Akbar.Schrijver.In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalistMr. P.A.S. van Limburg Brouwereen van de grootsten en edelstenmenschente teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende ’t leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen lezer nog een blijvenden indruk kon maken.Afstamming van Akbar.Akbar is een afstammeling van den geweldigen Mongoolschen veroveraarTimoerlenk(Tamerlan), die in ’t laatst van de 14eeeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de TimoeridenBaboerII, de beheerscher van ’t rijk Kaboel, veroverde in 1526 ’t noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië ’t rijk van den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoonHoemayoen(1530–1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoonAkbar, met recht de tweede stichter genoemd van ’t rijk der Groot-Mogols, die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.Zijn verdiensten.De groote verdienste van Akbar is geweestregeling van ’t inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral wordt ons in den roman geteekend.Bestuur.Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft—zoo verhaalt het dorpshoofd aanSiddha Rama—met behulp van zijn schatmeesterTodar Malen den grootvizierAboel Fazleen vast stelsel van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten, voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen, dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel; prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden in Akbar zelf een ijverig beoefenaar.De eerzucht van den Keizer is—’t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot Siddha—„zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is ’t onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd.”Godsdienst.Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog aantrekkelijker maakt, is zijnernstig zoeken naar waarheid. Vandaar dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn opvoeding een Islamiet is.Koelloekalicht hem in over de leer van Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda’s; de JezuïetAquavivaheeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd;Abdal Kadirlaat niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. ZelfsGorakh, de Yogi-priester, heeft daar toegang.En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem ’t meest bij al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. „Of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort,” zegt hij tegen zijn vriend, den filosoofFeizi, „’t is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.” ’t Is als in de parabel der drie ringen inLessingsNathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar te brengen, om ze ten slotte te versmelten.De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst:Tauhid i Ilahi(De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche zangen. ’t Zou zijn eenZonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid, die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging nietgehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid is trouwens Akbars richtsnoer bij ’t bestuur van zijn land: In Indië heerschtvrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht tot paterAquaviva: „Predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe’s in hunne pagoden: maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen, ’t zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond.”Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid vanAquavivaen niet minder uit dat van den norschenAbdal Kadir.De wijsgeer Feizi.Naast Akbar staat de wijsgeerFeizi, even humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst, waardoor de godsdienst als ’t ware plastisch wordt voorgesteld en bij die onontwikkelden treden dan vaak devormenin de plaats van ’tideëele.Hervorming door volksonderwijs.Daarom—en nu is ’t of we iemand uit onzen tijd hooren—vóór alles volksonderwijs. „Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, ’t is waar; en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf nietlichtde uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur,terwijl elke verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer, ’t zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeien, doch in ’t einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen.” Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand man is, blijkt uit zijn optreden tegenoverSiddha Rama.De staatsman Aboel Fazl.Aboel Fazlis minder wijsgeer, maar meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is ’t zegenrijke regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op ’t oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: „laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven.” Want Akbars zoonSelimwas de ware schuldige!Selim.Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij Akbar ’t sterk ontwikkelde plichtsgevoel, ’t streven om den heiligen vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot: prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen, zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders, maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke werkkring—onderkoning in Bengalen—en wordt wel geen regent als Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen geest die over hem gekomen is. Voor ’t eerst toont de zelfzuchtige Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.Siddha.De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren zin zijnSiddha RamaenIravati. Siddha is een jong edelman, de zoon van den eersten ministervan Kaçmir, opgevoed door den wijzen BrahmaanKoelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot groote dingen.Invloed van Salhana.Zijn kwade geest is zijn oomSalhana, die hem als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid, de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen als zooveel verontschuldigingen gelden.Hartstocht voor Rezia.Eens aan ’t hof verspeelt Siddha meer en meer onze sympathie: zijn hartstocht voorReziaen zijn ontrouw aanIravatizijn, zooals de wijze kluizenaarGaurapadaopmerkt, hoewel niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in onze achting, als hij, wetende dat ReziaGoelbadan, de vrouw van zijn vriendFeiziis, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.Verbetering.Maar Siddha’s latere handelingen bewijzen dat hij zich zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een tijdelijke afdwaling. Z’n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen doorGaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maarvaak is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. „Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardigedaad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen.” En Siddha mag zich te minder aan ’t leven onttrekken, omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegensIravati. Zoo hergeeft Gaurapada Siddha aan ’t leven. Door werken een jeugdige onbezonnenheid goed te maken, is Siddha’s boete. De opheffing van Feizi’s vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.Iravati. Haar ideeën.Iravativertegenwoordigt volgens den schrijverde echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is geschreven naar ’t model van ’t in de Hindoe-literatuur voorkomende verhaal vanNalaenDamayanti. „De onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti”, is het ideaal waarnaar Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten, blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die haar van Siddha’s ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. „De Indische vrouwen”, zegt ze tot Selim, „kennen die verlokking tot grootheid niet, waar het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti kwam u zeker wel ’t een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ikeene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: „het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam.”Haar daden.In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze bewijst met de daad dat ’t haar heilige ernst is.Selim, en met hem een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen vanSalhana, dat hij zijn dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden, kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar naar de bergen in ’t noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet; als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden, dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha’s hart kent en weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt uit haar woorden: „Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest.” Gelukkig dat Gaurapada Siddha’s eigenzinnigheid weet te overwinnen.Salhana en Gorakh.Een enkel woord ten slotte over de beide „verraders,”SalhanaenGorakh. De eerste is ’t type van denintrigant, de laatste van denfanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht: Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen, hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.
Akbar.Schrijver.In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalistMr. P.A.S. van Limburg Brouwereen van de grootsten en edelstenmenschente teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende ’t leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen lezer nog een blijvenden indruk kon maken.Afstamming van Akbar.Akbar is een afstammeling van den geweldigen Mongoolschen veroveraarTimoerlenk(Tamerlan), die in ’t laatst van de 14eeeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de TimoeridenBaboerII, de beheerscher van ’t rijk Kaboel, veroverde in 1526 ’t noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië ’t rijk van den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoonHoemayoen(1530–1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoonAkbar, met recht de tweede stichter genoemd van ’t rijk der Groot-Mogols, die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.Zijn verdiensten.De groote verdienste van Akbar is geweestregeling van ’t inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral wordt ons in den roman geteekend.Bestuur.Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft—zoo verhaalt het dorpshoofd aanSiddha Rama—met behulp van zijn schatmeesterTodar Malen den grootvizierAboel Fazleen vast stelsel van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten, voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen, dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel; prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden in Akbar zelf een ijverig beoefenaar.De eerzucht van den Keizer is—’t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot Siddha—„zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is ’t onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd.”Godsdienst.Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog aantrekkelijker maakt, is zijnernstig zoeken naar waarheid. Vandaar dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn opvoeding een Islamiet is.Koelloekalicht hem in over de leer van Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda’s; de JezuïetAquavivaheeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd;Abdal Kadirlaat niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. ZelfsGorakh, de Yogi-priester, heeft daar toegang.En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem ’t meest bij al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. „Of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort,” zegt hij tegen zijn vriend, den filosoofFeizi, „’t is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.” ’t Is als in de parabel der drie ringen inLessingsNathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar te brengen, om ze ten slotte te versmelten.De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst:Tauhid i Ilahi(De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche zangen. ’t Zou zijn eenZonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid, die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging nietgehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid is trouwens Akbars richtsnoer bij ’t bestuur van zijn land: In Indië heerschtvrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht tot paterAquaviva: „Predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe’s in hunne pagoden: maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen, ’t zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond.”Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid vanAquavivaen niet minder uit dat van den norschenAbdal Kadir.De wijsgeer Feizi.Naast Akbar staat de wijsgeerFeizi, even humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst, waardoor de godsdienst als ’t ware plastisch wordt voorgesteld en bij die onontwikkelden treden dan vaak devormenin de plaats van ’tideëele.Hervorming door volksonderwijs.Daarom—en nu is ’t of we iemand uit onzen tijd hooren—vóór alles volksonderwijs. „Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, ’t is waar; en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf nietlichtde uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur,terwijl elke verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer, ’t zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeien, doch in ’t einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen.” Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand man is, blijkt uit zijn optreden tegenoverSiddha Rama.De staatsman Aboel Fazl.Aboel Fazlis minder wijsgeer, maar meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is ’t zegenrijke regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op ’t oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: „laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven.” Want Akbars zoonSelimwas de ware schuldige!Selim.Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij Akbar ’t sterk ontwikkelde plichtsgevoel, ’t streven om den heiligen vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot: prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen, zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders, maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke werkkring—onderkoning in Bengalen—en wordt wel geen regent als Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen geest die over hem gekomen is. Voor ’t eerst toont de zelfzuchtige Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.Siddha.De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren zin zijnSiddha RamaenIravati. Siddha is een jong edelman, de zoon van den eersten ministervan Kaçmir, opgevoed door den wijzen BrahmaanKoelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot groote dingen.Invloed van Salhana.Zijn kwade geest is zijn oomSalhana, die hem als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid, de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen als zooveel verontschuldigingen gelden.Hartstocht voor Rezia.Eens aan ’t hof verspeelt Siddha meer en meer onze sympathie: zijn hartstocht voorReziaen zijn ontrouw aanIravatizijn, zooals de wijze kluizenaarGaurapadaopmerkt, hoewel niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in onze achting, als hij, wetende dat ReziaGoelbadan, de vrouw van zijn vriendFeiziis, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.Verbetering.Maar Siddha’s latere handelingen bewijzen dat hij zich zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een tijdelijke afdwaling. Z’n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen doorGaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maarvaak is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. „Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardigedaad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen.” En Siddha mag zich te minder aan ’t leven onttrekken, omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegensIravati. Zoo hergeeft Gaurapada Siddha aan ’t leven. Door werken een jeugdige onbezonnenheid goed te maken, is Siddha’s boete. De opheffing van Feizi’s vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.Iravati. Haar ideeën.Iravativertegenwoordigt volgens den schrijverde echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is geschreven naar ’t model van ’t in de Hindoe-literatuur voorkomende verhaal vanNalaenDamayanti. „De onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti”, is het ideaal waarnaar Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten, blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die haar van Siddha’s ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. „De Indische vrouwen”, zegt ze tot Selim, „kennen die verlokking tot grootheid niet, waar het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti kwam u zeker wel ’t een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ikeene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: „het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam.”Haar daden.In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze bewijst met de daad dat ’t haar heilige ernst is.Selim, en met hem een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen vanSalhana, dat hij zijn dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden, kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar naar de bergen in ’t noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet; als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden, dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha’s hart kent en weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt uit haar woorden: „Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest.” Gelukkig dat Gaurapada Siddha’s eigenzinnigheid weet te overwinnen.Salhana en Gorakh.Een enkel woord ten slotte over de beide „verraders,”SalhanaenGorakh. De eerste is ’t type van denintrigant, de laatste van denfanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht: Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen, hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.
Akbar.Schrijver.In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalistMr. P.A.S. van Limburg Brouwereen van de grootsten en edelstenmenschente teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende ’t leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen lezer nog een blijvenden indruk kon maken.Afstamming van Akbar.Akbar is een afstammeling van den geweldigen Mongoolschen veroveraarTimoerlenk(Tamerlan), die in ’t laatst van de 14eeeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de TimoeridenBaboerII, de beheerscher van ’t rijk Kaboel, veroverde in 1526 ’t noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië ’t rijk van den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoonHoemayoen(1530–1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoonAkbar, met recht de tweede stichter genoemd van ’t rijk der Groot-Mogols, die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.Zijn verdiensten.De groote verdienste van Akbar is geweestregeling van ’t inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral wordt ons in den roman geteekend.Bestuur.Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft—zoo verhaalt het dorpshoofd aanSiddha Rama—met behulp van zijn schatmeesterTodar Malen den grootvizierAboel Fazleen vast stelsel van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten, voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen, dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel; prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden in Akbar zelf een ijverig beoefenaar.De eerzucht van den Keizer is—’t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot Siddha—„zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is ’t onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd.”Godsdienst.Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog aantrekkelijker maakt, is zijnernstig zoeken naar waarheid. Vandaar dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn opvoeding een Islamiet is.Koelloekalicht hem in over de leer van Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda’s; de JezuïetAquavivaheeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd;Abdal Kadirlaat niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. ZelfsGorakh, de Yogi-priester, heeft daar toegang.En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem ’t meest bij al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. „Of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort,” zegt hij tegen zijn vriend, den filosoofFeizi, „’t is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.” ’t Is als in de parabel der drie ringen inLessingsNathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar te brengen, om ze ten slotte te versmelten.De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst:Tauhid i Ilahi(De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche zangen. ’t Zou zijn eenZonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid, die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging nietgehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid is trouwens Akbars richtsnoer bij ’t bestuur van zijn land: In Indië heerschtvrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht tot paterAquaviva: „Predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe’s in hunne pagoden: maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen, ’t zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond.”Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid vanAquavivaen niet minder uit dat van den norschenAbdal Kadir.De wijsgeer Feizi.Naast Akbar staat de wijsgeerFeizi, even humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst, waardoor de godsdienst als ’t ware plastisch wordt voorgesteld en bij die onontwikkelden treden dan vaak devormenin de plaats van ’tideëele.Hervorming door volksonderwijs.Daarom—en nu is ’t of we iemand uit onzen tijd hooren—vóór alles volksonderwijs. „Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, ’t is waar; en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf nietlichtde uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur,terwijl elke verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer, ’t zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeien, doch in ’t einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen.” Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand man is, blijkt uit zijn optreden tegenoverSiddha Rama.De staatsman Aboel Fazl.Aboel Fazlis minder wijsgeer, maar meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is ’t zegenrijke regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op ’t oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: „laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven.” Want Akbars zoonSelimwas de ware schuldige!Selim.Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij Akbar ’t sterk ontwikkelde plichtsgevoel, ’t streven om den heiligen vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot: prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen, zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders, maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke werkkring—onderkoning in Bengalen—en wordt wel geen regent als Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen geest die over hem gekomen is. Voor ’t eerst toont de zelfzuchtige Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.Siddha.De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren zin zijnSiddha RamaenIravati. Siddha is een jong edelman, de zoon van den eersten ministervan Kaçmir, opgevoed door den wijzen BrahmaanKoelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot groote dingen.Invloed van Salhana.Zijn kwade geest is zijn oomSalhana, die hem als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid, de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen als zooveel verontschuldigingen gelden.Hartstocht voor Rezia.Eens aan ’t hof verspeelt Siddha meer en meer onze sympathie: zijn hartstocht voorReziaen zijn ontrouw aanIravatizijn, zooals de wijze kluizenaarGaurapadaopmerkt, hoewel niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in onze achting, als hij, wetende dat ReziaGoelbadan, de vrouw van zijn vriendFeiziis, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.Verbetering.Maar Siddha’s latere handelingen bewijzen dat hij zich zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een tijdelijke afdwaling. Z’n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen doorGaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maarvaak is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. „Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardigedaad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen.” En Siddha mag zich te minder aan ’t leven onttrekken, omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegensIravati. Zoo hergeeft Gaurapada Siddha aan ’t leven. Door werken een jeugdige onbezonnenheid goed te maken, is Siddha’s boete. De opheffing van Feizi’s vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.Iravati. Haar ideeën.Iravativertegenwoordigt volgens den schrijverde echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is geschreven naar ’t model van ’t in de Hindoe-literatuur voorkomende verhaal vanNalaenDamayanti. „De onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti”, is het ideaal waarnaar Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten, blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die haar van Siddha’s ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. „De Indische vrouwen”, zegt ze tot Selim, „kennen die verlokking tot grootheid niet, waar het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti kwam u zeker wel ’t een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ikeene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: „het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam.”Haar daden.In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze bewijst met de daad dat ’t haar heilige ernst is.Selim, en met hem een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen vanSalhana, dat hij zijn dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden, kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar naar de bergen in ’t noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet; als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden, dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha’s hart kent en weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt uit haar woorden: „Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest.” Gelukkig dat Gaurapada Siddha’s eigenzinnigheid weet te overwinnen.Salhana en Gorakh.Een enkel woord ten slotte over de beide „verraders,”SalhanaenGorakh. De eerste is ’t type van denintrigant, de laatste van denfanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht: Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen, hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.
Akbar.
Schrijver.In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalistMr. P.A.S. van Limburg Brouwereen van de grootsten en edelstenmenschente teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende ’t leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen lezer nog een blijvenden indruk kon maken.Afstamming van Akbar.Akbar is een afstammeling van den geweldigen Mongoolschen veroveraarTimoerlenk(Tamerlan), die in ’t laatst van de 14eeeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de TimoeridenBaboerII, de beheerscher van ’t rijk Kaboel, veroverde in 1526 ’t noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië ’t rijk van den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoonHoemayoen(1530–1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoonAkbar, met recht de tweede stichter genoemd van ’t rijk der Groot-Mogols, die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.Zijn verdiensten.De groote verdienste van Akbar is geweestregeling van ’t inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral wordt ons in den roman geteekend.Bestuur.Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft—zoo verhaalt het dorpshoofd aanSiddha Rama—met behulp van zijn schatmeesterTodar Malen den grootvizierAboel Fazleen vast stelsel van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten, voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen, dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel; prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden in Akbar zelf een ijverig beoefenaar.De eerzucht van den Keizer is—’t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot Siddha—„zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is ’t onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd.”Godsdienst.Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog aantrekkelijker maakt, is zijnernstig zoeken naar waarheid. Vandaar dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn opvoeding een Islamiet is.Koelloekalicht hem in over de leer van Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda’s; de JezuïetAquavivaheeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd;Abdal Kadirlaat niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. ZelfsGorakh, de Yogi-priester, heeft daar toegang.En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem ’t meest bij al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. „Of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort,” zegt hij tegen zijn vriend, den filosoofFeizi, „’t is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.” ’t Is als in de parabel der drie ringen inLessingsNathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar te brengen, om ze ten slotte te versmelten.De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst:Tauhid i Ilahi(De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche zangen. ’t Zou zijn eenZonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid, die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging nietgehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid is trouwens Akbars richtsnoer bij ’t bestuur van zijn land: In Indië heerschtvrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht tot paterAquaviva: „Predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe’s in hunne pagoden: maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen, ’t zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond.”Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid vanAquavivaen niet minder uit dat van den norschenAbdal Kadir.De wijsgeer Feizi.Naast Akbar staat de wijsgeerFeizi, even humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst, waardoor de godsdienst als ’t ware plastisch wordt voorgesteld en bij die onontwikkelden treden dan vaak devormenin de plaats van ’tideëele.Hervorming door volksonderwijs.Daarom—en nu is ’t of we iemand uit onzen tijd hooren—vóór alles volksonderwijs. „Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, ’t is waar; en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf nietlichtde uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur,terwijl elke verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer, ’t zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeien, doch in ’t einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen.” Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand man is, blijkt uit zijn optreden tegenoverSiddha Rama.De staatsman Aboel Fazl.Aboel Fazlis minder wijsgeer, maar meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is ’t zegenrijke regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op ’t oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: „laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven.” Want Akbars zoonSelimwas de ware schuldige!Selim.Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij Akbar ’t sterk ontwikkelde plichtsgevoel, ’t streven om den heiligen vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot: prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen, zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders, maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke werkkring—onderkoning in Bengalen—en wordt wel geen regent als Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen geest die over hem gekomen is. Voor ’t eerst toont de zelfzuchtige Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.Siddha.De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren zin zijnSiddha RamaenIravati. Siddha is een jong edelman, de zoon van den eersten ministervan Kaçmir, opgevoed door den wijzen BrahmaanKoelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot groote dingen.Invloed van Salhana.Zijn kwade geest is zijn oomSalhana, die hem als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid, de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen als zooveel verontschuldigingen gelden.Hartstocht voor Rezia.Eens aan ’t hof verspeelt Siddha meer en meer onze sympathie: zijn hartstocht voorReziaen zijn ontrouw aanIravatizijn, zooals de wijze kluizenaarGaurapadaopmerkt, hoewel niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in onze achting, als hij, wetende dat ReziaGoelbadan, de vrouw van zijn vriendFeiziis, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.Verbetering.Maar Siddha’s latere handelingen bewijzen dat hij zich zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een tijdelijke afdwaling. Z’n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen doorGaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maarvaak is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. „Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardigedaad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen.” En Siddha mag zich te minder aan ’t leven onttrekken, omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegensIravati. Zoo hergeeft Gaurapada Siddha aan ’t leven. Door werken een jeugdige onbezonnenheid goed te maken, is Siddha’s boete. De opheffing van Feizi’s vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.Iravati. Haar ideeën.Iravativertegenwoordigt volgens den schrijverde echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is geschreven naar ’t model van ’t in de Hindoe-literatuur voorkomende verhaal vanNalaenDamayanti. „De onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti”, is het ideaal waarnaar Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten, blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die haar van Siddha’s ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. „De Indische vrouwen”, zegt ze tot Selim, „kennen die verlokking tot grootheid niet, waar het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti kwam u zeker wel ’t een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ikeene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: „het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam.”Haar daden.In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze bewijst met de daad dat ’t haar heilige ernst is.Selim, en met hem een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen vanSalhana, dat hij zijn dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden, kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar naar de bergen in ’t noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet; als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden, dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha’s hart kent en weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt uit haar woorden: „Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest.” Gelukkig dat Gaurapada Siddha’s eigenzinnigheid weet te overwinnen.Salhana en Gorakh.Een enkel woord ten slotte over de beide „verraders,”SalhanaenGorakh. De eerste is ’t type van denintrigant, de laatste van denfanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht: Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen, hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.
Schrijver.In dezen historischen roman heeft de bekende oriëntalistMr. P.A.S. van Limburg Brouwereen van de grootsten en edelstenmenschente teekenen, die ooit een kroon gedragen hebben en tevens ons een voorstelling trachten te geven van Voor-Indië gedurende ’t leven van dien machtigen vorst. Uit alles blijkt dat de schrijver groote bewondering koesterde voor zijn held en niet minder voor de wijsheid van de Brahmanen en de schoonheid van de Oud-Indische letterkunde. Zoo is een werk ontstaan, dat zelfs op een modernen lezer nog een blijvenden indruk kon maken.
Afstamming van Akbar.Akbar is een afstammeling van den geweldigen Mongoolschen veroveraarTimoerlenk(Tamerlan), die in ’t laatst van de 14eeeuw over een groot deel van Azië gebood. Een van de TimoeridenBaboerII, de beheerscher van ’t rijk Kaboel, veroverde in 1526 ’t noordelijk deel van Voor-Indië. Zoo ontstond in Indië ’t rijk van den Groot-Mogol (= den grooten Mongool.) Baboers zoonHoemayoen(1530–1556) kon zich slechts met moeite staande houden en werd zelfs tijdelijk uit Indië verdreven. Op hem volgde zijn zoonAkbar, met recht de tweede stichter genoemd van ’t rijk der Groot-Mogols, die bijna heel Voor-Indië onder zijn schepter vereenigde.
Zijn verdiensten.De groote verdienste van Akbar is geweestregeling van ’t inwendige bestuur en de poging tot versmelting van de verschillende volkeren en godsdiensten. Dat grootsche streven vooral wordt ons in den roman geteekend.
Bestuur.Vooreerst het bestuur van zijn land. De keizer heeft—zoo verhaalt het dorpshoofd aanSiddha Rama—met behulp van zijn schatmeesterTodar Malen den grootvizierAboel Fazleen vast stelsel van landrente ingevoerd. Alle landerijen zijn behoorlijk opgemeten, voor alle deelen is een bepaalde landrente vastgesteld, zoodat nu ieder precies weet wat hij te betalen heeft en knevelarijen van hoofden en regeeringsambtenaren buitengesloten zijn, vooral omdat de grootvizier onderdrukking door ambtenaren met groote strengheid tegengaat. De willekeur van vroeger heeft plaats gemaakt voor rechtszekerheid. Meent iemand niettegenstaande al deze voorzorgen, dat hem onrecht is aangedaan, dan is er een laatste middel: iedere klager vindt bij den keizer een open oor, en is hem werkelijk onrecht geschied, dan zal hij recht krijgen door Akbar zelf.
Maar niet alleen de landbebouwers, ook de nijvere burgers roemen hun keizer. Overal waar hij kan, steunt Akbar nijverheid en handel; prachtige gebouwen verrijzen in de hoofdsteden, welvaart heerscht in heel zijn rijk. De kunsten worden gesteund, de wetenschappen vinden in Akbar zelf een ijverig beoefenaar.De eerzucht van den Keizer is—’t zijn de woorden door hem zelf in den slottuin gesproken tot Siddha—„zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en machtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is ’t onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde macht zijn toevertrouwd.”
Godsdienst.Wat voor den lezer echter den persoon van Akbar nog aantrekkelijker maakt, is zijnernstig zoeken naar waarheid. Vandaar dat hij tal van godsdienstige stelsels onderzoekt, hoewel hij naar zijn opvoeding een Islamiet is.Koelloekalicht hem in over de leer van Brahma, die neergelegd is in de heilige Veda’s; de JezuïetAquavivaheeft hem een vertaling van den Bijbel bezorgd;Abdal Kadirlaat niet af de waarheden van den Koran te verkondigen en ook de Joden en Boeddhisten zijn geen vreemden aan Akbars hof. ZelfsGorakh, de Yogi-priester, heeft daar toegang.
En Akbar erkent het goede in ieder van die stelsels, maar hij is daarbij volstrekt niet blind voor de gebreken. Wat hem ’t meest bij al die predikers tegen de borst stuit is het gelooven op gezag. „Of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort,” zegt hij tegen zijn vriend, den filosoofFeizi, „’t is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend.” ’t Is als in de parabel der drie ringen inLessingsNathan der Weise: ieder is stellig overtuigd dat zijn ring de ware is. En daarom moest ook de grootsche poging van keizer Akbar mislukken: de poging om de verschillende godsdiensten nader tot elkaar te brengen, om ze ten slotte te versmelten.
De kroon op zijn werk zou zijn een nieuwe godsdienst:Tauhid i Ilahi(De Eenheid der Godheid), veel overeenkomende met den Mithra-dienst van de vroegere Perzen en met sommige voorstellingen in Brahmaansche zangen. ’t Zou zijn eenZonnedienst. Het Licht, het Vuur, de groote kracht die alles bezielt, zou het zinnebeeld zijn van de eenheid, die overal op te merken is. Werkelijk is deze leer door Akbar onder enkele vertrouwden ingevoerd, maar eenig verder gevolg heeft de poging nietgehad. Een schitterend getuigenis voor Akbars verdraagzaamheid is wel het feit dat de nieuwe leer uitsluitend door overreding mocht worden verbreid. Dwang was buitengesloten. Diezelfde verdraagzaamheid is trouwens Akbars richtsnoer bij ’t bestuur van zijn land: In Indië heerschtvrijheid van godsdienst. Niemand mag om geloofswille vervolgd worden. Dat blijkt vooral duidelijk uit Akbars woorden gericht tot paterAquaviva: „Predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er uw kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeeën en de Hindoe’s in hunne pagoden: maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen, ’t zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond.”
Dat deze handelingen den keizer veel vijanden moest bezorgen onder de fanatici, ligt voor de hand en de opstand die onder Selims leiding uitbarstte, was dan ook voor een goed deel hun werk. En toch konden ook zij zich ten slotte niet onttrekken aan den machtigen invloed die een hooge figuur als Akbar moest uitoefenen: dat blijkt uit het afscheid vanAquavivaen niet minder uit dat van den norschenAbdal Kadir.
De wijsgeer Feizi.Naast Akbar staat de wijsgeerFeizi, even humaan denkend als zijn vorstelijke vriend, en nog meer dan deze een bewonderaar van de Brahmaansche literatuur. Tegenover Akbars nieuwe leer staat hij vrij sceptisch, omdat het volk niet rijp is voor iets dergelijks. De onontwikkelde massa heeft behoefte aan vormendienst, waardoor de godsdienst als ’t ware plastisch wordt voorgesteld en bij die onontwikkelden treden dan vaak devormenin de plaats van ’tideëele.
Hervorming door volksonderwijs.Daarom—en nu is ’t of we iemand uit onzen tijd hooren—vóór alles volksonderwijs. „Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zeker middel. Het werkt langzaam, ’t is waar; en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf nietlichtde uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur,terwijl elke verkondiging van eene min of meer met zinnebeelden getooide leer, ’t zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeien, doch in ’t einde steeds weer verbastert, of, zoo dat al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen.” Dat Feizi ook in zijn daden een hoogstaand man is, blijkt uit zijn optreden tegenoverSiddha Rama.
De staatsman Aboel Fazl.Aboel Fazlis minder wijsgeer, maar meer prakticus. Zooals we boven reeds zagen, is ’t zegenrijke regeeringsstelsel voor een goed deel zijn werk geweest, altijd is hij de trouwe, intelligente medestander van den keizer, dien hij steunt in den strijd tegen de talrijke vooroordeelen waarmee iedere hervormer te kampen heeft. Het grootst toont hij zich misschien wel op ’t oogenblik, dat hij Siddha stervende toefluistert: „laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven.” Want Akbars zoonSelimwas de ware schuldige!
Selim.Hoe ver staat deze Selim beneden zijn grooten vader! Bij Akbar ’t sterk ontwikkelde plichtsgevoel, ’t streven om den heiligen vorstenplicht te betrachten, bij Selim niets dan zucht naar genot: prachtliefde, wijn en schoone vrouwen. Misschien was Akbar niet geheel onschuldig aan Selims degeneratie: hij had zijn zoon overladen met eer en gunsten, maar verzuimde hem een werkkring aan te wijzen, zoodat het verantwoordelijkheidsgevoel zich kon ontwikkelen. Selim was een zwakkeling geworden, een speelbal voor vleiers en verleiders, maar daarom nog geen slecht mensch. In zooverre brengt de opstand een wending ten goede in Selims leven: hij krijgt een verantwoordelijke werkkring—onderkoning in Bengalen—en wordt wel geen regent als Akbar, maar toch in vele opzichten een vorst, onder wiens bestuur Indië blijft bloeien. Zijn belofte aan Iravati getuigt van den nieuwen geest die over hem gekomen is. Voor ’t eerst toont de zelfzuchtige Selim zelfbeheersching en zelfverloochening.
Siddha.De eigenlijke hoofdpersonen uit den roman in engeren zin zijnSiddha RamaenIravati. Siddha is een jong edelman, de zoon van den eersten ministervan Kaçmir, opgevoed door den wijzen BrahmaanKoelloeka, moedig, krachtig gebouwd en begaafd met een helder verstand. Een gunsteling van de fortuin, als voorbestemd tot groote dingen.
Invloed van Salhana.Zijn kwade geest is zijn oomSalhana, die hem als werktuig gebruikt. Hij is de man, die Siddha aan Akbars hof heeft weten te plaatsen, om zoodoende goed met de plannen van den keizer op de hoogte te blijven en brieven op een veilige manier naar Kaçmir te kunnen zenden. De groote fout van Siddha is, dat hij niet dadelijk toen zijn oom hem die plannen gedeeltelijk blootlegde, ruiterlijk weigerde zich tot zulke praktijken te leenen. Zijn onervarenheid, de eerbied voor zijn oom en de liefde voor zijn bedreigd land kunnen als zooveel verontschuldigingen gelden.
Hartstocht voor Rezia.Eens aan ’t hof verspeelt Siddha meer en meer onze sympathie: zijn hartstocht voorReziaen zijn ontrouw aanIravatizijn, zooals de wijze kluizenaarGaurapadaopmerkt, hoewel niet te verdedigen, dan toch verschoonbaar, maar diep zinkt hij in onze achting, als hij, wetende dat ReziaGoelbadan, de vrouw van zijn vriendFeiziis, niet onmiddellijk alle betrekkingen met haar verbreekt. Ook zijn houding tegenover Akbar grenst aan verraad.
Verbetering.Maar Siddha’s latere handelingen bewijzen dat hij zich zelf teruggevonden heeft en dat dit alles niets is geweest dan een tijdelijke afdwaling. Z’n ridderlijk bekennen aan Akbar, de beslistheid waarmee hij voortgaat op den nieuwen weg, zeggen ons dat een vroegere periode is afgesloten. Van één dwaling wordt hij eerst genezen doorGaurapada, den wijze uit het Himâlaja-gebergte. Wanneer iemand een fout heeft begaan, is dikwijls het eenige waardoor hij zijn misstap tracht te boeten, berouw en afzondering van de wereld. Maarvaak is deze zoogenaamde boete niets dan schaamte of hoogmoed: men is te trotsch om degenen die onze misslagen kennen, weer te ontmoeten. Dat is niet de ware manier om verloren eer te herwinnen. „Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardigedaad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen.” En Siddha mag zich te minder aan ’t leven onttrekken, omdat hij niet alleen staat, maar plichten heeft jegensIravati. Zoo hergeeft Gaurapada Siddha aan ’t leven. Door werken een jeugdige onbezonnenheid goed te maken, is Siddha’s boete. De opheffing van Feizi’s vloek getuigt dat de boeteling zijn plicht gedaan heeft.
Iravati. Haar ideeën.Iravativertegenwoordigt volgens den schrijverde echt Indische vrouw, zooals die in het drama en de legende van Indië ons wordt voorgesteld. De geschiedenis van Siddha en Iravati is geschreven naar ’t model van ’t in de Hindoe-literatuur voorkomende verhaal vanNalaenDamayanti. „De onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar getrouwe Damayanti”, is het ideaal waarnaar Iravati zich richt. Hoe Iravati haar plicht meent te moeten opvatten, blijkt nergens beter uit dan uit haar antwoord aan Selim, als die haar van Siddha’s ontrouw heeft overtuigd en haar macht en eer aanbiedt, indien ze zijn vrouw wil worden. „De Indische vrouwen”, zegt ze tot Selim, „kennen die verlokking tot grootheid niet, waar het haar plicht betreft en haar eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plechtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is het u niet bekend, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen van Damayanti kwam u zeker wel ’t een en ander ter oore. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ikeene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: „het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuigt zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam.”
Haar daden.In den mond van Iravati zijn dat geen frases, ze bewijst met de daad dat ’t haar heilige ernst is.Selim, en met hem een schitterende toekomst, wijst ze af, ook nadat ze weet dat de lotosbloem gekanteld is; de bedreigingen vanSalhana, dat hij zijn dochter zal vloeken, dat Selim Siddha misschien zal laten dooden, kunnen haar niet doen wankelen, en eindelijk snelt ze met levensgevaar naar de bergen in ’t noorden, om den ontrouwen verloofde zelf te kunnen verplegen. En toch een afgedwongen liefde wil Iravati niet; als Siddha zegt dat ze moeten scheiden, wil ze hem niet terughouden, dat verbiedt haar gevoel van eigenwaarde. Dat ze Siddha’s hart kent en weet, dat trotschheid de eenige beweegreden is van zijn daad, blijkt uit haar woorden: „Gij verwerpt mij willens en wetens, en niet omdat ik jegens u misdreef, maar alleen omdat gij zelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest.” Gelukkig dat Gaurapada Siddha’s eigenzinnigheid weet te overwinnen.
Salhana en Gorakh.Een enkel woord ten slotte over de beide „verraders,”SalhanaenGorakh. De eerste is ’t type van denintrigant, de laatste van denfanaticus. Beide worden ze geleid door heerschzucht: Salhana hoopt, zoodra Selim keizer is, onderkoning te worden van Kaçmir, Gorakh denkt voor en gedurende den opstand te kunnen toonen, hoe geducht de macht van den Worger-priester is, om zoodoende ten laatste zelfs de hoogsten in den staat te beheerschen.