten. Wanneer je mij tot éénig gevoel in staat acht, waarlijk, dan mag je veronderstellen, dat ikthansgeleden heb. De kalmte, waarmede ik nu van mijzelf verkregen heb, de zaak te beschouwen, de troostgronden, die ik bereid was te erkennen, zijn de vrucht geweest van aanhoudende en smartelijke inspanning;—zij meldden zich niet vrijwillig aan; zij kwamen aanvankelijk mij geen verlichting brengen,—neen, Marianne. Toen—wanneer mij geen belofte het zwijgen had opgelegd, zou mijtoenmisschien niets, zelfs niet wat ik mijn liefsten vrienden verschuldigd was, hebben kunnen weerhouden openlijk te toonen, dat ik mijdiepongelukkig gevoelde.”
Marianne had niets meer in te brengen.
“O Elinor,” riep ze, “je maakt, dat ik voor altijdeen hekel zal hebben aan mijzelf! Wat ben ik barbaarsch wreed tegenover je geweest!—tegenover jou, die mijn eenige troost waart, die mij trouw bijstondt in al mijn ellende, die alleen om mij scheent te lijden! Is dat mijn dank? Is dat mijn eenige vergelding? Ik heb je verdienste trachten te verkleinen, omdat zijmijntekortkoming aan het licht brengt.”
Op die bekentenis volgden de teederste liefkoozingen. In de gemoedsstemming, waarin ze thans verkeerde, kon Elinor zonder moeite elke belofte van haar vergen, die haar gewenscht voorkwam; en op haar verzoek nam Marianne zich vast voor, niemand over de zaak te spreken met den geringsten schijn van bitterheid;—als zij Lucy ontmoette, geen de minste toename van haar afkeer te doen blijken, en zelfs Edward, mocht het toeval hen doen samenkomen, niet minder hartelijk te begroeten, dan zij vroeger placht te doen. Het waren zware eischen, die hier werden ingewilligd; maar als Marianne besefte, dat zij een ander onrecht had gedaan, kende haar bereidvaardigheid om het weer goed te maken, geen grenzen.
Zij vervulde haar belofte van voorzichtig te zullen zijn, op een wijze, die bewondering verdiende. Zij luisterde zonder blozen of verbleeken naar al wat Mevrouw Jennings over het onderwerp te zeggen had, verschilde geen enkele maal met haar van meening, en zei tot driemaal toe: “Ja, mevrouw.” Bij het aanhooren van Lucy’s lof ging zij alleen op een anderen stoel zitten, en toen Mevrouw Jennings het had over Edward’s genegenheid, kostte haar dat enkel een zenuwachtige kramptrekking in haar keel. Deze aan het heldhaftige grenzende houding van hare zuster gaf Elinor een gevoel, alsof zijzelve nu wel tot àlles in staat was.
Den volgenden morgen werd die heldhaftigheid nog verder op de proef gesteld door een bezoek van hun broeder, die met een diep ernstig gezichtde treurige geschiedenis kwam vertellen en berichten, hoe het ging met zijn vrouw.
“Je hebt zeker al gehoord,” zei hij plechtig, toen hij had plaats genomen, “van de alleronaangenaamste ontdekking, die gisteren bij ons aan huis heeft plaats gehad.”
Zij gaven allen door blikken hun toestemming te kennen; voor woorden scheen het oogenblik te onheilvol.
“Je schoonzuster,” ging hij voort, “heeft het zich ontzaglijk aangetrokken. Mevrouw Ferrars ook,—we waren allen in een rampzaligen toestand; maar ik durf toch hopen, dat we den storm weerstand zullen bieden, zonder dat een van ons totaal bezwijkt. Die arme Fanny; gisteren had zij het den geheelen dag op de zenuwen. Maar ik wilde jelui niet al te ongerust maken. Donovan zegt, dat er geen reden is, iets ernstigs te vreezen; haar gestel is sterk, en haar geestkracht stelt haar in staat, het ergste te dragen. Met engelengeduld heeft zij alles verduurd! Zij zegt, dat ze van niemand ooit meer iets goeds zal verwachten; en geen wonder, na zoo te zijn bedrogen!—zulk een verregaande ondankbaarheid te hebben ondervonden, als vergelding van zooveel vriendelijkheid, zulk vertrouwen. Uit pure, oprechte goedhartigheid had ze die meisjes te logeeren gevraagd, enkel omdat ze vond, dat hun wel eenige attentie mocht worden bewezen; ze waren aardig, wisten zich goed voor te doen, en zouden prettig gezelschap voor ons zijn; want anders zouden we allebei stellig liever jou en Marianne gevraagd hebben, terwijl je lieve gastvrouw zich wijdde aan haar dochter. En dan op deze wijze te worden beloond! “Ik wou om een lief ding,” zegt Fanny met haar natuurlijke hartelijkheid, “dat we je zusters maar hadden gevraagd, inplaats van hen.”
Hier wachtte hij even, om bedankt te worden, en toen dat gebeurd was, praatte hij door.
“Wat dit arme Mevrouw Ferrars uitstond, toen ze ’t van Fanny het eerst kreeg te hooren, is met geen woorden te omschrijven. Terwijl zij in haar trouwe genegenheid, zulk een uiterst wenschelijke verbintenis voor hem had weten voor te bereiden, kon men toch niet veronderstellen, dat hij al dien tijd in ’t geheim met iemand anders was verloofd!—dat vermoeden kòn eenvoudig niet bij haar opkomen. Wanneer ze hem al verdacht van eenige bijzondere voorkeur, dan was het toch niethierheen, dat die verdenking zich richtte. “Daar,” zei ze, “dacht ik nu toch, dat geen gevaar was te duchten.” Zij was letterlijk ten einde raad. We overlegden samen, wat nu te doen stond, en ten laatste besloot zij, Edward bij zich te laten komen. Hij kwam dan ook. Wat toen volgde, verhaal ik ongaarne. Al wat Mevrouw Ferrars kon zeggen, om hem te bewegen de verloving te verbreken, terwijl zij toch werd bijgestaan, zooals je kunt begrijpen, door mijn redeneering en Fanny’s smeekbeden, het baatte niets. Plicht, genegenheid, alles verloor hij uit het oog. Ik had nooit gedacht, dat Edward zoo stijfkoppig, zoo ongevoelig kon zijn. Zijn moeder deelde hem mede, wat haar plan was, als hij trouwde met Juffrouw Morton; ze zei dat ze hem hun bezitting in Norfolk zou schenken, die zonder grondbelasting ruim duizend pond in het jaar opbrengt; ze bood zelfs aan, toen het begon te spannen, zijn inkomen op twaalfhonderd te brengen terwijl zij aan den anderen kant, als hij deze ongepaste verbintenis wilde doorzetten, hem wees op de onvermijdelijke armoede, waartoe dit huwelijk hem zou veroordeelen. Zijn eigen tweeduizend pond zouden alles zijn wat hij bezat, verklaarde zij; zij wilde hem nooit weerzien, en zóó weinig zou zij gezind zijn, hem den geringsten steun te verleenen, dat zij, wanneer hij een beroep zou kiezen, om in zijn onderhoud te voorzien, alles zou doen wat in haar macht stond, om te beletten, dat hij vooruit kwam.”
Hier sloeg Marianne, wier verontwaardiging thans haar hoogtepunt had bereikt, de handen ineen en riep: “Goede hemel! kan zoo iets mogelijk zijn?”
“Je moogt je waarlijk wèl verbazen, Marianne,” antwoordde haar broeder, “over een onverzettelijkheid, die zulke argumenten kon weerstaan. Je uitroep is zeer natuurlijk.”
Marianne wilde heftig antwoorden; maar zij herinnerde zich haar belofte en hield zich in.
“Alles echter,” ging hij voort,“werd te vergeefs hem voorgehouden. Edward zei heel weinig, maar dat weinige op den meest beslisten toon. Niets zou hem bewegen, zijn verloving te verbreken. Hij hield zich aan zijn gegeven woord, het mocht dan kosten wat het wilde.”
“Dan heeft hij gehandeld,” riep Mevrouw Jennings, die zich niet langer kon stilhouden, met rondborstige oprechtheid uit, “als een eerlijk man. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dashwood, maar als hij zich anders had gedragen, dan zou ik hem een schurk hebben genoemd. Ik ben ook eenigszins bij de zaak betrokken, zoo goed als u; want Lucy Steele is mijn nichtje, en ik geloof, dat er geen beter meisje in de wereld is te vinden, géén, die ’t zoo goed waard is, een besten man te krijgen.”
John Dashwood was zeer verbaasd; maar hij had een kalme geaardheid, zou niet licht aanstoot nemen, en wenschte niemand te beleedigen, vooral niet iemand met geld. Hij antwoordde dus, zonder eenige ergernis te laten blijken.
“Ik zou in geen geval oneerbiedig willen spreken van iemand die familie is van u, mevrouw. Ik wil gaarne gelooven, dat Juffrouw Steele een zeer verdienstelijke jonge dame is, maar in dit geval kan toch van een engagement geen sprake zijn. En dat zij zich in ’t geheim heeft verloofd met een jongen man, die aan de zorg van haar oom was toevertrouwd, den zoon nog wel van een zoo vermogendedame als Mevrouw Ferrars, dat is toch op zich zelf wel een beetje vreemd. Maar het spreekt vanzelf, dat ik geen ongunstig oordeel vel over ’t gedrag van iemand, die door u wordt gewaardeerd, Mevrouw Jennings. We hopen allen dat zij gelukkig zal worden, en Mevrouw Ferrars’ houding is in alle opzichten zóó geweest, als men van elke goede moeder, die zich van haar plicht bewust is, in hare omstandigheden zou verwacht hebben. Zij heeft zich waardig en grootmoedig gedragen. Edward heeft zijn eigen lot gekozen, en ik vrees dat het niet gelukkig zal zijn.”
Marianne gaf met een zucht die zelfde vrees te kennen; en Elinor’s hart bloedde bij de gedachte aan Edward’s gevoelens, terwijl hij zijn moeder’s bedreigingen trotseerde voor een vrouw, die hem niet kon beloonen.
“En hoe,” zei Mevrouw Jennings, “liep het toen af?”
“Helaas, mevrouw, het kwam tot een treurige breuk tusschen beiden; Edward werd door zijn moeder voor goed uit haar huis gezonden. Gisteren is hij vertrokken; waarheen weet ik niet, en ook niet, of hij nog in de stad is; wantwijkunnen natuurlijk geen navraag doen.”
“Die arme jongen; en wat moet er nu van hem worden?”
“Zegt u dat wèl, mevrouw! ’t Is droevig om aan te denken. Gewend aan ’t vooruitzicht van eenmaal schatrijk te zullen worden! Ik kan mij geen beklagenswaardiger toestand voorstellen. De rente van tweeduizend pond—hoe kàn iemand daarvan leven!—en als daarbij dan nog moet worden bedacht, dat hij door zijn eigen dwaasheid zich de kans liet ontgaan binnen drie maanden een inkomen te bezitten van tweeduizend vijfhonderd pond in het jaar (want Juffrouw Morton bezit dertigduizend),—ik kan mij geen bedroevender omstandigheden denken. We moeten allen met hem meegevoelen;te meer, daar we geheel onmachtig zijn, hem te helpen.”
“Arme jongen!” riep Mevrouw Jennings, “ik weet wel, dat hij in mijn huis gerust mag komen slapen en eten, en dat zou ik hem zeker vertellen, als ik hem zag! ’t Is niet zooals ’t hoort, dat hij nu zich zelf moet bedruipen, en logeeren op kamers, of in hôtels.”
Elinor bedankte haar in haar hart voor die vriendelijke gevoelens jegens Edward, al kon zij niet nalaten te glimlachen om den vorm, waarin deze werden uitgedrukt.
“Als hij maar even goed voor zich zelf had willen zorgen,” zei John Dashwood, “als al zijn vrienden geneigd waren voor hèm te doen, dan zou hij nu zijn natuurlijke positie hebben ingenomen, en aan niets gebrek hebben gehad. Maar zooals het nu is, kan niemand hem helpen. En nog iets hangt hem boven het hoofd, wel haast het ergste van alles—zijn moeder heeft besloten,—en ik vind dat zeer natuurlijk van haar,—nu al dadelijkdiebezitting aan Robert te schenken, die van Edward had kunnen zijn, als hij zich naar haar voorwaarden had willen schikken. Toen ik haar van morgen verliet, was zij bezig, met haar zaakwaarnemer hierover te spreken.”
“Nu,” zei Mevrouw Jennings, “dat is nu háár wijze van wraaknemen. Ieder doet dat op zijn eigen manier. De mijne zou het, dunkt mij, niet zijn, den eenen zoon onafhankelijk te maken, omdat de andere mij had geërgerd.”
Marianne stond op en ging de kamer uit.
“Wat kan meer verbittering wekken in iemands gemoed”, ging John voort, “dan zijn jongeren broeder in ’t bezit te zien van een goed, datzijneigendom had kunnen zijn? Arme Edward, ik beklaag hem van harte.”
Na nog een paar minuten te hebben gewijd aan dergelijke ontboezemingen, nam hij afscheid, envertrok met de herhaalde verzekering aan zijn zusters, dat Fanny’s ongesteldheid niet van ernstigen aard was, en dat zij zich dus niet ongerust behoefden te maken. De drie dames bleven achter, volkomen eensgezind in hun gevoelens ditmaal, althans wat het gedrag betrof van Mevrouw Ferrars, de Dashwoods en Edward.
Marianne’s verontwaardiging barstte los, zoodra hij de kamer uit was, en daar haar heftigheid het voor Elinor onmogelijk, en voor Mevrouw Jennings onnoodig maakte, terughouding te betrachten, gaven zij eendrachtig en met groote levendigheid uiting aan hun afkeuring van het drietal.