De Kleine Johannes.

De Kleine Johannes.Eerste deel.Doel.In „De Kleine Johannes” schetst Van Eeden ons symbolisch de ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik werpen in ’t zieleleven van een mensch.Eigenschappen van Johannes.Johannes is eenjongetjemet eenlevendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat zegt ons z’n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend voor zijnvriendelijkheid danken. Groot iszijnliefde voor de natuuren zijnschoonheidsgevoelis sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral van zijn vader, „een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam op lange tochten door wouden en duinen.” In den grooten tuin vond Johannes het heerlijk, vooral achterin bij „den vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind.” Daar was Johannes’ paradijs, waar hij uren lag te staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleinedroomer, iemand met een trek naar ’t geheimzinnige. Hij verwacht dan ook dat er eens een wonder zal komen en als hij ’s avonds bad, was ’t slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.’t Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de lichtgrot. „Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!”Windekind.Daar verschijnt hemWindekind, een licht, rank wezentje, met glazen haftvleugels. Windekind is defantasie, hier voorgesteld als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid ietsinhem, een eigenschap van Johannes zelf. ’t Is de geheimzinnige dichterlijke kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele aanwijzingen. Windekind is immers geboren „uit de eerste stralen der maan en de laatste der zon,” hij is een kind der schemering;detijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als „het schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen op de bladen van het bosch” en Johannes heeft dan ook „een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.”Invloed van Windekind.Door zijn levendige fantasie ziet Johannes nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt bezield. Hij leeft mee met de dieren enplanten, als de krekels ’s avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt, omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op ’t zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt omdat de kabouters als ze ’s nachts geschreven hebben, des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.Dit alles fantaseert Johannes in z’n droomstemming. Hij kan dat eerstnadat Windekind hem op ’t voorhoofd heeft gekust, dan is het „alsof alles om hem heen verandert.” Later zegt Windekind het nog eens duidelijk: „Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en den blik der bloemen doen verstaan.”Satirieke gedeelten.Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal vansatirieke opmerkingengemaakt worden.Oberonb.v.de elfenkoning, is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst, onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering en bij ’t dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. „Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak.”In de geschiedenis van deVredemierenen deStrijdmieren, die elkander vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: „O, gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!”Op ’tzendingsfeestwordt gesproken over „Gods heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn,van de lieve vogelen en bloemen” en ondertusschen worden „heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, de teere geurenderkamperfoelie-struikendoor nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan ’t loopen gaan.” Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen achter. „Zulke menschen”, zegt Windekind, „zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen.”In denparabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de „ernstige roeping” in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar die rond wil vliegen en snakt naar ’t licht, schildert Van Eeden ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, „die zijn teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden” en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar, die later „eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust.”Dan nogde dikke aaldiekoningwas in den vijver, „die altijd in den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was,—men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig.”Invloed van Wistik.Voor Johannes begint een tweede periode van ’t leven: in hem ontwaaktde dorst naar kennis, hij wil het waarom der dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes hoofd: „Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?”Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aanWistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes, maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt niet zelf, maarhaalt z’n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar hij rusteloos zoekt, „want dat ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen,—daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen.” Dat boekje tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik, een soort tooverspreuk:Het geluksboek.„Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.”Wistik bedoelt:Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.„Elfen hebben den gouden sleutel”; behalve ’t werken onder de menschen is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in Oberon en Windekind.„Elfenvijand vindt het niet.” Al heeft iemand nog zooveel kennis, hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en van Oberon heeft hij ’t gouden sleuteltje dan ook al gekregen.„Menschenvriend slechts opent het.” Als men ’t kistje en ’t sleuteltje heeft, kan men ’t nog niet openen. Dat kan echter alleen een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt met de lijdenden.„Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.” De lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en ’t roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende liefde. (Ook in ’t derde deel is een groote vlam boven op den tempel ’t zinnebeeld der liefde).Robinetta.Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat Johannes ’t vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de menschen. Hij komt bij tweegoede oude menschen, een tuinman en z’n vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld moet voorlezen, maar dat is ’t menschenboek en niet ’t geluksboekje, ’t welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een mooien lentedag ziet hij een meisje,Robinetta, die hem in gedaante, in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet hij Windekind voor Robinetta, „de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.” Schijnbaar is Johannes op den goeden weg: ’t is Lente en ’t roodborstje dat hem den weg moet wijzen is bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is tevreden, genietend van z’n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet met rust en hij vraagt werkelijk ’t roodborstje of ’t den weg weet naar ’t gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl ’t schuins naar Robinetta gluurt: „Hier niet, hier niet!” De liefde voor Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet deelachtig worden. Later, in ’t tweede en derde deel, zegt Van Eeden ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering: Johannes bedoelt niet het „boek der boeken”, hij is zelfs zoo dwaas iets te zeggen van ’t geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.Pluizer.Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd, Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In dezen toestand konPluizergemakkelijk den baas over hem spelen en hem, althans voorloopig, in z’n macht houden. Pluizer is weer iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld: ’t is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de materialistische levensbeschouwing, die al ’t dichterlijke in den mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus ’t type van denmaterialisten hij stelt zich dan ookten doel alle idealen van Johannes te vernietigen, z’n fantasie te dooden. In de bloedroode wolken „is het mistig, grijs en koud”; Windekind bestaat niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen, ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke: hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en zelfs voerthijhem in ’t kerkhof om Johannes te laten zien wat er eens van de menschen zal worden.Dr. Cijfer.Door Pluizer komt Johannes in aanraking metDr. Cijfer, het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat, en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat éene groote:—de wetenschap. Hier is ’t: alles of niets.Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar Johannes niet. „Alles viel uiteen tot cijfers—bladen vol cijfers. Dat vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen,—doch voor Johannes was dat duisternis.”Zoo is deze periode in Johannes’ leven een tijd van doodende duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft de hand slaan aan ’t lijk van Johannes’ vader—een vader is immers een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.Johannes vrij.Hij ziet DeDoodaan ’t sterfbed, met z’n zachte ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij weigert. „Zal Pluizer weerkomen?” fluistert Johannes. „Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem niet weer.” Wie eens met het materialisme heeft gebroken, heeft aan z’n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den mensch. „Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn,” zegt de Dood.Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door den dood alleen kan hij ’t boekje vinden.Nieuw ideaal.Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de golven aanschrijden:de Liefde voor de Menschheid.Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte kennis en gelukalleen voor zich—aan de lijdende menschen heeft hij niet gedacht. Maar nu is z’n levensdoel hem duidelijk geworden: hij zal leven voor de verdrukten. „Met zijn ernstigen geleider gaat hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid is en haar weedom.”Tweede en Derde Deel.Het nieuwe leven.Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste boek en de twee laatste: het eerste ’t boek derfantasie, de beide andere, voor een groot deel tenminste, die derwerkelijkheid. Van Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij:hoe die isenhoe ze volgens hem moet zijn. ’t Is dus een verbinding van realiteit en fantasie.Johannes moet nu zijn weg door ’t moeilijke leven zoeken. Hij wordt geleid door deLiefde voor de Menschheid, een liefde die altijd in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: „Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend” (deel I blz. 191).Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: „Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen.” Schijnbaar zal die goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De geleider zegt dan ook tot Johannes: „Welnu Johannes, onthoud dan dit, gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.De Geleider Markus Vis.DeGeleideris weer iets in Johannes zelf:zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon, als de scharenslijperMarkus Vis, een figuur die ons telkens aan Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat „met de golvende lokken, de oogen vol eindeloos zachten weemoed”, die onuitsprekelijke deernisopwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat Christus als ’t ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij thans behandeld zou worden.Als eenarmmensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. „Mijn ziel is hoog en mijn hart blij—en omdat ik zoo sterk ben, kan ik buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en met mij het Licht.” Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.Twee hoofdpersonen.Er zijn door deze eigenaardige wijze van voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van Eeden leert ons dus op twee wijzen:1. door de ondervindingen vanJohannes.2. door de daden en woorden vanMarkus.Het leven van Johannes.Johannes gaat thans in ’t „volle menschenleven”: hij „wil een mensch zijn onder de menschen en een goed mensch, die goed doet aan de menschen.” Maar zijn taak is zwaar, niet altijd is het hem mogelijk op ’t rechte spoor te blijven, soms dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen, metkermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en ’s nachts mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. ’t Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.Marjon.Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid en terwille van wie hij zal trachten vol te houden:Marjon, het arme meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de zoekende, droomende Johannes.Tante Séréna.Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui, trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt het hem te machtig en hij is blij dat tanteSérénahem laat halen in ’t mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem geen raad: „Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang”, is ’t eenige wat hij zegt.Hekeling van de schijnvroomheid.Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn ’t volgens de oude meidDaatje„veranderde menschen.”—„Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon.”—Een feest is ’t als domineeKraalboomop ’t avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: „Verandering”.1Ooktegenover Johannes doet hij erg gewichtig,—maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes, zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen.2Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn opvatting van ’t Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken, die ’t koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt daartegenover zijn meening:’t Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.Men moet genieten van ’t schoone in de schepping: Zou de Vader bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan, omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht: hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht bij Marjon.Pan.Eenintermezzoin dit gedeelte ishet uitstapje van Wistik en Johannesnaar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche maatschappij, van den tijd toen de menschenPand.i.de natuur, nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk zooals nu: „We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad,” zegt Wistik, „het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet.” Dan ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken, versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.Vlucht naar Duitschland.JohannesenMarjonbesluiten samen te vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het „Zwarte Wijf”, dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts afschuw inboezemt.Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen, Marjon maakt de melodie en met Keesje, ’t aapje, halen ze ’t geld op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter dan Johannes.Gravin Dolorès en Van Lieverlede.Na eenigen tijd komen ze toevallig in aanraking met de meisjesOlgaenFridaen daardoor met gravinDolorèsenVan Lieverleede, die aanspiritismedoen. Dit gedeelte is—evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès zijn leden van „een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en gemeenschappelijke verbetering van ons karma.” VanLieverleedeheeft in Johannes wat bizonders ontdekt. „Wij Johannes,” zegt Van Lieverleede, „behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige—of laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst.” „Gravin Dolorès is onzezielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en lelie-blanke veluw-puurheid.” Van Lieverleede’s woordkeuze is echt spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van „De Kleine Johannes.” (deel IIblz. 193).In de mijnstreken.Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen:de dood van Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat in deel III blz. 3 gezegd wordt: „Pan is dood, zijn schoon wonderland gaat te gronde”).Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de puinhoopen van ’t oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en Windekind, als de zon schooner is dan de maan.Markus voert hem te midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal, als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige zaak, voelt Johannes het schoone van ’t nieuwe leven. Dan jubelt het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.Afdwaling.Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravinDolorès, met de kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, metVan Lieverleededie hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en die spreekt van „’t kappersluchtje van die kwiebus met z’n kuif.” Zij voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil Johannes niet raden: hij moetzelf een keuze doen. Na veel strijd scheidt Johannes van Marjon.In Engeland.Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij ladyCrimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé’s geeft. Haar man „is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door bloedzuiverende pillen.” ’t Is dus een echte parvenu-omgeving,een kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk, zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral met zijn „Hollandsche Nationaal Hymmen” veel lof inoogst. Met de andere wondermenschen die op zoo’n avond hun krachten moeten vertoonen—professor vanPennewitzen mijnheerRanji-Banji-Sing—is ’t net als met Johannes, alles humbug en bedrog.Veel indruk maakt op hem de dood vanHélène, die boet voor de zonden harer ouders, ’t slachtoffer van degeneratie en die van angst en zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonenBangelingenDegeneratiedrijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98–101 en 163 van ’t derde deel).Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of ’t huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat de gravin liefde voor hem gevoelde.Onder de Spiritisten.Toch blijft hij nog altijd eenige hoop koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin despiritistische séances van de Plejaden te Scheveningenbijwoont, want door de geesten worden „eenstemmig Johannes en gravin Dolorès aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst te verwachten was.” „Johannes moest naast de gravin zitten en haar hand vasthouden,en zoo te zamen de berichten der geesten neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en een zoete beproeving.”Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. ’t Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal, die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, „die zoodanig met zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op ’t geen hij zelven zeide” en de „niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was.”Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot gravinDolorèsgeheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. metVan Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen, dan z’n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer geworden is, vindt hij ook Markus terug.Tegen het Katholicisme.Nog éen gevaar bedreigt Johannes—de Octopus heeft vele armen!—hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door den handigen paterCanisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het vroeger Kraalboom deed.Markus in ’t krankzinnigengesticht.Markus wordt, vooral door toedoen van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen der wetenschap, verpersoonlijkt inBommeldoos, een lesje te geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige geleerde,Dr. Cijfer.’t Rijk van Koning Waan.Een intermezzo is de droom van Johannes, zijn verblijf in ’t rijk vanKoning Waan, in ’t rijk van den Octopus met z’n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen (de slechte menschelijke eigenschappen)Bangeling,Labbekak,Goedzak,Pluizer,Sleur,Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de menschen in ’t rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad; een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet; professor Bommeldoos die bezig is z’n eigen hersens te onderzoeken; de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of economisch gebied o. a. de sociaal-democraatDr. Felbeckdie „trapte en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog”; tal van labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.Beschermd door Kennis en Liefde.Koning Waan wil ook Johannes grijpen maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon.KennisenLiefde beschermen den mensch tegen de vangarmen van Waan.Onder de Socialisten.Markus is verder in ’t laatste deel geheel de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus treedt handelend op. Hij bestraft paterCanisius, spreekt op desocialisten-vergaderingtegenDr. Felbecken denanarchistHakkema, die volgens Markus ’t volk „paaien, vleien en honigsmeren” en er zoodoende „ingebeelde dwazen” van maken. Elk herzie zich zelf. „Hetgoede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd.” De klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën, hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.Tegen ’t koningschap.Als slotde redevoering van Markus tegen ’t koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten, allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan blinkende schijn. „Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende.” Beklagenswaardig zijn de koning en de koningin. „En gij twee arme menschen, bedolven onder den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!—de bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet hebben—moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in vergevend erbarmen.”Dood van Markus.Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld dat hij naar ’t ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan ’t kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest ondervinden. Markus’ lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel ze kunnen missen, maar ’t is niet genoeg. Eindelijk komt de goede tante Séréna maar dan is ’t al te laat, niemand kan meer zeggen welke de deelenvan Markus lichaam zijn. Zoo is z’n leven één liefdedaad, zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.De Maatschappij der toekomst.Van Eeden schildert ons ook nog den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig verricht, maar ’t goede zaad is uitgestrooid en zaleensvruchten voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: „Maar lieve Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om je, noch om je woorden.”„Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde, het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam uit dat nietige zaadje.” „Het vonkje is gevallen en gloeit voort in ’t verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd.”Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes droomt dat hijWindekindterugvindt en deze laat hem zien hoe ’t er op aarde na duizend jaren zal uitzien. ’t Is heel natuurlijk dat juistWindekinden nietWistikJohannes begeleidt: dekenniskan ons iets zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes naar ’t oude Griekenland voerde, maar defantasiealleen kan ons voorgaan in de toekomst.De menschen.De menschen in datland der toekomstzijn geheel anders dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken, maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan: allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van ’t landschap. De mannen hebben volle baarden,de vrouwen hebben hunne vlechten om ’t hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.Eén met de natuur.De natuur is schoon als in den tijd toen men Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte, koel ruischende loovermassa’s vereenigd; kleurige bloemen en rijk bloeiende heesters groeien in ’t wild en tusschen dat alles zijn de blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben ’t middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven door ’t luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. „Het was de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn, en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd, van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur, ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet.”Staatsbestuur.In denpolitieken toestandis verandering gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van den Broeder. „Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,” is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap.Johannes ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem: „Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters, meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen, regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen.”De godsdienst.’t Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren, componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt „heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en eenvoudig—dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring.” Allen voelen zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin, onder Vaders zegen.Het werk van Markus.En dat alles is het werk van éen, „dat heeft uw goede Broeder gedaan,” zegtWindekindtotJohannes. Het zaadje is ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van dat nietige zaad. Eens zal Markus’ geest op aarde zegevieren.1Men vergelijkeb.v.de volgende regels uit dat gedicht:„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”en ook:„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”↑2Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis vanTante Suzanna Hofland, de schijnvromeCornelia Slimpslamp, broederBenjaminenOude BrechtuitSaartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aanWoutertje PietersevanMultatuliop ’t avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.↑

De Kleine Johannes.Eerste deel.Doel.In „De Kleine Johannes” schetst Van Eeden ons symbolisch de ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik werpen in ’t zieleleven van een mensch.Eigenschappen van Johannes.Johannes is eenjongetjemet eenlevendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat zegt ons z’n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend voor zijnvriendelijkheid danken. Groot iszijnliefde voor de natuuren zijnschoonheidsgevoelis sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral van zijn vader, „een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam op lange tochten door wouden en duinen.” In den grooten tuin vond Johannes het heerlijk, vooral achterin bij „den vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind.” Daar was Johannes’ paradijs, waar hij uren lag te staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleinedroomer, iemand met een trek naar ’t geheimzinnige. Hij verwacht dan ook dat er eens een wonder zal komen en als hij ’s avonds bad, was ’t slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.’t Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de lichtgrot. „Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!”Windekind.Daar verschijnt hemWindekind, een licht, rank wezentje, met glazen haftvleugels. Windekind is defantasie, hier voorgesteld als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid ietsinhem, een eigenschap van Johannes zelf. ’t Is de geheimzinnige dichterlijke kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele aanwijzingen. Windekind is immers geboren „uit de eerste stralen der maan en de laatste der zon,” hij is een kind der schemering;detijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als „het schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen op de bladen van het bosch” en Johannes heeft dan ook „een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.”Invloed van Windekind.Door zijn levendige fantasie ziet Johannes nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt bezield. Hij leeft mee met de dieren enplanten, als de krekels ’s avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt, omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op ’t zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt omdat de kabouters als ze ’s nachts geschreven hebben, des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.Dit alles fantaseert Johannes in z’n droomstemming. Hij kan dat eerstnadat Windekind hem op ’t voorhoofd heeft gekust, dan is het „alsof alles om hem heen verandert.” Later zegt Windekind het nog eens duidelijk: „Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en den blik der bloemen doen verstaan.”Satirieke gedeelten.Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal vansatirieke opmerkingengemaakt worden.Oberonb.v.de elfenkoning, is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst, onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering en bij ’t dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. „Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak.”In de geschiedenis van deVredemierenen deStrijdmieren, die elkander vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: „O, gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!”Op ’tzendingsfeestwordt gesproken over „Gods heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn,van de lieve vogelen en bloemen” en ondertusschen worden „heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, de teere geurenderkamperfoelie-struikendoor nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan ’t loopen gaan.” Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen achter. „Zulke menschen”, zegt Windekind, „zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen.”In denparabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de „ernstige roeping” in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar die rond wil vliegen en snakt naar ’t licht, schildert Van Eeden ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, „die zijn teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden” en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar, die later „eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust.”Dan nogde dikke aaldiekoningwas in den vijver, „die altijd in den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was,—men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig.”Invloed van Wistik.Voor Johannes begint een tweede periode van ’t leven: in hem ontwaaktde dorst naar kennis, hij wil het waarom der dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes hoofd: „Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?”Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aanWistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes, maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt niet zelf, maarhaalt z’n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar hij rusteloos zoekt, „want dat ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen,—daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen.” Dat boekje tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik, een soort tooverspreuk:Het geluksboek.„Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.”Wistik bedoelt:Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.„Elfen hebben den gouden sleutel”; behalve ’t werken onder de menschen is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in Oberon en Windekind.„Elfenvijand vindt het niet.” Al heeft iemand nog zooveel kennis, hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en van Oberon heeft hij ’t gouden sleuteltje dan ook al gekregen.„Menschenvriend slechts opent het.” Als men ’t kistje en ’t sleuteltje heeft, kan men ’t nog niet openen. Dat kan echter alleen een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt met de lijdenden.„Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.” De lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en ’t roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende liefde. (Ook in ’t derde deel is een groote vlam boven op den tempel ’t zinnebeeld der liefde).Robinetta.Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat Johannes ’t vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de menschen. Hij komt bij tweegoede oude menschen, een tuinman en z’n vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld moet voorlezen, maar dat is ’t menschenboek en niet ’t geluksboekje, ’t welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een mooien lentedag ziet hij een meisje,Robinetta, die hem in gedaante, in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet hij Windekind voor Robinetta, „de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.” Schijnbaar is Johannes op den goeden weg: ’t is Lente en ’t roodborstje dat hem den weg moet wijzen is bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is tevreden, genietend van z’n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet met rust en hij vraagt werkelijk ’t roodborstje of ’t den weg weet naar ’t gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl ’t schuins naar Robinetta gluurt: „Hier niet, hier niet!” De liefde voor Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet deelachtig worden. Later, in ’t tweede en derde deel, zegt Van Eeden ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering: Johannes bedoelt niet het „boek der boeken”, hij is zelfs zoo dwaas iets te zeggen van ’t geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.Pluizer.Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd, Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In dezen toestand konPluizergemakkelijk den baas over hem spelen en hem, althans voorloopig, in z’n macht houden. Pluizer is weer iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld: ’t is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de materialistische levensbeschouwing, die al ’t dichterlijke in den mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus ’t type van denmaterialisten hij stelt zich dan ookten doel alle idealen van Johannes te vernietigen, z’n fantasie te dooden. In de bloedroode wolken „is het mistig, grijs en koud”; Windekind bestaat niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen, ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke: hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en zelfs voerthijhem in ’t kerkhof om Johannes te laten zien wat er eens van de menschen zal worden.Dr. Cijfer.Door Pluizer komt Johannes in aanraking metDr. Cijfer, het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat, en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat éene groote:—de wetenschap. Hier is ’t: alles of niets.Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar Johannes niet. „Alles viel uiteen tot cijfers—bladen vol cijfers. Dat vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen,—doch voor Johannes was dat duisternis.”Zoo is deze periode in Johannes’ leven een tijd van doodende duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft de hand slaan aan ’t lijk van Johannes’ vader—een vader is immers een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.Johannes vrij.Hij ziet DeDoodaan ’t sterfbed, met z’n zachte ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij weigert. „Zal Pluizer weerkomen?” fluistert Johannes. „Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem niet weer.” Wie eens met het materialisme heeft gebroken, heeft aan z’n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den mensch. „Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn,” zegt de Dood.Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door den dood alleen kan hij ’t boekje vinden.Nieuw ideaal.Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de golven aanschrijden:de Liefde voor de Menschheid.Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte kennis en gelukalleen voor zich—aan de lijdende menschen heeft hij niet gedacht. Maar nu is z’n levensdoel hem duidelijk geworden: hij zal leven voor de verdrukten. „Met zijn ernstigen geleider gaat hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid is en haar weedom.”Tweede en Derde Deel.Het nieuwe leven.Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste boek en de twee laatste: het eerste ’t boek derfantasie, de beide andere, voor een groot deel tenminste, die derwerkelijkheid. Van Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij:hoe die isenhoe ze volgens hem moet zijn. ’t Is dus een verbinding van realiteit en fantasie.Johannes moet nu zijn weg door ’t moeilijke leven zoeken. Hij wordt geleid door deLiefde voor de Menschheid, een liefde die altijd in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: „Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend” (deel I blz. 191).Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: „Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen.” Schijnbaar zal die goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De geleider zegt dan ook tot Johannes: „Welnu Johannes, onthoud dan dit, gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.De Geleider Markus Vis.DeGeleideris weer iets in Johannes zelf:zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon, als de scharenslijperMarkus Vis, een figuur die ons telkens aan Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat „met de golvende lokken, de oogen vol eindeloos zachten weemoed”, die onuitsprekelijke deernisopwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat Christus als ’t ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij thans behandeld zou worden.Als eenarmmensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. „Mijn ziel is hoog en mijn hart blij—en omdat ik zoo sterk ben, kan ik buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en met mij het Licht.” Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.Twee hoofdpersonen.Er zijn door deze eigenaardige wijze van voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van Eeden leert ons dus op twee wijzen:1. door de ondervindingen vanJohannes.2. door de daden en woorden vanMarkus.Het leven van Johannes.Johannes gaat thans in ’t „volle menschenleven”: hij „wil een mensch zijn onder de menschen en een goed mensch, die goed doet aan de menschen.” Maar zijn taak is zwaar, niet altijd is het hem mogelijk op ’t rechte spoor te blijven, soms dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen, metkermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en ’s nachts mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. ’t Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.Marjon.Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid en terwille van wie hij zal trachten vol te houden:Marjon, het arme meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de zoekende, droomende Johannes.Tante Séréna.Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui, trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt het hem te machtig en hij is blij dat tanteSérénahem laat halen in ’t mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem geen raad: „Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang”, is ’t eenige wat hij zegt.Hekeling van de schijnvroomheid.Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn ’t volgens de oude meidDaatje„veranderde menschen.”—„Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon.”—Een feest is ’t als domineeKraalboomop ’t avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: „Verandering”.1Ooktegenover Johannes doet hij erg gewichtig,—maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes, zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen.2Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn opvatting van ’t Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken, die ’t koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt daartegenover zijn meening:’t Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.Men moet genieten van ’t schoone in de schepping: Zou de Vader bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan, omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht: hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht bij Marjon.Pan.Eenintermezzoin dit gedeelte ishet uitstapje van Wistik en Johannesnaar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche maatschappij, van den tijd toen de menschenPand.i.de natuur, nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk zooals nu: „We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad,” zegt Wistik, „het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet.” Dan ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken, versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.Vlucht naar Duitschland.JohannesenMarjonbesluiten samen te vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het „Zwarte Wijf”, dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts afschuw inboezemt.Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen, Marjon maakt de melodie en met Keesje, ’t aapje, halen ze ’t geld op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter dan Johannes.Gravin Dolorès en Van Lieverlede.Na eenigen tijd komen ze toevallig in aanraking met de meisjesOlgaenFridaen daardoor met gravinDolorèsenVan Lieverleede, die aanspiritismedoen. Dit gedeelte is—evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès zijn leden van „een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en gemeenschappelijke verbetering van ons karma.” VanLieverleedeheeft in Johannes wat bizonders ontdekt. „Wij Johannes,” zegt Van Lieverleede, „behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige—of laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst.” „Gravin Dolorès is onzezielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en lelie-blanke veluw-puurheid.” Van Lieverleede’s woordkeuze is echt spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van „De Kleine Johannes.” (deel IIblz. 193).In de mijnstreken.Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen:de dood van Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat in deel III blz. 3 gezegd wordt: „Pan is dood, zijn schoon wonderland gaat te gronde”).Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de puinhoopen van ’t oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en Windekind, als de zon schooner is dan de maan.Markus voert hem te midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal, als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige zaak, voelt Johannes het schoone van ’t nieuwe leven. Dan jubelt het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.Afdwaling.Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravinDolorès, met de kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, metVan Lieverleededie hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en die spreekt van „’t kappersluchtje van die kwiebus met z’n kuif.” Zij voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil Johannes niet raden: hij moetzelf een keuze doen. Na veel strijd scheidt Johannes van Marjon.In Engeland.Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij ladyCrimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé’s geeft. Haar man „is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door bloedzuiverende pillen.” ’t Is dus een echte parvenu-omgeving,een kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk, zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral met zijn „Hollandsche Nationaal Hymmen” veel lof inoogst. Met de andere wondermenschen die op zoo’n avond hun krachten moeten vertoonen—professor vanPennewitzen mijnheerRanji-Banji-Sing—is ’t net als met Johannes, alles humbug en bedrog.Veel indruk maakt op hem de dood vanHélène, die boet voor de zonden harer ouders, ’t slachtoffer van degeneratie en die van angst en zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonenBangelingenDegeneratiedrijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98–101 en 163 van ’t derde deel).Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of ’t huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat de gravin liefde voor hem gevoelde.Onder de Spiritisten.Toch blijft hij nog altijd eenige hoop koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin despiritistische séances van de Plejaden te Scheveningenbijwoont, want door de geesten worden „eenstemmig Johannes en gravin Dolorès aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst te verwachten was.” „Johannes moest naast de gravin zitten en haar hand vasthouden,en zoo te zamen de berichten der geesten neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en een zoete beproeving.”Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. ’t Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal, die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, „die zoodanig met zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op ’t geen hij zelven zeide” en de „niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was.”Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot gravinDolorèsgeheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. metVan Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen, dan z’n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer geworden is, vindt hij ook Markus terug.Tegen het Katholicisme.Nog éen gevaar bedreigt Johannes—de Octopus heeft vele armen!—hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door den handigen paterCanisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het vroeger Kraalboom deed.Markus in ’t krankzinnigengesticht.Markus wordt, vooral door toedoen van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen der wetenschap, verpersoonlijkt inBommeldoos, een lesje te geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige geleerde,Dr. Cijfer.’t Rijk van Koning Waan.Een intermezzo is de droom van Johannes, zijn verblijf in ’t rijk vanKoning Waan, in ’t rijk van den Octopus met z’n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen (de slechte menschelijke eigenschappen)Bangeling,Labbekak,Goedzak,Pluizer,Sleur,Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de menschen in ’t rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad; een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet; professor Bommeldoos die bezig is z’n eigen hersens te onderzoeken; de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of economisch gebied o. a. de sociaal-democraatDr. Felbeckdie „trapte en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog”; tal van labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.Beschermd door Kennis en Liefde.Koning Waan wil ook Johannes grijpen maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon.KennisenLiefde beschermen den mensch tegen de vangarmen van Waan.Onder de Socialisten.Markus is verder in ’t laatste deel geheel de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus treedt handelend op. Hij bestraft paterCanisius, spreekt op desocialisten-vergaderingtegenDr. Felbecken denanarchistHakkema, die volgens Markus ’t volk „paaien, vleien en honigsmeren” en er zoodoende „ingebeelde dwazen” van maken. Elk herzie zich zelf. „Hetgoede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd.” De klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën, hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.Tegen ’t koningschap.Als slotde redevoering van Markus tegen ’t koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten, allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan blinkende schijn. „Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende.” Beklagenswaardig zijn de koning en de koningin. „En gij twee arme menschen, bedolven onder den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!—de bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet hebben—moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in vergevend erbarmen.”Dood van Markus.Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld dat hij naar ’t ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan ’t kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest ondervinden. Markus’ lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel ze kunnen missen, maar ’t is niet genoeg. Eindelijk komt de goede tante Séréna maar dan is ’t al te laat, niemand kan meer zeggen welke de deelenvan Markus lichaam zijn. Zoo is z’n leven één liefdedaad, zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.De Maatschappij der toekomst.Van Eeden schildert ons ook nog den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig verricht, maar ’t goede zaad is uitgestrooid en zaleensvruchten voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: „Maar lieve Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om je, noch om je woorden.”„Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde, het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam uit dat nietige zaadje.” „Het vonkje is gevallen en gloeit voort in ’t verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd.”Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes droomt dat hijWindekindterugvindt en deze laat hem zien hoe ’t er op aarde na duizend jaren zal uitzien. ’t Is heel natuurlijk dat juistWindekinden nietWistikJohannes begeleidt: dekenniskan ons iets zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes naar ’t oude Griekenland voerde, maar defantasiealleen kan ons voorgaan in de toekomst.De menschen.De menschen in datland der toekomstzijn geheel anders dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken, maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan: allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van ’t landschap. De mannen hebben volle baarden,de vrouwen hebben hunne vlechten om ’t hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.Eén met de natuur.De natuur is schoon als in den tijd toen men Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte, koel ruischende loovermassa’s vereenigd; kleurige bloemen en rijk bloeiende heesters groeien in ’t wild en tusschen dat alles zijn de blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben ’t middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven door ’t luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. „Het was de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn, en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd, van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur, ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet.”Staatsbestuur.In denpolitieken toestandis verandering gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van den Broeder. „Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,” is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap.Johannes ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem: „Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters, meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen, regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen.”De godsdienst.’t Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren, componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt „heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en eenvoudig—dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring.” Allen voelen zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin, onder Vaders zegen.Het werk van Markus.En dat alles is het werk van éen, „dat heeft uw goede Broeder gedaan,” zegtWindekindtotJohannes. Het zaadje is ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van dat nietige zaad. Eens zal Markus’ geest op aarde zegevieren.1Men vergelijkeb.v.de volgende regels uit dat gedicht:„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”en ook:„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”↑2Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis vanTante Suzanna Hofland, de schijnvromeCornelia Slimpslamp, broederBenjaminenOude BrechtuitSaartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aanWoutertje PietersevanMultatuliop ’t avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.↑

De Kleine Johannes.Eerste deel.Doel.In „De Kleine Johannes” schetst Van Eeden ons symbolisch de ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik werpen in ’t zieleleven van een mensch.Eigenschappen van Johannes.Johannes is eenjongetjemet eenlevendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat zegt ons z’n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend voor zijnvriendelijkheid danken. Groot iszijnliefde voor de natuuren zijnschoonheidsgevoelis sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral van zijn vader, „een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam op lange tochten door wouden en duinen.” In den grooten tuin vond Johannes het heerlijk, vooral achterin bij „den vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind.” Daar was Johannes’ paradijs, waar hij uren lag te staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleinedroomer, iemand met een trek naar ’t geheimzinnige. Hij verwacht dan ook dat er eens een wonder zal komen en als hij ’s avonds bad, was ’t slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.’t Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de lichtgrot. „Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!”Windekind.Daar verschijnt hemWindekind, een licht, rank wezentje, met glazen haftvleugels. Windekind is defantasie, hier voorgesteld als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid ietsinhem, een eigenschap van Johannes zelf. ’t Is de geheimzinnige dichterlijke kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele aanwijzingen. Windekind is immers geboren „uit de eerste stralen der maan en de laatste der zon,” hij is een kind der schemering;detijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als „het schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen op de bladen van het bosch” en Johannes heeft dan ook „een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.”Invloed van Windekind.Door zijn levendige fantasie ziet Johannes nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt bezield. Hij leeft mee met de dieren enplanten, als de krekels ’s avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt, omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op ’t zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt omdat de kabouters als ze ’s nachts geschreven hebben, des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.Dit alles fantaseert Johannes in z’n droomstemming. Hij kan dat eerstnadat Windekind hem op ’t voorhoofd heeft gekust, dan is het „alsof alles om hem heen verandert.” Later zegt Windekind het nog eens duidelijk: „Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en den blik der bloemen doen verstaan.”Satirieke gedeelten.Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal vansatirieke opmerkingengemaakt worden.Oberonb.v.de elfenkoning, is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst, onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering en bij ’t dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. „Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak.”In de geschiedenis van deVredemierenen deStrijdmieren, die elkander vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: „O, gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!”Op ’tzendingsfeestwordt gesproken over „Gods heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn,van de lieve vogelen en bloemen” en ondertusschen worden „heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, de teere geurenderkamperfoelie-struikendoor nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan ’t loopen gaan.” Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen achter. „Zulke menschen”, zegt Windekind, „zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen.”In denparabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de „ernstige roeping” in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar die rond wil vliegen en snakt naar ’t licht, schildert Van Eeden ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, „die zijn teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden” en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar, die later „eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust.”Dan nogde dikke aaldiekoningwas in den vijver, „die altijd in den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was,—men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig.”Invloed van Wistik.Voor Johannes begint een tweede periode van ’t leven: in hem ontwaaktde dorst naar kennis, hij wil het waarom der dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes hoofd: „Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?”Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aanWistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes, maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt niet zelf, maarhaalt z’n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar hij rusteloos zoekt, „want dat ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen,—daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen.” Dat boekje tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik, een soort tooverspreuk:Het geluksboek.„Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.”Wistik bedoelt:Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.„Elfen hebben den gouden sleutel”; behalve ’t werken onder de menschen is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in Oberon en Windekind.„Elfenvijand vindt het niet.” Al heeft iemand nog zooveel kennis, hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en van Oberon heeft hij ’t gouden sleuteltje dan ook al gekregen.„Menschenvriend slechts opent het.” Als men ’t kistje en ’t sleuteltje heeft, kan men ’t nog niet openen. Dat kan echter alleen een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt met de lijdenden.„Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.” De lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en ’t roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende liefde. (Ook in ’t derde deel is een groote vlam boven op den tempel ’t zinnebeeld der liefde).Robinetta.Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat Johannes ’t vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de menschen. Hij komt bij tweegoede oude menschen, een tuinman en z’n vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld moet voorlezen, maar dat is ’t menschenboek en niet ’t geluksboekje, ’t welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een mooien lentedag ziet hij een meisje,Robinetta, die hem in gedaante, in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet hij Windekind voor Robinetta, „de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.” Schijnbaar is Johannes op den goeden weg: ’t is Lente en ’t roodborstje dat hem den weg moet wijzen is bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is tevreden, genietend van z’n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet met rust en hij vraagt werkelijk ’t roodborstje of ’t den weg weet naar ’t gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl ’t schuins naar Robinetta gluurt: „Hier niet, hier niet!” De liefde voor Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet deelachtig worden. Later, in ’t tweede en derde deel, zegt Van Eeden ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering: Johannes bedoelt niet het „boek der boeken”, hij is zelfs zoo dwaas iets te zeggen van ’t geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.Pluizer.Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd, Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In dezen toestand konPluizergemakkelijk den baas over hem spelen en hem, althans voorloopig, in z’n macht houden. Pluizer is weer iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld: ’t is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de materialistische levensbeschouwing, die al ’t dichterlijke in den mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus ’t type van denmaterialisten hij stelt zich dan ookten doel alle idealen van Johannes te vernietigen, z’n fantasie te dooden. In de bloedroode wolken „is het mistig, grijs en koud”; Windekind bestaat niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen, ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke: hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en zelfs voerthijhem in ’t kerkhof om Johannes te laten zien wat er eens van de menschen zal worden.Dr. Cijfer.Door Pluizer komt Johannes in aanraking metDr. Cijfer, het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat, en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat éene groote:—de wetenschap. Hier is ’t: alles of niets.Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar Johannes niet. „Alles viel uiteen tot cijfers—bladen vol cijfers. Dat vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen,—doch voor Johannes was dat duisternis.”Zoo is deze periode in Johannes’ leven een tijd van doodende duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft de hand slaan aan ’t lijk van Johannes’ vader—een vader is immers een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.Johannes vrij.Hij ziet DeDoodaan ’t sterfbed, met z’n zachte ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij weigert. „Zal Pluizer weerkomen?” fluistert Johannes. „Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem niet weer.” Wie eens met het materialisme heeft gebroken, heeft aan z’n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den mensch. „Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn,” zegt de Dood.Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door den dood alleen kan hij ’t boekje vinden.Nieuw ideaal.Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de golven aanschrijden:de Liefde voor de Menschheid.Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte kennis en gelukalleen voor zich—aan de lijdende menschen heeft hij niet gedacht. Maar nu is z’n levensdoel hem duidelijk geworden: hij zal leven voor de verdrukten. „Met zijn ernstigen geleider gaat hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid is en haar weedom.”Tweede en Derde Deel.Het nieuwe leven.Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste boek en de twee laatste: het eerste ’t boek derfantasie, de beide andere, voor een groot deel tenminste, die derwerkelijkheid. Van Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij:hoe die isenhoe ze volgens hem moet zijn. ’t Is dus een verbinding van realiteit en fantasie.Johannes moet nu zijn weg door ’t moeilijke leven zoeken. Hij wordt geleid door deLiefde voor de Menschheid, een liefde die altijd in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: „Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend” (deel I blz. 191).Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: „Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen.” Schijnbaar zal die goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De geleider zegt dan ook tot Johannes: „Welnu Johannes, onthoud dan dit, gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.De Geleider Markus Vis.DeGeleideris weer iets in Johannes zelf:zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon, als de scharenslijperMarkus Vis, een figuur die ons telkens aan Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat „met de golvende lokken, de oogen vol eindeloos zachten weemoed”, die onuitsprekelijke deernisopwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat Christus als ’t ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij thans behandeld zou worden.Als eenarmmensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. „Mijn ziel is hoog en mijn hart blij—en omdat ik zoo sterk ben, kan ik buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en met mij het Licht.” Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.Twee hoofdpersonen.Er zijn door deze eigenaardige wijze van voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van Eeden leert ons dus op twee wijzen:1. door de ondervindingen vanJohannes.2. door de daden en woorden vanMarkus.Het leven van Johannes.Johannes gaat thans in ’t „volle menschenleven”: hij „wil een mensch zijn onder de menschen en een goed mensch, die goed doet aan de menschen.” Maar zijn taak is zwaar, niet altijd is het hem mogelijk op ’t rechte spoor te blijven, soms dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen, metkermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en ’s nachts mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. ’t Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.Marjon.Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid en terwille van wie hij zal trachten vol te houden:Marjon, het arme meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de zoekende, droomende Johannes.Tante Séréna.Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui, trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt het hem te machtig en hij is blij dat tanteSérénahem laat halen in ’t mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem geen raad: „Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang”, is ’t eenige wat hij zegt.Hekeling van de schijnvroomheid.Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn ’t volgens de oude meidDaatje„veranderde menschen.”—„Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon.”—Een feest is ’t als domineeKraalboomop ’t avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: „Verandering”.1Ooktegenover Johannes doet hij erg gewichtig,—maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes, zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen.2Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn opvatting van ’t Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken, die ’t koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt daartegenover zijn meening:’t Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.Men moet genieten van ’t schoone in de schepping: Zou de Vader bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan, omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht: hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht bij Marjon.Pan.Eenintermezzoin dit gedeelte ishet uitstapje van Wistik en Johannesnaar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche maatschappij, van den tijd toen de menschenPand.i.de natuur, nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk zooals nu: „We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad,” zegt Wistik, „het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet.” Dan ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken, versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.Vlucht naar Duitschland.JohannesenMarjonbesluiten samen te vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het „Zwarte Wijf”, dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts afschuw inboezemt.Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen, Marjon maakt de melodie en met Keesje, ’t aapje, halen ze ’t geld op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter dan Johannes.Gravin Dolorès en Van Lieverlede.Na eenigen tijd komen ze toevallig in aanraking met de meisjesOlgaenFridaen daardoor met gravinDolorèsenVan Lieverleede, die aanspiritismedoen. Dit gedeelte is—evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès zijn leden van „een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en gemeenschappelijke verbetering van ons karma.” VanLieverleedeheeft in Johannes wat bizonders ontdekt. „Wij Johannes,” zegt Van Lieverleede, „behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige—of laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst.” „Gravin Dolorès is onzezielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en lelie-blanke veluw-puurheid.” Van Lieverleede’s woordkeuze is echt spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van „De Kleine Johannes.” (deel IIblz. 193).In de mijnstreken.Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen:de dood van Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat in deel III blz. 3 gezegd wordt: „Pan is dood, zijn schoon wonderland gaat te gronde”).Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de puinhoopen van ’t oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en Windekind, als de zon schooner is dan de maan.Markus voert hem te midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal, als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige zaak, voelt Johannes het schoone van ’t nieuwe leven. Dan jubelt het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.Afdwaling.Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravinDolorès, met de kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, metVan Lieverleededie hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en die spreekt van „’t kappersluchtje van die kwiebus met z’n kuif.” Zij voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil Johannes niet raden: hij moetzelf een keuze doen. Na veel strijd scheidt Johannes van Marjon.In Engeland.Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij ladyCrimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé’s geeft. Haar man „is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door bloedzuiverende pillen.” ’t Is dus een echte parvenu-omgeving,een kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk, zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral met zijn „Hollandsche Nationaal Hymmen” veel lof inoogst. Met de andere wondermenschen die op zoo’n avond hun krachten moeten vertoonen—professor vanPennewitzen mijnheerRanji-Banji-Sing—is ’t net als met Johannes, alles humbug en bedrog.Veel indruk maakt op hem de dood vanHélène, die boet voor de zonden harer ouders, ’t slachtoffer van degeneratie en die van angst en zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonenBangelingenDegeneratiedrijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98–101 en 163 van ’t derde deel).Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of ’t huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat de gravin liefde voor hem gevoelde.Onder de Spiritisten.Toch blijft hij nog altijd eenige hoop koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin despiritistische séances van de Plejaden te Scheveningenbijwoont, want door de geesten worden „eenstemmig Johannes en gravin Dolorès aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst te verwachten was.” „Johannes moest naast de gravin zitten en haar hand vasthouden,en zoo te zamen de berichten der geesten neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en een zoete beproeving.”Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. ’t Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal, die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, „die zoodanig met zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op ’t geen hij zelven zeide” en de „niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was.”Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot gravinDolorèsgeheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. metVan Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen, dan z’n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer geworden is, vindt hij ook Markus terug.Tegen het Katholicisme.Nog éen gevaar bedreigt Johannes—de Octopus heeft vele armen!—hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door den handigen paterCanisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het vroeger Kraalboom deed.Markus in ’t krankzinnigengesticht.Markus wordt, vooral door toedoen van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen der wetenschap, verpersoonlijkt inBommeldoos, een lesje te geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige geleerde,Dr. Cijfer.’t Rijk van Koning Waan.Een intermezzo is de droom van Johannes, zijn verblijf in ’t rijk vanKoning Waan, in ’t rijk van den Octopus met z’n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen (de slechte menschelijke eigenschappen)Bangeling,Labbekak,Goedzak,Pluizer,Sleur,Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de menschen in ’t rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad; een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet; professor Bommeldoos die bezig is z’n eigen hersens te onderzoeken; de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of economisch gebied o. a. de sociaal-democraatDr. Felbeckdie „trapte en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog”; tal van labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.Beschermd door Kennis en Liefde.Koning Waan wil ook Johannes grijpen maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon.KennisenLiefde beschermen den mensch tegen de vangarmen van Waan.Onder de Socialisten.Markus is verder in ’t laatste deel geheel de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus treedt handelend op. Hij bestraft paterCanisius, spreekt op desocialisten-vergaderingtegenDr. Felbecken denanarchistHakkema, die volgens Markus ’t volk „paaien, vleien en honigsmeren” en er zoodoende „ingebeelde dwazen” van maken. Elk herzie zich zelf. „Hetgoede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd.” De klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën, hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.Tegen ’t koningschap.Als slotde redevoering van Markus tegen ’t koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten, allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan blinkende schijn. „Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende.” Beklagenswaardig zijn de koning en de koningin. „En gij twee arme menschen, bedolven onder den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!—de bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet hebben—moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in vergevend erbarmen.”Dood van Markus.Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld dat hij naar ’t ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan ’t kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest ondervinden. Markus’ lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel ze kunnen missen, maar ’t is niet genoeg. Eindelijk komt de goede tante Séréna maar dan is ’t al te laat, niemand kan meer zeggen welke de deelenvan Markus lichaam zijn. Zoo is z’n leven één liefdedaad, zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.De Maatschappij der toekomst.Van Eeden schildert ons ook nog den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig verricht, maar ’t goede zaad is uitgestrooid en zaleensvruchten voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: „Maar lieve Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om je, noch om je woorden.”„Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde, het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam uit dat nietige zaadje.” „Het vonkje is gevallen en gloeit voort in ’t verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd.”Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes droomt dat hijWindekindterugvindt en deze laat hem zien hoe ’t er op aarde na duizend jaren zal uitzien. ’t Is heel natuurlijk dat juistWindekinden nietWistikJohannes begeleidt: dekenniskan ons iets zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes naar ’t oude Griekenland voerde, maar defantasiealleen kan ons voorgaan in de toekomst.De menschen.De menschen in datland der toekomstzijn geheel anders dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken, maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan: allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van ’t landschap. De mannen hebben volle baarden,de vrouwen hebben hunne vlechten om ’t hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.Eén met de natuur.De natuur is schoon als in den tijd toen men Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte, koel ruischende loovermassa’s vereenigd; kleurige bloemen en rijk bloeiende heesters groeien in ’t wild en tusschen dat alles zijn de blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben ’t middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven door ’t luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. „Het was de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn, en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd, van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur, ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet.”Staatsbestuur.In denpolitieken toestandis verandering gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van den Broeder. „Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,” is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap.Johannes ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem: „Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters, meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen, regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen.”De godsdienst.’t Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren, componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt „heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en eenvoudig—dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring.” Allen voelen zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin, onder Vaders zegen.Het werk van Markus.En dat alles is het werk van éen, „dat heeft uw goede Broeder gedaan,” zegtWindekindtotJohannes. Het zaadje is ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van dat nietige zaad. Eens zal Markus’ geest op aarde zegevieren.1Men vergelijkeb.v.de volgende regels uit dat gedicht:„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”en ook:„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”↑2Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis vanTante Suzanna Hofland, de schijnvromeCornelia Slimpslamp, broederBenjaminenOude BrechtuitSaartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aanWoutertje PietersevanMultatuliop ’t avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.↑

De Kleine Johannes.

Eerste deel.Doel.In „De Kleine Johannes” schetst Van Eeden ons symbolisch de ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik werpen in ’t zieleleven van een mensch.Eigenschappen van Johannes.Johannes is eenjongetjemet eenlevendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat zegt ons z’n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend voor zijnvriendelijkheid danken. Groot iszijnliefde voor de natuuren zijnschoonheidsgevoelis sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral van zijn vader, „een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam op lange tochten door wouden en duinen.” In den grooten tuin vond Johannes het heerlijk, vooral achterin bij „den vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind.” Daar was Johannes’ paradijs, waar hij uren lag te staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleinedroomer, iemand met een trek naar ’t geheimzinnige. Hij verwacht dan ook dat er eens een wonder zal komen en als hij ’s avonds bad, was ’t slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.’t Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de lichtgrot. „Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!”Windekind.Daar verschijnt hemWindekind, een licht, rank wezentje, met glazen haftvleugels. Windekind is defantasie, hier voorgesteld als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid ietsinhem, een eigenschap van Johannes zelf. ’t Is de geheimzinnige dichterlijke kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele aanwijzingen. Windekind is immers geboren „uit de eerste stralen der maan en de laatste der zon,” hij is een kind der schemering;detijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als „het schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen op de bladen van het bosch” en Johannes heeft dan ook „een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.”Invloed van Windekind.Door zijn levendige fantasie ziet Johannes nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt bezield. Hij leeft mee met de dieren enplanten, als de krekels ’s avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt, omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op ’t zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt omdat de kabouters als ze ’s nachts geschreven hebben, des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.Dit alles fantaseert Johannes in z’n droomstemming. Hij kan dat eerstnadat Windekind hem op ’t voorhoofd heeft gekust, dan is het „alsof alles om hem heen verandert.” Later zegt Windekind het nog eens duidelijk: „Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en den blik der bloemen doen verstaan.”Satirieke gedeelten.Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal vansatirieke opmerkingengemaakt worden.Oberonb.v.de elfenkoning, is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst, onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering en bij ’t dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. „Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak.”In de geschiedenis van deVredemierenen deStrijdmieren, die elkander vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: „O, gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!”Op ’tzendingsfeestwordt gesproken over „Gods heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn,van de lieve vogelen en bloemen” en ondertusschen worden „heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, de teere geurenderkamperfoelie-struikendoor nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan ’t loopen gaan.” Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen achter. „Zulke menschen”, zegt Windekind, „zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen.”In denparabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de „ernstige roeping” in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar die rond wil vliegen en snakt naar ’t licht, schildert Van Eeden ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, „die zijn teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden” en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar, die later „eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust.”Dan nogde dikke aaldiekoningwas in den vijver, „die altijd in den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was,—men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig.”Invloed van Wistik.Voor Johannes begint een tweede periode van ’t leven: in hem ontwaaktde dorst naar kennis, hij wil het waarom der dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes hoofd: „Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?”Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aanWistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes, maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt niet zelf, maarhaalt z’n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar hij rusteloos zoekt, „want dat ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen,—daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen.” Dat boekje tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik, een soort tooverspreuk:Het geluksboek.„Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.”Wistik bedoelt:Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.„Elfen hebben den gouden sleutel”; behalve ’t werken onder de menschen is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in Oberon en Windekind.„Elfenvijand vindt het niet.” Al heeft iemand nog zooveel kennis, hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en van Oberon heeft hij ’t gouden sleuteltje dan ook al gekregen.„Menschenvriend slechts opent het.” Als men ’t kistje en ’t sleuteltje heeft, kan men ’t nog niet openen. Dat kan echter alleen een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt met de lijdenden.„Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.” De lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en ’t roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende liefde. (Ook in ’t derde deel is een groote vlam boven op den tempel ’t zinnebeeld der liefde).Robinetta.Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat Johannes ’t vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de menschen. Hij komt bij tweegoede oude menschen, een tuinman en z’n vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld moet voorlezen, maar dat is ’t menschenboek en niet ’t geluksboekje, ’t welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een mooien lentedag ziet hij een meisje,Robinetta, die hem in gedaante, in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet hij Windekind voor Robinetta, „de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.” Schijnbaar is Johannes op den goeden weg: ’t is Lente en ’t roodborstje dat hem den weg moet wijzen is bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is tevreden, genietend van z’n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet met rust en hij vraagt werkelijk ’t roodborstje of ’t den weg weet naar ’t gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl ’t schuins naar Robinetta gluurt: „Hier niet, hier niet!” De liefde voor Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet deelachtig worden. Later, in ’t tweede en derde deel, zegt Van Eeden ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering: Johannes bedoelt niet het „boek der boeken”, hij is zelfs zoo dwaas iets te zeggen van ’t geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.Pluizer.Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd, Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In dezen toestand konPluizergemakkelijk den baas over hem spelen en hem, althans voorloopig, in z’n macht houden. Pluizer is weer iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld: ’t is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de materialistische levensbeschouwing, die al ’t dichterlijke in den mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus ’t type van denmaterialisten hij stelt zich dan ookten doel alle idealen van Johannes te vernietigen, z’n fantasie te dooden. In de bloedroode wolken „is het mistig, grijs en koud”; Windekind bestaat niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen, ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke: hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en zelfs voerthijhem in ’t kerkhof om Johannes te laten zien wat er eens van de menschen zal worden.Dr. Cijfer.Door Pluizer komt Johannes in aanraking metDr. Cijfer, het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat, en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat éene groote:—de wetenschap. Hier is ’t: alles of niets.Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar Johannes niet. „Alles viel uiteen tot cijfers—bladen vol cijfers. Dat vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen,—doch voor Johannes was dat duisternis.”Zoo is deze periode in Johannes’ leven een tijd van doodende duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft de hand slaan aan ’t lijk van Johannes’ vader—een vader is immers een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.Johannes vrij.Hij ziet DeDoodaan ’t sterfbed, met z’n zachte ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij weigert. „Zal Pluizer weerkomen?” fluistert Johannes. „Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem niet weer.” Wie eens met het materialisme heeft gebroken, heeft aan z’n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den mensch. „Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn,” zegt de Dood.Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door den dood alleen kan hij ’t boekje vinden.Nieuw ideaal.Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de golven aanschrijden:de Liefde voor de Menschheid.Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte kennis en gelukalleen voor zich—aan de lijdende menschen heeft hij niet gedacht. Maar nu is z’n levensdoel hem duidelijk geworden: hij zal leven voor de verdrukten. „Met zijn ernstigen geleider gaat hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid is en haar weedom.”Tweede en Derde Deel.Het nieuwe leven.Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste boek en de twee laatste: het eerste ’t boek derfantasie, de beide andere, voor een groot deel tenminste, die derwerkelijkheid. Van Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij:hoe die isenhoe ze volgens hem moet zijn. ’t Is dus een verbinding van realiteit en fantasie.Johannes moet nu zijn weg door ’t moeilijke leven zoeken. Hij wordt geleid door deLiefde voor de Menschheid, een liefde die altijd in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: „Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend” (deel I blz. 191).Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: „Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen.” Schijnbaar zal die goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De geleider zegt dan ook tot Johannes: „Welnu Johannes, onthoud dan dit, gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.De Geleider Markus Vis.DeGeleideris weer iets in Johannes zelf:zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon, als de scharenslijperMarkus Vis, een figuur die ons telkens aan Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat „met de golvende lokken, de oogen vol eindeloos zachten weemoed”, die onuitsprekelijke deernisopwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat Christus als ’t ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij thans behandeld zou worden.Als eenarmmensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. „Mijn ziel is hoog en mijn hart blij—en omdat ik zoo sterk ben, kan ik buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en met mij het Licht.” Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.Twee hoofdpersonen.Er zijn door deze eigenaardige wijze van voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van Eeden leert ons dus op twee wijzen:1. door de ondervindingen vanJohannes.2. door de daden en woorden vanMarkus.Het leven van Johannes.Johannes gaat thans in ’t „volle menschenleven”: hij „wil een mensch zijn onder de menschen en een goed mensch, die goed doet aan de menschen.” Maar zijn taak is zwaar, niet altijd is het hem mogelijk op ’t rechte spoor te blijven, soms dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen, metkermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en ’s nachts mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. ’t Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.Marjon.Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid en terwille van wie hij zal trachten vol te houden:Marjon, het arme meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de zoekende, droomende Johannes.Tante Séréna.Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui, trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt het hem te machtig en hij is blij dat tanteSérénahem laat halen in ’t mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem geen raad: „Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang”, is ’t eenige wat hij zegt.Hekeling van de schijnvroomheid.Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn ’t volgens de oude meidDaatje„veranderde menschen.”—„Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon.”—Een feest is ’t als domineeKraalboomop ’t avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: „Verandering”.1Ooktegenover Johannes doet hij erg gewichtig,—maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes, zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen.2Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn opvatting van ’t Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken, die ’t koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt daartegenover zijn meening:’t Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.Men moet genieten van ’t schoone in de schepping: Zou de Vader bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan, omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht: hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht bij Marjon.Pan.Eenintermezzoin dit gedeelte ishet uitstapje van Wistik en Johannesnaar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche maatschappij, van den tijd toen de menschenPand.i.de natuur, nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk zooals nu: „We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad,” zegt Wistik, „het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet.” Dan ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken, versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.Vlucht naar Duitschland.JohannesenMarjonbesluiten samen te vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het „Zwarte Wijf”, dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts afschuw inboezemt.Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen, Marjon maakt de melodie en met Keesje, ’t aapje, halen ze ’t geld op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter dan Johannes.Gravin Dolorès en Van Lieverlede.Na eenigen tijd komen ze toevallig in aanraking met de meisjesOlgaenFridaen daardoor met gravinDolorèsenVan Lieverleede, die aanspiritismedoen. Dit gedeelte is—evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès zijn leden van „een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en gemeenschappelijke verbetering van ons karma.” VanLieverleedeheeft in Johannes wat bizonders ontdekt. „Wij Johannes,” zegt Van Lieverleede, „behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige—of laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst.” „Gravin Dolorès is onzezielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en lelie-blanke veluw-puurheid.” Van Lieverleede’s woordkeuze is echt spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van „De Kleine Johannes.” (deel IIblz. 193).In de mijnstreken.Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen:de dood van Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat in deel III blz. 3 gezegd wordt: „Pan is dood, zijn schoon wonderland gaat te gronde”).Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de puinhoopen van ’t oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en Windekind, als de zon schooner is dan de maan.Markus voert hem te midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal, als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige zaak, voelt Johannes het schoone van ’t nieuwe leven. Dan jubelt het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.Afdwaling.Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravinDolorès, met de kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, metVan Lieverleededie hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en die spreekt van „’t kappersluchtje van die kwiebus met z’n kuif.” Zij voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil Johannes niet raden: hij moetzelf een keuze doen. Na veel strijd scheidt Johannes van Marjon.In Engeland.Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij ladyCrimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé’s geeft. Haar man „is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door bloedzuiverende pillen.” ’t Is dus een echte parvenu-omgeving,een kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk, zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral met zijn „Hollandsche Nationaal Hymmen” veel lof inoogst. Met de andere wondermenschen die op zoo’n avond hun krachten moeten vertoonen—professor vanPennewitzen mijnheerRanji-Banji-Sing—is ’t net als met Johannes, alles humbug en bedrog.Veel indruk maakt op hem de dood vanHélène, die boet voor de zonden harer ouders, ’t slachtoffer van degeneratie en die van angst en zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonenBangelingenDegeneratiedrijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98–101 en 163 van ’t derde deel).Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of ’t huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat de gravin liefde voor hem gevoelde.Onder de Spiritisten.Toch blijft hij nog altijd eenige hoop koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin despiritistische séances van de Plejaden te Scheveningenbijwoont, want door de geesten worden „eenstemmig Johannes en gravin Dolorès aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst te verwachten was.” „Johannes moest naast de gravin zitten en haar hand vasthouden,en zoo te zamen de berichten der geesten neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en een zoete beproeving.”Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. ’t Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal, die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, „die zoodanig met zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op ’t geen hij zelven zeide” en de „niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was.”Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot gravinDolorèsgeheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. metVan Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen, dan z’n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer geworden is, vindt hij ook Markus terug.Tegen het Katholicisme.Nog éen gevaar bedreigt Johannes—de Octopus heeft vele armen!—hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door den handigen paterCanisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het vroeger Kraalboom deed.Markus in ’t krankzinnigengesticht.Markus wordt, vooral door toedoen van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen der wetenschap, verpersoonlijkt inBommeldoos, een lesje te geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige geleerde,Dr. Cijfer.’t Rijk van Koning Waan.Een intermezzo is de droom van Johannes, zijn verblijf in ’t rijk vanKoning Waan, in ’t rijk van den Octopus met z’n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen (de slechte menschelijke eigenschappen)Bangeling,Labbekak,Goedzak,Pluizer,Sleur,Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de menschen in ’t rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad; een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet; professor Bommeldoos die bezig is z’n eigen hersens te onderzoeken; de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of economisch gebied o. a. de sociaal-democraatDr. Felbeckdie „trapte en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog”; tal van labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.Beschermd door Kennis en Liefde.Koning Waan wil ook Johannes grijpen maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon.KennisenLiefde beschermen den mensch tegen de vangarmen van Waan.Onder de Socialisten.Markus is verder in ’t laatste deel geheel de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus treedt handelend op. Hij bestraft paterCanisius, spreekt op desocialisten-vergaderingtegenDr. Felbecken denanarchistHakkema, die volgens Markus ’t volk „paaien, vleien en honigsmeren” en er zoodoende „ingebeelde dwazen” van maken. Elk herzie zich zelf. „Hetgoede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd.” De klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën, hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.Tegen ’t koningschap.Als slotde redevoering van Markus tegen ’t koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten, allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan blinkende schijn. „Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende.” Beklagenswaardig zijn de koning en de koningin. „En gij twee arme menschen, bedolven onder den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!—de bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet hebben—moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in vergevend erbarmen.”Dood van Markus.Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld dat hij naar ’t ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan ’t kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest ondervinden. Markus’ lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel ze kunnen missen, maar ’t is niet genoeg. Eindelijk komt de goede tante Séréna maar dan is ’t al te laat, niemand kan meer zeggen welke de deelenvan Markus lichaam zijn. Zoo is z’n leven één liefdedaad, zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.De Maatschappij der toekomst.Van Eeden schildert ons ook nog den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig verricht, maar ’t goede zaad is uitgestrooid en zaleensvruchten voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: „Maar lieve Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om je, noch om je woorden.”„Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde, het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam uit dat nietige zaadje.” „Het vonkje is gevallen en gloeit voort in ’t verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd.”Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes droomt dat hijWindekindterugvindt en deze laat hem zien hoe ’t er op aarde na duizend jaren zal uitzien. ’t Is heel natuurlijk dat juistWindekinden nietWistikJohannes begeleidt: dekenniskan ons iets zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes naar ’t oude Griekenland voerde, maar defantasiealleen kan ons voorgaan in de toekomst.De menschen.De menschen in datland der toekomstzijn geheel anders dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken, maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan: allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van ’t landschap. De mannen hebben volle baarden,de vrouwen hebben hunne vlechten om ’t hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.Eén met de natuur.De natuur is schoon als in den tijd toen men Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte, koel ruischende loovermassa’s vereenigd; kleurige bloemen en rijk bloeiende heesters groeien in ’t wild en tusschen dat alles zijn de blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben ’t middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven door ’t luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. „Het was de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn, en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd, van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur, ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet.”Staatsbestuur.In denpolitieken toestandis verandering gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van den Broeder. „Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,” is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap.Johannes ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem: „Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters, meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen, regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen.”De godsdienst.’t Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren, componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt „heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en eenvoudig—dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring.” Allen voelen zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin, onder Vaders zegen.Het werk van Markus.En dat alles is het werk van éen, „dat heeft uw goede Broeder gedaan,” zegtWindekindtotJohannes. Het zaadje is ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van dat nietige zaad. Eens zal Markus’ geest op aarde zegevieren.

Eerste deel.

Doel.In „De Kleine Johannes” schetst Van Eeden ons symbolisch de ontwikkeling van een knaap tot jongeling, en laat ons dus een blik werpen in ’t zieleleven van een mensch.

Eigenschappen van Johannes.Johannes is eenjongetjemet eenlevendige fantasie, dieren beschouwt hij haast als zijns gelijken, dat zegt ons z’n behandeling van Presto en Simon; levenlooze voorwerpen denkt hij zich als bezielde wezens, hij praat met het behangsel en met de hangklok; zijn hand streelt de oude boomen, die hem ruischend voor zijnvriendelijkheid danken. Groot iszijnliefde voor de natuuren zijnschoonheidsgevoelis sterk ontwikkeld. Dat heeft hij vooral van zijn vader, „een wijs ernstig man die hem dikwijls medenam op lange tochten door wouden en duinen.” In den grooten tuin vond Johannes het heerlijk, vooral achterin bij „den vijver, waar witte waterleliën dreven en het riet lange fluisterende gesprekken hield met den wind.” Daar was Johannes’ paradijs, waar hij uren lag te staren zonder zich ooit te vervelen. Als zich bij zonsondergang een schitterende wolkengrot vormde, verlangde Johannes daarheen te vliegen om te kunnen zien, wat daarachter zou zijn. Hij is dus een kleinedroomer, iemand met een trek naar ’t geheimzinnige. Hij verwacht dan ook dat er eens een wonder zal komen en als hij ’s avonds bad, was ’t slot meestal de wensch dat er toch eens een wonder mocht gebeuren.

’t Wonder kòmt. Op een prachtigen zomeravond drijft Johannes in een bootje op den vijver, weer ziet hij de ontzaglijke poort waarachter de zon ter ruste zou gaan, weer staart Johannes in de diepte van de lichtgrot. „Vleugels! dacht hij, nu vleugels! en daarheen!”

Windekind.Daar verschijnt hemWindekind, een licht, rank wezentje, met glazen haftvleugels. Windekind is defantasie, hier voorgesteld als een wezen buiten Johannes, maar in werkelijkheid ietsinhem, een eigenschap van Johannes zelf. ’t Is de geheimzinnige dichterlijke kracht die in elk mensch aanwezig is en zooals we boven zagen, in dit jongetje heel sterk is ontwikkeld. Van Eeden zelf geeft enkele aanwijzingen. Windekind is immers geboren „uit de eerste stralen der maan en de laatste der zon,” hij is een kind der schemering;detijd om te fantaseeren en te droomen. Zijn stem klinkt als „het schuifelen van het riet in den avondwind of het ruischen van den regen op de bladen van het bosch” en Johannes heeft dan ook „een gevoel, alsof hij het vreemde, blauwe wezen al lang kende.”

Invloed van Windekind.Door zijn levendige fantasie ziet Johannes nu alles rondom zich anders en beter dan vroeger; alles wordt bezield. Hij leeft mee met de dieren enplanten, als de krekels ’s avonds sjirpen, komt dat omdat er een krekelschool gehouden wordt en de jonge krekeltjes hun lessen leeren; hij kan zich voorstellen dat in een konijnenhol een liefdadigheidsfeest gevierd wordt, omdat de menschen zooveel dieren gedood hebben en het er met de nagelaten betrekkingen slecht uitziet; de sterren zijn niet anders dan gestorven en verheerlijkte glimwormen; de dieren en planten die op ’t zendingsfeest door de menschen bedreigd worden vereenigen zich om ze te verdrijven; de bladeren van den eschdoorn zijn zwart gevlekt omdat de kabouters als ze ’s nachts geschreven hebben, des morgens de rest van hun inktpotjes over die bladeren uitgooien.

Dit alles fantaseert Johannes in z’n droomstemming. Hij kan dat eerstnadat Windekind hem op ’t voorhoofd heeft gekust, dan is het „alsof alles om hem heen verandert.” Later zegt Windekind het nog eens duidelijk: „Ik heb u de taal van vlinders en vogels geleerd en den blik der bloemen doen verstaan.”

Satirieke gedeelten.Terloops wijzen we er op dat in dit gedeelte tal vansatirieke opmerkingengemaakt worden.Oberonb.v.de elfenkoning, is als een échte koning heel voorzichtig; hij is allerminzaamst, onderhoudt zich vriendelijk met verschillende gasten, roemt het maanlicht in de duinen, kijkt met genoegen naar de wandversiering en bij ’t dansen gluren allen angstig naar den koning om een teeken van goedkeuring op zijn gelaat te zien. „Maar de koning was bang om ontevredenen te maken en keek zeer strak.”

In de geschiedenis van deVredemierenen deStrijdmieren, die elkander vermoorden en heele kolonies uitroeien, omdat allen beweren den echten kop van den eersten heiligen Vredemier te hebben, worden de godsdienstoorlogen gehekeld. Johannes vindt het een bloeddorstig en dom gezelschap, maar Windekind lacht en zegt: „O, gij moet hen niet dom noemen. De menschen gaan naar de mieren om wijs te worden!”

Op ’tzendingsfeestwordt gesproken over „Gods heerlijke natuur en de wonderen der schepping, van Gods zonneschijn,van de lieve vogelen en bloemen” en ondertusschen worden „heesters uiteengedrongen, bloemen neergetrapt, de teere geurenderkamperfoelie-struikendoor nijdigen sigarenrook verdreven en de vroolijke meezenzwerm door harde stemmen verjaagd, terwijl de nieuwsgierige konijntjes, die van den duinrand gekomen waren om eens te kijken, verschrikt aan ’t loopen gaan.” Na afloop blijven een menigte papieren, ledige flesschen en sinaasappelschillen achter. „Zulke menschen”, zegt Windekind, „zijn geheel vervreemd van de natuur en haar medeschepselen.”

In denparabel van den meikever, die niet zooals de ouderen de „ernstige roeping” in zich gevoelt om zooveel mogelijk te eten, maar die rond wil vliegen en snakt naar ’t licht, schildert Van Eeden ons de botsing tusschen den idealist onder de menschen, „die zijn teedere ziel zal stooten en gepijnigd zal worden door grofheden” en de materialist die niets beoogt dan stoffelijk voordeel.

Kribbelgauw, de groote held der kruisspinnen, die duizend van zijn eigen kinderen vermoordde, is het type van den geweldigen veroveraar, die later „eeuwig vereerd wordt om zijn grooten moordlust.”

Dan nogde dikke aaldiekoningwas in den vijver, „die altijd in den modder lag te slapen, behalve wanneer hij eten kreeg, dat anderen hem brachten. Hij at verschrikkelijk veel. Dat was omdat hij koning was,—men wilde graag een dikken koning, dat stond deftig.”

Invloed van Wistik.Voor Johannes begint een tweede periode van ’t leven: in hem ontwaaktde dorst naar kennis, hij wil het waarom der dingen weten. Tal van vragen komen in snelle, spookachtige opeenvolging in Johannes hoofd: „Waarom waren de menschen zoo? Waarom moest hij hen verlaten? hun liefde verliezen? Waarom moest het winter worden? Waarom moesten de bladeren vallen en de bloemen sterven: Waarom? Waarom?”

Johannes begint te beseffen dat de fantasie ons veel kan geven en veel kan doen begrijpen, maar niet genoeg. Daarom vraagt hij raad aanWistik, evenals Windekind voorgesteld als een persoon buiten Johannes, maar in werkelijk iets in hem: de dorst naar kennis. Wistik onderzoekt niet zelf, maarhaalt z’n kennis uit boeken en éen boek is er, waarnaar hij rusteloos zoekt, „want dat ware boekje moet groot geluk en grooten vrede brengen,—daarin moet nauwkeurig staan, waarom alles is zooals het is, zoodat niemand iets meer kan vragen of verlangen.” Dat boekje tracht Johannes nu ook te vinden. Hij krijgt een aanwijzing van Wistik, een soort tooverspreuk:

Het geluksboek.„Menschen hebben het gouden kistje, elfen hebben den gouden sleutel, elfenvijand vindt het niet, menschenvriend slechts opent het. Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.”

Wistik bedoelt:

Dat gelukbrengende boekje is te vinden bij de menschen; wie alles wil begrijpen en doorgronden moet zich niet afzonderen, maar zich begeven onder de menschen en daar werken en zoeken.

„Elfen hebben den gouden sleutel”; behalve ’t werken onder de menschen is er fantasie en een hooggestemd dichterlijk gemoed noodig om dat groote geluk te begrijpen. Dat dichterlijke is vertegenwoordigd in Oberon en Windekind.

„Elfenvijand vindt het niet.” Al heeft iemand nog zooveel kennis, hij zal de geheimen niet doorgronden als hem de goddelijke gave der verbeelding en der poëzie ontbreekt. Johannes heeft die gave wel en van Oberon heeft hij ’t gouden sleuteltje dan ook al gekregen.

„Menschenvriend slechts opent het.” Als men ’t kistje en ’t sleuteltje heeft, kan men ’t nog niet openen. Dat kan echter alleen een menschenvriend, iemand die meeleeft met de menschen en meelijdt met de lijdenden.

„Lentenacht is de rechte tijd en roodborstje weet den weg.” De lente is de tijd dat de natuur herboren wordt, de tijd der liefde en ’t roodborstje met zijn gloeiende borst het symbool der vlammende liefde. (Ook in ’t derde deel is een groote vlam boven op den tempel ’t zinnebeeld der liefde).

Robinetta.Johannes gaat het kistje zoeken. Windekind is weg, omdat Johannes ’t vertrouwen in hem verloren heeft en Johannes gaat onder de menschen. Hij komt bij tweegoede oude menschen, een tuinman en z’n vrouw. Wel vindt hij daar een boek, den Bijbel, waaruit hij geregeld moet voorlezen, maar dat is ’t menschenboek en niet ’t geluksboekje, ’t welk Johannes zoekt. Windekind komt niet terug, maar eens op een mooien lentedag ziet hij een meisje,Robinetta, die hem in gedaante, in kleeding en in spreken aan Windekind doet denken. Weldra vergeet hij Windekind voor Robinetta, „de naam Windekind klonk flauwer in hem en verwarde met Robinetta.” Schijnbaar is Johannes op den goeden weg: ’t is Lente en ’t roodborstje dat hem den weg moet wijzen is bij Robinetta. Johannes zelf wil echter niet verder zoeken: hij is tevreden, genietend van z’n jonge liefde, maar Wistik laat hem niet met rust en hij vraagt werkelijk ’t roodborstje of ’t den weg weet naar ’t gouden kistje. Het diertje knikt, maar tjilpt, terwijl ’t schuins naar Robinetta gluurt: „Hier niet, hier niet!” De liefde voor Robinetta is niet de wàre liefde, door haar kan hij het ware geluk niet deelachtig worden. Later, in ’t tweede en derde deel, zegt Van Eeden ons, welke liefde bedoeld is: de liefde tot den Vader en de Menschheid.

Robinetta begrijpt Johannes niet en als hij haar spreekt over dat boekje, denkt ze dat hij den Bijbel bedoelt en dàt boek zal Johannes den volgenden dag zien. Dan volgt de vreeselijke ontnuchtering: Johannes bedoelt niet het „boek der boeken”, hij is zelfs zoo dwaas iets te zeggen van ’t geen Windekind hem geleerd heeft, wordt voor goddeloos en diep bedorven gescholden en met schande weggejaagd.

Pluizer.Johannes is geheel gebroken. Robinetta is weg voor altijd, Windekind zal nooit terugkomen, de bloemen en dieren vertrouwen hem niet meer en tevergeefs zocht hij met Wistik het gouden sleuteltje. In dezen toestand konPluizergemakkelijk den baas over hem spelen en hem, althans voorloopig, in z’n macht houden. Pluizer is weer iets in Johannes zelf, dat als een persoon wordt voorgesteld: ’t is de zucht om alles na te snuffelen en uit te pluizen, de materialistische levensbeschouwing, die al ’t dichterlijke in den mensch doodt en in niets gelooft dan in de stof. Pluizer is dus ’t type van denmaterialisten hij stelt zich dan ookten doel alle idealen van Johannes te vernietigen, z’n fantasie te dooden. In de bloedroode wolken „is het mistig, grijs en koud”; Windekind bestaat niet; Robinetta hield Johannes even goed voor den gek als de anderen, ze vond hem een aardig jongetje en heeft met hem gespeeld, zooals ze met een meikever zou spelen; de liefde voor het Groote Licht is een praatje van Windekind, hersenschimmen, droomerijen; een bal is een groote hengelpartij. Pluizer toont Johannes juist het afzichtelijke: hij leidt hem door de krotten der wereldstad, door de ziekenzalen en zelfs voerthijhem in ’t kerkhof om Johannes te laten zien wat er eens van de menschen zal worden.

Dr. Cijfer.Door Pluizer komt Johannes in aanraking metDr. Cijfer, het type van den natuuronderzoeker, die alles systematisch nagaat, en ten slotte het gevondene in een formule tracht vast te leggen. Hij is een heel ander en hooger staand man dan Pluizer. Cijfer is geen mensch zonder gevoel, maar hem gaat de wetenschap boven alles. Zulk een mensch moet de kleine gevoeligheden die de gewone menschen kennen, laten varen voor dat éene groote:—de wetenschap. Hier is ’t: alles of niets.

Johannes komt in de leer bij dokter Cijfer, maar rust en vrede vindt hij niet. Als Cijfer iets in bizonderheden heeft nagegaan en zijn uitkomst in een formule heeft uitgedrukt, is hij tevreden, maar Johannes niet. „Alles viel uiteen tot cijfers—bladen vol cijfers. Dat vond doctor Cijfer heerlijk, en hij zeide, dat het hem licht werd, als de cijfers kwamen,—doch voor Johannes was dat duisternis.”

Zoo is deze periode in Johannes’ leven een tijd van doodende duisternis. Er moet iets bizonders gebeuren om hem tot zich zelf te brengen en hem de kracht te geven zich te ontworstelen aan het neerdrukkende materialisme. Die crisis komt werkelijk: Pluizer durft de hand slaan aan ’t lijk van Johannes’ vader—een vader is immers een gewoon mensch, niets anders! Zelfs de ouderliefde wordt door het materialisme aangetast en daartegen komt Johannes in opstand. Hij strijdt tegen Pluizer en overwint. Maar gelùkkig is hij nog niet.

Johannes vrij.Hij ziet DeDoodaan ’t sterfbed, met z’n zachte ernstige oogen en hij smeekt dezen hem mee te nemen, maar hij weigert. „Zal Pluizer weerkomen?” fluistert Johannes. „Nooit. Wie hem eenmaal aandurft, ziet hem niet weer.” Wie eens met het materialisme heeft gebroken, heeft aan z’n heerschappij voorgoed een einde gemaakt.

Windekind zal Johannes hier evenmin terugzien: het onschuldige genot der kinderjaren keert nimmer terug: het leven eischt ernst van den mensch. „Gij moet een goed mensch worden Johannes. Het is een schoon ding een goed mensch te zijn,” zegt de Dood.

Zoo komt een nieuwe strijd voor Johannes. Tegen den avond staat hij aan de wonderschoone, lokkende zee, hij ziet Windekind in een bootje op de golven wegdrijven met het gouden kistje in de hand. Naast hem staat de Dood: alleen deze kan Johannes bij Windekind brengen en door den dood alleen kan hij ’t boekje vinden.

Nieuw ideaal.Maar terwijl Johannes staart naar de wenkende gestalte van Windekind, ziet hij plotseling een gedaante over de golven aanschrijden:de Liefde voor de Menschheid.

Deze Mensch laat Johannes de keuze: òf de Dood, Windekind en het Groote Licht waarnaar hij altijd verlangd heeft, of een leven van dienende liefde gewijd aan de lijdende Menschheid. Dan voelt Johannes een nieuw leven in zich opbloeien: hij wil zich wijden tot priester in dienst der Menschheid. Hij beseft dat hij een egoïst geweest is: hij wenschte kennis en gelukalleen voor zich—aan de lijdende menschen heeft hij niet gedacht. Maar nu is z’n levensdoel hem duidelijk geworden: hij zal leven voor de verdrukten. „Met zijn ernstigen geleider gaat hij den killen nachtwind tegemoet, den zwaren weg naar de groote duistere stad, waar de menschheid is en haar weedom.”

Tweede en Derde Deel.

Het nieuwe leven.Voor Johannes begint een nieuwe periode: hij zal aan de hand van zijn Geleider het leven doorgaan, hij zal kennis maken met verschillende menschen en onder hen den vrede zoeken, die hij nog nergens gevonden heeft. Vandaar ook een verschil tusschen het eerste boek en de twee laatste: het eerste ’t boek derfantasie, de beide andere, voor een groot deel tenminste, die derwerkelijkheid. Van Eeden geeft in deze twee deelen zijn meening over onze maatschappij:hoe die isenhoe ze volgens hem moet zijn. ’t Is dus een verbinding van realiteit en fantasie.

Johannes moet nu zijn weg door ’t moeilijke leven zoeken. Hij wordt geleid door deLiefde voor de Menschheid, een liefde die altijd in hem was, maar sluimerde. De mensch die over de woelende, vurige wateren heen schrijdt en Johannes toespreekt, zegt: „Ik was het, die u deed weenen om de menschen, terwijl gij uwe tranen niet begrijpen kondt. Ik was het die u deed liefhebben, waar gij uw liefde niet verstand. Ik ben bij u geweest, en gij hebt mij niet gezien, ik heb uwe ziel bewogen en gij hebt mij niet gekend” (deel I blz. 191).

Maar niet dadelijk wordt dat goede in den mensch bewust: „Vele tranen moeten de oogen verhelderen, die mij zien zullen.” Schijnbaar zal die goede geleider ons wel eens verlaten, maar in werkelijkheid niet. De geleider zegt dan ook tot Johannes: „Welnu Johannes, onthoud dan dit, gij hebt mij altijd bij u (II. 7). Vandaar ook dat die Geleider soms geruimen tijd verdwijnt, maar telkens terugkomt en tevens dat Johannes voelt dàt zijn vriend terug zal keeren.

De Geleider Markus Vis.DeGeleideris weer iets in Johannes zelf:zijn liefde voor de lijdende menschheid en zijn streven om die menschheid op te heffen. En dat weer voorgesteld als een persoon, als de scharenslijperMarkus Vis, een figuur die ons telkens aan Christus doet denken en door zijn uiterlijk en door zijn wijze van optreden. Glanzend bleek is zijn gelaat „met de golvende lokken, de oogen vol eindeloos zachten weemoed”, die onuitsprekelijke deernisopwekken, en dan de stem met haar zachten, diepen klank. Hij steunt de lijdenden en verdrukten en tuchtigt de Farizeeërs. Van Eeden laat Christus als ’t ware nòg eens op aarde komen en schetst ons hoe Hij thans behandeld zou worden.

Als eenarmmensch komt de Geleider onder de menschen en dat mòet: hij wil de broeder der menschen zijn opdat zij hem zullen kennen. „Mijn ziel is hoog en mijn hart blij—en omdat ik zoo sterk ben, kan ik buigen tot hen, die laag en droevig zijn, opdat ze mij bereiken en met mij het Licht.” Hij is dus een arm mensch, omdat de verdrukten hem dan beter zullen begrijpen en hij ze eerst dàn kan opheffen.

Twee hoofdpersonen.Er zijn door deze eigenaardige wijze van voorstellen twee hoofdpersonen: Johannes en Markus, die dikwijls naast elkaar gaan, maar soms is Johannes geruimen tijd alleen. Van Eeden leert ons dus op twee wijzen:

1. door de ondervindingen vanJohannes.

2. door de daden en woorden vanMarkus.

Het leven van Johannes.Johannes gaat thans in ’t „volle menschenleven”: hij „wil een mensch zijn onder de menschen en een goed mensch, die goed doet aan de menschen.” Maar zijn taak is zwaar, niet altijd is het hem mogelijk op ’t rechte spoor te blijven, soms dwaalt hij. En eigenaardig is, dat in moeilijke oogenblikken Marcus hem niet wil raden: dat geeft toch niets, Johannes moet zèlf handelen en zèlf beoordeelen, of zijn daad goed of slecht is. Hij moet worden een mensch met eigen denkbeelden, vertrouwende op eigen krachten.

Zijn moeilijke taak begint. Hij komt in aanraking met arme menschen, metkermisklanten. Hij moet met Markus werken voor de kost, moet scharen ophalen, wordt doodmoe van die ongewone inspanning en ’s nachts mag hij uitrusten in een armelijke slaapstee. Er is niets hoogs in dit alles: zijn Geleider is een gewone scharenslijper, die blij is met hard werken een rijksdaalder per dag te kunnen verdienen. ’t Wordt den eersten dag Johannes al haast te zwaar, doch een gesprek met Markus doet hem zijn krachten herkrijgen.

Marjon.Bovendien is er éen wezen, waaraan hij denkt met teederheid en terwille van wie hij zal trachten vol te houden:Marjon, het arme meisje uit het paardenspel, met haar trouwe oogen en haar krans van blonde haren. Marjon is een pracht-figuur, een meisje dat later met Johannes meetrekt de wijde wereld in, dat hem liefheeft en alles doet om hem gelukkig te maken. Een opofferende, liefdevolle vrouwenfiguur en vooral aantrekkelijk omdat ze meer een werkelijk mènsch is dan de zoekende, droomende Johannes.

Tante Séréna.Johannes houdt het een tijdlang uit bij de kermislui, trekt met Markus en Marjon naar een andere plaats, maar eindelijk wordt het hem te machtig en hij is blij dat tanteSérénahem laat halen in ’t mooie huis met de ruime, frissche slaapkamer. Markus geeft hem geen raad: „Doe wat je goed schijnt, jongen: en wees niet bang”, is ’t eenige wat hij zegt.

Hekeling van de schijnvroomheid.Bij tante Séréna komt Johannes in een heel andere omgeving, een omgeving van schijnvroomheid, waar koning Waan heerscht. Tante is heél vroom en héel tevreden. Ze vindt zich zelf een buitengewoon goed mensch, doet veel aan armbezoek, waarbij haar deugden telkens opgehemeld worden; houdt een weldadigheidskrans, waar allemaal vrome, kwebbelende dames komen, die lekker eten, kwaadspreken en ondertusschen allerlei prutserijen maken. Allemaal zijn ’t volgens de oude meidDaatje„veranderde menschen.”—„Volgens Daatje was de natuurlijke mensch niet goed, en moest ieder veranderen eer hij deugen kon.”—Een feest is ’t als domineeKraalboomop ’t avondje verschijnt. Kraalboom is iemand die zich erg gewichtig gevoelt, door de dames eerbiediglijk wordt ontvangen, ongeveer iemand als de Génestet zoo kostelijk geteekend heeft in zijn leekedicht: „Verandering”.1Ooktegenover Johannes doet hij erg gewichtig,—maar maakt zich heel boos als Johannes vraagt, waarom een arme zieke jongen en ook Daatje het zooveel slechter hebben dan tante en hij.

Tante zelf is niet slecht, ze is alleen een slachtoffer van haar omgeving. Vriendelijke oogen heeft ze, ze is heel lief voor Johannes, zorgt goed voor hem en laat zelfs Markus binnen.2

Tegenover den godsdienst van Kraalboom stelt Van Eeden zijn opvatting van ’t Christendom. Kraalboom spreekt in de kerk over de aanmatiging van jonge lieden die alle menschen gelijk willen maken, die ’t koninklijk en goddelijk gezag willen wegredeneeren en de menschen oproerig en ontevreden maken. Dan staat Markus op en stelt daartegenover zijn meening:

’t Schrijnende verschil tusschen armoede en rijkdom is een gevolg van menschelijke schuld, de Vader wil dat niet.

Men moet genieten van ’t schoone in de schepping: Zou de Vader bosschen en bergen, zeeën en bloemen, goud en juweelen hebben gemaakt en begeerd dat wij dat alles zouden verachten en verwerpen?

De arme kan Gods gerechtigheid en Zijn schoone natuur niet verstaan, omdat hij gedurig moet zwoegen en daardoor verstompt: de rijke ziet het niet omdat hij te veel heeft en in dien overvloed zal verdrinken.

Door deze gebeurtenis wordt Johannes weer op den rechten weg gebracht: hij verlaat tante Séréna en tracht Markus te vinden, maar komt terecht bij Marjon.

Pan.Eenintermezzoin dit gedeelte ishet uitstapje van Wistik en Johannesnaar Phrygië. Wistik heeft een Phrygisch mutsje op: hij heeft Phrygië gevonden, heeft kennis gekregen van de Oud-Grieksche maatschappij, van den tijd toen de menschenPand.i.de natuur, nog kenden en eerden. Toen waren de menschen schoon en niet leelijk zooals nu: „We hebben altijd het verkeerde merk te pakken gehad,” zegt Wistik, „het uitschot, de afval. De rechten zijn zoo kwaad niet.” Dan ziet Johannes in zijn verbeelding het heerlijke der Grieksche mannen en vrouwen, met hun dik lokkig haar, hun kleeding die harmonieert met de omgeving, hun statige gracieuse manieren, edele trekken en hun heldere, vurige oogen. Ook hunne woningen zijn in harmonie met de natuur: van donker hout en blanken steen zijn ze opgetrokken, versierd met slanke zuilen waaromheen de wingerd kronkelt.

Vlucht naar Duitschland.JohannesenMarjonbesluiten samen te vluchten, vooral omdat Johannes bang is voor het „Zwarte Wijf”, dat het zinnelijke in hem tracht op te wekken, maar hem slechts afschuw inboezemt.

Ze vluchten op een Rijn-aak naar Duitschland. Johannes dicht liederen, Marjon maakt de melodie en met Keesje, ’t aapje, halen ze ’t geld op. Marjon, als jongen verkleed, is de leidster, zij heeft energie en weet in moeilijke oogenblikken er zich door te slaan, veel beter dan Johannes.

Gravin Dolorès en Van Lieverlede.Na eenigen tijd komen ze toevallig in aanraking met de meisjesOlgaenFridaen daardoor met gravinDolorèsenVan Lieverleede, die aanspiritismedoen. Dit gedeelte is—evenals de geschiedenis van tante Séréna en dominee Kraalboom, weer echt satiriek. Van Lieverleede en gravin Dolorès zijn leden van „een kring tot beoefening der hoogere wetenschappen en gemeenschappelijke verbetering van ons karma.” VanLieverleedeheeft in Johannes wat bizonders ontdekt. „Wij Johannes,” zegt Van Lieverleede, „behooren, om zoo te zeggen, tot de levensveteranen. Wij dragen de litteekens van tallooze incarnaties, de strepen van veeljarige—of laat ik liever zeggen, veeleeuwige dienst.” „Gravin Dolorès is onzezielszuster, een essens van opperste gloedroode passie en lelie-blanke veluw-puurheid.” Van Lieverleede’s woordkeuze is echt spiritistisch-filosofisch! Men leze nog eens zijn uitlegging van „De Kleine Johannes.” (deel IIblz. 193).

In de mijnstreken.Langzamerhand komt Johannes onder de bekoring van den zoogenaamden schoonheids-dienst, maar vóór zijn geheele afdwaling ontmoet hij nog eens Markus. Johannes heeft een visioen:de dood van Pan, de ontwijding der schoone natuur in de mijnstreken. (Vgl. wat in deel III blz. 3 gezegd wordt: „Pan is dood, zijn schoon wonderland gaat te gronde”).

Johannes weet niet wat te doen: hij is bedroefd al die schoonheid te zien vergaan, hij kent nog niet het mooie jonge leven dat op de puinhoopen van ’t oude zal ontbloeien, het nieuwe dat zijn Geleider hem zal laten zien. Dat rijk is zooveel schooner dan dat van Pan en Windekind, als de zon schooner is dan de maan.Markus voert hem te midden van de Duitsche mijnwerkers die in staking komen, omdat ze verdrukt worden en moeten leven in ellende. Daar in de vergaderzaal, als hij zich bevindt tusschen de ruwe, onschoone mijnwerkers, die vastbesloten zijn tot den moeilijken maar rechtvaardigen strijd en die een makker vergeven als hij ontrouw moèt worden aan de heilige zaak, voelt Johannes het schoone van ’t nieuwe leven. Dan jubelt het in hem omdat hij ziet, hoe in een vlaag van zuivere aandoening grootsche bewegingen als van zelf ontstaan.

Afdwaling.Nu is Johannes dus op den rechten weg, maar weer dwaalt hij af. Telkens komt hij in aanraking met gravinDolorès, met de kinderen die hij zoo lief en schoon vindt, metVan Lieverleededie hem voortdurend voorhoudt dat men de Schoonheid moet zoeken, dat het ruwe gemeden moet worden, omdat het neertrekt. Marjon is te ruw en te grof om dat Schoone te begrijpen. Johannes moet kiezen tusschen dat schijn-schoone en Marjon, die geen omgang wil met Lieverleede en die spreekt van „’t kappersluchtje van die kwiebus met z’n kuif.” Zij voelt instinctmatig het onware van deze zielsvereeniging. Markus wil Johannes niet raden: hij moetzelf een keuze doen. Na veel strijd scheidt Johannes van Marjon.

In Engeland.Een nieuw leven begint voor Johannes: hij komt in Engeland en wordt door gravin Dolorès geïntroduceerd bij ladyCrimmetart, een schatrijke dame, die schitterende soireé’s geeft. Haar man „is een gladde rakker, lord en aarts-millionair geworden door bloedzuiverende pillen.” ’t Is dus een echte parvenu-omgeving,een kostelijke parodie op de geldaristocratie die als kunstbeschermer optreedt. Gemakkelijk heeft Johannes het niet: zijn pakje is leelijk, zijn manieren zijn linksch en hij moet bij Lady Crimmetart optreden als professor Johannes van Holland, dichter en zanger, die vooral met zijn „Hollandsche Nationaal Hymmen” veel lof inoogst. Met de andere wondermenschen die op zoo’n avond hun krachten moeten vertoonen—professor vanPennewitzen mijnheerRanji-Banji-Sing—is ’t net als met Johannes, alles humbug en bedrog.

Veel indruk maakt op hem de dood vanHélène, die boet voor de zonden harer ouders, ’t slachtoffer van degeneratie en die van angst en zwaarmoedigheid krankzinnig is geworden. De demonenBangelingenDegeneratiedrijven haar tot zelfmoord. (Vgl. blz. 98–101 en 163 van ’t derde deel).

Johannes verliest zoo langzamerhand veel van zijn illusiën. Bovendien verneemt hij waaròm gravin Dolorès hem eigenlijk noodig heeft: ze meent dat hij een uitstekend medium is en haar misschien in contact zal kunnen brengen met haar gestorven man om hem te hooren of ’t huwelijk wettig is geweest of niet, en of dus haar beide kinderen Olga en Frieda aanspraak kunnen maken op de nalatenschap van den graaf. Voor Johannes is dit een groote ontnuchtering: hij dacht dat de gravin liefde voor hem gevoelde.

Onder de Spiritisten.Toch blijft hij nog altijd eenige hoop koesteren en die hoop wordt weer levendiger als hij met de gravin despiritistische séances van de Plejaden te Scheveningenbijwoont, want door de geesten worden „eenstemmig Johannes en gravin Dolorès aangewezen als diegenen van wier samenwerking de meeste uitkomst te verwachten was.” „Johannes moest naast de gravin zitten en haar hand vasthouden,en zoo te zamen de berichten der geesten neerschrijven. Voor Johannes was dit tegelijk een heerlijkheid en een zoete beproeving.”

Ook dit gedeelte is weer echt satiriek: geen van de leden der Plejaden wil weten dat hij tot deze ideale gemeenschap behoort. ’t Is bovendien een zonderling gezelschap: de zachtzinnige generaal, die buitengewoon nieuwsgierig is naar het leven aan gene zijde des grafs; de staatsraad en zijn vrouw met hun hoofsche, deftige manieren;Bommeldoos, de alwetende, verwaande professor, „die zoodanig met zichzelven ingenomen was, dat hij in een gesprek nooit acht gaf op hetgeen hem geantwoord werd, maar alleen op ’t geen hij zelven zeide” en de „niet meer zeer jonge freule, hoog-adellijk, dik, onbevallig en even onwetend als professor Bommeldoos geleerd was.”

Weldra blijkt het dat Johannes zich in zijn verhouding tot gravinDolorèsgeheel vergist heeft: ze verlooft zich nl. metVan Lieverleede. Johannes is radeloos, eerst wil hij zelfmoord plegen, dan z’n medeminnaar dooden, maar gelukkig komt Marjon, die zich als kamermeisje bij de gravin verhuurd heeft, als een goede geest op zijn pad en leidt hem op den goeden weg. Nu Johannes zich zelf weer geworden is, vindt hij ook Markus terug.

Tegen het Katholicisme.Nog éen gevaar bedreigt Johannes—de Octopus heeft vele armen!—hij wordt bijna bekeerd tot het Katholicisme door den handigen paterCanisius, die ook gravin Dolorès en Van Lieverleede overgehaald heeft Katholiek te worden. Pater Canisius treedt veel menschkundiger op dan dominee Kraalboom en Johannes komt onder zijn bekoring, maar dan komt Markus die Canisius bestraft evenals hij het vroeger Kraalboom deed.

Markus in ’t krankzinnigengesticht.Markus wordt, vooral door toedoen van Canisius, voor gek verklaard en in een krankzinnigengesticht opgesloten. Hij krijgt daar de gelegenheid de eigenwijze mannen der wetenschap, verpersoonlijkt inBommeldoos, een lesje te geven. Tegenover den waanwijzen Bommeldoos staat de èchte, waardige geleerde,Dr. Cijfer.

’t Rijk van Koning Waan.Een intermezzo is de droom van Johannes, zijn verblijf in ’t rijk vanKoning Waan, in ’t rijk van den Octopus met z’n talrijke vangarmen, die de menschen grijpt en ten val brengt. De gevreesde koning wordt bijgestaan door tal van demonen (de slechte menschelijke eigenschappen)Bangeling,Labbekak,Goedzak,Pluizer,Sleur,Degeneratie. Al die slechte eigenschappen brengen de menschen in ’t rijk van Koning Waan en Johannes ziet er dan ook heel wat menschen die in de macht van den Waan zijn. Hij zag er Dominee Kraalboom in een klein kerkje, ijverig preken met veel gebaren van handen en hoofd, terwijl in een spiegeltje zijn gezicht weerkaatst werd, met een heiligenkransje er om heen; pater Canisius, eveneens in een keurig kerkje, gekleed in schitterend, goud-geborduurd gewaad; een woordkunstenaar, die alles precies beschrijft zooals hij het ziet (een naturalist) en door Waan onder een vuilnisemmer is gezet; professor Bommeldoos die bezig is z’n eigen hersens te onderzoeken; de rijkste man der wereld, die zich inspint in gouden draden; allerlei strijders voor een bepaald idee; strijders op godsdienstig, politiek of economisch gebied o. a. de sociaal-democraatDr. Felbeckdie „trapte en schold en raasde, dat hem het schuim van den mond vloog”; tal van labbekakken en goedzakken die telkens een lepeltje weldadigheid of vroomheid nemen en dan weer kalmpjes inslapen.

Beschermd door Kennis en Liefde.Koning Waan wil ook Johannes grijpen maar deze heeft twee dingen die hem beschermen: het spiegeltje van Wistik en de vergeet-mij-nieten van Marjon.KennisenLiefde beschermen den mensch tegen de vangarmen van Waan.

Onder de Socialisten.Markus is verder in ’t laatste deel geheel de hoofdpersoon: Johannes raakt meer op den achtergrond en Markus treedt handelend op. Hij bestraft paterCanisius, spreekt op desocialisten-vergaderingtegenDr. Felbecken denanarchistHakkema, die volgens Markus ’t volk „paaien, vleien en honigsmeren” en er zoodoende „ingebeelde dwazen” van maken. Elk herzie zich zelf. „Hetgoede der aarde komt je nog niet toe, want je zou er even goed misbruik van maken, als zij, tegen wie men jullie ophitst in den strijd.” De klassestrijd die nu gevoerd wordt, is niet de ware, het moet een strijd zijn van rechtvaardigen tegen onrechtvaardigen, van wijzen en liefdevollen tegen dommen en dierlijken. Natuurlijk wordt Markus niet begrepen, zijn toehoorders zijn niet rijp voor die hooge ideeën, hij wordt beleedigd en gehoond door degenen die hij helpen wil.

Tegen ’t koningschap.Als slotde redevoering van Markus tegen ’t koningschap, de hooge eischen waaraan een waar koning moet kunnen voldoen. De koningsnaam komt alleen toe aan den allersterksten, allerwijsten mensch. Wat hier gebeurt is niets dan waan, niets dan blinkende schijn. „Het is een ijdel poppenspel, terwille van een voozen vrede, van een gebrekkige orde. Want er is niemand onder u, die de wijsheid en de kracht heeft dit volk tot rechtvaardigheid te leiden. En toch draagt gij allen de verantwoording van hun verwaarloozing, hun onwetendheid, hun ruwheid, hun ellende.” Beklagenswaardig zijn de koning en de koningin. „En gij twee arme menschen, bedolven onder den last uwer schijn-grootheid, arme man! arm, arm vrouwtje!—de bovenmenschelijke kracht om de leugen rondom u te breken zult ge niet hebben—moge de goede Vader, die u zijn gratie schonk, u hullen in vergevend erbarmen.”

Dood van Markus.Markus wordt na deze redevoering zoo mishandeld dat hij naar ’t ziekenhuis gebracht moet worden en na een onnoodige operatie sterft. Zijn dood is als die van Christus. Christus stierf aan ’t kruis tusschen de beide moordenaars, Markus op de ziekenzaal naast twee verloopen kerels, die beiden den machtigen invloed van zijn geest ondervinden. Markus’ lichaam gaat naar de snijkamer: Johannes en Marjon hebben geen geld en Van Lieverleede en gravin Dolorès weigeren met kouden spot alle hulp. Wel gaven de armen die Markus liefhadden zooveel ze kunnen missen, maar ’t is niet genoeg. Eindelijk komt de goede tante Séréna maar dan is ’t al te laat, niemand kan meer zeggen welke de deelenvan Markus lichaam zijn. Zoo is z’n leven één liefdedaad, zelfs zijn lichaam strekt ten slotte tot heil van de menschheid.

De Maatschappij der toekomst.Van Eeden schildert ons ook nog den invloed van Markus in de toekomst; schijnbaar heeft hij weinig verricht, maar ’t goede zaad is uitgestrooid en zaleensvruchten voortbrengen. Markus zèlf zegt als Johannes uitroept: „Maar lieve Markus, wat heeft het gebaat en wat zal het baten? Niemand zal ooit inzien wat alles beteekende. Niemand denkt op dit oogenblik meer om je, noch om je woorden.”

„Maar Johannes! herinner je je dan niet de geschiedenis van dat kleine zaadje, het nietigste van alle zaden. Het valt op aarde, het wordt vertreden, niemand ziet het, het schijnt geheel verloren en afgestorven in den vuilen grond. Maar op zijn tijd begint het te kiemen en wordt een plant. En de plant draagt nieuwe zaden, die de wind verspreidt. En de nieuwe zaden worden nieuwe planten, en de gansche aardbol wordt te klein voor de macht van wat er voortkwam uit dat nietige zaadje.” „Het vonkje is gevallen en gloeit voort in ’t verborgen. Het zaadje ligt in de duistere aarde en wacht zijn tijd.”

Hoe Van Eeden zich die toekomst voorstelt zegt hij ons ook. Johannes droomt dat hijWindekindterugvindt en deze laat hem zien hoe ’t er op aarde na duizend jaren zal uitzien. ’t Is heel natuurlijk dat juistWindekinden nietWistikJohannes begeleidt: dekenniskan ons iets zeggen over het verledene, zooals Wistik het deed toen hij Johannes naar ’t oude Griekenland voerde, maar defantasiealleen kan ons voorgaan in de toekomst.

De menschen.De menschen in datland der toekomstzijn geheel anders dan tegenwoordig: ze lijken veel op de schoone, krachtige Grieken, maar hun gezicht is ernstiger, met oogen vol gedachten. En dan: allen lijken ze op Markus, alsof het éen groot gezin is. Hun kleeding harmonieert met de natuur; de loshangende fijn-grijze, zacht-bruine en stemmig-groene gewaden misstaan niet in de teere tinten van ’t landschap. De mannen hebben volle baarden,de vrouwen hebben hunne vlechten om ’t hoofd gewonden en allen dragen ze kransen.

Eén met de natuur.De natuur is schoon als in den tijd toen men Pan nog eerde. Geen scherven en neergeworpen papieren ontsieren de duinen, overal zijn breed-schaduwende boomen, soms tot uitgestrekte, koel ruischende loovermassa’s vereenigd; kleurige bloemen en rijk bloeiende heesters groeien in ’t wild en tusschen dat alles zijn de blanke menschenhuizen gezaaid. Ze zijn niet meer als vroeger tot steden opgehoopt, ieder mensch kan van de natuur genieten; fabrieken met hun hooge schoorsteenen en vuilen rook ziet men niet, de menschen hebben ’t middel gevonden om hun werktuigen te drijven zonder dat ze de zwarte steenkool behoeven te branden. Verdwenen zijn ook de spoorwegen en de zwart-berookte stations: in plaats van de puffende lokomotief ziet men sierlijk gebouwde luchtschepen, die als groote blanke vogels zweven door ’t luchtruim. De menschen hebben geleerd van de natuur. „Het was de schuld der menschen zelf, toen ze zoo misstonden in de natuur. Want ze hadden er geen eerbied voor, en bedierven haar uit domheid. Nu hebben ze er van geleerd hoe zij zelf schoon en natuurlijk moeten zijn, en ze hebben haar te vriend gemaakt. Hun kinderen hebben geleerd, van de vroegste jeugd af, geen bloem of blad noodeloos te schenden en geen dier noodeloos te dooden, en altijd zorgen dat zij waardig zijn tusschen al die mooie en sierlijke dingen te verschijnen. Heilige eerbied voor al het schoone en vooral het levende is nu bij hen het strengste gebod. Zoo is er vrede ontstaan tusschen mensch en natuur, ze leven nu met de natuur in innig verkeer en hinderen elkaar niet.”

Staatsbestuur.In denpolitieken toestandis verandering gekomen. Staten bestaan niet meer, de menschen zijn éen groot huisgezin geworden. En ze kunnen dat, want in hen woont de geest van den Broeder. „Wij allen hebben den Vader lief met al ons hart en al ons verstand en terwille van Hem hebben wij elkander lief als onszelven,” is hun zinspreuk. Koningen hebben ze, maar Koningen zooals Markus die schilderde in zijn redevoeringen over het koningschap.Johannes ziet de vijf Koningen (dit zijn geen koningen van vijf verschillende staten, maar samen besturen ze het geheel) en Windekind zegt hem: „Dit zijn de edelsten, de wijsten, de sterksten, de schoonsten, de waardigsten onder de menschen. Het zijn zij, die alle menschelijke vermogens in volkomenste harmonie vereenigen. Zij zijn dichters, meesters van het woord, wijzen, die de zeden zuiveren en verheffen, regelaars van den arbeid, wegwijzers in bedrijf, in wetenschap. Niet allen zijn ze even voortreffelijk en niet altijd zijn er zooveel. Men zoekt en verheft de besten. Maar ze voeren geen staat, ze hebben geen hof, geen paleis, geen leger, geen rijk. Hun troon is waar ze zich nederzetten, hun rijk is de gansche wereld, hun macht is de schoonheid van hun woord, hun wijsheid en de liefde van alle menschen.”

De godsdienst.’t Middelpunt van de nieuwe maatschappij is een prachtig eiland in de Middellandsche zee, waar de vele tempels staan gewijd aan de Grooten onder de menschen, de dichters, wijsgeeren, componisten en ook de machtigste onder deze tempels, waarop de gulden vlam flikkert, het zinnebeeld der brandende liefde. Brandende liefde voor den Vader, maar ook voor de medemenschen. Alle jaren trekken duizenden naar dit paradijs en als de zon haar hoogsten stand bereikt „heffen allen een machtig koraal aan, statig, ernstig, machtig, en eenvoudig—dat als een stem opstijgt in de lichte gewelven, als een danklied en een gelofte tevens, een hernieuwing van den liefdeband tusschen God en menschen voor den nieuwen jaarkring.” Allen voelen zich dankbaar en gelukkig, als kinderen in een liefderijk gezin, onder Vaders zegen.

Het werk van Markus.En dat alles is het werk van éen, „dat heeft uw goede Broeder gedaan,” zegtWindekindtotJohannes. Het zaadje is ontkiemt, heeft wortel geschoten, is een plant geworden die nieuwe zaadjes heeft voortgebracht en de gansche aardbol voelt de macht van dat nietige zaad. Eens zal Markus’ geest op aarde zegevieren.

1Men vergelijkeb.v.de volgende regels uit dat gedicht:„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”en ook:„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”↑2Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis vanTante Suzanna Hofland, de schijnvromeCornelia Slimpslamp, broederBenjaminenOude BrechtuitSaartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aanWoutertje PietersevanMultatuliop ’t avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.↑

1Men vergelijkeb.v.de volgende regels uit dat gedicht:„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”en ook:„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”↑2Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis vanTante Suzanna Hofland, de schijnvromeCornelia Slimpslamp, broederBenjaminenOude BrechtuitSaartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aanWoutertje PietersevanMultatuliop ’t avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.↑

1Men vergelijkeb.v.de volgende regels uit dat gedicht:

„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”

„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”

„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”

„…. wee over hem, die te onzaliger uurZijn aard en zijn wezen verkracht.”

„…. wee over hem, die te onzaliger uur

Zijn aard en zijn wezen verkracht.”

en ook:

„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”

„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”

„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”

„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,Door geestelijken hoogmoed …. een zot;En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,Dan …. de oude was beter voor God!”

„…. ’k schreide om den man, die een rolletje speelt,

Door geestelijken hoogmoed …. een zot;

En ’k dacht: zoo me dat eennieuw menschverbeeldt,

Dan …. de oude was beter voor God!”

2Dit gedeelte vertoont veel overeenkomst met de geschiedenis vanTante Suzanna Hofland, de schijnvromeCornelia Slimpslamp, broederBenjaminenOude BrechtuitSaartje Burgerhart; ook tante Hofland wordt bedrogen. Tante Séréna is echter vrij wat beter mensch dan Tante Suzanna. Ook moet men onwillekeurig denken aanWoutertje PietersevanMultatuliop ’t avondje bij juffrouw Pieterse. Woutertje en Johannes lijken veel op elkaar.↑


Back to IndexNext