Hoofdstuk XXXVIIIMevrouw Jennings prees Edward’s gedrag met groote warmte, maar alleen Elinor en Marianne beseften de ware verdienste ervan.Zijalleen wisten, hoe weinig hem verlokte tot ongehoorzaamheid, en hoe gering de troost was, die hem overbleef, bij het verlies van vrienden en fortuin, buiten de zekerheid, goed te hebben gehandeld. Elinor was vervuld van blijden trots om zijn rechtschapenheid, en Marianne vergaf hem al zijn wandaden uit medelijden met zijn straf. Maar hoewel, na deze openlijke ontdekking, het oude vertrouwen tusschen hen was teruggekeerd, was dit toch niet een onderwerp, waarover zij gaarne spraken, als zij alleen waren. Elinor vermeed het uit beginsel, daar het door Marianne’s al te vurige, al te stellige verzekeringen, licht kon leiden tot een te aanhoudend verwijlen van haar gedachten bij de voorstelling van Edward’s blijvende genegenheid voor haarzelve, welke zij liever van zich wildeafzetten; en Marianne ontzonk spoedig de moed, als zij poogde te spreken over een onderwerp, dat haar altijd een ontevreden gevoel gaf met zichzelve, door de vergelijking, die het wel moest oproepen tusschen Elinor’s gedrag en het hare. Het treffende van die vergelijking gevoelde zij ten volle; doch dit noopte haar thans niet tot inspanning, zooals hare zuster had gehoopt; het ging gepaard met de pijn van een aanhoudend zelfverwijt, waarin zij bitter betreurde zich te voren nooit te hebben ingespannen; doch het bracht enkel de kwelling mede van berouw, zonder hoop op verbetering. Haar geest was zoozeer verslapt, dat zij het nog steeds onmogelijk waande, haar kracht te beproeven, en daardoor te meer ontmoedigd werd.In de eerstvolgende paar dagen vernamen zij niets nieuws, noch uit Harley Street, noch uit Bartlett’s Buildings. Maar hoewel zij reeds zooveel van de zaak wisten, dat Mevrouw Jennings genoeg te doen zou hebben gehad met het verder verbreiden van die kennis, zonder naar meer te verlangen, had zij dadelijk besloten, zoodra ze kon, haar nichten een bezoek te brengen, om hen te troosten en navraag te doen, en alleen een grootere toeloop van bezoek dan gewoonlijk had haar verhinderd dat plan ten uitvoer te brengen.De derde dag nadat het bericht hun ter oore was gekomen, was een prachtige Zondag, die velen uitlokte tot een bezoek aan Kensington Gardens, hoewel het nog slechts de tweede week was van Maart. Tot die bezoekers behoorden ook Mevrouw Jennings en Elinor; doch Marianne, die wist, dat de Willoughby’s weer in de stad waren, en altijd bang was, hen te ontmoeten, wilde liever thuisblijven dan zich vertoonen op een plaats, waar zooveel menschen bijeen kwamen.Een goede kennis van Mevrouw Jennings voegde zich bij hen, zoodra zij het hek waren binnengegaan, en het speet Elinor niet, dat zij hun gezelschap bleefhouden, en druk doorpraatte met Mevrouw Jennings, zoodat zij zelve rustig kon nadenken. De Willoughby’s zag zij niet; Edward evenmin; en een tijdlang vertoonde zich niemand, die om eenige reden, ’t zij van ernstigen of vroolijken aard, haar belangstelling kon wekken. Eindelijk echter werd zij, tot haar verwondering, aangesproken door de oudste Juffrouw Steele, die, hoewel een weinig verlegen kijkend, toch haar genoegen te kennen gaf, hen te zien, en, aangemoedigd door Mevrouw Jennings’ buitengewone vriendelijkheid, haar eigen gezelschap een poosje verliet, om zich bij hen te voegen. Mevrouw Jennings fluisterde Elinor haastig toe: “Zie, dat je alles te weten komt, kind. Ze vertelt je, wat je wilt, als je maar vraagt. Je ziet wel, ik moet bij Mevrouw Clarke blijven.”Het trof gelukkig voor Mevrouw Jennings’ nieuwsgierigheid, en die van Elinor eveneens, dat Anne alles wel wilde vertellen,zondergevraagd te worden; want anders hadden zij niets vernomen.“Ik ben zoo blij, dat ik u hier tref,” zei Juffrouw Steele, haar vertrouwelijk in den arm nemend; “want ik verlangde juist erg om u eens te spreken”; en met zachtere stem voegde zij erbij: “Mevrouw Jennings heeft zeker al alles gehoord. Is ze boos?”“Op u, geloof ik, in ’t geheel niet.”“Dat treft. En Lady Middleton, isdieboos?”“Dat lijkt mij haast niet mogelijk.”“Wat ben ik dáár blij om! Och lieve deugd, wat heb ik al niet uitgestaan! Ik heb Lucy nog nooit van mijn leven zóó woedend gezien. Ze hield bij hoog en laag vol, dat ze nooit weer een hoed voor mij zou opmaken, of wàt ook voor mij doen, zoolang ze leefde; maar ’t is nu al weer bijgetrokken en we zijn weer beste maatjes. Zie eens, dien strik op mijn hoed heeft zij gemaakt; gisteravond heeft ze er de veer op gezet. Kijk, nu lacht u óók alweer om mij. Maar waarom zou ik geen rose mogen dragen!Ikkan toch niet helpen, dat het de lievelingskleur vanden dokter is. Ik zou ’t waarlijk niet hebben geweten, dat hij aan die kleur boven alle andere de voorkeur geeft, als hij ’t niet zelf gezegd had. Mijn nichtjes hebben me toch zóó geplaagd! Ik zeg wel eens, ik weet niet, waar ik mijn gezicht zal bergen, wanneer zij beginnen.”Zij was afgedwaald tot een onderwerp, waarover Elinor niets had te zeggen, en vond het dus geraden, tot het eerste terug te keeren.“Hoor eens, Juffrouw Dashwood,” zei ze zegevierend, “de menschen mogen nu zeggen wat ze willen, van dat Mijnheer Ferrars beweerd had, dat hij Lucy niet wou hebben; maar daar is niets van aan, hoor; en ’t is schande, dat er zulke leelijke praatjes worden rondgestrooid. Wàt Lucy zelf er ook van vond, andere menschen hadden volstrekt niet noodig, dat maar zoo voor waar aan te nemen.”“Ik heb in de verste verte niets van dien aard gehoord,” zei Elinor, “dat kan ik u verzekeren.”“O zoo! niet? Maar ’twerdtoch verteld; dat weet ik zeker, en door verschillende menschen; want Juffrouw Godby had tegen Juffrouw Sparks gezegd, dat niemand die bij zijn verstand was, kon verwachten, dat Mijnheer Ferrars iemand als Juffrouw Morton, die dertig duizend pond meebrengt, zou laten loopen voor Lucy Steele, die geen cent bezat; en dat hoorde ik van Juffrouw Sparks zelf. Mijn neef Richard zei trouwens ook al, als ’t er zóó voor stond, dan was hij bang, dat Mijnheer Ferrars ons liet zitten, en toen Edward zich in geen drie dagen bij ons vertoonde, wist ik zelf niet, wat ik ervan moest denken; ik geloof dat Lucy in haar hart ook alles al had opgegeven; want we gingen Woensdag weg bij uw broer, en Donderdag, Vrijdag en Zaterdag kregen we hem niet te zien, en we wisten ook niet, wat er met hem gebeurd was. Eenmaal dacht Lucy erover, hem te schrijven; maar dat kon ze toen toch weer niet van zichzelf verkrijgen. Nu, maar van morgen is hij dan tochgekomen, juist toen wij thuiskwamen uit de kerk; en toen kregen we alles te hooren, dat hij Woensdag in Harley Street had moeten komen, en hoe zijn moeder en allemaal hem hadden willen bepraten, en dat hij ronduit had gezegd, hij hield van niemand dan Lucy, en hij wou Lucy hebben, en geen ander. En dat hij er zoo ellendig over geweest was, dat hij, zóó als hij uit zijn moeders huis kwam, te paard was gesprongen en de stad uit was gereden, ik weet niet meer waarheen; en dat hij den heelen Donderdag en Vrijdag daar ergens in een logement was gebleven, om zich eroverheen te zetten. En toen hij alles nog eens weer goed overdacht had, zei hij, leek het hem zoo, nu hij geen geld had en niets in de wereld bezat, dat het tegenover haar niet goed zou zijn, als hij haar gebonden hield door die verloving, omdat zij erbij zou verliezen; want hij bezat niets dan tweeduizend pond en kon niets meer verwachten; en als hij predikant zou worden, waar hij over dacht, dan werd hij toch maar hulpprediker vooreerst, en hoe zouden ze dan moeten rondkomen?—Hij vond dat voor haar een te treurig vooruitzicht, en hij vroeg haar, als ze ook maar in ’t minst ertoe geneigd was, er een eind aan te maken; en dan zou hij wel voor zichzelf zien, hoe hij er kwam. Dat hoorde ik hem alles duidelijk zeggen. En ’t was enkel om háár, en voor haar bestwil, dat hij een woord zei over afmaken, niet om hemzelf. Ik verzeker u heilig, dat hij zich geen woord liet ontvallen van dat hij genoeg van haar had, of dat hij liever met Juffrouw Morton zou trouwen, of zoo iets. Maar natuurlijk, Lucy wou van dat alles niets hooren, dat zei ze hem dadelijk (met nog een heelen omhaal van verliefde praatjes en zoo—och, u weet wel, dat kan je zoo niet oververtellen); ze zei, ze dacht er niet over om het af te maken, want ze kon met hem best van een klein inkomen leven, en hoe weinig hij ook bezat, ze zou blij zijn als ze ’t kreeg, of zoo iets, dat kan u zich wel voorstellen. Nu: toenwas hij in de wolken natuurlijk, en praatte erover wat ze nu zouden beginnen, en ze spraken af, dat hij zoo gauw mogelijk zou zien de wijding als geestelijke te ontvangen, en dat ze zouden wachten met trouwen tot hij als predikant zou worden aangesteld. Toen kon ik niet méér hooren, want mijn nichtje riep van beneden, dat Mevrouw Richardson een van ons beiden in haar koets mee naar Kensington Gardens wou nemen; dus moest ik wel in de kamer gaan en hen storen, om Lucy te vragen, of zij misschien wou gaan; maar zij wou Edward niet alleen laten; dus liep ik gauw naar boven om een paar zijden kousen aan te trekken, en nu ben ik hier met de Richardsons.”“Ik begrijp niet, wat u bedoelt met “hen storen,” zei Elinor; “u waart toch met hen in de zelfde kamer, niet waar?”“Welnee! hoe komt u erbij?—Heere, Juffrouw Dashwood, denkt u, dat zulke verliefde lui vrijen, waar anderen bij zijn? O foei, neen; ik dacht, dat u wel beter wist!” (Hierbij lachte ze gemaakt). “Neen, neen, ze zaten samen in den salon, en ik hoorde alles, omdat ik aan de deur stond te luisteren.”“Maar hebt u dan nu,” riep Elinor, “voor mij herhaald, wat u zelf hebt gehoord door te luisteren aan de deur? Het spijt mij wel zeer, dat ik dit niet eerder heb geweten; want ik zou stellig hebben geweigerd, uit uw mond bijzonderheden te vernemen, die u zelve niet behoordet te weten. Hoe kondt u zoo oneerlijk zijn tegenover uw zuster?”“Och kom, wat doet dàt er nu toe! Ik stond alleen maar bij de deur, en ik hoorde wat ik kon opvangen. Ik weet zeker dat Lucy tegenover mij precies ’t zelfde zou hebben gedaan, want een jaar of wat geleden, toen ik altijd geheimen had met Martha Sharpe, vond zij er niets in, zich in de kast te verstoppen, of onder den schoorsteen, om af te luisteren wat wij elkaar vertelden.”Elinor poogde over iets anders te spreken; maar Juffrouw Steele kon geen twee minuten afblijven van het onderwerp dat haar op dit oogenblik vervulde.“Edward sprak ervan, gauw naar Oxford te gaan,” zei ze; “maar vooreerst logeert hij in Pall Mall, no. 14. Wat een akelig mensch toch, die moeder van hem! En uw broer en zuster waren ook lang niet aardig! Maar tegenuwil ik van hen geen kwaad zeggen; ze stuurden ons toch nog naar huis in hun eigen rijtuig; dat was meer dan ik verwachtte.Ikwas maar bang, dat uw zuster ons naar die mooie naaldenboekjes zou vragen, die ze ons voor een paar dagen had gegeven; maar niemand zei er iets van, en ik stopte ’t mijne weg. Edward zegt, dat hij nu een poos in Oxford moet werken; dus daar blijft hij nu een tijdje, en zoo gauw hij dan maar een bisschop kan vinden, wordt hij gewijd. Ik ben benieuwd in welke plaats hij dan wordt aangesteld!—O jé, (hier begon zij te giegelen) “ik wed, dat ik weet wat mijn nichtjes zullen zeggen, als ze ervan hooren. Dan willen ze, dat ik aan den dokter zal schrijven, om voor Edward een goed woordje te doen. Dat weet ik stellig; maar ik zou ’t niet doen, al was ’t ook nòg zoo. “Verbeeld je,” zal ik tegen hen zeggen, “ik begrijp niet, waar jelui ’t vandaan haalt.Ikaan den dokter schrijven, stel je voor!”“Nu,” zei Elinor, “’t is altijd goed, op alles te zijn voorbereid. Uw antwoord hebt u ten minste klaar.”Juffrouw Steele wilde verder doorgaan op dat onderwerp; maar daar zij haar eigen gezelschap nu zag aankomen, scheen iets anders haar meer dringend.“O jé, daar komen de Richardsons aan. Ik had u nog een heeleboel te zeggen; maar ik mag ze niet langer in den steek laten. ’t Zijn deftige lui, hoor. Hij verdient geld als water, en ze hebben eigenrijtuig. Ik heb nu geen tijd om ’t Mevrouw Jennings zelf te vertellen, maar zegt u haar maar, dat ik blij ben, dat ze niet boos op ons is, en Lady Middleton ook niet; en als u en uw zuster misschien eens zoudt moeten weggaan, en Mevrouw Jennings graag wat gezelschap heeft, dan zouden wij met pleizier bij haar komen, zoolang ze maar wil. Ik denk niet, dat Lady Middleton ons ditmaal nog wéér verzoeken zal. Nu, tot ziens; ’t spijt mij dat Juffrouw Marianne niet hier was. U wilt haar wel van mij groeten. Heden—hebt u die dunne japon met de moesjes aan?—was u niet bang dat het goed zou scheuren?”—Met die bezorgde vraag nam zij afscheid; want zij had nog slechts even den tijd om Mevrouw Jennings goeden dag te zeggen, eer Mevrouw Richardson haar kwam afhalen, en Elinor bleef achter met de wetenschap van ’t een en ander, dat haar stof tot nadenken gaf, hoewel zij weinig meer vernomen had, dan ’t geen zij reeds in stilte zelve voorzien en overlegd had. Edward’s huwelijk met Lucy stond even vast, en het tijdstip der voltrekking ervan bleef even onzeker, als zij verwacht had;—alles hing af, precies zooals zij had gedacht, van de mogelijkheid, dat hem een predikantsplaats zou worden aangeboden; iets, waarop voorloopig niet de minste kans bestond.Zoodra ze weer in het rijtuig zaten, wilde Mevrouw Jennings alles hooren; maar daar Elinor zoo min mogelijk dingen wilde verder vertellen, die, om te beginnen, door ongeoorloofde middelen te harer kennis waren gekomen, beperkte zij zich tot de korte mededeeling van die bijzonderheden, welke zij begreep, dat Lucy, terwille van haar eigen waardigheid, gaarne algemeen bekend zou zien. Zij had niet anders te berichten dan het voortduren van de verloving, en de middelen die zouden worden aangewend om het einde ervan te bespoedigen; ’t geen Mevrouw Jennings het zeer natuurlijkeantwoord ontlokte: “Wachten tot hij een predikantsplaats krijgt—ja, dat weten we allemaal wel, waaropdatuitloopt;—dat houden ze een jaar vol, en als ze dan zien dat het niets helpt, nemen ze een betrekking voor lief als hulpprediker, en dan moeten ze ’t stellen met vijftig pond in ’t jaar, de rente van zijn tweeduizend pond, en het beetje, dat Mijnheer Steele en Mijnheer Pratt haar kunnen afstaan. Dan komt er ieder jaar een kind! en och, och, wat zullen ze zich moeten behelpen!—ik moet eens zien, wat ik hun kan geven voor ’t inrichten van hun huisje. En gisteren praatte ik nog van twee meisjes en twee knechts! ’t lijkt er niet naar.—Neen, ze moeten een flinke werkster hebben.—Betty’s zuster zou hunnuniet meer passen.”Den volgenden morgen bracht de post Elinor een brief van Lucy zelf. Zij schreef:Bartlett’s Buildings, Maart.Ik hoop dat mijn waarde Juffrouw Dashwood mij niet kwalijk zal nemen, dat ik zoo vrij ben aan haar te schrijven; maar ik weet dat uw vriendschap voor mij de reden zal zijn, dat het u genoegen doet zooveel goeds te hooren van mij en mijn beste Edward, na al ’t verdriet dat we in den laatsten tijd hebben doorgemaakt, en wil ik daarom niet doorgaan met verontschuldigen, maar verder vermelden dat wij, hoewel we beiden veel hebben geleden, nu goddank allebei gezond en wel zijn, en zoo gelukkig, als wij steeds moeten zijn in elkanders liefde. Wij hebben zware beproevingen en vervolgingen doorstaan; maar mogen ons toch tevens dankbaar verheugen in ’t bezit van vele vrienden, uzelf niet in de laatste plaats, wier groote vriendelijkheid ik altoos dankbaar zal gedenken, en Edward ook, die ik het verteld heb. Het zal u pleizier doen te hooren, en de lieve Mevrouw Jennings ook, dat ik gisteren twee gelukkige uren methem doorbracht; hij wilde niet hooren van een scheiding tusschen ons, hoewel ik, zooals ik dacht dat mijn plicht was, er ernstig bij hem op aandrong, uit voorzichtigheid, en zou meteen afscheid van hem hebben genomen voorgoed, als hij erin had toegestemd; maar hij zei, dàt nooit; hij gaf niet om zijn moeder’s boosheid, zoolang hij mijn liefde bezat; onze vooruitzichten zijn niet schitterend, maar wij moeten wachten en het beste hopen; hij zal spoedig de wijding ontvangen, en als u ooit in de gelegenheid komt, hem aan te bevelen aan iemand, die een predikantsplaats heeft te vergeven, zoo zult u ons wel niet vergeten, en weet ik wel zeker dat de lieve mevrouw Jennings een goed woordje voor ons zal doen bij Sir John, of Mijnheer Palmer, of wie ook, die ons op de eene of andere manier helpen kan.—Die arme Anne heeft wel erg verkeerd gedaan; maar zij deed het om bestwil, en zeg ik dus maar niets; hoop, dat Mevrouw Jennings niet tegen de moeite zal opzien om ons eens te bezoeken als zij dezen kant uitkomt, we zouden ’t erg vriendelijk vinden, en mijn nichtjes zouden haar erg graag leeren kennen. Het papier is bijna vol, en blijf ik, met veel dankbare en eerbiedige groeten aan haar en aan Sir John en Lady Middleton, en de lieve kinderen, als u ze ziet, en veel complimenten aan Juffrouw Marianne de uwe, enz.”Zoodra Elinor den brief had gelezen, gaf zij dien, zooals zij begreep, dat de bedoeling der schrijfster was geweest, aan Mevrouw Jennings, die het schrijven hardop voorlas, met vele uitroepen van voldoening en lof.“Aardig gezegd!—wat schrijft ze goed!—ja zeker, dat was best, hem vrij te laten, als hij ’t wenschte. Net iets voor Lucy.—Arm kind, ik wou dat ik hem een predikantsplaatskonbezorgen, ’k zou ’t graag doen.—“De lieve mevrouw Jennings,” zegt ze, zie je wel? Ze is een best meisje,met een hart van goud.—’t Is bepaald mooi. Ze kan ’t maar aardig zeggen.—Ja stellig ga ik haar eens gauw opzoeken.—Wat is ze oplettend, ze denkt aan iedereen!—Dank je wel, kind, dat je hem mij hebt laten lezen. ’t Is een echtmooiebrief, die Lucy’s hoofd en hart tot eer strekt.”Hoofdstuk XXXIXDe dames Dashwood waren nu reeds ruim twee maanden in de stad geweest, en met iederen dag groeide Marianne’s verlangen aan, om te vertrekken. Zij snakte naar de buitenlucht, de vrijheid, de rust van het landleven, en verbeeldde zich, als zij ergens tot kalmte kon komen, dat het in Barton moest zijn. Elinor was bijna niet minder verlangend dan zijzelve om te gaan, en slechts in zooverre minder geneigd om het plan aanstonds ten uitvoer te brengen, als zij de bezwaren inzag, verbonden aan zulk een lange reis, die Marianne niet verkoos in aanmerking te nemen. Zij begon echter thans ernstig te denken over het vertrek, en zij had haar wensch reeds te kennen gegeven aan haar vriendelijke gastvrouw, die zich met al haar hartelijke welsprekendheid ertegen verzette, toen een plan werd geopperd, dat, hoewel het hen nog een paar weken langer van huis zou doen blijven, Elinor toch verkieselijker scheen dan eenig ander. De Palmers zouden in het laatst van Maart naar Cleveland vertrekken, voor de Paaschvacantie, en Mevrouw Jennings werd mèt haar beide vriendinnen, allerhartelijkst door Charlotte uitgenoodigd, met hen mede te gaan. Dit zou op zichzelf niet voldoende zijn geweest om Elinor’s schroomvalligheidte overwinnen; doch het verzoek werd zoo beleefd en dringend ondersteund door den Heer Palmer, wiens houding tegenover hen zeer was verbeterd, sedert hij wist van haar zuster’s teleurstelling, dat zij de uitnoodiging met genoegen aannam. Toen zij het aan Marianne vertelde, was het eerste antwoord, dat zij ontving, niet zeer gunstig.“Naar Cleveland!” riep zij zenuwachtig. “Neen, dáár kan ik niet heengaan.”“Je vergeet,” zei Elinor op zachten toon, “dat het niet zoo dichtbij... dat het niet in de buurt is van...”“Maar ’t is in Somersetshire,—ik kàn niet naar Somersetshire gaan.—Daar, waar ik eenmaal hoopte te komen... Neen, Elinor, dat kan je van mij niet verwachten.”Elinor wilde maar niet met haar redeneeren over de verplichting, zulke gevoelens te bestrijden; zij trachtte ze alleen tegen te gaan, door te werken op andere, en bracht haar dus onder het oog, dat deze maatregel het tijdstip van háár terugkeer naar haar lieve moeder, die zij zoo verlangde weer te zien, veel nader zou brengen, en wel op een meer gemakkelijke en verkieselijke wijze, dan eenig ander plan zou kunnen doen; misschien zonder veel langer uitstel. Van Cleveland, dat een paar mijlen van Bristol was gelegen, duurde de reis naar Barton niet langer dan één dag; hoewel dan een langen dag reizens, en hun eigen knecht kon hen daar gemakkelijk komen afhalen. Daar zij wel niet langer dan een week te Cleveland zouden behoeven te logeeren, konden zij nu reeds over ruim drie weken weer thuis zijn. Daar Marianne’s liefde voor haar moeder oprecht was, behaalde zij, zonder veel moeite, de overwinning over de denkbeeldige bezwaren, door haar opgeworpen.Mevrouw Jennings was het gezelschap harer gasten zoo weinig moede, dat zij er ernstig bij hen opaandrong weer met haar terug te keeren van Cleveland. Elinor was haar dankbaar voor haar vriendelijkheid; maar het voorstel kon hun plan niet doen veranderen; en nadat hun moeder gaarne hare instemming ermede had te kennen gegeven, werd alles voor de terugreis, zooveel doenlijk was, in gereedheid gebracht. Marianne vond eenige verlichting in het opmaken van eene lijst der uren, die haar nog scheidden van Barton.“Ach, Kolonel, ik weet niet, wat u en ik zullen beginnen zonder de dames Dashwood,” zei Mevrouw Jennings, toen kolonel Brandon haar voor het eerst bezocht, nadat hun vertrek was bepaald,—“ze zijn vast van plan van de Palmers naar huis te gaan; wat zullen wij het dan eenzaam hebben, als ik terugkom! We zullen elkaar zitten aan te gapen als twee kikkers op een kluitje.”Misschien hoopte Mevrouw Jennings door die levendige voorstelling van hun toekomstige verveling, hem uit te lokken tot het aanzoek, dat hem aan die verveling zou kunnen doen ontsnappen,—en als dit zoo was, dan kreeg zij iets later goede reden om te denken, dat haar doel was bereikt; want toen Elinor naar het venster ging, om met meer juistheid de afmetingen na te gaan van eene plaat, die zij voor haar vriendin wilde copieeren, volgde hij haar, blijkbaar met een bijzondere bedoeling, en bleef een tijdlang met haar in gesprek. De uitwerking daarvan op Elinor kon haar aandacht niet ontgaan; want ofschoon zij te veel eergevoel bezat om te luisteren, en zelfs opzettelijk, omniette hooren, haar plaats had verlaten, om dicht bij de piano te gaan zitten, waarop Marianne speelde, zij moest wel zien, dat Elinor bleek werd, zenuwachtige spanning liet blijken en te veel aandacht schonk aan ’t geen hij zeide, om met hare bezigheid voort te gaan. Wat haar hoop nog meer aanmoedigde, waren enkele woorden van den Kolonel, die haar oor bereikten in een tusschenpoos, waarin Mariannenaar een nieuw stuk zocht, en waaruit bleek, dat hij zich scheen te verontschuldigen over den slechten toestand, waarin zijn huis verkeerde. Nu viel aan de zaak niet meer te twijfelen. Zij vond het wel vreemd, dat hij dit noodig achtte,—maar dacht, dat het zeker wel zoo zou hooren. Wat Elinor hierop antwoordde kon zij niet verstaan; maar uit de beweging harer lippen leidde zij af, dat zij dàt geen overwegend bezwaar vond; en Mevrouw Jennings prees haar in stilte om haar eerlijkheid. Daarop praatten ze nog een paar minuten door, zonder dat zij een woord verstond, totdat een tweede welkome pauze in Marianne’s spel haar gelegenheid schonk, den Kolonel met zijn bedaarde stem te hooren zeggen:“Ik vrees ten minste dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben.”Verbaasd en bijna geërgerd over deze in den mond van een minnaar weinig passende woorden, had zij bijna hardop gezegd: “Lieve deugd, wat kan er nu tegen zijn?”—maar zij hield zich nog bijtijds in, en vergenoegde zich met de in stilte gemaakte opmerking: “Dàt is al heel raar! Hij behoeft waarlijk niet te wachten tot hij de jaren heeft”... Deze neiging tot uitstel van des Kolonels kant scheen echter zijne uitverkorene volstrekt niet te beleedigen of te grieven; want toen zij kort daarna hun gesprek afbraken en uiteengingen, hoorde Mevrouw Jennings Elinor duidelijk zeggen, op een toon, waarin haar oprechtheid doorklonk: “Ik zal u hiervoor altijd van harte dankbaar zijn.” Mevrouw Jennings vond die dankbaarheid allerliefst van haar, en verbaasde zich alleen, dat de Kolonel, na zulk eene uiting, in staat was, zooalshijthans deed, doodbedaard afscheid te nemen, en heen te gaan, zonder haar zelfs te antwoorden!—Zij had niet gedacht, dat haar oude vriend zulk een onverschillig minnaar zou zijn. Wat werkelijk tusschen hen voorviel was het volgende: “Ik hebgehoord”, zeide hij op medelijdenden toon, “van het onrecht, uw vriend den Heer Ferrars door zijn familie aangedaan; want als ik wèl heb begrepen, is hij door hen voorgoed verstooten, omdat hij zijne verloving met een goed en achtenswaardig meisje niet wilde verbreken. Heeft men mij wèl ingelicht?—Is dit werkelijk het geval?”Elinor antwoordde bevestigend.“De wreedheid, de onverstandige wreedheid,” zeide hij met diepgevoelde verontwaardiging, “van zulk een poging om twee jongelieden, die elkander reeds lang hebben liefgehad, te scheiden, is ontzettend; Mevrouw Ferrars weet niet wat zij doet,—waartoe zij haar zoon wellicht drijven zal. Ik heb den Heer Ferrars een paar malen in Harley Street ontmoet, en hij maakte op mij een zeer aangenamen indruk. Hij is niet iemand met wien men binnen korten tijd vertrouwelijk bekend kan zijn; maar ik weet thans toch genoeg van hem om hem persoonlijk alle goeds te wenschen, te meer nog, omdat hij een vriend van u is. Ik hoorde dat hij zich voorbereidt voor het predikambt. Wilt u zoo goed zijn hem mede te deelen, dat de predikantsplaats te Delaford, die juist, naar ik vandaag vernam, is vrijgekomen, hem wordt aangeboden, als hij geneigd is ze te aanvaarden,—en dááraan valt in zijn omstandigheden nu wel allerminst te twijfelen; ik wilde alleen wel, dat hij beter bezoldigd werd. De vorige predikant verdiende, naar ik meen, niet meer dan twee honderd pond in het jaar, en ofschoon die som stellig nog wel iets verhoogd kan worden, vrees ik toch, dat die verhooging niet zooveel zal bedragen, dat hij er eenigszins ruim van leven kan. In elk geval echter doet het mij groot genoegen hem in dezen van dienst te kunnen zijn. Dat wilt u hem zeker wel vertellen.”Elinor’s verbazing over deze opdracht kon moeilijk grooter zijn geweest, als de Kolonel haar werkelijk zijn hand had aangeboden. Zulk een aanbieding,die zij een paar dagen geleden nog als iets had beschouwd, waarop voor Edward niet te hopen viel, stelde hem nu reeds in staat, te trouwen;—enhaarviel, onder alle lieden ter wereld, de taak ten deel, hem die gave over te brengen!—Zij gevoelde werkelijk de aandoening, die Mevrouw Jennings had toegeschreven aan eene geheel andere oorzaak;—maar welke andere gevoelens, minder zuiver en minder bevredigend, zich in die aandoening mochten mengen, haar achting voor de algemeene menschlievendheid en haar dankbaarheid voor de bijzondere vriendschap, welke Kolonel Brandon bewogen tot deze handeling, waren diepgevoeld, en werden met warmte uitgedrukt. Zij dankte hem van ganscher harte, sprak van Edward’s beginselen en karakter met den lof, dien zij wist, dat ze verdienden, en beloofde zich met genoegen van de opdracht te zullen kwijten, als hij waarlijk wenschte zulk een aangename taak aan een ander over te dragen. Intusschen kon zij niet nalaten te denken, dat niemand deze zoo goed zou kunnen vervullen als hijzelf. Het was een plicht, waarvan zij, ongeneigd als zij was, Edward pijn te doen, door hem van háár eenig gunstbewijs te doen ontvangen, zich zeer gaarne had willen ontheven zien;—doch Kolonel Brandon, die zich eveneens uit kiesche terughoudendheid eraan onttrok, scheen zoozeer erop gesteld, dat zij de brengster der goede tijding zou zijn, dat zij in geen geval langer wilde blijven weigeren. Edward was, naar zij meende, nog in de stad, en van Juffrouw Steele had zij zijn adres vernomen. Zij kon dus beloven, hem nog in den loop van den dag het bericht te zullen doen toekomen. Toen dit was afgesproken, gaf kolonel Brandon zijn genoegen te kennen over het feit, dat hij zulk een achtenswaardigen en beminnelijken buurman kreeg, en bij die gelegenheid uitte hij zijn spijt, dat de pastorie klein en niet heel mooi was; een bezwaar, dat Elinor, zooals Mevrouw Jennings goedhad gezien, al heel licht telde, ten minste wat de grootte van het huisje betrof.“Dat het huis klein is,” zei ze, “zal, dunkt mij, voor hen niet hinderlijk zijn; want het is dan in overeenstemming met het aantal bewoners en met hun inkomen.”De Kolonel bespeurde hierdoor tot zijn verwondering, datzijhun huwelijk als het onvermijdelijk gevolg van deze aanbieding beschouwde; hij had het niet mogelijk geacht, dat de predikantsplaats te Delaford genoeg zou opbrengen, om iemand, gewend aan een levenswijze als de zijne, in staat te stellen tot het waagstuk, een huwelijk aan te gaan,—en hij bracht die meening onder woorden.“In die kleine pastorie en met dat beperkte inkomen kàn de Heer Ferrars alleen als vrijgezel eenigszins behoorlijk leven;—erop trouwen kan hij niet. Het spijt mij, dat ik niet meer voor hem kan doen; maar verder reikt mijn invloed niet. Als het echter, door eenig onvoorzien toeval, ooit in mijn macht mocht staan, hem verder van dienst te zijn, dan moest ik al geheel anders over hem zijn gaan denken dan ik nu doe, wanneer ik ook dan niet even bereid zou zijn, hem hulp te verleenen, als ik oprecht wensch, dat nu te kunnen doen. Wat ik thans voor hem doe is van geringe beteekenis, daar het hem zoo weinig nader brengt tot hetgeen zijn eerst en eenig oogmerk moet zijn ter bereiking van zijn geluk. Zijn huwelijk moet vooreerst nog een toekomstdroom blijven;—ik vrees ten minste, dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben.”Dit waren de woorden, die, daar zij verkeerd werden begrepen, met recht kwetsend schenen voor Mevrouw Jennings’ kiesch gevoel; doch na dit getrouw verslag van ’t geen werkelijk voorviel tusschen Kolonel Brandon en Elinor, toen zij bij het venster stonden, kon allicht de dankbaarheid, door de laatste bij het afscheid uitgedrukt, over ’t geheel evengoed zijn gewekt door, en behoefde ingeen andere bewoordingen te zijn vervat geworden na een huwelijksaanzoek.Hoofdstuk XLNu, Elinor”, zei Mevrouw Jennings met een veelzeggenden glimlach, zoodra de Kolonel was vertrokken, “ik vraag je maar niet, wat Kolonel Brandon je had te vertellen; want al deed ik, op mijn woord van eer, mijn best om er niets van te hooren, ik ving toch, zonder dat ik er iets aan kon doen, genoeg op om te begrijpen, waarover het ging. Ik moet je zeggen, dat ik er van harte blij om ben, en ik wensch je oprecht geluk ermee.”“Dank u, mevrouw,” zei Elinor. “Het verheugt mij ook innig, en ik ben werkelijk getroffen door Kolonel Brandon’s goedheid. Er zijn niet veel menschen, die gehandeld zouden hebben als hij. Zoo vol meegevoel zijn er maar weinigen! ’t Heeft mij meer verwonderd, dan ik kan zeggen.”“Lieve kind, je bent wel heel bescheiden! Mij verwondert het in ’t minst niet; want ik heb in den laatsten tijd dikwijls gedacht, dat niets zoo waarschijnlijk was als dit.”“U leidde dat oordeel af uit wat u wist van Kolonel Brandon’s edelmoedig karakter; maar u kon niet voorzien, dat de gelegenheid zich zoo spoedig zou aanbieden.”“Gelegenheid,” herhaalde Mevrouw Jennings, “och, wat dàt betreft, als zoo’n plan eenmaal vaststaat bij een man, dan vindt hij, hoe dan ook, de gelegenheid gauw genoeg. Nu, lieve kind, ik zeg nog eens, ik ben er hartelijk blijde om, en als er ooit een gelukkig paar is geweest in de wereld, dan weet ik nu wèl, wáár ik dat binnenkort zal kunnen vinden.”“U wilt het zeker te Delaford komen zoeken,” zei Elinor met een flauwen glimlach.“Ja zeker, kind; dat ben ik stellig van plan. En dat het huis niet goed genoeg zou zijn, ik weet niet, wat de Kolonel dáármee kan bedoelen; want ik zou niet weten, wat erop viel aan te merken.”“Hij zei, dat er in lang niets aan gedaan was.”“Nu, wiens schuld is dat? waarom laat hij het dan niet opknappen—wie zou het ànders doen dan hij?”Zij werden gestoord door de komst van den bediende, die kwam zeggen, dat het rijtuig vóór was, en Mevrouw Jennings zei, vlug opstaande: “Nu moet ik al weg, kind, eer we nog half erover zijn uitgepraat. Van avond kunnen we ’t in elk geval nog eens overdoen; want we zijn onder ons. Ik vraag je maar niet om mee te gaan, want ik denk dat je te veel hiermee vervuld zult zijn, om nu graag vreemden te spreken; en je zult wel verlangen, het aan je zuster te vertellen.”Marianne was de kamer uitgegaan, eer hun gesprek begon.“Zeker, Mevrouw, ik zal ’t aan Marianne zeggen; maar vooreerst spreek ik er nog met niemand anders over.”“O, heel goed,” zei Mevrouw Jennings, ietwat teleurgesteld. “Dus dan mag ik het nog niet aan Lucy vertellen; want ik dacht erover, naar Holborn te gaan vandaag.”“Neen, mevrouw, zelfs niet aan Lucy. Een dag uitstel maakt weinig verschil; en mij dunkt dat er niet met anderen over moet worden gesproken, eer ik aan den Heer Ferrars geschreven heb. Dat zal ik nu aanstonds doen. Het komt er voor hem op aan, geen tijd te verliezen, want hij zal natuurlijk nog veel te doen hebben, met het oog op zijn aanstelling, als predikant.”Nu begreep Mevrouw Jennings er niets meer van. Waarom er zoo’n haast bij was, dat de HeerFerrars op de hoogte zou worden gebracht, was haar eerst niet recht duidelijk. Maar na een oogenblik nadenken ging haar een licht op, en zij riep uit: “Aha! nu begrijp ik je. Op Mijnheer Ferrars is de keus gevallen. Kom, dat is aardig. Ja natuurlijk, eerst moet hij predikant zijn, en ik ben blij, dat je al zoover heen bent met je plannen. Maar kind, is dit nu toch eigenlijk niet wat vreemd? Moest de Kolonel hem dat zelf niet schrijven? Mij dunkt, dat is toch meerzijnwerk.”Elinor begreep niet precies, wat Mevrouw Jennings bedoelde met haar eerste woorden; maar vond navragen niet de moeite waard, en antwoordde dus alleen op haar laatste opmerking.“Kolonel Brandon is zóó fijngevoelig, dat hij het liefst aan een ander overlaat, den Heer Ferrars omtrent zijn voornemen op de hoogte te brengen.”“En dus moetjijdat nu wel doen. Dat is toch een vreemd soort van fijngevoeligheid, dunkt mij!—Maar ik wil je niet storen.” (Zij zag dat Elinor haar schrijfgereedschap klaarlegde). “Je kunt zelf alles ’t beste beoordeelen. Adieu, lieve kind. Sedert Charlotte’s bevalling is er niets gebeurd, dat mij zooveel pleizier deed.” Zij ging, maar kwam een oogenblik later terug.“Ik dacht daarjuist aan Betty’s zuster, kindje. Ik zou blij zijn voor haar, als ze zoo’n goeden dienst kreeg. Maar of ze geschikt is voor kamenier, dat weet ik niet. Als kamermeisje voldoet ze uitmuntend, en ze kan goed met de naald terecht. Nu, dat kan je nog wel eens op je gemak overleggen.”“Zeker, mevrouw,” antwoordde Elinor, die niet veel hoorde van Mevrouw Jennings’ gepraat, en meer verlangde alleen te zijn dan te weten, waarover zij het had. Hoe te beginnen—welke woorden te bezigen in haar briefje aan Edward, daarop kwam het voor haar nu aan. Hun bijzondere omstandigheden maakten datgene moeilijk, wat voor een ander de gemakkelijkste zaak van de wereld zouzijn geweest; maar zij vreesde evenzeer te veel, als te weinig te zeggen, en zat met de pen in de hand te overwegen, hoe zij zich zou uitdrukken, tot er een einde kwam aan haar aarzelen, doordat Edward zelf binnentrad.Hij had Mevrouw Jennings aan de deur ontmoet, toen zij in haar rijtuig wilde stappen, terwijl hij zijn afscheidsbezoek kwam brengen; en na zich te hebben verontschuldigd, omdat zij niet met hem mee terugging, had zij hem doen besluiten, naar boven te gaan, door te zeggen, dat Juffrouw Dashwood alleen was, en hem gaarne wilde spreken, daar zij hem iets van gewicht had mee te deelen.Elinor had juist, midden in haar weifelingen, zichzelve met dankbaarheid voorgehouden, dat een brief, hoe moeilijk het ook mocht zijn, de juiste woorden ervoor te vinden, toch verre te verkiezen was boven eene mondelinge mededeeling van het bericht, toen de bezoeker binnentrad, die haar noodzaakte tot deze nog veel grootere inspanning. Zij was zeer verwonderd en verward, toen hij daar zoo plotseling voor haar stond. Sedert zijn engagement publiek was geworden, had zij hem nog niet gezien; dus ook niet, sedert hij wist, dat zij ervan had vernomen; en dit alles, gepaard met het bewustzijn van ’t geen zij daareven had gedacht, en wat zij hem had te vertellen, maakte haar in de eerste paar minuten geheel van streek.Hijwasook alles behalve op zijn gemak, en zij gingen beiden zitten in een toestand van verlegenheid, die niet veel goeds beloofde. Of hij haar bij het binnenkomen om verschooning had gevraagd, dat hij haar zoo onverwacht kwam overvallen, herinnerde hij zich niet meer; maar voor alle zekerheid verontschuldigde hij zich behoorlijk, zoodra hij iets kon zeggen, nadat hij had plaatsgenomen.“Mevrouw Jennings vertelde mij,” zei hij, “dat je mij wenschte te spreken; tenminste dat meende ik te begrijpen;—anders zou ik je stellig niet zoozijn komen overvallen; hoewel het mij toch ook erg zou hebben gespeten, uit Londen weg te gaan, zonder jelui beiden nog eens te zien; vooral omdat het nog al eenigen tijd zal duren... omdat het niet waarschijnlijk is, dat ik spoedig het genoegen zal hebben, je weer te ontmoeten. Ik ga morgen naar Oxford.”“Je zoudt toch niet zijn vertrokken,” zei Elinor, zichzelve nu weer meester en vastbesloten, zoo spoedig mogelijk datgene af te doen, waartegen zij zoo opzag, “zonder onze goede wenschen te ontvangen, ook al hadden we je die niet persoonlijk kunnen doen toekomen. Het was waar, wat Mevrouw Jennings je heeft gezegd. Ik heb je iets van belang mee te deelen, dat ik je juist wilde melden in een brief. Een zeer aangename taak is mij opgedragen,”gingzij, ietwat sneller ademhalend dan gewoonlijk, voort: “Kolonel Brandon, die nog pas tien minuten geleden hier was, heeft mij verzocht, je te zeggen, dat hij, wetende van je plan om predikant te worden, je met groot genoegen de standplaats te Delaford aanbiedt, die juist is vrijgekomen, en alleen maar wenschte, dat zij beter bezoldigd mocht worden. Laat mij je gelukwenschen met zulk een achtenswaardigen en verstandigen vriend, en mèt hem den wensch uitspreken, dat het traktement—omstreeks tweehonderd pond in het jaar,—grooter mocht zijn, zoodat het je beter in staat zou kunnen stellen om te... dat het meer kon worden dan een tijdelijke tegemoetkoming... dat het in één woord de hoop zou kunnen verwezenlijken op een toekomstig geluk.”Daar Edward zelf niet kon zeggen, wat hij gevoelde, mag men niet verwachten, dat een ander het voor hem kan doen. Zijn blikken drukten al de verbazing uit, die dat onverwachte, ongedachte bericht onvermijdelijk moest wekken; maar hij zei niets anders dan: “Kolonel Brandon!”“Ja,” ging Elinor voort; met meer kalmte, nu hetergste voorbij was: “Kolonel Brandon wilde hierdoor een blijk geven van zijn oprechte spijt over hetgeen onlangs is voorgevallen,—van zijn medegevoel met de pijnlijke positie, waarin je bent geplaatst door het onverantwoordelijk gedrag van je familie; een medegevoel, dat door Marianne, mijzelf en al je vrienden wordt gedeeld; en eveneens van zijn hoogachting voor je karakter en van zijn bijzondere waardeering van je houding in dit geval.”“Dat Kolonel Brandonmijdie gunst bewijst! Hoe is dat mogelijk?”“De onhartelijkheid van je bloedverwanten doet je verbaasd staan, nog ergens vriendschap te ondervinden.”“Neen,” antwoordde hij, plotseling tot zich zelf komend, “niet waar ik die aantref in jou; want ik weet het wel, aan jou, aan je goedheid, heb ik alles te danken. Ik voel het;—ik zou ’t uitdrukken als ik kon,—maar je weet wel, ik ben niet welsprekend.”“Je vergist je geheel en al. Ik verzeker je, dat je dit alles alleen, of ten minste bijna alleen, hebt te danken aan je eigen verdienste, en aan Kolonel Brandon’s juiste waardeering ervan. Ik heb er niet de hand in gehad. Ik wist zelfs niet, tot ik hoorde van zijn plan, dat er een vacature was; en het was ook nooit bij mij opgekomen, dat hij een predikantsplaats had te vergeven. Uit vriendschap voor mij en mijn familie kàn hij misschien... of hééft hij, dat weet ik, nog meer genoegen in het bewijzen van deze gunst; maar ik verzeker je, aan mijne voorspraak heb je niets te danken.”Waarheidsliefde verplichtte haar, een gering aandeel in de handeling te erkennen; maar zij was zoo ongenegen, als Edward’s weldoenster op te treden, dat zij dit slechts aarzelend deed; ’t geen waarschijnlijk ertoe bijdroeg, het vermoeden bij hem te bevestigen, dat daareven in zijn geest was opgekomen. Een korten tijd zat hij diep in gedachten,nadat Elinor had opgehouden te spreken; en eindelijk zeide hij, met merkbare inspanning:“Kolonel Brandon schijnt een zeer edelaardig en achtenswaardig mensch. Ik heb hem altoos als zoodanig hooren roemen, en ik weet, dat je broer hem zeer hoog stelt. Hij is ongetwijfeld een verstandig man, en hij heeft bijzonder aangename manieren.”“Zeker,” antwoordde Elinor, “ik geloof dat je bij een nadere kennismaking al wat je omtrent hem gehoord hebt, als waarheid zult erkennen; en daar je in elkaars onmiddellijke nabijheid zult wonen, (want ik meen dat de pastorie vlak bij het heerenhuis is gelegen), treft het wel bijzonder gelukkig, dat hij werkelijk zoois.”Edward antwoordde niet; maar toen zij haar hoofd afwendde, wierp hij haar een blik toe, zoo ernstig, zoo veelbeteekenend en zoo droefgeestig, dat zij er duidelijk in had kunnen lezen, hoezeer hij wenschte, dat de afstand tusschen de pastorie en het heerenhuis veel grooter had mogen zijn.“Kolonel Brandon woont, geloof ik, in St. James’s Street,” zei hij een oogenblik later, terwijl hij opstond.Elinor noemde het nummer van zijn huis.“Dan moet ik nu gauw weg, om hem den dank te betuigen, dien jij niet van mij wilt aannemen; om hem te verzekeren, dat hij mij waarlijk zéér gelukkig heeft gemaakt.”Elinor drong niet aan, dat hij zou blijven, en zij scheidden, van háár kant met de nadrukkelijke verzekering, dat zij, onder alle lotswisselingen, die hem mochten ten deel vallen, zich steeds zou verheugen in zijn geluk; van den zijnen met een poging veeleer tot het beantwoorden van dien welgemeenden wensch, dan het vermogen dien uit te drukken. “Als ik hem weerzie,” zeide Elinor bij zichzelve, toen de deur zich achter hem sloot, “dan zal het zijn als de man van Lucy.”En met dat gelukkig vooruitzicht ging zij zitten, om zich het verleden voor den geest te roepen, zich de woorden te herinneren, door Edward gesproken, en te pogen al zijn gevoelens te begrijpen; terwijl zij natuurlijk over de hare onvoldaan was.Toen Mevrouw Jennings thuiskwam, was zij, ofschoon ze menschen had ontmoet, die ze nog nooit had gesproken, en van wie ze dus veel te vertellen had, toch zoo uitsluitend vervuld van het gewichtige geheim, haar toevertrouwd, dat zij erover begon, zoodra Elinor zich vertoonde. “Nu, kind,” riep zij uit, “ik heb den jongen man maar naar boven gestuurd. Was dat niet goed?—Hij maakte zeker geen bezwaar.—Had hij niets tegen op het voorstel?”“Neen mevrouw,datwas niet waarschijnlijk.”“En wanneer zou hij dan nu klaar kunnen zijn? Want dáárvan schijnt alles af te hangen.”“Ik weet niet genoeg omtrent die formaliteiten,” zei Elinor, “om te durven zeggen, hoeveel tijd, of welke mate van voorbereiding daartoe wordt vereischt; maar ik denk dat hij over twee of drie maanden wel beroepbaar zal zijn.”“Twee of drie maanden?” riep Mevrouw Jennings. “Wel lieve deugd, kind; wat praat je daar kalm over; en kan de Kolonel zoo lang wachten? Goeie hemel; daar zouikgeen geduld voor hebben, dat weet ik wèl. En al wil men dien armen Mijnheer Ferrars nu nog zoo graag een dienst bewijzen, twee of drie maanden op hèm te wachten, dàt dunkt mij toch niet de moeite waard. Er kon toch licht iemand anders worden gevonden, die ’t even goed kon doen; een predikant, die al is aangesteld.”“Maar lieve mevrouw”, zei Elinor; “waar denkt u aan? ’t Is immers alléén Kolonel Brandon’s bedoeling om den Heer Ferrars te helpen.”“Maar kind, je wilt me toch niet wijsmaken, dat de Kolonel alleen met jou gaat trouwen, om denHeer Ferrars dat buitenkansje van tien guineas te bezorgen?”Nu kon het misverstand niet langer voortduren; en de verklaring, die onmiddellijk volgde, vermaakte beiden niet weinig; zonder dat een van hen er feitelijk bij verloor; want Mevrouw Jennings verwisselde slechts ééne bron van uitgelaten vroolijkheid voor eene andere, en behoefde daarbij toch haar verwachting van het heugelijk nieuws niet op te geven.“O ja, de pastorie is maar klein,” zei ze, toen ze van haar eerste uitbarsting van verbazing en pret was bekomen, “en dáár zal allicht nog al wat aan zijn op te knappen; maar iemand verontschuldigingen te hooren maken, zooals ik meende, over een huis, met als ik ’t wel heb, beneden vijf zitkamers en gelegenheid om vijftien logeergasten te bergen, zooals de huishoudster mij vertelde!—En dat tegen jou, die gewend was aan Barton Cottage! Dat was toch àl te gek.—Maar kindje, we moeten den Kolonel een beetje aansporen om wat te doen aan die pastorie, en ’t wat gezellig te maken, tegen dat Lucy komt.”“Kolonel Brandon scheen ’t niet mogelijk te achten, dat ze zouden kunnen trouwen op het traktement, dat Edward zou ontvangen.”“Kolonel Brandon weet er niets van, lieve kind; omdat hij zelf tweeduizend pond in ’t jaar heeft, meent hij, dat geen mensch kan trouwen op minder. Geloof maar wat ik je zeg, als we tijd van leven hebben, dan kom ik logeeren in de pastorie te Delaford vóór de maand September achter den rug is, en als Lucy er niet is, dan zie je mij er niet, dat begrijp je.”Elinor was het volkomen met haar eens, het was niet waarschijnlijk, dat zij langer zouden wachten.
Hoofdstuk XXXVIIIMevrouw Jennings prees Edward’s gedrag met groote warmte, maar alleen Elinor en Marianne beseften de ware verdienste ervan.Zijalleen wisten, hoe weinig hem verlokte tot ongehoorzaamheid, en hoe gering de troost was, die hem overbleef, bij het verlies van vrienden en fortuin, buiten de zekerheid, goed te hebben gehandeld. Elinor was vervuld van blijden trots om zijn rechtschapenheid, en Marianne vergaf hem al zijn wandaden uit medelijden met zijn straf. Maar hoewel, na deze openlijke ontdekking, het oude vertrouwen tusschen hen was teruggekeerd, was dit toch niet een onderwerp, waarover zij gaarne spraken, als zij alleen waren. Elinor vermeed het uit beginsel, daar het door Marianne’s al te vurige, al te stellige verzekeringen, licht kon leiden tot een te aanhoudend verwijlen van haar gedachten bij de voorstelling van Edward’s blijvende genegenheid voor haarzelve, welke zij liever van zich wildeafzetten; en Marianne ontzonk spoedig de moed, als zij poogde te spreken over een onderwerp, dat haar altijd een ontevreden gevoel gaf met zichzelve, door de vergelijking, die het wel moest oproepen tusschen Elinor’s gedrag en het hare. Het treffende van die vergelijking gevoelde zij ten volle; doch dit noopte haar thans niet tot inspanning, zooals hare zuster had gehoopt; het ging gepaard met de pijn van een aanhoudend zelfverwijt, waarin zij bitter betreurde zich te voren nooit te hebben ingespannen; doch het bracht enkel de kwelling mede van berouw, zonder hoop op verbetering. Haar geest was zoozeer verslapt, dat zij het nog steeds onmogelijk waande, haar kracht te beproeven, en daardoor te meer ontmoedigd werd.In de eerstvolgende paar dagen vernamen zij niets nieuws, noch uit Harley Street, noch uit Bartlett’s Buildings. Maar hoewel zij reeds zooveel van de zaak wisten, dat Mevrouw Jennings genoeg te doen zou hebben gehad met het verder verbreiden van die kennis, zonder naar meer te verlangen, had zij dadelijk besloten, zoodra ze kon, haar nichten een bezoek te brengen, om hen te troosten en navraag te doen, en alleen een grootere toeloop van bezoek dan gewoonlijk had haar verhinderd dat plan ten uitvoer te brengen.De derde dag nadat het bericht hun ter oore was gekomen, was een prachtige Zondag, die velen uitlokte tot een bezoek aan Kensington Gardens, hoewel het nog slechts de tweede week was van Maart. Tot die bezoekers behoorden ook Mevrouw Jennings en Elinor; doch Marianne, die wist, dat de Willoughby’s weer in de stad waren, en altijd bang was, hen te ontmoeten, wilde liever thuisblijven dan zich vertoonen op een plaats, waar zooveel menschen bijeen kwamen.Een goede kennis van Mevrouw Jennings voegde zich bij hen, zoodra zij het hek waren binnengegaan, en het speet Elinor niet, dat zij hun gezelschap bleefhouden, en druk doorpraatte met Mevrouw Jennings, zoodat zij zelve rustig kon nadenken. De Willoughby’s zag zij niet; Edward evenmin; en een tijdlang vertoonde zich niemand, die om eenige reden, ’t zij van ernstigen of vroolijken aard, haar belangstelling kon wekken. Eindelijk echter werd zij, tot haar verwondering, aangesproken door de oudste Juffrouw Steele, die, hoewel een weinig verlegen kijkend, toch haar genoegen te kennen gaf, hen te zien, en, aangemoedigd door Mevrouw Jennings’ buitengewone vriendelijkheid, haar eigen gezelschap een poosje verliet, om zich bij hen te voegen. Mevrouw Jennings fluisterde Elinor haastig toe: “Zie, dat je alles te weten komt, kind. Ze vertelt je, wat je wilt, als je maar vraagt. Je ziet wel, ik moet bij Mevrouw Clarke blijven.”Het trof gelukkig voor Mevrouw Jennings’ nieuwsgierigheid, en die van Elinor eveneens, dat Anne alles wel wilde vertellen,zondergevraagd te worden; want anders hadden zij niets vernomen.“Ik ben zoo blij, dat ik u hier tref,” zei Juffrouw Steele, haar vertrouwelijk in den arm nemend; “want ik verlangde juist erg om u eens te spreken”; en met zachtere stem voegde zij erbij: “Mevrouw Jennings heeft zeker al alles gehoord. Is ze boos?”“Op u, geloof ik, in ’t geheel niet.”“Dat treft. En Lady Middleton, isdieboos?”“Dat lijkt mij haast niet mogelijk.”“Wat ben ik dáár blij om! Och lieve deugd, wat heb ik al niet uitgestaan! Ik heb Lucy nog nooit van mijn leven zóó woedend gezien. Ze hield bij hoog en laag vol, dat ze nooit weer een hoed voor mij zou opmaken, of wàt ook voor mij doen, zoolang ze leefde; maar ’t is nu al weer bijgetrokken en we zijn weer beste maatjes. Zie eens, dien strik op mijn hoed heeft zij gemaakt; gisteravond heeft ze er de veer op gezet. Kijk, nu lacht u óók alweer om mij. Maar waarom zou ik geen rose mogen dragen!Ikkan toch niet helpen, dat het de lievelingskleur vanden dokter is. Ik zou ’t waarlijk niet hebben geweten, dat hij aan die kleur boven alle andere de voorkeur geeft, als hij ’t niet zelf gezegd had. Mijn nichtjes hebben me toch zóó geplaagd! Ik zeg wel eens, ik weet niet, waar ik mijn gezicht zal bergen, wanneer zij beginnen.”Zij was afgedwaald tot een onderwerp, waarover Elinor niets had te zeggen, en vond het dus geraden, tot het eerste terug te keeren.“Hoor eens, Juffrouw Dashwood,” zei ze zegevierend, “de menschen mogen nu zeggen wat ze willen, van dat Mijnheer Ferrars beweerd had, dat hij Lucy niet wou hebben; maar daar is niets van aan, hoor; en ’t is schande, dat er zulke leelijke praatjes worden rondgestrooid. Wàt Lucy zelf er ook van vond, andere menschen hadden volstrekt niet noodig, dat maar zoo voor waar aan te nemen.”“Ik heb in de verste verte niets van dien aard gehoord,” zei Elinor, “dat kan ik u verzekeren.”“O zoo! niet? Maar ’twerdtoch verteld; dat weet ik zeker, en door verschillende menschen; want Juffrouw Godby had tegen Juffrouw Sparks gezegd, dat niemand die bij zijn verstand was, kon verwachten, dat Mijnheer Ferrars iemand als Juffrouw Morton, die dertig duizend pond meebrengt, zou laten loopen voor Lucy Steele, die geen cent bezat; en dat hoorde ik van Juffrouw Sparks zelf. Mijn neef Richard zei trouwens ook al, als ’t er zóó voor stond, dan was hij bang, dat Mijnheer Ferrars ons liet zitten, en toen Edward zich in geen drie dagen bij ons vertoonde, wist ik zelf niet, wat ik ervan moest denken; ik geloof dat Lucy in haar hart ook alles al had opgegeven; want we gingen Woensdag weg bij uw broer, en Donderdag, Vrijdag en Zaterdag kregen we hem niet te zien, en we wisten ook niet, wat er met hem gebeurd was. Eenmaal dacht Lucy erover, hem te schrijven; maar dat kon ze toen toch weer niet van zichzelf verkrijgen. Nu, maar van morgen is hij dan tochgekomen, juist toen wij thuiskwamen uit de kerk; en toen kregen we alles te hooren, dat hij Woensdag in Harley Street had moeten komen, en hoe zijn moeder en allemaal hem hadden willen bepraten, en dat hij ronduit had gezegd, hij hield van niemand dan Lucy, en hij wou Lucy hebben, en geen ander. En dat hij er zoo ellendig over geweest was, dat hij, zóó als hij uit zijn moeders huis kwam, te paard was gesprongen en de stad uit was gereden, ik weet niet meer waarheen; en dat hij den heelen Donderdag en Vrijdag daar ergens in een logement was gebleven, om zich eroverheen te zetten. En toen hij alles nog eens weer goed overdacht had, zei hij, leek het hem zoo, nu hij geen geld had en niets in de wereld bezat, dat het tegenover haar niet goed zou zijn, als hij haar gebonden hield door die verloving, omdat zij erbij zou verliezen; want hij bezat niets dan tweeduizend pond en kon niets meer verwachten; en als hij predikant zou worden, waar hij over dacht, dan werd hij toch maar hulpprediker vooreerst, en hoe zouden ze dan moeten rondkomen?—Hij vond dat voor haar een te treurig vooruitzicht, en hij vroeg haar, als ze ook maar in ’t minst ertoe geneigd was, er een eind aan te maken; en dan zou hij wel voor zichzelf zien, hoe hij er kwam. Dat hoorde ik hem alles duidelijk zeggen. En ’t was enkel om háár, en voor haar bestwil, dat hij een woord zei over afmaken, niet om hemzelf. Ik verzeker u heilig, dat hij zich geen woord liet ontvallen van dat hij genoeg van haar had, of dat hij liever met Juffrouw Morton zou trouwen, of zoo iets. Maar natuurlijk, Lucy wou van dat alles niets hooren, dat zei ze hem dadelijk (met nog een heelen omhaal van verliefde praatjes en zoo—och, u weet wel, dat kan je zoo niet oververtellen); ze zei, ze dacht er niet over om het af te maken, want ze kon met hem best van een klein inkomen leven, en hoe weinig hij ook bezat, ze zou blij zijn als ze ’t kreeg, of zoo iets, dat kan u zich wel voorstellen. Nu: toenwas hij in de wolken natuurlijk, en praatte erover wat ze nu zouden beginnen, en ze spraken af, dat hij zoo gauw mogelijk zou zien de wijding als geestelijke te ontvangen, en dat ze zouden wachten met trouwen tot hij als predikant zou worden aangesteld. Toen kon ik niet méér hooren, want mijn nichtje riep van beneden, dat Mevrouw Richardson een van ons beiden in haar koets mee naar Kensington Gardens wou nemen; dus moest ik wel in de kamer gaan en hen storen, om Lucy te vragen, of zij misschien wou gaan; maar zij wou Edward niet alleen laten; dus liep ik gauw naar boven om een paar zijden kousen aan te trekken, en nu ben ik hier met de Richardsons.”“Ik begrijp niet, wat u bedoelt met “hen storen,” zei Elinor; “u waart toch met hen in de zelfde kamer, niet waar?”“Welnee! hoe komt u erbij?—Heere, Juffrouw Dashwood, denkt u, dat zulke verliefde lui vrijen, waar anderen bij zijn? O foei, neen; ik dacht, dat u wel beter wist!” (Hierbij lachte ze gemaakt). “Neen, neen, ze zaten samen in den salon, en ik hoorde alles, omdat ik aan de deur stond te luisteren.”“Maar hebt u dan nu,” riep Elinor, “voor mij herhaald, wat u zelf hebt gehoord door te luisteren aan de deur? Het spijt mij wel zeer, dat ik dit niet eerder heb geweten; want ik zou stellig hebben geweigerd, uit uw mond bijzonderheden te vernemen, die u zelve niet behoordet te weten. Hoe kondt u zoo oneerlijk zijn tegenover uw zuster?”“Och kom, wat doet dàt er nu toe! Ik stond alleen maar bij de deur, en ik hoorde wat ik kon opvangen. Ik weet zeker dat Lucy tegenover mij precies ’t zelfde zou hebben gedaan, want een jaar of wat geleden, toen ik altijd geheimen had met Martha Sharpe, vond zij er niets in, zich in de kast te verstoppen, of onder den schoorsteen, om af te luisteren wat wij elkaar vertelden.”Elinor poogde over iets anders te spreken; maar Juffrouw Steele kon geen twee minuten afblijven van het onderwerp dat haar op dit oogenblik vervulde.“Edward sprak ervan, gauw naar Oxford te gaan,” zei ze; “maar vooreerst logeert hij in Pall Mall, no. 14. Wat een akelig mensch toch, die moeder van hem! En uw broer en zuster waren ook lang niet aardig! Maar tegenuwil ik van hen geen kwaad zeggen; ze stuurden ons toch nog naar huis in hun eigen rijtuig; dat was meer dan ik verwachtte.Ikwas maar bang, dat uw zuster ons naar die mooie naaldenboekjes zou vragen, die ze ons voor een paar dagen had gegeven; maar niemand zei er iets van, en ik stopte ’t mijne weg. Edward zegt, dat hij nu een poos in Oxford moet werken; dus daar blijft hij nu een tijdje, en zoo gauw hij dan maar een bisschop kan vinden, wordt hij gewijd. Ik ben benieuwd in welke plaats hij dan wordt aangesteld!—O jé, (hier begon zij te giegelen) “ik wed, dat ik weet wat mijn nichtjes zullen zeggen, als ze ervan hooren. Dan willen ze, dat ik aan den dokter zal schrijven, om voor Edward een goed woordje te doen. Dat weet ik stellig; maar ik zou ’t niet doen, al was ’t ook nòg zoo. “Verbeeld je,” zal ik tegen hen zeggen, “ik begrijp niet, waar jelui ’t vandaan haalt.Ikaan den dokter schrijven, stel je voor!”“Nu,” zei Elinor, “’t is altijd goed, op alles te zijn voorbereid. Uw antwoord hebt u ten minste klaar.”Juffrouw Steele wilde verder doorgaan op dat onderwerp; maar daar zij haar eigen gezelschap nu zag aankomen, scheen iets anders haar meer dringend.“O jé, daar komen de Richardsons aan. Ik had u nog een heeleboel te zeggen; maar ik mag ze niet langer in den steek laten. ’t Zijn deftige lui, hoor. Hij verdient geld als water, en ze hebben eigenrijtuig. Ik heb nu geen tijd om ’t Mevrouw Jennings zelf te vertellen, maar zegt u haar maar, dat ik blij ben, dat ze niet boos op ons is, en Lady Middleton ook niet; en als u en uw zuster misschien eens zoudt moeten weggaan, en Mevrouw Jennings graag wat gezelschap heeft, dan zouden wij met pleizier bij haar komen, zoolang ze maar wil. Ik denk niet, dat Lady Middleton ons ditmaal nog wéér verzoeken zal. Nu, tot ziens; ’t spijt mij dat Juffrouw Marianne niet hier was. U wilt haar wel van mij groeten. Heden—hebt u die dunne japon met de moesjes aan?—was u niet bang dat het goed zou scheuren?”—Met die bezorgde vraag nam zij afscheid; want zij had nog slechts even den tijd om Mevrouw Jennings goeden dag te zeggen, eer Mevrouw Richardson haar kwam afhalen, en Elinor bleef achter met de wetenschap van ’t een en ander, dat haar stof tot nadenken gaf, hoewel zij weinig meer vernomen had, dan ’t geen zij reeds in stilte zelve voorzien en overlegd had. Edward’s huwelijk met Lucy stond even vast, en het tijdstip der voltrekking ervan bleef even onzeker, als zij verwacht had;—alles hing af, precies zooals zij had gedacht, van de mogelijkheid, dat hem een predikantsplaats zou worden aangeboden; iets, waarop voorloopig niet de minste kans bestond.Zoodra ze weer in het rijtuig zaten, wilde Mevrouw Jennings alles hooren; maar daar Elinor zoo min mogelijk dingen wilde verder vertellen, die, om te beginnen, door ongeoorloofde middelen te harer kennis waren gekomen, beperkte zij zich tot de korte mededeeling van die bijzonderheden, welke zij begreep, dat Lucy, terwille van haar eigen waardigheid, gaarne algemeen bekend zou zien. Zij had niet anders te berichten dan het voortduren van de verloving, en de middelen die zouden worden aangewend om het einde ervan te bespoedigen; ’t geen Mevrouw Jennings het zeer natuurlijkeantwoord ontlokte: “Wachten tot hij een predikantsplaats krijgt—ja, dat weten we allemaal wel, waaropdatuitloopt;—dat houden ze een jaar vol, en als ze dan zien dat het niets helpt, nemen ze een betrekking voor lief als hulpprediker, en dan moeten ze ’t stellen met vijftig pond in ’t jaar, de rente van zijn tweeduizend pond, en het beetje, dat Mijnheer Steele en Mijnheer Pratt haar kunnen afstaan. Dan komt er ieder jaar een kind! en och, och, wat zullen ze zich moeten behelpen!—ik moet eens zien, wat ik hun kan geven voor ’t inrichten van hun huisje. En gisteren praatte ik nog van twee meisjes en twee knechts! ’t lijkt er niet naar.—Neen, ze moeten een flinke werkster hebben.—Betty’s zuster zou hunnuniet meer passen.”Den volgenden morgen bracht de post Elinor een brief van Lucy zelf. Zij schreef:Bartlett’s Buildings, Maart.Ik hoop dat mijn waarde Juffrouw Dashwood mij niet kwalijk zal nemen, dat ik zoo vrij ben aan haar te schrijven; maar ik weet dat uw vriendschap voor mij de reden zal zijn, dat het u genoegen doet zooveel goeds te hooren van mij en mijn beste Edward, na al ’t verdriet dat we in den laatsten tijd hebben doorgemaakt, en wil ik daarom niet doorgaan met verontschuldigen, maar verder vermelden dat wij, hoewel we beiden veel hebben geleden, nu goddank allebei gezond en wel zijn, en zoo gelukkig, als wij steeds moeten zijn in elkanders liefde. Wij hebben zware beproevingen en vervolgingen doorstaan; maar mogen ons toch tevens dankbaar verheugen in ’t bezit van vele vrienden, uzelf niet in de laatste plaats, wier groote vriendelijkheid ik altoos dankbaar zal gedenken, en Edward ook, die ik het verteld heb. Het zal u pleizier doen te hooren, en de lieve Mevrouw Jennings ook, dat ik gisteren twee gelukkige uren methem doorbracht; hij wilde niet hooren van een scheiding tusschen ons, hoewel ik, zooals ik dacht dat mijn plicht was, er ernstig bij hem op aandrong, uit voorzichtigheid, en zou meteen afscheid van hem hebben genomen voorgoed, als hij erin had toegestemd; maar hij zei, dàt nooit; hij gaf niet om zijn moeder’s boosheid, zoolang hij mijn liefde bezat; onze vooruitzichten zijn niet schitterend, maar wij moeten wachten en het beste hopen; hij zal spoedig de wijding ontvangen, en als u ooit in de gelegenheid komt, hem aan te bevelen aan iemand, die een predikantsplaats heeft te vergeven, zoo zult u ons wel niet vergeten, en weet ik wel zeker dat de lieve mevrouw Jennings een goed woordje voor ons zal doen bij Sir John, of Mijnheer Palmer, of wie ook, die ons op de eene of andere manier helpen kan.—Die arme Anne heeft wel erg verkeerd gedaan; maar zij deed het om bestwil, en zeg ik dus maar niets; hoop, dat Mevrouw Jennings niet tegen de moeite zal opzien om ons eens te bezoeken als zij dezen kant uitkomt, we zouden ’t erg vriendelijk vinden, en mijn nichtjes zouden haar erg graag leeren kennen. Het papier is bijna vol, en blijf ik, met veel dankbare en eerbiedige groeten aan haar en aan Sir John en Lady Middleton, en de lieve kinderen, als u ze ziet, en veel complimenten aan Juffrouw Marianne de uwe, enz.”Zoodra Elinor den brief had gelezen, gaf zij dien, zooals zij begreep, dat de bedoeling der schrijfster was geweest, aan Mevrouw Jennings, die het schrijven hardop voorlas, met vele uitroepen van voldoening en lof.“Aardig gezegd!—wat schrijft ze goed!—ja zeker, dat was best, hem vrij te laten, als hij ’t wenschte. Net iets voor Lucy.—Arm kind, ik wou dat ik hem een predikantsplaatskonbezorgen, ’k zou ’t graag doen.—“De lieve mevrouw Jennings,” zegt ze, zie je wel? Ze is een best meisje,met een hart van goud.—’t Is bepaald mooi. Ze kan ’t maar aardig zeggen.—Ja stellig ga ik haar eens gauw opzoeken.—Wat is ze oplettend, ze denkt aan iedereen!—Dank je wel, kind, dat je hem mij hebt laten lezen. ’t Is een echtmooiebrief, die Lucy’s hoofd en hart tot eer strekt.”
Mevrouw Jennings prees Edward’s gedrag met groote warmte, maar alleen Elinor en Marianne beseften de ware verdienste ervan.Zijalleen wisten, hoe weinig hem verlokte tot ongehoorzaamheid, en hoe gering de troost was, die hem overbleef, bij het verlies van vrienden en fortuin, buiten de zekerheid, goed te hebben gehandeld. Elinor was vervuld van blijden trots om zijn rechtschapenheid, en Marianne vergaf hem al zijn wandaden uit medelijden met zijn straf. Maar hoewel, na deze openlijke ontdekking, het oude vertrouwen tusschen hen was teruggekeerd, was dit toch niet een onderwerp, waarover zij gaarne spraken, als zij alleen waren. Elinor vermeed het uit beginsel, daar het door Marianne’s al te vurige, al te stellige verzekeringen, licht kon leiden tot een te aanhoudend verwijlen van haar gedachten bij de voorstelling van Edward’s blijvende genegenheid voor haarzelve, welke zij liever van zich wildeafzetten; en Marianne ontzonk spoedig de moed, als zij poogde te spreken over een onderwerp, dat haar altijd een ontevreden gevoel gaf met zichzelve, door de vergelijking, die het wel moest oproepen tusschen Elinor’s gedrag en het hare. Het treffende van die vergelijking gevoelde zij ten volle; doch dit noopte haar thans niet tot inspanning, zooals hare zuster had gehoopt; het ging gepaard met de pijn van een aanhoudend zelfverwijt, waarin zij bitter betreurde zich te voren nooit te hebben ingespannen; doch het bracht enkel de kwelling mede van berouw, zonder hoop op verbetering. Haar geest was zoozeer verslapt, dat zij het nog steeds onmogelijk waande, haar kracht te beproeven, en daardoor te meer ontmoedigd werd.
In de eerstvolgende paar dagen vernamen zij niets nieuws, noch uit Harley Street, noch uit Bartlett’s Buildings. Maar hoewel zij reeds zooveel van de zaak wisten, dat Mevrouw Jennings genoeg te doen zou hebben gehad met het verder verbreiden van die kennis, zonder naar meer te verlangen, had zij dadelijk besloten, zoodra ze kon, haar nichten een bezoek te brengen, om hen te troosten en navraag te doen, en alleen een grootere toeloop van bezoek dan gewoonlijk had haar verhinderd dat plan ten uitvoer te brengen.
De derde dag nadat het bericht hun ter oore was gekomen, was een prachtige Zondag, die velen uitlokte tot een bezoek aan Kensington Gardens, hoewel het nog slechts de tweede week was van Maart. Tot die bezoekers behoorden ook Mevrouw Jennings en Elinor; doch Marianne, die wist, dat de Willoughby’s weer in de stad waren, en altijd bang was, hen te ontmoeten, wilde liever thuisblijven dan zich vertoonen op een plaats, waar zooveel menschen bijeen kwamen.
Een goede kennis van Mevrouw Jennings voegde zich bij hen, zoodra zij het hek waren binnengegaan, en het speet Elinor niet, dat zij hun gezelschap bleefhouden, en druk doorpraatte met Mevrouw Jennings, zoodat zij zelve rustig kon nadenken. De Willoughby’s zag zij niet; Edward evenmin; en een tijdlang vertoonde zich niemand, die om eenige reden, ’t zij van ernstigen of vroolijken aard, haar belangstelling kon wekken. Eindelijk echter werd zij, tot haar verwondering, aangesproken door de oudste Juffrouw Steele, die, hoewel een weinig verlegen kijkend, toch haar genoegen te kennen gaf, hen te zien, en, aangemoedigd door Mevrouw Jennings’ buitengewone vriendelijkheid, haar eigen gezelschap een poosje verliet, om zich bij hen te voegen. Mevrouw Jennings fluisterde Elinor haastig toe: “Zie, dat je alles te weten komt, kind. Ze vertelt je, wat je wilt, als je maar vraagt. Je ziet wel, ik moet bij Mevrouw Clarke blijven.”
Het trof gelukkig voor Mevrouw Jennings’ nieuwsgierigheid, en die van Elinor eveneens, dat Anne alles wel wilde vertellen,zondergevraagd te worden; want anders hadden zij niets vernomen.
“Ik ben zoo blij, dat ik u hier tref,” zei Juffrouw Steele, haar vertrouwelijk in den arm nemend; “want ik verlangde juist erg om u eens te spreken”; en met zachtere stem voegde zij erbij: “Mevrouw Jennings heeft zeker al alles gehoord. Is ze boos?”
“Op u, geloof ik, in ’t geheel niet.”
“Dat treft. En Lady Middleton, isdieboos?”
“Dat lijkt mij haast niet mogelijk.”
“Wat ben ik dáár blij om! Och lieve deugd, wat heb ik al niet uitgestaan! Ik heb Lucy nog nooit van mijn leven zóó woedend gezien. Ze hield bij hoog en laag vol, dat ze nooit weer een hoed voor mij zou opmaken, of wàt ook voor mij doen, zoolang ze leefde; maar ’t is nu al weer bijgetrokken en we zijn weer beste maatjes. Zie eens, dien strik op mijn hoed heeft zij gemaakt; gisteravond heeft ze er de veer op gezet. Kijk, nu lacht u óók alweer om mij. Maar waarom zou ik geen rose mogen dragen!Ikkan toch niet helpen, dat het de lievelingskleur vanden dokter is. Ik zou ’t waarlijk niet hebben geweten, dat hij aan die kleur boven alle andere de voorkeur geeft, als hij ’t niet zelf gezegd had. Mijn nichtjes hebben me toch zóó geplaagd! Ik zeg wel eens, ik weet niet, waar ik mijn gezicht zal bergen, wanneer zij beginnen.”
Zij was afgedwaald tot een onderwerp, waarover Elinor niets had te zeggen, en vond het dus geraden, tot het eerste terug te keeren.
“Hoor eens, Juffrouw Dashwood,” zei ze zegevierend, “de menschen mogen nu zeggen wat ze willen, van dat Mijnheer Ferrars beweerd had, dat hij Lucy niet wou hebben; maar daar is niets van aan, hoor; en ’t is schande, dat er zulke leelijke praatjes worden rondgestrooid. Wàt Lucy zelf er ook van vond, andere menschen hadden volstrekt niet noodig, dat maar zoo voor waar aan te nemen.”
“Ik heb in de verste verte niets van dien aard gehoord,” zei Elinor, “dat kan ik u verzekeren.”
“O zoo! niet? Maar ’twerdtoch verteld; dat weet ik zeker, en door verschillende menschen; want Juffrouw Godby had tegen Juffrouw Sparks gezegd, dat niemand die bij zijn verstand was, kon verwachten, dat Mijnheer Ferrars iemand als Juffrouw Morton, die dertig duizend pond meebrengt, zou laten loopen voor Lucy Steele, die geen cent bezat; en dat hoorde ik van Juffrouw Sparks zelf. Mijn neef Richard zei trouwens ook al, als ’t er zóó voor stond, dan was hij bang, dat Mijnheer Ferrars ons liet zitten, en toen Edward zich in geen drie dagen bij ons vertoonde, wist ik zelf niet, wat ik ervan moest denken; ik geloof dat Lucy in haar hart ook alles al had opgegeven; want we gingen Woensdag weg bij uw broer, en Donderdag, Vrijdag en Zaterdag kregen we hem niet te zien, en we wisten ook niet, wat er met hem gebeurd was. Eenmaal dacht Lucy erover, hem te schrijven; maar dat kon ze toen toch weer niet van zichzelf verkrijgen. Nu, maar van morgen is hij dan tochgekomen, juist toen wij thuiskwamen uit de kerk; en toen kregen we alles te hooren, dat hij Woensdag in Harley Street had moeten komen, en hoe zijn moeder en allemaal hem hadden willen bepraten, en dat hij ronduit had gezegd, hij hield van niemand dan Lucy, en hij wou Lucy hebben, en geen ander. En dat hij er zoo ellendig over geweest was, dat hij, zóó als hij uit zijn moeders huis kwam, te paard was gesprongen en de stad uit was gereden, ik weet niet meer waarheen; en dat hij den heelen Donderdag en Vrijdag daar ergens in een logement was gebleven, om zich eroverheen te zetten. En toen hij alles nog eens weer goed overdacht had, zei hij, leek het hem zoo, nu hij geen geld had en niets in de wereld bezat, dat het tegenover haar niet goed zou zijn, als hij haar gebonden hield door die verloving, omdat zij erbij zou verliezen; want hij bezat niets dan tweeduizend pond en kon niets meer verwachten; en als hij predikant zou worden, waar hij over dacht, dan werd hij toch maar hulpprediker vooreerst, en hoe zouden ze dan moeten rondkomen?—Hij vond dat voor haar een te treurig vooruitzicht, en hij vroeg haar, als ze ook maar in ’t minst ertoe geneigd was, er een eind aan te maken; en dan zou hij wel voor zichzelf zien, hoe hij er kwam. Dat hoorde ik hem alles duidelijk zeggen. En ’t was enkel om háár, en voor haar bestwil, dat hij een woord zei over afmaken, niet om hemzelf. Ik verzeker u heilig, dat hij zich geen woord liet ontvallen van dat hij genoeg van haar had, of dat hij liever met Juffrouw Morton zou trouwen, of zoo iets. Maar natuurlijk, Lucy wou van dat alles niets hooren, dat zei ze hem dadelijk (met nog een heelen omhaal van verliefde praatjes en zoo—och, u weet wel, dat kan je zoo niet oververtellen); ze zei, ze dacht er niet over om het af te maken, want ze kon met hem best van een klein inkomen leven, en hoe weinig hij ook bezat, ze zou blij zijn als ze ’t kreeg, of zoo iets, dat kan u zich wel voorstellen. Nu: toenwas hij in de wolken natuurlijk, en praatte erover wat ze nu zouden beginnen, en ze spraken af, dat hij zoo gauw mogelijk zou zien de wijding als geestelijke te ontvangen, en dat ze zouden wachten met trouwen tot hij als predikant zou worden aangesteld. Toen kon ik niet méér hooren, want mijn nichtje riep van beneden, dat Mevrouw Richardson een van ons beiden in haar koets mee naar Kensington Gardens wou nemen; dus moest ik wel in de kamer gaan en hen storen, om Lucy te vragen, of zij misschien wou gaan; maar zij wou Edward niet alleen laten; dus liep ik gauw naar boven om een paar zijden kousen aan te trekken, en nu ben ik hier met de Richardsons.”
“Ik begrijp niet, wat u bedoelt met “hen storen,” zei Elinor; “u waart toch met hen in de zelfde kamer, niet waar?”
“Welnee! hoe komt u erbij?—Heere, Juffrouw Dashwood, denkt u, dat zulke verliefde lui vrijen, waar anderen bij zijn? O foei, neen; ik dacht, dat u wel beter wist!” (Hierbij lachte ze gemaakt). “Neen, neen, ze zaten samen in den salon, en ik hoorde alles, omdat ik aan de deur stond te luisteren.”
“Maar hebt u dan nu,” riep Elinor, “voor mij herhaald, wat u zelf hebt gehoord door te luisteren aan de deur? Het spijt mij wel zeer, dat ik dit niet eerder heb geweten; want ik zou stellig hebben geweigerd, uit uw mond bijzonderheden te vernemen, die u zelve niet behoordet te weten. Hoe kondt u zoo oneerlijk zijn tegenover uw zuster?”
“Och kom, wat doet dàt er nu toe! Ik stond alleen maar bij de deur, en ik hoorde wat ik kon opvangen. Ik weet zeker dat Lucy tegenover mij precies ’t zelfde zou hebben gedaan, want een jaar of wat geleden, toen ik altijd geheimen had met Martha Sharpe, vond zij er niets in, zich in de kast te verstoppen, of onder den schoorsteen, om af te luisteren wat wij elkaar vertelden.”
Elinor poogde over iets anders te spreken; maar Juffrouw Steele kon geen twee minuten afblijven van het onderwerp dat haar op dit oogenblik vervulde.
“Edward sprak ervan, gauw naar Oxford te gaan,” zei ze; “maar vooreerst logeert hij in Pall Mall, no. 14. Wat een akelig mensch toch, die moeder van hem! En uw broer en zuster waren ook lang niet aardig! Maar tegenuwil ik van hen geen kwaad zeggen; ze stuurden ons toch nog naar huis in hun eigen rijtuig; dat was meer dan ik verwachtte.Ikwas maar bang, dat uw zuster ons naar die mooie naaldenboekjes zou vragen, die ze ons voor een paar dagen had gegeven; maar niemand zei er iets van, en ik stopte ’t mijne weg. Edward zegt, dat hij nu een poos in Oxford moet werken; dus daar blijft hij nu een tijdje, en zoo gauw hij dan maar een bisschop kan vinden, wordt hij gewijd. Ik ben benieuwd in welke plaats hij dan wordt aangesteld!—O jé, (hier begon zij te giegelen) “ik wed, dat ik weet wat mijn nichtjes zullen zeggen, als ze ervan hooren. Dan willen ze, dat ik aan den dokter zal schrijven, om voor Edward een goed woordje te doen. Dat weet ik stellig; maar ik zou ’t niet doen, al was ’t ook nòg zoo. “Verbeeld je,” zal ik tegen hen zeggen, “ik begrijp niet, waar jelui ’t vandaan haalt.Ikaan den dokter schrijven, stel je voor!”
“Nu,” zei Elinor, “’t is altijd goed, op alles te zijn voorbereid. Uw antwoord hebt u ten minste klaar.”
Juffrouw Steele wilde verder doorgaan op dat onderwerp; maar daar zij haar eigen gezelschap nu zag aankomen, scheen iets anders haar meer dringend.
“O jé, daar komen de Richardsons aan. Ik had u nog een heeleboel te zeggen; maar ik mag ze niet langer in den steek laten. ’t Zijn deftige lui, hoor. Hij verdient geld als water, en ze hebben eigenrijtuig. Ik heb nu geen tijd om ’t Mevrouw Jennings zelf te vertellen, maar zegt u haar maar, dat ik blij ben, dat ze niet boos op ons is, en Lady Middleton ook niet; en als u en uw zuster misschien eens zoudt moeten weggaan, en Mevrouw Jennings graag wat gezelschap heeft, dan zouden wij met pleizier bij haar komen, zoolang ze maar wil. Ik denk niet, dat Lady Middleton ons ditmaal nog wéér verzoeken zal. Nu, tot ziens; ’t spijt mij dat Juffrouw Marianne niet hier was. U wilt haar wel van mij groeten. Heden—hebt u die dunne japon met de moesjes aan?—was u niet bang dat het goed zou scheuren?”—
Met die bezorgde vraag nam zij afscheid; want zij had nog slechts even den tijd om Mevrouw Jennings goeden dag te zeggen, eer Mevrouw Richardson haar kwam afhalen, en Elinor bleef achter met de wetenschap van ’t een en ander, dat haar stof tot nadenken gaf, hoewel zij weinig meer vernomen had, dan ’t geen zij reeds in stilte zelve voorzien en overlegd had. Edward’s huwelijk met Lucy stond even vast, en het tijdstip der voltrekking ervan bleef even onzeker, als zij verwacht had;—alles hing af, precies zooals zij had gedacht, van de mogelijkheid, dat hem een predikantsplaats zou worden aangeboden; iets, waarop voorloopig niet de minste kans bestond.
Zoodra ze weer in het rijtuig zaten, wilde Mevrouw Jennings alles hooren; maar daar Elinor zoo min mogelijk dingen wilde verder vertellen, die, om te beginnen, door ongeoorloofde middelen te harer kennis waren gekomen, beperkte zij zich tot de korte mededeeling van die bijzonderheden, welke zij begreep, dat Lucy, terwille van haar eigen waardigheid, gaarne algemeen bekend zou zien. Zij had niet anders te berichten dan het voortduren van de verloving, en de middelen die zouden worden aangewend om het einde ervan te bespoedigen; ’t geen Mevrouw Jennings het zeer natuurlijkeantwoord ontlokte: “Wachten tot hij een predikantsplaats krijgt—ja, dat weten we allemaal wel, waaropdatuitloopt;—dat houden ze een jaar vol, en als ze dan zien dat het niets helpt, nemen ze een betrekking voor lief als hulpprediker, en dan moeten ze ’t stellen met vijftig pond in ’t jaar, de rente van zijn tweeduizend pond, en het beetje, dat Mijnheer Steele en Mijnheer Pratt haar kunnen afstaan. Dan komt er ieder jaar een kind! en och, och, wat zullen ze zich moeten behelpen!—ik moet eens zien, wat ik hun kan geven voor ’t inrichten van hun huisje. En gisteren praatte ik nog van twee meisjes en twee knechts! ’t lijkt er niet naar.—Neen, ze moeten een flinke werkster hebben.—Betty’s zuster zou hunnuniet meer passen.”
Den volgenden morgen bracht de post Elinor een brief van Lucy zelf. Zij schreef:
Bartlett’s Buildings, Maart.Ik hoop dat mijn waarde Juffrouw Dashwood mij niet kwalijk zal nemen, dat ik zoo vrij ben aan haar te schrijven; maar ik weet dat uw vriendschap voor mij de reden zal zijn, dat het u genoegen doet zooveel goeds te hooren van mij en mijn beste Edward, na al ’t verdriet dat we in den laatsten tijd hebben doorgemaakt, en wil ik daarom niet doorgaan met verontschuldigen, maar verder vermelden dat wij, hoewel we beiden veel hebben geleden, nu goddank allebei gezond en wel zijn, en zoo gelukkig, als wij steeds moeten zijn in elkanders liefde. Wij hebben zware beproevingen en vervolgingen doorstaan; maar mogen ons toch tevens dankbaar verheugen in ’t bezit van vele vrienden, uzelf niet in de laatste plaats, wier groote vriendelijkheid ik altoos dankbaar zal gedenken, en Edward ook, die ik het verteld heb. Het zal u pleizier doen te hooren, en de lieve Mevrouw Jennings ook, dat ik gisteren twee gelukkige uren methem doorbracht; hij wilde niet hooren van een scheiding tusschen ons, hoewel ik, zooals ik dacht dat mijn plicht was, er ernstig bij hem op aandrong, uit voorzichtigheid, en zou meteen afscheid van hem hebben genomen voorgoed, als hij erin had toegestemd; maar hij zei, dàt nooit; hij gaf niet om zijn moeder’s boosheid, zoolang hij mijn liefde bezat; onze vooruitzichten zijn niet schitterend, maar wij moeten wachten en het beste hopen; hij zal spoedig de wijding ontvangen, en als u ooit in de gelegenheid komt, hem aan te bevelen aan iemand, die een predikantsplaats heeft te vergeven, zoo zult u ons wel niet vergeten, en weet ik wel zeker dat de lieve mevrouw Jennings een goed woordje voor ons zal doen bij Sir John, of Mijnheer Palmer, of wie ook, die ons op de eene of andere manier helpen kan.—Die arme Anne heeft wel erg verkeerd gedaan; maar zij deed het om bestwil, en zeg ik dus maar niets; hoop, dat Mevrouw Jennings niet tegen de moeite zal opzien om ons eens te bezoeken als zij dezen kant uitkomt, we zouden ’t erg vriendelijk vinden, en mijn nichtjes zouden haar erg graag leeren kennen. Het papier is bijna vol, en blijf ik, met veel dankbare en eerbiedige groeten aan haar en aan Sir John en Lady Middleton, en de lieve kinderen, als u ze ziet, en veel complimenten aan Juffrouw Marianne de uwe, enz.”
Bartlett’s Buildings, Maart.
Ik hoop dat mijn waarde Juffrouw Dashwood mij niet kwalijk zal nemen, dat ik zoo vrij ben aan haar te schrijven; maar ik weet dat uw vriendschap voor mij de reden zal zijn, dat het u genoegen doet zooveel goeds te hooren van mij en mijn beste Edward, na al ’t verdriet dat we in den laatsten tijd hebben doorgemaakt, en wil ik daarom niet doorgaan met verontschuldigen, maar verder vermelden dat wij, hoewel we beiden veel hebben geleden, nu goddank allebei gezond en wel zijn, en zoo gelukkig, als wij steeds moeten zijn in elkanders liefde. Wij hebben zware beproevingen en vervolgingen doorstaan; maar mogen ons toch tevens dankbaar verheugen in ’t bezit van vele vrienden, uzelf niet in de laatste plaats, wier groote vriendelijkheid ik altoos dankbaar zal gedenken, en Edward ook, die ik het verteld heb. Het zal u pleizier doen te hooren, en de lieve Mevrouw Jennings ook, dat ik gisteren twee gelukkige uren methem doorbracht; hij wilde niet hooren van een scheiding tusschen ons, hoewel ik, zooals ik dacht dat mijn plicht was, er ernstig bij hem op aandrong, uit voorzichtigheid, en zou meteen afscheid van hem hebben genomen voorgoed, als hij erin had toegestemd; maar hij zei, dàt nooit; hij gaf niet om zijn moeder’s boosheid, zoolang hij mijn liefde bezat; onze vooruitzichten zijn niet schitterend, maar wij moeten wachten en het beste hopen; hij zal spoedig de wijding ontvangen, en als u ooit in de gelegenheid komt, hem aan te bevelen aan iemand, die een predikantsplaats heeft te vergeven, zoo zult u ons wel niet vergeten, en weet ik wel zeker dat de lieve mevrouw Jennings een goed woordje voor ons zal doen bij Sir John, of Mijnheer Palmer, of wie ook, die ons op de eene of andere manier helpen kan.—Die arme Anne heeft wel erg verkeerd gedaan; maar zij deed het om bestwil, en zeg ik dus maar niets; hoop, dat Mevrouw Jennings niet tegen de moeite zal opzien om ons eens te bezoeken als zij dezen kant uitkomt, we zouden ’t erg vriendelijk vinden, en mijn nichtjes zouden haar erg graag leeren kennen. Het papier is bijna vol, en blijf ik, met veel dankbare en eerbiedige groeten aan haar en aan Sir John en Lady Middleton, en de lieve kinderen, als u ze ziet, en veel complimenten aan Juffrouw Marianne de uwe, enz.”
Zoodra Elinor den brief had gelezen, gaf zij dien, zooals zij begreep, dat de bedoeling der schrijfster was geweest, aan Mevrouw Jennings, die het schrijven hardop voorlas, met vele uitroepen van voldoening en lof.
“Aardig gezegd!—wat schrijft ze goed!—ja zeker, dat was best, hem vrij te laten, als hij ’t wenschte. Net iets voor Lucy.—Arm kind, ik wou dat ik hem een predikantsplaatskonbezorgen, ’k zou ’t graag doen.—“De lieve mevrouw Jennings,” zegt ze, zie je wel? Ze is een best meisje,met een hart van goud.—’t Is bepaald mooi. Ze kan ’t maar aardig zeggen.—Ja stellig ga ik haar eens gauw opzoeken.—Wat is ze oplettend, ze denkt aan iedereen!—Dank je wel, kind, dat je hem mij hebt laten lezen. ’t Is een echtmooiebrief, die Lucy’s hoofd en hart tot eer strekt.”
Hoofdstuk XXXIXDe dames Dashwood waren nu reeds ruim twee maanden in de stad geweest, en met iederen dag groeide Marianne’s verlangen aan, om te vertrekken. Zij snakte naar de buitenlucht, de vrijheid, de rust van het landleven, en verbeeldde zich, als zij ergens tot kalmte kon komen, dat het in Barton moest zijn. Elinor was bijna niet minder verlangend dan zijzelve om te gaan, en slechts in zooverre minder geneigd om het plan aanstonds ten uitvoer te brengen, als zij de bezwaren inzag, verbonden aan zulk een lange reis, die Marianne niet verkoos in aanmerking te nemen. Zij begon echter thans ernstig te denken over het vertrek, en zij had haar wensch reeds te kennen gegeven aan haar vriendelijke gastvrouw, die zich met al haar hartelijke welsprekendheid ertegen verzette, toen een plan werd geopperd, dat, hoewel het hen nog een paar weken langer van huis zou doen blijven, Elinor toch verkieselijker scheen dan eenig ander. De Palmers zouden in het laatst van Maart naar Cleveland vertrekken, voor de Paaschvacantie, en Mevrouw Jennings werd mèt haar beide vriendinnen, allerhartelijkst door Charlotte uitgenoodigd, met hen mede te gaan. Dit zou op zichzelf niet voldoende zijn geweest om Elinor’s schroomvalligheidte overwinnen; doch het verzoek werd zoo beleefd en dringend ondersteund door den Heer Palmer, wiens houding tegenover hen zeer was verbeterd, sedert hij wist van haar zuster’s teleurstelling, dat zij de uitnoodiging met genoegen aannam. Toen zij het aan Marianne vertelde, was het eerste antwoord, dat zij ontving, niet zeer gunstig.“Naar Cleveland!” riep zij zenuwachtig. “Neen, dáár kan ik niet heengaan.”“Je vergeet,” zei Elinor op zachten toon, “dat het niet zoo dichtbij... dat het niet in de buurt is van...”“Maar ’t is in Somersetshire,—ik kàn niet naar Somersetshire gaan.—Daar, waar ik eenmaal hoopte te komen... Neen, Elinor, dat kan je van mij niet verwachten.”Elinor wilde maar niet met haar redeneeren over de verplichting, zulke gevoelens te bestrijden; zij trachtte ze alleen tegen te gaan, door te werken op andere, en bracht haar dus onder het oog, dat deze maatregel het tijdstip van háár terugkeer naar haar lieve moeder, die zij zoo verlangde weer te zien, veel nader zou brengen, en wel op een meer gemakkelijke en verkieselijke wijze, dan eenig ander plan zou kunnen doen; misschien zonder veel langer uitstel. Van Cleveland, dat een paar mijlen van Bristol was gelegen, duurde de reis naar Barton niet langer dan één dag; hoewel dan een langen dag reizens, en hun eigen knecht kon hen daar gemakkelijk komen afhalen. Daar zij wel niet langer dan een week te Cleveland zouden behoeven te logeeren, konden zij nu reeds over ruim drie weken weer thuis zijn. Daar Marianne’s liefde voor haar moeder oprecht was, behaalde zij, zonder veel moeite, de overwinning over de denkbeeldige bezwaren, door haar opgeworpen.Mevrouw Jennings was het gezelschap harer gasten zoo weinig moede, dat zij er ernstig bij hen opaandrong weer met haar terug te keeren van Cleveland. Elinor was haar dankbaar voor haar vriendelijkheid; maar het voorstel kon hun plan niet doen veranderen; en nadat hun moeder gaarne hare instemming ermede had te kennen gegeven, werd alles voor de terugreis, zooveel doenlijk was, in gereedheid gebracht. Marianne vond eenige verlichting in het opmaken van eene lijst der uren, die haar nog scheidden van Barton.“Ach, Kolonel, ik weet niet, wat u en ik zullen beginnen zonder de dames Dashwood,” zei Mevrouw Jennings, toen kolonel Brandon haar voor het eerst bezocht, nadat hun vertrek was bepaald,—“ze zijn vast van plan van de Palmers naar huis te gaan; wat zullen wij het dan eenzaam hebben, als ik terugkom! We zullen elkaar zitten aan te gapen als twee kikkers op een kluitje.”Misschien hoopte Mevrouw Jennings door die levendige voorstelling van hun toekomstige verveling, hem uit te lokken tot het aanzoek, dat hem aan die verveling zou kunnen doen ontsnappen,—en als dit zoo was, dan kreeg zij iets later goede reden om te denken, dat haar doel was bereikt; want toen Elinor naar het venster ging, om met meer juistheid de afmetingen na te gaan van eene plaat, die zij voor haar vriendin wilde copieeren, volgde hij haar, blijkbaar met een bijzondere bedoeling, en bleef een tijdlang met haar in gesprek. De uitwerking daarvan op Elinor kon haar aandacht niet ontgaan; want ofschoon zij te veel eergevoel bezat om te luisteren, en zelfs opzettelijk, omniette hooren, haar plaats had verlaten, om dicht bij de piano te gaan zitten, waarop Marianne speelde, zij moest wel zien, dat Elinor bleek werd, zenuwachtige spanning liet blijken en te veel aandacht schonk aan ’t geen hij zeide, om met hare bezigheid voort te gaan. Wat haar hoop nog meer aanmoedigde, waren enkele woorden van den Kolonel, die haar oor bereikten in een tusschenpoos, waarin Mariannenaar een nieuw stuk zocht, en waaruit bleek, dat hij zich scheen te verontschuldigen over den slechten toestand, waarin zijn huis verkeerde. Nu viel aan de zaak niet meer te twijfelen. Zij vond het wel vreemd, dat hij dit noodig achtte,—maar dacht, dat het zeker wel zoo zou hooren. Wat Elinor hierop antwoordde kon zij niet verstaan; maar uit de beweging harer lippen leidde zij af, dat zij dàt geen overwegend bezwaar vond; en Mevrouw Jennings prees haar in stilte om haar eerlijkheid. Daarop praatten ze nog een paar minuten door, zonder dat zij een woord verstond, totdat een tweede welkome pauze in Marianne’s spel haar gelegenheid schonk, den Kolonel met zijn bedaarde stem te hooren zeggen:“Ik vrees ten minste dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben.”Verbaasd en bijna geërgerd over deze in den mond van een minnaar weinig passende woorden, had zij bijna hardop gezegd: “Lieve deugd, wat kan er nu tegen zijn?”—maar zij hield zich nog bijtijds in, en vergenoegde zich met de in stilte gemaakte opmerking: “Dàt is al heel raar! Hij behoeft waarlijk niet te wachten tot hij de jaren heeft”... Deze neiging tot uitstel van des Kolonels kant scheen echter zijne uitverkorene volstrekt niet te beleedigen of te grieven; want toen zij kort daarna hun gesprek afbraken en uiteengingen, hoorde Mevrouw Jennings Elinor duidelijk zeggen, op een toon, waarin haar oprechtheid doorklonk: “Ik zal u hiervoor altijd van harte dankbaar zijn.” Mevrouw Jennings vond die dankbaarheid allerliefst van haar, en verbaasde zich alleen, dat de Kolonel, na zulk eene uiting, in staat was, zooalshijthans deed, doodbedaard afscheid te nemen, en heen te gaan, zonder haar zelfs te antwoorden!—Zij had niet gedacht, dat haar oude vriend zulk een onverschillig minnaar zou zijn. Wat werkelijk tusschen hen voorviel was het volgende: “Ik hebgehoord”, zeide hij op medelijdenden toon, “van het onrecht, uw vriend den Heer Ferrars door zijn familie aangedaan; want als ik wèl heb begrepen, is hij door hen voorgoed verstooten, omdat hij zijne verloving met een goed en achtenswaardig meisje niet wilde verbreken. Heeft men mij wèl ingelicht?—Is dit werkelijk het geval?”Elinor antwoordde bevestigend.“De wreedheid, de onverstandige wreedheid,” zeide hij met diepgevoelde verontwaardiging, “van zulk een poging om twee jongelieden, die elkander reeds lang hebben liefgehad, te scheiden, is ontzettend; Mevrouw Ferrars weet niet wat zij doet,—waartoe zij haar zoon wellicht drijven zal. Ik heb den Heer Ferrars een paar malen in Harley Street ontmoet, en hij maakte op mij een zeer aangenamen indruk. Hij is niet iemand met wien men binnen korten tijd vertrouwelijk bekend kan zijn; maar ik weet thans toch genoeg van hem om hem persoonlijk alle goeds te wenschen, te meer nog, omdat hij een vriend van u is. Ik hoorde dat hij zich voorbereidt voor het predikambt. Wilt u zoo goed zijn hem mede te deelen, dat de predikantsplaats te Delaford, die juist, naar ik vandaag vernam, is vrijgekomen, hem wordt aangeboden, als hij geneigd is ze te aanvaarden,—en dááraan valt in zijn omstandigheden nu wel allerminst te twijfelen; ik wilde alleen wel, dat hij beter bezoldigd werd. De vorige predikant verdiende, naar ik meen, niet meer dan twee honderd pond in het jaar, en ofschoon die som stellig nog wel iets verhoogd kan worden, vrees ik toch, dat die verhooging niet zooveel zal bedragen, dat hij er eenigszins ruim van leven kan. In elk geval echter doet het mij groot genoegen hem in dezen van dienst te kunnen zijn. Dat wilt u hem zeker wel vertellen.”Elinor’s verbazing over deze opdracht kon moeilijk grooter zijn geweest, als de Kolonel haar werkelijk zijn hand had aangeboden. Zulk een aanbieding,die zij een paar dagen geleden nog als iets had beschouwd, waarop voor Edward niet te hopen viel, stelde hem nu reeds in staat, te trouwen;—enhaarviel, onder alle lieden ter wereld, de taak ten deel, hem die gave over te brengen!—Zij gevoelde werkelijk de aandoening, die Mevrouw Jennings had toegeschreven aan eene geheel andere oorzaak;—maar welke andere gevoelens, minder zuiver en minder bevredigend, zich in die aandoening mochten mengen, haar achting voor de algemeene menschlievendheid en haar dankbaarheid voor de bijzondere vriendschap, welke Kolonel Brandon bewogen tot deze handeling, waren diepgevoeld, en werden met warmte uitgedrukt. Zij dankte hem van ganscher harte, sprak van Edward’s beginselen en karakter met den lof, dien zij wist, dat ze verdienden, en beloofde zich met genoegen van de opdracht te zullen kwijten, als hij waarlijk wenschte zulk een aangename taak aan een ander over te dragen. Intusschen kon zij niet nalaten te denken, dat niemand deze zoo goed zou kunnen vervullen als hijzelf. Het was een plicht, waarvan zij, ongeneigd als zij was, Edward pijn te doen, door hem van háár eenig gunstbewijs te doen ontvangen, zich zeer gaarne had willen ontheven zien;—doch Kolonel Brandon, die zich eveneens uit kiesche terughoudendheid eraan onttrok, scheen zoozeer erop gesteld, dat zij de brengster der goede tijding zou zijn, dat zij in geen geval langer wilde blijven weigeren. Edward was, naar zij meende, nog in de stad, en van Juffrouw Steele had zij zijn adres vernomen. Zij kon dus beloven, hem nog in den loop van den dag het bericht te zullen doen toekomen. Toen dit was afgesproken, gaf kolonel Brandon zijn genoegen te kennen over het feit, dat hij zulk een achtenswaardigen en beminnelijken buurman kreeg, en bij die gelegenheid uitte hij zijn spijt, dat de pastorie klein en niet heel mooi was; een bezwaar, dat Elinor, zooals Mevrouw Jennings goedhad gezien, al heel licht telde, ten minste wat de grootte van het huisje betrof.“Dat het huis klein is,” zei ze, “zal, dunkt mij, voor hen niet hinderlijk zijn; want het is dan in overeenstemming met het aantal bewoners en met hun inkomen.”De Kolonel bespeurde hierdoor tot zijn verwondering, datzijhun huwelijk als het onvermijdelijk gevolg van deze aanbieding beschouwde; hij had het niet mogelijk geacht, dat de predikantsplaats te Delaford genoeg zou opbrengen, om iemand, gewend aan een levenswijze als de zijne, in staat te stellen tot het waagstuk, een huwelijk aan te gaan,—en hij bracht die meening onder woorden.“In die kleine pastorie en met dat beperkte inkomen kàn de Heer Ferrars alleen als vrijgezel eenigszins behoorlijk leven;—erop trouwen kan hij niet. Het spijt mij, dat ik niet meer voor hem kan doen; maar verder reikt mijn invloed niet. Als het echter, door eenig onvoorzien toeval, ooit in mijn macht mocht staan, hem verder van dienst te zijn, dan moest ik al geheel anders over hem zijn gaan denken dan ik nu doe, wanneer ik ook dan niet even bereid zou zijn, hem hulp te verleenen, als ik oprecht wensch, dat nu te kunnen doen. Wat ik thans voor hem doe is van geringe beteekenis, daar het hem zoo weinig nader brengt tot hetgeen zijn eerst en eenig oogmerk moet zijn ter bereiking van zijn geluk. Zijn huwelijk moet vooreerst nog een toekomstdroom blijven;—ik vrees ten minste, dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben.”Dit waren de woorden, die, daar zij verkeerd werden begrepen, met recht kwetsend schenen voor Mevrouw Jennings’ kiesch gevoel; doch na dit getrouw verslag van ’t geen werkelijk voorviel tusschen Kolonel Brandon en Elinor, toen zij bij het venster stonden, kon allicht de dankbaarheid, door de laatste bij het afscheid uitgedrukt, over ’t geheel evengoed zijn gewekt door, en behoefde ingeen andere bewoordingen te zijn vervat geworden na een huwelijksaanzoek.
De dames Dashwood waren nu reeds ruim twee maanden in de stad geweest, en met iederen dag groeide Marianne’s verlangen aan, om te vertrekken. Zij snakte naar de buitenlucht, de vrijheid, de rust van het landleven, en verbeeldde zich, als zij ergens tot kalmte kon komen, dat het in Barton moest zijn. Elinor was bijna niet minder verlangend dan zijzelve om te gaan, en slechts in zooverre minder geneigd om het plan aanstonds ten uitvoer te brengen, als zij de bezwaren inzag, verbonden aan zulk een lange reis, die Marianne niet verkoos in aanmerking te nemen. Zij begon echter thans ernstig te denken over het vertrek, en zij had haar wensch reeds te kennen gegeven aan haar vriendelijke gastvrouw, die zich met al haar hartelijke welsprekendheid ertegen verzette, toen een plan werd geopperd, dat, hoewel het hen nog een paar weken langer van huis zou doen blijven, Elinor toch verkieselijker scheen dan eenig ander. De Palmers zouden in het laatst van Maart naar Cleveland vertrekken, voor de Paaschvacantie, en Mevrouw Jennings werd mèt haar beide vriendinnen, allerhartelijkst door Charlotte uitgenoodigd, met hen mede te gaan. Dit zou op zichzelf niet voldoende zijn geweest om Elinor’s schroomvalligheidte overwinnen; doch het verzoek werd zoo beleefd en dringend ondersteund door den Heer Palmer, wiens houding tegenover hen zeer was verbeterd, sedert hij wist van haar zuster’s teleurstelling, dat zij de uitnoodiging met genoegen aannam. Toen zij het aan Marianne vertelde, was het eerste antwoord, dat zij ontving, niet zeer gunstig.
“Naar Cleveland!” riep zij zenuwachtig. “Neen, dáár kan ik niet heengaan.”
“Je vergeet,” zei Elinor op zachten toon, “dat het niet zoo dichtbij... dat het niet in de buurt is van...”
“Maar ’t is in Somersetshire,—ik kàn niet naar Somersetshire gaan.—Daar, waar ik eenmaal hoopte te komen... Neen, Elinor, dat kan je van mij niet verwachten.”
Elinor wilde maar niet met haar redeneeren over de verplichting, zulke gevoelens te bestrijden; zij trachtte ze alleen tegen te gaan, door te werken op andere, en bracht haar dus onder het oog, dat deze maatregel het tijdstip van háár terugkeer naar haar lieve moeder, die zij zoo verlangde weer te zien, veel nader zou brengen, en wel op een meer gemakkelijke en verkieselijke wijze, dan eenig ander plan zou kunnen doen; misschien zonder veel langer uitstel. Van Cleveland, dat een paar mijlen van Bristol was gelegen, duurde de reis naar Barton niet langer dan één dag; hoewel dan een langen dag reizens, en hun eigen knecht kon hen daar gemakkelijk komen afhalen. Daar zij wel niet langer dan een week te Cleveland zouden behoeven te logeeren, konden zij nu reeds over ruim drie weken weer thuis zijn. Daar Marianne’s liefde voor haar moeder oprecht was, behaalde zij, zonder veel moeite, de overwinning over de denkbeeldige bezwaren, door haar opgeworpen.
Mevrouw Jennings was het gezelschap harer gasten zoo weinig moede, dat zij er ernstig bij hen opaandrong weer met haar terug te keeren van Cleveland. Elinor was haar dankbaar voor haar vriendelijkheid; maar het voorstel kon hun plan niet doen veranderen; en nadat hun moeder gaarne hare instemming ermede had te kennen gegeven, werd alles voor de terugreis, zooveel doenlijk was, in gereedheid gebracht. Marianne vond eenige verlichting in het opmaken van eene lijst der uren, die haar nog scheidden van Barton.
“Ach, Kolonel, ik weet niet, wat u en ik zullen beginnen zonder de dames Dashwood,” zei Mevrouw Jennings, toen kolonel Brandon haar voor het eerst bezocht, nadat hun vertrek was bepaald,—“ze zijn vast van plan van de Palmers naar huis te gaan; wat zullen wij het dan eenzaam hebben, als ik terugkom! We zullen elkaar zitten aan te gapen als twee kikkers op een kluitje.”
Misschien hoopte Mevrouw Jennings door die levendige voorstelling van hun toekomstige verveling, hem uit te lokken tot het aanzoek, dat hem aan die verveling zou kunnen doen ontsnappen,—en als dit zoo was, dan kreeg zij iets later goede reden om te denken, dat haar doel was bereikt; want toen Elinor naar het venster ging, om met meer juistheid de afmetingen na te gaan van eene plaat, die zij voor haar vriendin wilde copieeren, volgde hij haar, blijkbaar met een bijzondere bedoeling, en bleef een tijdlang met haar in gesprek. De uitwerking daarvan op Elinor kon haar aandacht niet ontgaan; want ofschoon zij te veel eergevoel bezat om te luisteren, en zelfs opzettelijk, omniette hooren, haar plaats had verlaten, om dicht bij de piano te gaan zitten, waarop Marianne speelde, zij moest wel zien, dat Elinor bleek werd, zenuwachtige spanning liet blijken en te veel aandacht schonk aan ’t geen hij zeide, om met hare bezigheid voort te gaan. Wat haar hoop nog meer aanmoedigde, waren enkele woorden van den Kolonel, die haar oor bereikten in een tusschenpoos, waarin Mariannenaar een nieuw stuk zocht, en waaruit bleek, dat hij zich scheen te verontschuldigen over den slechten toestand, waarin zijn huis verkeerde. Nu viel aan de zaak niet meer te twijfelen. Zij vond het wel vreemd, dat hij dit noodig achtte,—maar dacht, dat het zeker wel zoo zou hooren. Wat Elinor hierop antwoordde kon zij niet verstaan; maar uit de beweging harer lippen leidde zij af, dat zij dàt geen overwegend bezwaar vond; en Mevrouw Jennings prees haar in stilte om haar eerlijkheid. Daarop praatten ze nog een paar minuten door, zonder dat zij een woord verstond, totdat een tweede welkome pauze in Marianne’s spel haar gelegenheid schonk, den Kolonel met zijn bedaarde stem te hooren zeggen:
“Ik vrees ten minste dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben.”
Verbaasd en bijna geërgerd over deze in den mond van een minnaar weinig passende woorden, had zij bijna hardop gezegd: “Lieve deugd, wat kan er nu tegen zijn?”—maar zij hield zich nog bijtijds in, en vergenoegde zich met de in stilte gemaakte opmerking: “Dàt is al heel raar! Hij behoeft waarlijk niet te wachten tot hij de jaren heeft”... Deze neiging tot uitstel van des Kolonels kant scheen echter zijne uitverkorene volstrekt niet te beleedigen of te grieven; want toen zij kort daarna hun gesprek afbraken en uiteengingen, hoorde Mevrouw Jennings Elinor duidelijk zeggen, op een toon, waarin haar oprechtheid doorklonk: “Ik zal u hiervoor altijd van harte dankbaar zijn.” Mevrouw Jennings vond die dankbaarheid allerliefst van haar, en verbaasde zich alleen, dat de Kolonel, na zulk eene uiting, in staat was, zooalshijthans deed, doodbedaard afscheid te nemen, en heen te gaan, zonder haar zelfs te antwoorden!—Zij had niet gedacht, dat haar oude vriend zulk een onverschillig minnaar zou zijn. Wat werkelijk tusschen hen voorviel was het volgende: “Ik hebgehoord”, zeide hij op medelijdenden toon, “van het onrecht, uw vriend den Heer Ferrars door zijn familie aangedaan; want als ik wèl heb begrepen, is hij door hen voorgoed verstooten, omdat hij zijne verloving met een goed en achtenswaardig meisje niet wilde verbreken. Heeft men mij wèl ingelicht?—Is dit werkelijk het geval?”
Elinor antwoordde bevestigend.
“De wreedheid, de onverstandige wreedheid,” zeide hij met diepgevoelde verontwaardiging, “van zulk een poging om twee jongelieden, die elkander reeds lang hebben liefgehad, te scheiden, is ontzettend; Mevrouw Ferrars weet niet wat zij doet,—waartoe zij haar zoon wellicht drijven zal. Ik heb den Heer Ferrars een paar malen in Harley Street ontmoet, en hij maakte op mij een zeer aangenamen indruk. Hij is niet iemand met wien men binnen korten tijd vertrouwelijk bekend kan zijn; maar ik weet thans toch genoeg van hem om hem persoonlijk alle goeds te wenschen, te meer nog, omdat hij een vriend van u is. Ik hoorde dat hij zich voorbereidt voor het predikambt. Wilt u zoo goed zijn hem mede te deelen, dat de predikantsplaats te Delaford, die juist, naar ik vandaag vernam, is vrijgekomen, hem wordt aangeboden, als hij geneigd is ze te aanvaarden,—en dááraan valt in zijn omstandigheden nu wel allerminst te twijfelen; ik wilde alleen wel, dat hij beter bezoldigd werd. De vorige predikant verdiende, naar ik meen, niet meer dan twee honderd pond in het jaar, en ofschoon die som stellig nog wel iets verhoogd kan worden, vrees ik toch, dat die verhooging niet zooveel zal bedragen, dat hij er eenigszins ruim van leven kan. In elk geval echter doet het mij groot genoegen hem in dezen van dienst te kunnen zijn. Dat wilt u hem zeker wel vertellen.”
Elinor’s verbazing over deze opdracht kon moeilijk grooter zijn geweest, als de Kolonel haar werkelijk zijn hand had aangeboden. Zulk een aanbieding,die zij een paar dagen geleden nog als iets had beschouwd, waarop voor Edward niet te hopen viel, stelde hem nu reeds in staat, te trouwen;—enhaarviel, onder alle lieden ter wereld, de taak ten deel, hem die gave over te brengen!—Zij gevoelde werkelijk de aandoening, die Mevrouw Jennings had toegeschreven aan eene geheel andere oorzaak;—maar welke andere gevoelens, minder zuiver en minder bevredigend, zich in die aandoening mochten mengen, haar achting voor de algemeene menschlievendheid en haar dankbaarheid voor de bijzondere vriendschap, welke Kolonel Brandon bewogen tot deze handeling, waren diepgevoeld, en werden met warmte uitgedrukt. Zij dankte hem van ganscher harte, sprak van Edward’s beginselen en karakter met den lof, dien zij wist, dat ze verdienden, en beloofde zich met genoegen van de opdracht te zullen kwijten, als hij waarlijk wenschte zulk een aangename taak aan een ander over te dragen. Intusschen kon zij niet nalaten te denken, dat niemand deze zoo goed zou kunnen vervullen als hijzelf. Het was een plicht, waarvan zij, ongeneigd als zij was, Edward pijn te doen, door hem van háár eenig gunstbewijs te doen ontvangen, zich zeer gaarne had willen ontheven zien;—doch Kolonel Brandon, die zich eveneens uit kiesche terughoudendheid eraan onttrok, scheen zoozeer erop gesteld, dat zij de brengster der goede tijding zou zijn, dat zij in geen geval langer wilde blijven weigeren. Edward was, naar zij meende, nog in de stad, en van Juffrouw Steele had zij zijn adres vernomen. Zij kon dus beloven, hem nog in den loop van den dag het bericht te zullen doen toekomen. Toen dit was afgesproken, gaf kolonel Brandon zijn genoegen te kennen over het feit, dat hij zulk een achtenswaardigen en beminnelijken buurman kreeg, en bij die gelegenheid uitte hij zijn spijt, dat de pastorie klein en niet heel mooi was; een bezwaar, dat Elinor, zooals Mevrouw Jennings goedhad gezien, al heel licht telde, ten minste wat de grootte van het huisje betrof.
“Dat het huis klein is,” zei ze, “zal, dunkt mij, voor hen niet hinderlijk zijn; want het is dan in overeenstemming met het aantal bewoners en met hun inkomen.”
De Kolonel bespeurde hierdoor tot zijn verwondering, datzijhun huwelijk als het onvermijdelijk gevolg van deze aanbieding beschouwde; hij had het niet mogelijk geacht, dat de predikantsplaats te Delaford genoeg zou opbrengen, om iemand, gewend aan een levenswijze als de zijne, in staat te stellen tot het waagstuk, een huwelijk aan te gaan,—en hij bracht die meening onder woorden.
“In die kleine pastorie en met dat beperkte inkomen kàn de Heer Ferrars alleen als vrijgezel eenigszins behoorlijk leven;—erop trouwen kan hij niet. Het spijt mij, dat ik niet meer voor hem kan doen; maar verder reikt mijn invloed niet. Als het echter, door eenig onvoorzien toeval, ooit in mijn macht mocht staan, hem verder van dienst te zijn, dan moest ik al geheel anders over hem zijn gaan denken dan ik nu doe, wanneer ik ook dan niet even bereid zou zijn, hem hulp te verleenen, als ik oprecht wensch, dat nu te kunnen doen. Wat ik thans voor hem doe is van geringe beteekenis, daar het hem zoo weinig nader brengt tot hetgeen zijn eerst en eenig oogmerk moet zijn ter bereiking van zijn geluk. Zijn huwelijk moet vooreerst nog een toekomstdroom blijven;—ik vrees ten minste, dat het niet zeer spoedig kan plaats hebben.”
Dit waren de woorden, die, daar zij verkeerd werden begrepen, met recht kwetsend schenen voor Mevrouw Jennings’ kiesch gevoel; doch na dit getrouw verslag van ’t geen werkelijk voorviel tusschen Kolonel Brandon en Elinor, toen zij bij het venster stonden, kon allicht de dankbaarheid, door de laatste bij het afscheid uitgedrukt, over ’t geheel evengoed zijn gewekt door, en behoefde ingeen andere bewoordingen te zijn vervat geworden na een huwelijksaanzoek.
Hoofdstuk XLNu, Elinor”, zei Mevrouw Jennings met een veelzeggenden glimlach, zoodra de Kolonel was vertrokken, “ik vraag je maar niet, wat Kolonel Brandon je had te vertellen; want al deed ik, op mijn woord van eer, mijn best om er niets van te hooren, ik ving toch, zonder dat ik er iets aan kon doen, genoeg op om te begrijpen, waarover het ging. Ik moet je zeggen, dat ik er van harte blij om ben, en ik wensch je oprecht geluk ermee.”“Dank u, mevrouw,” zei Elinor. “Het verheugt mij ook innig, en ik ben werkelijk getroffen door Kolonel Brandon’s goedheid. Er zijn niet veel menschen, die gehandeld zouden hebben als hij. Zoo vol meegevoel zijn er maar weinigen! ’t Heeft mij meer verwonderd, dan ik kan zeggen.”“Lieve kind, je bent wel heel bescheiden! Mij verwondert het in ’t minst niet; want ik heb in den laatsten tijd dikwijls gedacht, dat niets zoo waarschijnlijk was als dit.”“U leidde dat oordeel af uit wat u wist van Kolonel Brandon’s edelmoedig karakter; maar u kon niet voorzien, dat de gelegenheid zich zoo spoedig zou aanbieden.”“Gelegenheid,” herhaalde Mevrouw Jennings, “och, wat dàt betreft, als zoo’n plan eenmaal vaststaat bij een man, dan vindt hij, hoe dan ook, de gelegenheid gauw genoeg. Nu, lieve kind, ik zeg nog eens, ik ben er hartelijk blijde om, en als er ooit een gelukkig paar is geweest in de wereld, dan weet ik nu wèl, wáár ik dat binnenkort zal kunnen vinden.”“U wilt het zeker te Delaford komen zoeken,” zei Elinor met een flauwen glimlach.“Ja zeker, kind; dat ben ik stellig van plan. En dat het huis niet goed genoeg zou zijn, ik weet niet, wat de Kolonel dáármee kan bedoelen; want ik zou niet weten, wat erop viel aan te merken.”“Hij zei, dat er in lang niets aan gedaan was.”“Nu, wiens schuld is dat? waarom laat hij het dan niet opknappen—wie zou het ànders doen dan hij?”Zij werden gestoord door de komst van den bediende, die kwam zeggen, dat het rijtuig vóór was, en Mevrouw Jennings zei, vlug opstaande: “Nu moet ik al weg, kind, eer we nog half erover zijn uitgepraat. Van avond kunnen we ’t in elk geval nog eens overdoen; want we zijn onder ons. Ik vraag je maar niet om mee te gaan, want ik denk dat je te veel hiermee vervuld zult zijn, om nu graag vreemden te spreken; en je zult wel verlangen, het aan je zuster te vertellen.”Marianne was de kamer uitgegaan, eer hun gesprek begon.“Zeker, Mevrouw, ik zal ’t aan Marianne zeggen; maar vooreerst spreek ik er nog met niemand anders over.”“O, heel goed,” zei Mevrouw Jennings, ietwat teleurgesteld. “Dus dan mag ik het nog niet aan Lucy vertellen; want ik dacht erover, naar Holborn te gaan vandaag.”“Neen, mevrouw, zelfs niet aan Lucy. Een dag uitstel maakt weinig verschil; en mij dunkt dat er niet met anderen over moet worden gesproken, eer ik aan den Heer Ferrars geschreven heb. Dat zal ik nu aanstonds doen. Het komt er voor hem op aan, geen tijd te verliezen, want hij zal natuurlijk nog veel te doen hebben, met het oog op zijn aanstelling, als predikant.”Nu begreep Mevrouw Jennings er niets meer van. Waarom er zoo’n haast bij was, dat de HeerFerrars op de hoogte zou worden gebracht, was haar eerst niet recht duidelijk. Maar na een oogenblik nadenken ging haar een licht op, en zij riep uit: “Aha! nu begrijp ik je. Op Mijnheer Ferrars is de keus gevallen. Kom, dat is aardig. Ja natuurlijk, eerst moet hij predikant zijn, en ik ben blij, dat je al zoover heen bent met je plannen. Maar kind, is dit nu toch eigenlijk niet wat vreemd? Moest de Kolonel hem dat zelf niet schrijven? Mij dunkt, dat is toch meerzijnwerk.”Elinor begreep niet precies, wat Mevrouw Jennings bedoelde met haar eerste woorden; maar vond navragen niet de moeite waard, en antwoordde dus alleen op haar laatste opmerking.“Kolonel Brandon is zóó fijngevoelig, dat hij het liefst aan een ander overlaat, den Heer Ferrars omtrent zijn voornemen op de hoogte te brengen.”“En dus moetjijdat nu wel doen. Dat is toch een vreemd soort van fijngevoeligheid, dunkt mij!—Maar ik wil je niet storen.” (Zij zag dat Elinor haar schrijfgereedschap klaarlegde). “Je kunt zelf alles ’t beste beoordeelen. Adieu, lieve kind. Sedert Charlotte’s bevalling is er niets gebeurd, dat mij zooveel pleizier deed.” Zij ging, maar kwam een oogenblik later terug.“Ik dacht daarjuist aan Betty’s zuster, kindje. Ik zou blij zijn voor haar, als ze zoo’n goeden dienst kreeg. Maar of ze geschikt is voor kamenier, dat weet ik niet. Als kamermeisje voldoet ze uitmuntend, en ze kan goed met de naald terecht. Nu, dat kan je nog wel eens op je gemak overleggen.”“Zeker, mevrouw,” antwoordde Elinor, die niet veel hoorde van Mevrouw Jennings’ gepraat, en meer verlangde alleen te zijn dan te weten, waarover zij het had. Hoe te beginnen—welke woorden te bezigen in haar briefje aan Edward, daarop kwam het voor haar nu aan. Hun bijzondere omstandigheden maakten datgene moeilijk, wat voor een ander de gemakkelijkste zaak van de wereld zouzijn geweest; maar zij vreesde evenzeer te veel, als te weinig te zeggen, en zat met de pen in de hand te overwegen, hoe zij zich zou uitdrukken, tot er een einde kwam aan haar aarzelen, doordat Edward zelf binnentrad.Hij had Mevrouw Jennings aan de deur ontmoet, toen zij in haar rijtuig wilde stappen, terwijl hij zijn afscheidsbezoek kwam brengen; en na zich te hebben verontschuldigd, omdat zij niet met hem mee terugging, had zij hem doen besluiten, naar boven te gaan, door te zeggen, dat Juffrouw Dashwood alleen was, en hem gaarne wilde spreken, daar zij hem iets van gewicht had mee te deelen.Elinor had juist, midden in haar weifelingen, zichzelve met dankbaarheid voorgehouden, dat een brief, hoe moeilijk het ook mocht zijn, de juiste woorden ervoor te vinden, toch verre te verkiezen was boven eene mondelinge mededeeling van het bericht, toen de bezoeker binnentrad, die haar noodzaakte tot deze nog veel grootere inspanning. Zij was zeer verwonderd en verward, toen hij daar zoo plotseling voor haar stond. Sedert zijn engagement publiek was geworden, had zij hem nog niet gezien; dus ook niet, sedert hij wist, dat zij ervan had vernomen; en dit alles, gepaard met het bewustzijn van ’t geen zij daareven had gedacht, en wat zij hem had te vertellen, maakte haar in de eerste paar minuten geheel van streek.Hijwasook alles behalve op zijn gemak, en zij gingen beiden zitten in een toestand van verlegenheid, die niet veel goeds beloofde. Of hij haar bij het binnenkomen om verschooning had gevraagd, dat hij haar zoo onverwacht kwam overvallen, herinnerde hij zich niet meer; maar voor alle zekerheid verontschuldigde hij zich behoorlijk, zoodra hij iets kon zeggen, nadat hij had plaatsgenomen.“Mevrouw Jennings vertelde mij,” zei hij, “dat je mij wenschte te spreken; tenminste dat meende ik te begrijpen;—anders zou ik je stellig niet zoozijn komen overvallen; hoewel het mij toch ook erg zou hebben gespeten, uit Londen weg te gaan, zonder jelui beiden nog eens te zien; vooral omdat het nog al eenigen tijd zal duren... omdat het niet waarschijnlijk is, dat ik spoedig het genoegen zal hebben, je weer te ontmoeten. Ik ga morgen naar Oxford.”“Je zoudt toch niet zijn vertrokken,” zei Elinor, zichzelve nu weer meester en vastbesloten, zoo spoedig mogelijk datgene af te doen, waartegen zij zoo opzag, “zonder onze goede wenschen te ontvangen, ook al hadden we je die niet persoonlijk kunnen doen toekomen. Het was waar, wat Mevrouw Jennings je heeft gezegd. Ik heb je iets van belang mee te deelen, dat ik je juist wilde melden in een brief. Een zeer aangename taak is mij opgedragen,”gingzij, ietwat sneller ademhalend dan gewoonlijk, voort: “Kolonel Brandon, die nog pas tien minuten geleden hier was, heeft mij verzocht, je te zeggen, dat hij, wetende van je plan om predikant te worden, je met groot genoegen de standplaats te Delaford aanbiedt, die juist is vrijgekomen, en alleen maar wenschte, dat zij beter bezoldigd mocht worden. Laat mij je gelukwenschen met zulk een achtenswaardigen en verstandigen vriend, en mèt hem den wensch uitspreken, dat het traktement—omstreeks tweehonderd pond in het jaar,—grooter mocht zijn, zoodat het je beter in staat zou kunnen stellen om te... dat het meer kon worden dan een tijdelijke tegemoetkoming... dat het in één woord de hoop zou kunnen verwezenlijken op een toekomstig geluk.”Daar Edward zelf niet kon zeggen, wat hij gevoelde, mag men niet verwachten, dat een ander het voor hem kan doen. Zijn blikken drukten al de verbazing uit, die dat onverwachte, ongedachte bericht onvermijdelijk moest wekken; maar hij zei niets anders dan: “Kolonel Brandon!”“Ja,” ging Elinor voort; met meer kalmte, nu hetergste voorbij was: “Kolonel Brandon wilde hierdoor een blijk geven van zijn oprechte spijt over hetgeen onlangs is voorgevallen,—van zijn medegevoel met de pijnlijke positie, waarin je bent geplaatst door het onverantwoordelijk gedrag van je familie; een medegevoel, dat door Marianne, mijzelf en al je vrienden wordt gedeeld; en eveneens van zijn hoogachting voor je karakter en van zijn bijzondere waardeering van je houding in dit geval.”“Dat Kolonel Brandonmijdie gunst bewijst! Hoe is dat mogelijk?”“De onhartelijkheid van je bloedverwanten doet je verbaasd staan, nog ergens vriendschap te ondervinden.”“Neen,” antwoordde hij, plotseling tot zich zelf komend, “niet waar ik die aantref in jou; want ik weet het wel, aan jou, aan je goedheid, heb ik alles te danken. Ik voel het;—ik zou ’t uitdrukken als ik kon,—maar je weet wel, ik ben niet welsprekend.”“Je vergist je geheel en al. Ik verzeker je, dat je dit alles alleen, of ten minste bijna alleen, hebt te danken aan je eigen verdienste, en aan Kolonel Brandon’s juiste waardeering ervan. Ik heb er niet de hand in gehad. Ik wist zelfs niet, tot ik hoorde van zijn plan, dat er een vacature was; en het was ook nooit bij mij opgekomen, dat hij een predikantsplaats had te vergeven. Uit vriendschap voor mij en mijn familie kàn hij misschien... of hééft hij, dat weet ik, nog meer genoegen in het bewijzen van deze gunst; maar ik verzeker je, aan mijne voorspraak heb je niets te danken.”Waarheidsliefde verplichtte haar, een gering aandeel in de handeling te erkennen; maar zij was zoo ongenegen, als Edward’s weldoenster op te treden, dat zij dit slechts aarzelend deed; ’t geen waarschijnlijk ertoe bijdroeg, het vermoeden bij hem te bevestigen, dat daareven in zijn geest was opgekomen. Een korten tijd zat hij diep in gedachten,nadat Elinor had opgehouden te spreken; en eindelijk zeide hij, met merkbare inspanning:“Kolonel Brandon schijnt een zeer edelaardig en achtenswaardig mensch. Ik heb hem altoos als zoodanig hooren roemen, en ik weet, dat je broer hem zeer hoog stelt. Hij is ongetwijfeld een verstandig man, en hij heeft bijzonder aangename manieren.”“Zeker,” antwoordde Elinor, “ik geloof dat je bij een nadere kennismaking al wat je omtrent hem gehoord hebt, als waarheid zult erkennen; en daar je in elkaars onmiddellijke nabijheid zult wonen, (want ik meen dat de pastorie vlak bij het heerenhuis is gelegen), treft het wel bijzonder gelukkig, dat hij werkelijk zoois.”Edward antwoordde niet; maar toen zij haar hoofd afwendde, wierp hij haar een blik toe, zoo ernstig, zoo veelbeteekenend en zoo droefgeestig, dat zij er duidelijk in had kunnen lezen, hoezeer hij wenschte, dat de afstand tusschen de pastorie en het heerenhuis veel grooter had mogen zijn.“Kolonel Brandon woont, geloof ik, in St. James’s Street,” zei hij een oogenblik later, terwijl hij opstond.Elinor noemde het nummer van zijn huis.“Dan moet ik nu gauw weg, om hem den dank te betuigen, dien jij niet van mij wilt aannemen; om hem te verzekeren, dat hij mij waarlijk zéér gelukkig heeft gemaakt.”Elinor drong niet aan, dat hij zou blijven, en zij scheidden, van háár kant met de nadrukkelijke verzekering, dat zij, onder alle lotswisselingen, die hem mochten ten deel vallen, zich steeds zou verheugen in zijn geluk; van den zijnen met een poging veeleer tot het beantwoorden van dien welgemeenden wensch, dan het vermogen dien uit te drukken. “Als ik hem weerzie,” zeide Elinor bij zichzelve, toen de deur zich achter hem sloot, “dan zal het zijn als de man van Lucy.”En met dat gelukkig vooruitzicht ging zij zitten, om zich het verleden voor den geest te roepen, zich de woorden te herinneren, door Edward gesproken, en te pogen al zijn gevoelens te begrijpen; terwijl zij natuurlijk over de hare onvoldaan was.Toen Mevrouw Jennings thuiskwam, was zij, ofschoon ze menschen had ontmoet, die ze nog nooit had gesproken, en van wie ze dus veel te vertellen had, toch zoo uitsluitend vervuld van het gewichtige geheim, haar toevertrouwd, dat zij erover begon, zoodra Elinor zich vertoonde. “Nu, kind,” riep zij uit, “ik heb den jongen man maar naar boven gestuurd. Was dat niet goed?—Hij maakte zeker geen bezwaar.—Had hij niets tegen op het voorstel?”“Neen mevrouw,datwas niet waarschijnlijk.”“En wanneer zou hij dan nu klaar kunnen zijn? Want dáárvan schijnt alles af te hangen.”“Ik weet niet genoeg omtrent die formaliteiten,” zei Elinor, “om te durven zeggen, hoeveel tijd, of welke mate van voorbereiding daartoe wordt vereischt; maar ik denk dat hij over twee of drie maanden wel beroepbaar zal zijn.”“Twee of drie maanden?” riep Mevrouw Jennings. “Wel lieve deugd, kind; wat praat je daar kalm over; en kan de Kolonel zoo lang wachten? Goeie hemel; daar zouikgeen geduld voor hebben, dat weet ik wèl. En al wil men dien armen Mijnheer Ferrars nu nog zoo graag een dienst bewijzen, twee of drie maanden op hèm te wachten, dàt dunkt mij toch niet de moeite waard. Er kon toch licht iemand anders worden gevonden, die ’t even goed kon doen; een predikant, die al is aangesteld.”“Maar lieve mevrouw”, zei Elinor; “waar denkt u aan? ’t Is immers alléén Kolonel Brandon’s bedoeling om den Heer Ferrars te helpen.”“Maar kind, je wilt me toch niet wijsmaken, dat de Kolonel alleen met jou gaat trouwen, om denHeer Ferrars dat buitenkansje van tien guineas te bezorgen?”Nu kon het misverstand niet langer voortduren; en de verklaring, die onmiddellijk volgde, vermaakte beiden niet weinig; zonder dat een van hen er feitelijk bij verloor; want Mevrouw Jennings verwisselde slechts ééne bron van uitgelaten vroolijkheid voor eene andere, en behoefde daarbij toch haar verwachting van het heugelijk nieuws niet op te geven.“O ja, de pastorie is maar klein,” zei ze, toen ze van haar eerste uitbarsting van verbazing en pret was bekomen, “en dáár zal allicht nog al wat aan zijn op te knappen; maar iemand verontschuldigingen te hooren maken, zooals ik meende, over een huis, met als ik ’t wel heb, beneden vijf zitkamers en gelegenheid om vijftien logeergasten te bergen, zooals de huishoudster mij vertelde!—En dat tegen jou, die gewend was aan Barton Cottage! Dat was toch àl te gek.—Maar kindje, we moeten den Kolonel een beetje aansporen om wat te doen aan die pastorie, en ’t wat gezellig te maken, tegen dat Lucy komt.”“Kolonel Brandon scheen ’t niet mogelijk te achten, dat ze zouden kunnen trouwen op het traktement, dat Edward zou ontvangen.”“Kolonel Brandon weet er niets van, lieve kind; omdat hij zelf tweeduizend pond in ’t jaar heeft, meent hij, dat geen mensch kan trouwen op minder. Geloof maar wat ik je zeg, als we tijd van leven hebben, dan kom ik logeeren in de pastorie te Delaford vóór de maand September achter den rug is, en als Lucy er niet is, dan zie je mij er niet, dat begrijp je.”Elinor was het volkomen met haar eens, het was niet waarschijnlijk, dat zij langer zouden wachten.
Nu, Elinor”, zei Mevrouw Jennings met een veelzeggenden glimlach, zoodra de Kolonel was vertrokken, “ik vraag je maar niet, wat Kolonel Brandon je had te vertellen; want al deed ik, op mijn woord van eer, mijn best om er niets van te hooren, ik ving toch, zonder dat ik er iets aan kon doen, genoeg op om te begrijpen, waarover het ging. Ik moet je zeggen, dat ik er van harte blij om ben, en ik wensch je oprecht geluk ermee.”
“Dank u, mevrouw,” zei Elinor. “Het verheugt mij ook innig, en ik ben werkelijk getroffen door Kolonel Brandon’s goedheid. Er zijn niet veel menschen, die gehandeld zouden hebben als hij. Zoo vol meegevoel zijn er maar weinigen! ’t Heeft mij meer verwonderd, dan ik kan zeggen.”
“Lieve kind, je bent wel heel bescheiden! Mij verwondert het in ’t minst niet; want ik heb in den laatsten tijd dikwijls gedacht, dat niets zoo waarschijnlijk was als dit.”
“U leidde dat oordeel af uit wat u wist van Kolonel Brandon’s edelmoedig karakter; maar u kon niet voorzien, dat de gelegenheid zich zoo spoedig zou aanbieden.”
“Gelegenheid,” herhaalde Mevrouw Jennings, “och, wat dàt betreft, als zoo’n plan eenmaal vaststaat bij een man, dan vindt hij, hoe dan ook, de gelegenheid gauw genoeg. Nu, lieve kind, ik zeg nog eens, ik ben er hartelijk blijde om, en als er ooit een gelukkig paar is geweest in de wereld, dan weet ik nu wèl, wáár ik dat binnenkort zal kunnen vinden.”
“U wilt het zeker te Delaford komen zoeken,” zei Elinor met een flauwen glimlach.
“Ja zeker, kind; dat ben ik stellig van plan. En dat het huis niet goed genoeg zou zijn, ik weet niet, wat de Kolonel dáármee kan bedoelen; want ik zou niet weten, wat erop viel aan te merken.”
“Hij zei, dat er in lang niets aan gedaan was.”
“Nu, wiens schuld is dat? waarom laat hij het dan niet opknappen—wie zou het ànders doen dan hij?”
Zij werden gestoord door de komst van den bediende, die kwam zeggen, dat het rijtuig vóór was, en Mevrouw Jennings zei, vlug opstaande: “Nu moet ik al weg, kind, eer we nog half erover zijn uitgepraat. Van avond kunnen we ’t in elk geval nog eens overdoen; want we zijn onder ons. Ik vraag je maar niet om mee te gaan, want ik denk dat je te veel hiermee vervuld zult zijn, om nu graag vreemden te spreken; en je zult wel verlangen, het aan je zuster te vertellen.”
Marianne was de kamer uitgegaan, eer hun gesprek begon.
“Zeker, Mevrouw, ik zal ’t aan Marianne zeggen; maar vooreerst spreek ik er nog met niemand anders over.”
“O, heel goed,” zei Mevrouw Jennings, ietwat teleurgesteld. “Dus dan mag ik het nog niet aan Lucy vertellen; want ik dacht erover, naar Holborn te gaan vandaag.”
“Neen, mevrouw, zelfs niet aan Lucy. Een dag uitstel maakt weinig verschil; en mij dunkt dat er niet met anderen over moet worden gesproken, eer ik aan den Heer Ferrars geschreven heb. Dat zal ik nu aanstonds doen. Het komt er voor hem op aan, geen tijd te verliezen, want hij zal natuurlijk nog veel te doen hebben, met het oog op zijn aanstelling, als predikant.”
Nu begreep Mevrouw Jennings er niets meer van. Waarom er zoo’n haast bij was, dat de HeerFerrars op de hoogte zou worden gebracht, was haar eerst niet recht duidelijk. Maar na een oogenblik nadenken ging haar een licht op, en zij riep uit: “Aha! nu begrijp ik je. Op Mijnheer Ferrars is de keus gevallen. Kom, dat is aardig. Ja natuurlijk, eerst moet hij predikant zijn, en ik ben blij, dat je al zoover heen bent met je plannen. Maar kind, is dit nu toch eigenlijk niet wat vreemd? Moest de Kolonel hem dat zelf niet schrijven? Mij dunkt, dat is toch meerzijnwerk.”
Elinor begreep niet precies, wat Mevrouw Jennings bedoelde met haar eerste woorden; maar vond navragen niet de moeite waard, en antwoordde dus alleen op haar laatste opmerking.
“Kolonel Brandon is zóó fijngevoelig, dat hij het liefst aan een ander overlaat, den Heer Ferrars omtrent zijn voornemen op de hoogte te brengen.”
“En dus moetjijdat nu wel doen. Dat is toch een vreemd soort van fijngevoeligheid, dunkt mij!—Maar ik wil je niet storen.” (Zij zag dat Elinor haar schrijfgereedschap klaarlegde). “Je kunt zelf alles ’t beste beoordeelen. Adieu, lieve kind. Sedert Charlotte’s bevalling is er niets gebeurd, dat mij zooveel pleizier deed.” Zij ging, maar kwam een oogenblik later terug.
“Ik dacht daarjuist aan Betty’s zuster, kindje. Ik zou blij zijn voor haar, als ze zoo’n goeden dienst kreeg. Maar of ze geschikt is voor kamenier, dat weet ik niet. Als kamermeisje voldoet ze uitmuntend, en ze kan goed met de naald terecht. Nu, dat kan je nog wel eens op je gemak overleggen.”
“Zeker, mevrouw,” antwoordde Elinor, die niet veel hoorde van Mevrouw Jennings’ gepraat, en meer verlangde alleen te zijn dan te weten, waarover zij het had. Hoe te beginnen—welke woorden te bezigen in haar briefje aan Edward, daarop kwam het voor haar nu aan. Hun bijzondere omstandigheden maakten datgene moeilijk, wat voor een ander de gemakkelijkste zaak van de wereld zouzijn geweest; maar zij vreesde evenzeer te veel, als te weinig te zeggen, en zat met de pen in de hand te overwegen, hoe zij zich zou uitdrukken, tot er een einde kwam aan haar aarzelen, doordat Edward zelf binnentrad.
Hij had Mevrouw Jennings aan de deur ontmoet, toen zij in haar rijtuig wilde stappen, terwijl hij zijn afscheidsbezoek kwam brengen; en na zich te hebben verontschuldigd, omdat zij niet met hem mee terugging, had zij hem doen besluiten, naar boven te gaan, door te zeggen, dat Juffrouw Dashwood alleen was, en hem gaarne wilde spreken, daar zij hem iets van gewicht had mee te deelen.
Elinor had juist, midden in haar weifelingen, zichzelve met dankbaarheid voorgehouden, dat een brief, hoe moeilijk het ook mocht zijn, de juiste woorden ervoor te vinden, toch verre te verkiezen was boven eene mondelinge mededeeling van het bericht, toen de bezoeker binnentrad, die haar noodzaakte tot deze nog veel grootere inspanning. Zij was zeer verwonderd en verward, toen hij daar zoo plotseling voor haar stond. Sedert zijn engagement publiek was geworden, had zij hem nog niet gezien; dus ook niet, sedert hij wist, dat zij ervan had vernomen; en dit alles, gepaard met het bewustzijn van ’t geen zij daareven had gedacht, en wat zij hem had te vertellen, maakte haar in de eerste paar minuten geheel van streek.
Hijwasook alles behalve op zijn gemak, en zij gingen beiden zitten in een toestand van verlegenheid, die niet veel goeds beloofde. Of hij haar bij het binnenkomen om verschooning had gevraagd, dat hij haar zoo onverwacht kwam overvallen, herinnerde hij zich niet meer; maar voor alle zekerheid verontschuldigde hij zich behoorlijk, zoodra hij iets kon zeggen, nadat hij had plaatsgenomen.
“Mevrouw Jennings vertelde mij,” zei hij, “dat je mij wenschte te spreken; tenminste dat meende ik te begrijpen;—anders zou ik je stellig niet zoozijn komen overvallen; hoewel het mij toch ook erg zou hebben gespeten, uit Londen weg te gaan, zonder jelui beiden nog eens te zien; vooral omdat het nog al eenigen tijd zal duren... omdat het niet waarschijnlijk is, dat ik spoedig het genoegen zal hebben, je weer te ontmoeten. Ik ga morgen naar Oxford.”
“Je zoudt toch niet zijn vertrokken,” zei Elinor, zichzelve nu weer meester en vastbesloten, zoo spoedig mogelijk datgene af te doen, waartegen zij zoo opzag, “zonder onze goede wenschen te ontvangen, ook al hadden we je die niet persoonlijk kunnen doen toekomen. Het was waar, wat Mevrouw Jennings je heeft gezegd. Ik heb je iets van belang mee te deelen, dat ik je juist wilde melden in een brief. Een zeer aangename taak is mij opgedragen,”gingzij, ietwat sneller ademhalend dan gewoonlijk, voort: “Kolonel Brandon, die nog pas tien minuten geleden hier was, heeft mij verzocht, je te zeggen, dat hij, wetende van je plan om predikant te worden, je met groot genoegen de standplaats te Delaford aanbiedt, die juist is vrijgekomen, en alleen maar wenschte, dat zij beter bezoldigd mocht worden. Laat mij je gelukwenschen met zulk een achtenswaardigen en verstandigen vriend, en mèt hem den wensch uitspreken, dat het traktement—omstreeks tweehonderd pond in het jaar,—grooter mocht zijn, zoodat het je beter in staat zou kunnen stellen om te... dat het meer kon worden dan een tijdelijke tegemoetkoming... dat het in één woord de hoop zou kunnen verwezenlijken op een toekomstig geluk.”
Daar Edward zelf niet kon zeggen, wat hij gevoelde, mag men niet verwachten, dat een ander het voor hem kan doen. Zijn blikken drukten al de verbazing uit, die dat onverwachte, ongedachte bericht onvermijdelijk moest wekken; maar hij zei niets anders dan: “Kolonel Brandon!”
“Ja,” ging Elinor voort; met meer kalmte, nu hetergste voorbij was: “Kolonel Brandon wilde hierdoor een blijk geven van zijn oprechte spijt over hetgeen onlangs is voorgevallen,—van zijn medegevoel met de pijnlijke positie, waarin je bent geplaatst door het onverantwoordelijk gedrag van je familie; een medegevoel, dat door Marianne, mijzelf en al je vrienden wordt gedeeld; en eveneens van zijn hoogachting voor je karakter en van zijn bijzondere waardeering van je houding in dit geval.”
“Dat Kolonel Brandonmijdie gunst bewijst! Hoe is dat mogelijk?”
“De onhartelijkheid van je bloedverwanten doet je verbaasd staan, nog ergens vriendschap te ondervinden.”
“Neen,” antwoordde hij, plotseling tot zich zelf komend, “niet waar ik die aantref in jou; want ik weet het wel, aan jou, aan je goedheid, heb ik alles te danken. Ik voel het;—ik zou ’t uitdrukken als ik kon,—maar je weet wel, ik ben niet welsprekend.”
“Je vergist je geheel en al. Ik verzeker je, dat je dit alles alleen, of ten minste bijna alleen, hebt te danken aan je eigen verdienste, en aan Kolonel Brandon’s juiste waardeering ervan. Ik heb er niet de hand in gehad. Ik wist zelfs niet, tot ik hoorde van zijn plan, dat er een vacature was; en het was ook nooit bij mij opgekomen, dat hij een predikantsplaats had te vergeven. Uit vriendschap voor mij en mijn familie kàn hij misschien... of hééft hij, dat weet ik, nog meer genoegen in het bewijzen van deze gunst; maar ik verzeker je, aan mijne voorspraak heb je niets te danken.”
Waarheidsliefde verplichtte haar, een gering aandeel in de handeling te erkennen; maar zij was zoo ongenegen, als Edward’s weldoenster op te treden, dat zij dit slechts aarzelend deed; ’t geen waarschijnlijk ertoe bijdroeg, het vermoeden bij hem te bevestigen, dat daareven in zijn geest was opgekomen. Een korten tijd zat hij diep in gedachten,nadat Elinor had opgehouden te spreken; en eindelijk zeide hij, met merkbare inspanning:
“Kolonel Brandon schijnt een zeer edelaardig en achtenswaardig mensch. Ik heb hem altoos als zoodanig hooren roemen, en ik weet, dat je broer hem zeer hoog stelt. Hij is ongetwijfeld een verstandig man, en hij heeft bijzonder aangename manieren.”
“Zeker,” antwoordde Elinor, “ik geloof dat je bij een nadere kennismaking al wat je omtrent hem gehoord hebt, als waarheid zult erkennen; en daar je in elkaars onmiddellijke nabijheid zult wonen, (want ik meen dat de pastorie vlak bij het heerenhuis is gelegen), treft het wel bijzonder gelukkig, dat hij werkelijk zoois.”
Edward antwoordde niet; maar toen zij haar hoofd afwendde, wierp hij haar een blik toe, zoo ernstig, zoo veelbeteekenend en zoo droefgeestig, dat zij er duidelijk in had kunnen lezen, hoezeer hij wenschte, dat de afstand tusschen de pastorie en het heerenhuis veel grooter had mogen zijn.
“Kolonel Brandon woont, geloof ik, in St. James’s Street,” zei hij een oogenblik later, terwijl hij opstond.
Elinor noemde het nummer van zijn huis.
“Dan moet ik nu gauw weg, om hem den dank te betuigen, dien jij niet van mij wilt aannemen; om hem te verzekeren, dat hij mij waarlijk zéér gelukkig heeft gemaakt.”
Elinor drong niet aan, dat hij zou blijven, en zij scheidden, van háár kant met de nadrukkelijke verzekering, dat zij, onder alle lotswisselingen, die hem mochten ten deel vallen, zich steeds zou verheugen in zijn geluk; van den zijnen met een poging veeleer tot het beantwoorden van dien welgemeenden wensch, dan het vermogen dien uit te drukken. “Als ik hem weerzie,” zeide Elinor bij zichzelve, toen de deur zich achter hem sloot, “dan zal het zijn als de man van Lucy.”
En met dat gelukkig vooruitzicht ging zij zitten, om zich het verleden voor den geest te roepen, zich de woorden te herinneren, door Edward gesproken, en te pogen al zijn gevoelens te begrijpen; terwijl zij natuurlijk over de hare onvoldaan was.
Toen Mevrouw Jennings thuiskwam, was zij, ofschoon ze menschen had ontmoet, die ze nog nooit had gesproken, en van wie ze dus veel te vertellen had, toch zoo uitsluitend vervuld van het gewichtige geheim, haar toevertrouwd, dat zij erover begon, zoodra Elinor zich vertoonde. “Nu, kind,” riep zij uit, “ik heb den jongen man maar naar boven gestuurd. Was dat niet goed?—Hij maakte zeker geen bezwaar.—Had hij niets tegen op het voorstel?”
“Neen mevrouw,datwas niet waarschijnlijk.”
“En wanneer zou hij dan nu klaar kunnen zijn? Want dáárvan schijnt alles af te hangen.”
“Ik weet niet genoeg omtrent die formaliteiten,” zei Elinor, “om te durven zeggen, hoeveel tijd, of welke mate van voorbereiding daartoe wordt vereischt; maar ik denk dat hij over twee of drie maanden wel beroepbaar zal zijn.”
“Twee of drie maanden?” riep Mevrouw Jennings. “Wel lieve deugd, kind; wat praat je daar kalm over; en kan de Kolonel zoo lang wachten? Goeie hemel; daar zouikgeen geduld voor hebben, dat weet ik wèl. En al wil men dien armen Mijnheer Ferrars nu nog zoo graag een dienst bewijzen, twee of drie maanden op hèm te wachten, dàt dunkt mij toch niet de moeite waard. Er kon toch licht iemand anders worden gevonden, die ’t even goed kon doen; een predikant, die al is aangesteld.”
“Maar lieve mevrouw”, zei Elinor; “waar denkt u aan? ’t Is immers alléén Kolonel Brandon’s bedoeling om den Heer Ferrars te helpen.”
“Maar kind, je wilt me toch niet wijsmaken, dat de Kolonel alleen met jou gaat trouwen, om denHeer Ferrars dat buitenkansje van tien guineas te bezorgen?”
Nu kon het misverstand niet langer voortduren; en de verklaring, die onmiddellijk volgde, vermaakte beiden niet weinig; zonder dat een van hen er feitelijk bij verloor; want Mevrouw Jennings verwisselde slechts ééne bron van uitgelaten vroolijkheid voor eene andere, en behoefde daarbij toch haar verwachting van het heugelijk nieuws niet op te geven.
“O ja, de pastorie is maar klein,” zei ze, toen ze van haar eerste uitbarsting van verbazing en pret was bekomen, “en dáár zal allicht nog al wat aan zijn op te knappen; maar iemand verontschuldigingen te hooren maken, zooals ik meende, over een huis, met als ik ’t wel heb, beneden vijf zitkamers en gelegenheid om vijftien logeergasten te bergen, zooals de huishoudster mij vertelde!—En dat tegen jou, die gewend was aan Barton Cottage! Dat was toch àl te gek.—Maar kindje, we moeten den Kolonel een beetje aansporen om wat te doen aan die pastorie, en ’t wat gezellig te maken, tegen dat Lucy komt.”
“Kolonel Brandon scheen ’t niet mogelijk te achten, dat ze zouden kunnen trouwen op het traktement, dat Edward zou ontvangen.”
“Kolonel Brandon weet er niets van, lieve kind; omdat hij zelf tweeduizend pond in ’t jaar heeft, meent hij, dat geen mensch kan trouwen op minder. Geloof maar wat ik je zeg, als we tijd van leven hebben, dan kom ik logeeren in de pastorie te Delaford vóór de maand September achter den rug is, en als Lucy er niet is, dan zie je mij er niet, dat begrijp je.”
Elinor was het volkomen met haar eens, het was niet waarschijnlijk, dat zij langer zouden wachten.