De Jaromir-cyclus.De bedoeling van ’t onderstaande is duidelijk het verband in ’t licht te stellen tusschen de vier onderdeden van ’t werk en tevens om aan de hand er van na te gaan, welke de verdiensten vanStaringals dichter zijn.Ontstaan en compositie.Staring had slechts drie gegevens:a.twee plassen bij Lochem, de zoogenaamdeduivelskolken.b.de zoogenaamdehondentreein de kerk te Zutphen.c.een weiland te Lochem, deduivelsaars.Zijn groote verdienste is dat hij uit deze weinige gegevens een verhaal heeft opgebouwd, waarin al deze deelen met elkaar in logisch verband gebracht worden. De draad die dit alles zou vereenigen, werdde strijd tusschen een zekeren paterJaromiren den duivel. Hoe het in bizonderheden uitgewerkt is, zullen we straks nader zien.Jaromir te Praag is de inleiding.Maar de dichter had nog een inleiding noodig, waardoor de wrok van den duivel tegen Jaromir verklaard kon worden en deze vond hij in een verhaal, voorkomende in een Engelsch tijdschrift, welk verhaal hij omwerkte tot zijn:Jaromir te Praag. Dit gedeelte is dus geen eigen vinding, maar het verdienstelijke vanStaringis hier, dat hij een vreemd verhaalzoo handig wist te gebruiken als inleiding voor zijn eigen werk, dat het vreemde gedeelte één met zijn eigen werk is geworden. DatStaringJaromir te Praag bedoelt als inleiding tot het volgende, blijkt uit de vier eerste regels vanJaromir te Zutphen:„De kennis werd gemaakt; Gij kondt een beetre makenDan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, ’t was voor mijDe beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt is vast te haken.”Juist deze laatste zin bewijst het gegronde van onze bewering.Jaromir te Praagkon dienen ter inleiding, omdat daardoorde wrok van den duivel tegen Jaromir wordt verklaard. Dit zien we uitJaromir te Zutphen, vers 23–32: de priester dacht niet meer aan de klucht die hij in zijn studententijd uitgehaald had, maar de duivel wèl. Hij is boos, omdat Jaromir vroeger zijn rol gespeeld had (vgl.„Dat ligt deze aperij den zwarten had verdroten”).De wrok van den duivel vermeerderde steeds omdat Jaromir, nadat hij Franciscaner monnik was geworden, telkens met succes tegen satan optrad en hem overal tegenwerkte. De oud-student werd later een beroemdduivelbanner.Verdere uitwerking.Staring heeft zijn gegevens op de volgende wijze gebruikt:1o.Jaromir te Praagwerd de inleiding.2o. InJaromir te Lochemwordt verteld hoe de duivel wraak neemt door de klepels derklokkenop ’t hoofd van zijn tegenstander neer te smakken. De klokken werpt hij in twee poelen bij Lochem, die voortaan deduivelskolkenheeten.3o.Jaromir te Zutphenverhaalt ons, hoe Belzebub den monnik verleidt en hem de gelofte aan St. Michiel doet schenden. Dehondentreein de vloersteenen herinnert er aan, dat de duivel Jaromir in de gedaante van eenhondwas verschenen.4o.Jaromir Gewrokeneindelijk brengt ons de boete en de overwinning van den zwaarbeproefde, en het weiland bij Lochem, deduivelsaars.„…. heet, van dien dag af tot dezen,Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouwDe wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.”Eenheid van ’t geheel.We zullen zien, datStaringde eenheid vanzijndichtwerk door andere middelen nog meer versterkt heeft.1. Door inJaromir Gewrokenzijn held alsoverwinnaarvan den booze te laten optreden; nu kreeg ’t geheel een bevredigend slot, zooalsStaringzelf ook schertsend opmerkt in den aanhef van het laatste deel.2. Door Jaromir niet alleen voor te stellen als overwinnaar, maar vooral als iemand, diezijn leven gebeterd heeft: juist door zijn beproevingen is hij een beter mensch geworden en daarom zegeviert hij ten slotte over den boozen vijand.3. Dan de rol dieSt. Michielspeelt.a.Jaromir roept St. Michiel aan als hij de klokken vervloekt.b.Daarom beschermt de Heilige hem.c.Uit erkentelijkheid belooft Jaromir te zullen vasten.d.De duivel verleidt hem zijn gelofte te verbreken.e.Jaromir doet boete en smeekt St. Michiel om vergiffenis.f.De vergiffenis wordt verleend, nadat de zondaar werkelijk getoond heeft zijn leven te willen beteren.g.St. Michiel staat Jaromir nogmaals bij in zijn strijd tegen den Booze.Karakter van Jaromir.Uit het eerste gedeelte,Jaromir te Praag, blijkt niet veel omtrent het karakter van den student, we kunnen alleen zeggen, dat hij eenvroolijk leventje leidde, schulden had, vooral tengevolge van zijntrek naar lekker etenen bovendien blijkt uit het geheel, dat hij eenvindingrijk, slimpersoon is.Voor deze karaktertrekken zijn de eerste van ’t meeste belang voor ons verder onderzoek: uit den levenslustigen student groeit later een welgedane priester, die niet in eens in een strenggeloovig man is veranderd, en vooral „zijn gezonde maag” behoudt hij: die wordt juist deoorzaak van zijn valinJaromir te Zutfen.Duidelijker komt zijn karakter aan ’t licht inJaromirteLochemen we moeten het wel bekennen: veel goeds kan van onzen held niet gezegd worden.1. Hij ishoogmoedig. Dit blijkt vooreerst uit het feit, dat hij ’t luiden der klokken verklaart als gebeurende ter eere van hem, maar ook kunnen we het opmaken uit verschillende kleine trekjes doorStaringhier aangebracht. Jaromir zitparmantigop een ros; hijplooit zijn mond in ’t deftige; de uitval tegen den onschuldigen jongen; de komische overdrijving der zonde en dan bovenal uit hetgeen in de volgende regels gezegd wordt:„— — — — — ’s Mans hevig blaken isMin ijvergloed, meer ergernis,Om d’al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.”2.Hij leeft niet overeenkomstig de voorschriften zijner orde.„Gehuld in Sint Franciscus dos,Zat, die eenswandlenmoest, parmantig op een ros,En spaarde dus bij ’t Missiewerk zijn beenen.”Dit zegtStaringons van vriend Jaromir: we weten dus, dat de volgeling van den Heiligen Franciscus, die naar ’t voorbeeld van den stichter zijner orde inarmoedeals een bedelmonnik had behooren te leven, te paard gaat rijden, zich fraai gaat kleeden (dos!), en zelfs geheel anders dan denederigeFranciscus zichverhoovaardigtop zijn positie.3.Hij heeft de menschen weten te bedriegen: iedereen ziet in hem eenHeilige, men noemt hem zelfs zoo … maar het volgende vers„De Biechtstoel, die zijnheersch- gelijk zijnhebzuchtpaait!”licht ons wel anders in; de pater gebruikt zijn macht voor allesbehalve heilige en vrome doeleinden. Hij weet door middel van de biecht invloed uit te oefenen op hen die om vergiffenis van zonden smeeken, grijpt deze gelegenheid zelfs aan om zich te verrijken! Wel is het noodig, dat zoo iemand eenigen tijd aan de verleidingen van den Booze wordt blootgesteld, een zoodanige herder zal gemakkelijk zelf dolen en eerst na vele beproevingen weer op het rechte pad terug kunnen keeren.Het is vanStaringdus goed gezien deze slechte eigenschappen aan den pater toe te kennen, juist daardoor wordt zijn val gemotiveerd.4. InJaromir te Zutfenblijkt nogmaals dat onze held zijn „gezonde” maag heeft behouden; ga zelf na hoe deze hem ten val brengt. Let ook op het gebruik van de uitdrukking „zijn tanden waatren!” (vs 70)—net iets voor den lekkerbek Jaromir.5. Een andere uitdrukking uit dit gedeelte bewijst, dat onze pater als student niet hard heeft gewerkt, en later als priester niet heel ijverig geweest is om ’t vroeger verzuimde in te halen: Jaromir „poogt zich te bezinnen op ’t kwaad latijn!”6. Eindelijk komt er een einde aan Jaromirs lijden: hij heeft geboet voor zijne zonden—en ze waren vele! zooals we gezien hebben—maar zijn berouw is oprecht gemeend. En nu kent hij Latijn ook!Eigenschappen van Staring als dichter.Thans wenschen we aan de hand van dit gedichtde voornaamste eigenschappen van den dichterStaringna te gaan.Fantasie.I. Zijnvindingrijkheid, fantasie en scheppingskracht, welke gebleken zijn uit het feit, datStaringuit zoo beperkte gegevens een keurig, logisch geheel als de Jaromir wist samen te stellen.Geestigheid.II. Zijngeestigheid. Hiervan zijn tal van voorbeelden bij te brengen; we zullen er uit elk der vier gedeelten een paar geven.UitJaromir te Praag:a.„’t Gordijn viel neder” (vers 63). Een woordspeling: ’t gordijn valt neer, omdat de eerste helft van de klucht afgespeeld is, en bovendien: Jaromir springt te kooi en laat het gordijn neervallen.b.De vrees van den waard had „dubbelen grond”: Jochem was aan den haal gegaan omdat hij één paardepoot zag, zijn baas zag er dubbel zooveel: twee!c.De invalide, die nergens bang voor is, strijkt voor hij de kamer binnengaat, zelfbewust zijn knevels op, maar zoodra hij bij de twee hoeven nog een kwispelenden staart ziet, „rijst zijn kuif zonder strijken!”UitJaromir te Lochem.a.De komische figuur van den hoogmoedigen priester, zijn deftig uiterlijk, zijn zelfbewust optreden en dan vooral de overdrijving in de voorstelling van ’t bedrevene (vers 57–59).b.„Wat hòòg steeg, zal te làger zinken!” (vers 74) zegt Jaromir van de klokken en nu laatStaringdezen vloek letterlijk in vervulling gaan. Vooral ’t „lager zinken” van de klepels, juist op „den platgeschoren bol” van den pater, is zeer komisch.c.De echt leuke uitdrukking: „Wie scherp van oor is, hoort ze brommen” (vs. 100) dus …. als iemand niets hoort, is dit nog volstrekt geen bewijs, datStaringonwaarheid heeft gesproken; degene die ’t zegt, is alleen wat doof!UitJaromir te Zutfen.a.De pater roept „met ontplooiden mond” (vers 19), dit geeft teekenend weer hoe de deftige plooi in Jaromirs gelaat voor iets anders heeft plaats gemaakt.b.„Een arm—een been, dat aanvangt zich te rekken,” echt aanschouwelijke voorstelling, dat de „levensvonk het lichaam nog niet ontsnapt is.” (vs 32).c.De wijze waarop Jaromir gedwongen wordt het hoen op te peuzelen. Ga dat gedeelte eens precies na en tracht het u zoo aanschouwelijk mogelijk voor te stellen.UitJaromir Gewroken.a.De wijze waarop het herstel van den uitgevasten priester wordt voorgesteld, bv. het „uit de plooien zwellen van den buik ten statelijken cirkel” (vs. 32).b.De komische verbinding:bluts en lauwerkrans(vs. 40–42).c.De bezeten monnik, die „Maria niet groet,” maar „Ave, ave, Leonore” uitgalmt.d.De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.Kernachtigheid.III.De kernachtigheid vanStaring.Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. „Staringherhaalt nooit”, zei eensPotgieteren stelde hem daarom aan jonge dichters ten voorbeeld.Staringzelf had in dezen vooralHoratiusen onzen pittigenHuygenstot leermeesters gekozen. Het is niet noodig hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder dit onmiddellijk bij lezing vanStaringswerken zelf gevoelt. Als voorbeeld wijzen we opJaromir te Praag, vers 48–68; alles volgt hier vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte:duisterheid, en die treffen we bijStaringdan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo dikwijls als bij z’n leermeesterHuygens. „Staringsverzen zijn geen muziek om van ’t blad te spelen,” zeiBeets, enPotgieterbeweert hetzelfde in andere bewoordingen: „Staringrekent op een denkend publiek.” Maar niet alleen denken is noodig—dat zou ’t ergste niet zijn!—doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzenb.v.inJaromir te Lochemop vs. 33–38. Niemand zal, al is hij nog zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren: was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij de vlecht pakken.Zoo ookJaromir te Zutfen, regel 46–49. Hiervoor moet men weten:a.Dat te Zutfen in het „Kerkgewelf” een groote bibliotheek bestaat waar de boeken aan kettingen liggen.b.Dat in de „grafcel te Bremen” de lijken niet vergaan, en dat deze grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.c.Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen, indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen, „de wijsheid”, geketend antwoord.Keurigheid.IV.De keurigheid van stijl.Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen, dieStaringlater zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: „aan KarelsSchool te PraagSinds lang vergeten”, de nieuwe heeft in plaats daarvan: „voor twee paar eeuwen”. De verbetering springt in ’t oog:1. „Sints lang vergeten” isfout: de school bestaat nog en verkeert in bloeienden toestand.2. „Voor twee paar eeuwen” geeft bovendien ongeveer aan in welken tijd we het verhaal moeten plaatsen.Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: „Hiervielthans Jaromir” enz. Dit werd veranderd in ’t veel meer aanschouwelijke:valt.Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van „een paardenpoot,dikker vast dan hier mijn lijf,” maar diediktewas ’t niet, wat den knecht zoo in ’t oog gevallen was—„een paardenpootmet lange, zwarte haren!” dat was ’t, wat hem een doodschrik op ’t lijf gejaagd had.Jaromir te Lochemvers 1–4.„Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:Intusschen waar ’t me lief, en ’k onderstel het hier,Om van een voorrede af te raken.”dit schreefStaringeerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den dichter weer,n.l.dat het eerste gedeelte moest dienen totinleidingvan de drie laatste: „En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt, is vast te haken.”Contact met den lezer.V.Staring is telkens in contact met zijn lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in ’t midden brengen, om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.a.Jaromir te Praag, vers 42. „Wat vond hij dan?” Dat is een vraag, welke de lezers die meeleven in ’t verhaal, aanStaringstellen en waarop deze dadelijk antwoordt. ’t Is duidelijk dat de levendigheid van ’t verhaal hierdoor verhoogd wordt.b.Jaromir te Lochem, vers 1–4. Deze verzen zijn bovenreeds besproken; we merkten echter terloops op, dat juist aan ’t begin en aan ’t einde van een gedeelteStaringzijn lezers in ’t verhaal betrekt. ’t Is voor hem dikwijls een middel om weer „op gang” of „aan den slag”te komen.c.Jaromir te Zutphen, vers 1–13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid van ’t geen zooeven beweerd is. Ook hier weer ’t begin van een nieuw gedeelte; aan ’teindehiervan (vers 150–151) worden de lezers opnieuw aangesproken en eveneens aan ’tbeginvanJaromir Gewrokenvs. 1.Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling doet,b.v.Jaromir te Zutfenvs. 118–119„Maar zijn diesleutelsmin danklepelskerkengoed?En waarom die genaast, en deze weggesmeten?”en vooralJaromir Gewrokenvs. 156„En nu de kapellaan?”Punctuatie.VI.Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel afwijkend van ’t gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan.Puntkomma’sworden zeer veel gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers eenpunt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk als één geheel beschouwd moet worden.Dedubbele puntwordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat; dikwijls vervangt de dubbele punt bijStaringhetvoegwoord.Hetuitroepteekenis een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen met de dubbele punt: ’t is „let op, hier bedoel ik iets bizonders mee, lees er niet overheen!” Zoob.v.Jaromir te Praagvers 86: „’t Had dubbelen grond!” de waard zag immers niet één, maartweehoeven.Deaanhalingsteekensdienen dikwijls om den lezer sprekende te laten optreden en juist daardoor wordtStaringin staat gesteld, dat kort en kernachtig te doen. ’t Is een vraag,die te midden van ’t verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan wordt,b.v.Jaromir Gewrokenvs. 156 „En na de Kapellaan?”Ook verschillendelettersoortenroeptStaringte hulp om zijn lezers iets duidelijk onder ’t oog te brengen. Woorden die van buitengewoon belang zijn, krijgen een anderen druk,b.v.Jaromir te Lochemvers 26 en 28, omdat daarin de kern van ’t heele verhaal aan ’t licht komt.Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een bizondere letter aangegeven,b.v.Jaromir te Praag, vs. 4–5, gezondemaag, ziekebeurs; vs. 55 en 57:loonendienstbewijs.Hoofdlettersworden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bijStaringeen hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven, iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.
De Jaromir-cyclus.De bedoeling van ’t onderstaande is duidelijk het verband in ’t licht te stellen tusschen de vier onderdeden van ’t werk en tevens om aan de hand er van na te gaan, welke de verdiensten vanStaringals dichter zijn.Ontstaan en compositie.Staring had slechts drie gegevens:a.twee plassen bij Lochem, de zoogenaamdeduivelskolken.b.de zoogenaamdehondentreein de kerk te Zutphen.c.een weiland te Lochem, deduivelsaars.Zijn groote verdienste is dat hij uit deze weinige gegevens een verhaal heeft opgebouwd, waarin al deze deelen met elkaar in logisch verband gebracht worden. De draad die dit alles zou vereenigen, werdde strijd tusschen een zekeren paterJaromiren den duivel. Hoe het in bizonderheden uitgewerkt is, zullen we straks nader zien.Jaromir te Praag is de inleiding.Maar de dichter had nog een inleiding noodig, waardoor de wrok van den duivel tegen Jaromir verklaard kon worden en deze vond hij in een verhaal, voorkomende in een Engelsch tijdschrift, welk verhaal hij omwerkte tot zijn:Jaromir te Praag. Dit gedeelte is dus geen eigen vinding, maar het verdienstelijke vanStaringis hier, dat hij een vreemd verhaalzoo handig wist te gebruiken als inleiding voor zijn eigen werk, dat het vreemde gedeelte één met zijn eigen werk is geworden. DatStaringJaromir te Praag bedoelt als inleiding tot het volgende, blijkt uit de vier eerste regels vanJaromir te Zutphen:„De kennis werd gemaakt; Gij kondt een beetre makenDan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, ’t was voor mijDe beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt is vast te haken.”Juist deze laatste zin bewijst het gegronde van onze bewering.Jaromir te Praagkon dienen ter inleiding, omdat daardoorde wrok van den duivel tegen Jaromir wordt verklaard. Dit zien we uitJaromir te Zutphen, vers 23–32: de priester dacht niet meer aan de klucht die hij in zijn studententijd uitgehaald had, maar de duivel wèl. Hij is boos, omdat Jaromir vroeger zijn rol gespeeld had (vgl.„Dat ligt deze aperij den zwarten had verdroten”).De wrok van den duivel vermeerderde steeds omdat Jaromir, nadat hij Franciscaner monnik was geworden, telkens met succes tegen satan optrad en hem overal tegenwerkte. De oud-student werd later een beroemdduivelbanner.Verdere uitwerking.Staring heeft zijn gegevens op de volgende wijze gebruikt:1o.Jaromir te Praagwerd de inleiding.2o. InJaromir te Lochemwordt verteld hoe de duivel wraak neemt door de klepels derklokkenop ’t hoofd van zijn tegenstander neer te smakken. De klokken werpt hij in twee poelen bij Lochem, die voortaan deduivelskolkenheeten.3o.Jaromir te Zutphenverhaalt ons, hoe Belzebub den monnik verleidt en hem de gelofte aan St. Michiel doet schenden. Dehondentreein de vloersteenen herinnert er aan, dat de duivel Jaromir in de gedaante van eenhondwas verschenen.4o.Jaromir Gewrokeneindelijk brengt ons de boete en de overwinning van den zwaarbeproefde, en het weiland bij Lochem, deduivelsaars.„…. heet, van dien dag af tot dezen,Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouwDe wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.”Eenheid van ’t geheel.We zullen zien, datStaringde eenheid vanzijndichtwerk door andere middelen nog meer versterkt heeft.1. Door inJaromir Gewrokenzijn held alsoverwinnaarvan den booze te laten optreden; nu kreeg ’t geheel een bevredigend slot, zooalsStaringzelf ook schertsend opmerkt in den aanhef van het laatste deel.2. Door Jaromir niet alleen voor te stellen als overwinnaar, maar vooral als iemand, diezijn leven gebeterd heeft: juist door zijn beproevingen is hij een beter mensch geworden en daarom zegeviert hij ten slotte over den boozen vijand.3. Dan de rol dieSt. Michielspeelt.a.Jaromir roept St. Michiel aan als hij de klokken vervloekt.b.Daarom beschermt de Heilige hem.c.Uit erkentelijkheid belooft Jaromir te zullen vasten.d.De duivel verleidt hem zijn gelofte te verbreken.e.Jaromir doet boete en smeekt St. Michiel om vergiffenis.f.De vergiffenis wordt verleend, nadat de zondaar werkelijk getoond heeft zijn leven te willen beteren.g.St. Michiel staat Jaromir nogmaals bij in zijn strijd tegen den Booze.Karakter van Jaromir.Uit het eerste gedeelte,Jaromir te Praag, blijkt niet veel omtrent het karakter van den student, we kunnen alleen zeggen, dat hij eenvroolijk leventje leidde, schulden had, vooral tengevolge van zijntrek naar lekker etenen bovendien blijkt uit het geheel, dat hij eenvindingrijk, slimpersoon is.Voor deze karaktertrekken zijn de eerste van ’t meeste belang voor ons verder onderzoek: uit den levenslustigen student groeit later een welgedane priester, die niet in eens in een strenggeloovig man is veranderd, en vooral „zijn gezonde maag” behoudt hij: die wordt juist deoorzaak van zijn valinJaromir te Zutfen.Duidelijker komt zijn karakter aan ’t licht inJaromirteLochemen we moeten het wel bekennen: veel goeds kan van onzen held niet gezegd worden.1. Hij ishoogmoedig. Dit blijkt vooreerst uit het feit, dat hij ’t luiden der klokken verklaart als gebeurende ter eere van hem, maar ook kunnen we het opmaken uit verschillende kleine trekjes doorStaringhier aangebracht. Jaromir zitparmantigop een ros; hijplooit zijn mond in ’t deftige; de uitval tegen den onschuldigen jongen; de komische overdrijving der zonde en dan bovenal uit hetgeen in de volgende regels gezegd wordt:„— — — — — ’s Mans hevig blaken isMin ijvergloed, meer ergernis,Om d’al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.”2.Hij leeft niet overeenkomstig de voorschriften zijner orde.„Gehuld in Sint Franciscus dos,Zat, die eenswandlenmoest, parmantig op een ros,En spaarde dus bij ’t Missiewerk zijn beenen.”Dit zegtStaringons van vriend Jaromir: we weten dus, dat de volgeling van den Heiligen Franciscus, die naar ’t voorbeeld van den stichter zijner orde inarmoedeals een bedelmonnik had behooren te leven, te paard gaat rijden, zich fraai gaat kleeden (dos!), en zelfs geheel anders dan denederigeFranciscus zichverhoovaardigtop zijn positie.3.Hij heeft de menschen weten te bedriegen: iedereen ziet in hem eenHeilige, men noemt hem zelfs zoo … maar het volgende vers„De Biechtstoel, die zijnheersch- gelijk zijnhebzuchtpaait!”licht ons wel anders in; de pater gebruikt zijn macht voor allesbehalve heilige en vrome doeleinden. Hij weet door middel van de biecht invloed uit te oefenen op hen die om vergiffenis van zonden smeeken, grijpt deze gelegenheid zelfs aan om zich te verrijken! Wel is het noodig, dat zoo iemand eenigen tijd aan de verleidingen van den Booze wordt blootgesteld, een zoodanige herder zal gemakkelijk zelf dolen en eerst na vele beproevingen weer op het rechte pad terug kunnen keeren.Het is vanStaringdus goed gezien deze slechte eigenschappen aan den pater toe te kennen, juist daardoor wordt zijn val gemotiveerd.4. InJaromir te Zutfenblijkt nogmaals dat onze held zijn „gezonde” maag heeft behouden; ga zelf na hoe deze hem ten val brengt. Let ook op het gebruik van de uitdrukking „zijn tanden waatren!” (vs 70)—net iets voor den lekkerbek Jaromir.5. Een andere uitdrukking uit dit gedeelte bewijst, dat onze pater als student niet hard heeft gewerkt, en later als priester niet heel ijverig geweest is om ’t vroeger verzuimde in te halen: Jaromir „poogt zich te bezinnen op ’t kwaad latijn!”6. Eindelijk komt er een einde aan Jaromirs lijden: hij heeft geboet voor zijne zonden—en ze waren vele! zooals we gezien hebben—maar zijn berouw is oprecht gemeend. En nu kent hij Latijn ook!Eigenschappen van Staring als dichter.Thans wenschen we aan de hand van dit gedichtde voornaamste eigenschappen van den dichterStaringna te gaan.Fantasie.I. Zijnvindingrijkheid, fantasie en scheppingskracht, welke gebleken zijn uit het feit, datStaringuit zoo beperkte gegevens een keurig, logisch geheel als de Jaromir wist samen te stellen.Geestigheid.II. Zijngeestigheid. Hiervan zijn tal van voorbeelden bij te brengen; we zullen er uit elk der vier gedeelten een paar geven.UitJaromir te Praag:a.„’t Gordijn viel neder” (vers 63). Een woordspeling: ’t gordijn valt neer, omdat de eerste helft van de klucht afgespeeld is, en bovendien: Jaromir springt te kooi en laat het gordijn neervallen.b.De vrees van den waard had „dubbelen grond”: Jochem was aan den haal gegaan omdat hij één paardepoot zag, zijn baas zag er dubbel zooveel: twee!c.De invalide, die nergens bang voor is, strijkt voor hij de kamer binnengaat, zelfbewust zijn knevels op, maar zoodra hij bij de twee hoeven nog een kwispelenden staart ziet, „rijst zijn kuif zonder strijken!”UitJaromir te Lochem.a.De komische figuur van den hoogmoedigen priester, zijn deftig uiterlijk, zijn zelfbewust optreden en dan vooral de overdrijving in de voorstelling van ’t bedrevene (vers 57–59).b.„Wat hòòg steeg, zal te làger zinken!” (vers 74) zegt Jaromir van de klokken en nu laatStaringdezen vloek letterlijk in vervulling gaan. Vooral ’t „lager zinken” van de klepels, juist op „den platgeschoren bol” van den pater, is zeer komisch.c.De echt leuke uitdrukking: „Wie scherp van oor is, hoort ze brommen” (vs. 100) dus …. als iemand niets hoort, is dit nog volstrekt geen bewijs, datStaringonwaarheid heeft gesproken; degene die ’t zegt, is alleen wat doof!UitJaromir te Zutfen.a.De pater roept „met ontplooiden mond” (vers 19), dit geeft teekenend weer hoe de deftige plooi in Jaromirs gelaat voor iets anders heeft plaats gemaakt.b.„Een arm—een been, dat aanvangt zich te rekken,” echt aanschouwelijke voorstelling, dat de „levensvonk het lichaam nog niet ontsnapt is.” (vs 32).c.De wijze waarop Jaromir gedwongen wordt het hoen op te peuzelen. Ga dat gedeelte eens precies na en tracht het u zoo aanschouwelijk mogelijk voor te stellen.UitJaromir Gewroken.a.De wijze waarop het herstel van den uitgevasten priester wordt voorgesteld, bv. het „uit de plooien zwellen van den buik ten statelijken cirkel” (vs. 32).b.De komische verbinding:bluts en lauwerkrans(vs. 40–42).c.De bezeten monnik, die „Maria niet groet,” maar „Ave, ave, Leonore” uitgalmt.d.De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.Kernachtigheid.III.De kernachtigheid vanStaring.Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. „Staringherhaalt nooit”, zei eensPotgieteren stelde hem daarom aan jonge dichters ten voorbeeld.Staringzelf had in dezen vooralHoratiusen onzen pittigenHuygenstot leermeesters gekozen. Het is niet noodig hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder dit onmiddellijk bij lezing vanStaringswerken zelf gevoelt. Als voorbeeld wijzen we opJaromir te Praag, vers 48–68; alles volgt hier vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte:duisterheid, en die treffen we bijStaringdan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo dikwijls als bij z’n leermeesterHuygens. „Staringsverzen zijn geen muziek om van ’t blad te spelen,” zeiBeets, enPotgieterbeweert hetzelfde in andere bewoordingen: „Staringrekent op een denkend publiek.” Maar niet alleen denken is noodig—dat zou ’t ergste niet zijn!—doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzenb.v.inJaromir te Lochemop vs. 33–38. Niemand zal, al is hij nog zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren: was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij de vlecht pakken.Zoo ookJaromir te Zutfen, regel 46–49. Hiervoor moet men weten:a.Dat te Zutfen in het „Kerkgewelf” een groote bibliotheek bestaat waar de boeken aan kettingen liggen.b.Dat in de „grafcel te Bremen” de lijken niet vergaan, en dat deze grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.c.Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen, indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen, „de wijsheid”, geketend antwoord.Keurigheid.IV.De keurigheid van stijl.Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen, dieStaringlater zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: „aan KarelsSchool te PraagSinds lang vergeten”, de nieuwe heeft in plaats daarvan: „voor twee paar eeuwen”. De verbetering springt in ’t oog:1. „Sints lang vergeten” isfout: de school bestaat nog en verkeert in bloeienden toestand.2. „Voor twee paar eeuwen” geeft bovendien ongeveer aan in welken tijd we het verhaal moeten plaatsen.Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: „Hiervielthans Jaromir” enz. Dit werd veranderd in ’t veel meer aanschouwelijke:valt.Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van „een paardenpoot,dikker vast dan hier mijn lijf,” maar diediktewas ’t niet, wat den knecht zoo in ’t oog gevallen was—„een paardenpootmet lange, zwarte haren!” dat was ’t, wat hem een doodschrik op ’t lijf gejaagd had.Jaromir te Lochemvers 1–4.„Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:Intusschen waar ’t me lief, en ’k onderstel het hier,Om van een voorrede af te raken.”dit schreefStaringeerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den dichter weer,n.l.dat het eerste gedeelte moest dienen totinleidingvan de drie laatste: „En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt, is vast te haken.”Contact met den lezer.V.Staring is telkens in contact met zijn lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in ’t midden brengen, om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.a.Jaromir te Praag, vers 42. „Wat vond hij dan?” Dat is een vraag, welke de lezers die meeleven in ’t verhaal, aanStaringstellen en waarop deze dadelijk antwoordt. ’t Is duidelijk dat de levendigheid van ’t verhaal hierdoor verhoogd wordt.b.Jaromir te Lochem, vers 1–4. Deze verzen zijn bovenreeds besproken; we merkten echter terloops op, dat juist aan ’t begin en aan ’t einde van een gedeelteStaringzijn lezers in ’t verhaal betrekt. ’t Is voor hem dikwijls een middel om weer „op gang” of „aan den slag”te komen.c.Jaromir te Zutphen, vers 1–13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid van ’t geen zooeven beweerd is. Ook hier weer ’t begin van een nieuw gedeelte; aan ’teindehiervan (vers 150–151) worden de lezers opnieuw aangesproken en eveneens aan ’tbeginvanJaromir Gewrokenvs. 1.Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling doet,b.v.Jaromir te Zutfenvs. 118–119„Maar zijn diesleutelsmin danklepelskerkengoed?En waarom die genaast, en deze weggesmeten?”en vooralJaromir Gewrokenvs. 156„En nu de kapellaan?”Punctuatie.VI.Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel afwijkend van ’t gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan.Puntkomma’sworden zeer veel gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers eenpunt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk als één geheel beschouwd moet worden.Dedubbele puntwordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat; dikwijls vervangt de dubbele punt bijStaringhetvoegwoord.Hetuitroepteekenis een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen met de dubbele punt: ’t is „let op, hier bedoel ik iets bizonders mee, lees er niet overheen!” Zoob.v.Jaromir te Praagvers 86: „’t Had dubbelen grond!” de waard zag immers niet één, maartweehoeven.Deaanhalingsteekensdienen dikwijls om den lezer sprekende te laten optreden en juist daardoor wordtStaringin staat gesteld, dat kort en kernachtig te doen. ’t Is een vraag,die te midden van ’t verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan wordt,b.v.Jaromir Gewrokenvs. 156 „En na de Kapellaan?”Ook verschillendelettersoortenroeptStaringte hulp om zijn lezers iets duidelijk onder ’t oog te brengen. Woorden die van buitengewoon belang zijn, krijgen een anderen druk,b.v.Jaromir te Lochemvers 26 en 28, omdat daarin de kern van ’t heele verhaal aan ’t licht komt.Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een bizondere letter aangegeven,b.v.Jaromir te Praag, vs. 4–5, gezondemaag, ziekebeurs; vs. 55 en 57:loonendienstbewijs.Hoofdlettersworden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bijStaringeen hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven, iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.
De Jaromir-cyclus.De bedoeling van ’t onderstaande is duidelijk het verband in ’t licht te stellen tusschen de vier onderdeden van ’t werk en tevens om aan de hand er van na te gaan, welke de verdiensten vanStaringals dichter zijn.Ontstaan en compositie.Staring had slechts drie gegevens:a.twee plassen bij Lochem, de zoogenaamdeduivelskolken.b.de zoogenaamdehondentreein de kerk te Zutphen.c.een weiland te Lochem, deduivelsaars.Zijn groote verdienste is dat hij uit deze weinige gegevens een verhaal heeft opgebouwd, waarin al deze deelen met elkaar in logisch verband gebracht worden. De draad die dit alles zou vereenigen, werdde strijd tusschen een zekeren paterJaromiren den duivel. Hoe het in bizonderheden uitgewerkt is, zullen we straks nader zien.Jaromir te Praag is de inleiding.Maar de dichter had nog een inleiding noodig, waardoor de wrok van den duivel tegen Jaromir verklaard kon worden en deze vond hij in een verhaal, voorkomende in een Engelsch tijdschrift, welk verhaal hij omwerkte tot zijn:Jaromir te Praag. Dit gedeelte is dus geen eigen vinding, maar het verdienstelijke vanStaringis hier, dat hij een vreemd verhaalzoo handig wist te gebruiken als inleiding voor zijn eigen werk, dat het vreemde gedeelte één met zijn eigen werk is geworden. DatStaringJaromir te Praag bedoelt als inleiding tot het volgende, blijkt uit de vier eerste regels vanJaromir te Zutphen:„De kennis werd gemaakt; Gij kondt een beetre makenDan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, ’t was voor mijDe beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt is vast te haken.”Juist deze laatste zin bewijst het gegronde van onze bewering.Jaromir te Praagkon dienen ter inleiding, omdat daardoorde wrok van den duivel tegen Jaromir wordt verklaard. Dit zien we uitJaromir te Zutphen, vers 23–32: de priester dacht niet meer aan de klucht die hij in zijn studententijd uitgehaald had, maar de duivel wèl. Hij is boos, omdat Jaromir vroeger zijn rol gespeeld had (vgl.„Dat ligt deze aperij den zwarten had verdroten”).De wrok van den duivel vermeerderde steeds omdat Jaromir, nadat hij Franciscaner monnik was geworden, telkens met succes tegen satan optrad en hem overal tegenwerkte. De oud-student werd later een beroemdduivelbanner.Verdere uitwerking.Staring heeft zijn gegevens op de volgende wijze gebruikt:1o.Jaromir te Praagwerd de inleiding.2o. InJaromir te Lochemwordt verteld hoe de duivel wraak neemt door de klepels derklokkenop ’t hoofd van zijn tegenstander neer te smakken. De klokken werpt hij in twee poelen bij Lochem, die voortaan deduivelskolkenheeten.3o.Jaromir te Zutphenverhaalt ons, hoe Belzebub den monnik verleidt en hem de gelofte aan St. Michiel doet schenden. Dehondentreein de vloersteenen herinnert er aan, dat de duivel Jaromir in de gedaante van eenhondwas verschenen.4o.Jaromir Gewrokeneindelijk brengt ons de boete en de overwinning van den zwaarbeproefde, en het weiland bij Lochem, deduivelsaars.„…. heet, van dien dag af tot dezen,Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouwDe wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.”Eenheid van ’t geheel.We zullen zien, datStaringde eenheid vanzijndichtwerk door andere middelen nog meer versterkt heeft.1. Door inJaromir Gewrokenzijn held alsoverwinnaarvan den booze te laten optreden; nu kreeg ’t geheel een bevredigend slot, zooalsStaringzelf ook schertsend opmerkt in den aanhef van het laatste deel.2. Door Jaromir niet alleen voor te stellen als overwinnaar, maar vooral als iemand, diezijn leven gebeterd heeft: juist door zijn beproevingen is hij een beter mensch geworden en daarom zegeviert hij ten slotte over den boozen vijand.3. Dan de rol dieSt. Michielspeelt.a.Jaromir roept St. Michiel aan als hij de klokken vervloekt.b.Daarom beschermt de Heilige hem.c.Uit erkentelijkheid belooft Jaromir te zullen vasten.d.De duivel verleidt hem zijn gelofte te verbreken.e.Jaromir doet boete en smeekt St. Michiel om vergiffenis.f.De vergiffenis wordt verleend, nadat de zondaar werkelijk getoond heeft zijn leven te willen beteren.g.St. Michiel staat Jaromir nogmaals bij in zijn strijd tegen den Booze.Karakter van Jaromir.Uit het eerste gedeelte,Jaromir te Praag, blijkt niet veel omtrent het karakter van den student, we kunnen alleen zeggen, dat hij eenvroolijk leventje leidde, schulden had, vooral tengevolge van zijntrek naar lekker etenen bovendien blijkt uit het geheel, dat hij eenvindingrijk, slimpersoon is.Voor deze karaktertrekken zijn de eerste van ’t meeste belang voor ons verder onderzoek: uit den levenslustigen student groeit later een welgedane priester, die niet in eens in een strenggeloovig man is veranderd, en vooral „zijn gezonde maag” behoudt hij: die wordt juist deoorzaak van zijn valinJaromir te Zutfen.Duidelijker komt zijn karakter aan ’t licht inJaromirteLochemen we moeten het wel bekennen: veel goeds kan van onzen held niet gezegd worden.1. Hij ishoogmoedig. Dit blijkt vooreerst uit het feit, dat hij ’t luiden der klokken verklaart als gebeurende ter eere van hem, maar ook kunnen we het opmaken uit verschillende kleine trekjes doorStaringhier aangebracht. Jaromir zitparmantigop een ros; hijplooit zijn mond in ’t deftige; de uitval tegen den onschuldigen jongen; de komische overdrijving der zonde en dan bovenal uit hetgeen in de volgende regels gezegd wordt:„— — — — — ’s Mans hevig blaken isMin ijvergloed, meer ergernis,Om d’al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.”2.Hij leeft niet overeenkomstig de voorschriften zijner orde.„Gehuld in Sint Franciscus dos,Zat, die eenswandlenmoest, parmantig op een ros,En spaarde dus bij ’t Missiewerk zijn beenen.”Dit zegtStaringons van vriend Jaromir: we weten dus, dat de volgeling van den Heiligen Franciscus, die naar ’t voorbeeld van den stichter zijner orde inarmoedeals een bedelmonnik had behooren te leven, te paard gaat rijden, zich fraai gaat kleeden (dos!), en zelfs geheel anders dan denederigeFranciscus zichverhoovaardigtop zijn positie.3.Hij heeft de menschen weten te bedriegen: iedereen ziet in hem eenHeilige, men noemt hem zelfs zoo … maar het volgende vers„De Biechtstoel, die zijnheersch- gelijk zijnhebzuchtpaait!”licht ons wel anders in; de pater gebruikt zijn macht voor allesbehalve heilige en vrome doeleinden. Hij weet door middel van de biecht invloed uit te oefenen op hen die om vergiffenis van zonden smeeken, grijpt deze gelegenheid zelfs aan om zich te verrijken! Wel is het noodig, dat zoo iemand eenigen tijd aan de verleidingen van den Booze wordt blootgesteld, een zoodanige herder zal gemakkelijk zelf dolen en eerst na vele beproevingen weer op het rechte pad terug kunnen keeren.Het is vanStaringdus goed gezien deze slechte eigenschappen aan den pater toe te kennen, juist daardoor wordt zijn val gemotiveerd.4. InJaromir te Zutfenblijkt nogmaals dat onze held zijn „gezonde” maag heeft behouden; ga zelf na hoe deze hem ten val brengt. Let ook op het gebruik van de uitdrukking „zijn tanden waatren!” (vs 70)—net iets voor den lekkerbek Jaromir.5. Een andere uitdrukking uit dit gedeelte bewijst, dat onze pater als student niet hard heeft gewerkt, en later als priester niet heel ijverig geweest is om ’t vroeger verzuimde in te halen: Jaromir „poogt zich te bezinnen op ’t kwaad latijn!”6. Eindelijk komt er een einde aan Jaromirs lijden: hij heeft geboet voor zijne zonden—en ze waren vele! zooals we gezien hebben—maar zijn berouw is oprecht gemeend. En nu kent hij Latijn ook!Eigenschappen van Staring als dichter.Thans wenschen we aan de hand van dit gedichtde voornaamste eigenschappen van den dichterStaringna te gaan.Fantasie.I. Zijnvindingrijkheid, fantasie en scheppingskracht, welke gebleken zijn uit het feit, datStaringuit zoo beperkte gegevens een keurig, logisch geheel als de Jaromir wist samen te stellen.Geestigheid.II. Zijngeestigheid. Hiervan zijn tal van voorbeelden bij te brengen; we zullen er uit elk der vier gedeelten een paar geven.UitJaromir te Praag:a.„’t Gordijn viel neder” (vers 63). Een woordspeling: ’t gordijn valt neer, omdat de eerste helft van de klucht afgespeeld is, en bovendien: Jaromir springt te kooi en laat het gordijn neervallen.b.De vrees van den waard had „dubbelen grond”: Jochem was aan den haal gegaan omdat hij één paardepoot zag, zijn baas zag er dubbel zooveel: twee!c.De invalide, die nergens bang voor is, strijkt voor hij de kamer binnengaat, zelfbewust zijn knevels op, maar zoodra hij bij de twee hoeven nog een kwispelenden staart ziet, „rijst zijn kuif zonder strijken!”UitJaromir te Lochem.a.De komische figuur van den hoogmoedigen priester, zijn deftig uiterlijk, zijn zelfbewust optreden en dan vooral de overdrijving in de voorstelling van ’t bedrevene (vers 57–59).b.„Wat hòòg steeg, zal te làger zinken!” (vers 74) zegt Jaromir van de klokken en nu laatStaringdezen vloek letterlijk in vervulling gaan. Vooral ’t „lager zinken” van de klepels, juist op „den platgeschoren bol” van den pater, is zeer komisch.c.De echt leuke uitdrukking: „Wie scherp van oor is, hoort ze brommen” (vs. 100) dus …. als iemand niets hoort, is dit nog volstrekt geen bewijs, datStaringonwaarheid heeft gesproken; degene die ’t zegt, is alleen wat doof!UitJaromir te Zutfen.a.De pater roept „met ontplooiden mond” (vers 19), dit geeft teekenend weer hoe de deftige plooi in Jaromirs gelaat voor iets anders heeft plaats gemaakt.b.„Een arm—een been, dat aanvangt zich te rekken,” echt aanschouwelijke voorstelling, dat de „levensvonk het lichaam nog niet ontsnapt is.” (vs 32).c.De wijze waarop Jaromir gedwongen wordt het hoen op te peuzelen. Ga dat gedeelte eens precies na en tracht het u zoo aanschouwelijk mogelijk voor te stellen.UitJaromir Gewroken.a.De wijze waarop het herstel van den uitgevasten priester wordt voorgesteld, bv. het „uit de plooien zwellen van den buik ten statelijken cirkel” (vs. 32).b.De komische verbinding:bluts en lauwerkrans(vs. 40–42).c.De bezeten monnik, die „Maria niet groet,” maar „Ave, ave, Leonore” uitgalmt.d.De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.Kernachtigheid.III.De kernachtigheid vanStaring.Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. „Staringherhaalt nooit”, zei eensPotgieteren stelde hem daarom aan jonge dichters ten voorbeeld.Staringzelf had in dezen vooralHoratiusen onzen pittigenHuygenstot leermeesters gekozen. Het is niet noodig hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder dit onmiddellijk bij lezing vanStaringswerken zelf gevoelt. Als voorbeeld wijzen we opJaromir te Praag, vers 48–68; alles volgt hier vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte:duisterheid, en die treffen we bijStaringdan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo dikwijls als bij z’n leermeesterHuygens. „Staringsverzen zijn geen muziek om van ’t blad te spelen,” zeiBeets, enPotgieterbeweert hetzelfde in andere bewoordingen: „Staringrekent op een denkend publiek.” Maar niet alleen denken is noodig—dat zou ’t ergste niet zijn!—doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzenb.v.inJaromir te Lochemop vs. 33–38. Niemand zal, al is hij nog zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren: was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij de vlecht pakken.Zoo ookJaromir te Zutfen, regel 46–49. Hiervoor moet men weten:a.Dat te Zutfen in het „Kerkgewelf” een groote bibliotheek bestaat waar de boeken aan kettingen liggen.b.Dat in de „grafcel te Bremen” de lijken niet vergaan, en dat deze grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.c.Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen, indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen, „de wijsheid”, geketend antwoord.Keurigheid.IV.De keurigheid van stijl.Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen, dieStaringlater zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: „aan KarelsSchool te PraagSinds lang vergeten”, de nieuwe heeft in plaats daarvan: „voor twee paar eeuwen”. De verbetering springt in ’t oog:1. „Sints lang vergeten” isfout: de school bestaat nog en verkeert in bloeienden toestand.2. „Voor twee paar eeuwen” geeft bovendien ongeveer aan in welken tijd we het verhaal moeten plaatsen.Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: „Hiervielthans Jaromir” enz. Dit werd veranderd in ’t veel meer aanschouwelijke:valt.Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van „een paardenpoot,dikker vast dan hier mijn lijf,” maar diediktewas ’t niet, wat den knecht zoo in ’t oog gevallen was—„een paardenpootmet lange, zwarte haren!” dat was ’t, wat hem een doodschrik op ’t lijf gejaagd had.Jaromir te Lochemvers 1–4.„Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:Intusschen waar ’t me lief, en ’k onderstel het hier,Om van een voorrede af te raken.”dit schreefStaringeerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den dichter weer,n.l.dat het eerste gedeelte moest dienen totinleidingvan de drie laatste: „En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt, is vast te haken.”Contact met den lezer.V.Staring is telkens in contact met zijn lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in ’t midden brengen, om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.a.Jaromir te Praag, vers 42. „Wat vond hij dan?” Dat is een vraag, welke de lezers die meeleven in ’t verhaal, aanStaringstellen en waarop deze dadelijk antwoordt. ’t Is duidelijk dat de levendigheid van ’t verhaal hierdoor verhoogd wordt.b.Jaromir te Lochem, vers 1–4. Deze verzen zijn bovenreeds besproken; we merkten echter terloops op, dat juist aan ’t begin en aan ’t einde van een gedeelteStaringzijn lezers in ’t verhaal betrekt. ’t Is voor hem dikwijls een middel om weer „op gang” of „aan den slag”te komen.c.Jaromir te Zutphen, vers 1–13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid van ’t geen zooeven beweerd is. Ook hier weer ’t begin van een nieuw gedeelte; aan ’teindehiervan (vers 150–151) worden de lezers opnieuw aangesproken en eveneens aan ’tbeginvanJaromir Gewrokenvs. 1.Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling doet,b.v.Jaromir te Zutfenvs. 118–119„Maar zijn diesleutelsmin danklepelskerkengoed?En waarom die genaast, en deze weggesmeten?”en vooralJaromir Gewrokenvs. 156„En nu de kapellaan?”Punctuatie.VI.Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel afwijkend van ’t gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan.Puntkomma’sworden zeer veel gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers eenpunt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk als één geheel beschouwd moet worden.Dedubbele puntwordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat; dikwijls vervangt de dubbele punt bijStaringhetvoegwoord.Hetuitroepteekenis een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen met de dubbele punt: ’t is „let op, hier bedoel ik iets bizonders mee, lees er niet overheen!” Zoob.v.Jaromir te Praagvers 86: „’t Had dubbelen grond!” de waard zag immers niet één, maartweehoeven.Deaanhalingsteekensdienen dikwijls om den lezer sprekende te laten optreden en juist daardoor wordtStaringin staat gesteld, dat kort en kernachtig te doen. ’t Is een vraag,die te midden van ’t verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan wordt,b.v.Jaromir Gewrokenvs. 156 „En na de Kapellaan?”Ook verschillendelettersoortenroeptStaringte hulp om zijn lezers iets duidelijk onder ’t oog te brengen. Woorden die van buitengewoon belang zijn, krijgen een anderen druk,b.v.Jaromir te Lochemvers 26 en 28, omdat daarin de kern van ’t heele verhaal aan ’t licht komt.Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een bizondere letter aangegeven,b.v.Jaromir te Praag, vs. 4–5, gezondemaag, ziekebeurs; vs. 55 en 57:loonendienstbewijs.Hoofdlettersworden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bijStaringeen hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven, iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.
De Jaromir-cyclus.
De bedoeling van ’t onderstaande is duidelijk het verband in ’t licht te stellen tusschen de vier onderdeden van ’t werk en tevens om aan de hand er van na te gaan, welke de verdiensten vanStaringals dichter zijn.Ontstaan en compositie.Staring had slechts drie gegevens:a.twee plassen bij Lochem, de zoogenaamdeduivelskolken.b.de zoogenaamdehondentreein de kerk te Zutphen.c.een weiland te Lochem, deduivelsaars.Zijn groote verdienste is dat hij uit deze weinige gegevens een verhaal heeft opgebouwd, waarin al deze deelen met elkaar in logisch verband gebracht worden. De draad die dit alles zou vereenigen, werdde strijd tusschen een zekeren paterJaromiren den duivel. Hoe het in bizonderheden uitgewerkt is, zullen we straks nader zien.Jaromir te Praag is de inleiding.Maar de dichter had nog een inleiding noodig, waardoor de wrok van den duivel tegen Jaromir verklaard kon worden en deze vond hij in een verhaal, voorkomende in een Engelsch tijdschrift, welk verhaal hij omwerkte tot zijn:Jaromir te Praag. Dit gedeelte is dus geen eigen vinding, maar het verdienstelijke vanStaringis hier, dat hij een vreemd verhaalzoo handig wist te gebruiken als inleiding voor zijn eigen werk, dat het vreemde gedeelte één met zijn eigen werk is geworden. DatStaringJaromir te Praag bedoelt als inleiding tot het volgende, blijkt uit de vier eerste regels vanJaromir te Zutphen:„De kennis werd gemaakt; Gij kondt een beetre makenDan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, ’t was voor mijDe beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt is vast te haken.”Juist deze laatste zin bewijst het gegronde van onze bewering.Jaromir te Praagkon dienen ter inleiding, omdat daardoorde wrok van den duivel tegen Jaromir wordt verklaard. Dit zien we uitJaromir te Zutphen, vers 23–32: de priester dacht niet meer aan de klucht die hij in zijn studententijd uitgehaald had, maar de duivel wèl. Hij is boos, omdat Jaromir vroeger zijn rol gespeeld had (vgl.„Dat ligt deze aperij den zwarten had verdroten”).De wrok van den duivel vermeerderde steeds omdat Jaromir, nadat hij Franciscaner monnik was geworden, telkens met succes tegen satan optrad en hem overal tegenwerkte. De oud-student werd later een beroemdduivelbanner.Verdere uitwerking.Staring heeft zijn gegevens op de volgende wijze gebruikt:1o.Jaromir te Praagwerd de inleiding.2o. InJaromir te Lochemwordt verteld hoe de duivel wraak neemt door de klepels derklokkenop ’t hoofd van zijn tegenstander neer te smakken. De klokken werpt hij in twee poelen bij Lochem, die voortaan deduivelskolkenheeten.3o.Jaromir te Zutphenverhaalt ons, hoe Belzebub den monnik verleidt en hem de gelofte aan St. Michiel doet schenden. Dehondentreein de vloersteenen herinnert er aan, dat de duivel Jaromir in de gedaante van eenhondwas verschenen.4o.Jaromir Gewrokeneindelijk brengt ons de boete en de overwinning van den zwaarbeproefde, en het weiland bij Lochem, deduivelsaars.„…. heet, van dien dag af tot dezen,Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouwDe wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.”Eenheid van ’t geheel.We zullen zien, datStaringde eenheid vanzijndichtwerk door andere middelen nog meer versterkt heeft.1. Door inJaromir Gewrokenzijn held alsoverwinnaarvan den booze te laten optreden; nu kreeg ’t geheel een bevredigend slot, zooalsStaringzelf ook schertsend opmerkt in den aanhef van het laatste deel.2. Door Jaromir niet alleen voor te stellen als overwinnaar, maar vooral als iemand, diezijn leven gebeterd heeft: juist door zijn beproevingen is hij een beter mensch geworden en daarom zegeviert hij ten slotte over den boozen vijand.3. Dan de rol dieSt. Michielspeelt.a.Jaromir roept St. Michiel aan als hij de klokken vervloekt.b.Daarom beschermt de Heilige hem.c.Uit erkentelijkheid belooft Jaromir te zullen vasten.d.De duivel verleidt hem zijn gelofte te verbreken.e.Jaromir doet boete en smeekt St. Michiel om vergiffenis.f.De vergiffenis wordt verleend, nadat de zondaar werkelijk getoond heeft zijn leven te willen beteren.g.St. Michiel staat Jaromir nogmaals bij in zijn strijd tegen den Booze.Karakter van Jaromir.Uit het eerste gedeelte,Jaromir te Praag, blijkt niet veel omtrent het karakter van den student, we kunnen alleen zeggen, dat hij eenvroolijk leventje leidde, schulden had, vooral tengevolge van zijntrek naar lekker etenen bovendien blijkt uit het geheel, dat hij eenvindingrijk, slimpersoon is.Voor deze karaktertrekken zijn de eerste van ’t meeste belang voor ons verder onderzoek: uit den levenslustigen student groeit later een welgedane priester, die niet in eens in een strenggeloovig man is veranderd, en vooral „zijn gezonde maag” behoudt hij: die wordt juist deoorzaak van zijn valinJaromir te Zutfen.Duidelijker komt zijn karakter aan ’t licht inJaromirteLochemen we moeten het wel bekennen: veel goeds kan van onzen held niet gezegd worden.1. Hij ishoogmoedig. Dit blijkt vooreerst uit het feit, dat hij ’t luiden der klokken verklaart als gebeurende ter eere van hem, maar ook kunnen we het opmaken uit verschillende kleine trekjes doorStaringhier aangebracht. Jaromir zitparmantigop een ros; hijplooit zijn mond in ’t deftige; de uitval tegen den onschuldigen jongen; de komische overdrijving der zonde en dan bovenal uit hetgeen in de volgende regels gezegd wordt:„— — — — — ’s Mans hevig blaken isMin ijvergloed, meer ergernis,Om d’al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.”2.Hij leeft niet overeenkomstig de voorschriften zijner orde.„Gehuld in Sint Franciscus dos,Zat, die eenswandlenmoest, parmantig op een ros,En spaarde dus bij ’t Missiewerk zijn beenen.”Dit zegtStaringons van vriend Jaromir: we weten dus, dat de volgeling van den Heiligen Franciscus, die naar ’t voorbeeld van den stichter zijner orde inarmoedeals een bedelmonnik had behooren te leven, te paard gaat rijden, zich fraai gaat kleeden (dos!), en zelfs geheel anders dan denederigeFranciscus zichverhoovaardigtop zijn positie.3.Hij heeft de menschen weten te bedriegen: iedereen ziet in hem eenHeilige, men noemt hem zelfs zoo … maar het volgende vers„De Biechtstoel, die zijnheersch- gelijk zijnhebzuchtpaait!”licht ons wel anders in; de pater gebruikt zijn macht voor allesbehalve heilige en vrome doeleinden. Hij weet door middel van de biecht invloed uit te oefenen op hen die om vergiffenis van zonden smeeken, grijpt deze gelegenheid zelfs aan om zich te verrijken! Wel is het noodig, dat zoo iemand eenigen tijd aan de verleidingen van den Booze wordt blootgesteld, een zoodanige herder zal gemakkelijk zelf dolen en eerst na vele beproevingen weer op het rechte pad terug kunnen keeren.Het is vanStaringdus goed gezien deze slechte eigenschappen aan den pater toe te kennen, juist daardoor wordt zijn val gemotiveerd.4. InJaromir te Zutfenblijkt nogmaals dat onze held zijn „gezonde” maag heeft behouden; ga zelf na hoe deze hem ten val brengt. Let ook op het gebruik van de uitdrukking „zijn tanden waatren!” (vs 70)—net iets voor den lekkerbek Jaromir.5. Een andere uitdrukking uit dit gedeelte bewijst, dat onze pater als student niet hard heeft gewerkt, en later als priester niet heel ijverig geweest is om ’t vroeger verzuimde in te halen: Jaromir „poogt zich te bezinnen op ’t kwaad latijn!”6. Eindelijk komt er een einde aan Jaromirs lijden: hij heeft geboet voor zijne zonden—en ze waren vele! zooals we gezien hebben—maar zijn berouw is oprecht gemeend. En nu kent hij Latijn ook!Eigenschappen van Staring als dichter.Thans wenschen we aan de hand van dit gedichtde voornaamste eigenschappen van den dichterStaringna te gaan.Fantasie.I. Zijnvindingrijkheid, fantasie en scheppingskracht, welke gebleken zijn uit het feit, datStaringuit zoo beperkte gegevens een keurig, logisch geheel als de Jaromir wist samen te stellen.Geestigheid.II. Zijngeestigheid. Hiervan zijn tal van voorbeelden bij te brengen; we zullen er uit elk der vier gedeelten een paar geven.UitJaromir te Praag:a.„’t Gordijn viel neder” (vers 63). Een woordspeling: ’t gordijn valt neer, omdat de eerste helft van de klucht afgespeeld is, en bovendien: Jaromir springt te kooi en laat het gordijn neervallen.b.De vrees van den waard had „dubbelen grond”: Jochem was aan den haal gegaan omdat hij één paardepoot zag, zijn baas zag er dubbel zooveel: twee!c.De invalide, die nergens bang voor is, strijkt voor hij de kamer binnengaat, zelfbewust zijn knevels op, maar zoodra hij bij de twee hoeven nog een kwispelenden staart ziet, „rijst zijn kuif zonder strijken!”UitJaromir te Lochem.a.De komische figuur van den hoogmoedigen priester, zijn deftig uiterlijk, zijn zelfbewust optreden en dan vooral de overdrijving in de voorstelling van ’t bedrevene (vers 57–59).b.„Wat hòòg steeg, zal te làger zinken!” (vers 74) zegt Jaromir van de klokken en nu laatStaringdezen vloek letterlijk in vervulling gaan. Vooral ’t „lager zinken” van de klepels, juist op „den platgeschoren bol” van den pater, is zeer komisch.c.De echt leuke uitdrukking: „Wie scherp van oor is, hoort ze brommen” (vs. 100) dus …. als iemand niets hoort, is dit nog volstrekt geen bewijs, datStaringonwaarheid heeft gesproken; degene die ’t zegt, is alleen wat doof!UitJaromir te Zutfen.a.De pater roept „met ontplooiden mond” (vers 19), dit geeft teekenend weer hoe de deftige plooi in Jaromirs gelaat voor iets anders heeft plaats gemaakt.b.„Een arm—een been, dat aanvangt zich te rekken,” echt aanschouwelijke voorstelling, dat de „levensvonk het lichaam nog niet ontsnapt is.” (vs 32).c.De wijze waarop Jaromir gedwongen wordt het hoen op te peuzelen. Ga dat gedeelte eens precies na en tracht het u zoo aanschouwelijk mogelijk voor te stellen.UitJaromir Gewroken.a.De wijze waarop het herstel van den uitgevasten priester wordt voorgesteld, bv. het „uit de plooien zwellen van den buik ten statelijken cirkel” (vs. 32).b.De komische verbinding:bluts en lauwerkrans(vs. 40–42).c.De bezeten monnik, die „Maria niet groet,” maar „Ave, ave, Leonore” uitgalmt.d.De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.Kernachtigheid.III.De kernachtigheid vanStaring.Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. „Staringherhaalt nooit”, zei eensPotgieteren stelde hem daarom aan jonge dichters ten voorbeeld.Staringzelf had in dezen vooralHoratiusen onzen pittigenHuygenstot leermeesters gekozen. Het is niet noodig hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder dit onmiddellijk bij lezing vanStaringswerken zelf gevoelt. Als voorbeeld wijzen we opJaromir te Praag, vers 48–68; alles volgt hier vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte:duisterheid, en die treffen we bijStaringdan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo dikwijls als bij z’n leermeesterHuygens. „Staringsverzen zijn geen muziek om van ’t blad te spelen,” zeiBeets, enPotgieterbeweert hetzelfde in andere bewoordingen: „Staringrekent op een denkend publiek.” Maar niet alleen denken is noodig—dat zou ’t ergste niet zijn!—doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzenb.v.inJaromir te Lochemop vs. 33–38. Niemand zal, al is hij nog zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren: was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij de vlecht pakken.Zoo ookJaromir te Zutfen, regel 46–49. Hiervoor moet men weten:a.Dat te Zutfen in het „Kerkgewelf” een groote bibliotheek bestaat waar de boeken aan kettingen liggen.b.Dat in de „grafcel te Bremen” de lijken niet vergaan, en dat deze grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.c.Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen, indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen, „de wijsheid”, geketend antwoord.Keurigheid.IV.De keurigheid van stijl.Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen, dieStaringlater zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: „aan KarelsSchool te PraagSinds lang vergeten”, de nieuwe heeft in plaats daarvan: „voor twee paar eeuwen”. De verbetering springt in ’t oog:1. „Sints lang vergeten” isfout: de school bestaat nog en verkeert in bloeienden toestand.2. „Voor twee paar eeuwen” geeft bovendien ongeveer aan in welken tijd we het verhaal moeten plaatsen.Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: „Hiervielthans Jaromir” enz. Dit werd veranderd in ’t veel meer aanschouwelijke:valt.Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van „een paardenpoot,dikker vast dan hier mijn lijf,” maar diediktewas ’t niet, wat den knecht zoo in ’t oog gevallen was—„een paardenpootmet lange, zwarte haren!” dat was ’t, wat hem een doodschrik op ’t lijf gejaagd had.Jaromir te Lochemvers 1–4.„Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:Intusschen waar ’t me lief, en ’k onderstel het hier,Om van een voorrede af te raken.”dit schreefStaringeerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den dichter weer,n.l.dat het eerste gedeelte moest dienen totinleidingvan de drie laatste: „En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt, is vast te haken.”Contact met den lezer.V.Staring is telkens in contact met zijn lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in ’t midden brengen, om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.a.Jaromir te Praag, vers 42. „Wat vond hij dan?” Dat is een vraag, welke de lezers die meeleven in ’t verhaal, aanStaringstellen en waarop deze dadelijk antwoordt. ’t Is duidelijk dat de levendigheid van ’t verhaal hierdoor verhoogd wordt.b.Jaromir te Lochem, vers 1–4. Deze verzen zijn bovenreeds besproken; we merkten echter terloops op, dat juist aan ’t begin en aan ’t einde van een gedeelteStaringzijn lezers in ’t verhaal betrekt. ’t Is voor hem dikwijls een middel om weer „op gang” of „aan den slag”te komen.c.Jaromir te Zutphen, vers 1–13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid van ’t geen zooeven beweerd is. Ook hier weer ’t begin van een nieuw gedeelte; aan ’teindehiervan (vers 150–151) worden de lezers opnieuw aangesproken en eveneens aan ’tbeginvanJaromir Gewrokenvs. 1.Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling doet,b.v.Jaromir te Zutfenvs. 118–119„Maar zijn diesleutelsmin danklepelskerkengoed?En waarom die genaast, en deze weggesmeten?”en vooralJaromir Gewrokenvs. 156„En nu de kapellaan?”Punctuatie.VI.Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel afwijkend van ’t gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan.Puntkomma’sworden zeer veel gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers eenpunt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk als één geheel beschouwd moet worden.Dedubbele puntwordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat; dikwijls vervangt de dubbele punt bijStaringhetvoegwoord.Hetuitroepteekenis een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen met de dubbele punt: ’t is „let op, hier bedoel ik iets bizonders mee, lees er niet overheen!” Zoob.v.Jaromir te Praagvers 86: „’t Had dubbelen grond!” de waard zag immers niet één, maartweehoeven.Deaanhalingsteekensdienen dikwijls om den lezer sprekende te laten optreden en juist daardoor wordtStaringin staat gesteld, dat kort en kernachtig te doen. ’t Is een vraag,die te midden van ’t verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan wordt,b.v.Jaromir Gewrokenvs. 156 „En na de Kapellaan?”Ook verschillendelettersoortenroeptStaringte hulp om zijn lezers iets duidelijk onder ’t oog te brengen. Woorden die van buitengewoon belang zijn, krijgen een anderen druk,b.v.Jaromir te Lochemvers 26 en 28, omdat daarin de kern van ’t heele verhaal aan ’t licht komt.Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een bizondere letter aangegeven,b.v.Jaromir te Praag, vs. 4–5, gezondemaag, ziekebeurs; vs. 55 en 57:loonendienstbewijs.Hoofdlettersworden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bijStaringeen hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven, iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.
De bedoeling van ’t onderstaande is duidelijk het verband in ’t licht te stellen tusschen de vier onderdeden van ’t werk en tevens om aan de hand er van na te gaan, welke de verdiensten vanStaringals dichter zijn.
Ontstaan en compositie.Staring had slechts drie gegevens:
a.twee plassen bij Lochem, de zoogenaamdeduivelskolken.
b.de zoogenaamdehondentreein de kerk te Zutphen.
c.een weiland te Lochem, deduivelsaars.
Zijn groote verdienste is dat hij uit deze weinige gegevens een verhaal heeft opgebouwd, waarin al deze deelen met elkaar in logisch verband gebracht worden. De draad die dit alles zou vereenigen, werdde strijd tusschen een zekeren paterJaromiren den duivel. Hoe het in bizonderheden uitgewerkt is, zullen we straks nader zien.
Jaromir te Praag is de inleiding.Maar de dichter had nog een inleiding noodig, waardoor de wrok van den duivel tegen Jaromir verklaard kon worden en deze vond hij in een verhaal, voorkomende in een Engelsch tijdschrift, welk verhaal hij omwerkte tot zijn:Jaromir te Praag. Dit gedeelte is dus geen eigen vinding, maar het verdienstelijke vanStaringis hier, dat hij een vreemd verhaalzoo handig wist te gebruiken als inleiding voor zijn eigen werk, dat het vreemde gedeelte één met zijn eigen werk is geworden. DatStaringJaromir te Praag bedoelt als inleiding tot het volgende, blijkt uit de vier eerste regels vanJaromir te Zutphen:
„De kennis werd gemaakt; Gij kondt een beetre makenDan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, ’t was voor mijDe beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt is vast te haken.”
„De kennis werd gemaakt; Gij kondt een beetre maken
Dan met Vriend Jaromir, maar, Lezer, ’t was voor mij
De beste: ik kom daardoor van een Prefatie vrij,
En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt is vast te haken.”
Juist deze laatste zin bewijst het gegronde van onze bewering.
Jaromir te Praagkon dienen ter inleiding, omdat daardoorde wrok van den duivel tegen Jaromir wordt verklaard. Dit zien we uitJaromir te Zutphen, vers 23–32: de priester dacht niet meer aan de klucht die hij in zijn studententijd uitgehaald had, maar de duivel wèl. Hij is boos, omdat Jaromir vroeger zijn rol gespeeld had (vgl.„Dat ligt deze aperij den zwarten had verdroten”).
De wrok van den duivel vermeerderde steeds omdat Jaromir, nadat hij Franciscaner monnik was geworden, telkens met succes tegen satan optrad en hem overal tegenwerkte. De oud-student werd later een beroemdduivelbanner.
Verdere uitwerking.Staring heeft zijn gegevens op de volgende wijze gebruikt:
1o.Jaromir te Praagwerd de inleiding.
2o. InJaromir te Lochemwordt verteld hoe de duivel wraak neemt door de klepels derklokkenop ’t hoofd van zijn tegenstander neer te smakken. De klokken werpt hij in twee poelen bij Lochem, die voortaan deduivelskolkenheeten.
3o.Jaromir te Zutphenverhaalt ons, hoe Belzebub den monnik verleidt en hem de gelofte aan St. Michiel doet schenden. Dehondentreein de vloersteenen herinnert er aan, dat de duivel Jaromir in de gedaante van eenhondwas verschenen.
4o.Jaromir Gewrokeneindelijk brengt ons de boete en de overwinning van den zwaarbeproefde, en het weiland bij Lochem, deduivelsaars.
„…. heet, van dien dag af tot dezen,Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouwDe wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.”
„…. heet, van dien dag af tot dezen,
Naar dat gestaarte deel, waarop het gordeltouw
De wraak van Jaromir in striemen gaf te lezen.”
Eenheid van ’t geheel.We zullen zien, datStaringde eenheid vanzijndichtwerk door andere middelen nog meer versterkt heeft.
1. Door inJaromir Gewrokenzijn held alsoverwinnaarvan den booze te laten optreden; nu kreeg ’t geheel een bevredigend slot, zooalsStaringzelf ook schertsend opmerkt in den aanhef van het laatste deel.
2. Door Jaromir niet alleen voor te stellen als overwinnaar, maar vooral als iemand, diezijn leven gebeterd heeft: juist door zijn beproevingen is hij een beter mensch geworden en daarom zegeviert hij ten slotte over den boozen vijand.
3. Dan de rol dieSt. Michielspeelt.
a.Jaromir roept St. Michiel aan als hij de klokken vervloekt.
b.Daarom beschermt de Heilige hem.
c.Uit erkentelijkheid belooft Jaromir te zullen vasten.
d.De duivel verleidt hem zijn gelofte te verbreken.
e.Jaromir doet boete en smeekt St. Michiel om vergiffenis.
f.De vergiffenis wordt verleend, nadat de zondaar werkelijk getoond heeft zijn leven te willen beteren.
g.St. Michiel staat Jaromir nogmaals bij in zijn strijd tegen den Booze.
Karakter van Jaromir.Uit het eerste gedeelte,Jaromir te Praag, blijkt niet veel omtrent het karakter van den student, we kunnen alleen zeggen, dat hij eenvroolijk leventje leidde, schulden had, vooral tengevolge van zijntrek naar lekker etenen bovendien blijkt uit het geheel, dat hij eenvindingrijk, slimpersoon is.
Voor deze karaktertrekken zijn de eerste van ’t meeste belang voor ons verder onderzoek: uit den levenslustigen student groeit later een welgedane priester, die niet in eens in een strenggeloovig man is veranderd, en vooral „zijn gezonde maag” behoudt hij: die wordt juist deoorzaak van zijn valinJaromir te Zutfen.
Duidelijker komt zijn karakter aan ’t licht inJaromirteLochemen we moeten het wel bekennen: veel goeds kan van onzen held niet gezegd worden.
1. Hij ishoogmoedig. Dit blijkt vooreerst uit het feit, dat hij ’t luiden der klokken verklaart als gebeurende ter eere van hem, maar ook kunnen we het opmaken uit verschillende kleine trekjes doorStaringhier aangebracht. Jaromir zitparmantigop een ros; hijplooit zijn mond in ’t deftige; de uitval tegen den onschuldigen jongen; de komische overdrijving der zonde en dan bovenal uit hetgeen in de volgende regels gezegd wordt:
„— — — — — ’s Mans hevig blaken isMin ijvergloed, meer ergernis,Om d’al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.”
„— — — — — ’s Mans hevig blaken is
Min ijvergloed, meer ergernis,
Om d’al te slinkschen trek, dien hem de hoogmoed speelde.”
2.Hij leeft niet overeenkomstig de voorschriften zijner orde.
„Gehuld in Sint Franciscus dos,Zat, die eenswandlenmoest, parmantig op een ros,En spaarde dus bij ’t Missiewerk zijn beenen.”
„Gehuld in Sint Franciscus dos,
Zat, die eenswandlenmoest, parmantig op een ros,
En spaarde dus bij ’t Missiewerk zijn beenen.”
Dit zegtStaringons van vriend Jaromir: we weten dus, dat de volgeling van den Heiligen Franciscus, die naar ’t voorbeeld van den stichter zijner orde inarmoedeals een bedelmonnik had behooren te leven, te paard gaat rijden, zich fraai gaat kleeden (dos!), en zelfs geheel anders dan denederigeFranciscus zichverhoovaardigtop zijn positie.
3.Hij heeft de menschen weten te bedriegen: iedereen ziet in hem eenHeilige, men noemt hem zelfs zoo … maar het volgende vers
„De Biechtstoel, die zijnheersch- gelijk zijnhebzuchtpaait!”
„De Biechtstoel, die zijnheersch- gelijk zijnhebzuchtpaait!”
licht ons wel anders in; de pater gebruikt zijn macht voor allesbehalve heilige en vrome doeleinden. Hij weet door middel van de biecht invloed uit te oefenen op hen die om vergiffenis van zonden smeeken, grijpt deze gelegenheid zelfs aan om zich te verrijken! Wel is het noodig, dat zoo iemand eenigen tijd aan de verleidingen van den Booze wordt blootgesteld, een zoodanige herder zal gemakkelijk zelf dolen en eerst na vele beproevingen weer op het rechte pad terug kunnen keeren.Het is vanStaringdus goed gezien deze slechte eigenschappen aan den pater toe te kennen, juist daardoor wordt zijn val gemotiveerd.
4. InJaromir te Zutfenblijkt nogmaals dat onze held zijn „gezonde” maag heeft behouden; ga zelf na hoe deze hem ten val brengt. Let ook op het gebruik van de uitdrukking „zijn tanden waatren!” (vs 70)—net iets voor den lekkerbek Jaromir.
5. Een andere uitdrukking uit dit gedeelte bewijst, dat onze pater als student niet hard heeft gewerkt, en later als priester niet heel ijverig geweest is om ’t vroeger verzuimde in te halen: Jaromir „poogt zich te bezinnen op ’t kwaad latijn!”
6. Eindelijk komt er een einde aan Jaromirs lijden: hij heeft geboet voor zijne zonden—en ze waren vele! zooals we gezien hebben—maar zijn berouw is oprecht gemeend. En nu kent hij Latijn ook!
Eigenschappen van Staring als dichter.Thans wenschen we aan de hand van dit gedichtde voornaamste eigenschappen van den dichterStaringna te gaan.
Fantasie.I. Zijnvindingrijkheid, fantasie en scheppingskracht, welke gebleken zijn uit het feit, datStaringuit zoo beperkte gegevens een keurig, logisch geheel als de Jaromir wist samen te stellen.
Geestigheid.II. Zijngeestigheid. Hiervan zijn tal van voorbeelden bij te brengen; we zullen er uit elk der vier gedeelten een paar geven.
UitJaromir te Praag:
a.„’t Gordijn viel neder” (vers 63). Een woordspeling: ’t gordijn valt neer, omdat de eerste helft van de klucht afgespeeld is, en bovendien: Jaromir springt te kooi en laat het gordijn neervallen.
b.De vrees van den waard had „dubbelen grond”: Jochem was aan den haal gegaan omdat hij één paardepoot zag, zijn baas zag er dubbel zooveel: twee!
c.De invalide, die nergens bang voor is, strijkt voor hij de kamer binnengaat, zelfbewust zijn knevels op, maar zoodra hij bij de twee hoeven nog een kwispelenden staart ziet, „rijst zijn kuif zonder strijken!”
UitJaromir te Lochem.
a.De komische figuur van den hoogmoedigen priester, zijn deftig uiterlijk, zijn zelfbewust optreden en dan vooral de overdrijving in de voorstelling van ’t bedrevene (vers 57–59).
b.„Wat hòòg steeg, zal te làger zinken!” (vers 74) zegt Jaromir van de klokken en nu laatStaringdezen vloek letterlijk in vervulling gaan. Vooral ’t „lager zinken” van de klepels, juist op „den platgeschoren bol” van den pater, is zeer komisch.
c.De echt leuke uitdrukking: „Wie scherp van oor is, hoort ze brommen” (vs. 100) dus …. als iemand niets hoort, is dit nog volstrekt geen bewijs, datStaringonwaarheid heeft gesproken; degene die ’t zegt, is alleen wat doof!
UitJaromir te Zutfen.
a.De pater roept „met ontplooiden mond” (vers 19), dit geeft teekenend weer hoe de deftige plooi in Jaromirs gelaat voor iets anders heeft plaats gemaakt.
b.„Een arm—een been, dat aanvangt zich te rekken,” echt aanschouwelijke voorstelling, dat de „levensvonk het lichaam nog niet ontsnapt is.” (vs 32).
c.De wijze waarop Jaromir gedwongen wordt het hoen op te peuzelen. Ga dat gedeelte eens precies na en tracht het u zoo aanschouwelijk mogelijk voor te stellen.
UitJaromir Gewroken.
a.De wijze waarop het herstel van den uitgevasten priester wordt voorgesteld, bv. het „uit de plooien zwellen van den buik ten statelijken cirkel” (vs. 32).
b.De komische verbinding:bluts en lauwerkrans(vs. 40–42).
c.De bezeten monnik, die „Maria niet groet,” maar „Ave, ave, Leonore” uitgalmt.
d.De zingende kapelaan, die rondzwerft gevolgd door een troepje meeblèrende jongens! Echt aanschouwelijk.
Kernachtigheid.III.De kernachtigheid vanStaring.
Nooit is zijn verhaal gerekt, alles is even bondig. „Staringherhaalt nooit”, zei eensPotgieteren stelde hem daarom aan jonge dichters ten voorbeeld.Staringzelf had in dezen vooralHoratiusen onzen pittigenHuygenstot leermeesters gekozen. Het is niet noodig hier de kernachtigheid van den dichter te bewijzen, omdat ieder dit onmiddellijk bij lezing vanStaringswerken zelf gevoelt. Als voorbeeld wijzen we opJaromir te Praag, vers 48–68; alles volgt hier vlug zonder onnoodige uitweidingen of afdwalingen op elkaar.
Maar deze goede eigenschap kan worden tot een slechte:duisterheid, en die treffen we bijStaringdan ook vrij vaak aan, hoewel niet zoo dikwijls als bij z’n leermeesterHuygens. „Staringsverzen zijn geen muziek om van ’t blad te spelen,” zeiBeets, enPotgieterbeweert hetzelfde in andere bewoordingen: „Staringrekent op een denkend publiek.” Maar niet alleen denken is noodig—dat zou ’t ergste niet zijn!—doch ook vrij veel kennis van allerlei bizonderheden. We wijzenb.v.inJaromir te Lochemop vs. 33–38. Niemand zal, al is hij nog zoo scherpzinnig, deze regels goed kunnen verklaren, indien hij niet met het feit bekend is dat de kans door de ouden voorgesteld werd als een persoon met een kaal achterhoofd en een vlecht haar van voren: was hij dus maar even voorbij, dan waren alle pogingen om hem te grijpen vruchteloos; alleen op het juiste oogenblik kan men hem bij de vlecht pakken.
Zoo ookJaromir te Zutfen, regel 46–49. Hiervoor moet men weten:
a.Dat te Zutfen in het „Kerkgewelf” een groote bibliotheek bestaat waar de boeken aan kettingen liggen.
b.Dat in de „grafcel te Bremen” de lijken niet vergaan, en dat deze grafcel daardoor groote vermaardheid heeft.
c.Dat de zeegod Proteus alleen tot profeteeren was te dwingen, indien men hem eerst ketende. Evenals hij gaven de boeken te Zutfen, „de wijsheid”, geketend antwoord.
Keurigheid.IV.De keurigheid van stijl.
Behalve uit het gedicht zelf, blijkt het vooral uit de veranderingen, dieStaringlater zelf heeft aangebracht. (In de uitgave der Zwolsche Herdrukken staan de varianten aan den voet der bladzijden opgegeven.) We zullen enkele hiervan nagaan.
Jaromir te Praag, vers 3. De oude lezing is: „aan KarelsSchool te PraagSinds lang vergeten”, de nieuwe heeft in plaats daarvan: „voor twee paar eeuwen”. De verbetering springt in ’t oog:
1. „Sints lang vergeten” isfout: de school bestaat nog en verkeert in bloeienden toestand.
2. „Voor twee paar eeuwen” geeft bovendien ongeveer aan in welken tijd we het verhaal moeten plaatsen.
Jaromir te Praag, vers 35. Eerst stond er: „Hiervielthans Jaromir” enz. Dit werd veranderd in ’t veel meer aanschouwelijke:valt.
Hetzelfde gedeelte vers 78. Jochem sprak eerst van „een paardenpoot,dikker vast dan hier mijn lijf,” maar diediktewas ’t niet, wat den knecht zoo in ’t oog gevallen was—„een paardenpootmet lange, zwarte haren!” dat was ’t, wat hem een doodschrik op ’t lijf gejaagd had.
Jaromir te Lochemvers 1–4.
„Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:Intusschen waar ’t me lief, en ’k onderstel het hier,Om van een voorrede af te raken.”
„Vriend Lezer, kent gij ook een zeekren Jaromir?
Gij kondt, ik stem het toe, een beetre kennis maken:
Intusschen waar ’t me lief, en ’k onderstel het hier,
Om van een voorrede af te raken.”
dit schreefStaringeerst. Hoeveel beter zijn de verzen zooals wij ze nu kennen, en vooral, thans geven ze juist de bedoeling van den dichter weer,n.l.dat het eerste gedeelte moest dienen totinleidingvan de drie laatste: „En heb eennaam, waaraan ’t geen volgt, is vast te haken.”
Contact met den lezer.V.Staring is telkens in contact met zijn lezers, beschouwt ze meer als zijn hoorders, spreekt met hen en laat omgekeerd ook zijn lezers dikwijls iets in ’t midden brengen, om daarop dan zelf weer te kunnen repliceeren.
a.Jaromir te Praag, vers 42. „Wat vond hij dan?” Dat is een vraag, welke de lezers die meeleven in ’t verhaal, aanStaringstellen en waarop deze dadelijk antwoordt. ’t Is duidelijk dat de levendigheid van ’t verhaal hierdoor verhoogd wordt.
b.Jaromir te Lochem, vers 1–4. Deze verzen zijn bovenreeds besproken; we merkten echter terloops op, dat juist aan ’t begin en aan ’t einde van een gedeelteStaringzijn lezers in ’t verhaal betrekt. ’t Is voor hem dikwijls een middel om weer „op gang” of „aan den slag”te komen.
c.Jaromir te Zutphen, vers 1–13. Deze aanhaling bevestigt de juistheid van ’t geen zooeven beweerd is. Ook hier weer ’t begin van een nieuw gedeelte; aan ’teindehiervan (vers 150–151) worden de lezers opnieuw aangesproken en eveneens aan ’tbeginvanJaromir Gewrokenvs. 1.
Heel eigenaardig klinken soms de enkele vragen, die de lezer plotseling doet,b.v.Jaromir te Zutfenvs. 118–119
„Maar zijn diesleutelsmin danklepelskerkengoed?En waarom die genaast, en deze weggesmeten?”
„Maar zijn diesleutelsmin danklepelskerkengoed?
En waarom die genaast, en deze weggesmeten?”
en vooralJaromir Gewrokenvs. 156
„En nu de kapellaan?”
„En nu de kapellaan?”
Punctuatie.VI.Staring gebruikt eene eigen punctuatie, geheel afwijkend van ’t gebruik der leesteekens bij andere schrijvers. We wijzen hier slechts op enkele eigenaardigheden, omdat ieder lezer dit punt gemakkelijk zelf kan nagaan.Puntkomma’sworden zeer veel gebruikt en hebben ongeveer dezelfde waarde als bij andere schrijvers eenpunt, meestal dienen ze om aan te wijzen dat een gedeelte feitelijk als één geheel beschouwd moet worden.
Dedubbele puntwordt eveneens veel gebruikt en geeft meestal te kennen dat er tusschen beide gedeelten een oorzakelijk verband bestaat; dikwijls vervangt de dubbele punt bijStaringhetvoegwoord.
Hetuitroepteekenis een waarschuwingsteeken en komt dus veel overeen met de dubbele punt: ’t is „let op, hier bedoel ik iets bizonders mee, lees er niet overheen!” Zoob.v.Jaromir te Praagvers 86: „’t Had dubbelen grond!” de waard zag immers niet één, maartweehoeven.
Deaanhalingsteekensdienen dikwijls om den lezer sprekende te laten optreden en juist daardoor wordtStaringin staat gesteld, dat kort en kernachtig te doen. ’t Is een vraag,die te midden van ’t verhaal den verteller plotseling door een belangstellende gedaan wordt,b.v.Jaromir Gewrokenvs. 156 „En na de Kapellaan?”
Ook verschillendelettersoortenroeptStaringte hulp om zijn lezers iets duidelijk onder ’t oog te brengen. Woorden die van buitengewoon belang zijn, krijgen een anderen druk,b.v.Jaromir te Lochemvers 26 en 28, omdat daarin de kern van ’t heele verhaal aan ’t licht komt.
Heel vaak worden woorden die eene tegenstelling vormen, met een bizondere letter aangegeven,b.v.Jaromir te Praag, vs. 4–5, gezondemaag, ziekebeurs; vs. 55 en 57:loonendienstbewijs.
Hoofdlettersworden eveneens tot dit doel aangewend: ieder woord dat bizonder de aandacht behoort te trekken, krijgt bijStaringeen hoofdletter. We behoeven hiervan zeker geen voorbeelden te geven, iedere lezer bemerkt dit zelf dadelijk.